Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
17 DECEMBER 2010. - Codificatie betreffende het secundair onderwijs, gecoördineerd op 17 december 2010 (Citeertitel : Codex Secundair Onderwijs) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-06-2011 en tekstbijwerking tot 11-12-2025)
Titre
17 DECEMBRE 2010. - Codification relative à l'enseignement secondaire, coordonnée le 17 décembre 2010 (Citée comme : Code de l'enseignement secondaire) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-06-2011 et mise à jour au 11-12-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
DEEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN DEEL II. - BEGRIPPEN DEEL III. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETRE... TITEL 1. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Erkenningsvoorwaarden HOOFDSTUK 3. - Financiering en subsidiëring Afdeling 1. - Voorwaarden Afdeling 2. - Financiering en subsidiering van ... Onderafdeling 1. - Salariëring Onderafdeling 2. [1 Onderwijzend personeel - he... Onderafdeling 2/1. Onderafdeling 2/2. [1Flexibilisering van de ver... Onderafdeling 2/3. [1 Aanvangsbegeleiding]1 Onderafdeling 2/4. [1 Aanvullende uren-leraar e... Onderafdeling 2/5. [1 Aanvullende uren-leraar e... Onderafdeling 2/6. [1 Flexi-jobs]1 Onderafdeling 3. - Globale puntenenveloppe Onderafdeling 4. - Puntenenveloppe Raad van het... Onderafdeling 5. Onderafdeling 6. [1 Extra financiering en subsi... Afdeling 3. - Financiering en subsidiëring van ... Onderafdeling 1. - Algemeen Onderafdeling 2. [1 Naadloze flexibele trajecte... Onderafdeling 3. - Brussels ondersteuningscentr... Onderafdeling 4. - Bijzondere maatregelen voor ... Onderafdeling 5. [1 Extra financiering en subsi... Onderafdeling 6. [1 Extra werkingsbudget voor e... Art. 48/2. [1 Vanaf het begrotingsjaar 20TT, st... Onderafdeling 7. [1 Bijzondere maatregelen in h... HOOFDSTUK 4. - Scholengemeenschappen Afdeling 1. - Algemeen Afdeling 2. - Vorming van een scholengemeenschap Afdeling 3. - Bevoegdheden van een scholengemee... Afdeling 4. - Diverse voordelen voor scholengem... HOOFDSTUK 5. - Organen Afdeling 1. Afdeling 1.]1 - Representatieve vakorganisaties Afdeling 2.]1 - Overlegorganen inzake fundament... Afdeling 3.]1 - Lokaal comité op het niveau van... Onderafdeling 1. - Scholengemeenschap gesubsidi... Onderafdeling 2. - Netoverschrijdende scholenge... Onderafdeling 3. - Inzagerecht lokaal comité HOOFDSTUK 6. - Levensbeschouwelijk onderricht Hoofdstuk 6/1. [1 Bijzondere bepalingen over he... HOOFDSTUK 7. - Sancties TITEL 2. - BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN HOOFDSTUK 1. - Vrije keuze HOOFDSTUK 1/1. [1 - Recht op inschrijving]1 Afdeling 1. [1 - Beginselen]1 Afdeling 2. [1 - Voorrangsregelingen]1 Afdeling 3. [1 - Weigeren]1 Afdeling 4. [1 - Procedure]1 HOOFDSTUK 1/2. [1 - Aanmeldingsprocedures voor ... Afdeling 1. [1 - Beginselen]1 Afdeling 2. [1 - Ordeningscriteria]1 Afdeling 3. [1 - Het beëindigen van de aanmeldi... Afdeling 4. [1 - Goedkeuring aanmeldingsprocedu... HOOFDSTUK 1/3 [1 - Huisonderwijs]1 HOOFDSTUK 2. - School- en centrumreglement Hoofdstuk 2/1. [1 Het verbod op het gebruik van... HOOFDSTUK 3. [1 - Toelatingsvoorwaarden, evalua... HOOFDSTUK 3/1. [1 De Vlaamse toetsen.]1 HOOFDSTUK 4. [1 - Specifieke maatregelen voor b... HOOFDSTUK 4/1. [1 - Interactief afstandsonderwi... HOOFDSTUK 5. - [1 Leerplicht]1 HOOFDSTUK 6. [1 - Toegang tot en verwerking van... HOOFDSTUK 7. [1 - Maatregelen bij schending van... HOOFDSTUK 8. [1 - Beroepsmogelijkheden]1 Afdeling 1. [1 - Beroep tegen beslissing tot de... Afdeling 2. [1 - Beroep tegen beslissing tot ui... Afdeling 3. [1 - Beroep tegen een evaluatiebesl... Afdeling 4. [1 - Beroep tegen andere beslissing... HOOFDSTUK 9. [1 - Leerlingenstages]1 Hoofdstuk 10. [1 Leerlingenbegeleiding]1 Hoofdstuk 11. [1Principieel verbod op afzonderi... DEEL IV. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HE... TITEL 1. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN HOOFDSTUK 1. [1 Structuur en organisatie van he... Afdeling 1. Afdeling 1/1. [1 - Structuur en organisatie op ... Afdeling 2. - Structuur en organisatie op schoo... Afdeling 3. [1 - Doelen, curriculumdossiers en ... Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepaling]1 Onderafdeling 2. [1 - Doelen]1 Onderafdeling 3. [1 - Curriculumdossiers]1 Onderafdeling 4. [1 - Leerplannen]1 Afdeling 4. Afdeling 4/1. [1 - Lessenrooster]1 Afdeling 4/2. [1 - CLIL (Content and Language I... Afdeling 5. Afdeling 6. Hoofdstuk 1/1. [1 Structuur, organisatie en kwa... HOOFDSTUK 2. - Teldata HOOFDSTUK 3. - Programmatie Afdeling 1. Afdeling 2. - Programmatie van scholen [1 ...]1 Afdeling 3. Afdeling 3. - Programmatie van stru... Afdeling 4. - Afdeling 5. HOOFDSTUK 4. - Rationalisatie en fusie Afdeling 1. - Rationalisatienormen Afdeling 2. - Fusie van scholen HOOFDSTUK 5. HOOFDSTUK 5. - [1 ...]1 overheveling Afdeling 1. - Afdeling 2. Afdeling 3. - Overheveling HOOFDSTUK 6. - Financiering en subsidiëring Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van ... Onderafdeling 1. - Directeur Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel Onderafdeling 3. [1 - Scholen met studierichtin... Onderafdeling 4. - Topsportscholen Onderafdeling 5. - Onthaalonderwijs Onderafdeling 6. - Kunstsecundaire scholen Onderafdeling 7. - Geïntegreerd ondersteuningsa... Onderafdeling 8. - Geïntegreerd ondersteuningsa... Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van ... Onderafdeling 1. - Leerlingen- en schoolkenmerken Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale ... Onderafdeling 3. - Verdeling van het krediet vo... Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsb... Onderafdeling 5. - Evaluatie Onderafdeling 6. [1 - Personeel ten laste van h... TITEL 2. - BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN HOOFDSTUK 1. - Regelmatige versus vrije leerling HOOFDSTUK 1/1. [1 Inschrijvingsrecht voor schol... Afdeling 1. [1 Inwerkingtreding]1 Afdeling 2. [1 Recht op inschrijving]1 Afdeling 3. [1 Organisatie van de inschrijvingen]1 Onderafdeling 1. [1 Inschrijvingen voor het eer... Onderafdeling 2. [1 Inschrijvingen voor het eer... Onderafdeling 3 [1 Inschrijvingen voor het eers... Onderafdeling 4. [1 Inschrijvingen voor andere ... Afdeling 4. [1 Weigeren van inschrijving]1 Afdeling 5 [1 Bemiddelings- en klachtenprocedure]1 HOOFDSTUK /1/2. [1 Inschrijvingsrecht voor scho... Afdeling 1. [1 Inwerkingtreding]1 Afdeling 2. [1 Recht op inschrijving]1 Afdeling 3. [1 Organisatie van de inschrijvingen]1 Onderafdeling 1. [1 Inschrijvingen voor het eer... 253/41/1. [1 § 1. Bij een negatief besluit van ... Onderafdeling 2. [1 Inschrijvingen voor andere ... Afdeling 4. [1 Weigeren van inschrijving]1 Afdeling 5. [1 Bemiddelings- en klachtenprocedu... HOOFDSTUK 1/3. [1Specifieke bepalingen over cur... HOOFDSTUK 2. HOOFDSTUK 3. - [1 Examencommissie van de Vlaams... HOOFDSTUK 4. [1 - Screening niveau onderwijstaal]1 DEEL V. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET... TITEL 1. [1 - BEGRIPPEN]1 TITEL 2. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREF... HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende scholen v... Afdeling 1. - Structuur en organisatie Afdeling 2. [1 - Doelen [2 ...]2]1 Onderafdeling 1. [1 - Doelen van opleidingsvorm... Onderafdeling 2. [1 - Doelen van opleidingsvorm... Onderafdeling 3. Afdeling 3. - Programmatie en rationalisatie Onderafdeling 1. - Begrippen en inleidende bepa... Onderafdeling 2. - Fusie Onderafdeling 3. - Rationalisatie Onderafdeling 4. - Programmatie HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende leerlinge... Afdeling 1. - Toelatingsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Leeftijd Onderafdeling 2. [1 - [2 IAC-verslag en OV4-ver... Onderafdeling 3. - Type 5 Afdeling 2. [1 Recht op inschrijving]1 Onderafdeling 1. [1 Inwerkingtreding]1 Onderafdeling 2. [1 Beginselen]1 Onderafdeling 3. [1 Organisatie van de inschrij... Onderafdeling 4. [1 Weigeren]1 HOOFDSTUK 3. - [1 Financiering, subsidiëring en... Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van ... Onderafdeling 1. - Directeur Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel Onderafdeling 3. - Paramedisch, sociaal, medisc... Onderafdeling 3/1. Onderafdeling 3/2. [1 - Waarborgregeling bij da... Onderafdeling 3/3. Onderafdeling 3/4. Onderafdeling 4. - Plage uren Onderafdeling 5. - Geïntegreerd ondersteuningsa... Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van ... Onderafdeling 1. - Schoolkenmerken Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale ... Onderafdeling 3. - Verdeling van het werkingsbu... Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsb... Onderafdeling 5. [1 - Berekening van de werking... Onderafdeling 6. - Evaluatie Onderafdeling 7. [1 - Personeel ten laste van h... TITEL 3. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE... HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de schole... Afdeling 1. - Structuur en organisatie Hoofdstuk 1/1. [1 - Bepalingen betreffende de s... Afdeling 1. [1 - Structuur en organisatie]1 HOOFDSTUK 1/2. [1 - Bepalingen betreffende de s... Afdeling 1. [1 - Structuur en organisatie]1 HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende de schole... Afdeling 1. - Structuur en organisatie Afdeling 2. TITEL 4. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE... HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de schole... Afdeling 1. - Structuur en organisatie HOOFDSTUK 2. [1 - Bepalingen betreffende de sch... TITEL 5. [1 Specifieke bepalingen over de onder... HOOFDSTUK 1. [1 De ondersteuning voor het gewoo... HOOFDSTUK 2. [1 - De speciale onderwijsleermidd... DEEL V/1. [1 Specifieke bepalingen over duale s... Titel 1. [1 Inleidende bepalingen]1 Titel 2. [1 Opzet]1 Titel 3. [1 Structuur en organisatie]1 Titel 4. [1 Programmatie]1 Titel 5. [1 Leerlingen]1 Titel 6. [1 Arbeidsdeelname]1 Titel 7. [1 Financiering of subsidiëring van de... Titel 8. [1 Subsidiëring van de organisatoren]1 Titel 9. [1 Kwaliteitstoezicht]1 Titel 10. [1 Monitoring]1 Titel 11. [1 Overlegforum]1 DEEL V/2. [1 Specifieke bepalingen over de aanl... Titel 1. [1 Inleidende bepaling]1 Titel 2. [1 Opzet]1 Titel 3. [1 Structuur en organisatie]1 Titel 4. [1 Programmatie]1 Titel 5. [1 Leerlingen]1 Titel 6. [1 Financiering of subsidiëring van de... Titel 7. [1 Kwaliteitstoezicht]1 Titel 8. [1 Monitoring]1 Deel V3. [1 Specifieke bepalingen over duale st... Titel 1. [1 Inleidende bepalingen]1 Titel 2. [1 Opzet]1 Titel 3. [1 Structuur en organisatie]1 Titel 4. [1 Programmatie en rationalisatie]1 Titel 5. [1 Leerlingen]1 Titel 6. [1 Arbeidsdeelname]1 Titel 7. [1 Financiering of subsidiëring van de... Titel 8. [1 Subsidiëring van de organisatoren]1 Titel 9. [1 Kwaliteitstoezicht]1 Titel 10. [1 Monitoring]1 Titel 11. [1 Overlegforum]1 DEEL VI. - UITWERKINGSDATA DEEL VII. - AANPASSINGEN VAN DE VERWIJZINGEN NA... BIJLAGEN.
Inhoud
PARTIE Ire. - DISPOSITIONS INTRODUCTIVES PARTIE II.-DEFINITIONS PARTIE III. - DISPOSITIONS COMMUNES RELATIVES A... TITRE 1er. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ECOLES CHAPITRE 1er. - Généralités CHAPITRE 2. - Conditions d'agrément CHAPITRE 3. - Financement et subventionnement Section 1re. - Conditions Section 2. - Financement et subventionnement de... Sous-section 1re. - Rémunération Sous-section 2. [1 Personnel enseignant - redis... Sous-section 2/1. Sous-section 2/2. [1 Flexibilisation des rempla... Sous-section 2/3. [1 Encadrement initial]1 Sous-section 2/4. [1 Périodes-professeur et heu... Sous-section 2/5. [1 Périodes-professeur et heu... Sous-section 2/6. [1Flexi-jobs ]1 Sous-section 3. - Enveloppe globale de points Sous-section 4. - Enveloppe de points Conseil d... Sous-section 5. Sous-section 6. [1 Financement et subventionnem... Section 3. - Financement et subventionnement du... Sous-section 1re. - Généralités Sous-section 2. [1 Parcours enseignement-bien-ê... Sous-section 3. - Brussels ondersteuningscentru... Sous-section 4. - Mesures spéciales pour les fo... Sous-section 5. [1 Financement et subventionnem... Sous-section 6. [1 Budget de fonctionnement sup... Sous-section 7. [1 Mesures particulières dans l... CHAPITRE 4. - Centres d'enseignement Section 1re. - Généralités Section 2. - Constitution d'un centre d'enseign... Section 3. - Compétences d'un centre d'enseigne... Section 4. - Divers avantages pour les centres ... CHAPITRE 5. - Organes Section 1re. Section 1.]1 - Organisations syndicales représe... Section 2.]1 - Organes de concertation en matiè... Section 3.]1 - Comité local au niveau du centre... Sous-section 1re. - Centre d'enseignement de l'... Sous-section 2. - Centres d'enseignement transr... Sous-section 3. - Droit de regard du comité local CHAPITRE 6. - Enseignement philosophique Chapitre 6/1. [1 Dispositions particulières rel... CHAPITRE 7. - Sanctions TITRE 2. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ELEVES CHAPITRE 1er. - Libre choix CHAPITRE 1/1. [1 - Droit à l'inscription]1 Section 1re. [1 - Principes]1 Section 2. [1 - Régimes prioritaires]1 Section 3. [1 - Refus]1 Section 4. [1 - Procédure]1 CHAPITRE 1/2. [1 - Procédures de préinscription... Section 1re. [1 - Principes]1 Section 2. [1 - Critères de classement]1 Section 3. [1 - La cessation de la procédure de... Section 4. [1 - Approbation des procédures de p... CHAPITRE I/3. [1 - Enseignement à domicile]1 CHAPITRE 2. - Règlement d'école et règlement de... Chapitre 2/1. [1 L'interdiction d'utilisation d... CHAPITRE 3. [1 - Conditions d'admission, évalua... CHAPITRE 3/1. [1 Les tests flamands.]1 CHAPITRE 4. [1 - Mesures spécifiques en faveur ... CHAPITRE 4. [1 - Enseignement interactif à dist... CHAPITRE 5. - [1 Obligation scolaire]1 CHAPITRE 6. [1 - Accès aux et traitement des do... CHAPITRE 7. [1 - Mesures en cas de transgressio... CHAPITRE 8. [1 - Possibilités de Recours]1 Section 1re. [1 - Recours contre une décision d... Section 2. [1 - Recours contre une décision d'e... Section 3. [1 - Recours contre une décision d'é... Section 4. [1 - Recours contre d'autres décisio... CHAPITRE 3. [1 - Stages d'élèves]1 Chapitre 10. [1 Encadrement des élèves]1 Chapitre 11. [1 Interdiction de principe de l'i... PARTIE IV. - DISPOSITIONS SPECIFIQUES RELATIVES... TITRE 1er. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ECOLES CHAPITRE 1er. [1Structure et organisation de l'... Section 1re. Section 1/1. [1 Structure et organisation au ni... Section 2. - Structure et organisation au nivea... Section 3. [1 - Objectifs, dossiers du cursus s... Sous-section 1re. [1 - Disposition générale]1 Sous-section 2. [1 - Objectifs]1 Sous-section 3. [1 - Dossiers du cursus scolaire]1 Sous-section 4. [1 - Programmes d'études]1 Section 4. Section 4/1. [1 - Horaire des cours]1 Section 4/2. [1 - Enseignement d'une Matière pa... Section 5. Section 6. CHAPITRE 1/1. [1 Structure, organisation et qua... CHAPITRE 2. - Dates de comptage CHAPITRE 3. - Programmation Section 1re. Section 2. - Programmation d'écoles [1 ...]1 Section 3. - Programmation de subdivisions stru... Section 4. Section 5. CHAPITRE 4. - Rationalisation et fusion Section 1re. - Normes de rationalisation Section 2. - Fusion d'écoles CHAPITRE 5. - [1 ...]1 transfert Section 1re. Section 2. Section 3. - Transfert CHAPITRE 6. - Financement et subventionnement Section 1re. - Financement et subventionnement ... Sous-section 1re. - Directeur Sous-section 2. - Personnel enseignant Sous-section 3. [1 - Ecoles proposant une orien... Sous-section 4. - Ecoles de sport de haut niveau Sous-section 5. - Enseignement d'accueil Sous-section 6. - Ecoles d'enseignement seconda... Sous-section 7. - Offre d'appui intégrée, égali... Sous-section 8. - Offre d'appui intégrée, égali... Section 2. - Financement et subventionnement du... Sous-section 1. - Caractéristiques de l'élève e... Sous-section 2. - Fixation du budget total de f... Sous-section 3. - Répartition du crédit pour le... Sous-section 4. - Calcul du budget de fonctionn... Sous-section 5. - Evaluation Sous-section 6. [1 - Personnel à charge du budg... TITRE 2. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ELEVES CHAPITRE 1er. - Elève régulier et élève libre CHAPITRE 1/1. [1 Droit d'inscription pour les é... Section 1ère. [1 Entrée en vigueur]1 Section 2. [1 Droit à l'inscription]1 Section 3. [1 Organisation des inscriptions]1 Sous-section 1re. [1 Inscriptions pour la premi... Sous-section 2. [1 Inscriptions pour la premièr... Sous-section 3. [1 Inscriptions pour la premièr... Sous-section 4. [1 Inscriptions portant sur des... Section 4. [1 Refus d'inscription]1 Section 5. [1 Procédure de médiation et de plai... CHAPITRE 1/2. [1 Droit d'inscription pour les é... Section 1ère. [1 Entrée en vigueur]1 Section 2. [1 Droit d'inscription]1 Section 3. [1 Organisation des inscriptions]1 Sous-section 1re. [1 Inscriptions pour la premi... 253/ 41/1. [1 § 1. En cas d'une décision négati... Sous-section 2. [1 Inscriptions portant sur des... Section 4. [1 Refus d'inscription]1 Section 5. [1 Procédure de médiation et de plai... CHAPITRE 1/3. [1 Dispositions spécifiques relat... CHAPITRE 2. Chapitre 3. [1 Jury de la Communauté flamande p... CHAPITRE 4. [1 - Screening niveau langue d'ense... PARTIE V. - DISPOSITIONS SPECIFIQUES RELATIVES ... TITRE 1er. [1 - DEFINITIONS]1 TITRE 2. - DISPOSITIONS COMMUNES RELATIVES AUX ... CHAPITRE 1er. - Dispositions communes relatives... Section 1. - Structure et organisation Section 2. [1 - Objectifs [2 ...]2]1 Sous-section 1re. [1 - Objectifs des formes d'e... Sous-section 2. [1 - Objectifs de la forme d'en... Sous-section 3. Section 3. - Programmation et rationalisation Sous-section 1. - Définitions et dispositions i... Sous-section 2. - Fusion Sous-section 3. - Rationalisation Sous-section 4. - Programmation CHAPITRE 2. - Dispositions relatives aux élèves... Section 1re. - Conditions d'admission Sous-section 1re. - Age Sous-section 2. [1 -[2 rapport IAC et rapport O... Sous-section 3. - Type 5 Section 2. [1 Droit à l'inscription]1 Sous-section 1re. [1 Entrée en vigueur]1 Sous-section 2. [1 Principes]1 Sous-section 3. [1 Organisation des inscriptions]1 Sous-section 4. [1 Refus]1 CHAPITRE 3. - [1 Financement, subventionnement ... Section 1re. - Financement et subventionnement ... Sous-section 1re. - Directeur Sous-section 2. - Personnel enseignant Sous-section 3. - Personnel paramédical, social... Sous-section 3/1. Sous-section 3/2. [1 - Régime de garanties en c... Sous-section 3/3. Sous-section 3/4. Sous-section 4. - Heures de plage Sous-section 5. - Offre d'appui intégrée, égali... Section 2. - Financement et subventionnement du... Sous-section 1re. - Caractéristiques de l'école Sous-section 2. - Fixation du budget total de f... Sous-section 3. - Répartition des budgets de fo... Sous-section 4. - Calcul du budget de fonctionn... Sous-section 5. [1 - Calcul des moyens de fonct... Sous-section 6. - Evaluation Sous-section 7. [1 - Personnel à charge du budg... TITRE 3. - DISPOSITIONS COMMUNES RELATIVES AUX ... CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux form... Section 1re. - Structure et organisation CHAPITRE 1/1. [1 - Dispositions relatives aux é... Section 1re. [1 - Structure et organisation]1 CHAPITRE 1/2. [1 - Dispositions relatives aux é... Section 1re. [1 - Structure et organisation]1 CHAPITRE 2. - Dispositions relatives aux écoles... Section 1re. - Structure et organisation Section 2. TITRE 4. - DISPOSITIONS SPECIFIQUES RELATIVES A... CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux écol... Section 1re. - Structure et organisation CHAPITRE 2. [1 - Dispositions relatives aux éco... TITRE 5. [1 Dispositions spécifiques sur le sou... CHAPITRE 1er. [1 Le soutien à l'enseignement or... CHAPITRE 2. [1 - Moyens spéciaux d'aide à l'ens... PARTIE V/1. [1 Dispositions spécifiques relativ... Titre 1er. [1 Dispositions introductives]1 Titre 2. [1 Mise en place]1 Titre 3. [1 Structure et organisation]1 Titre 4. [1 Programmation]1 Titre 5. [1 Elèves]1 Titre 6. [1 Participation au marché de l'emploi]1 Titre 7. [1 Financement ou subventionnement des... Titre 8. [1 Subventionnement des organisateurs]1 Titre 9. [1 Contrôle de la qualité]1 Titre 10. [1 Suivi]1 Titre 11. [1 Forum de concertation]1 PARTIE V/2. [1 Dispositions spécifiques relativ... Titre 1. [1 Disposition introductive]1 Titre 2. [1 Mise en place]1 Titre 3. [1 Structure et organisation]1 Titre 4. [1 Programmation]1 Titre 5. [1 Elèves]1 Titre 6. [1 Financement ou subventionnement des... Titre 7. [1 Contrôle de la qualité]1 Titre 8. [1 Suivi]1 Partie V/3. [1 Dispositions spécifiques relativ... Titre 1er. [1 Dispositions introductives]1 Titre 2. [1 Conception]1 Titre 3. [1 Structure et organisation]1 Titre 4. [1 Programmation et rationalisation]1 Titre 5. [1 Elèves]1 Titre 6. [1 Participation au marché de l'emploi]1 Titre 7. [1 Financement ou subventionnement des... Titre 8. [1 Subventionnement des organisateurs]1 Titre 9. [1 Contrôle de la qualité]1 Titre 10. [1 Monitoring]1 Titre 11. [1 Forum de concertation]1 PARTIE VI. - DATES D'EFFET PARTIE VII. - ADAPTATIONS DES REFERENCES AUX AR... ANNEXES.
Tekst (976)
Texte (976)
DEEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN
PARTIE Ire. - DISPOSITIONS INTRODUCTIVES
Artikel 1. De codificatie van de wettelijke en decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs regelt gemeenschapsaangelegenheden.
Article 1er. La codification des dispositions légales et décrétales relatives à l'enseignement secondaire règle des matières communautaires.
Art. 2. § 1. [6 De bepalingen van deel III van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs.
   In afwijking van het eerste lid:
   1° [15 ...]15
   2° gelden artikel 96 tot en met 99, [18 ...]18, 115/1 [19 , [20 en 116 tot en met 120 ]20]19 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  [11 3° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en [20 112, 122/2 tot en met 122/6]20, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en [24 met 123/24/5]24 ook voor de leertijd.]11]6

  § 2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs.
  De artikelen 216 en 242 tot en met [3 251/1]3 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.
  [17 De artikelen 253/1 tot en met 253/31 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied. De artikelen 253/33 tot en met 253/63 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
  [18 Artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, en artikel 253/52 tot en met 253/61 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd.]18
   [18 Artikel 253/1 tot en met 253/61 zijn niet van toepassing op de [22 opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden ]22 georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs.]18]17

  [5 § 2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de [22 opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden]22 georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van [14 de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]14.]5
  § 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs [7 , met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs.]7.
  [17 De artikelen 295/1 tot en met 295/15 zijn niet van toepassing op de ziekenhuisscholen.]17
  [7 De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs [12 , het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs]12.]7
  [10 § 3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
   De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.]10

  [13 § 3/2. De bepalingen van deel V/3 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 met duale structuuronderdelen.]13
  § 4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs.
  § 5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde [21 onderwijsinternaten ]21 en semi-internaten.
  [10 § 6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, [16 artikel 14, § 1 en § 3,]16 artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, [26 artikel 111 tot en met 117/1]26, artikel 122 tot en met 123/19, [25 artikel 134/2,]25 artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253 [17 , artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met [18 253/37]18, artikel 253/54 tot en met 253/63,]17 [16 [23 en 256/11]23]16.]10
  

Wijzigingen

Art. 2. § 1er. [6 Les dispositions de la partie III de la codification s'appliquent à l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, l'enseignement secondaire spécial et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande.
   Par dérogation au premier alinéa :
   1° [15 ...]15;
   2° les articles 96 à 99, [18 ...]18 115/1[20 et 116 à 120]20 ne s'appliquent pas à l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ;
   3° [11 3° les articles 110/1 à 110/18, 111 et [20 112, 122/2 à 122/6]20, 123/2 à 123/4, et 123/6 [24 à 123/24/5]24s'appliquent également à l'apprentissage.]11]6

  § 2. Les dispositions de la partie IV de la codification s'appliquent à l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande.
  Les articles 216 et 242 à [3 251/1]3 inclus s'appliquent également à l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
  [17 Les article s 253/1 à 253/31 s'appliquent uniquement aux écoles situées dans la région de langue néerlandaise. Les article s 253/33 à 253/63 ne s'appliquent qu'aux écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
   [18 Les articles 253/1 à 253/6, les articles 253/21 à 253/37 et les articles 253/52 à 253/61 s'appliquent également à l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et à l'apprentissage.]18]17

  [18 Les articles 253/1 à 253/61 ne s'appliquent pas à la [22 formations de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 qui sont organisées]22 par des écoles d'enseignement secondaire de plein exercice.]18
  [5 § 2/1. Les dispositions de la partie III et de la partie IV de la codification s'appliquent également à la formation de nursing de l'enseignement supérieur professionnel HBO 5 qui est organisée par les écoles d'enseignement secondaire à temps plein, sauf dispositions contraires explicites et sans préjudice de l'application des dispositions du [14 Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013]14.]5
  § 3. Les dispositions de la partie V de la codification s'appliquent à l'enseignement secondaire spécial agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande [7 , à l'exception de l'article 357, qui ne s'applique pas à l'enseignement secondaire spécial, mais uniquement à l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande]7.
  [17 Les article s 295/1 à 295/15 ne s'appliquent pas aux écoles hospitalières.]17
  [7 Les articles 351 à 356 s'appliquent également à l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande [12 , à l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et à la [22 formations de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 qui sont organisées ]22.]12.]7
  [10 § 3/1. Les dispositions de la partie V/1 du présent code s'appliquent aux écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, et aux centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises subventionnés, financés et agréés par la Communauté flamande.
   Les dispositions de la partie V/2 du présent code s'appliquent aux écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, et aux centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises subventionnés, financés et agréés par la Communauté flamande.]10

  [13 § 3/2. Les dispositions de la partie V/3 du présent Code s'appliquent aux écoles d'enseignement secondaire spécial qui sont agréées, financées et subventionnées par la Communauté flamande et proposent la forme d'enseignement 3 et 4 avec des subdivisions structurelles duales.]13
  § 4. La partie VI contient un aperçu de la date de mise en application des articles de la codification et la partie VII modifie les renvois aux articles repris dans la codification relative à l'enseignement secondaire.
  § 5. Le présent décret ne s'applique pas aux [21 internats de l'enseignement]21 ou semi-internats financés ou subventionnés par la Communauté flamande. (1)
  [10 § 6. Aux subdivisions structurelles duales et aux subdivisions structurelles de démarrage, organisées par un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, les différents articles s'appliquent : les articles 4 à 10 inclus, l'article 12, [16 l'article 14, §§ 1 et 3,]16 l'article 15, à l'exception du paragraphe 1er, 16°, les articles 35 à 38 inclus, les articles 41 à 43 inclus, l'article 47, 48, l'article 70, les articles 100 à 103 inclus, les articles 106 à 108 inclus, les articles 110/1 à 110/18 inclus, [26 les articles 111 à 117/1]26, les articles 122 à 123/19 inclus, [25 l'article 134/2,]25 les articles 136 à 136/6 inclus, l'article 150, l'article 157/1, les articles 169 à 173 inclus, l'article 252, 252/1, 253 [17 les article s 253/1 à 253/6 inclus, les article s 253/21 à [18 253/37]18 inclus, les article s 253/54 à 253/63 inclus]17 [16 [23 et l'article 256/11]23]16.]10
  

Wijzigingen

DEEL II. - BEGRIPPEN
PARTIE II.-DEFINITIONS
Art. 3. Voor de toepassing van de bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :
  1° [2 administratieve groep : entiteit binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd door een uniek administratief groepsnummer;]2
  [2 1° /1 afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene school tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere school gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;]2
  [35 1° /2 afzondering: het verblijf van een persoon in een ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;
   1° /3 afzonderingskamer: een specifieke, veilig ingerichte, hoog beveiligde ruimte, die de persoon niet zelfstandig kan verlaten;]35

  [37 1° /4 Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen: het agentschap, opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen;]37
  2° algemeen vormende component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende persoonsvorming en een maatschappelijk-culturele vorming bij te brengen;
  [2 2° /1 anderstalige nieuwkomer :
   a) in het voltijds gewoon secundair onderwijs : een leerling die [10 ...]10 gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1) op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens twaalf jaar en anderzijds geen achttien jaar geworden is;
   2) een nieuwkomer is, dat wil zeggen maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven;
   3) niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal heeft;
   4) onvoldoende de onderwijstaal beheerst om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;
   5) maximaal negen maanden ingeschreven is (vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen) in een onderwijsinstelling met het Nederlands als onderwijstaal;
   b) in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : een leerling zoals gedefinieerd in artikel 3, 1°, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;]2

  [9 c) in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs: een leerling die officieel verblijft in een open asielcentrum, zijnde een collectieve opvangstructuur als vermeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde categorieën van vreemdelingen en die op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar respectievelijk voor het voltijds gewoon secundair onderwijs minstens twaalf jaar en geen achttien jaar geworden is en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;]9
  3° basisoptie : een groep leervakken die in de eerste graad een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maakt;
  4° basisvorming : de vakken die aan elke leerling van een bepaald leerjaar zonder uitzondering dienen te worden onderwezen;
  5° [14 ...]14;
  6° beroepsgerichte component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft één of meer beroepsopleidingen te realiseren;
  [14 6° /1 beroepskwalificatie: een beroepskwalificatie zoals gedefinieerd in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;]14
  7° beroepsopleiding : een samenhangend geheel van beroepsgerichte opleidingsactiviteiten;
  8° bestuurspersoneel : de selectie- en bevorderingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
  9° betrokken personen : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf;
  [30 9° /0 bevoegd steunpunt: het universitair steunpunt dat erkend en gesubsidieerd wordt voor de ontwikkeling van de Vlaamse toetsen volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1999 houdende de regeling van de procedure en de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de universitaire steunpunten;]30
  [7 9° /1 brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren;]7
  10° centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs :
  - hetzij een autonome entiteit [13 die deeltijds beroepssecundair onderwijs en, wat het voltijds gewoon secundair onderwijs betreft, duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen organiseert]13 en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd;
  - hetzij een aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs verbonden entiteit [13 die deeltijds beroepssecundair onderwijs en, wat het voltijds gewoon secundair onderwijs betreft, duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen organiseert]13 en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd.
  [2 10° /1 [24 CLR: de Commissie inzake leerlingenrechten, vermeld in deel VIII, hoofdstuk 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016]24;]2
  [7 10° /2 compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden;]7
  [15 10° /2/1 consultatieve leerlingenbegeleiding: de kernactiviteit van een centrum voor leerlingenbegeleiding waarbij het versterking biedt aan de school bij problemen van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;]15
  [10 10° /3 contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;]10
  11° cursist : een regelmatige leerling in het hoger beroepsonderwijs;
  12° deeltijds beroepssecundair onderwijs : het onderwijs dat minder weken per jaar of minder lesuren per week omvat dan bepaald is voor het voltijds secundair onderwijs;
  [20 12° /0 Departement Werk en Sociale Economie: het departement, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]20
  [7 12° /1 differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum, een beperkte variatie in het onderwijsleerproces aanbrengt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;]7
  [7 12° /2 dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;]7
  [7 12° /3 disproportionaliteit/disproportioneel: onredelijkheid van aanpassingen aangetoond na een proces van afweging met toepassing van de criteria, als vermeld in artikel 2, § 2 en § 3, van het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;]7
  13° doorstroomcomponent : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende voor te bereiden op de vereisten van vervolgonderwijs en/of -opleiding;
  14° extra lesuren : een eenheid waarin de omkadering voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid in het buitengewoon secundair onderwijs uitgedrukt wordt;
  [14 14° /0 finaliteit: een begrip dat aangeeft waarop studierichtingen prioritair voorbereiden, namelijk op het hoger onderwijs, op de arbeidsmarkt of op beide;]14
  [30 14° /0/0 feedbackrapport: een rapport met de resultaten op de Vlaamse toetsen op het schoolniveau, het niveau van de leerlingengroep of het leerlingniveau;]30
  [35 14° /0/0/1 fixatie: elke handeling of elk gebruik van materiaal die de bewegingsvrijheid van een persoon beperkt, verhindert of belemmert, waarbij de persoon niet zelfstandig zijn bewegingsvrijheid kan herwinnen;]35
  [32 14° /0/1 GC-verslag: een verslag gemeenschappelijk curriculum, een verslag dat toegang geeft tot leersteun bij een gemeenschappelijk curriculum als vermeld in artikel 352 van deze codex;]32
  [7 14° /1 [37 gemeenschappelijk curriculum: de leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven]37;]7
  [15 14°/2 [21 [32 ...]32]21;]15
  [33 14° /3 Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages (CEFR).]33
  15° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van de school wordt ondergebracht;
  [4 15° /1 huisonderwijs :
   - het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school of centrum;
   - onder huisonderwijs wordt eveneens verstaan het onderwijs dat aan een leerplichtige wordt verstrekt in het kader van één van volgende regelingen :
   1° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan;
   2° het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
   3° het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;]4

  [11 15° /2 [32 een verslag individueel aangepast curriculum, een verslag dat toegang geeft tot een individueel aangepast curriculum, vermeld in artikel 294, Ї 2, 1А, van deze codex;]32;]11
  16° inhaallessen : de lessen die facultatief kunnen georganiseerd worden met het oog op een bijkomende gedifferentieerde benadering van de leerling;
  [2 16° /2 kadastraal perceel : een deel van het Belgisch grondgebied dat door een kadastraal perceelnummer wordt geïdentificeerd zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen;]2
  17° Koninklijk besluit nummer 66 : het koninklijk besluit nummer 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten;
  [2 17° /1 [4 leefentiteit]4 : leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder of leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats;]2
  [15 17° /1/1 leerlingenbegeleiding: een geheel van preventieve en begeleidende maatregelen. Leerlingenbegeleiding situeert zich op vier domeinen: de onderwijsloopbaan, leren en studeren, psychisch en sociaal functioneren en preventieve gezondheidszorg. De maatregelen vertrekken steeds vanuit een geïntegreerde en holistische benadering voor de vier begeleidingsdomeinen en dit vanuit een continuüm van zorg;]15
  [4 17° /2 leerlingenstage : een vorm van opleiding :
   a) buiten een vestigingsplaats van de school;
   b) in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever;
   c) onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever;
   d) waarbij effectieve arbeid wordt verricht;
   e) met de bedoeling beroepservaring op te doen;]4

  [25 17° /2/1 leerling met een zorgthuis:
   a) een leerling die effectief gebruik maakt van een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp voor:
   - een verblijf bij een jeugdhulpaanbieder als vermeld in artikel 2, § 1, 27°, van hetzelfde decreet, met uitzondering van de [29 onderwijsinternaten]29, vermeld in artikel 68, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp en met uitzondering van vrijwillige Jeugdhulpverlening in de multifunctionele centra, als bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
   - contextbegeleiding in functie van autonoom wonen of begeleiding in een kleinschalige wooneenheid, overeenkomstig artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp;
   b) een leerling die geplaatst is door de jeugdrechter of jeugdrechtbank in een gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
   c) een niet-begeleide minderjarige vreemdeling voor wie de voorwaarden, vermeld in [29 artikel 5 en 5/1]29 van hoofdstuk 6 van titel XIII van de Programmawet (I) van 24 december 2002, vervuld zijn;]25

  [6 17° /3 leertijd: [20 de opleiding, vermeld in artikel 2, 15°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";]20]6
  [7 17° /4 leerling met specifieke onderwijsbehoeften: leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:
   a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;
   b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;
   c) persoonlijke en externe factoren;]7

  [32 17А /4/1 leerondersteuner: de leerondersteuner, vermeld in artikel 5, 9А, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;
   17А /4/2 leersteun: ondersteuning als vermeld in artikel 6 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;
   17А /4/3 leersteunmodel: het leersteunmodel voor de organisatie van leersteun in scholen voor gewoon onderwijs, vermeld in hoofdstuk 3 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;]32

  [30 17° /5 leerwinst: de verandering in de leerprestaties tussen twee metingen bij dezelfde leerlingen op dezelfde meetschaal. Leerwinst kan verwijzen naar diverse niveaus: het Vlaamse niveau, het schoolniveau, en het leerlingniveau;]30
  18° lesuur : een prestatie van vijftig minuten;
  19° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;
  [2 19° /1 [26 LOP: een lokaal overlegplatform als vermeld in deel VIII, hoofdstuk 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016]26;]2
  20° [14 ...]14;
  21° [14 ...]14;
  22° [5 ...]5
  23° [9 ...]9
  24° ondersteunend personeel : de ambten van de personeelscategorie van het ondersteunend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
  [14 24° /1 onderwijskwalificatie: een onderwijskwalificatie als gedefinieerd in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;]14
  25° [1 onderwijsnet :
   - het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
   - het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs ingericht door publiekrechtelijke rechtspersonen andere dan het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap;
   - het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs ingericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;]1

  26° onderwijsvormen : het algemeen secundair onderwijs, het beroepssecundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs en het technisch secundair onderwijs;
  27° onderwijzend personeel : de wervingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
  28° opleiding : een geheel van onderwijs- en studieactiviteiten, erkend door de overheid en bestaande uit één of meer van volgende componenten : een algemeen vormende, een beroepsgerichte en een doorstroomgerichte component;
  29° opleidingsprofiel : een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, geformuleerd als eindtermen, die binnen een opleiding verworven moeten worden;
  30° opleidingsstructuur : het geheel van alle per studiegebied geordende opleidingen met bijhorende modules;
  31° [14 [31 ...]31]14;
  32° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in recht of in feite de leerling onder hun bewaring hebben.
  In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige leerling verstaan;
  [32 32А /1 OV4-verslag: het verslag, vermeld in artikel 294, Ї 2, 2;]32
  33° [14 ...]14;
  [14 33° /0 pakket: een of meerdere vakken waarmee de doelen van de overeenstemmende basisoptie worden gerealiseerd;]14
  [2 33° /1 pedagogisch project : het geheel van de fundamentele uitgangspunten voor een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of, voor wat de opleiding in de leertijd betreft, een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, en haar werking;]2
  34° plage-uren : uren die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren van de opdracht zoals bepaald in de onderwijsreglementering;
  [8 34° /1 preventorium: medische instelling die onder meer in residentieel verband kuurmogelijkheden biedt aan jongeren waar buitengewoon onderwijs van type 5 gegeven wordt;]8
  35° [29 35° programmatie: een wijziging van het onderwijsaanbod door middel van:
   a) hetzij de oprichting van een school die nog niet bestond op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, met de bedoeling die school in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring;
   b) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de twee voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel dat niet onder toepassing van punt c) of d) valt, met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Als het een structuuronderdeel betreft van het derde leerjaar van de derde graad dat op semesterbasis wordt georganiseerd, is de desbetreffende datum 1 oktober of 1 maart, naargelang het geval, van de twee voorafgaande schooljaren;
   c) hetzij de heroprichting op 1 oktober van een structuuronderdeel dat minstens drie schooljaren terug is opgeheven doordat de toepasbare leerlingennorm niet werd bereikt, met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Als het een structuuronderdeel betreft van het derde leerjaar van de derde graad dat op semesterbasis wordt georganiseerd, is de desbetreffende datum 1 oktober of 1 maart, naargelang het geval;
   d) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de zes voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel met in de benaming de component `topsport', met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Opdat de heroprichting van een structuuronderdeel, conform deze definitie, niet als een programmatie wordt beschouwd, organiseert de betrokken school ten minste één sportdiscipline die eerder ook al aan die school is toegewezen; ]29
]19
  36° [14 ...]14;
  [7 36° /1 remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;]7
  37° secundair onderwijs : het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  [18 37° /1 selectieve participatietoeslagen leerling: de selectieve participatietoeslagen, zoals opgenomen in boek 2, deel 2, titel 1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;]18
  38° [2 38° school : een autonome entiteit die voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd. Voor de toepassing van deel III, titel II, hoofdstuk 1/1 [28 [35 , hoofdstuk 4/1 en hoofdstuk 11]35]28, wordt onder school en school voor gewoon secundair onderwijs ook een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor wat de opleiding in de leertijd betreft ook een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen begrepen;]2
  39° scholengemeenschap : één school of een groep van scholen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;
  [21 39° /1 scholengemeenschapsinstelling: een scholengemeenschapsinstelling is een instelling die geen onderwijsinstelling is en die uitsluitend opgericht kan worden binnen één scholengemeenschap en zich beperkt tot en als enige doel heeft daar personeelsleden, die werken ter ondersteuning van de scholen van de scholengemeenschap aan te stellen, te affecteren, toe te laten tot de proeftijd en vast te benoemen indien ze daarvoor in aanmerking komen]21
  40° [6 choolbestuur: de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen; wat de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, kan het schoolbestuur ook worden vermeld onder de benaming centrumbestuur;]6
  [36 40° /0 slim apparaat: een elektronisch apparaat, dat verbonden kan worden met andere apparaten via telefoonnetwerken, netwerken of draadloze protocollen;]36
  [11 40° /1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen [19 , werken en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde arbeid]19;]11
  41° [14 ...]14;
  42° [14 structuuronderdeel: een onderverdeling in het onderwijsaanbod die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd kan worden]14;
  [14 42° /1 studiedomein: een inhoudelijk samenhangend thematisch geheel van studierichtingen die van abstract tot praktisch geordend zijn;]14
  43° [14 ...]14;
  [14 43° /0 studierichting: de combinatie van basisvorming, specifiek gedeelte en complementair gedeelte;]14
  [6 43° /1 [20 ...]20]6
  [15 43° /1/1 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;]15
  [22 43° /2 [27 ...]27;]22
  44° trekkende bevolking : de binnenschippers, de kermis- en circusexploitanten en Bartiesten en de woonwagenbewoners bedoeld in artikel 2, 3° van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaams beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;
  [7 44° /1 uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het centrum voor leerlingenbegeleiding een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het centrum voor leerlingenbegeleiding richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school, de leerling, al dan niet in zijn context, wense- lijk is alsook de omvang en de duur daarvan;]7
  45° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die ofwel definitief vacant is ofwel tijdelijk vacant is voor een periode van ten minste tien werkdagen;
  [14 45° /0 vakkencluster: een groep van twee of meer vakken die zijn vastgelegd in uitvoering van artikel 157/4;]14
  [7 45° /1 verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;]7
  46° [19 vestigingsplaats: een geografische afbakening die bestaat uit een geheel van gebouwde en ongebouwde onroerende goederen in gebruik van een onderwijsinstelling dat voldoet aan alle volgende voorwaarden:
   1° gelegen zijn binnen eenzelfde of aansluitende kadastrale percelen of gescheiden zijn door één van volgende mogelijkheden:
   a) maximaal twee kadastrale percelen;
   b) een weg;
   2° volledig of gedeeltelijk gebruikt door personeelsleden van de onderwijsinstelling voor onderwijsactiviteiten, met uitzondering van:
   a) extra-murosactiviteiten;
   b) leerlingenstages;
   c) lessen, al dan niet gegeven door personeelsleden van de onderwijsinstelling, in een bedrijf of in een opleidingsof vormingsinstelling die geen onderwijsinstelling is;
   d) sporten bewegingsactiviteiten, voor zover de aanwezige sportinfrastructuur buiten het schooldomein ligt en ook door derden wordt gebruikt.
   In afwijking van punt 1° geldt voor de bepalingen aangaande het `recht op inschrijving' dat een vestigingsplaats enkel betrekking heeft op eenzelfde of aansluitende kadastrale percelen.]19

  [30 46° /1 de Vlaamse toetsen: gestandaardiseerde, genormeerde en gevalideerde, net- en koepeloverschrijdende toetsen die worden afgenomen in bepaalde leerjaren van het secundair onderwijs in alle scholen en centra over een selectie van eindtermen;]30
  47° [3 voltijds secundair onderwijs :
   - het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van het gewoon secundair onderwijs en van opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 28 wekelijkse lesuren gedurende hetzij 40 weken per jaar hetzij 20 weken per jaar in die structuuronderdelen waarvoor de duurtijd in semesters wordt uitgedrukt [14 ...]14;
   - het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 32 wekelijkse lesuren gedurende 40 weken per jaar en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;
   - [34 het onderwijs dat aan regelmatige cursisten in de opleidingen Basisverpleegkunde en Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt verstrekt.]3
4;]3
  [8 47° /1 ziekenhuisschool: school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5, opleidingsvorm 4, verbonden aan een [17 ...]17 ziekenhuis of een residentiële setting of een preventorium;]8
  [7 47° /2 zorgcontinuüm: opeenvolging van de fasen in de organisatie van de onderwijsomgeving van brede basiszorg, verhoogde zorg en uitbreiding van zorg;]7
  48° 1 februari : hetzij 1 februari, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 februari een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd;
  49° 1 oktober : hetzij 1 oktober, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 oktober een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd.
  

Wijzigingen

Art. 3. Pour l'application des dispositions reprises dans la codification relative à l'enseignement secondaire, les définitions suivantes sont utilisées :
  1° [2 groupe administratif : entité au sein de la structure de l'enseignement identifiée par un numéro de groupe administratif unique;]2
  [2 1° /1 distance : la plus courte distance entre l'entrée principale de l'implantation principale d'une école et l'entrée principale de l'implantation principale de l'autre école, mesurée le long de la voie de circulation, telle que définie à l'article 2 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière, sans tenir compte de déviations, de rues piétonnières, de circulation à sens unique et d'autoroutes;]2
  [35 1° /2 isolement : le séjour d'une personne dans un espace que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ;
   1° /3 chambre d'isolement : un espace spécifiquement aménagé et hautement sécurisé, que la personne ne peut pas quitter de manière autonome ;]35

  [37 1° /4 Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes : l'agence créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 portant création de l'agence autonomisée interne Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes; ]37
  2° composante de formation générale : la partie du profil de formation tendant à développer la personnalité cognitive et la formation socioculturelle d'un apprenant;
  [2 2° /1 primo-arrivant allophone :
   a) dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : un élève qui [10 ...]10 répond simultanément aux conditions suivantes :
   1° en date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire, avoir atteint au moins l'âge de 12 ans d'une part, et ne pas avoir atteint l'âge de 18 ans d'autre part;
   2° être primo-arrivant, c.-à-d. résider de manière ininterrompue en Belgique depuis un an au maximum;
   3° ne pas avoir le néerlandais comme langue familiale ou langue maternelle;
   4° ne pas avoir une maîtrise suffisante de la langue d'enseignement pour pouvoir suivre les cours avec fruit;
   5° être inscrit pendant neuf mois au maximum (sans compter les mois de vacances de juillet et d'août) dans un établissement d'enseignement ayant le néerlandais comme langue d'enseignement;
   b) dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : un élève tel que défini à l'article 3, 1°, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande;]2

  [9 c) dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : un élève résidant officiellement dans un centre d'asile ouvert, à savoir une structure d'accueil collective telle que visée à l'article 2, 10°, de la Loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers et, au 31 décembre suivant le début de l'année scolaire, ayant douze ans au moins et non pas encore dix-huit ans pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, ou n'ayant pas encore accompli dix-huit pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ;]9
  3° option de base : un groupe de cours permettant, au premier degré, d'élargir l'observation et l'orientation de l'élève;
  4° formation de base : les cours devant être dispensés à chaque élève d'une année d'études déterminée sans exception;
  5° [14 ...]14;
  6° composante de formation professionnelle : la partie du profil de formation tendant à réaliser une ou plusieurs formations professionnelles;
  [14 6° /1 qualification professionnelle : une qualification professionnelle telle que prévue au décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications ;]14
  7° formation professionnelle : un ensemble cohérent d'activités de formation professionnelle;
  8° personnel directeur : les fonctions de sélection et de promotion de la catégorie du personnel directeur et enseignant étant définies par le Gouvernement flamand pour l'enseignement secondaire;
  9° personnes intéressées : les personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur, ou l'élève majeur même;
  [30 9° /0 antenne compétente : l'antenne universitaire qui est reconnue et subventionnée pour le développement des tests flamands conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juillet 1999 réglementant la procédure et les conditions d'agrément et de subventionnement des antennes universitaires ;]30
  [7 9° /1 ample encadrement de base : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école, à partir d'une vision de l'encadrement, stimule le développement de tous les élèves et essaye d'éviter des problèmes en offrant un environnement d'éducation vigoureux, en suivant systématiquement les élèves et en contribuant activement à la réduction des facteurs à risques et au renforcement de facteurs protecteurs ;]7
  10° centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel :
  -soit une entité autonome [13 organisant un enseignement secondaire professionnel à temps partiel et, en ce qui concerne l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, organisant des subdivisions structurelles duales et des subdivisions structurelles de démarrage]13 et étant agréée, financée ou subventionnée par la Communauté flamande et étant identifiée à cet effet au moyen d'un numéro unique;
  - soit une entité rattachée à une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein [13 organisant un enseignement secondaire professionnel à temps partiel et, en ce qui concerne l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, organisant des subdivisions structurelles duales et des subdivisions structurelles de démarrage]13 et étant agréée, financée ou subventionnée par la Communauté flamande.
  [2 10° /1 [24 CLR : la Commission des droits de l'élève, visée dans la partie VIII, chapitre 2 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016]24;]2
  [7 10° /2 mesures compensatoires : mesures par lesquelles l'école offre des moyens orthopédagogiques ou orthodidactiques, dont des moyens techniques, permettant d'atteindre les objectifs du programme d'études commun ou les objectifs étant déterminés pour l'élève après dispense ;]7
  [15 10° /2/1 encadrement consultatif des élèves : l'activité principale d'un centre d'encadrement des élèves, dans le cadre de laquelle un centre intervient pour épauler l'école en cas de problèmes d'élèves individuels ou de groupes d'élèves ;]15
  [10 10° /3 enseignement de contact : un enseignement en contact direct et régulier entre l'enseignant ou l'accompagnateur d'une activité d'enseignement et l'élève, dispensé à un moment donné et se déroulant dans un lieu d'enseignement déterminé ;]10
  11° apprenant : un élève régulier dans l'enseignement supérieur professionnel HBO-5;
  12° enseignement secondaire professionnel à temps partiel : l'enseignement occupant moins de semaines pas année ou moins d'heures de cours par semaine de ce qui est stipulé pour l'enseignement secondaire à temps plein;
  [20 12° /0 Département de l'Emploi et de l'Economie sociale : le département visé à l'article 25, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande;]20
  [7 12° /1 mesures différenciantes : mesures par lesquelles l'école apporte, au sein du programme d'études commun, une variation restreinte dans le processus d'apprentissage, afin de mieux répondre aux besoins d'élèves individuels ou de groupes d'élèves ;]7
  [7 12° /2 mesures dispensatoires : mesures par lesquelles l'école ajoute des objectifs au programme d'études commun ou dispense l'élève de certains objectifs du programme d'études commun et les remplace, là où c'est possible, par des objectifs équivalents, dans la mesure où soit les objectifs pour la validation des études en fonction de la finalité de la subdivision structurelle concernée, soit les objectifs de transition à l'enseignement complémentaire envisagé ou au marché de l'emploi puissent encore être atteints dans une mesure suffisante ;]7
  [7 12° /3 disproportionnalité/disproportionnel : déraisonnabilité d'aménagements démontrée à l'issue d'un processus de pondération par application des critères visés à l'article 2, §§ 2 et 3, du Protocole du 19 juillet 2007 relatif au concept d'aménagements raisonnables en Belgique en vertu de la loi du 25 février 2003 tendant à lutter contre la discrimination et modifiant la loi du 15 février 1993 créant un Centre pour l'égalité des chances et de lutte contre le racisme ;]7
  13° composante de transition : la partie du profil de formation tendant à préparer un apprenant aux exigences d'un enseignement ou d'une formation y faisant suite;
  14° heures de cours supplémentaires : une unité par laquelle est exprimé l'encadrement destiné à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement secondaire spécial;
  [14 14° /0 finalité : une notion indiquant le but auquel préparent, à titre prioritaire, les orientations d'études, à savoir l'enseignement supérieur, le marché de l'emploi ou les deux ;]14
  [30 14° /0/0 rapport de retour d'expérience : un rapport contenant les résultats aux tests flamands au niveau de l'école, du groupe d'élèves ou de l'élève ;]30
  [35 14° /0/0/1 contention : toute action ou utilisation de tout matériel qui restreint, empêche ou entrave la liberté de mouvement d'une personne, par laquelle la personne ne peut pas retrouver sa liberté de mouvement de manière indépendante ;]35
  [32 14° /0/1 rapport GC : rapport du programme d'études commun (" Gemeenschappelijk Curriculum "), un rapport qui donne accès au soutien à l'apprentissage dans un programme d'études commun, tel que visé à l'article 352 du présent Code ;]32
  14°/1 [37 programme commun : les programmes d'études comprenant au moins, de manière reconnaissable, les objectifs nécessaires pour atteindre les objectifs finaux ou poursuivre les objectifs de développement]37;
  [15 14°/2 [21 [32 ...]32]21]15
  [33 14° /3 Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du Common European Framework of Reference for Languages (CEFR) publié par le Conseil de l'Europe.]33
  15° implantation principale : l'implantation où le siège administratif de l'école est aménagé;
  [4 15° /1 enseignement à domicile :
   - l'enseignement dispensé aux enfants scolarisables dont les parents ont décidé de ne pas les inscrire à une école ou un centre agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande, la Communauté française ou la Communauté germanophone;
   - par enseignement à domicile, il faut également comprendre l'enseignement dispensé à un enfant scolarisable dans le cadre d'un des régimes suivants :
   1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 1990 déterminant les conditions auxquelles l'obligation scolaire peut être remplie dans certains établissements communautaires d'observation et d'éducation et dans les centres d'accueil et d'orientation relevant de l'assistance spéciale à la jeunesse;
   2° l'arrêté royal du 1er mars 2002 portant création d'un Centre pour le placement provisoire de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction;
   3° l'arrêté royal du 12 novembre 2009 portant création d'un centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction;]4

  [11 15° /2 [32 rapport IAC : rapport du programme adapté individuellement (" Individueel Aangepast Curriculum "), un rapport qui donne accès à un programme adapté individuellement, tel que visé à l'article 294, § 2, 1°, du présent Code ;]32]11
  16° cours de rattrapage : les cours pouvant être organisés facultativement, en vue d'une approche différenciée complémentaire de l'élève;
  [2 16° /2 parcelle cadastrale : une partie du territoire belge identifiée par un numéro de parcelle cadastrale, tel que défini à l'arrêté royal du 20 septembre 2002 fixant les rétributions dues et les modalités à appliquer pour la délivrance d'extraits et de renseignements cadastraux;]2
  17° arrêté royal n° 66 : l'arrêté royal n° 66 du 20 juillet 1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel administratif et du personnel auxiliaire d'éducation dans les établissements d'enseignement spécial, à l'exception des internats ou semi-internats;
  [2 17° /1 [4 entité de vie]4 : les élèves issus d'au moins un même parent ou les élèves qui partagent la même résidence principale;]2
  [15 17° /1/1 encadrement des élèves : un ensemble de mesures de prévention et d'encadrement. L'encadrement des élèves se situe dans quatre domaines : la carrière scolaire, l'apprentissage et l'étude, le fonctionnement psychique et social et les soins de santé préventifs. Les mesures partent toujours d'une approche intégrée et holistique pour les quatre domaines d'encadrement et ce, à partir d'un continuum d'encadrement renforcé ;]15
  [4 17° /2 stage d'élève : une forme de formation :
   a) en dehors d'une implantation de l'école;
   b) dans un environnement professionnel réel auprès d'un employeur;
   c) dans des conditions similaires à celles des travailleurs réguliers de cet employeur;
   d) où un travail effectif est effectué;
   e) dans le but d'acquérir une expérience professionnelle;]4

  [25 17° /2/1 élève avec un foyer :
   a) un élève qui utilise effectivement une décision de services d'aide à la jeunesse visée à l'article 2, § 1er, 28° du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse :
   - un séjour chez un offreur d'aide à la jeunesse visé à l'article 2, § 1er, 27° du même décret, à l'exception des[29 internats de l'enseignement]29, visés à l'article 68, 5° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse et à l'exception des services volontaires d'aide à la jeunesse dans les centres multifonctionnels, tels que définis dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
   - l'accompagnement contextuel en vue de l'habitation autonome ou l'accompagnement dans une unité de logement de petite taille, conformément à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse ;
   b) un l'élève qui a été placé par le juge ou le tribunal de la jeunesse dans une institution communautaire visée à l'article 2, 4° du décret du 15 février 2019 relatif au droit en matière de délinquance juvénile ;
   c) un mineur étranger non accompagné pour lequel les conditions visées [29 aux articles 5 et 5/1 ]29 du titre XIII de la Loi-programme (I) du 24 décembre 2002 sont remplies;]25

  [6 17/3° [20 apprentissage : la formation visée à l'article 2, 15°, du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle);]20]6
  [7 17° /4 élève à besoins éducatifs spécifiques : élève posant des problèmes de participation importants et de longue durée dus à l'interférence entre :
   a) une ou plusieurs limitations de fonctionnement de nature mentale, psychique, physique ou sensorielle et ;
   b) des limitations dans l'exécution d'activités et ;
   c) des facteurs personnels et externes ;]7

  [32 17° /4/1 intervenant en soutien à l'apprentissage : l'intervenant en soutien à l'apprentissage visé à l'article 5, 9°, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage ;
   17° /4/2 soutien à l'apprentissage : soutien tel que visé à l'article 6 du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage ;
   17° /4/3 modèle de soutien à l'apprentissage : le modèle de soutien à l'apprentissage pour l'organisation du soutien à l'apprentissage dans les écoles d'enseignement ordinaire, visé dans le chapitre 3 du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage ;]32

  [30 17° /5 gain d'apprentissage : le changement dans la performance d'apprentissage entre deux mesures chez les mêmes élèves et sur une échelle de mesure identique. Le gain d'apprentissage peut porter sur plusieurs niveaux : le niveau flamand, le niveau de l'école et le niveau de l'élève ;]30
  18° heures de cours : une prestation de cinquante minutes;
  19° comité local : l'organe local de concertation ou de négociation compétent en matière de conditions de travail et d'affaires du personnel;
  [2 19° /1 [26 LOP : une plateforme locale de concertation, visée dans la partie VIII, chapitre 1 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016]26;]2
  20° [14 ...]14;
  21° [14 ...]14;
  22° [5 ...]5
  23° [9 ...]9
  24° personnel d'appui : les fonctions de la catégorie du personnel d'appui étant définies par le Gouvernement flamand pour l'enseignement secondaire;
  [12 24° /1 [14 qualification d'enseignement : une qualification d'enseignement telle que prévue au décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications]14;]12
  25° [1 réseau d'enseignement :
   - l'enseignement communautaire : l'enseignement de la Communauté flamande tel que visé à l'article 2 du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire;
   - l'enseignement officiel subventionné : l'enseignement organisé par des personnes morales de droit public autre que l'enseignement communautaire et étant admis aux subventions de la Communauté flamande;
   - l'enseignement libre subventionné : l'enseignement organisé par des personnes physiques ou des personnes morales de droit privé et étant admis aux subventions de la Communauté flamande;]1

  26° formes d'enseignement : l'enseignement secondaire général, l'enseignement secondaire professionnel, l'enseignement secondaire artistique et l'enseignement secondaire technique;
  27° personnel enseignant : les fonctions de recrutement de la catégorie du personnel directeur et enseignant étant définies par le Gouvernement flamand pour l'enseignement secondaire;
  28° formation : un ensemble d'activités d'enseignement et d'étude, agréées par les autorités et consistant en une ou plusieurs des composantes suivantes : une composante de formation générale, une composante de formation professionnelle et une composante de transition;
  29° profil de formation : un ensemble d'aptitudes, de connaissances et d'attitudes, formulées sous forme d'objectifs finaux, que l'élève doit acquérir dans une formation;
  30° structure des formations : l'ensemble de toutes les formations classées par discipline, assorties de modules corrélatifs;
  31° [[31 ...]31;]14
  32° parents : les personnes exerçant l'autorité parentale ou ayant de droit ou de fait la garde de l'élève.
  Au cas où l'élève est majeur, il faut entendre par cette notion l'élève majeur;
  [32 32° /1 rapport OV4 : le rapport visé à l'article 294, § 2, 2 ;]32
  33° [14 ...]14;
  [14 33° /0 ensemble de cours : un ou plusieurs cours permettant d'atteindre les objectifs de l'option de base correspondante ;]14
  [2 33° /1 projet pédagogique : l'ensemble de points de départ fondamentaux pour une école, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou, pour ce qui est de la formation en apprentissage, un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, et son fonctionnement;]2
  34° heures de plage : les heures qui se situent entre le nombre minimum et le nombre maximum d'heures de la charge, tel qu'il est défini dans la réglementation de l'enseignement;
  [8 34° /1 préventorium : établissement médical offrant entre autres dans un contexte résidentiel des possibilités de cure à des jeunes, où il est dispensé un enseignement spécial de type 5;]8
  [29 35° programmation : une modification de l'offre d'enseignement par le biais :
   a) soit de la création d'une école n'existant pas encore au 1er octobre de l'année scolaire précédente, dans l'intention de faire admettre cette école au financement ou au subventionnement ;
   b) soit de la création d'une subdivision structurelle non organisée au 1er octobre des deux années scolaires précédentes ne relevant pas de l'application du point c) ou d), dans l'intention de faire admettre cette subdivision structurelle au financement ou au subventionnement. S'il s'agit d'une subdivision structurelle de la troisième année d'études du troisième degré qui est organisée sur une base semestrielle, la date à prendre en considération est le 1er octobre ou le 1er mars, selon le cas, des deux années scolaires précédentes ;
   c) soit du rétablissement au 1er octobre d'une subdivision structurelle qui a été fermée il y a trois années scolaires au moins parce qu'elle n'avait pas atteint la norme d'élèves applicable, dans l'intention de faire admettre cette subdivision structurelle au financement ou au subventionnement. S'il s'agit d'une subdivision structurelle de la troisième année d'études du troisième degré qui est organisée sur une base semestrielle, la date à prendre en considération est le 1er octobre ou le 1er mars, selon le cas ;
   d) soit de la création d'une subdivision structurelle non organisée au 1er octobre des six années scolaires précédentes comportant la composante " sport de haut niveau " dans sa dénomination, dans l'intention de faire admettre cette subdivision structurelle au financement ou au subventionnement. Pour éviter que le rétablissement d'une subdivision structurelle, conformément à cette définition, soit considéré comme une programmation, l'école concernée organise au moins une discipline sportive ayant déjà été attribuée antérieurement à cette école ; ]29

  36° [14 ...]14
  [7 36° /1 mesures correctrices : des mesures par lesquelles l'école fournit des formes effectives d'aide adaptée à l'apprentissage au sein du programme d'études commun ;]7
  37° enseignement secondaire : l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
  [18 37° /1 allocations de participation sélectives d'élève : les allocations sélectives de participation, telles qu'elles figurent au livre 2, partie 2, titre 1er, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale ;]18
  38° [2 école : une entité autonome organisant un enseignement secondaire ordinaire ou spécial à temps plein et étant agréée, financée ou subventionnée par la Communauté flamande et étant identifiée à cet effet au moyen d'un numéro unique. Pour l'application de la partie III, titre II, chapitre 1/1 [28 [35 , chapitre 4/1 et chapitre 11 ]35]28, il faut également comprendre par 'école' et 'école d'enseignement secondaire ordinaire', un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et, pour ce qui est de la formation en apprentissage, également un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises;]2
  39° centre d'enseignement : une école ou un groupe d'écoles qui assure l'organisation de l'enseignement au sein d'une certaine circonscription géographique;
  [21 39° /1 établissement de centre d'enseignement : un établissement de centre d'enseignement est un établissement qui n'est pas une école et qui ne peut être établi qu'au sein d'un centre d'enseignement et se limite et a pour seul but d'y désigner, de les y affecter, de les admettre à la période d'essai et de les nommer à titre définitif s'ils sont éligibles, des membres du personnel travaillant en soutien aux écoles du centre d'enseignement.]21
  40° [6 autorité scolaire : la personne morale ou physique responsable pour une ou plusieurs écoles ; pour ce qui est des centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et pour ce qui est des centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, l'autorité scolaire peut également être dénommé autorité du centre ;]6
  [36 40° /0 appareil intelligent : un appareil électronique qui peut être connecté à d'autres appareils via des réseaux téléphoniques, des réseaux ou des protocoles sans fil ;]36
  [11 40° /1 préparation à la vie sociale et sociétale : une éducation extrascolaire organisée pour des élèves de la forme d'enseignement 1 leur permettant de mettre en place une bonne maîtrise du temps dans le cadre de la vie [19 , du travail et des loisirs, et non pour acquérir une expérience professionnelle axée sur un travail rémunéré ultérieur]19;]11
  41° [14 ...]14;
  42° [14 subdivision structurelle : une subdivision dans l'offre d'enseignement qui peut être agréée, financée ou subventionnée]14;
  [14 42° /1 domaine d'études : un ensemble thématique cohérent d'orientations d'études, allant de l'abstrait à la pratique ;]14
  43° [14 ...]14;
  [14 43° /0 orientation d'études : la combinaison de la formation de base, de la partie spécifique et de la partie complémentaire ;]14
  [6 43° /1 [20 ...]20]6
  [15 43° /1/1 contact systématique : un contact périodique dans lequel l'élève et le centre s'assoient ensemble en personne et une offre uniforme pour les populations ou les groupes cibles est prévue afin de mettre en oeuvre le domaine d'encadrement " soins de santé préventifs ;]15
  [22 43° /2 [27 ]27]22
  44° gens de voyage : les bateliers, les marchands forains ou les exploitants ou artistes de cirque et les nomades, visés à l'article 2, 3°, du décret du 28 avril 1998 relatif à la politique flamande à l'encontre des minorités ethnoculturelles;
  [7 44° /1 élargissement de l'encadrement : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école poursuit intégralement les mesures de la phase de l'encadrement complémentaire et où le centre d'encadrement des élèves entame un processus de diagnostic visant l'action. Le centre d'encadrement des élèves se base sur une analyse approfondie des besoins d'éducation et d'enseignement de l'élève et des besoins de soutien de la part de l'enseignant/des enseignants et des parents, en vue de formuler des avis visant à optimiser le processus d'adéquation de l'offre d'enseignement et d'éducation à la demande d'aide de l'élève. En concertation avec l'école et les parents, le centre d'encadrement des élèves détermine quel apport supplémentaire de moyens, d'aide ou d'expertise, soit à l'égard de l'école soit à l'égard de l'élève, dans son contexte ou non, est souhaitable, ainsi que l'ampleur et la durée de cet apport ;]7
  45° vacance : tout emploi complet ou partiel étant soit définitivement vacant, soit temporairement vacant pour une durée de dix jours ouvrables au moins;
  [14 45° /0 cluster de cours : un groupe de deux cours ou plus qui sont définis en exécution de l'article 157/4 ;]14
  [7 45° /1 encadrement complémentaire : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école prévoit une aide supplémentaire sous forme de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires, adaptées aux besoins éducatifs spécifiques de certains élèves, et préalablement à la phase d'élargissement de l'encadrement ;]7
  46° [19 implantation : une délimitation géographique comprenant un ensemble de biens immobiliers bâtis et non bâtis, utilisés par un établissement d'enseignement, qui répond à toutes les conditions suivantes :
   1° se situer dans la même parcelle cadastrale ou dans des parcelles cadastrales adjacentes ou être séparés par une des possibilités suivantes :
   a) au maximum deux parcelles cadastrales ;
   b) une voie ;
   2° être utilisés en tout ou en partie par des membres du personnel de l'établissement d'enseignement pour des activités d'enseignement, à l'exception des :
   a) activités extra-muros ;
   b) stages d'élèves ;
   c) cours, donnés ou non par des membres du personnel de l'établissement d'enseignement, dans une entreprise ou dans un établissement ou institut de formation qui n'est pas un établissement d'enseignement ;
   d) activités sportives et motrices, dans la mesure où l'infrastructure sportive présente se situe en dehors du domaine de l'école et est également utilisée par des tiers.
   Par dérogation au point 1°, quant aux dispositions relatives au `droit d'inscription', une implantation a uniquement trait à la même parcelle cadastrale ou aux parcelles cadastrales adjacentes.]19

  [30 46° /1 les tests flamands : des tests normalisés et validés, pour tous les réseaux et organismes coordinateurs, à passer au cours de certaines années de l'enseignement secondaire dans toutes les écoles et les centres et portant sur une sélection des objectifs finaux ;]30
  47° [3 enseignement secondaire à temps plein :
   - l'enseignement dispensé à des élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire et de la forme d'enseignement 4 de l'enseignement secondaire spécial à raison d'au moins 28 heures de cours hebdomadaires pendant 40 semaines par an, ou pendant 20 semaines par an dans les subdivisions structurelles pour lesquelles la durée est exprimée en semestres [14 ...]14;
   - l'enseignement dispensé à des élèves réguliers des formes d'enseignement 1, 2 et 3 de l'enseignement secondaire spécial à raison d'au moins 32 heures de cours hebdomadaires pendant 40 semaines par an et compte tenu du nombre maximum d'heures de cours hebdomadaires étant admissible au financement ou aux subventions;
   -[34 l'enseignement dispensé à des apprenants réguliers des formations Soins infirmiers de base et Soins infirmiers de l'enseignement supérieur professionnel HBO5.]3
4;]3
  [8 47° /1 école hospitalière : école d'enseignement secondaire spécial de type 5, forme d'enseignement 4, rattachée à un hôpital [17 ...]17 ou une structure résidentielle ou un préventorium ;]8
  [7 47° /2 continuité de l'encadrement : succession des phases dans l'organisation de l'environnement éducatif au niveau d'un ample encadrement de base, d'un encadrement complémentaire et d'un élargissement de l'encadrement ;]7
  48° 1er février : soit le 1er février, soit le jour de classe suivant si le 1er février coïncide avec une journée libre de cours, un jour de congé facultatif ou une journée pédagogique étant également considéré comme un jour de classe;
  49° 1er octobre : soit le 1er octobre, soit le jour de classe suivant si le 1er octobre coïncide avec une journée libre de cours, un jour de congé facultatif ou une journée pédagogique étant également considéré comme un jour de classe.
  

Wijzigingen

DEEL III. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS
PARTIE III. - DISPOSITIONS COMMUNES RELATIVES A L'ENSEIGNEMENT SECONDAIRE
TITEL 1. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN
TITRE 1er. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ECOLES
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Art. 4. Het secundair onderwijs omvat :
  1° het voltijds secundair onderwijs;
  2° het deeltijds beroepssecundair onderwijs. (3)
Art. 4. L'enseignement secondaire comprend :
  1° l'enseignement secondaire à temps plein;
  2° l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. (3)
Art. 5. In het gewoon, buitengewoon en het deeltijds beroepssecundair onderwijs bestaan er officiële en vrije scholen. Vrije scholen worden opgericht door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon. Officiële scholen worden opgericht door een publiekrechtelijk rechtspersoon. (4)
Art. 5. Dans l'enseignement secondaire ordinaire, l'enseignement secondaire spécial et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, il existe des écoles officielles et des écoles libres. Les écoles libres sont établies par une personne physique ou une personne juridique de droit privé. Les écoles officielles sont établies par une personne morale de droit public. (4)
Art. 6. § 1. Krachtens het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt gewoon, buitengewoon, deeltijds secundair onderwijs ingericht en wordt waar daaraan behoefte bestaat, de daartoe nodige scholen of centra en afdelingen van scholen of centra tot stand gebracht.
  § 2. De Vlaamse Gemeenschap financiert en subsidieert, overeenkomstig de decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs, de scholen, afdelingen of structuuronderdelen of andere onderdelen van scholen, die aan de decretale normen beantwoorden en door provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, andere publiekrechtelijke personen en private personen, zijn tot stand gebracht.
  Waar er reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden kunnen geen scholen, afdelingen of structuuronderdelen of andere onderdelen van scholen in stand gehouden of opgericht worden indien zij niet beantwoorden aan de gestelde normen. Evenmin kunnen scholen en centra of afdelingen ervan nieuw of verder gefinancierd of gesubsidieerd worden indien zij niet beantwoorden aan de gestelde normen.
  § 3. Voor de toepassing van reglementaire programmatie- of rationalisatienormen wordt met karakter van het onderwijs verstrekt door een school of centrum bedoeld, het behoren ervan tot één van de categorieën van officiële of vrije scholen, zoals deze in de artikelen 5 en 110 gedefinieerd werden. (5)
Art. 6. § 1er. En vertu du décret spécial relatif à l'enseignement communautaire, sont organisés l'enseignement secondaire ordinaire, l'enseignement secondaire spécial et l'enseignement secondaire à temps partiel et, là où le besoin existe, sont établis les écoles ou centres et sections d'écoles ou de centres nécessaires.
  § 2. La Communauté flamande finance et subventionne, conformément aux dispositions décrétales relatives à l'enseignement secondaire, les écoles, sections ou subdivisions structurelles ou autres parties d'écoles, qui répondent aux normes décrétales et qui ont été établies par les provinces, communes, associations de communes ou autres personnes de droit public et privées.
  Là où s'appliquent des normes de programmation ou de rationalisation réglementaires, les écoles, sections ou subdivisions structurelles ou autres parties d'écoles ne répondant pas aux normes fixées ne peuvent être maintenues ou établies. Les écoles et centres ou leurs sections ne peuvent pas non plus être financés ou subventionnés ou continuer à l'être, s'ils ne remplissent pas les normes fixées.
  § 3. Pour l'application des normes réglementaires de programmation ou de rationalisation, on entend par "caractère de l'enseignement dispensé par une école ou un centre", leur appartenance à une des catégories d'écoles officielles ou libres, telles que définies aux articles 5 et 110. (5)
Art. 7. Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedingsproject en het onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren. (6)
  [1 Bij die informatieverstrekking, met inbegrip van de studiebekrachtiging, hanteert een schoolbestuur minstens de benamingen van structuuronderdelen en vakken, die zijn vastgelegd door of krachtens een decreet. Het clusteren van vakken is mogelijk. Indien vakken worden geclusterd, blijft het in alle communicatie met ouders, leerkrachten en leerlingen duidelijk welke vakken daarvan onderdeel uitmaken.]1
  
Art. 7. Une autorité scolaire peut fournir des informations sur le propre projet éducatif et l'offre d'enseignement, mais ne peut pas poser des actes de concurrence déloyale. (6)
  [1 Lors de la fourniture de ces informations, y compris la validation d'études, une autorité scolaire utilise au moins les dénominations de subdivisions structurelles et de cours qui sont arrêtées par ou en vertu du présent décret. Il est possible de former des clusters de cours. Si des cours sont regroupés en clusters, toute communication avec les parents, les enseignants et les élèves indique clairement les cours qui en font partie.]1
  
Art. 8. [1 Er mag in de school geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.
   In afwijking van het vorige lid kunnen politieke activiteiten in de school worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan deze activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.
   Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.]1

  
Art. 8. [1 Toute propagande politique est interdite dans l'école et aucune activité politique ne peut y être organisée.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, des activités politiques sont admises en dehors des périodes pendant lesquelles des activités scolaires ont lieu et en dehors de la période de 90 jours précédant des élections. Les membres du personnel et les élèves ne sont pas sollicités ou incités à participer à ces activités. L'autorité scolaire ne peut pas être associée à l'organisation d'une activité politique et tient compte du principe de traitement égal lors de l'application de cette disposition.
   Par " activités politiques " il faut entendre toutes les activités organisées par des partis politiques ou des mandataires politiques de partis politiques, dont les points de vue et les comportements ne sont pas contraires à la Convention européenne des droits de l'homme et aux libertés fondamentales.]1

  
Art. 9. Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voorzover deze geen daden van koophandel zijn en voorzover ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht. (8)
Art. 9. Une autorité scolaire peut effectuer des activités commerciales, à condition qu'il ne s'agisse pas d'actes de commerce et qu'elles soient compatibles avec la charge d'enseignement. (8)
Art. 10. Een schoolbestuur dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat :
  1° door het schoolbestuur verstrekte leermiddelen vrij blijven van bedoelde mededelingen;
  2° activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;
  3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;
  4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen. (9)
Art. 10. Une autorité scolaire qui autorise du sponsoring ou des communications ayant directement ou indirectement pour but de promouvoir la vente de produits ou de services, veillent à ce que :
  1° les moyens didactiques fournis par l'autorité scolaire ne portent pas les communications mentionnées;
  2° les activités restent libres des communications mentionnées, sauf si ces communications font uniquement remarquer, que l'activité ou une partie de celle-ci a été organisée par le biais d'un don, d'une donation ou d'une prestation à titre gratuit ou effectuée en-dessous du prix réel par une personne physique, personne morale ou association de fait nommément désignée;
  3° le sponsoring et les communications visées soient manifestement incompatibles avec les missions et objectifs pédagogiques et didactiques de l'école;
  4° le sponsoring et les communications visées ne compromettent pas l'objectivité, la crédibilité, la fiabilité et l'indépendance de l'école. (9)
Art. 11. De overheveling van een school naar een ander schoolbestuur heeft ten aanzien van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitwerking op 1 september. (10)
Art. 11. Le transfert d'une école à une autre autorité scolaire produit ses effets, à l'égard du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, le 1er septembre. (10)
Art. 12. De Vlaamse Regering bepaalt de verlofregeling en de aanwending van de schooltijd voor het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en voor het deeltijds secundair onderwijs in de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen en centra. (11)
Art. 12. Le Gouvernement flamand fixe le régime des congés et l'affectation du temps d'enseignement pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et l'enseignement secondaire à temps plein dans les écoles et centres financés ou subventionnés par la Communauté flamande. (11)
HOOFDSTUK 2. - Erkenningsvoorwaarden
CHAPITRE 2. - Conditions d'agrément
Art. 13. Erkenning is de toekenning van de bevoegdheid aan het schoolbestuur om aan regelmatige leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen.
  Financiering of subsidiëring impliceert een erkenning. (12)
Art. 13. L'agrément est l'octroi à l'autorité scolaire de l'habilité à accorder aux élèves réguliers les titres valables de plein droit.
  Un financement ou un subventionnement implique un agrément. (12)
Art. 14. § 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat alleen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 12°, 17° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 20° en 21°, wordt niet gefinancierd of gesubsidieerd maar wel erkend.
  § 2. [5 Alleen voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting, een aanvraag tot erkenning in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de voormelde aanvraag vast.
   De onderwijsinspectie gaat na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een van de volgende beslissingen :
   1° hetzij voorlopige erkenning voor één schooljaar;
   2° hetzij geen voorlopige erkenning.
   Artikel 13, eerste lid, is ook op voorlopig erkende structuuronderdelen van toepassing.
   In de loop van het schooljaar van voorlopige erkenning gaat de onderwijsinspectie na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 12°, 17°, uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 20° en 21°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning een van de volgende beslissingen :
   1° hetzij erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar;
   2° hetzij niet-erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar.]5
.
  § 3. De in de erkenning opgenomen structuuronderdelen gewoon of buitengewoon secundair onderwijs worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. [5 De dienstbrief bevat de vestigingsplaatsen waar de erkende structuuronderdelen kunnen worden georganiseerd.]5(13)
  [1 § 4. [5 De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats door een school wordt gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname. In de melding wordt verklaard dat :
   1° de vestigingsplaats beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid;
   2° de school op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen, als ze een vestigingsplaats in gebruik neemt waar een andere onderwijsinstelling gevestigd is of voordien gevestigd was. De school vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats.
   De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de melding, vermeld in het eerste lid, vast.
   Deze paragraaf geldt niet voor een school die wordt opgericht.]5

  
Art. 14. § 1er. Une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial qui répond uniquement aux conditions définies à l'article 15, § 1er, 1° jusqu'à 12° inclus, 17° exclusivement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, 20° et 21°, n'est pas financée ni subventionnée mais bien agréée.
  § 2. [5 Uniquement pour une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial créée dans le cadre de la création d'une école ne résultant pas d'une restructuration d'écoles existantes, l'autorité scolaire dépose, au plus tard le 1er avril avant la création, une demande d'agrément par le Gouvernement flamand auprès de l'Agentschap voor Onderwijsdiensten. Ce délai vaut comme délai d'échéance. Le Gouvernement flamand établit le modèle du formulaire de la demande précitée.
   L'inspection de l'enseignement examine si la subdivision structurelle remplit les conditions d'agrément visées à l'article 15, § 1er, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° et 11°. Sur la base de l'avis de l'inspection de l'enseignement qui découle de cet examen, le Gouvernement flamand prend, au plus tard le 31 août précédant la création, une des décisions suivantes :
   1° soit un agrément provisoire pour une année scolaire ;
   2° soit un refus d'agrément provisoire.
   L'article 13, alinéa 1er, est également d'application à des subdivisions structurelles agréées provisoirement.
   Au cours de l'année scolaire de l'agrément provisoire, l'inspection de l'enseignement examine si la subdivision structurelle satisfait aux conditions visées à l'article 15, § 1er, 1° à 12°, 17°, uniquement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, 20° et 21°. Sur la base de l'avis de l'inspection de l'enseignement qui découle de cet examen, le Gouvernement flamand prend, au plus tard le 31 mars de l'année scolaire de l'agrément provisoire, une des décisions suivantes :
   1° soit l'agrément à partir de l'année scolaire suivante ;
   2° soit le refus d'agrément à partir de l'année scolaire suivante.]5
.
  § 3. Chaque année scolaire, les subdivisions structurelles enseignement secondaire ordinaire ou spécial admises à l'agrément sont confirmées et communiquées à l'autorité scolaire intéressée, par le biais d'une dépêche de l' 'Agentschap voor Onderwijsdiensten'. [5 La dépêche reprend les implantations où peuvent être organisées les subdivisions structurelles agréées.]5
  [5 § 4. La mise en service d'une nouvelle implantation par une école est notifiée à l'" Agentschap voor Onderwijsdiensten " au plus tard au moment de la mise en service. Dans la notification, il est déclaré que :
   1° l'implantation répond aux conditions en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité ;
   2° l'école est au courant des recommandations ou manques formulés par l'inspection de l'enseignement dans son dernier rapport d'audit en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité des bâtiments en question, lorsqu'elle met en service une implantation où un autre établissement d'enseignement est situé ou était situé auparavant. Dans ce cas, l'école mentionne également l'avis de l'inspection de l'enseignement sur l'habitabilité, la sécurité et l'hygiène de la nouvelle implantation.
   Le Gouvernement flamand établit le modèle du formulaire de la notification, visée à l'alinéa 1er.
   Ce paragraphe ne s'applique pas à une école qui est en cours de création.]5

  
HOOFDSTUK 3. - Financiering en subsidiëring
CHAPITRE 3. - Financement et subventionnement
Afdeling 1. - Voorwaarden
Section 1re. - Conditions
Art. 15. § 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs wordt gefinancierd of gesubsidieerd als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op het structuuronderdeel in kwestie [1 hetzij op de vestigingsplaats van de school]1 die het organiseert, samen is voldaan :
  1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;
  2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;
  3° [2 de controle door de onderwijsinspectie of, indien het gaat om opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, een ander daarvoor door de Vlaamse Regering aangewezen orgaan mogelijk maken;]2
  4° over voldoende lesmateriaal en passend schoolmateriaal beschikken;5° bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel;
  5° de bepalingen betreffende de instructietaal en de kennis van de taal van het personeel respecteren;
  6° een structuur aannemen zoals vastgesteld bij decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van die indelingen;
  7° de reglementering betreffende verlofregeling en aanwending van de schooltijd in acht nemen;
  8° [7 beantwoorden aan de op het structuuronderdeel toepasbare decretale en reglementaire bepalingen inzake erkende onderwijskwalificaties, eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties, curriculumdossiers, leerplannen of [14 individueel aangepaste curricula]14]7;
  9° [9 samenwerkingsafspraken maken met een centrum voor leerlingenbegeleiding en een beleid op leerlingenbegeleiding voeren;]9
  10° [12 ...]12
  11° als school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;
  12° voor wat het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft :
  a) een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerling;
  b) [16 ...]16;
  c) een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter vermeld in punt a);
  d) begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;
  13° voldoen aan de reglementaire programmatie- of rationalisatienormen;
  14° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I. Onder samenwerken wordt verstaan de in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet vermelde gegevens leveren, en de in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet gemaakte afspraken naleven[14 en op leersteuncentra die deel uitmaken van een school voor buitengewoon onderwijs als vermeld in artikel 20, Ї 2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun]14;
  [3 Dit punt is niet van toepassing op ziekenhuisscholen.]3
  15° wat het gemeenschapsonderwijs betreft : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren;
  16° wat het gesubsidieerd onderwijs betreft : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures, vermeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door het schoolbestuur gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden;
  17° [10 ...]10
  18° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer [10 overlegfora als vermeld in artikel 357/32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010]10;
  19° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren;
  20° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school-, centrum- of arbeidsreglement;
  21° [16 een kwaliteitsbeleid voeren als vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, met het oog op het tegemoetkomen aan het referentiekader voor onderwijskwaliteit]16;
  [15 22° een doeltreffend beleid voert om het verbod op het gebruik van slimme apparaten bekend te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid opgenomen in het school- of centrumreglement.]15
  § 2. [8 Alleen voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting, een aanvraag tot financiering of subsidiëring in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de voormelde aanvraag vast.
   De onderwijsinspectie gaat na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een van de volgende beslissingen :
   1° hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van voorlopige erkenning voor één schooljaar;
   2° hetzij niet-financiering of niet-subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning.
   Artikel 13, eerste lid, is ook op voorlopig erkende structuuronderdelen van toepassing.
   In de loop van het schooljaar van voorlopige erkenning gaat de onderwijsinspectie na of het structuuronderdeel voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning een van de volgende beslissingen :
   1° hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar;
   2° hetzij niet-financiering of niet-subsidiëring met inbegrip van niet-erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar.
   Een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering tot financiering of subsidiëring heeft maar uitwerking als voldaan is aan de vigerende programmatieregels voor scholen en structuuronderdelen. Als aan die programmatieregels niet is voldaan, slaat een gunstige beslissing uitsluitend op erkenning.
   In een gefinancierd of gesubsidieerd structuuronderdeel, met inbegrip van voorlopige erkenning, is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk.]8
.
  § 3. De in de financiering of subsidiëring opgenomen structuuronderdelen secundair onderwijs worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. [8 De dienstbrief bevat de vestigingsplaatsen waar de gefinancierde of gesubsidieerde structuuronderdelen kunnen worden georganiseerd.]8(14)
  [13 § 4. De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap:
   1° hetzij gemeld uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname: als de nieuwe vestigingsplaats in dezelfde of aangrenzende gemeente ligt van de bestaande hoofdvestigingsplaats van de school;
   2° hetzij gemotiveerd aangevraagd: als de nieuwe vestigingsplaats niet in dezelfde of aangrenzende gemeente ligt van de bestaande hoofdvestigingsplaats van de school.
   In de melding of aanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt verklaard dat:
  1° de vestigingsplaats bij ingebruikname beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid;
  2° het schoolbestuur op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen als een vestigingsplaats in gebruik wordt genomen waar een andere onderwijsinstelling gevestigd is of voordien was.
   Het schoolbestuur vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats. Bij de melding of aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende documenten gevoegd:
   1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
   2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de nieuwe vestigingsplaats in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
   In geval van een aanvraag als vermeld in het eerste lid, 2°, beslist de Vlaamse Regering uiterlijk drie maanden na de indiening van die aanvraag en nadat ze het advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap heeft ontvangen. De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn.
   Deze paragraaf geldt niet voor het schooljaar waarin een school, al dan niet als gevolg van een herstructurering van bestaande scholen, wordt opgericht.]13

  
Art. 15. § 1er. Une subdivision structurelle enseignement secondaire ordinaire ou spécial est financée ou subventionnée s'il est simultanément satisfait à toutes les conditions suivantes portant soit sur la subdivision concernée, [1 soit sur l'implantation de l'école]1 qui l'organise :
  1° être organisé sous la responsabilité d'une autorité scolaire;
  2° être établie dans les immeubles et les locaux remplissant les exigences en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité;
  3° [2 se soumettre au contrôle de l'inspection de l'enseignement ou, s'il s'agit de formations de l'enseignement supérieur professionnel HBO 5, à un autre organe désigné par le Gouvernement flamand à cet effet;]2
  4° disposer de suffisamment de matériel didactique et d'un équipement scolaire adapté;
  5° respecter les dispositions relatives à la langue d'enseignement et la connaissance de la langue du personnel;
  6° prendre une structure décrétalement fixée. Par structure il faut entendre les grands classements au sein d'un niveau d'enseignement et la durée de ces classements;
  7° respecter la réglementation relative au régime des congés et à l'affectation des heures de classe;
  8° [7 répondre aux dispositions décrétales et réglementaires applicables à la subdivision structurelle en matière de qualifications d'enseignement reconnus, d'objectifs finaux, d'objectifs de développement, d'objectifs finaux spécifiques, de qualifications professionnelles reconnues, de dossiers du cursus scolaire, de programmes d'études et de [14 programmes adaptés individuellement]14]7;
  9° [9 avoir conclu des arrangements de coopération avec un centre d'encadrement des élèves et mener une politique d'encadrement des élèves ; ]9
  10° [12 ...]12
  11° respecter, comme école dans l'ensemble de son fonctionnement, les principes constitutionnels et de droit international au niveau des droits de l'homme et de l'enfant en particulier;
  12° pour ce qui concerne l'enseignement communautaire et l'enseignement officiel subventionné :
  a) avoir un caractère ouvert en étant accessible à tous les élèves, quelles que soient les conceptions idéologiques, philosophiques ou religieuses des parents et de l'élève;
  b) [16 ...]16;
  c) utiliser un plan de travail scolaire, un règlement d'école et des manuels correspondant au caractère ouvert visé au point a);
  d) être encadré par le service d'encadrement de l'Enseignement communautaire, du 'Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap' ou du 'Provinciaal Onderwijs Vlaanderen', à partir d'une date à fixer par le Gouvernement flamand;
  13° remplir les normes réglementaires de programmation ou de rationalisation;
  14° participer à et collaborer au sein d'une plate-forme locale de concertation, créée conformément à l'article IV.2, § 2, alinéa 1er, du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Par collaborer il faut entendre livrer les données visées à l'article IV.4, alinéa 1er, 1, dudit décret et observer les accords conclus à l'article IV.4, alinéa 1er, de ce décret[14 ni aux centres de soutien à l'apprentissage qui font partie d'une école d'enseignement spécial, tels que visés à l'article 20, § 2, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage]14;
  [3 Ce point ne s'applique pas aux écoles hospitalières.]3
  15° pour ce qui est de l'enseignement communautaire : respecter les compétences du conseil scolaire;
  16° pour ce qui concerne l'enseignement subventionné : ne pas porter préjudice aux processus décisionnels visés aux articles 19 à 22 inclus du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au 'Vlaamse Onderwijsraad'. Cette condition implique également, que le directeur est suffisamment mandaté, pour ce qui est des compétences qui lui sont déléguées par l'autorité scolaire et qui sont l'objet d'avis ou de concertation, pour pouvoir agir de manière autonome dans les rapports avec le conseil scolaire;
  17° [10 ...]10
  18° exclusivement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : participer à et coopérer au sein [10 d'un ou de plusieurs forums de concertation tels que visés à l'article 357/32 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010]10;
  19° exclusivement pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : fournir des efforts maximums pour réaliser l'engagement à temps plein de chaque jeune;
  20° mener une politique efficace en vue de faire connaître et de maintenir l'interdiction de fumer, visée par le décret du 6 juin 2008 instituant une interdiction de fumer dans les établissements d'enseignement et les centres d'encadrement des élèves, effectuer le contrôle du respect de l'interdiction et infliger des sanctions aux contrevenants, conformément à la propre politique de sanction telle que mentionnée dans le règlement d'école, du centre ou de travail;
  21° [16 mener une politique de qualité telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 1er, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, en vue de répondre au cadre de référence pour la qualité de l'enseignement]16;
  [15 22° mène une politique efficace en vue de faire connaître et appliquer l'interdiction d'utiliser des appareils intelligents, contrôle le respect de l'interdiction et impose des sanctions aux contrevenants, conformément à sa propre politique de sanctions inscrite dans le règlement scolaire ou de centre]15.
  § 2. [8 Uniquement pour une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial organisée dans le cadre de la création d'une école ne résultant pas d'une restructuration d'écoles existantes, l'autorité scolaire dépose, au plus tard le 1er avril avant la création, une demande de financement ou de subventionnement par le Gouvernement flamand auprès de l'Agentschap voor Onderwijsdiensten. Ce délai vaut comme délai d'échéance. Le Gouvernement flamand établit le modèle du formulaire de la demande précitée.
   L'inspection de l'enseignement examine si la subdivision structurelle remplit les conditions d'agrément visées au paragraphe § 1er, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° et 11°. Sur la base de l'avis de l'inspection de l'enseignement qui découle de cet examen, le Gouvernement flamand prend, au plus tard le 31 août précédant la création, une des décisions suivantes :
   1° soit le financement ou le subventionnement y compris l'agrément provisoire pour une année scolaire ;
   2° soit le non-financement ou non-subventionnement ainsi que le refus d'agrément provisoire.
   L'article 13, alinéa 1er, est également d'application à des subdivisions structurelles agréées provisoirement.
   Au cours de l'année scolaire de l'agrément provisoire, l'inspection de l'enseignement examine si la subdivision structurelle satisfait à toutes les conditions visées au paragraphe 1er. Sur la base de l'avis de l'inspection de l'enseignement qui découle de cet examen, le Gouvernement flamand prend, au plus tard le 31 mars de l'année scolaire de l'agrément provisoire, une des décisions suivantes :
   1° soit le financement ou le subventionnement y compris l'agrément à partir de l'année scolaire suivante ;
   2° soit le non-financement ou non-subventionnement ainsi que le refus d'agrément provisoire à partir de l'année scolaire suivante.
   Une décision favorable du Gouvernement flamand quant au financement ou au subventionnement ne produit ses effets que s'il est satisfait aux règles de programmation applicables aux écoles et subdivisions structurelles. S'il n'est pas satisfait aux règles de programmation, la décision favorable porte uniquement sur l'agrément.
   Dans une subdivision structurelle financée ou subventionnée, y compris l'agrément provisoire, il n'est pas possible d'affecter, muter ou nommer à titre définitif des membres du personnel]8
.
  § 3. Chaque année scolaire, les subdivisions structurelles enseignement secondaire admises au financement ou au subventionnement sont confirmées et communiquées à l'autorité scolaire intéressée, par le biais d'une dépêche de l' 'Agentschap voor Onderwijsdiensten'. [8 La dépêche reprend les implantations où peuvent être organisées les subdivisions structurelles financées ou subventionnées.]8
   § 4.[13 La mise en service d'une nouvelle implantation est :
   1° soit communiquée par l'autorité scolaire aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard au moment de la mise en service : si la nouvelle implantation se trouve dans la même commune ou dans une commune adjacente à l'implantation principale existante de l'école ;
   2° soit demandée de façon motivée par l'autorité scolaire aux services compétents de la Communauté flamande : si la nouvelle implantation ne se trouve pas dans la même commune ou dans une commune adjacente à l'implantation principale existante de l'école.
   Dans la communication ou la demande, visée à l'alinéa 1er, il est déclaré que :
   1° lors de la mise en service, l'implantation répond aux conditions en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité ;
   2° l'autorité scolaire est au courant des recommandations ou manques formulés par l'inspection de l'enseignement dans son dernier rapport d'audit en matière d'habitabilité, de sécurité et d'hygiène des bâtiments concernés, lorsqu'elle met en service une implantation où un autre établissement d'enseignement est situé ou était situé auparavant. Dans ce cas, l'autorité scolaire mentionne également l'avis de l'inspection de l'enseignement sur l'habitabilité, la sécurité et l'hygiène de la nouvelle implantation.
   La communication ou la demande, visée à l'alinéa 1er, contient les documents suivants :
   1° le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;
   2° si l'école fait partie d'un centre d'enseignement : un extrait du procès-verbal démontrant que la nouvelle implantation est conforme aux accords conclus au sein du centre d'enseignement.
   Dans le cas d'une demande, telle que visée à l'alinéa 1er, 2°, le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard trois mois après l'introduction de la demande et après l'avis des services compétents de la Communauté flamande. Le délai de décision précité vaut délai d'ordre.
   Le présent paragraphe ne s'applique pas à l'année scolaire où une école est créée à la suite ou non d'une restructuration d'écoles existantes.]13

  
Afdeling 2. - Financiering en subsidiering van de personeelsleden
Section 2. - Financement et subventionnement des membres du personnel
Onderafdeling 1. - Salariëring
Sous-section 1re. - Rémunération
Art. 16. De Vlaamse Gemeenschap verleent aan de gesubsidieerde scholen van het secundair onderwijs die aan de bij decreet en uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, salaristoelagen en betaalt, overeenkomstig artikel 65, § 2, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, de salarissen van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die krachtens de geldende decretale en reglementaire bepalingen in dienst zijn genomen.
  De Vlaamse Gemeenschap betaalt aan de betrokken personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en van het gesubsidieerd onderwijs, rechtstreeks en maandelijks respectievelijk de salarissen en de salaristoelagen. (15)
Art. 16. La Communauté flamande accorde aux écoles subventionnées de l'enseignement secondaire remplissant les conditions énoncées par le décret et les arrêtés d'exécution, des subventions-traitements et paie, conformément à l'article 65, § 2, du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire, les traitements des membres du personnel de l'enseignement communautaire étant engagés en vertu des dispositions décrétales et réglementaires en vigueur.
  La Communauté flamande paie aux membres du personnel intéressés de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné, d'une manière directe et mensuellement, respectivement les traitements et les subventions-traitements. (15)
Art. 17. § 1. De Vlaamse Regering verleent salarissen en salaristoelagen voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten, de leden van het opvoedend hulppersoneel, de leden van het ondersteunend personeel en de leden van het administratief personeel.
  § 2. In het buitengewoon onderwijs worden ook salarissen of salaristoelagen toegekend aan het medisch, paramedisch, psychologisch [1 orthopedagogisch]1 en sociaal personeel, overeenkomstig de normen toepasselijk op de verschillende types van het gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon onderwijs.
  § 3. Elke aanvraag om salaris of salaristoelage voor het personeel moet vergezeld zijn van een verklaring van het schoolbestuur waarvan de tekst, vastgelegd door de Vlaamse Regering, moet bevestigen dat voor de betrokken ambten, noch door een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, noch door enig ander orgaan toelagen worden verleend. (16)
  
Art. 17. § 1er. Le Gouvernement flamand accorde des traitements et subventions-traitements aux membres du personnel directeur et enseignant, aux membres des services d'encadrement pédagogique, aux membres du personnel auxiliaire d'éducation, aux membres du personnel d'appui et aux membres du personnel administratif.
  § 2. Dans l'enseignement spécial, des traitements ou subventions-traitements sont également accordés au personnel médical, paramédical, psychologique [1 , orthopédagogique]1 et social, conformément aux normes s'appliquant aux différents types de l'enseignement spécial financé ou subventionné.
  § 3. Toute demande d'un traitement ou d'une subvention-traitement pour le personnel doit être assortie d'une déclaration de l'autorité scolaire, dont le texte, établi par le Gouvernement flamand, doit confirmer que pour les fonctions en question, aucune subvention n'est accordée, ni par une personne morale de droit public ou privé, ni par quelque autre organe que ce soit. (16)
  
Art. 18. § 1. Een school ontvangt slechts financiering of subsidiering voor haar personeelsleden :
  1° die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
  2° die de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;
  3° die in het bezit zijn van de vereiste, voldoende geachte of de andere door de Vlaamse Regering vastgelegde bekwaamheidsbewijzen;
  4° [1 ...]1
  5° die aangeworven zijn mits eerbiediging van de reglementering inzake terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling.
  § 2. Wanneer het arbeidsgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, een beslissing van een schoolbestuur van het gesubsidieerd vrij onderwijs houdende beëindiging of vermindering van de opdracht van een door het schoolbestuur vastbenoemd personeelslid, strijdig acht met het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, bekomt dit personeelslid de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de opdracht die hem ontnomen werd, alsof hij in dienstactiviteit was gebleven, en verliest het schoolbestuur de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de betrekking, zolang het de betrekking aan een ander niet-rechthebbend personeelslid toewijst.
  Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer de kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, het ontslag van een vastbenoemd personeelslid door het schoolbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel vernietigt.
  Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer het college van beroep, zoals bedoeld in artikel 47septies decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, één van de evaluaties met eindconclusie 'onvoldoende' die tot het ontslag hebben geleid, zoals bedoeld in hoofdstuk Vter van hetzelfde decreet, van een vastbenoemd personeelslid heeft vernietigd.
  Het verlies van de salaristoelage voor een betrekking neemt een einde voor het schoolbestuur :
  1° ofwel op het ogenblik dat de onregelmatige handeling door het schoolbestuur is hersteld;
  2° ofwel indien hetzelfde of een ander schoolbestuur het benadeelde personeelslid, met zijn akkoord, overneemt;
  3° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zonder geldige reden weigert een door hetzelfde schoolbestuur of een ander schoolbestuur aangeboden betrekking in hetzelfde ambt met dezelfde statutaire toestand te aanvaarden;
  4° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zich, om redenen vreemd aan het geschil, in de voorwaarden voor definitieve ambtsneerlegging bevindt.
  De salaristoelage, die gedurende de periode tussen het onrechtmatig ontslag en de betekening aan de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het onderwijs van het vonnis of arrest, of van de uitspraak van de hierboven vermelde kamers van beroep of het hierboven vermelde college van beroep, aan het schoolbestuur werd toegekend, wordt van dit schoolbestuur teruggevorderd en wordt vervolgens toegekend aan het ten onrechte ontslagen personeelslid.
  Vanaf de hogervermelde betekening betalen de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor onderwijs de salaristoelage rechtstreeks aan het ten onrechte ontslagen personeelslid tot op het ogenblik dat voldaan wordt aan één van de vier voorwaarden, hierboven vermeld. (17)
  
Art. 18. § 1er. Une école ne reçoit un financement ou un subventionnement que pour ses membres du personnel :
  1° qui sont ressortissant d'un état membre de l'Union européenne ou de l'Association européenne de Libre-Echange, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand;
  2° qui jouissent des droits civils et politiques, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand et allant de pair avec la dispense visée au 1°;
  3° qui sont porteur des titres requis, jugés suffisants ou des autres titres fixés par le Gouvernement flamand;
  4° [1 ...]1
  5° qui ont été engagés dans le respect de la réglementation relative à la mise en disponibilité, à la réaffectation et à la remise au travail.
  § 2. Si le tribunal du travail, lors d'un jugement ou arrêt passé en force de chose jugée, juge qu'une décision prise par une autorité scolaire de l'enseignement libre subventionné et tendant à supprimer ou à réduire la charge d'un membre du personnel qu'elle a nommé à titre définitif, est contraire au décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, ce membre du personnel reçoit la subvention-traitement pour tout ou partie de la charge dont il a été privé, comme s'il était resté en activité de service, tandis que l'autorité scolaire perd la subvention-traitement pour tout ou partie de l'emploi, tant qu'il affecte à cet emploi un membre du personnel autre que le titulaire.
  La présente disposition sort également ses effets lorsque la chambre de recours, telle que visée à l'article 69 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, annule le licenciement d'un membre du personnel nommé à titre définitif prononcé par l'autorité scolaire par mesure disciplinaire.
  La présente disposition sort également ses effets lorsque le collège de recours tel que visé à l'article 47septies decies du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, a annulé une des évaluations ayant comme conclusion finale 'insuffisant' qui ont conduit au licenciement, tel que visé au chapitre Vter du même décret, d'un membre du personnel nommé à titre définitif.
  La perte de la subvention-traitement octroyée pour un emploi prend fin pour l'autorité scolaire :
  1° soit au moment où l'acte irrégulier est rectifié par l'autorité scolaire;
  2° soit si la même ou une autre autorité scolaire reprend le membre du personnel lésé, avec l'accord de ce dernier;
  3° soit au moment où le membre du personnel lésé refuse sans motif valable d'accepter un emploi offert, dans la même fonction et la même situation statutaire, par la même autorité scolaire ou par une autre autorité scolaire;
  4° soit au moment où le membre du personnel lésé se trouve, pour des raisons étrangères au litige, dans les conditions requises pour la cessation définitive de ses fonctions.
  La subvention-traitement octroyée au cours de la période entre le licenciement illégitime et la notification aux services du Gouvernement flamand compétents en matière d'enseignement, du jugement ou de l'arrêt, ou de la décision des chambres de recours précitées ou du collège de recours précité à l'autorité scolaire, est réclamée à cette autorité scolaire et est ensuite attribuée au membre du personnel indûment licencié.
  Dès la notification précitée, les services du Gouvernement flamand compétents en matière d'enseignement paient la subvention-traitement directement au membre du personnel indûment licencié jusqu'au moment où il est satisfait à une des quatre conditions précitées. (17)
  
Onderafdeling 2. [1 Onderwijzend personeel - herverdeling en overdracht van uren]1
Sous-section 2. [1 Personnel enseignant - redistribution et transfert d'heures]1
Art. 19. § 1. [1 Een schoolbestuur kan van de aan zijn scholen toegekende uren-leraar gewoon onderwijs respectievelijk lesuren buitengewoon onderwijs maximaal twee procent respectievelijk maximaal drie procent herverdelen onder zijn scholen.
   Die twee procent voor het gewoon onderwijs en drie procent voor het buitengewoon onderwijs worden berekend op basis van het totaal aantal uren-leraar of lesuren dat gedurende het vorig schooljaar aan het schoolbestuur werd toegekend op basis van de geldende reglementaire normen.
   Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als:
   1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
   2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
   In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.]1

  § 2. [1 Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die niet behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als:
   1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
   2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
   3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.
   In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité daarmee akkoord gaat.]1

  § 3. Bij de in § 1 en § 2 bedoelde herverdeling, mag een schoolbestuur het aantal aan een school toegekende [1 uren-leraar of lesuren]1 niet verminderen indien het in dat schooljaar in die school overeenkomstig de geldende reglementering nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.
  § 4. Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dienen de schoolbesturen een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat ze de bepalingen van § 3 in acht nemen bij deze herverdeling. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid.
  In de bijkomende [1 uren-leraar of lesuren]1 die een school via deze herverdeling verkregen heeft, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het betrokken schoolbestuur dient een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat in de [1 bedoelde uren-leraar of lesuren]1 geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid. [2 In afwijking van deze bepaling is vaste benoeming in uren-leraar mogelijk op 1 januari 2021.]2
  § 5. De herverdeling dient plaats te vinden tegen uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar. (18)
  
Art. 19. § 1er. [1 Une autorité scolaire peut redistribuer parmi ses écoles, respectivement au maximum deux pour cent pour l'enseignement ordinaire et trois pour cent pour l'enseignement spécial, des périodes-professeur respectivement heures de cours accordées à ses écoles.
   Ces deux pour cent pour l'enseignement ordinaire et trois pour cent pour l'enseignement spécial sont calculés sur la base du nombre total de périodes-professeur ou heures de cours ayant été allouées pendant l'année scolaire précédente à l'autorité scolaire sur la base des normes réglementaires en vigueur.
   L'autorité scolaire peut uniquement redistribuer des périodes-professeur ou heures de cours entre des écoles appartenant à un même centre d'enseignement si :
   1° la redistribution est en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement ;
   2° une négociation au sein du comité local a eu lieu.
   Par dérogation au paragraphe 3, cette redistribution peut entraîner des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant.]1

  § 2. [1 L'autorité scolaire peut uniquement redistribuer des périodes-professeur ou heures de cours entre des écoles n'appartenant pas à un même centre d'enseignement si :
   1° la redistribution est en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement ;
   2° une négociation au sein du comité local a eu lieu ;
   3° notification en est faite au centre d'enseignement concerné auquel appartient l'école bénéficiaire.
   Par dérogation au paragraphe 3, cette redistribution peut entraîner des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emplois dans la catégorie du personnel enseignant à condition que le comité local soit d'accord.]1

  § 3. Lors de la redistribution visée aux §§ 1er et 2, une autorité scolaire ne peut réduire le nombre d'[1 périodes-professeur ou heures de cours]1 allouées à une école, si elle doit procéder dans cette école, dans l'année scolaire en question, conformément à la réglementation en vigueur, à de nouvelles mises en disponibilité ou des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant.
  § 4. En vue du contrôle par l' 'Agentschap voor Onderwijsdiensten', les autorités scolaires doivent faire une déclaration sur l'honneur par laquelle elles s'engagent à respecter les dispositions du § 3 lors de la redistribution. Le non-respect des présentes dispositions aura pour conséquence qu'une mise en disponibilité par défaut d'emploi est sans effet vis-à-vis de l'autorité flamande.
  Aucun membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif dans les [1 périodes-professeur ou heures de cours]1 qu'une école a obtenues par le biais de cette redistribution. L'autorité scolaire concernée doit faire une déclaration sur l'honneur par laquelle elle s'engage à ne pas nommer des membres du personnel à titre définitif pour les [1 périodes-professeur ou heures de cours visées]1. Le non-respect des présentes dispositions aura pour conséquence que les nominations définitives ne produisent pas d'effets vis-à-vis de l'autorité flamande. [2 Par dérogation à cette disposition, la nomination définitive en périodes-professeur est possible le 1er janvier 2021.]2
  § 5. La redistribution doit avoir lieu au plus tard le 1er novembre de l'année scolaire concernée. (18)
  
Art. 20. § 1. [1 Binnen dezelfde scholengemeenschap kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar van een school aan een andere school worden overgedragen, als:
   1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
   2° er een onderhandeling heeft plaatsgevonden in het lokaal comité.
   In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.
   Binnen hetzelfde net kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar worden overgedragen van een school aan een andere school die niet behoort tot dezelfde scholengemeenschap, als:
   1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
   2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
   3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.
   In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat.]1

  § 2. De in dit artikel bedoelde overdracht is slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school die [1 uren-leraar of lesuren]1 overdraagt op eer verklaart dat het gedurende dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.
  In de overgedragen [1 uren-leraar of lesuren]1 kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. [2 In afwijking van deze bepaling is vaste benoeming in uren-leraar mogelijk op 1 januari 2021.]2
  Indien een schoolbestuur van een school het vastbenoemd personeel van deze school op datum van 30 juni van het voorafgaand schooljaar, behoudt, op 1 september bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of indien deze personeelsleden op 1 september gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn in een andere school, is overdracht wel mogelijk.
  § 3. Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dient het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat het de bepalingen van dit artikel in acht neemt bij de overdracht. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel geen uitwerking hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid of dat de vaste benoemingen geen uitwerking hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid. (19)
  
Art. 20. § 1er. [1 Dans un même centre d'enseignement, il est possible de transférer, jusqu'au 1er novembre de l'année scolaire concernée, des périodes-enseignant ou heures de cours d'une école à une autre école si :
   1° le transfert est en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement ;
   2° une négociation a eu lieu au sein du comité local.
   Par dérogation au paragraphe 2, ce transfert peut entraîner des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant.
   Dans un même réseau, il est possible de transférer, jusqu'au 1er novembre de l'année scolaire concernée, des périodes-professeur ou heures de cours d'une école à une autre école n'appartenant pas au même centre d'enseignement si :
   1° le transfert est en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement ;
   2° une négociation au sein du comité local a eu lieu ;
   3° notification en est faite au centre d'enseignement concerné auquel appartient l'école bénéficiaire.
   Par dérogation au paragraphe 2, ce transfert peut entraîner des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emplois dans la catégorie du personnel enseignant à condition que le comité local soit d'accord.]1

  § 2. Le transfert visé au présent article n'est possible que si l'autorité scolaire intéressée de l'école transférant des [1 périodes-professeur ou heures de cours]1 déclare sur l'honneur que, conformément à la réglementation en vigueur, elle ne doit pas procéder dans l'école en question, pendant l'année scolaire concernée, à de nouvelles mises en disponibilité ou des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant.
  Dans les périodes, heures de cours ou périodes-professeur transférées, aucun membre du personnel ne pourra être nommé à titre définitif. [2 Par dérogation à cette disposition, la nomination définitive en périodes-professeur est possible le 1er janvier 2021.]2
  Si une autorité scolaire d'une école maintient par réaffectation ou remise au travail au 1er septembre ses personnels nommés à titre définitif à la date du 30 juin de l'année scolaire précédente dans cette école ou si ces personnels sont réaffectés ou remis au travail au 1er septembre dans une autre école, le transfert est toutefois possible.
  § 3. En vue du contrôle par l' 'Agentschap voor Onderwijsdiensten', l'autorité scolaire doit faire une déclaration sur l'honneur par laquelle elle s'engage à respecter les dispositions du présent article lors du transfert. Le non-respect de ces dispositions a pour conséquence que les nouvelles mises en disponibilité ou les mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant ne produisent pas d'effets vis-à-vis de l'autorité flamande ou que les nominations à titre définitif ne produisent pas d'effets vis-à-vis de l'autorité flamande. (19)
  
Art. 21. § 1. [2 Een school kan tijdens een bepaald schooljaar niet ingerichte uren-leraar overdragen naar het daaropvolgende schooljaar mits te voldoen aan alle volgende voorwaarden:]2
  1° het maximum aantal [2 uren-leraar of lesuren]2 van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar dient vastgelegd uiterlijk op 1 november van dat schooljaar;
  2° het maximum aantal [2 uren-leraar of lesuren]2 van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar kan nooit hoger liggen dan twee procent van het aantal aanwendbare [2 uren-leraar of lesuren]2 van dat bepaald schooljaar;
  3° het in 1° en 2° bedoelde maximum aantal overgedragen [2 uren-leraar of lesuren]2, of een gedeelte ervan, mag, in afwijking van artikel 20, na 1 november van dat schooljaar zowel gebruikt worden in de eigen school als overgedragen worden naar een andere school binnen hetzelfde net of binnen eenzelfde scholengemeenschap.
  § 2. [2 De overdracht van uren-leraar of lesuren tijdens een bepaald schooljaar, vermeld in paragraaf 1, is alleen mogelijk als het betrokken schoolbestuur van de school op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledig schooljaar. Daarenboven kan een schoolbestuur van een school voor buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende schooljaar bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten een aanvraag heeft ingediend met het oog op het bekomen van extra lesuren, geen lesuren overdragen.]2 ]1
  § 3. De niet-naleving van de bepalingen van § 2 heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid.
  § 4. In de overgedragen [2 uren-leraar of lesuren]2 kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.
  § 5. Met het oog op de controle van § 4 door het Agentschap voor Onderwijsdiensten, dienen de schoolbesturen van de betrokken scholen een verklaring op eer af te leggen die ertoe strekt dat in de bedoelde [2 uren-leraar of lesuren]2 geen personeelsleden vastbenoemd worden.
  § 6. De niet-naleving van de bepalingen van § 4 en § 5 heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de overheid. (20)
  [3 § 7. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 4, 5 en 6 is vaste benoeming in uren-leraar mogelijk op 1 januari 2021.]3
  
Art. 21. § 1er. [2 Au cours d'une année scolaire déterminée, une école peut transférer des périodes-professeur non organisées à l'année scolaire suivante, à condition qu'il soit satisfait aux conditions suivantes :]2
  1° le nombre maximum de [2 périodes-professeur ou heures de cours]2 d'une année scolaire déterminée qui est transféré à l'année scolaire suivante doit être fixé au plus tard le 1er novembre de ladite année scolaire;
  2° le nombre maximum de [2 périodes-professeur ou heures de cours]2 d'une année scolaire déterminée qui est transféré à l'année scolaire suivante ne peut jamais être supérieur à deux pour cent du nombre de périodes-professeur utilisables de cette année scolaire déterminée;
  3° par dérogation à l'article 20, le nombre maximum de [2 périodes-professeur ou heures de cours]2 transférées, ou une partie, peut, après le 1er novembre de ladite année scolaire, tant être utilisé dans la propre école qu'être transféré à une autre école du même réseau ou du même centre d'enseignement.
  § 2. [2 Le transfert de périodes-professeur ou d'heures de cours pendant une année scolaire déterminée, visé au paragraphe 1er, n'est possible que si l'autorité scolaire intéressée de l'école déclare sur l'honneur que, conformément à la réglementation en vigueur, elle ne doit pas procéder à de nouvelles mises en disponibilité ou des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant ou si les membres du personnel enseignant ayant été nouvellement ou supplémentairement mis en disponibilité par défaut d'emploi, peuvent être réaffectés ou remis au travail dans une fonction organique vacante ou non vacante dans le centre d'enseignement et ce pendant l'année scolaire entière. De plus, une autorité scolaire d'une école d'enseignement secondaire spécial ayant introduit auprès de l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten ", dans l'année scolaire en cours, une demande en vue de l'obtention d'heures de cours supplémentaires, ne peut pas transférer des heures de cours.]2
  § 3. La non-observation des dispositions du § 2 a pour conséquence que la mise en disponibilité par défaut d'emploi ne produit pas d'effets vis-à-vis de l'autorité flamande.
  § 4. Dans les [2 périodes-professeur ou heures de cours]2 transférées, aucun membre du personnel ne pourra être nommé à titre définitif.
  § 5. En vue du contrôle du § 4 par l' 'Agentschap voor Onderwijsdiensten', les autorités scolaires des écoles intéressées doivent faire une déclaration sur l'honneur par laquelle elles s'engagent à ne pas nommer des membres du personnel à titre définitif pour les [2 périodes-professeur ou heures de cours]2 visées.
  § 6. La non-observation des dispositions des §§ 4 et 5 a pour conséquence que les nominations à titre définitif ne produisent pas d'effets vis-à-vis de l'autorité. (20)
  [3 § 7. Par dérogation aux dispositions des paragraphes 4, 5 et 6, la nomination définitive en périodes-professeur est possible le 1er janvier 2021.]3
  
Art. 22. De uren-leraar die worden berekend voor een erkende godsdienst, voor niet-confessionele zedenleer, voor cultuurbeschouwing respectievelijk voor eigen cultuur en religie, dienen voor de desbetreffende cursus te worden aangewend, hetzij als lesuren hetzij als uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden. Het principe van de aanwending voor de desbetreffende cursus geldt ook indien de uren-leraar het voorwerp uitmaken van herverdeling of overdracht. Uitsluitend indien de voor de betrokken cursus bevoegde onderwijsinspectie zich akkoord verklaart, kunnen de uren-leraar voor aanwending naar een andere levensbeschouwelijke cursus worden overgeheveld. (21)
Art. 22. Les périodes-professeur qui sont calculées pour l'enseignement d'une religion reconnue, de morale non confessionnelle, de formation culturelle respectivement de la propre culture et religion, doivent être utilisées pour le cours en question, soit sous forme d'heures de cours soit sous forme d'heures qui ne sont pas des heures de cours mais qui y sont assimilées. Le principe de l'utilisation pour le cours en question est également applicable si les périodes-professeur font l'objet d'une redistribution ou d'un transfert. Les périodes-professeur ne peuvent être transférées à un autre cours philosophique que si l'inspection de l'enseignement compétente pour le cours en question donne son accord. (21)
Onderafdeling 2/1.
Sous-section 2/1.
Onderafdeling 2/2. [1Flexibilisering van de vervangingen]1
Sous-section 2/2. [1 Flexibilisation des remplacements ]1
Art. 22/15. [1 Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur [2 tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030]2 in een school voor gewoon secundair onderwijs of in een centrum voor deeltijds onderwijs de uren-leraar van de betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een school die in aanmerking komen voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1А, omzetten in punten voor de aanwending in de school of in het centrum in ambten van het ondersteunend personeel.
   Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025 in een school voor buitengewoon secundair onderwijs de lesuren van de betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel die in aanmerking komen voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1А, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
   De omzetting, vermeld in het eerste en tweede lid, geldt altijd maximaal voor de duur van de afwezigheid van de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1А, en maximaal voor de duur van het lopende schooljaar.
   In afwijking van het derde lid eindigt de omzetting, vermeld in het eerste en tweede lid:
   1А vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd ingericht in een ambt van het ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel wordt bij de terugkeer van de titularis ontslagen volgens artikel 23, eerste lid, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 21, Ї 1, eerste lid, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
   2А als het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd ingericht in een ambt van het ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de lestijden vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uren-leraar, vermeld in het eerste lid, kunnen worden omgezet in punten voor het ondersteunend personeel en de wijze waarop de lesuren, vermeld in het tweede lid, kunnen worden omgezet in punten voor het ondersteunend personeel en in uren voor het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
   De criteria om het tekort aan onderwijzend personeel te bepalen en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, of in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel als vermeld in het tweede lid, worden vastgelegd na onderhandeling in het bevoegde lokale comité.
   De betrekkingen die opgericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, of in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel als vermeld in het tweede lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.]1

  
Art. 22/15. [1 En cas de pénurie de personnel enseignant, [2 pendant les années scolaires 2025-2026 à 2029-2030]2, dans une école d'enseignement secondaire ordinaire ou dans un centre d'enseignement à temps partiel, l'autorité scolaire peut convertir les périodes-professeur des emplois dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dans une école qui entrent en ligne de compte pour un remplacement régulier, tel que visé à l'article 22/2, 1°, en points pour l'affectation dans l'école ou dans le centre dans des fonctions du personnel d'appui.
   En cas de pénurie de personnel enseignant, pendant les années scolaires 2023-2024 et 2024-2025, dans une école d'enseignement secondaire spécial, l'autorité scolaire peut convertir les heures de cours des emplois dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant qui entrent en ligne de compte pour un remplacement régulier, tel que visé à l'article 22/2, 1°, en points pour l'affectation dans des fonctions du personnel d'appui ou en heures pour l'affectation dans des fonctions du personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique.
   La conversion, visée aux alinéas 1er et 2, vaut toujours au maximum pour la durée de l'absence du titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier, tel que visé à l'article 22/2, 1°, et au maximum pour la durée de l'année scolaire en cours.
   Par dérogation à l'alinéa 3, la conversion, visée aux alinéas 1er et 2, prend fin :
   1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. Le membre du personnel désigné temporairement dans un emploi qui a été aménagé via la conversion précitée dans une fonction du personnel d'appui ou dans une fonction du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique, est licencié au retour du titulaire conformément à l'article 23, alinéa 1er, a), du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou conformément à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, a), du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
   2° si le membre du personnel désigné temporairement dans un emploi qui a été aménagé via la conversion précitée dans une fonction du personnel d'appui ou dans une fonction du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique, démissionne volontairement conformément à l'article 25 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou conformément à l'article 26 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné. Dans ce cas, la conversion prend fin pour la partie correspondante des périodes de cours à partir du moment où la démission prend effet.
   Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les périodes-professeur, visées à l'alinéa 1er, peuvent être converties en points pour le personnel d'appui et la manière dont les heures de cours, visées à l'alinéa 2, peuvent être converties en points pour le personnel d'appui et en heures pour le personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique.
   Les critères de détermination de la pénurie de personnel enseignant et de l'utilisation dans des fonctions du personnel d'appui tel que visé à l'alinéa 1er ou dans des fonctions du personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique, visé à l'alinéa 2, sont déterminés après négociation au sein du comité local de négociation compétent.
   Les emplois créés dans des fonctions du personnel d'appui tel que visé à l'alinéa 1er ou dans des fonctions du personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique, visé à l'alinéa 2, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans un de ces emplois.]1

  
Art. 22/16. [1 Een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs kan [2 tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030]2 de uren-leraar van een betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1А, omzetten in een krediet voor de aanwending voor een gastleraar als vermeld in artikel 211, Ї 3, of in artikel 211/1.
  [2 Een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030]2 de lesuren van een betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1А, omzetten in een krediet voor de aanwending voor een gastleraar als vermeld in artikel 308/4 of in artikel 308/5.
   De omzetting, vermeld in het eerste en tweede lid, geldt steeds maximaal voor de duur van de afwezigheid van de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1А, en maximaal voor de duur van het lopende schooljaar.
   In afwijking van het derde lid eindigt de omzetting, vermeld in het eerste en tweede lid:
   1А vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de gastleraar;
   2А als de gastleraar vrijwillig een einde maakt aan zijn aanstelling.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uren-leraar, vermeld in het eerste lid, en de lesuren, vermeld in het tweede lid, kunnen worden omgezet in een krediet, de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per uur-leraar of per lesuur dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.]1

  
Art. 22/16. [1 Une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut, [2 pendant les années scolaires 2025-2026 à 2029-2030]2, convertir les périodes-professeur d'un emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant qui entrent en ligne de compte pour un remplacement régulier, tel que visé à l'article 22/2, 1°, en crédit pour l'affectation d'un enseignant invité tel que visé à l'article 211, § 3, ou à l'article 211/1.
  [2 Une école d'enseignement secondaire spécialisé peut, pendant les années scolaires 2025-2026 à 2029-2030,]2 convertir les heures de cours d'un emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant qui entrent en ligne de compte pour un remplacement régulier, tel que visé à l'article 22/2, 1°, en crédit pour l'affectation d'un enseignant invité tel que visé à l'article 308/4 ou à l'article 308/5.
   La conversion, visée aux alinéas 1er et 2, vaut toujours au maximum pour la durée de l'absence du titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier, tel que visé à l'article 22/2, 1°, et au maximum pour la durée de l'année scolaire en cours.
   Par dérogation à l'alinéa 3, la conversion, visée aux alinéas 1er et 2, prend fin :
   1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation de l'enseignant invité ;
   2° lorsque l'enseignant invité met volontairement fin à sa désignation.
   Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les périodes-professeur, visées à l'alinéa 1er, et les heures de cours, visées à l'alinéa 2, peuvent être converties en crédit, le mode de notification de la conversion précitée au service compétent désigné par le Gouvernement flamand, le montant du crédit par période-professeur ou par heure de cours qui est convertie et le mode d'attribution du crédit]1

  
Onderafdeling 2/3. [1 Aanvangsbegeleiding]1
Sous-section 2/3. [1 Encadrement initial]1
Art. 22/18. [1 Aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden vanaf het schooljaar [2 2021-2022]2 een aantal organieke uren-leraar aanvangsbegeleiding toegekend.
   Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs worden vanaf het schooljaar [2 2021-2022]2 een aantal organieke lesuren aanvangsbegeleiding toegekend.
   [2 Als de uren-leraar en lesuren niet kunnen worden aangewend voor aanvangsbegeleiding, moeten de scholen die aanwenden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in artikel 22/21. Bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren ook alleen voor aanvangsbegeleiding of ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend. De uit aanvangsbegeleiding toegekende uren-leraar, lesuren, en uren, inclusief de omgezette punten, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.]2
   De uren-leraar aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het ondersteunend personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden uren-leraar omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20.
   De lesuren aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden lesuren omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. Voor de aanwending in het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel worden lesuren omgezet naar uren als vermeld in artikel 22/20.
   Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor wat het bestuurs- en onderwijzend personeel betreft, aanvangsbegeleiding beschouwd als uren die geen lesuren zijn maar ermee gelijkgesteld worden.]1

  
Art. 22/18. [1 A partir de l'année scolaire [2 2021-2022]2, les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel bénéficient d'un nombre de périodes-professeur organiques d'encadrement initial.
   A partir de l'année scolaire [2 2021-2022]2, les écoles d'enseignement secondaire spécial bénéficient d'un nombre d'heures de cours organiques d'encadrement initial.
   [2 Si les périodes-professeur et les heures de cours ne peuvent pas être affectées à l'encadrement initial, les écoles doivent les affecter au soutien de la tâche principale du personnel enseignant, visé à l'article 22/21. De même dans le cas d'un transfert ou d'une redistribution, ces heures ne peuvent être affectées qu'à l'encadrement initial ou au soutien de la tâche principale du personnel enseignant. Par dérogation aux articles 21 et 313, § 1er, les périodes-professeur, heures de cours et heures attribuées à partir de l'encadrement initial, y compris les points convertis, ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante.]2
   Les périodes-professeur d'encadrement initial sont utilisées dans les fonctions de recrutement du personnel directeur et enseignant ou du personnel d'appui. Pour l'utilisation pour le personnel d'appui, les périodes-professeur sont converties en points tels que mentionnés à l'article 22/20.
   Les heures de cours d'encadrement initial sont utilisées pour le recrutement du personnel directeur et enseignant, du personnel d'appui, du personnel paramédical, du personnel médical, du personnel social, du personnel orthopédagogique ou du personnel psychologique. Pour le personnel d'appui, les heures de cours sont converties en points conformément à l'article 22/20. Pour le personnel paramédical, le personnel médical, le personnel social, le personnel orthopédagogique ou le personnel psychologique, les heures de cours sont converties en heures telles que visées à l'article 22/20.
   Pour l'application de la réglementation applicable aux personnels, pour ce qui du personnel directeur et enseignant, l'encadrement initial est considéré comme des heures qui ne sont pas des heures de cours, mais qui sont assimilées à celles-ci.]1

  
Art. 22/19. [1 Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het globaal beschikbare aantal uren aanvangsbegeleiding 5646 uren. Die uren worden verdeeld op de volgende wijze:
   1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 4795 uren-leraar;
   2° buitengewoon secundair onderwijs: 732 lesuren;
   3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 119 uren-leraar.
   Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globaal beschikbare aantal uren en de verdeling over de onderwijstypes, vermeld het eerste lid, 1° tot en met 3°, evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanpassing wordt de eerste lesdag van februari altijd als teldatum genomen.
   Het globaal beschikbare aantal uren wordt op volgende wijze verdeeld over de scholen en centra:
   1° voltijds gewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van de school [2 in het voorgaande schooljaar]2 in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar:
   a) de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209;
   b) de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209;
   c) de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235;
   2° buitengewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket lesuren van de school [2 in het voorgaande schooljaar]2 in de totaliteit van de pakketten lesuren van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket lesuren:
   a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 300;
   b) de lesuren niet-levensbeschouwing, vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303;
   c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 318 en 319;
   3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van het centrum [2 in het voorgaande schooljaar]2 in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle centra. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar de uren-leraar, vermeld in artikel 89 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.]1

  
Art. 22/19. [1 Pour l'année scolaire 2021-2022, le nombre global d'heures d'encadrement initial est de 5646 heures. Ces heures sont réparties comme suit :
   1° l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : 4795 périodes-professeur ;
   2° l'enseignement secondaire spécial : 732 heures de cours ;
   3° l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : 119 périodes-professeur.
   A partir de l'année scolaire 2022-2023, le nombre global d'heures disponibles et la répartition entre les types d'enseignement visés à l'alinéa premier, 1° à 3°, est ajusté proportionnellement aux fluctuations éventuelles du nombre d'élèves par rapport à l'année scolaire précédente. Lors de cet ajustement, le premier jour de classe de février est toujours considéré comme date de comptage.
   Le nombre global d'heures disponibles est réparti comme suit entre les écoles et centres :
   1° l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : par rapport au capital de périodes-professeur de l'école [2 de l'année scolaire précédente]2 dans la totalité des capitaux périodes-professeur de toutes les écoles. Pour l'application de la présente disposition, le capital de périodes-professeur comprend :
   a) les périodes-professeur pour l'enseignement des cours philosophiques visées à l'article 209 ;
   b) les périodes-professeur pour l'enseignement des cours non philosophiques visées à l'article 209 ;
   c) les périodes-professeur d'offre d'appui intégrée visées aux articles 226, 227, 234 et 235 ;
   2° l'enseignement secondaire spécial : par rapport au capital d'heures de cours de l'école et de l'année scolaire en question dans la totalité des capitaux d'heures de cours de toutes les écoles. Pour l'application de la présente disposition, le capital d'heures de cours comprend :
   a) les heures de cours pour l'enseignement des cours philosophiques visées à l'article 300 ;
   b) les heures de cours non philosophiques visées aux articles 298, 299, 301, 302 et 303 ;
   c) les heures de cours d'offre d'appui intégrée visées aux articles 318 et 319 ;
   3° l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : par rapport au capital de périodes-professeur du centre et de l'année scolaire en question dans la totalité des capitaux de périodes-professeur de tous les centres. Pour l'application de la présente disposition, le capital de périodes-professeur comprend les périodes-professeur telles que visées à l'article 89 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande.]1

  
Art. 22/20. [1 De uren-leraar of lesuren aanvangsbegeleiding kunnen, met toepassing van artikel 22/18, vierde lid, worden omgezet naar punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Deze omzetting gebeurt op basis van een omzettingstabel die de Vlaamse Regering vastlegt.]1
  
Art. 22/20. [1 Les périodes-professeur ou heures de cours pour l'encadrement initial peuvent, en application de l'article 22/18, alinéa quatre, être converties en points pour l'affectation dans des fonctions du personnel d'appui, du personnel paramédical, du personnel médical, du personnel social, du personnel orthopédagogique ou du personnel psychologique. Cette conversion se fait sur la base d'un tableau de conversion arrêté par le Gouvernement flamand. ]1
  
Onderafdeling 2/4. [1 Aanvullende uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel]1
Sous-section 2/4. [1 Périodes-professeur et heures de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant]1
Art. 22/21. [1 § 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een aantal organieke uren-leraar voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegekend.
   Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs een aantal organieke lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegekend.
   De aanvullende uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in artikel 47quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en artikel 73quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, dienen aangewend te worden om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht. Ook bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend. De aanvullende uren-leraar, lesuren, en uren, inclusief de omgezette punten ter ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.
   Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één uur-leraar of lesuur toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie uren-leraar of lesuren per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen.
   De uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend in wervingsambten van het onderwijzend personeel.
   Voor de toepassing van de personeelsregelgeving worden, voor het onderwijzend personeel, uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel beschouwd als uren die geen lesuren zijn, maar ermee gelijkgesteld worden.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende uren-leraar of lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité.
   De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de omzettingen van uren-leraar en lesuren naar punten.]1

  
Art. 22/21. [1 § 1er. A partir de l'année scolaire 2021-2022, un nombre de périodes-professeur organiques pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant est octroyé aux écoles de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
   A partir de l'année scolaire 2021-2022, un nombre d'heures de cours organiques pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant est octroyé aux écoles d'enseignement secondaire spécial.
   Les périodes-professeur et heures de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant, visées à l'article 47quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et à l'article 73quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, doivent être affectées à la diminution de la charge de travail du personnel enseignant avec un effet sur la mission d'enseignement. De même dans le cas d'un transfert ou d'une redistribution, ces périodes-professeur et heures de cours ne peuvent être affectées qu'au soutien de la tâche principale du personnel enseignant. Par dérogation à l'article 21 et à l'article 313, § 1er, les périodes-professeur, heures de cours et heures complémentaires, y compris les points convertis pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant, ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante.
   Au maximum une période-professeur ou une heure de cours peut être accordée à un membre du personnel enseignant. Il ne peut être dérogé à ce principe que jusqu'à trois périodes-professeur ou heures de cours au maximum par membre du personnel enseignant, sur la base d'une demande motivée et après négociation au sein du comité local. Cette demande motivée peut être formulée tant par la délégation de l'autorité scolaire que par la délégation du personnel.
   Les périodes-professeur et heures de cours pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant sont affectées dans des fonctions de recrutement du personnel enseignant.
   Pour l'application de la réglementation applicable aux personnels, pour ce qui est du personnel enseignant, les heures pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant sont considérées comme des heures qui ne sont pas des heures de cours, mais qui sont assimilées à celles-ci.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, en cas de pénurie de personnel enseignant, une autorité scolaire peut également affecter les périodes-professeur ou heures de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant dans les fonctions du personnel d'appui pendant les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023. Les critères de détermination de la pénurie de personnel enseignant sont arrêtés au sein du comité local compétent et l'affectation dans des fonctions du personnel d'appui ne peut être appliquée qu'après une négociation au sein du comité local compétent.
   Les emplois organisés dans des fonctions du personnel d'appui, tels que visés à l'alinéa premier, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance d'emploi et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans un de ces emplois.
   Le Gouvernement flamand arrête les conversions des périodes-professeur et heures de cours en points.]1

  
Art. 22/22. [1 Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het globaal beschikbare aantal uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel 9564 uren. Die uren worden verdeeld op de volgende wijze:
   1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 8188 uren-leraar;
   2° buitengewoon secundair onderwijs: 1146 lesuren;
   3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 230 uren-leraar.
   Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globaal beschikbare aantal uren en de verdeling over de onderwijstypes, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanpassing wordt de eerste lesdag van februari altijd als teldatum genomen.
   § 3. Die uren worden conform artikel 22/19, derde lid, over de scholen en centra verdeeld.]1

  
Art. 22/22. [1 Pour l'année scolaire 2021-2022, le nombre global d'heures disponibles pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant est de 9564 heures. Ces heures sont réparties comme suit :
   1° l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : 8188 périodes-professeur ;
   2° l'enseignement secondaire spécial : 1146 heures de cours ;
   3° l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : 230 périodes-professeur.
   A partir de l'année scolaire 2022-2023, le nombre global d'heures disponibles et la répartition entre les types d'enseignement visés à l'alinéa premier, 1° à 3°, est ajusté proportionnellement aux fluctuations éventuelles du nombre d'élèves par rapport à l'année scolaire précédente. Lors de cet ajustement, le premier jour de classe de février est toujours considéré comme date de comptage.
   § 3. Ces heures sont réparties entre les écoles et centres conformément à l'article 22/19, alinéa trois.]1

  
Onderafdeling 2/5. [1 Aanvullende uren-leraar en lesuren samen school maken]1
Sous-section 2/5. [1 Périodes-professeur et heures de cours complémentaires pour faire l'école ensemble]1
Art. 22/23. [1 Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een aantal organieke uren-leraar samen school maken toegekend.
   Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs een aantal organieke lesuren samen school maken toegekend.
   De organieke uren-leraar of lesuren samen school maken dienen aangewend te worden om het sociaal overleg en onderhandeling te versterken. De uren-leraar of lestijden worden aangewend voor de vertegenwoordigers van het personeel die aangesteld zijn in de school, conform de toepasselijke vigerende Vlaamse of federale regelgeving.
   Voor de aanwending van de uren-leraar en de lesuren samen school maken kunnen de scholen samenwerken. Ook bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor het samen school maken worden aangewend. De uren-leraar, lesuren en uren, inclusief de omgezette punten samen school maken, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.
   De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en personeelscategorieën waarbinnen betrekkingen kunnen worden opgericht met de uren-leraar samen school maken. De Vlaamse Regering bepaalt de omzettingen van lesuren en uren-leraar naar uren en punten.
   Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, het samen school maken beschouwd als uren die geen lesuren zijn, maar ermee gelijkgesteld worden.]1

  
Art. 22/23. [1 A partir de l'année scolaire 2021-2022, un nombre de périodes-professeur organiques pour faire l'école ensemble est octroyé aux écoles de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
   A partir de l'année scolaire 2021-2022, un nombre d'heures de cours organiques pour faire l'école ensemble est octroyé aux écoles d'enseignement secondaire spécial.
   Les périodes-professeur ou heures de cours organiques pour faire l'école ensemble doivent être affectées au renforcement de la concertation sociale et de la négociation. Les périodes-professeur ou heures de cours sont affectées aux représentants du personnel désignés dans l'école, conformément à la réglementation flamande ou fédérale applicable en vigueur.
   Les écoles peuvent collaborer pour l'affectation des périodes-professeur et des heures de cours pour faire l'école ensemble. De même dans le cas d'un transfert ou d'une redistribution, ces périodes-professeur et heures de cours ne peuvent être affectées que pour faire l'école ensemble. Par dérogation à l'article 21 et l'article 313, § 1er, les périodes-professeur, heures de cours et heures, y compris les points convertis pour faire l'école ensemble, ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante.
   Le Gouvernement flamand détermine les fonctions et catégories de personnel dans lesquelles des emplois peuvent être organisés avec les périodes-professeur pour faire l'école ensemble. Le Gouvernement flamand détermine les conversions d'heures de cours et de périodes-professeur en heures et points.
   Pour l'application de la réglementation applicable aux personnels, pour ce qui est du personnel directeur et enseignant, faire l'école ensemble est considéré comme des heures qui ne sont pas des heures de cours, mais qui sont assimilées à celles-ci.]1

  
Art. 22/24. [1 § 1. Het aantal organieke uren-leraar dat wordt toegekend aan de scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, wordt berekend met de formule 0,003190777*B.
   In het eerste lid wordt verstaan onder B: het totaalpakket uren-leraar van de school in het voorgaande schooljaar.
   Voor de toepassing van het eerste lid omvat het pakket uren-leraar:
   1° de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209;
   2° de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209;
   3° de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235;
   4° de uren-leraar vermeld in artikel 89, eerste lid, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, wanneer het een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft.
   De uren-leraar, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school of centrum afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op meer dan drie, maar minder dan zeven, organieke uren-leraar voor het samen school maken, recht op drie organieke uren-leraar.
   In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op zeven organieke uren-leraar of meer, recht op zes organieke uren-leraar.
   In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op minder dan één organiek uur-leraar voor het samen school maken, recht op één organiek uur-leraar.
   § 3. Het aantal lesuren samen school maken waarop de school voor buitengewoon secundair onderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule 0,003048098*D.
   Voor de toepassing van het eerste lid is D=E+F+G, waarbij:
   1° E: het totaalpakket lesuren van de school in het voorgaande schooljaar. Voor de toepassing van E omvat het pakket lesuren:
   a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 300;
   b) de lesuren niet-levensbeschouwing, vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303;
   c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 318 en 319;
   2° F: de uren paramedisch personeel, medisch personeel, sociaal personeel, orthopedagogisch personeel en psychologisch personeel, volgens de richtgetallen/32*22. F wordt binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal;
   3° G: de lesuren, uren en begeleidingseenheden zoals toegekend aan de school in het kader van het ondersteuningsmodel op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar, conform artikel 314/8, § 3 en § 5, en artikel 314/9, § 3. G wordt berekend met de formule G=A+B+C, waarbij:
   a) A: de lesuren toegekend in kader van het ondersteuningsmodel;
   b) B: de uren toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*22/32;
   c) C: 90,43% van de begeleidingseenheden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*1 gesommeerd met 9,57% van de begeleidingseenheden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*22/32.
   De term G van de som, vermeld in het tweede lid, wordt binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
   Het aantal lesuren samen school maken waarop een school voor buitengewoon secundair onderwijs recht heeft, zoals vermeld in het eerste lid, worden binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
   § 4. In afwijking van paragraaf 3 hebben scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die conform paragraaf 3 recht hebben op meer dan drie organieke lesuren voor het samen school maken, recht op drie organieke lesuren.
   In afwijking van paragraaf 3 hebben scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die conform paragraaf 3 recht hebben op minder dan één organiek lesuur voor het samen school maken, recht op één organiek lesuur.]1

  
Art. 22/24. [1 § 1er. Le nombre de périodes-professeur organiques qui est octroyé aux école d'enseignement secondaire ordinaire et aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, est calculé au moyen de la formule 0,003190777*B.
   Dans l'alinéa premier, on entend par B : le capital global de périodes-professeur de l'école dans l'année scolaire précédente.
   Pour l'application de l'alinéa premier, le capital de périodes-professeur comprend :
   1° les périodes-professeur pour l'enseignement des cours philosophiques visées à l'article 209 ;
   2° les périodes-professeur pour l'enseignement des cours non philosophiques visées à l'article 209 ;
   3° les périodes-professeur d'offre d'appui intégrée visées aux articles 226, 227, 234 et 235 ;
   4° les périodes-professeur visées à l'article 89, alinéa premier, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, lorsqu'il s'agit d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
   Les périodes-professeur visées à l'alinéa premier sont arrondies au sein d'une école ou d'un centre à l'unité supérieure si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui, conformément au paragraphe 1er, ont droit à plus de trois mais moins de sept périodes-professeur organiques pour faire l'école ensemble, ont droit à trois périodes-professeur organiques.
   Par dérogation au paragraphe 1er, les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui, conformément au paragraphe 1er, ont droit à sept périodes-professeur organiques ou plus, ont droit à six périodes-professeur organiques.
   Par dérogation au paragraphe 1er, les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui, conformément au paragraphe 1er, ont droit à moins d'une période-professeur organique pour faire l'école ensemble, ont droit à une période-professeur organique.
   § 3. Le nombre d'heures de cours pour faire l'école ensemble, auquel l'école de l'enseignement secondaire spécial a droit, est calculé au moyen de la formule 0,003048098*D.
   Pour l'application de l'alinéa premier, D=E+F+G, où :
   1° E : le capital global d'heures de cours de l'école dans l'année scolaire précédente. Pour l'application de E, le capital d'heures de cours comprend :
   a) les heures de cours pour l'enseignement des cours philosophiques visées à l'article 300 ;
   b) les heures de cours non philosophiques visées aux articles 298, 299, 301, 302 et 303 ;
   c) les heures de cours d'offre d'appui intégrée visées aux articles 318 et 319 ;
   2° F : les heures de personnel paramédical, personnel médical, personnel social, personnel orthopédagogique et personnel psychologique, selon les indices /32*22. Au sein d'une école, F est arrondi à l'unité supérieure si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
   3° G : les périodes de cours, heures et unités d'accompagnement telles qu'attribuées à l'école dans le cadre du modèle de soutien au premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente conformément à l'article 314/8, § 3 en § 5, et l'article 314/9, § 3. G est calculé au moyen de la formule G=A+B+C, où :
   a) A : les heures de cours attribuées dans le cadre du modèle de soutien ;
   b) B : les heures attribuées dans le cadre du modèle de soutien*22/32 ;
   c) C : 90,43% des unités d'accompagnement attribuées dans le cadre du modèle de soutien*1 additionnés avec 9,57% des unités d'accompagnement attribuées dans le cadre du modèle de soutien*22/32.
   Le terme G de la somme, visé à l'alinéa deux, est arrondi au sein d'une école à l'unité supérieure si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
   Le nombre d'heures de cours pour faire l'école ensemble, auquel une école de l'enseignement secondaire spécial a droit, tel que visé à l'alinéa premier, est arrondi au sein d'une école à l'unité supérieure si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
   § 4. Par dérogation au paragraphe 3, les écoles de l'enseignement secondaire spécial qui, conformément au paragraphe 3, ont droit à plus de trois heures de cours organiques pour faire l'école ensemble, ont droit à trois heures de cours organiques.
   Par dérogation au paragraphe 3, les écoles de l'enseignement secondaire spécial qui, conformément au paragraphe 3, ont droit à moins d'une heure de cours organique pour faire l'école ensemble, ont droit à une heure de cours organique.]1

  
Art. 22/25. [1 De uren-leraar of lesuren samen school maken in wervingsambten van het ondersteunend personeel worden aangewend op basis van een omzettingstabel die de Vlaamse Regering vastlegt.
   De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed.]1

  
Art. 22/25. [1 Les périodes-professeur ou heures de cours pour faire l'école ensemble dans des fonctions de recrutement du personnel d'appui sont affectées sur la base d'un tableau de conversion arrêté par le Gouvernement flamand.
   Le Gouvernement flamand approuve le cadre d'accords entre l'enseignement communautaire et les associations représentatives des autorités scolaires de l'enseignement subventionné et les organisations syndicales représentatives sur le mode d'octroi, la répartition et l'utilisation des périodes de cours complémentaires pour faire l'école ensemble visant spécifiquement à renforcer la concertation sociale locale.]1

  
Onderafdeling 2/6. [1 Flexi-jobs]1
Sous-section 2/6. [1Flexi-jobs ]1
Art. 22/26. [1 Ї 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1А flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3А, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
   2А flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4А, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
   Ї 2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsbudget als vermeld in artikel 249 of 329, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn scholen aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die school of scholen een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
   Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
   In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
   Ї 3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
   In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, Ї 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, Ї 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
   De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.
   Ї 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 22/16, 211, Ї 3 en Ї 3bis, en artikel 308/5.
   De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
   1А vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
   2А als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.]1

  
Art. 22/26. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
   1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
   2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
   § 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser des fonds propres, le budget de fonctionnement tel que visé à l'article 249 ou 329, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui d'une ou plusieurs de ses écoles, afin d'employer dans cette ou ces écoles, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
   La pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire, dans l'école où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
   Dans l'alinéa 2, on entend par vacance, un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
   § 3. L'autorité scolaire conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
   Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité scolaire.
   § 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité scolaire peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée à l'article 22/16, à l'article 211, § 3 et § 3bis, et à l'article 308/5.
   La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
   1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
   2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne.]1

  
Onderafdeling 3. - Globale puntenenveloppe
Sous-section 3. - Enveloppe globale de points
Art. 23. § 1. Deze onderafdeling is niet van toepassing op het ambt van bode-kamerbewaarder.
  § 2.[1 ...]1
  
Art. 23. § 1er. La présente sous-section ne s'applique pas à la fonction de messager-huissier.
  § 2. [1 ...]1
  
Art. 24. In het secundair onderwijs wordt elk schooljaar aan een scholengemeenschap respectievelijk aan een school doch enkel indien deze niet tot een scholengemeenschap behoort, een globale puntenenveloppe toegekend. Bij toekenning aan een scholengemeenschap wordt de globale puntenenveloppe, na eventuele voorafname bedoeld in artikel 29, § 1, door de scholengemeenschap verdeeld over de scholen die ertoe behoren.
  De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de school het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de school en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven. (23)
  [2 Voor de berekening van de globale puntenenveloppe wordt de uitstap uit een scholengemeenschap en de toetreding tot een andere scholengemeenschap, overeenkomstig artikel 51, geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te hebben plaatsgevonden.]2
  [1 Op het resultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe als vermeld in, naargelang van het geval, artikel 25, 26, 27 of 28, wordt een aanwendings-percentage toegepast dat wordt vastgesteld op 96,57%. De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden dit aanwendingspercentage wijzigen.]1
  
Art. 24. Dans l'enseignement secondaire, il est accordé chaque année scolaire à un centre d'enseignement, ou à une école mais uniquement lorsque celle-ci ne fait pas partie d'un centre d'enseignement, une enveloppe globale de points. En cas d'octroi à un centre d'enseignement, l'enveloppe globale de points est répartie entre les écoles qui en font partie, après déduction éventuelle telle que visée à l'article 29, § 1er.
  L'enveloppe globale de points vise d'une part à combler au niveau de l'école le cadre du personnel directeur et du personnel d'appui et d'autre part à donner corps à une politique en matière de différenciation des tâches et des fonctions au niveau de l'école et du centre d'enseignement. (23)
  [2 Pour le calcul de l'enveloppe globale de points, la sortie d'un centre d'enseignement et l'adhésion à un autre centre d'enseignement, conformément à l'article 51, sont censées avoir déjà eu lieu le 1er février de l'année scolaire précédente.]2
  [1 Au résultat du calcul de l'enveloppe globale de points telle que visée, suivant le cas, à l'article 25, 26, 27 ou 28, est appliqué un pourcentage d'utilisation qui est fixée à 96,57%. Le Gouvernement flamand peut modifier ce pourcentage d'utilisation en fonction des possibilités budgétaires.]1
  
Art. 25. § 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een scholengemeenschap is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 12 hierna.
  § 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt. Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. [2 ...]2 [2 ...]2
  § 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.
  Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. [2 ...]2 [2 ...]2
  § 4. [7 Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Het aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 of 4 als het minimale aantal leerlingen respectievelijk 600 en 550, 900 en 850, of 1200 en 1150 bedraagt.
   Het aantal punten, vermeld in het eerste lid, blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend als het minimale aantal leerlingen niet wordt bereikt.]7

  § 5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met [3 hoger beroepsonderwijs]3, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
  Voor de toepassing van deze bepalingen :
  1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
  2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor [5 gastleraren]5, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd;
  3° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een school die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd worden bij één school die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert.
  § 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daar aan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
  Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor [5 gastleraren]5, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.
  § 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.
  [4 In afwijking van het eerste lid van deze paragraaf, wordt voor de berekening van de globale puntenenveloppe voor schooljaar 2023-2024 geen rekening gehouden met de lesuren beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld waarin ondersteuners zijn aangesteld in schooljaar 2022-2023.]4
  § 8. De door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in § 5, § 6 en § 7, die in een school of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden.
  § 9. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
  1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar, dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
  2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
  3° [1 ...]1.
  § 10. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
  1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
  2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
  3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.
  § 11. Een aantal punten wordt toegekend afhankelijk van het aantal regelmatige leerlingen van alle scholen van de scholengemeenschap, met inbegrip van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs,op de gebruikelijke teldatum, meer bepaald :
  a) tussen 900 en 3999 leerlingen : 120 punten;
  b) tussen 4.000 en 6.499 leerlingen : 180 punten;
  c) tussen 6.500 en 7.999 leerlingen : 240 punten;
  d) tussen 8.000 en 9.499 leerlingen : 300 punten;
  e) tussen 9.000 en 10.999 leerlingen : 360 punten;
  f) vanaf 11.000 leerlingen : 420 punten.
  Het aantal van 120 punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum van 900 leerlingen niet meer wordt bereikt.
  § 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
  § 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  § 14. [6 ...]6
  
Art. 25. § 1er. L'enveloppe globale de points accordée à un centre d'enseignement se compose des éléments mentionnés ci-après aux §§ 2 à 12 inclus.
  § 2. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein comptant au moins 600 élèves réguliers à la date habituelle de comptage ou, à partir de l'année scolaire suivante, au moins 550 élèves réguliers. Le nombre de points en question est multiplié par 2, 3 ou 4 si le nombre minimum d'élèves s'élève respectivement à 1.200 et 1.150, 1.800 et 1.750, ou 2.400 et 2.350. Le nombre de points continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint. [2 ...]2 [2 ...]2
  § 3. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel autonome et comptant au moins 600 élèves réguliers à la date habituelle de comptage ou, à partir de l'année scolaire suivante, au moins 550 élèves réguliers. Le nombre de points en question est multiplié par 2, 3 ou 4 si le nombre minimum d'élèves s'élève respectivement à 1.200 et 1.150, 1.800 et 1.750, ou 2.400 et 2.350.
  Le nombre de points continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint. [2 ...]2 [2 ...]2
  § 4.[7 Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire spécial comptant au moins 300 élèves réguliers à la date habituelle de comptage ou, à partir de l'année scolaire suivante, au moins 275 élèves réguliers. Le nombre de points est multiplié par 2, 3 ou 4 si le nombre minimum d'élèves s'élève respectivement à 600 et 550, 900 et 850, ou 1 200 et 1 150.
   Le nombre de points visé à l'alinéa 1er continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint.]7

  § 5. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec un premier degré, avec un enseignement secondaire technique, un enseignement secondaire professionnel ou [3 un enseignement supérieur professionnel HBO-5]3, si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ladite école à sept fois les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés. A partir de l'année scolaire successive, ce nombre de points continue à être accordé si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés auprès de ladite école n'est pas inférieur à six fois les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  Le nombre de points visé à l'alinéa premier est multiplié par respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 ou 10 (et ainsi de suite) si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ladite école à respectivement 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 ou 50 fois (et ainsi de suite par tranche de 7) les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  A partir de l'année scolaire suivante, le nombre de points visé à l'alinéa premier est multiplié par respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 ou 10 (et ainsi de suite) si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ladite école à respectivement 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 ou 47 fois (et ainsi de suite par tranche de 6) les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  Le nombre de points continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint.
  Pour l'application des dispositions précitées :
  1° les cours pratiques ou y assimilés suivants n'entrent pas en considération : le stage en nursing général, le stage en sciences médicales, le stage en nursing psychiatrique, le stage en sciences sociales, le stage en soins, le stage en nursing hospitalier;
  2° les périodes-professeur 'cours pratiques' ou y assimilés organisées auprès d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel rattaché à une école d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein, entrent en considération dans l'école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein où elles sont organisées. Les périodes-professeur utilisées pour des [5 enseignants invités ]5sont considérées pour un tiers comme des cours pratiques ou y assimilés;
  3° les périodes-professeur de cours pratiques ou y assimilés d'une école organisant uniquement le premier degré ou les premier et deuxième degrés peuvent être ajoutées aux périodes-professeur d'une école appartenant au même centre d'enseignement et n'organisant pas de premier degré.
  § 6. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est autonome si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ledit centre à sept fois les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés. A partir de l'année scolaire successive, ce nombre de points continue à être accordé si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés auprès dudit centre n'est pas inférieur à six fois les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  Le nombre de points visé à l'alinéa premier est multiplié par respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 ou 10 (et ainsi de suite) si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ledit centre à respectivement 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 ou 50 fois (et ainsi de suite par tranche de 7) les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  A partir de l'année scolaire suivante, le nombre de points visé à l'alinéa premier est multiplié par respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 ou 10 (et ainsi de suite) si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ledit centre à respectivement 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 ou 47 fois (et ainsi de suite par tranche de 6) les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  Le nombre de points continue à être accordé si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint pendant deux années scolaires consécutives.
  Pour l'application des dispositions précitées, les périodes-professeur utilisées pour des [5 enseignants invités ]5 sont considérées pour un tiers comme des cours pratiques ou y assimilés.
  § 7. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire spécial si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total d'heures de cours hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme formation professionnelle, comme des cours pratiques ou y assimilés, s'élève dans cette école à 210 au moins. Ce nombre de points est multiplié par respectivement 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 ou 12 (et ainsi de suite majoré de 1), si le nombre total d'heures de cours hebdomadaires organisées comme formation professionnelle, comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans cette école à 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (et ainsi de suite par tranche de 210) au moins.
  [4 Par dérogation à l'alinéa 1er du présent paragraphe, il n'est pas tenu compte, pour le calcul de l'enveloppe globale de points pour l'année scolaire 2023-2024, des heures de cours de formation professionnelle, de cours pratiques ou y assimilés dans lesquelles des intervenants en soutien ont été désignés durant l'année scolaire 2022-2023. ]4
  § 8. Les périodes-professeur ou heures de cours hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande, organisées comme formation professionnelle, comme des cours pratiques ou y assimilés, visées aux §§ 5, 6 et 7, qui sont insuffisantes dans une école ou un centre pour générer le nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand, ou un multiple de celui-ci, peuvent être réunies au niveau du centre d'enseignement, en vue de finir par obtenir le nombre requis de points, ou un multiple de celui-ci.
  § 9. Un nombre de points est accordé, calculé comme suit :
  1° la somme du nombre d'élèves réguliers des écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant au centre d'enseignement à la date habituelle de comptage, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Ce coefficient est en tout cas plus élevé pour une école qui, par application des dispositions relatives à l'égalité des chances en éducation, a droit à des périodes-professeur supplémentaires que pour une autre école. Le résultat de chaque multiplication est arrondi à l'unité la plus proche; et
  2° la somme du nombre de périodes-professeur hebdomadaires des écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant au centre d'enseignement de l'année scolaire concernée, calculée en exécution des dispositions de l'article 209, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Ce coefficient est en tout cas plus élevé pour une école qui, par application des dispositions relatives à l'égalité des chances en éducation, a droit à des périodes-professeur supplémentaires que pour une autre école. Le résultat de chaque multiplication est arrondi à l'unité la plus proche; et
  3° [1 ...]1.
  § 10. Un nombre de points est accordé, calculé comme suit :
  1° la somme du nombre d'élèves réguliers des écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant au centre d'enseignement à la date habituelle de comptage, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Le coefficient est identique pour toutes les écoles auxquelles s'applique cette disposition. Le résultat de la multiplication est arrondi à l'unité la plus proche; et
  2° la somme du nombre de périodes-professeur hebdomadaires des écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant au centre d'enseignement de l'année scolaire concernée, calculée en exécution des dispositions de l'article 209, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Le coefficient est identique pour toutes les écoles auxquelles s'applique cette disposition. Le résultat de chaque multiplication est arrondi à l'unité la plus proche; et
  3° la somme du nombre d'élèves réguliers des écoles d'enseignement secondaire spécial appartenant au centre d'enseignement à la date habituelle de comptage, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Le coefficient est identique pour toutes les écoles auxquelles s'applique cette disposition. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité la plus proche.
  § 11. Un nombre de points est accordé en fonction du nombre d'élèves réguliers de toutes les écoles du centre d'enseignement, y compris les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, à la date habituelle de comptage, notamment :
  a) entre 900 et 3.999 élèves : 120 points;
  b) entre 4.000 et 6.499 élèves : 180 points;
  c) entre 6.500 et 7.999 élèves : 240 points;
  b) entre 8.000 et 9.499 élèves : 300 points;
  e) entre 9.000 et 10.999 élèves : 360 points;
  f) à partir de 11.000 élèves : 420 points.
  Le nombre de 120 points continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum de 900 élèves n'est plus atteint.
  § 12. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est rattaché à une école d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein.
  § 13. Pour la fixation des différents coefficients visés aux §§ 9 et 10, le Gouvernement flamand tient compte du fait que, sur une base comparable, le résultat final du calcul de l'enveloppe globale de points est plus avantageux pour les centres d'enseignement que pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
  § 14.[6 ...]6
  
Art. 26. § 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.
  § 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.
  Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. [1 ...]1 [1 ...]1
  § 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met [2 hoger beroepsonderwijs]2, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
  Voor de toepassing van deze bepalingen :
  1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
  2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor [3 gastleraren]3, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.
  § 4. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
  1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
  2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de school van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.
  § 5. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
  1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
  2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de school van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.
  § 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
  § 7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  § 8.[4 ...]4
  
Art. 26. § 1er. L'enveloppe globale de points accordée à une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein n'appartenant pas à un centre d'enseignement se compose des éléments mentionnés ci-après aux §§ 2 à 5 inclus.
  § 2. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein comptant au moins 600 élèves réguliers à la date habituelle de comptage ou, à partir de l'année scolaire suivante, au moins 550 élèves réguliers. Le nombre de points en question est multiplié par 2, 3 ou 4 si le nombre minimum d'élèves s'élève respectivement à 1.200 et 1.150, 1.800 et 1.750, ou 2.400 et 2.350.
  Le nombre de points continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint. [1 ...]1 [1 ...]1
  § 3. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec un premier degré, avec un enseignement secondaire technique, un enseignement secondaire professionnel ou [2 un enseignement supérieur professionnel HBO-5]2, si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ladite école à sept fois les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés. A partir de l'année scolaire successive, ce nombre de points continue à être accordé si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés auprès de ladite école n'est pas inférieur à six fois les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  Le nombre de points visé à l'alinéa premier est multiplié par respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 ou 10 (et ainsi de suite) si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ladite école à respectivement 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 ou 50 fois (et ainsi de suite par tranche de 7) les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés. A partir de l'année scolaire suivante, le nombre de points visé à l'alinéa premier est multiplié par respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 ou 10 (et ainsi de suite) si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ladite école à respectivement 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 ou 47 fois (et ainsi de suite par tranche de 6) les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  Le nombre de points continue à être accordé si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint pendant deux années scolaires consécutives.
  Pour l'application des dispositions précitées :
  1° les cours pratiques ou y assimilés suivants n'entrent pas en considération : le stage en nursing général, le stage en sciences médicales, le stage en nursing psychiatrique, le stage en sciences sociales, le stage en soins, le stage en nursing hospitalier;
  2° les périodes-professeur 'cours pratiques' ou y assimilés organisées auprès d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel rattaché à une école d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein, entrent en considération dans l'école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein où elles sont organisées. Les périodes-professeur utilisées pour des [3 enseignants invités]3 sont considérées pour un tiers comme des cours pratiques ou y assimilés.
  § 4. Un nombre de points est accordé, calculé comme suit :
  1° la somme du nombre d'élèves réguliers de l'école à la date habituelle de comptage, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Ce coefficient est en tout cas plus élevé pour une école qui, par application des dispositions relatives à l'égalité des chances en éducation, a droit à des périodes-professeur supplémentaires que pour une autre école. Le résultat de chaque multiplication est arrondi à l'unité la plus proche; et
  2° la somme du nombre de périodes-professeur hebdomadaires de l'école de l'année scolaire concernée, calculée en exécution des dispositions de l'article 209, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Ce coefficient est en tout cas plus élevé pour une école qui, par application des dispositions relatives à l'égalité des chances en éducation, a droit à des périodes-professeur supplémentaires que pour une autre école. Le résultat de chaque multiplication est arrondi à l'unité la plus proche.
  § 5. Un nombre de points est accordé, calculé comme suit :
  1° la somme du nombre d'élèves réguliers de l'école à la date habituelle de comptage, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Le coefficient est identique pour toutes les écoles auxquelles s'applique cette disposition. Le résultat de la multiplication est arrondi à l'unité la plus proche; et
  2° la somme du nombre de périodes-professeur hebdomadaires de l'école de l'année scolaire concernée, calculée en exécution des dispositions de l'article 209, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Le coefficient est identique pour toutes les écoles auxquelles s'applique cette disposition. Le résultat de la multiplication est arrondi à l'unité la plus proche.
  § 6. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est rattaché à une école d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein.
  § 7. Pour la fixation des différents coefficients visés aux §§ 4 et 5, le Gouvernement flamand tient compte du fait que, sur une base comparable, le résultat final du calcul de l'enveloppe globale de points est plus avantageux pour les centres d'enseignement que pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
  § 8.[4 ...]4
  
Art. 27. § 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.
  § 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.
  § 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.
  [1 In afwijking van het eerste lid wordt voor de berekening van de globale puntenenveloppe voor schooljaar 2023-2024 geen rekening gehouden met de lesuren beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld waarin ondersteuners zijn aangesteld in schooljaar 2022-2023.]1
  § 4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool elk schooljaar recht op 82 punten.
  § 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.
  § 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  § 7.[2 ...]2
  
Art. 27. § 1er. L'enveloppe globale de points accordée à une école d'enseignement secondaire spécial n'appartenant pas à un centre d'enseignement se compose des éléments mentionnés ci-après aux §§ 2 à 5 inclus.
  § 2. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire spécial comptant au moins 300 élèves réguliers à la date habituelle de comptage ou, à partir de l'année scolaire suivante, au moins 275 élèves réguliers. Ce nombre de points continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint.
  § 3. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque école d'enseignement secondaire spécial si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total d'heures de cours hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme formation professionnelle, comme des cours pratiques ou y assimilés, s'élève dans cette école à 210 au moins. Ce nombre de points est multiplié par respectivement 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 ou 12 (et ainsi de suite majoré de 1), si le nombre total d'heures de cours hebdomadaires organisées comme formation professionnelle, comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans cette école à 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (et ainsi de suite par tranche de 210) au moins.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, il n'est pas tenu compte, pour le calcul de l'enveloppe globale de points pour l'année scolaire 2023-2024, des heures de cours de formation professionnelle, de cours pratiques ou y assimilés dans lesquelles des intervenants en soutien ont été désignés durant l'année scolaire 2022-2023.]1
  § 4. Il est accordé un nombre de points qui consiste en la somme du nombre d'élèves réguliers de l'école à la date habituelle de comptage, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand qui varie selon le volume de la population d'élèves. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité la plus proche. Par dérogation à cette règle, une école d'enseignement secondaire spécial de type 5 qui est considérée comme une école hospitalière a chaque année scolaire droit à 82 points.
  § 5. Il est accordé un nombre de points qui consiste en la somme du nombre d'élèves réguliers de l'établissement à la date habituelle de comptage, multipliée par un coefficient à fixer par le Gouvernement flamand. Le coefficient est identique pour toutes les écoles auxquelles s'applique cette disposition. Le résultat de cette multiplication est arrondi à l'unité la plus proche.
  § 6. Pour la fixation des différents coefficients visés aux §§ 4 et 5, le Gouvernement flamand tient compte du fait que, sur une base comparable, le résultat final du calcul de l'enveloppe globale de points est plus avantageux pour les centres d'enseignement que pour les écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
  § 7.[2 ...]2
  
Art. 28. § 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 en § 3 hierna.
  § 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.
  Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. [1 ...]1 [1 ...]1
  § 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
  Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
  Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor [2 gastleraren]2, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.
  § 4. [3 ... ]3
  
Art. 28. § 1er. L'enveloppe globale de points accordée à un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel étant autonome et appartenant ou non à un centre d'enseignement, se compose des éléments mentionnés ci-après aux §§ 2 et 3.
  § 2. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel autonome et comptant au moins 600 élèves réguliers à la date habituelle de comptage ou, à partir de l'année scolaire suivante, au moins 550 élèves réguliers. Le nombre de points en question est multiplié par 2, 3 ou 4 si le nombre minimum d'élèves s'élève respectivement à 1.200 et 1.150, 1.800 et 1.750, ou 2.400 et 2.350.
  Le nombre de points continue à être accordé pendant deux années scolaires consécutives si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint. [1 ...]1 [1 ...]1
  § 3. Un nombre de points à fixer par le Gouvernement flamand est accordé pour chaque centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est autonome si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ledit centre à sept fois les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés. A partir de l'année scolaire suivante, ce nombre de points continue à être accordé si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés auprès dudit centre n'est pas inférieur à six fois les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  Le nombre de points visé à l'alinéa premier est multiplié par respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 ou 10 (et ainsi de suite) si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ladite école à respectivement 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 ou 50 fois (et ainsi de suite par tranche de 7) les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  A partir de l'année scolaire suivante, le nombre de points visé à l'alinéa premier est multiplié par respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 ou 10 (et ainsi de suite) si, au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre, le nombre total de périodes-professeur hebdomadaires financées ou subventionnées par la Communauté flamande et organisées comme des cours pratiques ou y assimilés s'élève dans ledit centre à respectivement 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 ou 47 fois (et ainsi de suite par tranche de 6) les prestations minimum requises pour un emploi à temps plein d'enseignant chargé de donner des cours pratiques ou y assimilés.
  Le nombre de points continue à être accordé si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint pendant deux années scolaires consécutives.
  Pour l'application des dispositions précitées, les périodes-professeur utilisées pour des [2 enseignants invités]2 sont considérées pour un tiers comme des cours pratiques ou y assimilés.
  § 4.[3 ...]3
  
Art. 29. § 1. De scholengemeenschap verdeelt jaarlijks haar globale puntenenveloppe, bedoeld in artikel 25, over haar scholen op basis van criteria die worden onderhandeld in het bevoegde lokaal comité. Als in de scholengemeenschap geen akkoord wordt bereikt, verdeelt de scholengemeenschap de punten over haar scholen overeenkomstig de parameters die werden gebruikt voor de toekenning van de puntenenveloppe.
  Voordat de scholengemeenschap overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt maximum 10% van de puntenenveloppe.
  Een overschrijding van de 10% voorafname is mogelijk :
  1° als de voorafname minder bedraagt dan het aantal punten bedoeld in artikel 25, § 11. In dat geval kan de scholengemeenschap de 10% overschrijden tot het aantal punten overeenkomt met de punten die haar volgens artikel 25, § 11, toekomen op basis van het aantal leerlingen van de scholengemeenschap;
  2° als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap een akkoord wordt bereikt.
  De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven.
  De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.
  § 2.[2 ...]2
  
Art. 29. § 1er. Chaque année, le centre d'enseignement répartit son enveloppe globale de points, visée à l'article 25, entre ses écoles, sur la base de critères négociés au sein du comité local compétent. Si le centre d'enseignement n'arrive pas à un accord, il répartit les points entre ses écoles conformément aux paramètres utilisés pour l'octroi de l'enveloppe de points.
  Avant de procéder à la répartition des points, le centre d'enseignement peut prélever un nombre de points afin de donner corps à une politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions au niveau du centre d'enseignement. Ce prélèvement ne peut dépasser les 10% de l'enveloppe de points.
  Un dépassement de ce prélèvement de 10 % est possible :
  1° si le prélèvement est inférieur au nombre de points visé à l'article 25, § 11. Dans ce cas, le centre d'enseignement peut dépasser les 10 % jusqu'à ce que le nombre de points corresponde aux points auxquels il a droit suivant l'article 25, § 11, calculé sur la base du nombre d'élèves du centre d'enseignement;
  2° si tant l'affectation des points que les répercussions sur les membres du personnel font l'objet d'un accord au sein du comité local compétent du centre d'enseignement.
  Le centre d'enseignement fait, à l'égard du comité local du centre d'enseignement et à l'égard du personnel des écoles appartenant au centre d'enseignement, la clarté totale sur les emplois qu'il crée sur la base du prélèvement de l'enveloppe de points, au niveau du centre d'enseignement. Le centre d'enseignement démontre également que les emplois ainsi créés réalisent effectivement sa politique relative à la différenciation des tâches et des fonctions au niveau du centre d'enseignement.
  La répartition de l'enveloppe de points ne peut avoir pour conséquence que des membres du personnel supplémentaires doivent être mis en disponibilité par défaut d'emploi, à moins qu'ils ne puissent être immédiatement réaffectés ou remis au travail dans un emploi organique vacant ou non vacant dans le centre d'enseignement, pour la durée de l'année scolaire entière.
  § 2. [1 [2 ...]2°.]1 (28)
  
Art. 30. § 1. De school wendt de punten die ze in toepassing van [1 artikel 29]1 van de scholengemeenschap ontvangt als volgt aan :
  1° in eerste instantie moet ze de punten steeds aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten :
  - van het bestuurspersoneel;
  - van het ondersteunend personeel;
  - van wervingambten van het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiedifferentiatie werden toegewezen;
  2° als de school na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :
  - voor de oprichting van betrekkingen in ambten bedoeld in § 1, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur;
  - voor het klasvrij maken van een personeelslid;
  - voor taak- en functiedifferentiatie;
  - voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
  [2 - voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.]2
  De school moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
  - [4 ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;]4
  - als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan. [3 Voor het bepalen van dit percentage wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden aangesteld in het ambt van ICT-coördinator.]3;
  - een betrekking in het ambt van technisch adviseur- coördinator kan slechts worden opgericht in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met [6 hoger beroepsonderwijs]6, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een school voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde scholen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht. De school verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten;
  [2 - als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.]2
  § 2. [3 Als de scholengemeenschap, conform artikel 63/1, geen scholengemeenschapsinstelling heeft opgericht, kan ze de punten van de voorafname, bedoeld in artikel 29, § 1, als volgt en naar keuze aanwenden:]3
  - voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, het ondersteunend personeel, en in het kader van taak- en functiedifferentiatie in wervingsambten van het onderwijzend, het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel;
  - voor het school- of klasvrij maken van een personeelslid;
  [2 - voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.]2
  Bij de aanwending van deze puntenenveloppe moet de scholengemeenschap rekening houden met volgende principes :
  1° [4 ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;]4
  2° het personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking opgericht met punten van de voorafname wordt steeds als tijdelijk personeelslid aangesteld in een school van de scholengemeenschap en werkt voor de totaliteit van de scholengemeenschap;
  [2 3° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de scholengemeenschap de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.]2
  De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
  - de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan echter op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
  - het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
  - de betrekking kan niet worden vacant verklaard.
  Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
  [3 § 2bis. [5 Als de scholengemeenschap, conform artikel 63/1, een scholengemeenschapsinstelling heeft opgericht, kan ze de punten van de voorafname, vermeld in artikel 29, § 1, op de volgende wijze aanwenden:
   - voor de oprichting van betrekkingen in de scholengemeenschapsinstelling in ambten van het bestuurspersoneel, het ondersteunend personeel, en in het kader van taak- en functiedifferentiatie in wervingsambten van het onderwijzend, paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel;
   - voor het school- of klasvrij maken van een personeelslid in een school van de scholengemeenschap, dat belast is met het mandaat van algemeen directeur of van een personeelslid dat belast is met het mandaat van coördinerend directeur;
   - voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel in de scholengemeenschapsinstelling, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.]5

   Bij aanwending van de punten van de voorafname in de scholengemeenschapsinstelling moet de scholengemeenschap rekening houden met volgende principes:
   1° in eerste instantie moeten de punten steeds worden aangewend voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten, bedoeld in het eerste lid;
   2° als de [5 scholengemeenschapsinstelling]5 na toepassing van punt 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden:
   - voor de oprichting van betrekkingen in ambten bedoeld in het eerste lid;
  [5 ...]5
   - voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van [5 artikel 55, § 2,]5 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of [5 artikel 44, § 2,]5 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
   - voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend;
   3° [4 ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;]4
   4° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de [5 scholengemeenschapsinstelling]5 de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.
   De betrekkingen die in de scholengemeenschapsinstelling of scholengemeenschapsinstellingen, al naar gelang het geval, worden ingericht in de punten van de voorafname komen in totaal tot een maximum van 10% van de globale puntenenveloppe in aanmerking voor vacantverklaring, toelating tot de proeftijd, vaste benoeming of mutatie. Als de scholengemeenschap voor haar voorafname meer dan 10% van de globale puntenenveloppe overschrijdt, als vermeld in artikel 29, § 1, dan komen de betrekkingen die in de scholengemeenschapsinstelling of scholengemeenschapsinstellingen, al naar gelang het geval, worden ingericht boven deze 10% niet in aanmerking voor vacantverklaring, toelating tot de proeftijd, vaste benoeming of mutatie. Er kan maximaal vacant verklaard worden in deze punten tot het percentage dat op 1 september 2020 vooraf genomen werd. Dit percentage kan verhoogd worden na akkoord binnen het bevoegd lokaal comité, zonder dat het percentage van 10% overschreden kan worden.]3

  § 3. In het gemeenschapsonderwijs is de scholengroep verplicht om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken. De scholengroep heeft de keuze om hiervoor punten aan te wenden van de voorafname van de globale puntenenveloppe, bedoeld in [1 artikel 29]1 en/of punten van de enveloppe bedoeld in artikelen 125duodecies, § 4, en 153sexies, § 4, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997. Als een scholengroep ten minste één netoverschrijdende scholengemeenschap telt, wordt in de overeenkomst van deze scholengemeenschap vastgelegd op welke wijze aan voormelde verplichting wordt voldaan. De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken.
  § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.
  De Vlaamse Regering bepaalt eveneens het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. (29)
  
Art. 30. § 1er. L'école utilise les points qu'elle reçoit par application de [1 l'article 29]1 du centre d'enseignement de la manière suivante :
  1° en premier lieu, l'école doit toujours utiliser les points pour le maintien d'emplois de membres du personnel nommés à titre définitif dans des fonctions :
  - du personnel directeur;
  - du personnel d'appui;
  - de recrutement du personnel enseignant ou d'appui dans la mesure où il s'agit de différenciation des tâches et des fonctions. Dans une école d'enseignement secondaire spécial, cela implique en outre le maintien d'emplois dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, orthopédagogique et psychologique ayant été attribuées dans le cadre de la différenciation des tâches et des fonctions;
  2° s'il lui reste, après application du point 1°, encore des points, l'école peut les utiliser comme suit et à sa guise :
  - pour la création d'emplois dans des fonctions visées au § 1er, à l'exception de la fonction de promotion de directeur;
  - pour dispenser un membre du personnel de sa charge d'enseignement;
  - pour la différenciation des tâches et des fonctions;
  - pour l'octroi d'une échelle de traitement supérieure dans une fonction du personnel d'appui, par application de l'article 55 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou de l'article 44 du décret relatif au statut du personnel de l'enseignement subventionné
  [2 - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans la fonction du personnel d'appui, visé au § 1er, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant.]2
  Lors de l'utilisation de ses points, l'école doit en outre tenir compte des principes suivants :
  - [3 [4 les fonctions du personnel directeur ne peuvent être créées que par emploi à mi-temps ou à temps plein ;]4 Pour déterminer ce pourcentage, les membres du personnel désignés à la fonction de coordinateur TIC ne sont pas pris en compte;]3
  - lorsqu'une école utilise des points pour des fonctions dans la catégorie du personnel d'appui, les membres du personnel de cette catégorie se composent pour 50 % au moins d'éducateurs [3 ]3;
  - un emploi dans la fonction de conseiller technique-coordinateur ne peut être créé que dans une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec un premier degré, avec un enseignement secondaire technique, un enseignement secondaire professionnel ou [6 un enseignement supérieur professionnel HBO-5]6, dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel étant autonome et dans une école d'enseignement secondaire spécial. De plus, dans les écoles précitées, au maximum 1 emploi à temps plein peut être créé dans la fonction de conseiller technique-coordinateur. A l'égard de son comité local et à l'égard de son personnel, l'école fait la clarté totale sur les emplois qu'elle créera sur la base de ses points;
  [2 - si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou n'est que partiellement remplacé s'il interrompt son service, l'école peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui.]2
  § 2. [3 Si le centre d'enseignement, conformément à l'article 63/1, n'a pas créé d'établissement de centre d'enseignement, il peut utiliser les points du prélèvement, visé à l'article 29, § 1er, comme suit et au choix :]3
  - pour la création d'emplois dans des fonctions du personnel directeur, du personnel d'appui et, dans le cadre de la différenciation des tâches et des fonctions, dans des fonctions de recrutement du personnel enseignant, paramédical, médical, social, orthopédagogique et psychologique;
  - pour dispenser un membre du personnel de sa charge d'enseignement;
  [2 - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, visé au § 1er, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant.]2
  Lors de l'utilisation de cette enveloppe de points, le centre d'enseignement doit tenir compte des principes suivants :
  1° [4 les fonctions du personnel directeur ne peuvent être créées que par emploi à mi-temps ou à temps plein ;]4
  2° le membre du personnel étant désigné à un emploi au moyen de points du prélèvement, est toujours désigné à titre temporaire dans une école du centre d'enseignement et travaille pour la totalité du centre d'enseignement;
  [2 3° si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou partiellement remplacé s'il interrompt son service, le centre d'enseignement peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui.]2
  Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné continuent à être applicables, à l'exception des dispositions suivantes :
  - l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire de l'école à laquelle l'emploi est attribué peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation est considérée comme une réaffectation ou une remise au travail. Cette réaffectation ou remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité;
  - l'autorité scolaire de l'école à laquelle l'emploi est attribué n'est pas obligé de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément à l'article 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné;
  - l'emploi ne peut être déclaré vacant.
  L'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
  [3 § 2bis. [5 Si le centre d'enseignement a créé un établissement de centre d'enseignement, conformément à l'article 63/1, elle peut utiliser les points de prélèvement visés à l'article 29, § 1er, comme suit :
   - pour la création d'emplois dans l'établissement de centre d'enseignement dans des fonctions de personnel directeur, de personnel d'appui et, dans le cadre de la différenciation des tâches et des fonctions, dans des fonctions de recrutement du personnel enseignant, paramédical, médical, social, orthopédagogique et psychologique ;
   - pour dispenser de sa charge d'enseignement un membre du personnel chargé du mandat de directeur général ou d'un membre du personnel chargé du mandat de directeur coordonnateur dans une école du centre d'enseignement ;
   - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui dans l'établissement de centre d'enseignement, dont le titulaire est en interruption de service, de manière qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant]5

   Le centre d'enseignement doit tenir compte des principes suivants lors de l'utilisation des points du prélèvement dans l'établissement de centre d'enseignement :
   1° en premier lieu, les points doivent toujours être utilisés pour maintenir les emplois de membres du personnel nommés à titre définitif dans des fonctions visées à l'alinéa 1er ;
   2° si après l'application du point 1°, l' [5 établissement de centre d'enseignement]5 dispose encore de points, il peut les utiliser comme suit et au choix :
   - pour créer des emplois dans des fonctions visées à l'alinéa 1er ;
   [5 ...]5
   - pour octroyer une échelle de traitement supérieure dans une fonction de personnel de soutien en application de l'[5 article 55, § 2,]5 du décret sur le statut du personnel de l'enseignement communautaire ou de l'[5 article 44, § 2,]5 du décret sur le statut du personnel de l'enseignement subventionné ;
   - pour accroître temporairement la valeur du point d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, dont le titulaire est en interruption de service, afin qu'il soit possible d'attribuer une échelle de traitement supérieure au remplaçant ;
   3° [4 les fonctions du personnel directeur ne peuvent être créées que par emploi à mi-temps ou à temps plein ;]4
   4° Si le titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas remplacé ou est partiellement remplacé pendant une interruption de service, l' [5 établissement de centre d'enseignement]5 peut utiliser la valeur en points de la charge non remplie du titulaire pour attribuer une échelle de traitement plus élevée au remplaçant dans un emploi dans une fonction de personnel d'appui.
   Les emplois créés dans les points du prélèvement dans le ou les établissements de centre d'enseignement, selon le cas, peuvent faire l'objet d'une déclaration de vacance, d'une admission à la période d'essai, d'une nomination à titre définitif ou d'une mutation dans la limite de 10 % de l'enveloppe globale de points. Si pour son prélèvement, le centre d'enseignement dépasse de plus de 10 % l'enveloppe de points globale visée à l'article 29, § 1er, les emplois qui sont organisés dans le ou les établissements de centre d'enseignement, selon le cas, au-delà de ces 10 % ne peuvent faire l'objet d'une déclaration de vacance, d'une admission à la période d'essai, d'une nomination à titre définitif ou d'une mutation. La déclaration de vacance dans ces points peut atteindre au maximum le pourcentage prélevé au 1er septembre 2020. Ce pourcentage peut être augmenté après accord au sein du comité local compétent, sans que le pourcentage de 10 % ne puisse être dépassé.]3

  § 3. Dans l'enseignement communautaire, le groupe d'écoles est obligé d'exonérer le membre du personnel chargé du mandat de directeur général de sa charge d'enseignement. Le groupe d'écoles a le choix d'utiliser pour ce faire des points du prélèvement de l'enveloppe globale de points, visé à [1 l'article 29]1 et/ou des points de l'enveloppe visée aux articles 125duodecies, § 4, et 153sexies, § 4, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Si un groupe d'écoles compte au moins 1 centre d'enseignement inter-caractère, il est stipulé dans la convention de ce centre d'enseignement, de quelle manière il sera satisfait à cette obligation. Le Gouvernement flamand fixe le nombre de points qui est requis pour exonérer le membre du personnel chargé du mandat de directeur général de sa charge d'enseignement.
  § 4. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions et la pondération attribuée à chaque fonction. La pondération d'une fonction est déterminée sur la base d'un titre ou d'une échelle de traitement.
  Le Gouvernement flamand fixe également le nombre de points qui est requis pour exonérer un membre du personnel de sa charge d'enseignement. (29)
  
Art. 31. § 1. De school die niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten bedoeld in artikelen 26 of 27 als volgt aan :
  1° in eerste instantie moet ze haar punten steeds aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden :
  - van het bestuurspersoneel;
  - van het ondersteunend personeel;
  - van wervingsambten van het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiedifferentiatie werden toegewezen;
  2° als de school na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :
  - voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur, en het ondersteunend personeel;
  - voor de oprichting van betrekkingen in wervingsambten van het onderwijzend en het ondersteunend personeel in het kader van taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs kunnen in het kader van taak- en functiedifferentiatie daarenboven ook betrekkingen in wervingsambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel in stand worden gehouden of worden opgericht;
  - voor het klasvrij maken van een personeelslid;
  - voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
  [1 - voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.]1
  De school moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
  - [3 ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;]3
  - als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan. [2 Voor het bepalen van dit percentage wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden aangesteld in het ambt van ICT-coördinator.]2;
  - een betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator kan slechts worden opgericht in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met [4 hoger beroepsonderwijs]4, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een school voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde scholen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht;
  [1 - als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.]1
  De school verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten.
  § 2. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten bedoeld in artikel 28 als volgt aan :
  1° in eerste instantie moet ze de punten aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten van het bestuurspersoneel;
  2° als het centrum na de toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze betrekkingen oprichten in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur.
  Het centrum voor deeltijds beroepsonderwijs moet bij de aanwending van zijn punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
  - ambten van het bestuurspersoneel [3 kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking]3 opgericht worden;
  - er kan slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.
  De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. (30)
  
Art. 31. § 1er. L'école n'appartenant pas à un centre d'enseignement utilise les points visés à l'article 26 ou 27 comme suit :
  1° en premier lieu, elle doit toujours utiliser ses points pour le maintien d'emplois de membres du personnel nommés à titre définitif :
  - du personnel directeur;
  - du personnel d'appui;
  - de fonctions de recrutement du personnel enseignant ou d'appui dans la mesure où il s'agit de différenciation des tâches et des fonctions. Dans une école d'enseignement secondaire spécial, cela implique en outre le maintien d'emplois dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, orthopédagogique et psychologique ayant été attribuées dans le cadre de la différenciation des tâches et des fonctions;
  2° s'il lui reste, après application du point 1°, encore des points, l'école peut les utiliser comme suit et à sa guise :
  - pour la création d'emplois dans les fonctions du personnel directeur, à l'exception de la fonction de promotion de directeur, et du personnel d'appui;
  - pour la création d'emplois dans les fonctions de recrutement du personnel enseignant et d'appui dans le cadre de la différenciation des tâches et des fonctions. Dans une école d'enseignement secondaire spécial, des emplois dans des fonctions de recrutement du personnel paramédical, médical, social, orthopédagogique et psychologique peuvent en outre être maintenus ou créés dans le cadre de la différenciation des tâches et des fonctions;
  - pour dispenser un membre du personnel de sa charge d'enseignement;
  - pour l'octroi d'une échelle de traitement supérieure dans une fonction du personnel d'appui, par application de l'article 55 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou de l'article 44 du décret relatif au statut du personnel de l'enseignement subventionné;
  [1 - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant.]1
  Lors de l'utilisation de ses points, l'école doit en outre tenir compte des principes suivants :
  - [3 les fonctions du personnel directeur ne peuvent être créées que par emploi à mi-temps ou à temps plein ;]3
  - lorsqu'une école utilise des points pour des fonctions dans la catégorie du personnel d'appui, les membres du personnel de cette catégorie se composent pour 50 % au moins d'éducateurs. [2 Pour déterminer ce pourcentage, les membres du personnel désignés à la fonction de coordinateur TIC ne sont pas pris en compte.]2;
  - un emploi dans la fonction de conseiller technique-coordinateur ne peut être créé que dans une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec un premier degré, avec un enseignement secondaire technique, un enseignement secondaire professionnel ou [4 un enseignement supérieur professionnel HBO-5]4, dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel étant autonome et dans une école d'enseignement secondaire spécial. De plus, dans les écoles précitées, au maximum 1 emploi à temps plein peut être créé dans la fonction de conseiller technique-coordinateur;
  [1 - si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou partiellement remplacé s'il interrompt son service, l'école peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui.]1
  A l'égard de son comité local et à l'égard de son personnel, l'école fait la clarté totale sur les emplois qu'elle créera sur la base de ses points.
  § 2. Un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est autonome et n'appartient pas à un centre d'enseignement, utilise les points visés à l'article 28 comme suit :
  1° en premier lieu, il doit utiliser les points pour le maintien d'emplois de membres du personnel nommés à titre définitif dans des fonctions du personnel directeur;
  2° s'il lui reste, après application du point 1°, encore des points, le centre peut créer des emplois dans des fonctions du personnel directeur, à l'exception de la fonction de promotion de directeur.
  Lors de l'utilisation de ses points, le centre d'enseignement professionnel à temps plein doit en outre tenir compte des principes suivants :
  - des fonctions du personnel directeur [3 ne peuvent être créées que par emploi à mi-temps ou à temps plein]3;
  - au maximum 1 emploi à temps plein peut être créé dans la fonction de conseiller technique-coordinateur.
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions et la pondération attribuée à chaque fonction. La pondération d'une fonction est déterminée sur la base d'un titre ou d'une échelle de traitement.
  Le Gouvernement flamand fixe le nombre de points qui est requis pour exonérer un membre du personnel de sa charge d'enseignement. (30)
  
Onderafdeling 4. - Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs
Sous-section 4. - Enveloppe de points Conseil de l'Enseignement communautaire
Art. 32. § 1. Aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs wordt, ter uitvoering van de rekenplichtigheid, elk schooljaar een forfaitaire enveloppe van 5.330 punten toegekend, bestemd voor verdeling over de scholengroepen.
  § 2. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs verdeelt de forfaitaire puntenenveloppe, bedoeld in § 1, over de scholengroepen na onderhandeling in het daartoe bevoegde onderhandelingscomité.
  Met deze punten worden in de scholengroepen betrekkingen opgericht in het ambt van administratief medewerker. [1 De betrekking is onderhevig aan de regelgeving die van kracht is op het ambt van administratief medewerker in het gewoon secundair onderwijs.]1
  De scholengroep is niet verplicht om op deze betrekkingen de bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling, opgenomen in artikel 36 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, toe te passen.
  De scholengroep kan in deze betrekkingen een personeelslid vast benoemen. Op het ogenblik dat de scholengroep waaraan de punten zijn toegekend het personeelslid in dergelijke betrekking vast benoemt, blijven de punten toegekend aan deze scholengroep.
  De scholengroep deelt de vacantverklaring van voormelde betrekkingen mee aan de afgevaardigd-bestuurder. Deze toetst de stabiliteit van de vacant verklaarde betrekkingen aan de mogelijke evolutie van de verdelingscriteria. In toepassing van artikel 43, § 1, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs is de afgevaardigd-bestuurder belast met het goedkeuringstoezicht ter zake. (31)
  
Art. 32. § 1er. En exécution de la comptabilité, il est attribué chaque année scolaire au Conseil de l'Enseignement communautaire une enveloppe forfaitaire de 5.330 points, destinée à être répartie entre les groupes d'écoles.
  § 2. Le Conseil de l'Enseignement communautaire répartit l'enveloppe forfaitaire de points, visée au § 1er, entre les groupes d'écoles, après négociation au sein du comité de négociation compétent.
  Ces points sont utilisés pour créer au sein des groupes d'écoles des emplois dans la fonction de collaborateur administratif. [1 La fonction est soumise à la réglementation applicable à la fonction de collaborateur administratif dans l'enseignement secondaire ordinaire.]1
  Le groupe d'écoles n'est pas obligé d'appliquer à ces emplois les dispositions relatives à la réaffectation et à la remise au travail, reprises à l'article 36 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente.
  Le groupe d'écoles peut nommer un membre du personnel à titre définitif dans ces emplois. Au moment où le groupe d'écoles auquel les points sont attribués nomme le membre du personnel à titre définitif dans un emploi pareil, les points restent attribués à ce groupe d'écoles.
  Le groupe d'écoles communique la déclaration de la vacance pour les emplois précités à l'administrateur délégué. Celui-ci confronte la stabilité des emplois déclarés vacants à l'évolution possible des critères de répartition. Par application de l'article 43, § 1er, 2°, du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire, l'administrateur délégué est chargé du contrôle d'approbation en la matière. (31)
  
Onderafdeling 5.
Sous-section 5.
Onderafdeling 6. [1 Extra financiering en subsidiëring in het kader van de maatregelen VV15 Digisprong en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar, van het Vlaams relanceplan voor schooljaren 2021-2022 en 2022- 2023]1
Sous-section 6. [1 Financement et subventionnement supplémentaires dans le cadre des mesures VV15 " Digisprong " et VV17 " Van kwetsbaar naar weerbaar ", du plan de relance flamand pour les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023]1
Art. 34/1. [1 § 1. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: een toekomstgerichte en veilige ICT-infrastructuur, speerpunt 2: een sterk ondersteunend en doeltreffend ICT-schoolbeleid, speerpunt 3: ICT-competente leerkrachten en lerarenopleiders en aangepaste digitale leermiddelen en speerpunt 4: een kennisen adviescentrum Digisprong ten dienste van het onderwijsveld binnen de maatregel VV 15 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 375 miljoen euro bijkomende omkadering toekennen aan de [2 scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft]2 of, wat speerpunten 3 en 4 betreft, ter ondersteuning van deze scholen en centra. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
   § 2. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong, speerpunt 2: versterking van leraren, lerarenopleiders en schoolleiders en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro desgevallend aangevuld met middelen uit de provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie bijkomende omkadering toekennen aan de [2 scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft]2. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.]1

  
Art. 34/1. [1 § 1er. Pour la mise en oeuvre des actions visées dans la priorité 1 : une infrastructure informatique sûre et tournée vers l'avenir, priorité 2 : une politique scolaire de soutien solide et efficace en matière informatique, priorité 3 : des enseignants et formateurs d'enseignants compétents en informatique et des outils d'apprentissage numériques adaptés et priorité 4 : un centre de connaissances et de conseil Digisprong au service de l'enseignement dans le cadre de la mesure VV 15 du plan de relance Vlaamse Veerkracht, tel que repris dans la note de vision " Digisprong. Van achterstand naar voorsprong ", approuvée lors du conseil des ministres du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), le Gouvernement flamand peut, pour les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023, affecter, dans les limites de l'enveloppe partielle disponible de 375 millions d'euros dans la provision de relance, accorder un encadrement supplémentaire aux [2 écoles de l'enseignement secondaire ordinaire, écoles de l'enseignement secondaire spécial, centres de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en ce qui concerne l'apprentissage dual et l'apprentissage]2 ou, en ce qui concerne les priorités 3 et 4, en soutien de ces écoles et centres. Le Gouvernement flamand arrête les autres modalités pour chaque action.
   § 2. En exécution des actions visées dans la priorité 1 : du retard à l'avance, priorité 2 : renforcement des enseignants, formateurs d'enseignants et directeurs d'écoles et priorité 3 : promotion du bien-être mental des élèves, des écoliers et des étudiants dans le cadre de la mesure VV 17 du plan de relance Vlaamse Veerkracht, telle qu'elle figure dans la note de vision " Van kwetsbaar naar weerbaar ", approuvée lors du conseil des ministres du Gouvernement flamand du 7 mai 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 et 2), le Gouvernement flamand peut, pour les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023, affecter, dans les limites de l'enveloppe partielle disponible de 90 millions d'euros dans la provision de relance, éventuellement complétée des moyens provenant de la provision de renforcement de l'enseignement et/ou de la provision AGODI, un encadrement supplémentaire aux [2 écoles de l'enseignement secondaire ordinaire, écoles de l'enseignement secondaire spécial, centres de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en ce qui concerne l'apprentissage dual et l'apprentissage]2. Le Gouvernement flamand arrête les autres modalités pour chaque action.]1

  
Afdeling 3. - Financiering en subsidiëring van de werking
Section 3. - Financement et subventionnement du fonctionnement
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1re. - Généralités
Art. 35. In het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd.
  [1 Na overleg binnen de schoolraad bepalen de schoolbesturen de lijst van bijdragen die aan de betrokken personen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend. De bijdrageregeling wordt door middel van het school- of centrumreglement aan de betrokken personen meegedeeld. Zowel de bijdrageregeling als de schoolfacturen vermelden dat gespreide betaling mogelijk is evenals een contactpersoon tot wie de betrokken personen die dergelijke gespreide betaling wensen, zich kunnen richten.]1
  
Art. 35. Dans l'enseignement secondaire à temps plein et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel financés ou subventionnés par la Communauté flamande, aucun droit d'inscription direct ou indirect ne peut être demandé.
  [1 Après concertation au sein du conseil scolaire, les autorités scolaires établissent la liste des contributions pouvant être demandées aux personnes concernées, ainsi que les dérogations accordées à ce régime de contributions. Le régime de contribution est communiqué aux personnes concernées au moyen du règlement d'école ou de centre. Tant le régime de contribution que les factures scolaires mentionnent qu'un paiement échelonné est possible, ainsi qu'une personne de contact à laquelle les personnes concernées qui souhaitent effectuer ce paiement échelonné peuvent s'adresser.]1
  
Art. 36. De kosten van het onderwijs, verstrekt in scholen en centra of afdelingen voor onderwijs, tot stand gebracht door openbare of private personen, vallen ten laste van de schoolbesturen.
  Aan de gefinancierde of gesubsidieerde scholen en die aan de bij de decreet en uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, verleent de Vlaamse Gemeenschap salarissen, salaristoelagen en werkingsbudget. (35)
Art. 36. Les frais de l'enseignement dispensé dans les écoles et centres ou sections de l'enseignement, établis par des personnes publiques ou privées, sont à charge des autorités scolaires.
  Les écoles financées ou subventionnées remplissant les conditions énoncées par le décret et les arrêtés d'exécution se voient attribuer par la Communauté flamande des traitements, subventions-traitements et un budget de fonctionnement. (35)
Art. 37. Jaarlijks wordt een forfaitair werkingsbudget verleend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de school, aan het kosteloos verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerplichtige leerlingen en aan de uitgaven voor de financiering van de investeringen. (36)
Art. 37. Chaque année, un budget forfaitaire de fonctionnement est octroyé pour la couverture des frais liés au fonctionnement et à l'équipement de l'école, à la procuration gratuite de manuels et d'outils didactiques aux élèves scolarisables, ainsi qu'aux dépenses pour le financement des investissements. (36)
Art. 38. Wat de overeenkomsten betreft voor aanneming van werken, leveringen en diensten met betrekking tot uitgaven op de dotatie van het Gemeenschapsonderwijs en met betrekking tot uitgaven die geheel of gedeeltelijk ten laste van het werkingsbudget, de uitrustingstoelagen, de bouwtoelagen of de rentetoelagen worden gelegd, zijn de bestuursorganen van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen ertoe gehouden de overeenkomsten af te sluiten volgens de procedure en onder de voorwaarden die voor de federale overheid gelden met dien verstande dat de bestuursorganen van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen :
  - de bevoegdheden uitoefenen die in de federale reglementering aan een Minister zijn toegekend;
  - het in dezelfde reglementering bepaald advies niet hoeven in te winnen vooraleer een overeenkomst ingevolge offerteaanvragen of onderhands af te sluiten;
  - onderhandse overeenkomsten mogen sluiten voor de aankoop van didactisch materieel, welke ook de prijs hiervan is;
  - van de regels betreffende de keuze van een aannemer mogen afwijken bij openbare of beperkte aanbesteding, als de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs zich binnen de dertig dagen na de aanvraag hiertegen niet verzet. (37)
Art. 38. Pour ce qui est des conventions pour des marchés de travaux, de fourniture et de services relatifs à des dépenses sur la dotation de l'Enseignement communautaire et relatifs à des dépenses étant entièrement ou partiellement à charge du budget de fonctionnement, des subventions d'équipement, des subventions de construction ou des subventions-intérêt, les organes de direction de l'Enseignement et les autorités scolaires sont tenus de conclure des conventions suivant la procédure et aux conditions applicables à l'autorité fédérale, étant entendu que les organes de direction de l'Enseignement et les autorités scolaires :
  - exercent les compétences qui, dans la réglementation fédérale, sont attribuées à un Ministre;
  - ne doivent pas demander l'avis visé dans la même réglementation avant de conclure une convention suite à des demandes d'offres ou une convention de gré à gré;
  - peuvent conclure des conventions de gré à gré pour l'achat de matériel didactique, quel qu'en soit le prix;
  - peuvent déroger aux règles relatives au choix d'un entrepreneur lors d'une adjudication publique ou restreinte, si le Ministre flamand compétent pour l'enseignement ne s'y est pas opposé dans les trente jours de la demande. (37)
Art. 39. Aan het Gemeenschapsonderwijs wordt jaarlijks een globale dotatie toegekend, bestemd om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de school en aan het kosteloos verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerplichtige leerlingen. Deze dotatie bestaat uit een forfaitair bedrag per school en een forfaitair bedrag per leerling. Deze bedragen kunnen verschillen per niveau en vorm van onderwijs. (38)
Art. 39. A l'Enseignement communautaire, une dotation globale est octroyée annuellement, pour la couverture des frais liés au fonctionnement et à l'équipement de l'école, ainsi qu'à la procuration gratuite de manuels et d'outils didactiques aux élèves scolarisables. Cette dotation se compose d'un montant forfaitaire par école et d'un montant forfaitaire par élève. Ces montants peuvent différer suivant le niveau et la forme d'enseignement. (38)
Art. 40. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs, de scholengroepen en de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs kunnen voor de aanschaf van uitrustingsapparatuur leningsovereenkomsten en leasingsovereenkomsten aangaan bij de door de Vlaamse Regering daartoe erkende financiële instellingen. (39)
Art. 40. Le Conseil de l'Enseignement communautaire, les groupes d'écoles et les autorités scolaires de l'enseignement subventionné peuvent, pour l'achat d'appareils d'équipement, conclure des conventions d'emprunt et des conventions de crédit-bail auprès d'établissements financiers agréés à cet effet par le Gouvernement flamand. (39)
Art. 41. Het werkingsbudget wordt uitbetaald aan het schoolbestuur van elke school. Het kan worden aangewend ten behoeve van al de scholen behorende tot hetzelfde schoolbestuur. Bij deze aanwending dient het schoolbestuur rekening te houden met een gelijke behandeling van zijn scholen en van de leerlingen of studenten die tot deze scholen behoren.
  [1 Het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, zoals vermeld in artikel 242, kan enkel worden aangewend in het kader van een gelijke onderwijskansenbeleid.]1
  De Vlaamse Regering bepaalt :
  1° de wijze waarop de school zijn aanvraag tot financiering of subsidiëring indient;
  2° de controlemaatregelen inzonderheid wat de aanwending van het werkingsbudget betreft. Deze controle mag evenwel geen betrekking hebben op de opportuniteit van de aanwending. (40)
  
Art. 41. Le budget de fonctionnement est versé à l'autorité scolaire de chaque école. Il peut être utilisé au bénéfice de toutes les écoles appartenant à la même autorité scolaire. Lors de l'utilisation de ce budget, l'autorité scolaire doit tenir compte d'un traitement égal de toutes ses écoles et des élèves ou étudiants faisant partie de celles-ci.
  [1 Le budget de fonctionnement basé sur les caractéristiques des élèves, tel que mentionné à l'article 242, ne peut être utilisé que dans le cadre d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement.]1
  Le Gouvernement flamand détermine :
  1° la manière dont l'école introduit sa demande de financement ou de subventionnement;
  2° les mesures de contrôle, notamment en ce qui concerne l'affectation du budget de fonctionnement. Ce contrôle ne peut toutefois porter sur l'opportunité de l'affectation. (40)
  
Art. 42. In geval van overname van een school door een ander schoolbestuur, wordt het bedrag van het werkingsbudget waarop de overgenomen school recht had volgens de vigerende bepalingen ter zake, voor het eerste schooljaar van de overname, aan het nieuwe schoolbestuur toegekend. (41)
Art. 42. En cas de reprise d'une école par une autre autorité scolaire, le montant du budget de fonctionnement auquel l'école reprise avait droit en vertu des dispositions en vigueur en la matière, est accordé à la nouvelle autorité scolaire pour la première année scolaire de la reprise. (41)
Art. 43. § 1. De representatieve verenigingen van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen bepalen, voor de schoolbesturen of schoolbesturen die dit wensen, de boekhoudkundige verplichtingen inzake de vereenvoudigde boekhouding en de dubbele boekhouding zoals bepaald in [1 de wettelijke verplichtingen voor verenigingen zonder winstoogmerk]1.
  Deze boekhoudkundige verplichtingen dienen in bijkomende orde er mee rekening te houden dat de saldi, zoals bepaald conform het Europees Rekening Stelsel, door de Vlaamse Gemeenschap kunnen worden afgeleid uit de afgelegde rekeningen, zodat de Vlaamse Gemeenschap kan voldoen aan de terzake geldende Europese verplichtingen.
  § 2. De onder § 1 bedoelde vereenvoudigde boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de schoolbesturen, ten minste alle verrichtingen betreffende de mutaties in contant geld of op de rekeningen.
  § 3. De onder § 1 bedoelde regels voor de vereenvoudigde boekhouding omvatten minimaal :
  1° basisregels met betrekking tot het voeren van een vereenvoudigde boekhouding;
  2° de staat van de ontvangsten en de uitgaven;
  3° de jaarrekening;
  4° de inventaris.
  § 4. De onder § 1 bedoelde dubbele boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de scholen, alle verrichtingen, bezittingen en schulden, rechten en verplichtingen van welke aard ook, betreffende de door de subsidiërende overheid verstrekte toelagen en de eigen middelen van elk schoolbestuur.
  § 5. De onder § 1 bedoelde regels voor de economische boekhouding omvatten minimaal :
  1° de vorm en de inhoud van de jaarrekening;
  2° de waarderingsregels;
  3° de structuur van de jaarrekening;
  4° het schema van de balans;
  5° het schema van de resultatenrekening;
  6° de inhoud van de toelichting;
  7° de inhoud van de rubrieken van de balans en van de resultatenrekening;
  8° het minimum algemeen rekeningenstelsel.
  § 6. De in § 1 bedoelde regels worden door elke representatieve vereniging van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen meegedeeld aan de Vlaamse Regering.
  § 7. Voor de eerste maal vervullen de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van deze bepalingen, de in § 6 bedoelde verplichtingen. (42)
  
Art. 43. § 1re. Les associations représentatives des autorités scolaires ou autorités scolaires des écoles libres subventionnées définissent, pour les autorités scolaires ou autorités scolaires qui le souhaitent, les obligations comptables pour ce qui est de la comptabilité simplifiée et de la comptabilité en partie double, telles que fixées [1 aux obligations légales des associations sans but lucratif]1.
  Ces obligations comptables doivent, en ordre secondaire, tenir compte du fait, que les soldes, fixés conformément au Système européen des comptes, peuvent êtres dérivés par la Communauté flamande des comptes rendus, de sorte que la Communauté flamande puisse satisfaire aux obligations européennes en vigueur en la matière.
  § 2. La comptabilité simplifiée visée au § 1er comprend, compte tenu de la nature et du volume des autorités scolaires, au moins toutes les opérations relatives aux mutations en espèces ou aux comptes.
  § 3. Les règles de la comptabilité simplifiée visées au § 1er comprennent au moins :
  1° des règles de base pour tenir une comptabilité simplifiée;
  2° l'état des recettes et dépenses;
  3° les comptes annuels;
  4° l'inventaire.
  § 4. La comptabilité en partie double visée au § 1er reprend, compte tenu de la nature et du volume des écoles, toutes les opérations, tous les avoirs et toutes les dettes, tous les droits et toutes les obligations, de quelque nature que ce soit, relatifs aux allocations accordées par l'autorité subventionnante et les moyens propres de chaque autorité scolaire.
  § 5. Les règles de la comptabilité économique visées au § 1er comprennent au moins :
  1° la forme et le contenu des comptes annuels;
  2° les règles d'appréciation;
  3° la structure des comptes annuels;
  4° le schéma du bilan;
  5° le schéma du compte de résultats;
  6° le contenu de la note explicative;
  7° le contenu des rubriques du bilan et du compte de résultats;
  8° le plan comptable minimum.
  § 6. Le règles visées au § 1er sont communiquées au Gouvernement flamand par chaque association représentative des autorités scolaires ou autorités scolaires des écoles libres subventionnées.
  § 7. Les associations représentatives des autorités scolaires ou des autorités scolaires des écoles libres subventionnées remplissent les obligations visées au § 6 pour la première fois dans les 30 jours de l'entrée en vigueur ces obligations. (42)
  
Onderafdeling 2. [1 Naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn]1
Sous-section 2. [1 Parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles]1
Onderafdeling 3. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
Sous-section 3. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
Art. 45. De vzw Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs ontvangt de in deze onderafdeling bedoelde subsidiëring voor zover zij voldoet aan volgende voorwaarden :
  1° zij stelt zich tot doel een netoverschrijdende structuur uit te bouwen ter ondersteuning van de Nederlandstalige scholen voor secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  Deze structuur is in het bijzonder gericht op het ondersteunen van de taalvaardigheid van de leerlingen, en zal taaltoetsen afnemen bij leerlingen, begeleidingsinitiatieven ontwikkelen en uitvoeren voor het taalvaardigheidsonderricht;
  2° zij legt uiterlijk op de eerste dag van de zesde maand na afsluiting van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. (44)
Art. 45. L'asbl Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs bénéficie du subventionnement visé dans la présente sous-section si elle remplit les conditions suivantes :
  1° elle vise à développer une structure en interréseaux à l'appui des écoles néerlandophones de l'enseignement secondaire en Région de Bruxelles-Capitale.
  Cette structure vise notamment à soutenir les aptitudes linguistiques des élèves, les fera subir des épreuves de langue, et développera et mettra en oeuvre des initiatives d'encadrement pour l'enseignement d'aptitude linguistique;
  2° au plus tard le premier jour du sixième mois après la clôture de l'exercice comptable, elle soumet les comptes annuels et le rapport annuel au Gouvernement flamand. (44)
Art. 46. § 1. De Vlaamse Regering waarborgt tot en met 31 december 2010 een subsidiëring voor de loonkosten van de personeelsleden en de werkingsmiddelen binnen de door de Vlaamse Gemeenschap voorziene begrotingskredieten.
  § 2. De Vlaamse Regering kan beslissen over de uitvoering van de subsidiëring bedoeld in § 1 een samenwerkingsakkoord te sluiten met de Vlaamse Gemeenschapscommissie. (45)
Art. 46. § 1er. Jusqu'au 31 décembre 2010 inclus, le Gouvernement flamand garantit un subventionnement des frais salariaux des membres du personnel et des moyens de fonctionnement dans les limites des crédits budgétaires prévus par la Communauté flamande.
  § 2. Le Gouvernement flamand peut décider de conclure un accord de coopération avec la Commission communautaire flamande au sujet de l'exécution du subventionnement visé au § 1er. (45)
Onderafdeling 4. - Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen
Sous-section 4. - Mesures spéciales pour les formations techniques ou à vocation professionnelle
Art. 47. § 1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, aan scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen, extra middelen toekennen die bestemd zijn voor investeringen in didactische uitrusting. Onder investering in didactische uitrusting wordt verstaan : de aankoop van didactische uitrusting of de beveiliging van reeds aanwezige didactische uitrusting.
  De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van structuuronderdelen die onder de investeringsoperatie vallen.
  § 2. Per regelmatige leerling op de door de Vlaamse Regering te bepalen teldatum worden extra middelen toegekend.
  Om voor extra middelen in aanmerking te kunnen komen, moeten de betrokken scholen een investeringsplan opstellen. Het investeringsplan moet voldoen aan de door de Vlaamse Regering vastgelegde, minimale onderdelen.
  § 3. De beoordeling van de ingediende investeringsplannen gebeurt door een commissie die paritair is samengesteld uit [2 vijf]2 afgevaardigden van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming [2 ...]2, enerzijds, en één afgevaardigde per onderwijsnet, voorgedragen door het Gemeenschapsonderwijs en de betrokken representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, en één afgevaardigde van [1 de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding]1, anderzijds.
  De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en kan experten toelaten tot de vergadering.
  De commissie garandeert dat een aanvankelijk als " onvoldoende " bevonden plan, bijgestuurd kan worden en éénmaal opnieuw mag worden ingediend binnen een door haar vooropgestelde termijn, die evenwel nooit minder kan zijn dan 10 werkdagen te rekenen vanaf de beslissing van de commissie.
  § 4. De Vlaamse Regering kan verdere regels vastleggen inzake de toekenning, de uitbetaling en de controle op de aanwending van deze extra middelen. (46)
  
Art. 47. § 1. En fonction des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand peut octroyer, aux écoles dispensant des formations techniques ou à vocation professionnelle, des moyens supplémentaires destinés à des investissements dans des équipements didactiques. Par investissement dans des équipements didactiques, il faut entendre : l'achat d'équipements didactiques ou la sécurisation des équipements didactiques déjà présents.
  Le Gouvernement flamand détermine la liste des subdivisions structurelles alimentées par l'opération d'investissement.
  § 2. Des moyens supplémentaires sont attribués par élève régulier à une date de comptage à déterminer par le Gouvernement flamand.
  Pour être éligibles au financement supplémentaire, les écoles intéressées doivent établir un plan d'investissement. Le plan d'investissement doit être conforme aux subdivisions minimales imposées par le Gouvernement flamand.
  § 3. L'évaluation des plans d'investissements déposés est faite par une commission composée de manière paritaire de [2 cinq]2 délégués du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation [2 ...]2, d'une part, et d'un délégué par réseau d'enseignement, présenté par l'Enseignement communautaire et les associations représentatives intéressées des autorités scolaires de l'enseignement subventionné, et d'un délégué de [1 l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle]1, d'autre part.
  La commission établit son règlement d'ordre intérieur et peut admettre des experts à la réunion.
  La commission garantit qu'un plan initialement jugé 'insuffisant' peut être ajusté et une fois redéposé dans un délai déterminé par elle, ce délai ne pouvant toutefois jamais être inférieur à 10 jours ouvrables à compter de la décision de la commission.
  § 4. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'agrément, au paiement et au contrôle de l'affectation de ces moyens supplémentaires. (46)
  
Art. 47/1. [1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, voor materiaalintensieve structuuronderdelen. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, § 3, derde lid, 2°.
   Met materiaalintensieve structuuronderdelen wordt bedoeld:
   1° groep 1:
   a) alle niet-duale structuuronderdelen van de finaliteit arbeidsmarkt, behalve binnen het studiedomein taal en cultuur en het studiedomein economie en organisatie;
   b) alle niet-duale structuuronderdelen van de onderwijsvorm bso, behalve de studiegebieden toerisme, handel en maatschappelijke veiligheid;
   c) alle niet-duale structuuronderdelen van de opleidings-, kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;
   2° groep 2:
   a) alle niet-duale structuuronderdelen van de dubbele finaliteit, behalve binnen het studiedomein economie en organisatie, het studiedomein maatschappij en welzijn met uitzondering van het niet-duale structuuronderdeel mode, het studiedomein taal en cultuur, de niet-duale structuuronderdelen ballet, creatie en mode en fotografie binnen het studiedomein kunst en creatie en het niet-duale structuuronderdeel toerisme binnen het studiedomein voeding en horeca;
   b) alle niet-duale structuuronderdelen binnen het studiegebied beeldende kunsten van de onderwijsvorm kso;
   c) alle niet-duale structuuronderdelen van de onderwijsvorm tso, behalve de studiegebieden handel, personenzorg, toerisme en maatschappelijke veiligheid;
   3° groep 3:
   a) alle duale structuuronderdelen van de finaliteit arbeidsmarkt, behalve binnen het studiedomein taal en cultuur en het studiedomein economie en organisatie;
   b) alle duale structuuronderdelen van de dubbele finaliteit, behalve binnen het studiedomein economie en organisatie, het studiedomein maatschappij en welzijn met uitzondering van het duale structuuronderdeel mode, het studiedomein taal en cultuur, de duale structuuronderdelen ballet, creatie en mode en fotografie binnen het studiedomein kunst en creatie en het duale structuuronderdeel toerisme binnen het studiedomein voeding en horeca;
   c) alle duale structuuronderdelen binnen de onderwijsvormen bso en tso, behalve binnen het studiegebied handel, het studiegebied personenzorg tso en het studiegebied toerisme;
   d) alle opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
   e) alle duale structuuronderdelen van de kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs.
   § 2. Een basisbedrag per gewogen regelmatige leerling wordt bekomen door het extra werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, te delen door het aantal gewogen regelmatige leerlingen op de teldatum voor de berekening van de werkingsbudgetten voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, vermeld in artikel 169 tot en met 172 en artikel 357/26 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en in artikel 86, § 1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
   De regelmatige leerlingen, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gewogen:
   1° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 1, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden gewogen aan factor 1;
   2° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 2, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden gewogen aan factor 0,75;
   3° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 3, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, worden gewogen aan factor 0,50.
   § 3. Het extra werkingsbudget per school of centrum is het resultaat van de vermenigvuldiging van het basisbedrag per gewogen regelmatige leerling, vermeld in paragraaf 2, met het aantal gewogen regelmatige leerlingen in de school of het centrum op de reguliere teldatum voor de berekening van de werkingsbudgetten voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, vermeld in artikel 169 tot en met 172 en artikel 357/26 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en in artikel 86, § 1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
   De regelmatige leerlingen, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gewogen:
   1° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 1, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden gewogen aan factor 1;
   2° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 2, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden gewogen aan factor 0,75;
   3° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 3, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, worden gewogen aan factor 0,50.
   § 4. Het extra werkingsbudget wordt aan de school- en centrumbesturen uitbetaald uiterlijk op 30 juni van het jaar 20TT.-1
  
Art. 47/1. [1 § 1er. A partir de l'année budgétaire 20TT, débutant en 2024, un budget de fonctionnement supplémentaire de 10 000 000 euros est attribué chaque année aux écoles de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, aux écoles de l'enseignement secondaire spécial, aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et aux centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, pour les subdivisions structurelles à forte intensité matérielle.Ce montant sera indexé à partir de l'exercice budgétaire 2025 conformément à l'article 243, § 3, alinéa 3, 2°.
   Par subdivisions structurelles à forte intensité matérielle, on entend :
   1° groupe 1 :
   a) toutes les subdivisions structurelles non duales de la finalité marché du travail, sauf dans le domaine d'études langue et culture et dans le domaine d'études économie et organisation ;
   b) toutes les subdivisions structurelles non duales de la forme d'enseignement ESP, à l'exception des disciplines tourisme, commerce et sécurité sociale ;
   c) toutes les subdivisions structurelles non duales de la phase de formation, de qualification et d'intégration de la forme de formation 3 de l'enseignement secondaire spécial ;
   2° groupe 2 :
   a) toutes les subdivisions structurelles non duales de la double finalité, sauf dans le domaine d'études économie et organisation, le domaine d'études société et bien-être, à l'exception de la subdivision structurelle non duale mode, le domaine d'études langue et culture, les subdivisions structurelles non duales ballet, création et mode et photographie dans le domaine d'études art et création et la subdivision structurelle non duale tourisme dans le domaine d'études alimentation et horeca ;
   b) toutes les subdivisions structurelles non duales dans la discipline arts plastiques de la forme d'enseignement ESA;
   c) toutes les subdivisions structurelles non duales de la forme d'enseignement EST, à l'exception des disciplines commerce, soins aux personnes, tourisme et sécurité sociale ;
   3° groupe 3 :
   a) toutes les subdivisions structurelles duales de la finalité marché du travail, sauf dans le domaine d'études langue et culture et dans le domaine d'études économie et organisation ;
   b) toutes les subdivisions structurelles duales de la double finalité, sauf dans le domaine d'études économie et organisation, le domaine d'études société et bien-être, à l'exception de la subdivision structurelle duale mode, le domaine d'études langue et culture, les subdivisions structurelles duales ballet, création et mode et photographie dans le domaine d'études art et création et la subdivision structurelle duale tourisme dans le domaine d'études alimentation et horeca ;
   c) toutes les subdivisions structurelles duales dans les formes d'enseignement ESP et EST, sauf dans la discipline commerce, la discipline soins aux personnes EST et la discipline tourisme ;
   d) toutes les formations dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ;
   e) toutes les subdivisions structurelles duales de la phase de qualification et d'intégration de la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire spécial.
   § 2. Un montant de base par élève régulièrement inscrit pondéré est obtenu en divisant le budget de fonctionnement supplémentaire visé au paragraphe 1er, par le nombre d'élèves régulièrement inscrits pondérés à la date de comptage pour le calcul des budgets de fonctionnement pour l'année scolaire 20TT-1 - 20TT, visée aux articles 169 à 172 et à l'article 357/26 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, et à l'article 86, § 1er, 2°, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande.
   Les élèves inscrits régulièrement visés à l'alinéa 1er, sont pondérés comme suit :
   1° les élèves inscrits régulièrement dans des subdivisions structurelles du groupe 1, visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, sont pondérés au facteur 1 ;
   2° les élèves inscrits régulièrement dans des subdivisions structurelles du groupe 2, visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, sont pondérés au facteur 0,75 ;
   3° les élèves inscrits régulièrement dans des subdivisions structurelles du groupe 3, visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 3°, sont pondérés au facteur 0,50.
   § 3. Le budget de fonctionnement supplémentaire par école ou centre est le résultat de la multiplication du montant de base par élève régulièrement inscrit pondéré, visé au paragraphe 2, par le nombre d'élèves régulièrement inscrits pondérés à l'école ou au centre à la date de comptage régulière pour le calcul des budgets de fonctionnement pour l'année scolaire 20TT-1-20TT, figurant aux articles 169 à 172 et à l'article 357/26 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, et à l'article 86, § 1er, 2°, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande.
   Les élèves inscrits régulièrement visés à l'alinéa 1er, sont pondérés comme suit :
   1° les élèves inscrits régulièrement dans des subdivisions structurelles du groupe 1, visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, sont pondérés au facteur 1 ;
   2° les élèves inscrits régulièrement dans des subdivisions structurelles du groupe 2, visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, sont pondérés au facteur 0,75 ;
   3° les élèves inscrits régulièrement dans des subdivisions structurelles du groupe 3, visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 3°, sont pondérés au facteur 0,50.
   § 4. Le budget de fonctionnement supplémentaire est versé aux autorités scolaires et de centre au plus tard le 30 juin de l'année 20TT. ]1

  
Art. 48. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, voorzien in bijkomende financiering voor scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen die leiden tot de invulling van knelpuntberoepen, ten einde de kost voor leerlingen in voormelde opleidingen te verminderen. Op basis van criteria die verband houden met de kostprijzen van de opleidingen, bepaalt de Vlaamse Regering de lijst van opleidingen die voor deze bijkomende financiering in aanmerking komen en modaliteiten van deze bijkomende financiering. (47)
Art. 48. En fonction des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand peut octroyer un financement supplémentaire aux écoles dispensant des formations techniques ou à vocation professionnelle tendant à combler les emplois à pénurie, afin de réduire les coûts pour les élèves dans les formations précitées. Sur la base de critères relatifs aux coûts des formations, le Gouvernement flamand détermine la liste des formations éligibles à ce financement supplémentaire et les modalités de ce financement supplémentaire. (47)
Onderafdeling 5. [1 Extra financiering en subsidiëring in het kader van de maatregelen VV15 Digisprong en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar van het Vlaams relanceplan voor schooljaren 2021-2022 en 2022- 2023]1
Sous-section 5. [1 Financement et subventionnement supplémentaires dans le cadre des mesures VV15 " Digisprong " et VV17 " Van kwetsbaar naar weerbaar " du plan de relance flamand pour les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023]1
Art. 48/1. [1 § 1. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: een toekomstgerichte en veilige ICT-infrastructuur, speerpunt 2: een sterk ondersteunend en doeltreffend ICT-schoolbeleid, speerpunt 3: ICT-competente leerkrachten en lerarenopleiders en aangepaste digitale leermiddelen en speerpunt 4: een kennisen adviescentrum Digisprong ten dienste van het onderwijsveld binnen de maatregel VV 15 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 375 miljoen euro bijkomende werkingsbudgetten of investeringsmiddelen toekennen aan de [2 ]2 of, wat speerpunten 3 en 4 betreft, ter ondersteuning van deze scholen en centra. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.
   § 2. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong, speerpunt 2: versterking van leraren, lerarenopleiders en schoolleiders en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro desgevallend aangevuld met middelen uit de provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie bijkomende werkingsbudgetten of investeringsmiddelen toekennen aan de [2 scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onder- wijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft]2. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.]1

  
Art. 48/1. [1 § 1er. Pour la mise en oeuvre des actions visées dans la priorité 1 : une infrastructure informatique sûre et tournée vers l'avenir, priorité 2 : une politique scolaire de soutien solide et efficace en matière informatique, priorité 3 : des enseignants et formateurs d'enseignants compétents en informatique et des outils d'apprentissage numériques adaptés et priorité 4 : un centre de connaissances et de conseil " Digisprong " au service de l'enseignement dans le cadre de la mesure VV 15 du plan de relance Vlaamse Veerkracht, tel que repris dans la note de vision " Digisprong. Van achterstand naar voorsprong ", approuvée lors du conseil des ministres du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), le Gouvernement flamand peut, pour les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023, affecter, dans les limites de l'enveloppe partielle disponible de 375 millions d'euros, des budgets de fonctionnement ou des moyens d'investissement supplémentaires aux [2 écoles de l'enseignement secondaire ordinaire, écoles de l'enseignement secondaire spécial, centres de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en ce qui concerne l'apprentissage dual et l'apprentissage]2 ou, en ce qui concerne les priorités 3 et 4, pour le soutien de ces écoles et centres.Le Gouvernement flamand arrête les autres modalités pour chaque action.
   § 2. En exécution des actions visées dans la priorité 1 : du retard à l'avance, priorité 2 : renforcement des enseignants, formateurs d'enseignants et directeurs d'écoles et priorité 3 : promotion du bien-être mental des élèves, des écoliers et des étudiants dans le cadre de la mesure VV 17 du plan de relance Vlaamse Veerkracht, telle qu'elle figure dans la note de vision " Van kwetsbaar naar weerbaar ", approuvée lors du conseil des ministres du Gouvernement flamand du 7 mai 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 et 2), le Gouvernement flamand peut, pour les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023, affecter, dans les limites de l'enveloppe partielle disponible de 90 millions d'euros, éventuellement complétée des moyens provenant de la provision de renforcement de l'enseignement et/ou de la provision AGODI, des budgets de fonctionnement ou des moyens d'investissement supplémentaires aux [2 écoles de l'enseignement secondaire ordinaire, écoles de l'enseignement secondaire spécial, centres de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en ce qui concerne l'apprentissage dual et l'apprentissage]2. Le Gouvernement flamand arrête les autres modalités pour chaque action.]1

  
Onderafdeling 6. [1 Extra werkingsbudget voor een offensief Nederlands voor leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen]1
Sous-section 6. [1 Budget de fonctionnement supplémentaire pour une offensive " néerlandais pour les élèves ne maîtrisant pas suffisamment le néerlandais ]1
Art. 48/2. [1 Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1- 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van februari van 20TT-4 of 20TT-3 of 20TT-2 meer dan 50 procent regelmatige leerlingen telden die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, § 1, eerste lid, 1°, c), van deze codex.
Art. 48/2. [1 partir de l'exercice budgétaire 20TT, débutant en 2024, un budget de fonctionnement supplémentaire est alloué annuellement aux écoles de l'enseignement secondaire ordinaire et aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel pour l'année scolaire 20TT-1 - 20TT, débutant en 2023-2024, qui, le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-4 ou 20TT-3 ou 20TT-2, comptaient plus de 50 % d'élèves régulièrement inscrits répondant à la caractéristique de l'élève visée à l'article 242, § 1er, alinéa 1er, 1°, c), du présent code.
Onderafdeling 7. [1 Bijzondere maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek ]1
Sous-section 7. [1 Mesures particulières dans le cadre de la problématique de capacité ]1
Art. 48/3. [1 Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
   1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste dertig regelmatige leerlingen meer dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in [2 ...]2 [3 alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3 samen]3;
   2° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
   Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
   1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom;
   2° de school of centrum had op de eerste schooldag van februari 20TT-1 nog geen aanbod eerste graad B-stroom, en heeft wel een aanbod eerste graad B-stroom op de eerste schooldag van oktober 20TT-1.
   Een school die aan een van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoet, komt slechts in aanmerking indien de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
   Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
   1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;
   2° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.
   Voor de maatregelen, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt vanaf 2024 jaarlijks in een bedrag van 10 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, § 3, derde lid, 2°.
   Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal bijkomende regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, gedeeld door het totale aantal bijkomende regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.
   Het bedrag dat een school of centrum ontvangt per bijkomende regelmatige leerling kan niet meer bedragen dan 11.000 euro. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, § 3, derde lid, 2°.
   Scholen en centra die voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT de eerste schooldag van oktober hanteren als teldatum als vermeld in artikel 86, § 2, derde lid, van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en in artikel 171 en 172, § 1, komen voor het betrokken schooljaar niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.
   Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de school- of centrumbesturen vóór 1 februari van het betrokken schooljaar betaald.
   De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het bedrag, vermeld in het vijfde lid, verhogen]1

  
Art. 48/3. [1 A partir de l'exercice budgétaire 20TT, débutant en 2024, jusqu'à l'exercice budgétaire 2027, un budget de fonctionnement supplémentaire est alloué annuellement aux écoles de l'enseignement secondaire ordinaire et aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel pour l'année scolaire 20TT-1-20TT, débutant en 2023-2024, qui remplissent les conditions suivantes le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 :
   1° l'école ou le centre compte au moins 30 élèves régulièrement inscrits de plus le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 que le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-1 dans [2 ...]2 [3 toutes les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire professionnel, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et des 7e années d'études préparatoires à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement obtenue de niveau 3 confondues]3 ;
   2° l'implantation principale de l'école ou du centre est située dans une zone d'enseignement où, dans le premier degré de la filière B, toutes les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire professionnel et de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel confondues, le nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 est plus élevé que le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-1.
   A partir de l'exercice budgétaire 20TT, débutant en 2024, jusqu'à l'exercice budgétaire 2027, un budget de fonctionnement supplémentaire est alloué annuellement aux écoles de l'enseignement secondaire ordinaire et aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel pour l'année scolaire 20TT-1-20TT, débutant en 2023-2024, qui remplissent l'une des conditions suivantes le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 :
   1° l'école ou le centre compte au moins 30 pour cent d'élèves régulièrement inscrits de plus le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 que le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-1 dans le premier degré de la filière B ;
   2° l'école ou le centre n'avait pas encore d'offre de premier degré de la filière B le premier jour scolaire du mois de février 20TT-1 mais en dispose le premier jour scolaire du mois d'octobre 20TT-1.
   Une école qui remplit l'une des conditions fixées à l'alinéa 2, n'est admissible que si l'implantation principale de l'école ou du centre est située dans une zone d'enseignement où, dans le premier degré de la filière B, le nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 est plus élevé que le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-1.
   A partir de l'exercice budgétaire 20TT, débutant en 2024, jusqu'à l'exercice budgétaire 2027, un budget de fonctionnement supplémentaire est alloué annuellement aux écoles de l'enseignement secondaire ordinaire et aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel pour l'année scolaire 20TT-1-20TT, débutant en 2023-2024, qui remplissent les conditions suivantes le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 :
   1° l'école ou le centre compte au moins 30 pour cent d'élèves régulièrement inscrits de plus le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 que le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-1 dans [3 toutes les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire professionnel, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et des 7e années d'études préparatoires à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement obtenue de niveau 3 confondues]3 ;
   2° l'implantation principale de l'école ou du centre est située dans une zone d'enseignement où, dans le premier degré de la filière B, toutes les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire professionnel et de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel confondues, le nombre d'élèves régulièrement inscrits le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 est plus élevé que le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-1.
   Pour les mesures visée aux alinéas 1er à 4, un montant annuel de 10 millions d'euros est prévu à partir de 2024. Ce montant sera indexé à partir de l'exercice budgétaire 2025 conformément à l'article 243, § 3, alinéa 3, 2°.
   Le budget de fonctionnement supplémentaire par école ou centre pour l'année scolaire concernée est le résultat de la multiplication du nombre d'élèves régulièrement inscrits supplémentaires dans l'école ou le centre la première année d'études B, la deuxième année d'études B et toutes les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire professionnel et de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel confondues le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1 par rapport au nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école ou le centre la première année d'études B, la deuxième année d'études B et toutes les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire professionnel et de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel confondues le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-1 par le budget de fonctionnement prévu dans le budget, visé dans le présent article, divisé par le nombre total d'élèves régulièrement inscrits supplémentaires dans la première année d'études B, la deuxième année d'études B et toutes les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire professionnel et de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel confondues, le premier jour scolaire du mois d'octobre de l'année 20TT-1, dans toutes les écoles et tous les centres remplissant les conditions, visées aux alinéas 1 à 4, par rapport au nombre d'élèves régulièrement inscrits dans la première année d'études B, la deuxième année d'études B et toutes les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire professionnel et de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel confondues, le premier jour scolaire du mois de février de l'année 20TT-1, dans toutes les écoles et tous les centres qui remplissent les conditions, visées aux alinéas 1er à 4.
   Le montant qu'une école ou un centre reçoit par élève régulièrement inscrit supplémentaire ne peut excéder 11 000 euros. Ce montant sera indexé à partir de l'exercice budgétaire 2025 conformément à l'article 243, § 3, alinéa 3, 2°.
   Les écoles et les centres qui, pour l'année scolaire 20TT-1 - 20TT, appliquent le premier jour scolaire du mois d'octobre comme date de comptage, telle que visée à l'article 86, § 2, alinéa 3, du décret relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, et aux articles 171 et 172, § 1er, ne sont pas éligibles au budget de fonctionnement supplémentaire, visé dans le présent article, pour l'année scolaire concernée.
   Le budget de fonctionnement supplémentaire pour l'année scolaire concernée est versé aux autorités scolaires ou de centre avant le 1er février de l'année scolaire concernée.
   Le Gouvernement flamand peut augmenter le montant visé à l'alinéa 5, dans les limites des crédits budgétaires disponibles ]1

  
HOOFDSTUK 4. - Scholengemeenschappen
CHAPITRE 4. - Centres d'enseignement
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. 49. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 59, 62 en 64 die niet van toepassing zijn op het buitengewoon secundair onderwijs.
  Binnen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "school" verstaan : een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, met inbegrip van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat eventueel aan deze school is gehecht, een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of een school voor buitengewoon secundair onderwijs. 48)
Art. 49. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent à l'enseignement secondaire ordinaire et spécial, à l'exception des dispositions des articles 59, 62, et 64, qui ne s'appliquent pas à l'enseignement secondaire spécial.
  Dans les limites des dispositions du présent chapitre, il faut entendre par 'école' : une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, y compris le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel éventuellement rattaché à cette école, un centre autonome d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, ou une école d'enseignement secondaire spécial. (48)
Afdeling 2. - Vorming van een scholengemeenschap
Section 2. - Constitution d'un centre d'enseignement
Art. 50. Een scholengemeenschap omvat één of meer scholen die al dan niet behoren tot hetzelfde schoolbestuur en/of hetzelfde onderwijsnet. (49)
Art. 50. Un centre d'enseignement comprend une ou plusieurs écoles qui appartiennent ou non à la même autorité scolaire et/ou au même réseau d'enseignement. (49)
Art. 51. [1 [2 Scholengemeenschappen komen vrijwillig tot stand bij beslissing of schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen. Als onmiddellijk na de periode waarvoor de scholengemeenschap is gevormd, vermeld in het tweede lid, de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt, wordt de scholengemeenschap van rechtswege verlengd voor een nieuwe periode.]2.
  [2 Tot en met 31 augustus 2026 kunnen geen nieuwe scholengemeenschappen worden gevormd. Op 1 september 2026 worden scholengemeenschappen gevormd voor een periode van zes schooljaren en daarna telkens op 1 september voor telkens een periode van zes schooljaren.]2
   Tijdens voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap worden gewijzigd, in die zin dat een school alsnog tot een scholengemeenschap kan toetreden of uit een scholengemeenschap kan stappen. Een uitstap uit de scholengemeenschap kan alleen in volgende gevallen:
   1° indien de scholengemeenschap minder dan 900 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke tellingsdatum;
   2° indien de school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een ander onderwijsnet, waarbij voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft een onderscheid wordt gemaakt tussen elke erkende godsdienst en het niet-confessioneel onderwijs, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;
   3° [2 indien een school wordt overgenomen door een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt en op voorwaarde dat er een school deel uitmaakt van de scholengemeenschap wiens schoolbestuur betrokken is bij een fusie van gemeenten in het lopende schooljaar.]2.
   Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt uiterlijk 31 maart van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding getroffen, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en schriftelijk aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid gemeld. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en schriftelijk aan de bevoegde diensten gemeld.
   Een scholengemeenschap neemt al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aan.]1

  
Art. 51. [1 [2 Les centres d'enseignement sont créés sur une base volontaire par décision ou convention écrite relative à la création de ce centre d'enseignement. Si le centre d'enseignement se compose d'une ou de plusieurs écoles de la même autorité scolaire, sa création se fait par décision de l'autorité scolaire en question. Si le centre d'enseignement se compose d'écoles de différentes autorités scolaires, sa création se fait par convention écrite entre ces autorités scolaires. Si, immédiatement après la période pour laquelle le centre d'enseignement est créé, visée à l'alinéa 2, rien ne change dans la composition du centre d'enseignement, le centre d'enseignement est prolongé de plein droit pour une nouvelle période.]2
  [2 Aucun nouveau centre d'enseignement ne peut être créé jusqu'au 31 août 2026. Le 1er septembre 2026, des centres d'enseignement sont créés pour une période de six années scolaires, et ensuite chaque fois au 1er septembre pour chaque fois une période de six années scolaires. ]2
   Au cours de la période précitée, la décision ou convention relative à la création d'un centre d'enseignement peut être modifiée pour permettre à une école d'adhérer ou de quitter un centre d'enseignement. Quitter le centre d'enseignement n'est possible que dans les cas suivants :
   1° si le centre d'enseignement compte moins de 900 élèves réguliers à la date de comptage habituelle ;
   2° si l'école est reprise par une autorité scolaire d'un autre réseau d'enseignement, en distinguant, dans le cas de l'enseignement libre subventionné, entre chaque religion reconnue et l'enseignement non confessionnel, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement acceptent que l'école quitte ce centre d'enseignement ;
   3°[2 si une école est reprise par une autre autorité scolaire du même réseau d'enseignement, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement accordent leur consentement à ce que l'école quitte le centre d'enseignement et à condition qu'une école fasse partie du centre d'enseignement dont l'autorité scolaire est impliquée par une fusion de communes pendant l'année scolaire en cours.]2
   Toute décision ou convention relative à la création ou à la modification d'un centre d'enseignement doit intervenir avant le 31 mars de l'année scolaire précédant la date d'entrée en vigueur, est communiquée aux membres du personnel concernés et notifiée par écrit au service compétent de l'Autorité flamande. Au plus tard à la date susmentionnée, toute prolongation de plein droit doit également être communiquée aux membres du personnel concernés et notifiée par écrit au service compétent de l'Autorité flamande.
   Un centre d'enseignement prend ou non une personnalité juridique ou une forme juridique.]1

  
Art. 52. § 1. Scholengemeenschappen zijn samenwerkingsverbanden waarvan de werking geregeld wordt in hetzij de beslissing van het enig betrokken schoolbestuur, hetzij de overeenkomst tussen de verschillende betrokken schoolbesturen.
  Indien het gaat om samenwerkingsverbanden zonder beheersoverdracht, vallen de scholengemeenschappen onder de verantwoordelijkheid en het hiërarchisch toezicht van het betrokken schoolbestuur.
  Indien het gaat om samenwerkingsverbanden met beheersoverdracht, vallen de scholengemeenschappen onder de toezichtsvormen bepaald in het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs of de organieke regelgeving op de lokale besturen, respectievelijk de toezichtsvormen georganiseerd door het betrokken schoolbestuur.
  § 2. Beheersoverdracht is enkel mogelijk ten aanzien van de bevoegdheden bedoeld in artikel 57, 4°, 6°, 7°, 8° en 9°. (51)
Art. 52. § 1er. Des centres d'enseignement sont des structures de coopération dont le fonctionnement est réglé soit par la décision de la seule autorité scolaire intéressée, soit par la convention entre les différentes autorités scolaires intéressées.
  En cas de structures de coopération sans transfert de la gestion, les centres d'enseignement relèvent de la responsabilité et de la tutelle hiérarchique de l'autorité scolaire intéressée.
  En cas de structures de coopération avec transfert de la gestion, les centres d'enseignement relèvent des formes de tutelle fixées dans le décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire ou la réglementation organique sur les pouvoirs locaux, respectivement les formes de tutelle organisées par l'autorité scolaire intéressée.
  § 2. Le transfert de la gestion n'est possible qu'à l'égard des compétences visées à l'article 57, 4°, 6°, 7°, 8° et 9°. (51)
Art. 53. Een scholengemeenschap is qua inplanting van de hoofdvestigingsplaats van elk van de betrokken scholen gelegen binnen maximaal vijf aangrenzende onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I gevoegd bij de codificatie betreffende het secundair onderwijs. (52)
Art. 53. Pour ce qui est de l'établissement de l'implantation principale de chacune des écoles intéressées, un centre d'enseignement est situé à l'intérieur de cinq zones d'enseignement limitrophes au maximum, fixées à l'annexe 1re jointe à la codification relative à l'enseignement secondaire. (52)
Art. 54. Een scholengemeenschap organiseert een multisectoraal onderwijsaanbod, waaronder ten minste wordt verstaan :
  1° de eerste graad bestaande uit : een eerste leerjaar A en B, [1 een tweede leerjaar A en een tweede leerjaar B]1;
  [2 Als een scholengemeenschap vanaf 1 september 2023 door de omschakeling van studiegebieden naar studiedomeinen niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, wordt ze van rechtswege beschouwd te voldoen aan die voorwaarden tot en met het schooljaar 2025-2026 ]2
  [2 2° de tweede graad, die bestaat uit een eerste en tweede leerjaar van de finaliteit doorstroom, met drie studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs, een eerste en tweede leerjaar van de dubbele finaliteit met twee studiedomeinen en een eerste en tweede leerjaar van de finaliteit arbeidsmarkt met twee studiedomeinen. De studiedomeinen van de dubbele finaliteit en de finaliteit arbeidsmarkt mogen dezelfde zijn;
   3° de derde graad, die bestaat uit een eerste en tweede leerjaar van de finaliteit doorstroom, met drie studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs, een eerste en tweede leerjaar van de dubbele finaliteit met twee studiedomeinen en een eerste en tweede leerjaar van de finaliteit arbeidsmarkt met twee studiedomeinen. De studiedomeinen van de dubbele finaliteit en de finaliteit arbeidsmarkt mogen dezelfde zijn. Voor het schooljaar 2023-2024 bestaat het tweede leerjaar van de derde graad nog uit het algemeen secundair onderwijs, met drie opties, het technisch en het beroepssecundair onderwijs met elk twee studiegebieden. De studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn.]2

  Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens de hierna vermelde criteria afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :
  [2 het niet voldoen aan de voorwaarde van multisectoraliteit houdt in:
   a) hetzij het niet of te weinig organiseren van studierichtingen in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het algemeen secundair onderwijs;
   b) hetzij het te weinig organiseren van studiedomeinen of studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van de dubbele finaliteit of het technisch secundair onderwijs;
   c) hetzij het te weinig organiseren van studiedomeinen of studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van de finaliteit arbeidsmarkt of het beroepssecundair onderwijs; en]2

  2° de scholengemeenschap werkt op het vlak van leerlingenoriëntering samen met één of meer andere aangrenzende scholengemeenschappen die het in de eerstbedoelde scholengemeenschap in het kader van de multisectoraliteit ontbrekend onderwijsaanbod, wèl organiseren.
  Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :
  De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde scholen beantwoordt aan de voorwaarde de enige school van het gesubsidieerd vrij onderwijs te zijn in één der 44 onderwijszones vastgelegd in de [2 bijlage I, die bij deze codex is gevoegd]2, die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt. Bij de toepassing van de voorwaarde "enige school" worden de scholen die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseren, én [3 behoren tot een schoolbestuur dat uitsluitend leerplannen hanteert die het schoolbestuur zelf heeft ontwikkeld en die uitsluitend binnen dat schoolbestuur van toepassing zijn]3, buiten beschouwing gelaten.
  Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :
  De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde scholen beantwoordt aan de voorwaarden noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie te organiseren, én [3 te behoren tot een schoolbestuur dat uitsluitend leerplannen hanteert die het schoolbestuur zelf heeft ontwikkeld en die uitsluitend binnen dat schoolbestuur van toepassing zijn]3. (53)
  
Art. 54. Un centre d'enseignement organise une offre d'enseignement multisectoriel, par laquelle il faut au moins entendre :
  1° le premier degré qui consiste en : une première année d'études A et B, [1 une deuxième année d'études A et une deuxième année d'études B]1;
  2° le deuxième degré qui consiste en : une première et deuxième année d'études de l'enseignement secondaire général à trois options, une première et deuxième année d'études de l'enseignement secondaire technique à deux disciplines et une première et deuxième année d'études de l'enseignement secondaire professionnel à deux disciplines; les disciplines de l'enseignement secondaire technique et professionnel peuvent être identiques;
  3° le troisième degré qui consiste en : une première et deuxième année d'études de l'enseignement secondaire général à trois options, une première et deuxième année d'études de l'enseignement secondaire technique à deux disciplines et une première et deuxième année d'études de l'enseignement secondaire professionnel à deux disciplines; les disciplines de l'enseignement secondaire technique et professionnel peuvent être identiques.
  [2 Si, à compter du 1er septembre 2023, un centre d'enseignement ne remplit plus les conditions énoncées à l'alinéa 1er, 2° et 3°, en raison de la reconversion de disciplines en domaines d'études, il sera considéré comme remplissant ces conditions de plein droit jusqu'à l'année scolaire 2025-2026 incluse.]2Après demande motivée de l'autorité scolaire intéressée, le Gouvernement flamand peut accorder dérogation aux dispositions du premier alinéa, suivant les critères cités ci-après :
  1° le fait de ne pas remplir la condition de la multisectorialité implique ce qui suit :
  [2 °le non-respect de la condition de la multisectorialité implique ce qui suit :
   a) soit la non-organisation ou l'organisation insuffisante d'orientations d'étude dans les première et deuxième années d'études du deuxième ou troisième degré de l'enseignement secondaire général ;
   b) soit l'organisation insuffisante de domaines d'études ou de disciplines dans les première et deuxième années d'études du deuxième ou troisième degré de la double finalité ou de l'enseignement secondaire technique ;
   c) soit l'organisation insuffisante de domaines d'études ou de disciplines dans les première et deuxième années d'études du deuxième ou troisième degré de la finalité marché du travail ou de l'enseignement secondaire professionnel ; et ]2

  2° au niveau de l'orientation des élèves, le centre d'enseignement coopère avec un ou plusieurs autres centres d'enseignement limitrophes qui, eux, organisent l'offre d'enseignement manquante, dans le cadre de la multisectorialité, dans le centre d'enseignement susmentionné.
  Après demande motivée de l'autorité scolaire intéressée, le Gouvernement flamand peut accorder dérogation aux dispositions du premier alinéa, suivant le critère cité ci-après :
  Le centre d'enseignement se compose exclusivement d'écoles de l'enseignement libre subventionné, étant entendu que chacune des écoles visées remplit la condition d'être la seule école de l'enseignement libre subventionné dans une des 44 zones d'enseignement fixées à[2 est remplacé par le membre de phrase " l'annexe Ire, jointe au présent Code ]2, qui organise une certaine religion reconnue ou adhère à une certaine philosophie. Ne sont pas prises en considération pour l'application de la condition 'seule école', les écoles qui n'organisent ni le cours de religion, ni le cours de morale non confessionnelle, mais bien le cours de formation culturelle ou de culture et religion propres, et qui, de surcroit, [3 appartiennent à une autorité scolaire qui n'utilise que des programmes d'études que l'autorité scolaire a elle-même développés et qui ne sont applicables qu'au sein de cette autorité scolaire]3.
  Après demande motivée de l'autorité scolaire intéressée, le Gouvernement flamand peut accorder dérogation aux dispositions du premier alinéa, suivant le critère cité ci-après :
  Le centre d'enseignement se compose exclusivement d'écoles de l'enseignement libre subventionné, étant entendu que chacune des écoles visées remplit les conditions de n'organiser ni le cours de religion ni le cours de morale non confessionnelle, mais bien le cours de formation culturelle ou de culture et religion propres [3 et d'appartenir à une autorité scolaire qui n'utilise que des programmes d'études que l'autorité scolaire a elle-même développés et qui ne sont applicables qu'au sein de cette autorité scolaire]3. (53)
  
Art. 55. § 1. Een scholengemeenschap behoort tot één van de volgende contingenten :
  1° gemeenschapsonderwijs : maximum 40 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
  2° gesubsidieerd officieel onderwijs : maximum 15 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
  3° gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs : maximum 80 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
  4° gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs : maximum 5 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  § 2. Een scholengemeenschap bestaande uit scholen die behoren tot verschillende groepen bedoeld in § 1, wordt verrekend op het contingent van die groep waartoe de meeste scholen van de scholengemeenschap behoren.
  Is het aantal scholen uit de verschillende groepen evenwel gelijk, dan wordt door het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend.
  § 3. Het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, beslist welke voorgestelde scholengemeenschappen niet kunnen worden gevormd indien het vastgestelde contingent in de betrokken groep wordt overschreden. (54)
Art. 55. § 1er. Un centre d'enseignement appartient à un des contingents suivants :
  1° enseignement communautaire : 40 centres d'enseignement au maximum (dont un dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale);
  2° enseignement officiel subventionné : 15 centres d'enseignement au maximum (dont un dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale);
  3° enseignement subventionné confessionnel libre : 80 centres d'enseignement au maximum (dont un dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale);
  4° enseignement subventionné non confessionnel libre : 5 centres d'enseignement au maximum (dont un dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale).
  § 2. Un centre d'enseignement comportant des écoles qui appartiennent à différents groupes visés au § 1er, est imputé sur le contingent du groupe auquel appartiennent la plupart des écoles du centre d'enseignement.
  Si le nombre d'écoles des différents groupes est cependant égal, il est déterminé par l'Enseignement communautaire et/ou les associations représentatives intéressées des autorités scolaires de l'enseignement subventionné, suivant le cas, sur quel contingent est imputé le centre d'enseignement.
  § 3. L'Enseignement communautaire ou l'association représentative intéressée des autorités scolaires de l'enseignement subventionné, suivant le cas, décide quels centres d'enseignement proposés ne peuvent être constitués si le contingent fixé est dépassé dans le groupe concerné. (54)
Art. 56. Een scholengemeenschap die op 1 oktober van twee opeenvolgende schooljaren niet langer voldoet aan de criteria genoemd in dit hoofdstuk, wordt met ingang van het derde schooljaar van rechtswege niet meer tegenstelbaar aan de overheid. (55)
Art. 56. Un centre d'enseignement qui, au 1er octobre de deux années scolaires consécutives, ne répond plus aux critères cités dans le présent chapitre, devient inopposable de plein droit à l'autorité à partir de la troisième année scolaire. (55)
Afdeling 3. - Bevoegdheden van een scholengemeenschap
Section 3. - Compétences d'un centre d'enseignement
Art. 57. Een scholengemeenschap :
  1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel gespreid over de verschillende scholen die de scholengemeenschap vormen;
  2° [2 maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding. Met het oog daarop en voor zover in de scholengemeenschap een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, heeft de scholengemeenschap een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplatform, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met dat van de scholengemeenschap;]2
  Naast voormeld centrum kan de scholengemeenschap uiterlijk [1 tot en met 31 augustus 2014]1 ook samenwerken met het centrum voor leerlingenbegeleiding van een school voor buitengewoon secundair onderwijs die tot de scholengemeenschap behoort.
  Aan de scholengemeenschap Steinerscholen Secundair Onderwijs, die is opgericht op basis van een afwijking op de multisectoraliteitsverplichting verleend bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006, wordt toelating gegeven om uiterlijk tot 31 augustus 2012 samen te werken met meer dan één centrum voor leerlingenbegeleiding.
  In het kader van de uitoefening van die bevoegdheid heeft elke scholengemeenschap waarin een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplatform als vermeld in artikel 103 van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het werkingsgebied van de scholengemeenschap;
  3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden [3 en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur]3;
  4° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de extra uren-leraar over haar scholen. De verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de extra uren-leraar recht evenredig verdeeld volgens het aandeel dat het pakket uren-leraar van elke afzonderlijke school uitmaakt binnen de totaliteit van de pakketten uren-leraar van de diverse scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
  5° maakt afspraken/beslist over de verdeling over haar scholen van de puntenenveloppe bedoeld in artikel 23 tot en met 31. Met inachtname van de bepalingen van voormelde onderafdeling worden de verdelingscriteria onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de punten verdeeld overeenkomstig de parameters volgens welke ze toegekend zijn;
  6° brengt advies uit inzake investeringen in schoolgebouwen en infrastructuur waarbij het schoolbestuur een beroep doet op de investeringsmiddelen van, naargelang van het geval, het Gemeenschapsonderwijs of het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;
  7° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met een of meer scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die buiten de desbetreffende scholengemeenschap zijn gebleven; een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan samenwerkingsakkoorden sluiten met verschillende scholengemeenschappen;
  8° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met één of meer scholen voor secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoren en/of met één of meer scholen voor basisonderwijs, met één of meer scholen van deeltijds kunstonderwijs en/of één of meer centra voor volwassenenonderwijs;
  9° maakt afspraken/beslist over de aanwending van de punten voor ICT-coördinatie;
  10° [1 ...]1;
  11° kan afspraken maken over de engagementsverklaring vermeld in artikel 111. (56)
  
Art. 57. Un centre d'enseignement :
  1° conclut des arrangements relatifs à l'organisation d'une offre d'enseignement rationnelle, éventuellement étalée sur les différentes écoles qui constituent le centre d'enseignement;
  2° [2 conclut des arrangements relatifs à une orientation et un encadrement objectifs des élèves. A cet effet et dans la mesure où un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel fait partie du centre d'enseignement, celui-ci a une obligation de concertation à l'égard de chaque plate-forme régionale de concertation visée au décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, dont la zone d'action coïncide en tout ou en partie avec la zone d'action du centre d'enseignement ;]2
  Outre avec le centre précité, le centre d'enseignement peut, [1 jusqu'au 31 août 2014]1 au plus tard, également coopérer avec le centre d'encadrement des élèves d'une école d'enseignement secondaire spécial qui appartient au centre d'encadrement.
  Le centre d'enseignement 'Steinerscholen Secundair Onderwijs', qui est créé sur la base d'une dérogation à l'obligation de la multisectorialité accordée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006, est autorisé à collaborer avec plus d'un centre d'encadrement des élèves jusqu'à 31 août 2012 au plus tard.
  Dans le cadre de l'exercice de cette compétence, chaque centre d'enseignement qui reprend un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, a une obligation de concertation à l'égard de chaque plate-forme régionale de concertation visée à l'article 103 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, dont la zone d'action coïncide en tout ou en partie avec la zone d'action du centre d'enseignement;
  3° conclut des arrangements relatifs à la gestion du personnel, notamment les critères d'embauche, de fonctionnement et d'évaluation des personnels [3 et l'encadrement initial des membres du personnel désignés à titre temporaire pour une période déterminée]3;
  4° conclut des arrangements/décide sur la répartition des périodes-professeur supplémentaires parmi ses écoles. Les critères de répartition sont négociés au sein du comité local. A défaut d'accord au sein du centre d'enseignement concernant les critères de répartition, les périodes-professeur supplémentaires sont réparties proportionnellement à la part du capital "périodes-professeur" de chaque école séparée dans la totalité des capitaux "périodes-professeur" des diverses écoles qui font partie du centre d'enseignement;
  5° conclut des arrangements/décide sur la répartition de l'enveloppe de points visée aux articles 23 à 31 inclus parmi ses écoles. Dans le respect des dispositions de la sous-section précitée, les critères de répartition sont négociés dans le comité de négociation local compétent du centre d'enseignement. A défaut d'un accord au sein du centre d'enseignement sur les critères de répartition, les points sont répartis conformément aux paramètres suivant lesquels ils sont attribués;
  6° émet des avis relatifs à des investissements en bâtiments scolaires et en infrastructure, pour lesquels l'autorité scolaire fait appel aux moyens d'investissement de l'Enseignement communautaire ou de l' 'Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs' (Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement), selon le cas;
  7° peut conclure un accord de coopération avec une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire spécial n'ayant pas adhéré au centre d'enseignement en question; une école d'enseignement secondaire spécial peut conclure des accords de coopération avec différents centres d'enseignement;
  8° peut conclure un accord de coopération avec une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ne faisant pas partie d'un centre d'enseignement, et/ou avec une ou plusieurs écoles d'enseignement fondamental, une ou plusieurs écoles d'enseignement artistique à temps partiel et/ou un ou plusieurs centres d'éducation des adultes;
  9° conclut des arrangements/décide sur l'utilisation des points pour la coordination TIC;
  10° [1 ...]1;
  11° peut formuler des engagements pour la déclaration d'engagement visée à l'article 111. (56)
  
Art. 58. Schoolbesturen kunnen aan de scholengemeenschappen andere bevoegdheden toewijzen dan hier bepaald, tenzij dit bij decretale of reglementaire bepalingen wordt verboden.
  Voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs gebeurt deze toewijzing op grond van artikel 4, § 2, van het bijzonder decreet.
  Indien bij de scholengemeenschap verschillende schoolbesturen zijn betrokken, dan zullen die de extra bevoegdheden bij schriftelijke overeenkomst vastleggen. (57)
Art. 58. Des autorités scolaires peuvent attribuer aux centres d'enseignement d'autres compétences que celles fixées dans le présent décret, à moins que des dispositions décrétales ou réglementaires ne l'interdisent.
  En ce qui concerne l'enseignement communautaire, cette attribution se fait sur la base de l'article 4, § 2, du décret spécial.
  Si plusieurs autorités scolaires sont engagées dans le centre d'enseignement, c'est à elles qu'il incombe de fixer par convention écrite les compétences supplémentaires. (57)
Afdeling 4. - Diverse voordelen voor scholengemeenschappen
Section 4. - Divers avantages pour les centres d'enseignement
Art. 59. Zoals bepaald in artikel 191 wordt de gewone rationalisatienorm per school met 15 % verminderd voor een school die tot een scholengemeenschap behoort. (58)
Art. 59. Au sens de l'article 191, la norme ordinaire de rationalisation par école est réduite de 15 % pour une école appartenant à un centre d'enseignement. (58)
Art. 60. § 1. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, mits :
  1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
  2° onderhandeling in het lokaal comité.
  § 2. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur tussen scholen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, mits :
  1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
  2° onderhandeling in het lokaal comité. Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, kan de overdracht evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité;
  3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort. (59)
Art. 60. § 1er. Jusqu'au 1er novembre de l'année scolaire concernée, l'autorité scolaire concernée peut transférer des périodes-professeur entre des écoles appartenant au même centre d'enseignement, à condition que :
  1° le transfert soit en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement;
  2° le transfert soit négocié dans le comité local.
  § 2. Jusqu'au 1er novembre de l'année scolaire concernée, l'autorité scolaire concernée peut transférer des périodes-professeur entre des écoles n'appartenant pas au même centre d'enseignement, à condition que :
  1° le transfert soit en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement;
  2° le transfert soit négocié dans le comité local. Si des mises en disponibilité complémentaires par défaut d'emploi sont prononcées dans la catégorie du personnel enseignant, le transfert n'est toutefois possible qu'après un accord obtenu au sein du comité local;
  3° le transfert soit communiqué au centre d'enseignement auquel appartient l'école bénéficiaire. (59)
Art. 61. § 1. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur uren-leraar worden herverdeeld tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits :
  1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
  2° onderhandeling in het lokaal comité.
  § 2. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur uren-leraar worden herverdeeld tussen scholen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits :
  1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
  2° onderhandeling in het lokaal comité. Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, dan kan de herverdeling evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité;
  3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort. (60)
Art. 61. § 1er. Jusqu'au 1er novembre de l'année scolaire concernée, l'autorité scolaire concernée peut redistribuer des périodes-professeur entre des écoles appartenant au même centre d'enseignement, à condition que :
  1° le transfert soit en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement;
  2° le transfert soit négocié dans le comité local.
  § 2. Jusqu'au 1er novembre de l'année scolaire concernée, l'autorité scolaire concernée peut redistribuer des périodes-professeur entre des écoles n'appartenant pas au même centre d'enseignement, à condition que :
  1° le transfert soit en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement;
  2° le transfert soit négocié dans le comité local. Si des mises en disponibilité complémentaires par défaut d'emploi sont prononcées dans la catégorie du personnel enseignant, la redistribution n'est toutefois possible qu'après un accord obtenu au sein du comité local;
  3° le transfert soit communiqué au centre d'enseignement auquel appartient l'école bénéficiaire. (60)
Art. 62. De gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het aantal wekelijkse uren-leraar voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, worden verhoogd met :
  1° 0,10 : voor de eerste graad;
  2° 0,20 : voor de tweede[1 en de derde]1 graad en het hoger beroepsonderwijs. (61)
  
Art. 62. Les coefficients ordinaires d'élèves fixant les périodes-professeurs hebdomadaires pour des écoles appartenant à un centre d'enseignement et situées dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, sont augmentés :
  1° de 0,10 : pour le premier degré;
  2° de 0,20 : pour les deuxième[1 et troisième]1 degrés et l'enseignement supérieur professionnel HBO-5. (61)
  
Art. 63/1. [1 In een scholengemeenschap kunnen de betrokken schoolbesturen beslissen om één scholengemeenschapsinstelling op te richten.
   Voor zover de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt kan deze scholengemeenschapsinstelling niet opgeheven worden.
   Een voorwaarde voor de oprichting van deze scholengemeenschapsinstelling of in het geval van het vijfde lid de scholengemeenschapsinstellingen, is dat elk schoolbestuur uit de scholengemeenschap, voor wat betreft de betrokken scholengemeenschap, mede oprichter is van een scholengemeenschapsinstelling conform het derde, vierde of vijfde lid.
   Als de scholen van de scholengemeenschap tot hetzelfde schoolbestuur behoren dan is dit schoolbestuur verantwoordelijk voor de scholengemeenschapsinstelling.
   Als de scholen van de scholengemeenschap tot verschillende schoolbesturen behoren, wordt een rechtspersoon opgericht die verantwoordelijk is voor de scholengemeenschapsinstelling, vermeld in het eerste lid. Deze nieuwe rechtspersoon beperkt zich tot en heeft uitsluitend als doel om ten aanzien van de personeelsleden aangesteld of geaffecteerd aan de scholengemeenschapsinstelling de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vastgelegd in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
   In afwijking van het eerste en het vierde lid wordt er, als de scholen van de scholengemeenschap behoren tot schoolbesturen van verschillende onderwijsnetten en er door de betrokken schoolbesturen gekozen wordt voor de oprichting van scholengemeenschapsinstellingen, één scholengemeenschapsinstelling opgericht per onderwijsnet. De scholengemeenschapsinstelling behoort tot het betrokken onderwijsnet. Als de scholen, van het betrokken onderwijsnet in de scholengemeenschap tot hetzelfde schoolbestuur behoren dan is dit schoolbestuur verantwoordelijk voor de scholengemeenschapsinstelling. Als de scholen van het betrokken onderwijsnet in de scholengemeenschap tot verschillende schoolbesturen behoren, wordt voor die scholengemeenschap door alle betrokken schoolbesturen in de scholengemeenschap van dat onderwijsnet, een rechtspersoon opgericht die verantwoordelijk is voor de betrokken scholengemeenschapsinstelling. Deze nieuwe rechtspersoon beperkt zich tot en heeft uitsluitend als doel om ten aanzien van de personeelsleden aangesteld of geaffecteerd aan de scholengemeenschapsinstelling de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vastgelegd in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
   In scholengemeenschappen die conform dit artikel een scholengemeenschapsinstelling hebben opgericht maken de betrokken directies van de scholengemeenschap, binnen de geldende regelgeving, afspraken over de werking van deze scholengemeenschapsinstelling of -instellingen.]1

  
Art. 63/1. [1 Dans un centre d'enseignement, les autorités scolaires concernées peuvent décider de créer un seul établissement de centre d'enseignement.
   Tant que la composition du centre d'enseignement ne change pas, cet établissement de centre d'enseignement ne peut être supprimé.
   La création de cet établissement de centre d'enseignement ou, dans le cas de l'alinéa cinq, des établissements de centre d'enseignement, est subordonnée au fait que l'autorité scolaire du centre d'enseignement, en ce qui concerne le centre d'enseignement concerné, soit cofondatrice d'un établissement de centre d'enseignement conformément à l'alinéa trois, quatre ou cinq.
   Si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à la même autorité scolaire, celle-ci est responsable de l'établissement de centre d'enseignement.
   Si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à des autorités scolaires différentes, il est créé une personne morale responsable de cet établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'alinéa 1er. Cette nouvelle personne morale se limite à et a pour seul objet d'exercer, à l'égard des membres du personnel désignés dans l'établissement de centre d'enseignement ou qui y sont affectés, les pouvoirs prévus par le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
   Par dérogation aux alinéas premier et quatre, si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à des autorités scolaires de différents réseaux d'enseignement et que les autorités scolaires concernées optent pour la création d'établissements de centre d'enseignement, un seul établissement de centre d'enseignement est créé par réseau d'enseignement. L'établissement de centre d'enseignement appartient au réseau d'enseignement concerné. Si les écoles du réseau d'enseignement concerné du centre d'enseignement appartiennent à la même autorité scolaire, celle-ci est responsable de l'établissement du centre d'enseignement. Si les écoles du réseau d'enseignement concerné du centre d'enseignement appartiennent à différentes autorités scolaires, une personne morale, responsable de l'établissement de centre d'enseignement concerné, est créée par toutes les autorités scolaires concernées dans le centre d'enseignement de ce réseau d'enseignement. Cette nouvelle personne morale se limite à et a pour seul objet d'exercer, à l'égard des membres du personnel désignés dans l'établissement de centre d'enseignement ou qui y sont affectés, les pouvoirs prévus par le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
   Dans les centres d'enseignement qui ont créé un établissement de centre d'enseignement conformément au présent article, les directions concernées du centre d'enseignement conviennent du fonctionnement de ce ou ces établissements de centre d'enseignement conformément à la réglementation applicable.]1

  
Art. 64. § 1. Vastbenoemde directeurs en adjunct-directeurs van scholen van een scholengemeenschap, die door een herstructurering van scholen of van het onderwijsaanbod ter beschikking zijn gesteld of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking kunnen op persoonlijke titel worden tewerkgesteld in een niet-organieke personeelsformatie die aan de scholengemeenschap wordt toegevoegd, op voorwaarde dat deze personeelsleden volgens de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling, binnen de scholengemeenschap geen reaffectatie als directeur of adjunct-directeur of wedertewerkstelling als adjunct-directeur in een organiek ambt, kunnen bekomen.
  De aanstelling in de niet-organieke personeelsformatie schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de scholengemeenschap op. De aanstelling wordt beschouwd als reaffectatie of wedertewerkstelling.
  § 2. De personeelsformatie bedoeld in § 1 wordt samengesteld op basis van één personeelslid per schijf van 1.500 regelmatige leerlingen (in het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs) op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de scholengemeenschap, met een maximum van vier personeelsleden per scholengemeenschap.
  § 3. De § 1 en § 2 zijn ook van toepassing op directeurs en adjunct-directeurs die op 30 juni 1999 zijn wedertewerkgesteld in het ambt van directiesecretaris of onderdirecteur van de scholengemeenschap, op voorwaarde dat zij op 1 september 1999 personeelslid worden van een schoolbestuur binnen de scholengemeenschap. (63)
Art. 64. § 1er. Les directeurs et directeurs adjoints nommés à titre définitif d'écoles d'un centre d'enseignement qui, à la suite d'une restructuration d'écoles ou de l'offre d'enseignement, sont mis en disponibilite par défaut d'emploi, peuvent être mis au travail à titre personnel dans un cadre non organique qui est ajouté au centre d'enseignement, à condition que ces personnels ne puissent obtenir dans le centre d'enseignement ni une réaffectation comme directeur ou directeur adjoint, ni une remise au travail comme directeur adjoint dans une fonction organique, conformément à la réglementation relative à la mise en disponibilité par defaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail.
  La désignation au cadre non organique suspend toutes les obligations de réaffectation et de remise au travail en dehors du centre d'enseignement. La désignation est considérée comme une réaffectation ou remise au travail.
  § 2. Le cadre organique visé au § 1er est composé sur la base d'un membre du personnel par tranche de 1.500 élèves réguliers (dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ) au 1er février de l'année scolaire précédente dans le centre d'enseignement, avec un maximum de quatre membres du personnel par centre d'enseignement.
  § 3. Les §§ 1er et 2 sont également d'application aux directeurs et directeurs adjoints qui, au 30 juin 1999, sont remis au travail dans la fonction de secrétaire de direction ou de sous-directeur d'un centre d'enseignement, à condition qu'ils deviennent membre du personnel d'une autorité scolaire au sein du centre d'enseignement le 1er septembre 1999. (63)
Art. 65. § 1. Aan de scholengemeenschappen wordt 20.000 extra wekelijkse uren-leraar toegekend vanaf het schooljaar 2004-2005. Deze extra uren-leraar worden aangewend om :
  1° het aantal plage-uren, bedoeld in artikel 216 en 315 te reduceren, en/of
  2° de werkdruk te verminderen door aanrekening van klassenraad, klassendirectie, splitsing van klassen, lerarenondersteuning, stagebegeleiding en leerlingenbegeleiding op het pakket uren-leraar.
  § 2. De verdeling van deze extra uren-leraar, die uitsluitend voor de scholen van de scholengemeenschap zijn bestemd, gebeurt trapsgewijs als volgt : het aantal uren-leraar dat elke scholengemeenschap ontvangt is recht evenredig met het aandeel van de som van de pakketten uren-leraar [1 in het voorgaande schooljaar]1 van de scholen die de scholengemeenschap vormen in de totaliteit van de pakketten uren-leraar [1 in het voorgaande schooljaar]1 van alle scholen die tot een scholengemeenschap zijn toegetreden. Onder uren-leraar worden de organieke uren-leraar voor het voltijds secundair onderwijs en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs verstaan.
  De scholengemeenschap verdeelt de extra uren-leraar op de wijze zoals bepaald in artikel 57, 4°.
  § 3. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de extra wekelijkse uren-leraar. (64)
  
Art. 65. § 1er. 20.000 périodes-professeur hebdomadaires supplémentaires sont octroyées aux centres d'enseignement à partir de l'année scolaire 2004-2005. Ces périodes-professeur supplémentaires sont utilisées :
  1° afin de réduire le nombre d'heures de plage visées aux articles 216 et 315, et/ou
  2° afin de diminuer la pression du travail en imputant le conseil de classe, la direction de classe, la division de classes, le soutien des enseignants, l'encadrement de stage et l'encadrement des élèves au capital "périodes-professeur".
  § 2. La répartition de ces périodes-professeur supplémentaires, qui sont exclusivement destinées aux écoles du centre d'enseignement, se fait graduellement comme suit : le nombre de périodes-professeur que chaque centre d'enseignement reçoit, est directement proportionnel à la part de la somme des capitaux "périodes-professeur"[1 au cours de l'année scolaire précédente]1 des écoles constituant le centre d'enseignement dans la totalité des capitaux "périodes-professeur" [1 au cours de l'année scolaire précédente]1 de toutes les écoles ayant adhéré à un centre d'enseignement. Par périodes-professeur, on entend les périodes-professeur organiques pour l'enseignement secondaire à temps plein et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
  Le centre d'enseignement répartit les périodes-professeur supplémentaires de la façon fixée à l'article 57, 4°.
  § 3. Les centres d'enseignement et les écoles informent les organes de négociation compétents sur la répartition et l'utilisation des périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires. (64)
  
Art. 66. Indien in een scholengemeenschap door een herstructurering van de school of van het onderwijsaanbod bepaalde infrastructuur niet langer gebruikt wordt voor het secundair onderwijs, dan kan het schoolbestuur deze gebouwen gebruiken voor het eigen niet-secundair onderwijs ofwel overdragen naar of ter beschikking stellen van een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet die onderwijs van een ander niveau organiseert, een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een [1 onderwijsinternaat]1.
  Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (Agion) overgaat naar het verkrijgende schoolbestuur of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat het vroeger schoolbestuur bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van Agion. In dit geval is artikel 19, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, niet van toepassing.
  Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. Het oorspronkelijke schoolbestuur blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van Agion voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie.
  Indien de infrastructuur waarvoor Agion subsidie heeft toegekend, afgebroken wordt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing.
  Wordt de infrastructuur echter onttrokken aan één van de bestemmingen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de tegemoetkoming van Agion zoals bepaald in artikel 13, § 1, van dezelfde wet, dan moet het schoolbestuur het gedeelte van de ontvangen subsidie, bedoeld in artikel 19, § 2, van dezelfde wet, terugbetalen. Een terugbetaling wordt evenwel niet opgelegd indien bij verkoop de opbrengst ten bedrage van de terug te betalen subsidie binnen een periode van twee jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd in subsidiabele infrastructuur voor het onderwijs, voor een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een [1 onderwijsinternaat]1. (65)
  
Art. 66. Si, dans un centre d'enseignement, une certaine infrastructure n'est plus utilisée pour l'enseignement secondaire, à la suite d'une restructuration de l'école ou de l'offre d'enseignement, l'autorité scolaire peut soit utiliser ces bâtiments pour son propre enseignement non secondaire, soit les transférer à une autre autorité scolaire du même réseau d'enseignement organisant un enseignement d'un niveau différent, à un centre d'encadrement des élèves ou à un [1 internat de l'enseignement]1, ou encore les mettre à la disposition d'un de ces organismes.
  Si, dans ce cas, la propriété ou le droit réel requis pour entrer en ligne de compte pour une subvention l' 'Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs' (Agion) est reporté sur l'autorité scolaire acquéreuse ou si celle-ci acquiert un droit réel sur le bâtiment d'une durée égale au délai restant du droit réel que possède l'autorité scolaire précédente, cette dernière demeure subrogée aux droits et obligations de l'Agion. Dans ce cas, l'article 19, § 2, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement n'est pas applicable.
  Si la propriété ou le droit réel précité n'est pas transféré ou constitué et le bâtiment continue à être utilisé à des fins d'enseignement, l'article 19, § 2, de la même loi ne s'applique pas non plus. L'autorité scolaire initiale reste par contre responsable à l'égard de l'Agion quant à l'observation des obligations contractées lors de l'octroi de la subvention.
  Si l'infrastructure pour laquelle l'Agion a octroyé une subvention est démolie, l'article 19, § 2, de la même loi ne s'applique pas non plus.
  Si, cependant, l'infrastructure est soustraite à une des affectations pour lesquelles il peut être fait appel à une intervention de l'Agion, tel qu'il est stipulé à l'article 13, § 1er, de la même loi, l'autorité scolaire doit rembourser la part de la subvention touchée visée à l'article 19, § 2, de la même loi. Un remboursement n'est toutefois pas imposé si, en cas de vente, le montant est réinvesti, jusqu'à concurrence de la subvention à rembourser, dans les deux ans et avec maintien de la destination, dans une infrastructure subsidiable pour l'enseignement, pour un centre d'encadrement des élèves, ou pour un [1 internat de l'enseignement]1. (65)
  
HOOFDSTUK 5. - Organen
CHAPITRE 5. - Organes
Afdeling 1.
Section 1re.
Afdeling 1.]1 - Representatieve vakorganisaties
Section 1.]1 - Organisations syndicales représentatives
Art. 69. § 1. De vakorganisaties aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met verlof wegens bijzondere opdracht in het belang van het onderwijs, ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.
  In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de salarissen, salaristoelagen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.
  Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden met de begeleiding van onderwijsvernieuwingen voor wat betreft de gevolgen ervan voor de personeelsleden en met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités.
  § 2. Het totaal aantal toegevoegde personeelsleden mag voor de verschillende in § 1 bedoelde vakorganisaties samen niet meer dan vijftien bedragen.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van verdeling van de hier bedoelde personeelsleden over de betrokken organisaties en legt de aanvraagprocedure vast. (68)
  [1
Art. 69. § 1er. Les organisations syndicales affiliées à une organisation syndicale représentée au Conseil socio-économique de la Flandre, peuvent disposer de personnels de l'enseignement, en congé pour mission spéciale dans l'intérêt de l'enseignement, ou bien en congé pour activité syndicale conformément aux dispositions réglementaires applicables.
  A l'opposé des dispositions réglementaires applicables, les organisations syndicales représentatives ne sont pourtant pas obligées de rembourser, pour les personnels bénéficiant d'un congé visés au présent article, à l'autorité une somme égalant le montant global des traitements, subventions-traitements, allocations et indemnités payés par l'autorité à ces personnels.
  Ces personnels doivent être chargés par ces organisations syndicales de l'accompagnement d'innovations dans l'enseignement pour ce qui concerne les conséquences qui en découlent pour les membres du personnel et de l'encadrement et du soutien des comités locaux.
  § 2. Le nombre total de personnels assignés ne peut être supérieur à 15 pour les différentes organisations syndicales visées au § 1er ensemble.
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine le mode de répartition de ces personnels sur les organisations syndicales concernées et fixe la procédure de demande. (68)
  [1
Afdeling 2.]1 - Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen
Section 2.]1 - Organes de concertation en matière de réformes fondamentales de l'enseignement
Art. 70. De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de schoolbesturen en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.
  Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de schoolbesturen een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de schoolbesturen.
  Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties. (69)
  [1
Art. 70. Le Gouvernement informe les délégués des autorités scolaires et des organisations syndicales représentatives sur toute réforme fondamentale de l'enseignement envisagée.
  Avant que le Gouvernement flamand ne prenne une première décision de principe en la matière, une concertation isolée entre le Ministre flamand chargé de l'enseignement ou son délégué et les délégués des autorités scolaires est organisée, à la demande d'au moins un des délégués des autorités scolaires.
  Avant que le Gouvernement flamand ne prenne une première décision de principe en la matière, une concertation isolée entre le Ministre flamand chargé de l'enseignement ou son délégué et les organisations syndicales représentatives est organisée, à la demande d'au moins une des délégations syndicales représentatives. (69)
  [1
Afdeling 3.]1 - Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap
Section 3.]1 - Comité local au niveau du centre d'enseignement
Onderafdeling 1. - Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs
Sous-section 1re. - Centre d'enseignement de l'enseignement officiel subventionné
Art. 71. Deze onderafdeling is van toepassing op de scholengemeenschappen secundair onderwijs die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot het gesubsidieerd officieel onderwijs [1 , in voorkomend geval aangevuld met een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 63/1]1. (70)
  
Art. 71. La présente sous-section s'applique aux centres d'enseignement de l'enseignement secondaire qui se composent uniquement d'écoles appartenant à l'enseignement officiel subventionné [1 , le cas échéant complétées par un établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'article 63/1]1. (70)
  
Art. 72. In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd.
  Het vorige lid is niet van toepassing op de scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur. In dat geval worden de bevoegdheden van het OCSG zoals vastgelegd in deze afdeling uitgeoefend door het afzonderlijk bijzonder comité opgericht krachtens artikel 4, § 1, 3° van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. (71)
Art. 72. Dans chaque centre d'enseignement est créé un comité local au niveau du centre d'enseignement, appelé ci-après 'OCSG'.
  L'alinéa précédent ne s'applique pas aux centres d'enseignement composés uniquement d'écoles appartenant à la même autorité scolaire. Dans ce cas, les compétences de l'OCSG telles que fixées dans la présente section sont exercées par le comité particulier distinct, créé en vertu de l'article 4, § 1er, 3°, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. (71)
Art. 73. § 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten B Afdeling 2 B Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap ".
  § 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens 1 lid van elk schoolbestuur zonder dat zijn totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.
  De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectievelijk schoolbestuur te verbinden.
  § 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal 1 lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.
  § 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement.
  De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde. (72)
Art. 73. § 1er. Chaque OCSG se compose de délégués des autorités scolaires d'une part et des organisations syndicales représentatives d'autre part. Sont considérées comme des organisations syndicales représentatives les organisations syndicales siégeant dans le Comité des services publics provinciaux et locaux B Section 2 B Sous-section 'Communauté flamande'.
  § 2. La délégation des autorités scolaires se compose d'au moins un membre de chaque autorité scolaire, sans que le total de sa délégation ne puisse dépasser la délégation totale des organisations syndicales représentatives.
  Les représentants des autorités scolaires doivent être habilités à engager leur autorité scolaire respective.
  § 3. La délégation des organisations syndicales représentatives se compose d'un membre au maximum par organisation syndicale représentative par autorité scolaire et est librement composée par celles-ci.
  § 4. Les membres effectifs de l'OCSG peuvent se faire remplacer de la manière prévue par le règlement de fonctionnement.
  Les membres de la délégation des autorités scolaires peuvent uniquement se faire remplacer par un délégué dûment habilité. (72)
Art. 74. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten. (73)
Art. 74. Les délégués des organisations syndicales représentatives bénéficient des droits et devoirs prévus par la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicales des agents relevant de ces autorités et par les arrêtés d'exécution de celle-ci. (73)
Art. 75. § 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.
  § 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG. (74)
Art. 75. § 1er. Les délégués des autorités scolaires déterminent qui d'entre eux assume la présidence de l'OCSG. Le président veille au bon fonctionnement de l'OCSG.
  § 2. Le secrétariat de l'OCSG est assuré par un secrétaire élu parmi et par les représentants du personnel. Moyennant l'accord de tous les membres de l'OCSG, le secrétariat peut également être assuré par un secrétaire ne faisant pas partie de l'OCSG. (74)
Art. 76. § 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.
  § 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.
  Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling. Deze inlichtingen hebben betrekking op :
  1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
  2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;
  3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.
  [1 [2 inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap:
   - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
   - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
   - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.]2
]1

  § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.
  § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.
  § 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap. (75)
  
Art. 76. § 1er. L'OCSG est compétent pour négocier sur les questions qui sont de la compétence du centre d'enseignement, dans la mesure où celles-ci peuvent avoir une répercussion sur les situations et les conditions de travail du personnel des écoles appartenant au centre d'enseignement et/ou du centre d'enseignement même.
  § 2. Les membres de l'OCSG ont un droit d'information concernant toutes les questions qui sont de la compétence du centre d'enseignement.
  De plus, ils ont au moins tous les ans droit à être informés sur l'emploi. Ces informations portent sur :
  1° des renseignements sur l'évolution du nombre d'élèves dans les écoles du centre d'enseignement et la répercussion de celle-ci sur l'emploi et l'infrastructure dans les écoles appartenant au centre d'enseignement;
  2° des renseignements sur la structure des écoles appartenant au centre d'enseignement, y compris sur les modifications structurelles pouvant avoir une répercussion sur les conditions de travail et/ou l'emploi;
  3° des renseignements sur la rotation de personnel dans les écoles du centre d'enseignement.
  [1 [2 informations sur le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement :
   - ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués ;
   - n'acquièrent pas encore le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation avec des points d'amélioration, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation ;
   - n'acquièrent pas le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation négative.]2
]1

  § 3. Les délégués des autorités scolaires doivent fournir des renseignements aux membres de l'OCSG sur toute décision susceptible d'avoir une importante répercussion sur les membres du personnel des écoles du centre d'enseignement.
  § 4. Les membres de l'OCSG reçoivent l'information nécessaire pour pouvoir vérifier si la législation de l'enseignement relative aux matières de personnel inter-écoles est respectée correctement.
  § 5. Les délégués des organisations syndicales représentatives peuvent faire des démarches auprès des délégués des autorités scolaires, dans l'intérêt commun du personnel occupé dans le centre d'enseignement. (75)
  
Art. 77. De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen. (76)
Art. 77. Les questions devant être négociées sont portées à l'ordre du jour par le président de l'OCSG. Les autres membres de l'OCSG peuvent également porter des points à l'ordre du jour. En vue des négociations, les membres de l'OCSG reçoivent préalablement à la réunion tous les documents nécessaires et utiles pour pouvoir adopter des points de vue en connaissance de cause. (76)
Art. 78. Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig. (77)
Art. 78. Les négociations ne peuvent être rendues nulles ni par l'absence d'un ou de plusieurs membres de la délégation des autorités scolaires convoqués d'une manière régulière, ni par l'absence d'un ou de plusieurs délégués des organisations syndicales représentatives convoqués d'une manière régulière. (77)
Art. 79. § 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :
  1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;
  2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;
  3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.
  § 2.Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van een individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol. (78)
Art. 79. § 1er. Les conclusions de chaque négociation sont coulées dans un protocole, dans lequel sont repris :
  1° soit l'accord unanime de toutes les délégations;
  2° soit l'accord entre la délégation des autorités scolaires et la délégation d'une ou de plusieurs organisations syndicales représentatives, ainsi que la position de la délégation d'une ou de plusieurs organisations syndicales représentatives;
  3° soit la position respective de la délégation des autorités scolaires et celle des délégations des différentes organisations syndicales représentatives.
  § 2. En cas d'un accord unanime ou en cas d'un accord entre la délégation des autorités scolaires et la délégation d'une ou de plusieurs organisations syndicales représentatives, aucune décision dérogeant audit protocole ne peut être prise ni au niveau des autorités scolaires individuelles, ni au niveau des écoles individuelles. (78)
Art. 80. Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 79. (79)
Art. 80. Toute mesure prise après la négociation mentionne la date du protocole visé à l'article 79. (79)
Art. 81. § 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :
  1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;
  2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;
  3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;
  4° de taken van de voorzitter;
  5° de taken van de secretaris;
  6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;
  7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;
  8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;
  9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen.
  10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 76;
  11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 74;
  12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.
  § 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door onderafdeling " Vlaamse Gemeenschap " van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van toepassing. (80)
Art. 81. § 1. L'OCSG adopte un règlement de fonctionnement à l'unanimité. Celui-ci règle au moins :
  1° le mode de convocation de l'OCSG, le délai de convocation et le nombre de réunions par année scolaire avec un minimum de trois;
  2° le mode de transmission des documents;
  3° la manière dont les membres de l'OCSG peuvent porter un point à l'ordre du jour de l'OCSG et le délai dans lequel cela doit se faire;
  4° les tâches du président;
  5° les tâches du secrétaire;
  6° les délais pour terminer la négociation;
  7° la manière dont les procès-verbaux et les protocoles doivent être dressés;
  8° la manière dont l'ordre du jour, les documents y annexés, les procès-verbaux et les protocoles seront conservés;
  9° la manière dont les membres effectifs peuvent se faire remplacer et la manière dont et les cas où les délégués peuvent inviter des techniciens à participer aux réunions.
  10° la concrétisation des compétences telles que visées à l'article 76;
  11° la concrétisation des droits et devoirs visés à l'article 74;
  12° la liste nominative des représentants effectifs des autorités scolaires et des représentants effectifs des organisations syndicales représentatives, ainsi que des représentants pouvant les remplacer.
  § 2. Si aucun accord n'est atteint sur un règlement de fonctionnement endéans un délai de trois mois après la création de l'OCSG, le modèle de règlement de fonctionnement dressé à l'unanimité par la sous-section 'Vlaamse Gemeenschap' de la section 2 du comité des services publics provinciaux et locaux est d'application. (80)
Art. 82. De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen. (81)
Art. 82. Les frais de fonctionnement de l'OCSG sont à charge des autorités scolaires. (81)
Onderafdeling 2. - Netoverschrijdende scholengemeenschappen
Sous-section 2. - Centres d'enseignement transréseaux
Art. 83. Deze onderafdeling is van toepassing op de netoverschrijdende scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die secundair onderwijs inrichten [1 , eventueel aangevuld met een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 63/1]1. (82)
  
Art. 83. La présente sous-section s'applique aux centres d'enseignement transréseaux qui se composent uniquement d'écoles appartenant à l'enseignement secondaire [1 , éventuellement complétées par un établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'article 63/1]1. (82)
  
Art. 84. In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd. (83)
Art. 84. Dans chaque centre d'enseignement est créé un comité local au niveau du centre d'enseignement, appelé ci-après 'OCSG'. (83)
Art. 85. § 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in Sectorcomité X B Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten B Afdeling 2 B Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" en/of het Overkoepelend Onderhandelingscomité Gesubsidieerd Vrij Onderwijs.
  § 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens 1 lid van elk schoolbestuur zonder dat zijn totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.
  De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectievelijk schoolbestuur te verbinden.
  § 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal 1 lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.
  In afwijking van het vorig lid mag voor de schoolbesturen van de scholengemeenschap die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs waar maar één representatieve vakorganisatie vertegenwoordigd is in het lokaal comité of de lokale comités, deze representatieve vakorganisatie maximaal drie vertegenwoordigers afvaardigen naar het OCSG. Zijn er twee representatieve vakorganisaties vertegenwoordigd in het lokaal comité of de lokale comités, dan mag de representatieve vakorganisatie met het grootst aantal vertegenwoordigers in het lokaal comité of de lokale comités maximaal twee vertegenwoordigers afvaardigden naar het OCSG. De andere representatieve vakorganisatie mag dan maximaal één vertegenwoordiger afvaardigen.
  § 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde. (84)
Art. 85. § 1er. Chaque OCSG se compose de délégués des autorités scolaires d'une part et des organisations syndicales représentatives d'autre part. Sont considérées comme des organisations syndicales représentatives les organisations syndicales siégeant dans le Comité sectoriel X - Enseignement (Communauté flamande), le Comité des services publics provinciaux et locaux - Section 2 - Sous-section 'Communauté flamande' et/ou le Comité coordinateur de négociation Enseignement libre subventionné.
  § 2. La délégation des autorités scolaires se compose d'au moins un membre de chaque autorité scolaire, sans que le total de sa délégation ne puisse dépasser la délégation totale des organisations syndicales représentatives.
  Les représentants des autorités scolaires doivent être habilités à engager leur autorité scolaire respective.
  § 3. La délégation des organisations syndicales représentatives se compose d'un membre au maximum par organisation syndicale représentative par autorité scolaire et est librement composée par celles-ci.
  Pour les autorités scolaires du centre d'enseignement appartenant à l'enseignement libre subventionné où une seule organisation syndicale représentative est représentée dans le comité local ou les comités locaux, cette organisation syndicale représentative peut déléguer au maximum trois représentants à l'OCSG, par dérogation à l'alinéa précédent. Si deux organisations syndicales représentatives sont représentées dans le comité local ou les comités locaux, l'organisation syndicale représentative ayant le plus grand nombre de représentants dans le comité local ou les comités locaux peut déléguer au maximum deux représentants à l'OCSG. L'autre organisation syndicale représentative peut déléguer au maximum un représentant.
  § 4. Les membres effectifs de l'OCSG peuvent se faire remplacer de la manière prévue par le règlement de fonctionnement. Les membres de la délégation des autorités scolaires peuvent uniquement se faire remplacer par un délégué dûment habilité. (84)
Art. 86. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd officieel onderwijs of gemeenschapsonderwijs genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd vrij onderwijs genieten de rechten en de plichten voorzien in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs. (85)
Art. 86. Les délégués des organisations syndicales représentatives de l'enseignement officiel subventionné ou de l'enseignement communautaire bénéficient des droits et devoirs prévus par la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et par les arrêtés d'exécution de celle-ci. Les délégués des organisations syndicales représentatives de l'enseignement libre subventionné bénéficient des droits et devoirs prévus par le décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné. (85)
Art. 87. § 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.
  § 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG. (86)
Art. 87. § 1er. Les délégués des autorités scolaires déterminent qui d'entre eux assume la présidence de l'OCSG. Le président veille au bon fonctionnement de l'OCSG.
  § 2. Le secrétariat de l'OCSG est assuré par un secrétaire élu parmi et par les représentants du personnel. Moyennant l'accord de tous les membres de l'OCSG, le secrétariat peut également être assuré par un secrétaire ne faisant pas partie de l'OCSG. (86)
Art. 88. § 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.
  § 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.
  Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling. Deze inlichtingen hebben betrekking op :
  1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
  2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;
  3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.
  [1 [2 inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap:
   - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
   - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
   - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.]2
]1

  § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.
  § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.
  § 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap. (87)
  
Art. 88. § 1er. L'OCSG est compétent pour négocier sur les questions qui sont de la compétence du centre d'enseignement, dans la mesure où celles-ci peuvent avoir une répercussion sur les situations ou les conditions de travail du personnel des écoles appartenant au centre d'enseignement et/ou du centre d'enseignement même.
  § 2. Les membres de l'OCSG ont un droit d'information concernant toutes les questions qui sont de la compétence du centre d'enseignement.
  De plus, ils ont au moins tous les ans droit à être informés sur l'emploi. Ces informations portent sur :
  1° des renseignements sur l'évolution du nombre d'élèves dans les écoles du centre d'enseignement et la répercussion de celle-ci sur l'emploi et l'infrastructure dans les écoles appartenant au centre d'enseignement;
  2° des renseignements sur la structure des écoles appartenant au centre d'enseignement, y compris sur les modifications structurelles pouvant avoir une répercussion sur les conditions de travail et/ou l'emploi;
  3° des renseignements sur la rotation de personnel dans les écoles du centre d'enseignement.
  [1 [2 informations sur le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement :
   - ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués ;
   - n'acquièrent pas encore le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation avec des points d'amélioration, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation ;
   - n'acquièrent pas le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation négative.]2
]1

  § 3. Les délégués des autorités scolaires doivent fournir des renseignements aux membres de l'OCSG sur toute décision susceptible d'avoir une importante répercussion sur les membres du personnel des écoles du centre d'enseignement.
  § 4. Les membres de l'OCSG reçoivent l'information nécessaire pour pouvoir vérifier si la législation de l'enseignement relative aux matières de personnel inter-écoles est respectée correctement.
  § 5. Les délégués des organisations syndicales représentatives peuvent faire des démarches auprès des délégués des autorités scolaires, dans l'intérêt commun du personnel occupé dans le centre d'enseignement. (87)
  
Art. 89. De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen. (88)
Art. 89. Les questions devant être négociées sont portées à l'ordre du jour par le président de l'OCSG. Les autres membres de l'OCSG peuvent également porter des points à l'ordre du jour. En vue des négociations, les membres de l'OCSG reçoivent préalablement à la réunion tous les documents nécessaires et utiles pour pouvoir adopter des points de vue en connaissance de cause. (88)
Art. 90. Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig. (89)
Art. 90. Les négociations ne peuvent être rendues nulles ni par l'absence d'un ou de plusieurs membres de la délégation des autorités scolaires convoqués d'une manière régulière, ni par l'absence d'un ou de plusieurs délégués des organisations syndicales représentatives convoqués d'une manière régulière. (89)
Art. 91. § 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :
  1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;
  2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;
  3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.
  § 2.Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van een individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol. (90)
Art. 91. § 1er. Les conclusions de chaque négociation sont coulées dans un protocole, dans lequel sont repris :
  1° soit l'accord unanime de toutes les délégations;
  2° soit l'accord entre la délégation des autorités scolaires et la délégation d'une ou de plusieurs organisations syndicales représentatives, ainsi que la position de la délégation d'une ou de plusieurs organisations syndicales représentatives;
  3° soit la position respective de la délégation des autorités scolaires et celle des délégations des différentes organisations syndicales représentatives.
  § 2. En cas d'un accord unanime ou en cas d'un accord entre la délégation des autorités scolaires et la délégation d'une ou de plusieurs organisations syndicales représentatives, aucune décision dérogeant audit protocole ne peut être prise ni au niveau des autorités scolaires individuelles, ni au niveau des écoles individuelles. (90)
Art. 92. Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 91. (91)
Art. 92. Toute mesure prise après la négociation mentionne la date du protocole visé à l'article 91. (91)
Art. 93. § 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :
  1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;
  2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;
  3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;
  4° de taken van de voorzitter;
  5° de taken van de secretaris;
  6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;
  7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;
  8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;
  9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen.
  10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 88;
  11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 86;
  12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.
  § 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door Sectorcomité X, onderafdeling " Vlaamse Gemeenschap " van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en het Overkoepelend Onderhandelingscomité van toepassing. (92)
Art. 93. § 1er. L'OCSG adopte un règlement de fonctionnement à l'unanimité. Celui-ci règle au moins :
  1° le mode de convocation de l'OCSG, le délai de convocation et le nombre de réunions par année scolaire avec un minimum de trois;
  2° le mode de transmission des documents;
  3° la manière dont les membres de l'OCSG peuvent porter un point à l'ordre du jour de l'OCSG et le délai dans lequel cela doit se faire;
  4° les tâches du président;
  5° les tâches du secrétaire;
  6° les délais pour terminer la négociation;
  7° la manière dont les procès-verbaux et les protocoles doivent être dressés;
  8° la manière dont l'ordre du jour, les documents y annexés, les procès-verbaux et les protocoles seront conservés;
  9° la manière dont les membres effectifs peuvent se faire remplacer et la manière dont et les cas où les délégués peuvent inviter des techniciens à participer aux réunions.
  10° la concrétisation des compétences telles que visées à l'article 88;
  11° la concrétisation des droits et devoirs visés à l'article 86;
  12° la liste nominative des représentants effectifs des autorités scolaires et des représentants effectifs des organisations syndicales représentatives, ainsi que des représentants pouvant les remplacer.
  § 2. Si aucun accord n'est atteint sur un règlement de fonctionnement endéans un délai de trois mois après la création de l'OCSG, le modèle de règlement de fonctionnement dressé à l'unanimité par le Comité sectoriel X, sous-section 'Vlaamse Gemeenschap' de la section 2 du comité des services publics provinciaux et locaux et du Comité coordinateur de négociation est d'application. (92)
Art. 94. De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen. (93)
Art. 94. Les frais de fonctionnement de l'OCSG sont à charge des autorités scolaires. (93)
Onderafdeling 3. - Inzagerecht lokaal comité
Sous-section 3. - Droit de regard du comité local
Art. 95. Het lokaal comité heeft inzagerecht in de administratieve dossiers van de scholengemeenschap met betrekking tot :
  1° de aanstellingen voor doorlopende duur;
  2° de vaste benoemingen;
  3° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en wedertewerkstelling. (94)
Art. 95. Le comité local peut prendre connaissance des dossiers administratifs du centre d'enseignement pour ce qui concerne :
  1° les désignations d'une durée ininterrompue;
  2° les nominations à titre définitif;
  3° la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail. (94)
HOOFDSTUK 6. - Levensbeschouwelijk onderricht
CHAPITRE 6. - Enseignement philosophique
Art. 96. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn alleen van toepassing op structuuronderdelen met levensbeschouwelijk onderricht in de basisvorming.]1
  
Art. 96. [1 Les dispositions du présent chapitre sont uniquement d'application aux subdivisions structurelles avant l'enseignement philosophique dans la formation de base.]1
  
Art. 97. In het officieel voltijds secundair onderwijs omvat het onderwijsaanbod wekelijks ten minste twee lesuren onderwijs in de erkende godsdiensten en in de op die godsdiensten berustende zedenleer en ten minste twee lesuren onderwijs in de niet-confessionele zedenleer. (96)
Art. 97. Dans l'enseignement secondaire officiel à temps plein, l'offre d'enseignement contient par semaine au moins deux heures d'enseignement des religions reconnues et de la morale reposant sur ces religions, et au moins deux heures d'enseignement de la morale non confessionnelle. (96)
Art. 98. § 1. Bij elke inschrijving van de leerling in het officieel voltijds secundair onderwijs bepalen de betrokken personen, bij ondertekende verklaring, of de leerling een cursus in één der erkende godsdiensten of een cursus niet-confessionele zedenleer volgt. [1 Die keuze kunnen ze uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar wijzigen voor het volgende schooljaar.]1
  Betrokken personen die op basis van hun religieuze of morele overtuiging bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer bekomen op aanvraag een vrijstelling.
  De Vlaamse Regering legt het model van de ondertekende verklaring en de procedure tot het bekomen van de vrijstelling vast en bepaalt op welke wijze de lesuren waarvoor men is vrijgesteld moeten ingevuld worden. De lesuren waarvoor men is vrijgesteld mogen niet worden ingevuld met activiteiten die betrekking hebben op andere onderdelen van het leerprogramma.
  § 2. Is de leerling 12 jaar of ouder, dan gebeurt de keuze voor het onderricht in één der erkende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer, evenals de eventuele aanvraag tot vrijstelling in samenspraak met de leerling. (97)
  
Art. 98. § 1er. Lors de chaque inscription de l'élève dans l'enseignement secondaire officiel à temps plein, les personnes concernées déterminent, par déclaration signée, si l'élève suivra un cours d'une des religions reconnues ou un cours de morale non confessionnelle. [1 Ils peuvent modifier ce choix pour l'année scolaire suivante au plus tard le 30 juin de l'année scolaire en cours.]1
  Les personnes concernées qui, sur la base de leur conviction religieuse ou morale, voient des inconvénients à suivre un des cours offerts de religion ou de morale non confessionnelle, obtiennent une dispense sur demande.
  Le Gouvernement flamand établit le modèle de la déclaration signée et la procédure d'obtention de la dispense, et fixe la façon dont les heures de cours pour lesquelles une dispense a été obtenue, doivent être occupées. Les heures de cours pour lesquelles une dispense a été obtenue ne peuvent être occupées par des activités qui concernent d'autres subdivisions du programme d'études.
  § 2. Si l'élève a 12 ans ou plus, le choix de l'enseignement d'une des religions reconnues ou de morale non confessionnelle, ainsi que la demande éventuelle de dispense se feront en accord avec l'élève. (97)
  
Art. 99. Een openbaar bestuur kan de onderwijsbevoegdheid van een gesubsidieerde officiële school slechts overdragen aan een schoolbestuur uit het vrij onderwijs, indien het in de nodige garanties voorziet opdat de keuze wordt aangeboden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.
  De regelen, bepaald in het eerste lid, betreffen de overdracht van onderwijsbevoegdheid die ingang vinden vanaf 1 september 2002. (98)
Art. 99. Une administration publique ne peut transférer la compétence d'enseignement d'une école officielle subventionnée à une autorité scolaire de l'enseignement libre que si elle prévoit les garanties nécessaires afin qu'on offre le choix entre l'enseignement d'une des religions reconnues et la morale non confessionnelle.
  Les règles fixées au premier alinéa, concernent le transfert de la compétence d'enseignement à partir du 1er septembre 2002. (98)
Hoofdstuk 6/1. [1 Bijzondere bepalingen over het officieel onderwijs]1
Chapitre 6/1. [1 Dispositions particulières relatives à l'enseignement officiel]1
Art. 99/1. [1 Een openbaar bestuur kan de onderwijsbevoegdheid van een officiыle school alleen overdragen aan een vrij schoolbestuur, als in eerste instantie de overdracht naar een andere aanbieder van het officieel onderwijs wordt onderzocht.
   Het onderzoek, vermeld in het eerste lid, omvat minstens:
   1А een verslag van gevoerde gesprekken met een andere aanbieder van het officieel onderwijs met het oog op de overdracht, of, in ondergeschikte orde en als er geen gesprekken met een dergelijke andere aanbieder konden worden gevoerd, een verslag van de pogingen om een dergelijke andere aanbieder te vinden;
   2А de gemotiveerde conclusie over de mogelijkheid tot overdracht.]1

  
Art. 99/1. [1 Une administration publique ne peut transférer la compétence d'enseignement d'une école officielle à une autorité scolaire de l'enseignement libre que si le transfert vers un autre opérateur de l'enseignement officiel a été examiné dans un premier temps.
   L'examen visé à l'alinéa 1er comprend au moins :
   1° un rapport des entretiens menés avec un autre opérateur de l'enseignement officiel en vue du transfert ou, à titre subsidiaire et si des entretiens avec un tel autre opérateur n'ont pu être menés, un rapport des tentatives visant à trouver cet autre opérateur ;
   2° la conclusion motivée sur la possibilité de transfert.]1

  
HOOFDSTUK 7. - Sancties
CHAPITRE 7. - Sanctions
Art. 100. [1 Als een school, een vestigingsplaats of een structuuronderdeel in strijd met de programmatieregels wordt opgericht, wordt de financiering of subsidiëring van die school, die vestigingsplaats of dat structuuronderdeel ingetrokken]1.
  De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de hiervoor voorziene sancties. (99)
  
Art. 100. [1 Lorsqu'une école, une implantation ou une subdivision structurelle est créée en violation des règles de programmation, le financement ou le subventionnement de cette école, de cette implantation ou de cette subdivision structurelle est retiré]1.
  Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'application des sanctions prévues à cet effet.(99)
  
Art. 101. § 1. [1 Met behoud van de erkenning wordt de financiering of subsidiëring van een school die niet meer voldoet aan alle financierings- of subsidiëringsvoorwaarden of een structuuronderdeel ervan dat niet meer voldoet aan al die voorwaarden, door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk ingehouden.]1
  De inhouding kan alleen op voorstel van de onderwijsinspectie als het gaat om de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 2°, 4° en 5°.
  De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende bepalingen met betrekking tot die inhouding en regelt de beroepsprocedure.
  § 2. [1 Met inachtneming van artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, kan de Vlaamse Regering de erkenning van een school of een vestigingsplaats of structuuronderdeel ervan opheffen. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de Vlaamse Regering de opheffing van de erkenning ook beperken tot opheffing van de bevoegdheid om bepaalde eindstudiebewijzen, die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uit te reiken.]1
  
Art. 101. § 1er. [1 Tout en conservant l'agrément, le financement ou le subventionnement d'une école qui ne remplit plus toutes les conditions de financement ou de subventionnement ou d'une subdivision structurelle de cette école qui ne remplit plus toutes ces conditions, est retenu en tout ou en partie par le Gouvernement flamand.]1
  Cette retenue ne peut se faire que sur proposition de l'inspection de l'enseignement lorsqu'il s'agit des conditions visées à l'article 15, § 1er, 2°, 4° et 5°.
  Le Gouvernement flamand fixe les dispositions complémentaires quant à cette retenue et règle la procédure de recours.
  § 2. [1 Le Gouvernement flamand peut supprimer l'agrément d'une école, d'une implantation ou d'une subdivision structurelle de celle-ci en tenant compte des articles 36 à 42 inclus du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. Dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, le Gouvernement flamand peut également limiter la suppression de l'agrément à la suppression de la compétence de délivrer certains certificats de fin d'études identiques à ceux de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.]1
  
Art. 102. [1 Elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring wordt teruggevorderd van het schoolbestuur. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel teruggevorderd van het betrokken personeelslid indien het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de onterechte uitbetaling. De terugvordering van ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring aan of voor rekening van het schoolbestuur kan ook gebeuren door inhouding op het nog uit te betalen werkingsbudget.]1
  
Art. 102. [1 Tout financement ou subventionnement indûment payé est répété de l'autorité scolaire. Une tranche de traitement indûment payée est toutefois répétée du membre du personnel intéressé, si l'autorité scolaire n'est pas responsable du paiement injuste. La répétition du financement ou subventionnement indûment payé à l'autorité scolaire ou pour son compte peut également se faire par une retenue sur les moyens de fonctionnement restant encore à payer.]1
  
Art. 103. Onverminderd de strafvervolging waartoe zij aanleiding zou geven, kan elke valse of onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van een salaristoelage of werkingsbudget te beïnvloeden, voor de betrokken school medebrengen dat de subsidiëring bij gemotiveerd besluit van de Vlaamse Regering wordt ingehouden gedurende een periode van niet meer dan zes maanden voor elke overtreding. De teruggave van de ten onrechte als subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid. (102)
Art. 103. Sans préjudice des poursuites pénales auxquelles elle peut donner lieu, toute déclaration fausse ou inexacte faite dans le but d'influencer le calcul du montant d'une subvention-traitement ou d'un budget de fonctionnement, peut entraîner pour l'école intéressée la retenue du subventionnement, décidée par arrêté motivé par le Gouvernement flamand, pendant une période qui n'excédera pas six mois par infraction. Le restitution des montants indûment versés comme subventionnement est exigée, sauf si la faute est due à l'autorité payante. (102)
Art. 105. Indien een personeelslid van het gemeenschaps- of van het gesubsidieerd onderwijs in strijd met het personeelsstatuut of buiten de normen is benoemd, kan de Vlaamse Regering binnen een periode van één jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst door de administratieve diensten van de Vlaamse Regering van de beslissing houdende deze benoeming, het salaris of de salaristoelage terugvorderen met betrekking tot de periode.
  In het Gemeenschapsonderwijs zijn de aldus wederrechtelijke benoemde personeelsleden van ambtswege ontslagnemend. In het gesubsidieerd onderwijs is deze benoeming niet tegenstelbaar aan de betalende overheid. Daarenboven wordt in het officieel gesubsidieerd onderwijs het onregelmatig vast benoemd personeelslid in zijnen hoofde geacht aangesteld te zijn in een ambt dat opgeheven werd vanaf het ogenblik dat het schoolbestuur door de bevoegde overheid in kennis wordt gesteld dat de benoeming niet voldoet aan de voorwaarden.
  Indien de benoeming wordt bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen, bedraagt de in het eerste lid vermelde termijn 30 jaar. (104)
Art. 105. Si la nomination d'un membre du personnel de l'enseignement communautaire ou subventionné est contraire au statut du personnel et a lieu en dehors des normes, le Gouvernement flamand peut, dans un délai d'un an à dater de la réception par les services administratifs du Gouvernement flamand de la décision portant cette nomination, recouvrer le traitement ou la subvention-traitement se rapportant à cette période.
  Dans l'enseignement communautaire, les membres du personnel qui ont ainsi été nommés illégalement sont démissionnaires d'office. Dans l'enseignement subventionné, cette nomination est inopposable à l'autorité payante. Dans l'enseignement officiel, le membre du personnel nommé irrégulièrement à titre définitif est en outre censé être désigné dans ce chef à une fonction ayant été supprimée à partir du moment où l'autorité scolaire est informée par l'autorité compétente du fait que la nomination ne remplit pas les conditions.
  Si la nomination est obtenue par des actions trompeuses, des déclarations fausses, voire incomplètes sciemment transmises, le délai mentionné à l'alinéa premier est de 30 ans. (104)
Art. 106. Het niet-naleven van de verplichting bedoeld in artikel 123 [1 en 7]1 kan, voor elementen waar de directie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties.
  De bedoelde sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximum 5 % bedragen van de werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximum 10 % bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar.
  De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het bedoelde besluit waarborgt het recht op verdediging. (105)
  
Art. 106. Le non-respect de l'obligation visée à l'article 123 [1 et 7]1 peut, pour des éléments où la direction ne dépend pas de tiers, donner lieu à des sanctions.
  La sanction visée peut consister en un recouvrement partiel du budget de fonctionnement. En cas d'une première infraction, ce recouvrement peut s'élever à 5% au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente. En cas d'une deuxième infraction ou d'une infraction suivante, le recouvrement peut s'élever à 10% au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente.
  Le Gouvernement flamand fixe les règles de la constatation des infractions et de l'application des sanctions. L'arrêté visé garantit le droit à la défense. (105)
  
Art. 107. Het miskennen van het recht op tijdelijk of permanent onderwijs aan huis bedoeld in artikel 117 en 118, is een overtreding die, na aanmaning, aanleiding kan geven tot sancties door de Vlaamse Regering.
  De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Ze waarborgt de rechten van verdediging. (106)
Art. 107. La méconnaissance du droit à l'enseignement temporaire ou permanent en milieu familial visé aux articles 117 et 118, est une infraction qui, après sommation, peut donner lieu à des sanctions imposées par le Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand fixe les règles de la constatation des infractions et de l'application des sanctions. Il garantit les droits à la défense. (106)
Art. 108. § 1. De overtreding van de regeling inzake verlofregeling en aanwending van de schooltijd, bedoeld in artikel 12, kan aanleiding geven tot sancties.
  De bedoelde sanctie kan voor het Gemeenschapsonderwijs en voor het gesubsidieerd onderwijs een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de sancties. (107)
Art. 108. § 1er. L'infraction à la réglementation relative au régime des congés et à l'affectation des heures de classe, visée à l'article 12, peut donner lieu à des sanctions.
  La sanction visée peut être, pour l'enseignement communautaire et pour l'enseignement subventionné, le recouvrement partiel du budget de fonctionnement.
  § 2. Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'application des sanctions. (107)
Art. 109. Het niet-naleven van de bepalingen inzake vrijstelling van de keuze inzake levensbeschouwelijk onderricht, bedoeld in artikel 98, kan na aanmaning aanleiding geven tot sancties.
  De sanctie voor het in overtreding zijnde schoolbestuur kan een gedeeltelijke terugbetaling zijn van het werkingsbudget van de betrokken school. De terugvordering of inhouding kan echter niet meer bedragen dan 10 procent van het werkingsbudget en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.
  De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtreding en voor de toepassing van de sanctie en waarborgt de rechten van verdediging. (108)
Art. 109. Le non-respect des dispositions relatives à la dispense du choix quant à l'enseignement philosophique, telle que visée à l'article 98, peut donner lieu, après sommation, à des sanctions.
  La sanction pour l'autorité scolaire en infraction peut consister en le remboursement partiel du budget de fonctionnement de l'école concernée. Le recouvrement ou la retenue ne peut être supérieur à 10 pour cent du budget de fonctionnement, et ne peut avoir pour conséquence, que la part dans le budget de fonctionnement destinée aux affaires relatives aux personnels ne devienne, en chiffres absolus, inférieure au montant de la part si la mesure n'avait pas été prise.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités pour la constatation de l'infraction et pour l'application de la sanction, et garantit les droits de la défense. (108)
Art. 109/1. [1 Het niet naleven van de bepalingen over afzondering en fixatie, vermeld in artikel 123/24/1 tot en met 123/24/5, kan aanleiding geven tot sancties.
   De sanctie, vermeld in het eerste lid, is een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar.
   De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties, vermeld in het eerste en het tweede lid. Het besluit waarborgt het recht op verdediging.]1

  
Art. 109/1. [1 Le non-respect des dispositions relatives à l'isolement et à la contention, visées aux articles 123/24/1 à 123/24/5, peut donner lieu à des sanctions.
   La sanction visée à l'alinéa 1er consiste dans un recouvrement partiel du budget de fonctionnement. En cas d'une première infraction, ce recouvrement peut s'élever à 5 % au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente. En cas d'une deuxième infraction ou d'une infraction suivante, le recouvrement peut s'élever à 10 % au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente.
   Le Gouvernement flamand fixe les règles de la constatation des infractions et de l'application des sanctions visées aux alinéas 1er et 2. L'arrêté garantit le droit à la défense.]1

  
TITEL 2. - BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN
TITRE 2. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ELEVES
HOOFDSTUK 1. - Vrije keuze
CHAPITRE 1er. - Libre choix
Art. 110. § 1. Het recht van de ouders om de aard van de opvoeding voor hun kinderen te kiezen, sluit de mogelijkheid in, over een school naar hun keuze op een redelijke afstand te beschikken.
  § 2. Onverminderd het recht van de Vlaamse Gemeenschap om scholen op te richten, is deze verplicht, ten einde de vrije keuze van de ouders te eerbiedigen :
  1° op verzoek van ouders die op redelijke afstand geen officiële school vinden die begeleid wordt door een officieel centrum voor leerlingenbegeleidng en waarvan de oudervereniging aangesloten is bij het ondersteuningscentrum van ouderverenigingen van het officieel onderwijs, hetzij in de kosten van het vervoer naar dergelijke officiële school of afdeling tussen te komen; hetzij dergelijke officiële school in de financierings- of subsidieregeling op te nemen;
  2° op verzoek van ouders die op een redelijke afstand geen vrije school vinden, een bestaande vrije school in de subsidieregeling op te nemen, hetzij het vervoer te verzekeren naar een dergelijke school of afdeling door middel van een dienst voor leerlingenvervoer. (109)
Art. 110. § 1er. Le droit des parents de choisir la nature de l'éducation de leurs enfants inclut la possibilité, de disposer d'une école de leur choix à une distance raisonnable.
  § 2. Sans préjudice du droit de la Communauté flamande de créer des écoles, elle est obligée, afin de respecter le libre choix des parents :
  1° à la demande des parents qui ne trouvent pas à une distance raisonnable une école officielle qui est accompagnée par un centre officiel d'encadrement des élèves et dont l'association de parents est affiliée au centre d'appui des associations de parents de l'enseignement officiel, soit de subvenir aux frais de transport vers une telle école ou section officielle, soit d'admettre au financement ou aux subventions une telle école officielle;
  2° à la demande des parents qui ne trouvent pas à une distance raisonnable une école libre, soit d'admettre aux subventions une école libre existante, soit d'assurer le transport vers une telle école ou section par la voie d'un service de transport scolaire. (109)
HOOFDSTUK 1/1. [1 - Recht op inschrijving]1
CHAPITRE 1/1. [1 - Droit à l'inscription]1
Art. 110/0. [1 De bepalingen in hoofdstuk 1/1 en 1/2 zijn van toepassing voor de inschrijvingen in het gewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2022-2023.
   De bepalingen in hoofdstuk 1/1 en 1/2 zijn van toepassing voor de inschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2022-2023, 2023-2024 [2 , 2024-2025, 2025-2026 en 2026-2027]2.]1

  
Art. 110/0. [1 Les dispositions des chapitres 1/1 et 1/2 s'appliquent aux inscriptions dans l'enseignement secondaire ordinaire pour l'année scolaire 2022-2023.
   Les dispositions des chapitres 1/1 et 1/2 s'appliquent aux inscriptions dans l'enseignement secondaire spécial pour les années scolaires 2022-2023, 2023-2024 [2 , 2024-2025, 2025-2026 et 2026-2027]2.]1

  
Afdeling 1. [1 - Beginselen]1
Section 1re. [1 - Principes]1
Art. 110/1. [1 § 1. [5 Elk schoolbestuur maakt voor elk van zijn scholen, met uitzondering van de scholen van opleidingsvorm 4, type 5, die verbonden zijn aan een ziekenhuis of aan een residentiële setting, een schoolreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd. ]5
   De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de ouders van het pedagogisch project en school- of centrumreglement.
   § 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten :
   1° op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs;
   2° op de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar in het secundair onderwijs dat niet onder toepassing valt van 1° en in de leertijd.
   Een schoolbestuur maakt de start van de inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, maakt de start van de inschrijvingen alleszins via het LOP bekend.
   § 3. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen en de structuuronderdelen heen, [2 tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit of volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9]2.
   Indien de voortgang van het leerproces, met inachtname van de studiebewijzen waarover de leerling beschikt en met inachtname van de regelgeving betreffende de toelatings- of instapvoorwaarden in het secundair onderwijs, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan die niet worden gestuit. Indien zich daarbij verschillende keuzemogelijkheden qua structuuronderdeel voordoen, dan kan de leerling niet tot een welbepaald structuuronderdeel worden gedwongen.
  [2 Het verworven recht als ingeschreven leerling blijft behouden indien van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.]2
  [6 Het verworven recht als ingeschreven leerling geldt voor een leerling die gedurende een schooljaar permanent onderwijs aan huis heeft gevolgd in een type en opleidingsvorm in een school, dat ingericht wordt door die school, als de leerling de lessen kan bijwonen in diezelfde school met het oog op het onmiddellijk daaropvolgend schooljaar. Dit is alleen mogelijk als de ouders het pedagogisch project en het schoolreglement voor akkoord ondertekenen voor de start van de lesbijwoning.]6
   § 4. Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan [3 , afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs,]3 ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.]1

  [2 § 5. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 1/1 en 1/2 van deze codex, de desbetreffende vestigingsplaatsen als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.]2
  [4 § 6. Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgende schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor buitengewoon secundair onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in hetzelfde schooljaar in een andere school voor buitengewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.
   Elke inschrijving in de loop van het betrokken schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een school voor buitengewoon onderwijs, maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde of een andere administratieve groep voor datzelfde schooljaar in een andere school voor buitengewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve lesbijwoning, behalve in geval van gewettigde afwezigheid.]4

  
Art. 110/1. [1 § 1er. Chaque élève a droit à l'inscription dans l'école ou l'implantation choisie par ses parents. Si l'élève a douze ans ou plus, le choix de l'école se fait en concertation avec l'élève. Pour le choix de l'implantation, il est tenu compte de l'offre d'enseignement présente.
   L'inscription est prise après la signature pour accord du projet pédagogique et du règlement d'école ou de centre par les parents.
   § 2. Les inscriptions pour une année scolaire peuvent démarrer au plus tôt :
   1° le premier jour de classe de mars de l'année scolaire précédente en première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire et dans l'enseignement secondaire spécial;
   2° le premier jour de classe après les vacances de Pâques de l'année scolaire précédente dans l'enseignement secondaire auquel le point 1° n'est pas applicable et dans l'apprentissage.
   Une autorité scolaire publie le démarrage des inscriptions à tous les intéressés. Une autorité scolaire qui fait partie d'une LOP publie en tout cas le démarrage des inscriptions par la voie de la LOP.
   § 3. Sauf dans les cas de désinscription définis par décret ou arrêté, une inscription d'un élève dans une école vaut pour la durée de toute la carrière scolaire auprès de cette école. Le maintien de l'inscription vaut au-delà des implantations et des subdivisions structurelles, [2 sauf en cas de dépassement de la capacité ou d'une déclaration d'occupation complète tels que mentionnés à l'article 110/9]2.
   Si la progression du processus d'apprentissage, dans le respect des titres dont dispose l'élève et dans le respect de la réglementation relative aux conditions d'admission ou d'entrée dans l'enseignement secondaire, nécessite le maintien ou le changement d'implantation ou de subdivision structurelle, celui-ci ne peut être enrayé. Si différentes possibilités de choix quant à la subdivision structurelle se produisent à cette occasion, l'élève ne peut être obligé à une subdivision structurelle déterminée.
  [2 Le droit acquis comme élève inscrit reste maintenu, si une partie de l'école est détachée et intégrée dans une nouvelle école de la même autorité scolaire.]2
  [5 Le droit acquis comme élève inscrit vaut pour un élève qui a suivi un enseignement permanent à domicile pendant une année scolaire dans un type et une forme d'enseignement dans une école, organisés par cette école, si l'élève peut fréquenter les cours dans la même école en vue de l'année scolaire suivante. Ceci n'est possible que si les parents signent le projet pédagogique et le règlement d'école pour accord avant le début de la fréquentation des cours.]5
   § 4. Une autorité scolaire ayant des écoles dont une ou plusieurs implantations se situent dans une même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou si elles sont séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut opter, [3 séparément dans l'enseignement secondaire ordinaire et dans l'enseignement secondaire spécial]3 dans le cas d'un élève qui passe d'une école secondaire à l'autre école secondaire, pour la continuation des inscriptions. Une autorité scolaire qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école.]1

  [2 § 5. Une autorité scolaire ou autorité d'un centre avec des écoles ou centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel dont une ou plusieurs implantations se situent dans une même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou sont séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut choisir de considérer les implantations en question comme une seule école ou un seul centre pour ce qui est de l'application des dispositions des chapitres 1/1 et 1/2 du présent Code. Une autorité scolaire ou autorité d'un centre qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école ou de centre.]2
  [4 § 6. Toute inscription avant le 1er septembre pour l'année scolaire suivante pour un groupe administratif déterminé dans une école spécifique d'enseignement secondaire spécial annule de plein droit l'inscription précédant celle-ci pour ce même groupe administratif dans la même année scolaire dans une autre école d'enseignement spécial.
   Toute inscription au cours de l'année scolaire concernée pour un groupe administratif déterminé dans une école d'enseignement spécial annule l'inscription précédant celle-ci pour le même groupe administratif ou un autre groupe administratif pour cette même année scolaire dans une autre école d'enseignement spécial à partir du début de la fréquentation effective des cours, sauf en cas d'absence justifiée.]4

  
Afdeling 2. [1 - Voorrangsregelingen]1
Section 2. [1 - Régimes prioritaires]1
Art. 110/2. [1 § 1. [3 Elke inschrijvingsperiode begint met opeenvolgende voorrangsperiodes, waarbij:
   1° in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs eerst voorrang wordt verleend aan de leerlingen, vermeld in artikel 110/3, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/4, dan in voorkomend geval aan de leerlingen vermeld in artikel 110/5, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/6 en tot slot aan de leerlingen vermeld in artikel 110/7.]3

   Op voorwaarde dat geen enkele leerling, gevat door de betrokken voorrangsperiodes, geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde [3 capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9]3, kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen genomen worden.
   Op voorwaarde dat geen enkele leerling geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde [3 capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9]3, kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen of apart starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. Indien de betrokken scholen gelegen zijn in het werkingsgebied van een LOP, moet de voorrangsperiode voor de leerlingen, vermeld in artikel 110/7, starten, overeenkomstig artikel 110/1, § 2. [2 Indien de betrokken scholen gelegen zijn buiten het werkingsgebied van een LOP, kunnen de inschrijvingen van de leerlingen die niet gevat worden door een voorrangsperiode, al dan niet samen met de inschrijvingen van de leerlingen gevat door een voorrangsperiode, ook starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar op voorwaarde dat geen enkele leerling wordt geweigerd omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 110/9, § 4.]2
  [3 In afwijking van het derde lid, kunnen voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, enkel de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/3 en artikel 110/4 samen genomen worden.]3
   Met uitzondering van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/4, duurt elke voorrangsperiode minimaal twee weken. Binnen elke voorrangsperiode gebeuren de inschrijvingen chronologisch.
   In afwijking van het eerste lid, punt 1°, zijn scholen voor type 5 niet verplicht de voorrangsperiodes te hanteren.
   § 2. Voor scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, maakt het LOP afspraken over de voorrangsperiodes en worden deze minstens door het LOP bekendgemaakt aan alle belanghebbenden uit het werkingsgebied.
   Voor scholen buiten een werkingsgebied van een LOP worden de voorrangsperiodes bepaald in overleg met de schoolbesturen van alle scholen binnen dezelfde gemeente. De schoolbesturen maken de voorrangsperiodes bekend aan alle belanghebbenden.]1

  
Art. 110/2. [1 § 1er. [3 Chaque période d'inscription commence par des périodes prioritaires successives, où :
   1° en première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire et dans l'enseignement secondaire spécial, la priorité est donnée aux élèves mentionnés à l'article 110/3, ensuite aux élèves mentionnés à l'article 110/4, ensuite le cas échéant aux élèves mentionnés à l'article 110/5, ensuite aux élèves mentionnés à l'article 110/6 et enfin aux élèves mentionnés à l'article 110/7.]3

   A condition qu'aucun élève saisi par les périodes prioritaires concernées ne soit refusé pour cause de dépassement de [3 la capacité fixée ou d'une déclaration d'occupation complète telles que visées à l'article 110/9]3, deux ou plusieurs périodes prioritaires peuvent être groupées pour les inscriptions pour une année scolaire déterminée.
   A condition qu'aucun élève ne soit refusé pour cause de dépassement de [3 la capacité fixée ou d'une déclaration d'occupation complète telles que visées à l'article 110/9]3, deux ou plusieurs périodes prioritaires pour les inscriptions à une année scolaire déterminée peuvent démarrer ensemble ou séparément à partir du premier jour de classe après les vacances de Noël de l'année scolaire précédente. Si les écoles concernées sont situées dans la zone d'action d'une LOP, la période prioritaire portant sur les élèves visés à l'article 110/7 doit démarrer conformément à l'article 110/1, § 2. [2 Si les écoles concernées sont situées en dehors de la zone d'action d'une LOP, les inscriptions des élèves non saisis par une période prioritaire peuvent, ensemble ou non avec les inscriptions des élèves saisis par une période prioritaire, également démarrer à partir du premier jour de classe après les vacances de Noël de l'année scolaire précédente, à condition qu'aucun élève ne soit refusé pour cause de dépassement de la capacité fixée visée à l'article 110/9, § 4.]2
  [3 Par dérogation au troisième alinéa, seules les périodes prioritaires visées aux articles 110/3 et 110/4 peuvent être prises ensembles pour ce qui est des écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.]3
   A l'exception de la période prioritaire visée à l'article 110/4, chaque période prioritaire dure deux semaines au moins. Dans chacune des périodes prioritaires, les inscriptions se font de manière chronologique.
   Par dérogation à l'alinéa premier, point 1°, les écoles de type 5 ne sont pas obligées d'utiliser les périodes prioritaires.
   § 2. Pour les écoles situées dans la zone d'action d'une LOP, la LOP conclut des arrangements sur les périodes prioritaires. Au moins la LOP les publie à tous les intéressés de la zone d'action.
   Pour les écoles situées en dehors de la zone d'action d'une LOP, les périodes prioritaires sont fixées en concertation avec les autorités scolaires de toutes les écoles dans la même commune. Les autorités scolaires communiquent les périodes prioritaires à tous les intéressés.]1

  
Art. 110/3. [1 Elke leerling die tot dezelfde [2 leefentiteit]2 behoort als een reeds ingeschreven leerling, heeft bij voorrang op alle leerlingen, in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs, een recht op inschrijving in de betrokken school of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 110/1, § 4.]1
  
Art. 110/3. [1 Chaque élève appartenant à la même [2 entité de vie]2 qu'un élève déjà inscrit bénéficie, en première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire et dans l'enseignement secondaire spécial, dans l'école concernée ou dans les écoles qui laissent continuer les inscriptions d'une école dans l'autre, tel que mentionné à l'article 110/1, § 4, d'une priorité d'inscription sur tous les autres élèves.]1
  
Art. 110/4. [1 Een schoolbestuur verleent, met behoud van de toepassing van artikel 110/3, voor zijn scholen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs voorrang aan kinderen van personeelsleden van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 110/1, § 4, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.
   Met personeelsleden als vermeld in het eerste lid wordt bedoeld :
   1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leer- lingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;
   2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.]1

  
Art. 110/4. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 110/3, une autorité scolaire donne pour ses écoles en première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire et dans l'enseignement secondaire spécial, priorité aux enfants des membres du personnel de l'école ou des écoles qui optent pour la continuation des inscriptions d'une école à l'autre, tel que mentionné à l'article 110/1, § 4, à condition qu'il soit question, au moment de l'inscription, d'une occupation en cours de plus de 104 jours.
   Par 'membres du personnel' tels que visés à l'alinéa premier, on entend :
   1° les membres du personnel tels que visés à l'article 2 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, pour autant qu'ils sont affectés à ou désignés dans une école;
   2° les membres du personnel ayant été recrutés par une autorité scolaire sous les liens d'un contrat de travail et étant occupés dans l'école.]1

  
Art. 110/5. [1 § 1. Een schoolbestuur verleent, in voorkomend geval met behoud van de toepassing van artikel 110/3 en 110/4, voor zijn scholen, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.
   § 2. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :
   1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
   2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
   3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau [2 B2]2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken :
   a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
   b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
  [2 c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;]2
   [2 ...]2 [2 ...]2
   [2 ]2 (vroeger 5°) door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.
  [3 [6 ...]6.]3
   § 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.
   Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.
   Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus vermeld in artikel [2 artikel 110/9]2.
   Het LOP maakt het overeengekomen percentage en de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.
   [2 Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.]2
   § 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, als vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, als vermeld in artikel 110/7, § 3, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3, bereikt is.]1

  
Art. 110/5. [1 § 1er. Une autorité scolaire donne, le cas échéant sans préjudice de l'application des articles 110/3 et 110/4, pour ses écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, priorité aux élèves ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais.
   § 2. Pour pouvoir bénéficier du régime prioritaire visé au paragraphe 1er, le parent démontre d'une des manières suivantes qu'il maîtrise suffisamment le néerlandais :
   1° en produisant au moins le diplôme néerlandophone de l'enseignement secondaire ou un titre néerlandophone équivalent;
   2° en produisant le certificat néerlandophone de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire ou un titre néerlandophone équivalent;
   3° en produisant la preuve qu'il maîtrise le néerlandais au moins au niveau [2 B2]2 du Cadre européen commun de référence pour les Langues. Ceci se fait au vu des pièces suivantes :
   a) un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande ou un titre néerlandophone équivalent, démontrant le niveau requis de la connaissance du néerlandais;
   b) une attestation de fixation du niveau, effectuée par une "Huis van het Nederlands" (Maison du néerlandais), démontrant le niveau requis de la connaissance du néerlandais;
  [2 c) en produisant la preuve d'une connaissance au moins suffisante du néerlandais après avoir subi un examen linguistique auprès du Bureau de sélection de l'Autorité fédérale ;]2
   [2 ...]2 [2 ...]2
   [2 ]2 (ancien 5°) en produisant la preuve qu'il a suivi, pendant neuf ans, comme élève régulier, les cours de l'enseignement primaire et secondaire en langue néerlandaise. Ceci se fait au vu d'attestations délivrées à cet effet par les autorités scolaires intéressées.
  [3 [6 ...]6]3
   § 3. Une autorité scolaire fixe pour ses écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale un nombre d'élèves envisagé pour l'inscription par priorité d'élèves ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais.
   Le nombre d'élèves mentionné à l'alinéa premier doit être axé sur l'acquisition ou le maintien de 55 % d'élèves dans l'école ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais. Il peut être convenu au sein de la LOP de la région bilingue de Bruxelles-Capitale d'utiliser un pourcentage supérieur à 55.
   Le nombre d'élèves cité à l'alinéa premier peut être fixé par une autorité scolaire jusqu'aux niveaux visés à [2 l'article 110/9]2.
   La LOP communique le pourcentage convenu et les nombres fixés à tous les intéressés.
   [2 Un élève déjà inscrit ou un élève qui appartient à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit qui, sur base de la réglementation en vigueur au moment de son inscription, était considéré comme un élève dont la langue familiale est le néerlandais, peut être considéré comme étant un élève ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, tel que visé au paragraphe 1er. Un élève déjà inscrit ou un élève qui appartient à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit qui, sur base de la réglementation en vigueur au moment de son inscription, était considéré comme un élève ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, est considéré comme un élève ayant au moins un parent tel que visé au paragraphe 1er.]2
   § 4. Les élèves qui, outre la condition visée au paragraphe 2, satisfont également à un ou plusieurs des indicateurs visées à l'article 110/7, § 3, n'e sont pas pris en compte pour atteindre le nombre mentionné au paragraphe 3. Ces élèves sont inscrits jusqu'au moment où le contingent réservé aux élèves satisfaisant à un ou plusieurs des indicateurs visés à l'article 110/7, § 3, est atteint.]1

  
Art. 110/6. [1 Een schoolbestuur met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP en waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, met behoud van de toepassing van artikel 110/3, 110/4, en in voorkomend geval artikel 110/5, voorrang verlenen aan leerlingen bij de overgang van het basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs.
   De voorrang, vermeld in het eerste lid, moet bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd na positief advies bij meerderheid van het LOP basisonderwijs of, indien er geen LOP basisonderwijs is, na positief advies bij meerderheid van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP.
   De dubbele meerderheid te bereiken door het LOP secundair onderwijs is bereikt wanneer de goedkeuring, vermeld in het tweede lid, verleend wordt door, enerzijds meer dan de helft van de participanten, [2 vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, 1°, 2° en 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs,]2 en anderzijds, meer dan de helft van de participanten, [2 vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, 4° tot en met 11°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs]2. De meerderheid van het LOP basisonderwijs is bereikt wanneer het positief advies, vermeld in het tweede lid, verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, [2 vermeld in artikel VIII.4, § 1, 1°, 2° en 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs,]2 en anderzijds meer dan de helft van alle participanten, [2 vermeld in artikel VIII.4, § 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs,]2 of, in voorkomend geval, door meer dan de helft van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP.]1

  
Art. 110/6. [1 Une autorité scolaire ayant des écoles situées dans la zone d'action d'une LOP et dont une ou plusieurs implantations se situent dans une même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou si elles sont séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut, sans préjudice de l'application des articles 110/3, 110/4, et le cas échéant, de l'article 110/5, donner la priorité à des élèves lors de leur passage de l'enseignement fondamental à la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire ou à l'enseignement secondaire spécial.
   La priorité, visée à l'alinéa premier, doit être approuvée à double majorité par la LOP, après avoir recueilli un avis positif à la majorité de la part de la LOP de l'enseignement fondamental, ou, à défaut d'une LOP de l'enseignement fondamental, après avoir recueilli un avis positif à la majorité de la part des autorités scolaires des écoles primaires et des écoles fondamentales situées dans la zone d'action de la LOP.
   La double majorité à atteindre par la LOP de l'enseignement secondaire est atteinte lorsque l'approbation visée à l'alinéa 2 est donnée par, d'une part, plus de la moitié des participants [2 visés à l'article VIII.4/1, § 1er, 1°, 2° et 3° de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement,]2 et, d'autre part, plus de la moitié des participants [2 visés à l'article VIII.4/1, § 1er, 4° à 11° de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement]2. La majorité à atteindre par la LOP de l'enseignement fondamental est atteinte lorsque l'avis positif visé à l'alinéa 2 est donnée par, d'une part, plus de la moitié des participants [2 visés à l'article VIII.4/1, § 1er, 1°, 2° et 3° de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement]2, et, d'autre part, plus de la moitié de tous les participants [2 visés à l'article VIII.4/1, § 1er de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement]2, ou, le cas échéant, par plus de la moitié des autorités scolaires des écoles primaires et écoles fondamentales situées dans la zone d'action de la LOP.]1

  
Art. 110/7. [1 § 1. Een schoolbestuur bepaalt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.
   Een schoolbestuur kan, voor een of meer van zijn scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten als vermeld in het eerste lid bepalen.
   De vooropgestelde contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, in de scholen in het werkingsgebied van het LOP of in de betrokken gemeente buiten het werkingsgebied van een LOP.
   De twee contingenten vormen samen 100 % en worden door een schoolbestuur bepaald op die niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 110/12, § 1, een inschrijvingsregister hanteert. De contingenten worden door het schoolbestuur bekendgemaakt aan alle belanghebbenden.
   De reeds ingeschreven leerlingen worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent.
   Leerlingen die in voorkomend geval zijn ingeschreven in toepassing van artikel 110/3, 110/4, 110/5 en 110/6 worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent, zolang het contingent niet bereikt is.
   De inschrijving van leerlingen, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 110/5 die zich aandienen nadat het contingent waartoe zij behoren vol is, wordt uitgesteld. Deze leerlingen worden chronologisch in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, als uitgesteld ingeschreven. Een uitgestelde inschrijving is niet gelijk aan een niet-gerealiseerde inschrijving [2 ...]2.
   Indien beide contingenten, nog voor de voorrangsperiodes afgesloten worden, vol zijn, wordt voor alle leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, vermeld staan als uitgesteld de inschrijving geweigerd en wordt de uitgestelde inschrijving in het inschrijvingsregister gewijzigd in een niet-gerealiseerde inschrijving. De ouders van de leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden en alle volgende leerlingen, ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 110/13, § 1, een schriftelijke bevestiging.
   Indien, op het moment dat een voorrangsperiode afgesloten wordt, het andere contingent niet vol is, worden de openstaande plaatsen opgevuld met leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, vermeld staan als uitgesteld, indien de ouders dit nog wensen en met respect voor de in het inschrijvingsregister opgenomen chrono- logie. De leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden, worden geweigerd en de ouders ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 110/13, § 1, een schriftelijke bevestiging.
   Het LOP maakt, voor de start van de inschrijvingen, afspraken over :
   1° de berekening van de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied of deelgebieden ervan, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied of deelgebieden ervan en dit eventueel tot op de niveaus [2 waarop een capaciteit is vastgelegd]2.
   2° de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de niveaus, [2 waarop een capaciteit is vastgelegd]2;
   3° de niveaus, [2 waarop een capaciteit is vastgelegd]2, van de school waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de verschillende deelgebieden gemaakt worden;
   4° de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden;
   5° de wijze waarop enerzijds andere actoren betrokken zullen worden bij enerzijds de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen zal gebeuren.
   Voor scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP is :
   1° de relatieve aanwezigheid in de school of vestigingsplaats de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het aantal leerlingen in een school of vestigingsplaats;
   2° de relatieve aanwezigheid in de gemeente de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen de gemeente.
   Als een schoolbestuur erom vraagt, stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten gegevens over het al of niet voldoen aan één of meer indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van elk van zijn leerlingen ter beschikking van dat schoolbestuur. Daarnaast stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten, in voorkomend geval, gegevens ter beschikking van het LOP over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van de leerlingen van de scholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP. Deze gegevens zijn afkomstig van de meest recente jaarlijkse centraal georganiseerde telling.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor een of meer van zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.
   § 3. [2 De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
  1° [3 het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar, dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.
  [4 ...]4]2

   2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.]2
   § 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.
   [3 ...]3]1

  
Art. 110/7. [1 § 1er. Une autorité scolaire fixe pour toutes ses écoles situées dans la zone d'action d'une LOP deux contingents qui sont avancés pour l'inscription simultanée d'élèves qui soit satisfont à un ou plusieurs indicateurs visés au paragraphe 3, soit n'y satisfont pas.
   Une autorité scolaire peut fixer pour une ou plusieurs de ses écoles situées en dehors de la zone d'action d'une LOP deux contingents tels que visés au paragraphe premier.
   Les contingents avancés sont axés sur l'obtention d'une répartition proportionnelle des élèves visés aux alinéas premier et 2, dans les écoles situées dans la zone d'action de la LOP ou dans la commune concernée en dehors de la zone d'action d'une LOP.
   Les deux contingents constituent ensemble 100 % et sont déterminés par une autorité scolaire aux niveaux pour lesquels l'autorité scolaire utilise un registre d'inscription, conformément à l'article 110/12, § 1er. Les contingents sont communiqués par l'autorité scolaire à tous les intéressés.
   Les élèves déjà inscrits sont repris dans leur contingent respectif, selon qu'ils satisfont ou non aux indicateurs visés au paragraphe 3.
   Les élèves inscrits le cas échéant en application des articles 110/3, 110/4, 110/5 et 110/6 sont, selon qu'ils satisfont ou non à un ou plusieurs indicateurs visés au paragraphe 3, repris dans leur contingent respectif, aussi longtemps que le contingent n'est pas encore atteint.
   L'inscription d'élèves, exception faite des élèves visés à l'article 110/5, qui se présentent après le comblement du contingent auquel ils appartiennent est différée. Ces élèves sont enregistrés de manière chronologique au registre d'inscription, visé à l'article 110/12, comme étant différés. Une inscription différée n'est pas égale à une inscription non réalisée [2 ...]2.
   Si les deux contingents sont comblés avant même que les périodes prioritaires ne soient clôturées, l'inscription de tous les élèves repris dans le registre d'inscription visé à l'article 110/12 comme étant différés est refusée et l'inscription différée est modifiée dans le registre d'inscription en une inscription non réalisée. Les parents des élèves ne pouvant pas être inscrits de cette manière, ainsi que tous les élèves suivants, reçoivent une confirmation écrite de ce refus, conformément à l'article 110/13, § 1er.
   Si, au moment où une période prioritaire est clôturée, l'autre contingent n'est pas encore comblé, les places libres sont comblées par des élèves repris comme étant différés dans le registre d'inscription visé à l'article 110/12, si les parents le souhaitent encore et tout en respectant la chronologie reprise dans le registre d'inscription. Les élèves ne pouvant pas être inscrits de cette manière sont refusés et leurs parents reçoivent une confirmation écrite de ce refus, conformément à l'article 110/13, § 1er.
   Avant le début des inscriptions, la LOP conclut des arrangements sur :
   1° le calcul de la présence relative à l'intérieur de la zone d'action ou de secteurs de celle-ci, à savoir la proportion en pour cent entre le nombre d'élèves qui satisfait à un ou plusieurs indicateurs tels que visés au paragraphe 3, et le nombre total d'élèves de toutes les écoles de la zone d'action ou de secteurs de celle-ci, et ce éventuellement jusqu'aux niveaux [2 pour lesquels une capacité a été fixée]2;
   2° le calcul de la présence relative dans les implantations et écoles, à savoir la proportion en pour cent entre le nombre d'élèves qui satisfait à un ou plusieurs des indicateurs visés au paragraphe 3, et le nombre total d'élèves dans les implantations et écoles, et ce éventuellement jusqu'aux niveaux [2 pour lesquels une capacité a été fixée]2;
   3° les niveaux cités à l'article 110/9, § 1er, de l'école auxquels les contingents seront fixés et sur les différences éventuellement faites entre les différents secteurs;
   4° la façon dont le contingents seront déterminés;
   5° la façon dont d'autres acteurs seront associés au recrutement, à l'orientation et à l'appui des parents d'une part et dont l'appui aux écoles sera donné d'autre part.
   Pour les écoles situées en dehors de la zone d'action d'une LOP :
   1° La présence relative dans l'école ou l'implantation est la proportion en pour cent entre le nombre d'élèves qui satisfait à un ou plusieurs indicateurs visés au paragraphe 3, et le nombre d'élèves dans une école ou implantation;
   2° la présence relative dans la commune est la proportion en pour cent entre le nombre d'élèves qui satisfait à un ou plusieurs indicateurs tels que visés au paragraphe 3, et le nombre total d'élèves de toutes les écoles dans la commune.
   Si une autorité scolaire le demande, l''Agentschap voor Onderwijsdiensten' mettra à la disposition de celle-ci des données de chacun de ses élèves quant à la satisfaction ou non d'un ou de plusieurs indicateurs tels que visés au paragraphe 3. L''Agentschap voor Onderwijsdiensten' mettra en outre, le cas échéant, des données à la disposition de la LOP quant à la satisfaction ou non d'un ou de plusieurs indicateurs tels que visés au paragraphe 3, des élèves des écoles situées dans la zone d'action de la LOP. Ces données sont issues du comptage le plus récent annuellement organisé de manière centralisée.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa premier, une autorité scolaire peut fixer pour une ou plusieurs de ses écoles d'enseignement spécial situées dans la zone d'action d'une LOP deux contingents qui sont avancés pour l'inscription simultanée d'élèves qui soit satisfont à un ou plusieurs indicateurs visés au paragraphe 3, soit n'y satisfont pas.
   § 3. [2 Les indicateurs sur la base desquels priorité est accordée, sont les suivants :
   1° [3 la famille telle que visée à l'article 3, § 1er, 17°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, a perçu au moins une allocation de participation sélective d'élève dans l'année scolaire précédant l'année scolaire à laquelle se rapporte l'inscription de l'élève, ou dans l'année scolaire qui y précède, ou la famille a un revenu limité.
  [4 ...]4;]3

   2° la mère n'est pas titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire, d'un certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire ou d'un titre équivalent.]2

   § 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer la façon dont il faut prouver de satisfaire aux indicateurs énumérés au paragraphe 3, et peut fixer une procédure à cet effet.
   [3 ...]3]1

  
Afdeling 3. [1 - Weigeren]1
Section 3. [1 - Refus]1
Art. 110/8. [1 § 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de bij decreet of besluit bepaalde toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden weigeren.
   [2 Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar of in het lopende schooljaar vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende bij de effectieve start van de lesbijwoning aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voldoet.
   Indien een beslissing van de toelatingsklassenraad vereist is, vindt de inschrijving plaats onder ontbindende voorwaarde en wordt de inschrijving ontbonden indien de toelatingsklassenraad beslist dat de onderwijszoekende niet aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden in kwestie voldoet. De inschrijving wordt ontbonden op het moment dat de leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na kennisgeving van de beslissing. De inschrijving wordt evenwel niet ontbonden wanneer het schoolbestuur geen gebruik wenst te maken van deze weigeringsgrond.]2

   § 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.]1

  
Art. 110/8. [1 § 1er. Une autorité scolaire peut refuser l'inscription d'un demandeur d'enseignement qui ne remplit pas les conditions d'admission, de passage ou d'entrée.
   [2 Une inscription dans le courant de l'année scolaire précédente ou dans l'année scolaire en cours a lieu à la condition suspensive que le demandeur d'enseignement remplisse les conditions respectives d'admission, de passage ou d'entrée au début effectif de la fréquentation des cours.
   Si une décision du conseil de classe d'admission est requise, l'inscription a lieu sous condition résolutoire et l'inscription est annulée si le conseil de classe d'admission décide que le demandeur d'enseignement ne remplit pas les conditions d'admission, de passage ou entrée dans l'établissement d'application. L'inscription est annulée au moment où l'élève est inscrit dans une autre école et au plus tard un mois, hors période de vacances, après la notification de la décision. L'inscription n'est toutefois pas annulée si l'autorité scolaire ne souhaite pas faire usage de ce motif de refus.]2

   § 2. Une autorité scolaire refuse l'inscription d'un élève qui change d'école dans le courant de la même année scolaire, si cette inscription a pour but ou pour conséquence, que l'élève en question fréquentera alternativement différentes écoles pendant cette année scolaire-là.]1

  
Art. 110/9. [1 § 1. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen of vestigingsplaatsen met een eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs een capaciteit bepalen op volgend niveau:
   a) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
   b) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
   c) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school;
   d) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school.
   Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het schoolbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, moet een school- of centrumbestuur voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
   a) hetzij per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
   b) hetzij per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   c) hetzij per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
   d) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.
   Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.
   § 3. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de scholen met type 5, een capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
   a) hetzij per school;
   b) hetzij per vestigingsplaats;
   c) hetzij per opleidingsvorm;
   d) hetzij per type;
   e) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, al dan niet per vestigingsplaats;
   f) hetzij per pedagogische eenheid, zoals bepaald in artikel 257.
   Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.
   § 4. Een school- of centrumbestuur kan na de start van de inschrijvingen steeds een capaciteit verhogen, op voorwaarde van:
   a) goedkeuring door het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
   b) mededeling aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.
   § 5. Een school- of centrumbestuur deelt aan alle belanghebbenden en, indien gelegen in het werkingsgebied van een LOP, aan dat LOP zijn vastgelegde capaciteiten mee.
   Een school- of centrumbestuur bepaalt en communiceert daarenboven ten minste op volgende momenten het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, indien van toepassing per contingent:
   a) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/3;
   b) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/5;
   c) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/6;
   d) na de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/7.
   § 6. Een schoolbestuur kan, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
   1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die:
   a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
   b)[5 hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;]5;
   c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
   2° [3 ...]3
   3° voor de toelating van leerlingen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in paragraaf 1 of 2, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit.
  [4 4° voor de toelating van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs, die beschikken over een verslag als bedoeld in artikel 294.]4
  [3 § 6bis. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving :
   1° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die met toepassing van artikel 294 of 352, in een school voor gewoon secundair onderwijs ingeschreven waren;
   2° voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.]3

   § 7. Een school- of centrumbestuur, dat niet valt onder de toepassing van paragraaf 2, kan steeds voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volzet verklaren op een of meer van volgende niveaus:
   a) per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
   b) per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   c) per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
   d) per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.
   Onder volzet verklaren, wordt verstaan dat een school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving weigert, behoudens de gevallen vermeld in paragraaf 6, wanneer ze het vooropgestelde maximaal aantal leerlingen heeft ingeschreven.
   Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring of de eventuele opheffing ervan aan:
   a) het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
   b) aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.
   § 8. Een schoolbestuur kan ook na volzetverklaring, vermeld in paragraaf 7, toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
   1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die:
   a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
   b) [5 hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;]5;
   c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
   2° [3 ...]3
   3° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring.]1

  [3 § 8bis. Een schoolbestuur moet ook na volzetverklaring als vermeld in paragraaf 7, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.]3
  [2 § 9. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit of volzetverklaring als vermeld in dit artikel.]2
  
Art. 110/9. [1 § 1er. Une autorité scolaire doit, préalablement à une période d'inscription telle que visée à l'article 110/1, § 2, fixer pour toutes ses écoles ou implantations organisant une première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, une capacité au niveau suivant :
   a) soit la première année d'études A séparément et la première année d'études B séparément et pour toutes les implantations de l'école ensemble ;
   b) soit la première année d'études A et la première année d'études B ensemble et pour toutes les implantations de l'école ensemble ;
   c) soit la première année d'études A séparément et la première année d'études B séparément et chaque implantation de l'école séparément ;
   d) soit la première année d'études A et la première année d'études B ensemble et par implantation séparée de l'école.
   Par capacité il faut entendre le nombre maximum d'élèves que l'autorité scolaire entend inscrire, ce qui fait qu'en cas de dépassement de cette capacité, toute inscription supplémentaire est refusée, sauf dans les cas mentionnés au paragraphe 6.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, une autorité scolaire ou autorité d'un centre doit, préalablement à une période d'inscription telle que visée à l'article 110/1, § 2, fixer pour toutes ses écoles, tous ses centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises situés dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, la capacité à un ou plusieurs des niveaux suivants :
   a) soit par école, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
   b) soit par centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
   c) soit par implantation, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
   d) soit par subdivision structurelle ou combinaison de subdivisions structurelles, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, par implantation ou non.
   Par capacité il faut entendre le nombre maximum d'élèves que l'autorité scolaire ou l'autorité d'un centre entend inscrire, ce qui fait qu'en cas de dépassement de cette capacité, toute inscription supplémentaire est refusée, sauf dans les cas mentionnés au paragraphe 6.
   § 3. Une autorité scolaire doit, préalablement à une période d'inscription telle que visée à l'article 110/1, § 2, fixer pour toutes ses écoles d'enseignement secondaire spécial, à l'exception des écoles de type 5, une capacité à un ou plusieurs des niveaux suivants :
   a) soit par école ;
   b) soit par implantation ;
   c) soit par forme d'enseignement ;
   d) soit par type ;
   e) soit par subdivision structurelle ou combinaison de subdivisions structurelles, par implantation ou non ;
   f) soit par unité pédagogique, telle que visée à l'article 257.
   Par capacité il faut entendre le nombre maximum d'élèves que l'autorité scolaire ou l'autorité d'un centre entend inscrire, ce qui fait qu'en cas de dépassement de cette capacité, toute inscription supplémentaire est refusée, sauf dans les cas mentionnés au paragraphe 6.
   § 4. Après le démarrage des inscriptions, une autorité scolaire ou autorité d'un centre peut toujours augmenter une capacité, moyennant :
   a) approbation par la LOP dans le cas où l'école ou le centre se situe dans une commune appartenant à la zone d'action d'une LOP ;
   b) communication aux autorités scolaires des autres écoles et aux autorités du centre des autres centres situés dans la commune si l'école ou le centre se situent en dehors de la zone d'action d'une LOP.
   § 5. Une autorité scolaire ou direction d'un centre communique à tous les intéressés et, si l'école ou le centre sont situés dans la zone d'action d'une LOP, à cette LOP, les capacités fixées.
   Une autorité scolaire ou direction d'un centre détermine et communique en outre, au moins aux moments suivants, le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription, le cas échéant par contingent :
   a) avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 110/3 ;
   b) avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 110/5 ;
   c) avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 110/6 ;
   d) après la période prioritaire visée à l'article 110/7.
   § 6. Même en cas de dépassement d'une capacité fixée, une autorité scolaire peut procéder à une inscription dans les situations suivantes :
   1° pour l'admission d'élèves dans l'enseignement secondaire qui :
   a) soit sont placés par le tribunal de la jeunesse ou par les comités d'assistance spéciale à la jeunesse ;
   b) [5 soit résident, en tant que semi-internes, dans un semi-internat attaché à une école, soit résident, en tant qu'internes, dans un internat de l'enseignement;]5 ;
   c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
   2° [3 ...]3;
   3° pour l'admission en première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et dans l'enseignement secondaire spécial, d'élèves appartenant à la même entité de vie, si les parents souhaitent inscrire ces élèves dans le même niveau, visé au paragraphe 1er ou 2, suivant le cas, et si un des élèves seulement peut être inscrit en raison de la capacité.
  [4 4° pour l'admission d'élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire, qui disposent d'un rapport tel que visé à l'article 294.]4
  [3 § 6bis. Même en cas de dépassement d'une capacité fixée, une autorité scolaire doit toutefois inscrire des élèves dans les situations suivantes :
   1° pour le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire spécial qui, pendant l'année scolaire en cours ou les deux années scolaires précédentes, étaient inscrits dans l'école et qui, par application de l'article 294 ou 352, étaient inscrits dans une école d'enseignement secondaire ordinaire ;
   2° pour le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire qui, pendant l'année scolaire en cours ou les deux années scolaires précédentes, étaient inscrits dans l'école et qui étaient inscrits dans une école d'enseignement secondaire spécial pendant cette période.]3

   § 7. Une autorité scolaire ou direction d'un centre ne relevant pas de l'application du paragraphe 2, peut toujours faire une déclaration d'occupation complète pour ses écoles, centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, à un ou plusieurs niveaux :
   a) par école, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
   b) par centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
   c) par implantation, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
   d) par subdivision structurelle ou combinaison de subdivisions structurelles, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, par implantation ou non.
   Par déclaration d'occupation complète il faut entendre, qu'une autorité scolaire ou direction d'un centre refuse toute inscription supplémentaire, sauf dans les cas cités au paragraphe 6, lorsqu'elle a inscrit le nombre maximum d'élèves qu'elle s'était proposé.
   L'autorité scolaire ou la direction d'un centre communique la déclaration d'occupation complète ou l'abrogation éventuelle de celle-ci :
   a) à la LOP dans le cas où l'école ou le centre se situe dans une commune appartenant à la zone d'action d'une LOP ;
   b) aux autorités scolaires des autres écoles et aux directions des autres centres situés dans la commune si l'école ou le centre se situent en dehors de la zone d'action d'une LOP.
   § 8. Même en cas d'une déclaration d'occupation complète, telle que visée au paragraphe 7, une autorité scolaire peut quand même procéder à une inscription dans les situations suivantes :
   1° pour l'admission d'élèves dans l'enseignement secondaire qui :
   a) soit sont placés par le tribunal de la jeunesse ou par les comités d'assistance spéciale à la jeunesse ;
   b) [5 soit résident, en tant que semi-internes, dans un semi-internat attaché à une école, soit résident, en tant qu'internes, dans un internat de l'enseignement;]5;
   c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
   2° [3 ...]3;
   3° pour l'admission d'élèves appartenant à la même entité de vie, si les parents souhaitent inscrire ces élèves dans la même subdivision structurelle, suivant le cas, et si un des élèves seulement peut être inscrit en raison de la déclaration d'occupation complète.]1

  [3 § 8bis. Toutefois, même après la déclaration d'occupation complète telle que visée au paragraphe 7, une autorité scolaire doit procéder à une inscription pour permettre le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire qui, pendant l'année scolaire en cours ou les deux années scolaires précédentes, étaient inscrits dans l'école et qui étaient inscrits dans une école d'enseignement secondaire spécial pendant cette période.]3
  [2 § 9. Pendant l'année scolaire de l'octroi à l'école du capital minimum, la capacité ou la déclaration d'occupation complète telles que visées au présent article ne peuvent être invoquées comme raison pour refuser l'inscription d'un élève dans une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant à un degré ou une forme d'enseignement faisant l'objet de l'octroi du capital minimum.]2
  
Art. 110/10. [1 § 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school doorloopt op basis van artikel 110/1, § 4.
   § 2. Een schoolbestuur van een school voor gewoon secundair onderwijs waarvan de draagkracht onder druk staat, kan slechts na overleg en goedkeuring binnen het LOP de inschrijving in de loop van het schooljaar weigeren van een leerling die elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Deze weigering moet gebaseerd zijn op en conform zijn aan vooraf door het LOP bepaalde criteria.
   Voor het bepalen van deze criteria wordt ten minste rekening gehouden met de volgende elementen :
   1° enkel voor het voltijds gewoon secundair onderwijs : het aantal leerlingen dat voldoet aan de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3;
   2° het aantal leerlingen met een begeleidingsdossier in het kader van problematische afwezigheden;
   3° het aantal eerder in de loop van het schooljaar ingeschreven leerlingen die in hetzelfde schooljaar elders werden uitgesloten.]1

  
Art. 110/10. [1 § 1er. Une autorité scolaire peut refuser l'inscription dans une école où l'élève concerné fut définitivement exclu l'année scolaire en cours, l'année scolaire précédente ou l'année scolaire précédant celle-là, suite à une exclusion définitive à titre de mesure disciplinaire. Un tel refus d'inscription est également possible dans une école qui se sert de l'inscription continuelle d'une école à une autre sur la base de l'article 110/1, § 4.
   § 2. Une autorité d'une école d'enseignement secondaire ordinaire dont les capacités se trouvent sous pression ne peut refuser l'inscription dans le courant de l'année scolaire d'un élève ayant été désinscrit ailleurs à cause d'une exclusion définitive à titre de mesure disciplinaire, qu'après concertation avec et approbation par la LOP. Ce refus doit reposer sur des critères préalablement fixés par la LOP et y être conforme.
   Pour la détermination de ces critères, il est au moins tenu compte des éléments suivants :
   1° uniquement pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire : le nombre d'élèves qui satisfait aux indicateurs visés à l'article 110/7, § 3;
   2° le nombre d'élèves avec un dossier d'accompagnement dans le cadre des absences problématiques;
   3° le nombre d'élèves inscrits précédemment au cours de l'année scolaire qui ont été exclus ailleurs au cours de la même année scolaire.]1

  
Art. 110/11. [1 § 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 110/1, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.
   § 2. [2 Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, [4 binnen een redelijke termijn na de inschrijving]4 over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum.]2 [3 Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.]3
  [4 Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn.]4 [6 Als de termijn van zestig kalenderdagen is verstreken zonder dat de school een beslissing heeft genomen, is de leerling definitief ingeschreven. Als de school pas nadat de inschrijving al is gerealiseerd kennisneemt van een verslag als vermeld in het eerste lid, start de voormelde termijn van zestig kalenderdagen de dag van die kennisneming.]6
   [6 Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden ofwel op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit, ofwel met het oog op een daaropvolgend schooljaar. Een school die beslist om te ontbinden met het oog op een daaropvolgend schooljaar beslist eveneens over de termijn waarop ze zullen ontbinden en deelt deze beslissing ook mee aan de betrokken personen.]6
   Wanneer de school de aanpassingen wel proportioneel acht, komen deze l[5 ...]5
   § 3. [3 Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 294, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.]3]1

  [3 § 4. In afwijking op paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.]3
  [5 § 5. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd in het kader van het geïntegreerd onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs, geldt een onverkort recht op inschrijving.
   Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd met het oog op de toegang tot of de inschrijving in het buitengewoon onderwijs, of met het oog op een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs of die overgaan van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, geldt een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.]5

  
Art. 110/11. [1 § 1er. Le droit à l'inscription visé à l'article 110/1, § 1er, s'applique intégralement aux élèves qui peuvent suivre le programme d'études commun par application de mesures appropriées telles que des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires, qui sont proportionnelles. Les élèves pour lesquels ces aménagements sont apportés continuent à entrer en considération pour la validation d'études ordinaire accordée par le conseil de classe.
   § 2. [2 Les élèves qui disposent d'un rapport tel que visé à l'article 294, sont inscrits par une école d'enseignement ordinaire à condition résolutoire. Ce rapport fait partie des informations que les parents donnent à l'école lors de leur demande d'inscription. La mise à disposition du rapport par les parents va de pair avec l'engagement de l'école à organiser une concertation avec les parents, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves [4 dans un délai raisonnable après l'inscription]4 au sujet des aménagements nécessaires pour que l'élève puisse suivre le programme d'études commun ou pour assurer la progression de ses études sur la base d'un programme adapté individuellement.]2 [3 Même si ce n'est qu'après la réalisation de l'inscription que l'école prend connaissance d'un rapport, daté au plus tard le jour d'entrée de l'élève à l'école concernée, l'inscription de l'élève est convertie en une inscription sous condition résolutoire.]3
  [4 Sur la base d'une concertation avec les parents, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves visée à l'alinéa 1er, l'école décide dans un délai raisonnable après l'inscription et au plus tard 60 jours calendaires dès le début de la fréquentation scolaire effective si les aménagements en réponse aux besoins de l'élève sont proportionnels ou disproportionnels.]4 [6 Si le délai de soixante jours calendrier est écoulé sans que l'école n'ait pris de décision, l'élève est définitivement inscrit. Si l'école ne prend connaissance d'un rapport tel que visé à l'alinéa 1er qu'une fois l'inscription réalisée, le délai précité de soixante jours calendrier commence à courir le jour de cette prise de connaissance.]6
   [6 Si, à l'issue de la concertation, l'école considère que les aménagements nécessaires pour inclure l'élève dans un programme d'études commun sont proportionnés, le centre d'encadrement des élèves annule le rapport ou établit un rapport motivé. Si, à l'issue de la concertation, l'école considère que les aménagements nécessaires pour inclure l'élève dans un programme d'études commun ou lui permettre de progresser dans son parcours scolaire sur la base d'un programme adapté individuellement sont disproportionnés, l'inscription est résiliée soit au moment où cet élève est inscrit dans une autre école et au plus tard un mois, périodes de vacances non comprises, après la notification de la confirmation de la disproportionnalité, soit en vue d'une année scolaire suivante. L'école qui décide de résilier en vue d'une année scolaire suivante décide également du délai dans lequel elle procédera à la résiliation et communique également cette décision aux personnes concernées.]6
   [5 ...]5
   § 3. [3 Lorsqu'au cours du parcours scolaire le besoin d'aménagements change pour un élève et lorsque les besoins éducatifs constatés sont tels, qu'un rapport ou bien une modification d'un rapport tel que visé à l'article 294, devient nécessaire pour l'élève, l'école organisera une concertation avec le conseil de classe, les parents et le CLB ; elle décidera sur la base de cette concertation et après production du rapport ou du rapport modifié si, à la demande des parents, la progression des études de l'élève se fera en suivant un programme adapté individuellement ou si l'inscription de l'élève sera dissolue à partir de l'année scolaire successive.]3]1

  [3 § 4. Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, la progression des études sur la base d'un programme adapté individuellement n'est pas possible pendant l'apprentissage.]3
  [5 § 5. Le droit des élèves en possession d'un rapport d'inscription pour l'enseignement spécial établi dans le cadre de l'enseignement intégré, qui changent d'école au sein de l'enseignement secondaire ordinaire, est maintenu dans son intégralité.
   Les élèves en possession d'un rapport d'inscription pour l'enseignement spécial établi en vue de l'accès ou de l'inscription à l'enseignement spécial, ou en vue d'un programme adapté individuellement dans l'enseignement ordinaire, qui changent d'école au sein de l'enseignement secondaire ordinaire ou qui passent de l'enseignement spécial à l'enseignement ordinaire, sont inscrits sous condition résolutoire.]5

  
Afdeling 4. [1 - Procedure]1
Section 4. [1 - Procédure]1
Art. 110/12. [1 § 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde capaciteit, [2 of niveau waarop volzet verklaard wordt]2 een inschrijvingsregister waarin het alle gerealiseerde, uitgestelde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, noteert, in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen inschrijvingsregister gehanteerd moet worden.
  [2 Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, met behoud van het eerste lid, eveneens de inschrijving in toepassing van artikel 110/5. Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert voor de niet-gerealiseerde inschrijvingen, met behoud van het eerste lid, eveneens het behoren tot de leerlingen, gevat door artikel 110/5.]2
   § 2. Met uitzondering van [2 de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6]2, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door [2 verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 110/9, § 4]2, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, in voorkomend geval voor de leerlingen wiens inschrijving tijdens de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/2, § 1, niet gerealiseerd kon worden, per contingent, gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.
   [2 Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6, wordt voor inschrijvingen door het opheffen van de volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9, § 7, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.]2
  [2 Vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, wordt in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bij inschrijvingen voor vrijgekomen plaatsen van leerlingen, ingeschreven in toepassing van artikel 110/5, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, desgevallend per contingent, in toepassing van paragraaf 1, tweede lid, gerespecteerd, met behoud van artikel 110/3 en 110/4.]2
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister. [2 ...]2
   § 4. Het verloop van gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen kan onderworpen worden aan een controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1

  
Art. 110/12. [1 § 1er. Une autorité scolaire utilise pour chaque capacité fixée conformément à l'article 110/9 [2 ou pour chaque niveau pour lequel est faite une déclaration d'occupation complète " sont insérés entre les mots " pour chaque capacité fixée conformément à l'article 110/9]2 , un registre d'inscription, où sont notées, dans l'ordre chronologique, le cas échéant par contingent, toutes les inscriptions réalisées, différées et non réalisées, étant entendu qu'il n'est pas nécessaire d'utiliser un registre d'inscription pour une capacité fixée par l'autorité scolaire qui se compose exactement d'autres capacités ayant été fixées par l'autorité scolaire.
  [2 A partir des inscriptions pour l'année scolaire 2015-2016, une école située dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, note, sans préjudice de l'alinéa premier, également l'inscription en application de l'article 110/5. Une école située dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale note, pour les inscriptions non réalisées, sans préjudice de l'alinéa premier, également l'appartenance aux élèves saisis par l'article 110/5.]2
   § 2. A l'exception [2 des inscriptions visées à l'article 110/9, § 6]2, pour ce qui concerne les inscriptions suite à des places libérées ou à [2 la capacité augmentée telle que visée à l'article 110/9, § 4]2, l'ordre des inscriptions non réalisées, le cas échéant, pour les élèves dont l'inscription n'a pas pu être réalisée pendant les périodes prioritaires visées à l'article 110/2, § 1er, par contingent, est respecté et ce jusqu'au cinquième jour de classe inclus du mois d'octobre de l'année scolaire sur laquelle portait l'inscription.
   [2 A l'exception des inscriptions visées à l'article 110/9, § 6, pour ce qui concerne les inscriptions suite à l'abrogation de la déclaration d'occupation complète telle que citée à l'article 110/9, § 7, l'ordre des inscriptions non réalisées est respecté et ce jusqu'au cinquième jour de classe inclus du mois d'octobre de l'année scolaire sur laquelle portait l'inscription.]2
  [2 A partir des inscriptions pour l'année scolaire 2015-2016 dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, l'ordre des inscriptions non réalisées, le cas échéant par contingent, est respecté, par application du paragraphe 1er, deuxième alinéa, sans préjudice des articles 110/3 et 110/4, pour ce qui est des inscriptions pour des places libérées d'élèves inscrits par application de l'article 110/5.]2
   § 3. Le Gouvernement flamand fixe le modèle de registre d'inscription. [2 ...]2
   § 4. Le déroulement d'inscriptions réalisées et non réalisées peut être soumis à un contrôle par l''Agentschap voor Onderwijsdiensten'.]1

  
Art. 110/13. [1 § 1. Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt zijn beslissing binnen een termijn van vier kalenderdagen bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs mee aan de ouders van de leerling en volgens afspraak aan de voorzitter van het LOP. Indien de school of vestigingsplaats gelegen is buiten het werkingsgebied van een LOP, meldt het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model waarmee het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving meedeelt aan de ouders en in voorkomend geval het LOP of het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
   Het model, vermeld in het eerste lid, bevat zowel de feitelijke als de juridische grond van de beslissing tot weigering en bevat de melding dat de ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op een LOP of klacht kunnen indienen bij de CLR en de wijze waarop men met één van beide in contact kan treden.
   Indien de weigering gebeurde op basis van artikel 110/9 of 110/24, deelt het schoolbestuur mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen opgenomen in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, § 1, de betrokken leerling staat. [2 In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad deelt het schoolbestuur eveneens mee welke plaats onder de geweigerde leerlingen, vermeld in artikel 110/5, de betrokken leerling inneemt.]2
   § 3. De ouders krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.]1

  
Art. 110/13. [1 § 1er. Une autorité scolaire qui refuse un élève, en informe les parents de l'élève intéressé par lettre recommandée ou remise contre récépissé dans un délai de quatre jours calendrier, ainsi que le président de la LOP selon ce qui a été convenu. Si l'école ou l'implantation est située en dehors de la zone d'action d'une LOP, l'autorité scolaire communique l'inscription non réalisée à l' 'Agentschap voor Onderwijsdiensten'.
   § 2. Le Gouvernement flamand détermine le modèle au moyen duquel l'autorité scolaire communique l'inscription non réalisée aux parents et le cas échéant à la LOP ou à l' 'Agentschap voor Onderwijsdiensten'.
   Le modèle, cité à l'alinéa premier, comprend tant la cause de fait que la cause juridique de la décision de refuser l'élève et comprend la mention, que les parents ont la possibilité de faire appel à une LOP pour information ou médiation, ou de déposer plainte auprès de la CLR, ainsi que la manière dont il peut être entré en contact avec l'une de ces instances.
   Si le refus a eu lieu en vertu de l'article 110/9 ou 110/24, l'autorité scolaire communique la place qu'occupe l'élève concerné parmi les élèves refusés repris dans le registre d'inscription, visé à l'article 110/12, § 1er. [2 Dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, l'autorité scolaire communique également la place qu'occupe l'élève concerné parmi les élèves refusés, visés à l'article 110/5.]2
   § 3. A la demande des parents, l'autorité scolaire élucide sa décision.]1

  
Art. 110/14. [1 § 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen naar aanleiding van een nietgerealiseerde inschrijving een schriftelijke klacht indienen bij de CLR. Klachten die na de termijn van dertig kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.
   § 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de niet-gerealiseerde inschrijving.
   Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.
   § 3. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.
   Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van [2 artikel 110/11]2 schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 2, tweede lid. Op vraag van de ouders worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB die deel uitmaken van het LOP.
   § 4. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.
   § 5. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]1

  
Art. 110/14. [1 § 1er. Les parents et autres personnes concernées peuvent, à l'occasion d'une inscription non réalisée, déposer une plainte auprès de la CLR. Des plaintes introduites après expiration du délai de trente jours calendrier du constat des différends ne sont pas recevables.
   § 2. La CLR statue dans un délai de vingt et un jours calendrier commençant le lendemain de la signification ou de la date de poste de la plainte écrite, sur le bien-fondé de l'inscription non réalisée.
   Le jugement de la CLR est notifié par lettre recommandée aux personnes intéressées et au président de la LOP dans un délai de sept jours calendrier.
   § 3. Si la CLR statue que l'inscription non réalisée est fondée, les parents font inscrire l'élève dans une autre école.
   S'il s'agit d'une inscription non réalisée en vertu de [2 l'article 110/11]2 les parents font inscrire l'élève dans une autre école, dans un délai de quinze jours calendrier de la notification écrite du jugement de la CLR, visée au paragraphe 2, alinéa 2. A la demande des parents, ils sont appuyés par la LOP lors de la recherche d'une autre école, notamment par les CLB faisant partie de la LOP.
   § 4. Si la CLR estime que l'inscription non réalisée n'est pas ou insuffisamment motivée, l'élève peut faire valoir son droit à l'inscription dans l'école.
   § 5. Pour l'application des délais stipulés au présent article, les samedis, dimanches, jours fériés légaux et réglementaires et les périodes de vacances fixées conformément à l'article 12 par le Gouvernement flamand, ne sont pas pris en compte.]1

  
Art. 110/15. [1 § 1. In geval van een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/10 [3 ...]3, start het LOP een bemiddeling om een oplossing voor de geweigerde leerling te zoeken. Het LOP organiseert daartoe een bemiddelingscel, waarvan het de samenstelling en de werkingsprincipes bepaalt. Bij een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van andere bepalingen dan deze van artikel 110/10 [2 , § 2,]2 [3 ...]3 start het LOP een bemiddeling wanneer de ouders er uitdrukkelijk om verzoeken.
   § 2. Het LOP bemiddelt binnen een termijn van tien kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening of afgifte, vermeld in artikel 110/13, § 1, tussen de leerling en zijn ouders en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. De bemiddeling schort de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in artikel 110/14, § 1, op.
   § 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing. De CLR formuleert dit oordeel binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen die ingaat de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2.
   Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.
   § 4. Indien de CLR de weigeringsbeslissing gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in. Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/10 schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 3, tweede lid. De ouders kunnen bij het zoeken naar een andere school bijgestaan worden door het LOP, inzonderheid door de centra voor leerlingenbegeleiding die deel uitmaken van dat LOP.
   § 5. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.
   § 6. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]1

  
Art. 110/15. [1 § 1er. En cas d'une inscription non réalisée sur la base de l'article 110/10, la LOP entame une médiation pour trouver une solution pour l'élève refusé. La LOP organise à cet effet une cellule de médiation, dont elle fixe la composition et les principes de fonctionnement. En cas d'une inscription non réalisée sur la base de dispositions autres que celles de l'article 110/10 [2 § 2,]2 [3 ...]3, la LOP entame une médiation, si les parents le demandent explicitement.
   § 2. La LOP se pose en médiateur dans un délai de dix jours calendrier, commençant le lendemain de la date de la signification ou du dépôt visée à l'article 110/13, entre l'élève et ses parents et les autorités scolaires des écoles dans la zone d'action, en vue d'une inscription définitive de l'élève dans une école. La médiation suspend le délai de trente jours calendrier visé à l'article 110/14, § 1er.
   § 3. Si la médiation de la LOP ne résulte pas en une inscription définitive dans le délai visé au paragraphe 2er, la CLR est saisie de manière à ce que celle-ci puisse se prononcer sur le bien-fondé de la décision de refus. La CLR formule ce jugement dans un délai de vingt et un jours calendrier, commençant le lendemain de l'expiration du délai visé au paragraphe 2.
   Le jugement de la CLR est notifié par lettre recommandée aux personnes intéressées et au président de la LOP dans un délai de sept jours calendrier.
   § 4. Si la CLR statue que la décision de refus est fondée, les parents font inscrire l'élève dans une autre école. S'il s'agit d'une inscription non réalisée en vertu de l'article 110/10, les parents font inscrire l'élève dans une autre école, dans un délai de quinze jours calendrier de la notification écrite du jugement de la CLR, visée au paragraphe 3, alinéa 2. Les parents peuvent se faire assister par la LOP lors de la recherche d'une autre école, notamment par les centres d'encadrement des élèves faisant partie de la LOP.
   § 5. Si la CLR estime que l'inscription non réalisée n'est pas ou insuffisamment motivée, l'élève peut faire valoir son droit à l'inscription dans l'école.
   § 6. Pour l'application des délais stipulés au présent article, les samedis, dimanches, jours fériés légaux et réglementaires et les périodes de vacances fixées conformément à l'article 12 par le Gouvernement flamand, ne sont pas pris en compte.]1

  
Art. 110/16. [1 § 1. De CLR kan in een situatie als vermeld in artikel 110/15, § 5, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.
   De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.
   § 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.
   Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.
   § 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2;
   1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;
   2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.]1

  [2 § 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijke- kansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.]2
  
Art. 110/16. [1 § 1er. Dans une situation telle que définie à l'article 110/15, § 5, la CLR peut conseiller le Gouvernement flamand de répéter ou de retenir un montant sur les moyens de fonctionnement accordés à l'école pour l'année scolaire à laquelle se rapportait l'inscription.
   La CLR informe sans délai le Gouvernement flamand sur cet avis.
   § 2. Dans un délai de quatorze jours calendrier, commençant le lendemain de réception de l'avis, le Gouvernement flamand décide sur l'imposition d'une sanction financière, pouvant consister en une répétition ou retenue sur les moyens de fonctionnement de l'école.
   Préalablement à l'imposition d'une sanction, le Gouvernement flamand vérifie si l'élève intéressé s'est encore inscrit dans l'école.
   § 3. La répétition ou retenue telle que visée aux paragraphes 1er et 2 :
   1° ne peut excéder dix pour cent du budget de fonctionnement de l'école;
   2° ne peut avoir comme effet que la proportion des moyens de fonctionnement à mettre au profit des personnels baisse, en chiffres absolus, au dessous du niveau qu'elle atteindrait si la mesure n'avait pas été prise.]1

  [2 § 4. Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er à 3, la CLR peut saisir l'organisme ayant le mandat de mécanisme indépendant en application de l'article 33, § 2, de la convention du 13 décembre 2006 relative aux Droits des Personnes handicapées et en application de l'article 40 du décret du 10 juillet 2008 portant le cadre de la politique flamande de l'égalité des chances et de traitement, du dossier.]2
  
Art. 110/17. [1 Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 110/15, duidt de Vlaamse Regering per provincie een LOP-deskundige [2 ...]2 aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.]1
  
Art. 110/17. [1 En vue d'assurer la médiation visée à l'article 110/15, le Gouvernement flamand désigne, par province, un expert d'une LOP [2 ...]2, qui se chargent des tâches d'une LOP pour les communes situées en dehors de la zone d'action.]1
  
Art. 110/18. [1 Voor de toepassing van artikel 110/14 tot en met artikel 110/17 bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedureregelen. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.]1
  
Art. 110/18. [1 Pour l'application des articles 110/14 à 110/17 decies inclus, le Gouvernement flamand fixe les modalités de procédure tout en garantissant l'obligation d'audition.]1
  
HOOFDSTUK 1/2. [1 - Aanmeldingsprocedures voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en voor het buitengewoon secundair onderwijs]1
CHAPITRE 1/2. [1 - Procédures de préinscription pour la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire et pour l'enseignement secondaire spécial]1
Afdeling 1. [1 - Beginselen]1
Section 1re. [1 - Principes]1
Art. 110/19. [1 § 1. Aanmelden is het kenbaar maken van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen waarbij een volgorde van keuze wordt aangegeven.
   § 2. De aanmeldingsperiode kan ten vroegste starten op de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. De aanmeldingsperiode kan bestaan uit meerdere deelperiodes voor de leerlingen, vermeld in artikel 110/3 tot en met artikel 110/7. [2 In voorkomend geval wordt het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, gecommuniceerd overeenkomstig artikel 110/9, § 5.]2 Met respect voor de bepaalde volgorde kunnen twee of meerdere deelperiodes tegelijk plaatsvinden.
   Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren. Indien de aanmeldingsperiode uit meerdere deelperiodes bestaat, mogen de betrokken leerlingen na elke deelperiode, overeenkomstig artikel 110/24, ingeschreven worden.
   In afwijking van het tweede lid, kan een schoolbestuur voorafgaand aan de deelperiodes, vermeld in het eerste lid, leerlingen, vermeld in artikel 110/3, artikel 110/4 of, met uitzondering van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, leerlingen vermeld in artikel 110/6, inschrijven zonder aanmeldingsperiode vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar onder de voorwaarde dat geen enkele van de betrokken leerlingen geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de capaciteit, vermeld in [2 artikel 110/9]2.
   Na de aanmeldingsperiode gebeuren de inschrijvingen, in afwijking van artikel 110/2, § 1, chronologisch.]1

  
Art. 110/19. [1 § 1er. Par 'préinscription' il faut entendre la communication d'une intention d'inscrire un élève pour une année scolaire déterminée dans une ou plusieurs écoles ou implantations, tout en donnant un ordre de choix.
   § 2. La période de préinscription peut démarrer au plus tôt le premier jour de classe après les vacances de Noël de l'année scolaire précédente. La période de préinscription peut comprendre plusieurs périodes partielles pour les élèves mentionnés aux articles 110/3 à 110/7 inclus. [2 Le cas échéant, le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription est communiqué conformément à l'article 110/9, § 5.]2 Tout en respectant l'ordre déterminé, deux ou plusieurs périodes partielles peuvent tomber au même moment.
   Préalablement à et pendant la période de préinscription, aucune inscription ne peut avoir lieu. Si la période de préinscription se compose de plusieurs périodes partielles, les élèves concernés peuvent être inscrits après chaque période partielle, conformément à l'article 110/24.
   Par dérogation à l'alinéa 2, une autorité scolaire peut, préalablement aux périodes partielles visées à l'alinéa premier, inscrire des élèves visés à l'article 110/3, 110/4 ou, à l'exception de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, des élèves visés à l'article 110/6, sans période de préinscription à partir du premier jour de classe après les vacances de Noël de l'année scolaire précédente, à condition qu'aucun des élèves concernés ne soit refusé pour cause de dépassement de la capacité visée à l'[2 110/9]2.
   Après la période de préinscription, les inscriptions se font de manière chronologique, par dérogation à l'article 110/2, § 1er.]1

  
Art. 110/20. [1 Een schoolbestuur kan in één van volgende situaties een aanmeldingsprocedure instellen :
   1° voor het optimaliseren van het inschrijvingsproces;
   2° voor het streven naar een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.
   Een schoolbestuur kan een aanmeldingsprocedure instellen voor één of meerdere niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 110/12, § 1, een inschrijvingsregister hanteert.]1

  
Art. 110/20. [1 Une autorité scolaire peut entamer une procédure de préinscription dans une des situations suivantes :
   1° pour optimiser le processus d'inscription;
   2° pour aspirer à une répartition proportionnelle telle que visée à l'article 110/7.
   Une autorité scolaire peut entamer une procédure de préinscription pour un ou plusieurs niveaux pour lesquels l'autorité scolaire utilise un registre d'inscription conformément à l'article 110/12, § 1er.]1

  
Art. 110/21. [1 § 1. In gemeenten waar een LOP aanwezig is, moet de aanmeldingsprocedure bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd.
   De dubbele meerderheid is bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, [2 vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, 1°, 2° en 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs,]2 en anderzijds meer dan de helft van de participanten, [2 vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, 4° tot en met 11°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs]2.
   § 2. In gemeenten zonder LOP kan een schoolbestuur of kunnen meerdere schoolbesturen samen, na kennisgeving aan de schoolbesturen van de andere scholen actief in die gemeente, een aanmeldingsprocedure instellen.
   In gemeenten buiten maar grenzend aan het werkingsgebied van een LOP, kan een schoolbestuur, mits akkoord van het betrokken LOP, aansluiten bij de door dat LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure als vermeld in paragraaf 1.
   In het geval van aansluiting bij de door het LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, blijven de respectieve ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/22 en 110/23, onverminderd gelden.
   § 3. De Vlaamse Regering kan naar aanleiding van de situatie vermeld in artikel 110/20, 1°, een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen verplichten tot het instellen van een aanmeldingsprocedure voor hun scholen wanneer de vragen tot inschrijving van onderwijszoekenden de door de schoolbesturen, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde capaciteit, benaderen of overschrijden en er als dusdanig een capaciteitsprobleem dreigt of heerst waardoor het recht op inschrijving, vermeld in hoofdstuk 1/1 van dit deel, niet meer kan worden gegarandeerd.
   § 4. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure, en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.]1

  
Art. 110/21. [1 § 1er. Dans les communes où une LOP est constituée, la procédure de préinscription doit être approuvée à double majorité par la LOP.
   La double majorité est atteinte lorsque l'approbation est donnée par, d'une part, plus de la moitié des participants [2 visés à l'article VIII.4/1, § 1er, 1°, 2° et 3° de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement]2, et, d'autre part, plus de la moitié des participants [2 visé à l'article VIII.4/1, § 1er, 4° à 11° de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement]2.
   § 2. Dans les communes sans LOP, une ou plusieurs autorités scolaires peuvent entamer ensemble une procédure de préinscription, après notification aux autorités scolaires des autres écoles actives dans cette commune.
   Dans les communes en dehors de la zone d'action d'une LOP mais la jouxtant, une autorité scolaire peut, moyennant l'accord de la LOP concernée, rejoindre la procédure de préinscription approuvée par la LOP en question, telle que visée au paragraphe 1er.
   Dans le cas où une autorité scolaire rejoint la procédure de préinscription de la région bilingue de Bruxelles-Capitale approuvée par la LOP, les critères de classement respectifs tels que repris aux articles 110/22 et 110/23, restent d'application.
   § 3. Le Gouvernement flamand peut, suite à la situation visée à l'article 110/20, 1°, obliger une ou plusieurs autorités scolaires ensemble à entamer une procédure de préinscription pour leurs écoles, lorsque les demandes de préinscription faites par des demandeurs d'enseignement s'approchent de la capacité fixée conformément à l'article 110/9 ou la dépassent et si, dès lors, un problème de capacité risque de naître ou existe, de sorte que le droit à l'inscription cité dans le chapitre 1/1 de la présente partie, ne peut plus être garanti.
   § 4. Le Gouvernement flamand peut prévoir, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, des moyens à l'appui du lancement d'une procédure de préinscription, et fixe les modalités à cet effet.]1

  
Afdeling 2. [1 - Ordeningscriteria]1
Section 2. [1 - Critères de classement]1
Art. 110/22. [1 § 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode of een deelperiode ordent het schoolbestuur, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, voor zijn school of voor elk van zijn scholen gelegen in het Vlaamse Gewest alle aangemelde leerlingen als volgt :
   1° eerst de leerlingen van dezelfde [2 leefentiteit]2, vermeld in artikel 110/3;
   2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 110/4;
   3° dan, in voorkomend geval, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs : de leerlingen, vermeld in artikel 110/6;
   4° dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :
   a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;
   b) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of c);
   c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerlingen. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of b).
   Indien leerlingen overeenkomstig artikel 110/19, § 2, derde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1°, 2° of 3° van het eerste lid al dan niet te behouden.
   Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.
   § 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in [3 artikel 110/9,]3 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1.
   Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten, vermeld in artikel 110/7 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in.
   § 3. Zodra de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in [3 artikel 110/9,]3 bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragrafen 1 en 2 en in het aanmeldingsregister, vermeld in artikel 110/24, § 1, opgenomen.
   § 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van zijn scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.]1

  
Art. 110/22. [1 § 1er. A la fin de la période de préinscription ou d'une période partielle, l'autorité scolaire ou, moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP classifie pour son école ou pour chacune de ses écoles situées dans la Région flamande, tous les élèves préinscrits selon les critères suivants :
   1° d'abord les élèves de la même [2 entité de vie]2 , tel que visé à l'article 110/3;
   2° ensuite les enfants des membres du personnel de l'école, comme prévu à l'article 110/4;
   3° ensuite, le cas échéant, lors du passage de l'enseignement fondamental à la première année du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire ou à l'enseignement secondaire spécial : les élèves visés à l'article 110/6;
   4° ensuite les autres élèves, au moyen d'un des critères de classement suivants ou d'une combinaison de ceux-ci :
   a) la chronologie des préinscriptions, à l'exclusion de la présentation physique;
   b) le hasard. Il peut uniquement être opté pour ce critère de classement en combinaison avec le critère de classement visé au point a) ou c);
   c) la place qu'occupe l'école ou l'implantation dans l'ordre des choix faits par les parents ou les élèves. Il peut uniquement être opté pour ce critère de classement en combinaison avec le critère de classement visé au point a) ou b).
   Si des élèves sont inscrits conformément à l'article 110/19, § 2, alinéa 3, les autorités scolaires peuvent choisir de maintenir ou non le classement des groupes visés au point 1°, 2° ou 3° de l'alinéa premier.
   Toutes les écoles et implantations concernées sont saisies par le même critère de classement ou par la même combinaison de critères de classement. Moyennant motivation, il peut en être dérogé au niveau de l'école ou au niveau de l'implantation.
   § 2. Si la capacité fixée au préalable telle que visée à [3 l'article 110/9,]3 est atteinte dans un groupe à classer, tel que repris au paragraphe 1er, les élèves préinscrits au sein de ce groupe sont classés suivant les étapes suivantes prévues dans les contours de la procédure visée au paragraphe 1er.
   S'il n'y a qu'un seul des contingents fixés au préalable visés à l'article 110/7 qui est atteint dans un groupe devant être classé, tel que visé au paragraphe 1er, les élèves sont classés au sein de ce groupe dudit contingent selon les étapes suivantes de la procédure visée au paragraphe 1er, et occupent dans cet ordre les places libres dans l'autre contingent.
   § 3. Dès que la capacité fixée au préalable telle que visée à [3 l'article 110/9,]3 est atteinte, les élèves préinscrits restants sont classés par application des paragraphes 1er et 2, et repris dans le registre de préinscription, tel que visé à l'article 110/24, § 1er.
   § 4. Lors de l'application des paragraphes 1er à 3 inclus, une autorité scolaire, le cas échéant à l'exception de ses écoles d'enseignement spécial, ou, moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP associée à une procédure de préinscription, doit classer les élèves préinscrits en vue d'une répartition proportionnelle conformément à l'article 110/7.]1

  
Art. 110/23. [1 § 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode ordent het schoolbestuur, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, voor zijn school of voor elk van zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, alle aangemelde leerlingen als volgt :
   1° eerst de leerlingen van dezelfde [2 leefentiteit]2 , vermeld in artikel 110/3;
   2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 110/4;
   3° dan de kinderen van ouders die in overeenstemming met artikel 110/5 het Nederlands in voldoende mate machtig zijn;
   4° dan, in voorkomend geval, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs : de leerlingen, vermeld in artikel 110/6;
   5° dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :
   a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;
   b) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of c);
   c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerlingen. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of b).
   Indien leerlingen overeenkomstig artikel 110/19, § 2, derde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1° of 2° van het eerste lid al dan niet te behouden.
   Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.
   § 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in [4 artikel 110/9,]4 bereikt wordt in een te ordenen groep, als vermeld in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1. [3 In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 110/5, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde [2 leefentiteit]2 als vermeld in artikel 110/3 of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school als vermeld in artikel 110/4.]3
   Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten, vermeld in artikel 110/7 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. [3 In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 110/5, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde [2 leefentiteit]2 als vermeld in artikel 110/3 of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school als vermeld in artikel 110/4.]3
   § 3. Zodra de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in [4 artikel 110/9,]4 bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragraaf 1 en 2, en in het aanmeldingsregister, vermeld in artikel 110/24, § 1, opgenomen.
   § 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van zijn scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.]1

  
Art. 110/23. [1 § 1er. A la fin de la période de préinscription, l'autorité scolaire ou, moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP classifie pour son école ou pour chacune de ses écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, tous les élèves préinscrits selon les critères suivants :
   1° d'abord les élèves de la même [2 entité de vie]2, tel que visé à l'article 110/3;
   2° ensuite les enfants des membres du personnel de l'école, comme prévu à l'article 110/4;
   3° ensuite les enfants de parents qui, conformément à l'article 110/5, maîtrisent suffisamment le néerlandais;
   4° ensuite, le cas échéant, lors du passage de l'enseignement fondamental à la première année du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire ou à l'enseignement secondaire spécial : les élèves visés à l'article 110/6;
   5° ensuite les autres élèves, au moyen d'un des critères de classement suivants ou d'une combinaison de ceux-ci :
   a) la chronologie des préinscriptions, à l'exclusion de la présentation physique;
   b) le hasard. Il peut uniquement être opté pour ce critère de classement en combinaison avec le critère de classement visé au point a) ou c);
   c) la place qu'occupe l'école ou l'implantation dans l'ordre des choix faits par les parents ou les élèves. Il peut uniquement être opté pour ce critère de classement en combinaison avec le critère de classement visé au point a) ou b).
   Si des élèves sont inscrits conformément à l'article 110/19, § 2, alinéa 3, les autorités scolaires peuvent choisir de maintenir ou non le classement des groupes visés au point 1° ou 2° de l'alinéa premier.
   Toutes les écoles et implantations concernées sont saisies par le même critère de classement ou par la même combinaison de critères de classement. Moyennant motivation, il peut en être dérogé au niveau de l'école ou au niveau de l'implantation.
   § 2. Si la capacité fixée au préalable telle que visée à [4 l'article 110/9,]4 est atteinte dans un groupe à classer, tel que repris au paragraphe 1er, les élèves préinscrits au sein de ce groupe sont classés suivant les étapes suivantes prévues dans les contours de la procédure visée au paragraphe 1er. [3 Le cas échéant, les nombres et le pourcentage mentionnés à l'article 110/5, § 3, ne s'appliquent pas au sein du groupe d'élèves préinscrits d'une même [2 entité de vie]2, tel que visée à l'article 110/3 ou du groupe d'élèves préinscrits des membres du personnel de l'école, tel que visé à l'article 110/4.]3
   S'il n'y a qu'un seul des contingents fixés au préalable visés à l'article 110/7 qui est atteint dans un groupe devant être classé, tel que visé au paragraphe 1er, les élèves sont classés au sein de ce groupe dudit contingent selon les étapes suivantes de la procédure visée au paragraphe 1er, et occupent dans cet ordre les places libres dans l'autre contingent. [3 Le cas échéant, les nombres et le pourcentage mentionnés à l'article 110/5, § 3, ne s'appliquent pas au sein du groupe d'élèves préinscrits d'une même [2 entité de vie]2, tel que visée à l'article 110/3 ou du groupe d'élèves préinscrits des membres du personnel de l'école, tel que visé à l'article 110/4.]3
   § 3. Dès que la capacité fixée au préalable telle que visée à [4 l'article 110/9,]4 est atteinte, les élèves préinscrits restants sont classés par application des paragraphes 1er et 2, et repris dans le registre de préinscription, tel que visé à l'article 110/24, § 1er.
   § 4. Lors de l'application des paragraphes 1er à 3 inclus, une autorité scolaire, le cas échéant à l'exception de ses écoles d'enseignement spécial, ou, moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP associée à une procédure de préinscription, doit classer les élèves préinscrits en vue d'une répartition proportionnelle conformément à l'article 110/7.]1

  
Afdeling 3. [1 - Het beëindigen van de aanmeldingsprocedure en het inschrijven van de leerlingen]1
Section 3. [1 - La cessation de la procédure de préinscription et l'inscription des élèves]1
Art. 110/24. [1 § 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde, capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen aanmeldingsregister gehanteerd moet worden.
   Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, op basis van artikel 110/22 of 110/23, tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP [3 of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur]3 de rangschikking van alle aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.
   § 2. Van de scholen of vestigingsplaatsen waar de aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen, wijst het schoolbestuur, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP [3 of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur]3, de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders of de leerling bij de aanmelding opgaven.
   Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de ouders of de leerling een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria [2 , en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad met inachtname van artikel 110/5, § 4,]2 eerstvolgend gerangschikte leerlingen.
   Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat er geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. [3 Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/25, § 2, 9°, c).]3
   De aangemelde leerling en zijn ouders krijgen binnen vier werkdagen na de aldus bekomen definitieve toewijzing schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijftien schooldagen.
   Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen.
   Indien de aangemelde leerling en zijn ouders binnen de periode, vermeld in het vierde lid, geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.
   Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de ouders opgegeven ordeningscriteria die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, overeenkomstig § 1, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van disfuncties en eerstelijnsklachten, vermeld in artikel 110/25, § 2, 10°, b), leidt tot een andere beslissing.
  [3 Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.]3
   [3 Leerlingen van wie het recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, worden overeenkomstig artikel 110/12, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 110/12, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5 wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen, als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5, met behoud van artikel 110/3 en 110/4. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.]3
  [4 In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om [5 op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten]5 van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen.]4
   § 3. [3 Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en zijn ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders of leerling gekozen school of vestigingsplaats.]3
   Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen.
   § 4. [3 Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen kan het LOP de schriftelijke meldingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, uitvoeren. De betrokken schoolbesturen kunnen beslissen een niet-gunstige rangschikking gelijk te stellen met een niet-gerealiseerde inschrijving en kunnen de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijving, zoals bepaald in artikel 110/13, mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe gemandateerde schoolbestuur.]3
   § 5. [3 Overeenkomstig artikel 110/12 en artikel 110/25, § 2, 8°, wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.]3 ]1

  
Art. 110/24. [1 § 1er. Une autorité scolaire utilise pour chaque capacité fixée conformément à l'article 110/9, engagée dans la procédure de préinscription, un registre d'inscription, étant entendu qu'il n'est pas nécessaire d'utiliser un registre de préinscription pour une capacité fixée par l'autorité scolaire qui se compose exactement d'autres capacités ayant été fixées par l'autorité scolaire.
   Une autorité scolaire arrive, par registre de préinscription, par application de l'article 110/22 ou 110/23, à un classement favorable ou non favorable de tous les élèves préinscrits et reprend ce classement dans le registre de préinscription. Moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP [3 ou en dehors de la zone d'action d'une LOP l'autorité scolaire mandatée à cet effet]3 peut effectuer le classement de tous les élèves préinscrits dans le registre de préinscription.
   § 2. Des écoles ou implantations où l'élève préinscrit a obtenu un classement favorable, l'autorité scolaire ou, moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP [3 ou en dehors de la zone d'action d'une LOP l'autorité scolaire mandatée à cet effet]3 affecte l'élève préinscrit à l'école ou à l'implantation du premier choix des parents ou de l'élève au moment de la préinscription.
   L'élève en question est ensuite rayé du registre de préinscription des différentes écoles et implantations auxquelles les parents avaient accordé une moindre importance. Dans la mesure du possible, les places ainsi libérées dans les registres de préinscription sont occupées par les élèves suivants les premiers classés sur la base de la même combinaison de critères de classement [2 et dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale tout en respectant l'article 110/5, § 4,]2 .
   L'occupation de places libérées dans le registre de préinscription est répétée jusqu'à ce qu'il ne reste plus de places à conférer, tel que visé à l'alinéa premier. [3 Ensuite, les élèves non reçus sont classés selon les critères de classement repris à l'article 110/25, § 2, 9°, c).]3
   Dans les quatre jours ouvrables de l'attribution définitive ainsi obtenue, l'élève préinscrit et ses parents reçoivent une notification, par écrit ou sur support électronique, avec mention de l'école ou implantation à laquelle l'élève préinscrit a été attribué et du délai dans lequel les parents peuvent inscrire l'élève préinscrit. Ce délai dure au moins quinze jours de classe.
   Il est également communiqué à l'élève préinscrit et à ses parents quelle est la place qu'occupe l'élève parmi les élèves non reçus dans le registre de préinscription des différentes écoles ou implantations auxquelles l'élève ou ses parents avaient accordé un choix plus élevé que l'école ou implantation attribuée.
   Si, dans la période mentionnée à l'alinéa 4, l'élève préinscrit et ses parents n'accueillent pas la possibilité d'inscription, le droit à l'inscription qu'ils avaient acquis par le biais de la procédure de préinscription échoit.
   S'il s'avère au moment de l'inscription, que l'élève ne remplit pas les critères de classement déclarés par les parents et ayant conduit au classement favorable et à l'attribution, conformément au § 1er, le droit à l'inscription qu'ils ont acquis par le biais de la procédure de préinscription échoit, à moins que le traitement de dysfonctions et de plaintes primaires, tel que visé à l'article 110/25, § 2, 10°, b), mène à une autre décision.
  [3 Lorsqu'un élève inscrit par le biais d'une procédure de préinscription finit par être inscrit dans une école d'un choix plus élevé, l'école à laquelle les parents avaient accordé une moindre importance peut mettre fin à l'inscription réalisée antérieurement.]3
   [3 Les élèves qui viennent à perdre leur droit à l'inscription, conformément au sixième, septième ou huitième alinéa, sont remplacés conformément à l'article 110/12, § 2. Dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, par dérogation à l'article 110/12, § 2, les élèves visés à l'article 110/7 remplissant également les critères visés à l'article 110/5, qui viennent de perdre leur droit à l'inscription, conformément aux sixième, septième ou huitième alinéa, sont remplacés par les élèves suivants les premiers classés tels que visés à l'article 110/7 remplissant également les critères visés à l'article 110/5, sans préjudice des articles 110/3 et 110/4. Dans les quatre jours ouvrables après les constatations nécessaires par l'autorité scolaire ou la LOP, les parents reçoivent une notification par écrit ou sur support électronique que l'élève préinscrit a encore été attribué. Cette notification contient des informations relatives à la période dans laquelle les parents peuvent inscrire l'élève concerné. Cette période dure au moins cinq jours de classe.]3
  [5 Par dérogation à l'alinéa 7, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP peuvent décider de procéder à cette vérification [5 au plus tôt après la date de fin de la période de préinscription et au plus tard avant la publication des résultats de la préinscription]5.]5
   § 3. [3 Si l'élève ne peut obtenir un classement favorable dans aucune école ou implantation, l'élève préinscrit et ses parents reçoivent, dans les quatre jours ouvrables, une notification par écrit ou sur support électronique relative à l'impossibilité d'attribuer l'élève préinscrit à une école ou implantation choisie par les parents ou l'élève.]3
   Il est également communiqué à l'élève préinscrit et à ses parents quelle est la place qu'occupe l'élève parmi les élèves non reçus dans le registre de préinscription des différentes écoles ou implantations pour lesquelles l'élève ou ses parents avaient opté.
  [4 Par dérogation à l'alinéa 7, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP peuvent décider de procéder à cette vérification au plus tard après la date de fin de la période d'inscription et avant la publication des résultats de l'inscription.]4
   § 5. [3 Conformément aux articles 110/12 et 110/25, § 2, 8°, l'ordre des élèves attribués et l'ordre des élèves non reçus sont repris dans le registre d'inscription.]3 ]1

  
Afdeling 4. [1 - Goedkeuring aanmeldingsprocedures]1
Section 4. [1 - Approbation des procédures de préinscription]1
Art. 110/25. [1 § 1. [8 Uiterlijk op 15 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, legt een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP een voorstel van aanmeldingsprocedure voor aan de CLR.]8
  [9 In afwijking van het eerste lid kunnen een schoolbestuur, verschillende schoolbesturen samen of het LOP uiterlijk op 15 januari 2025 een voorstel van aanmeldingsprocedure voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2025-2026 voor- leggen aan de CLR.]9
   § 2. Het dossier daartoe bevat ten minste de volgende onderdelen :
   1° de start en de duur van de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de motivering ervan, overeenkomstig artikel 110/19;
   2° het middel of de middelen tot aanmelden;
   3° de wijze waarop de capaciteit, [3 het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden,]3 het aanmeldingsmiddel, de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de inschrijvingsperiodes door het betrokken schoolbestuur of de betrokken schoolbesturen worden bekendgemaakt;
   4° [3 de manier waarop de mogelijkheid om een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk te kunnen laten aanmelden, indien de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen, waarbij tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;]3
   5° een regeling waarbij de aanmeldingen van leerlingen uit eenzelfde [2 leefentiteit]2, vermeld in artikel 110/3, aan elkaar gekoppeld kunnen worden, of een motivering om deze regeling niet te voorzien;
   6° een regeling waarbij ouders of leerlingen bij verschillende scholen of vestigingsplaatsen een duidelijke voorkeurorde kunnen opgeven;
   7° een regeling voor de communicatie naar de ouders of de leerlingen, vermeld in artikel 110/24;
   8° een regeling voor het bijhouden van een aanmeldingsregister per school of vestigingsplaats en de overdracht van de informatie over de aangemelde leerlingen aan het schoolbestuur;
   9° de verdere concretisering van de ordeningscriteria. Dit bestaat uit :
   a) het hanteren van de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze, bedoeld in artikel 110/22, § 1, 4°, en artikel 110/23, § 1, 5°, gemaakt door de ouders of de leerling bij de ordening en de toewijzing, vermeld in artikel 110/24;
   b) het hanteren van toeval, bedoeld in artikel 110/22, § 1, 4°, en artikel 110/23, § 1, 5°;
   c) het bepalen van de verhouding tussen en de volgorde van de verschillende gekozen ordeningscriteria [3 en de ordeningscriteria, in toepassing van de bepaling in artikel 110/24, § 2, derde lid, die gehanteerd worden bij de rangschikking van de niet-toegewezen leerlingen]3;
   d) het maken van afspraken rond het bepalen van de evenredige verdeling, vermeld in artikel 110/7, van de scholen en vestigingsplaatsen, met onder meer het bepalen van de geografische omschrijving waarbinnen de toetsing zal gebeuren [3 en de elementen die in overweging worden genomen bij de berekening van de contingenten]3;
   e) het bepalen van de mate waarin scholen de vrijheid hebben om hun instroom met het oog op de evenredige verdeling, vermeld in artikel 110/7, te sturen;
   f) de gemotiveerde afwijking, vermeld in artikel 110/22, § 1, derde lid, en artikel 110/23, § 1, derde lid;
   10° beslissingen aangaande de volgende uitvoeringsmodaliteiten :
   a) de wijze waarop ouders en schoolbesturen bij de aanmeldingsprocedure ondersteund zullen worden en wie daarbij betrokken zal zijn;
   b) de wijze waarop zal omgegaan worden met de behandeling van disfuncties bij en eerstelijnsklachten over het verloop van de aanmeldingsprocedure;
   c) de wijze waarop enerzijds de werving, de toeleiding en de ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van de schoolbesturen zal gebeuren met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7;
   d) de wijze waarop de aanmeldingsprocedure gemonitord en geëvalueerd zal worden;
   11° de wijze waarop over de aanmeldingsprocedure en alle genomen beslissingen daarin gecommuniceerd wordt aan alle belanghebbenden;
  [3 12° het al dan niet door de schoolbesturen mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur, van:
   a) de rangschikking van de aangemelde leerlingen;
   b) het uitreiken van de melding van de definitieve toewijzing of van de melding over het niet kunnen toewijzen van de leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats;
   c) de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen.]3

   § 3. De CLR toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures, vermeld in hoofdstuk 1/1 en 1/2, en de volgende uitgangspunten :
   1° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;
   2° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;
   3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;
   4° voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, daarnaast ook de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.
   § 4. [3 De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk twee maanden na de indiening. Enkel indien de einddatum van deze periode van twee maanden valt in de periode tussen 15 juli en 15 augustus, valt de beslissing uiterlijk in de week volgend op 16 augustus.]3 ]1

  
Art. 110/25. [1 § 1er. [8 Au plus tard le 15 novembre de l'année scolaire qui précède l'année scolaire à laquelle s'appliquent les inscriptions, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires ensemble ou la plateforme locale de concertation introduit une proposition de procédure de préinscription à la CLR]8.
  [9 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP peuvent présenter au CLR pour le 15 janvier 2025 une proposition de procédure de préinscription pour les inscriptions de l'année scolaire 2025-2026.]9
   § 2. Le dossier établi à cet effet comporte au moins les volets suivants :
   1° Le début et la durée de la période de préinscription ou de toutes les périodes partielles et la motivation y afférente, conformément à l'article 110/19;
   2° le ou les moyens utilisés pour la préinscription;
   3° la manière dont la capacité, [3 le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription,]3 le moyen de préinscription, la période de préinscription ou toutes les périodes partielles et les périodes d'inscription seront communiqués par la/les autorité(s) scolaire(s) concernée(s);
   4° [3 le mode d'opérationnalisation de la possibilité de préinscrire un élève dans un seul dossier de préinscription pour plusieurs écoles ou implantations en même temps, si la période de préinscription porte sur plusieurs écoles et implantations, et évitant en même temps que plusieurs dossiers de préinscription puissent être ouverts au sein du propre système de préinscription pour un même élève ;]3
   5° un arrangement permettant que les préinscriptions d'élèves de la même [2 entité de vie]2, telle que visée à l'article 110/3, soient liées, ou une motivation pour ne pas prévoir un tel arrangement;
   6° un arrangement permettant aux parents ou élèves d'indiquer un ordre précis de préférence auprès de différentes écoles ou implantations;
   7° un arrangement pour ce qi est de la communication aux parents ou élèves, telle que visée à l'article 110/24;
   8° un arrangement pour la tenue d'un registre de préinscription par école ou implantation et la communication à l'autorité scolaire de l'information relative aux élèves préinscrits;
   9° la concrétisation ultérieure des critères de classement. Ce dossier comporte :
   a) le maniement de la place qu'occupe l'école ou l'implantation dans l'ordre des choix, tel que visé à l'article 110/22, § 1er, 4°, et à l'article 110/23, § 1er, 5°, faits par les parents ou l'élève lors du classement et de l'attribution, tel que visé à l'article 110/24;
   b) le maniement du hasard, visé à l'article 110/22, § 1er, 4°, et à l'article 110/23, § 1er, 5°;
   c) la détermination du rapport entre les différents critères de classement choisis et de l'ordre de ceux-ci [3 et les critères de classement, par application de la disposition de l'article 110/24, § 2, troisième alinéa, qui seront utilisés pour le classement des élèves non reçus]3 ;
   d) la conclusion d'accords en ce qui concerne la détermination de la répartition proportionnelle, visée à l'article 110/7, des écoles et implantations, entre autres la détermination de la circonscription géographique au sein de laquelle aura lieu la vérification [3 et les éléments pris en considération pour le calcul des contingents]3 ;
   e) la détermination de la mesure dans laquelle les écoles sont libres de piloter leur afflux d'élèves en vue d'une répartition proportionnelle, visée à l'article 110/7;
   f) la dérogation motivée visée à l'article 110/22, § 1er, alinéa 3, et à l'article 110/23, § 1er, alinéa 3;
   10° des décisions relatives aux modalités d'exécution suivantes :
   a) la façon dont les parents et autorités scolaires seront soutenus dans la procédure de préinscription et qui y sera associé;
   b) la façon dont les dysfonctions et plaintes primaires relatives au déroulement de la procédure de préinscription seront traitées;
   c) la façon dont se dérouleront le recrutement, l'aiguillage et le soutien des parents d'une part et le soutien des autorités scolaires d'autre part en vue de la répartition proportionnelle telle que visée à l'article 110/7;
   d) la façon dont la procédure de préinscription sera monitorée et évaluée;
   11° la façon dont se déroulera la communication à tous les intéressés en ce qui concerne la procédure de préinscription et toutes les décisions prises en la matière;
  [3 12° le fait que les autorités scolaires mandatent ou non à la LOP, ou en dehors de la zone d'action d'une LOP à l'autorité scolaire désigné à cet effet, les actes suivants :
   a) le classement des élèves préinscrits ;
   b) la notification de l'attribution définitive ou la notification du fait de ne pas avoir pu attribuer l'élève à une école ou une implantation choisie par les parents ;
   c) la communication des inscriptions non réalisées.]3

   § 3. La CLR confronte la proposition de procédure de préinscription aux dispositions relatives au droit à l'inscription et aux procédures de préinscription, mentionnées dans les chapitres 1/1 et 1/2, et aux points de départ suivants :
   1° la réalisation d'opportunités d'apprentissage et de développement optimales pour tous les élèves;
   2° la prévention de l'exclusion, de la ségrégation et de la discrimination;
   3° la promotion d'un mélange social et de la cohésion sociale;
   4° de plus, pour ce qui est de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, la protection de l'égalité des chances en matière d'enseignement et d'inscription pour les néerlandophones et la préservation du caractère néerlandophone de l'enseignement financé ou subventionné par la Communauté flamande.
   § 4. [3 La CLR prend une décision sur la proposition de procédure de préinscription dans les deux mois de l'introduction de celle-ci. Seulement si la date de fin de cette période de deux mois tombe dans la période entre le 15 juillet et le 15 août, la décision tombe au plus tard dans la semaine qui suit le 16 août.]3 ]1

  
Art. 110/26. [1 § 1. Bij een negatief besluit van de CLR over het voorstel van aanmeldingsprocedure kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk op [6 31 januari]6 van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden een van de volgende initiatieven nemen :
   1° een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3. De CLR neemt over het aangepaste voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;
   2° het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3. De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake het verloop van de procedure.
  [2 In afwijking van het eerste lid, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk op [7 14 februari 2025 voor de aanmeldingsprocedure voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2025-2026]7 de initiatieven nemen zoals bepaald in het eerste lid, 1° en 2°.]2
   § 2. Bij een negatief besluit van de CLR over het overeenkomstig paragraaf 1, 1° voorgelegde aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure of het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3.
   De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de procedure.
   § 3. Bij een negatief besluit, van de Vlaamse Regering over het, overeenkomstig paragraaf 1, 2°, voorgelegde voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3.
   De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.
   § 4. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]1

  
Art. 110/26. [1 § 1er. En cas d'une décision négative de la CLR sur la proposition de procédure de préinscription, l'autorité scolaire concernée, les différentes autorités scolaires concernées ensemble ou la LOP concernée peut prendre une des initiatives suivantes, au plus tard le [6 31 janvier]6 de l'année scolaire précédant l'année scolaire à laquelle s'appliquent les inscriptions :
   1° introduire auprès de la CLR une proposition adaptée de procédure de préinscription. Dans ce cas, la CLR apprécie la proposition conformément à l'article 110/25, § 3. La CLR prend une décision sur la proposition de procédure de préinscription adaptée au plus tard trente jours calendrier suivant le jour de l'introduction de celle-ci;
   2° soumettre la proposition de procédure de préinscription visée à l'article 110/25 au Gouvernement flamand. Dans ce cas, le Gouvernement flamand apprécie la proposition conformément à l'article 110/25, § 3. Le Gouvernement flamand prend une décision sur la proposition de procédure de préinscription au plus tard trente jours calendrier suivant le jour de l'introduction de celle-ci. Le Gouvernement flamand arrête les modalités du déroulement de la procédure.
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité scolaire, les autorités scolaires ensemble ou la LOP concernée peuvent prendre les initiatives telles que fixées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, au plus tard le [7 14 février 2025 pour la procédure de préinscription pour les inscriptions de l'année scolaire 2025-2026]7.]2
   § 2. En cas d'une décision négative de la CLR quant à la proposition de procédure de préinscription adaptée présentée conformément au paragraphe 1er, 1°, l'autorité scolaire concernée, les différentes autorités scolaires concernées ensemble ou la LOP concernée peut, au plus tard trente jours calendrier de la réception de la décision négative, soumettre la proposition de procédure de préinscription adaptée citée à l'article 110/25 au Gouvernement flamand. Dans ce cas, le Gouvernement flamand apprécie la proposition conformément à l'article 110/25, § 3.
   Le Gouvernement flamand prend une décision sur la proposition de procédure de préinscription au plus tard trente jours calendrier suivant le jour de l'introduction de celle-ci. Le Gouvernement flamand arrête les modalités du déroulement de la procédure.
   § 3. En cas d'une décision négative du Gouvernement flamand quant à la proposition de procédure de préinscription, citée à l'article 110/25, présentée conformément au paragraphe 1er, 2°, l'autorité scolaire concernée, les différentes autorités scolaires concernées ensemble ou la LOP concernée peut, au plus tard trente jours calendrier de la réception de la décision négative, soumettre une proposition de procédure de préinscription adaptée à la CLR. Dans ce cas, la CLR apprécie la proposition conformément à l'article 110/25, § 3.
   La CLR prend une décision sur la proposition de procédure de préinscription au plus tard trente jours calendrier suivant le jour de l'introduction de celle-ci.
   § 4. Pour l'application des délais stipulés au présent article, les samedis, dimanches, jours fériés légaux et réglementaires et les périodes de vacances fixées conformément à l'article 12 par le Gouvernement, ne sont pas pris en compte.]1

  
Art. 110/27. [1 Bij een positief besluit van de CLR of de Vlaamse Regering in hoger beroep, blijft de aanmeldingsprocedure van kracht voor de inschrijvingen voor de schooljaren volgend op het schooljaar waarin het positief besluit werd genomen, totdat de aanmeldingsprocedure gewijzigd wordt tenzij de CLR of de Vlaamse Regering anders beslist, totdat :
   1° de betrokken regelgeving gewijzigd wordt;
   2° het betrokken schoolbestuur, groep schoolbesturen of het LOP de lopende aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.]1

  
Art. 110/27. [1 En cas d'une décision positive de la CLR ou du Gouvernement flamand en appel, la procédure de préinscription reste d'application pour ce qui est des inscriptions pour les années scolaires qui suivent l'année scolaire dans laquelle la décision positive a été prise, jusqu'à ce que la procédure de préinscription soit modifiée sauf décision contraire de la CLR ou du Gouvernement flamand, jusqu'à ce que :
   1° la réglementation concernée soit modifiée;
   2° l'autorité scolaire concernée, le groupe d'autorités scolaires ou la LOP souhaite modifier la procédure de préinscription en cours ou y mettre fin.]1

  
HOOFDSTUK 1/3 [1 - Huisonderwijs]1
CHAPITRE I/3. [1 - Enseignement à domicile]1
Art. 110/28. [1 Aan de leerplicht kan eveneens worden voldaan door het verstrekken van huisonderwijs.
   Ouders die opteren voor huisonderwijs, verbinden zich ertoe onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan de volgende minimumeisen :
   1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene;
   2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen.]1

  
Art. 110/28. [1 Il peut également être satisfait à l'obligation scolaire par la dispensation d'un enseignement à domicile.
   Les parents qui optent pour l'enseignement à domicile s'engagent à dispenser ou à faire dispenser un enseignement qui répond aux exigences minimales suivantes :
   1° l'enseignement vise l'épanouissement de toute la personnalité de l'enfant et le développement de ses talents, ainsi que la préparation de l'enfant à une vie active en tant qu'adulte;
   2° l'enseignement favorise le respect des droits fondamentaux de l'homme et des valeurs culturelles de l'enfant même et des autres.]1

  
Art. 110/29. [1 § 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een [3 verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs]3, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
  [3 In de verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs worden de plichten van de ouders om het onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat voldoet aan de minimumeisen, vermeld in artikel 110/28, en de plichten, vermeld in artikel 110/30, artikel 110/31 en artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding opgenomen. De verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs moet verder minstens de volgende elementen bevatten]3:
   1° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;
  [3 1° /1 de contactgegevens van de ouders: e-mailadres en telefoonnummer;]3
  [3 1° /2 de keuze van CLB, vermeld in artikel 6, § 4, vijfde lid, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;]3
   2° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;
   3° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;
   4° de periode wanneer het huisonderwijs zal plaatsvinden;
   5° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;
   6° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;
  [3 6° /1 de wijze waarop de sociale participatie van de leerplichtige wordt nagestreefd;]3
   7° de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.
  [2 In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één [3 gezamenlijke verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs]3 ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. [3 De verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs moet naast de elementen, vermeld in het eerste lid, ook het adres bevatten waar het huisonderwijs effectief wordt verstrekt en de persoonsgegevens en contactgegevens, e-mailadres en telefoonnummer van de organisator van het huisonderwijs]3.]2
   De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een [3 model van verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs]3 ter beschikking stellen.
   In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen [3 verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs]3 in te dienen :
   1° [3 Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen]3;
   2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
   3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
   4° scholen in het buitenland [2 , waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt]2.
   § 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een [3 verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs]3 indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :
   1° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
   2° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
   3° leerplichtigen die begeleid worden door een centrum voor leerlingenbegeleiding en indien dat centrum voor leerlingenbegeleiding na de nodige informatie door de ouders, geen gemotiveerd bezwaar indient tegen het starten met huisonderwijs, binnen de tien werkdagen nadat het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding op de hoogte werd gesteld van de verklaring.]1

  
Art. 110/29. [1 § 1er. Les parents qui optent pour l'enseignement à domicile, doivent introduire à cet effet, auprès des services de la Communauté flamande, une [3 déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile]3 au plus tard le troisième jour de classe de l'année scolaire dans laquelle l'enfant scolarisable suit un enseignement à domicile.
  [3 La déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile reprend les obligations des parents de dispenser ou de faire dispenser l'enseignement qui répond aux exigences minimales visées à l'article 110/28, ainsi que les obligations visées à l'article 110/30, à l'article 110/31 et à l'article 6, § 4, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves. La déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile doit en outre contenir au moins les éléments suivants]3 :
   1° les données à caractère personnel des parents et de l'élève scolarisable qui suit un enseignement à domicile;
  [3 1° /1 les coordonnées des parents : adresse e-mail et numéro de téléphone ;]3
  [3 1° /2 le choix du centre d'encadrement des élèves, visé à l'article 6, § 4, alinéa 5, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves ;]3
   2° les données de la personne qui dispensera l'enseignement à domicile, y compris le niveau de formation de l'/des enseignant(s) de l'enseignement à domicile;
   3° la langue dans laquelle l'enseignement à domicile sera dispensé;
   4° la période durant laquelle l'enseignement à domicile aura lieu;
   5° les objectifs pédagogiques qui sont aspirés avec l'enseignement à domicile;
   6° l'adéquation entre l'enseignement à domicile et les besoins d'apprentissage de l'élève scolarisable;
  [3 6° /1 la manière dont la participation sociale de l'élève scolarisable est recherchée ;]3
   7° les ressources et moyens d'aide à l'enseignement qui seront utilisés pour l'enseignement à domicile.
  [2 Dans le cas où il est organisé un enseignement à domicile commun pour deux ou plusieurs enfants scolarisables et le lieu où l'enseignement est organisé diffère de l'adresse où les enfants sont domiciliés, [3 une seule déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile]3 peut être présentée pour ces enfants scolarisables par l'organisateur de l'enseignement à domicile. [3 La déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile doit contenir également, outre les éléments visés à l'alinéa 1er, l'adresse où l'enseignement à domicile est effectivement dispensé, et les données à caractère personnel, les coordonnées, l'adresse e-mail et le numéro de téléphone de l'organisateur de l'enseignement à domicile]3.]2
  Les services compétents de la Communauté flamande mettront à disposition un [3 modèle de déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile]3 à cet effet.
   Par dérogation à l'alinéa premier, les parents qui inscrivent leurs enfants scolarisables à une des écoles suivantes ne doivent pas introduire [3 une déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile]3 :
   1° [3 les écoles européennes et les écoles européennes accréditées]3;
   2° les écoles internationales accréditées par l'International Baccalaureate (IB) à Genève;
   3° les écoles internationales dont les titres sont considérés comme équivalents, après un examen d'équivalence par l' " Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs " (Agence pour la Gestion de la Qualité dans l'Enseignement et la Formation);
   4° les écoles situées à l'étranger [2 , où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact]2.
   § 2. Par dérogation au délai visé au paragraphe 1er, les parents des enfants scolarisables suivants peuvent à tout temps introduire une [3 déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile]3 auprès des services compétents de la Communauté flamande :
   1° les enfants scolarisables qui prennent leur domicile dans la Région de Bruxelles-Capitale ou la Région flamande dans le courant d'une année scolaire;
   2° les enfants scolarisables qui se rendent à l'étranger dans le courant d'une année scolaire, mais qui maintiennent leur domicile dans la Région de Bruxelles-Capitale ou la Région flamande;
   3° les enfants scolarisables qui sont accompagnés par un centre d'encadrement des élèves et si ce centre d'encadrement des élèves, après avoir reçu les informations nécessaires des parents, n'émet pas de réserves contre la demande d'entamer un enseignement à domicile, dans les dix jours ouvrables après que le centre d'encadrement des élèves a été mis au courant de la déclaration.]1

  
Art. 110/30. [1 § 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs [2 uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige vijftien jaar is geworden voor 1 januari]2.
   Als de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij [2 zestien jaar is geworden voor 1 januari]2, via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven hetzij in een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
   1° [5 Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen]5;
   2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
   3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
   4° scholen gelegen in het buitenland [3 , waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt]3.
   [4 ...]4
  [2 De regeling bedoeld in deze paragraaf wordt voor het eerst van toepassing op de leerlingen die geboren werden in het jaar 2002.]2
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten ouders de leerplichtige niet inschrijven bij de examencommissie :
   1° indien een centrum voor leerlingenbegeleiding uitdrukkelijk een vrijstelling geeft voor de examens, vermeld in paragraaf 1;
   2° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van de eerste graad secundair onderwijs;
   3° indien de leerplichtige ingeschreven is in één van de volgende scholen :
   a) Europese scholen;
   b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
   c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
   d) scholen gelegen in het buitenland [3 , waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt]3.]1

  [5 Alleen het CLB dat conform artikel 110/29, § 1, eerste lid, 1° /2, is aangeduid in de verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs, is bevoegd om te beslissen over de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 1°]5
(NOTA : bij arrest nr. 37/2014 van 27 februari 2014, schorst het Grondwettelijk Hof artikel III.81, eerste lid, in zoverre het voorziet in de inwerkingtreding, op 1 september 2013, van artikel III.20 waarbij in de Codex Secundair Onderwijs een artikel 110/30, § 1, wordt ingevoegd. B.St. 03-03-2014, p. 17685)
  
Art. 110/30. [1 § 1er. Les parents qui optent pour un enseignement à domicile, sont obligés d'inscrire l'enfant scolarisable auprès du jury de la Communauté flamande de l'enseignement secondaire [2 , au plus tard dans l'année scolaire dans laquelle l'élève scolarisable a atteint l'âge de quinze ans avant le 1er janvier]2 .
   Si, pendant l'année scolaire dans laquelle [2 il a atteint l'âge de seize ans avant le 1er janvier]2, l'enfant scolarisable n'obtient aucun certificat ou diplôme de l'enseignement secondaire par le biais du jury, les parents de l'enfant scolarisable doivent inscrire leur enfant soit à une école, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande, la Communauté française ou la Communauté germanophone, soit à une des écoles suivantes :
   1° [5 les écoles européennes et les écoles européennes accréditées]5;
   2° les écoles internationales accréditées par l'International Baccalaureate (IB) à Genève;
   3° les écoles internationales dont les titres sont considérés comme équivalents, après un examen d'équivalence par l' " Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs " (Agence pour la Gestion de la Qualité dans l'Enseignement et la Formation);
   4° les écoles situées à l'étranger [3 où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact]3.
   [4 ...]4.
  [2 La réglementation visée au présent paragraphe s'applique pour la première fois aux élèves nés en 2002.]2
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les parents ne doivent pas inscrire leur enfant scolarisable auprès du jury :
   1° si un centre d'encadrement des élèves accorde explicitement une dérogation pour les examens visés au paragraphe 1er;
   2° si l'enfant scolarisable est en possession d'une décision individuelle d'équivalence à au moins le niveau du premier degré de l'enseignement secondaire;
   3° si l'enfant scolarisable est inscrit auprès d'une des écoles suivantes :
   a) les écoles européennes;
   b) les écoles internationales accréditées par l'International Baccalaureate (IB) à Genève;
   c) les écoles internationales dont les titres sont considérés comme équivalents, après un examen d'équivalence par l' " Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs " (Agence pour la Gestion de la Qualité dans l'Enseignement et la Formation);
   d) les écoles situées à l'étranger [3 où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact]3.]1

  [5 Seul le centre d'encadrement des élèves désigné dans la déclaration des droits et obligations en matière d'enseignement à domicile, conformément à l'article 110/29, § 1er, alinéa 1er, 1° /2, est compétent pour décider de la dérogation visée à l'alinéa 1er, 1°.]5
(NOTE : Par arrêt n°37/2014 du 27 février 2014, la Cour constitutionnelle suspend l'article III.81, alinéa 1er, en ce qu'il fixe au 1er septembre 2013 l'entrée en vigueur de l'article III.20 qui insère un article 110/30, § 1er, dans le Code de l'enseignement secondaire. M.B. 03-03-2014, p. 17693)
  
Art. 110/31. [1 § 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in artikel 110/28. De Vlaamse Regering legt de criteria vast op basis waarvan deze controle gebeurt.
   § 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs.
  [4 De Vlaamse Regering bepaalt de verdere modaliteiten van de medewerkingsplicht van de ouders.]4
  [3 § 2/1. De onderwijsinspectie controleert de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen als vermeld in artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.]3
  [4 De onderwijsinspectie neemt de niet-deelname aan de systematische contacten mee als een element bij de prioritering van de controles op huisonderwijs, vermeld in het eerste lid.]4
   § 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in het artikel 110/28, moeten de ouders de leerling inschrijven in hetzij een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
   1° [4 Europese scholen en geaccrediteerde Europese scholen]4;
   2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
   3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
   4° scholen gelegen in het buitenland [2 , waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt]2.
   Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend [4 als de leerling voorafgaand aan het hervatten van het huisonderwijs zes maanden ingeschreven was in een van de scholen, vermeld in het eerste lid, in die school voldoende aanwezig was, behoudens gewettigde afwezigheid en]4 mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. [4 De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens de zomervakantie. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de termijn van zes maanden. De toestemming van de onderwijsinspectie kan door de ouders worden aangevraagd vanaf twee maanden voor het einde van de zes maanden.]4 Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.
  [4 Een leerling wordt tijdens de zes maanden, vermeld in het tweede lid, geacht niet voldoende aanwezig als vermeld in het tweede lid te zijn als de leerling 15 al dan niet gespreide halve dagen problematisch afwezig is geweest.]4
   De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast. ]1

  
Art. 110/31. [1 § 1er. L'Inspection de l'Enseignement est compétente pour contrôler si l'enseignement à domicile dispensé répond aux objectifs visés à l'article 110/28. Le Gouvernement fixe les critères sur la base desquels ce contrôle est effectué.
   § 2. Les parents sont obligés d'apporter leur collaboration au contrôle de l'enseignement à domicile.
  [4 Le Gouvernement flamand détermine les modalités de l'obligation de collaboration des parents.]4
  [3 § 2/1. L'inspection de l'enseignement contrôle la participation aux contacts systématiques et la collaboration aux mesures prophylactiques prévus à l'article 6, § 4, du décret du décret 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves.]3
  [4 L'inspection de l'enseignement inclut la non-participation aux contacts systématiques comme un élément de la priorisation des contrôles de l'enseignement à domicile, visés à l'alinéa 1er.]4
   § 3. Lorsque le contrôle de l'Inspection de l'Enseignement n'est pas accepté ou lorsque l'inspection de l'enseignement constate lors de deux contrôles consécutifs, que l'enseignement dispensé ne répond manifestement pas aux objectifs visés à l'article 110/28, les parents doivent inscrire l'élève soit à une école, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande, la Communauté française ou la Communauté germanophone, soit à une des écoles suivantes :
   1° [4 les écoles européennes et les écoles européennes accréditées]4;
   2° les écoles internationales accréditées par l'International Baccalaureate (IB) à Genève;
   3° les écoles internationales dont les titres sont considérés comme équivalents, après un examen d'équivalence par l' " Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs " (Agence pour la Gestion de la Qualité dans l'Enseignement et la Formation);
   4° les écoles situées à l'étranger [2 où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact]2.
   La reprise de l'enseignement à domicile afin de répondre à la scolarité obligatoire de l'élève concerné, ne peut avoir lieu que [4 si, préalablement à la reprise de l'enseignement à domicile, l'élève était inscrit pendant six mois dans l'une des écoles visées à l'alinéa 1er, s'il était suffisamment présent dans cette école, sous réserve d'absence légitime, et]4 moyennant l'autorisation préalable de l'Inspection de l'Enseignement. [4 Le délai de six mois est suspendu pendant les vacances d'été. L'autorisation de l'inspection de l'enseignement peut être demandée par les parents à partir de deux mois avant la fin de du délai de six mois. L'autorisation de l'inspection de l'enseignement peut être demandée par les parents à partir de deux mois avant la fin des six mois.]4 Cette autorisation est donnée si l'Inspection de l'Enseignement estime, sur la base des éléments fournis par les parents, que les insuffisances qui ont résulté à l'époque lors du contrôle en la cessation de l'enseignement à domicile, ont été ou sont éliminés.
  [4 Pendant les six mois visés à l'alinéa 2, l'élève est censé être insuffisamment présent tel que visé à l'alinéa 2, si l'élève a été absent de manière problématique pendant 15 demi-jours, répartis ou non.]5
   Le Gouvernement flamand arrête la procédure de demande pour les parents.]1

  
Art. 110/32. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de formele voorwaarden die moeten vervuld worden bij het organiseren van huisonderwijs. ]1
  
Art. 110/32. [1 Le Gouvernement flamand détermine les conditions formelles à remplir lors de l'organisation de l'enseignement à domicile.]1
  
Art. 110/33. [1 De artikelen 110/28 tot en met 110/32 zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat wordt verstrekt in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan, het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.]1
  
Art. 110/33. [1 Les articles 110/28 à 110/32 inclus ne s'appliquent pas à l'enseignement à domicile qui est dispensé dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 1990 déterminant les conditions auxquelles l'obligation scolaire peut être remplie dans certains établissements communautaires d'observation et d'éducation et dans les centres d'accueil et d'orientation relevant de l'assistance spéciale à la jeunesse, de l'arrêté royal du 1er mars 2002 portant création d'un Centre pour le placement provisoire de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et de l'arrêté royal du 12 novembre 2009 portant création d'un centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.]1
  
HOOFDSTUK 2. - School- en centrumreglement
CHAPITRE 2. - Règlement d'école et règlement de centre
Art. 111. § 1. [7 Elk schoolbestuur maakt voor elk van zijn scholen, met uitzondering van de scholen van opleidingsvorm 4, type 5, die verbonden zijn aan een ziekenhuis of aan een residentiële setting, een schoolreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd.]7.
  [3 Elk centrumbestuur maakt voor elk van zijn centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, na advies van de centrumraad, een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd. Elk centrumbestuur maakt voor zijn centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd; dit reglement kan per vestigingsplaats verschillen.]3
  [1 § 1bis. Het school- of centrumbestuur informeert de betrokken personen over het school- of centrumreglement voorafgaand aan de inschrijving van de leerling en bij elke wijziging. Daarbij moeten volgende principes in acht worden genomen :
   1° voorafgaand aan een inschrijving wordt het school- of centrumreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen zich er schriftelijk mee akkoord;
   2° bij elke wijziging van het school- of centrumreglement informeert het school- of centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en de betrokken personen geven [6 dan schriftelijk of digitaal akkoord]6. Indien de betrokken personen zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van de leerling een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar;
   3° het school- of centrumbestuur vraagt de betrokken personen of ze een papierenversie van het school- of centrumreglement wensen te ontvangen;
   4° een wijziging van het school- of centrumreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.
   § 1ter. Voor materies waarbij de betrokken personen een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het school- of centrumreglement geregeld worden.]1

  § 2. [4 In aansluiting op de informatie die het school- of centrumbestuur via het school- of centrumreglement verstrekt en met het oog op de mogelijke studievoortgang brengt het bestuur de betrokken personen in voorkomend geval ervan op de hoogte dat de school of het centrum :
   1° bij de bevoegde overheid een aanvraag tot hetzij erkenning hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van erkenning werd ingediend, of
   2° van de bevoegde overheid een voorlopige erkenning voor één schooljaar werd bekomen of een financiering of subsidiëring met inbegrip van voorlopige erkenning voor één schooljaar werd bekomen.
   Het bestuur informeert de betrokken personen onmiddellijk tijdens het schooljaar van voorlopige erkenning over de beslissing van de bevoegde overheid over de erkenning, de financiering of de subsidiëring vanaf het daaropvolgende schooljaar.]4

  § 3. [5 In aansluiting op de informatie die het schoolbestuur via het schoolreglement verstrekt, informeert het bestuur de leerlingen en de betrokken personen over de modernisering van het secundair onderwijs en over de effecten van de uitrol ervan vanaf 1 september 2019 op de structuur en organisatie van het onderwijsaanbod in de school in kwestie, met het oog op een optimale onderwijsloopbaan van de leerling.]5
  
Art. 111. § 1er. [7 Chaque autorité scolaire établit pour chacune de ses écoles, à l'exception des écoles de la forme d'enseignement 4, type 5, qui sont rattachées à un hôpital ou à une structure résidentielle, un règlement scolaire fixant les droits et les devoirs de chaque élève.]7
  [3 Chaque direction du centre rédige pour chacun de ses centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, après avis du conseil du centre, un règlement de centre, dans lequel sont fixés les droits et devoirs de chaque élève. Chaque direction du centre rédige pour son centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises un règlement de centre, dans lequel sont fixés les droits et devoirs de chaque élève ; ce règlement peut varier d'une implantation à l'autre.]3
  [1 § 1bis. L'autorité scolaire ou la direction du centre informe les personnes intéressées du règlement d'école ou de centre avant l'inscription de l'élève et à chaque modification du règlement, tout en observant les principes suivants :
   1° préalablement à une inscription, le règlement d'école ou de centre est offert de manière écrite ou sur support électronique et les personnes intéressées y conviennent par écrit;
   2° à chaque modification du règlement d'école ou de centre, l'autorité scolaire ou la direction du centre en informe les parents par écrit ou par support électronique, et les parents [6 donnent alors leur accord par écrit ou par voie numérique]6. Si les personnes intéressées déclarent ne pas être d'accord avec la modification, il est mis fin à l'inscription de l'élève le 31 août de l'année scolaire en cours;
   3° l'autorité scolaire ou la direction du centre demande aux personnes intéressées si elles désirent recevoir une version papier du règlement d'école ou de centre;
   4° une modification du règlement d'école ou de centre peut au plus tôt prendre effet durant l'année scolaire suivante, sauf si cette modification est la conséquence directe d'une nouvelle réglementation.
   § 1ter. Pour les matières faisant l'objet d'un choix individuel de la part des personnes intéressées garanti par une réglementation, ce choix individuel ne peut pas être réglé par le biais du règlement d'école ou de centre.]1

  § 2. [4 Dans le droit fil des informations fournies par l'autorité scolaire ou l'autorité du centre via le règlement d'école ou de centre et en vue d'une éventuelle progression des études, l'autorité informe les personnes concernées que l'école ou le centre :
   1° a introduit auprès de l'autorité compétente une demande soit d'agrément soit de financement ou de subventionnement y compris d'agrément, ou
   2° a obtenu de l'autorité compétente un agrément provisoire d'une année scolaire soit un financement ou de subventionnement y compris un agrément provisoire d'une année scolaire.
   L'autorité informe sans tarder les personnes concernées pendant l'année scolaire d'agrément provisoire de la décision de l'autorité compétente sur l'agrément, le financement ou le subventionnement à partir de l'année scolaire suivante.]4

  § 3. [5 Faisant suite aux informations fournies par l'autorité scolaire via le règlement d'école, l'autorité informe les élèves et les personnes concernées sur la modernisation de l'enseignement secondaire et sur les effets de sa mise en oeuvre à partir du 1er septembre 2019 sur la structure et l'organisation de l'offre d'enseignement dans l'école en question, en vue d'une carrière scolaire optimale de l'élève.]5
  
Art. 112. [1 In het school- of centrumreglement moeten, voor zover van toepassing, minimaal de volgende onderdelen worden opgenomen:
   1° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot volgende leerlinggebonden materies:
   a) toelatingen;
   b) afwijkingen, vrijstellingen en andere flexibiliseringsmaatregelen binnen het curriculum;
   c) aan- en afwezigheden;
   d) de opzet en de procedure van de screening en trajectbegeleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd;
   2° de lesspreiding en de vakantie- en verlofregeling voor leerlingen;
   3° de krachtlijnen inzake extra-murosactiviteiten, leerlingenstages, werkplekleren en school- of centrumvervangende onderwijsprogramma's;
   4° de samenwerking met andere onderwijsinstellingen, vormingsinstellingen of organisaties voor zover rechtstreekse impact op leerlingen;
   5° [2 het tijdelijk onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs, met vermelding dat de betrokken personen op die onderwijsvoorzieningen zullen worden gewezen in het geval dat de leerling aan de gestelde voorwaarden voldoet om er recht op te hebben;]2
   6° de financiële bijdrageregeling voor de betrokken personen, de mogelijke afwijkingen en de contactpersoon binnen de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen voor vragen of opmerkingen dienaangaande;
   7° de inspraakmogelijkheden voor de betrokken personen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
   8° de voorwaarden waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen inzage kunnen uitoefenen in of een toelichting kunnen vragen bij of een kopie kunnen bekomen van de leerlingengegevens, waaronder de evaluatiegegevens;
   9° de organisatie van de leerlingenevaluatie, meer bepaald:
   a) de vermelding dat de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in de loop van het schooljaar op regelmatige basis of tijdig zal communiceren over:
   1) [9 de basisprincipes van het school- of centrumbeleid met betrekking tot leerlingenevaluatie, met inbegrip van, desgevallend, de leerstofonderdelen die via interactief afstandsonderwijs worden aangeboden, waaronder voor het secundair onderwijs de beslissing van de klassenraad wordt verstaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval;]9
  [10 1)/1 de wijze waarop de klassenraad, onverminderd de bepalingen van artikel 115/8, § 2, tweede lid, 4°, bij de leerlingenevaluatie al dan niet rekening houdt met de resultaten van de Vlaamse toetsen;]1
0
   2) de studievorderingen van de leerling;
   3) de voor de leerling noodzakelijke remediëring;
   4) de tijdstippen waarop examens en andere evaluatieopdrachten over grotere leerstofonderdelen, waardoor de lessen worden geschorst, plaatsvinden;
   5) de vorm waaronder examens en andere evaluatieopdrachten worden georganiseerd;
   6) de, met het oog op examens en andere evaluatieopdrachten, te beheersen materies;
   7) de regeling als de leerling door overmacht of gewettigd verlet een examen of andere evaluatieopdracht niet kan volbrengen;
   b) de vermelding dat de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs [4 of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen elke genomen beslissing van de klassenraad]4 waarbij aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend, schriftelijk motiveren; de vermelding dat, op vraag van de betrokken personen, binnen een aangeduide termijn een overleg zal plaatsvinden en de vermelding van de mogelijkheid tot beroep na desbetreffend overleg;
   c) de mogelijkheid voor de betrokken personen tot beroep tegen een beslissing van [4 de klassenraad]4 waarbij aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend; worden met betrekking tot het beroep eveneens vermeld: de procedure met overeenkomstige redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de principes inzake werking, met inbegrip van de stemprocedure, en samenstelling van een beroepscommissie;
   10° de lokale leefregels op materieel en immaterieel vlak, met inbegrip van:
   a) de tucht- of andere maatregelen die ten aanzien van de leerling kunnen worden genomen bij regelschending. Met betrekking tot tuchtmaatregelen moeten eveneens worden vermeld:
   1) de regels inherent aan tuchtrechtspleging;
   2) de mogelijkheid voor de betrokken personen tot beroep tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting; worden met betrekking tot het beroep eveneens vermeld: de procedure met overeenkomstige redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de principes inzake werking, met inbegrip van de stemprocedure, en samenstelling van een beroepscommissie;
   3) de opvangregeling;
   4) de mogelijke school- of centrumuitschrijving;
   b) de plicht voor de leerling om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;
   c) de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen en centra opgelegde rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding;
  [13 d) de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen en centra opgelegde verbod op slimme apparaten, vermeld in artikel 113, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het verbod op het gebruik van slimme apparaten;]13
   11° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen ten aanzien van betwiste beslissingen buiten beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie;
   12° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot reclame en sponsoring;
   13° een engagementsverklaring waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal;
   14° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe school tenzij, en voor zover de regelgeving de overdracht niet verplicht stelt, de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na op hun verzoek deze gegevens te hebben ingezien;
  [2 15° [8 [11 de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte te brengen van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag;]11]8]2
  [3 16° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerkt en de concrete afspraken over de dienstverlening van de leerlingenbegeleiding;
   17° de krachtlijnen inzake de visie en werking van de school of het centrum van deeltijds beroepssecundair onderwijs binnen het gevoerde beleid op leerlingenbegeleiding.[12 Als de school of het centrum een beleid op afzondering en fixatie als vermeld in artikel 123/24/1 heeft, wordt dit beleid uitdrukkelijk opgenomen in de krachtlijnen van het beleid op leerlingenbegeleiding.]12]3

  [7 18° de vermelding dat de betrokken personen, in voorkomend geval, de school onmiddellijk op de hoogte brengen van het feit dat de medische toestand van de leerling die is ingeschreven in een opleiding waar voedingsmiddelen worden verwerkt, een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van de school de leerling hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen en naar een andere opleiding moet overstappen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de schooldirecteur en dat de schooldirecteur en de personeelsleden van de school die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens.]7
  [11 19° dat er leersteun kan geboden worden voor leerlingen met een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is.]11
   Met betrekking tot het positieve engagement van de betrokken personen ten aanzien van de onderwijstaal wordt alleszins vermeld dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren, maar kunnen andere bepalingen worden toegevoegd mits daarover een akkoord is bereikt in het bevoegde lokaal overlegplatform of, voor scholen en centra gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, mits daarover een akkoord is bereikt met ten minste twee derde van de scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.
   Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt gewezen op de koppeling aan [6 de selectieve participatietoeslagen leerling]6 en de mogelijkheid tot niet-toekenning of terugvordering ervan. Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt bovendien in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd ook vermeld dat de betrokken personen het principe van het voltijds engagement moeten naleven, wat enerzijds impliceert dat de leerling de gekozen opleiding daadwerkelijk en regelmatig volgt, behalve in geval van gewettigde afwezigheid, en anderzijds dat de leerling bereid is zich onvoorwaardelijk te schikken naar alle mogelijke maatregelen die door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of [4 het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 worden genomen om de component werkplekleren ononderbroken een zinvolle invulling te geven.]1
  
Art. 112. [1 Le règlement d'école ou de centre doit, si applicable, comprendre les parties suivantes :
   1° les principes de base de la politique scolaire relative aux matières liées aux élèves :
   a) les permissions ;
   b) les dérogations, dispenses et autres mesures de flexibilisation au sein du programme d'études ;
   c) les présences et absences ;
   d) l'objectif et la procédure du screening et de l'accompagnement de parcours dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et dans l'apprentissage ;
   2° l'étalement des cours ainsi que le régime des vacances et congés pour les élèves ;
   3° les lignes directrices des activités extra-muros, des stages d'élève, de l'apprentissage sur le lieu du travail et des programmes d'enseignement en substitution de l'école ou du centre ;
   4° la coopération avec d'autres établissements d'enseignement, institutions de formation ou organisations pour autant qu'ils aient un impact direct sur les élèves ;
   5° [2 l'enseignement temporaire en milieu familial et l'enseignement synchrone via internet, tout en signalant que les personnes concernées seront informées de ces formes d'enseignement au cas où l'élève répond aux conditions pour y prétendre ;]2
   6° le régime de contribution financière pour les personnes intéressées, les dérogations éventuelles et les personnes de contact dans l'école, le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises pour des questions ou observations à ce sujet ;
   7° les possibilités de participation pour les personnes intéressées dans l'école ou le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ;
   8° les conditions auxquelles l'élève intéressée et les personnes intéressées peuvent consulter ou s'informer ou obtenir une copie des données des élèves, y compris les données d'évaluation ;
   9° l'organisation de l'évaluation des élèves, notamment :
   a) la mention que l'école, le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises communiquera à intervalles réguliers et à temps sur :
   1) [9 les principes de base de la politique de l'école ou du centre relative à l'évaluation des élèves, y compris le cas échéant les éléments du programme d'études proposés par le biais de l'enseignement interactif à distance, par laquelle on entend, pour l'enseignement secondaire, la décision du conseil de classe si l'élève a suffisamment atteint ou poursuivi les objectifs prévus par ou en vertu du décret ou de la législation, le cas échéant ;]9
  [10 1)/1 la manière dont le conseil de classe, sans préjudice des dispositions de l'article 115/8, § 2, alinéa 2, 4°, tient compte ou non des résultats aux tests flamands dans l'évaluation des élèves ;]1
0
   2) la progression de l'élève ;
   3) la remédiation nécessaire pour l'élève ;
   4) les moments auxquels ont lieu des examens et d'autres modes d'évaluation sur des parties de matières plus importantes, entraînant la suspension des cours ;
   5) la forme dans laquelle les examens et les autres modes d'évaluation sont organisés ;
   6) les matières à maîtriser en vue des examens et des autres modes d'évaluation ;
   7) le règlement si l'élève ne peut pas passer un examen ou un autre mode d'évaluation en cas d'absence justifiée ou appréciée comme cas de force majeure ;
   b) la mention que l'école, le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel [4 ou le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises motivent par écrit toute décision prise par le conseil de classe]4 refusant d'attribuer la validation escomptée des études ; la mention que, sur la demande des personnes intéressées, dans un délai imparti, une concertation aura lieu et la mention du recours éventuel après la concertation en question ;
   c) la possibilité de recours pour les personnes intéressées contre une décision prise par, [4 le conseil de classe]4 refusant d'attribuer à l'élève la validation des études envisagée ; sont également mentionnées par rapport au recours : la procédure et les délais raisonnables et faisables, les formalités, les principes en matière du fonctionnement, y compris la procédure de vote et la composition de la commission de recours ;
   10° les règles de vie locales au niveau matériel et immatériel, y compris :
   a) les mesures disciplinaires ou autres qui peuvent être prises à l'égard de l'élève en cas de transgression des règles. Pour ce qui concerne les mesures disciplinaires doivent également être mentionnées :
   1) les règles inhérentes à la procédure disciplinaire ;
   2) la possibilité de recours pour les personnes intéressées contre une décision d'exclusion définitive ; sont également mentionnées par rapport au recours : la procédure et les délais raisonnables et faisables, les formalités, les principes en matière du fonctionnement, y compris la procédure de vote et la composition de la commission de recours ;
   3) le règlement d'accueil ;
   4) la désinscription éventuelle de l'école ou du centre ;
   b) l'obligation de l'élève de s'abstenir de tout acte de violence, ou de harcèlement moral ou sexuel ;
   c) les accords sur l'interdiction de fumer imposée par décret aux écoles et centres, le contrôle du respect de l'interdiction et les sanctions éventuelles en cas de violation de l'interdiction ;
  [13 d) les accords relatifs à l'interdiction d'appareils intelligents, imposée aux écoles et aux centres par décret, visée à l'article 113, le contrôle du respect de cette interdiction, et les sanctions qui peuvent être imposées en cas de violation de l'interdiction d'utilisation des appareils intelligents ;]13
   11° les possibilités de recours éventuelles pour les personnes intéressées contre les décisions contestées, à l'exception des décisions relatives à l'exclusion définitive ou l'évaluation des élèves ;
   12° les principes de base de la politique scolaire relative à la publicité et au sponsoring ;
   13° une déclaration d'engagement dans laquelle des engagements mutuels sont formulés sur les contacts parents, la présence régulière et la politique de lutte contre l'absentéisme scolaire, les formes d'accompagnement individuel de l'élève et l'engagement positif vis-à-vis de la langue d'enseignement ;
   14° la mention qu'en cas de changement d'école, les données des élèves sont transmises à la nouvelle école, à moins que, et pour autant que la réglementation n'impose pas le transfert, les personnes intéressées s'y opposent explicitement après avoir consulté ces données;
  [2 15° [8 [11 l'indication selon laquelle, en cas de changement d'école, l'école est tenue d'informer l'école où l'élève est à présent inscrit de l'existence et du contenu d'un rapport IAC, d'un rapport OV4 ou d'un rapport GC ; ]11;]8]2
  [3 16° les coordonnées du centre d'encadrement des élèves avec lequel l'école ou le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel coopère et les arrangements concrets relatifs à la prestation de services d'encadrement des élèves ;
   17°[12 Si l'école ou le centre a une politique en matière d'isolement et de contention telle que visée à l'article 123/24/1, cette politique est explicitement reprise dans les lignes directrices de la politique d'encadrement des élèves.]12]3

  [7 18° la mention indiquant que les personnes concernées, le cas échéant, informent immédiatement l'école du fait que l'état de santé de l'élève inscrit à une formation où des denrées alimentaires sont transformées, comporte un risque de contamination (in)directe des denrées alimentaires, de sorte que, suite à une décision de l'école, l'élève il se trouve soit temporairement exclu de certaines composantes de la formation ou soit il ne peut plus suivre la formation en général et doit passer à un autre cours de formation. Il est également précisé que les données relatives à l'état de santé sont traitées sous la responsabilité du directeur de l'école et que le directeur de l'école et les membres du personnel de l'école qui traitent ces données relatives à l'état de santé sont tenus au secret à l'égard de ces données.]7
  [11 19° la possibilité de fournir un soutien à l'apprentissage pour les élèves en possession d'un rapport IAC, d'un rapport OV4 ou d'un rapport GC et le centre de soutien à l'apprentissage l'école auquel l'école est affiliée.]11
   Pour ce qui est de l'engagement positif des personnes intéressées vis-à-vis de la langue d'enseignement, il est en tout cas mentionné que les élèves sont encouragés à apprendre le néerlandais, mais d'autres dispositions peuvent être ajoutées à condition qu'un accord soit atteint à ce sujet dans la plate-forme locale de concertation compétente ou, pour les écoles et centres situés dans une commune où aucune plate-forme locale de concertation n'a été installée, à condition qu'un accord soit atteint à ce sujet dans au moins deux tiers des écoles et centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.
   Pour ce qui est de la présence régulière et de la politique de lutte contre l'absentéisme scolaire, il est fait mention du lien avec les [6 allocations de participation sélectives d'élève]6 et de la possibilité de non-attribution ou de leur recouvrement. Pour ce qui est de la présence régulière et de la politique de lutte contre l'absentéisme scolaire, il est fait mention dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage que les intéressés doivent respecter le principe de l'engagement à temps plein, ce qui implique d'une part que l'élève suit effectivement et régulièrement la formation choisie, sauf en cas d'absence légitimée, et d'autre part que l'élève est prêt à se conformer inconditionnellement à toute mesure prise par le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou [4 le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ]4 afin de concrétiser utilement et de manière ininterrompue la composante apprentissage sur le lieu du travail.]1
  
Hoofdstuk 2/1. [1 Het verbod op het gebruik van slimme apparaten]1
Chapitre 2/1. [1 L'interdiction d'utilisation des appareils intelligents]1
Art. 113. [1 § 1. Het is leerlingen in de eerste en tweede graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 4, in opleidingsvorm 1 buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 2 buitengewoon secundair onderwijs en de observatiefase en opleidingsfase van opleidingsvorm 3 buitengewoon secundair onderwijs verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de periode van de normale aanwezigheid van de leerlingen op school.
   Voor de toepassing van dit artikel is de normale aanwezigheid van de leerlingen op school, de volledige periode voor de aanvang van de lessen 's morgens tot het einde van de laatste les van de lesdag.
   In afwijking van het eerste lid is het gebruik van slimme apparaten toegestaan in de volgende gevallen:
   1° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;
   2° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of omwille van medische redenen;
   3° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, tijdens extra-murosactiviteiten;
   4° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, voor individuele leerlingen, in de tweede graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, omwille van persoonlijke omstandigheden.
   § 2. Het is leerlingen van de derde graad van het voltijds gewoon en opleidingsvorm 4 buitengewoon secundair onderwijs, de kwalificatiefase en facultatieve integratiefase van opleidingsvorm 3 buitengewoon secundair onderwijs en in de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, verboden om slimme apparaten te gebruiken tijdens de lessen.
   In afwijking van het eerste lid is het gebruik van slimme apparaten toegestaan in de volgende gevallen:
   1° voor onderwijsdoeleinden die de school bepaalt;
   2° in het kader van redelijke aanpassingen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of omwille van medische redenen;
   3° mits toestemming van de directie of zijn afgevaardigde, voor individuele leerlingen, omwille van persoonlijke omstandigheden.]1

  
Art. 113. [1 § 1er. Il est interdit aux élèves du premier et deuxième degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et de l'enseignement secondaire spécialisé, forme d'enseignement 4, de la forme d'enseignement 1 de l'enseignement secondaire spécialisé, de la forme d'enseignement 2 de l'enseignement secondaire spécialisé et des phase d'observation et phase de formation de la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire spécialisé, d'utiliser des appareils intelligents pendant la période de la présence normale des élèves à l'école.
   Pour l'application du présent article, la présence normale des élèves à l'école est toute la période précédant le début des cours le matin jusqu'à la fin du dernier cours du jour de classe.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, l'utilisation des appareils intelligents est autorisée dans les cas suivants :
   1° pour des objectifs pédagogiques déterminés par l'école ;
   2° dans le cadre d'aménagements raisonnables pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques ou pour des raisons médicales ;
   3° moyennant l'autorisation de la direction ou de son délégué, pendant des activités extra-muros ;
   4° moyennant l'autorisation de la direction ou de son délégué, pour des élèves individuels, dans le deuxième degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, pour des circonstances personnelles.
   § 2. Il est interdit aux élèves du troisième degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et de l'enseignement secondaire spécialisé, forme d'enseignement 4, de la phase de qualification et de la phase facultative d'intégration de la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire spécialisé, et dans les formations Soins infirmiers et Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel, d'utiliser des appareils intelligents pendant les cours.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, l'utilisation des appareils intelligents est autorisée dans les cas suivants :
   1° pour des objectifs pédagogiques déterminés par l'école ;
   2° dans le cadre d'aménagements raisonnables pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques ou pour des raisons médicales ;
   3° moyennant l'autorisation de la direction ou de son délégué, pour des élèves individuels, pour des circonstances personnelles.]1

  
HOOFDSTUK 3. [1 - Toelatingsvoorwaarden, evaluatie en studiebekrachtiging]1
CHAPITRE 3. [1 - Conditions d'admission, évaluation et validation des études]1
Art. 115. [1 § 1.]1 Voor het secundair onderwijs, erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap bepaalt de Vlaamse Regering, tenzij bij decreet bepaald :
  1° de toelatings- en overgangsvoorwaarden;
  2° de bekrachtiging van de studie;
  3° de studiebewijzen, alsmede de vorm en de vermeldingen erop;
  [2 4° de samenstelling, de werking en de bevoegdheden van de klassenraad.]2
  [3 [4 ...]4
   Indien aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), toch de reguliere studiebewijzen worden gegeven, zal voorafgaand aan de uitreiking van deze studiebewijzen, de overeenkomst van de doelen opgenomen in het individuele curriculum met de leerplandoelen van het overeenkomstige structuuronderdeel voorgelegd moeten worden aan de onderwijsinspectie.]3

  [4 ...]4
  [1 § 2. Een welbepaalde bekrachtiging van de studie impliceert dat de betrokken leerling geacht wordt het overeenkomstig studietraject volledig en met vrucht te hebben doorlopen, ongeacht het tijdstip van aansluiting bij dat traject en ongeacht het feit of dat traject uit leerjaren of een ander ordeningscriterium bestaat.]1
  
Art. 115. [1 § 1er.]1 Pour l'enseignement secondaire agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande, le Gouvernement flamand détermine, sauf disposition contraire décrétalement prévue :
  1° les conditions d'admission et de transition;
  2° la validation des études;
  3° les titres, ainsi que leur forme et mentions;
  [2 4° la composition, le fonctionnement et les compétences du conseil de classe.]2
  [3 [4 ...]4
   Si les titres réguliers sont même donnés aux élèves cités à l'article 252, § 1er, b), la concordance des objectifs repris dans le programme individuel avec les objectifs du programme d'études de la subdivision structurelle devra être soumise à l'Inspection de l'Enseignement préalablement à la délivrance de ces titres.]3

  [4 ...]4
  [1 § 2. Une validation déterminée des études implique, que l'élève concerné est censé avoir parcouru entièrement et avec fruit le parcours de formation correspondant, quel que soit le moment de son entrée dans le parcours et quel que soit le mode de composition de ce parcours, des années d'études ou autre critère de classement.]1
  
Art. 115/2. [1 [2 De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de studiebewijzen vastgelegd in uitvoering van artikel 115, § 1, eerste lid, 2° en 3°.]2
   Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :
   1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald;
   2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]1

  
Art. 115/2. [1 [2 Le Gouvernement flamand peut établir l'équivalence générale de titres étrangers avec les titres établis en exécution de l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°.]2
   Lors de l'établissement de l'équivalence générale, le Gouvernement flamand tient compte :
   1° des qualifications d'enseignement décrites en vertu du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. A défaut des qualifications d'enseignement, le Gouvernement flamand utilise comme cadre de référence, le cas échéant, les objectifs finaux, les objectifs de développement, les objectifs finaux spécifiques, les objectifs, les profils de formation ou les contenus didactiques minimums définis par des lois, décrets ou réglementations fédéraux ou flamands;
   2° ou des niveaux et descripteurs de niveau tels que visés par le décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]1

  
Art. 115/3. [1 [3 De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 115/2 zijn opgenomen, met de studiebewijzen vastgelegd in uitvoering van artikel 115, § 1, eerste lid, 2° en 3°.]3
   De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :
   1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald, als referentiekader gebruikt;
   2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]1

  [2 De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Indien een onderzoek wordt gevraagd naar de gelijkwaardigheid met aanduiding van een structuuronderdeel bedraagt de financiële bijdrage 180 euro per aanvraag en per studiebewijs. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. De bedragen worden afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan de bedragen verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.]2
  
Art. 115/3. [1 [3 Le Gouvernement flamand arrête les conditions et la procédure, y compris une procédure de recours, de reconnaissance de l'équivalence individuelle de titres étrangers qui n'ont pas été repris dans un arrêté tel que visé à l'article 115/2 avec les titres établis en exécution de l'article 115, § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°.]3
   Le Gouvernement flamand garantit qu'il est tenu compte dans cette procédure :
   1° des qualifications d'enseignement décrites en vertu du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. A défaut des qualifications d'enseignement, les objectifs finaux, les objectifs de développement, les objectifs finaux spécifiques, les objectifs, les profils de formation ou les contenus didactiques minimums définis par des lois, décrets ou réglementations fédéraux ou flamands, sont utilisés, le cas échéant, comme cadre de référence;
   2° ou des niveaux et descripteurs de niveau tels que visés par le décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]1

  [2 La contribution financière que le titulaire d'un titre étranger doit payer à l'autorité de reconnaissance pour un examen relatif à la reconnaissance de l'équivalence du titre étranger s'élève à 90 euros par demande et par titre. Lorsqu'il est demandé un examen de l'équivalence avec indication d'une subdivision structurelle, la contribution financière s'élève à 180 euros par demande et par titre. Ce montant est annuellement adapté à l'évolution de l'indice santé. La date de référence pour l'ajustement annuel est le 1er septembre 2013. Les montants sont arrondis à l'unité la plus proche. Le Gouvernement flamand peut réduire le montant pour des groupes cibles spécifiques. Pour les demandeurs d'asile, les réfugiés et les bénéficiaires de la protection subsidiaire, la demande de reconnaissance est gratuite. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions d'une procédure accélérée de reconnaissance de l'équivalence individuelle de titres étrangers. Le Gouvernement flamand peut augmenter le montant jusqu'à 500 euros au maximum, si le titulaire du titre étranger opte pour cette procédure accélérée.]2
  
Art. 115/5. [1 Een beslissing van de delibererende klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om de omstreden beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren uiterlijk op 31 augustus van het schooljaar in kwestie. In afwijking hiervan is dat uiterlijk 15 februari van het schooljaar in kwestie als de omstreden beslissing betrekking heeft op een [2 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs dat]2 eindigt op 31 januari. In het geval de dan genomen beslissing afwijkt van de door het schoolbestuur omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld. Als die afwijkende beslissing door de betrokken personen omstreden is, kunnen ze beroep instellen, waarbij de bepalingen van artikel 123/15 tot en met 123/18 van toepassing zijn.]1
  
Art. 115/5. [1 Une décision du conseil de classe délibérant contre laquelle les personnes concernées n'ont introduit de recours ou un recours irrecevable peut être considérée comme controversée par l'autorité scolaire. Dans ce cas, l'autorité de l'école peut demander au conseil de classe de se réunir à nouveau pour réexaminer la décision contestée. La nouvelle réunion doit avoir lieu au plus tard le 31 août de l'année scolaire en question. Par dérogation, c'est au plus tard le 15 février de l'année scolaire en question si la décision contestée concerne une [2 7e année d'études de l'enseignement secondaire technique ou artistique]2 se terminant le 31 janvier. Si la décision prise alors diffère de la décision contestée par l'autorité scolaire, elle est immédiatement communiquée par écrit et de manière motivée aux personnes concernées. Si cette décision divergente est contestée par les personnes concernées, celles-ci peuvent former un recours, auquel cas les dispositions des articles 123/15 à 123/18 sont applicables.]1
  
Art. 115/6. [1 § 1. [2 ...]2
   § 2. De school- en centrumbesturen zijn bevoegd voor de regeling van het evaluatiestelsel.
   In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering:
   1° de organisatie van specifieke examens of andere evaluatieopdrachten opleggen;
   2° de maximumduur bepalen van schorsing van lessen wegens examens, andere evaluatieopdrachten of evaluatiegebonden activiteiten;
   3° bepalen onder welke voorwaarden een beslissing over het al dan niet geslaagd zijn, kan worden uitgesteld;
   4° het slagen voor een structuuronderdeel afhankelijk stellen van het behalen van externe certificering. Onder externe certificering wordt verstaan: het toekennen aan leerlingen, voor zover ze geslaagd zijn voor bepaalde programmaonderdelen, van studiebewijzen die buiten de onderwijsregelgeving vallen en gerelateerd zijn aan beroepsuitoefeningvoorwaarden.
  [3 Bij een evaluatiebeslissing van de klassenraad geldt steeds een vermoeden van deskundigheid.]3
   § 3. De betrokken personen nemen het evaluatieresultaat in ontvangst op een in het school- of centrumreglement vastgelegde datum en wijze. Het school- of centrumbestuur wijkt af van die datum voor individuele gevallen als de beslissing tot stand komt na uitstel of na beroep; in voorkomend geval stelt het school- of centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk in kennis van de voorziene ontvangstdatum. Bij het niet in ontvangst nemen door de betrokken personen wordt het evaluatieresultaat geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum.
   § 4. Als het evaluatieresultaat inhoudt dat aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend, dan is de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs ertoe gehouden:
   1° aan de betrokken personen een schriftelijke motivering te geven;
   2° de betrokken personen schriftelijk te verwijzen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure doch enkel mits voorafgaandelijk overleg, vermeld in 3°, te hebben gepleegd;
   3° met de betrokken personen te overleggen op hun vraag.
   Het overleg, bedoeld in 3°, vindt plaats tussen de directeur of zijn afgevaardigde en de betrokken personen binnen een redelijke termijn nadat die laatsten het evaluatieresultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het school- of centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Het overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen. Nadat de klassenraad al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, beslist diezelfde klassenraad om het oorspronkelijk evaluatieresultaat te bevestigen of door een ander evaluatieresultaat te vervangen. De betrokken personen nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen op de voorziene datum door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen.
   § 5. [2 De school -en centrumbesturen kennen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe in uitvoering van de evaluatiebeslissingen van klassenraden of, in voorkomend geval, de beslissingen van beroepscommissies die worden genomen naar aanleiding van beroepen die door betrokken personen zijn ingediend.]2]1

  
Art. 115/6. [1 § 1er. [2 ...]2
   § 2. Les autorités des écoles et des centres ont la faculté de déterminer le régime d'évaluation.
   Par dérogation au premier alinéa, le Gouvernement flamand peut :
  1° imposer l'organisation d'examens spécifiques ou d'autres modes d'évaluation ;
   2° déterminer la durée maximale de la suspension des cours à cause d'examens, d'autres modes d'évaluation ou d'activités liées à l'évaluation ;
   3° déterminer les conditions auxquelles une décision relative à la réussite ou la non-réussite peut être différée;
   4° subordonner la réussite d'une subdivision structurelle à l'obtention d'une certification externe. Par certification externe, il faut entendre : l'octroi aux élèves, pour autant qu'ils aient réussi certaines subdivisions de programme, de titres tombant en dehors de la réglementation de l'enseignement et liés à des conditions d'exercice professionnel.
  [3 Toute décision d'évaluation du conseil de classe est toujours subordonnée à une présomption de compétence.]3
   § 3. Les intéressés reçoivent les résultats d'évaluation à une date et d'une façon stipulées dans le règlement d'école ou du centre. L'autorité scolaire ou la direction du centre déroge à cette date pour des cas individuels si la décision a été prise après un report ou un recours ; le cas échéant, l'autorité d'école ou la direction du centre informe les intéressés par écrit de la date de réception prévue. Au cas où les intéressés n'accusent pas réception du résultat d'évaluation, ce résultat est toutefois censé avoir été reçu à la date de réception prévue.
   § 4. Si le résultat d'évaluation implique que l'élève n'obtient pas la validation des études envisagée, l'école ou le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est obligé de :
   1° motiver par écrit la décision prise aux personnes intéressées ;
   2° aiguiller par écrit les personnes intéressées vers la possibilité de recours suivant la procédure prescrite mais uniquement après concertation préalable, visée au point 3° ;
   3° se concerter avec les intéressés à leur demande.
   La concertation, visée au 3°, a lieu entre le directeur ou son délégué et les intéressés dans un délai raisonnable après que ces derniers ont obtenu le résultat d'évaluation. Le délai est fixé dans le règlement d'école ou de centre. De cette concertation, un rapport écrit est établi. La concertation peut avoir pour conséquence que le directeur ou son délégué décide de reconvoquer le conseil de classe. Après leur avoir fait passer des épreuves ou tests complémentaires ou non, ce même conseil de classe décide de confirmer le résultat d'évaluation initial ou de le remplacer par un autre résultat d'évaluation. Les intéressés accusent réception par écrit de la décision de ne pas reconvoquer le conseil de classe ou de la décision du conseil de classe qui s'est réuni une nouvelle fois. Au cas où les intéressés n'accusent pas réception du résultat d'évaluation à la date prévue, la décision est censée avoir été reçue.
   § 5. [2 Les autorités scolaires et de centres attribuent les certificats valables de plein droit en exécution des décisions d'évaluation de conseils de classes ou, le cas échéant, des décisions de commissions de recours prises à la suite de recours introduits par les personnes concernées.]2]1

  
Art. 115/7. [1 De scholen zijn ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren studiebewijs aan de houder van het studiebewijs. Het attest vermeldt de datum van uitreiking van het studiebewijs.
   Personen die met toepassing van de wetgeving over de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de scholen waar ze een studiebewijs hebben behaald of bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap een verzoek indienen om het studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam.
   Bij de aanvraag wordt het oorspronkelijk behaalde studiebewijs ingeleverd en worden stukken gevoegd die de naamswijziging aantonen.]1

  
Art. 115/7. [1 Les écoles sont autorisées à conférer, au porteur du titre, une attestation en remplacement d'un titre perdu. L'attestation mentionne la date de délivrance du titre.
   Les personnes ayant obtenu, en application de la législation relative aux noms et prénoms, une modification de leur nom ou prénom, peuvent introduire, auprès des écoles où ils ont obtenu un titre ou auprès du service compétent de la Communauté flamande, une demande pour faire remplacer le titre par un titre portant leur nouveau nom.
   La demande doit être assortie du titre original obtenu et des pièces prouvant le changement du nom.]1

  
HOOFDSTUK 3/1. [1 De Vlaamse toetsen.]1
CHAPITRE 3/1. [1 Les tests flamands.]1
Art. 115/8. [1 § 1. In het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, nemen de volgende leerlingen deel aan de Vlaamse toetsen:
   1° leerlingen in het tweede leerjaar van de eerste graad: vanaf het schooljaar 2023-2024;
   2° leerlingen in het tweede leerjaar van de derde graad: vanaf het schooljaar 2026-2027.
   In afwijking van het eerste lid zijn de leerlingen met een individueel aangepast curriculum vrijgesteld van deelname aan de Vlaamse toetsen, behalve wanneer de school of het centrum beslist om ze toch te laten deelnemen.
   In afwijking van het eerste lid kan de klassenraad beslissen tot een gemotiveerde vrijstelling van deelname aan de Vlaamse toetsen van de leerlingen die zijn ingeschreven in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon onderwijs.
   Een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan beslissen haar leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3 wel te laten deelnemen aan de Vlaamse toetsen. In het voltijds gewoon secundair onderwijs kan een school of een centrum beslissen om anderstalige nieuwkomers te laten deelnemen aan de Vlaamse toetsen.
   De Vlaamse toetsen worden ontwikkeld door het bevoegde steunpunt met betrokkenheid van de onderwijsverstrekkers en kunnen van zodra technisch mogelijk door deze onderwijsverstrekkers worden aangevuld met eigen items in functie van een eigen kwaliteitszorgsysteem. De Vlaamse overheid stelt de Vlaamse toetsen, met inbegrip van oefentoetsen, ter beschikking van de scholen en de centra die ze digitaal en op basis van instructies bij hun leerlingen afnemen. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de praktische organisatie van de Vlaamse toetsen.
   De Vlaamse toetsen omvatten een selectie van de eindtermen, vermeld in artikel 139, [2 en de specifieke eindtermen, vermeld in artikel 145,]2 die van toepassing zijn in de A-stroom of de B-stroom van de eerste graad of in de finaliteit van de derde graad, naargelang van het geval. [2 Bij het toetsen van specifieke eindtermen in de derde graad worden de cesuurdoelen die zijn vastgelegd in het protocolakkoord zoals bedoeld in artikel 145, vierde lid, en waarvan de inhoud uitsluitend in de tweede graad aan bod komt, uitgesloten.]2
   De selectie van de eindtermen, vermeld in het zesde lid, wordt gemaakt uit minstens de volgende sleutelcompetenties: competenties in het Nederlands; wiskundige competenties uit de competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie, en leercompetenties. De Vlaamse Regering beslist over de uitbreiding van voormelde sleutelcompetenties.
  [2 De selectie van de specifieke eindtermen, vermeld in het zesde lid, wordt gemaakt uit minstens de wetenschapsdomeinen wiskunde en moderne talen. Voor het wetenschapsdomein moderne talen heeft die selectie betrekking op Nederlands. De Vlaamse Regering beslist over de uitbreiding van die wetenschapsdomeinen.]2
   [2 De Vlaamse toetsen houden rekening met de eindtermen en specifieke eindtermen en met de gelijkwaardig verklaarde vervangende eindtermen en specifieke eindtermen]2.
   § 2. De Vlaamse toetsen hebben tot doel de onderwijskwaliteit te versterken en te monitoren door het bereiken van de eindtermen, vermeld in artikel 139, [2 de specifieke eindtermen, vermeld in artikel 145, naargelang van het geval,]2 en de leer
   De resultaten van de Vlaamse toetsen worden op de volgende wijze gebruikt:
   1° op Vlaams niveau als bron van informatie over de onderwijskwaliteit, meer bepaald de mate waarin de eindtermen [2 en de specifieke eindtermen]2 bereikt worden, de mate waarin leerwinst gegenereerd wordt en als element van kwaliteitszorg op systeemniveau;
   2° op niveau van de school of het centrum als element van interne en externe kwaliteitszorg:
   a) als een van de elementen in de interne kwaliteitszorg van de school of het centrum. De school of het centrum, en het school- of centrumbestuur zullen daartoe haar eigen feedbackrapport met gecontextualiseerde resultaten op een beveiligde manier kunnen consulteren;
   b) als een van de elementen in de werking van de pedagogische begeleidingsdiensten, vermeld in artikel 15, § 1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
   c) als een van de elementen in de werking van de onderwijsinspectie, meer bepaald de doorlichtingen, vermeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs;
   3° op niveau van de leerlingengroep als een van de elementen voor reflectie over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolteam;
   4° op leerlingniveau als een van de mogelijke elementen waarmee de klassenraad rekening kan houden bij de evaluatie. De resultaten op leerlingniveau worden niet als enige criterium voor de evaluatie gebruikt.
   § 3. Leerlingen die recht hebben op redelijke aanpassingen of speciale onderwijsleermiddelen, gedurende het schooljaar waarin de Vlaamse toetsen worden afgenomen, hebben recht op behoud en gebruik van die aanpassingen en leermiddelen als ze die Vlaamse toetsen afleggen.]1

  
Art. 115/8. [1 § 1er. Dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et dans l'enseignement secondaire spécial, forme d'enseignement 4, les élèves suivants participent aux tests flamands :
   1° élèves en deuxième année d'études du premier degré : à partir de l'année scolaire 2023-2024 ;
   2° élèves en deuxième année d'études du troisième degré : à partir de l'année scolaire 2026-2027.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les élèves bénéficiant d'un programme adapté individuellement sont dispensés de participer aux tests flamands, sauf si l'école ou le centre décide de les laisser participer malgré tout.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil de classe peut décider d'une dispense motivée de participation aux tests flamands pour les élèves inscrits dans l'enseignement spécial, forme d'enseignement 4.
   Une école d'enseignement secondaire spécial peut décider de faire participer ses élèves dans les formes d'enseignement 1, 2 et 3 aux tests flamands. Dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, une école ou un centre peut décider de faire participer les primo-arrivants allophones aux tests flamands.
   Les tests flamands sont développés par l'antenne compétente avec la participation des dispensateurs d'enseignement ; ces derniers peuvent les compléter - selon les possibilités techniques - avec leurs propres éléments dans le cadre de leur propre système d'assurance de la qualité. L'Autorité flamande met les tests flamands, y compris les examens blancs, à la disposition des écoles et des centres, qui les font passer à leurs élèves par voie numérique et sur la base d'instructions. Le Gouvernement flamand peut définir d'autres modalités pour l'organisation pratique des tests flamands.
   Les tests flamands comprennent une sélection des objectifs finaux mentionnés à l'article 139, [2 et des objectifs finaux spécifiques, mentionnés à l'article 145,]2 applicables dans la filière A ou la filière B du premier degré ou dans la finalité du troisième degré, selon le cas. [2 Lors des tests des objectifs finaux spécifiques au troisième degré, les objectifs quant au seuil de réussite fixés dans le protocole d'accord tels que visés à l'article 145, alinéa 4, dont le contenu est abordé uniquement au deuxième degré, sont exclus.]2
   La sélection des objectifs finaux, mentionnée à l'alinéa 6, se fait au moins à partir des compétences clés suivantes : compétences en néerlandais ; compétences mathématiques des compétences en mathématiques, sciences exactes et technologies ; et compétences d'apprentissage. Le Gouvernement flamand décide de l'élargissement des compétences clés susmentionnées.
  [2 La sélection des objectifs finaux spécifiques, mentionnés à l'alinéa 6, se fait au moins à partir des domaines scientifiques mathématiques et langues modernes. Pour le domaine scientifique langues modernes, cette sélection porte sur le néerlandais. Le Gouvernement flamand décide de l'extension de ces domaines scientifiques.]2
  [2 Les tests flamands prennent en compte les objectifs finaux et les objectifs finaux spécifiques, ainsi que les objectifs finaux et objectifs finaux spécifiques de remplacement déclarés équivalents]2.
   § 2. Les tests flamands visent à renforcer et à contrôler la qualité de l'enseignement en mesurant l'atteinte des objectifs finaux, visés à l'article 139, [2 et des objectifs finaux spécifiques, mentionnés à l'article 145, selon le cas,]2 et les gains d'apprentissage aux niveaux suivants.
   Les résultats aux tests flamands seront utilisés comme suit :
   1° au niveau flamand, comme source d'information sur la qualité de l'enseignement, plus particulièrement sur la mesure dans laquelle les objectifs finaux [2 et les objectifs finaux spécifiques]2 sont atteints et les gains d'apprentissage sont générés, et comme élément d'assurance de la qualité au niveau du système ;
   2° au niveau de l'école ou du centre, comme élément de gestion de la qualité interne et externe :
   a) comme l'un des éléments de l'assurance qualité interne de l'école ou du centre. L'école ou le centre, et l'autorité scolaire ou l'autorité du centre pourront consulter à cette fin et en toute sécurité leur propre rapport de retour d'information, comportant des résultats contextualisés ;
   b) comme l'un des éléments du fonctionnement des services d'encadrement pédagogique, mentionnés à l'article 15, § 1er, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ;
   c) comme l'un des éléments du fonctionnement de l'inspection de l'enseignement, plus précisément les audits, mentionnés aux articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ;
   3° au niveau du groupe d'élèves, comme l'un des éléments de réflexion sur l'action pédagogique-didactique au sein de l'équipe scolaire ;
   4° au niveau de l'élève, comme l'un des éléments dont le conseil de classe peut tenir compte dans l'évaluation. Les résultats au niveau de l'élève ne seront pas utilisés comme seul critère d'évaluation.
   § 3. Les élèves qui bénéficient d'aménagements raisonnables ou de matériel éducatif spécial pendant l'année scolaire au cours de laquelle les tests flamands sont passés ont le droit de conserver et d'utiliser ces aménagements et moyens didactiques lors de ces tests flamands.]1

  
Art. 115/9. [1 § 1. Voor de toepassing van artikel 115/8 worden de volgende gegevens verwerkt door de scholen, de centra, de bevoegde diensten van de Vlaamse overheid en het bevoegde steunpunt:
   1° de identificatiegegevens van de deelnemende leerlingen: naam, voornaam en identificatiecode van de leerling;
   2° de individuele toetsresultaten: het antwoord op elke toetsvraag en de daarop gebaseerde totaalscores van de leerling;
   3° de leerlingenkenmerken die nodig zijn voor een juiste interpretatie van de gegevens. Het gaat over de volgende leerlingenkenmerken:
   a) demografische gegevens: geboortejaar, geslacht;
   b) onderwijskansarmoede-indicatoren: opleidingsniveau van de moeder, thuistaal, schooltoelage, trekkende bevolking, leerling met een zorgthuis;
   c) schoolloopbaangegevens: voorafgaande schoolloopbaan, individueel aangepast curriculum, anderstalige nieuwkomer, vrijstelling, gemotiveerd verslag of verslag gemeenschappelijk curriculum, gebruik van hulpmiddelen, administratieve groep, leerlingengroep Nederlands, leerlingengroep wiskunde;
   d) indicatoren van cultureel kapitaal: aantal boeken thuis;
   4° de kenmerken van de school of het centrum waar de leerling is ingeschreven;
   5° de leerlingenkenmerken die nodig zijn voor wetenschappelijk onderzoek waaronder de loggegevens over de toetsafname en de antwoorden op een leerlingenvragenlijst.
   De scholen en centra ontvangen en verwerken die gegevens van de leerlingen die bij hen zijn ingeschreven. De bevoegde diensten van de Vlaamse overheid en het bevoegde steunpunt ontvangen en verwerken de gegevens van de leerlingen, vermeld in het eerste lid.
   De gegevens worden gedurende maximaal tien jaar bewaard op het dataplatform. [2 De gegevens in de registratiemodule worden gedurende maximaal negen maanden bewaard. De gegevens in het toetsplatform worden gedurende maximaal zeven maanden bewaard.]2 De gegevens in de feedbackmodule worden gedurende maximaal twaalf maanden bewaard. Zolang doeleinden van wetenschappelijk onderzoek en statistiek daartoe nopen, worden de gegevens gepseudonimiseerd bewaard. De gepseudonimiseerde persoonsgegevens kunnen onder contractuele voorwaarden doorgegeven worden met het oog op wetenschappelijk onderzoek. Na afloop van de bewaartermijnen worden de persoonsgegevens vernietigd of geanonimiseerd.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor die verwerking en legt de leerlingenkenmerken die verwerkt worden vast.
   § 2. De Vlaamse overheid en het bevoegde steunpunt treden, ieder voor zijn of haar bevoegdheid, op als verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Het bestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens overeenkomstig artikel 123/6, eerste lid, 5°.
   De scholen, de centra, de Vlaamse overheid en het bevoegde steunpunt verwerken de persoonsgegevens om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op hen rust en bepalen, ieder binnen zijn of haar bevoegdheidssfeer, op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden.
   De verwerkingsverantwoordelijken verduidelijken in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren. Zij nemen met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van betrokkenen in hun communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van hun respectieve privacyverklaring. De verwerkingsverantwoordelijken nemen de nodige maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens te garanderen.
   De leerlingen of hun ouders hebben het recht op inzage in en kopie van het feedbackrapport met hun resultaten op de Vlaamse toetsen. De leerlingen of hun ouders hebben het recht op inzage in hun toets, op een manier die de vertrouwelijkheid van de toetsvragen garandeert.]1

  
Art. 115/9. [1 § 1er. Aux fins de l'article 115/8, les données suivantes sont traitées par les écoles, les centres, les services compétents de l'Autorité flamande et l'antenne compétente :
   1° les données d'identification des élèves participants : nom, prénom et code d'identification de l'élève ;
   2° les résultats individuels aux tests : la réponse à chaque question du test et les résultats globaux de l'élève en fonction de ses réponses ;
   3° les caractéristiques de l'élève nécessaires à l'interprétation correcte des données. Il est question ici des caractéristiques suivantes :
   a) données démographiques : année de naissance, sexe ;
   b) indicateurs de défavorisation : niveau de formation de la mère, langue familiale, allocation scolaire, population nomade, élève avec un foyer ;
   c) données sur le parcours scolaire : parcours scolaire antérieur, programme adapté individuellement, primo-arrivant allophone, dispense, rapport motivé ou rapport sur le programme d'études commun, utilisation des ressources, groupe administratif, groupe d'élèves néerlandais, groupe d'élèves mathématiques ;
   d) indicateurs du patrimoine culturel : nombre d'ouvrages à domicile ;
   4° les caractéristiques de l'école ou du centre où l'élève est inscrit ;
   5° les caractéristiques des élèves nécessaires à la recherche scientifique, y compris les données d'identification pour le passage des tests et les réponses à un questionnaire destiné aux élèves.
   Les écoles et les centres reçoivent et traitent les données des élèves inscrits dans leur établissement. Les services compétents de l'Autorité flamande et l'antenne compétente reçoivent et traitent les données des élèves mentionnés à l'alinéa 1er.
   Les données sont conservées pendant dix ans maximum sur la plateforme de données. [2 Les données dans le module d'enregistrement sont conservées pendant neuf mois maximum. Les données au sein de la plateforme de tests sont conservées pendant sept mois maximum.]2 Les données dans le module de retour d'information sont conservées pendant douze mois maximum. Les données seront conservées sous forme pseudonymisée tant que les objectifs de la recherche scientifique et des statistiques l'exigent. Les données à caractère personnel pseudonymisées peuvent, à des conditions contractuelles, être transférées à des fins de recherche scientifique. A l'expiration des délais de conservation, les données à caractère personnel sont détruites ou rendues anonymes.
   Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités pour ce traitement et fixe les caractéristiques des élèves qui peuvent faire l'objet d'un traitement.
   § 2. L'Autorité flamande et l'antenne compétente interviennent, chacune pour sa compétence, en tant que responsable du traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 1er. L'administration de l'établissement d'enseignement ou la partie mandatée est responsable des traitements de données à caractère personnel, conformément à l'article 123/6, alinéa 1er, 5°.
   Les écoles, les centres, l'Autorité flamande et l'antenne compétente traitent les données à caractère personnel pour remplir une obligation légale qui leur incombe et, chacun dans sa sphère de compétence, déterminent de manière transparente leurs responsabilités respectives.
   Les responsables du traitement précisent les traitements effectués dans une déclaration de confidentialité. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, ils incluent dans leur communication avec ces dernières une référence à l'emplacement de leur déclaration de confidentialité respective. Les responsables du traitement prennent les mesures nécessaires pour garantir l'exactitude des données à caractère personnel.
   Les élèves ou leurs parents ont le droit de consulter et d'obtenir une copie du rapport de retour d'expérience avec les résultats aux tests flamands. Les élèves ou leurs parents ont le droit de consulter leurs tests, d'une manière qui garantisse la confidentialité des questions du test.]1

  
Art. 115/10. [1 Het bevoegde steunpunt of de bevoegde diensten van de Vlaamse overheid bezorgen de resultaten op school- of centrumniveau jaarlijks aan de onderwijsinspectie, aan de betrokken pedagogische begeleidingsdienst en aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs. De gegevens van de individuele leerlingen worden daarbij niet opgenomen.
   In afwijking van de algemene regeling in het Bestuursdecreet van 7 december 2018 inzake openbaarheid, delen de leden van de onderwijsinspectie, de personeelsleden van de scholen en de centra, van de Vlaamse overheid, van het bevoegde steunpunt en van de pedagogische begeleidingsdiensten, de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de school- en centrumbesturen, die de resultaten kennen van de Vlaamse toetsen, die resultaten niet mee aan derden.
   In afwijking van het tweede lid mag een school of centrum de eigen school- of centrumresultaten wel bezorgen aan derden die de school of het centrum begeleiden. Deze begeleidende instantie mag op haar beurt de resultaten niet meedelen aan derden.
   In afwijking van het tweede lid kan een school of centrum inzage in haar schoolfeedbackrapport geven aan ouders die bij hun aanvraag een bijzonder individueel belang aantonen. De inzage kan enkel gegeven worden voor de resultaten van de Vlaamse toetsen waar het kind van betrokken ouders zelf aan heeft deelgenomen. Het school- of centrumbestuur bepaalt hiertoe zelf de procedure en modaliteiten. De ouders mogen op hun beurt de resultaten niet meedelen aan derden. Indien ouders deze geheimhoudingsplicht schenden kunnen ze gesanctioneerd worden met een geldboete van honderd euro tot duizend euro.
   Leden van schoolraden en ouderraden mogen het schoolfeedbackrapport niet meedelen aan derden. Hierbij zijn ze gebonden aan de geheimhoudingsplicht.
   De leden van de onderwijsinspectie, de personeelsleden van de scholen, van de Vlaamse overheid, van het bevoegde steunpunt en van de bevoegde begeleidingsdiensten, de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen die de resultaten kennen van de Vlaamse toetsen, zijn wat die resultaten betreft gehouden tot het beroepsgeheim. Wie dit beroepsgeheim niet naleeft, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot duizend euro.
   Het is verboden de resultaten van een school of centrum publiek te maken. De niet-naleving van het verbod op openbaarmaking door het school- of cen trumbestuur is een inbreuk op het verbod op oneerlijke concurrentie in de zin van artikel 7.
   De resultaten die behaald zijn bij de Vlaamse toetsen geven geen aanleiding tot de rangschikking van scholen of centra.]1

  
Art. 115/10. [1 L'antenne compétente ou les services compétents de l'Autorité flamande fournissent chaque année les résultats au niveau de l'école ou du centre à l'inspection de l'enseignement, au service d'encadrement pédagogique compétent et au Conseil de l'Enseignement communautaire. Les données des élèves individuels ne sont pas reprises dans cette communication.
   Par dérogation à la réglementation générale du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018 relatif à la publicité, les membres de l'inspection de l'enseignement, les membres du personnel des écoles et des centres, de l'Autorité flamande, de l'antenne compétente et des services d'encadrement pédagogique, du Conseil de l'Enseignement communautaire et des autorités scolaires et des centres, qui connaissent les résultats des tests flamands, ne communiquent pas ces résultats à des tiers.
   Par dérogation à l'alinéa 2, une école ou un centre peut communiquer ses propres résultats à des tiers accompagnant l'établissement. Cet organisme d'encadrement s'abstiendra à son tour de divulguer les résultats à des tiers.
   Par dérogation à l'alinéa 2, une école ou un centre peut autoriser la consultation du rapport de retour d'expérience aux parents qui démontrent un intérêt individuel particulier dans leur demande. Cette consultation se limitera aux résultats des tests flamands auxquels l'enfant des parents concernés a lui-même participé. L'autorité scolaire ou l'autorité du centre en détermine la procédure et les modalités. Les parents s'abstiendront à leur tour de divulguer les résultats à des tiers. Les parents qui violent ce devoir de confidentialité peuvent être sanctionnés par une amende de cent à mille euros.
   Les membres des conseils scolaires et des conseils de parents ne peuvent pas divulguer le rapport de retour d'expérience de l'école à des tiers. Ils sont tenus ici à un devoir de confidentialité.
   Les membres de l'inspection de l'enseignement, les membres du personnel des écoles, de l'Autorité flamande, de l'antenne compétente et des services d'encadrement compétents, le Conseil de l'Enseignement communautaire et les autorités scolaires qui connaissent les résultats des tests flamands sont tenus au secret professionnel concernant ces résultats. Toute partie qui ne respecte pas ce secret professionnel sera punie d'une amende allant de cent à mille euros.
   Il est interdit de publier les résultats d'une école ou d'un centre. Le non-respect par l'autorité scolaire ou l'autorité du centre de l'interdiction de publication constitue une violation de l'interdiction de concurrence déloyale au sens de l'article 7.
   Les résultats obtenus aux tests flamands ne donnent pas lieu à un classement des écoles ou des centres.]1

  
Art. 115/11. [1 De Vlaamse Regering zal een evaluatie doorvoeren die minstens uit volgende onderdelen zal bestaan:
   1° een procesevaluatie onmiddellijk na de testafname in 2023 in het tweede leerjaar van de eerste graad bij een representatieve steekproef van scholen;
   2° onmiddellijk na de eerste toetsafname een procesevaluatie van de eerste toetsafname;
   3° uiterlijk in 2029 een evaluatie van de mate waarin de Vlaamse toetsen de doelstellingen, vermeld in artikel 115/8, § 2, hebben helpen bereiken en van de andere effecten die ze hebben teweeggebracht.]1

  
Art. 115/11. [1 Le Gouvernement flamand procédera à une évaluation qui comprendra au moins les éléments suivants :
   1° une évaluation du processus immédiatement après les tests de 2023 en deuxième année d'études du premier degré, dans un échantillon représentatif d'écoles ;
   2° une évaluation du processus des premiers tests, immédiatement après l'organisation de ceux-ci ;
   3° au plus tard en 2029, une évaluation de la mesure dans laquelle les tests flamands ont contribué à atteindre les objectifs mentionnés à l'article 115/8, § 2, et une appréciation des autres effets qu'ils ont produits.]1

  
HOOFDSTUK 4. [1 - Specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen]1
CHAPITRE 4. [1 - Mesures spécifiques en faveur de certains groupes-cibles]1
Art. 116. Voor de toepassing van artikel 116 tot en met [2 en [4 artikel 122/1, tweede lid]4]2 wordt verstaan onder :
  [4 a) de structuuronderdelen van het voltijds secundair onderwijs zonder basisvorming en het hoger beroepsonderwijs;]4
  1° secundair onderwijs : het secundair onderwijs met uitzondering van :
  b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs;
  [3 De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs.]3
  2° [2 ...]2
  3° toelatingsvoorwaarden : de toelatingsvoorwaarden bepaald in [1 artikel 291 tot en met 295]1. (115)
  
Art. 116. Pour l'application des articles 116 à 120 inclus [2 et de [4 l'article 122/1, alinéa 2]4]2, on entend par :
  1° enseignement secondaire : l'enseignement secondaire à l'exception :
  a) [4 les subdivisions structurelles de l'enseignement secondaire à temps plein sans formation de base et de l'enseignement supérieur professionnel HBO5;]4
  b) de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
  c) de la formation professionnelle en alternance dans l'enseignement secondaire spécial;
  [3 Le Gouvernement flamand peut décider de considérer les points a, b ou c tout de même comme enseignement secondaire.]3
  2° [2 ...]2
  3° conditions d'admission : les conditions d'admission définies [1 aux articles 291 à 295]1. (115)
  
Art. 117. [1 § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. [2 De Vlaamse Regering kan bijkomend mogelijke redenen van de afwezigheid bepalen. Deze redenen dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde.]2
  [3 Jongeren die verblijven in een voorziening veilig verblijf, vermeld in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp of in het Vlaams detentiecentrum, vermeld in artikel 41 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis gedurende de volledige duur van hun verblijf in de voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum. In aanvulling op artikel 123 voldoet de jongere, die niet meer ingeschreven is in een school en die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft, hiermee aan de leerplicht.
   Een jongere die in een voorziening veilig verblijf of het Vlaams detentiecentrum verblijft en geen inschrijving meer heeft in een school, kan met akkoord van de betrokken personen, door de school die het tijdelijk onderwijs aan huis aanbiedt of door een andere school tijdens de duur van de opname, beschouwd worden als regelmatige leerling, in afwijking van artikel 252, 260/1 en 260/2, in functie van een mogelijke studiebekrachtiging. De jongere moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende structuuronderdeel dat de betreffende school inricht.]3

   § 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid [2 ...]2 en een langdurige afwezigheid.
   Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid [2 ...]2.
   § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van uren-leraar en lesuren tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.
   § 4. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis.
   § 5. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.
   De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling gedurende zijn verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst als bedoeld in artikel IV.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
   § 6. Het recht op tijdelijk onderwijs aan huis kan gecombineerd worden met het recht op synchroon internetonderwijs als bedoeld in artikel 117/1.]1

  
Art. 117. [1 § 1er. Les élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement secondaire dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, ont droit à un enseignement temporaire en milieu familial. [2 Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres raisons possibles pour cette absence. Ces raisons doivent être justifiées et fondées et doivent être motivées et attestées par un tiers compétent.]2
  [3 Les jeunes qui résident dans une structure de type séjour sûr, visée à l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse ou dans le centre de détention flamand visé à l'article 41 du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile, ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial pendant toute la durée de leur séjour dans la structure de type séjour sûr ou le centre de détention flamand. En complément à l'article 123, le jeune qui n'est plus inscrit dans une école et qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand remplit ainsi l'obligation scolaire.
   Un jeune qui réside dans une structure de type séjour sûr ou dans le centre de détention flamand et qui n'a plus d'inscription dans une école peut, avec l'accord des personnes concernées, être considéré par l'école qui propose l'enseignement temporaire en milieu familial ou par une autre école, pendant la durée de l'admission, comme un élève régulier, par dérogation aux articles 252, 260/1 et 260/2, en fonction d'une éventuelle validation d'études. Le jeune doit satisfaire aux conditions d'admission pour la subdivision structurelle concernée que l'école concernée organise.]3

   § 2. Le Gouvernement flamand fixe les conditions d'admissibilité à l'enseignement temporaire en milieu familial. Le gouvernement fait une distinction entre des absences répétées [2 ...]2 et une absence de longue durée.
   Une absence de moins de 21 jours calendaires ne constitue pas une absence de longue durée pour l'application du présent article, sauf en cas d'absences répétées [2 ...]2.
   § 3. Le gouvernement détermine l'organisation de l'enseignement en milieu familial, le type d'aide dont bénéficie l'école pour organiser l'enseignement en milieu familial et les conditions d'obtention des périodes-professeur et des heures de cours pour l'enseignement temporaire en milieu familial, ainsi que leur nombre et leur mode de calcul.
   § 4. L'autorité scolaire est tenue d'informer les personnes concernées intervenant auprès d'élèves qui ont ou auront droit à l'enseignement temporaire en milieu familial sur le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial, ses possibilités et modalités.
   § 5. A la demande explicite des personnes concernées intervenant auprès d'un élève tel que visé au paragraphe 2, l'autorité scolaire est obligée d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial.
   L'obligation de l'école d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial pour l'élève échoit pour la période pendant laquelle l'élève en question séjourne à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'on dispense un enseignement de type 5 financé ou subventionné ou est admis dans un service tel que prévu à l'article IV.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
   § 6. Le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial peut être combiné avec le droit à l'enseignement synchrone par internet tel que visé à l'article 117/1.]1

  
Art. 117/1. [1 § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het [2 ...]2 tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen.
   SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden.
   § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is:
   1° [2 de leerling is afwezig wegens ziekte of ongeval en de school beschikt over de bewijsstukken;]2
   2° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De betrokken personen brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts;
   3° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol:
   a) SIO komt tegemoet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling conform paragraaf 1, tweede lid. SIO wordt niet aangewend als permanent alternatief voor onderwijs op school;
   b) op basis van het ziektebeeld en de inschatting van het ziekteverloop mag aangenomen worden dat de leerling die langdurig of veelvuldig afwezig zal zijn, het SIO zal gebruiken voor een periode van minimaal 36 halve lesdagen;
   c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken.
   De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen.
  [2 § 2/1. De Vlaamse Regering kan bijkomende in aanmerking komende leerlingen en de respectieve voorwaarden bepalen. De redenen voor de afwezigheid op school dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde.]2
   § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO.
   § 4. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren.
   § 5. Het recht op SIO kan gecombineerd worden met het recht op tijdelijk onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 117, een verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of met een opname in een dienst bedoeld in artikel IV.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
   Het recht op SIO kan niet gecombineerd worden met permanent onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 118.]1

  
Art. 117/1. [1 § 1er. L'enseignement synchrone par internet, appelé SIO dans le présent chapitre, offre aux élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école [2 ...]2, la possibilité de suivre les cours à distance, via des applications numériques, directement et en interaction avec les enseignants et leurs camarades de classe.
   Le SIO soutient le processus d'apprentissage, limite le retard scolaire et prépare le retour à l'école. Grâce au SIO, le lien de l'élève absent avec l'école, les enseignants et les autres élèves est maintenu.
   § 2. Les élèves sont admissibles au SIO si les conditions suivantes sont remplies :
   1° [2 L'élève est absent pour cause de maladie ou d'accident et l'école dispose des pièces justificatives ;]2
   2° l'utilisation du SIO est compatible avec l'état de santé de l'élève. Les personnes concernées en informent le médecin traitant ; l'école en informe le médecin du CLB ;
   3° le SIO est faisable et utile pour l'élève concerné :
   a) le SIO répond au besoin de soutien de l'élève conformément au paragraphe 1er, alinéa 2. Le SIO n'est pas utilisé comme une alternative permanente à l'enseignement dispensé à l'école ;
   b) sur la base du syndrome et de l'évaluation de l'évolution de la maladie, on peut supposer que l'élève dont l'état de santé conduit à une absence prolongée ou à des absences répétées, utilisera le SIO pendant au moins 36 demi-journées de classe ;
   c) l'élève et l'école en font un usage optimal. Le CLB est impliqué.
   Le gouvernement peut fixer des critères supplémentaires en ce qui concerne la faisabilité et la pertinence pour l'élève.
  [2 § 2/1. Le Gouvernement flamand peut déterminer des élèves éligibles supplémentaires et les conditions respectives. Les raisons de l'absence à l'école doivent être justifiées et fondées et doivent être motivées et attestées par un tiers compétent.]2
   § 3. L'autorité scolaire est tenue d'informer les personnes concernées intervenant auprès des élèves qui ont ou auront droit au SIO sur le droit au SIO et les possibilités et modalités du SIO.
   § 4. A la demande explicite des personnes concernées intervenant auprès d'un élève tel que visé au paragraphe 2, l'autorité scolaire est obligée d'organiser le SIO.
   § 5. Le droit au SIO peut être combiné avec un enseignement temporaire en milieu familial, tel que visé à l'article 117, un séjour à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'on dispense un enseignement du type 5 financé ou subventionné ou avec une admission dans un service telle que prévue à l'article IV.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
   Le droit au SIO ne peut être cumulé avec l'enseignement permanent en milieu familial visé à l'article 118.]1

  
Art. 118. § 1. Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de [1 onderwijsinspectie]1, recht op permanent onderwijs aan huis.
  § 2. [1 De ouders kiezen in overleg met het centrum voor leerlingenbegeleiding de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. [2 Deze school wordt aangeduid door de onderwijsinspectie.]2 Omwille van omstandigheden eigen aan de leerling en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs worden gekozen.]1 (117)
  
Art. 118. § 1er. Les élèves qui remplissent les conditions d'admission mais qui, à cause d'un handicap permanent, sont dans l'impossibilité de suivre l'enseignement secondaire à l'école, ont droit, moyennant un avis favorable de [1 l'Inspection de l'Enseignement]1, à un enseignement permanent en milieu familial.
  § 2. [1 Les parents choisissent, en concertation avec le centre d'encadrement des élèves, l'école d'enseignement spécial la plus proche de leur libre choix qui organisera l'enseignement permanent en milieu familial. [2 Cette école est désignée par l'inspection de l'enseignement.]2 Pour cause de circonstances propres à l'élève et moyennant motivation détaillée, une autre école d'enseignement secondaire spécial peut être choisie à ce propos.]1
  
Art. 119. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze het permanent onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. (118)
Art. 119. Le Gouvernement flamand fixe les modalités suivant lesquelles l'enseignement permanent en milieu familial doit être organisé et quelle aide l'école reçoit pour organiser l'enseignement permanent en milieu familial. (118)
Art. 120. Een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking, georganiseerd in het kader van het tijdelijk of permanent onderwijs aan huis, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.
  De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn van toepassing op deze personeelsleden, met uitzondering van de volgende bepalingen :
  1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school die de betrekking organiseert, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Voor deze reaffectatie of wedertewerkstelling is steeds de toestemming vereist van het terbeschikking gestelde personeelslid;
  2° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking. (119)
Art. 120. Un membre du personnel qui est désigné à un emploi organisé dans le cadre de l'enseignement temporaire ou permanent en milieu familial, est toujours désigné comme membre du personnel temporaire.
  Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent à ces membres du personnel, à l'exception des dispositions suivantes :
  1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire de l'école qui organise l'emploi peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation est considérée comme une réaffectation ou une remise au travail. Pour cette réaffectation ou remise au travail, le consentement du membre du personnel mis en disponibilité est toujours requis;
  2° l'emploi ne peut être déclaré vacant. L'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi. (119)
Art. 121. [1 Voor [2 leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of]2 leerlingen die wegens ziekte of ongeval het geheel van de vorming van een schooljaar niet kunnen volgen, kan de klassenraad een spreiding van het lessenprogramma hetzij van een leerjaar over twee schooljaren hetzij van een graad over drie schooljaren toestaan.]1
  
Art. 121. [1 Pour les élèves [2 ou les élèves à besoins éducatifs spécifiques]2 qui ne peuvent, à cause d'une maladie ou d'un accident, suivre l'ensemble de la formation d'une certaine année scolaire, le conseil de classe peut autoriser un étalement du programme de cours soit d'une année d'études sur deux années scolaires, soit d'un degré sur trois années scolaires.]1
  
Art. 122. Voor leerlingen die wegens ziekte of ongeval bepaalde vakken niet kunnen volgen, kan de klassenraad vrijstellingen toestaan [1 van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die waar mogelijk vervangen door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden]1. (121)
  
Art. 122. Pour les élèves qui ne peuvent, à cause d'une maladie ou d'un accident, suivre certains cours, le conseil de classe peut accorder des dispenses, [1 d'objectifs du programme d'études commun et les remplacer, là où c'est possible, par des objectifs équivalents, dans la mesure où soit les objectifs pour la validation des études en fonction de la finalité de la subdivision structurelle concernée, soit les objectifs de transition vers l'enseignement complémentaire envisagé ou vers le marché de l'emploi puissent encore être atteints dans une mesure suffisante]1. (121)
  
Art. 122/1. [1 Leerlingen hebben recht op moederschapsverlof, naar rata van maximaal één week voor de vermoedelijke bevallingsdatum en maximaal negen weken na de effectieve bevalling. De schoolvakanties schorten dit verlof niet op. De uitoefening van dit recht doet geen afbreuk aan de hoedanigheid van regelmatige leerling.
   [3 Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117, hebben desbetreffende leerlingen recht op tijdelijk onderwijs aan huis. Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117/1, hebben desbetreffende leerlingen recht op SIO.]3]2.]1

  
Art. 122/1. [1 Les élèves ont droit à un congé de maternité d'une semaine maximum avant la date présumée de l'accouchement et de dix-neuf semaines maximum après l'accouchement effectif. Les vacances scolaires ne suspendent pas ce congé. L'exercice de ce droit ne porte pas préjudice à la qualité d'élève régulier.
   [3 Aux conditions telles que visées à l'article 117, les élèves en question ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial. Aux conditions telles que visées à l'article 117/1, les élèves en question ont droit au SIO.]3]2.]1

  
Art. 122/1/0. [1 Ї 1. Voor elke leerling met een IAC-verslag wordt, zowel in het gewoon als in het buitengewoon onderwijs, een individueel aangepast curriculum opgemaakt door de klassenraad in afstemming met de leerling tenzij dat niet mogelijk is, met de ouders, met in voorkomend geval de leerondersteuner en waar nodig de CLB-medewerker en andere externe ondersteuners.
   Ї 2. Het individueel aangepaste curriculum bevat de doelen die nagestreefd of gerealiseerd zullen worden, volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling. Het individueel aangepaste curriculum krijgt vorm op basis van een cyclisch proces van handelingsplanmatig werken.
   De klassenraad vertrekt voor de selectie van de doelen van de doelen die door of krachtens decreet- of regelgeving van toepassing zijn op het structuuronderdeel waarin de leerling is ingeschreven. Daarnaast kunnen ook andere doelen worden geselecteerd. De realisatie van de doelen is gericht op de maximale ontplooiing van en leerwinst bij de leerling en met het oog op een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren en maatschappelijke participatie zoals andere leeftijdsgenoten. Voor leerlingen in het buitengewoon onderwijs wordt actief gewerkt aan de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs.
   Ї 3. In het individueel aangepaste curriculum opgenomen doelen met betrekking tot godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing zijn gebaseerd op de overeenkomstige leerplannen en zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.
   Ї 4. Het individueel aangepaste curriculum bepaalt hoe de doelen gerealiseerd zullen worden en hoe sociale, psychologische, orthopedagogische, medische of paramedische hulpverlening in het onderwijsaanbod wordt geяntegreerd. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het netwerk en de ondersteunende partners die betrokken zijn naargelang de onderwijscontext waarin de leerling schoolloopt.
   Ї 5. Alle betrokkenen werken samen om een optimaal leer- en ontwikkelingstraject voor de leerling te garanderen. De school is verantwoordelijk voor de opvolging, evaluatie en bijsturing van het traject en coіrdineert de afstemming tussen alle betrokken partners.
   Ї 6. Een individueel handelingsplan of een individueel aangepast curriculum van een leerling met een IAC-verslag dat is opgemaakt voor 1 september 2023, wordt beschouwd als een individueel aangepast curriculum. Als er wijzigingen doorgevoerd moeten worden aan een dergelijk curriculum of handelingsplan, worden de wijzigingen doorgevoerd in een individueel aangepast curriculum conform pararaaf 1 tot en met 5.
   Als een leerling met een IAC-verslag die nog beschikt over een individueel aangepast curriculum of een individueel handelingsplan dat is opgemaakt voor 1 september 2023, van school verandert, maakt de school waar nu wordt ingeschreven een individueel aangepast curriculum op conform paragraaf 1 tot en met 5.]1

  
Art. 122/1/0. [1 § 1er. Pour chaque élève en possession d'un rapport IAC, le conseil de classe établit, tant dans l'enseignement ordinaire que dans l'enseignement spécialisé, un programme adapté individuellement en accord avec l'élève, sauf si ce n'est pas possible, avec les parents, avec l'intervenant en soutien à l'apprentissage, le cas échéant, et, si nécessaire, le collaborateur du CLB et d'autres intervenants en soutien extérieurs.
   § 2. Le programme adapté individuellement contient les objectifs qui seront poursuivis ou réalisés selon les besoins éducatifs et les besoins de soutien de l'élève. Le programme adapté individuellement prend forme sur la base d'un processus cyclique de travail suivant un plan d'action.
   Pour la sélection des objectifs, le conseil de classe part des objectifs qui s'appliquent, par ou en vertu d'un décret ou d'une réglementation, à la subdivision structurelle dans laquelle l'élève a été inscrit. Par ailleurs, d'autres objectifs peuvent également être sélectionnés. La réalisation des objectifs vise à maximiser l'épanouissement et le gain d'apprentissage de l'élève de façon à ce que l'élève participe aussi pleinement que possible à la vie de la classe et de l'école ainsi qu'à la vie en société au même titre que les jeunes de son âge. En ce qui concerne les élèves de l'enseignement spécial, on oeuvre activement à la possibilité de réintégration dans l'enseignement ordinaire.
   § 3. Les objectifs figurant dans le programme adapté individuellement concernant la religion, la morale non confessionnelle ou la formation culturelle sont basés sur les programmes d'études correspondants et sont conformes aux principes internationaux et constitutionnels en matière de droits de l'homme et de l'enfant en particulier.
   § 4. Le programme adapté individuellement détermine comment les objectifs seront réalisés et comment l'assistance sociale, psychologique, orthopédagogique, médicale ou paramédicale sera intégrée dans l'offre d'enseignement. A cet égard, il est fait appel au réseau et aux partenaires de soutien qui sont impliqués selon le contexte éducatif dans lequel l'élève est scolarisé.
   § 5. Toutes les personnes concernées travaillent ensemble afin de garantir un parcours d'apprentissage et de développement optimal pour l'élève. L'école est responsable du suivi, de l'évaluation et de l'ajustement du parcours et assure la coordination entre tous les partenaires concernés.
   § 6. Un plan d'action individuel ou un programme adapté individuellement d'un élève en possession d'un rapport IAC qui a été rédigé avant le 1er septembre 2023 est considéré comme un programme adapté individuellement. Si des modifications doivent être apportées à un tel programme ou plan d'action, elles le sont dans un programme adapté individuellement conformément aux paragraphes 1er à 5.
   Si un élève en possession d'un rapport IAC qui dispose encore d'un programme adapté individuellement ou d'un plan d'action individuel établi avant le 1er septembre 2023 change d'école, l'école où l'élève est à présent inscrit établit un programme adapté individuellement conformément aux paragraphes 1er à 5.]1

  
Art. 122/1/1. [1 Ї 1. Voor elke leerling met een OV4-verslag moet, zowel in het gewoon als het buitengewoon onderwijs, het gemeenschappelijke curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling.
   Ї 2. De klassenraad geeft het gemeenschappelijke curriculum en de aanpassingen die nodig zijn om tegemoet te komen aan de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling, vorm. De klassenraad selecteert ook bijkomende doelen, naargelang de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling. De vormgeving van het gemeenschappelijke curriculum, met inbegrip van de aanpassingen en de bijkomende doelen, gebeurt op basis van een cyclisch proes van handelingsplanmatig werken. De klassenraad stemt daarvoor af met de leerling tenzij dat niet mogelijk is, de ouders, waar nodig de CLB-medewerker en in voorkomend geval de leerondersteuner en andere externe ondersteuners. In samenspraak wordt bepaald hoe de doelen worden gerealiseerd en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische of paramedische hulpverlening in het onderwijsaanbod wordt geяntegreerd. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het netwerk en de ondersteunende partners die betrokken zijn naargelang de onderwijscontext waarin de leerling schoolloopt.
   De realisatie van de doelen is gericht op de maximale ontplooiing van en leerwinst bij de leerling en met het oog op een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren en maatschappelijke participatie zoals andere leeftijdsgenoten. Voor leerlingen in het buitengewoon onderwijs wordt actief gewerkt aan de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs.
   Ї 3. Alle betrokkenen werken samen om een optimaal leer- en ontwikkelingstraject voor de leerling te garanderen. De school is verantwoordelijk voor de opvolging, evaluatie en bijsturing van het traject en de afstemming tussen alle betrokken partners.
   Ї 4. Een leerling met een OV4-verslag met een individueel handelingsplan dat dateert van voor 1 september 2023, kan dat individueel handelingsplan verder volgen. Als er wijzigingen doorgevoerd moeten worden aan een dergelijk handelingsplan, geeft de klassenraad het gemeenschappelijke curriculum voor de leerling vorm conform de bepalingen van paragraaf 1 tot en met 3.
   Als een leerling met een OV4-verslag die nog beschikt over een individueel handelingsplan dat is opgemaakt voor 1 september 2023, van school verandert, geeft de klassenraad van de school waar de leerling nu wordt ingeschreven, het gemeenschappelijke curriculum vorm conform de bepalingen van paragraaf 1 tot en met 3.
   Een leerling met een OV4-verslag in het gewoon onderwijs waarvoor voor 1 september 2023 een individueel aangepast curriculum is opgemaakt, kan dat individueel aangepaste curriculum verder volgen. Als er wijzigingen zijn aan het traject van de leerling, moet overgestapt worden naar het gemeenschappelijke curriculum. De klassenraad geeft dat vorm conform de bepalingen van paragraaf 1 tot en met 3. Als de school en het CLB van oordeel zijn dat de leerling een individueel aangepast curriculum moet volgen, maakt het CLB een IAC-verslag op.
   Als een leerling met een OV4-verslag die nog beschikt over een individueel aangepast curriculum dat werd opgemaakt voor 1 september 2023, van school verandert, moet overgestapt worden naar het gemeenschappelijke curriculum. De klassenraad van de school waar de leerling nu wordt ingeschreven, moet het gemeenschappelijke curriculum vormgeven conform de bepalingen van paragraaf 1 tot en met 3. Als de school en het CLB van oordeel zijn dat de leerling een individueel aangepast curriculum moet volgen, maakt het CLB een IAC-verslag op. ]1

  
Art. 122/1/1. [1 § 1er. Pour chaque élève en possession d'un rapport OV4, tant dans l'enseignement ordinaire que dans l'enseignement spécialisé, le programme d'études commun de l'enseignement secondaire ordinaire de plein exercice doit être suivi. A cet égard, il est tenu compte des besoins éducatifs et des besoins de soutien de l'élève.
   § 2. Le conseil de classe conçoit le programme d'études commun et les aménagements nécessaires afin de répondre aux besoins éducatifs et aux besoins de soutien de l'élève. Le conseil de classe sélectionne également des objectifs supplémentaires en fonction des besoins éducatifs et des besoins de soutien de l'élève. Le programme d'études commun, y compris les aménagements et les objectifs supplémentaires, est conçu sur la base d'un processus cyclique de travail suivant un plan d'action. A cet effet, le conseil de classe s'accorde avec l'élève, sauf si ce n'est pas possible, les parents, si nécessaire, le collaborateur du CLB et, le cas échéant, l'intervenant en soutien à l'apprentissage et d'autres intervenants en soutien extérieurs. On détermine en concertation comment les objectifs seront réalisés et comment l'assistance sociale, psychologique, orthopédagogique, médicale ou paramédicale sera intégrée dans l'offre d'enseignement. A cet égard, il est fait appel au réseau et aux partenaires de soutien qui sont impliqués selon le contexte éducatif dans lequel l'élève est scolarisé.
   La réalisation des objectifs vise à maximiser l'épanouissement et le gain d'apprentissage de l'élève de façon à ce que l'élève participe aussi pleinement que possible à la vie de la classe et de l'école ainsi qu'à la vie en société au même titre que les jeunes de son âge. En ce qui concerne les élèves de l'enseignement spécial, on oeuvre activement à la possibilité de réintégration dans l'enseignement ordinaire.
   § 3. Toutes les personnes concernées travaillent ensemble afin de garantir un parcours d'apprentissage et de développement optimal pour l'élève. L'école est responsable du suivi, de l'évaluation et de l'ajustement du parcours et assure la coordination entre tous les partenaires concernés.
   § 4. Un élève en possession d'un rapport OV4 avec un plan d'action individuel antérieur au 1er septembre 2023 peut continuer à suivre ce plan d'action individuel. Si des modifications doivent être apportées à un tel plan d'action, le conseil de classe conçoit le programme d'études commun pour l'élève conformément aux dispositions des paragraphes 1er à 3.
   Si un élève en possession d'un rapport OV4 qui dispose encore d'un plan d'action individuel établi avant le 1er septembre 2023 change d'école, le conseil de classe de l'école où l'élève est à présent inscrit conçoit le programme d'études commun conformément aux dispositions des paragraphes 1er à 3.
   Un élève en possession d'un rapport OV4 dans l'enseignement ordinaire, pour lequel un programme adapté individuellement a été établi avant le 1er septembre 2023, peut continuer à suivre ce programme adapté individuellement. En cas de modifications au parcours de l'élève, il faut passer au programme d'études commun. Le conseil de classe le conçoit conformément aux dispositions des paragraphes 1er à 3. Si l'école et le CLB estiment que l'élève doit suivre un programme adapté individuellement, le CLB rédige un rapport IAC.
   Si un élève en possession d'un rapport OV4 qui dispose encore d'un programme adapté individuellement établi avant le 1er septembre 2023 change d'école, il faut passer au programme d'études commun. Le conseil de classe de l'école où l'élève est à présent inscrit doit concevoir le programme d'études commun conformément aux dispositions des paragraphes 1er à 3. Si l'école et le CLB estiment que l'élève doit suivre un programme adapté individuellement, le CLB rédige un rapport IAC.]1

  
HOOFDSTUK 4/1. [1 - Interactief afstandsonderwijs]1
CHAPITRE 4. [1 - Enseignement interactif à distance]1
Art. 122/2. [1 In het voltijds gewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de aanloopstructuuronderdelen, vermeld in artikel 357/39, en buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4 kan een school interactief afstandsonderwijs organiseren voor een leerlingengroep.
   In alle structuuronderdelen en onderwijsvormen van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het stelsel van leren en werken, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en aanloopstructuurnderdelen, vermeld in artikel 357/39, kan een school in uitzonderlijke gevallen en onder de voorwaarden zoals bepaald in deze codex, interactief afstandsonderwijs organiseren voor een individuele leerling.
   Interactief afstandsonderwijs bestaat uit onderwijsactiviteiten die via digitale media plaatsonafhankelijk worden georganiseerd tijdens de schooltijd en waarbij er interactie is tussen de leerling en de leerkracht, synchroon of asynchroon.
   Interactief afstandsonderwijs wordt altijd georganiseerd in combinatie met contactonderwijs. De school bepaalt autonoom de verhouding tussen interactief afstandsonderwijs en contactonderwijs.
  [2 Interactief afstandsonderwijs kan per structuuronderdeel op schooljaarbasis voor maximaal:
   1° 20% in de eerste graad, het onthaaljaar en de observatiefase van opleidingsvorm 3;
   2° 30% in de tweede graad en de opleidingsfase van opleidingsvorm 3;
   3° 40% in de derde graad, de kwalificatiefase en de schoolcomponent van de integratiefase van opleidingsvorm 3.]2

   In een duaal opgericht structuuronderdeel hebben de percentages, vermeld in het vijfde lid, betrekking op de schoolcomponent.
   Voor de structuuronderdelen met in de benaming "topsport", die vallen onder toepassing van het gesloten topsportconvenant, het structuuronderdeel Ballet en de [3 de opleidingen]3 van het hoger beroepsonderwijs, zijn de maxima niet van toepassing.
   De maxima zijn niet van toepassing op individueel interactief afstandsonderwijs voor een leerling.]1

  
Art. 122/2. [1 Dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, à l'exception des subdivisions structurelles de démarrage, visées à l'article 357/39, et l'enseignement secondaire spécial, forme d'enseignement 3 et forme d'enseignement 4, une école peut organiser l'enseignement interactif à distance pour un groupe d'élèves.
   Dans toutes les subdivisions structurelles et formes d'enseignement de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, de l'enseignement secondaire spécial, du système d'apprentissage et de travail, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et les subdivisions structurelles de démarrage, visées à l'article 357/39, une école peut organiser l'enseignement interactif à distance pour un élève individuel dans des cas exceptionnels et aux conditions fixées au présent code.
   L'enseignement interactif à distance consiste en des activités d'enseignement organisées via des médias numériques, indépendamment du lieu, pendant les heures d'école, où il y a une interaction entre l'élève et l'enseignant, de manière synchrone ou asynchrone.
   L'enseignement interactif à distance est toujours organisé en combinaison avec l'enseignement en présentiel. L'école détermine de manière autonome le rapport entre l'enseignement interactif à distance et l'enseignement en présentiel.
  [2 L'enseignement interactif à distance peut être fourni par subdivision structurelle sur la base d'une année scolaire pour un maximum de :
   1° 20 % dans le premier degré, l'année d'accueil et la phase d'observation de la forme d'enseignement 3 ;
   2° 30 % dans le deuxième degré et la phase de formation de la forme d'enseignement 3 ;
   3° 40 % dans le troisième degré, la phase de qualification et la composante scolaire de la phase d'intégration de la forme d'enseignement 3.]2

   Dans le cas d'une subdivision structurelle duale, les pourcentages mentionnés à l'alinéa 5 se rapportent à la composante scolaire.
   Pour les subdivisions structurelles dont la dénomination comporte " sport de haut niveau ", qui relèvent de l'application de la convention conclue en matière de sport de haut niveau, la subdivision structurelle Ballet et [3 les formations]3 de l'enseignement supérieur professionnel hbo5, les maximums ne s'appliquent pas.
   Les maximums ne s'appliquent pas à l'enseignement interactif individuel à distance pour un élève.]1

  
Art. 122/3. [1 Een school kan alleen interactief afstandsonderwijs als vermeld in artikel 122/2 organiseren als de school aan al de volgende voorwaarden voldoet:
   1° de school maakt een analyse van de beginsituatie, met minstens aandacht voor de beschikbaarheid en kennis van de benodigde ICT-materialen en -competenties, voor de leerling en de leerkracht;
   2° de school ontwikkelt voor zichzelf de visie op en de bijhorende doelen van het interactieve afstandsonderwijs;
   3° de school waarborgt de participatiekansen van elke leerling. De leerling krijgt altijd de mogelijkheid om het interactieve afstandsonderwijs in de school of het centrum te volgen. Ook de leraar krijgt altijd de mogelijkheid om in de school of het centrum les te geven.]1

  
Art. 122/3. [1 Une école ne peut organiser l'enseignement interactif à distance visé à l'article 122/2 que si elle remplit toutes les conditions suivantes :
   1° l'école procède à une analyse de la situation initiale, en prêtant attention au moins à la disponibilité et la connaissance des matériels et des compétences nécessaires en matière de TIC, pour l'élève et l'enseignant ;
   2° l'école développe pour elle-même la vision et les objectifs associés de l'enseignement interactif à distance ;
   3° l'école garantit les possibilités de participation de chaque élève. L'élève a toujours la possibilité de suivre l'enseignement interactif à distance dans l'école ou le centre. L'enseignant a également toujours la possibilité d'enseigner dans l'école ou le centre.]1

  
Art. 122/4. [1 Een school die interactief afstandsonderwijs als vermeld in artikel 122/2 organiseert, neemt dat op in zijn schoolreglement of centrumreglement, en vermeldt, met behoud van de toepassing van artikel 112, minstens al de volgende elementen:
   1° de mogelijkheid om het interactieve afstandsonderwijs in de school of het centrum te volgen;
   2° de structuuronderdelen die in interactief afstandsonderwijs worden georganiseerd;
   3° of het interactieve afstandsonderwijs in groep of individueel wordt aangeboden.]1

  
Art. 122/4. [1 L'école qui organise l'enseignement interactif à distance tel que visé à l'article 122/2, l'inscrit dans son règlement d'école ou son règlement de centre et, sous réserve de l'application de l'article 112, mentionne au moins tous les éléments suivants :
   1° la possibilité de suivre l'enseignement interactif à distance dans l'école ou le centre ;
   2° les subdivisions structurelles organisées sous forme d'enseignement interactif à distance ;
   3° si l'enseignement interactif à distance est proposé en groupe ou individuellement.]1

  
Art. 122/5. [1 Als een school interactief afstandsonderwijs organiseert als vermeld in artikel 122/2 wordt de wijze waarop personeelsleden worden ingezet, vastgelegd in het arbeidsreglement.]1
  
Art. 122/5. [1 Si une école organise l'enseignement interactif à distance tel que visé à l'article 122/2, la manière dont les membres du personnel sont déployés est fixée dans le règlement de travail.]1
  
Art. 122/6. [1 Met het oog op een mogelijke bijsturing wordt het interactief afstandsonderwijs in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, [2 opleidingsvorm 3 en]2 in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd.
   De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van deze evaluatie bepalen en heeft bij die evaluatie minstens aandacht voor de gelijke onderwijskansen van alle leerlingen.]1

  
Art. 122/6. [1 En vue d'une éventuelle adaptation, l'enseignement interactif à distance dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et l'enseignement secondaire spécial, forme [2 forme d'enseignement 3 et]2 d'enseignement 4, sera évalué au cours de l'année scolaire 2027-2028.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de cette évaluation et porte au moins attention à l'égalité des chances en éducation de tous les élèves lors de cette évaluation.]1

  
HOOFDSTUK 5. - [1 Leerplicht]1
CHAPITRE 5. - [1 Obligation scolaire]1
Art. 123. [1 Leerplicht draagt bij tot de opvoeding van de jongere en tot de voorbereiding op de uitoefening van een beroep. Het begin en het einde van de leerplicht zijn bepaald in artikel 1, § 1, eerste lid, § 3, § 7, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht. De leerplicht is voltijds hetzij tot de leeftijd van vijftien jaar is bereikt, op voorwaarde dat ten minste de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs zijn beëindigd, hetzij tot de leeftijd van zestien jaar is bereikt. De periode van voltijdse leerplicht wordt gevolgd door een periode van deeltijdse leerplicht. Aan de deeltijdse leerplicht wordt voldaan door het voltijds secundair onderwijs voort te zetten of door deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen.]1
  
Art. 123. [1 L'obligation scolaire contribue à l'éducation du jeune et à la préparation à l'exercice d'une profession. Le début et la fin de l'obligation scolaire sont fixés à l'article 1er, § 1er, alinéa premier, § 3, § 7, de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire. L'obligation scolaire est à temps plein, soit jusqu'à ce que l'âge de quinze ans soit atteint, à condition qu'au moins les deux premières années d'études de l'enseignement secondaire à temps plein soient achevées, soit jusqu'à ce que l'âge de seize ans soit atteint. La période d'obligation scolaire à temps plein est suivie d'une période d'obligation scolaire à temps partiel. Il est satisfait à l'obligation scolaire en poursuivant l'enseignement secondaire à temps plein ou en suivant un enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage.]1
  
Art. 123/2. [1 Een jongere kan toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen. De toelating wordt gegeven door de directie van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs [2 of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in kwestie]2 op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt. Deeltijds beroepssecundair onderwijs of leertijd kan alleen worden gevolgd in combinatie met werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uur per week. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder werkplekleren verstaan elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijdse engagement uitmaakt. De Vlaamse Regering bepaalt de activiteitsvormen.]1
  
Art. 123/2. [1 Un jeune peut être autorisé à suivre, à partir du début de l'année scolaire pendant laquelle il atteint l'âge de la scolarité obligatoire à temps partiel, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage. L'autorisation est donnée par la direction du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel [2 ou le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises en question ]2 sur avis du centre d'encadrement des élèves avec lequel l'établissement d'enseignement à temps plein où le mineur suit les cours coopère. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage peut uniquement être suivi en combinaison avec l'apprentissage sur le lieu du travail Cette combinaison comporte au moins 28 heures par semaine. Pour l'application de la présente disposition, on entend par apprentissage sur le lieu du travail, toute forme d'activité outre la composante d'apprentissage, constituant avec cette composante d'apprentissage l'engagement à temps plein. Le Gouvernement flamand arrête les formes d'activités.]1
  
Art. 123/3. [1 § 1. Behalve in geval van huisonderwijs of indien de jongere valt onder toepassing van artikel 123/5, zijn de betrokken personen verplicht ervoor te zorgen dat de jongere voor de duur van de leerplicht in een school of centrum is ingeschreven, die school of dat centrum geregeld bezoekt en, in voorkomend geval, aan de voorwaarde van werkplekleren voldoet. Zowel voor leerplichtige als voor niet-leerplichtige jongeren, regelt de Vlaamse Regering de controle op de inschrijvingen, op het geregeld schoolbezoek en op het werkplekleren, en bepaalt ze de redenen van afwezigheid die als geldig aanvaard kunnen worden.
   § 2. De school- en centrumdirecties zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan die controle. Het niet-naleven van deze verplichting kan, voor elementen waarbij de school- of centrumdirectie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties. De sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.
   De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties en waarborgt het recht op verdediging.]1

  
Art. 123/3. [1 § 1er. Sauf en cas d'enseignement à domicile ou si le jeune relève de l'application de l'article 123/5, les personnes concernées sont obligées d'assurer que le jeune soit inscrit auprès d'une école ou d'un centre pour la durée de l'obligation scolaire, qu'il fréquente régulièrement l'école ou le centre en question et, le cas échéant, qu'il remplisse la condition d'apprentissage sur le lieu du travail. Tant pour les jeunes soumis à l'obligation scolaire que pour les jeunes non scolarisables, le Gouvernement flamand règle le contrôle des inscriptions, de la régularité de la fréquentation scolaire et de l'apprentissage sur le lieu du travail, et fixe les motifs d'absence qui peuvent être admis comme valables.
   § 2. Les directions des écoles et centres sont obligés d'apporter leur collaboration à ce contrôle. Le non-respect de cette obligation peut, pour des éléments où la direction de l'école ou du centre ne dépend pas de tiers, donner lieu à des sanctions. La sanction peut consister en un recouvrement partiel du budget de fonctionnement. En cas d'une première infraction, ce recouvrement peut s'élever à 5% au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente. Le recouvrement ne peut être supérieur à 10 % du budget de fonctionnement, et ne peut avoir pour conséquence, que la part dans le budget de fonctionnement destinée aux affaires relatives aux personnels ne devienne, en chiffres absolus, inférieure au montant de la part si la mesure n'avait pas été prise.
   Le Gouvernement flamand détermine les modalités pour la constatation des infractions et pour l'application des sanctions, et garantit les droits de la défense.]1

  
Art. 123/4. [1 Inbreuken door de betrokken personen op de leerplichtbepalingen worden gesanctioneerd conform artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.]1
  
Art. 123/4. [1 Toute infraction par les personnes concernées aux dispositions relatives à l'obligation scolaire est sanctionnée conformément à l'article 5 de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire.]1
  
Art. 123/5. [1 Indien de jongere in de onmogelijkheid verkeert om onderwijs te volgen, kan de onderwijsinspectie, op vraag van de betrokken personen, beslissen tot een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht.]1
  
Art. 123/5. [1 Si le jeune se trouve dans l'impossibilité de suivre un enseignement, l'inspection de l'enseignement peut décider, à la demande des personnes concernées, de l'exempter à titre temporaire ou en permanence de l'obligation scolaire.]1
  
HOOFDSTUK 6. [1 - Toegang tot en verwerking van persoonsgegevens]1
CHAPITRE 6. [1 - Accès aux et traitement des données à caractère personnel]1
Art.123/6.[2 Bij verandering van onderwijsinstelling door een leerling worden tussen de betrokken onderwijsinstellingen leerlingengegevens overgedragen onder de volgende gezamenlijke voorwaarden:
   1° [4 de gegevens hebben enkel betrekking op de leerlingspecifieke onderwijsloopbaan, meer bepaald de essentiële gegevens die de studieresultaten en de studievoortgang van de leerling bevorderen, monitoren, evalueren en attesteren;]4
   2° de overdracht gebeurt enkel in het belang van de persoon op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;
   3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;]1
  [3 [5 [6 de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven, op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten.]6]5]3
  [4 5° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;]4
  [4 [5 [6 het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4А, heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen door of ter voorbereiding van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen na de ontvangst van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag.]6]5]4
  [4 De Vlaamse Regering kan de regels bepalen omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking.]4
  
Art. 123/6. [1 En cas de changement d'établissement d'enseignement par un élève, les données de l'élève sont transférées entre les établissements d'enseignement concernés aux conditions cumulées suivantes :
   1° [4 les données portent uniquement sur la carrière scolaire personnelle de l'élève, notamment les données essentielles favorisant, suivant, évaluant et attestant les résultats des études et la progression des études de l'élève ;]4
   2° le transfert ne s'opère que dans l'intérêt de la personne sur laquelle porte cette carrière scolaire ;
   3° à moins que la réglementation n'impose le transfert, le transfert ne s'opère pas si les intéressés s'y opposent explicitement, après avoir consulté, à leur demande, les données.]1

  [3 [5 [6 l'école d'inscription précédente informe l'école où l'élève est à présent inscrit de l'existence et du contenu d'un rapport IAC, d'un rapport OV4 ou d'un rapport GC. Le CLB attaché à l'école d'inscription précédente informe le CLB attaché à l'école où l'élève est à présent inscrit de l'existence et du contenu d'un rapport IAC, d'un rapport OV4 ou d'un rapport GC. Dans l'intérêt de l'accompagnement optimal de l'élève concerné et de l'organisation de l'école, les parents ne peuvent pas s'opposer à ces transferts]6;]5]3
  [4 5° l'autorité scolaire de l'établissement d'enseignement ou le mandataire est le responsable du traitement des données à caractère personnel pour la durée pendant laquelle elles doivent être conservées ;]4
  [4 [5 [5 [6 l'autorité du centre du CLB qui a rédigé le rapport IAC, le rapport OV4 ou le rapport GC visés au point 4° est le responsable du traitement pour les traitements effectués par ou en préparation du rapport IAC, du rapport OV4 ou du rapport GC. L'autorité du centre du CLB repreneur est le responsable du traitement pour les traitements effectués après la réception du rapport IAC, du rapport OV4 ou du rapport GC.]6]5]5]4
  [4 Le Gouvernement flamand peut arrêter les règles concernant les périodes de stockage et les activités et procédures de traitement, y compris des mesures visant à garantir un traitement adéquat, sûr et transparent.]4
  
Art.123/7.[2[1 De betrokken leerling en de betrokken personen hebben een recht op inzage in en toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die worden verzameld door de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs [4 of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen,]4 naar gelang van het geval.
   Indien na de toelichting blijkt dat de betrokken leerling of de betrokken personen een kopie willen van de leerlingengegevens [3 ...]3 heb- ben ze kopierecht. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling.
   [3 Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) wordt, in de gevallen waarin volledige inzage afbreuk zou doen aan de rechten van derden, inzage in de gegevens verleend in de vorm van een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage]3.]1

  
Art. 123/7. ]2[1 L'élève intéressé et les personnes intéressées ont un droit de consultation et un droit à l'explication des données portant sur l'élève, parmi lesquelles les données d'évaluation, qui sont réunies par l'école, le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partie[4 ou le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, ]4 le cas échéant.
   S'il apparaît, après l'explication, que l'élève intéressé ou les personnes intéressées souhaitent avoir une copie des données de l'élève, [3 ...]3, ils ont droit de copie. Toute copie doit être traitée de manière personnelle et confidentielle et ne peut être utilisée qu'en fonction de la carrière scolaire de l'élève.
   [3 En application de l'article 23, alinéa premier, point i), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), l'accès aux données sous forme d'entretiens, d'accès partiel ou de rapports est accordé lorsque l'accès total porterait atteinte aux droits des tiers.]3]1

  
Art.123/7/1... [1 Een school registreert elke inschrijving binnen zeven kalenderdagen, uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van de volgende informatie:
   1° de datum en het tijdstip van de inschrijving;
   2° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning;
   3° de administratieve groep waarvoor de leerling is ingeschreven.
   Om de leerlingen uniek te kunnen identificeren bij de registratie van de inschrijving in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, registreert een school de volgende gegevens van de leerling als die beschikbaar zijn:
   1° de identificatiegegevens;
   2° de nationaliteit;
   3° het identificatienummer of rijksregisternummer.
   De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zijn de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens, vermeld in het eerste en tweede lid.
   De maximale bewaartermijnen voor gegevens als vermeld in het eerste en tweede lid die worden bewaard conform artikel 5, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels als vermeld in artikel III.81, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Bij het bepalen van die bewaartermijnen wordt rekening gehouden met het kunnen garanderen van een vlot schooltraject.
   Om een leerling te kunnen identificeren, kan een schoolbestuur de identiteitsfoto van een leerling op een identiteitskaart verzamelen. Een school kan die mogelijkheid toepassen na toestemming van de betrokken personen. Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke. De foto wordt bewaard gedurende de periode dat de leerling schoolloopt op de school of ingeschreven is in de school. De identiteitsfoto kan alleen worden geraadpleegd door personeelsleden of stagiairs bij de uitvoering van de schoolopdracht van het personeelslid of de stagiair. De verzamelde foto's mogen niet worden gebruikt voor automatische gelaatsherkenning.]1

  
Art. 123/7/1. [1 Une école enregistre chaque inscription dans les sept jours calendaires, au plus tard le premier jour de la fréquentation effective des cours, dans les applications administratives pour l'échange de données relatives aux élèves entre les écoles et le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, avec mention des informations suivantes :
   1° la date et l'heure de l'inscription ;
   2° la date du début prévu de la fréquentation des cours ;
   3° le groupe administratif pour lequel l'élève est inscrit.
   Afin de pouvoir identifier les élèves de manière unique lors de l'enregistrement de l'inscription dans les applications administratives pour l'échange de données sur les élèves entre les écoles et le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, une école enregistre les données suivantes sur les élèves si ces données sont disponibles :
   1° les données d'identification ;
   2° la nationalité ;
   3° le numéro d'identification ou le numéro de registre national.
   Les services compétents de la Communauté flamande sont les responsables du traitement pour les données visées aux alinéas 1er et 2.
   Les délais de conservation maximum des données visées aux alinéas 1er et 2 qui sont conservées conformément à l'article 5, paragraphe 1er, e), du règlement général sur la protection des données, sont définis dans des règles de gestion visées à l'article III.81, § 2, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018. Pour définir ces délais de conservation, il est tenu compte de la garantie d'un bon déroulement du parcours scolaire.
   Afin de pouvoir identifier un élève, une autorité scolaire peut collecter la photo d'identité d'un élève sur une carte d'identité. Une école peut appliquer cette possibilité moyennant le consentement des personnes concernées. L'autorité scolaire est la responsable du traitement. La photo est conservée pendant la période durant laquelle l'élève suit des cours à l'école ou est inscrit dans l'école. La photo d'identité peut uniquement être consultée par des membres du personnel ou des stagiaires dans le cadre de l'exécution de la tâche scolaire du membre du personnel ou du stagiaire. Les photos collectées ne doivent pas être utilisées à des fins de reconnaissance faciale automatique.]1

  
HOOFDSTUK 7. [1 - Maatregelen bij schending van leefregels]1
CHAPITRE 7. [1 - Mesures en cas de transgression des règles de vie]1
Art. 123/8. ]2 [1 Tuchtmaatregelen worden genomen als de handelingen van de leerling de leefregels van de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen zodanig schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijs- of vormingsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van een of meer leden van de school- of centrumpopulatie of van personen waarmee de leerling in het kader van de component werkplekleren of in het kader van een leerlingenstage in contact komt.
   Bij schending van de leefregels die echter niet van aard is om tuchtmaatregelen te nemen, kunnen andere maatregelen worden genomen die de leerling bepaalde voorzieningen ontzeggen of bepaalde verplichtingen opleggen. Die maatregelen doen geen afbreuk aan opvang door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en kunnen niet raken aan het recht op de studiebekrachtiging. Ze kunnen onder meer, wel inhouden dat voor maximum één lesdag, desgevallend herhaald doch niet aansluitend, het bijwonen van de gebruikelijke lessen of gelijkgestelde activiteiten door andere activiteiten wordt vervangen.
   Bij het nemen van een maatregel ten aanzien van een leerling die de leefregels heeft geschonden, zal voor de onderwijsinrichter steeds het beginsel voorop staan dat een minder ingrijpende maatregel voorgaat op een meer ingrijpende maatregel indien daardoor redelijkerwijs verondersteld mag worden dezelfde remediërende of corrigerende effecten bij de leerling te bereiken.]1

  
Art. 123/8. ]2 [1 Des mesures disciplinaires sont prises lorsque les actions de l'élève violent d'une telle manière les règles de vie de l'école, du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises que ces actions présentent un danger ou un obstacle majeur pour les activités normales d'enseignement ou de formation ou pour l'intégrité physique ou psychique et la sécurité d'un ou plusieurs membres de la population scolaire ou du centre ou de personnes avec lesquelles l'élève entre en contact dans le cadre de la composante apprentissage sur le lieu du travail ou dans le cadre d'un stage d'élève.
   En cas de transgression des règles de vie qui n'est pas de nature à prendre des mesures disciplinaires, d'autres mesures peuvent être prises qui interdisent à l'élève l'accès à certains services ou infligent certaines obligations. Ces mesures ne portent pas préjudice à l'accueil de l'école ou du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et ne peuvent pas entraver le droit à la validation des études. Elles peuvent entre autres impliquer que, pendant au maximum un jour de classe, le cas échéant, à plusieurs reprises, mais pendant des jours non consécutifs, la participation aux cours usuels ou aux activités assimilées est remplacée par d'autres activités.
   Au cas où l'organisateur de l'enseignement prend une mesure vis-à-vis à un élève ayant violé les règles de vie, il érige en principe qu'une mesure moins lourde est préférable à une mesure plus radicale si on peut présumer raisonnablement que les premières produisent les mêmes effets de remédiation et de correction chez l'élève.]1

  
  [2
  [2
Art. 123/9. ]2 [1 Voor een tuchtdossier gelden de volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging:
   1° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;
   2° de betrokken personen evenals de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord;
   3° elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; bij definitieve uitsluiting wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;
   4° voordat de tuchtmaatregel van kracht wordt, wordt elke beslissing aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;
   5° er is geen mogelijkheid om tot collectieve uitsluitingen over te gaan waarbij in één beslissing meerdere leerlingen worden gevat;
   6° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;
   7° de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;
   8° het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere onderwijsinstelling.]1

  
Art. 123/9. ]2 [1 A un dossier disciplinaire s'appliquent les règles suivantes inhérentes à la procédure disciplinaire :
   1° l'intention d'infliger une sanction disciplinaire est communiquée par écrit aux personnes intéressées ;
   2° les personnes intéressées, ainsi que l'élève, éventuellement assistés par une personne de confiance, sont entendus ;
   3° toute décision prise est motivée par écrit ; en cas d'une exclusion définitive, une référence écrite est faite à la possibilité de recours avec la procédure correspondante ;
   4° avant l'entrée en vigueur de la mesure disciplinaire, toute décision est notifiée par écrit aux personnes intéressées;
   5° il n'y a pas de possibilité de procéder à des exclusions collectives au moyen d'une seule décision s'appliquant à plusieurs élèves ;
   6° la sanction disciplinaire doit être conforme à la gravité des faits ;
   7° les personnes intéressées ont le droit de consulter le dossier disciplinaire de l'élève ;
   8° le dossier disciplinaire et la mesure disciplinaire ne sont pas transférables à un autre établissement d'enseignement.]1

  
  [2
  [2
Art. 123/10. [1 § 1. De mogelijke tuchtmaatregelen in het secundair onderwijs zijn:
   1° de tijdelijke uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, minimaal één lesdag en maximaal vijftien opeenvolgende lesdagen in de school of minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit. [3 Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst;]3
   2° de definitieve uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig verder te volgen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. [3 Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.]3
   § 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst als bewarende maatregel. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, maximaal tien opeenvolgende lesdagen in de school of maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. [4 De directeur van de school]4 kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal tien opeenvolgende lesdagen respectievelijk veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. [3 Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.]3
   § 3. De bevoegdheid tot preventieve schorsing of tuchtmaatregelen ligt bij de directeur van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling is ingeschreven, of zijn afgevaardigde. Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de klassenraad worden ingewonnen. In die klassenraad zetelt, met adviesbevoegdheid, een personeelslid van het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.
   Elkeen die daartoe is gemachtigd door het school- of centrumbestuur is bevoegd tot het opleggen aan de leerling van andere maatregelen dan tuchtmaatregelen bij schending van leefregels, waaraan hij ingevolge zijn school- of centrumreglement is onderworpen, op een locatie waar hij toezicht op de leerling uitoefent.
   § 4. Als de school samenwerkt met een andere school voor verstrekking van een deel van de vorming en de schending van leefregels, waaraan de leerling ingevolge zijn schoolreglement is onderworpen, zich in die andere school heeft voorgedaan, dan moet bij beslissing tot definitieve uitsluiting en na overleg met de andere school, worden bepaald of die uitsluiting ook betrekking heeft op die andere school.
   Als aan de school een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden, dan moet bij beslissing tot definitieve uitsluiting en na overleg met het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, worden bepaald of die uitsluiting ook betrekking heeft op het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, en vice versa.
   § 5. Bij elke preventieve schorsing of tuchtmaatregel die ingaat vóór de laatste les- of gelijkgestelde dag van het schooljaar, geeft de school of het centrum aan of de leerling al dan niet aanwezig moet zijn op school. Indien de school aangeeft dat de aanwezigheid niet verplicht is, kunnen de betrokken personen een gemotiveerde vraag stellen tot opvang door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Als op die vraag wordt ingegaan, dan maakt de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs afspraken met de betrokken personen en de leerling over de opvangvoorwaarden. Weigering van opvang moet door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs schriftelijk worden gemotiveerd aan de betrokken personen.
   § 6. Als de tuchtmaatregel de definitieve uitsluiting behelst, dan gaat die in hetzij onmiddellijk, hetzij op 31 augustus van het lopende schooljaar dan wel, voor een opleiding die dan eindigt, op 31 januari van het lopende schooljaar. Een definitieve uitsluiting ingaand op die uiterlijke datum impliceert uitschrijving.
   Als de definitieve uitsluiting ingaat vóór de datum, vermeld in het eerste lid, dan blijft de leerling ingeschreven tot op het ogenblik van inschrijving in een andere school of een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Terwijl de inschrijving doorloopt, heeft de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling wordt uitgesloten de verantwoordelijkheid om, samen met het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding, de leerling actief bij te staan in het zoeken naar een andere school of een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Die zoekinspanningen zullen rekening houden met het criterium afstand ten opzichte van de verblijfplaats van de leerling en zullen zich, in eerste instantie, richten op hetzelfde onderwijsnet en dezelfde opleiding als die waaruit de leerling komt.
   In afwijking van het tweede lid, kan de school waar een leerling definitief wordt uitgesloten in de volgende gevallen uitschrijven:
   1° vanaf de tiende lesdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat, eventueel na uitputting van de mogelijkheid tot beroep, voor zover de leerling op laatstbedoelde dag niet meer leerplichtig is;
   2° als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van school in te gaan.
   In afwijking van het tweede lid, kan het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar een leerling definitief wordt uitgesloten in de volgende gevallen uitschrijven:
   1° vanaf de tiende kalenderdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat, eventueel na uitputting van de mogelijkheid tot beroep, voor zover de leerling op laatstbedoelde dag niet meer leerplichtig is;
   2° als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in te gaan.]1

  
Art. 123/10. ]2 [1 § 1er. Les mesures disciplinaires éventuelles dans l'enseignement secondaire sont les suivantes :
   1° l'exclusion temporaire : privant l'élève de son droit de suivre effectivement et régulièrement l'ensemble de la formation au cours de l'année scolaire et ce, pendant une période d'au minimum un jour de classe et d'au maximum quinze jours de classe consécutifs dans l'école ou d'au minimum un jour calendaire et d'au maximum vingt-et-un jours calendaires consécutifs dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. [3 Une exclusion temporaire implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement; ]3
   2° l'exclusion définitive : privant l'élève de son droit de continuer à suivre effectivement et régulièrement l'ensemble de la formation à compter d'une certaine date dans l'école ou le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. [3 Une exclusion définitive implique également que, le cas échéant, il est mis fin à tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, de plein droit et dès qu'il apparaît que soit aucun recours recevable n'a été introduit, soit l'exclusion est confirmée par une cour d'appel. L'exclusion définitive faisant l'objet d'un recours recevable implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. ]3
   § 2. L'élève peut faire l'objet d'une suspension préventive à titre de mesure conservatoire dans l'attente d'une exclusion temporaire ou définitive. En cas d'exclusion préventive, l'élève est privé de son droit de suivre effectivement et régulièrement l'ensemble de la formation au cours de l'année scolaire et ce, pendant une période d'au maximum dix jours de classe consécutifs dans l'école ou d'au maximum quatorze jours calendaires consécutifs dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. A condition de motiver sa décision à l'égard des personnes intéressées, [4 le directeur de l'école]4 a la faculté de prolonger une seule fois la période en question d'au maximum dix jours de classe consécutifs respectivement quatorze jours calendaires consécutifs si, à cause de facteurs externes l'enquête disciplinaire ne peut être achevée dans la première période. La suspension peut avoir immédiatement effet et est notifiée aux personnes intéressées. [3 Une suspension préventive implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement.]3
   § 3. Le directeur de l'école ou du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel où l'élève est inscrit, ou son délégué est investi du pouvoir de prononcer une suspension préventive ou des mesures disciplinaires. Préalablement à la décision d'exclusion définitive, l'avis du conseil de classe doit être recueilli. Un membre du personnel du centre d'encadrement des élèves accompagnateur, ayant compétence d'avis, siège à ce conseil de classe. L'avis du conseil de classe est repris dans le dossier disciplinaire.
   Toute personne habilitée à cet effet par l'autorité scolaire ou la direction du centre est compétente pour infliger des sanctions autres que des mesures disciplinaires à l'élève si ce dernier a transgressé des règles de vie, auxquelles il doit se conformer du chef du règlement d'école ou de centre, à un endroit où il surveille l'élève.
   § 4. Si l'école coopère avec une autre école pour assurer une partie de la formation et si la transgression des règles de vie, auxquelles l'élève doit se conformer du chef de son règlement d'école, s'est produit dans l'autre école, il doit être déterminé par décision d'exclusion définitive et après concertation avec l'autre école, si l'exclusion prononcée a également trait sur l'autre école.
   Si un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est rattaché à l'école, la décision d'exclusion définitive doit déterminer, après concertation avec le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, si l'exclusion prononcée a également trait sur le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et vice cers.
   § 5. Pour chaque suspension préventive ou mesure disciplinaire prenant cours avant le dernier jour de classe ou assimilé de l'année scolaire, l'école ou le centre indique si la présence de l'élève à l'école est requise ou non Si l'école signale que la présence n'est pas obligatoire, les personnes intéressées peuvent poser une demande motivée d'accueil par l'école ou le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. Si une suite favorable y est donnée, l'école ou le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel se met d'accord avec les personnes intéressées et l'élève sur les conditions d'accueil. Tout refus d'accueil doit être communiqué et motivé par écrit par l'école ou le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel aux personnes intéressées.
   § 6. Si la mesure disciplinaire implique l'exclusion définitive, celle-ci prend cours ou bien immédiatement, ou bien le 31 août de l'année scolaire en cours et, pour une formation qui prend fin à ce moment, le 31 janvier de l'année scolaire en cours. Une exclusion définitive prenant cours à cette date limite implique la désinscription.
   Si, par contre, l'exclusion prend cours avant la date, visée au premier alinéa, l'élève reste inscrit jusqu'au moment de l'inscription auprès d'une autre école ou d'un autre centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. Pendant que l'inscription court, l'école ou le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel duquel l'élève sera exclu, a la responsabilité d'agir ensemble avec le centre d'encadrement des élèves accompagnateur pour aider l'élève à trouver une autre école ou un autre centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. Ces recherches tiendront compte du critère distance entre l'école/le centre et la résidence de l'élève, et se dirigeront en première instance vers le même réseau d'enseignement et la même formation d'où sort l'élève.
   Par dérogation au deuxième alinéa, l'école d'où l'élève est définitivement exclu peut désinscrire l'élève dans les cas suivants :
   1° à partir du dixième jour de classe qui suit le jour de l'exclusion définitive, éventuellement après épuisement de la possibilité de recours, pour autant que l'élève ne soit plus soumis à la scolarité obligatoire à ce dernier jour ;
   2° si les personnes intéressées font preuve d'une mauvaise volonté manifeste pour accepter l'offre de changement d'école.
   Par dérogation au deuxième alinéa, le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel d'où l'élève est définitivement exclu peut désinscrire l'élève dans les cas suivants :
   1° à partir du dixième jour calendaire qui suit le jour de l'exclusion définitive, éventuellement après épuisement de la possibilité de recours, pour autant que l'élève ne soit plus soumis à la scolarité obligatoire à ce dernier jour ;
   2° si les personnes intéressées font preuve d'une mauvaise volonté manifeste pour accepter l'offre de changement de centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel.]1

  
Art. 123/11. ]2 [1 § 1. De mogelijke tuchtmaatregelen in [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 zijn:
   1° de tijdelijke uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar gedurende een periode van minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit. [3 Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst;]3
   2° de definitieve uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. [3 Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst;]3
   3° [3 ...]3
   § 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar gedurende een periode van maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. Het centrumbestuur kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. [3 Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.]3
   § 3. In [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 ligt de bevoegdheid tot:
   1° preventieve schorsing: bij de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde;
   2° tijdelijke of definitieve uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: bij de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde, [4 ...]4;
   3°[3 ...]3]1

  
Art. 123/11. ]2 [1 § 1er. Les mesures disciplinaires possibles dans [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4 sont les suivantes :
   1° l'exclusion temporaire du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises : privant l'élève de son droit de suivre effectivement et régulièrement l'ensemble de la formation théorique au cours de l'année scolaire pendant une période d'au minimum un jour calendaire et d'au maximum vingt-et-un jours calendaires consécutifs dans une certaine implantation du centre. Une nouvelle exclusion temporaire ne peut être prononcée qu'après un nouveau fait. [3 Une exclusion temporaire implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4 sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement;]3
   2° l'exclusion définitive du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises : privant l'élève de son droit de suivre effectivement et régulièrement l'ensemble de la formation théorique à partir d'une certaine date dans une certaine implantation du centre. [3 Une exclusion définitive implique également que, le cas échéant, il est mis fin à tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4 sur le lieu de travail pour l'élève concerné, de plein droit et dès qu'il apparaît que soit aucun recours recevable n'a été introduit, soit l'exclusion est confirmée par une cour d'appel. L'exclusion définitive faisant l'objet d'un recours recevable implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4 sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement; ]3
   3° [3 ...]3
   § 2. L'élève peut faire l'objet d'une suspension préventive dans l'attente d'une éventuelle exclusion temporaire ou définitive. En cas d'exclusion préventive, l'élève est privé de son droit de suivre effectivement et régulièrement l'ensemble de la formation théorique au cours de l'année scolaire pendant une période d'au maximum quatorze jours calendaires consécutifs dans une certaine implantation du centre. A condition de motiver sa décision à l'égard des personnes intéressées, la direction du centre a la faculté de décider de prolonger une seule fois la période en question d'au maximum quatorze jours calendaires consécutifs si, à cause de facteurs externes, l'enquête disciplinaire ne peut être achevée dans la première période. La suspension peut avoir immédiatement effet et est notifiée aux personnes intéressées. [3 Une suspension préventive implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. ]3
   § 3. Durant [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4, la compétence :
   1° de suspension préventive : appartient au directeur-administrateur délégué ou son délégué ;
   2° d'exclusion temporaire ou définitive du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises : appartient au directeur-administrateur délégué ou son délégué [4 ...]4 ;
   3° [3 ...]3]1

  
HOOFDSTUK 8. [1 - Beroepsmogelijkheden]1
CHAPITRE 8. [1 - Possibilités de Recours]1
Afdeling 1. [1 - Beroep tegen beslissing tot definitieve uitsluiting uit een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een vestigingsplaats van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]1
Section 1re. [1 - Recours contre une décision d'exclusion définitive d'une école, d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou d'une implantation d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]1
Art. 123/12. ]2[1 § 1. Tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting die door de betrokken personen wordt betwist, hebben die personen verhaalmogelijkheid overeenkomstig een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het school- of centrumreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.
   De betrokken personen stellen het beroep in bij het school- of centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.
   § 2. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot:
   1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
   a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
   b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement;
   2° hetzij de bevestiging van de definitieve uitsluiting, hetzij de vernietiging van de definitieve uitsluiting. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor deze beslissing van de beroepscommissie.
   § 3. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht binnen de termijn bepaald in het school- of centrumreglement.
   Bij overschrijding van deze termijn is de omstreden definitieve uitsluiting van rechtswege nietig.]1

  
Art. 123/12. ]2[1 § 1er. De la décision d'exclusion définitive qui est contestée par les personnes intéressées, ces personnes peuvent former appel conformément à une procédure de recours. La procédure de recours est fixée dans un règlement d'école ou de centre, sans préjudice de l'application des dispositions de la présente section.
   Les personnes intéressées forment le recours devant l'autorité scolaire ou la direction du centre par requête datée et signée mentionnant au moins l'objet du recours, ainsi que la description des faits et la motivation des objections invoquées. A cette description, des pièces à conviction peuvent être jointes.
   § 2. Le recours est traité par une commission de recours et conduit :
   1° soit, au rejet motivé du recours pour cause de son irrecevabilité si :
   a) le délai d'introduction du recours, prévu au règlement d'école ou de centre, a été dépassé ;
   b) le recours ne satisfait pas aux formalités reprises dans le règlement d'école ou de centre ;
   2° soit, à la confirmation de l'exclusion définitive, soit, à l'annulation de l'exclusion définitive. L'autorité scolaire ou la direction du centre accepte la responsabilité de cette décision de la commission de recours.
   § 3. Le résultat du recours est motivé et notifié par écrit aux personnes intéressées dans le délai fixé dans le règlement d'école ou du centre.
   Passé ce délai, l'exclusion définitive contestée est nulle de plein droit.]1

  
  [2
  [2
Art. 123/13. ]2[1 § 1. In het secundair onderwijs wordt een beroepscommissie ingesteld door een school- of centrumbestuur.
   In [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 wordt een beroepscommissie ingesteld door [4 het centrumbestuur]4.
   § 2. In het secundair onderwijs [5 bepaalt het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling]5 van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
   1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
   2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het school- of centrumbestuur of van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen.
   In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
   a) wordt onder lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;
   b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
   c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;
   3° de voorzitter wordt [5 door het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen]5 aangeduid.
   In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
   1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
   2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
   3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
   4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;
   5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs;
   6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement.
   § 3. In [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 [5 bepaalt het centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling]5 van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
   1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
   2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het centrumbestuur of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het centrumbestuur en het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen;
   3° de voorzitter wordt [5 door het centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen]5 aangeduid.
   In [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 bepaalt [4 het centrumbestuur]4 de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
   1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
   2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
   3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
   4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van [4 de klassenraad]4 dat een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;
   5° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.
   § 4. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot definitieve uitsluiting niet op [3 , onverminderd het in artikel 123/10, § 1, 2°, en artikel 123/11, § 1, 2°, gestelde.]3]1

  
Art. 123/13. [1 § 1er. Dans l'enseignement secondaire, une commission de recours est instituée par une autorité scolaire ou une direction du centre.
   Dans [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4, la commission de recours est instituée par [4 l'autorité du centre]4.
   § 2. Dans l'enseignement secondaire, [5 l'autorité scolaire, la direction du centre ou son délégué détermine la composition]5 de la commission de recours, dans le respect des dispositions suivantes :
   1° la composition peut varier d'un dossier à l'autre, mais ne peut pas changer au cours du traitement du dossier ;
   2° la composition est la suivante : d'une part les " membres internes ", à savoir les membres de l'autorité scolaire ou de la direction du centre ou de l'école ou du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel où la décision contestée d'exclusion définitive a été prise, à l'exception du directeur ou de son délégué qui a pris la décision ; d'autre part les " membres externes ", à savoir les personnes externes à l'autorité scolaire ou à la direction du centre et à l'école ou au centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel où la décision d'exclusion définitive contestée a été prise.
   Le cas échéant et pour l'application des dispositions précitées :
   a) est entendu par membre de l'autorité scolaire ou de la direction du centre, un membre de l'organe auquel revient la responsabilité de l'enseignement organisé ;
   b) la personne qui, de par ses qualités, est un membre tant interne qu'externe est censée être un membre interne ;
   c) un membre du conseil des parents, du conseil des délégués d'élèves ou, à l'exception du personnel, du conseil scolaire de l'école ou du centre où la décision contestée d'exclusion définitive a été prise, est censé être un membre externe, sauf si la disposition mentionnée au point b) est d'application ;
   3° le président [5 est désigné par l'autorité scolaire, la direction du centre ou son délégué parmi les personnes externes]5.
   Dans l'enseignement secondaire, l'autorité scolaire ou la direction du centre détermine le fonctionnement, y compris la procédure de vote, d'une commission de recours, dans le respect des dispositions suivantes :
   1° chaque membre d'une commission de recours a en principe voix délibérative, étant entendu que lors du vote, le nombre de membres internes à voix délibérative de la commission de recours et le nombre de membres externes à voix délibérative de la commission de recours doit être égal; en cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante ;
   2° chaque membre d'une commission de recours est tenu à la discrétion ;
   3° une commission de recours entend les personnes intéressées et l'élève en question ;
   4° une commission de recours statue de manière autonome sur les démarches à entreprendre pour arriver à une conclusion fondée, parmi lesquelles éventuellement l'audition d'un ou plusieurs membres du conseil de classe qui a (ont) donné leur avis sur l'exclusion définitive ;
   5° le fonctionnement d'une commission de recours ne peut pas porter préjudice aux droits statutaires de chacun des membres du personnel de l'enseignement ;
   6° une commission de recours juge si la décision est en tout cas prise conformément aux dispositions décrétales et réglementaires relatives à l'enseignement et au règlement d'école ou de centre.
   § 3. Pour [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4, [5 l'autorité du centre ou son délégué fixe la composition]5 d'une commission de recours, dans le respect des dispositions suivantes :
   1° la composition peut varier d'un dossier à l'autre, mais ne peut pas changer au cours du traitement du dossier ;
   2° la composition est la suivante : d'une part les " membres internes ", à savoir les membres de la direction du centre ou du centre où la décision contestée d'exclusion définitive a été prise, à l'exception du directeur-administrateur délégué ou de son délégué qui a pris la décision ; d'autre part les " membres externes ", à savoir les personnes externes à la direction du centre ou au centre où la décision d'exclusion définitive contestée a été prise ;
   3° le président est désigné [5 par l'autorité du centre ou son délégué parmi les membres externes]5.
   Pour [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4, [4 l'autorité du centre]4 détermine le fonctionnement, y compris la procédure de vote, d'une commission de recours, dans le respect des dispositions suivantes :
   1° chaque membre d'une commission de recours a en principe voix délibérative, étant entendu que lors du vote, le nombre de membres internes à voix délibérative de la commission de recours et le nombre de membres externes à voix délibérative de la commission de recours doit être égal; en cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante ;
   2° chaque membre d'une commission de recours est tenu à la discrétion ;
   3° une commission de recours entend les personnes intéressées et l'élève en question ;
   4° une commission de recours statue de manière autonome sur les démarches à entreprendre pour arriver à une conclusion fondée, parmi lesquelles éventuellement l'audition d'un ou plusieurs membres [4 du conseil de classe]4 qui a (ont) donné leur avis sur l'exclusion définitive ;
   5° une commission de recours juge si la décision prise est en tout cas conforme aux dispositions décrétales et réglementaires relatives à l'enseignement et au règlement du centre.
   § 4. Le recours ne suspend pas l'exécution de la décision d'exclusion définitive [3 sans préjudice des dispositions de l'article 123/10, § 1er, 2°, et de l'article 123/11, § 1er, 2°, ]3]1

  
Afdeling 2. [1 - Beroep tegen beslissing tot uitsluiting uit de leertijd]1
Section 2. [1 - Recours contre une décision d'exclusion de l'apprentissage]1
Afdeling 3. [1 - Beroep tegen een evaluatiebeslissing]1
Section 3. [1 - Recours contre une décision d'évaluation]1
Art. 123/15. ]2[1 § 1. Tegen eindbeslissingen inzake leerlingenevaluatie die door de betrokken personen worden betwist, hebben die personen verhaalmogelijkheid overeenkomstig een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het school- of centrumreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.
   In het secundair onderwijs hebben de betrokken personen slechts verhaalmogelijkheid na een overleg als vermeld in artikel 115/6, § 4.
   In [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 nemen de betrokken personen een evaluatiebeslissing in ontvangst op een in het centrumreglement vastgelegde datum en wijze. Bij het niet in ontvangst nemen door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Slechts na een overleg met [4 de directeur-afgevaardigd bestuurder van het centrum of zijn afgevaardigde]4 op vraag van de betrokken personen en binnen een redelijke termijn na ontvangst van een beslissing [3 ...]3, hebben die betrokken personen verhaalmogelijkheid tegen de beslissing. Die termijn wordt in het centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Na het overleg wordt het oorspronkelijk evaluatieresultaat bevestigd of door een ander evaluatieresultaat vervangen.
   § 2. De betrokken personen stellen het beroep in bij het school- of centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift, dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.
   § 3. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot:
   1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
   a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
   b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement;
   2° hetzij, nadat de beroepscommissie al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, de bevestiging van het oorspronkelijk evaluatieresultaat of de vervanging door een ander evaluatieresultaat. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.
   § 4. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht hetzij uiterlijk op 15 september, hetzij - doch uitsluitend voor een opleiding die op 31 januari eindigt - uiterlijk op 15 maart daaropvolgend.]1

  
Art. 123/15. ]2 [1 § 1er. Des décisions finales relatives à l'évaluation des élèves qui sont contestées par les personnes intéressées, ces personnes peuvent former appel conformément à une procédure de recours. La procédure de recours est fixée dans un règlement d'école ou de centre, sans préjudice de l'application des dispositions de la présente section.
   Dans l'enseignement secondaire, les personnes intéressées n'ont la faculté d'interjeter appel qu'après une concertation comme prévue à l'article 115/6, § 4.
   Pour ce qui est de [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4, les personnes intéressées reçoivent une décision d'évaluation à une date et d'une façon déterminées dans le règlement de centre. Au cas où les intéressés n'accusent pas réception de la décision, cette décision est toutefois censée avoir été reçue à la date de réception prévue. Ce n'est qu'après concertation avec [4 le directeur-administrateur délégué du centre ou son délégué]4, sur la demande des personnes intéressées et dans un délai raisonnable après réception de la décision [3 ...]3, que les personnes concernées ont la faculté d'interjeter appel contre la décision. Ce délai est fixé dans le règlement de centre. De cette concertation, un rapport écrit est établi. A l'issue de la concertation, le résultat d'évaluation initial est confirmé ou remplacé par un autre résultat d'évaluation.
   § 2. Les personnes intéressées forment le recours devant l'autorité scolaire ou la direction du centre par requête datée et signée qui mentionne au moins l'objet du recours, ainsi que la description des faits et la motivation des objections invoquées. A cette description, des pièces à conviction peuvent être jointes.
   § 3. Le recours est traité par une commission de recours et conduit :
   1° soit, au rejet motivé du recours pour cause de son irrecevabilité si :
   a) le délai d'introduction du recours, prévu au règlement d'école ou de centre, a été dépassé ;
   b) le recours ne satisfait pas aux formalités reprises dans le règlement d'école ou de centre ;
   2° soit, après leur avoir fait passer des épreuves ou tests complémentaires ou non, la commission de recours décide de confirmer le résultat d'évaluation initial ou de le remplacer par un autre résultat d'évaluation. L'autorité scolaire ou la direction du centre accepte la responsabilité de la décision de la commission de recours.
   § 4. Le résultat du recours est communiqué par écrit aux personnes intéressées soit, au plus tard le 15 septembre, soit - mais uniquement pour une formation se terminant le 31 janvier - au plus tard le 15 mars suivant.]1

  
Art. 123/17. ]2 [1 § 1. In het secundair onderwijs wordt een beroepscommissie ingesteld door een school- of centrumbestuur.
   In [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 wordt een beroepscommissie ingesteld door [4 het centrumbestuur]4 [3 ...]3.
   § 2. In het secundair onderwijs [5 bepaalt het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling]5 van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
   1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
   2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen.
   In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
   a) wordt onder een lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;
   b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
   c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;
   3° de voorzitter wordt [5 door het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen]5 aangeduid.
   In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
   1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
   2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
   3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
   4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen; onder "stappen" kan onder meer worden verstaan:
   a) het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad, voor zover niet opgenomen in het eerste lid, 2°, hiervoor, die de betwiste evaluatiebeslissing, heeft genomen;
   b) het horen van een of meer raadgevende leden van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen;
   c) het, in voorkomend geval, organiseren van de bijkomende proeven of opdrachten van de leerling;
   5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;
   6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement.
   § 3. In [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 [5 bepaalt het centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling]5 van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
   1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
   2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van [4 de klassenraad]4, waaronder alleszins de voorzitter van [4 de klassenraad]4 die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen en eventueel een lid van het centrumbestuur in kwestie; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het centrumbestuur en aan het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen. Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
   3° de voorzitter wordt [5 door het centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen]5 aangeduid.
   In [4 een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen]4 bepaalt [4 het centrumbestuur]4 de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
   1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
   2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
   3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
   4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen;
   5° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.]1

  
Art. 123/17. [1 § 1er. Dans l'enseignement secondaire, une commission de recours est instituée par une autorité scolaire ou une direction du centre.
   Pour [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4, une commission de recours est instaurée par [4 l'autorité du centre]4 [3 ...]3.
   § 2. Dans l'enseignement secondaire, [5 l'autorité scolaire, la direction du centre ou son délégué fixe la composition]5 d'une commission de recours, dans le respect des dispositions suivantes :
   1° la composition peut varier d'un dossier à l'autre, mais ne peut pas changer au cours du traitement du dossier ;
   2° la composition est la suivante : d'une part les " membres internes ", à savoir les membres du conseil de classe, parmi lesquels en tout cas le président du conseil de classe, qui a pris la décision d'évaluation contestée, et éventuellement un membre de l'autorité scolaire ou de la direction d'un centre ; d'autre part les " membres externes ", à savoir les personnes externes à l'autorité scolaire ou à la direction du centre et à l'école ou au centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel où la décision d'évaluation contestée a été prise.
   Le cas échéant et pour l'application de ces dispositions :
   a) est entendu par membre de l'autorité scolaire ou de la direction du centre, un membre de l'organe auquel revient la responsabilité de l'enseignement organisé ;
   b) la personne qui, de par ses qualités, est un membre tant interne qu'externe est censée être un membre interne ;
   c) un membre du conseil des parents, du conseil des délégués d'élèves ou, à l'exception du personnel, du conseil scolaire de l'école ou du centre où la décision d'évaluation contestée a été prise, est censé être un membre externe, sauf si la disposition mentionnée au point b) est d'application ;
   3° le président [5 est désigné par l'autorité scolaire, la direction du centre ou son délégué parmi les personnes externes]5.
   Dans l'enseignement secondaire, l'autorité scolaire ou la direction du centre détermine le fonctionnement, y compris la procédure de vote, d'une commission de recours, dans le respect des dispositions suivantes :
   1° chaque membre d'une commission de recours a en principe voix délibérative, étant entendu que lors du vote, le nombre de membres internes à voix délibérative de la commission de recours et le nombre de membres externes à voix délibérative de la commission de recours doit être égal; en cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante ;
   2° chaque membre d'une commission de recours est tenu à la discrétion ;
   3° une commission de recours entend les personnes intéressées et l'élève en question ;
   4° une commission de recours statue de manière autonome sur les démarches à entreprendre pour arriver à une conclusion fondée ; par " démarches ", on entend éventuellement :
   a) l'audition d'un ou plusieurs membres à voix délibérative du conseil de classe, dans la mesure où le premier alinéa, 2°, précité, n'y fait pas référence, qui a pris la décision d'évaluation contestée ;
   b) l'audition d'un ou plusieurs membres à voix délibérative du conseil de classe qui a pris la décision d'évaluation contestée ;
   c) l'organisation, le cas échéant, d'épreuves ou tests complémentaires de l'élève;
   5° le fonctionnement d'une commission de recours ne peut pas porter préjudice aux droits statutaires de chacun des membres du personnel de l'enseignement ;
   6° une commission de recours juge si la décision est en tout cas prise conformément aux dispositions décrétales et réglementaires relatives à l'enseignement et au règlement d'école ou de centre.
   § 3. Pour [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4, [5 l'autorité du centre ou son délégué fixe la composition]5 d'une commission de recours, dans le respect des dispositions suivantes :
   1° la composition peut varier d'un dossier à l'autre, mais ne peut pas changer au cours du traitement du dossier ;
   2° la composition est la suivante : d'une part les " membres internes ", à savoir les membres [4 du conseil de classe]4, parmi lesquels en tout cas le président [4 du conseil de classe]4, qui a pris la décision d'évaluation contestée, et éventuellement un membre de la direction d'un centre en question ; d'autre part, les " membres externes ", à savoir les personnes externes à la direction du centre et au centre où la décision d'évaluation contestée a été prise. Pour l'application de ces dispositions, une personne qui, de par ses qualités, est tant un membre interne qu'externe est censée être un membre interne ;
   3° le président est désigné [5 par l'autorité du centre ou son délégué parmi les membres externes]5.
   Pour [4 un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises]4, [4 l'autorité du centre]4 détermine le fonctionnement, y compris la procédure de vote, d'une commission de recours, dans le respect des dispositions suivantes :
   1° chaque membre d'une commission de recours a en principe voix délibérative, étant entendu que lors du vote, le nombre de membres internes à voix délibérative de la commission de recours et le nombre de membres externes à voix délibérative de la commission de recours doit être égal; en cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante ;
   2° chaque membre d'une commission de recours est tenu à la discrétion ;
   3° une commission de recours entend les personnes intéressées et l'élève en question ;
   4° une commission de recours statue de manière autonome sur les démarches à entreprendre pour arriver à une conclusion fondée ;
   5° une commission de recours juge si la décision prise est en tout cas conforme aux dispositions décrétales et réglementaires relatives à l'enseignement et au règlement du centre.]1

  
Art. 123/18. ]2 [1 Zolang een beroepsprocedure als vermeld in deze afdeling lopende is, heeft de leerling het recht om in de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen waar of waarvoor de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, verder onderwijs te volgen alsof er geen nadelige beslissing was genomen.]1
  
Art. 123/18. ]2 [1 Pendant la durée de la saisine de la commission de recours conformément à la présente section, l'élève a le droit de continuer à suivre l'enseignement dans l'école, dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou le centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises où ou pour lequel la décision d'évaluation contestée a été prise, comme si aucune décision défavorable n'avait été prise.]1
  
Afdeling 4. [1 - Beroep tegen andere beslissingen]1
Section 4. [1 - Recours contre d'autres décisions]1
Art. 123/19. [1 Een school- of centrumbestuur [3 in het secundair onderwijs respectievelijk de leertijd]3 is bevoegd om in het secundair onderwijs respectievelijk de leertijd eventuele beroepsmogelijkheden te voorzien ten aanzien van door de betrokken personen betwiste beslissingen andere dan beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie.]1
  
Art. 123/19. ]2 [1 Une autorité scolaire ou direction du centre [3 ...]3 est autorisé à prévoir [3 ...]3 des possibilités de recours éventuelles contre les décisions contestées par les personnes intéressées autres que les décisions relatives à l'exclusion définitive ou l'évaluation des élèves.]1
  
HOOFDSTUK 9. [1 - Leerlingenstages]1
CHAPITRE 3. [1 - Stages d'élèves]1
Art. 123/20. [1 Een leerlingenstage is gebaseerd op een leerlingenstageovereenkomst gesloten tussen de school, de stagegever en de betrokken personen. De eindverantwoordelijkheid voor de keuze van de stagegever, de vaststelling van de stageactiviteiten evenals de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ligt bij de school.
   Elke leerlingenstage is onbezoldigd.
   Indien de leerling-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de leerling-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. [2 De aansprakelijkheid van [3 titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de minderjarige leerling-stagiair conform de gevallen, vermeld in dit lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld]3.]2
  [3 De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de leerling-stagiair conform de gevallen, vermeld in dit lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.]3
  [2 De stagegever is een aansteller [3 als vermeld in artikel 6.14, § 1,]3 van het Burgerlijk Wetboek.]2
  [2 Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.]2
   De Vlaamse Regering kan de praktische organisatie van en de minimale kwaliteitskenmerken voor leerlingenstages nader bepalen.]1

  
Art. 123/20. [1 Un stage d'élève est basé sur un contrat de stage d'élève conclu entre l'école, le donneur de stage et les personnes concernées. La responsabilité finale du choix du donneur de stage, de la détermination des activités de stage ainsi que de l'accompagnement et de l'évaluation de l'élève-stagiaire, incombe à l'école.
   Tout stage d'élève est non rémunéré.
   Si l'élève-stagiaire cause des dommages au donneur de stage ou à des tiers lors de l'exécution de son stage, il n'est responsable qu'en cas de fraude et de faute grave. En cas de faute légère, l'élève-stagiaire n'est responsable que si celle-ci revêt un caractère habituel plutôt qu'occasionnel. [2 La responsabilité [3 des titulaires de l'autorité sur la personne des mineurs, visés à l'article 6.12 du Code civil s'applique uniquement lorsque l'élève-stagiaire mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas visés au présent alinéa]3.]2
  [3 La responsabilité des personnes chargées de la surveillance d'autrui, visée à l'article 6.13 du Code civil, s'applique uniquement lorsque l'élève-stagiaire peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas visés au présent alinéa.]3
  [2 Le donneur de stage est un commettant [3 tel que visé à l'article 6.14, § 1er,]3 du Code civil.]2
  [2 Toutes les stipulations contraires aux dispositions du présent article sont nulles.]2
   Le Gouvernement flamand peut préciser l'organisation pratique et les caractéristiques de qualité minimales des stages d'élève.]1

  
Hoofdstuk 10. [1 Leerlingenbegeleiding]1
Chapitre 10. [1 Encadrement des élèves]1
Art. 123/21. [1 De bepalingen van deze afdeling houden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, op uitwerking te hebben met ingang van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019.]1
  
Art. 123/21. [1 Les dispositions de la présente section cessent de produire leurs effets, progressivement, année d'études par année d'études, commençant par la première année d'études du premier degré, dès la mise en oeuvre progressive de la modernisation de l'enseignement secondaire à partir du 1er septembre 2019.]1
  
Art. 123/22. [1 De school ontwikkelt een beleid op leerlingenbegeleiding dat is afgestemd op het pedagogisch project, de noden van de leerlingenpopulatie en de context waarin de school zich bevindt. Het beleid op leerlingenbegeleiding omvat de begeleiding van de leerlingen, het ondersteunen van het handelen van het onderwijzend personeel[3 , het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 123/24/1, als de school of het centrum daar een beleid over ontwikkelt,]3 en de coördinatie van alle leerlingbegeleidingsinitiatieven op niveau van de school. De school implementeert, evalueert en stuurt, zo nodig, dat beleid bij. Ter versterking van dat beleid voert de school een professionaliseringbeleid. De school wijst binnen haar personeelskader een of meer personeelsleden aan die geheel of gedeeltelijk met leerlingenbegeleiding worden belast.
  [2 Bij de opmaak en evaluatie van het beleid op leerlingenbegeleiding betrekt de school relevante partners. Voor bijkomende inhoudelijke expertise doet de school een beroep op het centrum voor leerlingenbegeleiding. Voor schoolondersteuning zoekt de school externe ondersteuning bij de pedagogische begeleidingsdienst, eventueel in samenwerking met een externe dienst. Voor expertise met betrekking tot het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften betrekt de school het leersteuncentrum.]2
   Een beleid op leerlingenbegeleiding beantwoordt aan de volgende principes:
   1° het belang van elke leerling staat centraal;
   2° het komt participatief tot stand en is gedragen door het hele schoolteam;
   3° het is doelgericht, systematisch, planmatig en transparant;
   4° het wordt discreet uitgevoerd;
   5° er wordt verduidelijkt wie welke taak opneemt in de leerlingenbegeleiding[3 met vermelding van het bevoegde personeel, vermeld in artikel 123/24/4, Ї 1, 3А, als er een beleid is voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan, vermeld in artikel 123/24/1.]3.]1

  
Art. 123/22. [1 L'école élabore une politique d'encadrement des élèves qui est adaptée au projet pédagogique, aux besoins de la population scolaire et au contexte dans lequel l'école se trouve. La politique d'encadrement des élèves comprend la guidance des élèves, le soutien des actions du personnel enseignant [3 , la politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 123/24/1, lorsque l'école ou le centre élabore une politique en la matière, ]3 et la coordination de toutes les initiatives d'encadrement des élèves au niveau de l'école. L'école met en oeuvre, évalue et, si nécessaire, ajuste cette politique. Afin de renforcer cette politique, l'école mène une politique de professionnalisation. L'école désigne, au sein de son cadre du personnel, un ou plusieurs membres du personnel responsables, en tout ou en partie, de l'encadrement des élèves.
  [2 L'école associe des partenaires pertinents à l'élaboration et à l'évaluation de la politique d'encadrement des élèves. Elle fait appel au centre d'encadrement des élèves pour une expertise supplémentaire sur le fond. Pour ce qui est du soutien scolaire, l'école recherche un soutien extérieur auprès du service d'encadrement pédagogique, éventuellement en collaboration avec un service externe. Pour l'expertise dans le domaine de l'enseignement aux élèves à besoins éducatifs spécifiques, l'école implique le centre de soutien à l'apprentissage]2.
   Une politique d'encadrement des élèves répond aux principes suivants :
   1° l'intérêt de l'élève est mis au premier plan ;
   2° la politique est fondée sur la participation et est épaulée par toute l'équipe scolaire ;
   3° la politique est ciblée, systématique, planifiée et transparente ;
   4° la politique est mise en oeuvre discrètement ;
   5° il est précisé qui est responsable de quelle tâche dans l'encadrement de l'élève[3 , avec indication du personnel compétent, visé à l'article 123/24/4, § 1er, 3°, lorsqu'il y a une politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive, visée à l'article 123/24/1. ]3.]1

  
Art. 123/23. [1 Bij de leerlingenbegeleiding heeft de school een basisaanbod voor alle leerlingen en biedt zorg voor leerlingen voor wie dit niet volstaat.
  [2 In de fase van de verhoogde zorg betrekt de school het centrum voor leerlingenbegeleiding bij vragen of bij een stagnerende of negatieve evolutie. Dat kan aanleiding geven tot de inzet van consultatieve leerlingenbegeleiding of de start van de fase van uitbreiding van zorg.
   Het centrum voor leerlingenbegeleiding adviseert de school om de pedagogische begeleidingsdienst te betrekken wanneer ze inschat dat de school structurele versterking nodig heeft in de fase van de brede basiszorg en de fase van de verhoogde zorg.]2
.
   In de fase uitbreiding van zorg wisselen de school en het centrum voor leerlingenbegeleiding met elkaar de beschikbare relevante informatie uit om de afspraken over de bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise te realiseren.
  [2 Elke school organiseert op structurele basis overleg met haar centrum voor leerlingenbegeleiding en haar pedagogische begeleidingsdienst om gezamenlijk begeleidings- en professionaliseringsnoden te bepalen op het vlak van het beleid op leerlingenbegeleiding. In overleg wordt bepaald wie welke rol opneemt om de school te versterken. De school kan hierbij andere partners zoals het leersteuncentrum betrekken.]2
  De Vlaamse Regering kan met betrekking tot deze opdrachten nadere bepalingen vastleggen.]1

  
Art. 123/23. [1 Dans le cadre de l'encadrement des élèves, l'école dispose d'une offre de base pour tous les élèves et fournit un encadrement renforcé aux élèves pour lesquels cela n'est pas suffisant.
  [2 Dans la phase de l'encadrement complémentaire, l'école fait intervenir le centre d'encadrement des élèves en cas de questions, de stagnation ou d'évolution négative. Cela peut donner lieu à la mise en place d'un encadrement consultatif des élèves ou au lancement de la phase d'élargissement de l'encadrement.
   Le centre d'encadrement des élèves conseille à l'école d'associer le service d'encadrement pédagogique s'il estime que l'école a besoin d'un renforcement structurel dans la phase de l'ample encadrement de base et la phase de l'encadrement complémentaire.]2
.
   Dans la phase de l'élargissement de l'encadrement, l'école et le centre d'encadrement des élèves échangent des informations pertinentes disponibles pour mettre en oeuvre les arrangements relatifs à l'apport supplémentaire de moyens, d'aide ou d'expertise.
  [2 Chaque école organise sur une base structurelle une concertation avec son centre d'encadrement des élèves et son service d'encadrement pédagogique afin de définir conjointement les besoins d'accompagnement et de professionnalisation en matière de politique d'encadrement des élèves. Il est décidé, de façon concertée, qui assume quel rôle pour renforcer l'école. L'école peut y associer d'autres partenaires comme le centre de soutien à l'apprentissage.]2
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités de ces missions.]1

  
Art. 123/24. [1 § 1. De school en het centrum maken afspraken over de schoolspecifieke samenwerking en leggen die vast. De school neemt daarvoor het initiatief. De Vlaamse Regering bepaalt welke samenwerkingsafspraken een school en een centrum minstens vastleggen.
   Het centrum deelt relevante informatie over de leerlingen in begeleiding met de school. De school deelt relevante informatie die in de school aanwezig is over de leerlingen met het centrum. Bij het doorgeven en het gebruik van deze informatie gelden de regels inzake het ambts- en beroepsgeheim, de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
   § 2. De samenwerking tussen een school en een centrum voor leerlingenbegeleiding loopt voor onbepaalde duur en start in het begin van het schooljaar. Op basis van een evaluatie van de samenwerking kunnen de samenwerkingsafspraken in onderling overleg worden bijgestuurd.
   De samenwerking tussen een school en een centrum kan door de school of het centrum worden stopgezet. Bij stopzetting van de samenwerking deelt de school of het centrum tegen uiterlijk 31 december, aan respectievelijk het centrum of de school mee dat de samenwerking wordt beëindigd. De samenwerking wordt stopgezet met ingang van het daaropvolgende schooljaar. Bij stopzetting van de samenwerking op initiatief van het centrum zal het de dienstverlening blijven verlenen tot de school een samenwerking met een ander centrum heeft vastgelegd. De dienstverlening blijft daarbij gegarandeerd tot het einde van hetzelfde schooljaar en maximaal voor de periode van het daarop volgende volledige schooljaar.
   § 3. Uiterlijk op 31 maart voorafgaand aan het schooljaar waarop een gewijzigde samenwerking ingaat, deelt de school aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering mee met welk centrum voor leerlingenbegeleiding ze zal samenwerken.
   § 4. Als een school en een centrum niet tot afspraken over een samenwerking komen, meldt de school dat aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de bemiddeling en de samenstelling van de bemiddelingscommissie.]1

  
Art. 123/24. [1 § 1er. Le centre et l'école concluent des arrangements relatifs à une coopération spécifique à l'école. L'école prend l'initiative à cet égard. Le Gouvernement flamand détermine quels arrangements de coopération une école et un centre concluent au minimum.
   Le centre partage des informations pertinentes sur les élèves en encadrement avec l'école. L'école partage des informations pertinentes qui existent dans l'école au sujet des élèves avec le centre. La transmission et l'utilisation de ces informations sont soumises aux règles du secret de fonction et du secret professionnel, de la déontologie et de la protection de la vie privée.
   § 2. La coopération entre une école et un centre d'encadrement des élèves est d'une durée indéterminée et commence au début de l'année scolaire. Sur la base d'une évaluation de la coopération, les arrangements de coopération peuvent être ajustés d'un commun accord.
   La coopération entre une école et un centre peut être discontinuée par l'école ou le centre. En cas de cessation de la coopération, l'école ou le centre informe respectivement, le centre ou l'école, au plus tard le 31 décembre, qu'il est mis fin à la coopération. La coopération prend fin à partir de l'année scolaire suivante. En cas de cessation de la coopération à l'initiative du centre, celui-ci continuera à fournir des services jusqu'à ce que l'école ait établi une coopération avec un autre centre. Le service est garanti jusqu'à la fin de la même année scolaire et, au maximum, pour la durée de l'année scolaire suivante.
   § 3. Au plus tard le 31 mars précédant l'année scolaire durant laquelle une coopération modifiée prend cours, chaque centre communiquera aux services compétents du Gouvernement flamand les écoles avec lesquelles elle coopérera.
   § 4. Si une école et un centre ne parviennent pas à des arrangements de coopération, l'école en informe les services compétents du Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de la médiation et la composition de la commission de médiation.]1

  
Hoofdstuk 11. [1Principieel verbod op afzondering en fixatie]1
Chapitre 11. [1 Interdiction de principe de l'isolement et de la contention ]1
Art. 123/24/1. [1 Ї 1. Het gebruik van afzondering en fixatie door de school is verboden, behalve onder de in artikel 123/24/2 en 123/24/3 omschreven voorwaarden.
   Afzondering of fixatie als sanctie, straf of collectieve maatregel zijn te allen tijde verboden.
   Ї 2. Als een school inschat dat er een reыle kans bestaat dat een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen moet worden of als de school reeds eerder een maatregel inzake afzondering of fixatie heeft moeten nemen, ontwikkelt de school binnen haar beleid op leerlingenbegeleiding een procedure ter bescherming van de betrokken leerling of de groep van de betrokken leerlingen. Daarbij ligt de focus op de preventie van afzondering en/of fixatie en voor de afbouw ervan. Deze procedure omvat minstens:
   1А de preventieve interventies en alternatieven om afzondering en fixatie te vermijden;
   2А de wijze waarop de ouders zullen worden gecontacteerd als een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen wordt;
   3А algemene afspraken met betrekking tot de nabespreking.
   De school betrekt de leerlingen, het personeel en hun ouders om het beleid, vermeld in het eerste lid, te ontwikkelen.
   Ї 3. Binnen het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan wordt bepaald welke preventieve interventies en alternatieven kunnen worden ingezet om in de toekomst afzondering en fixatie te vermijden.]1

  
Art. 123/24/1. [1 § 1er. Le recours à l'isolement et à la contention par l'école est interdit, sauf aux conditions définies aux articles 123/24/2 et 123/24/3.
   L'isolement et la contention sont à tout moment interdits comme sanction, punition ou mesure collective.
   § 2. Si une école estime qu'il y a une possibilité réelle qu'une mesure doive être prise en matière d'isolement ou de contention ou si une école a déjà dû prendre précédemment une mesure en matière d'isolement ou de contention, l'école élabore une procédure de protection de l'élève concerné ou du groupe d'élèves concernés dans sa politique d'encadrement des élèves. L'accent est à cet égard mis sur la prévention de l'isolement et/ou de la contention et sur leur suppression progressive. Cette procédure comporte au moins :
   1° les interventions préventives et les alternatives afin d'éviter l'isolement et la contention ;
   2° la façon dont les parents seront contactés si une mesure en matière d'isolement ou de contention est prise ;
   3° les arrangements généraux concernant le débriefing.
   L'école associe les élèves et leurs parents, et le personnel, à l'élaboration de la politique visée à l'alinéa 1er.
   § 3. La politique de prévention de l'isolement et de la contention et visant à leur suppression progressive détermine les interventions préventives et les alternatives pouvant être mises en oeuvre afin d'éviter l'isolement et la contention dans le futur.]1

  
Art. 123/24/2. [1 Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen is enkel mogelijk onder de volgende voorwaarden:
   1А de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
   2А de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
   3А de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt enkel op maat van en zo veel mogelijk in afstemming met de leerling en de situatie;
   4А tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
   5А het gelijktijdig toepassen van afzondering en fixatie wordt vermeden;
   6А het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
   7А bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
   Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering of fixatie. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in artikel 123/24/3, eerste lid, 1А, wordt besproken.]1

  
Art. 123/24/2. [1 L'isolement ou la contention pour rétablir la sécurité en cas de danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes, n'est possible que dans les conditions suivantes :
   1° la mesure est utilisée en dernier recours lorsque les interventions préventives et les alternatives ne sont pas ou plus suffisantes ;
   2° la mesure dure le moins longtemps possible et prend fin lorsque le danger n'est plus grave et aigu ;
   3° l'application de l'isolement ou de la contention est uniquement adaptée à l'élève et, dans la mesure du possible, coordonnée avec l'élève, et est adaptée à la situation ;
   4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
   5° l'application simultanée de l'isolement et de la contention est évitée ;
   6° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
   7° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
   Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'article 123/24/3, alinéa 1er, 1°, est également évoqué.]1

  
Art. 123/24/3. [1 Afzondering of fixatie om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen of afzondering of fixatie ter bevordering van ontwikkelings- of ontplooiingskansen van de leerling is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
   1А de leerling en, als de leerling minderjarig is, zijn ouders, stemmen in, of wanneer de leerling niet tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, stemmen alleen de ouders in met deze vorm van afzondering of fixatie. Deze instemming gebeurt schriftelijk, in beginsel voorafgaandelijk en is te allen tijde herroepbaar. De ouders of de leerling kunnen hierbij het CLB betrekken;
   2А afzondering of fixatie wordt toegepast op maat van de leerling;
   3А de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel na uitputting van alle andere mogelijke opties;
   4А tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
   5А het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
   6А bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
   Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering en fixatie, vermeld in het eerste lid. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in het eerste lid, 1А, wordt besproken.]1

  
Art. 123/24/3. [1 L'isolement ou la contention pour maintenir la sécurité en cas de danger potentiel et pour prévenir un danger aigu et grave pour l'élève ou d'autres personnes ou l'isolement ou la contention pour favoriser les opportunités de développement ou d'épanouissement de l'élève sont interdits, sauf dans les conditions suivantes :
   1° l'élève et, si l'élève est mineur, ses parents consentent à cette forme d'isolement ou de contention, ou, si l'élève n'est pas capable d'une appréciation raisonnable de ses intérêts, les parents consentent seuls à cette forme d'isolement ou de contention. Ce consentement s'effectue par écrit, en principe préalablement, et est révocable à tout moment. Les parents ou l'élève peuvent dans ce contexte impliquer le CLB ;
   2° l'application de l'isolement ou de la contention est adaptée à l'élève ;
   3° la mesure est utilisée en dernier recours après avoir épuisé toutes les autres options possibles ;
   4° pendant l'application de la mesure, des alternatives moins radicales sont recherchées en permanence ;
   5° pendant la mesure, le personnel de l'école entretient des contacts réguliers avec l'élève, tout en se concentrant sur son bien-être ;
   6° en cas d'isolement, il est fait usage d'une chambre d'isolement.
   Les parents sont informés le plus rapidement possible de l'isolement ou de la contention, visé à l'alinéa 1er. Un débriefing avec l'élève et avec les parents suit chaque isolement ou contention. Lors du débriefing, des arrangements sont à tout le moins conclus quant à la manière dont une situation similaire future doit être gérée. Le consentement révocable visé à l'alinéa 1er, 1°, est également évoqué.]1

  
Art. 123/24/4. [1 De afzonderingskamer, vermeld in artikel 123/24/2 en 123/24/3, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1А de afzonderingskamer biedt een veilige en rustgevende omgeving;
   2А er is fysieke nabijheid op maat van de leerling mogelijk;
   3А alleen bevoegd personeel kan de afzonderingskamer inkijken en betreden;
   4А de afzonderingskamer bevat oriëntatiemogelijkheden, lichtinval en een tijdsindicatie die aangepast is aan de noden van de leerling;
   5А de leerling kan rechtstreeks contact nemen met een personeelslid van de school, waarbij ook in de mogelijkheid wordt voorzien dat de leerling met het personeelslid kan communiceren.
   De school bepaalt, als onderdeel van haar beleid op afzondering en fixatie, vermeld in artikel 123/24/1, wie het bevoegde personeel, vermeld in het eerste lid, 3А, is.
   De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de afzonderingskamer, vermeld in het eerste lid, verder verfijnen.]1

  
Art. 123/24/4. [1 La chambre d'isolement, visée aux articles 123/24/2 et 123/24/3, satisfait à toutes les conditions suivantes :
   1° la chambre d'isolement offre un environnement sûr et reposant ;
   2° une proximité physique adaptée à l'élève est possible ;
   3° seul le personnel compétent peut examiner et entrer dans la chambre d'isolement ;
   4° des possibilités d'orientation, une lumière et une indication de temps adaptée aux besoins de l'élève sont prévues dans la chambre d'isolement ;
   5° l'élève peut contacter directement un membre du personnel de l'école. La possibilité est également prévue pour que l'élève puisse communiquer avec le membre du personnel.
   L'école détermine, dans le cadre de sa politique en matière d'isolement et de contention, visée à l'article 123/24/1, qui est le personnel compétent visé à l'alinéa 1er, 3°.
   Le Gouvernement flamand peut affiner les conditions relatives à la chambre d'isolement visées à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 123/24/5. [1 Ї 1. Vanaf de eerste keer dat de school een maatregel inzake afzondering of fixatie als vermeld in artikel 123/24/2 of 123/24/3 heeft moeten nemen bij een leerling, registreert de school de volgende informatie over de bedoelde fixatie of afzondering:
   a) het type maatregel;
   b) de omstandigheden, de aanleiding of reden en uitgeprobeerde alternatieven;
   c) het verloop van de maatregel;
   d) het tijdstip van begin en einde;
   e) de tijdstippen van en observaties tijdens het toezicht;
   f) of er verwondingen bij de leerling of bij derden zijn;
   g) de eventuele opmerkingen van de leerling en de ouders met betrekking tot het verloop van de maatregel;
   h) de nabespreking.
   Ї 2. De persoonsgegevens, die zijn opgenomen in de registratie, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt omdat de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de leerling te beschermen en om een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, d) en e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
   Het geheel van registraties, vermeld in paragraaf 1, wordt bijgehouden en bewaard met het oog op het bereiken van de volgende doelstellingen:
   1А op leerlingenniveau: het vrijwaren van de rechten van de leerling;
   2А op schoolniveau: als element van interne kwaliteitszorg, namelijk in functie van het beleid, vermeld in artikel 123/21, 123/22 en 123/24/1, en om de kwaliteit van zorg voor de leerling te verhogen.
   Ї 3. Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1.
   Het schoolbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Bij het bepalen welke personeelsleden toegang hebben tot de persoonsgegevens neemt het schoolbestuur steeds de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, in acht. Het schoolbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.
   Ї 4. De geregistreerde gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden tien schooljaren na het einde van het schooljaar waarin de leerling ingeschreven was, bewaard. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd.
   Ї 5. De scholen of centra kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, enkel onderling uitwisselen in het kader van intervisie met als doelstelling het verminderen van het gebruik van afzondering of fixatie en de interne kwaliteitszorg. Bij elke uitwisseling wordt bekeken welke gegevens hiervoor nodig zijn in overeenstemming met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).]1

  
Art. 123/24/5. [1 § 1er. Dès la première fois où l'école a dû prendre une mesure en matière d'isolement ou de contention telle que visée à l'article 123/24/2 ou 123/24/3 pour un élève, l'école enregistre les données suivantes concernant la contention ou l'isolement visé :
   a) le type de mesure ;
   b) les circonstances, le motif ou la cause et les alternatives essayées ;
   c) le déroulement de la mesure ;
   d) la date de début et de fin ;
   e) les moments de la surveillance et les observations pendant la surveillance ;
   f) les blessures éventuelles subies par l'élève ou par des tiers ;
   g) les remarques éventuelles de l'élève et des parents sur le déroulement de la mesure ;
   h) le débriefing.
   § 2. Les données à caractère personnel reprises dans l'enregistrement visé au paragraphe 1er sont traitées parce que le traitement est nécessaire à la sauvegarde des intérêts vitaux de l'élève et à l'exécution d'une mission d'intérêt public, comme visé à l'article 6, alinéa 1er, d) et e), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
   L'ensemble des enregistrements visés au paragraphe 1er est tenu et conservé en vue de la réalisation des objectifs suivants :
   1° au niveau des élèves : la sauvegarde des droits de l'élève ;
   2° au niveau de l'école : comme élément d'assurance qualité interne, à savoir en fonction de la politique visée aux articles 123/21, 123/22 et 123/24/1, et afin d'améliorer la qualité des soins pour l'élève.
   § 3. L'autorité scolaire est responsable du traitement pour les traitements des données à caractère personnel, visés au paragraphe 1er.
   L'autorité scolaire détermine les membres du personnel qui peuvent accéder aux données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er. Dans le cadre de la détermination des membres du personnel accédant aux données à caractère personnel, l'autorité scolaire prend toujours en considération les objectifs visés au paragraphe 2. L'autorité scolaire et tous les membres du personnel qui accèdent aux données à caractère personnel précitées sont tenus de garder la confidentialité de ces données à caractère personnel.
   § 4. Les données enregistrées, visées au paragraphe 1er, sont conservées durant dix années scolaires après la fin de l'année scolaire durant laquelle l'élève était inscrit. Au terme de cette durée de conservation, les données précitées sont détruites.
   § 5. Les écoles ou centres peuvent échanger entre eux les données visées au paragraphe 1er dans le cadre de l'intervision et dans le but de réduire le recours à l'isolement ou à la contention, et en vue de l'assurance qualité interne. Chaque échange doit déterminer quelles données sont nécessaires à cet effet, conformément à l'article 5, alinéa 1er, c) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).]1

  
DEEL IV. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET VOLTIJDS GEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS
PARTIE IV. - DISPOSITIONS SPECIFIQUES RELATIVES A L'ENSEIGNEMENT SECONDAIRE ORDINAIRE A TEMPS PLEIN
TITEL 1. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN
TITRE 1er. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ECOLES
HOOFDSTUK 1. [1 Structuur en organisatie van het secundair onderwijs]1
CHAPITRE 1er. [1Structure et organisation de l'enseignement secondaire]1
Afdeling 1.
Section 1re.
Afdeling 1/1. [1 - Structuur en organisatie op macroniveau]1
Section 1/1. [1 Structure et organisation au niveau macro]1
Art. 133/1. [1 De bepalingen van deze afdeling treden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, in werking met ingang vanaf 1 september 2019.]1
  
Art. 133/1. [1 Les dispositions de la présente section produisent leurs effets, progressivement, année d'études par année d'études, commençant par la première année d'études du premier degré, à partir du 1er septembre 2019.]1
  
Art. 133/2. [1 Het voltijds gewoon secundair onderwijs bestaat uit drie graden.
   De eerste graad omvat een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar A en een tweede leerjaar B.
   De tweede graad omvat een eerste leerjaar en een tweede leerjaar.
   De derde graad omvat een eerste leerjaar, een tweede leerjaar en een derde leerjaar, aangeduid als [2 7de leerjaar]2
  
Art. 133/2. [1 L'enseignement secondaire ordinaire à temps plein se compose de trois degrés.
   Le premier degré comprend une première année d'études A, une première année d'études B, une deuxième année d'études A et une deuxième année d'études B.
   Le deuxième degré comprend une première année d'études et une deuxième année d'études.
   Le troisième degré comprend une première année d'études, une deuxième année d'études et une troisième année d'études, indiquée comme [2 7e année d'études]2.
  
Art. 133/3. [1 Zowel in het tweede leerjaar A als in het tweede leerjaar B worden basisopties onderscheiden.
   In het tweede leerjaar A:
   1° zal de leerling, één basisoptie als dusdanig of, in voorkomend geval, één pakket kiezen;
   2° is een basisoptie een niche-basisoptie als het aanbod ervan aan beperkingen of voorwaarden is gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid;
   3° kan een school, in voorkomend geval, voor een basisoptie een of meer pakketten organiseren onder voorbehoud van de voorwaarde, vermeld in punt 4° ;
   4° is een pakket een niche-pakket als de organisatie ervan aan een bepaald aantal scholen is voorbehouden.
   In het tweede leerjaar B:
   1° zal de leerling, maximaal drie basisopties en, in voorkomend geval, pakketten combineren;
   2° is een basisoptie een niche-basisoptie als het aanbod ervan aan beperkingen of voorwaarden is gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid;
   3° kan een school, in voorkomend geval, voor een basisoptie een of meer pakketten organiseren onder voorbehoud van de voorwaarde, vermeld in punt 4° ;
   4° is een pakket een niche-pakket als de organisatie ervan aan een bepaald aantal scholen is voorbehouden.
   Met inachtname van het eerste tot en met het derde lid bepaalt de Vlaamse Regering, afzonderlijk voor het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B:
   1° de basisopties;
   2° binnen het geheel van basisopties: de niche-basisopties en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-basisoptie, aan het aanbod ervan zijn gekoppeld;
   3° per basisoptie: de eventuele pakketten;
   4° binnen het geheel van pakketten: de niche-pakketten en het aantal scholen dat, per niche-pakket, in aanmerking komt voor de organisatie ervan.]1

  
Art. 133/3. [1 Tant dans la deuxième année d'études A que dans la deuxième année d'études B, des options de base sont distinguées.
   Dans la deuxième année d'études A :
   1° l'élève choisira une option de base en tant que telle, ou, le cas échéant, un ensemble de cours ;
   2° une option de base est une option de base de niche si son offre est soumise à des restrictions ou à des conditions du point de vue de la macro-efficacité. ;
   3° le cas échéant, une école peut organiser un ou plusieurs ensembles de cours pour une option de base, sous réserve de la condition énoncée au point 4 ;
   4° un ensemble de cours est un ensemble de cours de niche si son organisation est réservée à un certain nombre d'écoles.
   Dans la deuxième année d'études B :
   1° l'élève peut combiner jusqu'à trois options de base et, le cas échéant, ensembles de cours ;
   2° une option de base est une option de base de niche si son offre est soumise à des restrictions ou à des conditions du point de vue de la macro-efficacité. ;
   3° le cas échéant, une école peut organiser un ou plusieurs ensembles de cours pour une option de base, sous réserve de la condition énoncée au point 4 ;
   4° un ensemble de cours est un ensemble de cours de niche si son organisation est réservée à un certain nombre d'écoles.
   Eu égard aux alinéas 1er à 3, le Gouvernement flamand détermine séparément pour la deuxième année d'études A et la deuxième année d'études B :
   1° les options de base ;
   2° au sein de l'ensemble des options de base : les options de base de niche et les restrictions ou conditions qui, par option de base de niche, sont liées à son offre ;
   3° par option de base : les ensembles de cours éventuels ;
   4° à l'intérieur de la totalité des ensembles de cours : les ensembles de cours de niche et le nombre d'écoles qui, par ensemble de cours de niche, entre en ligne de compte pour leur organisation.]1

  
Art. 133/4. [1 § 1. In de leerjaren van de tweede en derde graad worden studierichtingen onderscheiden. Die studierichtingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen.
   De studiedomeinen zijn:
   1° taal en cultuur;
   2° stem;
   3° kunst en creatie;
   4° land- en tuinbouw;
   5° economie en organisatie;
   6° maatschappij en welzijn;
   7° sport;
   8° voeding en horeca.
   De finaliteiten zijn:
   1° doorstroom;
   2° dubbel;
   3° arbeidsmarkt.
   De onderwijsvormen zijn:
   1° algemeen secundair onderwijs - aso;
   2° technisch secundair onderwijs - tso;
   3° kunstsecundair onderwijs - kso;
   4° beroepssecundair onderwijs - bso.
   Binnen de finaliteit doorstroom zijn de studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs domeinoverschrijdend en zijn de studierichtingen van het technisch en kunstsecundair onderwijs domeingebonden.
   Sommige studierichtingen zijn niche-studierichtingen. Het aanbod ervan wordt aan beperkingen of voorwaarden gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid.
  [4 "De 7de leerjaren zijn studierichtingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
   1° gericht zijn op instroom arbeidsmarkt;
   2° gericht zijn op het hoger onderwijs, met in elk geval één studierichting die volgt op studierichtingen met finaliteit arbeidsmarkt van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.
   In de matrix:
   1° wordt het studieaanbod van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, opgenomen onder de finaliteit arbeidsmarkt;
   2° wordt het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen;
   3° wordt het onthaaljaar niet opgenomen;
   4° worden de 7de leerjaren niet aan onderwijsvormen gekoppeld, behalve bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan de 7de leerjaren [5 ...]5 op onderwijsvormen is gebaseerd [6 en voor de toepassing van de personeels-regelgeving]6;]4

  [6 5° worden de 7de leerjaren niet aan finaliteiten gekoppeld.]6
   Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast.
   De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld.
  [2 § 1/1. De studierichtingen van de tweede en de derde graad die zijn opgenomen in de matrix, worden geordend volgens disciplines met het oog op de financiering van het voltijds gewoon secundair onderwijs. Een discipline bundelt een groep van inhoudelijk verwante studierichtingen per onderwijsvorm.
   De onderwijsvorm:
   1° "aso": omvat alle domeinoverschrijdende studierichtingen uit de doorstroomfinaliteit;
   2° "tso": omvat alle domeingebonden studierichtingen uit de doorstroomen dubbele finaliteit die niet onder punt 3° vallen;
   3° "kso": omvat alle domeingebonden studierichtingen uit de doorstroomen dubbele finaliteit die niet onder punt 2° vallen;
   4° "bso": omvat alle studierichtingen uit de arbeidsmarktfinaliteit.
   Die disciplines zijn:
   1° Klassiek aso;
   2° Modern aso;
   3° Sport aso;
   4° Architectuur en beeldende kunst kso;
   5° Grafische technieken en media kso;
   6° Modecreatie kso;
   7° Podiumkunsten kso;
   8° Administratie en distributie tso;
   9° Auto en tweewielers tso;
   10° Biotechnologie en chemie tso;
   11° Grafische technieken en media tso;
   12° Horeca tso;
   13° Hout en bouw tso;
   14° Koeling en warmte tso;
   15° Landen tuinbouw tso;
   16° Lichaamsverzorging tso;
   17° Maatschappelijke veiligheid so;
   18° Maritiem tso;
   19° Mechanica-elektriciteit tso;
   20° Modecreatie tso;
   21° Paramedisch tso;
   22° Personenzorg tso;
   23° Sport tso;
   24° Technologie en industrie tso;
   25° Textiel tso;
   26° Toerisme, taal en cultuur tso;
   27° Voeding tso;
   28° Administratie en distributie bso;
   29° Auto en tweewielers bso;
   30° Biotechnologie en chemie bso;
   31° Creatie en ambacht bso;
   32° Grafische technieken en media bso;
   33° Horeca bso;
   34° Hout en bouw bso;
   35° Koeling en warmte bso;
   36° Landen tuinbouw bso;
   37° Lichaamsverzorging bso
   38° Maatschappelijke veiligheid bso;
   39° Maritiem bso;
   40° Mechanica-elektriciteit bso;
   41° Modecreatie bso;
   42° Moderealisatie en textielverzorging bso;
   43° Paramedisch bso;
   44° Personenzorg bso;
   45° Sport bso;
   46° Technologie en industrie bso;
   47° Textiel bso;
   48° Toerisme, taal en cultuur bso;
   49° Voeding bso.
   De Vlaamse Regering rangschikt de studierichtingen, vermeld in het eerste lid, in de disciplines, vermeld in het derde lid.]2

   § 2. De studierichtingen van de finaliteit doorstroom en de dubbele finaliteit leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.
   Het [4 7de leerjaar dat gericht is op het hoger onderwijs en]4 in het derde leerjaar van de derde graad waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding, leidt tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.
   De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 3.
  [3 De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt kunnen in het tweede leerjaar van de tweede graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 2 leiden, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]3
   Het [4 7de leerjaar dat gericht is op het hoger onderwijs en]4 in het derde leerjaar van de derde graad als beroepsgerichte specialisatie leidt tot een of meer bewijzen van beroepskwalificaties niveau 3 of 4, eventueel aangevuld met een of meer bewijzen van deelkwalificaties.]1

  
Art. 133/4. [1 § 1er. Dans les années d'études des deuxième et troisième degrés sont distinguées des orientations d'études. Ces orientations d'études sont organisées dans une matrice sur la base de domaines d'études, de finalités et de formes d'enseignement.
   Les domaines d'études sont :
   1° langue et culture ;
   2° STEM (Science-Technology-Engineering-Mathematics) ;
   3° art et création ;
   4° agriculture et horticulture ;
   5° économie et organisation ;
   6° société et bien-être ;
   7° sport ;
   8° alimentation et horeca.
   Les finalités sont :
   1° transition ;
   2° double ;
   3° marché de l'emploi.
   Les formes d'enseignement sont :
   1° enseignement secondaire général - aso ;
   2° enseignement secondaire technique - tso ;
   3° enseignement secondaire artistique - kso ;
   4° enseignement secondaire professionnel - bso.
   Au sein de la finalité " transition ", les orientations d'études de l'enseignement secondaire général sont transversales et les orientations d'études de l'enseignement secondaire technique et artistique sont spécifiques au domaine.
   Certaines orientations d'études sont des orientations d'études de niche. Leur offre est soumise à des restrictions ou à des conditions du point de vue de la macro-efficacité.
  [5 Les 7e années d'études sont des orientations d'études qui répondent à l'une des conditions suivantes :
   1° préparer à l'entrée sur le marché du travail ;
   2° préparer à l'enseignement supérieur, avec en tout cas une orientation d'études qui fait suite aux orientations d'études à finalité insertion sur le marché de l'emploi des première et deuxième années d'études du troisième degré et qui conduit à un diplôme donnant accès à une formation de bachelier.
   Dans la matrice :
   1° est intégrée dans la finalité insertion sur le marché de l'emploi, l'offre d'études de l'enseignement secondaire spécial, forme d'enseignement 3 ;
   2° est intégré l'enseignement secondaire spécial, formes d'enseignement 1 et 2, mais en dehors de la classification fondée sur les domaines d'études, finalités et formes d'enseignement ;
   3° n'est pas intégrée l'année d'accueil ;
   4° les 7e années d'études ne sont pas liées aux formes d'enseignement, sauf en cas de financement s'il est également basé sur des formes d'enseignement pour d'autres subdivisions structurelles que les 7e années d'études [5 ...]5
[6 et pour l'application de la réglementation applicable aux personnels]6;]5
  [6 5° les 7e années d'études ne sont pas liées aux finalités.]6
   Eu égard aux alinéas 1er à 8, le Gouvernement flamand détermine la matrice.
   Le Gouvernement flamand fixe également les orientations d'études de niche et les restrictions ou conditions qui, par orientation d'études de niche, sont liées à l'offre.
  [2 § 1er/1. Les orientations d'études des deuxième et troisième degrés qui sont contenues dans la matrice sont classées par disciplines en vue de financer l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein. Une discipline regroupe un ensemble d'orientations d'études apparentées par forme d'enseignement.
   La forme d'enseignement :
   1° enseignement secondaire général (aso) : comprend toutes les orientations d'études transversales à finalité `transition' ;
   2° enseignement secondaire technique (tso) : comprend toutes les orientations d'études à finalité `transition' et double finalité qui ne relèvent pas du point 3° ;
   3° enseignement secondaire artistique (kso) : comprend toutes les orientations d'études à finalité `transition' et double finalité qui ne relèvent pas du point 2° ;
   4° enseignement secondaire professionnel (bso) : comprend toutes les orientations d'études à finalité `insertion sur le marché du travail'.
   Ces disciplines sont :
   1° enseignement secondaire général classique ;
   2° enseignement secondaire général moderne ;
   3° enseignement secondaire général sportif ;
   4° enseignement secondaire artistique `Architecture et arts plastiques' ;
   5° enseignement secondaire artistique `Techniques et médias graphiques' ;
   6° enseignement secondaire artistique `Création de mode' ;
   7° enseignement secondaire artistique `Arts de la scène' ;
   8° enseignement secondaire technique `Administration et de distribution ;
   9° enseignement secondaire technique `Voitures et de deux-roues' ;
   10° enseignement secondaire technique `Biotechnologie et chimie' ;
   11° enseignement secondaire technique `Techniques et médias graphiques' ;
   12° enseignement secondaire technique `Horeca' ;
   13° enseignement secondaire technique `Bois et construction' ;
   14° enseignement secondaire technique `Refroidissement et chaleur' ;
   15° enseignement secondaire technique `Agriculture et horticulture' ;
   16° enseignement secondaire technique `Soins corporels' ;
   17° enseignement secondaire technique `Sécurité sociale' ;
   18° enseignement secondaire technique `Maritime' ;
   19° enseignement secondaire technique `Mécanique-électricité' ;
   20° enseignement secondaire technique `Création de mode' ;
   21° enseignement secondaire technique `Paramédical' ;
   22° enseignement secondaire technique `Soins aux personnes' ;
   23° enseignement secondaire technique `Sport' ;
   24° enseignement secondaire technique `Technologie et industrie' ;
   25° enseignement secondaire technique `Textile' ;
   26° enseignement secondaire technique `Tourisme, langue et culture' ;
   27° enseignement secondaire technique `Alimentation' ;
   28° enseignement secondaire professionnel `Administration et distribution' ;
   29° enseignement secondaire professionnel `Voitures et de deux roues' ;
   30° enseignement secondaire professionnel `Biotechnologie et chimie' ;
   31° enseignement secondaire professionnel `Création et artisanat' ;
   32° enseignement secondaire professionnel `Techniques et médias graphiques' ;
   33° enseignement secondaire professionnel `Horeca' ;
   34° enseignement secondaire professionnel `Bois et construction' ;
   35° enseignement secondaire professionnel `Refroidissement et chaleur' ;
   36° enseignement secondaire professionnel `Agriculture et horticulture' ;
   37° enseignement secondaire professionnel `Soins corporels' ;
   38° enseignement secondaire professionnel `Sécurité sociale' ;
   39° enseignement secondaire professionnel `Maritime' ;
   40° enseignement secondaire professionnel `Mécanique-électricité' ;
   41° enseignement secondaire professionnel `Création de mode' ;
   42° enseignement secondaire professionnel `Réalisation de modèles et entretien du textile' ;
   43° enseignement secondaire professionnel `Paramédical' ;
   44° enseignement secondaire professionnel `Soins aux personnes' ;
   45° enseignement secondaire professionnel `Sport' ;
   46° enseignement secondaire professionnel `Technologie et industrie' ;
   47° enseignement secondaire professionnel `Textile' ;
   48° enseignement secondaire professionnel `Tourisme, langue et culture' ;
   49° enseignement secondaire professionnel `Alimentation'.
   Le Gouvernement flamand classe les orientations d'études visées à l'alinéa 1er dans les disciplines visées au troisième l'alinéa. ]2

   § 2. Les orientations d'études à finalité " transition " et à double finalité conduisent dans la deuxième année d'études du troisième degré à une certification d'enseignement de niveau 4.
  [4 La 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur]4 conduisant à l'obtention d'un diplôme donnant accès à une formation de bachelor, conduit à une certification d'enseignement de niveau 4.
   Les orientations d'études à finalité " insertion sur le marché de l'emploi " conduisent dans la deuxième année d'études du troisième degré à une certification d'enseignement de niveau 3.
  [3 Les orientations d'études à finalité " insertion sur le marché de l'emploi " peuvent conduire dans la deuxième année d'études du deuxième degré à une certification d'enseignement de niveau 2, à condition qu'il soit satisfait aux conditions de l'article 14 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]3
  [4 La 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail ]4 conduit à une ou plusieurs certifications professionnelles de niveau 3 ou 4, complétées éventuellement par une ou plusieurs certifications partielles.]1

  
Art. 133/6. [1 De lijst van basisopties en eventuele invulling via pakket of de matrix met structuuronderdelen kan door de Vlaamse Regering worden gewijzigd door maatschappelijke, onderwijskundige, technologische of andere ontwikkelingen of vanwege arbeidsmarktbehoeften. Die wijziging kan de opheffing, vervanging of toevoeging van basisopties, eventuele invulling via pakket of structuuronderdelen betekenen. Het initiatief daarvoor kan zowel uitgaan van de Vlaamse Regering als van derden.
   De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat en kan daarbij, met toepassing van de decreetgeving op de kwalificatiestructuur, een onderscheid maken tussen structuuronderdelen die wel en structuuronderdelen die niet tot een bewijs van onderwijskwalificatie leiden.
   Uiterlijk om de vijf schooljaren vanaf het tweede schooljaar van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019 worden alle structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B en het onthaaljaar, gescreend op actualiteitswaarde en worden zo nodig bijsturingen doorgevoerd. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die screening en bijsturing.]1

  [2 Als een basisoptie of structuuronderdeel wordt vervangen als vermeld in het eerste lid, heeft dat voor de organiserende school een van de volgende gevolgen:
   1° een vervanging van rechtswege als de basisoptie of het structuuronderdeel door één basisoptie of structuuronderdeel wordt vervangen;
   2° een vervanging door één basisoptie of structuuronderdeel naar keuze van het schoolbestuur als de basisoptie of het structuuronderdeel door verschillende basisopties of structuuronderdelen wordt vervangen. Het eventuele aanbod van de overige basisopties of structuuronderdelen verloopt via de programmatieregeling.]2

  
Art. 133/6. [1 La liste des options de base et la concrétisation éventuelle via un ensemble de cours ou la matrice avec subdivisions structurelles peut être modifiée par le Gouvernement flamand en fonction des développements sociaux, pédagogiques, technologiques ou autres ou en fonction des besoins du marché de l'emploi. Cette modification peut signifier la suppression, le remplacement ou l'ajout d'options de base, la concrétisation éventuelle via un ensemble de cours ou des subdivisions structurelles. L'initiative peut être prise tant par le Gouvernement flamand que par des tiers.
   Le Gouvernement flamand détermine la procédure qui précède à une modification éventuelle et peut, dans ce cadre, par application de la législation décrétale relative à la structure des certifications, faire une distinction entre les subdivisions structurelles conduisant à une certification d'enseignement et celles ne conduisant pas à une certification d'enseignement.
   Au moins toutes les cinq années scolaires à compter de la deuxième année scolaire de la mise en oeuvre progressive de la modernisation de l'enseignement secondaire à partir du 1er septembre 2019, toutes les subdivisions structurelles, à l'exception de la première année d'études A, de la première année d'études B et de l'année d'accueil, font l'objet d'une appréciation de leur valeur d'actualité et sont, si besoin est, adaptées. Le Gouvernement flamand arrête la procédure de cette appréciation et de cette adaptation.]1

  [2 Le remplacement d'une option de base ou d'une subdivision structurelle tel que visé à l'alinéa 1er, a l'une des conséquences suivantes pour l'école organisatrice :
   1° un remplacement de plein droit si l'option de base ou la subdivision structurelle est remplacée par une seule option de base ou subdivision structurelle ;
   2° un remplacement par une option de base ou subdivision structurelle au choix de l'autorité scolaire si l'option de base ou la subdivision structurelle est remplacée par plusieurs options de base ou subdivisions structurelles. L'offre éventuelle des autres options de base ou subdivisions structurelles se déroule via le régime de programmation. ]2

  
Art. 133/7. [1 Een leerjaar is gelijk aan een schooljaar, dat bestaat uit twee aansluitende semesters, en start op de eerste lesdag van september.
   [2 In afwijking van het eerste lid kan een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt:
   1° een duurtijd hebben van één semester of drie aansluitende semesters, afhankelijk van de breedte en het niveau van competenties van de beroepskwalificaties waaruit het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, is samengesteld, als de Vlaamse Regering dat zo bepaalt;
   2° starten op de eerste lesdag van september of op de eerste lesdag van februari.]2

  
Art. 133/7. [1 Une année d'études est égale à une année scolaire, qui comprend deux semestres consécutifs, et commence le premier jour de classe de septembre.
   [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail peut :
   1° avoir une durée d'un semestre ou de trois semestres consécutifs, en fonction de l'étendue et du niveau des compétences des qualifications professionnelles dont se compose la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail, si le Gouvernement flamand le détermine ainsi ;
   2° commencer le premier jour de classe en septembre ou le premier jour de classe en février]2

  
Afdeling 2. - Structuur en organisatie op schoolniveau
Section 2. - Structure et organisation au niveau de l'école
Art. 134. [1 Met behoud van de toepassing van de programmatienormen, bestaat het voltijds secundair onderwijsaanbod van een school uit:
   1° a) de eerste graad, of;
   b) eerste en de tweede graad, of;
   c) de tweede en de derde graad, of;
   d) de eerste, de tweede en de derde graad;
   2° in de tweede en de derde graad: een of meer studiedomeinen of een of meer finaliteiten of een of meer onderwijsvormen.]1

  
Art. 134. [1 Sans préjudice de l'application des normes de programmation, l'offre d'enseignement secondaire à temps plein d'une école se répartit en :
   1° a) le premier degré, ou ;
   b) les premier et deuxième degrés, ou ;
   c) les deuxième et troisième degrés, ou ;
   d) les premier, deuxième et troisième degrés ;
   2° dans les deuxième et troisième degrés : un ou plusieurs domaines d'études ou une ou plusieurs finalités ou une ou plusieurs formes d'enseignement.]1

  
Art. 134/1. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 134, kiest een schoolbestuur zelf het organisatiemodel waarbinnen het zijn school uitbouwt. In elk geval zal elk schoolconcept gebaseerd op de matrix, zowel verticaal (met alleen doorstroomrichtingen of alleen studierichtingen met dubbele finaliteit (doorstroom/arbeidsmarktgericht) of alleen arbeidsmarktgerichte studierichtingen) als horizontaal als een combinatie van beide mogelijk zijn.
   § 2. Een school wordt als een domeinschool beschouwd als ze in elk ingericht studiedomein van elke graad, met uitzondering van de eerste graad, ten minste één studierichting uit elke finaliteit organiseert. Voor de toepassing van deze bepaling komen, wat de finaliteit doorstroom betreft, in de tweede en de derde graad zowel domeinoverschrijdende als domeingebonden studierichtingen in aanmerking.
   Een school wordt als een campusschool beschouwd als ze in ten minste twee studiedomeinen samen per graad, met uitzondering van de eerste graad, ten minste één studierichting uit elke finaliteit organiseert. Voor de toepassing van deze bepaling komen, wat de finaliteit doorstroom betreft, zowel domeinoverschrijdende als domeingebonden studierichtingen in aanmerking.
   Een school wordt als een verticale school beschouwd als ze studierichtingen binnen eenzelfde finaliteit en onderwijsvorm in zowel tweede als derde graad organiseert.
   [2 In het eerste, tweede en derde lid wordt verstaan onder organiseren: ten minste één regelmatige leerling hebben ingeschreven op de eerste lesdag van oktober in elk onderdeel van het in het betrokken lid opgelegde studieaanbod en dat studieaanbod alleszins organiseren binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg.]2
   Aan domeinscholen of campusscholen kunnen bij decreet of besluit voordelen worden toegekend. [2 Die voordelen kunnen uitsluitend betrekking hebben op de geografische omschrijving, vermeld in het vierde lid, van domeinschool of campusschool en niet op eventueel andere vestigingsplaatsen van dergelijke school die buiten die omschrijving liggen.]2
   § 3. [2 ...]2]1

  
Art. 134/1. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 134, une autorité scolaire choisit elle-même le modèle organisationnel au sein duquel elle développe son école. En tout cas, tout concept d'école basé sur la matrice sera possible tant verticalement (avec seulement des filières de transition ou seulement des orientations d'études à double finalité (transition/insertion sur le marché de l'emploi) ou seulement des orientations d'études à finalité insertion sur le marché de l'emploi) que horizontalement ou une combinaison des deux.
   § 2. Une école est considérée comme une école à domaines si elle organise au moins une orientation d'études de chaque finalité dans chaque domaine d'études de chaque degré, à l'exception du premier degré. Pour l'application de la présente disposition, pour ce qui est de la finalité " transition ", entrent en ligne de compte dans les deuxième et troisième degrés, tant les orientations d'études spécifiques au domaine que les orientations d'études transversales.
   Une école est qualifiée d'école à campus lorsqu'elle organise dans au moins deux domaines d'études ensemble par degré, à l'exception du premier degré, au moins une orientation d'études de chaque finalité. Aux fins de la présente disposition, entrent en ligne de compte, pour ce qui est la finalité " transition ", tant les orientations d'études transversales que les orientations d'études spécifiques au domaine.
   Une école est considérée comme une école verticale si elle organise des orientations d'études au sein d'une même finalité et d'une même forme d'enseignement tant dans le deuxième que dans le troisième degré.
   [2 Dans les alinéas 1er, 2 et 3, on entend par organiser : avoir inscrit au moins un élève régulier au premier jour de classe d'octobre dans chaque partie de l'offre d'études imposée dans l'alinéa concerné, et organiser cette offre d'études en tout cas dans la même parcelle cadastrale ou des parcelles cadastrales adjacentes, ou séparées soit par au maximum deux parcelles cadastrales, soit par une voie. ]2
   Des avantages peuvent être accordés par décret ou par arrêté aux écoles à domaines ou aux écoles à campus. [2 Ces avantages peuvent uniquement avoir trait à la description géographique, visée à l'alinéa 4, d'école à domaines ou d'école à campus, et non pas à d'autres implantations éventuelles d'une école pareille qui se situent en dehors de la description.]2
   § 3. [2 ...]2]1

  
Art. 134/2. [1 Voor de organisatie van een [2 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt]2 kan een school samenwerken met:
   1° een of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;
   2° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
   3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.
  [4 Bij de organisatie van een structuuronderdeel van de derde graad en uitsluitend voor die leerling die dreigt ongekwalificeerd uit te stromen щn waarvoor de school reeds schoolinterne trajecten doorliep die niet het verhoopte resultaat hebben, kan in die uitzonderlijke gevallen voor het realiseren van een bijzonder kwalificerend onderwijstraject een school samenwerken met:
   1А een of meer andere scholen voor secundair onderwijs of centra voor volwassenenonderwijs;
   2А een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
   3А andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.
   Dat onderwijstraject is een individueel traject op basis van de onderwijsbehoeften van de leerling die worden vastgesteld door de klassenraad. De klassenraad kan een bijzonder kwalificerend onderwijstraject voorstellen, waarbij na akkoord van het CLB en na instemming van de ouders van de leerling, de school het traject uitwerkt met een of meerdere partners. Na aanvaarding door de samenwerkende partner van het traject wordt dit opgestart. Het onderwijstraject wordt op regelmatige tijdstippen door de klassenraad in samenspraak met de betrokken personen, het CLB en de partners van het samenwerkingsverband geыvalueerd en indien nodig bijgestuurd.]4

   Binnen het samenwerkingsverband is de eerst vermelde school altijd de coördinerende school. Alleen die school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg. Op het vlak van financiering of subsidiëring zijn de decretale en regelgevende bepalingen alleen van toepassing op de coördinerende school.
   De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst die ten minste de volgende elementen bevat:
   1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
   2° de coördinerende school;
   3° de invulling van de samenwerking;
   4° de looptijd van de samenwerking;
   5° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;
   6° de afspraken over de inzet van personeel. Het protocol van de onderhandelingen daarover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.
   Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee ze samenwerkt. Tenzij die overdracht plaatsvindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de uren-leraar in kwestie beschouwd als uren-leraar die aangewend worden voor [3 gastleraren]3.]1

  
Art. 134/2. [1 Pour l'organisation [2 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail]2, une école peut collaborer avec :
   1° une ou plusieurs autres écoles d'enseignement secondaire, un ou plusieurs autres centres d'éducation des adultes ou instituts supérieurs;
   2° un ou plusieurs dispensateurs publics de formations professionnelles pour adultes ;
   3° d'autres organisations ou entreprises du secteur public et privé.
  [4 Lors de l'organisation d'une subdivision structurelle du troisième degré, et uniquement pour l'élève qui risque de quitter l'école sans qualification et pour lequel l'école a déjà suivi des parcours internes qui n'ont pas donné le résultat escompté, une école peut, dans ces cas exceptionnels, afin de réaliser un parcours d'enseignement qualifiant particulier, collaborer avec :
   1° une ou plusieurs autres écoles d'enseignement secondaire ou un ou plusieurs autres centres d'éducation des adultes ;
   2° un ou plusieurs dispensateurs publics de formations professionnelles pour adultes ;
   3° d'autres organisations ou entreprises du secteur public et privé.
   Ce parcours d'enseignement est un parcours d'enseignement individuel sur base des besoins éducatifs de l'élève qui sont fixés par le conseil de classe. Le conseil de classe peut proposer un parcours éducatif qualifiant particulier, dans le cadre duquel, après accord du CLB et après accord des parents de l'élève, l'école élabore le parcours avec un ou plusieurs partenaires. Après acceptation par le partenaire de coopération du parcours, celui-ci est entamé. Le parcours d'enseignement sera évalué, et si nécessaire adapté, à intervalles réguliers par le conseil de classe en concertation avec les personnes concernées, le CLB et les partenaires de la structure de coopération. ]4

   Au sein de cette structure de coopération, l'école premièrement citée est toujours l'école coordinatrice. Seule cette école est compétente et responsable de l'inscription d'élèves, de la programmation, de l'évaluation, de la validation des études et de la gestion de la qualité. Pour ce qui est du financement ou du subventionnement, les dispositions décrétales et réglementaires sont uniquement d'application à l'école coordinatrice.
   La coopération est formalisée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
   1° les partenaires avec qui on coopère ;
   2° l'école coordinatrice ;
   3° la concrétisation de la coopération ;
   4° la durée de la coopération ;
   5° les arrangements pris au sujet de l'évaluation et de la gestion de la qualité ;
   6° les arrangements pris sur la mise à disposition de personnel. Le protocole des négociations en la matière au sein des comités locaux est joint en annexe à l'accord de coopération.
   Une école coordinatrice peut, après négociation au sein du comité local, transférer des périodes-professeur à un partenaire avec lequel elle coopère. Dans le cas d'un transfert à une autre école d'enseignement secondaire ou un centre d'éducation des adultes, les périodes-professeur concernées sont considérées comme des périodes-professeur utilisées pour des [3 enseignants invités ]3.]1

  
Art. 134/3. [1 Een school met een gepland studieaanbod van tweejarige structuuronderdelen met in de benaming `topsport' in de tweede of derde graad kan de organisatie van het voormelde structuuronderdeel beperken tot een van beide leerjaren als in het andere leerjaar uitzonderlijk geen leerlingen op de eerste lesdag van oktober van het lopende schooljaar zijn ingeschreven. De voormelde regeling kan nooit de aanleiding vormen tot herprogrammatie van het structuuronderdeel in kwestie.]1
  
Art. 134/3. [1 Une école avec une offre d'études prévue de subdivisions structurelles de deux ans comportant " sport de haut niveau " dans leur dénomination dans le deuxième ou le troisième degré peut limiter l'organisation de la subdivision structurelle précitée à l'une des deux années d'études si, dans l'autre année d'études, aucun élève n'est exceptionnellement inscrit le premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours. La règle précitée ne peut jamais donner lieu à la reprogrammation de la subdivision structurelle en question.]1
  
Art. 135. [2 § 1.]2[1 ...]1 Naast het in artikel 134 gestelde, kan een school onthaalonderwijs organiseren. Onthaalonderwijs, dat niet in een graad of in het hoger beroepsonderwijs wordt gerangschikt en dat uit één onthaaljaar bestaat, is een specifiek en tijdelijk onderwijsaanbod dat anderstalige nieuwkomers in staat stelt om Nederlands te leren en nadien in te stromen in het Nederlandstalig onderwijs. Het is gericht op taalvaardigheid Nederlands en inburgering.
  De Vlaamse Regering bakent de doelgroep af, ten minste rekening houdend met de criteria " leeftijd ", " taalkennis Nederlands " en " duurtijd van de aanwezigheid op het Belgische grondgebied " van de anderstalige nieuwkomers.
  In aansluiting op eventuele decretale bepalingen ter zake, kan de Vlaamse Regering voorwaarden opleggen inzake samenstelling van het wekelijks lessenrooster voor onthaalonderwijs teneinde het bereiken van de doelstellingen voor onthaalonderwijs maximaal te waarborgen. De Vlaamse Regering kan ten slotte aanvullende organisatiebepalingen vastleggen.
  [1 ...]1
  [2 2. Voor de organisatie van het onthaaljaar, vermeld in paragraaf 1, kan een school voor leerlingen die ten minste de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, samenwerken met een of meer centra voor volwassenenonderwijs en centra voor basiseducatie.
   Bij de samenwerking, vermeld in het eerste lid, is de school altijd verantwoordelijk voor de coіrdinatie. Uitsluitend de school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen voor het onthaaljaar, het uitwerken per leerling van een individueel leertraject als vermeld in artikel 147/4, de programmatie van het onthaaljaar, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg. Op het vlak van de financiering of subsidiыring zijn de vigerende decretale en regelgevende bepalingen enkel van toepassing op de school.
   De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen:
   1А de partners waarmee wordt samengewerkt;
   2А de invulling van de samenwerking;
   3А de looptijd van de samenwerking;
   4А de afspraken over de opvolging van de leerlingen en de kwaliteitszorg;
   5А de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comitщs wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.
   De school kan, na onderhandeling in het lokale comitщ, uren-leraar overdragen aan een centrum voor volwassenenonderwijs of een centrum voor basiseducatie waarmee wordt samengewerkt.
   Bij de overdracht van uren-leraar naar een centrum voor volwassenenonderwijs wordt elk overgedragen uur-leraar omgezet in 40 leraarsuren.
   Bij de overdracht van uren-leraar naar een centrum voor basiseducatie wordt elk overgedragen uur-leraar omgezet in 0,05 VTE.]2

  
Art. 135. [2 § 1.]2[1 ...]1 Outre l'offre d'enseignement reprise à l'article 134, une école peut également organiser un enseignement d'accueil. L'enseignement d'accueil, qui n'est pas classé dans un degré ou dans l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 qui consiste en une seule année d'accueil, est une offre d'enseignement spécifique et temporaire permettant aux primo-arrivants allophones d'apprendre le néerlandais et d'entrer ensuite en l'enseignement néerlandophone. Cet enseignement vise les aptitudes linguistiques de néerlandais et l'intégration civique.
  Le Gouvernement flamand délimite le groupe cible, au moins en tenant compte des critères 'âge', 'connaissance du néerlandais' et 'temps de présence sur le territoire belge' des primo-arrivants allophones.
  Suite à d'éventuelles dispositions décrétales en la matière, le Gouvernement flamand peut imposer des conditions relatives à la composition de l'horaire hebdomadaire pour un enseignement d'accueil, afin de garantir au maximum la réalisation des objectifs de l'enseignement d'accueil. Enfin, le Gouvernement flamand peut également fixer des dispositions organisationnelles complémentaires.
  [1 ...]1
  [2 § 2. Pour l'organisation de l'année d'accueil visée au paragraphe 1er, une école peut, pour les élèves ayant au moins atteint l'âge de 16 ans, coopérer avec un ou plusieurs centres d'éducation des adultes et centres d'éducation de base.
   Au sein de la structure de coopération, visée à l'alinéa 1er, l'école est toujours responsable de la coordination. Seule l'école est compétente et responsable de l'inscription des élèves à l'année d'accueil, de l'élaboration pour chaque élève d'un parcours d'apprentissage individualisé tel que visé à l'article 147/4, de la programmation de l'année d'accueil, de la validation des études et de la gestion de la qualité. Pour ce qui est du financement ou du subventionnement, les dispositions décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquent uniquement à l'école.
   La coopération est coulée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
   1° les partenaires avec qui on coopère ;
   2° la concrétisation de la coopération ;
   3° la durée de la coopération ;
   4° les arrangements pris au sujet du suivi des élèves et de la gestion de la qualité ;
   5° les arrangements pris sur l'affectation du personnel. Le protocole des négociations en la matière au sein des comités locaux est joint en annexe à l'accord de coopération ;
   L'école peut, après négociation au sein du comité local, transférer des périodes-professeur à un centre d'éducation des adultes ou à un centre d'éducation de base avec lequel une coopération a été mise sur pied.
   Lors du transfert de périodes-professeur vers un centre d'éducation des adultes, chaque période-professeur transférée est convertie en 40 heures d'enseignant.
   Lors du transfert de périodes-professeur vers un centre d'éducation de base, chaque période-professeur transférée est convertie en 0,05 ETP.]2

  
Art. 136. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of een leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de modaliteiten vermeld in 1°, 2° of 3° hierna.
  1° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel, mits enerzijds de leerling al geslaagd is voor diezelfde onderdelen binnen het secundair onderwijs en anderzijds de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na kennisname van het advies van de delibererende klassenraad van het voorafgaand schooljaar.
  In voorkomend geval :
  a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
  b) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de toelatingsklassenraad samengesteld individueel lesprogramma.
  2° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een [2 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt]2, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties.
  3° Het spreiden van de vorming van een optie, aangeduid als Se-n-Se, over het dubbele van de gebruikelijke studieduur. In voorkomend geval wordt enerzijds bij het einde van de gebruikelijke studieduur slechts een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt en anderzijds voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van de werkingsmiddelen en de toepassing van het programmatie- of rationalisatieplan, de regelmatige leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur. (135)
  
Art. 136. L'autorité scolaire peut, sur la base d'arguments pédagogiques ou organisationnels spécifiques et en vue d'offrir plus de parcours d'apprentissage individuels, décider de déroger, pour un élève ou un groupe d'élèves, à la condition, visée à l'article 252, § 1er, a), 2) aux modalités visées aux points 1°, 2° ou 3° ci-après.
  1° L'exemption individuelle de suivre certaines parties de la formation d'une certaine subdivision structurelle, d'une part, à condition que l'élève ait déjà réussi à ces mêmes parties dans l'enseignement secondaire[1 ou via la commission d'examen, visée à l'article 256/1,] -1 et, d'autre part, à condition que le conseil de classe prenne une décision favorable après prise de connaissance de l'avis du conseil de classe délibérant de l'année scolaire précédente.
  Le cas échéant :
  a) le conseil de classe d'admission se compose, pour ce qui est du personnel enseignant et par dérogation à la réglementation en vigueur, de tous les membres de la subdivision structurelle pour laquelle l'élève opte;
  b) les heures dégagées sont affectées à un programme de cours individualisé composé par le conseil de classe d'admission.
  2° L'exemption individuelle de suivre certaines parties de la formation d'une [2 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail]2, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs.
  3° L'étalement de la formation d'une [2 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail]2, sur le double de la durée normale des études. Le cas échéant, seulement une attestation de fréquentation régulière des cours est délivrée à l'issue de la durée normale des études, d'une part, et, pour l'application des normes d'encadrement aux diverses catégories de personnel, la fixation des moyens de fonctionnement et l'application du plan de programmation ou de rationalisation, l'élève régulier n'est plus pris en considération aux jours de comptage qui tombent en dehors de la durée normale des études, d'autre part. (135)
  
Art. 136/1. [1 [3 De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), voor wat het voltijds secundair onderwijs betreft, sluit niet uit dat een deel van de vorming van het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven voor voltijds gewoon secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :]3
   1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
   2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;
   3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;
   4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven:
   a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
   b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
   5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;
   6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen:
   a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;
   b) de invulling van de samenwerking;
   c) de looptijd van de samenwerking;
   d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.
  [2 [3 als het een leerling betreft van het buitengewoon secundair onderwijs die de lessen bijwoont in het gewoon secundair onderwijs, kan die maximaal op schooljaarbasis gemiddeld halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon onderwijs, maximaal op schooljaarbasis gemiddeld gedurende de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waarvoor hij is ingeschreven;]3]2
  [2 8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 260/1 is opgenomen.]2
   De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole.]1

  [4 In afwijking van het eerste lid, 7А, kan een leerling uit het buitengewoon secundair onderwijs eenmalig, gedurende maximum twee schooljaren de lessen voltijds bijwonen in het gewoon secundair onderwijs, met het oog op een overstap naar het gewoon voltijds onderwijs. Een leerling die twee schooljaren in het gewoon voltijds onderwijs doorbrengt, heeft, in afwijking van artikel 253/6, Ї 2, en artikel 253/37, Ї 2, een onverkort recht op inschrijving in de school voor gewoon onderwijs. Als de betrokken personen en de leerling beslissen om de overstap te maken naar het gewoon onderwijs, overleggen de school voor gewoon onderwijs, de school voor buitengewoon onderwijs, het CLB en de betrokken personen, met betrokkenheid van de leerling, met het leersteuncentrum over de overname van de ondersteuning.]4
  
Art. 136/1. [1 [3 Pour ce qui est de l'enseignement secondaire à temps plein, la disposition de l'article 252, § 1er, a), 2), n'exclut pas qu'une partie de la formation de l'année d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est dispensée par des enseignants d'une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein autre que l'école dans laquelle l'élève est inscrit pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial et ce dans une implantation de cette autre école. S'il est fait usage de cette possibilité de coopération, les conditions suivantes s'appliquent :]3
   1° les mesures sont reprises dans le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit ;
   2° le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit continue à s'appliquer intégralement ;
   3° les mesures sont négociées au préalable dans les comités locaux, compétents en matière de travail et d'affaires du personnel, des écoles concernées ;
   4° les enseignants de l'autre école qui assurent la formation de l'élève :
   a) font partie des conseils de classe compétents et y ont voix délibérative dans le cas où il s'agit d'écoles appartenant à la même autorité scolaire ;
   b) font partie des conseils de classe compétents et y ont voix consultative dans le cas où il s'agit d'écoles n'appartenant pas à la même autorité scolaire ;
   5° seule l'école où l'élève est inscrit détient la compétence et la responsabilité en matière d'évaluation, de validation des études et de gestion de la qualité ;
   6° la coopération entre les écoles est formalisée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
   a) les écoles coopérantes, avec mention de l'école d'inscription ;
   b) la concrétisation de la coopération ;
   c) la durée de la coopération ;
   d) les arrangements pris au sujet de l'évaluation et de la gestion de la qualité;
  [2 [3 s'il s'agit d'un élève de l'enseignement secondaire spécial fréquentant les cours de l'enseignement secondaire ordinaire, celui-ci peut fréquenter au maximum au fil d'une année scolaire en moyenne à mi-temps une partie de la formation dans l'enseignement ordinaire, et au maximum au fil d'une année scolaire en moyenne pendant la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial dans lequel il a été inscrit ;]3]2
  [2 8° ce régime n'est pas compatible avec les dispositions de l'article 260/1 dans le chef d'un élève pendant la même année scolaire.]2
   L'accord de coopération peut à tout moment être consulté dans les écoles, en vue du contrôle administratif et du contrôle qualitatif externe.]1

  [4 Par dérogation à l'alinéa 1er, 7°, un élève de l'enseignement secondaire spécial peut suivre les cours à temps plein dans l'enseignement secondaire ordinaire une seule fois, pendant deux années scolaires maximum, en vue d'un passage à l'enseignement ordinaire de plein exercice. Un élève qui passe deux années scolaires dans l'enseignement ordinaire de plein exercice dispose, par dérogation à l'article 253/6, § 2, et à l'article 253/37, § 2, d'un droit entier à l'inscription dans l'école d'enseignement ordinaire. Si les personnes concernées et l'élève décident du passage à l'enseignement ordinaire, l'école d'enseignement ordinaire, l'école d'enseignement spécial, le CLB et les personnes concernées, avec la participation de l'élève, se concertent avec le centre de soutien à l'apprentissage au sujet de la reprise du soutien.]4
  
Art. 136/2. [1 De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), houdt ook in dat in het bijzonder voor een leerling met specifieke onderwijsbehoeften op grond van specifieke onderwijskundige argumenten de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar aangepast wordt door het doen van gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de leerling.
   De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders. De specifieke onderwijsbehoeften van de leerling en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.]1

  
Art. 136/2. [1 La disposition de l'article 252, § 1er, a), 2), implique également que notamment pour un élève à besoins éducatifs spécifiques, sur la base d'arguments didactiques spécifiques, la formation d'une subdivision structurelle déterminée est adaptée pendant une partie de l'année scolaire ou toute l'année scolaire, en apportant des aménagements appropriés et raisonnables, entre autres la prise de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires suivant les besoins de l'élève.
   A cette fin, le conseil de classe coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les parents. Les besoins éducatifs spécifiques de l'élève et les besoins de soutien du personnel enseignant et des parents y jouent un rôle central.]1

  
Art. 136/3. [1 § 1. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :
   1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar voor een leerling met [2 topkunstenstatuut]2 teneinde, tijdens die vrijgestelde periodes, zijn artistieke talenten verder te ontwikkelen, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen;
   2° in voorkomend geval :
   a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
   b) moet voorafgaandelijk een selectiecommissie aan de leerling het [2 topkunstenstatuut]2 A, indien de leerling opteert voor een structuuronderdeel van het kunstsecundair onderwijs, of het [2 topkunstenstatuut]2 B, indien de leerling opteert voor een structuuronderdeel van het algemeen, het technisch of het beroepssecundair onderwijs, hebben toegekend;
   c) worden individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
   d) doen individuele vrijstellingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;
   e) vindt de talentontwikkeling plaats :
   - bij [2 topkunstenstatuut]2 A : via individueel onderricht binnen de school of in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel fungeert in het stelsel van voordrachtgever of onderwijs;
   - bij [2 topkunstenstatuut]2 B : via individueel onderricht in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel personeelslid is van een instelling voor hoger kunstonderwijs of deeltijds kunstonderwijs.
   § 2. Met het oog op de samenstelling van de selectiecommissie leggen de ministers, bevoegd voor onderwijs en cultuur, een pool aan van specialisten uit het hoger kunstonderwijs en het professionele kunstenlandschap.
   De selectiecommissie stelt een intern werkreglement op en bepaalt de selectiecriteria die ze hanteert, waaronder alleszins het talentenprofiel van de leerling en het kwalitatief niveau van de externe lesgever of van de context.
   De selectiecommissie komt eenmaal per jaar samen om te beslissen over alle ingediende schriftelijke en gemotiveerde aanvragen van de betrokken personen tot toekenning van het [2 topkunstenstatuut]2. Daartoe moeten de aanvragen uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar worden ingediend. Onverminderd het in het eerste lid gestelde, gebeurt de effectieve samenstelling van de selectiecommissie in functie van de aard van de te beoordelen artistieke talenten van de leerling in kwestie.
   § 3. De selectiecommissie kan bijkomend het recht verlenen aan de leerling om maximaal 90 halve lesdagen per schooljaar gewettigd afwezig te zijn op school, teneinde deel te nemen aan wedstrijden, stages, masterclasses of andere school-extramurale activiteiten die rechtstreeks aanleunen bij de artistieke discipline van de leerling.
   § 4. Het [2 topkunstenstatuut]2 geldt voor één schooljaar en is, na aanvraag, hernieuwbaar.]1

  
Art. 136/3. [1 § 1er. L'autorité scolaire peut, sur la base d'arguments pédagogiques spécifiques et en vue d'offrir plus de parcours d'apprentissage individuels, décider de déroger, pour un élève ou un groupe d'élèves, à la condition, visée à l'article 252, § 1er, a), 2), aux modalités suivantes :
   1° l'exemption individuelle de suivre certaines parties de la formation d'une certaine subdivision structurelle pendant une partie de l'année scolaire ou toute l'année scolaire pour un élève en possession d'un statut d'artiste de haut niveau, lui permettant de développer, pendant ces périodes d'exemption, ses talents artistiques, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur, suivant le cas, prenne une décision favorable et moyennant l'accord des personnes concernées;
   2° le cas échéant :
   a) le conseil de classe d'admission se compose, pour ce qui est du personnel enseignant et par dérogation à la réglementation en vigueur, de tous les membres de la subdivision structurelle pour laquelle l'élève opte;
   b) une commission de sélection doit avoir accordé à l'élève le statut d'artiste de haut niveau A, si l'élève opte pour une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire artistique, ou le statut d'artiste de haut niveau B, si l'élève opte pour une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire général, technique ou professionnel;
   c) les exemptions individuelles sont fixés par écrit et motivés;
   d) les exemptions individuelles ne portent pas préjudice à la validation des études;
   e) le développement des talents a lieu :
   - pour le statut d'artiste de haut niveau A : par le biais d'un enseignement individuel au sein de l'école ou dans un contexte d'apprentissage artistique en dehors de l'école, dispensé par un enseignant expert externe à l'école agissant éventuellement dans le régime de [2 enseignant invité]2ou étant membre du personnel d'une institution d'enseignement supérieur artistique ou d'enseignement artistique à temps partiel;
   - pour le statut d'artiste de haut niveau B : par le biais d'un enseignement individuel dans un contexte d'apprentissage artistique en dehors de l'école, dispensé par un enseignant expert externe à l'école étant éventuellement membre du personnel d'une institution d'enseignement supérieur artistique ou d'enseignement artistique à temps partiel.
   § 2. En vue de la composition de la commission de sélection, les ministres chargés de l'enseignement et de la culture constituent un pool de spécialistes issus de l'enseignement supérieur artistique et du paysage artistique professionnel.
   La commission de sélection dresse un règlement de travail interne et définit les critères de sélection qu'elle utilise, dont en tout cas le profil des talents de l'élève et le niveau qualitatif de l'enseignant ou du contexte.
   La commission de sélection se réunit une fois par an afin de décider quant à toutes les demandes d'octroi du statut d'artiste de haut niveau écrites et motivées introduites des personnes intéressées. A cet effet, les demandes doivent être introduites au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente. Sans préjudice des dispositions reprises à l'alinéa premier, la composition effective de la commission de sélection se fait en fonction de la nature des talents artistiques à évaluer de l'élève en question.
   § 3. La commission de sélection peut en plus accorder à l'élève le droit d'être absent de manière justifié à l'école pendant au maximum 90 demi-journées de classe par année scolaire, afin de participer à des concours, stages, masterclasses ou autres activités scolaires extra-muros ayant un lien direct avec la discipline artistique de l'élève.
   § 4. Le statut d'artiste de haut niveau est acquis pour une année scolaire et est renouvelable sur demande.]1

  
Art. 136/4. [1 Onder de volgende voorwaarden volgt een leerling in het voltijds gewoon secundair onderwijs extra taallessen Nederlands, boven op de lessentabel van het gevolgde structuuronderdeel, om taalachterstand op een zo kort mogelijke termijn weg te werken:
   1° de beslissing hiertoe kan worden genomen door:
   a) de klassenraad van het lager onderwijs, die voor elke leerling hierover een beslissing neemt samen met de beslissing over de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs. In dat geval start de leerling in zijn eerste schooljaar in het secundair onderwijs met drie extra wekelijkse uren taallessen Nederlands;
   b) de klassenraad van het door de leerling gevolgde structuuronderdeel van het secundair onderwijs, met uitzondering van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers. Die klassenraad is ten minste samengesteld uit de leraars die belast zijn met de basisvorming. In dat geval volgt de leerling maximaal drie extra wekelijkse uren taallessen Nederlands. De klassenraad kan geen bijkomende taallessen opleggen aan een leerling die al verplicht is om drie uur extra taallessen Nederlands te volgen als gevolg van een beslissing van de klassenraad van het lager onderwijs;
   2° de vermindering of beëindiging van de extra wekelijkse uren taallessen, vermeld in punt 1°, a) of b), is afhankelijk van de evaluatie van de studievoortgang van de leerling door de klassenraad in de loop of bij het einde van een schooljaar;
   3° de school voorziet in een doelgericht aanbod dat ze zelf organiseert of waarvoor ze samenwerkt met andere scholen waarbij leerlingen van verschillende scholen worden samengebracht.
   De extra taallessen Nederlands behoren, in voorkomend geval, tot de vorming, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2).
   De Vlaamse Regering kan verdere voorwaarden bepalen waaronder leerlingen de extra taallessen moeten volgen en ook verdere voorwaarden voor de praktische organisatie ervan.]1

  
Art. 136/4. [1 Aux conditions suivantes, un élève de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein suit des cours de langue néerlandaise supplémentaires, en plus de la grille horaire de la subdivision structurelle suivie, afin d'éliminer le déficit linguistique dans les plus brefs délais :
   1° cette décision peut être prise par :
   a) le conseil de classe de l'enseignement primaire, qui prend une décision à ce sujet pour chaque élève, conjointement avec la décision sur l'attribution du certificat d'enseignement fondamental. Dans ce cas, l'élève commence sa première année scolaire dans l'enseignement secondaire avec trois heures supplémentaires de cours de langue néerlandaise par semaine ;
   b) le conseil de classe de la subdivision structurelle de l'enseignement secondaire suivie par l'élève, à l'exception de l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones. Ce conseil de classe est au moins composé des enseignants chargés de la formation de base. Dans ce cas, l'élève suit au maximum trois heures supplémentaires de cours de langue néerlandaise par semaine. Le conseil de classe ne peut pas imposer de cours de langue supplémentaires à un élève qui est déjà obligé de suivre trois heurs supplémentaires de cours de langue néerlandaise par suite d'une décision du conseil de classe de l'enseignement primaire ;
   2° la diminution ou la cessation des heurs supplémentaires de cours de langue par semaine, visées au point 1°, a) ou b), dépend de l'évaluation de la progression des études de l'élève par le conseil de classe au cours ou à la fin d'une année scolaire ;
   3° l'école propose une offre ciblée qu'elle organise elle-même ou pour laquelle elle coopère avec d'autres écoles et qui rassemble des élèves de différentes écoles.
   Les cours de langue néerlandaise supplémentaires relèvent, le cas échéant, de la formation visée à l'article 252, § 1er, a), 2).
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités selon lesquelles les élèves doivent suivre les cours de langue supplémentaires, ainsi que des modalités pour leur organisation pratique.]1

  
Art. 136/5. [1 § 1. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :
   1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar voor een leerling met topsportstatuut, toegekend overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector, teneinde tijdens die vrijgestelde periodes zijn sportieve talenten verder te ontwikkelen, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt en mits akkoord van de betrokken personen;
   2° in voorkomend geval :
   a) moet het topsportstatuut zijn toegekend in een sporttak die in aanmerking komt voor de toepassing van dit artikel zoals bepaald door de Vlaamse Regering;
   b) moet, vermits de talentontwikkeling plaats vindt via onderricht door een schoolexterne lesgever binnen de school of in een sportieve leercontext buiten de school, de betrokken unisportfederatie desbetreffende context of lesgever als voldoende kwalitatief beschouwen;
   c) is het structuuronderdeel in kwestie geen structuuronderdeel met in de benaming de component "topsport";
   d) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
   e) worden individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
   f) doen individuele vrijstellingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;
   g) kan na overleg met, in voorkomend geval, de externe lesgever en met de betrokken personen, het individueel leertraject door de begeleidende klassenraad worden bij gestuurd of eventueel zelfs beëindigd indien de schoolresultaten negatief evolueren.
   § 2. Het topsportstatuut geldt voor één schooljaar en is, na aanvraag, hernieuwbaar. ]1

  
Art. 136/5. [1 § 1er. L'autorité scolaire peut, sur la base d'arguments pédagogiques spécifiques et en vue d'offrir plus de parcours d'apprentissage individuels, décider de déroger, pour un élève ou un groupe d'élèves, à la condition visée à l'article 252, § 1er, a), 2) aux modalités suivantes :
   1° l'exemption individuelle de suivre certaines parties de la formation d'une certaine subdivision structurelle pendant une partie de l'année scolaire ou toute l'année scolaire pour un élève en possession d'un statut de sportif de haut niveau, accordé conformément à la convention en matière de sport de haut niveau, conclu entre le secteur de l'enseignement et le secteur sportif, lui permettant de développer, pendant ces périodes d'exemption, ses talents sportifs, à condition que le conseil de classe d'admission ou le conseil de classe accompagnateur, suivant le cas, prenne une décision favorable et moyennant l'accord des personnes concernées;
   2° le cas échéant :
   a) le statut de sportif de haut niveau doit être accordé dans une discipline sportive entrant en ligne de compte pour l'application du présent article tel que fixé par le Gouvernement flamand;
   b) puisque le développement des talents a lieu par le biais d'un enseignement dispensé par un enseignant externe à l'école au sein de l'école ou dans un contexte d'apprentissage sportif en dehors de l'école, la fédération unisport intéressée doit considérer le contexte ou l'enseignant en question comme qualitativement suffisant;
   c) la subdivision structurelle en question n'est pas une subdivision structurelle dont la dénomination contient la composante " sport de haut niveau ";
   d) le conseil de classe d'admission se compose, pour ce qui est du personnel enseignant et par dérogation à la réglementation en vigueur, de tous les membres de la subdivision structurelle pour laquelle l'élève opte;
   e) les exemptions individuelles sont fixées par écrit et motivées;
   f) les exemptions individuelles ne portent pas préjudice à la validation des études;
   g) le parcours d'apprentissage individuel peut, après consultation, le cas échéant, de l'enseignant externe et des personnes concernées, être adapté par le conseil de classe accompagnateur ou éventuellement même être arrêté, si les résultats scolaires évoluent dans le sens négatif.
   § 2. Le statut de sportif de haut niveau est acquis pour une année scolaire et est renouvelable sur demande.]1

  
Art. 136/6. [1 Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten:
   1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantasten, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een leerling die onderwijsbehoeften heeft omwille van:
   a) [2 hetzij cognitief sterk functioneren]2;
   b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor een of meer vakken, die niet vallen onder de toepassing van artikel 136/2;
   2° in voorkomend geval:
   a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
   b) [2 kunnen voor de doelgroep, vermeld in punt 1°, b), individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van een vak, tenzij laatstbedoeld vak wordt vervangen door het vak Nederlands]2;
   c) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
   d) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;]1

  [2 e) kunnen voor de doelgroep, vermeld in punt 1°, a), individuele vrijstellingen worden verleend voor het geheel van een vak door de klassenraad, indien duidelijk blijkt dat de doelen ervan al bereikt zijn.]2
  
Art. 136/6. [1 L'autorité scolaire peut, sur la base d'arguments pédagogiques spécifiques et en vue d'offrir plus de parcours d'apprentissage individuels, décider de déroger, pour un élève ou un groupe d'élèves, à la condition visée à l'article 252, § 1er, a), 2), aux modalités suivantes :
   1° l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de la formation d'une certaine subdivision structurelle pendant une partie de l'année scolaire ou l'année scolaire entière et le remplacement par d'autres subdivisions qui ne portent pas atteinte à la finalité de la subdivision structurelle, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur, suivant le cas, prenne une décision favorable après l'accord des personnes concernées, pour un élève ayant des besoins éducatifs spécifiques en raison :
   a) [2 soit d'un haut fonctionnement cognitif]2 ;
   b) soit de difficultés d'apprentissage temporaires ou de retards scolaires pour un ou plusieurs cours, ne relevant pas de l'application de l'article 136/2 ;
   2° le cas échéant :
   a) le conseil de classe d'admission se compose, pour ce qui est du personnel enseignant et par dérogation à la réglementation en vigueur, de tous les membres de la subdivision structurelle pour laquelle l'élève opte ;
   b) [2 des exemptions individuelles ne peuvent jamais être accordées, pour le groupe cible visé au point 1°, b), pour l'ensemble d'un cours, à moins que ce dernier ne soit remplacé par le cours de néerlandais]2 ;
   c) des exemptions et remplacements individuels sont fixés par écrit et motivés ;
   d) des exemptions et remplacements individuels ne portent pas préjudice à la validation des études;]1

  [2 e) le conseil de classe peut accorder, pour le groupe cible visé au point 1°, a), des exemptions individuelles pour l'ensemble d'un cours s'il apparaît clairement que les objectifs en ont déjà été atteints.]2
  
Afdeling 3. [1 - Doelen, curriculumdossiers en leerplannen]1
Section 3. [1 - Objectifs, dossiers du cursus scolaire et programmes d'études]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepaling]1
Sous-section 1re. [1 - Disposition générale]1
Art. 138. [1 [2 De doelen en de leerplannen die tot stand komen in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling treden progressief in werking, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, vanaf 1 september 2019. De curriculumdossiers die tot stand komen in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling treden in werking:
   1° per 1 september 2023: in het eerste leerjaar van de eerste graad, het eerste leerjaar van de tweede graad en het eerste leerjaar van de derde graad;
   2° per 1 september 2024: in het tweede leerjaar van de eerste graad, het tweede leerjaar van de tweede graad en het tweede leerjaar van de derde graad;
   3° per 1 september 2025: in het derde leerjaar van de derde graad.]2

   Bij de ontwikkeling en de implementatie van de doelen, vermeld in het eerste lid en voor zover het eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, specifieke eindtermen en ontwikkelingsdoelen betreft, wordt rekening gehouden met de coherentie en continuïteit over het lager en het secundair onderwijs heen en, specifiek voor het secundair onderwijs, over de graden heen.]1

  
Art. 138. [1 [2 Les objectifs et les programmes d'études qui sont réalisés en exécution des dispositions de la présente section entrent progressivement en vigueur, année d'études par année d'études, à commencer par la première année d'études du premier degré, à partir du 1er septembre 2019. Les dossiers du cursus scolaire qui sont réalisés en exécution des dispositions de la présente section entrent en vigueur :
   1° à partir du 1er septembre 2023 : dans la première année d'études du premier degré, dans la première année d'études du deuxième degré et dans la première année d'études du troisième degré ;
   2° à partir du 1er septembre 2024 : dans la deuxième année d'études du premier degré, dans la deuxième année d'études du deuxième degré et dans la deuxième année d'études du troisième degré ;
   3° à partir du 1er septembre 2025 : dans la troisième année d'études du troisième degré.]2

   Lors du développement et de la mise en oeuvre des objectifs visés à l'alinéa 1er et pour autant qu'il s'agisse d'objectifs finaux, d'objectifs étendus pour néerlandais, d'objectifs finaux spécifiques et d'objectifs de développement, il est tenu compte de la cohérence et la continuité au-delà de l'enseignement primaire et secondaire et, spécifiquement pour l'enseignement secondaire, au-delà des degrés.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Doelen]1
Sous-section 2. [1 - Objectifs]1
Art. 139. [1 § 1. Eindtermen zijn minimumdoelen die het Vlaams Parlement noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en bepaalde attitudes bij de leerlingen te bereiken. De eindtermen moeten op populatieniveau worden bereikt. De eindtermen met betrekking tot bepaalde andere attitudes moeten bij de leerlingen worden nagestreefd.
   Binnen voormelde eindtermen worden bepaalde eindtermen als basisgeletterdheid aangeduid. De eindtermen basisgeletterdheid moeten door elke individuele leerling worden bereikt op het einde van de eerste graad. Basisgeletterdheid zijn die eindtermen die ertoe strekken te kunnen participeren in de maatschappij. In uitzonderlijke gevallen kan de klassenraad gemotiveerd beslissen dat een individuele leerling een eindterm basisgeletterdheid niet moet bereiken.
   De implementatie van de basisgeletterdheid zal worden gemonitord en op haar effectiviteit worden geëvalueerd door het Vlaams Parlement drie schooljaren na invoering ervan, waarna over de invoering in andere graden of onderwijsniveaus kan beslist worden.
   § 2. De eindtermen worden geformuleerd in functie van volgende sleutelcompetenties:
   1. competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid;
   2. competenties in het Nederlands;
   3. competenties in andere talen;
   4. digitale competentie en mediawijsheid;
   5. sociaal-relationele competenties;
   6. competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie;
   7. burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven
   8. competenties met betrekking tot historisch bewustzijn;
   9. competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn;
   10. competenties inzake duurzaamheid;
   11. economische en financiële competenties;
   12. juridische competenties;
   13. leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken;
   14. zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid;
   15. ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties;
   16. cultureel bewustzijn en culturele expressie.
   Deze eindtermen worden door het Vlaams Parlement niet vastgehaakt aan vakken. Het zijn de schoolbesturen die de verbinding maken tussen de eindtermen en de vakken of vakkenclusters. Daarbij moet het ook duidelijk zijn welke leraar er verantwoordelijk is voor de uitwerking en realisatie ervan.
  [2 De eindtermen voor de eerste graad die worden geformuleerd in functie van competenties in andere talen als vermeld in het eerste lid, 3°, worden in de B-stroom ten minste in het Frans gerealiseerd.]2
   § 3. De eindtermen worden afzonderlijk bepaald voor:
   1° het eerste en het tweede leerjaar van de eerste graad A-stroom samen;
   2° het eerste en het tweede leerjaar van de eerste graad B-stroom samen;
   3° het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad samen, per finaliteit;
   4° het eerste en tweede leerjaar van de derde graad samen, per finaliteit, rekening houdend met het in artikel 145 gestelde;
   5° het derde leerjaar van de derde graad, in zover het een structuuronderdeel betreft dat volgt op structuuronderdelen met arbeidsmarktfinaliteit van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en dat leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.
   De finaliteiten en onderwijsvormen in het gewoon secundair onderwijs zijn:
   1° doorstroomfinaliteit bestaande uit domeinoverschrijdend algemeen secundair onderwijs (aso) en domeingebonden technisch en kunstsecundair onderwijs (tso en kso);
   2° dubbele finaliteit bestaande uit tso en kso;
   3° arbeidsmarktfinaliteit bestaande uit beroepssecundair onderwijs (bso).
   § 4. In afwachting van ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen van toepassing.]1

  
Art. 139. [1 § 1er. Des objectifs finaux sont des objectifs minimums que le Parlement flamand estime nécessaires et réalisables pour une certaine population d'élèves. Par objectifs minimums, il faut entendre : un minimum de connaissances, notions, aptitudes et attitudes destinées à cette population d'élèves. Toute école a la mission sociétale d'atteindre chez les élèves les objectifs finaux relatifs aux connaissances, notions, aptitudes et certaines attitudes chez les élèves. Les objectifs finaux doivent être atteints au niveau de la population d'élèves. Les objectifs finaux relatifs à certaines autres attitudes doivent être poursuivis chez les élèves.
   Au sein des objectifs finaux précités, certains objectifs finaux sont désignés comme littératie de base. Les objectifs finaux littératie de base doivent être atteints par chaque élève individuel à la fin du premier degré. La littératie de base sont des objectifs finaux visant à permettre la participation à la société. Dans des cas exceptionnels, le conseil de classe peut prendre la décision motivée qu'un élève individuel ne doit pas atteindre un objectif final littératie de base.
   La mise en oeuvre de la littératie de base sera suivie et évaluée quant à son efficacité par le Parlement flamand trois années scolaires après son introduction, après quoi une décision pourra être prise sur son introduction dans d'autres grades ou niveaux d'enseignement.
   § 2. Les objectifs finaux sont formulés en fonction des compétences clés suivantes :
   1. compétences en matière de conscience physique, mentale et émotionnelle, ainsi que dans le domaine de la santé physique, mentale et émotionnelle ;
   2. compétences en néerlandais ;
   3. compétences dans d'autres langues ;
   4. compétences numériques et compétences médiatiques ;
   5. compétences sociorelationnelles ;
   6. compétences en mathématiques, sciences exactes et technologie ;
   7. compétences civiques, y compris les compétences relatives à la vie en commun ;
   8. compétences liées à la conscience historique ;
   9. compétences liées à la conscience spatiale ;
   10. compétences en matière de durabilité ;
   11. compétences économiques et financières ;
   12. compétences juridiques ;
   13. compétences d'apprentissage y compris compétences de recherche, réflexion innovante, créativité, résolution de problèmes et esprit critique, réflexion systémique, traitement de données et collaboration ;
   14. conscience de soi et expression de soi-même, autonomie et flexibilité ;
   15. développement de l'initiative, ambition, esprit d'entreprise et compétences de carrière ;
   16. conscience culturelle en expression culturelle.
   Ces objectifs finaux ne sont pas rattachés aux cours par le Parlement flamand. En effet, ce sont les autorités scolaires qui font la connexion entre les objectifs finaux et les cours ou clusters de cours. A cet égard, il doit également être clair qui, parmi les enseignants, est responsable de l'élaboration et de la réalisation.
  [2 Les objectifs finaux du premier degré formulés en fonction des compétences dans d'autres langues telles que visées à l'alinéa, 3°, doivent être atteints au moins en français dans la filière B.]2
   § 3. Les objectifs finaux sont séparément fixés pour :
   1° les première et deuxième années d'études du premier degré de la filière A ensemble ;
   2° les première et deuxième années d'études du premier degré de la filière B ensemble ;
   3° les première et deuxième années d'études du deuxième degré ensemble, par finalité ;
   4° les première et deuxième années d'études du troisième degré ensemble, par finalité, en tenant compte de la disposition de l'article 145 ;
   5° la troisième année d'études du troisième degré, pour autant qu'il s'agisse d'une subdivision structurelle qui suit les subdivisions structurelles avec finalité orientée vers le marché du travail des première et deuxième années d'études du troisième degré et qui conduit à un diplôme donnant accès à une formation de bachelor.
   Les finalités et les formes d'enseignement dans l'enseignement secondaire ordinaire sont :
   1° la finalité transition comprenant l'enseignement secondaire général transversal (aso) et l'enseignement secondaire technique et artistique spécifique au domaine (tso et kso) ;
   2° la double finalité comprenant le tso et le kso ;
   3° la finalité orientée vers le marché du travail comprenant l'enseignement secondaire professionnel (bso).
   § 4. Dans l'attente de la mise en oeuvre des objectifs de développement, des objectifs finaux et des objectifs finaux spécifiques en exécution des dispositions du présent article, les objectifs de développement, les objectifs finaux et les objectifs finaux spécifiques existants restent d'application.]1

  
Art. 140. [1 Uitbreidingsdoelen Nederlands zijn extra doelen bovenop de eindtermen met betrekking tot competenties in het Nederlands die door een bepaalde leerlingenpopulatie kunnen worden bereikt.
   De uitbreidingsdoelen Nederlands worden afzonderlijk bepaald voor:
   1° het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A samen;
   2° het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B samen.
   De uitbreidingsdoelen Nederlands voor het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B zijn de eindtermen met betrekking tot competenties in het Nederlands voor het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A.]1

  
Art. 140. [1 Des objectifs étendus pour néerlandais sont des objectifs supplémentaires en plus des objectifs finaux relatifs aux compétences en néerlandais qui peuvent être atteints par une certaine population d'élèves.
   Les objectifs étendus pour néerlandais sont séparément fixés pour :
   1° la première année d'études A et la deuxième année d'études A ensemble ;
   2° la première année d'études B et la deuxième année d'études B ensemble.
   Les objectifs étendus pour néerlandais pour la première année d'études A et la deuxième année d'études B sont les objectifs finaux relatifs aux compétences en néerlandais pour la première année d'études A et la deuxième année d'études A.]1

  
Art. 141. [1 Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen uitsluitend voor de leerlingenpopulatie van het onthaaljaar. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de ontwikkelingsdoelen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes na te streven.]1
  
Art. 141. [1 Des objectifs de développement sont des objectifs minimums qui valent uniquement pour la population d'élèves de l'année d'accueil. Par objectifs minimums, il faut entendre : un minimum de connaissances, notions, aptitudes et attitudes destinées à cette population d'élèves. Toute école a la mission sociétale de chercher à atteindre les objectifs de développement relatifs aux connaissances, notions, aptitudes et attitudes.]1
  
Art. 142. [1 Eindtermen of ontwikkelingsdoelen vormen de basisvorming voor een groep van structuuronderdelen. Voor het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie, dat in voorkomend geval tot de basisvorming behoort, zijn er geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen.]1
  
Art. 142. [1 Les objectifs finaux ou objectifs de développement constituent la formation de base d'un groupe de subdivisions structurelles. L'enseignement en religion, en morale non confessionnelle, en conscience culturelle et en culture et religion propres, qui appartient, le cas échéant, à la formation de base, n'est pas soumis à des objectifs finaux ou à des objectifs de développement.]1
  
Art. 143. [1 § 1. De ontwikkeling van eindtermen met inbegrip van eindtermen basisgeletterdheid, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen wordt gecoördineerd door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering stelt daartoe een of meerdere ontwikkelcommissies samen die ten minste bestaan uit leerkrachten uit de betrokken graad en de aansluitende graden of onderwijsniveaus, de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en vak- en andere experten uit het hoger onderwijs. De ontwikkelcommissie formuleert een beperkt aantal sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en, indien van toepassing, attitudes aan bod komen. Ze duidt ook het belang en de uitgangspunten ervan aan. [2 Ze bewaakt de haalbaarheid.]2
   De ontwikkelde eindtermen uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden vervolgens door de Vlaamse Regering voorgelegd aan een valideringscommissie. De valideringscommissie valideert of stuurt de ontwikkelde eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen terug naar de ontwikkelcommissie met het oog op bijsturing, waarna ze finaal ter validering aan de valideringscommissie worden voorgelegd.
   De valideringscommissie bestaat uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. De valideringscommissie bewaakt de coherentie, consistentie en evalueerbaarheid van de eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen.
   De eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden door de Vlaamse Regering als een ontwerp van decreet ingediend bij het Vlaams Parlement. Het Vlaams Parlement kan het initiatief nemen de in het eerste lid voorziene procedure op te starten.
   De eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. De Vlaams Regering bepaalt de procedure voor deze screening en bijsturing.
   § 2. Het Vlaams Parlement keurt een beperkt aantal van sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen goed waar kennis telkens geëxpliciteerd wordt en vaardigheden, inzichten en indien van toepassing attitudes aan bod komen.]1

  
Art. 143. [1 § 1er. Le développement des objectifs finaux, y compris des objectifs finaux littératie de base, des objectifs étendus pour néerlandais, des objectifs de développement et des objectifs finaux spécifiques est coordonné par le Gouvernement flamand. A cet effet, le Gouvernement flamand compose une ou plusieurs commissions de développement qui consistent au moins d'enseignants du grade concerné et des grades ou niveaux d'enseignement connexes, des représentants de l'Enseignement communautaire et des associations d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné, ainsi que d'experts professionnels et d'autres experts de l'enseignement supérieur. La commission de développement formule un nombre limité d'objectifs finaux, d'objectifs étendus pour néerlandais, d'objectifs de développement et d'objectifs finaux spécifiques clairs, axés sur les compétences et évaluables, formulés de façon succincte dans lesquels les connaissances, les aptitudes, les notions et, s'il y a lieu, les attitudes sont abordées. Elle indique également leur importance et leurs principes. [2 Elle surveille la faisabilité.]2
   Les objectifs finaux, objectifs d'extension pour néerlandais, objectifs de développement et objectifs finaux spécifiques sont ensuite présentés par le Gouvernement flamand à une commission de validation. La commission de validation prononce la validation des objectifs finaux, des objectifs d'extension pour néerlandais, des objectifs de développement ou des objectifs finaux spécifiques développés ou les renvoie à la commission de développement pour ajustement, après quoi ils sont finalement soumis à la commission de validation pour validation.
   La commission de validation se compose de membres de l'inspection de l'enseignement et d'autres experts. La commission de validation veille à la cohérence, la consistance et la possibilité d'évaluation des objectifs finaux, des objectifs d'extension pour néerlandais, des objectifs de développement et des objectifs finaux spécifiques.
   Les objectifs finaux, les objectifs étendus pour néerlandais, les objectifs de développement et les objectifs finaux spécifiques sont soumis par le Gouvernement flamand au Parlement flamand comme projet de décret. Le Parlement flamand peut prendre l'initiative de lancer la procédure prévue à l'alinéa 1er.
   Les objectifs finaux, les objectifs d'extension pour néerlandais, les objectifs de développement et les objectifs finaux spécifiques font périodiquement l'objet d'une appréciation de leur valeur d'actualité et sont, si besoin est, ajustés. Le Gouvernement flamand arrête la procédure de cette appréciation et de cet ajustement.
   § 2. Le Parlement flamand approuve un nombre limité d'objectifs finaux, d'objectifs de développement et d'objectifs finaux spécifiques clairs, axés sur les compétences et évaluables, formulés de façon succincte. Ces objectifs explicitent chaque fois les connaissances, et abordent les aptitudes, les notions et, s'il y a lieu, les attitudes.]1

  
Art. 145. [1 Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten.
   Specifieke eindtermen worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad van:
   1° domeinoverschrijdende doorstroomrichtingen (aso);
   2° domeingebonden doorstroomrichtingen (kso/tso);
   3° richtingen met dubbele finaliteit (tso/kso).
   Ze worden ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein.
   Met betrekking tot de specifieke eindtermen worden de cesuurdoelen voor de tweede graad [2 van richtingen met doorstroom- en dubbele finaliteit]2 in samenspraak met de overheid via een protocolakkoord door de onderwijsverstrekkers vastgelegd.]1

  [2 Er worden ook specifieke eindtermen vastgelegd voor het zevende leerjaar gericht op het hoger onderwijs, vermeld in artikel 139, § 3, eerste lid, 5А.]2
  
Art. 145. [1 Les objectifs finaux spécifiques sont des objectifs relatifs aux aptitudes, aux savoirs spécifiques, aux notions et aux attitudes dont un élève de l'enseignement secondaire à temps plein dispose pour entamer un enseignement complémentaire.
   Des objectifs finaux spécifiques sont fixés pour la deuxième année d'études du troisième degré des :
   1° filières de transition transversales (aso) ;
   2° filières de transition spécifiques au domaine (kso/tso) ;
   3° filières à double finalité (tso/kso).
   Ils sont développés à partir des subdivisions caractéristiques d'un domaine scientifique défini.
   Par rapport aux objectifs finaux spécifiques, les objectifs quant au seuil de réussite pour le deuxième degré [2 d'orientations à finalité transition et à double finalité]2 sont fixés par les dispensateurs d'enseignement de concert avec l'autorité via un protocole d'accord.]1

  [2 Des objectifs finaux spécifiques sont également fixés pour la septième année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur, visée à l'article 139, § 3, alinéa 1er, 5°.]2
  
Art. 146. [1 § 1. Wanneer een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot gelijkwaardigheid in van vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen. De indiening gebeurt uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen zullen gelden.
   Wanneer de aanvraag gebeurt ingevolge een wijziging van ontwikkelingsdoelen, uitbreidingsdoelen Nederlands, eindtermen of specifieke eindtermen door het Vlaams Parlement, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waarbinnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of in voorkomend geval oude afwijkende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen mag werken.
   De aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of de specifieke eindtermen voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen voor.
   § 2. In afwijking op het in paragraaf 1 gestelde, kan voor eindtermen die als basisgeletterdheid zijn aangeduid, geen gelijkwaardigheid worden aangevraagd.
   § 3. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die, goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.
   De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
   1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
   2° de vereiste inhoud, in functie van de sleutelcompetenties, zoals bepaald in artikel 139, § 2, en 262, § 2;
   3° de formulering
   a) gebeurt onder de vorm van eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, naargelang van het geval;
   b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands of specifieke eindtermen worden bereikt of bij een leerlingenpopulatie ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd.
   Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen [3 en van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]3 en wordt telkens de aanvrager gehoord. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.
   § 4. De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.]1

  [2 § 5. In afwijking van de termijnen, bepaald in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 3, eerste lid, gelden de volgende termijnen met betrekking tot een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen voor de door het Vlaams Parlement goedgekeurde eindtermen van de tweede graad die een schoolbestuur geacht wordt in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs geleidelijk toe te passen vanaf 1 september 2021:
   1° de indiening van de aanvraag voor het schooljaar 2021-2022 gebeurt uiterlijk drie maanden na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde onderwijsdoelen van de tweede graad;
   2° de Vlaamse Regering beslist uiterlijk vier maanden na indiening van de aanvraag.
   Tijdens het schooljaar 2021-2022 wordt gedoogd dat de aanvrager nog met de oude eindtermen of, in voorkomend geval, de oude vervangende eindtermen werkt.]2

  
Art. 146. [1 § 1er. Lorsqu'une autorité scolaire estime que les objectifs finaux, les objectifs d'extension pour néerlandais, les objectifs de développement et les objectifs finaux spécifiques ne laissent qu'une marge insuffisante pour réaliser les propres conceptions pédagogiques et didactiques ou sont incompatibles avec celles-ci, elle introduira auprès du Gouvernement flamand une demande d'équivalence d'objectifs finaux, d'objectifs étendus pour néerlandais, d'objectifs de développement et d'objectifs finaux spécifiques de remplacement. L'introduction se fait au plus tard le 1er septembre de l'année scolaire précédant l'année scolaire pendant laquelle les objectifs finaux, les objectifs étendus pour néerlandais, les objectifs de développement et les objectifs finaux spécifiques de remplacement seront d'application.
   Lorsque la demande se fait suite à une modification des objectifs finaux, des objectifs étendus pour néerlandais, des objectifs de développement et des objectifs finaux spécifiques par le Parlement flamand, une période de grâce d'une année scolaire complète s'applique. Dans cette période, le demandeur peut encore travailler avec les anciens objectifs finaux, objectifs étendus pour néerlandais, objectifs de développement et objectifs finaux spécifiques dérogatoires.
   La demande n'est recevable que s'il est indiqué précisément pourquoi les objectifs finaux, les objectifs étendus pour néerlandais, les objectifs de développement et les objectifs finaux spécifiques ne laissent qu'une marge insuffisante pour réaliser les propres conceptions pédagogiques et didactiques ou sont incompatibles avec celles-ci. L'autorité scolaire propose dans la même demande des objectifs finaux, des objectifs étendus pour néerlandais, des objectifs de développement et des objectifs finaux spécifiques de remplacement.
   § 2. Par dérogation à la disposition du paragraphe 1er, aucune équivalence ne peut être sollicitée pour les objectifs finaux désignés comme littératie de base.
   § 3. Le Gouvernement flamand juge si la demande est recevable et, dans l'affirmative, si les objectifs finaux, les objectifs étendus pour néerlandais, les objectifs de développement et les objectifs finaux spécifiques de remplacement sont équivalents dans leur ensemble à ceux approuvés par le Parlement flamand, et dès lors permettent de délivrer des titres équivalents. Le Gouvernement flamand décide de la demande au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire précédente.
   L'équivalence est jugée sur la base des critères suivants :
   1° le respect des droits et libertés fondamentaux ;
   2° le contenu requis en fonction des compétences clés telles que fixées aux articles 139, § 2, en 262, § 2 ;
   3° la formulation
   a) se fait sous la forme d'objectifs finaux, d'objectifs étendus pour néerlandais, d'objectifs de développement et d'objectifs finaux spécifiques, suivant le cas ;
   b) permet de vérifier dans quelle mesure les objectifs finaux, les objectifs étendus pour néerlandais ou les objectifs finaux spécifiques sont atteints chez une population d'élèves ou chez un élève ou les objectifs de développement sont poursuivis chez une population d'élèves.
   Pour l'évaluation de la recevabilité et de l'équivalence, un avis motivé est sollicité d'une commission d'experts [3 et de l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes]3 et le demandeur est chaque fois entendu. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de composition de la commission d'experts et de la procédure.
   § 4. Les objectifs finaux, les objectifs étendus pour néerlandais, les objectifs de développement ou les objectifs finaux spécifiques de remplacement qui sont jugés recevables et équivalents par le Gouvernement flamand, sont soumis dans les six mois à l'approbation du Parlement flamand.]1

  [2 § 5. Par dérogation aux délais visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 3, alinéa 1er, les délais suivants s'appliquent à demande d'équivalence d'objectifs finaux de remplacement pour les objectifs finaux du deuxième degré approuvés par le Parlement flamand, qu'une autorité scolaire est censée appliquer progressivement à partir du 1er septembre 2021 dans le cadre de la modernisation de l'enseignement secondaire :
   1° l'introduction de la demande pour l'année scolaire 2021-2022 a lieu au plus tard trois mois après la publication au Moniteur belge des objectifs éducatifs du deuxième degré tels qu'approuvés par le Parlement flamand ;
   2° le Gouvernement flamand prend sa décision au plus tard quatre mois après l'introduction de la demande.
   Pendant l'année scolaire 2021-2022, il est toléré que le demandeur travaille encore avec les anciens objectifs de finaux ou, le cas échéant, les anciens objectifs finaux de remplacement.]2

  
Art. 147. [1 Naast in voorkomend geval de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands en de specifieke eindtermen, zijn de andere doelen:
   1° van het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B: de doelen van een basisoptie;
   2° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, dubbele finaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties;
   3° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, arbeidsmarktfinaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties;
  [2 3° /1 van een structuuronderdeel van het derde leerjaar van de derde graad dat voorbereidt op het hoger onderwijs, met uitzondering van het structuuronderdeel, vermeld in artikel 139, § 3, eerste lid, 5° : de doelen die afgeleid zijn van de eindtermen of de specifieke eindtermen van inhoudelijk verwante structuuronderdelen van de derde graad;]2
   4° van elk structuuronderdeel van de eerste, tweede of derde graad: de eventuele differentiële doelen van het desbetreffend structuuronderdeel die een uitbreiding of verdieping van al voorkomende doelen inhouden.
   De hogervermelde doelen worden gezamenlijk ontwikkeld door het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. De doelen die leiden tot één of meer erkende beroepskwalificaties kunnen enkel mits voorafgaand akkoord van de betrokken sectoren, inhoudelijk van erkende beroepskwalificaties afwijken.]1

  [2 Bij de totstandkoming van de doelen, vermeld in het eerste lid, 3° /1, worden vaken andere experten uit het hoger onderwijs betrokken.]2
  
Art. 147. [1 Outre, le cas échéant, les objectifs finaux, les objectifs étendus pour néerlandais et les objectifs finaux spécifiques, les autres objectifs sont :
   1° de la deuxième année d'études A et de la deuxième année d'études B : les objectifs d'une option de base ;
   2° d'une subdivision structurelle d'un deuxième ou troisième degré, double finalité : les objectifs qui conduisent à une ou plusieurs qualifications professionnelles ;
   3° d'une subdivision structurelle d'un deuxième ou troisième degré, finalité marché du travail : les objectifs qui conduisent à une ou plusieurs qualifications professionnelles ;
  [2 3° /1 d'une subdivision structurelle de la troisième année d'études du troisième degré qui prépare à l'enseignement supérieur, à l'exception de la subdivision structurelle visée à l'article 139, § 3, alinéa 1er, 5° : les objectifs dérivés des objectifs finaux ou des objectifs finaux spécifiques de subdivisions structurelles du troisième degré connexes en termes de contenu ; ]2
   4° de chaque subdivision structurelle du premier, deuxième ou troisième degré : les objectifs différenciés éventuels de la subdivision structurelle concernée qui contiennent une extension ou un approfondissement des objectifs déjà présents.
   Les objectifs précités sont développés de concert par l'Enseignement communautaire et les associations des autorités scolaires de l'enseignement subventionné. Les objectifs conduisant à une ou plusieurs qualifications professionnelles ne peuvent déroger quant au contenu des qualifications professionnelles reconnues que moyennant l'accord préalable des secteurs concernés.]1

  [2 Des experts en la matière et d'autres experts de l'enseignement supérieur sont associés à l'élaboration des objectifs visés à l'alinéa 1er, 3° /1.]2
  
Onderafdeling 3. [1 - Curriculumdossiers]1
Sous-section 3. [1 - Dossiers du cursus scolaire]1
Art. 147/1. [1 § 1. Een curriculumdossier beschrijft op samenhangende wijze en vanuit onderwijskundig perspectief het geheel van de vorming van een structuuronderdeel en brengt alle doelen als vermeld in onderafdeling 2, die van toepassing zijn op dat structuuronderdeel samen. In voorkomend geval worden de eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands en specifieke eindtermen letterlijk opgenomen.
   In afwijking op het in het eerste lid gestelde wordt het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie niet opgenomen in het curriculumdossier.
  [4 Als de aanbieder van een duale opleiding een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, zijn de volgende eindtermen, vermeld in het decreet van 14 juli 2023 over de onderwijsdoelen voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs, niet van toepassing:
   1А de eindtermen 1.03, 1.04, 1.05, 1.06 en 1.07 van de basisvorming van de tweede graad arbeidsmarktfinaliteit en van de tweede graad dubbele finaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op het vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid";
   2А de eindtermen 1.03, 1.04, 1.05, 1.06 en 1.07 van de basisvorming van de derde graad arbeidsmarktfinaliteit en van de derde graad dubbele finaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op het vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid.]4

   § 2. Een curriculumdossier wordt afzonderlijk gemaakt voor:
   1° het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A van de eerste graad samen;
   2° het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B van de eerste graad samen;
   3° het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad samen, per structuuronderdeel;
   4° het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad samen, per structuuronderdeel;
   5° het derde leerjaar van de derde graad, per structuuronderdeel.
  [3 Er wordt geen curriculumdossier gemaakt voor:
   1° het onthaaljaar;
   2° een aanloopstructuuronderdeel.
   De doelen van een aanloopstructuuronderdeel worden opgenomen in het curriculumdossier van een of meer inhoudelijk verwante structuuronderdelen.]3

   § 3. Voor de kwaliteitscontrole in functie van de erkenning en de doorlichting, zoals bedoeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, van scholen voor het secundair onderwijs richt de onderwijsinspectie zich op, naargelang van het geval:
   1° het bereiken van de doelen van het curriculumdossier van het structuuronderdeel in kwestie;
   2° het nastreven van de ontwikkelingsdoelen van het onthaaljaar.]1

  [2 De onderwijsinspectie baseert zich bij de doorlichting op de doelen die van toepassing zijn tijdens het schooljaar van de doorlichting en op die van het daaraan voorafgaande schooljaar. Waar echter een curriculumdossier nog niet of nog niet volledig van toepassing is, wordt de doorlichting gebaseerd op de volgende, naargelang van het structuuronderdeel of structuuronderdelen, toepasbare doelen: de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, [5 en de doelen die leiden tot erkende beroepskwalificaties]5.]2
  
Art. 147/1. [1 § 1er. Un dossier du cursus scolaire décrit de façon cohérente et dans une perspective pédagogique la formation dans son ensemble d'une subdivision structurelle et réunit tous les objectifs tels que visés dans la sous-section 2 qui sont d'application à cette subdivision structurelle. Le cas échéant, les objectifs finaux, les objectifs étendus pour néerlandais ou les objectifs finaux spécifiques sont repris littéralement.
   Par dérogation à la disposition de l'alinéa 1er, l'enseignement de religion, de morale non confessionnelle, de formation culturelle et de propre culture et religion n'est pas intégré dans le dossier du cursus scolaire.
  [4 Si le prestataire d'une formation duale est un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des travailleurs indépendants et des petites et moyennes entreprises, les objectifs finaux suivants, visés au décret du 14 juillet 2023 relatif aux objectifs pédagogiques pour les deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire, ne s'appliquent pas :
   1° les objectifs finaux 1.03, 1.04, 1.05, 1.06 et 1.07 de la formation de base du deuxième degré finalité marché du travail et du deuxième degré double finalité dans la compétence clé " compétences en matière de conscience physique, mentale et émotionnelle, ainsi que dans le domaine de la santé physique, mentale et émotionnelle " ;
   2° les objectifs finaux 1.03, 1.04, 1.05, 1.06 et 1.07 de la formation de base du troisième degré finalité marché du travail et du troisième degré double finalité dans la compétence clé " compétences en matière de conscience physique, mentale et émotionnelle, ainsi que dans le domaine de la santé physique, mentale et émotionnelle.]4

   § 2. Un dossier du cursus scolaire est établi séparément pour :
   1° la première année d'études A et la deuxième année d'études A du premier degré ensemble ;
   2° la première année d'études B et la deuxième année d'études B du premier degré ensemble ;
   3° les première et deuxième années d'études du deuxième degré ensemble, par subdivision structurelle ;
   4° les première et deuxième années d'études du troisième degré ensemble, par subdivision structurelle ;
   5° la troisième année d'études du troisième degré, par subdivision structurelle.
   [3 Aucun dossier du cursus scolaire n'est établi pour :
   1° l'année d'accueil ;
   2° une subdivision structurelle de démarrage.
   Les objectifs d'une subdivision structurelle de démarrage sont repris dans le dossier du cursus scolaire d'une ou plusieurs subdivisions structurelles apparentées quant au contenu.]3

   § 3. Pour le contrôle de qualité en fonction de la reconnaissance et de l'audit tels que visés à l'article 32, 1° et 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, des écoles d'enseignement secondaire, l'inspection de l'enseignement se centre sur, le cas échéant :
   1° l'atteinte d'objectifs du dossier du cursus scolaire de la subdivision structurelle en question ;
   2° la poursuite des objectifs de développement de l'année d'accueil.]1

  [2 L'inspection de l'enseignement fonde son audit sur les objectifs qui s'appliquent pendant l'année scolaire de l'audit et sur ceux de l'année scolaire précédente. Toutefois, lorsqu'un dossier du cursus scolaire n'est pas encore ou n'est pas encore pleinement applicable, l'audit est basé sur les objectifs applicables suivants, en fonction de la ou des subdivisions structurelles : les objectifs finaux, les objectifs de développement, les objectifs finaux spécifiques [5 les objectifs menant à des qualifications professionnelles reconnues]5.]2
  
Art. 147/2. [1 Het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs stellen gezamenlijk een curriculumdossier samen en dienen dit in ter goedkeuring door de Vlaamse Regering.
   De Vlaamse Regering bepaalt:
   1° de nadere procedure voor indiening en goedkeuring van een curriculumdossier;
   2° de inhoudelijke, organisatorische en vormelijke elementen die een curriculumdossier moet omvatten;
   3° de procedure indien door het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs geen curriculumdossier ingediend wordt binnen de gestelde termijn.]1

  [2 § 2. Voor een structuuronderdeel dat beantwoordt aan al de volgende voorwaarden, zijn de bepalingen van deze onderafdeling van toepassing vanaf het tweede schooljaar dat het structuuronderdeel in kwestie wordt georganiseerd:
   1° het betreft een nieuw structuuronderdeel of een bestaand structuuronderdeel dat wordt gewijzigd naar inhoud en, eventueel, naar benaming, waarbij die wijzigingen niet alleen technisch zijn. De Vlaamse Regering bepaalt wat onder technische wijzigingen wordt verstaan;
   2° de eerste beslissing van de Vlaamse Regering over het nieuwe of gewijzigde structuuronderdeel is, uitzonderlijk, genomen na de initiële uiterste indieningsdatum van een curriculumdossier die is vastgelegd in de procedure, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°.]2

  
Art. 147/2. [1 L'Enseignement communautaire et les associations d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné composent en commun un dossier du cursus scolaire et le soumettent à l'approbation du Gouvernement flamand.
   Le Gouvernement flamand arrête :
   1° la procédure détaillée pour le dépôt et l'approbation d'un dossier du cursus scolaire ;
   2° les éléments organisationnels, de contenu et de forme que le dossier du cursus scolaire doit impérativement comprendre ;
   3° la procédure si aucun dossier du cursus scolaire n'est déposé par l'Enseignement communautaire et les associations des autorités scolaires de l'enseignement subventionné dans les délais imposés.]1

  [2 § 2. Pour une subdivision structurelle qui répond à toutes les conditions suivantes, les dispositions de la présente sous-section s'appliquent à partir de la deuxième année scolaire où la subdivision structurelle en question est organisée :
   1° il s'agit d'une nouvelle subdivision structurelle ou d'une subdivision structurelle existante dont le contenu et, éventuellement, la dénomination sont modifiés, ces modifications n'étant pas seulement techniques. Le Gouvernement flamand définit ce qu'on entend par modifications techniques ;
   2° la première décision du Gouvernement flamand sur la subdivision structurelle nouvelle ou modifiée est exceptionnellement prise après la date initiale ultime d'introduction d'un dossier du cursus scolaire fixée dans la procédure, visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°.]2

  
Onderafdeling 4. [1 - Leerplannen]1
Sous-section 4. [1 - Programmes d'études]1
Art. 147/3. [1 § 1. [5 In aansluiting op de curriculumdossiers die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd, worden door het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen ontwikkeld die voldoende ruimte laten voor de inbreng van scholen, leraren, lerarenteams of leerlingen.
   In de leerplannen, vermeld in het eerste lid, zijn in elk geval alle betrokken eindtermen die het Vlaams Parlement heeft goedgekeurd, letterlijk opgenomen. Het leerplan bevat een concordantietabel met de overeenkomst tussen de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit, en de leerplandoelen.
   Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit.
   De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een school te kaderen.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 vormen curriculumdossiers niet de basis voor het opstellen van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie en kunnen die leerplannen niet voor advies worden voorgelegd aan het agentschap, vermeld in paragraaf 1, derde lid.
   De leerplannen, vermeld in het eerste lid, worden publiek bekendgemaakt.]5

   § 3. Alle leerplannen, met inbegrip van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de goedgekeurde eindtermen en ontwikkelingsdoelen. De leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie respecteren tevens de interlevensbeschouwelijke competenties.
   De directeur kan de levensbeschouwelijke leerlingengroepen tijdens de levensbeschouwelijke les bezoeken om administratieve redenen, om algemeen pedagogische redenen, om na te gaan of de grondwettelijke rechten en vrijheden gevrijwaard worden of voor een bespreking met de leerlingen. De directeur - of een ander personeelslid dat aangesteld is als evaluator - kan de les ook bijwonen, gelet op zijn bevoegdheid als evaluator voor niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten.
   § 4. Over het in overeenstemming zijn met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en het respecteren van de goedgekeurde eindtermen en ontwikkelingsdoelen, evenals over de uitvoering van de leerplannen, wordt jaarlijks aan het Vlaams Parlement een stand van zaken gerapporteerd door:
   1° de onderwijsinspectie bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken: over de leerplannen godsdienst en niet-confessionele zedenleer; met inbegrip van de interlevensbeschouwelijke competenties;
   2° de onderwijsinspectie bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs: over de leerplannen cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie.]1

  
Art. 147/3. [1 § 1er. [5 Dans le droit fil des dossiers du cursus scolaire approuvés par le Gouvernement flamand, l'autorité scolaire élabore des programmes d'études limités en volume qui laissent assez de marge de manoeuvre aux écoles, enseignants, équipes d'enseignants et élèves pour apporter leur propre contribution.
   Les programmes d'études visés à l'alinéa 1er comprennent en tout état de cause, mot pour mot, tous les objectifs finaux concernés, approuvés par le Parlement flamand. Le programme d'études comprend un tableau de concordance entre les objectifs pédagogiques fixés par décret ou arrêté, et les objectifs du programme d'études.
   Les programmes d'études sont soumis pour approbation à l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes. L'agence précitée vérifie si les objectifs pédagogiques, fixés par décret ou arrêté, ont été intégralement et correctement transposés dans le programme d'études et si ce programme ne contient aucun élément contraire aux objectifs pédagogiques, fixés par décret ou arrêté.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives aux critères d'approbation et aux modalités de soumission des programmes d'études. Les programmes d'études constituent un instrument complémentaire permettant à l'inspection de l'enseignement d'évaluer la politique de qualité d'une école.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les dossiers du cursus scolaire ne servent pas de base à l'élaboration des programmes d'études de religion, de morale non confessionnelle, de formation culturelle et de culture et religion propres, et ces programmes ne peuvent être soumis pour avis à l'agence figurant au paragraphe 1er, alinéa 3.
   Les programmes d'études figurant à l'alinéa 1er sont rendus publics.]5

   § 3. Tous les programmes d'études, y compris les programmes d'études de religion, de morale non confessionnelle, de formation culturelle ou de propre culture et religion sont conformes aux principes internationaux et constitutionnels relatifs aux droits de l'homme et de l'enfant en particulier et respectent les objectifs finaux et objectifs de développement approuvés. Les programmes d'études de religion, de morale non confessionnelle, de formation culturelle et de propre culture et religion respectent également les compétences interconvictionnelles.
   Le directeur peut rendre visite à un groupe d'élèves adhérant à une conviction philosophique pendant le cours philosophique pour des raisons administratives, pour des raisons pédagogiques générales ou pour vérifier si les droits et libertés constitutionnelles sont respectés ou pour une discussion avec les élèves. Le directeur - ou un autre membre du personnel désigné comme évaluateur - peut également assister au cours, vu sa compétence comme évaluateur des aspects ne traitant pas du contenu de la matière ni du contenu technique.
   § 4. La conformité aux principes internationaux et constitutionnels relatifs aux droits de l'homme et de l'enfant en particulier et le respect des objectifs finaux et des objectifs de développement approuvés ainsi que l'exécution des programmes d'études font annuellement l'objet d'un état des lieux qui est soumis au Parlement flamand par :
   1° l'inspection de l'enseignement visé au décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques : sur les programmes d'études de religion et de morale non confessionnelle, y compris les compétences interconvictionnelles ;
   2° l'inspection de l'enseignement visé au décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement : sur les programmes d'études des cours de formation culturelle et de propre culture et religion.]1

  
Art. 147/4. [1 Met inachtname van alle ontwikkelingsdoelen wordt in het onthaaljaar per leerling op basis van zijn onderwijsbehoeften een individueel leertraject uitgewerkt waarin het aspiratieniveau voor deze leerling doorheen het jaar wordt bijgesteld. Dit traject bevat onder meer de beginsituatie, de taaldoelen als leidraad en het advies van de klassenraad voor wat betreft de overstap naar vervolgonderwijs of arbeidsmarkt.]1
  
Art. 147/4. [1 Eu égard à tous les objectifs de développement, il est développé dans l'année d'accueil, par élève et sur la base de ses besoins en éducation, un parcours d'apprentissage individualisé, dans lequel le niveau d'aspiration pour cet élève est corrigé au cours de l'année. Ce parcours comprend entre autres la situation initiale, les objectifs langagiers et l'avis du conseil de classe relatif au passage à un enseignement complémentaire ou au marché du travail.]1
  
Afdeling 4.
Section 4.
Afdeling 4/1. [1 - Lessenrooster]1
Section 4/1. [1 - Horaire des cours]1
Art. 157/2. [1 De bepalingen van deze afdeling treden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, in werking vanaf 1 september 2019.]1
  
Art. 157/2. [1 Les dispositions de la présente section produisent leurs effets, de manière progressive, année d'études par année d'études, à commencer par la première année du premier degré, à partir du 1er septembre 2019.]1
  
Art. 157/3. [1 Het lessenrooster is het weekrooster, opgebouwd uit vakken of vakkenclusters, waarin de doelen van het curriculumdossier en de aansluitende leerplannen worden gerangschikt. Deze doelen, ongeacht het eindtermen, specifieke eindtermen of beroepskwalificaties betreft, mogen binnen eenzelfde vak of vakkencluster en binnen dezelfde onderwijstijd worden aangeboden.
   Met inachtneming van de bepalingen van deze afdeling stelt het schoolbestuur het weekrooster vast.]1

  
Art. 157/3. [1 L'horaire des cours est l'horaire hebdomadaire, composé de cours ou de clusters de cours, dans lequel sont disposés les objectifs du dossier du cursus scolaire et les programmes d'études correspondants. Ces objectifs, qu'ils s'agisse d'objectifs finaux, d'objectifs finaux spécifiques ou de qualifications professionnelles, peuvent être proposés dans un même cours ou cluster de cours et dans le même temps d'enseignement.
   L'autorité scolaire fixe l'horaire hebdomadaire tout en respectant les dispositions de la présente section.]1

  
Art. 157/4. [1 De Vlaamse Regering legt de benamingen van de vakken vast en bepaalt de indeling in algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken.]1
  
Art. 157/4. [1 Le Gouvernement flamand fixe les dénominations des cours et détermine le classement en cours généraux, cours artistiques, cours techniques et cours pratiques.]1
  
Art. 157/5. [1 Het lessenrooster van structuuronderdelen omvat basisvorming. In afwijking daarvan komt in het derde leerjaar van de derde graad basisvorming alleen voor in het lessenrooster van de studierichting die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.
   De eindtermen die voor een structuuronderdeel toepasbaar zijn en de ontwikkelingsdoelen die voor het onthaaljaar toepasbaar zijn, vormen de basisvorming.
   Het aantal lesuren basisvorming in de eerste graad bedraagt ten minste:
   1° 27 in het eerste leerjaar A;
   2° 27 in het eerste leerjaar B;
   3° 25 in het tweede leerjaar A;
   4° 20 in het tweede leerjaar B.
   In de basisvorming zijn in elk geval de volgende vakken opgenomen:
   1° in het officieel onderwijs: godsdienst of niet-confessionele zedenleer;
   2° in het vrij onderwijs: godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie.
   De basisvorming van het onthaaljaar bestaat alleen uit de vakken, vermeld in het vierde lid, en het vak Nederlands voor nieuwkomers.]1

  
Art. 157/5. [1 L'horaire des cours des subdivisions structurelles comprend la formation de base. Par dérogation, en troisième année d'études du troisième degré, la formation de base ne se présente que dans l'horaire des cours de l'orientation d'études qui mène à un diplôme donnant accès à une formation de bachelor.
   Les objectifs finaux applicables à une subdivision structurelle et les objectifs de développement applicables à l'année d'accueil forment la formation de base.
   Le nombre d'heures de cours de la formation de base dans le premier degré est d'au moins :
   1° 27 dans la première année d'études A ;
   2° 27 dans la première année d'études B ;
   3° 25 dans la deuxième année d'études A ;
   4° 20 dans la deuxième année d'études B.
   Dans la formation de base sont en tout cas repris les cours suivants :
   1° dans l'enseignement officiel : religion ou morale non confessionnelle ;
   2° dans l'enseignement libre : religion, morale non confessionnelle, formation culturelle ou propre culture et religion.
   La formation de base de l'année d'accueil se compose uniquement des cours visés à l'alinéa 4 et le cours de néerlandais pour primo-arrivants.]1

  
Art. 157/6. [1 Het lessenrooster van het tweede leerjaar A omvat vijf lesuren basisoptie desgevallend ingevuld via pakket.
   Het lessenrooster van het tweede leerjaar B omvat tien lesuren basisoptie of basisopties, desgevallend ingevuld via pakketten.
   De delibererende klassenraad in het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B kan beslissen om de leerling in het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B remediëring op te leggen of de leerling van de toegang tot een of meer basisopties of pakketten van de basisopties van het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B uit te sluiten.]1

  
Art. 157/6. [1 L'horaire des cours de la deuxième année d'études A comprend cinq heures de cours de l'option de base, le cas échéant, via un ensemble de cours.
   L'horaire des cours de la deuxième année d'études B comprend dix heures de cours de l'option de base ou des options de base, le cas échéant, via des ensembles de cours.
   Le conseil de classe délibérant dans la deuxième année d'études A et la deuxième année d'études B peut décider d'imposer une remédiation à l'élève de la deuxième année d'études A ou de la deuxième année d'études B ou d'exclure l'élève de l'accès à une ou plusieurs options de base ou d'ensembles d'options de base de la deuxième année d'études A ou de la deuxième année d'études B.]1

  
Art. 157/7. [1 Het lessenrooster van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming, ten minste vijf lesuren differentiatie.
   Het lessenrooster van het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming en de lesuren basisoptie, ten minste twee lesuren differentiatie.
   De lesuren differentiatie kunnen worden ingevuld als een remediëring van onderdelen van de basisvorming of als een verdieping of verbreding in vakken die zijn vastgelegd ter uitvoering van artikel 157/4. De school biedt ten minste twee verdiepende of verbredende differentiatiepakketten aan waaruit de leerlingen kunnen kiezen en ook de remediërende differentiatiepakketten waaraan de leerlingen behoefte hebben. Leerlingen zijn altijd verplicht om de remediërende pakketten te volgen die de klassenraad oplegt. De lesuren differentiatie kunnen evenwel nooit volledig aan remediëring worden besteed.]1

  
Art. 157/7. [1 L'horaire des cours de la première année d'études A et de la première année d'études B comprend, outre les heures de cours de la formation de base, au moins cinq heures de cours de différenciation.
   L'horaire des cours de la deuxième année d'études A et de la deuxième année d'études B comprend, outre les heures de cours de la formation de base et les heures de cours de l'option de base, au moins deux heures de cours de différenciation.
   Les heures de cours de différenciation peuvent être conçues comme une remédiation de parties de la formation de base ou comme un approfondissement ou élargissement de cours établis en exécution de l'article 157/4. L'école offre au moins deux ensembles de différenciation d'approfondissement ou d'élargissement parmi lesquels les élèves peuvent choisir, ainsi que les ensembles de différenciation de remédiation dont les élèves ont besoin. Les élèves sont toujours obligés de suivre les ensembles de remédiation imposés par le conseil de classe. Les heures de cours de différenciation ne peuvent cependant jamais être affectées uniquement à la remédiation.]1

  
Art. 157/7/1. [1 Werkplekleren voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° het omvat leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is en leerlingen al dan niet deelnemen aan het arbeidsproces;
   2° het vindt plaats in een bedrijf of organisatie en niet op een vestigingsplaats van de school;
   3° de leerlingen zijn fysiek aanwezig in het bedrijf of de organisatie, vermeld in punt 2°.
   De structuuronderdelen van de leerjaren van de derde graad, vermeld in het derde lid, bevatten een component werkplekleren die, omgerekend naar schooljaarbasis, overeenkomt met minimaal achttien halve, al dan niet opeenvolgende, lesdagen.
   Het werkplekleren wordt georganiseerd:
   1° in de vorm van een leerlingenstage: in het tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs van de arbeidsmarktfinaliteit en in alle 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt;
   2° al dan niet in de vorm van een leerlingenstage: in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs van de dubbele finaliteit en in het eerste leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs van de arbeidsmarktfinaliteit.
   Met toepassing van artikel 157/4 wordt alleen in geval van een leerlingenstage het werkplekleren expliciet op het lessenrooster aangeduid.
   Dit artikel is niet van toepassing op aanloop- en duale structuuronderdelen.]1

  
Art. 157/7/1. [1 L'apprentissage sur le lieu de travail répond aux conditions suivantes :
   1° il comprend des activités d'apprentissage visant l'acquisition de compétences générales ou professionnelles, où la situation de travail est l'environnement d'apprentissage et les élèves participent ou non au processus du travail ;
   2° il a lieu dans une entreprise ou une organisation et non pas dans une implantation de l'école ;
   3° les élèves sont physiquement présents dans l'entreprise ou l'organisation visée au point 2°.
   Les subdivisions structurelles des années d'études du troisième degré, visées à l'alinéa 3, comprennent une composante apprentissage sur le lieu de travail qui, sur la base de l'année scolaire, correspond à au moins dix-huit demi-jours de classe, consécutifs ou non.
   L'apprentissage sur le lieu de travail est organisé :
   1° sous forme d'un stage d'élève ; dans la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel de la finalité marché du travail et dans toutes les 7es années d'études préparatoires à l'entrée sur le marché du travail ;
   2° sous forme d'un stage d'élève ou non : dans la première et deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique de la double finalité et dans la première année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel de la finalité marché du travail.
   En application de l'article 157/4, l'apprentissage sur le lieu de travail n'est indiqué explicitement sur l'horaire des cours qu'en cas d'un stage d'élève.
   Le présent article ne s'applique pas aux subdivisions structurelles de démarrage et duales.]1

  
Art. 157/8. [1 In elk structuuronderdeel kunnen, buiten het lessenrooster, facultatieve inhaallessen worden georganiseerd.]1
  
Art. 157/8. [1 Dans chaque subdivision structurelle, des cours de rattrapage facultatifs peuvent être organisés en dehors de l'horaire des cours.]1
  
Afdeling 4/2. [1 - CLIL (Content and Language Integrated Learning)]1
Section 4/2. [1 - Enseignement d'une Matière par l'Intégration d'une Langue Etrangère (EMILE)]1
Art. 157/9. [1 Het wekelijkse lessenrooster kan, de lesuren moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20% worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits onder de volgende voorwaarden:
   1° de leerling heeft de mogelijkheid om in de school het niet-taalonderricht in het Nederlands te volgen;
   2° de leerling kan CLIL alleen volgen als de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgen en als de toelatingsklassenraad een positief advies heeft gegeven, waaruit minstens blijkt dat de leerling voldoende kennis en beheersing van de onderwijstaal heeft;
   3° het aanbod voldoet aan de kwaliteitsstandaard die de Vlaamse Regering bepaalt en die alleen voorwaarden omvat op het vlak van:
   a) de competenties en vorming van de personeelsleden die de lessen zullen geven op het vlak van de CLIL-methodiek in relatie tot de leerinhouden in kwestie;
   b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;
   c) tijdige communicatie met de betrokken personen en leerlingen met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;
   d) de inpassing van het aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als voor vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;
   e) de monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in de leerinhouden in kwestie in de doeltaal en in het Standaardnederlands;
   f) de te volgen stappen voor een school die een CLIL-project wil organiseren, namelijk: beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren;
   4° de school kan het aanbod alleen effectief organiseren als ze beschikt over personeelsleden die op het ogenblik van de organisatie beantwoorden aan de voorwaarden van punt 3°, a) en b). Daarbij houdt ze rekening met de rechten van de personeelsleden die vastbenoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in het vak dat ze wil aanbieden in het Frans, Engels of Duits. Om het aanbod te organiseren, mag de school een personeelslid dat vastbenoemd is voor het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden, niet ter beschikking stellen wegens ontstentenis van betrekking voor dat vak. De school mag ook de opdracht van een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld in het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden, voor dat vak niet verminderen of beëindigen om het aanbod te organiseren. Dat laatste geldt niet als het tijdelijke personeelslid wel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt 3°, a) en b), maar het aanbod om het vak in het Frans, Engels of Duits te geven, weigert;
   5° de school zorgt ervoor dat de kennis van de onderwijstaal bij de leerlingen prioritair blijft en dat het Nederlandstalige karakter van de school behouden blijft;
   6° voorafgaand wordt een plan opgemaakt dat de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap heeft goedgekeurd.]1

  
Art. 157/9. [1 20% au maximum de l'horaire des cours hebdomadaire, les cours de langues étrangères modernes non compris, peut être offert en langue française, anglaise ou allemande aux conditions suivantes :
   1° l'élève a la possibilité de suivre tous les cours non linguistiques en néerlandais dans l'école ;
   2° l'élève ne peut suivre un enseignement EMILE que lorsque les personnes concernées choisissent explicitement par écrit de suivre un parcours EMILE pendant toute l'année scolaire et si le conseil de classe d'admission a donné un avis positif dont apparaît au moins que l'élève a une connaissance et maîtrise suffisantes de la langue d'enseignement ;
   3° l'offre satisfait à la norme de qualité déterminée par le Gouvernement flamand et comprend uniquement des conditions dans le domaine :
   a) des compétences et de la formation du personnel qui dispensera ces cours dans le domaine de la méthodologie EMILE en relation avec le contenus didactiques en question ;
   b) de la connaissance exigée de la langue cible des membres du personnel ;
   c) d'une communication ponctuelle avec les personnes concernées et les élèves, tout en proposant le choix explicite entre EMILE ou non-EMILE ;
   d) de l'intégration de cette offre dans une politique linguistique cohérente tant pour la langue d'enseignement que pour les langues étrangères, avec une formulation d'objectifs stratégiques explicites ;
   e) du monitoring des résultats et des gains d'apprentissage des élèves dans les contenus didactiques dans la langue cible et en néerlandais standard ;
   f) des démarches à suivre par une école souhaitant organiser un projet EMILE, notamment l'analyse de la situation initiale, la communication, la formulation des objectifs, la rédaction et mise en oeuvre d'un plan d'action ;
   4° l'école ne peut effectivement organiser l'offre que si elle dispose de membres du personnel qui remplissent les conditions du point 3°, a) et b) au moment de l'organisation. Elle devra tenir compte des droits des membres du personnel nommés à titre définitif ou désignés temporairement à durée indéterminée dans le cours qu'elle entend offrir en langue française, anglaise ou allemande. Pour organiser l'offre, l'école ne peut pas mettre un membre du personnel nommé à titre définitif pour le cours qu'elle entend offrir en français, en anglais ou en allemand, en disponibilité par défaut d'emploi pour le cours en question. L'école n'est pas autorisée à réduire ou mettre fin pour ce cours à la charge d'un membre du personnel temporaire désigné à durée indéterminée au cours qu'elle souhaite offrir en français, anglais ou allemand afin d'organiser l'offre. Cette règle ne s'applique pas si le membre du personnel temporaire remplit les conditions visées au point 3°, a) et b), mais refuse néanmoins l'offre d'enseigner le cours en français, anglais ou allemand ;
   5° l'école veille à ce que la connaissance de la langue d'enseignement reste prioritaire et à ce que le caractère néerlandophone de l'école soit maintenu ;
   6° il est élaboré au préalable un plan que le service compétent de la Communauté flamande approuve.]1

  
Afdeling 5.
Section 5.
Afdeling 6.
Section 6.
Hoofdstuk 1/1. [1 Structuur, organisatie en kwaliteit van het hoger beroepsonderwijs in scholen voor voltijds secundair onderwijs]1
CHAPITRE 1/1. [1 Structure, organisation et qualité de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 dans les écoles d'enseignement secondaire à temps plein ]1
Art. 168/3. [1 Ї 1. Hoger beroepsonderwijs dat wordt ingericht door scholen voor voltijds secundair onderwijs:
   1А wordt enerzijds georganiseerd overeenkomstig deze codex, en anderzijds overeenkomstig de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
   2А is beroepsgericht onderwijs;
   3А omvat de opleidingen Basisverpleegkunde en Verpleegkunde;
   4А leidt tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5, die bestaat uit minstens щщn erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5;
   5А wordt bekrachtigd met een diploma van gegradueerde.
   Ї 2. Met ingang van het schooljaar 2023-2024 wordt in het hoger beroepsonderwijs de opleiding Basisverpleegkunde progressief, leerjaar per leerjaar, uitgebouwd.
   De opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs kan alleen worden ingericht door de scholen voor voltijds secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2022-2023 de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs hebben ingericht.
  [2 Uitsluitend voor cursisten en studenten die uiterlijk in het schooljaar 2022-2023 al in een opleiding Verpleegkunde waren ingeschreven, wordt de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs:
   1А vanaf het schooljaar 2023-2024 en tot en met het einde van het schooljaar 2025-2026 in een uitdoofscenario door elke school georganiseerd;
   2А vanaf het schooljaar 2026-2027 en tot en met het einde van het schooljaar 2027-2028 in een uitdoofscenario door щщn school per provincie georganiseerd. De samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel II.397 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wijzen die scholen in onderling overleg aan.
  De cursisten en studenten, vermeld in het derde lid, hebben het recht om in de periode in kwestie de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs te voltooien, tenzij ze hun opleiding gedurende minstens een volledig schooljaar onderbreken.]2
.
   Ї 3. De organisatie van de opleidingen, vermeld in paragraaf 1, is gebaseerd op een samenwerkingsverband tussen щщn hogeschool met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding Verpleegkunde, en een of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs. De organisatie en de opdrachten van het samenwerkingsverband worden geregeld conform artikel II.397 en artikel II.398 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.]1

  
Art. 168/3. [1 § 1er. L'enseignement supérieur professionnel HBO-5 organisé par des écoles d'enseignement secondaire à temps plein :
   1° est organisé d'une part conformément au présent Code, et d'autre part conformément aux dispositions du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;
   2° est un enseignement à orientation professionnelle ;
   3° comprend les formations de Soins infirmiers de base et la formation de Nursing ;
   4° conduit à une qualification d'enseignement reconnue du niveau de certification 5 comportant au moins une qualification professionnelle du niveau de certification 5 ;
   5° est sanctionnée par un diplôme de gradué.
   § 2. A partir de l'année scolaire 2023-2024, la formation de Soins infirmiers de base est développée progressivement dans l'enseignement supérieur professionnel HBO-5, année d'études par année d'études.
   La formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 peut uniquement être organisée par les écoles d'enseignement secondaire à temps plein qui ont organisé la formation de Nursing de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 pendant l'année scolaire 2022-2023.
  [2 Uniquement pour les apprenants et les étudiants qui étaient déjà inscrits dans une formation Soins infirmiers au plus tard pendant l'année scolaire 2022-2023, la formation Soins infirmiers de l'enseignement supérieur professionnel HBO5 :
   1° est organisée par chaque école dans un scénario d'extinction à partir de l'année scolaire 2023-2024 et jusqu'à la fin de l'année scolaire 2025-2026 ;
   2° est organisée par une seule école par province dans un scénario d'extinction à partir de l'année scolaire 2026-2027 et jusqu'à la fin de l'année scolaire 2027-2028. Les partenariats, visés à l'article II.397 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, désignent ces écoles d'un commun accord.]2
.
  [2 Les apprenants et les étudiants visés à l'alinéa 3, ont le droit d'achever la formation Soins infirmiers de l'enseignement supérieur professionnel HBO5 dans la période concernée, à moins qu'ils n'interrompent leur formation pendant au moins une année scolaire complète. ]2
   § 3. L'organisation des formations visées au paragraphe 1er est basée sur une structure de coopération entre un seul institut supérieur ayant la compétence d'enseignement pour la formation de bachelier en nursing et une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire à temps plein. L'organisation et les missions de la structure de coopération sont réglées conformément à l'article II.397 et à l'article II.398 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013. ]1

  
Art. 168/4. [1 Ї 1. [2 De opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs heeft een studieomvang van 180 studiepunten, waarbij een studiepunt een binnen de Vlaamse Gemeenschap aanvaarde internationale eenheid is die overeenstemt met ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten. Die studiepunten drukken de studiebelasting voor de cursist uit, zowel binnen en buiten de school, als binnen en buiten de lesuren.
  [3 De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt experimenteel georganiseerd op basis van een modulaire structuur, een duurtijd en volgorde van modules, en competenties die de Vlaamse Regering bepaalt]3.
   Het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband bepalen voor de opleiding Basisverpleegkunde gezamenlijk het opleidingsprogramma, dat bestaat uit een samenhangend geheel van opleidingsonderdelen, rekening houdend met de volgende voorwaarden:
   1А de standaard duurtijd van de opleiding is drie jaar, verdeeld over zes semesters;
   2А de opleiding omvat ten minste 3800 uren theoretisch en klinisch onderwijs, die als volgt worden verdeeld:
   a) minimaal 1900 uur klinisch onderwijs. Daarvan kan maximaal 20 procent uit simulatieonderwijs bestaan, meer bepaald onderwijs in basisverpleegkundige handelingen in niet-levensechte situaties;
   b) minimaal 1900 uur theoretisch onderwijs. Daarvan kan maximaal 60 procent worden georganiseerd als interactief afstandsonderwijs en met inachtneming van de bepalingen van deel III, titel 2, hoofdstuk 4/1, artikel 122/2, derde lid, 122/3, 122/4 en 122/5;
   3А de studieomvang van elk opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt in gehele studiepunten, met een minimum van 3 studiepunten;
   4А de opleiding omvat stages in ten minste:
   c) de volgende domeinen:
   1) heelkunde;
   2) geneeskunde;
   3) ouderenzorg;
   4) geestelijke gezondheidszorg;
   5) eerstelijnszorg;
   d) de volgende settings:
   1) een ziekenhuis;
   2) een andere al dan niet residentiыle setting;
   5А het opleidingsprogramma is gebaseerd op de gevalideerde domeinspecifieke leerresultaten van het graduaat in de basisverpleegkunde, omschreven in en ontwikkeld volgens de procedure, vermeld in artikel 15/2 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, en in voorkomend geval de schooleigen opleidingsspecifieke leerresultaten;
   6А de opleiding voldoet aan:
   a) de bepalingen die de toegang reguleren tot de titel van basisverpleegkundige, vermeld in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoіrdineerd op 10 mei 2015;
   b) het Koninklijk besluit van 20 september 2023 bepalende de lijst van de verpleegkundige technische verstrekkingen betreffende de basisverpleegkundige, alsmede hun uitoefeningsvoorwaarden;
   c) wat de eerste 60 studiepunten betreft, het koninklijk besluit van 12 januari 2006 tot vaststelling van de verpleegkundige activiteiten die de zorgkundigen mogen uitvoeren en de voorwaarden waaronder de zorgkundigen deze handelingen mogen stellen.
   In afwijking van het derde lid, 1А tot en met 5А, bestaat bij wijze van uitdoofscenario voor de cursisten die de opleiding zijn gestart tijdens de schooljaren 2023-2024 of 2024-2025, tijdens de schooljaren 2023-2024 tot en met 2026-2027 het opleidingsprogramma van de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs uit het modulaire opleidingsprogramma van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 houdende organisatie van het experimenteel voltijds gewoon secundair onderwijs volgens een modulair stelsel. Het schoolbestuur oriыnteert zich evenwel maximaal naar de bepalingen van het derde lid, en is daartoe gemachtigd om voor de opleiding Basisverpleegkunde af te wijken van de leerinhouden van het voormelde besluit. Voor de cursisten in dat uitdoofscenario is artikel 253/62, Ї 2, van toepassing.]2
.
   Ї 2. De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs heeft een duurtijd van drie jaar, verdeeld over zes semesters, en kan starten op 1 september of op 1 februari.
   De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt experimenteel modulair georganiseerd als vermeld in artikel 159 en 160.
   Met inachtneming van de voorwaarde voor de studieomvang, vermeld in richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, legt de school, buiten de wekelijkse lessentabel, aan de cursisten Verpleegkunde gedurende de volledige duur van de opleiding en naar rata van ten minste vier wekelijkse lestijden, opleidingsgebonden persoonlijke activiteiten op. De klassenraad beslist autonoom over de vorm en de inhoud van die activiteiten. De resultaten van de door de cursist uitgevoerde activiteiten worden in aanmerking genomen bij evaluatie door de klassenraad.]1

  
Art. 168/4. [1 § 1er. [2 La formation Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO5 a un volume d'études de 180 crédits, un crédit étant une unité internationale acceptée au sein de la Communauté flamande correspondant à au moins 25 et au maximum 30 heures d'activités d'enseignement, d'apprentissage et d'évaluation prescrites. Ces crédits expriment la charge d'étude pour l'apprenant, à l'intérieur comme à l'extérieur de l'école, pendant et en dehors des heures de cours.
   La formation Soins infirmiers de base conduit au titre d'infirmier de base, visé dans la loi relative à l'exercice des professions des soins de santé, coordonnée le 10 mai 2015. La formation commence le premier jour de classe en septembre ou le premier jour de classe en février. Le conseil de classe décide de l'admission d'un apprenant après la date de début.
   L'autorité de la haute école et l'autorité de l'école secondaire en question du partenariat déterminent conjointement le programme de formation pour la formation Soins infirmiers de base, qui comprend un ensemble cohérent de subdivisions de formation, en tenant compte des conditions suivantes :
   1° la formation a une durée standard de trois ans, répartie sur six semestres ;
   2° la formation comprend au moins 3 800 heures d'enseignement théorique et clinique, réparties comme suit :
   a) au minimum 1 900 heures d'enseignement clinique, dont au maximum 20 pour cent peut consister en l'enseignement par simulation, plus précisément en une formation aux actes infirmiers de base dans des situations non réelles ;
   b) au minimum 1 900 heures d'enseignement théorique, dont au maximum 60 pour cent peut être organisé sous forme d'enseignement interactif à distance, et dans le respect des dispositions de la partie III, titre 2, chapitre 4/1, article 122/2, alinéa 3, articles 122/3, 122/4 et 122/5 ;
   3° le volume d'études de chaque subdivision de formation est exprimé en crédits entiers, avec un minimum de 3 crédits ;
   4° la formation comprend des stages, au moins
   c) dans les domaines suivants :
   1) chirurgie ;
   2) médecine ;
   3) soins aux personnes âgées ;
   4) soins de santé mentale ;
   5) soins de première ligne ;
   d) dans les cadres suivants :
   1) un hôpital ;
   2) un autre cadre résidentiel ou non ;
   5° le programme de formation est basé sur les acquis d'apprentissage validés, spécifiques au domaine, du graduat en soins infirmiers de base, décrits dans et développés selon la procédure visée à l'article 15/2 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications, et le cas échéant, les acquis d'apprentissage spécifiques à la formation et propres à l'école ;
   6° la formation répond :
   a) aux dispositions réglementant l'accès au titre d'infirmier de base, visé dans la loi relative à l'exercice des professions des soins de santé, coordonnée le 10 mai 2015 ;
   b) à l'arrêté royal du 20 septembre 2023 fixant la liste des prestations techniques de l'art infirmier relative à l'assistant en soins infirmiers, ainsi que leurs conditions d'exercice ;
   c) en ce qui concerne les 60 premiers crédits, à l'arrêté royal du 12 janvier 2006 fixant les activités infirmières qui peuvent être effectuées par des aides-soignants et les conditions dans lesquelles ces aides-soignants peuvent poser ces actes.
   Par dérogation à l'alinéa 3, 1° à 5°, pour les apprenants qui ont commencé la formation au cours des années scolaires 2023-2024 ou 2024-2025, au cours des années scolaires 2023-2024 à 2026-2027 incluses, par voie de scénario d'extinction, le programme de formation de la formation Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO5 est constitué du programme de formation modulaire de la formation Soins infirmiers de l'enseignement supérieur professionnel HBO5, fixé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 portant organisation de l'enseignement secondaire ordinaire expérimental à temps plein suivant un régime modulaire. L'autorité scolaire s'oriente toutefois au maximum sur les dispositions de l'alinéa 3, et est autorisée à cet effet à déroger aux contenus didactiques de l'arrêté précité pour la formation Soins infirmiers de base. Pour les apprenants dans ce scénario d'extinction, l'article 253/62, § 2, s'applique.]2

   § 2. La formation de nursing de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 a une durée de trois ans, répartie sur 6 semestres, et peut débuter soit le 1er septembre, soit le 1er février.
  [3 La formation en Art. infirmier de l'enseignement supérieur professionnel est organisée de façon expérimentale sur la base d'une structure modulaire, d'une durée et d'un ordre de modules, et des compétences que le Gouvernement flamand détermine]3.
   Moyennant le respect de la condition en matière de volume des études visée dans la Directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles, l'école impose aux apprenants de la formation de nursing, en dehors de la grille horaire hebdomadaire, des activités personnelles liées à la formation, pendant toute la durée de la formation et au prorata d'au moins 4 périodes hebdomadaires. Le conseil de classe statue de manière autonome sur la forme et le contenu de ces activités. Les résultats des activités exécutées par l'apprenant sont pris en considération lors de son évaluation par le conseil de classe. ]1

  
Art. 168/5. [1 Ї 1. Onverminderd de overige opdrachten die ingevolge deel II, titel IV, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs aan de onderwijsinspectie zijn toegekend, beoordeelt de onderwijsinspectie in samenwerking met de accreditatieorganisatie, vermeld in artikel II.26 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, de kwaliteit van de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door het samenwerkingsverband, vermeld in artikel II.397 van dezelfde codex.
   Ї 2. Voor de opleiding Basisverpleegkunde gelden de volgende kwaliteitsverwachtingen:
   1А de leerresultaten van de opleiding, gebaseerd op de niveaudescriptoren, vermeld in artikel II.141 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, vormen een heldere en opleidingsspecifieke invulling van de internationale eisen voor het niveau, de inhoud en de oriыntatie;
   2А het curriculum van de opleiding sluit aan bij de meest recente ontwikkelingen in het vakgebied, houdt rekening met de ontwikkelingen in het werkveld en is maatschappelijk relevant;
   3А de voor de opleiding ingezette leraren bieden de cursisten optimaal de mogelijkheid om de leerresultaten te behalen;
   4А de opleiding biedt cursisten adequate en gemakkelijk toegankelijke voorzieningen en studiebegeleiding;
   5А de onderwijsleeromgeving stimuleert de cursisten om een actieve rol te spelen in het leerproces en draagt bij tot een vlotte studievoortgang;
   6А de beoordeling van cursisten weerspiegelt het leerproces en concretiseert de beoogde leerresultaten;
   7А de opleiding verstrekt volledige en gemakkelijk leesbare informatie over alle fasen van de studieloopbaan;
   8А de informatie over de kwaliteit van de opleiding is publiek toegankelijk.
   De opleiding leeft de onderwijsreglementering en, in voorkomend geval, andere relevante regelgeving na.
   De Vlaamse Regering legt uiterlijk op 1 juni 2024 na een, eventueel, gezamenlijk advies van de onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie, een beoordelingskader vast waarin volgende elementen worden bepaald:
   1А de wijze waarop de elementen, vermeld in het eerste en het tweede lid, getoetst zullen worden;
   2А de beoordelingsschaal en de beslisregels;
   3А de stappen in het beoordelingsproces;
   4А de vorm en de inhoud van het opleidingsdossier.
   Het beoordelingskader, vermeld in het derde lid, vervangt het beoordelingskader dat de Vlaamse Regering heeft goedgekeurd met toepassing van artikel II.398, derde en vierde lid, van de Codex Hoger Onderwijs.
   De kwaliteitsverwachtingen en de vigerende regelgeving, vermeld in het eerste en tweede lid, en het beoordelingskader, vermeld in het derde lid, vormen de basis voor het advies en het besluit met betrekking tot de erkenning, vermeld in paragraaf 3, respectievelijk met betrekking tot het beoordelingsrapport en het accreditatiebesluit, vermeld in paragraaf 5.
   Ї 3. Voor de omvorming van de opleiding Verpleegkunde tot de opleiding Basisverpleegkunde bezorgt het samenwerkingsverband uiterlijk op 1 januari 2025 een opleidingsdossier per school aan de onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie. De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie onderzoeken gezamenlijk de potentiыle kwaliteit van de opleiding Basisverpleegkunde van een samenwerkingsverband op basis van dat opleidingsdossier. De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie kunnen aanvullende informatie opvragen aan het samenwerkingsverband.
   De accreditatieorganisatie stelt het team samen dat de potentiыle kwaliteit van de opleiding Basisverpleegkunde onderzoekt. Dat team bestaat in elk geval uit twee leden van de onderwijsinspectie en een cursist die de opleiding Basisverpleegkunde volgt in een andere school dan de secundaire school in kwestie. De overige leden van dat team zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben ten minste vijf jaar geen banden gehad met de hogeschool en de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband. Ten minste een lid van het team beschikt over een grondige kennis van het Vlaamse hoger onderwijs en ten minste een lid is werkzaam buiten Vlaanderen.
   Het onderzoek, vermeld in het eerste lid, resulteert in щщn schriftelijk verslag en щщn advies per school aan de Vlaamse Regering. Het verslag bevat een onderbouwing van het advies. De mogelijke adviezen zijn:
   1А gunstig advies: dat advies wordt gegeven als het opleidingsdossier voor alle studiejaren volledig is uitgewerkt en aan de kwaliteitsverwachtingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de vigerende regelgeving beantwoordt;
   2А gunstig advies met een beperkte geldigheidsduur van щщn schooljaar: dat advies wordt gegeven als het opleidingsdossier onvolledig is, of niet of onvoldoende aan de kwaliteitsverwachtingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de vigerende regelgeving beantwoordt.
   De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie brengen gezamenlijk het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband op de hoogte van het verslag en het advies. Het verslag en het advies worden uiterlijk op 1 juni 2025 bezorgd aan de Vlaamse Regering, die beslist of de opleiding Basisverpleegkunde hetzij tot en met het schooljaar 2029-2030 wordt erkend, hetzij alleen voor het schooljaar 2025-2026 wordt erkend, met vermelding van de elementen die opnieuw beoordeeld moeten worden.
   Bij een erkenning met een beperkte geldigheidsduur voor het schooljaar 2025-2026 bezorgt het samenwerkingsverband uiterlijk op 1 januari 2026 een opleidingsdossier aan de onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie over de elementen die opnieuw beoordeeld moeten worden. De mogelijke adviezen over de elementen die een nieuwe beoordeling vereisten, zijn die, vermeld in het derde lid.
   De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie brengen gezamenlijk het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband op de hoogte van het verslag en het advies. Het verslag en het advies over de elementen die een nieuwe beoordeling vereisen, worden uiterlijk op 1 juni 2026 aan de Vlaamse Regering bezorgd, die beslist of de opleiding Basisverpleegkunde hetzij tot en met het schooljaar 2029-2030 wordt erkend, hetzij alleen voor het schooljaar 2026-2027 wordt erkend, met vermelding van de elementen die opnieuw beoordeeld moeten worden.
   Bij een erkenning met een beperkte geldigheidsduur voor het schooljaar 2026-2027 bezorgt het samenwerkingsverband uiterlijk op 1 januari 2027 een opleidingsdossier aan de onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie over de elementen die opnieuw beoordeeld moeten worden. De mogelijke adviezen over de elementen die een nieuwe beoordeling vereisen, zijn:
   1А gunstig advies: dat advies wordt gegeven als het opleidingsdossier voor alle studiejaren volledig is uitgewerkt en aan de kwaliteitsverwachtingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de vigerende regelgeving beantwoordt;
   2А ongunstig advies: dat advies wordt gegeven als het opleidingsdossier onvolledig is, of niet of onvoldoende aan de kwaliteitsverwachtingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de vigerende regelgeving beantwoordt.
   De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie brengen gezamenlijk het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband op de hoogte van het verslag en het advies. Het verslag en het advies over de elementen die een nieuwe beoordeling vereisen, worden uiterlijk op 1 juni 2027 bezorgd aan de Vlaamse Regering, die beslist of de opleiding Basisverpleegkunde hetzij wordt erkend tot en met het schooljaar 2029-2030, hetzij definitief niet wordt erkend.
   Ї 4. De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie organiseren in de loop van de kalenderjaren 2027 en 2028 ten minste щщn voortgangsbezoek in elk samenwerkingsverband.
   Ї 5. Uiterlijk op 31 oktober 2029 dient het samenwerkingsverband een accreditatieaanvraag in bij de accreditatieorganisatie.
   De accreditatieorganisatie stelt de commissie samen die de beoordeling van de kwaliteit van de opleiding Basisverpleegkunde uitvoert en coіrdineert het beoordelingsproces. Het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband hebben het recht om beargumenteerd bezwaren aan te dragen tegen de samenstelling van de commissie binnen een vervaltermijn van vijftien dagen vanaf de dag van de ontvangst van de mededeling van de accreditatieorganisatie.
   In de commissie, vermeld in het tweede lid, zitten in elk geval twee leden van de onderwijsinspectie en een cursist basisverpleegkunde van een andere school dan de secundaire school in kwestie. De overige leden van de commissie zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben ten minste vijf jaar geen banden gehad met de hogeschool en de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband. Ten minste een lid heeft grondige kennis van het Vlaamse hoger onderwijs en ten minste een lid is werkzaam buiten Vlaanderen.
   Het onderzoek, vermeld in het tweede lid, resulteert in een beoordelingsrapport. Op basis van dat beoordelingsrapport maakt de accreditatieorganisatie een accreditatiebesluit op. De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie kunnen voor het ontwerp van beoordelingsrapport en besluit worden verzonden, het samenwerkingsverband om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen.
   De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie bezorgen een ontwerp van accreditatiebesluit en het onderliggende beoordelingsrapport aan het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband. Die besturen kunnen gezamenlijk binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het ontwerp, bezwaren en opmerkingen formuleren.
   Het beoordelingsrapport en het accreditatiebesluit worden uiterlijk op 1 juni 2030 aan het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband bezorgd.
   De volgende besluiten zijn mogelijk:
   1А gunstig;
   2А ongunstig;
   3А gunstig met voorwaarden en met een beperkte geldigheidsduur van щщn of twee schooljaren.
   Een gunstig accreditatiebesluit heeft een geldigheidsduur van vijf schooljaren. Uiterlijk op 31 oktober van het vijfde schooljaar dient het samenwerkingsverband telkens opnieuw een accreditatieaanvraag in bij de accreditatieorganisatie.
   Voor een gunstig accreditatiebesluit met voorwaarden en met een beperkte geldigheidsduur wordt uiterlijk op 31 oktober van het laatste accreditatieschooljaar een nieuwe accreditatieaanvraag bij de accreditatieorganisatie ingediend.]1

  
Art. 168/5. [1 § 1er. Sans préjudice des autres missions attribuées à l'inspection de l'enseignement conformément à la partie II, titre IV, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'inspection de l'enseignement évalue en coopération avec l'organisation d'accréditation, visée à l'article II.26 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, la qualité de la formation Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO5 qui est organisée par le partenariat, visé à l'article II.397 du même Code.
   § 2. Les attentes en termes de qualité suivantes s'appliquent à la formation Soins infirmiers de base :
   1° les acquis d'apprentissage de la formation, basés sur les descripteurs de niveau, visés à l'article II.141 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, constituent une concrétisation claire et spécifique à la formation des exigences internationales relatives au niveau, au contenu et à l'orientation ;
   2° le curriculum de la formation est conforme aux plus récents développements dans la discipline, tient compte des développements sur le terrain et est socialement pertinent ;
   3° les enseignants employés pour délivrer la formation offrent aux apprenants la meilleure opportunité possible pour atteindre les acquis d'apprentissage ;
   4° la formation offre aux apprenants des services et un encadrement des études adéquats et facilement accessibles ;
   5° l'environnement d'apprentissage et d'enseignement encourage les apprenants à jouer un rôle actif dans le processus d'apprentissage et contribue au bon déroulement des études ;
   6° l'évaluation des apprenants reflète le processus d'apprentissage et concrétise les acquis d'apprentissage escomptés ;
   7° la formation fournit des informations complètes et facilement lisibles sur toutes les phases de la carrière d'études ;
   8° l'information sur la qualité de la formation est mise à la disposition du public.
   La formation respecte la réglementation relative à l'enseignement et, le cas échéant, d'autres réglementations pertinentes.
   Au plus tard le 1er juin 2024, le Gouvernement flamand arrête, après un avis conjoint éventuel de l'inspection de l'enseignement et de l'organisation d'accréditation, un cadre d'évaluation déterminant les éléments suivants :
   1° la manière dont les éléments visés aux alinéas 1er et 2 seront évaluées ;
   2° l'échelle d'évaluation et les règles décisionnelles ;
   3° les étapes du processus d'évaluation ;
   4° la forme et le contenu du dossier de formation.
   Le cadre d'évaluation, visé à l'alinéa 3, remplace le cadre d'évaluation que le Gouvernement flamand a approuvé en application de l'article II.398, alinéas 3 et 4, du Code de l'Enseignement supérieur.
   Les attentes en termes de qualité et la réglementation en vigueur, visées aux alinéas 1er et 2, et le cadre d'évaluation, visé à l'alinéa 3, constituent la base de l'avis et de la décision relative à l'agrément, visée au paragraphe 3, respectivement relative au rapport d'évaluation et à la décision d'accréditation, visée au paragraphe 5.
   § 3. Pour la transformation de la formation Soins infirmiers en la formation Soins infirmiers de base le partenariat fournit un dossier de formation par école à l'inspection de l'enseignement et à l'organisation d'accréditation, au plus tard le 1er janvier 2025. L'inspection de l'enseignement et l'organisation d'accréditation examinent conjointement la qualité potentielle de la formation Soins infirmiers de base d'un partenariat sur la base de ce dossier de formation. L'inspection de l'enseignement et l'organisation d'accréditation peuvent demander au partenariat des informations complémentaires.
   L'organisation d'accréditation compose l'équipe qui examinera la qualité potentielle de la formation Soins infirmiers de base. Cette équipe se compose en tout cas de deux membres de l'inspection de l'enseignement et d'un apprenant qui suit la formation Soins infirmiers de base dans une autre école que l'école secondaire en question. Les autres membres de cette équipe sont indépendants, disposent de l'expertise nécessaire et n'ont eu aucun lien avec la haute école et l'école secondaire en question du partenariat pendant au moins cinq ans. Au moins un membre de l'équipe dispose d'une connaissance approfondie de l'enseignement supérieur flamand, et au moins un membre travaille en dehors de la Flandre.
   L'examen visé à l'alinéa 1er aboutit à un rapport écrit et un avis par école, adressés au Gouvernement flamand. Le rapport contient le fondement de l'avis. Les avis suivants sont possibles :
   1° avis favorable : cet avis est rendu si le dossier de formation pour toutes les années d'études a été entièrement élaboré et répond aux attentes en termes de qualité, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, et à la réglementation en vigueur ;
   2° avis favorable avec une durée de validité limitée d'une année scolaire : cet avis est rendu si le dossier de formation est incomplet ou ne répond pas ou insuffisamment aux attentes en termes de qualité, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, et à la réglementation en vigueur.
   L'inspection de l'enseignement et l'organisation d'accréditation informent conjointement l'autorité de la haute école et l'autorité de l'école secondaire en question du partenariat du rapport et de l'avis. Au plus tard le 1er juin 2025, le rapport et l'avis sont transmis au Gouvernement flamand, qui décide de reconnaître la formation Soins infirmiers de base soit jusqu'à l'année scolaire 2029-2030 incluse, soit uniquement pour l'année scolaire 2025-2026, en précisant les éléments à réévaluer.
   En cas d'une reconnaissance avec une durée de validité limitée pour l'année scolaire 2025-2026, le partenariat transmet au plus tard le 1er janvier 2026 un dossier de formation à l'inspection de l'enseignement et à l'organisation d'accréditation sur les éléments à réévaluer. Les avis possibles concernant les éléments exigeant une nouvelle évaluation, sont ceux visés à l'alinéa 3.
   L'inspection de l'enseignement et l'organisation d'accréditation informent conjointement l'autorité de la haute école et l'autorité de l'école secondaire en question du partenariat du rapport et de l'avis. Au plus tard le 1er juin 2026, le rapport et l'avis sur les éléments à réévaluer sont transmis au Gouvernement flamand, qui décide de reconnaître la formation Soins infirmiers de base soit jusqu'à l'année scolaire 2029-2030 incluse, soit uniquement pour l'année scolaire 2026-2027, en précisant les éléments à réévaluer.
   En cas d'une reconnaissance avec une durée de validité limitée pour l'année scolaire 2026-2027, le partenariat transmet au plus tard le 1er janvier 2027 un dossier de formation à l'inspection de l'enseignement et à l'organisation d'accréditation sur les éléments à réévaluer. Les avis possibles concernant les éléments exigeant une nouvelle évaluation, sont les suivants :
   1° avis favorable : cet avis est rendu si le dossier de formation pour toutes les années d'études a été entièrement élaboré et répond aux attentes en termes de qualité, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, et à la réglementation en vigueur ;
   2° avis défavorable : cet avis est rendu si le dossier de formation est incomplet ou ne répond pas ou insuffisamment aux attentes en termes de qualité, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, et à la réglementation en vigueur.
   L'inspection de l'enseignement et l'organisation d'accréditation informent conjointement l'autorité de la haute école et l'autorité de l'école secondaire en question du partenariat du rapport et de l'avis. Au plus tard le 1er juin 2027, le rapport et l'avis sur les éléments à réévaluer sont transmis au Gouvernement flamand, qui décide soit de reconnaître la formation Soins infirmiers de base jusqu'à l'année scolaire 2029-2030 incluse, soit de ne pas la reconnaître définitivement.
   § 4. L'inspection de l'enseignement et l'organisation d'accréditation organisent au moins une visite de suivi auprès de chaque partenariat au cours des années calendaires 2027 et 2028.
   § 5. Au plus tard le 31 octobre 2029, le partenariat soumet une demande d'accréditation à l'organisation d'accréditation.
   L'organisation d'accréditation compose la commission qui effectue l'évaluation de la qualité de la formation Soins infirmiers de base, et coordonne le processus d'évaluation. L'autorité de la haute école et l'autorité de l'école secondaire en question du partenariat ont le droit de soulever des objections motivées quant à la composition de la commission, dans un délai de quinze jours à partir du jour de la réception de la communication de l'organisation d'accréditation.
   La commission visée à l'alinéa 2 comprend en tout cas deux membres de l'inspection de l'enseignement et un apprenant en soins infirmiers de base d'une autre école que l'école secondaire en question. Les autres membres de la commission sont indépendants, disposent de l'expertise nécessaire et n'ont eu aucun lien avec la haute école et l'école secondaire en question du partenariat pendant au moins cinq ans. Au moins un membre dispose d'une connaissance approfondie de l'enseignement supérieur flamand, et au moins un membre travaille en dehors de la Flandre.
   L'examen visé à l'alinéa 2 aboutit à un rapport d'évaluation. Sur la base de ce rapport d'évaluation, l'organisation d'accréditation établit une décision d'accréditation. Avant l'envoi du projet de rapport d'évaluation et de décision, l'inspection de l'enseignement et l'organisation d'accréditation peuvent demander au partenariat des informations complémentaires, des explications et des clarifications.
   L'inspection de l'enseignement et l'organisation d'accréditation transmettent un projet de décision d'accréditation et le rapport d'évaluation sous-jacent à l'autorité de la haute école et à l'autorité de l'école secondaire en question du partenariat. Ces autorités peuvent conjointement formuler des objections et des remarques dans un délai de quinze jours à compter du jour suivant celui de la réception du projet.
   Au plus tard le 1er juin 2030, le rapport d'évaluation et la décision d'accréditation sont transmis à l'autorité de la haute école et à l'autorité de l'école secondaire en question du partenariat.
   Les décisions suivantes sont possibles :
   1° décision favorable ;
   2° décision défavorable ;
   3° décision favorable conditionnelle et avec une durée de validité limitée d'une ou deux années scolaires.
   Une décision d'accréditation favorable a une durée de validité de cinq années scolaires. Au plus tard le 31 octobre de la cinquième année scolaire, le partenariat introduit à chaque fois une demande d'accréditation auprès de l'organisation d'accréditation.
   En cas d'une décision d'accréditation favorable conditionnelle et avec une durée de validité limitée, une nouvelle demande d'accréditation est introduite auprès de l'organisation d'accréditation au plus tard le 31 octobre de la dernière année scolaire d'accréditation.]1

  
Art. 168/6. [1 Ingeval uren-leraar in de opleiding Basisverpleegkunde worden georganiseerd in vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken, worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximaal 3 procent van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken als vermeld in artikel 212.]1
  
Art. 168/6. [1 Si des périodes-professeur dans la formation Soins infirmiers de base sont organisées sous forme d'heures qui ne sont pas des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques particulières, les heures concernées ne sont pas prises en compte pour la règle selon laquelle les tâches pédagogiques particulières, figurant à l'article 212, ne peuvent pas représenter plus de 3 pour cent des périodes-professeur d'une école.]1
  
HOOFDSTUK 2. - Teldata
CHAPITRE 2. - Dates de comptage
Art. 169. § 1. De datum voor de telling per school van het aantal leerlingen in het voltijds onderwijs wordt vastgesteld op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, voor :
  - de vaststelling van de omkaderingsnormen van het bestuurs-, onderwijzend en ondersteunend personeel;
  - de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden;
  - het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen.
  § 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van [4 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt die over één of drie semesters worden georganiseerd]4 en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar :
  - namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt,
  - en [2 15 mei]2 of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt.
  Op elke datum wordt een regelmatige leerling of [3 cursist van de opleiding Verpleegkunde]3 voor een halve eenheid in aanmerking genomen. (168)
  [3 Voor de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt een regelmatige cursist op een teldatum voor de helft in aanmerking genomen naar rata van het aantal studiepunten waarvoor hij is ingeschreven ten opzichte van 30 studiepunten.
   Als alle berekeningen voor beide teldata samen voor de school een resultaat opleveren waarvan het cijfer na de komma minder dan 50 bedraagt, dan wordt dat cijfer na de komma weggelaten. Als dat cijfer na de komma 50 of meer bedraagt, wordt het resultaat afgerond naar de hogere eenheid.]3

  [1 § 3. In afwijking van paragraaf 1, geldt 1 juni of, indien een vrije dag, de eerste lesdag erna, als [3 teldatum]3 voor vaststelling van het aantal regelmatige leerlingen van het onthaalonderwijs dat na 1 februari of, indien een vrije dag, de eerste lesdag erna, wordt opgericht op basis van artikel 179/3, derde lid, en dit met het oog op de financiering of subsidiëring van het daaropvolgend schooljaar. Vanaf het schooljaar daarna wordt de regeling als vermeld in paragraaf 1 van toepassing.]1
  
Art. 169. § 1er. La date de comptage par école du nombre d'élèves dans l'enseignement à temps plein est fixée au 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de cours suivant si la date précitée tombe un jour libre, pour :
  - la fixation des normes d'encadrement du personnel directeur, enseignant et d'appui;
  - la norme fixée dans les secteurs et niveaux étant régis par des normes réglementaires de programmation ou de rationalisation;
  - la fixation du budget et des allocations de fonctionnement et/ou d'équipement.
  § 2. Par dérogation au § 1er, il est fixé pour le comptage par école d'enseignement secondaire à temps plein du nombre d'élèves réguliers des [4 7e années d'études préparatoires à l'entrée sur le marché du travail organisées pendant un ou trois semestres]4 et du nombre d'apprenants de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5, deux dates dans l'année scolaire préalable à l'année scolaire concernée, c.-à-d. :
  - le 15 janvier ou le premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre,
  - et le [2 15 mai]2 ou le premier jour de cours suivant si cette date tombe un jour libre.
  A chaque date, un élève ou [3 apprenant de la formation Soins infirmiers]3 régulier est pris en compte pour une demi-entité. (168)
  [3 Pour la formation Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO5, un apprenant régulier est pris en compte à une date de comptage pour la moitié au prorata du nombre de crédits pour lesquels il est inscrit par rapport à 30 crédits.
   Si tous les calculs pour les deux dates de comptage ensemble pour l'école aboutissent à un résultat dont le chiffre après la virgule est inférieur à 50, ce chiffre après la virgule est supprimé. Si ce chiffre après la virgule est égal ou supérieur à 50, le résultat est arrondi à l'unité supérieure.]3

  [1 § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le 1er juin, ou le premier jour de classe suivant si cette date tombe un jour libre, vaut comme date de comptage pour la fixation du nombre d'élèves réguliers de l'enseignement d'accueil qui sera organisé après le 1er février ou, le premier jour de classe suivant si cette date tombe un jour libre, sur la base de l'article 179/3, troisième alinéa, et ce, en vue du financement ou subventionnement dans l'année scolaire suivante. A compter de l'année scolaire suivante, le régime visé au paragraphe 1er sera d'application.]1
  
Art. 170. [1 Voor 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt die over één of drie semesters worden georganiseerd geldt het volgende:
   1° voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën en de bepaling van het werkingsbudget worden de leerlingen op beide teldata, vermeld in artikel 169, voor een halve eenheid in aanmerking genomen;
   2° voor de toepassing van de rationalisatienormen wordt het hoogste aantal regelmatige leerlingen dat wordt geteld op een van beide teldata, vermeld in artikel 169, geacht ook het aantal regelmatige leerlingen te zijn op de andere teldatum;
   3° in afwijking van artikel 179 wordt voor de toepassing van de minimumnorm van vijf regelmatige leerlingen, het hoogste aantal regelmatige leerlingen geteld op 1 oktober of 1 maart.]1

  
Art. 170. [1 Les dispositions suivantes s'appliquent aux 7e années d'études préparatoires à l'entrée sur le marché du travail, organisées pendant un ou trois semestres :
   1° pour l'application des normes d'encadrement pour les diverses catégories de personnel et la détermination du budget de fonctionnement, les élèves sur les deux dates de comptage, visées à l'article 169, sont pris en compte pour une demi-entité ;
   2° pour l'application des normes de rationalisation, le nombre maximum d'élèves réguliers compté à une des deux dates de comptage visées à l'article 169, est censé être également le nombre d'élèves réguliers à l'autre date de comptage ;
   3° par dérogation à l'article 179, pour l'application de la norme minimale de cinq élèves réguliers, le nombre maximum d'élèves réguliers est compté le 1er octobre ou le 1er mars.]1

  
Art. 171. Voor de scholen die worden opgericht of voor het eerst in de financiering of subsidiering worden opgenomen of die in opbouw zijn, is de teldatum vastgesteld op 1 oktober van het schooljaar van oprichting of opname in de financiering of subsidiëring of opbouw.
  [1 Onder scholen in opbouw wordt verstaan scholen die tijdens aaneensluitende schooljaren hun onderwijsaanbod uitbreiden hetzij leerjaar per leerjaar, hetzij met meer leerjaren gelijktijdig.]1
  
Art. 171. Pour les écoles qui sont créées ou admises pour la première fois au financement ou au subventionnement ou qui sont en construction, la date de comptage est fixée au 1er octobre de l'année scolaire de création ou d'admission au financement ou au subventionnement ou de construction.
  [1 Par écoles en construction, il faut entendre les écoles qui élargissent progressivement leur offre d'enseignement pendant des années scolaires consécutives soit, année d'études par année d'études, soit par plusieurs années d'études simultanément.]1
  
Art. 172. § 1. De teldatum voor scholen die ingevolge de reglementaire rationalisatienormen verplicht zijn tot geleidelijke opheffing leerjaar na leerjaar, wordt vanaf het schooljaar waarin de geleidelijke opheffing een aanvang neemt, bepaald op 1 oktober van het lopende schooljaar.
  § 2. Een fusie of afsplitsing van scholen of een toetreding van een school tot of een uittreding van een school uit een scholengemeenschap op 1 september van een schooljaar, wordt geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag erna indien voormelde datum op een vrije dag valt, te hebben plaats gevonden voor wat de telling per school van het aantal leerlingen in het voltijds en deeltijds secundair onderwijs betreft. (171)
Art. 172. § 1er. La date de comptage pour les écoles qui, suite aux normes réglementaires de rationalisation, sont obligées de procéder à une suppression progressive, année d'études après année d'études, est fixée, à partir de l'année scolaire dans laquelle la suppression progressive est entamée, au 1er octobre de l'année scolaire en cours.
  § 2. Une fusion ou une scission d'écoles ou une adhésion d'une école à ou une désaffiliation d'une école d'un centre d'enseignement au 1er septembre d'une année scolaire est censée déjà avoir eu lieu le 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de classe suivant, si la date précitée tombe un jour libre, pour ce qui concerne le comptage par école du nombre d'élèves dans l'enseignement secondaire à temps plein et à temps partiel. (171)
Art. 173. Voor cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer geldt een eigen regeling inzake teldatum.
  De datum voor de telling is vastgesteld op 1 oktober van het lopend schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan, waarvoor op deze datum leerlingen zijn ingeschreven, doch waarvoor op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen hebben gekozen.
  De cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer die kunnen worden georganiseerd in een bepaald leerjaar en volgens bepaald leerplan op basis van de telling van 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, maar waarvoor op 1 oktober van het lopend schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen zijn ingeschreven, worden niet langer georganiseerd of gesubsidieerd.
  Voor een nog niet ingerichte cursus godsdienst of niet confessionele zedenleer, onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan in het officieel voltijds secundair onderwijs, die wordt opgericht na 1 oktober van het lopend schooljaar, wordt de datum voor telling vastgesteld op de eerste lesdag waarop deze cursus wordt ingericht.
  Een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, onderwezen in een bepaald leerjaar en volgend een bepaald leerplan in het officieel voltijds secundair onderwijs waarvoor vanaf een bepaalde datum, nà 1 oktober van het lopend schooljaar, geen leerlingen meer zijn ingeschreven, wordt vanaf die bepaalde datum niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. (172)
Art. 173. Les cours de religion ou de morale non confessionnelle sont régis par un propre régime en matière de date de comptage.
  La date de comptage est fixée au 1er octobre de l'année scolaire en cours ou au premier jour de classe suivant si la date précitée tombe un jour libre, pour un cours de religion ou de morale non confessionnelle enseignée dans une année d'études déterminée et suivant un programme d'études déterminé, auquel des élèves se sont inscrits à cette date, mais pour lequel aucun élève n'a opté au 1er février de l'année scolaire précédent ou au premier jour de classe suivant si la date précitée tombe un jour libre.
  Les cours de religion ou de morale non confessionnelle pouvant être organisés dans une année d'études déterminée et suivant un programme d'études déterminé sur la base du comptage du 1er février de l'année scolaire précédente ou au premier jour de classe suivant si la date précitée tombe un jour libre, mais auxquels aucun élève ne s'est inscrit au 1er octobre de l'année scolaire en cours ou au premier jour de classe suivant si la date précitée tombe un jour libre, ne sont plus organisés ou subventionnés.
  Pour un cours de religion ou de morale non confessionnelle n'étant pas encore organisé, enseigné dans une année d'études déterminée et suivant un programme d'études déterminé dans l'enseignement secondaire officiel à temps plein, qui est organisé après le 1er octobre de l'année scolaire en cours, la date de comptage est fixée au premier jour de classe auquel ce cours est organisé.
  Un cours de religion ou de morale non confessionnelle, enseigné dans une année d'études déterminée et suivant un programme d'études déterminé dans l'enseignement secondaire officiel à temps plein pour lequel, à partir d'une date déterminée, après le 1er octobre de l'année scolaire en cours, aucun élève n'est plus inscrit, n'est plus financé ou subventionné à partir de ladite date. (172)
HOOFDSTUK 3. - Programmatie
CHAPITRE 3. - Programmation
Afdeling 1.
Section 1re.
Afdeling 2. - Programmatie van scholen [1 ...]1
Section 2. - Programmation d'écoles [1 ...]1
Art. 175. § 1. Een school kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm wordt bereikt.
  § 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm te worden bereikt voor :
  1° de enige school van het gemeenschapsonderwijs in één der 44 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I;
  2° de enige school van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;
  3° de enige school van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;
  4° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
  a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en
  b) [9 die uitsluitend leerplannen hanteert die het schoolbestuur zelf heeft ontwikkeld en die uitsluitend binnen dat schoolbestuur van toepassing zijn]9.
  Bij de toepassing van 3° worden de scholen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.
  Indien een schoolbestuur in één der bedoelde onderwijszones meer dan één school organiseert, dan kunnen desbetreffende scholen nooit onder toepassing van 4° vallen.
  [8 § 2/1. In afwijking van paragraaf 1 en 2 komt een school niet in aanmerking voor financiering of subsidiëring als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de toepasbare rationalisatienorm wordt bereikt maar gelijktijdig is er een daling van de schoolbevolking in een of meer andere secundaire scholen van hetzelfde schoolbestuur die in dezelfde of een aangrenzende gemeente liggen als de gemeente waarin een vestigingsplaats van de nieuwe school is ligt;
   2° de daling, vermeld in punt 1°, bedraagt, in voorkomend geval voor alle scholen samen, ten minste 50 % van de toepasbare rationalisatienorm.]8

  § 3. [1 Scholen kunnen ook door splitsing van bestaande scholen ontstaan voor zover de volgende gezamenlijke voorwaarden zijn vervuld :
   1° [4 de splitsing wordt onmiddellijk voorafgegaan door een fusie van scholen die elk de toepasbare rationalisatienorm bereiken en past op die manier in een herstructurering die niet resulteert in een groter aantal scholen;]4
   2° alle bij de splitsing betrokken scholen moeten, in afwijking van § 1 en § 2, na de splitsing 100 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm;
   3° de splitsing kan slechts één van de volgende vormen aannemen :
   a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad;
   b) hetzij een afsplitsing van een of meer [5 [8 ...]8 studiedomeinen]5;
   c) hetzij een combinatie van beide voorgaande;
   4° de splitsing moet, voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod.]1

  § 4. Onder toepasbare rationalisatienorm [8 als vermeld in dit artikel]8 wordt verstaan :
  a) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191, 2° en 195 : voor de scholen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een [6 onderwijsinternaat]6 verblijven;
  b) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191,1° en 195 : voor de scholen die niet onder toepassing van a) vallen.
  § 5. [1 De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op scholen met uitsluitend [7 de opleidingen]7 van het hoger beroepsonderwijs.]1
  § 6. [1 [2 De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld [3 uiterlijk 1 april]3 van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, van toepassing.]2
   Indien de school ontstaat door splitsing van een bestaande school, dan gaan bij die melding, per betrokken school, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, in het geval de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]1

  
Art. 175. § 1er. Une école peut être financée ou subventionnée, si 300% de la norme de rationalisation applicable sont atteints.
  § 2. Par dérogation au § 1er, il suffit d'atteindre 150% de la norme de rationalisation applicable lorsqu'il s'agit :
  1° de la seule école d'enseignement communautaire située dans une des 44 zones d'enseignement définies à l'annexe Ire;
  2° de la seule école d'enseignement officiel subventionné située dans une des zones d'enseignement visées;
  3° de la seule école d'enseignement libre subventionnée située dans une des zones d'enseignement visées qui organise une certaine religion reconnue ou adhère à une certaine philosophie;
  4° d'une école de l'enseignement libre subventionné :
  a) qui n'organise ni le cours de religion ni le cours de morale non confessionnelle, mais bien le cours de formation culturelle ou de culture et de religion propres, et
  b) [9 qui utilise exclusivement des programmes d'études élaborés par l'autorité scolaire elle-même et qui ne s'appliquent qu'au sein de celle-ci]9.
  Lors de l'application du point 3°, les écoles relevant du point 4° ne sont pas prises en considération.
  Si une autorité scolaire organise plusieurs écoles dans une des zones d'enseignement visées, les écoles concernées ne seront jamais régies par le point 4°.
  [8 § 2/1. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, une école n'entre pas en ligne de compte pour le financement ou le subventionnement si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° la norme de rationalisation applicable est atteinte mais en même temps, il y a une diminution de la population scolaire dans une ou plusieurs autres écoles secondaires de la même autorité scolaire qui se trouvent dans la même commune ou dans une commune adjacente à celle d'une implantation de la nouvelle école ;
   2° la diminution visée au point 1° s'élève à au moins 50 % de la norme de rationalisation applicable, le cas échéant pour l'ensemble des écoles.]8

  § 3. [1 Des écoles peuvent également être créées par voie de scission d'écoles existantes, pour autant que l'ensemble des conditions suivantes soient remplies :
   1° [4 la scission est immédiatement précédée par une fusion d'écoles qui atteignent toutes la norme de rationalisation applicable et s'inscrit ainsi dans une restructuration qui ne se traduit pas en une augmentation du nombre d'écoles ;]4
   2° par dérogation aux §§ 1er et 2, toutes les écoles associées à la scission doivent atteindre, après la scission, 100 % de la norme de rationalisation applicable;
   3° la scission ne peut prendre qu'une seule des formes suivantes :
   a) soit une scission du premier degré;
   b) soit une scission d'une ou de plusieurs [5 [8 ...]8 domaines d'études]5;
   c) soit une combinaison des deux formes précédentes;
   4° pour une école appartenant à un centre d'enseignement, la scission doit être conforme aux arrangements conclus par le centre d'enseignement relatifs à l'organisation d'une offre d'enseignement rationnelle.]1

  § 4. Par norme de rationalisation applicable, [8 telle que visée au présent article]8, on entend :
  a) soit, en fonction des degrés organisés par l'école, la norme mentionnée aux articles 191, 2°, et 195 : pour les écoles situées dans la Région de Bruxelles-Capitale ou dans une commune où la densité de population est inférieure à 250 habitants par km5 et pour les écoles dont plus de 75 % des élèves réguliers demeurent dans un [6 internat de l'enseignement]6;
  b) soit, en fonction des degrés organisés par l'école, la norme mentionnée aux articles 191,1°, et 195 : pour les écoles ne relevant pas de l'application du point a).
  § 5. [1 Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas aux écoles offrant uniquement [7 les formations]7 de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5.]1
  § 6. [1 [2 La programmation d'une école créée par la scission d'une école existante est communiquée par écrit par l'autorité scolaire au service compétent de la Communauté flamande, [3 au plus tard le 1er avril]3 de l'année scolaire précédente. Si la programmation n'est pas le résultat de la scission d'une école existante, les dispositions de l'article 15, § 2, s'appliquent à la programmation de l'école.]2
   Si l'école est créée par la scission d'une école existante, cette communication doit être assortie, par école concernée, du protocole de la négociation en question au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, d'un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement.]1

  
Afdeling 3. Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen [1 ...]1
Section 3. - Programmation de subdivisions structurelles [1 ...]1
Art. 176. [3 Bij de programmatie van een structuuronderdeel voldoet het structuuronderdeel aan de volgende voorwaarden:
   1А het is in overeenstemming met de afspraken die, in voorkomend geval, de scholengemeenschap maakt met het oog op een rationeel geordend onderwijsaanbod;
   2А het heeft betrekking op een of meer vestigingsplaatsen van de school, zoals opgegeven in, naargelang het geval, de melding of de aanvraag. De voormelde voorwaarde geldt niet voor het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers;
   3А het is niet toegelaten als het een van de volgende gevolgen heeft:
   a) op dezelfde vestigingsplaats kunnen twee of meer officiële scholen hetzelfde structuuronderdeel organiseren;
   b) op dezelfde vestigingsplaats kunnen twee of meer vrije scholen hetzelfde structuuronderdeel organiseren;
   c) op dezelfde vestigingsplaats kunnen twee of meer scholen, die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, hetzelfde structuuronderdeel organiseren;
   4А als het een duaal structuuronderdeel is, heeft het betrekking op de school en het eventueel daaraan verbonden centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ongeacht waar het duale structuuronderdeel wordt aangeboden;
   5А als het een duaal structuuronderdeel is, heeft het ook betrekking op een of meer aanloopstructuuronderdelen die aansluiten bij het duale structuuronderdeel;
   6А het heeft geen betrekking op pakketten in het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B;
   7А het impliceert het recht om, naargelang het geval, na de melding of na de goedkeuring van de aanvraag het structuuronderdeel te organiseren met ingang van het eerste of het tweede daaropvolgende schooljaar.
   In afwijking van het eerste lid, 3А, is de progressieve afbouw van een tweejarig structuuronderdeel door de ene school mogelijk als die, op dezelfde vestigingsplaats, samenvalt met de progressieve uitbouw van datzelfde structuuronderdeel door een andere school.
   Als de vestigingsplaats, vermeld in het eerste lid, 2А, een nieuwe, al dan niet bijkomende, vestigingsplaats is, wordt, naargelang het geval, in de melding of aanvraag van programmatie, alleen de gemeente als vestigingsplaats opgegeven als de exacte vestigingsplaats nog niet bekend of goedgekeurd is.]3

  (3)
Art. 176. [3 Lors de la programmation d'une subdivision structurelle, celle-ci doit répondre aux conditions suivantes :
   1° être conforme aux accords conclus, le cas échéant, par le centre d'enseignement en vue d'une offre d'enseignement rationnellement ordonnée ;
   2° concerner une ou plusieurs implantations de l'école, telles qu'indiquées, selon le cas, dans la communication ou la demande ; La condition précitée ne s'applique pas à l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones ;
   3° ne pas être autorisée si elle entraîne l'une des conséquences suivantes :
   a) sur la même implantation, deux ou plusieurs écoles officielles peuvent organiser la même subdivision structurelle ;
   b) sur la même implantation, deux ou plusieurs écoles libres peuvent organiser la même subdivision structurelle ;
   c) sur la même implantation, deux ou plusieurs écoles, faisant partie du même centre d'enseignement, peuvent organiser la même subdivision structurelle ;
   4° s'il s'agit d'une subdivision structurelle duale : concerner l'école et tout centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui lui est rattaché, quel que soit le lieu où la subdivision structurelle duale est offerte ;
   5° s'il s'agit d'une subdivision structurelle duale : concerner également une ou plusieurs subdivisions structurelles de démarrage qui sont associées à la subdivision structurelle duale ;
   6° ne pas concerner les ensembles de cours dans la deuxième année d'études A et la deuxième année d'études B ;
   7° impliquer le droit, selon le cas, après la communication ou après l'approbation de la demande, d'organiser la subdivision structurelle à compter de la première ou de la deuxième année scolaire suivante.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, la suppression progressive d'une subdivision structurelle de deux ans par une école est possible si elle coïncide, sur la même implantation, avec la suppression progressive de la même subdivision structurelle par une autre école.
   Si l'implantation, visée à l'alinéa 1er, 2°, est une nouvelle implantation, supplémentaire ou non, la communication ou la demande de programmation, selon le cas, ne mentionnera la commune comme implantation que si l'implantation exacte n'est pas encore connue ou approuvée]3

  (3)
Art. 176/1. [1 Vanaf het schooljaar 2021-2022:
   1° heeft elke programmatie van een structuuronderdeel betrekking op een of meer vestigingsplaatsen van de school zoals opgegeven in, naargelang van het geval, de melding of aanvraag van programmatie bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
   2° wordt de uitbreiding door het schoolbestuur van een vóór het schooljaar 2021-2022 geprogrammeerd structuuronderdeel naar een of meer bestaande vestigingsplaatsen van de school niet als een nieuwe programmatie beschouwd indien alle vestigingsplaatsen van die school gelegen zijn binnen een gemeente die minder dan 70.000 inwoners telt;
   3° wordt de uitbreiding door het schoolbestuur van een niet vóór het schooljaar 2021-2022 geprogrammeerd structuuronderdeel naar een of meer vestigingsplaatsen van de school die destijds niet bij de programmatie zijn opgegeven, als een nieuwe programmatie beschouwd;
   4° kan in uitzonderlijke omstandigheden en zonder als programmatie te worden beschouwd het schoolbestuur een vóór het schooljaar 2021-2022 geprogrammeerd structuuronderdeel organiseren in een of meer [2 andere vestigingsplaatsen]2, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de uitzonderlijke omstandigheden houden verband met capaciteitsnoden, infrastructuurproblemen of verhuis;
   b) het schoolbestuur dient een gemotiveerde aanvraag in bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, met toevoeging van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
   c) [2 de aanvraag voor het structuuronderdeel gebeurt in voorkomend geval tezamen met de aanvraag voor de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats als vermeld in artikel 15, § 4]2;
   d) de Vlaamse Regering neemt een gunstige beslissing uiterlijk drie maanden na indiening van de aanvraag en na advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Bij overschrijding van die termijn is de aanvraag van rechtswege goedgekeurd;
   5° kan in uitzonderlijke omstandigheden en zonder als programmatie te worden beschouwd het schoolbestuur een niet vóór het schooljaar 2021-2022 geprogrammeerd structuuronderdeel organiseren in een of meer vestigingsplaatsen die destijds niet bij de programmatie zijn opgegeven, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de uitzonderlijke omstandigheden houden verband met capaciteitsnoden, infrastructuurproblemen of verhuis;
   b) het schoolbestuur dient een gemotiveerde aanvraag in bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, met toevoeging van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
   c) de aanvraag voor het structuuronderdeel gebeurt in voorkomend geval tezamen met de aanvraag voor de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats als vermeld in artikel 15, § 4;
   d) de Vlaamse Regering neemt een gunstige beslissing uiterlijk drie maanden na indiening van de aanvraag en na advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Bij overschrijding van die termijn is de aanvraag van rechtswege goedgekeurd;
   6° is de effectieve programmatie of organisatie van een structuuronderdeel in een nieuwe vestigingsplaats afhankelijk van het voldoen aan artikel 15, § 4.]1

  
Art. 176/1. [1 A partir de l'année scolaire 2021-2022 :
   1° chaque programmation d'une subdivision structurelle concerne une ou plusieurs implantations de l'école, telles qu'indiquées dans, selon le cas, la communication ou la demande de programmation auprès des services compétents de la Communauté flamande ;
   2° l'extension par l'autorité scolaire d'une subdivision structurelle programmée avant l'année scolaire 2021-2022, à une ou plusieurs implantations existantes de l'école n'est pas considérée comme une nouvelle programmation si toutes les implantations de cette école se situent dans une commune comptant moins de 70.000 habitants ;
   3° l'extension par l'autorité scolaire d'une subdivision structurelle non programmée avant l'année scolaire 2021-2022, à une ou plusieurs implantations de l'école qui n'étaient pas indiquées à l'époque lors de la programmation, est considérée comme une nouvelle programmation ;
   4° dans des circonstances exceptionnelles et sans être considérée comme programmation, l'autorité scolaire peut organiser une subdivision structurelle programmée avant l'année scolaire 2021-2022 dans [2 d'autres lieux d'implantation]2, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   a) les circonstances exceptionnelles concernent des besoins en capacité, des problèmes d'infrastructure ou un déménagement ;
   b) l'autorité scolaire introduit une demande motivée auprès des services compétents de la Communauté flamande, en ajoutant le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent et, si l'école fait partie d'une communauté scolaire, un extrait du procès-verbal démontrant que la demande est conforme aux accords conclus au sein de la communauté scolaire ;
   c) [2 le cas échéant, la demande de la subdivision structurelle se fait conjointement avec la demande de mise en service d'un nouveau lieu d'implantation telle que visée à l'article 15, § 4]2 ;
   d) le Gouvernement flamand prend une décision favorable au plus tard trois mois après l'introduction de la demande et après l'avis des services compétents de la Communauté flamande. Passé ce délai, la demande est approuvée de plein droit ;
   5° dans des circonstances exceptionnelles et sans être considérée comme programmation, l'autorité scolaire peut organiser une subdivision structurelle non programmée avant l'année scolaire 2021-2022 dans une ou plusieurs implantations qui n'étaient pas indiquées à l'époque lors de la programmation, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   a) les circonstances exceptionnelles concernent des besoins en capacité, des problèmes d'infrastructure ou un déménagement ;
   b) l'autorité scolaire introduit une demande motivée auprès des services compétents de la Communauté flamande, en ajoutant le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent et, si l'école fait partie d'une communauté scolaire, un extrait du procès-verbal démontrant que la demande est conforme aux accords conclus au sein de la communauté scolaire ;
   c) le cas échéant, la demande de la subdivision structurelle se fait conjointement avec la demande de mise en service d'une nouvelle implantation telle que visée à l'article 15, § 4 ;
   d) le Gouvernement flamand prend une décision favorable au plus tard trois mois après l'introduction de la demande et après l'avis des services compétents de la Communauté flamande. Passé ce délai, la demande est approuvée de plein droit ;
   6° la programmation ou organisation effective d'une subdivision structurelle dans une nouvelle implantation est soumise au respect de l'article 15, § 4.]1

  
Art. 177. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 176 is de programmatie vrij van:
   1° het eerste leerjaar A;
   2° het eerste leerjaar B;
   3° een niet-niche basisoptie van het tweede leerjaar A;
   4° een niet-niche basisoptie van het tweede leerjaar B;
   5° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein én onderwijsvorm dat de school al organiseert;
   6° een niet-niche domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso als de school al minstens één domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso organiseert;
   7° een duaal structuuronderdeel dat dezelfde naam heeft als een niet-duaal structuuronderdeel dat de school al organiseert of mag organiseren, en omgekeerd. Het voormelde geldt niet bij programmatie van een niet-duaal structuuronderdeel door een school voor voltijds secundair onderwijs als alleen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat aan die school is verbonden, het gelijknamige duale structuuronderdeel al organiseert;
   8° een of meer structuuronderdelen van een of meer studiedomeinen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   a) de structuuronderdelen zijn geen niche-structuuronderdelen;
   b) de programmatie is beperkt tot het strikt noodzakelijke om in een of meer studiedomeinen een domeinschool te worden;
   c) de programmatie door middel van één geïntegreerd dossier wordt ingediend;
   9° een domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso op voorwaarde dat de school een domeinschool of campusschool is;
   10° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel bijzondere wetenschappelijke vorming in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert;
   11° het domeinoverschrijdend structuuronderdeel in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs en dat leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding als de school al de derde graad van de arbeidsmarktfinaliteit organiseert;
   12° een niet-niche structuuronderdeel van het studiedomein kunst en creatie in het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs als de school al het studiedomein kunst en creatie in de derde graad van de doorstroomfinaliteit of de dubbele finaliteit organiseert;
   13° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 4, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit organiseert;
   14° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert;
   15° een of meer structuuronderdelen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   a) de programmatie is het rechtstreekse gevolg van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt, of van een verhuis naar aanleiding van een overmachtssituatie;
   b) de programmatie heeft alleen betrekking op structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat;
   c) de minimumnorm, vermeld in artikel 179, is niet van toepassing.
   Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. Van deze termijnen kan, voor de programmaties, vermeld in het eerste lid, 15°, de Vlaamse Regering afwijken. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd:
   1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
   2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]1

  
Art. 177. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 176, la programmation est libre pour :
   1° la première année d'études A ;
  2° la première année d'études B ;
   3° une option de base qui n'est pas une option de base de niche de la deuxième année d'études A ;
  4° une option de base qui n'est pas une option de base de niche de la deuxième année d'études B ;
   5° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études et d'une forme d'enseignement que l'école organise déjà ;
   6° une subdivision structurelle transversale qui n'est pas une subdivision structurelle de niche de l'enseignement secondaire général si l'école organise déjà au moins une subdivision structurelle transversale de l'enseignement secondaire général ;
   7° une subdivision structurelle duale qui porte le même nom qu'une subdivision structurelle non duale que l'école organise déjà ou peut déjà organiser, et vice versa. Ce qui précède ne s'applique pas dans le cas de la programmation d'une subdivision structurelle non duale par une école d'enseignement secondaire à temps plein si seul le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel rattaché à cette école organise déjà la subdivision structurelle duale du même nom ;
   8° une ou plusieurs subdivisions structurelles d'un ou plusieurs domaines d'études si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   a) les subdivisions structurelles ne sont pas des subdivisions structurelles de niche ;
   b) la programmation est limitée à ce qui est strictement nécessaire pour devenir une école de domaine dans un ou plusieurs domaines d'études ;
   c) la programmation est soumise par le biais d'un dossier intégré unique ;
   9° une subdivision structurelle transversale de l'enseignement secondaire général, à condition que l'école soit une école de domaine ou une école de campus ;
   10° la subdivision structurelle transversale formation scientifique spéciale en 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur, si l'école organise déjà le troisième degré de la finalité transition ou de la double finalité ;
   11° la subdivision structurelle transversale en 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur et qui débouche sur un diplôme donnant accès à une formation de bachelier, si l'école organise déjà le troisième degré de la finalité marché du travail ;
   12° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche du domaine d'études `art et création' en 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur, si l'école organise déjà le domaine d'études `art et création' en troisième degré de la finalité transition ou de la double finalité ;
   13° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études en 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement obtenue de niveau 4, si l'école organise déjà ce domaine d'études en troisième degré de la double finalité ;
   14° une subdivision structurelle qui n'est pas une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études en 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement obtenue de niveau 3, si l'école organise déjà ce domaine d'études en troisième degré de la double finalité ou de la finalité marché du travail ;
   15° une ou plusieurs subdivisions structurelles si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   a) la programmation est la conséquence directe d'une situation manifeste de force majeure qui, pour des raisons d'habitabilité, de sécurité et d'hygiène, nécessite la mise en service d'une autre implantation, ou d'un déménagement à l'occasion d'une situation de force majeure ;
   b) la programmation peut uniquement porter sur les subdivisions structurelles que l'école organise déjà ou peut déjà organiser et qui sont concernées par la situation de force majeure ;
   c) la norme minimale, visée à l'article 179, ne s'applique pas.
   L'autorité scolaire communique la programmation par écrit aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente et au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui débute le 1er février suivant. Pour les programmations visées à l'alinéa 1er, 15°, le Gouvernement flamand peut déroger à ces délais. La communication précitée doit être accompagnée des documents suivants :
   1° le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;
   2° si l'école fait partie d'un centre d'enseignement : un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux accords conclus au sein du centre d'enseignement.]1

  
Art. 178. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 176 vraagt het schoolbestuur de programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van artikel 177 valt, bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aan uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. De voormelde aanvraagtermijnen gelden als vervaltermijnen.
   In het derde leerjaar van de derde graad wordt onder "de programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van artikel 177 valt" als vermeld in het eerste lid, uitsluitend verstaan:
   1А de programmatie van een niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 4, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit organiseert;
   2А de programmatie van een niche structuuronderdeel van een studiedomein in het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt na behaalde onderwijskwalificatie niveau 3, als de school al dat studiedomein in de derde graad van de dubbele finaliteit of de arbeidsmarktfinaliteit organiseert.
   De motivering van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het vijfde lid, 1А tot en met 8А. Bij de voormelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:
   1А het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comitщ;
   2А als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
   De Vlaamse Regering beslist over de programmatie na advies van de volgende instanties:
   1А [3 ...]3 de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
   2А de Vlaamse Onderwijsraad;
   3А in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt: de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.
   De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing, vermeld in het vierde lid, rekening met de volgende cumulatieve criteria:
   1А de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld;
   2А de eventuele opheffing van een of meer bestaande structuuronderdelen die gelijktijdig met de programmatie doorgevoerd worden;
   3А de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften op het vlak van het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie, met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
   4А de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
   5А de studiecontinuяteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap;
   6А in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt:
   a) de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiыle infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel;
   b) de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
   7А de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters binnen en buiten de betrokken scholengemeenschap zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod;
   8А in geval van een duaal structuuronderdeel: de afstemming binnen het overlegforum, vermeld in artikel 357/32.
   De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar en uiterlijk op 15 december van het lopende schooljaar als het een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt betreft dat van start gaat op 1 februari daaropvolgend. De voormelde beslissingstermijnen gelden als ordetermijnen.
  [2 ...]2.]1

  
Art. 178. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 176, l'autorité scolaire demande par écrit aux services compétents de la Communauté flamande la programmation d'une subdivision structurelle non couverte par l'application de l'article 177, en motivant sa demande, au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente, et au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui débute le 1er février qui suit. Les périodes de demande susvisées valent délais d'échéance.
   Dans la troisième année d'études du troisième degré, on entend exclusivement par " la programmation d'une subdivision structurelle non couverte par l'application de l'article 177 " telle que visée dans l'alinéa 1er :
   1° la programmation d'une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 4 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ;
   2° la programmation d'une subdivision structurelle de niche d'un domaine d'études de la 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail après la qualification d'enseignement de niveau 3 obtenue si l'école organise déjà ce domaine d'études dans le troisième degré de la double finalité ou de la finalité marché du travail.
   La motivation de la demande, visée à l'alinéa 1er, tient en tout cas compte des critères visés à l'alinéa 5, 1° à 8°. La demande précitée doit être accompagnée des documents suivants :
   1° le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;
   2° si l'école fait partie d'un centre d'enseignement : un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux accords conclus au sein du centre d'enseignement.
   Le Gouvernement flamand décide de la programmation après l'avis des instances suivantes :
   1° [3 ...]3 les services compétents de la Communauté flamande ;
   2° le Conseil flamand de l'enseignement ;
   3° dans le cas d'une subdivision structurelle à double finalité ou à finalité marché du travail : le Conseil socio-économique de la Flandre.
   En prenant sa décision, visée à l'alinéa 4, le Gouvernement flamand tient compte des critères cumulatifs suivants :
   1° les restrictions ou conditions éventuelles qui, du point de vue de la macro-efficacité, sont liées à l'offre de la subdivision structurelle ;
   2° la suppression éventuelle d'une ou plusieurs subdivisions structurelles existantes mises en oeuvre en même temps que la programmation ;
   3° les besoins quantitatifs et qualitatifs en termes d'offre d'enseignement secondaire dans la zone d'enseignement en question en vue de la poursuite des études ou de l'entrée sur le marché du travail ;
   4° la liberté de choix des parents et des élèves ;
   5° la continuité des études des élèves au sein de l'école ou du centre d'enseignement ;
   6° dans le cas d'une subdivision structurelle à double finalité ou à finalité insertion sur le marché de l'emploi :
   a) les préparatifs effectués en termes d'infrastructure matérielle et de moyens didactiques qui sont suffisants et adaptés aux compétences à acquérir de la subdivision structurelle programmée ;
   b) les possibilités de coopération démontrables avec des acteurs locaux du marché de l'emploi et des entreprises ;
   7° les accords conclus avec d'autres dispensateurs d'enseignement locaux, à l'intérieur comme à l'extérieur du centre d'enseignement concerné sur une offre d'études rationnelle et transparente ;
   8° dans le cas d'une subdivision structurelle duale : la coordination au sein du forum de concertation, visé à l'article 357/32.
   Le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard le 31 mars de l'année scolaire précédente et au plus tard le 15 décembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit d'une 7e année d'études préparatoire à l'entrée sur le marché du travail qui débute le 1er février qui suit. Les délais de décision précités valent délais d'ordre.
   [2 ...]2. ]1

  
Art. 178/1. [1 Pakketten in het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B zijn geen structuuronderdelen en zijn bijgevolg niet onderworpen aan programmatieregels.]1
  
Art. 178/1. [1 Les ensembles de cours dans la deuxième année d'études A et la deuxième année d'études B ne sont pas de subdivisions structurelles et ne sont donc pas soumis aux règles de programmation.]1
  
Art. 179. [3 Voor een structuuronderdeel dat is geprogrammeerd vanaf het schooljaar 2024-2025 of later op basis van artikel 177 of 178, geldt per afzonderlijke vestigingsplaats van de school een minimumnorm die is vastgesteld op vijf regelmatige leerlingen op de eerste lesdag van oktober van het schooljaar van programmatie. In de tweede graad en, uitgezonderd het derde leerjaar, de derde graad wordt de voormelde minimumnorm toegepast op het eerste leerjaar van de graad in kwestie.
   In afwijking van het eerste lid:
   1А geldt geen minimumnorm voor de structuuronderdelen met in de benaming de component `topsport';
   2А wordt de minimumnorm toegepast op de niet-duale variant, de duale variant en de aanloopvariant van een gelijknamig structuuronderdeel samen;
   3А wordt de minimumnorm toegepast op de eerste lesdag van oktober of op de eerste lesdag van maart, naargelang het geval, van het schooljaar van programmatie als het een structuuronderdeel betreft van het derde leerjaar van de derde graad dat op semesterbasis wordt georganiseerd.
   Ї 2. Als de minimumnorm, vermeld in paragraaf 1, noch in het schooljaar van programmatie, noch in het daaropvolgende schooljaar wordt bereikt, gelden vanaf 1 september daaropvolgend in de betrokken vestigingsplaats de volgende bepalingen:
   1А in de eerste graad en het derde leerjaar van de derde graad: het structuuronderdeel wordt opgeheven;
   2А in de tweede graad en, uitgezonderd het derde leerjaar, de derde graad: het structuuronderdeel wordt geleidelijk opgeheven, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar.
   De Vlaamse Regering bepaalt de structuuronderdelen die gericht zijn op knelpuntberoepen waarvoor, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde "in het daaropvolgend schooljaar" wordt vervangen door de voorwaarde "in de twee daaropvolgende schooljaren".
   Ї 3. Een school met een structuuronderdeel waarop in ten minste een van haar vestigingsplaatsen de bepalingen, vermeld in paragraaf 2, van toepassing zijn, kan gedurende drie schooljaren vanaf de volledige opheffing in geen enkele van haar vestigingsplaatsen dat structuuronderdeel opnieuw programmeren. Dat structuuronderdeel opnieuw organiseren door overheveling door een andere school kan niet.]3

  (3)
Art. 179. [3 Pour une subdivision structurelle programmée à partir de l'année scolaire 2024-2025 ou plus tard sur la base de l'article 177 ou 178, une norme minimale fixée à cinq élèves réguliers le premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire de programmation s'applique pour chaque implantation distincte. Dans le deuxième degré et, à l'exception de la troisième année d'études, le troisième degré, la norme minimale précitée est appliquée à la première année d'études du degré en question.
   Par dérogation à l'alinéa 1er :
   1° aucune norme minimale ne s'applique aux subdivisions structurelles comportant la composante " sport de haut niveau " dans leur dénomination ;
   2° la norme minimale s'applique à la variante non duale, à la variante duale et à la variante de démarrage d'une subdivision structurelle du même nom ;
   3° la norme minimale s'applique au premier jour de classe d'octobre ou au premier jour de classe de mars, selon le cas, de l'année scolaire de programmation s'il s'agit d'une subdivision structurelle de la troisième année d'études du troisième degré qui est organisée sur une base semestrielle.
   § 2. Si la norme minimale, visée au paragraphe 1er, n'est pas atteinte au cours de l'année scolaire de programmation ou de l'année scolaire suivante, les dispositions suivantes s'appliqueront à partir du 1er septembre suivant dans l'implantation concernée :
   1° dans le premier degré et la troisième année d'études du troisième degré : la subdivision structurelle est supprimée ;
   2° dans le deuxième degré et, à l'exception de la troisième année d'études, le troisième degré : la subdivision structurelle est progressivement supprimée, année d'études après année d'études, à commencer par la première année d'études ;
   Le Gouvernement flamand détermine les subdivisions structurelles axées sur les professions en pénurie pour lesquelles, par dérogation à l'alinéa 1er, la condition " dans l'année scolaire suivante " est remplacée par la condition " dans les deux années scolaires suivantes ".
   § 3. Une école ayant une subdivision structurelle à laquelle les dispositions, visées au paragraphe 2, s'appliquent dans au moins l'une de ses implantations ne peut reprogrammer cette subdivision structurelle dans aucune de ses implantations pendant trois années scolaires à compter de sa suppression complète. La réorganisation de cette subdivision structurelle par transfert par une autre école n'est pas possible.]3

  (3)
Art. 179/3.. [1 [4 ...]4.
   Voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers gelden de volgende bepalingen:
   1° de programmatie wordt per scholengemeenschap bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 1 mei van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanvraag wordt het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
   2° na advies binnen tien werkdagen van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds [5 ...]5 de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.]1

  [2 Vanaf 1 november 2015 en tot op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum worden de bepalingen van het tweede lid buiten werking gesteld en gelden voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers de volgende bepalingen :
   1° [3 de programmatie wordt voorafgaand bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd :
   a) hetzij per scholengemeenschap; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
   b) hetzij door het schoolbestuur per school die niet tot een scholengemeenschap behoort; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;]3

   2° binnen tien werkdagen wordt een advies gegeven enerzijds door de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds door [5 ...]5 de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
   3° uiterlijk twee maanden na indiening van de aanvraag neemt de Vlaamse Regering een beslissing. Die beslissing is gebaseerd op de verwachte instroom van anderstalige nieuwkomers versus het al dan niet behoeftedekkend bestaande aanbod van onthaalonderwijs. Bij gunstige beslissing wordt tevens bepaald vanaf welk tijdstip het onthaaljaar kan worden opgericht.]2

  
Art. 179/3. [1 [4 ...]4.
   A la programmation de l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones s'appliquent les dispositions suivantes :
   1° la programmation est demandée, par centre d'enseignement, par écrit aux services compétents de la Communauté flamande et motivée, au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente. Cette demande est assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local du centre d'enseignement ;
   2° après avis du " Vlaamse Onderwijsraad " d'une part et [5 ...]5 des services compétents de la Communauté flamande d'autre part dans les dix jours ouvrables, le Gouvernement flamand prend une décision sur la programmation.]1

  [2 A compter du 1er novembre 2015 et jusqu'à une date à déterminer par le Gouvernement flamand, les dispositions du deuxième alinéa cessent d'être en vigueur et les dispositions suivantes sont d'application pour la programmation de l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones :
   1° [3 la programmation est préalablement demandée, par écrit et de façon motivée, aux services compétents de la Communauté flamande :
   a) ou bien par centre d'enseignement ; dans ce cas, la demande est assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent du centre d'enseignement ;
   b) ou bien par l'autorité scolaire par école n'appartenant pas à un centre d'enseignement ; dans ce cas, la demande est assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;]3

   2° dans les dix jours ouvrables, un avis est donné d'une part par le Vlaamse Onderwijsraad et d'autre part par [5 ...]5 les services compétents de la Communauté flamande ;
   3° au plus tard deux mois après dépôt de la demande, le Gouvernement flamand prend une décision. Cette décision se fait en fonction de l'afflux de primo-arrivants allophones attendus et de l'offre existante d'enseignement d'accueil adaptée ou non aux besoins. Lors d'une décision favorable, il est également déterminé à partir de quelle date une année d'accueil pourra être organisée.]2

  
Art. 179/4. [1 Structuuronderdelen die zijn opgericht met toepassing van de volgende regelgeving, en vanaf 1 september 2018 ononderbroken georganiseerd blijven, zijn niet onderworpen aan programmatie:
   1° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 april 2016 betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in het secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 10 juni 2016, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2017 tot uitbreiding van het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren en houdende diverse maatregelen betreffende basis- en secundair onderwijs, leertijd en leerlingenbegeleiding;
   2° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in de leertijd, bekrachtigd bij het decreet van 10 juni 2016, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2017 tot uitbreiding van het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren en houdende diverse maatregelen betreffende basis- en secundair onderwijs, leertijd en leerlingenbegeleiding.
   Een structuuronderdeel als vermeld in het eerste lid, blijft in voorkomend geval in het tweede leerjaar van de derde graad tijdens het schooljaar 2018-2019 georganiseerd op basis van het standaardtraject van het schooljaar 2017-2018.]1

  
Art. 179/4. [1 Des subdivisions structurelles qui sont créées en application de la réglementation suivante et continuent à être organisées sans interruption à partir du 1er septembre 2018 ne sont pas soumises à la programmation :
   1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 avril 2016 relatif au projet temporaire " schoolbank op de werkplek " (banc d'école sur le lieu du travail) relatif à l'apprentissage dual dans l'enseignement secondaire, sanctionné par le décret du 10 juin 2016, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juillet 2017 relatif à l'extension du projet temporaire " schoolbank op de werkplek " (apprentissage à l'école et en entreprise) dans le cadre de la formation duale et portant diverses mesures relatives à l'enseignement fondamental et secondaire, à l'apprentissage et à l'encadrement des élèves ;
   2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 relatif au projet temporaire " schoolbank op de werkplek " (banc d'école sur le lieu de travail) consacré à la formation duale en période d'apprentissage, sanctionné par le décret du 10 juin 2016, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juillet 2017 relatif à l'extension du projet temporaire " schoolbank op de werkplek " (apprentissage à l'école et en entreprise) dans le cadre de la formation duale et portant diverses mesures relatives à l'enseignement fondamental et secondaire, à l'apprentissage et à l'encadrement des élèves.
   Une subdivision structurelle telle que visée à l'alinéa 1er continue à être organisée, le cas échéant, dans la deuxième année d'études du troisième degré pendant l'année scolaire 2018-2019 sur la base du parcours standard de l'année scolaire 2017-2018.]1

  
Afdeling 4. -
Section 4.
Afdeling 5.
Section 5.
HOOFDSTUK 4. - Rationalisatie en fusie
CHAPITRE 4. - Rationalisation et fusion
Afdeling 1. - Rationalisatienormen
Section 1re. - Normes de rationalisation
Art. 190. § 1.Voor elke school geldt een rationalisatienorm.
  § 2. De rationalisatienorm wordt, op basis van de gradenstructuur van de school, als volgt vastgesteld :
  1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
  a) met enkel een eerste graad : 111;
  b) met een eerste + tweede graad : 200;
  c) met een tweede + derde graad : 150;
  d) met een eerste + tweede + derde graad : 261;
  2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een [1 onderwijsinternaat]1 verblijven :
  a) met enkel een eerste graad : 83;
  b) met een eerste + tweede graad : 150;
  c) met een tweede + derde graad : 113;
  d) met een eerste + tweede + derde graad : 196. (189)
  
Art. 190. § 1er. Chaque école est régie par une norme de rationalisation.
  § 2. La norme de rationalisation est fixée comme suit, sur la base de la structure à degrés de l'école :
  1° pour les écoles ne relevant pas du 2° :
  a) offrant uniquement le premier degré : 111;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 200;
  c) offrant les deuxième et troisième degrés : 150;
  d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 261;
  2° pour les écoles situées dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale ou dans une commune où la densité de population est inférieure à 250 habitants par km5 et pour les écoles dont plus de 75 % des élèves réguliers demeurent dans un [1 internat de l'enseignement]1 :
  a) offrant uniquement le premier degré : 83;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 150;
  c) offrant les deuxième et troisième degrés : 113;
  d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 196. (189)
  
Art. 191. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die tot een scholengemeenschap behoort met 15 % verminderd zoals hierna bepaald :
  1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
  a) met enkel een eerste graad : 94;
  b) met een eerste + tweede graad : 170;
  c) met een tweede + derde graad : 129;
  d) met een eerste + tweede + derde graad : 223;
  2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een [1 onderwijsinternaat]1 verblijven :
  a) met enkel een eerste graad : 71;
  b) met een eerste + tweede graad : 128;
  c) met een tweede + derde graad : 97;
  d) met een eerste + tweede + derde graad : 168. (190)
  
Art. 191. Par dérogation à l'article 190, § 2, la norme de rationalisation est réduite de 15 % pour une école appartenant à un centre d'enseignement, tel qu'il est stipulé ci-après :
  1° pour les écoles ne relevant pas du 2° :
  a) offrant uniquement le premier degré : 94;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 170;
  c) offrant les deuxième et troisième degrés : 129;
  d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 223;
  2° pour les écoles situées dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale ou dans une commune où la densité de population est inférieure à 250 habitants par km2 et pour les écoles dont plus de 75 % des élèves réguliers demeurent dans un [1 internat de l'enseignement]1 :
  a) offrant uniquement le premier degré : 71;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 128;
  c) offrant les deuxième et troisième degrés : 97;
  d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 168. (190)
  
Art. 192. § 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 4 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald :
  1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
  a) met enkel een eerste graad : 74;
  b) met een eerste + tweede graad : 133;
  2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een [3 onderwijsinternaat]3 verblijven :
  a) met enkel een eerste graad : 55;
  b) met een eerste + tweede graad : 99.
  § 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 6 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald :
  1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
  a) met een tweede + derde graad : 100;
  b) met een eerste + tweede + derde graad : 174;
  2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
  a) met een tweede + derde graad : 75;
  b) met een eerste + tweede + derde graad : 130.
  § 3. Voor de vaststelling of een school binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met :
  1° een school die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt; voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :
  a) uniek : per onderwijsnet slechts een keer georganiseerd per provincie dan wel in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad;
  b) [2 b) structuuronderdeel:
   1) alle structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad, met uitzondering van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B;
   2) het hoger beroepsonderwijs]2
;
  2° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
  a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en
  b) [4 die uitsluitend leerplannen hanteert die het schoolbestuur zelf heeft ontwikkeld en die uitsluitend binnen dat schoolbestuur van toepassing zijn; en]4
  c) die ressorteert onder een schoolbestuur dat in de betrokken gemeente slechts één school organiseert. (191)
  
Art. 192. § 1er. Par dérogation à l'article 190, § 2, la norme de rationalisation est réduite de 33 % pour une école n'offrant pas de troisième degré qui est située à une distance d'au moins 4 km d'une autre école appartenant au même réseau et, pour ce qui est de l'enseignement libre subventionné, organisant au moins une même religion reconnue ou adhérant à une même philosophie, dans lequel est/sont organisé(s) le(s) même(s) degré(s), tel qu'il est stipulé ci-après :
  1° pour les écoles ne relevant pas du 2° :
  a) offrant uniquement le premier degré : 74;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 133;
  2° pour les écoles situées dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale ou dans une commune où la densité de population est inférieure à 250 habitants par km2 et pour les écoles dont plus de 75 % des élèves réguliers demeurent dans un [3 internat de l'enseignement]3 :
  a) offrant uniquement le premier degré : 55;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 99.
  § 2. Par dérogation à l'article 190, § 2, la norme de rationalisation est réduite de 33 % pour une école offrant un troisième degré qui est située à une distance d'au moins 6 km d'une autre école appartenant au même réseau et, pour ce qui est de l'enseignement libre subventionné, organisant au moins une même religion reconnue ou adhérant à une même philosophie, dans lequel est organisé le même degré, tel qu'il est stipulé ci-après :
  1° pour les écoles ne relevant pas du 2° :
  a) offrant les deuxième et troisième degrés : 100;
  b) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 174;
  2° pour les écoles situées dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale ou dans une commune où la densité de population est inférieure à 250 habitants par km2 et pour les écoles dont plus de 75 % des élèves réguliers demeurent dans un [3 internat de l'enseignement]3 :
  a) offrant les deuxième et troisième degrés : 75;
  b) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 130.
  § 3. Pour établir si une école tombe ou non dans la distance visée au § 1er ou § 2, il n'est pas tenu compte :
  1° d'une école qui n'offre que des subdivisions structurelles uniques; pour l'application de la présente disposition il faut entendre par :
  a) unique : organisée une seule fois par réseau d'enseignement, par province ou dans arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale;
  b)[2 subdivision structurelle :
   1) toutes les subdivisions structurelles des premier, deuxième et troisième degrés, à l'exception de la première année d'études A et de la première année d'études B ;
   2) l'enseignement supérieur professionnel HBO5 ;]2

  2° une école de l'enseignement libre subventionné :
  a) qui n'organise ni le cours de religion ni le cours de morale non confessionnelle, mais bien le cours de formation culturelle ou de culture et de religion propres; et
  b) [4 qui utilise exclusivement des programmes d'études élaborés par l'autorité scolaire elle-même et qui ne s'appliquent qu'au sein de celle-ci ; et]4
  c) qui relève d'une autorité scolaire n'organisant qu'une seule école dans la commune concernée. (191)
  
Art. 193. § 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 8 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald :
  1° met enkel een eerste graad : 37;
  2° met een eerste + tweede graad : 67.
  § 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 12 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald :
  1° met een tweede + derde graad : 50;
  2° met een eerste + tweede + derde graad : 87.
  § 3. Voor de vaststelling of een school binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met scholen, bedoeld in artikel 192, § 3. (192)
Art. 193. § 1er. Par dérogation à l'article 190, § 2, la norme de rationalisation est réduite de 66 % pour une école n'offrant pas de troisième degré qui est située à une distance d'au moins 8 km d'une autre école appartenant au même réseau et, pour ce qui est de l'enseignement libre subventionné, organisant au moins une même religion reconnue ou adhérant à une même philosophie, dans lequel est/sont organisé(s) le(s) même(s) degré(s), tel qu'il est stipulé ci-après :
  1° offrant uniquement le premier degré : 37;
  2° offrant les premier et deuxième degrés : 67.
  § 2. Par dérogation à l'article 190, § 2, la norme de rationalisation est réduite de 66 % pour une école offrant un troisième degré qui est située à une distance d'au moins 12 km d'une autre école appartenant au même réseau et, pour ce qui est de l'enseignement libre subventionné, organisant au moins une même religion reconnue ou adhérant à une même philosophie, dans lequel est organisé le même degré, tel qu'il est stipulé ci-après :
  1° offrant les deuxième et troisième degrés : 50;
  2° offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 87.
  § 3. Pour établir si une école tombe ou non dans la distance visée au § 1er ou § 2, il n'est pas tenu compte des écoles visées à l'article 192, § 3. (192)
Art. 194. § 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt zoals bedoeld in artikel 192, § 3, 1°, als volgt vastgesteld :
  1° met enkel een eerste graad : 37;
  2° met een eerste + tweede graad : 67;
  3° met een tweede + derde graad : 50;
  4° met een eerste + tweede + derde graad : 87.
  § 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
  a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en
  b) [1 die uitsluitend leerplannen hanteert die het schoolbestuur zelf heeft ontwikkeld en die uitsluitend binnen dat schoolbestuur van toepassing zijn; en]1
  c) die ressorteert onder een schoolbestuur dat in de betrokken gemeente slechts één school organiseert, als volgt vastgesteld :
  1° met enkel een eerste graad : 37;
  2° met een eerste + tweede graad : 67;
  3° met een tweede + derde graad : 50;
  4° met een eerste + tweede + derde graad : 87. (193)
  
Art. 194. § 1er. Par dérogation à l'article 190, § 2, la norme de rationalisation est fixée comme suit pour une école qui n'offre que des subdivisions structurelles uniques telles que visées à l'article 192, § 3, 1° :
  1° offrant uniquement le premier degré : 37;
  2° offrant les premier et deuxième degrés : 67;
  3° offrant les deuxième et troisième degrés : 50;
  4° offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 87.
  § 2. Par dérogation à l'article 190, § 2, la norme de rationalisation est établie comme suit pour une école de l'enseignement libre subventionné :
  a) qui n'organise ni le cours de religion ni le cours de morale non confessionnelle, mais bien le cours de formation culturelle ou de culture et de religion propres; et
  b) [1 qui utilise exclusivement des programmes d'études élaborés par l'autorité scolaire elle-même et qui ne s'appliquent qu'au sein de celle-ci ; et]1
  c) qui relève d'une autorité scolaire n'organisant qu'une seule école dans la commune concernée :
  1° offrant uniquement le premier degré : 37;
  2° offrant les premier et deuxième degrés : 67;
  3° offrant les deuxième et troisième degrés : 50;
  4° offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 87. (193)
  
Art. 195. § 1. De rationalisatienorm voor een school die enkel [1 ...]1 hoger beroepsonderwijs organiseert, wordt vastgesteld op 100.
  § 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 190 tot en met 194 worden verhoogd met 100 indien de school naast andere graden eveneens[1 ...]1 hoger beroepsonderwijs organiseert. (194)
  
Art. 195. § 1er. La norme de rationalisation pour une école n'offrant que[1 ...]1 ou l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 est fixée à 100.
  § 2. Les normes de rationalisation respectives citées aux articles 190 à 194 inclus sont majorées de 100, si l'école organise, outre d'autres degrés, également [1 ...]1 l'enseignement supérieur professionnel HBO-5. (194)
  
Art. 196. § 1. [3 In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die uitsluitend maritiem onderwijs organiseert, op de volgende wijze vastgesteld:
   1° met enkel een eerste graad: 37;
   2° met een eerste + tweede graad: 67;
   3° met een tweede + derde graad: 50;
   4° met een eerste + tweede + derde graad: 87]3
.
  § 2. [1 [2 De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1, zijn niet vereist als de school de enige is die in het onderwijsnet in kwestie maritiem onderwijs en, eventueel, inhoudelijk naar maritiem onderwijs gerichte structuuronderdelen natuurwetenschappen (tweede graad aso) en wetenschappen-wiskunde (derde graad aso) organiseert.]2]1
  
Art. 196. § 1er. [3 Par dérogation à l'article 190, § 2, la norme de rationalisation pour une école qui organise exclusivement l'enseignement maritime est établie comme suit :
   1° avec uniquement un premier degré : 37 ;
   2° avec un premier + deuxième degré : 67 ;
   3° avec un deuxième + troisième degré : 50 ;
   4° avec premier + deuxième + troisième degré : 87]3
.
  § 2. [1 [2 Les normes de rationalisation visées au paragraphe 1er ne sont pas requises si l'école est la seule à organiser dans le réseau d'enseignement concerné un enseignement maritime et, éventuellement, des subdivisions structurelles " natuurwetenschappen " (deuxième degré ESG) et " wetenschappen-wiskunde " (troisième degré ESG), axées sur l'enseignement maritime.]2]1
  
Art. 197. [1 In afwijking van artikel 190, § 1, geldt geen rationalisatienorm voor een school die enkel structuuronderdelen Ballet organiseert behoudens, eventueel, structuuronderdelen van de eerste graad en het structuuronderdeel 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs Bijzondere vorming Dans.]1
  
Art. 197. [1 Par dérogation à l'article 190, § 1er, aucune norme de rationalisation ne s'applique à l'école qui organise exclusivement des subdivisions structurelles Ballet sauf, éventuellement, des subdivisions structurelles du premier degré et la subdivision structurelle 7e année d'études préparatoire à l'enseignement supérieur Formation spéciale Danse. ]1
  
Art. 197/1. [1 § 1. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 51, 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid:
   1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 22 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
   2° de rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;
   3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 50 van het voormelde decreet.
   De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze:
   1° voor een instelling in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor een instelling waarvan meer dan 75% van de regelmatige leerlingen in een [2 onderwijsinternaat]2 verblijft:
   a) met alleen een eerste graad: 55;
   b) met een eerste en tweede graad: 99;
   c) met een tweede en derde graad: 75;
   d) met een eerste, tweede en derde graad: 130;
   2° voor een instelling die niet ressorteert onder punt 1° :
   a) met alleen een eerste graad: 74;
   b) met een eerste en tweede graad: 133;
   c) met een tweede en derde graad: 100;
   d) met een eerste, tweede en derde graad: 174.
   § 2. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid:
   1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 23 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
   2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;
   3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 51 van het voormelde decreet.
   De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze:
   a) met alleen een eerste graad: 37;
   b) met een eerste en tweede graad: 67;
   c) met een tweede en derde graad: 50;
   d) met een eerste, tweede en derde graad: 87.
   § 3. Voor een instelling die:
   1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder toepassing valt van artikel 24 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 539 van 31 maart 1987;
   2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt;
   3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, niet onder toepassing valt van artikel 52, § 1, van hetzelfde decreet, wordt, tenzij de instelling onder toepassing valt van artikel 51 of 52, § 2, van hetzelfde decreet, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld:
   a) met alleen een eerste graad: 37;
   b) met een eerste en tweede graad: 67;
   c) met een tweede en derde graad: 50;
   d) met een eerste en tweede en derde graad: 87.]1

  
Art. 197/1. [1 § 1er. Pour un établissement remplissant toutes les conditions suivantes, la norme de rationalisation est fixée de la façon citée au deuxième alinéa, à moins que l'établissement ne relève de l'application de l'article 51, 52, § 1er, ou 52, § 2, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental :
   1° relever, pendant l'année scolaire 1997-1998, de l'application de l'article 22 de l'arrêté royal du 30 mars 1982 relatif aux centres d'enseignement secondaire et fixant le plan de rationalisation et de programmation de l'enseignement secondaire de plein exercice, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juillet 1989 ;
   2° avoir effectivement atteint la norme de rationalisation au 1er février 1998 ;
   3° ne pas être assujetti à l'article 50 du décret précité lors de l'entrée en vigueur du titre VI du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental.
   La norme de rationalisation visée à l'alinéa premier, est déterminée de la façon suivante :
   1° pour un établissement situé dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale ou dans une commune où la densité de population est inférieure à 250 habitants par km et pour un établissement dont plus de 75% des élèves réguliers demeurent dans un [2 internat de l'enseignement]2 :
   a) offrant uniquement le premier degré : 55 ;
   b) offrant les premier et deuxième degrés : 99 ;
   c) offrant les deuxième et troisième degrés : 75 ;
   d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 130 ;
   2° pour un établissement ne relevant pas du point 1° :
   a) offrant uniquement le premier degré : 74 ;
   b) offrant les premier et deuxième degrés : 133 ;
   c) offrant les deuxième et troisième degrés : 100 ;
   d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 174.
   § 2. Pour un établissement remplissant toutes les conditions suivantes, la norme de rationalisation est fixée de la façon citée au deuxième alinéa, à moins que l'établissement ne relève de l'application de l'article 52, § 1er, ou 52, § 2, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental :
   1° relever, pendant l'année scolaire 1997-1998, de l'application de l'article 23 de l'arrêté royal du 30 mars 1982 relatif aux centres d'enseignement secondaire et fixant le plan de rationalisation et de programmation de l'enseignement secondaire de plein exercice, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juillet 1989 ;
   2° avoir effectivement atteint la norme de rationalisation au 1er février 1998 ;
   3° ne pas être assujetti à l'article 51 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental lors de l'entrée en vigueur du titre VI dudit décret.
   La norme de rationalisation visée à l'alinéa premier, est déterminée de la façon suivante :
   a) offrant uniquement le premier degré : 37 ;
   b) offrant les premier et deuxième degrés : 67 ;
   c) offrant les deuxième et troisième degrés : 50 ;
   d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 87.
   § 3. La norme de rationalisation est déterminée comme suit pour un établissement qui :
   1° relève, pendant l'année scolaire 1997-1998, de l'application de l'article 24 de l'arrêté royal du 30 mars 1982 relatif aux centres d'enseignement secondaire et fixant le plan de rationalisation et de programmation de l'enseignement secondaire de plein exercice, modifié par l'arrêté royal n° 539 du 31 mars 1987 ;
   2° a effectivement atteint la norme de rationalisation mentionnée au 1° au 1er février 1998 ;
   3° n'est pas assujetti à l'article 52, § 1er, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental lors de l'entrée en vigueur du titre VI dudit décret, à moins que l'établissement ne relève de l'article 51 ou 52, § 2, dudit décret :
   a) offrant uniquement le premier degré : 37 ;
   b) offrant les premier et deuxième degrés : 67 ;
   c) offrant les deuxième et troisième degrés : 50 ;
   d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 87.]1

  
Art. 198. Elke school die de rationalisatienorm niet bereikt op 1 februari [1 van de twee voorafgaande schooljaren, dient op 1 september]1 :
  1° hetzij over te gaan tot geleidelijke afbouw, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste, van de af te bouwen graad of graden of tot geleidelijke afbouw van het hoger beroepsonderwijs, onverminderd het in artikel 134 gestelde;
  2° hetzij te fusioneren met een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs. (197)
  
Art. 198. Toute école qui, au 1er février [1 des deux années scolaires précédentes, n'atteint pas la norme de rationalisation, doit, au 1er septembre :]1
  1° soit procéder à la suppression progressive, année d'études après année d'études, à commencer par la première année, du/des degré(s) à supprimer, ou à la suppression progressive de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5, sans préjudice des dispositions de l'article 134;
  2° soit fusionner avec une autre école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein. (197)
  
Afdeling 2. - Fusie van scholen
Section 2. - Fusion d'écoles
Art. 200. Een fusie van scholen, al dan niet ingevolge het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm door één of meer scholen :
  1° houdt het ontstaan in van een school die niet als nieuw wordt beschouwd en die alle voorheen bestaande vestigingsplaatsen mag omvatten waaronder één hoofdvestigingsplaats;
  2° wordt in een keer tot stand gebracht, wat impliceert dat er nog slechts één schoolbestuur en één directeur is;
  3° vindt plaats :
  a) hetzij door samenvoeging tot één school van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft;
  b) hetzij door samenvoeging van twee of meer scholen waarbij één blijft bestaan die de andere opslorpt;
  4° kan betrekking hebben op één of meer scholen die in geleidelijke afbouw zijn.
  [1 5° wordt door het schoolbestuur of de schoolbesturen in kwestie uiterlijk op 1 mei van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1 (199)
  [1 Ook een afbouw van een school, al dan niet als gevolg van het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, wordt door het schoolbestuur in kwestie [2 uiterlijk 1 april]2 van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1
  
Art. 200. Une fusion d'écoles, résultant ou non du fait qu'une ou plusieurs écoles n'ont pas atteint la norme de rationalisation applicable :
  1° implique la création d'une école qui n'est pas considérée comme nouvelle et qui peut englober toutes les implantations déjà existantes dont une implantation principale;
  2° est réalisée en une seule fois, ce qui implique qu'il n'y a plus qu'une seule autorité scolaire et un seul directeur;
  3° s'effectue :
  a) soit par la réunion, en une école, de deux écoles ou plus qui sont supprimées simultanément;
  b) soit par la réunion de deux ou plusieurs écoles, où une des écoles continue à exister en absorbant l'autre;
  4° peut porter sur une ou plusieurs écoles qui sont supprimées progressivement. (199)
  [1 5° est notifiée par l'autorité scolaire ou les autorités scolaires en question, [2 au plus tard le 1er avril]2 de l'année scolaire précédente, à l''Agentschap voor Onderwijsdiensten'.]1
  [1 La suppression progressive d'une école, résultant ou non du fait qu'elle n'atteint pas la norme de rationalisation applicable, est également notifiée par l'autorité scolaire en question, au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente, à l''Agentschap voor Onderwijsdiensten'.]1
  
HOOFDSTUK 5. HOOFDSTUK 5. - [1 ...]1 overheveling
CHAPITRE 5. - [1 ...]1 transfert
Afdeling 1. -
Section 1re.
Afdeling 2.
Section 2.
Afdeling 3. - Overheveling
Section 3. - Transfert
Art. 206. [1 Vanaf 1 september kunnen een of meer structuuronderdelen tussen scholen worden overgeheveld onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
   1° alle structuuronderdelen, met uitzondering van nichestructuuronderdelen, en het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers komen voor overheveling in aanmerking;
   2° in voorkomend geval impliceert de overheveling van een duaal structuuronderdeel ook de overheveling van het gelijknamige niet-duale structuuronderdeel en omgekeerd. De overheveling van een duaal structuuronderdeel impliceert ook de overheveling van het gelijknamige aanloopstructuuronderdeel;
   3° de scholen behoren tot dezelfde scholengemeenschap of hetzelfde schoolbestuur;
   4° de school waarnaar wordt overgeheveld, organiseert al het studiedomein of een domeinoverschrijdend aso-aanbod, naargelang het geval, waartoe het overgehevelde structuuronderdeel behoort;
   5° de school waarnaar wordt overgeheveld, mag niet tot fusie of afbouw zijn verplicht doordat de toepasbare rationalisatienorm niet is bereikt;
   6° het schoolbestuur dat overhevelt, communiceert de overheveling uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de ouders en leerlingen;
   7° de school die een structuuronderdeel overhevelt, kan dat structuuronderdeel niet gelijktijdig programmeren.
   De overheveling, vermeld in het eerste lid, wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd:
   1° per betrokken school, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comitщ;
   2° in voorkomend geval, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de overheveling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
   Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van het werkingsbudget wordt de overheveling geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te hebben plaatsgevonden.]1

  
Art. 206. [1 A partir du 1er septembre, une ou plusieurs subdivisions structurelles peuvent être transférées d'une école à l'autre dans les conditions cumulatives suivantes :
   1° toutes les subdivisions structurelles, à l'exception des subdivisions structurelles de niche, et l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones sont éligibles au transfert ;
   2° le cas échéant, le transfert d'une subdivision structurelle duale implique également le transfert de la subdivision structurelle non duale du même nom, et vice versa. Le transfert d'une subdivision structurelle duale implique également le transfert de la subdivision structurelle de démarrage du même nom ;
   3° les écoles relèvent du même centre d'enseignement ou de la même autorité scolaire ;
   4° l'école vers laquelle le transfert est effectué organise déjà le domaine d'études ou une offre transversale de l'enseignement secondaire général, selon le cas, auquel appartient la subdivision structurelle transférée ;
   5° l'école vers laquelle le transfert est effectué ne doit pas avoir été contrainte de fusionner ou de réduire ses effectifs parce que la norme de rationalisation applicable n'a pas été atteinte ;
   6° l'autorité scolaire qui procède au transfert communique le transfert au préalable aux parents et aux élèves au plus tard le 1er avril ;
   7° l'école qui transfère une subdivision structurelle ne peut pas programmer cette subdivision structurelle en même temps.
   L'autorité scolaire communique le transfert, visé à l'alinéa 1er, par écrit aux services compétents de la Communauté flamande, au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente. La communication susmentionnée doit être accompagnée des documents suivants :
   1° par école concernée, le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;
   2° le cas échéant, un extrait du procès-verbal devant démontrer que le transfert est conforme aux accords conclus au sein de la communauté scolaire.
   Pour l'application des normes d'encadrement du personnel, l'application des normes minimales de population scolaire et la détermination du budget de fonctionnement, le transfert est censé déjà avoir eu lieu le 1er février de l'année scolaire précédente.]1

  
HOOFDSTUK 6. - Financiering en subsidiëring
CHAPITRE 6. - Financement et subventionnement
Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
Section 1re. - Financement et subventionnement des membres du personnel
Onderafdeling 1. - Directeur
Sous-section 1re. - Directeur
Art. 207. In het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 83 regelmatige leerlingen op de voorziene teldatum.
  In afwijking hierop wordt aan een school die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de school ten minste 120 regelmatige leerlingen telt op de voorziene teldatum.
  Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar[1 ...]1. De uren-leraar vallen binnen het urenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage. (206)
  
Art. 207. Dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, un emploi à temps plein de directeur est accordé à une école ayant au moins 83 élèves réguliers à la date habituelle de comptage.
  Par dérogation, un emploi à temps plein de directeur est octroyé à une école qui n'organise que le premier degré ou les premier et deuxième degrés et qui, depuis le 1er septembre 1989, a été repris dans le régime de financement ou de subventionnement, si l'école compte au moins 120 élèves réguliers à la date habituelle de comptage.
  Si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint, le directeur se voit attribuer une charge d'enseignement égale à une demi-charge d'enseignement, diminuée de quatre périodes-professeur [1 ...]1. Les périodes-professeur tombent dans le capital-périodes. Il conserve cependant le droit à l'échelle de traitement de directeur avec une charge complète ou à la subvention-traitement correspondante. (206)
  
Art. 208. Van zodra de titularis van het ambt van directeur van een ingebouwde middenschool, bedoeld in het tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde instellingen voor secundair onderwijs, ontslag neemt, met pensioen gaat, een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen neemt, muteert of overlijdt, wordt de betrokken school niet meer als een ingebouwde middenschool beschouwd. (207)
Art. 208. A partir du moment où le titulaire de la fonction de directeur d'une 'middenschool' intégrée, visée à l'arrêté royal du 15 décembre 1982 fixant les appellations et la structure des établissements d'enseignement secondaire de l'Etat, donne sa démission, prend sa retraite, est mis en disponibilité pour convenance personnelle préalablement à la pension de retraite, est muté ou décède, l'école concernée n'est plus considérée comme une 'middenschool' intégrée. (207)
Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel
Sous-section 2. - Personnel enseignant
Art. 209. § 1. Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend, is opgebouwd uit :
  1° een aantal uren-leraar voor het onderwijzen van vakken, zonder rekening te houden met de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie, alsook een aantal uren-leraar die geen lesuren zijn, bestemd voor andere prestaties dan voor het onderwijzen van vakken en aangeduid als "pedagogische ondersteuning", niet inbegrepen.
  Het aantal uren-leraar kan worden verhoogd voor de scholen gelegen in de gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners/km2, voor de Nederlandstalige scholen gelegen in het arrondissement Brussel - Hoofdstad, voor de scholen die toepassing maken van de bepalingen van artikel 192 tot en met 195 inzake rationalisatienormen en voor de op basis van objectieve criteria aangeduide categorieën leerlingen of scholen;
  2° [2 Deze bepaling is alleen van toepassing op de structuuronderdelen met levensbeschouwelijk onderricht in de basisvorming.]2.
  Deze bepaling is niet van toepassing op :
  1° het derde leerjaar van de derde graad van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs, aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;
  2° de Se-n-Se van het technisch en het kunstsecundair onderwijs;
  3° de vierde graad;
  4° het hoger beroepsonderwijs.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan een school kan worden toegekend.
  [1 Bij de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs wordt de berekeningswijze van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan een school kan worden toegekend die op 1 september 2021 van kracht is, maximaal behouden, met dien verstande dat:
   1° de coëfficiënt uren-leraar per regelmatige leerling in een structuuronderdeel vóór de modernisering waar mogelijk wordt doorgetrokken naar het, door de concordantie, overeenkomstige structuuronderdeel vanaf de modernisering;
   2° specifieke uren-leraar, al dan niet per regelmatige leerling of groep van regelmatige leerlingen, in een structuuronderdeel of groep van structuuronderdelen vóór de modernisering worden doorgetrokken naar de, door de concordantie, overeenkomstige structuuronderdelen vanaf de modernisering;
   3° als uren-leraar aan disciplines zijn gekoppeld, artikel 133/4, § 1/1, van toepassing is.]1

  De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden een aanwendingspercentage vastleggen van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school toegekend wordt. (208)
  
Art. 209. § 1er. Le nombre de périodes-professeurs hebdomadaires octroyé à chaque école comporte :
  1° un nombre de périodes-professeur pour l'enseignement des cours, compte non tenu des cours de religion, morale non confessionnelle, formation culturelle et culture et religion propres, ainsi qu'un certain nombre de périodes-professeur qui ne sont pas des heures de cours, mais sont consacrées à d'autres prestations que l'enseignement de cours et portent la dénomination 'soutien pédagogique'.
  Le nombre de périodes-professeur peut être majoré pour les écoles situées dans les communes comptant moins de 125 habitants/km2, pour les écoles du régime néerlandais dans l'arrondissement de Bruxelles-Capitale, pour les écoles appliquant les dispositions des articles 192 à 195 en matière de normes de rationalisation et pour les catégories d'élèves ou d'écoles désignées sur la base de critères objectifs;
  [2 La présente disposition s'applique uniquement aux subdivisions structurelles ayant l'enseignement philosophique dans la formation de base.]2
  Cette disposition ne s'applique pas :
  1° à la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire général et artistique, indiquée comme année préparatoire à l'enseignement supérieur;
  2° à la 'Se-n-Se' de l'enseignement secondaire technique et artistique;
  3° au quatrième degré;
  4° à l'enseignement supérieur professionnel HBO-5.
  § 2. Le Gouvernement flamand détermine le mode de calcul du nombre de périodes-professeur hebdomadaires attribué à une école.
  [1 Dans le cadre du déploiement progressif de la modernisation de l'enseignement secondaire, le mode de calcul du nombre de périodes-professeur pouvant être attribuées à une école en vigueur au 1er septembre 2021 est conservé dans toute la mesure du possible, étant entendu que :
   1° le coefficient périodes-professeur par élève régulier dans une subdivision structurelle avant la modernisation est étendu, si possible, à la subdivision structurelle correspondante par la concordance à partir de la modernisation ;
   2° les périodes-professeur spécifiques, par élève régulier ou groupe d'élèves réguliers ou non, dans une subdivision structurelle ou un groupe de subdivisions structurelles avant la modernisation sont étendues aux subdivisions structurelles correspondantes par la concordance à partir de la modernisation ;
   3° si des périodes-professeur sont liées à des disciplines, l'article 133/4, § 1er/1, est d'application.]1

  Le Gouvernement flamand peut déterminer un pourcentage d'utilisation du nombre de périodes-professeur hebdomadaires attribué à chaque école, sur la base des possibilités budgétaires. (208)
  
Art. 210. Voor scholen die niet tot een scholengemeenschap zijn toegetreden, wordt het aantal wekelijkse uren-leraar, na toepassing van de reglementair voorziene berekeningswijze en aanwendingspercentage, verhoogd met 1 %.
  Deze bijkomende uren-leraar worden door de betrokken scholen aangewend op de wijze zoals bepaald in artikel 65. (209)
Art. 210. Pour les écoles n'ayant pas adhéré à un centre d'enseignement, le nombre de périodes-professeur hebdomadaires est augmenté de 1 %, après application du mode de calcul et du pourcentage d'utilisation réglementairement prévus.
  Ces périodes-professeur supplémentaires sont utilisées par les écoles intéressées suivants le mode fixé à l'article 65. (209)
Art. 211. § 1. De aanwending van het aantal wekelijks aantal uren-leraar dat elke school verkrijgt, is vrij, onverminderd de beperkingen gesteld door of krachtens een decreet.
  Het wekelijks aantal uren-leraar kan eveneens worden aangewend binnen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan de school waaraan de uren-leraar worden toegekend.
  Onder aantal uren-leraar worden verstaan de uren verkregen in toepassing van artikel 209, evenals de uren-leraar waarover een school kan beschikken na herverdeling van uren-leraar door zijn schoolbestuur, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap.
  § 2. De aanwending van het wekelijkse aantal uren-leraar vindt plaats onder vorm van hetzij lesuren hetzij uren die geen lesuren zijn.
  Onder uren die geen lesuren zijn, wordt verstaan :
  1° enerzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters, meer bepaald "interne pedagogische begeleiding", "bijzondere pedagogische taken", "nascholing", [3 aanvangsbegeleiding]3 "inhaallessen", "klassenraad" en "klassendirectie". Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een school met beroepssecundair onderwijs;
  2° anderzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die, zoals lesuren, wel betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters doch die niet binnen de context van vakken kunnen worden gevat, meer bepaald "seminaries". Seminaries kunnen uitsluitend worden georganiseerd buiten de basisvorming, [2 ...]2 de basisoptie en het fundamenteel gedeelte van de optie. Een opdracht seminaries moet steeds als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden en vergt altijd het akkoord van het personeelslid dat er wordt mee belast.
  § 3. [1 [7 Een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs kan het wekelijks aantal uren-leraar, vermeld in paragraaf 1, ook aanwenden voor het inzetten van een gastleraar in volgende structuuronderdelen:
   1А alle structuuronderdelen van het studiegebied Ballet van de tweede en de derde graad kso;
   2А alle structuuronderdelen van de derde graad tso;
   3А alle structuuronderdelen van de derde graad bso;
   4А hbo-verpleegkunde.
   Het aantal lesuren van de wekelijkse lessentabel van het betrokken structuuronderdeel dat, omgerekend naar schooljaarbasis, aan gastleraren kan worden besteed, bedraagt maximum 2, uitgezonderd in de structuuronderdelen van het studiegebied Ballet en Integrale Veiligheid, waar het maximum 6 bedraagt.
   Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of centrumbestuur of van het personeel van de school of het centrum. Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, geeft in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, gastlessen in de school, in het centrum of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.
   Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van het voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde gastleraar die gastlessen geeft in een school die of in een centrum dat in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De gastleraar bewijst die vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1А met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2А met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3А met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4А met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   Bij de wijze van aanwending, vermeld in het eerste lid, worden uren-leraar omgezet in een krediet ten belope van de lesopdracht van de gastleraar. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per uur-leraar dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.]7
]1

  [4 § 3bis. [7 In afwijking van paragraaf 3, eerste en tweede lid, kan een schoolbestuur [8 van 1 september 2025 tot en met 31 augustus 2030]8 in het voltijds secundair onderwijs in elk structuuronderdeel uren-leraar aanwenden voor van het inzetten van gastleraren en dit voor een maximum van een derde van de lesuren van de wekelijkse lessentabel van het betrokken structuuronderdeel.
   Deze maatregel wordt geëvalueerd tijdens [8 het schooljaar 2025-2026 en 2029-2030]8.]7
.]4

  [5 § 4. Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur [8 tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030]8 maximaal 20% van de aan de school toegekende [7 vacante]7 uren-leraar, vermeld in artikel 209, § 1, 1°, 226, 227, 234 en 235, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel.
   De omzettingen, vermeld in het eerste lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van uren-leraar als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd opgericht in een ambt van het ondersteunend personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de uren-leraar vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat.
  [8 In afwijking van het eerste en tweede lid kan een schoolbestuur bij een tekort aan onderwijzend personeel voor haar scholen die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad tijdens het schooljaar 2025-2026 meer dan 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in het eerste lid, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel. De omzettingen kunnen gebeuren vanaf 1 september 2025 onder al de volgende voorwaarden:
   1° het schoolbestuur legt per school een voorstel om af te wijken van de ingangsdatum van 1 oktober, vermeld in het tweede lid, en van het maximum van 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in het eerste lid, voor onderhandeling voor in het bevoegde lokaal comité;
   2° het schoolbestuur moet, voordat het overgaat tot omzetting van de vacante uren-leraar ten aanzien van die vacante uren-leraar op 1 september de verplichtingen tot reaffectatie of wedertewerkstelling, vermeld in artikel 36, § 2, A, 1° tot en met 3°, artikel 36, § 2, B, 1° en 2°, en artikel 36, § 2, C, 1° tot en met 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, zoals die van kracht waren op 31 augustus 2025, naleven;
   3° het schoolbestuur moet, voordat het overgaat tot omzetting van de vacante uren-leraar ten aanzien van die vacante uren-leraar op 1 september het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur naleven van de tijdelijke personeelsleden die daar een beroep op kunnen doen volgens artikel 21 of 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 23 of 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.]8

   De punten die verkregen worden door de omzetting, [8 vermeld in het eerste en derde lid]8, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uren-leraar kunnen worden omgezet in punten voor het ondersteunend personeel.
   De criteria om het tekort aan onderwijzend personeel te bepalen en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel als [8 vermeld in het eerste en derde lid]8, worden vastgelegd na onderhandeling in het bevoegde lokale comité.
   De betrekkingen die opgericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als [8 vermeld in het eerste en derde lid]8, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.]5

  
Art. 211. § 1er. L'utilisation du nombre de périodes-professeur hebdomadaires que chaque école obtient est libre, sans préjudice des restrictions imposées par un décret ou en vertu de celui-ci.
  Le nombre de périodes-professeur hebdomadaires peut également être utilisé au sein du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui est lié à l'école à laquelle les périodes-professeur sont accordées.
  Par 'périodes-professeur' il faut entendre les périodes obtenues en application de l'article 209, ainsi que les périodes-professeur dont une école peut disposer à la suite de la redistribution de périodes-professeur par son autorité scolaire, à la suite de la reprise de périodes-professeur de l'année scolaire précédente ou d'une autre école, à la suite d'une fusion ou de l'adhérence à un centre d'enseignement.
  § 2. L'utilisation du nombre de périodes-professeur hebdomadaires s'opère sous forme soit d'heures de cours soit d'heures qui ne sont pas des heures de cours.
  Par 'heures qui ne sont pas des heures de cours', il faut entendre :
  1° d'une part des charges du personnel enseignant qui ne se rapportent pas à la réalisation des horaires hebdomadaires, notamment 'l'encadrement pédagogique interne', 'les tâches pédagogiques spéciales', 'le recyclage', [3 l'encadrement initial ]3 'les cours de rattrapage', 'le conseil de classe' et 'la direction de classe'. L'encadrement pédagogique interne ne peut être organisé que dans une école d'enseignement secondaire professionnel;
  2° d'autre part des charges du personnel enseignant qui, comme des heures de cours, se rapportent à la réalisation des horaires hebdomadaires mais qui ne relèvent pas des branches, notamment les 'séminaires'. Les séminaires ne peuvent être organisés qu'en dehors de la formation de base, [2 ...]2 de l'option de base et de la partie fondamentale de l'option. Une charge >séminaires' doit toujours être offerte comme emploi séparé et requiert l'accord du membre du personnel qui en est chargé.
  § 3. [1 [7 Une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel peut également utiliser le nombre de périodes-professeur hebdomadaires, visé au paragraphe 1er, pour l'engagement d'un enseignant invité dans les subdivisions structurelles suivantes :
   1° toutes les subdivisions structurelles de la discipline Ballet des deuxième et troisième degrés ESA ;
   2° toutes les subdivisions structurelles du troisième degré EST ;
   3° toutes les subdivisions structurelles du troisième degré ESP ;
   4° une formation HBO-5 de nursing.
   Le nombre d'heures de cours de la grille horaire hebdomadaire de la subdivision structurelle concernée pouvant être destiné, sur la base d'une année scolaire, à des enseignants invités, est de 2 au maximum, sauf dans les subdivisions structurelles de la discipline Ballet et Sécurité intégrale, où le maximum est de 6.
   Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, est une personne qui ne fait pas partie de l'autorité scolaire ou de l'autorité du centre ou du personnel de l'école ou du centre. Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, donne en nom propre ou au service d'une organisation ou entreprise du secteur public ou privé des cours d'invité dans l'école, dans le centre ou à un autre endroit dans le cadre de la réalisation du programme d'enseignement et sur la base de son expertise ou expérience en ce qui concerne le marché du travail et le monde des affaires.
   Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation. De plus, l'enseignant invité précité qui donne des cours d'invité dans une école ou un centre situé dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontre qu'il maîtrise la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. L'enseignant invité prouve cette connaissance linguistique requise précitée de l'une des manières suivantes :
   1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
   2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
   Dans le mode d'affectation, visé à l'alinéa 1er, des périodes-professeur sont converties en crédit à concurrence de la mission d'enseignement de l'enseignant invité. Le Gouvernement flamand détermine le mode de notification de la conversion précitée au service compétent désigné par le Gouvernement flamand, le montant du crédit par période-professeur qui est convertie et le mode d'attribution du crédit. ]7
.]1

  [4 § 3bis. [7 Par dérogation au paragraphe 3, alinéas 1er et 2, [8 du 1er septembre 2025 au 31 août 2030]8 inclus, une autorité scolaire peut utiliser dans l'enseignement secondaire à temps plein, dans chaque subdivision structurelle, des périodes-professeur pour l'engagement d'enseignants invités, et ce pour un maximum d'un tiers des heures de cours de la grille horaire hebdomadaire de la subdivision structurelle concernée.
   Cette mesure sera évaluée pendant [8 les années scolaires 2025-2026 et 2029-2030]8.]7
]4

  [5 § 4. En cas de pénurie de personnel enseignant, l'autorité scolaire peut, [8 pendant les années scolaires 2025-2026 à 2029-2030]8, convertir jusqu'à maximum 20 % des périodes-professeur [7 vacantes]7 accordées à l'école, mentionnées aux articles 209, § 1er, 1°, 226, 227, 234 et 235, en points pour leur utilisation dans des fonctions du personnel d'appui.
   Les conversions visées à l'alinéa 1er peuvent se faire, chaque fois, à partir du 1er octobre de l'année scolaire en cours et restent valables pendant toute la durée de l'année scolaire en cours. Par dérogation à cette disposition, la conversion de périodes-professeur prend fin si le membre du personnel désigné dans un emploi qui a été organisé via la conversion précitée dans une fonction du personnel d'appui, démissionne volontairement pendant l'année scolaire selon l'article 25 du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou selon l'article 26 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné. Dans ce cas, la conversion prend fin pour la partie correspondante des périodes-professeur à partir du moment où la démission prend effet.
  [8 Par dérogation aux alinéas 1er et 2, en cas de pénurie de personnel enseignant pour ses écoles situées en région bilingue de Bruxelles-Capitale, une autorité scolaire peut convertir, pendant l'année scolaire 2025-2026, plus de 20 % des périodes-professeur vacantes allouées à l'école, visées à l'alinéa 1er, en points à utiliser dans des fonctions du personnel d'appui. Les conversions peuvent se faire à partir du 1er septembre 2025 selon toutes les conditions suivantes :
   1° l'autorité scolaire soumet par école une proposition de dérogation à la date d'entrée du 1er octobre, visée à l'alinéa 2, et au maximum de 20 % des périodes-professeur vacantes allouées à l'école, visé à l'alinéa 1er, aux négociations au sein du comité local compétent ;
   2° avant de procéder à la conversion des périodes-professeur vacantes, l'autorité scolaire doit respecter, à l'égard de ces périodes-professeur vacantes, au 1er septembre, les obligations de réaffectation ou de remise au travail, visées à l'article 36, § 2, A, 1° à 3°, à l'article 36, § 2, B, 1° et 2°, et à l'article 36, § 2, C, 1° à 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, telles qu'en vigueur le 31 août 2025 ;
   3° avant de procéder à la conversion des périodes-professeur vacantes, l'autorité scolaire doit respecter, à l'égard de ces périodes-professeur vacantes, au 1er septembre, le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue des membres du personnel temporaires qui peuvent y faire appel selon l'article 21 ou 21bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire ou selon l'article 23 ou 23bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.]8

   Les points obtenus par la conversion, [8 mentionnés aux alinéas 1er et 3]8, sont utilisés au maximum pour soutenir l'enseignant dans les écoles afin qu'il puisse se concentrer sur sa tâche principale : enseigner.
   Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les périodes-professeur peuvent être converties en points pour le personnel d'appui.
   Les critères permettant de déterminer la pénurie de personnel enseignant et l'utilisation dans des fonctions du personnel d'appui, tels que [8 visés aux alinéas 1er et 3]8, sont déterminés après négociation au sein du comité local compétent.
   Les emplois organisés dans des fonctions du personnel d'appui, tels que [8 visés aux alinéas 1er et 3]8, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans ces emplois.]5

  
Art. 211/1. [1 Een schoolbestuur kan bij een tekort van onderwijzend personeel op de arbeidsmarkt een deel van zijn omkadering voor het onderwijzend personeel van een of meer van zijn scholen telkens voor maximaal щщn schooljaar aanwenden om via een overeenkomst van dienstverlening tussen het schoolbestuur en een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector in die school of scholen een of meer werknemers van die organisatie of onderneming in dienst te nemen via een dienstverleningsovereenkomst. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn niet van toepassing op de voormelde werknemers.
   Bij de wijze van aanwending van de omkadering voor het onderwijzend personeel, vermeld in het eerste lid, kan het schoolbestuur dat het personeelslid in dienst neemt, uren-leraar van een of meer van zijn scholen, vermeld in het eerste lid, omzetten in een krediet ten belope van de lesopdracht of lesopdrachten die in de dienstverleningsovereenkomst zijn vastgelegd. Het voormelde krediet wordt aangewend als financiыle tegemoetkoming voor de onderneming of de organisatie, vermeld in het eerste lid, die een of meer werknemers ter beschikking stelt van het schoolbestuur. Het schoolbestuur wendt voor de voormelde financiыle tegemoetkoming uren-leraar aan uit het pakket wekelijkse uren-leraar, vermeld in artikel 209, Ї 1, dat aan de school is toegekend.
   De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag per uur-leraar dat een schoolbestuur kan omzetten in een krediet voor de financiыle tegemoetkoming, vermeld in het tweede lid, en de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst. Het schoolbestuur machtigt de bevoegde dienst van de administratie om de voormelde financiыle tegemoetkoming rechtstreeks uit te betalen aan de organisatie of onderneming, vermeld in het eerste lid, waarmee het schoolbestuur een dienstverleningsovereenkomst sluit.
   De Vlaamse Regering stelt een model van dienstverleningsovereenkomst op, waarbij ze rekening houdt met de voorwaarden, vermeld in van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. In de voormelde dienstverleningsovereenkomst worden al de volgende elementen opgenomen:
   1А de specifieke opdracht van de werknemer, vermeld in het eerste lid, in de school;
   2А de aanstellings- en arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemer, vermeld in het eerste lid, waarbij alvast het salaris en de financiыle voordelen die de voormelde werknemer in zijn onderneming of organisatie geniet gegarandeerd blijven door de uitsturende onderneming of organisatie;
   3А de opleiding die de werknemer, vermeld in het eerste lid, moet gevolgd hebben;
   4А de plichten die de werknemer, vermeld in het eerste lid, moet naleven bij het uitoefenen van zijn opdracht. In de voormelde verplichtingen wordt alvast uitdrukkelijk bepaald dat de voormelde werknemer altijd onder het gezag blijft van zijn organisatie of onderneming, tenzij het gaat om plichten die betrekking hebben op het welzijn op het werk of over specifieke instructies die nodig zijn voor de goede uitvoering van de specifieke opdracht;
   5А de duur van de dienstverleningsovereenkomst;
   6А de mogelijkheden tot voortijdige beыindiging van de dienstverleningsovereenkomst.
   De werknemers, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden die de Vlaamse Regering opneemt in het model van dienstverleningsovereenkomst, vermeld in het vierde lid. Werknemers als vermeld in het eerste lid, die ter beschikking worden gesteld van een school die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, tonen daarenboven aan dat ze de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheersen op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De werknemers bewijzen die vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1А met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2А met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3А met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4А met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   Ї 2. Het tekort van onderwijzend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de werknemer van een organisatie of onderneming, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
   Om de vacature, vermeld in het eerste lid, in te vullen, sluit het schoolbestuur van de school een dienstverleningsovereenkomst met de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. In de voormelde dienstverleningsovereenkomst worden de afspraken over de terbeschikkingstelling van een werknemer van de onderneming of organisatie voor een welbepaalde opdracht en de periode van de terbeschikkingstelling opgenomen. De dienstverleningsovereenkomst regelt altijd een lesopdracht die de volgende taken omvat:
   1А de planning en voorbereiding van lessen;
   2А het lesgeven zelf;
   3А de klaseigen leerlingenbegeleiding;
   4А de evaluatie van de leerlingen;
   5А het overleg en de samenwerking met directie, collega's, en in voorkomend geval CLB, leersteuncentra en ouders.
   Het schoolbestuur en de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, sluiten een dienstverleningsovereenkomst als vermeld in paragraaf 1, af. De voormelde dienstverleningsovereenkomst bevat de volgende bepalingen en voorwaarden over de uitvoering van de opdracht, vermeld in het tweede lid:
   1А de gegevens van het schoolbestuur dat als opdrachtgever optreedt en de gegevens van de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die als opdrachtnemer optreedt;
   2А de contactgegevens van de gemachtigden die de beide partijen aanwijzen;
   3А de opdracht die wordt overeengekomen, de wijze van uitvoering van die opdracht en de ondersteuning waarop de werknemer recht heeft tijdens die uitvoering en die de school aanbiedt;
   4А de voorwaarden waaraan de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, inschakelt, moet beantwoorden, waarbij uitdrukkelijk bepaald wordt dat de werknemer onder het gezag blijft van de onderneming of organisatie, tenzij het gaat om instructies die het schoolbestuur aan de werknemer geeft in het kader van de uitvoering van de opdracht en die in de deelovereenkomst worden opgenomen;
   5А de financiыle en sociale verplichtingen ten aanzien van de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die ten laste van de onderneming of organisatie blijven;
   6А de financiыle tegemoetkoming die het schoolbestuur betaalt aan de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de modaliteiten van betaling;
   7А bepalingen over de vertrouwelijkheid waartoe de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zich verbindt met het oog op de uitvoering van de opdracht. In de voormelde bepalingen wordt in elk geval opgenomen dat de werknemer van de onderneming of organisatie het ambtsgeheim in onderwijs moet naleven;
   8А bepalingen over de intellectuele eigendom waarbij de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zich ermee akkoord verklaart dat alle auteurs- of andere intellectuele rechten op werken die in het kader van de uitvoering van de opdracht worden gerealiseerd, overgedragen worden aan het schoolbestuur en waarbij afspraken opgenomen kunnen worden over het eventuele interne gebruik van dit intellectuele eigendom in de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid;
   9А bepalingen over de aansprakelijkheid bij de uitvoering van de opdracht, waarbij in elk geval wordt opgenomen dat het schoolbestuur ervoor zorgt dat de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, tijdens de uitvoering van de opdracht op dezelfde wijze is verzekerd als al zijn andere personeelsleden;
   10А de bepalingen, vermeld in artikel 8 tot en met 10 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
   11А de duurtijd van de dienstverleningsovereenkomst.
   Ї 3. De onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, selecteert een werknemer om de opdracht uit te oefenen die in de dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, is vastgelegd. De werknemer moet aan al de volgende voorwaarden voldoen:
   1А de werknemer is minstens drie jaren in dienst bij de onderneming of de organisatie;
   2А de werknemer is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven;
   3А de werknemer die ter beschikking wordt gesteld van een school die in het Nederlandse taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, beschikt over de vereiste kennis van het Nederlands als onderwijstaal, wat blijkt uit het feit dat de werknemer het Nederlands beheerst op het niveau C1 van het Europees Referentiekader voor Talen. Die vereiste taalkennis blijkt uit het feit dat de werknemer minstens beschikt over een diploma dat in het Nederlands is behaald en dat toegang geeft tot een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarin hij een lesopdracht opneemt conform artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
   4А de werknemer beschikt over een diploma dat minstens een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is voor het wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarin hij een lesopdracht opneemt conform artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.
   De onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, stelt de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor aan het schoolbestuur, dat controleert of de werknemer aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, voldoet en dat vervolgens beslist om de opdracht al of niet toe te kennen aan de voormelde werknemer. Het schoolbestuur bewaart de gegevens van de voormelde werknemer, vermeld in het eerste lid, 2А, 3А en 4А, die het door de voormelde controle verkrijgt op de wijze en gedurende de termijnen die het schoolbestuur al hanteert voor de gegevens van al zijn personeelsleden, conform de algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
   Ї 4. De individuele opdracht van de werknemer, vermeld in paragraaf 3, in de school wordt opgenomen in een deelovereenkomst conform het model van deelovereenkomst dat is opgenomen in het model van dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 1.
   In de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid, worden ook de specifieke afspraken opgenomen over de aanvangsbegeleiding en ondersteuning waarop de werknemer, vermeld in het eerste lid, een beroep kan doen in de school waar hij zijn lesopdracht opneemt.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, blijft tijdens de uitvoering van de overeengekomen opdracht altijd onder het gezag van zijn onderneming of organisatie. Het schoolbestuur kan aan de voormelde werknemer in het kader van de uitvoering van de concrete lesopdracht instructies geven. De bepalingen over die instructies worden opgenomen in een bijlage bij de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, behoudt tijdens de uitvoering van de opdracht in de school het salaris waar hij bij zijn onderneming of organisatie recht op heeft, en ook alle daarbij horende financiыle en extralegale voordelen.
   De dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, derde lid, regelt de algemene rechtsverhouding tussen het schoolbestuur en de onderneming of organisatie voor de duur van de overeengekomen opdracht. Bij een tegenstrijdigheid of afwijking hebben de bepalingen van de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid, voorrang op de bepalingen van de dienstverleningsovereenkomst. De bepalingen van een recentere deelovereenkomst als vermeld in het eerste lid, hebben altijd voorrang op die van een vorige deelovereenkomst.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, is in het kader van de lesopdracht die hij in de school opneemt ambtshalve stemgerechtigd lid van de klassenraad. Tussen de school en de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, worden praktische afspraken gemaakt over het functioneren van de voormelde werknemer in de klassenraad, met inbegrip van het al dan niet aanwezig zijn van de voormelde werknemer op klassenraadsvergaderingen. De voormelde afspraken worden opgenomen in de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid.
   In het zesde lid wordt verstaan onder klassenraad: de begeleidende klassenraad of de delibererende klassenraad in het voltijds gewoon secundair onderwijs.
   Ї 5. De Vlaamse Regering kan subsidies toekennen aan een externe organisatie of bedrijf om in het kader van het lerarentekort tussen schoolbesturen en ondernemingen of organisaties een bemiddelende of coachende rol op te nemen.
   Ї 6. De maatregelen, vermeld in dit artikel, worden geëvalueerd tijdens [2 het schooljaar 2025-2026 en 2029-2030]2.]1

  
Art. 211/1. [1 § 1er. En cas de pénurie de personnel enseignant sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser une partie de l'encadrement du personnel enseignant d'une ou de plusieurs de ses écoles, pour une durée maximale d'une année scolaire à la fois, afin d'employer dans cette ou ces écoles, par le biais d'un contrat de services entre l'autorité scolaire et une organisation ou entreprise du secteur public ou privé, un ou plusieurs employés de cette organisation ou entreprise. Le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas aux employés précités.
   Dans le mode d'affectation de l'encadrement du personnel enseignant, visé à l'alinéa 1er, l'autorité scolaire qui engage le membre du personnel peut convertir des périodes-professeur d'une ou de plusieurs de ses écoles, visées à l'alinéa 1er, en crédit à concurrence de la mission d'enseignement ou des missions d'enseignement qui ont été fixées dans le contrat de services. Le crédit précité est affecté comme intervention financière pour l'entreprise ou l'organisation, visée à l'alinéa 1er, qui met un ou plusieurs travailleurs à la disposition de l'autorité scolaire. Pour l'intervention financière précitée, l'autorité scolaire utilise des périodes-professeur du capital hebdomadaire des périodes-professeur, visé à l'article 209, § 1er, qui a été octroyé à l'école.
   Le Gouvernement flamand détermine le montant par période-professeur qu'une autorité scolaire peut convertir en crédit pour l'intervention financière, visée à l'alinéa 2, et le mode de notification de la conversion précitée au service compétent désigné par le Gouvernement flamand. L'autorité scolaire autorise le service compétent de l'administration à verser l'intervention financière précitée directement à l'organisation ou l'entreprise, visée à l'alinéa 1er, avec laquelle l'autorité scolaire conclut un contrat de services.
   Le Gouvernement flamand établit un modèle de contrat de services, en tenant compte des conditions, visées à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise d'employés à la disposition d'utilisateurs. Dans le contrat de services précité, tous les éléments suivants sont repris :
   1° la mission spécifique de l'employé, visé à l'alinéa 1er, dans l'école ;
   2° les conditions de désignation et de travail applicables à l'employé, visé à l'alinéa 1er, dont le salaire et les avantages financiers dont l'employé précité bénéficie dans son entreprise ou organisation sont garantis par l'entreprise ou l'organisation d'origine ;
   3° la formation que l'employé, visé à l'alinéa 1er, doit avoir suivie ;
   4° les obligations que l'employé, visé à l'alinéa 1er, doit respecter dans l'exercice de sa mission Les obligations précitées stipulent expressément que l'employé précité reste toujours sous l'autorité de son organisation ou entreprise, sauf s'il s'agit d'obligations qui ont trait au bien-être au travail ou d'instructions spécifiques indispensables à la bonne exécution de la mission spécifique ;
   5° la durée du contrat de services ;
   6° les possibilités de cessation anticipée du contrat de services.
   Les employés, visés à l'alinéa 1er, doivent remplir les conditions de désignation qui sont reprises par le Gouvernement flamand dans le modèle de contrat de services, visé à l'alinéa 4. Les employés, tels que visés à l'alinéa 1er, qui sont mis à la disposition d'une école située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontrent en outre qu'ils maîtrisent la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Les employés prouvent cette connaissance linguistique requise de l'une des manières suivantes :
   1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
   2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
   § 2. La pénurie de personnel enseignant sur le marché du travail, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire de l'école où elle veut engager l'employé d'une organisation ou entreprise, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
   Pour pourvoir la vacance, visée à l'alinéa 1er, l'autorité scolaire de l'école conclut un contrat de services avec l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er. Le contrat de services précité reprend les accords concernant la mise à disposition d'un employé de l'entreprise ou de l'organisation pour une mission spécifique et la période de la mise à disposition. Le contrat de services régit toujours une mission d'enseignement qui comprend les tâches suivantes :
   1° la planification et la préparation des cours ;
   2° l'enseignement proprement dit ;
   3° l'encadrement des élèves spécifique à la classe ;
   4° l'évaluation des élèves ;
   5° la consultation et la coopération avec la direction, les collègues et, le cas échéant, le centre d'encadrement des élèves, les centres de soutien à l'apprentissage et les parents.
   L'autorité scolaire et l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, concluent un contrat de services, tel que visé au paragraphe 1er. Le contrat de services précité contient les dispositions et conditions suivantes concernant l'exécution de la mission visée à l'alinéa 2 :
   1° les données de l'autorité scolaire agissant en tant que donneur d'ordre et les données de l'entreprise ou de l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, agissant en tant que preneur d'ordre ;
   2° les coordonnées des mandataires désignés par les deux parties ;
   3° la mission qui est convenue, le mode d'exécution de cette mission et le soutien auquel l'employé a droit pendant cette exécution et qui est proposée par l'école ;
   4° les conditions à remplir par l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, mis à disposition par l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, stipulant explicitement que l'employé reste sous l'autorité de l'entreprise ou de l'organisation, sauf s'il s'agit d'instructions données par l'autorité scolaire à l'employé dans le cadre de l'exécution de la mission, qui sont incluses dans la sous-convention ;
   5° les obligations financières et sociales à l'égard de l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, qui restent à charge de l'entreprise ou organisation ;
   6° l'intervention financière payée par l'autorité scolaire à l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et les modalités de paiement ;
   7° des dispositions relatives à la confidentialité auxquelles s'engage l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, en vue de l'exécution de la mission. Les dispositions précitées stipulent en tous les cas que l'employé de l'entreprise ou de l'organisation doit respecter le secret professionnel de l'enseignement ;
   8° des dispositions sur la propriété intellectuelle par lesquelles l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, accepte notamment que tous les droits d'auteur ou autres droits de propriété intellectuelle sur les oeuvres réalisées dans le cadre de l'exécution de la mission soient transférés à l'autorité scolaire et qui peuvent inclure des accords sur l'utilisation éventuelle de cette propriété intellectuelle dans l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er ;
   9° des dispositions sur la responsabilité dans l'exécution de la mission, qui prévoient dans tous les cas que l'autorité scolaire veille à ce que l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, soit assuré de la même manière que tous ses autres employés pendant l'exécution de la mission ;
   10° des dispositions, visées aux articles 8 à 10 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ;
   11° la durée du contrat de services.
   § 3. L'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, sélectionne un employé pour exercer la mission qui a été fixée dans le contrat de services, visé au paragraphe 2. L'employé doit réunir les conditions suivantes :
   1° l'employé est au moins depuis trois ans en service dans l'entreprise ou l'organisation ;
   2° l'employé a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation ;
   3° l'employé qui est mis à la disposition d'une école située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, a la connaissance requise du néerlandais comme langue d'enseignement, ce qui est attesté par le fait que l'employé maîtrise le néerlandais au niveau C1 du Cadre européen de référence pour les langues. Cette connaissance linguistique requise est attestée par le fait que l'employé possède au moins un diplôme obtenu en néerlandais, qui donne accès à la fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dans le cadre de laquelle il assume une mission d'enseignement conformément à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire ;
   4° l'employé possède au moins un diplôme qui est un titre jugé suffisant pour la fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dans le cadre de laquelle il assume une mission d'enseignement conformément à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire.
   L'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, propose l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, à l'autorité scolaire, qui contrôle si l'employé remplit les conditions, visées à l'alinéa 1er, et qui décide ensuite de confier la mission ou non à l'employé précité. L'autorité scolaire conserve les données de l'employé précité, visé à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, qu'elle obtient par le biais du contrôle précité, de la manière et pendant les délais déjà appliqués par l'autorité scolaire pour les données de tous ses membres du personnel, conformément au règlement général sur la protection des données (RGPD).
   § 4. La mission individuelle de l'employé, visée au paragraphe 3, dans l'école est incluse dans une sous-convention conformément au modèle de sous-convention inclus dans le modèle de contrat de services, visé au paragraphe 1er.
   La sous-convention, visée à l'alinéa 1er, contient également les accords spécifiques sur l'encadrement initial et le soutien auxquels l'employé, visé à l'alinéa 1er, peut faire appel dans l'école où il assume sa mission d'enseignement.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, reste toujours sous l'autorité de son entreprise ou organisation pendant l'exécution de la mission convenue. L'autorité scolaire peut donner des instructions à l'employé précité dans le cadre de l'exécution de la mission d'enseignement concrète. Les dispositions relatives à ces instructions figurent dans une annexe de la sous-convention, visée à l'alinéa 1er.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, conserve le salaire auquel il a droit dans son entreprise ou organisation pendant l'exécution de la mission dans l'école, ainsi que tous les avantages financiers et extralégaux y afférents.
   Le contrat de services, visé au paragraphe 2, alinéa 3, régit la relation juridique générale entre l'autorité scolaire et l'entreprise ou l'organisation pour la durée de la mission convenue. En cas de contradiction ou de dérogation, les dispositions de la sous-convention, visée à l'alinéa 1er, prévalent sur les dispositions du contrat de services. Les dispositions d'une sous-convention plus récente, telle que visée à l'alinéa 1er, prévalent toujours sur celles d'une sous-convention antérieure.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, est membre de droit du conseil de classe avec droit de vote dans le cadre de la mission d'enseignement qu'il assume dans l'école. Des accords pratiques sont convenus entre l'école et l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, sur le fonctionnement de l'employé précité dans le conseil de classe, y compris la présence ou non de l'employé précité aux réunions du conseil de classe. Les accords précités sont repris dans la sous-convention, visée à l'alinéa 1er.
   A l'alinéa 6, on entend par conseil de classe, le conseil de classe accompagnateur ou le conseil de classe délibérant dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
   § 5. Dans le cadre de la pénurie d'enseignants, le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions à une organisation ou entreprise externe pour assumer un rôle de médiation ou de coach entre des autorités scolaires et des entreprises ou organisations.
   § 6. Les mesures, visées au présent article, seront évaluées pendant [2 les années scolaires 2025-2026 et 2029-2030]2]1

  
Art. 212. Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend en dat aangewend wordt voor het voltijds secundair onderwijs dat niet georganiseerd is volgens een modulair stelsel, kan slechts ten belope van 3 % gebruikt worden voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken.
  Dit maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (211)
Art. 212. Le nombre de périodes-professeur accordé à chaque école et utilisé pour l'enseignement secondaire à temps plein non organisé suivant un régime modulaire, ne peut être utilisé qu'à concurrence de 3% pour des périodes qui ne sont pas des heures de cours et qui sont organisées comme des tâches pédagogiques spéciales.
  Ce maximum peut être dépassé moyennant l'accord du comité local compétent pour les conditions de travail et les affaires relatives au personnel. (211)
Art. 213. Wanneer de onderwijsinspectie in een school een kennelijk onverantwoord gebruik van de vrije aanwending vaststelt ten nadele van volgende groepen :
  1° het eerste leerjaar B en [1 het tweede leerjaar B]1, en/of
  2° de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs, en/of
  3° de derde graad van het beroepssecundair onderwijs,
  formuleert zij een omstandig en gemotiveerd advies ten behoeve van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de elementen van toetsing bepalen waarmee het advies dient rekening te houden.
  De Vlaamse Regering kan op basis van dit advies ten aanzien van de betrokken school een norm bepalen, boven dewelke de wekelijkse uren-leraar die aan elke school worden toegekend, gegenereerd door de in het eerste lid bedoelde groepen, niet kunnen worden aangewend voor andere groepen. Zij kan daarbij evenwel bepalen dat deze norm kan worden overschreden binnen hetzelfde studiegebied.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedurele regelen terzake, rekening houdend met de hoorplicht. (212)
  
Art. 213. Lorsque l'inspection de l'enseignement constate, dans école, une application manifestement injustifiable de l'utilisation libre au détriment des groupes suivants :
  1° la première année B et [1 la deuxième année d'études B]1 et/ou
  2° le deuxième degré de l'enseignement secondaire professionnel, et/ou
  3° le troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel,
  Elle formule un avis circonstancié et motivé au bénéfice du Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand peut déterminer les éléments de vérification dont l'avis doit tenir compte.
  Sur la base de cet avis, le Gouvernement flamand peut fixer une norme à l'égard de l'école concernée, au-dessus de laquelle les périodes-professeur hebdomadaires qui sont accordées à chaque école et générées par les groupes visés au premier alinéa, ne peuvent être utilisées pour d'autres groupes. Il peut toutefois stipuler que cette norme pourra être dépassée au sein de la même discipline.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités procédurales en la matière, compte tenu de l'obligation d'audition. (212)
  
Art. 214. Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend is bestemd voor de toewijzing van de opdrachten aan de titularissen van het onderwijzend personeel.
  Onder titularis wordt het personeelslid verstaan dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt.
  Bovenstaande bepaling impliceert dat de prestaties, geleverd door tijdelijke vervangers van voornoemde titularissen, onafhankelijk van het voor de school beschikbare pakket uren-leraar gefinancierd of gesubsidieerd worden.(213)
Art. 214. Le nombre de périodes-professeur hebdomadaires attribué à chaque école est destiné à l'attribution des charges aux titulaires du personnel enseignant.
  Il faut entendre par 'titulaire', le membre du personnel nommé à titre définitif, désigné à titre temporaire ou admis au stage dans un emploi vacant, à l'exception de celui qui remplace un titulaire temporaire pour une période limitée.
  La disposition qui précède implique que les prestations fournies par les remplaçants temporaires des titulaires précités sont financées ou subventionnées indépendamment du capital 'périodes-professeur' dont dispose l'école. (213)
Art. 215. Bij toewijzing aan titularissen van het onderwijzend personeel of aan hun tijdelijke vervangers van opdrachten die niet gebaseerd zijn op het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend, op andere gefinancierde of gesubsidieerde uren-leraar of op uren, bedoeld in de bepalingen betreffende de plage-uren, valt de bezoldiging ten laste van het schoolbestuur. (214)
Art. 215. En cas d'attribution, aux titulaires du personnel enseignant ou à leurs remplaçants temporaires, de charges qui ne sont pas basées sur le nombre de périodes-professeur hebdomadaires attribuées à chaque école, sur d'autres périodes-professeur financées ou subventionnées ou sur les heures visées par les dispositions relatives aux heures de plage, la rémunération est à charge de l'autorité scolaire. (214)
Art. 216. § 1. Het aantal organiseerbare plage-uren wordt gereduceerd volgens het hierna bepaalde.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
  a) aantal uren-leraar : de uren, verkregen in toepassing van de bepalingen inzake het aantal wekelijkse uren leraar dat aan elke school wordt toegekend, en, in voorkomend geval, in toepassing van de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs, vermeerderd of verminderd met de uren-leraar ingevolge herverdeling van uren-leraar door het schoolbestuur van de school, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap;
  b) plage-uren : de uren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren, vereist voor het ambt met volledige prestaties van leraar of godsdienstleraar, ongeacht het feit of deze uren wel of niet worden geput uit de uren, bedoeld onder a).
  § 2. Scholen die behoren tot een scholengemeenschap [2 ...]2.
  [1 Vanaf het schooljaar 2011-2012 : enerzijds mag ten opzichte van het aantal uren-leraar van de individuele school maximum 3 procent plage-uren worden georganiseerd en anderzijds mogen ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 procent plage-uren worden georganiseerd.]1
  § 3. Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap [2 ...]2.
  [1 Vanaf het schooljaar 2011-2012 : het maximum procent plage-uren mag niet hoger liggen dan het procent van het schooljaar 2001-2002. Het maximum procent plage-uren wordt evenwel vastgelegd op 3 procent indien het procent van het schooljaar 2001-2002 meer dan 3 procent bedraagt.]1
  § 4. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de plage-uren.
  § 5. Personeelsleden kunnen slechts met plage-uren worden belast als die plage-uren om organisatorische redenen noodzakelijk zijn en op een billijke en transparante wijze georganiseerd worden. Over de algemene regels die het schoolbestuur hierbij zal hanteren, wordt bij de voorbereiding van het schooljaar in elke school onderhandeld in de bevoegde organen.
  
Art. 216. § 1er. Le nombre d'heures de plage organisables est réduit selon le scénario décrit ci-dessous.
  Pour l'application du présent article, on entend par :
  a) nombre de périodes-professeur : les périodes obtenues en application des dispositions relatives au nombre de périodes-professeur hebdomadaires attribuées à chaque école et, le cas échéant, en application des dispositions relatives à l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, augmentées ou diminuées des périodes-professeur à la suite de la redistribution de périodes-professeur par l'autorité scolaire de l'école, à la suite de la reprise de périodes-professeur de l'année précédente ou d'une autre école, à la suite d'une fusion ou de l'adhérence à un centre d'enseignement;
  b) heures de plage : les heures qui se situent entre le nombre minimum et le nombre maximum d'heures requises pour une fonction à prestations complètes de professeur ou professeur de religion, malgré le fait que ces heures sont oui ou non puisées des heures visées sous a).
  § 2. Ecoles faisant partie d'un centre d'enseignement [2 ...]2.
  [1 A partir de l'année scolaire 2011-2012 : d'une part, par rapport au nombre de périodes-professeur de l'école individuelle, il ne peut être organisé que 3 % d'heures de plage au maximum et d'autre part, par rapport à la somme des nombres de périodes-professeur des écoles individuelles au sein du centre d'enseignement, il ne peut être organisé que 1,3 % d'heures de plage au maximum.]1
  § 3. Ecoles ne faisant pas partie d'un centre d'enseignement [2 ...]2.
  [1 A partir de l'année scolaire 2011-2012 : le pourcentage maximum d'heures de plage ne peut être supérieur au pourcentage de l'année scolaire 2001-2002. Le pourcentage maximum d'heures de plage est toutefois fixé à 3 pour cent si le pourcentage de l'année scolaire 2001-2002 est supérieur à 3 pour cent.]1
  § 4. Les centres d'enseignement et les écoles informent les organes de négociation compétents sur la répartition et l'utilisation des heures de plage.
  § 5. Les membres du personnel ne peuvent être chargés d'heures de plages que si ces heures de plage sont nécessaires pour des raisons organisationnelles et sont organisées de manière équitable et transparente. Les règles générales à respecter par l'autorité scolaire dans ce contexte sont négociées par les organes compétents lors de la préparation de l'année scolaire dans chaque école.
  
Onderafdeling 3. [1 - Scholen met studierichting Binnenvaart en Beperkte Kustvaart]1
Sous-section 3. [1 - Ecoles proposant une orientation d'études " Binnenvaart en Beperkte Kustvaart " (Navigation intérieure et navigation côtière limitée)]1
Art. 218. [1 Een school die door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd wordt, met studierichting Binnenvaart en Beperkte Kustvaart heeft jaarlijks recht op een forfaitaire puntenenveloppe van 605 punten.
   De Vlaamse Regering kan, naargelang van de beschikbare begrotingskredieten, de enveloppe, vermeld in het eerste lid, aanpassen, waarbij ze rekening houdt met het aantal leerlingen in die studierichting.]1

  
Art. 218. [1 Une école financée ou subventionnée par la Communauté flamande proposant une orientation d'études " Binnenvaart en Beperkte Kustvaart ", a droit à une enveloppe de points forfaitaire annuelle de 605 points.
   Le Gouvernement flamand peut, en fonction des crédits budgétaires disponibles, ajuster l'enveloppe visée à l'alinéa 1er, en tenant compte du nombre d'élèves dans cette orientation d'études.]1

  
Art. 219. De betrokken school wendt de puntenenveloppe, vermeld in deze onderafdeling, aan om betrekkingen op te richten in de personeelscategorie van het varend personeel en om 1 betrekking op te richten in een ambt van het ondersteunend personeel.
  De oprichting van betrekkingen in de personeelscategorie van het varend personeel is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent.
  De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal. (218)
Art. 219. L'école utilise l'enveloppe de points, visée dans la présente sous-section, afin de créer des emplois dans la catégorie du personnel navigant et afin de créer 1 emploi dans une fonction du personnel d'appui.
  La création d'emplois dans la catégorie du personnel navigant est basée sur un système de points, rattachant un certain nombre de points à chacune des fonctions. Ce nombre de points est fixé sur la base de l'échelle de traitement du membre du personnel exerçant l'emploi.
  Le Gouvernement flamand détermine les fonctions et détermine pour chaque fonction le nombre de points selon l'échelle de traitement. (218)
Art. 220. Het personeelslid dat in een betrekking in een ambt van het varend personeel wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
  1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
  2° de bepalingen van artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn niet van toepassing;
  3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking in een ambt van het varend personeel. (219)
Art. 220. Le membre du personnel qui est désigné à une fonction du personnel navigant, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, à l'exception des dispositions suivantes :
  1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation est considérée comme une réaffectation ou une remise au travail. Cette réaffectation ou remise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité;
  2° les dispositions des articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou des articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ne s'appliquent pas;
  3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. L'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités de la position administrative et du statut pécuniaire des membres du personnel qui sont désignés dans un emploi d'une fonction du personnel navigant. (219)
Onderafdeling 4. - Topsportscholen
Sous-section 4. - Ecoles de sport de haut niveau
Art. 221. § 1. [1 Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste vijfentwintig regelmatige leerlingen op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport" die onder toepassing valt van het gesloten topsportconvenant, wordt een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking van topsportschoolcoordinator toegekend. Die betrekking wordt niet meer toegekend als de norm twee aansluitende schooljaren niet wordt bereikt.]1
  Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van het betrokken schoolbestuur : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.
  § 2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
  In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 212. (220)
  [2 Ї 3. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste щщn regelmatige leerling op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport", wordt een aantal specifieke uren-leraar toegekend onder de volgende modaliteiten:
   1А het aantal uren-leraar bedraagt 0,2 uren-leraar per regelmatige leerling vanaf de 26e regelmatige leerling;
   2А indien het aantal regelmatige leerlingen lager ligt dan 25, bedraagt het aantal uren-leraar 0,85 uren-leraar per regelmatige leerling;
   3А het aantal toegekende uren-leraar bedraagt maximaal 22.
   De specifieke uren-leraar, vermeld in het eerste lid, worden ingericht onder de vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.
   De desbetreffende uren worden niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3% van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken als vermeld in artikel 212.
   Voor de toepassing van deze paragraaf worden scholen van hetzelfde schoolbestuur als één school beschouwd. De specifieke uren-leraar worden in dat geval steeds toegekend aan de school die valt onder de toepassing van het gesloten topsportconvenant.]2

  
Art. 221. § 1er. [1 Un emploi financé ou subventionné de coordinateur scolaire de sport de haut niveau est octroyé à chaque école de l'enseignement secondaire à temps plein comptant au moins vingt-cinq élèves réguliers à la date de comptage applicable dans les subdivisions structurelles avec la dénomination " sport de haut niveau ", qui relève de la convention conclue en matière de sport de haut niveau. Cet emploi n'est plus octroyé si la norme n'est pas atteinte pendant deux années scolaires consécutives.]1
  Cet emploi supplémentaire est indivisible et ne peut être exercé que par un seul membre du personnel chargé exclusivement et à temps plein de la coordination de l'école de sport de haut niveau. L'emploi est créé dans une des fonctions suivantes, au choix de l'autorité scolaire concernée : directeur adjoint, conseiller technique-coordinateur, conseiller technique, professeur.
  § 2. Si l'emploi est créé dans la fonction de professeur, la charge est accomplie sous forme d'heures qui ne sont pas des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques particulières.
  Le cas échéant, les heures concernées ne sont pas réglées en application de la disposition qu'un maximum de 3 % du nombre des périodes-professeur d'une école peut être utilisé pour des tâches pédagogiques particulières, telles que visées à l'article 212. (220)
  [2 § 3. Pour chaque école d'enseignement secondaire à temps plein comptant au moins un élève régulier à la date de comptage applicable dans les subdivisions structurelles de la dénomination " sport de haut niveau ", un nombre de périodes-professeur spécifiques est alloué selon les modalités suivantes :
   1° le nombre de périodes-professeur est de 0,2 par élève régulier à partir du 26ème élève régulier ;
   2° si le nombre d'élèves réguliers est inférieur à 25, le nombre de périodes-professeur est de 0,85 par élève régulier ;
   3° le nombre de périodes-professeur allouées ne dépasse pas 22.
   Les périodes-professeur spécifiques, figurant à l'alinéa 1er, sont organisées sous la forme d'heures qui ne sont pas des heures de cours, à savoir sous la forme de tâches pédagogiques spéciales.
   Les heures en question ne sont pas prises en compte pour la règle selon laquelle les tâches pédagogiques particulières, figurant à l'article 212, ne peuvent pas représenter plus de 3 % des périodes-professeur d'une école.
   Aux fins du présent paragraphe, les écoles d'une même autorité scolaire sont considérées comme une seule école. Dans ce cas, les périodes-professeur spécifiques sont toujours attribuées à l'école qui relève de l'application de la convention conclue en matière de sport de haut niveau.]2

  
Onderafdeling 5. - Onthaalonderwijs
Sous-section 5. - Enseignement d'accueil
Art. 222. [1 ...]1 [1 ...]1 Naast de basisfinanciering of -subsidiëring, inherent aan het voltijds secundair onderwijs, vindt een specifieke financiering of subsidiëring tijdens het lopende schooljaar plaats die fluctueert met bepaalde schommelingen van het aantal anderstalige nieuwkomers. Daarenboven vindt ook een specifieke financiering of subsidiëring plaats teneinde gewezen anderstalige nieuwkomers verder te ondersteunen, op te volgen en te begeleiden.
  De Vlaamse Regering bepaalt de omvang en de duur van die financiering of subsidiëring en de data voor telling van het aantal anderstalige nieuwkomers. (221)
  
Art. 222. [1 ...]1 [1 ...]1 Pendant l'année scolaire en cours a lieu, outre le financement ou subventionnement de base, un financement ou subventionnement spécifique qui varie suivant certaines fluctuations du nombre de primo-arrivants allophones. De plus, il est procédé à un financement ou subventionnement spécifique afin d'assurer l'appui, le suivi et l'accompagnement d'anciens primo-arrivants allophones.
  Le Gouvernement flamand fixe le volume et la durée de ce financement ou subventionnement, ainsi que les dates de comptage du nombre de primo-arrivants allophones. (221)
  
Onderafdeling 6. - Kunstsecundaire scholen
Sous-section 6. - Ecoles d'enseignement secondaire artistique
Art. 223. De Vlaamse Regering kan aan scholen die voltijds gewoon kunstsecundair onderwijs organiseren en die betrokken zijn bij een convenant dat zij heeft afgesloten met de betrokken schoolbesturen en/of representatieve verenigingen ervan en met de partners uit een culturele sector, een bijkomende financiering of subsidiëring toekennen. Zij bepaalt de voorwaarden waaraan de leerlingen, die deze bijkomende financiering of subsidiëring genereren, moeten voldoen evenals de vorm waaronder deze middelen worden toegekend. (222)
Art. 223. Le Gouvernement flamand peut accorder un financement ou subventionnement supplémentaire à des écoles qui organisent un enseignement secondaire artistique ordinaire à temps plein et qui sont associées à un accord que le Gouvernement a conclu avec les autorités scolaires intéressées et/ou les associations qui les représentent ainsi qu'avec les partenaires d'un secteur culturel. Le Gouvernement flamand détermine les conditions que doivent remplir les élèves, générateurs de ce financement ou subventionnement supplémentaire, ainsi que les modalités d'octroi de ces moyens. (222)
Onderafdeling 7. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad
Sous-section 7. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation, premier degré
Art. 224. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en op het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers. (223)
Art. 224. Les dispositions de la présente sous-section s'appliquent au premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire et à la subdivision structurelle primo-arrivants allophones. (223)
Art. 225. § 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :
  1° het gezin ontvangt één of meerdere [2 selectieve participatietoeslagen leerling]2;
  2° [3 de leerling is [4 leerling met een zorgthuis]4;]3
  3° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;
  4° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
  5° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.
  § 2. Het beantwoorden aan de in § 1, 4° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders.
  De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het beantwoorden aan de in § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen beantwoorden aan één of meer van de gelijkekansenindicatoren worden ten minste vijf jaar bewaard in de school.
  [5 Als voor de toepassing van paragraaf 1, 2А, gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
   a) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17А /2/1, a) of b), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de begin- en einddatum van de overeenkomst van verblijf in het multifunctionele centrum, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiыring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap en de doorverwijzende instantie;
   b) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17А /2/1, c), het INSZ-nummer, voor de leerlingen met INSZ-nummer en de einddatum van de status, vermeld in artikel 3, 17А /2/1, c), en bijkomende gegevens voor leerlingen zonder INSZ-nummer, de voornaam, de familienaam, de geboortedatum, het geslacht, de nationaliteit en het adres van de laatste opvangplaats met het oog op unieke identificatie.
   De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de berekening van de omkadering van de scholen. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. De maximale bewaartermijn voor deze gegevens is 30 jaar.]5

  § 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Voor de eerste graad van het secundair onderwijs bepaalt zij tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. De hoogste gewichten worden toegekend aan de in § 1, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicatoren. De in § 1, 5°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met andere gelijkekansenindicatoren. (224)
  
Art. 225. § 1er. Pour l'application de la présente sous-section, les indicateurs suivants, dénommés ci-après 'indicateurs d'égalité des chances' sont applicables :
  1° la famille reçoit une ou plusieurs [2 allocations de participation sélectives d'élève]2;
  2° [4 élève avec un foyer]4 ;
  3° les parents sont des gens de voyage;
  4° la mère n'est pas titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire, d'un certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel ou d'un certificat équivalent;
  5° la langue que l'élève parle dans la famille, c.-à-d. la langue qu'il parle avec sa mère, son père, ses frères ou soeurs n'est pas le néerlandais. Cette langue n'est pas le néerlandais si l'élève ne le parle à personne dans la famille ou si l'élève le parle avec au maximum un membre dans une famille de trois membres (outre l'élève). L'ensemble des frères et soeurs est considéré comme un membre de famille.
  § 2. Moyennant une déclaration sur l'honneur des parents, il est démontré qu'il est satisfait aux indicateurs d'égalité des chances visés au § 1er, 4° et 5°.
  Le Gouvernement flamand définit de quelle façon l'élève doit répondre à l'indicateur d'égalité des chances visé au § 1er, 1°, 2° et 3° et fixe la procédure selon laquelle les données sont transmises au Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. A cet effet, il tient compte de la réglementation en vigueur dans le domaine de la protection de la vie privée.
  Les documents ou déclarations démontrant que les élèves satisfont à un ou plusieurs indicateurs d'égalité des chances, sont gardés dans l'école pendant au moins cinq ans.
  [5 Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, 2°, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
   a) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, a) ou b), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la date de début et de fin du contrat de séjour dans le centre multifonctionnel, fixée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures et l'instance qui renvoie ;
   b) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, c), le numéro NISS, pour les élèves ayant un numéro NISS, et la date de fin du statut, visée à l'article 3, 17° /2/1, c), et des informations complémentaires pour les élèves sans numéro NISS, le prénom, le nom de famille, la date de naissance, le sexe, la nationalité et l'adresse du dernier lieu d'accueil aux fins de l'identification unique.
   Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé du calcul de l'encadrement des écoles. Ce service compétent est le responsable du traitement des données. Le délai maximum de conservation de ces données est de 30 ans.]5

  § 3. Le Gouvernement flamand accorde une pondération à chaque indicateur d'égalité des chances. Pour le premier degré de l'enseignement secondaire, il fixe également le plafond des pondérations cumulées, qui est au minimum égal à la pondération la plus élevée accordée à un indicateur d'égalité des chances et au maximum égal à une fois et demie cette pondération la plus élevée. Les pondérations les plus élevées sont attribuées aux indicateurs d'égalité des chances vises au § 1er, 2° et 3°. L'indicateur d'égalité des chances visé au § 1er, 5°, est uniquement pondéré en combinaison avec d'autres indicateurs d'égalité des chances. (224)
  
Art. 226. Scholen kunnen [2 jaarlijks]2 extra uren-leraar krijgen, voorzover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :
  1° op 1 februari van [2 het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar]2 ten minste 10 % regelmatige leerlingen tellen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1; en
  2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 227 batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen [1 , voor alle graden samen,]1 en ten minste zes extra uren-leraar genereren.
  Wanneer een school op 1 januari van het voorgaande schooljaar vestigingsplaatsen heeft die niet in eenzelfde of aangrenzende gemeente of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelegen zijn, worden de verschillende vestigingsplaatsen voor de toepassing van de bepalingen van het eerste lid en van artikel 227 als school beschouwd. (225)
  
Art. 226. Les écoles peuvent bénéficier de périodes-professeur supplémentaires [2 annuellement]2 pour autant qu'elles remplissent toutes les conditions mentionnées ci-après :
  1° compter, le 1er février [2 de l'année scolaire précédente ou de celle qui l'a précédée]2, au moins 10 % d'élèves réguliers qui répondent à un ou plusieurs indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 225, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°; le nombre d'élèves réguliers répondant uniquement aux indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 225, § 1er, 1° ou 1° et 5°, est multiplié par un coefficient fixé par le Gouvernement flamand, étant au moins égal à 0,1 et ne dépassant pas 1; et
  2° être classées favorablement parmi les écoles visées au 1° conformément aux dispositions de l'article 227 et [1 , pour l'ensemble des grades,]1 générer au minimum six périodes-professeur supplémentaires.
  Lorsqu'une école a des implantations au 1er janvier de l'année scolaire précédente qui ne sont pas situées dans une seule commune ou une commune limitrophe ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, les différentes implantations sont censées être des écoles pour l'application des dispositions du premier alinéa et de l'article 227. (225)
  
Art. 227. § 1. [2 Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gebeurt de toekenning van de extra uren-leraar jaarlijks als volgt]2 :
  1° de in artikel 226 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatig leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absoluut aantal van deze leerlingen gerangschikt;
  2° de leerlingen genereren op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn een aantal punten;
  3° het aantal punten van scholen met [1 ten minste 55 %]1 leerlingen die aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren beantwoorden, wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5;
  4° het aantal punten van scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra uren-leraar een punt vertegenwoordigt.
  [2 ...]2
  
Art. 227. § 1. [2 Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'octroi des périodes-professeur supplémentaires se fait annuellement de la façon suivante]2 :
  1° les écoles visées à l'article 226 sont classées suivant le pourcentage d'élèves qui répondent à un ou plusieurs indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 225, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°; le nombre d'élèves réguliers répondant uniquement aux indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 225, § 1er, 1° ou 1° et 5°, est multiplié par un coefficient fixé par le Gouvernement flamand, étant au moins égal à 0,1 et ne dépassant pas 1. A l'intérieur d'un même pourcentage, les écoles sont classées suivant le nombre absolu de ces élèves;
  2° les élèves génèrent un nombre de points sur la base de la pondération des indicateurs d'égalité des chances qui leur sont applicables;
  3° le nombre de points d'écoles avec [1 au moins 55 %]1 d'élèves répondant à un ou plusieurs indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 225, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4° est multiplié par un coefficient fixé par le Gouvernement flamand qui est au moins égal à 1 et au plus égal à 1,5;
  4° le nombre de points d'écoles dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale est multiplié par un coefficient fixé par le Gouvernement flamand qui est au moins égal à 1 et au plus égal à 1,5.
  § 2. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand définit combien de périodes-professeur supplémentaires correspondent à un point.
  [2 ...]2
  
Art. 228. [1 De extra uren-leraar kunnen enkel worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op gelijke onderwijskansen als vermeld in artikel 123/21 en op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad.]1
  
Art. 228. [1 Les périodes-professeur supplémentaires ne peuvent être utilisées que pour permettre à l'équipe de l'école d'apporter un encadrement approprié à chaque élève en vue de l'égalité des chances dans l'enseignement visée à l'article 123/21 et de répondre aux attentes de qualité telles que définies dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement établi par le Gouvernement flamand. Pour ce faire, l'école définit ses propres objectifs, indicateurs et calendrier.]1
  
Art. 231. [1 De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van [2 het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 242 van deze codex, en de extra uren-leraar, vermeld in artikel 226 tot en met 228 van deze codex,]2 gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]1
  
Art. 231. [1 L'évaluation externe de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement de l'école, y compris l'utilisation [2 le budget de fonctionnement sur la base des caractéristiques des élèves visées à l'article 242 du présent code et les périodes-professeur supplémentaires visées aux articles 226 à 228 du présent code]2, se fait dans le cadre de l'audit de l'école tel que visé aux articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.]1
  
Onderafdeling 8. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad
Sous-section 8. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation, deuxième et troisième degrés
Art. 232. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs. (231)
Art. 232. Les dispositions de la présente sous-section s'appliquent aux deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire. (231)
Art. 233. § 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :
  1° het gezin ontvangt één of meerdere [2 selectieve participatietoeslagen leerling]2;
  2° [3 de leerling is [4 leerling met een zorgthuis]4;]3
  3° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;
  4° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
  5° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.
  § 2. Het beantwoorden aan de in § 1, 4° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders.
  De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het beantwoorden aan de in § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen beantwoorden aan één of meer van de gelijkekansenindicatoren worden ten minste vijf jaar bewaard in de school.
  [5 Als voor de toepassing van paragraaf 1, 2А, gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
   a) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17А /2/1, a) of b), het INSZ-nummer van de leerling en indien van toepassing de begin- en einddatum van de overeenkomst van verblijf in het multifunctionele centrum, bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiыring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap en de doorverwijzende instantie;
   b) voor de leerlingen die voldoen aan artikel 3, 17А /2/1, c), het INSZ-nummer, voor de leerlingen met INSZ-nummer en de einddatum van de status, vermeld in artikel 3, 17А /2/1, c), en bijkomende gegevens voor leerlingen zonder INSZ-nummer, de voornaam, de familienaam, de geboortedatum, het geslacht, de nationaliteit en het adres van de laatste opvangplaats met het oog op unieke identificatie.
   De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de berekening van de omkadering van de scholen. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. De maximale bewaartermijn voor deze gegevens is 30 jaar.]5

  § 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Zij bepaalt tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. De hoogste gewichten worden toegekend aan de in § 1, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicatoren.
  De in § 1, 5°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met andere gelijkekansenindicatoren. (232)
  
Art. 233. § 1. Pour l'application de la présente sous-section, les indicateurs suivants, dénommés ci-après "indicateurs d'égalité des chances" sont applicables :
  1° la famille reçoit une ou plusieurs [2 allocations de participation sélectives d'élève]2;
  2° [4 élève avec un foyer]4 ;
  3° les parents sont des gens du voyage;
  4° la mère n'est pas titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire, d'un certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel ou d'un certificat équivalent;
  5° la langue que l'élève parle dans la famille, c.-à-d. la langue qu'il parle avec sa mère, son père, ses frères ou soeurs n'est pas le néerlandais. Cette langue n'est pas le néerlandais si l'élève ne le parle à personne dans la famille ou si l'élève le parle avec au maximum un membre dans une famille de trois membres (outre l'élève). L'ensemble des frères et soeurs est considéré comme un membre de famille.
  § 2. Moyennant une déclaration sur l'honneur des parents, il est démontré qu'il est satisfait aux indicateurs d'égalité des chances visés au § 1er, 4° et 5°.
  Le Gouvernement flamand définit de quelle façon l'élève doit répondre à l'indicateur d'égalité des chances visé au § 1er, 1°, 2° et 3° et fixe la procédure selon laquelle les données sont transmises au Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. A cet effet, il tient compte de la réglementation en vigueur dans le domaine de la protection de la vie privée.
  Les documents ou déclarations démontrant que les élèves satisfont à un ou plusieurs indicateurs d'égalité des chances, sont gardés dans l'école pendant au moins cinq ans.
  [5 Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, 2°, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
   a) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, a) ou b), le numéro NISS de l'élève et, le cas échéant, la date de début et de fin du contrat de séjour dans le centre multifonctionnel, fixée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures et l'instance qui renvoie ;
   b) pour les élèves qui répondent à l'article 3, 17° /2/1, c), le numéro NISS, pour les élèves ayant un numéro NISS, et la date de fin du statut, visée à l'article 3, 17° /2/1, c), et des informations complémentaires pour les élèves sans numéro NISS, le prénom, le nom de famille, la date de naissance, le sexe, la nationalité et l'adresse du dernier lieu d'accueil aux fins de l'identification unique.
   Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé du calcul de l'encadrement des écoles. Ce service compétent est le responsable du traitement des données. Le délai maximum de conservation de ces données est de 30 ans.]5

  § 3. Le Gouvernement flamand accorde une pondération à chaque indicateur d'égalité des chances. Il fixe également le plafond des pondérations cumulées, qui est au minimum égal à la pondération la plus élevée accordée à un indicateur d'égalité des chances et au maximum égal à une fois et demie cette pondération la plus élevée. Les pondérations les plus élevées sont attribuées aux indicateurs d'égalité des chances vises au § 1er, 2° et 3°.
  L'indicateur d'égalité des chances visé au § 1er, 5°, est uniquement pondéré en combinaison avec d'autres indicateurs d'égalité des chances. (232)
  
Art. 234. Scholen kunnen [2 jaarlijks]2 extra uren-leraar/puntenwaarden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :
  1° op 1 februari van [2 het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar]2 ten minste 25 % regelmatige leerlingen tellen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 233, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1; en
  2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 235 batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen [1 , voor alle graden samen,]1 en ten minste zes extra uren-leraar genereren.
  De schoolbesturen bepalen of de extra ondersteuning uren-leraar en/of puntenwaarden betreft. (233)
  
Art. 234. Les écoles peuvent bénéficier de périodes-professeur supplémentaires/valeurs de point [2 annuellement]2 pour autant qu'elles remplissent les conditions mentionnées ci-après :
  1° compter, le 1er février [2 de l'année scolaire précédente ou de celle qui l'a précédée]2 au moins 25 % d'élèves réguliers qui répondent à un ou plusieurs indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 233, § 1, 1°, 2°, 3° et 4°; le nombre d'élèves réguliers répondant uniquement aux indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 233, § 1er, 1° ou 1° et 5°, est multiplié par un coefficient fixé par le Gouvernement flamand, qui est au moins égal à 0,1 et ne dépasse pas 1;
  et 2° être classées favorablement parmi les écoles visées au 1° conformément aux dispositions de l'article 235 [1 , pour l'ensemble des grades,]1 et générer au minimum six périodes-professeur supplémentaires.
  Les autorités scolaires définissent si l'appui supplémentaire concerne des périodes-professeur supplémentaires et/ou des valeurs de point. (233)
  
Art. 235. § 1. [2 Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gebeurt de toekenning van de extra uren-leraar/puntenwaarden jaarlijks als volgt]2 :
  1° de in artikel 234 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 233, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absolute aantal van deze leerlingen gerangschikt;
  2° de leerlingen genereren op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn een aantal punten;
  3° het aantal punten van scholen met [1 ten minste 55 %]1 leerlingen die aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren beantwoorden, wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5;
  4° het aantal punten van scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra uren-leraar of puntenwaarden een punt vertegenwoordigt.
  [2 ...]2
  
Art. 235. § 1. [2 Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'octroi des périodes-professeur supplémentaires et/ou des valeurs de point se fait annuellement de la façon suivante :]2
  1° les écoles visées à l'article 234 sont classées suivant le pourcentage d'élèves qui répondent à un ou plusieurs indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 233, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°; le nombre d'élèves réguliers répondant uniquement aux indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 233, § 1er, 1° ou 1° et 5°, est multiplié par un coefficient fixé par le Gouvernement flamand, étant au moins égal à 0,1 et ne dépassant pas 1. A l'intérieur d'un même pourcentage, les écoles sont classées suivant le nombre absolu de ces élèves;
  2° les élèves génèrent un nombre de points sur la base de la pondération des indicateurs d'égalité des chances qui leur sont applicables;
  3° le nombre de points d'écoles avec [1 au moins 55 %]1 d'élèves répondant à un ou plusieurs indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 233, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4° est multiplié par un coefficient fixé par le Gouvernement flamand qui est au moins égal à 1 et au plus égal à 1,5;
  4° le nombre de points d'écoles dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale est multiplié par un coefficient fixé par le Gouvernement flamand qui est au moins égal à 1 et au plus égal à 1,5.
  § 2. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand définit combien de périodes-professeur supplémentaires ou valeurs de point correspondent à un point.
  [2 ...]2
  
Art. 236. De extra uren-leraar worden uitgeoefend in het ambt van leraar of van godsdienstleraar. Met de puntenwaarden worden halftijdse of voltijdse betrekkingen opgericht in het ambt van opvoeder. (235)
Art. 236. Les périodes-professeur supplémentaires sont exercées dans la fonction d'enseignant ou de professeur de religion. Les valeurs de point servent à créer des emplois à mi-temps ou à temps plein dans la fonction d'éducateur. (235)
Art. 237. [1 De extra uren-leraar/puntenwaarden kunnen enkel worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op gelijke onderwijskansen als vermeld in artikel 123/21 en op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad.]1
  
Art. 237. [1 Les périodes-professeur supplémentaires et/ou valeurs de point ne peuvent être utilisées que pour permettre à l'équipe de l'école d'apporter un encadrement approprié à chaque élève en vue de l'égalité des chances dans l'enseignement visée à l'article 123/21 et de répondre aux attentes de qualité telles que définies dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement établi par le Gouvernement flamand. Pour ce faire, l'école définit ses propres objectifs, indicateurs et calendrier.]1
  
Art. 240. [1 De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van [2 het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 242 van deze codex, en de extra uren-leraar/puntenwaarden, vermeld in artikel 234 tot en met 237 van deze codex,]2 gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]1
  
Art. 240. [1 L'évaluation externe de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement de l'école, y compris l'utilisation [2 le budget de fonctionnement sur la base des caractéristiques des élèves visées à l'article 242 du présent code et les périodes-professeur supplémentaires/valeurs de point, visées aux articles 234 à 237 du présent code,]2 se fait dans le cadre de l'audit de l'école tel que visé aux articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.]1
  
Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van de werking
Section 2. - Financement et subventionnement du fonctionnement
Onderafdeling 1. - Leerlingen- en schoolkenmerken
Sous-section 1. - Caractéristiques de l'élève et caractéristiques de l'école
Art. 242. § 1.Voor de toepassing van deze afdeling gelden de volgende kenmerken :
  1° leerlingenkenmerken :
  a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;
  b) [2 het krijgen van een selectieve participatietoeslag leerling: er wordt een selectieve participatietoeslag leerling gegeven aan de leerling als vermeld in het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid geen recht op een selectieve participatietoeslag leerling hadden, ook meegerekend;]2
  c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;
  d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder " buurt " de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder " buurt " de gemeente waar zij wonen verstaan;
  2°[6 ...]6
  [2 In afwijking van het eerste lid, 1°, b), wordt voor het begrotingsjaar 2020 voor de scholen die tellen conform artikel 169, onder leerlingenkenmerk 2 begrepen, het krijgen van een schooltoelage: er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, ook meegerekend.]2
  § 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :
  1° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;
  2° in een tweede fase wordt voor elke leerling vastgesteld wat het percentage schoolse vertraging is van de buurt. Leerlingen die behoren tot de trekkende bevolking en [5 leerlingen met een zorgthuis]5 worden geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.
  Onder trekkende bevolking worden de binnenschippers, de kermis- en circusexploitanten en -artiesten en woonwagenbewoners verstaan, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden.[4 ...]4 Leerlingen die hun woonplaats hebben in dunbevolkte buurten worden niet geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.
  Voor alle leerlingen uit het gewoon secundair onderwijs wordt het 75ste percentiel van de buurtscores bepaald. Leerlingen die hun woonplaats hebben in een buurt met een score hoger dan of gelijk aan het 75ste percentiel, beantwoorden aan de indicator " woonplaats hebben in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd ".
  Leerlingenkenmerk 4 is enkel van toepassing voor leerlingen die in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de leerlingenkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld. Voor leerlingenkenmerk 4 bepaalt de Vlaamse Regering de wijze waarop de buurten worden afgebakend. (241)
  
Art. 242. § 1er. Pour l'application de la présente section, les caractéristiques suivantes sont d'application :
  1° caractéristiques de l'élève :
  a) le niveau de formation de la mère : la mère n'est pas titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire ou d'un certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel ou d'un certificat équivalent, ci-après dénommé caractéristique de l'élève 1;
  b) [2 l'obtention d'une allocation de participation sélective d'élève : il est versé une allocation de participation sélective d'élève au sens du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, ci-après dénommée caractéristique de l'élève 2. Pour l'application du présent article, les élèves qui n'avaient pas droit à une allocation de participation sélective d'élève uniquement pour cause d'absence non justifiée sont également pris en compte ;]2
  c) la langue que l'élève parle dans la famille et qui n'est pas la même que la langue d'enseignement : c.-à-d. la langue que l'élève parle le plus souvent avec sa mère, son père, ou ses frères et soeurs, ci-après dénommé caractéristique de l'élève 3. La langue que l'élève parle dans la famille n'est pas la langue d'enseignement si l'élève ne parle à personne dans la famille ou ne parle qu'avec au maximum un membre de famille dans une famille de trois membres (outre l'élève) la langue d'enseignement. Les frères et soeurs sont considérés comme un seul membre de famille;
  d) l'élève habite un quartier au taux élevé d'élèves ayant un retard scolaire d'au moins deux ans à l'âge de quinze ans, ci-après dénommé caractéristique de l'élève 4. Par retard scolaire, il faut entendre le nombre d'années d'études de retard accumulées par l'élève à l'égard de l'année d'études dans laquelle il se trouverait s'il suivait un parcours scolaire normal. Pour les élèves habitant en Région flamande, il faut entendre par "quartier" le secteur statistique. Le secteur statistique est la plus petite unité territoriale telle que définie par l'instance fédérale compétente pour la coordination de la statistique publique. Pour les élèves habitant en Région de Bruxelles-Capitale, il faut entendre par "quartier" la commune dans laquelle ils habitent;
  2° [6 ...]6
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, b), on entend par caractéristique de l'élève 2, pour l'année budgétaire 2020, pour les écoles qui comptent conformément à l'article 169, l'obtention d'une allocation scolaire : il est attribué une allocation scolaire à l'élève au sens du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, qui est versée au profit de l'élève, ci-après dénommée caractéristique de l'élève 2. Pour l'application du présent article, les élèves qui n'avaient pas droit à une allocation scolaire uniquement pour cause d'absence non justifiée sont également pris en compte.]2
  § 2. La caractéristique de l'élève 4 est définie comme suit :
  1° dans une première phase, le retard scolaire de tous les quartiers est calculé. Le calcul du retard scolaire est basé sur tous les élèves de l'enseignement ordinaire qui ont suivi des cours dans une école, financée ou subventionnée par la Communauté flamande. Par quartier, est calculé le pourcentage d'élèves de quinze ans affichant, à l'âge de quinze ans, un retard scolaire de deux ans ou plus qu'ils ont accumulé au cours des six à dix ans derniers. Les quartiers pour lesquels le calcul du retard scolaire est basé sur moins de cinquante élèves de quinze ans sont ci-après dénommés des quartiers peu peuplés;
  2° dans une deuxième phase, le taux de retard scolaire du quartier est fixé pour chaque élève. Des élèves appartenant aux gens du voyage et des [5 élèves avec un foyer]5, qui sont censés vivre dans un quartier avec un taux élevé d'élèves affichant au moins deux ans de retard scolaire à l'âge de quinze ans.
  Par gens du voyage, on entend des bateliers, des marchands forains ou des exploitants ou artistes de cirque et des nomades, visés à l'article 2, 3°, du décret du 28 avril 1998 relatif à la politique flamande à l'encontre des minorités ethnoculturelles. [4 ...]4 Des élèves résidant dans des quartiers peu peuplés ne sont pas censés vivre dans un quartier au taux élevé d'élèves affichant au moins deux ans de retard scolaire à l'âge de quinze ans.
  Pour tous les élèves de l'enseignement secondaire ordinaire, le 75e percentile des scores des quartiers est fixé. Des élèves habitant un quartier avec un score supérieur ou égal au 75e percentile, répondent à l'indicateur "avoir sa résidence dans un quartier à taux élevé d'élèves avec au moins deux ans de retard scolaire à l'âge de quinze ans".
  La caractéristique de l'élève 4 n'est applicable qu'aux élèves résidant en région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  § 3. Le Gouvernement flamand définit le mode de détermination des caractéristiques de l'élève et fixe la procédure selon laquelle les données sont recueillies par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. Pour la caractéristique de l'élève 4, le Gouvernement fixe le mode de délimitation des quartiers. (241)
  
Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen
Sous-section 2. - Fixation du budget total de fonctionnement et des prélèvements
Art. 243. § 1.[6 ...]6
  § 2.[6 ...]6.
  2° [6 ...]6.
  3° [4 Vanaf het begrotingsjaar 2017]4 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.
  4° [5 ...]5
  § 3.[6 ...]6.
  Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
  De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :
  1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :
  a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 245, voor de leerlingen van het gewoon secundair onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
  b) punten 0 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 245, voor de leerlingen van het gewoon secundair onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
  2° A2 = Cx-1/(Cx-2), waarbij :
  a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
  b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
  De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
  3°[6 ...]6
  [1 [6 ...]6]1
  [2 [6 ...]6;]2
  [3 [6 ...]6;
   7° [6 ...]6.]3

  § 4.[6 ...]6
  
Art. 243. § 1.[6 ...]6
  § 2. 1° [6 ...]6.
  2° [6 ...]6.
  3° [4 A partir de l'année budgétaire 2017]4, le budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel est calculé sur la base des crédits qui sont inscrits au budget général des dépenses de la Communauté flamande de l'année budgétaire précédente comme budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel, majorés de l'ensemble des coûts salariaux des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif de l'enseignement communautaire secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel de l'année budgétaire précédente.
  4° [5 ...]5
  § 3.[6 ...]6.
  A partir de l'année budgétaire 2010, le montant obtenu en application du § 2 est multiplié par les coefficients d'adaptation A1et A2.
  Les coefficients A1et A2 sont calculés comme suit :
  1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), où :
  a) punten 1 = le nombre total de points pour des caractéristiques de l'école, calculé en application de l'article 245, pour les élèves de l'enseignement secondaire ordinaire au 1er février de l'année scolaire précédente;
  b) punten 0 = le nombre total de points pour des caractéristiques de l'école, tel que calculé en application de l'article 245, pour les élèves de l'enseignement secondaire ordinaire au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
  2° A2 = Cx-1/(Cx-2), où :
  a) Cx-1 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1;
  b) Cx-2 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
  Le coefficient A2 est porté en compte pour 100 %.
  3° [6 ...]6.
  [1 [6 ...]6.]1
  [2 [6 ...]6;]2
  [3 [6 ...]6 ;
   7° [6 ...]6.]3

  § 4.[6 ...]6)
  
Art. 244. § 1. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243, wordt een budget van 3 procent voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :
  V1 = B * lln-Neu * 3 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %), waarbij :
  1° B = werkingsbudget, verkregen na de toepassing van artikel 243;
  2° lln-Neu = leerlingen van het secundair Gemeenschapsonderwijs;
  3° lln-tot = het totale aantal leerlingen in het gewoon secundair onderwijs;
  4° lln-LB = leerlingen van het officieel secundair onderwijs.
  § 2. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :
  V2 = B * lln-LB * 4,5 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %).
  § 3. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243 en artikel 244, § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule :
  (B - V1 - V2) * Pjaarx = B-lli, waarbij :
  1° [1 Pjaarx = percentage voor het begrotingsjaar in kwestie. Dat percentage bedraagt 10,375 % voor het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 stijgt dit percentage jaarlijks met 0,125 % tot 11 % vanaf het begrotingsjaar 2020;]1
  2° B-lli = werkingbudget dat verdeeld zal worden op basis van leerlingenkenmerken.
  Het werkingsbudget voor de leerlingenkenmerken 1, 2 en 3 wordt als volgt bepaald :
  B-lli x 30 %,
  en voor leerlingenkenmerk 4 als volgt :
  B-lli x 10 %,
  respectievelijk : B-lliOpl, B-lliSt, B-lliTa, B-lliBu, met :
  a) B-lliOpl= werkingsbudget leerlingenkenmerk 1;
  b) B-lliSt= werkingsbudget leerlingenkenmerk 2;
  c) B-lliTa= werkingsbudget leerlingenkenmerk 3;
  d) B-lliBu= werkingsbudget leerlingenkenmerk 4.
  § 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B-SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule : B-SchK= B-V1-V2-B-lli.
  In afwijking van het eerste lid wordt voor het begrotingsjaar 2010 het B-SchK bepaald door toepassing van volgende formule :
  B-SchK = GPP-SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 245, 1° en 2°, waarbij : GPP-SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009. (243)
  
Art. 244. § 1. Du budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire ordinaire, obtenu en application de l'article 243, un budget de 3% est prélevé pour les écoles qui répondent à la caractéristique de l'école V1. Ce prélèvement est calculé selon la formule suivante :
  V1 = B * lln-Neu * 3 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %), où :
  1° B = le budget de fonctionnement obtenu par application de l'article 243;
  2° lln-Neu = les élèves de l'enseignement communautaire secondaire;
  3° lln-tot = le nombre total d'élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire;
  4° lln-LB = les élèves de l'enseignement secondaire officiel.
  § 2. Du budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire ordinaire, obtenu en application de l'article 243, un budget de 4,5 % est prélevé pour les écoles qui répondent à la caractéristique de l'école V2. Ce prélèvement est calculé selon la formule suivante :
  V2 = B * lln-LB * 4,5 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %).
  § 3. Du budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire ordinaire, obtenu en application des articles 243 et 244, §§ 1er et 2, il est calculé un pourcentage éligible pour une répartition sur la base des caractéristiques de l'élève. Ce budget est calculé selon la formule suivante :
  (B - V1 - V2) * Pjaarx = B-lli, où :
  1° [1 Pjaarx = le pourcentage pour l'année budgétaire en question. Ce pourcentage s'élève à 10,375 % pour l'année budgétaire 2015. A partir de l'année budgétaire 2016, ce pourcentage augmente annuellement de 0,125 % jusqu'à 11 % à partir de l'année budgétaire 2020.]1
  2° B-lli = le budget de fonctionnement qui sera réparti sur la base des caractéristiques de l'élève.
  Le budget de fonctionnement pour les caractéristiques de l'élève 1, 2 et 3 est défini comme suit :
  B-lli x 30 %,
  et pour la caractéristique de l'élève 4 comme suit :
  B-lli x 10 %,
  respectivement : B-lliOpl, B-lliSt, B-lliTa, B-lliBu, où :
  a) B-lliOpl = le budget de fonctionnement pour la caractéristique de l'élève 1;
  b) B-lliSt = le budget de fonctionnement pour la caractéristique de l'élève 2;
  c) B-lliTa = le budget de fonctionnement pour la caractéristique de l'élève 3;
  d) B-lliBu = le budget de fonctionnement pour la caractéristique de l'élève 4.
  § 4. Le budget de fonctionnement qui est réparti sur la base des caractéristiques de l'école, dénommé ci-après B-SchK, est fixé en appliquant la formule suivante : B-SchK= B-V1-V2-B-lli.
  Par dérogation au premier alinéa, le B-SchK est fixé pour l'année budgétaire 2010 par application de la formule suivante :
  B-SchK = GPP-SchK2009 x le nombre total de points obtenu par application de l'article 245, 1° et 2°, GPP-SchK2009 est la valeur monétaire par point pour l'année budgétaire 2009, telle que fixée après le troisième contrôle budgétaire 2009. (243)
  
Onderafdeling 3. - Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken
Sous-section 3. - Répartition du crédit pour les caractéristiques de l'école et les caractéristiques de l'élève
Art. 245. B-SchK, vermeld in artikel 244, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken zoals bedoeld in artikel 242, § 1, met uitzondering van [1 schoolkenmerk V1 en V2]1 :
  1° [2 a) vóór de modernisering van het secundair onderwijs worden de puntengewichten per regelmatige leerling als volgt vastgesteld:
Art. 245. B-SchK, visé à l'article 244, § 4, est réparti comme suit sur les caractéristiques de l'école telles que visées à l'article 242, § 1er, à l'exception [1 des caractéristiques de l'école V1 et V2]1 :
  1° [2 a) avant la modernisation de l'enseignement secondaire, les coefficients de pondération par élève régulier sont déterminés comme suit :
eerste graad16
tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (inclusief de aso-studierichtingen die tot het studiegebied Sport behoren)16
tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Decoratieve technieken, Fotografie, Handel, Mode, Lichaamsverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, Voeding18
tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Auto, Bouw, Chemie, Glastechnieken, Grafische communicatie en media, Hout, Juwelen, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maritieme opleidingen, Maatschappelijke veiligheid, Mechanica-elektriciteit, Muziekinstrumentenbouw, Optiek, Orthopedische technieken, Tandtechnieken, Textiel22
tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de studiegebieden Ballet, Podiumkunsten20
tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: het studiegebied Beeldende kunsten18
hoger beroepsonderwijs20
deeltijds beroepssecundair onderwijs10
eerste graad16tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (inclusief de aso-studierichtingen die tot het studiegebied Sport behoren)16tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Decoratieve technieken, Fotografie, Handel, Mode, Lichaamsverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, Voeding18tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Auto, Bouw, Chemie, Glastechnieken, Grafische communicatie en media, Hout, Juwelen, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maritieme opleidingen, Maatschappelijke veiligheid, Mechanica-elektriciteit, Muziekinstrumentenbouw, Optiek, Orthopedische technieken, Tandtechnieken, Textiel22tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de studiegebieden Ballet, Podiumkunsten20tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: het studiegebied Beeldende kunsten18hoger beroepsonderwijs20deeltijds beroepssecundair onderwijs10
b) vanaf de modernisering van het secundair onderwijs worden de puntengewichten per regelmatige leerling als volgt vastgesteld:
premier degré16
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général (y compris les orientations d'études enseignement secondaire général qui relèvent de la discipline 'Sport')16
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Techniques décoratives, Photographie, Commerce, Mode, Soins corporels, soins aux personnes, Sport, Tourisme, Alimentation18
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Voiture, Construction, Chimie, Techniques du verre, Communication et médias graphiques, Bois, Bijouterie, Refroidissement et chaleur, Agriculture et horticulture, Formations maritimes, Sécurité civile, Mécanique-électricité, Facture instrumentale, Optique, Techniques orthopédiques, Techniques dentaires, Textile22
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : les disciplines Ballet, Arts de la scène20
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Arts plastiques18
enseignement supérieur professionnel20
enseignement secondaire professionnel à temps partiel10
premier degré16deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général (y compris les orientations d'études enseignement secondaire général qui relèvent de la discipline 'Sport')16deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Techniques décoratives, Photographie, Commerce, Mode, Soins corporels, soins aux personnes, Sport, Tourisme, Alimentation18deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Voiture, Construction, Chimie, Techniques du verre, Communication et médias graphiques, Bois, Bijouterie, Refroidissement et chaleur, Agriculture et horticulture, Formations maritimes, Sécurité civile, Mécanique-électricité, Facture instrumentale, Optique, Techniques orthopédiques, Techniques dentaires, Textile22deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : les disciplines Ballet, Arts de la scène20deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Arts plastiques18enseignement supérieur professionnel20enseignement secondaire professionnel à temps partiel10
b) à partir de la modernisation de l'enseignement secondaire, les coefficients de pondération par élève régulier sont déterminés comme suit :
Eerste graad16
Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs: de disciplines Klassiek, Modern, Sport16
Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Administratie en distributie, Horeca, Lichaamsverzorging, Modecreatie, Moderealisatie en textielverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, taal en cultuur, Voeding18
Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Auto en tweewielers, Biotechnologie en chemie, Creatie en ambacht, Grafische technieken en media, Hout en bouw, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maatschappelijke veiligheid, Maritiem, Mechanicaelektriciteit, Paramedisch, Technologie en industrie, Textiel22
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de disciplines Architectuur en beeldende kunst, Modecreatie18
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Podiumkunsten20
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Grafische technieken en media22
Hoger beroepsonderwijs20
Deeltijds beroepssecundair onderwijs10
Eerste graad16Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs: de disciplines Klassiek, Modern, Sport16Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Administratie en distributie, Horeca, Lichaamsverzorging, Modecreatie, Moderealisatie en textielverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, taal en cultuur, Voeding18Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Auto en tweewielers, Biotechnologie en chemie, Creatie en ambacht, Grafische technieken en media, Hout en bouw, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maatschappelijke veiligheid, Maritiem, Mechanicaelektriciteit, Paramedisch, Technologie en industrie, Textiel22Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de disciplines Architectuur en beeldende kunst, Modecreatie18Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Podiumkunsten20Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Grafische technieken en media22Hoger beroepsonderwijs20Deeltijds beroepssecundair onderwijs10
;]2
  2° voor alle scholen wordt per categorie, vermeld in 1°, het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in [3 artikel 169 tot en met 172]3, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;
  3° het B-SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP-SchK te noemen. (244)
  
Premier degré16
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général : les disciplines Classique, Moderne, Sport16
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Administration et distribution, Horeca, Soins corporels, Création de mode, Réalisation de mode et entretien du textile, Soins aux personnes, Sport, Tourisme, Langue et culture, Alimentation18
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Voiture et deux-roues, Biotechnologie et chimie, Création et artisanat, Techniques et médias graphiques, Bois et construction, Refroidissement et chaleur, Agriculture et horticulture, Sécurité civile, Maritime, Mécanique-électricité, Paramédical, Technologie et industrie, Textile22
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : les disciplines Architecture et arts plastiques, Création de mode18
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Arts de la scène20
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Techniques et médias graphiques22
Enseignement supérieur professionnel20
Enseignement secondaire professionnel à temps partiel10
Premier degré16Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général : les disciplines Classique, Moderne, Sport16Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Administration et distribution, Horeca, Soins corporels, Création de mode, Réalisation de mode et entretien du textile, Soins aux personnes, Sport, Tourisme, Langue et culture, Alimentation18Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Voiture et deux-roues, Biotechnologie et chimie, Création et artisanat, Techniques et médias graphiques, Bois et construction, Refroidissement et chaleur, Agriculture et horticulture, Sécurité civile, Maritime, Mécanique-électricité, Paramédical, Technologie et industrie, Textile22Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : les disciplines Architecture et arts plastiques, Création de mode18Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Arts de la scène20Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Techniques et médias graphiques22Enseignement supérieur professionnel20Enseignement secondaire professionnel à temps partiel10
;]2
  2° pour toutes les écoles, est multiplié, par catégorie, visée au 1°, le nombre d'élèves comptés à la date de comptage mentionnée aux articles 169 à 172 inclus, par la pondération correspondante;
  3° le B-SchK est ensuite divisé par le nombre total de points à répartir. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école, ci-après dénommée GPP-SchK. (244)
  
Art. 246. § 1. Het budget V1, vermeld in artikel 244, § 1, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW-V1 te noemen.
  § 2. Het budget V2, vermeld in artikel 244, § 2, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het officieel gewoon secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW-V2 te noemen. (245)
Art. 246. § 1. Le budget V1, visé à l'article 244, § 1er, est réparti comme suit : V1 est divisé par tous les élèves de l'enseignement communautaire secondaire ordinaire. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par élève pour la caractéristique de l'école V1, ci-après dénommée GW-V1.
  § 2. Le budget V2, visé à l'article 244, § 2, est réparti comme suit : V2 est divisé par tous les élèves de l'enseignement secondaire ordinaire officiel. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par élève pour la caractéristique de l'école V2, ci-après dénommée GW-V2. (245)
Art. 247. § 1. Het budget leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 244, § 3, wordt verdeeld in een bedrag per leerling geteld op de teldatum, vermeld in [1 artikel 169 tot en met 172 ]1, per kenmerk volgens de volgende formules :
  1° B-ClliOpl= B-lliOpl/ClliOpl;
  2° B-ClliSt= B-lliSt/ClliSt;
  3° B-ClliTa= B-lliTa/ClliTa;
  4° B-ClliBu= B-lliBu/ ClliBu;
  met :
  a) B-ClliOpl= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 1;
  b) B-ClliSt= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 2;
  c) B-ClliTa= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 3;
  d) B-ClliBu= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 4;
  e) ClliOpl= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;
  f) ClliSt= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;
  g) ClliTa= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;
  h) ClliBu= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4.
  § 2. ClliOpl, ClliSt, ClliTa en ClliBu, vermeld in § 1, worden respectievelijk via de volgende formules berekend :
  1° berekening van ClliOpl : ClliOpl= sigmalle scholen ClliOpl-school, waarbij :
  ClliOpl-school = MIN (Proc-school-iOpl;
  Gemid-tot-iOpl + (2 x Stdev-tot-iOpl)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :
  a) ClliOpl-school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 1;
  b) Proc-school-iOpl = het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;
  c) Gemid-tot-iOpl = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;
  d) Stdev-tot-iOpl = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;
  e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;
  2° berekening van ClliSt : ClliSt= sigmalle scholen ClliSt-school, waarbij :
  ClliSt-school = MIN (Proc-school-iSt; Gemid-tot-iSt + (2 x Stdev-tot-iSt)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :
  a) ClliSt-school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 2;
  b) Proc-school-iSt = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;
  c) Gemid-tot-iSt = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;
  d) Stdev-tot-iSt = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;
  e) MIN= de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;
  3° berekening van ClliTa : ClliTa= sigmalle scholenClliTa-school, waarbij :
  ClliTa-school= MIN (Proc-school-iTa; Gemid-tot-iTa + (2 x Stdev-tot-iTa)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :
  a) ClliTa-school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 3;
  b) Proc-school-iTa = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;
  c) Gemid-tot-iTa = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen per school dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;
  d) Stdev-tot-iTa = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;
  e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;
  4° berekening van ClliBu : ClliBu= sigmalle scholenClliBu-school, waarbij :
  ClliBu= MIN (Proc-school-iBu; Gemid-tot-iBu + (2 x Stdev-tot-iBu)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :
  a) ClliBu= het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 4;
  b) Proc-school-iBu = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;
  c) Gemid-tot-iBu = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;
  d) Stdev-tot-iBu = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4;
  e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4. (246)
  
Art. 247. § 1. Le budget caractéristiques de l'élève, visé à l'article 244, § 3, est divisé en un montant par élève compté à la date de comptage, mentionnée aux articles 169 à 172 inclus, par caractéristique selon les formules suivantes :
  1° B-ClliOpl= B-lliOpl/ClliOpl;
  2° B-ClliSt= B-lliSt/ClliSt;
  3° B-ClliTa= B-lliTa/ClliTa;
  4° B-ClliBu= B-lliBu/ ClliBu;
  où :
  a) B-ClliOpl = le montant par nombre corrigé d'élèves pour la caractéristique de l'élève 1;
  b) B-ClliSt = le montant par nombre corrigé d'élèves pour la caractéristique de l'élève 2;
  c) B-ClliTa = le montant par nombre corrigé d'élèves pour la caractéristique de l'élève 3;
  d) B-ClliBu = le montant par nombre corrigé d'élèves pour la caractéristique de l'élève 4;
  e) ClliOpl = le nombre corrigé d'élèves éligibles pour la caractéristique de l'élève 1;
  f) ClliSt = le nombre corrigé d'élèves éligibles pour la caractéristique de l'élève 2;
  g) ClliTa = le nombre corrigé d'élèves éligibles pour la caractéristique de l'élève 3;
  h) ClliBu = le nombre corrigé d'élèves éligibles pour la caractéristique de l'élève 4.
  § 2. ClliOpl, ClliSt, ClliTa et ClliBu, visés au § 1er, sont respectivement calculés selon les formules suivantes :
  1° calcul du ClliOpl : ClliOpl = sigmalle scholen ClliOpl-school, où :
  ClliOpl-school = MIN (Proc-school-iOpl;
  Gemid-tot-iOpl + (2 x Stdev-tot-iOpl)) x nombre d'élèves dans l'école, où :
  a) ClliOpl-school = le nombre corrigé d'élèves par école pour la caractéristique de l'élève 1;
  b) Proc-school-iOpl = le pourcentage d'élèves éligibles par école pour la caractéristique de l'élève 1;
  c) Gemid-tot-iOpl = la moyenne du pourcentage d'élèves éligibles pour l'ensemble des écoles pour la caractéristique de l'élève 1;
  d) Stdev-tot-iOpl = la déviation type calculée sur la population totale d'élèves en pourcentage pour la caractéristique de l'élève 1;
  e) MIN = la valeur la plus basse des deux : le pourcentage d'élèves éligibles par école pour la caractéristique de l'élève 1 ou la moyenne du pourcentage d'élèves éligibles pour l'ensemble des écoles pour la caractéristique de l'élève 1, majoré de deux fois la déviation type calculée sur la population totale d'élèves en pourcentage pour la caractéristique de l'élève 1;
  2° calcul du ClliSt : ClliSt = sigmalle scholen ClliSt-school, où :
  ClliSt-school = MIN (Proc-school-iSt; Gemid-tot-iSt + (2 x Stdev-tot-iSt)) x nombre d'élèves dans l'école, où :
  a) ClliSt-school = le nombre corrigé d'élèves par école pour la caractéristique de l'élève 2;
  b) Proc-school-iSt = le pourcentage d'élèves éligibles par école pour la caractéristique de l'élève 2;
  c) Gemid-tot-iSt = la moyenne du pourcentage d'élèves éligibles pour l'ensemble des écoles pour la caractéristique de l'élève 2;
  d) Stdev-tot-iSt = la déviation type calculée sur la population totale d'élèves en pourcentage pour la caractéristique de l'élève 2;
  e) MIN = la valeur la plus basse des deux : le pourcentage d'élèves éligibles par école pour la caractéristique de l'élève 2 ou la moyenne du pourcentage d'élèves éligibles pour l'ensemble des écoles pour la caractéristique de l'élève 2, majoré de deux fois la déviation type calculée sur la population totale d'élèves en pourcentage pour la caractéristique de l'élève 2;
  3° calcul du ClliTa : ClliTa= sigmalle scholenClliTa-school, où :
  ClliTa-school = MIN (Proc-school-iTa; Gemid-tot-iTa + (2 x Stdev-tot-iTa)) x nombre d'élèves dans l'école, où :
  a) ClliTa-school = le nombre corrigé d'élèves par école pour la caractéristique de l'élève 3;
  b) Proc-school-iTa = le pourcentage d'élèves éligibles par école pour la caractéristique de l'élève 3;
  c) Gemid-tot-iTa = la moyenne du pourcentage d'élèves par école éligibles pour l'ensemble des écoles pour la caractéristique de l'élève 3;
  d) Stdev-tot-iTa = la déviation type calculée sur la population totale d'élèves en pourcentage pour la caractéristique de l'élève 3;
  e) MIN = la valeur la plus basse des deux : le pourcentage d'élèves éligibles par école pour la caractéristique de l'élève 3 ou la moyenne du pourcentage d'élèves éligibles pour l'ensemble des écoles pour la caractéristique de l'élève 3, majoré de deux fois la déviation type calculée sur la population totale d'élèves en pourcentage pour la caractéristique de l'élève 3;
  4° calcul du ClliBu : ClliBu= sigmalle scholenClliBu-school, où :
  ClliBu = MIN (Proc-school-iBu; Gemid-tot-iBu + (2 x Stdev-tot-iBu)) x nombre d'élèves dans l'école, où :
  a) ClliBu- = le nombre corrigé d'élèves par école pour la caractéristique de l'élève 4;
  b) Proc-school-iBu = le pourcentage d'élèves éligibles par école pour la caractéristique de l'élève 4;
  c) Gemid-tot-iBu = la moyenne du pourcentage d'élèves éligibles pour l'ensemble des écoles pour la caractéristique de l'élève 4;
  d) Stdev-tot-iBu = la déviation type calculée sur la population totale d'élèves en pourcentage pour la caractéristique de l'élève 4;
  e) MIN = la valeur la plus basse des deux : le pourcentage d'élèves éligibles par école pour la caractéristique de l'élève 4 ou la moyenne du pourcentage d'élèves éligibles pour l'ensemble des écoles pour la caractéristique de l'élève 4, majoré de deux fois la déviation type calculée sur la population totale d'élèves en pourcentage pour la caractéristique de l'élève 4; (246)
  
Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsbudget per school
Sous-section 4. - Calcul du budget de fonctionnement par école
Art. 248. Het werkingsbudget per school wordt voor een deel berekend op basis van schoolkenmerken en voor een deel op basis van leerlingenkenmerken. (247)
Art. 248. Le budget de fonctionnement par école est partiellement calculé sur la base des caractéristiques de l'école et partiellement sur la base des caractéristiques de l'élève. (247)
Art. 249. § 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in 172, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerken, met uitzondering van [3 schoolkenmerk V1 en V2]3.
  § 2. [4 Onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, is het werkingsbudget per school van het gewoon secundair onderwijs de som van:]4
  1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP-SchK, vermeld in artikel 245, 3°;
  2° het bedrag, verkregen door het resultaat van de volgende vermenigvuldigingen :
  a) B-ClliOpl x ClliOpl-school;
  b) B-ClliSt x ClliSt-school;
  c) B-ClliTa x ClliTa-school;
  d) B-ClliBu x ClliBu-school;
  3° GW-V1, vermeld in artikel 246, § 1, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;
  4° GW-V2, vermeld in artikel 246, § 2, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school.
  § 3. Het budget, verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend in overeenstemming met de bepalingen van van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, waarbij :
  1° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en [2 vanaf 2017]2 met 100 percent van die loonkosten;
  2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen, vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 851.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dit bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 243;
  3° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, vermeerderd wordt met een transitiefonds dat in 2009 1.250.000 euro bedraagt en jaarlijks verminderd wordt met 125.000 euro.
  § 4. Het werkingsbudget verkregen na toepassing van § 2 wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de respectieve onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 4.768.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 243. Die cao-middelen worden verdeeld naar rata van het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van § 1.
  § 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.
  [1 § 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet. ]1(248)
  
Art. 249. § 1. Par école, le nombre total de points est calculé en multipliant le nombre d'élèves comptés à la date de comptage mentionnée aux articles 169 à 172 inclus, par leur pondération pour les caractéristiques de l'école, à l'exception [3 des caractéristiques de l'école V1 et V2]3.
  § 2. [4 Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, le budget de fonctionnement par école de l'enseignement secondaire général est la somme est la somme de :]4
  1° du produit de la multiplication du nombre total de points par école par la GPP-SchK, telle que fixée à l'article 245, 3°;
  2° du montant, obtenu par le résultat des multiplications suivantes :
  a) B-ClliOpl x ClliOpl-school;
  b) B-ClliSt x ClliSt-school;
  c) B-ClliTa x ClliTa-school;
  d) B-ClliBu x ClliBu-school;
  3° GW-V1, telle que fixée par l'article 246, § 1er, multipliée par le nombre d'élèves dans l'école;
  4° GW-V2, telle que fixée par l'article 246, § 2, multipliée par le nombre d'élèves dans l'école.
  § 3. Le budget, obtenu en application du § 2, est octroyé annuellement, pour ce qui est de l'enseignement communautaire, aux conseils d'administration des groupes d'écoles conformément aux dispositions de l'article 36, 2°, du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire, où :
  1° la somme du montant, obtenu en application du § 2, est réduite, pour l'ensemble des écoles de l'enseignement communautaire secondaire ordinaire, de 30 pour cent des coûts salariaux des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service de l'enseignement communautaire secondaire ordinaire jusqu'à l'année 2015 incluse, et respectivement de 60% en 2016 et de 100% de ces coûts salariaux [2 à partir de 2017]2;
  2° la somme du montant, obtenu en application du § 2, est majorée, pour l'ensemble des écoles de l'enseignement communautaire secondaire ordinaire, des moyens engagés pour l'augmentation du pécule de vacances à 92 % pour les membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service contractuels de l'enseignement communautaire, attribués en vertu de la CCT de l'enseignement applicable. Pour l'année budgétaire 2009, ce montant s'élève à 851 000 euros. A partir de l'année budgétaire 2010, ce montant est indexé annuellement par application du coefficient A2, tel que défini à l'article 243;
  3° la somme du montant, obtenu en application du § 2, est majorée d'un fonds de transition qui s'élève à 1.250.000 euros en 2009 et est réduit annuellement de 125.000 euros.
  § 4. Le budget de fonctionnement, obtenu par application du § 2, est octroyé annuellement, pour ce qui est de l'enseignement subventionné, aux autorités scolaires de l'enseignement subventionné. A cet effet, les moyens pour les autorités scolaires de l'enseignement subventionné libre sont majorés des moyens pour l'harmonisation des salaires des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service de l'enseignement subventionné libre et de ce personnel de l'enseignement communautaire, attribués en vertu des CCT de l'enseignement respectives. Pour l'année budgétaire 2009, ce montant est de 4 768 000 euros. A partir de l'année budgétaire 2010, ce montant est indexé annuellement par application du coefficient A2, tel que défini à l'article 243. Ces moyens CCT sont répartis au prorata du nombre de points par école de l'enseignement subventionné libre qui est obtenu par application du § 1er.
  § 5. Les budgets de fonctionnement des groupes d'écoles de l'enseignement communautaire et des écoles de l'enseignement secondaire ordinaire subventionné sont versés chaque année en deux tranches au moins, étant entendu qu'avant le 1er février la somme des tranches versées représente au moins 50% des moyens de fonctionnement de l'année scolaire en question et que le solde est payé avant le 1er juillet. (248)
  [1 § 6. Lorsque le décret ajustant le budget général des dépenses de l'année budgétaire auquel sont repris les moyens de fonctionnement pour l'année scolaire concernée, donne lieu à une augmentation des moyens pour les autorités scolaires de l'enseignement secondaire ordinaire subventionné ou les groupes d'écoles de l'Enseignement communautaire, ces moyens supplémentaires sont payés dans les deux mois suivant la ratification du décret concerné par le Gouvernement flamand. ]1
  
Onderafdeling 5. - Evaluatie
Sous-section 5. - Evaluation
Art. 250. De Vlaamse Regering ontwikkelt een methode die jaarlijks toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs. (249)
Art. 250. Le Gouvernement flamand développe une méthode permettant de dresser annuellement un aperçu global de l'affectation des budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire. (249)
Art. 251. In [1 2013 en 2014]1 wordt het nieuwe financieringssysteem door de Vlaamse Regering geëvalueerd. Deze evaluatie zal de doelmatige aanwending van de toegekende werkingsmiddelen beoordelen.
  Uitgangspunten van deze evaluatie zijn :
  - de gelijke behandeling van elk kind met dezelfde noden;
  - gelijke middelen voor elke school in eenzelfde situatie;
  - het voeren van een gelijkekansenbeleid;
  - transparantie, voorspelbaarheid en stabiliteit van het mechanisme;
  - evolutie van de schoolloopbanen, met bijzondere aandacht voor gelijke kansen en talentontwikkeling. (250)
  
Art. 251. En [1 2013 et 2014]1, le nouveau système de financement sera évalué par le Gouvernement flamand. Cette évaluation jugera de l'affectation efficace des moyens de fonctionnement attribués.
  Les points de départ de cette évaluation sont :
  - le traitement égal de chaque enfant ayant les mêmes besoins;
  - les mêmes moyens pour chaque école dans une même situation;
  - la conduite d'une politique d'égalité des chances;
  - la transparance, la prévisibilité et la stabilité du mécanisme;
  - l'évolution des carrières scolaires, en prêtant une attention particulière à l'égalité des chances et au développement des talents. (250)
  
Onderafdeling 6. [1 - Personeel ten laste van het werkingsbudget]1
Sous-section 6. [1 - Personnel à charge du budget de fonctionnement]1
Art. 251/1. [1 Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget [3 vermeld in artikel 249, 48/2 of 48/3,]3 [2 , ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB [4 ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie]4 [5 , ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken]5,]2 personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
   De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
   Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.
   Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.
   Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.]1

  [5 In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043.]5
  
Art. 251/1. [1 L'autorité scolaire peut, à charge du budget de fonctionnement [3 visé à l'article 249, 48/2 ou 48/3,]3 [2 , à charge de la prime de soutien flamande versée par le VDAB [4 à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]4 [5 , à charge des subventions qu'octroie le domaine politique de l'Enseignement et de la Formation, visé à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande, pour renforcer la qualité de l'enseignement ou à charge des subventions qu'octroie la fondation Leerpunt pour renforcer la qualité de l'enseignement,]5]2 engager du personnel. Dans l'enseignement communautaire, une autorité scolaire peut appliquer le principe précité aux catégories de personnel dans l'enseignement secondaire ordinaire visées à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel communautaire, à l'exception du personnel de maîtrise, gens de métier et de service statutaires. Dans l'enseignement subventionné, une autorité scolaire peut appliquer le principe précité aux catégories de personnel dans l'enseignement secondaire ordinaire visées à l'article 4, § 1er, a, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné.
   L'emploi organisé avec ces moyens ne peut être déclaré vacant et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
   Le membre du personnel qui est engagé dans l'enseignement communautaire par une autorité scolaire, est toujours désigné en qualité de membre du personnel temporaire. Le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres de l'enseignement communautaire lui est applicable.
   Le membre du personnel qui est engagé dans l'enseignement subventionné par une autorité scolaire, est toujours désigné en qualité de membre du personnel temporaire. Le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres de l'enseignement subventionné lui est applicable.
   L''Agentschap voor Onderwijsdiensten' paie le traitement ou la subvention-traitement directement aux membres du personnel en question. Ce même service réclame le traitement brut ou la subvention-traitement brute, majoré(e) des indemnités, des allocations, du pécule de vacance, de la prime de fin d'année et de la cotisation patronale, de l'autorité scolaire.]1

  [5 Dans l'alinéa 1er, on entend par fondation Leerpunt : la fondation privée créée par le Gouvernement flamand par décision du 16 décembre 2022, portant le numéro d'entreprise 0795.192.043.]5
  
TITEL 2. - BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN
TITRE 2. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ELEVES
HOOFDSTUK 1. - Regelmatige versus vrije leerling
CHAPITRE 1er. - Elève régulier et élève libre
Art. 252. § 1. Met regelmatige leerling wordt bedoeld de leerling die :
  a) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :
  1) beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden tot het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven;
  2) [1 van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van dit leerjaar volledig en daadwerkelijk volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid;]1
  b) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :
  1) voldoen aan de toelatingsvoorwaarden tot een eerste leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs[4 ...]4;
  2) [2 beschikken over een [5 IAC-verslag]5 en het individueel aangepast curriculum dat voor hem of haar is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.]2
  3) [2 ...]2
  [3 § 1/1. In afwijking van paragraaf 1, a), 1), is ook regelmatige leerling, de leerling waarvoor aan volgende gezamenlijke voorwaarden is voldaan:
   1° het niet beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden wordt door de school in kwestie of door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij verificatie vastgesteld, ten vroegste twee maanden na de start van de effectieve lesbijwoning door de leerling;
   2° in deze particuliere en uitzonderlijke gevallen, wordt de beslissing om de leerling als regelmatige leerling te beschouwen, genomen door de directeur van de school in kwestie, na kennisname van het advies van de begeleidende klassenraad van het structuuronderdeel dat de leerling volgt;
   3° de beslissing van de directeur is alleszins gebaseerd op volgende elementen: het vlot verloop van het studiecurriculum, de gunstige tussentijdse evaluatieresultaten en de regelmatige schoolaanwezigheid;
   4° de schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de directeur en het advies van de begeleidende klassenraad worden opgenomen in het leerlingendossier.
   Als blijkt dat de directie van de school in kwestie herhaaldelijk of op een andere wijze oneigenlijk gebruik of misbruik maakt van haar beslissingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, kan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap die beslissingsbevoegdheid opheffen.
   De leerling, bedoeld in het eerste lid, wordt niet in aanmerking genomen bij toepassing van de bepalingen van artikel 169.]3

  § 2. Leerlingen die niet beantwoorden aan [3 paragraaf 1 of paragraaf 1/1]3, worden beschouwd als vrije leerlingen. (251)
  
Art. 252. § 1. Par élève régulier, on entend l'élève qui :
  a) ou bien remplit toutes les conditions suivantes :
  1) remplir les conditions d'admission à l'année d'études dans laquelle l'élève est inscrit;
  2) [1 dès que la fréquentation effective des cours est entamée, suivre effectivement et entièrement la formation de cette année d'études, sauf en cas d'absence justifiée;]1
  b) ou bien remplit toutes les conditions suivantes :
  1) remplir les conditions d'admission à une première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire [4 ...]4;
  2) [2 disposer d'un [5 rapport IAC]5 et suivre effectivement et régulièrement le programme adapté individuellement établi pour lui ou elle par le conseil de classe, sauf en cas d'absence justifiée.]2
  3) [2 ...]2
  [3 § 1er/1. Par dérogation au paragraphe 1er, a), 1), on entend également par élève régulier, l'élève répondant aux conditions cumulées suivantes :
   1° le non-respect des conditions d'admission est constaté par l'école en question ou par le service compétent de la Communauté flamande après vérification, au plus tôt deux mois après le début de la fréquentation scolaire effective de l'élève ;
   2° dans ces cas particuliers et exceptionnels, la décision de considérer l'élève comme un élève régulier est prise par le directeur de l'école en question, après avoir pris connaissance de l'avis du conseil de classe accompagnateur de la subdivision structurelle suivie par l'élève ;
   3° la décision du directeur se fonde en tout état de cause sur les éléments suivants : le bon déroulement du parcours d'études, les résultats favorables de l'évaluation intérimaire et la fréquentation scolaire régulière ;
   4° la décision écrite et motivée du directeur et l'avis du conseil de classe accompagnateur sont versés au dossier de l'élève.
   S'il apparaît que la direction de l'école en question fait, de manière répétée ou de toute autre manière, un usage impropre ou abusif de son pouvoir de décision visé à l'alinéa 1er, le service compétent de la Communauté flamande peut annuler ce pouvoir de décision.
   L'élève visé à l'alinéa 1er n'est pas pris en compte pour l'application des dispositions de l'article 169.]3

  § 2. Les élèves ne remplissant pas les conditions prévues [3 au paragraphe 1er ou au paragraphe 1/1]3 sont considérés comme des élèves libres. (251)
  
Art. 252/1. [1 Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken.
   Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op :
   1° [5 ...]5
   2° [4 de structuuronderdelen van het derde leerjaar van de derde graad;]4
  [2 3° andere dan in 2° vermelde structuuronderdelen die door de Vlaamse Regering kunnen worden vastgelegd en voor zover het betrokken schoolbestuur beslist om in een of meer van zijn scholen onderhavige bepaling voor alle leerlingen van het betrokken structuuronderdeel toe te passen]2.
   Voor [6 de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs]6 geldt evenmin een maximumleeftijd.]1

  
Art. 252/1. [1 Sans préjudice des conditions d'admission fixées par le Gouvernement flamand et visées à l'article 252, l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est accessible aux élèves n'ayant pas encore atteint l'âge de 25 ans. Cet enseignement peut être suivi au plus tard jusqu'à la fin de l'année scolaire au cours de laquelle les élèves atteignent l'âge de 25 ans.
   Cet âge maximum ne s'applique toutefois pas :
   1° [5 ...]5
   2° [4 les subdivisions structurelles de la troisième année du troisième degré ;]4
  [2 3° à d'autres subdivisions structurelles que celles visées au 2° pouvant être fixées par le Gouvernement flamand et pour autant que l'autorité scolaire décide d'appliquer la présente disposition à tous ses élèves de la subdivision structurelle concernée dans une ou plusieurs de ses écoles]2.
   A [6 les formations de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 ]6 ne s'applique pas non plus un âge maximum. ]1

  
Art. 253. Een leerling blijft in de volgende gevallen beschouwd als regelmatige leerling in zijn oorspronkelijke school :
  - [1 ...]1
  - een leerling van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs die op de datum van de telling van het aantal leerlingen onderwijs volgen in een school van type 5 of een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangt.
  Hij is daarenboven regelmatige leerling :
  - [1 "in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een [2 ...]2 ziekenhuis of aan een residentiële setting]1, voor periodes van minimum vijf al dan niet opeenvolgende dagen waarin hij per dag gemiddeld ten minste één lestijd onderwijs krijgt;
  - in de [1 de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een preventorium]1 [1 ...]1. (252)
  
Art. 253. Dans les cas suivants, l'élève continue à être censé un élève régulier dans son école d'origine :
  - [1 ...]1
  - un élève de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou de l'enseignement secondaire spécial, qui, à la date de comptage du nombre d'élèves, suit un enseignement dans une école de type 5 ou un service neuropsychiatrie pour enfants qui reçoit du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation une enveloppe de subventions.
  Il est en outre un élève régulier :
  - [1 dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée à un hôpital [2 ...]2 ou une structure résidentielle]1, pour des périodes d'au moins cinq jours, consécutifs ou non, dans laquelle il reçoit en moyenne au moins une période de cours par jour;
  - dans [1 l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée à un préventorium]1 [1 ...]1. (252)
  
HOOFDSTUK 1/1. [1 Inschrijvingsrecht voor scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied]1
CHAPITRE 1/1. [1 Droit d'inscription pour les écoles situées dans la région de langue néerlandaise]1
Afdeling 1. [1 Inwerkingtreding]1
Section 1ère. [1 Entrée en vigueur]1
Art. 253/1. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing voor de inschrijvingen als regelmatige leerling in het gewoon secundair onderwijs voor lesbijwoning vanaf het schooljaar 2023-2024 of later.
   [2 Voor de toepassing van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk, worden de vakantieperioden die de Vlaamse Regering bepaalt krachtens artikel 12, niet meegerekend, met uitzondering van de termijn, vermeld in artikel 253/26, § 1.]2]1

  
Art. 253/1. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux inscriptions en tant qu'élève régulier dans l'enseignement secondaire ordinaire pour la fréquentation des cours à partir de l'année scolaire 2023-2024 ou plus tard.
   [2 Pour l'application des délais visés dans le présent chapitre, les périodes de vacances définies par le Gouvernement flamand en vertu de l'article 12 ne sont pas prises en compte, à l'exception du délai visé à l'article 253/26, § 1er.]2]1

  
Afdeling 2. [1 Recht op inschrijving]1
Section 2. [1 Droit à l'inscription]1
Art. 253/2. [1 De gezamenlijke doelstellingen van het inschrijvingsrecht als instrument van een beleid op gelijke onderwijskansen zijn:
   1° het waarborgen van de vrije schoolkeuze van de betrokken personen en leerlingen;
   2° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;
  [2 2° /1 het bevorderen van sociale cohesie;]2
   3° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie.]1

  
Art. 253/2. [1 Les objectifs communs du droit d'inscription en tant qu'instrument d'une politique d'égalité des chances en matière d'enseignement sont :
   1° la garantie du libre choix de l'école des personnes et des élèves concernés ;
   2° la réalisation d'opportunités optimales d'apprentissage et de développement pour tous les élèves ;
  [2 2° /1 la promotion de la cohésion sociale ;]2
   3° la prévention d'exclusion, de ségrégation et de discrimination.]1

  
Art. 253/3. [1 § 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of een vestigingsplaats ervan, gekozen door de betrokken personen. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van een vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aldaar ingerichte onderwijsaanbod.
   De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de betrokken personen van het pedagogisch project en school- of centrumreglement.
   § 2. Een school registreert elke inschrijving binnen de zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van:
   1° [2 de administratieve groep]2 waarvoor de leerling is ingeschreven;
   2° de datum en het tijdstip van de inschrijving;
   3° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning.]1

  [2 4° de identificatiegegevens, de nationaliteit en het identificatienummer van de leerling als die gegevens beschikbaar zijn, om de leerling uniek te identificeren. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zijn de ver- werkingsverantwoordelijke voor de voormelde gegevens. De voormelde gegevens worden dertig jaar bewaard met het oog op het garanderen van een vlot schooltraject van de leerling.]2
  [3 De registratie gebeurt conform artikel 123/7/1.]3
  
Art. 253/3. [1 § 1. Chaque élève a le droit de s'inscrire dans l'école ou dans une implantation de celle-ci, choisie par la personne concernée. Si l'élève a douze ans ou plus, le choix de l'école se fait en concertation avec l'élève. Dans le cas d'un choix pour une implantation, il est tenu compte de l'offre d'enseignement y organisée.
   L'inscription est prise après que les parents ont signé le projet pédagogique et le règlement d'école ou de centre pour accord.
   § 2. Une école enregistre chaque inscription dans les sept jours calendaires, et au plus tard le premier jour de la fréquentation effective des cours, dans les applications administratives pour l'échange de données relatives aux élèves entre les écoles et le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, avec mention :
   1° [2 du groupe administratif pour lequel]2 l'élève a été inscrit ;
   2° de la date et de l'heure de l'inscription ;
   3° de la date du début prévu de la fréquentation des cours.]1

  [2 4° des données d'identification, de la nationalité et du numéro d'identification de l'élève, si ces données sont disponibles, aux fins de l'identification unique de l'élève. Les services compétents de la Communauté flamande sont le responsable du traitement pour les données précitées. Les données précitées sont conservées trente ans en vue de garantir le bon déroulement du parcours scolaire de l'élève.]2
  [3 L'enregistrement est effectué conformément à l'article 123/7/1.]3
  
Art. 253/4. [1 § 1. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen, rekening houdend met het aldaar ingerichte onderwijsaanbod, en de structuuronderdelen heen, tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit of volzetverklaring als vermeld in de artikelen 253/13 en 253/22.
   Indien de voortgang van de schoolloopbaan, met inachtname van de toelatingsvoorwaarden, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan de keuze van de betrokken personen niet worden gestuit.
   Het verworven recht van inschrijving blijft als van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.
   § 2. Een schoolbestuur met scholen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.
   § 3. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, de desbetreffende gebiedsomschrijving als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.]1

  
Art. 253/4. [1 § 1er. Sauf dans les cas de désinscription définis par décret ou arrêté, une inscription d'un élève dans une école est valable pour la durée de toute la carrière scolaire dans cette école. Le maintien de l'inscription est valable toutes implantations et subdivisions structurelles confondues, étant entendu que l'offre d'enseignement y organisée est appropriée, sauf en cas de dépassement de la capacité ou de déclaration d'occupation complète, tels que visése aux article s 253/13 et 253/22.
   Si l'évolution du parcours scolaire, dans le respect des conditions d'admission, rend nécessaire le maintien ou le changement d'implantation ou de subdivision structurelle, le choix des personnes concernées ne peut pas être enfreint.
   Le droit d'inscription acquis reste valable si une partie de l'école est scindée et intégrée dans une nouvelle école de la même autorité scolaire.
   § 2. Une autorité scolaire ayant des écoles entièrement ou partiellement situées à l'intérieur de la même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut opter, pour l'enseignement secondaire ordinaire et pour l'enseignement secondaire spécial séparément que si un élève passe de l'une école secondaire à l'autre école secondaire, les inscriptions restent valables. Une autorité scolaire qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école.
   § 3. Une autorité scolaire ou une autorité de centre ayant des écoles ou des centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel situés entièrement ou partiellement à l'intérieur de la même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou séparés soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut choisir de considérer la zone concernée comme une seule école ou come un seul centre pour l'application des dispositions du présent chapitre. Une autorité scolaire ou autorité de centre qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école ou de centre.]1

  
Art. 253/5. [1 Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgende schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor gewoon onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep en hetzelfde schooljaar in een andere school van rechtswege ongedaan.
   Elke inschrijving vóór 1 februari voor een administratieve groep, ingericht als [2 7de leerjaar [3 gericht op instroom arbeidsmarkt]3]2 dat op 1 februari start, in een bepaalde school maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in een andere school voor gewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.
   Elke inschrijving in de loop van het schooljaar in kwestie voor een bepaalde administratieve groep maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde administratieve groep of een andere administratieve groep voor datzelfde schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve, tenzij gewettigde afwezigheid, lesbijwoning.]1

  
Art. 253/5. [1 Toute inscription, avant le 1er septembre, pour l'année scolaire suivante pour un groupe administratif donné dans une école d'enseignement ordinaire donnée annule de plein droit l'inscription antérieure pour ce même groupe administratif et la même année scolaire dans une autre école.
   Toute inscription, avant le 1er février pour un groupe administratif, organisé sous la forme d'une [2 7e année d'études [3 préparatoire à l'entrée sur le marché du travail]3]2 qui commence le 1er février, dans une école donnée annule de plein droit l'inscription antérieure pour ce même groupe administratif dans une autre école d'enseignement ordinaire.
   Toute inscription dans le courant de l'année scolaire concernée pour un groupe administratif donné annule de plein droit l'inscription antérieure pour ce même groupe administratif ou un autre groupe administratif pour cette même année scolaire dans une autre école d'enseignement ordinaire dès le début de la fréquentation effective des cours, sauf absence justifiée.]1

  
Art. 253/6. [1 § 1. Het recht op inschrijving geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging.
   § 2. [4 Leerlingen die beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag, worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Het IAC-verslag of OV4-verslag maakt deel uit van de informatie die betrokken personen bij een vraag tot inschrijving aan de school bezorgen. Het ter beschikking stellen van het IAC-verslag of OV4-verslag door de betrokken personen gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de betrokken personen, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, in geval van een OV4-verslag met inzet van intensieve ondersteuning als vermeld in artikel 294, of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook als de school pas na de inschrijving kennisneemt van een IAC-verslag of OV4-verslag, uiterlijk gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.]4
   Op basis van het overleg met de betrokken personen, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen zestig kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn. [2 [3 Als de voormelde termijn van zestig kalenderdagen is verstreken zonder dat de school een beslissing heeft genomen, is de leerling definitief ingeschreven.]3. Als de school pas kennisneemt van een [4 AC-verslag of OV4-verslag]4 als vermeld in het eerste lid, nadat de leerling is ingeschreven, start die termijn van zestig kalenderdagen de dag van die kennisneming.]2
  [4 Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het IAC-verslag of OV4-verslag op of maakt het een GC-verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.]4[3 In afwijking van het derde lid kan een school kiezen om te ontbinden op een van de volgende momenten: 1А op het einde van het huidige schooljaar; 2А op het einde van het daaropvolgende schooljaar.]3
   § 3. [4 Als tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag of OV4-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag of OV4-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de betrokken personen en het CLB.
   Als een IAC-verslag [5 wordt opgemaakt of gewijzigd en nadat het is afgeleverd door het CLB,]5 beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.
   Als een OV4-verslag [5 wordt opgemaakt of gewijzigd en nadat het is afgeleverd door het CLB,]5 beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken binnen het gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.]4
.]3
   § 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.
   § 5. [4 Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in het gewoon onderwijs.]4]1

  
Art. 253/6. [1 § 1er. Le droit à l'inscription s'applique intégralement aux élèves qui peuvent suivre un curriculum commun moyennant application de mesures appropriées telles que des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires proportionnelles. Les élèves en faveur de qui ces aménagements sont appliqués, restent éligibles à la validation d'études ordinaire.
   § 2.[4 Les élèves qui disposent d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 sont inscrits par une école d'enseignement ordinaire sous condition résolutoire. Le rapport IAC ou le rapport OV4 fait partie des informations que les personnes concernées transmettent à l'école lors d'une demande d'inscription. La mise à disposition du rapport IAC ou du rapport OV4 par les personnes concernées va de pair avec l'engagement de l'école d'organiser, dans un délai raisonnable après l'inscription, une concertation avec les personnes concernées, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves au sujet des aménagements nécessaires pour inclure l'élève dans un programme d'études commun, avec mise en oeuvre d'un soutien intensif tel que visé à l'article 294 dans le cas d'un rapport OV4, ou pour lui permettre de progresser dans son parcours scolaire sur la base d'un programme adapté individuellement. Même si l'école ne prend connaissance d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4, daté au plus tard du jour où l'élève entre dans l'école concernée, qu'après l'inscription, l'inscription de l'élève est convertie en une inscription sous condition résolutoire.]4.
   Sur la base de la concertation avec les personnes concernées, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves, l'école décide dans un délai raisonnable après l'inscription et au plus tard 60 jours calendaires après le début de la fréquentation scolaire effective si les aménagements en réponse aux besoins de l'élève sont proportionnels ou disproportionnels. [3 Si le délai précité de soixante jours calendrier a expiré sans que l'école n'ait pris de décision, l'élève est définitivement inscrit]3. Si l'école ne prend connaissance [4 d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 tels que visés]4 à l'alinéa 1er qu'une fois l'élève inscrit, ce délai de soixante jours calendrier commence à courir le jour de cette prise de connaissance.]2
  [4 Si, à l'issue de la concertation, l'école considère que les aménagements nécessaires pour inclure l'élève dans un programme d'études commun sont proportionnés, le centre d'encadrement des élèves annule le rapport IAC ou le rapport OV4 ou rédige un rapport GC. Si, à l'issue de la concertation, l'école considère que les aménagements nécessaires pour inclure l'élève dans un programme d'études commun assorti du soutien intensif visé à l'article 294 ou lui permettre de progresser dans son parcours scolaire sur la base d'un programme adapté individuellement sont disproportionnés, l'inscription est résiliée au moment où cet élève est inscrit dans une autre école et au plus tard un mois, périodes de vacances non comprises, après la notification de la confirmation de la disproportionnalité.]4]3
   § 3.[4 Si, durant la scolarité, les besoins d'aménagements pour un élève évoluent et que les besoins éducatifs constatés sont de nature telle qu'un rapport IAC ou un rapport OV4 ou bien une modification d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 s'impose pour l'élève, l'école organise une concertation avec le conseil de classe, les personnes concernées et le CLB.
   Si un rapport IAC [5 est rédigé ou modifié et après sa transmission par le CLB,]5 l'école décide, sur la base de la concertation visée à l'alinéa 1er, de permettre à l'élève, à la demande des personnes concernées, de progresser dans son parcours scolaire sur la base d'un programme adapté individuellement ou de résilier l'inscription de l'élève pour une année scolaire suivante.
   Si un rapport OV4 [5 est rédigé ou modifié et après sa transmission par le CLB,]5 l'école décide, sur la base de la concertation visée à l'alinéa 1er, de permettre à l'élève, à la demande des personnes concernées, de progresser dans son parcours scolaire au sein du programme d'études commun assorti du soutien intensif visé à l'article 294 ou de résilier l'inscription de l'élève pour une année scolaire suivante.]4

   § 4. Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, la progression des études sur la base d'un programme adapté individuellement n'est pas possible dans l'apprentissage.
   § 5.[4 § 5. Chaque autorité scolaire communique activement au sujet du droit d'inscription d'élèves en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 dans l'enseignement ordinaire.]4]1

  
Afdeling 3. [1 Organisatie van de inschrijvingen]1
Section 3. [1 Organisation des inscriptions]1
Onderafdeling 1. [1 Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad: gemeenschappelijke bepalingen]1
Sous-section 1re. [1 Inscriptions pour la première année d'études du premier degré : dispositions communes]1
Art. 253/7. [1 § 1. Een schoolbestuur beslist jaarlijks en uiterlijk op [2 15 november]2 per school, per vestigingsplaats of per structuuronderdeel, of het voor het daaropvolgende schooljaar leerlingen wil kunnen weigeren omwille van bereikte capaciteit. In bevestigend geval gelden de bepalingen van onderafdeling 3, in het andere geval gelden de bepalingen van onderafdeling 2. Ook indien het schoolbestuur beslist voor het daaropvolgende schooljaar niet te weigeren omwille van capaciteit, kan het zich aansluiten bij een aanmeldingsprocedure. In dat geval zijn de bepalingen van onderafdeling 3 van toepassing.
   § 2. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van paragraaf 1, capaciteitsgebieden afbakenen op basis van dreigende of bestaande capaciteitsproblemen [2 ...]2, waardoor het recht op inschrijving vermeld in artikel 253/3, niet meer kan worden gegarandeerd. In capaciteitsgebieden zijn schoolbesturen verplicht voor al hun scholen en vestigingsplaatsen, gelegen in het capaciteitsgebied, om gezamenlijk een aanmeldingsprocedure te organiseren.
   Onverminderd het in paragraaf 1 gestelde, zijn vanaf de inschrijvingen voor schooljaar 2023-2024 capaciteitsgebieden: het werkingsgebied van het LOP Antwerpen en van het LOP Gent.]1

  
Art. 253/7. [1 § 1er. Chaque année, et au plus tard le [2 15 novembre]2, une autorité scolaire décide, par école, par implantation ou par subdivision structurelle, si elle veut avoir la possibilité de refuser des élèves pour l'année scolaire suivante pour cause de l'atteinte de la capacité. Dans le cas positif, les dispositions de la sous-section 3 s'appliquent, dans l'autre cas les dispositions de la sous-section 2 s'appliquent. Même si l' autorité scolaire décide de ne pas refuser d'élèves pour des raisons de capacité pour l'année scolaire suivante, elle peut se joindre à une procédure de préinscription. Dans ce cas, les dispositions de la sous-section 3 s'appliquent.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le Gouvernement flamand peut définir des zones de capacité sur la base de problèmes de capacité imminents ou existants [2 ...]2, de sorte que le droit d'inscription visé à l'article 253/3 ne peut plus être garanti. Dans les zones de capacité, les autorités scolaires sont tenues d'organiser une procédure de préinscription conjointe pour toutes leurs écoles et implantations situées dans la zone de capacité.
   Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, à compter de l'inscription pour l'année scolaire 2023-2024, les zones de capacité sont : la zone d'action de la LOP Anvers et de la LOP Gand.]1

  
Art. 253/8. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de startdatum voor de inschrijvingen. [2 In afwijking van het eerste lid starten de inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad voor het schooljaar 2023-2024 op 16 mei 2023.]2]1
  
Art. 253/8. [1 Le Gouvernement flamand arrête la date de début des inscriptions.]1 [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, les inscriptions en première année du premier degré pour l'année scolaire 2023-2024 débutent le 16 mai 2023.]2
  
Onderafdeling 2. [1 Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad zonder aanmeldingsprocedure]1
Sous-section 2. [1 Inscriptions pour la première année d'études du premier degré sans procédure de préinscription]1
Art. 253/9. [1 Een schoolbestuur hanteert per structuuronderdeel een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch noteert. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
   De Vlaamse Regering bepaalt het model van het inschrijvingsregister.]1

  
Art. 253/9. [1 Une autorité scolaire utilise un registre d'inscription par subdivision structurelle dans lequel elle consigne tous les inscriptions et les refus par ordre chronologique. Le déroulement des inscriptions et des refus peut faire l'objet d'un contrôle par les services compétents de la Communauté flamande.
   Le Gouvernement flamand fixe le modèle du registre d'inscription.]1

  
Art. 253/10. [1 Een schoolbestuur dat door uitzonderlijke omstandigheden [3 in de onmogelijkheid verkeert of in de onmogelijkheid zal verkeren]3 om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een of meer scholen, vestigingsplaatsen of structuuronderdelen, moet een aanvraag indienen bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden.
   De CLR beslist binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toegestaan worden.
   Indien het schoolbestuur reeds leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, [2 verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving]2 indien de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toe te staan.]1

  [2 Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van de uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 253/11, § 5]2
  [3 Een schoolbestuur van een nieuw opgerichte school, vestigingsplaats of structuuronderdeel 1A of 1B dat uiterlijk op 15 november van het voorafgaande schooljaar niet gemeld heeft dat het van een aanmeldingsprocedure zal gebruikmaken, kan ook van de mogelijkheid, vermeld in het eerste tot en met vierde lid, gebruikmaken om leerlingen te weigeren op basis van de capaciteit in het nieuw opgerichte capaciteitsniveau of de nieuw opgerichte capaciteitsniveaus in het eerste schooljaar van ontstaan.]3
  
Art. 253/10. [1 Une autorité scolaire qui, en raison de circonstances exceptionnelles,[3 n'est ou ne sera pas en mesure]3 de réaliser des inscriptions supplémentaires dans une ou plusieurs écoles, implantations ou subdivisions structurelles, doit présenter une demande à la CLR afin de pouvoir encore refuser des élèves sur la base de la capacité, pour des circonstances exceptionnelles.
   Dans les quatorze jours civils suivant la réception de la demande visée au premier alinéa, la CLR décide si et dans quelles conditions des refus fondés sur la capacité, pour des circonstances exceptionnelles, sont autorisés.
   Si l'autorité scolaire a déjà refusé des élèves avant la demande à la CLR ou la décision de la CLR, [2 ces élèves acquerront pleinement le droit à l'inscription]2 si la CLR décide de ne pas autoriser de refus fondés sur la capacité pour des circonstances exceptionnelles.]1

  [2 Si la CLR autorise des refus fondés sur la capacité, pour des circonstances exceptionnelles, l'autorité scolaire examinera, le cas échéant, également les questions concernant la reconnaissance d'une situation exceptionnelle d'un élève à inscrire, telle que visée à l'article 253/11, § 5.]2
  [3 L'autorité scolaire d'une école, implantation ou subdivision structurelle 1A ou 1B nouvellement créées, qui n'a pas fait savoir, au plus tard le 15 novembre de l'année scolaire précédente, qu'elle utilisera une procédure de préinscription, peut également recourir à la possibilité, visée aux alinéas 1er à 4, de refuser des élèves sur la base de la capacité dans le(s) niveau(x) de capacité nouvellement créé(s), pendant la première année scolaire de création.]3
  
Onderafdeling 3 [1 Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad met aanmeldingsprocedure]1
Sous-section 3. [1 Inscriptions pour la première année d'études du premier degré avec procédure de préinscription]1
Art. 253/11. [1 § 1. Aanmelden is het digitaal kenbaar maken door de betrokken personen van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen voor de daartoe door het schoolbestuur beschikbaar gestelde plaatsen in het eerste leerjaar A of B. Als de betrokken personen zich voor meerdere scholen of vestigingsplaatsen aanmelden, wordt een volgorde van keuze aangegeven.
   Na afsluiten van de aanmeldingsperiode worden de aangemelde leerlingen geordend, volgens artikel 253/16. De leerlingen die gunstig geordend worden, zijnde binnen de door het schoolbestuur bepaalde capaciteit, verwerven een recht op inschrijving voor een beschikbaar gestelde plaats. Binnen gezamenlijke aanmeldingsprocedures wordt slechts één gunstige ordening weerhouden, zijnde de gunstige ordening in de school van hoogste keuze van de betreffende leerling. Leerlingen die niet gunstig geordend worden, worden in de volgorde zoals in het aanmeldingsregister, opgenomen als geweigerde leerling in het inschrijvingsregister.
   § 2. [2 De Vlaamse Regering bepaalt:
   1° de start- en de einddatum van de aanmeldingen voor inschrijvingen voor een bepaald schooljaar;
   2° de datum waarop de resultaten van de aanmeldingsprocedure uiterlijk worden bekendgemaakt;
   3° de inschrijvingsperiode voor de gunstig gerangschikte leerlingen.
   In afwijking van het eerste lid gelden de volgende periodes en data voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2023-2024:
   1° de aanmeldingsperiode voor de inschrijvingen loopt van 27 maart 2023 tot en met 21 april 2023;
   2° de uiterste datum waarop de resultaten van de aanmeldingen van de leerlingen bekend worden gemaakt, is 15 mei 2023;
   3° de gunstig gerangschikte leerlingen kunnen zich inschrijven van 16 mei 2023 tot en met 12 juni 2023.]2

   Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren voor het volgende schooljaar.
   Het schoolbestuur noteert de inschrijvingen in chronologische volgorde in het inschrijvingsregister, zoals bepaald in artikel 253/18. De aangemelde leerlingen worden opgenomen in het aanmeldingsregister, bepaald in artikel 253/17.
   § 3. [2 Als een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen, of het LOP de inschrijvingen laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure, richten ze een ombudsdienst inschrijvingen op die instaat voor de eerstelijnsbehandeling van:
   1° klachten en vaststellingen over technische fouten of zuivere materiële vergissingen voor of na de definitieve toewijzingen;
   2° vragen over een erkenning van de uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling.
   De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de ombudsdienst inschrijvingen en regelt de werking ervan. De samenstelling van de ombudsdienst inschrijvingen bestaat minstens uit een vertegenwoordiger van een erkende oudervereniging en een vertegenwoordiging van alle schoolbesturen die de aanmeldingsprocedure organiseren waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen instaat voor de eerstelijnsbehandeling zoals vermeld in het eerste lid.]2
]1

  [2 § 4. In paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt verstaan onder een technische fout of zuiver materiële vergissing voor of na de definitieve toewijzingen: een geval waarbij een technische fout of een zuiver materiële vergissing tijdens het verloop van de aanmeldingsprocedure afbreuk doet aan de ordening of toewijzing van de leerling in kwestie. De aanmeldingsprocedure loopt af bij de start van de vrije inschrijvingen. Klachten en vaststellingen die na de termijn van vijf tien kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.
   Als de ombudsdienst inschrijvingen na een klacht over of een vaststelling van een technische fout of zuiver materiële vergissing voor de definitieve toewijzingen een gunstig advies geeft over de [3 correctie van de technische fout of de zuiver materiыle vergissing]3, kan de leerling door het LOP, het schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen met de [3 correctie van de technische fout of de zuiver materiыle vergissing]3 worden opgenomen in het aanmeldingsregister voor de definitieve toewijzing gebeurt.
   Als de ombudsdienst inschrijvingen na een klacht over een technische fout of zuiver materiële vergissing na een definitieve toewijzing een gunstig advies geeft over de correctie van de fout, kan de leerling door het betrokken schoolbestuur in overcapaciteit worden ingeschreven conform artikel 253/20.
   Als de ombudsdienst inschrijvingen een negatief advies geeft over een klacht over een technische fout of materiële vergissing voor of na de definitieve toewijzingen, hoeft het schoolbestuur niks te wijzigen aan de aanmelding of toewijzing van de leerling in kwestie.
   § 5. In paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt verstaan onder een uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling: een geval waarbij de betrokkene voor een specifieke school die aanmeldt een uitzonderlijke situatie inroept die alleen van toepassing is op de leerling in kwestie in die school en waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onderwijs te garanderen voor die leerling.
   Als een ouder een vraag voor de erkenning van een uitzonderlijke situatie stelt aan de ombudsdienst inschrijvingen legt de ombudsdienst de vraag voor aan het schoolbestuur in kwestie. Indien het schoolbestuur in kwestie een eventuele inschrijving in overcapaciteit haalbaar acht, legt ze die vraag voor aan de CLR. De CLR beslist binnen dertig kalenderdagen over de uitzonderlijke situatie waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onder wijs te garanderen voor die leerling.
   Alleen als de CLR de uitzonderlijke situatie bevestigt waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onderwijs te garanderen voor die leerling, kan de leerling in overcapaciteit worden ingeschreven conform artikel 253/20.
   § 6. Nadat de klacht over een technische fout of materiële vergissing is behandeld, kan een klacht ingediend worden bij de CLR conform artikel 253/30. De behandeling van de uitzonderlijke situatie, zoals bepaald in paragraaf 5 kan geen voorwerp uitmaken van een klacht bij de CLR.
   De behandeling van een klacht of vraag bij de ombudsdienst inschrijvingen schort de termijn op voor de indiening van een klacht bij de CLR, vermeld in artikel 253/30, en de termijn van tien kalenderdagen voor de bemiddeling in het LOP, vermeld in artikel 253/28, § 2, eerste lid.
   § 7. Aanmeldende scholen die in het werkingsgebied van een LOP liggen, organiseren de aanmeldingsprocedure. In gemeenten waar een LOP aanwezig is, wordt de aanmeldingsprocedure goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.
   § 8. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.
   § 9. In aanvulling op paragraaf 1 tot en met 8 kunnen de schoolbesturen werken met een afzonderlijke aanmeldingsprocedure per onderwijstaal.]2

  
Art. 253/11. [1 § 1er. La préinscription est l'annonce numérique par les personnes concernées de leur intention d'inscription pour une année scolaire donnée dans une ou plusieurs écoles ou implantations pour les places mises à leur disposition à cette fin par l'autorité scolaire dans la première année d'études A ou B. Si les personnes concernées se préinscrivent pour plus d'une école ou implantation, un ordre de choix est indiqué.
   A la fin de la période de préinscription, les élèves préinscrits sont classés, conformément à l'article 253/16. Les élèves qui sont favorablement classés, c'est-à-dire dans les limites de la capacité déterminée par l'autorité scolaire, acquièrent un droit d'inscription pour une place mise à disposition. Dans le cas de procédures de préinscription conjointes, un seul classement favorable est maintenu, à savoir le classement favorable dans l'école du choix le plus préféré de l'élève concerné. Les élèves qui ne sont pas favorablement classés, sont repris dans le registre d'inscription, dans l'ordre du registre de préinscription, comme élèves refusés.
   § 2. [2 Le Gouvernement flamand détermine :
   1° les dates de début et de fin des préinscriptions pour les inscriptions pour une année scolaire donnée ;
   2° la date à laquelle les résultats de la procédure de préinscription sont annoncés au plus tard ;
   3° la période d'inscription pour les élèves favorablement classés.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les périodes et les dates suivantes s'appliquent aux inscriptions pour l'année scolaire 2023-2024 :
   1° la période de préinscription pour les inscriptions court du 27 mars 2023 au 21 avril 2023 ;
   2° la date à laquelle les résultats des préinscriptions des élèves sont annoncés est le 15 mai 2023 au plus tard ;
   3° les élèves favorablement classés peuvent s'inscrire du 16 mai 2023 au 12 juin 2023.]2

   Préalablement à et pendant la période de préinscription, aucune inscription ne peut être effectuée pour l'année scolaire suivante.
   L'autorité scolaire note les inscriptions en ordre chronologique dans le registre des inscriptions, conformément à l'article 253/18. Les élèves préinscrits sont inscrits dans le registre de préinscriptions, visé à l'article 253/17.
   § 3. [2 Si une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP font précéder les inscriptions d'une procédure de préinscription, elles mettent en place un service de médiation inscriptions qui assure le traitement de première ligne :
   1° des plaintes et observations sur des erreurs techniques ou des erreurs purement matérielles avant ou après les attributions définitives ;
   2° des questions concernant la reconnaissance de la situation exceptionnelle d'un élève à inscrire.
   Le Gouvernement flamand arrête la composition du service de médiation inscriptions et en règle le fonctionnement. Le service de médiation inscriptions se compose au moins d'un représentant d'une association de parents reconnue et d'une représentation de toutes les autorités scolaires qui organisent la procédure de préinscription pour laquelle le service de médiation inscriptions assure le traitement de première ligne visé à l'alinéa 1er.]2
]1

  [2 § 4. Au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, une erreur technique ou une erreur purement matérielle avant ou après les attributions définitives s'entend du cas dans lequel une erreur technique ou une erreur purement matérielle pendant le déroulement de la procédure de préinscription affecte le classement ou l'affectation de l'élève concerné. La procédure de préinscription prend fin au début des inscriptions libres. Les plaintes et observations introduites après le délai de quinze jours calendrier suivant la constatation des faits contestés sont irrecevables.
   Si, après une plainte ou une observation sur une erreur technique ou une erreur purement matérielle avant les attributions définitives, le service de médiation inscriptions rend un avis favorable au sujet de la [3 correction de l'erreur technique ou de l'erreur purement matérielle]3, la LOP, l'autorité scolaire ou plusieurs autorités scolaires conjointement peuvent inscrire l'élève avec la correction de l'erreur dans le registre des préinscriptions avant l'attribution définitive.
   Si, après une plainte au sujet d'une erreur technique ou une erreur purement matérielle après une attribution définitive, le service de médiation inscriptions rend un avis favorable au sujet de la [3 correction de l'erreur technique ou de l'erreur purement matérielle]3, l'autorité scolaire concernée peut inscrire l'élève en surcapacité conformément à l'article 253/20.
   Si le service de médiation inscriptions rend un avis négatif sur une plainte au sujet d'une erreur technique ou d'une erreur matérielle avant ou après les attributions définitives, l'autorité scolaire ne doit rien changer à la préinscription ou à l'affectation de l'élève concerné.
   § 5. Au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, une situation exceptionnelle d'un élève à inscrire s'entend du cas où l'intéressé qui se préinscrit pour une école spécifique invoque une situation exceptionnelle qui ne s'applique qu'à l'élève en question dans cette école et où cette inscription est la seule possible pour garantir l'accès à l'enseignement de cet élève.
   Si un parent pose une question concernant la reconnaissance d'une situation exceptionnelle au service de médiation inscriptions, le service de médiation soumet la question à l'autorité scolaire concernée. Si l'autorité scolaire en question considère qu'une éventuelle inscription en surcapacité est faisable, elle soumet cette question à la CLR. Dans les trente jours calendrier, la CLR statue sur la situation exceptionnelle dans laquelle cette inscription est la seule possible pour garantir l'accès à l'enseignement de cet élève.
   L'élève ne peut être inscrit en surcapacité conformément à l'article 253/20 que si la CLR confirme la situation exceptionnelle dans laquelle cette inscription est la seule possible pour garantir l'accès à l'enseignement de cet élève.
   § 6. Une fois que la plainte au sujet d'une erreur technique ou d'une erreur matérielle a été traitée, une plainte peut être introduite auprès de la CLR conformément à l'article 253/30. Le traitement de la situation exceptionnelle comme prévu au paragraphe 5 ne peut pas faire l'objet d'une plainte auprès de la CLR.
   Le traitement d'une plainte ou d'une question auprès du service de médiation inscriptions suspend le délai d'introduction d'une plainte auprès de la CLR, visé à l'article 253/30, et le délai de dix jours calendrier pour la médiation de la LOP, visé à l'article 253/28, § 2, alinéa 1er.
   § 7. Les écoles effectuant des préinscriptions, qui sont situées dans la zone d'action d'une LOP, organisent la procédure de préinscription. Dans les communes où une LOP est présente, la procédure de préinscription sera approuvée à la majorité des partenaires de l'enseignement de la LOP visés à l'article VIII.4/1, § 1er, alinéa 1er, 1° à 3°, de la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016.
   § 8. Le Gouvernement flamand peut prévoir, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, des moyens à l'appui de la mise en place d'une procédure de préinscription et fixe les modalités à cet effet.
   § 9. Outre ce qui est prévu aux paragraphes 1er à 8, les autorités scolaires peuvent utiliser une procédure de préinscription distincte par langue d'enseignement.]2

  
Art. 253/12. [1 § 1. Voor de aanmeldingen voor de inschrijvingen vanaf het schooljaar 2023-2024 melden een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP uiterlijk op 15 november voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap:
   1° voor welke scholen, vestigingsplaatsen of structuuronderdelen de inschrijvingen zullen worden voorafgegaan door een aanmeldingsprocedure conform ar tikel 253/11;
   2° welk standaarddossier ze zullen hanteren bij de organisatie van de aanmeldingsprocedure, of van welk standaarddossier het schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP willen afwijken conform paragraaf 2. Een standaarddossier is een dossier waarin de verschillende stappen van een aanmeldingsprocedure concreet worden uitgewerkt.
   De Vlaamse Regering bepaalt het model van ieder standaarddossier en het formulier waarmee de melding, vermeld in het eerste lid, moet gebeuren.
   § 2. Als een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP willen afwijken van een standaarddossier, leggen ze uiterlijk op 15 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, de afwijkingen in kwestie ter goedkeuring voor aan de CLR.
   De CLR toetst de afwijkingen van het standaarddossier aan de bepalingen, vermeld in deze afdeling en afdeling 2 en 4, en beslist over die afwijkingen uiterlijk twee maanden na de indiening conform het eerste lid, en in ieder geval voor 24 december.]1

  
Art. 253/12. [1 § 1er. Concernant les préinscriptions pour les inscriptions à partir de l'année scolaire 2023-2024, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP notifient aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 15 novembre qui précède l'année scolaire pour laquelle les inscriptions sont valables :
   1° les écoles, les implantations ou les subdivisions structurelles pour lesquelles les inscriptions seront précédées d'une procédure de préinscription conformément à l'article 253/11 ;
   2° le dossier type qu'elles utiliseront pour l'organisation de la procédure de préinscription, ou le dossier type auquel l'autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP souhaitent déroger conformément au paragraphe 2. Un dossier type est un dossier dans lequel les différentes étapes d'une procédure de préinscription sont concrètement élaborées.
   Le Gouvernement flamand arrête le modèle de chaque dossier type et le formulaire au moyen duquel la notification visée à l'alinéa 1er doit être effectuée.
   § 2. Si une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP souhaitent déroger à un dossier type, elles soumettent les dérogations concernées à l'approbation de la CLR, au plus tard le 15 novembre de l'année scolaire qui précède celle pour laquelle les inscriptions sont valables.
   La CLR examine les dérogations au dossier type au regard des dispositions de la présente section et des sections 2 et 4 et statue sur ces dérogations au plus tard deux mois après leur introduction conformément à l'alinéa 1er et, en tout état de cause, avant le 24 décembre.]1

  
Art. 253/12/1. [1 § 1. Bij een negatief besluit van de CLR over de afwijkingen van een standaarddossier kunnen het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, uiterlijk tien kalenderdagen [2 na ontvangst van het negatieve besluit,]2, een van volgende initiatieven nemen:
   1° aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en de CLR melden de aanmeldingen te zullen organiseren conform een standaarddossier als vermeld in 253/12, Daarvoor wordt het formulier, vermeld in artikel 253/12, § 1, tweede lid, gebruikt;
   2° aangepaste afwijkingen indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR de aangepaste afwijkingen aan de bepalingen van deze afdeling en afdeling 2 en 4, en beslist het uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;
   3° het voorstel van afwijkingen van het standaarddossier, vermeld in artikel 253/12, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel aan de bepalingen van deze afdeling en afdeling 2 en 4.
   De Vlaamse Regering beslist over het voorstel van aanmeldingsprocedure uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake het verloop van de procedure, vermeld in het eerste lid.
   § 2. Bij een negatief besluit van de CLR over de aangepaste afwijkingen van een standaarddossier die conform paragraaf 1, eerste lid, 2°, zijn voorgelegd, kunnen het betrokken schoolbestuur, meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP een van de volgende beslissingen nemen:
   1° uiterlijk tien kalenderdagen [2 na ontvangst van het negatieve besluit]2, beslissen om de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier als vermeld in artikel 253/12;
   2° uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit eenmalig het aangepaste voorstel van afwijkingen van een standaarddossier als vermeld in artikel 253/12, voorleggen aan de Vlaamse Regering.
   De Vlaamse Regering toetst de voorgestelde afwijkingen van het standaarddossier aan de doelstellingen, vermeld in artikel 253/2, en aan de bepalingen van deze afdeling en afdeling 2, en beslist uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake het verloop van de procedure, vermeld in het eerste lid.
   Bij een negatief besluit van de Vlaamse Regering beslissen het betrokken schoolbestuur, meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk tien kalenderdagen [2 na ontvangst van het negatieve besluit,]2, de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier als vermeld in artikel 253/12, of om af te zien van een aanmeldingsprocedure. In dat geval zijn de bepalingen, vermeld in onderafdeling 2, van toepassing.
   § 3. Bij een negatief besluit van de Vlaamse Regering over het voorstel van afwijkingen van een standaarddossier, vermeld in artikel 253/12, die conform paragraaf 1, eerste lid, 3°, zijn voorgelegd kunnen het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP een van de volgende beslissingen nemen:
   1° uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, beslissen om de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier als vermeld in artikel 253/12;
   2° uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, eenmalig een aangepast voorstel van afwijkingen van een standaarddossier voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het aangepaste voorstel aan de bepalingen van deze afdeling en afdeling 2 en 4.
   De CLR beslist over het voorstel van afwijkingen van een standaarddossier uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.
   Bij een negatief besluit van de CLR beslissen het betrokken schoolbestuur, meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, om de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier, of af te zien van een aanmel dingsprocedure. In dat geval zijn de bepalingen, vermeld in onderafdeling 2, van toepassing.]1

  
Art. 253/12/1. [1 § 1er. En cas de décision négative de la CLR sur les dérogations à un dossier type, l'autorité scolaire concernée, plusieurs autorités scolaires concernées conjointement ou la LOP concernée peuvent prendre, préalablement à l'année scolaire pour laquelle les inscriptions sont valables, au plus tard dix jours calendrier après la réception de la décision négative, l'une des initiatives suivantes :
   1° notifier aux services compétents de la Communauté flamande et à la CLR qu'elles organiseront les préinscriptions conformément à un dossier type tel que visé à l'article 253/12. A cet effet, le formulaire visé à l'article 253/12, § 1er, alinéa 2, est utilisé ;
   2° introduire des dérogations ajustées auprès de la CLR. Dans ce cas, la CLR examine les dérogations ajustées au regard des dispositions de la présente section et des sections 2 et 4 et statue au plus tard trente jours calendrier après leur introduction ;
   3° soumettre la proposition de dérogations au dossier type, visé à l'article 253/12, au Gouvernement flamand. Dans ce cas, le Gouvernement flamand examine la proposition au regard des dispositions de la présente section et des sections 2 et 4.
   Le Gouvernement flamand statue sur la proposition de procédure de préinscription au plus tard trente jours calendrier après son introduction.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives au déroulement de la procédure visée à l'alinéa 1er.
   § 2. En cas de décision négative de la CLR sur les dérogations ajustées à un dossier type qui ont été soumises conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, l'autorité scolaire concernée, plusieurs autorités scolaires concernées conjointement ou la LOP concernée peuvent prendre l'une des décisions suivantes :
   1° décider, au plus tard dix jours calendrier après la réception de la décision négative, d'organiser la procédure de préinscription selon un dossier type tel que visé à l'article 253/12 ;
   2° soumettre au Gouvernement flamand, au plus tard dix jours calendrier après la réception de la décision négative, à titre unique, la proposition ajustée de dérogations à un dossier type tel que visé à l'article 253/12.
   Le Gouvernement flamand examine les dérogations proposées au dossier type au regard des objectifs visés à l'article 253/2 et des dispositions de la présente section et de la section 2 et statue au plus tard trente jours calendrier après leur introduction.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives au déroulement de la procédure visée à l'alinéa 1er.
   En cas de décision négative du Gouvernement flamand, l'autorité scolaire concernée, plusieurs autorités scolaires concernées conjointement ou la LOP concernée décident, au plus tard dix jours calendrier après la réception de la décision négative, d'organiser la procédure de préinscription selon un dossier type tel que visé à l'article 253/12 ou de renoncer à une procédure de préinscription. Dans ce cas, les dispositions de la sous-section 2 s'appliquent.
   § 3. En cas de décision négative du Gouvernement flamand sur la proposition de dérogations à un dossier type, visé à l'article 253/12, qui ont été soumises conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, l'autorité scolaire concernée, plusieurs autorités scolaires concernées conjointement ou la LOP concernée peuvent prendre l'une des décisions suivantes :
   1° décider, au plus tard dix jours calendrier après la réception de la décision négative, d'organiser la procédure de préinscription selon un dossier type tel que visé à l'article 253/12 ;
   2° soumettre à la CLR, au plus tard dix jours calendrier après la réception de la décision négative, à titre unique, une proposition ajustée de dérogations à un dossier type. Dans ce cas, la CLR examine la proposition ajustée au regard des dispositions de la présente section et des sections 2 et 4.
   La CLR statue sur la proposition de dérogations à un dossier type au plus tard trente jours calendrier après son introduction.
   En cas de décision négative de la CLR, l'autorité scolaire concernée, plusieurs autorités scolaires concernées conjointement ou la LOP concernée décident, au plus tard dix jours calendrier après la réception de la décision négative, d'organiser la procédure de préinscription selon un dossier type ou de renoncer à une procédure de préinscription. Dans ce cas, les dispositions de la sous-section 2 s'appliquent.]1

  
Art. 253/13. [1 § 1. Voorafgaand aan de aanmeldingsperiode moet een schoolbestuur voor al zijn scholen of vestigingsplaatsen waarvoor het de inschrijvingen laat voorafgaan door een aanmeldingsprocedure een capaciteit bepalen op volgend niveau:
   a) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
   b) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
   c) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school;
   d) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school.
   Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het schoolbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen, vermeld in artikel 253/20.
   § 2. Een schoolbestuur kan na de start van de aanmeldingsperiode steeds een capaciteit verhogen, op voorwaarde van:
   a) goedkeuring door het LOP in het geval de school is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
   b) mededeling aan de schoolbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.
   § 3. Een schoolbestuur deelt aan alle belanghebbenden en, indien gelegen in het werkingsgebied van een LOP, aan dat LOP zijn bepaalde capaciteiten mee.]1

  
Art. 253/13. [1 § 1er. Avant la période de pré-inscriptions, une autorité scolaire doit déterminer une capacité pour toutes ses écoles ou implantations pour lesquelles elle fait précéder les inscriptions par une procédure de préinscription et ce, au niveau suivant :
   a) soit la première année d'études A séparément et la première année d'études B séparément et pour toutes les implantations de l'école conjointement ;
   b) soit la première année d'études A et la première année d'études B conjointement et pour toutes les implantations de l'école conjointement ;
   c) soit la première année d'études A séparément et la première année d'études B séparément et par implantation distincte de l'école ;
   d) soit la première année d'études A et la première année d'études B conjointement et par implantation individuelle de l'école.
   Par capacité on entend le nombre maximal d'élèves que l'autorité scolaire envisage pouvoir inscrire, toute inscription additionnelle étant refusée en cas de dépassement de cette capacité, sauf dans les cas visés à l'article 253/20.
   § 2. Une autorité scolaire peut toujours augmenter une capacité après le début de la période de préinscription, moyennant :
   a) l'approbation par la LOP dans le cas où l'école est située dans une commune relevant de la zone d'action d'une LOP ;
   b) la communication aux autorités scolaires des autres écoles et centres situés dans cette commune si l'école ou le centre sont situés en dehors de la zone d'action d'une LOP.
   § 3. Une autorité scolaire communique les capacités qu'elle a fixées à tous les intéressés et, si elle est située dans la zone d'action d'une LOP, à cette LOP.]1

  
Art. 253/14. [1 Elk schoolbestuur verleent bij het ordenen van de aangemelde leerlingen voor een bepaald structuuronderdeel, voorrang aan:
   1° kinderen die tot dezelfde leefentiteit behoren als een reeds ingeschreven leerling in de school of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 253/4;
   2° met behoud van de toepassing van punt 1°, kinderen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 253/4, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.
   Met personeelsleden als vermeld in het eerste lid, 2°, wordt bedoeld:
   1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;
   2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.]1

  
Art. 253/14. [1 Lors du classement des élèves préinscrits pour une subdivision structurelle spécifique, chaque autorité scolaire donne la priorité :
   1° aux enfants qui appartiennent à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit dans l'école ou dans les écoles autorisant la continuité des inscriptions d'une école à l'autre, au sens de l'article 253/4 ;
   2° sans préjudice de l'application du point 1°, aux enfants ayant un parent qui est membre du personnel de l'école ou des écoles qui optent pour la continuation des inscriptions d'une école à l'autre sur la base de l'article 253/4, à condition qu'il soit question, au moment de l'inscription, d'une occupation en cours de plus de 104 jours.
   Par membres du personnel tels que visés à l'alinéa premier, 2°, on entend :
   1° les membres du personnel tels que visés à l'article 2 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, pour autant qu'ils sont affectés à ou désignés dans une école ;
   2° les membres du personnel qui ont été recrutés par une autorité scolaire sous un contrat de travail et qui sont mis au travail dans l'école.]1

  
Art. 253/15. [1 § 1. Een schoolbestuur kan ervoor kiezen om voor een of meer van zijn scholen per bepaalde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, voorrang te verlenen aan een of meer ondervertegenwoordigde groepen, zijnde één of meer groepen van leerlingen die, op basis van één of meerdere objectieve kenmerken, [3 in de school relatief ondervertegenwoordigd zijn ten aanzien van een referentiepopulatie, waarbij in afwijking van dit principe leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in een school van het gewoon onderwijs altijd beschouwd mogen worden als een ondervertegenwoordigde groep, ongeacht de referentiepopulatie.]3. [2 De voorrang wordt toegepast tot maximaal 20% van de bepaalde capaciteit bezet wordt door de leerlingen behorende tot één of meerdere ondervertegenwoordigde groepen. Ook in geval van meerdere ondervertegenwoordigde groepen bedraagt de voorrang maximaal 20% van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 253/13.]2
   [2 Als het LOP of een schoolbestuur opteert voor meer ondervertegenwoordigde groepen, bepaalt het LOP of een schoolbestuur ook telkens welke groep in de ordening voorrang heeft op welke andere groep.]2
  [2 Het LOP kan een voorstel uitwerken over de voorrang van ondervertegenwoordigde groepen in de scholen die in zijn werkingsgebied liggen, zowel wat betreft het aandeel van de capaciteit die scholen voorbehouden als het bepalen van de inhoudelijke afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groep. Dat voorstel wordt goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. De scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP respecteren hierover de gemaakte afspraken in het LOP. Het LOP legt het voorstel ter bekrachtiging voor aan de gemeenteraad van de gemeente of van de gemeenten waarin de vestigingsplaatsen liggen die de voorrang toepassen.
   Als de gemeenteraad een voorstel van een LOP een eerste keer niet bekrachtigt, werkt het LOP een nieuw voorstel uit. Het nieuwe voorstel wordt goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. Het LOP legt dat nieuwe voorstel ter bekrachtiging voor aan de gemeenteraad van de gemeente of van de gemeenten waarin de vestigingsplaatsen liggen die de voorrang toepassen.
   Als een eerste voorstel reeds bekrachtigd werd door de gemeenteraad, dan kan die gemeenteraad, wanneer een nieuw voorstel wordt voorgelegd ter bekrachtiging aan die gemeenteraad, ervoor kiezen om dat eerste voorstel te vervangen door het nieuwe voorstel. Als het nieuwe voorstel, vermeld in het vierde lid, bekrachtigd wordt, vervangt het nieuwe voorstel het eerste voorstel.
   Als het nieuwe voorstel niet bekrachtigd wordt, wordt het eerste voorstel, vermeld in het derde lid, behouden voor de vestigingsplaatsen die in de gemeente liggen waar de gemeenteraad het eerste voorstel bekrachtigd heeft.
   Als de gemeenteraad een voorstel bekrachtigt, passen de vestigingsplaatsen die in die gemeente liggen, het voorstel toe.
   Als een gemeenteraad geen voorstel bekrachtigt, kunnen de schoolbesturen zelf beslissen voor de vestigingsplaatsen die in het werkingsgebied van het LOP liggen, welke ondervertegenwoordigde groepen ze toepassen.]2

   § 2. Scholen die deze voorrang toepassen, melden dit steeds, en uiterlijk op 31 januari, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Voor scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, meldt het LOP de toepassing van deze voorrang steeds, en uiterlijk op 31 januari, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. [2 ...]2
   Scholen en LOP kunnen hun voorstel van afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groepen ook voor advies voorleggen aan de CLR en dit uiterlijk op [2 15 september]2 voorafgaand aan de aanmeldingen. [2 De inhoudelijke afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groepen maken geen deel uit van het standaarddossier of afwijking op het standaarddossier, vermeld in artikel 253/12.]2
   § 3. De effecten van de toepassing van deze voorrang van ondervertegenwoordigde groepen worden gedurende 4 jaar gemonitord door het LOP.]1

  
Art. 253/15. [1 § 1er. Une autorité scolaire peut choisir de donner la priorité, pour une ou plusieurs de ses écoles par capacité fixée, visée à l'article 253/13, à un ou plusieurs groupes sous-représentés, c'est-à-dire un ou plusieurs groupes d'élèves qui, sur la base d'une ou plusieurs caractéristiques objectives, [3 sont relativement sous-représentés au sein de l'école par rapport à une population de référence, les élèves en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 au sein d'une école de l'enseignement ordinaire pouvant toujours être considérés, par dérogation à ce principe, comme un groupe sous-représenté quelle que soit la population de référence. ]3. [2 La priorité est appliquée jusqu'à ce que 20 % maximum de la capacité déterminée soient occupés par les élèves appartenant à un ou plusieurs groupes sous-représentés. Même en présence de plusieurs groupes sous-représentés, la priorité est de 20 % maximum de la capacité déterminée visée à l'article 253/13.]2.
   [2 Si la LOP ou une autorité scolaire opte pour plusieurs groupes sous-représentés, la LOP ou une autorité scolaire détermine aussi à chaque fois quel groupe a priorité dans le classement sur quel autre groupe.]2
  [2 La LOP peut élaborer une proposition relative à la priorité de groupes sous-représentés au sein des écoles situées dans sa zone d'action, tant pour ce qui est de la part de la capacité réservée par les écoles que pour ce qui est de la délimitation sur le fond du groupe sous-représenté choisi localement. Cette proposition sera approuvée à la majorité des partenaires de l'enseignement de la LOP visés à l'article VIII.4/1, § 1er, alinéa 1er, 1° à 3°, de la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016. Les écoles situées dans la zone d'action d'une LOP respectent les accords pris en la matière au sein de la LOP. La LOP soumet la proposition à la ratification du conseil communal de la commune ou des communes abritant les implantations qui appliquent la priorité.
   Si le conseil communal ne ratifie pas une proposition d'une LOP une première fois, celle-ci élabore une nouvelle proposition. La nouvelle proposition sera approuvée à la majorité des partenaires de l'enseignement de la LOP visés à l'article VIII.4, § 1er, alinéa 1er, 1° à 3°, de la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016. La LOP soumet cette nouvelle proposition à la ratification du conseil communal de la commune ou des communes abritant les implantations qui appliquent la priorité.
   Si le conseil communal a déjà ratifié une première proposition, il peut choisir, lorsqu'une nouvelle proposition est soumise à sa ratification, de remplacer cette première proposition par la nouvelle. Si la nouvelle proposition visée à l'alinéa 4 est ratifiée, elle remplace la première proposition.
   Si la nouvelle proposition n'est pas ratifiée, la première proposition visée à l'alinéa 3 est maintenue pour les implantations situées dans la commune où le conseil communal a ratifié la première proposition.
   Si le conseil communal ratifie une proposition, les implantations situées dans cette commune appliquent la proposition.
   Si un conseil communal ne ratifie pas de proposition, les autorités scolaires peuvent décider elles-mêmes pour les implantations situées dans la zone d'action de la LOP quels groupes sous-représentés elles appliquent.]2

   § 2. Les écoles qui appliquent cette priorité en informent toujours les services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 31 janvier. Pour les écoles situées dans la zone d'action d'une LOP, la LOP informe toujours et au plus tard le 31 janvier les services compétents de la Communauté flamande de l'application de cette priorité. [2 ...]2.
   Les écoles et la LOP peuvent également soumettre leur proposition de délimitation des groupes sous-représentés choisis localement pour avis à la CLR au plus tard le [2 15 septembre]2 précédant les préinscriptions. [2 La délimitation sur le fond des groupes sous-représentés choisis localement ne fait pas partie du dossier type ou de la dérogation au dossier type visé à l'article 253/12.]2
   § 3. Les effets de l'application de cette priorité de groupes sous-représentés sont surveillés par la LOP pendant une période de 4 ans.]1

  
Art. 253/15/1. [1 § 1. Een schoolbestuur kan voor zijn vestigingsplaatsen die in de door de Vlaamse Regering bepaalde gemeenten liggen, kiezen om voor een of meer van die vestigingsplaatsen per bepaalde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, voorrang te verlenen aan leerlingen die vanaf [2 de start van de leerplicht]2 ieder jaar onderwijs hebben gevolgd in een school voor Nederlandstalig basisonderwijs die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is, na kennisgeving aan de schoolbesturen van de andere scholen in de gemeente.
   In afwijking van het eerste lid worden leerlingen die vanaf het moment van hun domiciliëring in het Vlaamse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest onafgebroken voor het Nederlandstalige basisonderwijs gekozen hebben, gerekend als behorend tot de voorrangsgroep in kwestie.
   De voorrang wordt toegepast tot maximaal 70 procent van de bepaalde capaciteit bezet wordt door de leerlingen, vermeld in het eerste en tweede lid.
   Scholen die de voorrang, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, toepassen, melden dat uiterlijk op 15 november aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Voor scholen die in het werkingsgebied van een LOP liggen, meldt het LOP de toepassing van die voorrang uiterlijk op 15 november aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. De voormelde scholen gebruiken het formulier, vermeld in artikel 253/12, § 1, tweede lid, om die melding te doen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de gemeenten waar de voorrang, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, van toepassing is. Deze gemeenten grenzen aan een gewestgrens of aan een randgemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
   § 2. Het beantwoorden aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt vastgelegd door telkens de inschrijving als regelmatige leerling in het Nederlandstalige basisonderwijs op de eerste lesdag van februari als ijkdatum te nemen, zoals geregistreerd in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
   § 3. Als een schoolbestuur ervoor kiest om de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 1, toe te passen dan bepaalt het schoolbestuur het aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen die minstens vanaf [2 de start van de leerplicht]2 ieder jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd of aan de uitzondering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, voldoen.
   § 4. Als een schoolbestuur ervoor kiest om de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 1, toe te passen, komt die voorrangsgroep in de ordening, met toepassing van artikel 253/16, § 1, na de voorrangsgroep, vermeld in artikel 253/16, § 1, eerste lid, 2°, en voor de voorrangsgroep, vermeld in artikel 253/16, § 1, eerste lid, 3°.
   § 5. Als de capaciteit die vooraf is bepaald, vermeld in artikel 253/13, al bereikt wordt binnen de leerlingengroep, vermeld in paragraaf 1, worden de leerlingen binnen die leerlingengroep in kwestie geordend volgens de volgorde van de voorrangsgroepen, zoals de overige leerlingen als vermeld in artikel 253/16, § 1, eerste lid, 4°, en volgens het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria uit het standaarddossier die het schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP onderschreven hebben, of de eventuele afwijkingen daarvan die de CLR heeft goedgekeurd.
   In voorkomend geval worden de resterende leerlingen uit de leerlingengroep in kwestie geordend met de overige leerlingen, vermeld in artikel 253/16, § 1, eerste lid, 4°.]1

  
Art. 253/15/1. [1 § 1er. Une autorité scolaire peut choisir, pour ses implantations situées dans les communes fixées par le Gouvernement flamand, de donner la priorité, dans une ou plusieurs de ces implantations et par capacité déterminée telle que visée à l'article 253/13, aux élèves qui ont suivi chaque année depuis [2 le début de la scolarité obligatoire]2 de l'enseignement dans une école d'enseignement fondamental néerlandophone, agréée par la Communauté flamande, après notification aux autorités scolaires des autres écoles dans la commune.
   Par dérogation à l'alinéa premier, les élèves qui ont opté de manière ininterrompue dès le moment de leur domiciliation en Région flamande ou en Région de Bruxelles-Capitale pour l'enseignement fondamental néerlandophone, sont comptés comme appartenant au groupe prioritaire en question.
   La priorité est appliquée jusqu'à ce qu'un maximum de 70 % de la capacité déterminée soit occupé par les élèves visés aux alinéas premier et deux.
   Les écoles qui appliquent la priorité visée aux alinéas premier, deux et trois en informent les services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 15 novembre. Pour les écoles situées dans la zone d'action d'une LOP, la LOP informe au plus tard le 15 novembre les services compétents de la Communauté flamande de l'application de cette priorité. Les écoles précitées utilisent le formulaire visé à l'article 253/12, § 1er, alinéa deux, pour effectuer cette notification.
   Le Gouvernement flamand détermine les communes où la priorité visée aux alinéas premier à trois est d'application. Ces communes sont limitrophes d'une frontière régionale ou d'une commune périphérique telle que visée à l'article 7 des loi sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
   § 2. Le respect de la condition visée au paragraphe 1er, alinéa premier, est établi en prenant à chaque fois comme date de référence l'inscription en tant qu'élève régulier dans l'enseignement fondamental néerlandophone le premier jour scolaire du mois de février, telle qu'elle est enregistrée dans les applications administratives pour l'échange de données relatives aux élèves entre les écoles et le ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation.
   § 3. Si une autorité scolaire choisit d'appliquer le groupe prioritaire, visé au paragraphe 1er, elle détermine le nombre d'élèves envisagé pour l'inscription par priorité des élèves qui ont suivi de l'enseignement fondamental néerlandophone chaque année depuis [2 le début de la scolarité obligatoire]2 ou qui répondent à l'exception visée au paragraphe 1er, alinéa deux.
   § 4. Si une autorité scolaire choisit d'appliquer le groupe prioritaire, visé au paragraphe 1er, ce groupe prioritaire vient dans le classement, en application de l'article 253/16, § 1er, après le groupe prioritaire visé à l'article 253/16, § 1er, alinéa premier, 2°, et avant le groupe prioritaire visé à l'article 253/16, § 1er, alinéa premier, 3°.
   § 5. Si la capacité déterminée au préalable, visée à l'article 253/13, est déjà atteinte au sein du groupe d'élèves mentionné au paragraphe 1er, les élèves de ce groupe sont classés selon l'ordre des groupes prioritaires, comme les autres élèves mentionnés à l'article 253/16, § 1er, alinéa premier, 4°, et selon le critère de classement ou la combinaison de critères de classement du dossier standard approuvés par l'autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires ensemble ou la LOP, ou les dérogations éventuelles approuvées par la CLR.
   Le cas échéant, les élèves restants du groupe d'élèves en question sont classés avec les autres élèves mentionnés à l'article 253/16, § 1er, alinéa premier, 4°.]1

  
Art. 253/16. [1 § 1. Voor de inschrijvingen ordent het schoolbestuur of, na akkoord van de betrokken schoolbesturen, het schoolbestuur dat daarvoor gemandateerd is of het LOP, op het einde van de aanmeldingsperiode voor zijn school of voor elk van zijn scholen alle aangemelde leerlingen op de volgende wijze:
   1° eerst de leerlingen die tot dezelfde leefentiteit behoren, vermeld in artikel 253/14, eerste lid, 1° ;
   2° dan de kinderen van een ouder die personeelslid is, vermeld in artikel 253/14, eerste lid, 2° ;
   3° in voorkomend geval, dan de leerlingen die behoren tot de ondervertegenwoordigde groep, vermeld in artikel 253/15;
   4° tot slot de overige leerlingen, in voorkomend geval met inbegrip van de leer lingen, die overblijven na de toepassing van de criteria, vermeld in punt 1° tot en met 3°, volgens een van de volgende ordeningscriteria:
   a) toeval;
   b) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in de keuze die de betrokken personen hebben gemaakt, en dan toeval;
   c) toeval en dan de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in de keuze die de betrokken personen hebben gemaakt.
   Het schoolbestuur, de schoolbesturen samen of het LOP hanteren bij het ordenen van de aangemelde leerlingen het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria uit het standaarddossier dat ze hebben onderschreven, of de eventuele afwijkingen daarop, zoals de CLR ze heeft goedgekeurd.
   § 2. Als de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 253/13, al bereikt wordt binnen de leerlingengroep, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2° of 3°, worden de leerlingen binnen die leerlingengroep in kwestie geordend volgens de volgorde van de voorrangsgroepen en volgens het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria, zoals de overige leerlingen als vermeld in het eerste lid, 4°, en vermeld in het standaarddossier dat door hen is onderschreven, of de eventuele afwijkingen daarop zoals de CLR ze heeft goedgekeurd.
   § 3. In voorkomend geval wordt aan een leerling die voor meerdere scholen of vestigingsplaatsen gunstig gerangschikt is, de hoogste school of vestigingsplaats van voorkeur toegewezen en wordt die leerling verwijderd in de scholen of vestigings plaatsen van lagere keuze.
  [2 Het schoolbestuur, de schoolbesturen samen of het LOP kunnen beslissen om na de definitieve toewijzing het resultaat van de toewijzing te optimaliseren, zodat meer leerlingen een school van hogere voorkeur krijgen toegewezen.]2 Deze beslissing mag er niet toe leiden dat de voorrang van een geweigerde leerling geschonden zou worden.]1

  
Art. 253/16. [1 § 1er. Pour les inscriptions, l'autorité scolaire ou, après accord des autorités scolaires concernées, l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP, classe, à la fin de la période de préinscription, tous les élèves préinscrits pour son école ou pour chacune de ses écoles de la manière suivante :
   1° en premier lieu, les élèves appartenant à la même unité de vie, visés à l'article 253/14, alinéa 1er, 1° ;
   2° ensuite, les enfants dont un parent est membre du personnel, visés à l'article 253/14, alinéa 1er, 2° ;
   3° le cas échéant, ensuite, les élèves appartenant au groupe sous-représenté, visés à l'article 253/15 ;
   4° enfin, les autres élèves, y compris, le cas échéant, les élèves qui restent après l'application des critères visés aux point 1° à 3°, selon l'un des critères de classement suivants :
   a) le hasard ;
   b) la place qu'occupe l'école ou l'implantation dans l'ordre des choix exprimés par les personnes concernées, et ensuite le hasard ;
   c) le hasard et ensuite la place qu'occupe l'école ou l'implantation dans l'ordre des choix exprimés par les personnes concernées.
   Lors du classement des élèves préinscrits, l'autorité scolaire, les autorités scolaires conjointement ou la LOP appliquent le critère de classement ou la combinaison de critères de classement issus du dossier type auquel elles ont souscrit ou des éventuelles dérogations à celui-ci telles que la CLR les a approuvées.
   § 2. Si la capacité prédéterminée visée à l'article 253/13 est déjà atteinte au sein du groupe d'élèves visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, 2° ou 3°, les élèves de ce groupe d'élèves sont classés dans l'ordre des groupes prioritaires et selon le critère de classement ou la combinaison de critères de classement, comme les autres élèves, visés à l'alinéa 1er, 4°, et mentionnés dans le dossier type souscrit par elles ou les dérogations éventuelles à celui-ci telles que la CLR les a approuvées.
   § 3. Le cas échéant, un élève favorablement classé pour plusieurs écoles ou implantations est affecté à l'école ou à l'implantation de son premier choix et est supprimé des écoles ou implantations de moindre préférence.
  [2 L'autorité scolaire, les autorités scolaires conjointement ou la LOP peuvent décider, après l'attribution définitive, d'optimiser le résultat de l'attribution, de sorte qu'un plus grand nombre d'élèves se voient attribuer une école de préférence supérieure.]2 Cette décision ne peut pas avoir pour effet de transgresser la priorité d'un élève refusé.]1

  
Art. 253/17. [1 § 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 253/13 bepaalde, capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister.
   Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, op basis van artikel 253/16, tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur de rangschikking van alle aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.
   § 2. Van de scholen of vestigingsplaatsen waar de aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen, wijst het schoolbestuur, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur, de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de betrokken personen of de leerling bij de aanmelding opgaven.
   Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de betrokken personen of de leerling een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria [2 en voorrangsgroepen als vermeld in artikel 253/14 tot en met 253/16,]2 eerstvolgend gerangschikte leerlingen.
   Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat er geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de [2 volgorde van de voorrangsgroepen en de]2 daartoe gekozen ordeningscriteria.
   De aangemelde leerling en de betrokken personen krijgen uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode, vermeld in artikel 253/11, § 2.
   Indien de aangemelde leerling en zijn ouders binnen de periode, vermeld in artikel 253/11, § 2, geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.
   Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats.
   Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de betrokken personen opgegeven voorrangsgroepen die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van [2 de klachten, de vaststellingen en de vragen]2, vermeld in artikel 253/11, § 3, leidt tot een andere beslissing.
   Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.
  [3 In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om [5 op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten]5 van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen.]3
  [4 Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.]4
   § 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en de betrokken personen uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de betrokken personen of leerling gekozen school of vestigingsplaats.
   Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen hadden gekozen.
   § 4. Een niet-gunstige rangschikking wordt gelijkgesteld met een weigering op basis van bereikte capaciteit, overeenkomstig artikel 253/13. Binnen het werkingsgebied van een LOP kan het uitreiken van de weigeringsdocumenten gemandateerd worden aan het LOP, buiten het werkingsgebied van een LOP aan een daartoe gemandateerd schoolbestuur.]1

  
Art. 253/17. [1 § 1er. Une autorité scolaire utilise pour chaque capacité, fixée conformément à l'article 253/13 et concernée par la procédure de préinscription, un registre de préinscription.
   Une autorité scolaire arrive, par registre de préinscription, sur la base de l'article 253/16 à un classement favorable ou non favorable de tous les élèves préinscrits et reprend ce classement dans le registre de préinscription. Sous réserve de l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP ou, en dehors de la zone d'action d'une LOP, l'autorité scolaire mandatée à cette fin, peuvent procéder au classement de tous les élèves préinscrits dans le registre de préinscriptions.
   § 2. L'autorité scolaire ou, sous réserve de l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP ou, en dehors de la zone d'action d'une LOP, l'autorité scolaire mandatée à cette fin, affectent l'élève préinscrit à l'école ou à l'implantation du premier choix que les personnes concernées ou l'élève ont indiqué au moment de la préinscription parmi les écoles ou implantations où l'élève préinscrit a obtenu un classement favorable.
   Cet élève est ensuite supprimé du registre de préinscriptions des différentes écoles et implantations pour lesquelles les personnes concernées ou l'élève ont marqué un choix moins élevé. Dans la mesure du possible, les places ainsi libérées dans les registres de préinscriptions sont prises par les élèves les premiers classés suivants sur la base de la même combinaison de critères de classement [2 et de groupes prioritaires tels que visés aux articles 253/14 à 253/16]2.
  [3 Par dérogation à l'alinéa 7, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP peuvent décider de procéder à cette vérification [5 au plus tôt après la date de fin de la période de préinscription et au plus tard avant la publication des résultats de la préinscription]5.]3
   La prise de places libérées dans le registre de préinscriptions est répétée jusqu'à ce qu'il ne reste plus d'affectations, telles que visées à l'alinéa premier, à faire. Ensuite, les élèves non affectés sont classés selon [2 l'ordre des groupes prioritaires et]2 les critères de classement choisis à cette fin.
   Au plus tard à la date arrêtée par le Gouvernement flamand, l'élève préinscrit et les personnes concernées sont informés par écrit ou au moyen d'un support électronique de l'école ou de l'implantation à laquelle l'élève préinscrit a été affecté et de la période, visée à l'article 253/11, § 2.
   Si, dans la période mentionnée à l'article 253/11, § 2, l'élève préinscrit et ses parents ne font pas usage de la possibilité d'inscription, le droit d'inscription qu'ils ont acquis par le biais de la procédure de préinscriptions échoit.
   Il est également communiqué à l'élève préinscrit et aux personnes concernées quelle est la place qu'occupe l'élève préinscrit parmi les élèves non affectés dans le registre de préinscription des différentes écoles ou implantations auxquelles l'élève préinscrit ou ses parents ont accordé un choix plus élevé que celui de l'école ou implantation à laquelle il a été affecté.
   S'il s'avère au moment de l'inscription, que l'élève ne remplit pas les critères des groupes prioritaires indiqués par les personnes concernées, qui ont conduit au classement favorable et à l'affectation, le droit d'inscription qu'ils ont acquis par le biais de la procédure de préinscription échoit, à moins que le traitement de [2 plaintes, constatations et questions telles que visées]2 à l'article 253/11, § 3 ne mène à une autre décision.
   Lorsqu' un élève qui a été inscrit via une procédure de préinscription est tout de même inscrit dans une école de choix plus élevé, l'école de choix moins élevé peut mettre fin à l'inscription effectuée antérieurement.
  [4 Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement. ]4
   § 3. Si l'élève ne peut être classé favorablement dans aucune école ou implantation, l'élève préinscrit et les personnes concernées sont informés par écrit ou par voie électronique, au plus tard à la date fixée par le Gouvernement flamand, de l'impossibilité d'affecter l'élève préinscrit à une école ou à une implantation choisies par les personnes ou l'élève concernés.
   Il est également communiqué à l'élève préinscrit et aux personnes concernées quelle est la place qu'occupe l'élève préinscrit parmi les élèves non affectés dans le registre de préinscription des différentes écoles ou implantations pour lesquelles l'élève préinscrit ou les personnes concernées avaient choisi.
   § 4. Un classement non favorable est assimilé à un refus sur la base de l'atteinte de la capacité, conformément à l'article 253/13. A l'intérieur de la zone d'action d'une LOP, la délivrance des documents de refus peut être confiée à la LOP, en dehors de la zone d'action d'une LOP à une autorité scolaire mandatée à cette fin.]1

  
Art. 253/18. [1 § 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke overeenkomstig artikel 253/13 bepaalde capaciteit een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch noteert.
   Overeenkomstig artikel [2 253/17]2, wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.
   § 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/20, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, § 2, de volgorde van de weigeringen [2 gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, in voorkomend geval met het oog op het bereiken van hun respectieve aandeel en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.]2
   Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
   § 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.]1

  
Art. 253/18. [1 § 1er. Pour chaque capacité déterminée conformément à l'article 253/13, une autorité scolaire tient un registre des inscriptions dans lequel elle consigne, par ordre chronologique, toutes les inscriptions et refus.
   Conformément à l'article [2 253/17]2, l'ordre des élèves affectés et l'ordre des élèves non affectés sont repris dans le registre d'inscription.
   § 2. A l'exception des inscriptions visées à l'article 253/20 et pour ce qui concerne les inscriptions effectuées suite à la libération de places ou à l'augmentation de la capacité, telle que visée à l'article 253/13, § 2, l'ordre des refus est respecté, [2 y compris l'ordre des groupes prioritaires, le cas échéant en vue d'atteindre leur part respective, jusqu'au cinquième jour d'école du mois d'octobre de l'année scolaire à laquelle l'inscription se rapportait]2.
   Les personnes concernées d'élèves qui sont encore affectés à une place en sont informées par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours civils. Cette notification contient des informations relatives à la période dans laquelle les personnes concernées peuvent inscrire l'élève concerné. Cette période a une durée d'au moins sept jours calendrier.
   § 3. Le Gouvernement flamand fixe le modèle de registre d'inscriptions.
   § 4. Le déroulement des inscriptions et des refus peut faire l'objet d'un contrôle par les services compétents de la Communauté flamande.]1

  
Art. 253/19. [1 De inschrijvingen en eventuele weigeringen van leerlingen die zich niet hebben aangemeld worden vanaf de door de Vlaamse Regering bepaalde startdatum van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/8, in chronologische volgorde opgenomen in het inschrijvingsregister.]1
  
Art. 253/19. [1 Les inscriptions et les refus éventuels d'élèves non préinscrits sont repris dans le registre des inscriptions par ordre chronologique à partir de la date de début des inscriptions arrêtée par le Gouvernement flamand, visée à l'article 253/8.]1
  
Art. 253/20. [1 Een schoolbestuur kan, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
   1° voor de toelating van leerlingen die:
   a) [2 hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank;]2
   b) [3 hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;]3;
   c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
  [2 d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie;
   e) hetzij beschikken over een [4 IAC-verslag of OV4-verslag]4;]2

   2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/13, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;
   3° van leerlingen waarvoor de [2 ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd]2 voor een inschrijving in overcapaciteit.
  [2 4° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.]2
   Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.[4 Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.]4
   In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.]1

  [5 5° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.]5
  
Art. 253/20. [1 En cas de dépassement d'une capacité fixée également, une autorité scolaire peut toutefois procéder à une inscription dans les situations suivantes :
   1° pour l'admission d'élèves qui :
   a) [2 soit disposent d'une décision d'aide à la jeunesse pour la fonction hébergement, c'est-à-dire un cadre d'habitat et de vie adapté sous la surveillance et avec l'accompagnement d'un intervenant jeunesse, sur recommandation d'une structure mandatée ou d'un service social du tribunal de la jeunesse ;]2
   b) [3 soit résident, en tant que semi-internes, dans un semi-internat attaché à une école, soit résident, en tant qu'internes, dans un internat de l'enseignement ;]3 ;
   c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
  [2 d) soit ont été adoptés au sein d'une famille qui dispose d'une demande d'adoption nationale ou internationale, introduite auprès du tribunal compétent ou, à défaut de celle-ci, d'une décision étrangère d'adoption ou d'une décision étrangère de placement en vue de l'adoption ;
   e) soit disposent d'un [4 rapport IAC ou d'un rapport OV4]4;]2

   2° pour l'admission d'élèves appartenant à la même unité de vie, si les personnes concernées souhaitent inscrire ces élèves dans le même niveau, visé à l'article 253/13, selon le cas, et si seul un des élèves peut être inscrit en raison de la capacité ;
   3° pour l'inscription d'élèves en faveur de qui [2 le service de médiation inscriptions ou la CLR, visés à l'article 253/11, §§ 3 à 5, a rendu un avis favorable ou a confirmé la situation exceptionnelle]2 pour une inscription en surcapacité.
  [2 4° pour l'admission d'élèves qui, durant l'année scolaire en cours ou après le premier jour d'école du mois de mars de l'année scolaire précédant celle pour laquelle l'inscription est demandée, ont changé d'adresse de domicile et ont changé de commune.]2
   Dans le cas de dépassement d'une capacité fixée également, une autorité scolaire est tenue de procéder à une inscription pour permettre le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire qui, pendant l'année scolaire en cours, l'année scolaire précédente ou l'année scolaire précédant celle-ci, étaient inscrits dans l'école et qui étaient inscrits dans l'enseignement secondaire spécial pendant cette période.[4 Il en va de même pour les élèves de l'enseignement spécial qui, en application de l'article 136/1, alinéa 2, ont suivi les cours à temps plein pendant deux années scolaires dans l'école d'enseignement ordinaire et souhaitent, après deux années scolaires, s'inscrire dans cette école.]4
   Dans aucune subdivision structurelle pour laquelle un paquet minimum a été attribué à l'école, l'inscription d'un élève ne peut être refusée pour des motifs de capacité, telle que visée à l'article 253/13 pendant l'année de l'attribution du paquet minimum.]1

  [5 5° pour l'admission d'élèves dans l'école ou l'implantation libre ou officielle la plus proche de l'adresse de domicile ou de la résidence principale de l'élève, en tenant compte du choix de la première année d'études A ou de la première année d'études B. La distance entre l'école ou l'implantation et l'adresse de domicile ou la résidence principale est calculée en mesurant la distance le long de la chaussée, visée à l'article 2.1 de l'arrêté royal du 1 décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, sans tenir compte des déviations, des rues sans circulation, des rues à sens unique et des autoroutes. Le nombre des élèves visé au présent point ne peut dépasser 5 pour cent du nombre des élèves auquel la capacité a été fixée. Cette capacité fixée ne peut être inférieure au nombre d'élèves inscrits dans le niveau de capacité concerné à la date habituelle de comptage de l'année scolaire précédente.]5
  
Onderafdeling 4. [1 Inschrijvingen voor andere leerjaren dan het eerste leerjaar van de eerste graad]1
Sous-section 4. [1 Inscriptions portant sur des années d'études autres que la première année d'études du premier degré]1
Art. 253/21. [1 Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar, met uitzondering van de leertijd.
   Een school- of centrumbestuur maakt de start van de inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. Een school- of centrumbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, maakt de start van de inschrijvingen alleszins via het LOP bekend.]1

  
Art. 253/21. [1 Les inscriptions pour une année scolaire déterminée peuvent démarrer au plus tôt le premier jour de classe après les vacances de Pâques de l'année scolaire précédente, à l'exception de l'apprentissage.
   Une autorité scolaire ou de centre annonce le début des inscriptions à tous les intéressés. Une autorité scolaire ou de centre qui fait partie d'une LOP annonce le début des inscriptions par la voie de la LOP en tout cas.]1

  
Art. 253/22. [1 Een school- of centrumbestuur, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, kan steeds voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volzet verklaren op een of meer van volgende niveaus:
   a) per school;
   b) per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   c) per vestigingsplaats;
   d) [2 per administratieve groep of combinatie van administratieve groepen, al dan niet per vestigingsplaats.]2
   Onder volzet verklaren, wordt verstaan dat een school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving weigert, behoudens de gevallen, vermeld in artikel 253/24, wanneer ze het vooropgestelde maximaal aantal leerlingen heeft ingeschreven.
   Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring of de eventuele opheffing ervan aan:
   a) [3 het LOP als de school of het centrum in een gemeente ligt die behoort tot het werkingsgebied van een LOP of als de school of het centrum het meedelen van de weigeringen gemandateerd heeft aan het LOP;]3;
   b) aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.]1

  
Art. 253/22. [1 A l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, une autorité scolaire ou de centre peut toujours déclarer que toutes ses écoles, tous ses centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et centres de formation pour les indépendants et les petites et moyennes entreprises sont complets à un ou plusieurs des niveaux suivants :
   a) par école ;
   b) par centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
   c) par implantation ;
   d) [2 par groupe administratif ou combinaison de groupes administratifs, par implantation ou non.]2
   Par `déclarer complet' on entend qu'une autorité scolaire ou de centre refuse toute inscription supplémentaire, sauf dans les cas mentionnés à l'article 253/24, lorsqu'elle a inscrit le nombre maximum envisagé d'élèves.
   L'autorité scolaire ou du centre communique la déclaration que les inscriptions sont complètes ou l'éventuelle annulation de la déclaration:
   a) [3 a) à la LOP dans le cas où l'école ou le centre sont situés dans une commune qui relève de la zone d'action d'une LOP ou dans le cas où la LOP a été mandatée par l'école ou le centre pour la communication des refus]3;
   b) aux autorités scolaires et de centre des autres écoles et centres situés dans cette commune, si l'école ou le centre sont situés à l'extérieur de la zone d'action d'une LOP.]1

  
Art. 253/23. [1 § 1. Een school- of centrumbestuur hanteert voor alle overeenkomstig artikel 253/22 bepaalde niveaus waarop volzet verklaard wordt een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch noteert.
   Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/24, §§ 1 en 2, wordt voor inschrijvingen door het opheffen van de volzetverklaring de volgorde van de geweigerde leerlingen gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.
   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
   § 3. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.]1

  
Art. 253/23. [1 § 1er. Une autorité scolaire ou de centre tient un registre des inscriptions dans lequel sont consignés, par ordre chronologique, toutes les inscriptions et tous les refus pour tous les niveaux qui, conformément à l'article 253/22 sont déclarés complets.
   A l'exception des inscriptions visées à l'article 253/24, §§ 1er et 2, pour les inscriptions qui sont le résultat de l'annulation de la déclaration que les inscriptions sont complètes, l'ordre des élèves refusés est respecté et ce, jusqu'au cinquième jour de classe d'octobre inclus de l'année scolaire à laquelle se rapportait l'inscription.
   § 2. Le Gouvernement flamand fixe le modèle de registre d'inscriptions.
   § 3. Le déroulement des inscriptions et refus d'inscriptions peut être soumis à un contrôle par les services compétents de la Communauté flamande.]1

  
Art. 253/24. [1 § 1. Een school- of centrumbestuur kan ook na volzetverklaring als vermeld in artikel 253/22 toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
   1° voor de toelating van leerlingen die:
   a) [2 hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank;]2
   b) [3 hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;]3;
   c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
  [2 d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie;
   e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.]2

   2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring.
  [2 3° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.]2
  [4 4° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de volzetverklaring is vastgelegd. Dit vastgelegd aantal leerlingen waarop volzet is verklaard mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend structuuronderdeel op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.]4
   § 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
   § 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.]1

  
Art. 253/24. [1 § 1er. Une autorité scolaire ou de centre peut, même après la déclaration que les inscriptions sont complètes, telle que visée à l'article 253/22, procéder à une inscription dans les situations suivantes :
   1° pour l'admission d'élèves qui :
   a) [2 soit disposent d'une décision d'aide à la jeunesse pour la fonction hébergement, c'est-à-dire un cadre d'habitat et de vie adapté sous la surveillance et avec l'accompagnement d'un intervenant jeunesse, sur recommandation d'une structure mandatée ou d'un service social du tribunal de la jeunesse ;]2
   b) [3 soit résident, en tant que semi-internes, dans un semi-internat attaché à une école, soit résident, en tant qu'internes, dans un internat de l'enseignement ;]3;
   c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
  [2 d) soit ont été adoptés au sein d'une famille qui dispose d'une demande d'adoption nationale ou internationale, introduite auprès du tribunal compétent ou, à défaut de celle-ci, d'une décision étrangère d'adoption ou d'une décision étrangère de placement en vue de l'adoption ;
   e) soit disposent d'un rapport tel que visé à l'article 294.]2

   2° pour l'admission d'élèves appartenant à la même unité de vie, si les personnes concernées souhaitent inscrire ces élèves dans la même subdivision structurelle, selon le cas, et que seul un des élèves peut être inscrit en raison de la déclaration que les inscriptions sont complètes;
  [2 3° pour l'admission d'élèves qui, durant l'année scolaire en cours ou après le premier jour d'école du mois de mars de l'année scolaire précédant celle pour laquelle l'inscription est demandée, ont changé d'adresse de domicile et ont changé de commune.]2
  [4 4° pour l'admission d'élèves dans l'école ou l'implantation libre ou officielle la plus proche de l'adresse de domicile ou de la résidence principale de l'élève, en tenant compte du choix de la deuxième année d'études A ou de la deuxième année d'études B et, à partir du deuxième degré, du choix d'un domaine d'études, d'une finalité et d'une forme d'enseignement. La distance entre l'école ou l'implantation et l'adresse de domicile ou la résidence principale est calculée en mesurant la distance le long de la chaussée, visée à l'article 2.1 de l'arrêté royal du 1 décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, sans tenir compte des déviations, des rues sans circulation, des rues à sens unique et des autoroutes. Le nombre des élèves visé au présent point ne peut dépasser 5 pour cent du nombre des élèves auquel la déclaration d'occupation complète est établie. Ce nombre d'élèves fixé auquel la déclaration d'occupation complète est établie ne peut être inférieur au nombre d'élèves inscrits dans la subdivision structurelle concernée à la date habituelle de comptage de l'année scolaire précédente.]4
   § 2. Egalement après la déclaration que les inscriptions sont complètes, telle que visée à l'article 253/22, une autorité scolaire ou de centre est tenue de procéder à une inscription pour permettre le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire ou l'apprentissage qui, pendant l'année scolaire en cours ou les deux années scolaires précédentes, étaient inscrits dans l'école ou dans le centre et qui étaient inscrits dans l'enseignement secondaire spécial pendant cette période.
   § 3. Dans aucune subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein appartenant à un degré ou à une forme d'enseignement pour lesquels un paquet minimum a été attribué à l'école, l'inscription d'un élève ne peut être refusé sur la base d'une déclaration que les inscriptions sont complètes pendant l'année de l'attribution du paquet minimum.]1

  
Afdeling 4. [1 Weigeren van inschrijving]1
Section 4. [1 Refus d'inscription]1
Art. 253/25. [1 § 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de bij decreet of besluit bepaalde toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden weigeren.
   [2 Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar of in het lopende schooljaar vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende bij de effectieve start van de lesbijwoning aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voldoet.
   Indien een beslissing van de toelatingsklassenraad vereist is, vindt de inschrijving plaats onder ontbindende voorwaarde en wordt de inschrijving ontbonden indien de toelatingsklassenraad beslist dat de onderwijszoekende niet aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden in kwestie voldoet. De inschrijving wordt ontbonden op het moment dat de leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na kennisgeving van de beslissing. De inschrijving wordt evenwel niet ontbonden wanneer het schoolbestuur geen gebruik wenst te maken van deze weigeringsgrond.]2

   § 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.
   § 3. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school doorloopt op basis van artikel 253/4.
   § 4. Een schoolbestuur van een school voor gewoon secundair onderwijs waarvan de draagkracht onder druk staat, kan slechts na overleg en goedkeuring binnen het LOP de inschrijving in de loop van het schooljaar weigeren van een leerling die elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Deze weigering moet gebaseerd zijn op en conform zijn aan vooraf door het LOP bepaalde criteria.
   Voor het bepalen van deze criteria wordt ten minste rekening gehouden met de volgende elementen:
   1° het aantal leerlingen met een begeleidingsdossier in het kader van problematische afwezigheden;
   2° het aantal eerder in de loop van het schooljaar ingeschreven leerlingen die in hetzelfde schooljaar elders werden uitgesloten.]1

  
Art. 253/25. [1 § 1er. Une autorité scolaire peut refuser l'inscription d'un demandeur d'enseignement qui ne remplit pas les conditions d'admission, de passage ou d'entrée, arrêtées par décret ou par arrêté.
   [2 Une inscription dans le courant de l'année scolaire précédente ou dans l'année scolaire en cours a lieu à la condition suspensive que le demandeur d'enseignement remplisse les conditions respectives d'admission, de passage ou d'entrée au début effectif de la fréquentation des cours.
   Si une décision du conseil de classe d'admission est requise, l'inscription a lieu sous condition résolutoire et l'inscription est annulée si le conseil de classe d'admission décide que le demandeur d'enseignement ne remplit pas les conditions d'admission, de passage ou entrée dans l'établissement d'application. L'inscription est annulée au moment où l'élève est inscrit dans une autre école et au plus tard un mois, hors période de vacances, après la notification de la décision. L'inscription n'est toutefois pas annulée si l'autorité scolaire ne souhaite pas faire usage de ce motif de refus.]2

   § 2. Une autorité scolaire refuse l'inscription d'un élève qui change d'école dans le courant de la même année scolaire, si cette inscription a pour but ou pour conséquence, que l'élève en question fréquentera alternativement différentes écoles pendant cette année scolaire.".
   § 3. Une autorité scolaire peut refuser l'inscription dans une école où l'élève concerné a été définitivement exclu l'année scolaire en cours, l'année scolaire précédente ou l'année scolaire précédant celle-ci, suite à une exclusion définitive à titre de mesure disciplinaire. Un tel refus d'inscription est également possible dans une école où l'inscription est valide de l'une école à l'autre sur la base de l'article 253/4.
   § 4. Une autorité scolaire d'une école d'enseignement secondaire ordinaire dont les capacités se trouvent sous pression ne peut refuser l'inscription dans le courant de l'année scolaire d'un élève qui a été désinscrit ailleurs à cause d'une exclusion définitive à titre de mesure disciplinaire, qu'après concertation et approbation au sein de la LOP. Ce refus doit reposer sur des critères préalablement fixés par la LOP et y être conforme.
   Pour la détermination de ces critères, il est au moins tenu compte des éléments suivants :
   1° le nombre d'élèves possédant un dossier d'accompagnement pour cause d'absences problématiques ;
   2° le nombre d'élèves inscrits plus tôt dans le courant de l'année scolaire et qui ont été exclus ailleurs dans cette même année scolaire.]1

  
Art. 253/26. [1 § 1. [2 [3 Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd, of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee]3 aan de ouders van de leerling en aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap bezorgen die melding aan het LOP. Die melding bevat het rijksregisternummer en de identificatiegegevens van de leerlingen en de feitelijke en juridische grond van de weigering.
   De Vlaamse Regering kan de regels bepalen over de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking. De weigeringsdocumenten worden ook, op vraag van de ouders, op papier ter beschikking gesteld.]2

   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model waarmee het schoolbestuur de weigering meedeelt aan de betrokken personen en aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
   [2 [3 Het model, vermeld in het eerste lid, bevat naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:]3:
   1° de feitelijke en de juridische grond van de beslissing tot weigering;
   2° de informatie over de mogelijkheden voor bemiddeling, eerstelijnsklachten en het indienen van een klacht bij de CLR.]2

   Indien de weigering gebeurde op basis van bereikte capaciteit of na volzetverklaring als vermeld in artikel 253/10, 253/13 en 253/22, [3 , het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het gemandateerde LOP]3 mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen opgenomen in het inschrijvingsregister de betrokken leerling staat.
   § 3. De betrokken personen krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.]1

  
Art. 253/26. [1 § 1er. [2 [3 Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier ]3, aux parents de l'élève, par écrit ou par voie numérique, et aux services compétents de la Communauté flamande via les applications administratives pour l'échange de données sur les élèves entre les écoles et le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. Les services compétents de la Communauté flamande transmettent cette notification à la LOP. Cette notification comprend le numéro de registre national et les données d'identification des élèves ainsi que les motifs de fait et de droit du refus.
   Le Gouvernement flamand peut définir les règles relatives aux durées de conservation et aux opérations et procédures traitement, dont les mesures visant à garantir un traitement équitable, sûr et transparent. A la demande des parents, les documents de refus sont également mis à disposition en version papier.]2

   § 2. Le Gouvernement flamand détermine le modèle avec lequel `autorité scolaire communique le refus aux personnes concernées et aux services compétents de la Communauté flamande.
   [2 [3 Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants]3:
   1° les motifs de fait et de droit de la décision de refus ;
   2° les informations relatives aux possibilités de médiation, de plaintes de première ligne et d'introduction d'une plainte auprès de la CLR.]2

   Si le refus est basé sur l'atteinte de la capacité ou après la déclaration que les inscriptions sont complètes, telle que visée aux article s 253/10, 253/13 et 253/22, l'autorité scolaire [3 , l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée]3 communique la place qu'occupe l'élève concerné parmi les élèves refusés repris dans le registre d'inscriptions.
   § 3. A la demande des personnes concernées, celles-ci obtiennent des éclaircissements portant sur la décision de l'autorité scolaire.]1

  
Afdeling 5 [1 Bemiddelings- en klachtenprocedure]1
Section 5. [1 Procédure de médiation et de plaintes]1
Art. 253/27. [1 § 1. Betrokken personen en alle belanghebbenden kunnen vragen om bemiddeling door het LOP, zoals bepaald in artikel 253/28 en artikel 253/29, of een klacht indienen bij de CLR, zoals bepaald in artikel 253/30, wanneer ze niet akkoord zijn met:
   1° een weigering op basis van bereikte capaciteit of volzetverklaring;
   2° een weigering van inschrijving, op basis van de weigeringsgronden, vermeld in artikel 253/25;
   3° een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5;
   4° een ontbinding van inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften als vermeld in artikel 253/6;
   5° een weigering op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden als vermeld in artikel 253/10.
   In geval van weigeringen die niet behoren tot weigeringen bepaald in punt 2°, 3° en 4°, door een school die eerder, conform artikel 253/7, besliste geen leerlingen te zullen weigeren, kunnen betrokken personen van geweigerde leerlingen en eventueel andere belanghebbenden gezamenlijk een klacht indienen.
   § 2. Voor de toepassing van artikel 253/28 tot en met artikel 253/31 bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedure. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.]1

  
Art. 253/27. [1 § 1er. Les personnes concernées et toutes les parties intéressées peuvent demander une médiation par la LOP, conformément aux article s 253/28 et 253/29, ou déposer une plainte auprès de la CLR, conformément à l'article 253/30, si elles sont en désaccord avec :
   1° un refus sur la base de l'atteinte de la capacité ou d'une déclaration que les inscriptions sont complètes ;
   2° un refus d'inscription, sur la base des motifs de refus, visés à l'article 253/25 ;
   3° une désinscription sur la base d'une inscription dans une autre école, telle que visée à l'article 253/5 ;
   4° une annulation de l'inscription d'un élève qui a des besoins d'enseignement spécifiques, tels que visés à l'article 253/6 ;
   5° un refus sur la base de la capacité, pour des circonstances exceptionnelles, telle que visée à l'article 253/10.
   En cas de refus autres que ceux visés aux points 2°, 3° et 4°, par une école qui a préalablement décidé, conformément à l'article 253/7, de ne pas refuser des élèves, les personnes concernées d'élèves refusés et éventuellement d'autres intéressés peuvent déposer une plainte commune.
   § 2. Pour l'application des article s 253/28 à 253/31 inclus, le Gouvernement flamand précise la procédure. Il garantit en ce l'obligation d'audition.]1

  
Art. 253/28. [1 § 1. In geval van een weigering op basis van artikel 253/25, § 4, start het LOP een bemiddeling om een oplossing voor de geweigerde leerling te zoeken. Het LOP organiseert daartoe een bemiddelingscel, waarvan het de samenstelling en de werkingsprincipes bepaalt. [2 In de volgende gevallen start het LOP een bemiddeling als de betrokken personen er uitdrukkelijk om verzoeken:
   1° bij een weigering als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 1° of 5° ;
   2° bij een weigering op basis van artikel 253/25, § 1, § 2 en § 3;
   3° bij een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4° ;
   4° bij een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5 en als vermeld in artikel 253/27 § 1, eerste lid, 3°.]2

   § 2. [2 [3 Ї 2. Het LOP bemiddelt binnen tien kalenderdagen na het verzoek van de betrokken personen of na de afgifte van het weigeringsdocument, vermeld in artikel 253/26, Ї 1, tussen de leerling en de betrokken personen en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. In geval van bemiddeling bij een ontbinding als vermeld in artikel 253/27, Ї 1, 4А, betrekt het LOP ook de school die de weigering uitschreef. De bemiddeling schort de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in artikel 253/30, Ї 1, tweede lid, op.]3]2
   § 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken [2 over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing of de ontbinding van de inschrijving of de uitschrijving, conform artikel 253/30, § 2]2. De CLR formuleert dit oordeel binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen die ingaat de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2.
   [2 Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of elektronisch verstuurd naar de betrokkenen.]2
   § 4. [2 ...]2
   § 5. [2 ...]2]1

  
Art. 253/28. [1 § 1er. En cas d'un refus sur la base de l'article 253/25, § 4, la LOP entame une médiation pour trouver une solution pour l'élève refusé. La LOP organise à cet effet une cellule de médiation, dont elle fixe la composition et les principes de fonctionnement. [2 Dans les cas suivants, la LOP entame une médiation à la demande expresse des personnes concernées :
   1° en cas de refus, tel que visé à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 5° ;
   2° en cas de refus en vertu de l'article 253/25, § 1er, §§ 2 et 3 ;
   3° en cas d'annulation de l'inscription, telle que visée à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 4° ;
   4° en cas de désinscription sur la base d'une inscription dans une autre école, telle que visée à l'article 253/5 et à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 3°.]2
.
   § 2. [2 [3 Dans les dix jours calendrier suivant la demande des personnes concernées ou la remise du document de refus visé à l'article 253/26, § 1er, la LOP intervient en médiateur entre l'élève et les personnes concernées et les autorités scolaires des écoles situées à l'intérieur de sa zone d'action en vue d'une inscription définitive de l'élève dans une école. En cas de médiation lors d'une annulation telle que visée à l'article 253/27, § 1er, 4°, la LOP y associe également l'école qui a émis le refus. La médiation suspend le délai de trente jours calendrier visé à l'article 253/30, § 1er, alinéa 2.]3]2
   § 3. Si la médiation de la LOP endéans le délai visé au paragraphe 2 n'aboutit pas à une inscription définitive, la CLR est saisie pour se prononcer [2 sur le bien-fondé de la décision de refus ou de l'annulation de l'inscription ou de la désinscription, conformément à l'article 253/30, § 2]2. La CLR se prononce dans un délai de vingt et un jours calendrier, commençant le lendemain de l'expiration du délai visé au paragraphe 2.
   [2 L'avis de la CLR est envoyé aux intéressés, par écrit ou par voie électronique, au plus tard dans le délai de sept jours calendrier.]2
   § 4. [2 ...]2
   § 5. [2 ...]2]1

  
Art. 253/29. [1 Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 253/28, duidt de Vlaamse Regering [2 ...]2 een LOP-deskundige [2 ...]2 aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP [2 opneemt]2.]1
  
Art. 253/29. [1 Pour l'application de la médiation, visée à l'article 253/28, le Gouvernement flamand désigne [2 ...]2 un expert d'une LOP [2 ...]2, qui [2 se charge]2 des tâches de la LOP pour les communes situées en dehors de la zone d'action d'une LOP.]1
  
Art. 253/30. [1 § 1. [2 Betrokken personen en andere belanghebbenden kunnen in de volgende gevallen al dan niet na een bemiddelingsprocedure door het LOP of na behandeling door de ombudsdienst inschrijvingen, een schriftelijke klacht indienen bij de CLR:
   1° bij een weigering als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 5° ;
   2° bij een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4° ;
   3° bij een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5 en als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 3° ;
   4° klachten die na dertig kalenderdagen nadat de betwiste feiten zijn vast gesteld, ingediend worden, zijn onontvankelijk.]2

   § 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de [2 klacht]2.
   [2 Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of elektronisch verstuurd naar de betrokkenen.]2
  [2 In geval van een klacht als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4°, blijft de leerling ingeschreven in de school tot het oordeel van de CLR aan de betrokkenen kenbaar is gemaakt en wordt de termijn van een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, vermeld in artikel 253/6, § 2, derde lid, ook tot dat moment opgeschort.]2
   § 3. Indien de CLR [2 een weigering als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 5°, een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4°, of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5 en als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 3°, ]2 gegrond acht, schrijven de betrokken personen de leerling in een andere school in.
   Indien het gaat om [2 een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4°,]2, schrijven de betrokken personen de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 2, tweede lid. Op vraag van de betrokken personen worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB die deel uitmaken van het LOP.
   § 4. Indien de CLR [2 een weigering als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 5°, een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4°, of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5 en als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 3°,]2 niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.]1

  
Art. 253/30. [1 § 1er. [2 Les personnes concernées et d'autres parties prenantes peuvent introduire une plainte écrite auprès de la CLR, que ce soit ou non à l'issue d'une procédure de médiation par la LOP ou du traitement par le service de médiation inscriptions, dans les cas suivants :
   1° en cas de refus, tel que visé à l'article 27, § 1er, alinéa 1er, 2° ou 5° ;
   2° en cas d'annulation de l'inscription, telle que visée à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 4° ;
   3° en cas de désinscription sur la base d'une inscription dans une autre école, telle que visée à l'article 253/5 et à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 3°. " ;
   4° Les plaintes introduites plus de trente jours calendrier après que les faits contestés ont été établis sont irrecevables.]2

   § 2. La CLR statue sur le bien-fondé [2 de la plainte]2 dans un délai de vingt et un jours calendrier commençant le lendemain de la signification ou du cachet de la poste de la plainte écrite.
   [2 L'avis de la CLR est envoyé aux intéressés, par écrit ou par voie électronique, au plus tard dans le délai de sept jours calendrier.]2
  [2 Dans le cas d'une plainte telle que visée à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 4°, l'élève demeure inscrit dans l'école jusqu'à ce que l'avis de la CLR ait été notifié aux intéressés et le délai d'un mois, périodes de vacances non comprises, visé à l'article 253/6, § 2, alinéa 3, est également suspendu jusqu'à ce moment.]2
   § 3. Si la CLR estime [2 qu'un refus, tel que visé à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 1°, 2° ou 5°, une annulation de l'inscription, telle que visée à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 4°, ou une désinscription sur la base d'une inscription dans une autre école, telle que visée à l'article 253/5 et à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 3°, sont fondés]2, les personnes concernées inscrivent l'élève dans une autre école.
   S'il s'agit [2 une annulation de l'inscription, telle que visée à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 4°,]2, les personnes concernées inscrivent l'élève dans une autre école, au plus tard dans un délai de quinze jours calendrier de la notification écrite du jugement de la CLR, visée au paragraphe 2, alinéa deux. A la demande des personnes concernées, celles-ci sont assistées par la LOP lors de la recherche d'une autre école, notamment par les CLB faisant partie de la LOP.
   § 4. Si la CLR estime [2 qu'un refus, tel que visé à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 1°, 2° ou 5°, une annulation de l'inscription, telle que visée à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 4°, ou une désinscription sur la base d'une inscription dans une autre école, telle que visée à l'article 253/5 et à l'article 253/27, § 1er, alinéa 1er, 3°, ne sont pas ou insuffisamment motivés]2, l'élève peut faire valoir son droit à l'inscription dans l'école.]1

  
Art. 253/31. [1 § 1. De CLR kan in een situatie [2 als vermeld in artikel 253/30, § 4]2, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.
   De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.
   § 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.
   Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.
   § 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2:
   1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;
   2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.
   § 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.]1

  
Art. 253/31. [1 § 1er. Dans une situation, telle que visée à [2 l'article 253/30, § 4]2, la CLR peut recommander au Gouvernement flamand de recouvrer ou de retenir un montant sur les moyens de fonctionnement pour l'année scolaire à laquelle se rapportait l'inscription.
   La CLR informe le Gouvernement flamand de cet avis sans délai.
   § 2. Dans un délai de quatorze jours calendrier, prenant cours le lendemain de la réception de l'avis, le Gouvernement flamand décide de l'imposition d'une sanction financière, qui peut prendre la forme d'un recouvrement ou d'une retenue sur les moyens de fonctionnement de l'école.
   Préalablement à l'imposition d'une sanction, le Gouvernement flamand vérifie si l'élève intéressé s'est encore inscrit dans l'école concernée.
   § 3. Le recouvrement ou la retenue, tels que visés aux paragraphes 1er et 2 :
   1° ne peuvent excéder dix pour cent du budget de fonctionnement de l'école ;
   2° ne peuvent avoir comme effet que la part dans les moyens de fonctionnement affectés au personnel diminuerait en chiffres absolus par rapport à la hauteur de ceux-ci en l'absence de la mesure.
   § 4. Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er à 3, la CLR peut saisir l'organisme ayant le mandat de mécanisme indépendant en application de l'article 33, § 2, de la convention des NU du 13 décembre 2006 relative aux Droits des Personnes handicapées et en application de l'article 40 du décret du 10 juillet 2008 portant le cadre de la politique flamande de l'égalité des chances et de traitement, du dossier.]1

  
HOOFDSTUK /1/2. [1 Inschrijvingsrecht voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad]1
CHAPITRE 1/2. [1 Droit d'inscription pour les écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale]1
Afdeling 1. [1 Inwerkingtreding]1
Section 1ère. [1 Entrée en vigueur]1
Art. 253/32. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing voor de inschrijvingen als regelmatige leerling in het gewoon secundair onderwijs in scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voor lesbijwoning vanaf het schooljaar 2023-2024 of later.
   [2 Voor de toepassing van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk, worden de vakantieperioden die de Vlaamse Regering bepaalt krachtens artikel 12 niet meegerekend, met uitzondering van de termijn, vermeld in artikel 253/57, § 1.]2]1

  
Art. 253/32. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux inscriptions en tant qu'élève régulier dans l'enseignement secondaire ordinaire dans les écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale pour la fréquentation des cours à partir de l'année scolaire 2023-2024 ou plus tard.
   [2 Pour l'application des délais visés au présent chapitre, les périodes de vacances fixées par le Gouvernement flamand, conformément à l'article 12, ne sont pas prises en compte, à l'exception de la période visée à l'article 253/57, § 1.]2]1

  
Afdeling 2. [1 Recht op inschrijving]1
Section 2. [1 Droit d'inscription]1
Art. 253/33. [1 De gezamenlijke doelstellingen van het inschrijvingsrecht als instrument van een beleid op gelijke onderwijskansen zijn:
   1° het waarborgen van de vrije schoolkeuze van de betrokken personen en leerlingen;
   2° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;
   3° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;
  [2 3° /1 het bevorderen van sociale cohesie;]2
   4° de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.]1

  
Art. 253/33. [1 Les objectifs communs du droit d'inscription en tant qu'instrument d'une politique d'égalité des chances en matière d'enseignement sont :
   1° la garantie du libre choix de l'école des personnes et des élèves concernés ;
   2° la réalisation d'opportunités optimales d'apprentissage et de développement pour tous les élèves ;
   3° la prévention de l'exclusion, de la ségrégation et de la discrimination ;
  [2 3° /1 la promotion de la cohésion sociale ;]2
   4° la protection de l'égalité des chances en matière d'enseignement et d'inscription pour les néerlandophones et la préservation du caractère néerlandophone de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.]1

  
Art. 253/34. [1 § 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of een vestigingsplaats ervan, gekozen door de betrokken personen. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van een vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aldaar ingerichte onderwijsaanbod.
   De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de betrokken personen van het pedagogisch project en school- of centrumreglement.
   § 2. Een school registreert elke inschrijving binnen de zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van:
   1° [2 de administratieve groep]2 waarvoor de leerling is ingeschreven;
   2° de datum en het tijdstip van de inschrijving;
   3° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning.]1

  [2 4° de identificatiegegevens, de nationaliteit en het identificatienummer van de leerling, als die gegevens beschikbaar zijn, om de leerlingen uniek te identificeren. De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering zijn verwerkingsverantwoordelijke voor de voormelde gegevens. De voormelde gegevens worden maximaal dertig jaar bewaard met het oog op het garanderen van een vlot schooltraject, zeker in geval van een verlengd verblijf van de leerling in het onderwijs.]2
  [3 De registratie gebeurt conform artikel 123/7/1.]3
  
Art. 253/34. [1 § 1er. Chaque élève jouit d'un droit d'inscription dans l'école ou dans une implantation de celle-ci, choisie par les personnes concernées. Si l'élève a douze ans ou plus, le choix de l'école se fait en concertation avec l'élève. Dans le cas d'un choix pour une implantation, il est tenu compte de l'offre d'enseignement y organisée.
   L'inscription est prise après que les parents ont signé le projet pédagogique et le règlement d'école ou de centre pour accord.
   § 2. Une école enregistre chaque inscription dans les sept jours calendaires, et au plus tard le premier jour de la fréquentation effective des cours, dans les applications administratives pour l'échange de données relatives aux élèves entre les écoles et le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, avec mention :
   1° de [2 le groupe administratif]2 pour laquelle l'élève a été inscrit ;
   2° de la date et de l'heure de l'inscription ;
   3° de la date du début prévu de la fréquentation des cours.]1

  [2 4° des données d'identification, de la nationalité et du numéro d'identification de l'élève, si ces données sont disponibles, afin d'identifier les élèves de manière unique. Les services compétents du Gouvernement flamand sont les responsables du traitement des données précitées. Les données précitées sont conservées pendant trente ans au maximum en vue de garantir un parcours scolaire aisé, surtout en cas de séjour prolongé de l'élève dans l'enseignement.]2
  [3 L'enregistrement est effectué conformément à l'article 123/7/1.]3
  
Art. 253/35. [1 § 1. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen, rekening houdend met het aldaar ingerichte onderwijsaanbod, en de structuuronderdelen heen, tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit, vermeld in artikelen 253/42 en 253/53.
   Indien de voortgang van de schoolloopbaan, met inachtname van de toelatingsvoorwaarden, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan de keuze van de betrokken personen niet worden gestuit.
   Het verworven recht van inschrijving blijft als van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.
   § 2. Een schoolbestuur met scholen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.
   § 3. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, de desbetreffende gebiedsomschrijving als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.]1

  
Art. 253/35. [1 § 1er. Sauf dans les cas de désinscription définis par décret ou arrêté, une inscription d'un élève dans une école est valable pour la durée de toute la carrière scolaire dans cette école. Le maintien de l'inscription s'applique aux différentes implantations, dans le respect de l'offre d'enseignement qui y est organisée, ainsi qu'aux différentes subdivisions structurelles, sauf en cas de dépassement de la capacité, tel que visé aux article s 253/42 et 253/53.
   Si la progression du parcours scolaire, dans le respect des conditions d'admission, rend nécessaire le maintien ou le changement d'implantation ou de subdivision structurelle, le choix des personnes concernées ne peut pas être enfreint.
   Le droit d'inscription acquis est maintenu si une partie de l'école est scindée et intégrée dans une nouvelle école de la même autorité scolaire.
   § 2. Une autorité scolaire ayant des écoles entièrement ou partiellement situées à l'intérieur de la même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut opter, pour l'enseignement secondaire ordinaire et pour l'enseignement secondaire spécial séparément que lors d'un passage d'un élève de l'une école secondaire à l'autre école secondaire, les inscriptions restent valables. Une autorité scolaire qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école.
   § 3. Une autorité scolaire ou une autorité de centre ayant des écoles ou des centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel entièrement ou partiellement situés à l'intérieur de la même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou séparés soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut choisir de considérer la zone concernée comme une seule école ou comme un seul centre pour l'application des dispositions du présent chapitre. Une autorité scolaire ou autorité de centre qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école ou de centre.]1

  
Art. 253/36. [1 Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgende schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor gewoon onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep en hetzelfde schooljaar in een andere school van rechtswege ongedaan.
   Elke inschrijving vóór 1 februari voor een administratieve groep, ingericht als [2 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs]2 dat op 1 februari start, in een bepaalde school, maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in een andere school voor gewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.
   Elke inschrijving in de loop van het schooljaar in kwestie voor een bepaalde administratieve groep, maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde of een andere administratieve groep voor datzelfde schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve, tenzij gewettigde afwezigheid, lesbijwoning.]1

  
Art. 253/36. [1 Toute inscription avant le 1 septembre pour l'année scolaire suivante pour un groupe administratif déterminé dans une école spécifique d'enseignement ordinaire annule d'office l'inscription précédant celle-ci pour ce même groupe administratif et dans la même année scolaire dans une autre école.
   Toute inscription avant le 1 février pour un groupe administratif, organisé comme [2 7e année d'études de l'enseignement secondaire technique ou artistique]2 qui commence le 1 février, dans une école spécifique annule d'office l'inscription précédant celle-ci pour ce même du groupe administratif dans une autre école d'enseignement ordinaire.
   Toute inscription au cours de l'année scolaire en question pour un certain groupe administratif annule l'inscription précédant celle-ci pour le même ou un autre groupe administratif pour la même année scolaire dans une autre école d'enseignement ordinaire, à partir du début de la participation aux cours effective, sauf en cas d'absence justifiée.]1

  
Art. 253/37. [1 § 1. Het recht op inschrijving geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging.
   § 2.[4 Leerlingen die beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag, worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Het IAC-verslag of OV4-verslag maakt deel uit van de informatie die de betrokken personen bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het IAC-verslag of OV4-verslag door de betroken personen gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de betrokken personen, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, in geval van een OV4-verslag met inzet van intensieve ondersteuning als vermeld in artikel 294, of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook als de school pas na de inschrijving kennisneemt van een IAC-verslag of OV4-verslag, uiterlijk gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.]4.
   Op basis van het overleg met de betrokken personen, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen zestig kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn.[3 Als de voormelde termijn van zestig kalenderdagen is verstreken zonder dat de school een beslissing heeft genomen, is de leerling definitief ingeschreven. ]3. Als de school pas kennisneemt van een [4 IAC-verslag of OV4-verslag]4, vermeld in het eerste lid, nadat de leerling is ingeschreven, start die termijn van zestig kalenderdagen de dag van die kennisneming.]2
  [4 Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het IAC-verslag of OV4-verslag op of maakt het een GC-verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.]4
  [3 In afwijking van het derde lid kan een school kiezen om te ontbinden op een van de volgende momenten:
   1А op het einde van het huidige schooljaar;
   2А op het einde van het daaropvolgende schooljaar.]3

   § 3.[4 Als tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag of OV4-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag of OV4-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de betrokken personen en het CLB.
   Als een IAC-verslag [5 wordt opgemaakt of gewijzigd en nadat het is afgeleverd door het CLB,]5 beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op verzoek van de betrokken personen studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.
   Als een OV4-verslag [5 wordt opgemaakt of gewijzigd en nadat het is afgeleverd door het CLB,]5 beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken binnen het gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.]4
]3
   § 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.
   § 5.[4 Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in het gewoon onderwijs.]4]1

  
Art. 253/37. [1 § 1er. Le droit à l'inscription s'applique intégralement aux élèves qui peuvent suivre un curriculum commun moyennant application de mesures appropriées telles que des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires proportionnelles. Les élèves en faveur de qui ces aménagements sont appliqués, restent éligibles à la validation d'études ordinaire.
   § 2.[4 Les élèves qui disposent d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 sont inscrits par une école d'enseignement ordinaire sous condition résolutoire. Le rapport IAC ou le rapport OV4 fait partie des informations que les personnes concernées transmettent à l'école lors d'une demande d'inscription. La mise à disposition du rapport IAC ou du rapport OV4 par les personnes concernées va de pair avec l'engagement de l'école d'organiser, dans un délai raisonnable après l'inscription, une concertation avec les personnes concernées, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves au sujet des aménagements nécessaires pour inclure l'élève dans un programme d'études commun, avec mise en oeuvre d'un soutien intensif tel que visé à l'article 294 dans le cas d'un rapport OV4, ou pour lui permettre de progresser dans son parcours scolaire sur la base d'un programme adapté individuellement. Même si l'école ne prend connaissance d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4, daté au plus tard du jour où l'élève entre dans l'école concernée, qu'après l'inscription, l'inscription de l'élève est convertie en une inscription sous condition résolutoire.]4.
   Sur la base de la concertation avec les personnes concernées, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves, l'école décide dans un délai raisonnable après l'inscription et au plus tard 60 jours calendaires après le début de la fréquentation scolaire effective si les aménagements en réponse aux besoins de l'élève sont proportionnels ou disproportionnels. [2 Après [3 Si le délai précité de soixante jours calendrier a expiré sans que l'école n'ait pris de décision, l'élève est définitivement inscri]3. Lorsque l'école ne prend connaissance [4 d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 tels que visés]4 à l'alinéa premier, qu'après l'inscription de l'élève, ce délai de soixante jours calendrier commence le jour de cette prise de connaissance.]2
  [4 Si, à l'issue de la concertation, l'école considère que les aménagements nécessaires pour inclure l'élève dans un programme d'études commun sont proportionnés, le centre d'encadrement des élèves annule le rapport IAC ou le rapport OV4 ou rédige un rapport GC. Si, à l'issue de la concertation, l'école considère que les aménagements nécessaires pour inclure l'élève dans un programme d'études commun assorti du soutien intensif visé à l'article 294 ou lui permettre de progresser dans son parcours scolaire sur la base d'un programme adapté individuellement sont disproportionnés, l'inscription est résiliée au moment où cet élève est inscrit dans une autre école et au plus tard un mois, périodes de vacances non comprises, après la notification de la confirmation de la disproportionnalité.]4
  [3 Par dérogation à l'alinéa 3, une école peut choisir de dissoudre l'inscription de l'élève à l'un des moments suivants :
   1° à la fin de l'année scolaire en cours ;
   2° à la fin de l'année scolaire suivante.]3

   § 3.[4 § 3. Si, durant la scolarité, les besoins d'aménagements pour un élève évoluent et que les besoins éducatifs constatés sont de nature telle qu'un rapport IAC ou un rapport OV4 ou bien une modification d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 s'impose pour l'élève, l'école organise une concertation avec le conseil de classe, les personnes concernées et le CLB.
   Si un rapport IAC [5 est rédigé ou modifié et après sa transmission par le CLB,]5 l'école décide, sur la base de la concertation visée à l'alinéa 1er, de permettre à l'élève, à la demande des personnes concernées, de progresser dans son parcours scolaire sur la base d'un programme adapté individuellement ou de résilier l'inscription de l'élève pour une année scolaire suivante.
   Si un rapport OV4 [5 est rédigé ou modifié et après sa transmission par le CLB,]5 l'école décide, sur la base de la concertation visée à l'alinéa 1er, de permettre à l'élève, à la demande des personnes concernées, de progresser dans son parcours scolaire au sein du programme d'études commun assorti du soutien intensif visé à l'article 294 ou de résilier l'inscription de l'élève pour une année scolaire suivante.]4

   § 4. Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, la progression des études sur la base d'un programme adapté individuellement n'est pas possible dans l'apprentissage.
   § 5.[4 Chaque autorité scolaire communique activement au sujet du droit d'inscription d'élèves en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 dans l'enseignement ordinaire.]4]1

  
Afdeling 3. [1 Organisatie van de inschrijvingen]1
Section 3. [1 Organisation des inscriptions]1
Onderafdeling 1. [1 Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad: gemeenschappelijke bepalingen]1
Sous-section 1re. [1 Inscriptions pour la première année d'études du premier degré : dispositions communes]1
Art. 253/38. [1 Alle schoolbesturen die een school of vestigingsplaats hebben binnen het werkingsgebied van het LOP Brussel-Hoofdstad, zijn voor hun scholen en vestigingsplaatsen voor gewoon onderwijs binnen dat respectievelijke werkingsgebied verplicht tot een gezamenlijke aanmeldingsprocedure.
   In gemeenten waar een LOP aanwezig is, wordt de aanmeldingsprocedure goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.]1

  
Art. 253/38. [1 Toutes les autorités scolaires qui ont une école ou une implantation dans la zone d'action de la LOP Bruxelles-Capitale sont obligées de suivre une procédure de préinscription commune pour leurs écoles et implantations d'enseignement ordinaire dans cette zone d'action respective.
   Dans les communes où une LOP est présente, la procédure de préinscription est approuvée par une majorité des partenaires d'enseignement de la LOP visée à l'article VIII.4/1, § 1, alinéa 1, 1° à 3° inclus, de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016.]1

  
Art. 253/38/1. [1 In afwijking van artikel 253/38, eerste lid, dient een schoolbestuur dat in de onmogelijkheid verkeert of zal verkeren om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een nieuw opgerichte school, vestigingsplaats of structuuronderdeel 1A of 1B, en dat in de onmogelijkheid verkeerde om van de gezamenlijke aanmeldingsprocedure gebruik te maken, een aanvraag in bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit in het nieuw opgerichte capaciteitsniveau of de nieuw opgerichte capaciteitsniveaus, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid in het eerste schooljaar van ontstaan.
   De CLR beslist, binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid, toegestaan worden.
   Als het schoolbestuur al leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving als de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid, toe te staan.
   Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, vanwege deze uitzonderlijke omstandigheid toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van een uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 253/40, § 5.]1

  
Art. 253/38/1. [1 Par dérogation à l'article 253/38, alinéa 1er, l'autorité scolaire qui n'est ou ne sera pas en mesure de réaliser des inscriptions supplémentaires dans une école, implantation ou subdivision structurelle 1A ou 1B nouvellement créées, et qui n'était pas en mesure d'utiliser la procédure de préinscription conjointe, introduit une demande auprès de la CLR de pouvoir encore refuser des élèves sur la base de la capacité dans le(s) niveau(x) de capacité nouvellement créé(s), en raison de cette circonstance exceptionnelle survenue pendant la première année scolaire de création.
   Dans les quatorze jours civils suivant la réception de la demande visée à l'alinéa 1er, la CLR décide si et dans quelles conditions des refus fondés sur la capacité, en raison de cette circonstance exceptionnelle, sont autorisés.
   Si l'autorité scolaire a déjà refusé des élèves avant la demande à la CLR ou la décision de la CLR, ceux-ci acquerront encore pleinement le droit à l'inscription si la CLR décide de ne pas autoriser de refus fondés sur la capacité, en raison de cette circonstance exceptionnelle.
   Si la CLR autorise des refus fondés sur la capacité, en raison de cette circonstance exceptionnelle, l'autorité scolaire traitera, le cas échéant, également les questions concernant la reconnaissance d'une situation exceptionnelle d'un élève à inscrire, telle que visée à l'article 253/40, § 5.]1

  
Art. 253/39. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de startdatum voor de inschrijvingen.]1
  [2 In afwijking van het eerste lid starten de inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad voor het schooljaar 2023-2024 op 16 mei 2023.]2
  
Art. 253/39. [1 Le Gouvernement flamand arrête la date de début des inscriptions.]1
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1, les inscriptions pour la première année d'études du premier grade pour l'année scolaire 2023-2024 débutent le 16 mai 2023.]2
  
Art. 253/40. [1 § 1. Aanmelden is het digitaal kenbaar maken door de betrokken personen van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen voor de daartoe door het schoolbestuur beschikbaar gestelde plaatsen in het eerste leerjaar A of B. Als de betrokken personen zich voor meerdere scholen of vestigingsplaatsen aanmelden, wordt een volgorde van keuze aangegeven.
   Na afsluiten van de aanmeldingsperiode worden de aangemelde leerlingen geordend, volgens artikel 253/47. De leerlingen die gunstig geordend worden, zijnde binnen de door het schoolbestuur bepaalde capaciteit, verwerven een recht op inschrijving voor een beschikbaar gestelde plaats. Binnen gezamenlijke aanmeldingsprocedures wordt slechts één gunstige ordening weerhouden, zijnde de gunstige ordening in de school van hoogste keuze van de betreffende leerling. Leerlingen die niet gunstig geordend worden, worden in de volgorde zoals in het aanmeldingsregister, opgenomen als geweigerde leerling in het inschrijvingsregister.
   § 2. [2 De Vlaamse Regering bepaalt:
   1° de starten de einddatum van de aanmeldingen voor inschrijvingen voor een bepaald schooljaar;
   2° de datum waarop de resultaten van de aanmeldingsprocedure uiterlijk worden bekendgemaakt;
   3° de inschrijvingsperiode voor de gunstig gerangschikte leerlingen.
   In afwijking van het eerste lid gelden de volgende periodes en data voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2023-2024:
   1° de aanmeldingsperiode voor de inschrijvingen loopt van 27 maart 2023 tot en met 21 april 2023;
   2° de uiterste datum waarop de resultaten van de aanmeldingen van de leerlingen bekend worden gemaakt, is 15 mei 2023;
   3° de gunstig gerangschikte leerlingen kunnen zich inschrijven van 16 mei 2023 tot en met 12 juni 2023.]2

   Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren voor het volgende schooljaar.
   § 3. [2 Als een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen, of het LOP de inschrijvingen laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure, richten ze een ombudsdienst inschrijvingen op die instaat voor de eerstelijnsbehandeling van:
   1° klachten en vaststellingen over technische fouten of zuiver materiële vergissingen voor of na de definitieve toewijzingen;
   2° vragen over een erkenning van de uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling.
   De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de ombudsdienst inschrijvingen en regelt de werking ervan. De samenstelling van de ombudsdienst inschrijvingen bestaat minstens uit een vertegenwoordiger van een erkende oudervereniging en een vertegenwoordiging van alle schoolbesturen die de aanmeldingsprocedure organiseren waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen instaat voor de eerstelijnsbehandeling, vermeld in het eerste lid.]2
]1

  [2 § 4. In paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt verstaan onder technische fout of zuiver materiële vergissing voor of na de definitieve toewijzingen: een geval waarbij een technische fout of een zuiver materiële vergissing tijdens het verloop van de aanmeldingsprocedure afbreuk doet aan de ordening of toewijzing van de leerling in kwestie. De aanmeldingsprocedure loopt af bij de start van de vrije inschrijvingen. Klachten en vaststellingen die na de termijn van vijftien kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.
   Als de ombudsdienst inschrijvingen na een klacht over of een vaststelling van een technische fout of zuiver materiële vergissing voor de definitieve toewijzingen een gunstig advies geeft over de [3 correctie van de technische fout of de zuiver materiыle vergissing]3, kan de leerling door het LOP, het schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen met de [3 correctie van de technische fout of de zuiver materiыle vergissing]3 worden opgenomen in het aanmeldingsregister voor de definitieve toewijzing gebeurt.
   Als de ombudsdienst inschrijvingen na een klacht over een technische fout of zuiver materiële vergissing na een definitieve toewijzing een gunstig advies geeft over de correctie van de fout, kan de leerling door het betrokken schoolbestuur in overcapaciteit worden ingeschreven conform artikel 253/51.
   Als de ombudsdienst inschrijvingen een negatief advies geeft over een klacht over een technische fout of materiële vergissing voor of na de definitieve toewijzingen, hoeft de school niets te wijzigen aan de aanmelding of toewijzing van de leerling in kwestie.
   § 5. In paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt verstaan onder een uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling: een geval waarbij de betrokkene die zich aanmeldt voor een specifieke school, een uitzonderlijke situatie inroept die alleen van toepassing is op de leerling in kwestie in die school en waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onderwijs te garanderen voor die leerling.
   Als een ouder een vraag voor de erkenning van een uitzonderlijke situatie stelt aan de ombudsdienst inschrijvingen, legt de ombudsdienst de vraag voor aan het schoolbestuur in kwestie. Indien het schoolbestuur in kwestie een eventuele inschrijving in overcapaciteit haalbaar acht, legt ze die vraag voor aan de CLR. De CLR beslist binnen dertig kalenderdagen over de uitzonderlijke situatie waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onderwijs te garanderen voor die leerling.
   Alleen als de CLR de uitzonderlijke situatie bevestigt waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onderwijs te garanderen voor die leerling, kan de leerling in overcapaciteit worden ingeschreven conform artikel 253/51.
   § 6. Nadat de klacht over een technische fout of materiële vergissing is behandeld, kan een klacht ingediend worden bij de CLR, conform artikel 253/58. De behandeling van de uitzonderlijke situatie zoals bepaald in paragraaf 5 kan geen voorwerp uitmaken van een klacht bij de CLR.
   De behandeling van een klacht of vraag bij de ombudsdienst inschrijvingen schort de termijn op voor de indiening van een klacht bij de CLR, vermeld in artikel 253/58, en de termijn van tien kalenderdagen voor de bemiddeling in het LOP, vermeld in 253/59, § 2.
   § 7. Voor scholen die, conform artikel 253/11, § 7, en na goedkeuring van het LOP Brussel-Hoofdstad, aansluiten bij de aanmeldingsprocedure van het LOP Brussel-Hoofdstad, blijven de respectievelijke ordeningscriteria en voorrangsgroepen, vermeld in artikel 253/16, onverminderd gelden.
   § 8. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.]2

  
Art. 253/40. [1 § 1er. La préinscription est l'annonce numérique par les personnes concernées de leur intention d'inscription pour une année scolaire donnée dans une ou plusieurs écoles ou implantations pour les places mises à leur disposition à cette fin par l'autorité scolaire dans la première année d'études A ou B. Si les personnes concernées se préinscrivent pour plus d'une école ou implantation, un ordre de choix est indiqué.
   A la fin de la période de préinscription, les élèves préinscrits sont classés, conformément à l'article 253/47. Les élèves qui sont favorablement classés, c'est-à-dire dans les limites de la capacité déterminée par l'autorité scolaire, acquièrent un droit d'inscription pour une place mise à disposition. Dans le cas de procédures conjointes de préinscription, un seul classement favorable est maintenu, à savoir le classement favorable dans l'école du choix le plus préféré de l'élève concerné. Les élèves qui ne sont pas favorablement classés, sont repris dans le registre d'inscription, dans l'ordre du registre de préinscription, comme élèves refusés.
   § 2. [2 Le Gouvernement flamand fixe :
   1° les dates de début et de fin des préinscriptions pour une certaine année scolaire ;
   2° la date limite à laquelle les résultats de la procédure de préinscription sont publiés ;
   3° la période d'inscription pour les élèves favorablement classés.
   Par dérogation à l'alinéa 1, les périodes et dates pour les inscriptions pour l'année scolaire 2023-2024 sont les suivantes :
   1° la période de préinscription pour les inscriptions s'étend du 27 mars 2023 au 21 avril 2023 inclus ;
   2° la date limite de publication des résultats des préinscriptions des élèves est fixée au 15 mai 2023 ;
   3° les élèves classés favorablement peuvent s'inscrire du 16 mai 2023 au 12 juin 2023.]2

   Préalablement à et pendant la période de préinscription, aucune inscription ne peut être effectuée pour l'année scolaire suivante.
   § 3. [2 Lorsqu'une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement, ou la LOP font précéder les inscriptions par une procédure de préinscription, elles mettent en place un service de médiation " inscriptions " chargé du traitement de première ligne :
   1° de plaintes et constatations relatives à des erreurs techniques ou à des erreurs purement matérielles avant ou après les attributions définitives ;
   2° de questions relatives à une reconnaissance de la situation exceptionnelle d'un élève à inscrire.
   Le Gouvernement flamand fixe la composition du service de médiation " inscriptions " et en règle le fonctionnement. Le service de médiation " inscriptions " est composé d'au moins un représentant d'une association des parents reconnue et d'une représentation de toutes les autorités scolaires qui organisent la procédure de préinscription pour laquelle le service de médiation " inscriptions " est chargé du traitement de première ligne visé à l'alinéa 1.]2
]1

  [2 § 4. Au paragraphe 3, alinéa 1, 1°, on entend par erreur technique ou erreur purement matérielle avant ou après les attributions définitives : le cas où une erreur technique ou une erreur purement matérielle au cours de la procédure de préinscription porte atteinte au classement ou l'attribution de l'élève concerné. La procédure de préinscription se termine au début de la période des inscriptions libres. Des plaintes et des constatations introduites après l'expiration du délai de quinze jours calendrier après la constatation des faits contestés ne sont pas recevables.
   Si le service de médiation " inscriptions ", après une plainte ou une constatation d'une erreur technique ou d'une erreur purement matérielle pour les attributions définitives donne un avis favorable sur la [3 correction de l'erreur technique ou de l'erreur purement matérielle]3, l'élève peut être repris dans le registre de préinscriptions par le LOP, l'autorité scolaire ou plusieurs autorités scolaires en même temps que [3 la correction de l'erreur technique ou de l'erreur purement matérielle]3, avant que l'attribution définitive ait lieu.
   Si le service de médiation " inscriptions ", après une plainte sur une erreur technique ou une erreur purement matérielle après une attribution définitive, donne un avis favorable sur la correction de l'erreur, l'élève peut être inscrit en surcapacité par l'autorité scolaire concernée conformément à l'article 253/51.
   Si le service de médiation " inscriptions " émet un avis négatif suite à une plainte sur une erreur technique ou une erreur matérielle avant ou après les attributions définitives, l'école n'est pas tenue de modifier la préinscription ou l'attribution de l'élève en question.
   § 5. Au paragraphe 3, alinéa 1, 2°, on entend par une situation exceptionnelle d'un élève à inscrire : un cas dans lequel l'intéressé qui se préinscrit pour une école spécifique invoque une situation exceptionnelle qui ne s'applique qu'à l'élève concerné dans cette école et où cette inscription est le seul moyen possible de garantir l'accès à l'enseignement pour cet élève.
   Si un parent soumet une question pour la reconnaissance d'une situation exceptionnelle au service de médiation " inscriptions ", le service de médiation propose la question à l'autorité scolaire en question. Si l'autorité scolaire en question estime qu'une inscription éventuelle en surcapacité est possible, elle propose cette question à la CLR. La CLR se prononcera dans un délai de 30 jours calendrier sur la situation exceptionnelle où cette inscription est le seul moyen possible de garantir l'accès à l'enseignement pour cet élève.
   Ce n'est que si la CLR confirme la situation exceptionnelle dans laquelle cette inscription est le seul moyen possible de garantir l'accès à l'enseignement pour cet élève, que l'élève peut être inscrit en surcapacité conformément à l'article 253/51.
   § 6. Après le traitement de la plainte relative à une erreur technique ou matérielle, une plainte peut être déposée auprès de la CLR, conformément à l'article 253/58. Le traitement de la situation exceptionnelle tel que prévu au paragraphe 5 ne peut faire l'objet d'une plainte auprès de la CLR.
   Le traitement d'une plainte ou d'une question auprès du service de médiation " inscriptions " suspend le délai d'introduction d'une plainte auprès de la CLR, visé à l'article 253/58, et le délai de dix jours calendrier pour la médiation dans le cadre de la LOP visé à l'article 253/59, § 2.
   § 7. Pour les écoles qui, conformément à l'article 253/11, § 7, et après l'approbation de la LOP Bruxelles-Capitale, rejoignent la procédure de préinscription de la LOP Bruxelles-Capitale, les critères de classement et les groupes prioritaires respectifs visés à l'article 253/16 continuent à s'appliquer intégralement.
   § 8. Le Gouvernement flamand peut, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, prévoir des moyens à l'appui de la mise en place d'une procédure de préinscription, et fixe les modalités à cet effet.]2

  
Art. 253/41. [1 § 1. Voor de aanmeldingen voor de inschrijvingen vanaf het schooljaar 2023-2024 melden een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP Brussel-Hoofdstad, uiterlijk op 15 november voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap welk standaarddossier ze zullen hanteren bij de organisatie van de aanmeldingsprocedure, of van welk standaarddossier ze willen afwijken, conform paragraaf 2. Een standaarddossier is een dossier waarin de verschillende stappen van een aanmeldingsprocedure concreet worden uitgewerkt.
   De Vlaamse Regering bepaalt het model van ieder standaarddossier en het formulier waarmee de melding, vermeld in het eerste lid, moet gebeuren.
   § 2. Als een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP willen afwijken van een standaarddossier, leggen ze uiterlijk op 15 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, de afwijkingen in kwestie ter goedkeuring voor aan de CLR.
   De CLR toetst de afwijkingen van het standaarddossier, vermeld in het eerste lid, aan de bepalingen, vermeld in deze afdeling en in afdeling 2 en 4, en beslist over die afwijkingen uiterlijk twee maanden na de indiening conform het eerste lid, en in ieder geval voor 24 december.]1

  
Art. 253/41. [1 § 1. En ce qui concerne les préinscriptions pour les inscriptions à partir de l'année scolaire 2023-2024, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP Bruxelles-Capitale communiquent aux services compétents de la Communauté flamande, au plus tard le 15 novembre précédant l'année scolaire pour laquelle les inscriptions sont valables, le dossier type qu'elles utiliseront lors de l'organisation de la procédure de préinscription ou le dossier type auquel elles souhaitent déroger, conformément au paragraphe 2. Un dossier type est un dossier dans lequel les différentes phases d'une procédure de préinscription sont concrètement élaborées.
   Le Gouvernement flamand établit le modèle de chaque dossier type et le formulaire par lequel la notification visée à l'alinéa 1 aurait dû être effectuée.
   § 2. Si une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP veulent déroger à un dossier type, elles soumettent les dérogations en question à la CLR pour approbation au plus tard le 15 novembre de l'année scolaire précédant l'année scolaire à laquelle les inscriptions s'appliquent.
   La CLR examinera les dérogations du dossier type visé à l'alinéa 1, par rapport aux dispositions de la présente section et des sections 2 et 4, et se prononce sur ces dérogations au plus tard deux mois après la soumission conformément à l'alinéa premier, et en tout cas avant le 24 décembre.]1

  
253/41/1. [1 § 1. Bij een negatief besluit van de CLR over de afwijkingen van een standaarddossier kunnen het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit, een van volgende initiatieven nemen:
253/ 41/1. [1 § 1. En cas d'une décision négative de la CLR quant aux dérogations à un dossier type, l'autorité scolaire concernée, plusieurs autorités scolaires concernées conjointement ou la LOP concernée peuvent, préalablement à l'année scolaire à laquelle s'appliquent les inscriptions, prendre une des initiatives suivantes au plus tard dix jours calendrier après la réception d'une décision négative :
Art. 253/42. [1 § 1. Voorafgaand aan de aanmeldingsperiode moet een schoolbestuur voor al zijn scholen of vestigingsplaatsen waarvoor het de inschrijvingen laat voorafgaan door een aanmeldingsprocedure een capaciteit bepalen op volgend niveau:
   a) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
   b) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
   c) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school;
   d) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school.
   Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het schoolbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in artikel 253/51.
   § 2. Een schoolbestuur kan na de start van de aanmeldingsperiode steeds een capaciteit verhogen, op voorwaarde van goedkeuring door het LOP.
   § 3. Een schoolbestuur deelt aan dat LOP zijn bepaalde capaciteiten mee.]1

  
Art. 253/42. [1 § 1er. Avant la période de pré-inscriptions, une autorité scolaire doit déterminer une capacité pour toutes ses écoles ou implantations pour lesquelles elle fait précéder les inscriptions par une procédure de préinscription et ce, au niveau suivant :
   a) soit la première année d'études A séparément et la première année d'études B séparément et pour toutes les implantations de l'école conjointement ;
   b) soit la première année d'études A et la première année d'études B conjointement et pour toutes les implantations de l'école conjointement ;
   c) soit la première année d'études A séparément et la première année d'études B séparément et par implantation distincte de l'école ;
   d) soit la première année d'études A et la première année d'études B conjointement et par implantation séparée de l'école.
   Par capacité on entend le nombre maximal d'élèves que l'autorité scolaire envisage pouvoir inscrire, toute inscription additionnelle étant refusée en cas de dépassement de cette capacité, sauf dans les cas visés à l'article 253/51.
   § 2. Une autorité scolaire peut toujours augmenter une capacité après le début de la période de préinscription, sous réserve de l'approbation de la LOP.
   § 3. Une autorité scolaire communique les capacités qu'elle a définies à cette LOP.]1

  
Art. 253/43. [1 Elk schoolbestuur verleent bij het ordenen van de aangemelde leerlingen voor een bepaald structuuronderdeel, voorrang aan:
   1° kinderen die tot dezelfde leefentiteit behoren als een reeds ingeschreven leerling in de school of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen als vermeld in artikel 253/35;
   2° met behoud van de toepassing van punt 1°, kinderen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen als vermeld in artikel 253/35, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.
   Met personeelsleden als vermeld in het eerste lid, 2°, wordt bedoeld:
   1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;
   2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.]1

  
Art. 253/43. [1 Lors du classement des élèves préinscrits pour une subdivision structurelle spécifique, chaque autorité scolaire donne la priorité :
   1° aux enfants qui appartiennent à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit à l'école ou aux écoles qui assurent la continuité des inscriptions d'une école à l'autre, conformément à l'article 253/35 ;
   2° sans préjudice de l'application d'1°, aux enfants des membres du personnel de l'école ou des écoles qui assurent la continuité des inscriptions d'une école à l'autre école, comme prévu à l'article 253/35, à condition qu'il soit question, au moment de l'inscription, d'une occupation en cours de plus de 104 jours.
   Par membres du personnel tels que visés à l'alinéa premier, 2°, on entend :
   1° les membres du personnel tels que visés à l'article 2 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, pour autant qu'ils sont affectés à ou désignés dans une école ;
   2° les membres du personnel qui ont été recrutés par une autorité scolaire sous un contrat de travail et qui sont mis au travail dans l'école.]1

  
Art. 253/44. [1 § 1. Een schoolbestuur verleent, in voorkomend geval met behoud van de toepassing van artikel 253/43, voor zijn scholen, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.
   § 2. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is:
   1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
   2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
   3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken:
   a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
   b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
   c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;
   4° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.
   § 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, het aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.
   Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 65% leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.
   Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus, vermeld in artikel 253/42.
   Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1.]1

  
Art. 253/44. [1 § 1er. Une autorité scolaire donne, le cas échéant sans préjudice de l'application de l'article 253/43, pour ses écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, priorité aux élèves ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais.
   § 2. Pour pouvoir bénéficier du régime prioritaire visé au paragraphe 1er, le parent démontre d'une des manières suivantes qu'il maîtrise suffisamment le néerlandais :
   1° en produisant au moins le diplôme en langue néerlandaise de l'enseignement secondaire ou un titre en langue néerlandaise équivalent ;
   2° en produisant le certificat en langue néerlandaise de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire ou un titre en langue néerlandaise équivalent ;
   3° en produisant la preuve qu'il maîtrise le néerlandais au moins au niveau B2 du Cadre européen commun de référence pour les Langues. Cette preuve peut être fournie sur la base d'une des pièces suivantes :
   a) un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande ou un titre en langue néerlandaise équivalent, démontrant le niveau requis de la connaissance du néerlandais ;
   b) une attestation de fixation du niveau, effectuée par une "Huis van het Nederlands" (Maison du néerlandais), démontrant le niveau requis de la connaissance du néerlandais ;
   c) la production de la preuve d'une connaissance au moins suffisante du néerlandais obtenue après un examen linguistique auprès du Bureau de sélection de l'Administration fédérale ;
   4° en produisant la preuve qu'il a suivi, pendant neuf ans, comme élève régulier, les cours de l'enseignement primaire et secondaire en langue néerlandaise. Ceci se fait sur la base d'attestations délivrées à cet effet par les autorités scolaires concernées.
   § 3. Une autorité scolaire fixe pour ses écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale le nombre d'élèves envisagé pour l'inscription par priorité d'élèves ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais.
   Le nombre d'élèves mentionné à l'alinéa premier doit être axé sur l'acquisition ou le maintien de 65% d'élèves dans l'école ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais.
   Le nombre d'élèves, visé à l'alinéa premier peut être fixé par une autorité scolaire jusqu'aux niveaux visés à l'article 253/42.
   Un élève déjà inscrit ou un élève qui appartient à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit qui, sur la base de la réglementation en vigueur au moment de son inscription, était considéré comme un élève dont le néerlandais est la langue de la famille, peut être considéré comme un élève ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, tel que visé au paragraphe 1er.]1

  
Art. 253/45. [1 § 1. Uiterlijk voor de aanmeldingen voor inschrijvingen in het schooljaar 2023-2024 verleent een schoolbestuur, met behoud van de toepassing van artikel 253/43 en artikel 253/44, voor zijn scholen die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad liggen, voorrang aan leerlingen die vanaf de start van de leerplicht ieder jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd in een school voor Nederlandstalig basisonderwijs die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is.
   Een leerling die gebruikmaakt van de voorrangsgroep, vermeld in artikel 253/44, kan geen gebruikmaken van de voorrang, vermeld in het eerste lid.
   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop wordt aangetoond dat een leerling tot de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, behoort.
   § 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad liggen, het aantal leerlingen voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen die minstens vanaf de start van de leerplicht ieder jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd in een school voor Nederlandstalig basisonderwijs die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is.
   Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, is gericht op de verwerving of het behoud in de school van 15% leerlingen die vanaf de start van de leerplicht ieder jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd in een school voor Nederlandstalig basisonderwijs die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is.
   Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus, vermeld in artikel 253/42, § 1, eerste lid.]1

  
Art. 253/45. [1 § 1er. Pour les préinscriptions pour les inscriptions dans l'année scolaire 2023-2024 au plus tard, sans préjudice de l'application des articles 253/43 et 253/44, une autorité scolaire donne, pour ses écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, la priorité aux élèves ayant suivi chaque année à partir du début de la scolarité obligatoire de l'enseignement fondamental néerlandophone dans une école d'enseignement fondamental néerlandophone agréée par la Communauté flamande.
   Un élève faisant appel au groupe prioritaire visé à l'article 253/44 ne peut pas se servir de la priorité visée à l'alinéa 1er.
   § 2. Le Gouvernement flamand détermine la manière dont il est démontré qu'un élève appartient au groupe prioritaire visé au paragraphe 1er, alinéa 1er.
   § 3. Une autorité scolaire détermine pour ses écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale le nombre d'élèves envisagé pour l'inscription par priorité d'élèves ayant suivi au moins chaque année à partir de la scolarité obligatoire de l'enseignement fondamental néerlandophone dans une école d'enseignement fondamental néerlandophone agréée par la Communauté flamande.
   Le nombre d'élèves, visé à l'alinéa 1er, est axé sur l'acquisition ou le maintien dans l'école de 15% d'élèves ayant suivi chaque année à partir de la scolarité obligatoire de l'enseignement fondamental néerlandophone dans une école d'enseignement fondamental néerlandophone agréée par la Communauté flamande.
   Le nombre d'élèves, visé à l'alinéa 1er, peut être fixé par une autorité scolaire jusqu'aux niveaux visés à l'article 253/42, § 1er, alinéa 1er.]1

  
Art. 253/46. [1 § 1. Een schoolbestuur kan ervoor kiezen om voor een of meer van zijn scholen per bepaalde capaciteit als vermeld in artikel 253/42, voorrang te verlenen aan een of meer ondervertegenwoordigde groepen, zijnde één of meer groepen van leerlingen die, op basis van één of meerdere objectieve kenmerken, [4 in de school relatief ondervertegenwoordigd zijn ten aanzien van een referentiepopulatie, waarbij leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in een school van het gewoon onderwijs altijd beschouwd mogen worden als een ondervertegenwoordigde groep, ongeacht de referentiepopulatie.]4[2 De voorrang wordt toegepast tot maximaal 20 procent van de bepaalde capaciteit bezet wordt door de leerlingen behorende tot een of meerdere ondervertegenwoordigde groepen. Ook in geval van meerdere ondervertegenwoordigde groepen bedraagt de voorrang maximaal 20 procent van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel[3 artikel 253/42]3.]2
  [2 Als het LOP of een schoolbestuur opteert voor meerdere ondervertegenwoordigde groepen, bepaalt het LOP of een schoolbestuur ook telkens welke groep in de ordening voorrang heeft op welke andere groep.]2
  [2 Het LOP kan een voorstel uitwerken over de voorrang van ondervertegenwoordigde groepen in de scholen die in zijn werkingsgebied liggen, wat betreft zowel het aandeel van de capaciteit die scholen voorbehouden als het bepalen van de inhoudelijke afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groep. Dat voorstel wordt goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. De scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP respecteren hierover de gemaakte afspraken in het LOP. Het LOP legt het voorstel ter bekrachtiging voor aan de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
   Als de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie een voorstel van het LOP een eerste keer niet bekrachtigt, werkt het LOP een nieuw voorstel uit. Het nieuwe voorstel wordt goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. Het LOP legt het nieuwe voorstel ter bekrachtiging voor aan de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
   Als een eerste voorstel reeds bekrachtigd werd door de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, dan kan de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, wanneer een nieuw voorstel wordt voorgelegd ter bekrachtiging aan de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, ervoor kiezen om dat eerste voorstel te vervangen door het nieuwe voorstel. Als het nieuwe voorstel, vermeld in het vierde lid, bekrachtigd wordt, vervangt het nieuwe voorstel het eerste voorstel.
   Als het nieuwe voorstel niet bekrachtigd wordt, wordt het eerste voorstel, vermeld in het derde lid, behouden als de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie het eerste voorstel bekrachtigd had.
   Als de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie een voorstel bekrachtigt, passen de vestigingsplaatsen die in het werkingsgebied van het LOP liggen, het voorstel toe.
   Als de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie geen voorstel bekrachtigt, kunnen de schoolbesturen zelf beslissen voor de vestigingsplaatsen die in het werkingsgebied van het LOP liggen, welke voorrang voor ondervertegenwoordigde groepen ze toepassen.]2

   § 2. Het LOP meldt de toepassing van deze voorrang steeds, en uiterlijk op 31 januari, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. [2 ...]2
   Scholen en LOP kunnen hun voorstel van afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groepen ook voor advies voorleggen aan de CLR en dit uiterlijk op [2 15 september]2 voorafgaand aan de aanmeldingen. [2 De inhoudelijke afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groepen maken geen deel uit van het standaarddossier of afwijking op het standaarddossier, vermeld in artikel 253/41.]2
   § 3. De effecten van de toepassing van deze voorrang van ondervertegenwoordigde groepen worden gedurende 4 jaar gemonitord door het LOP.]1

  
Art. 253/46. [1 § 1er. Une autorité scolaire peut choisir pour une ou plusieurs de ses écoles par capacité fixée, telle que visée à l'article 253/42, de donner la priorité à un ou plusieurs groupes sous-représentés, c'est-à-dire un ou plusieurs groupes d'élèves qui, sur la base d'une ou plusieurs caractéristiques objectives, [4 sont relativement sous-représentés au sein de l'école par rapport à une population de référence, les élèves en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 au sein d'une école de l'enseignement ordinaire pouvant toujours être considérés comme un groupe sous-représenté quelle que soit la population de référence.]4 [2 La priorité est appliquée jusqu'à ce qu'un maximum de 20 % de la capacité déterminée soit occupé par des élèves appartenant à un ou plusieurs groupes sous-représentés. De même, dans le cas de plusieurs groupes sous-représentés, la priorité ne peut pas dépasser 20 % de la capacité déterminée visée à [3 l'article 253/42.]3
   [2 Si la LOP ou une autorité scolaire opte pour plusieurs groupes sous-représentés, la LOP ou l'autorité scolaire détermine également quel groupe du classement a la priorité sur quel autre groupe.]2

  [2 La LOP peut élaborer une proposition relative à la priorité des groupes sous-représentés dans les écoles situées dans sa zone d'action, tant en ce qui concerne la part de capacité réservée aux écoles qu'en ce qui concerne la détermination de la délimitation de fond du groupe sous-représenté choisi localement. Cette proposition est approuvée par une majorité des partenaires de l'enseignement de la LOP visés à l'article VIII.4/1, § 1, alinéa 1, 1° à 3° inclus, de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016. Les écoles situées dans la zone d'action d'une LOP respectent les accords pris à ce sujet au sein de la LOP. La LOP soumet cette proposition pour ratification au Conseil de la Commission communautaire flamande.
   Si le Conseil de la Commission communautaire flamande n'approuve pas une proposition de la LOP la première fois, la LOP élabore une nouvelle proposition. La nouvelle proposition est approuvée par une majorité des partenaires de l'enseignement de la LOP visés à l'article VIII.4/1, § 1, alinéa 1, 1° à 3°, de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016. La LOP soumet la nouvelle proposition pour ratification au Conseil de la Commission communautaire flamande.
   Si une première proposition a déjà été ratifiée par le Conseil de la Commission communautaire flamande, cette dernière peut, lorsqu'une nouvelle proposition est soumise pour ratification au Conseil de la Commission communautaire flamande, choisir de remplacer cette première proposition par la nouvelle proposition. Si la nouvelle proposition visée à l'alinéa 4 est ratifiée, la nouvelle proposition remplace la première.
   Si la nouvelle proposition n'est pas ratifiée, la première proposition visée à l'alinéa 3, est maintenue si le Conseil de la Commission communautaire flamande avait ratifié la première proposition.
   Si le Conseil de la Commission communautaire flamande ratifie une proposition, les implantations situées dans la zone d'action de la LOP l'appliqueront.
   Si le Conseil de la Commission communautaire flamande ne ratifie aucune proposition, les autorités scolaires peuvent décider elles-mêmes, pour les implantations situées dans la zone d'action de la LOP, de la priorité qu'elles accorderont aux groupes sous-représentés.]2

   § 2. La LOP notifie toujours l'application de cette priorité aux services compétents de la Communauté flamande et au plus tard le 31 janvier. [2 ...]2
   Les écoles et la LOP peuvent également soumettre à l'avis de la CLR leur proposition de délimitation des groupes sous-représentés choisis localement et ce, au plus tard le [2 15 septembre]2 précédant les préinscriptions. [2 La délimitation de fond des groupes sous-représentés choisis localement ne fait pas partie du dossier type ou de la dérogation au dossier type visé à l'article 253/41.]2
   § 3. Les effets de l'application de cette priorité de groupes sous-représentés sont surveillés par la LOP pendant une période de 4 ans.]1

  
Art. 253/47. [1 § 1. Voor de inschrijvingen ordent het schoolbestuur, of, na akkoord van de betrokken schoolbesturen, het schoolbestuur dat daarvoor gemandateerd is of het LOP, op het einde van de aanmeldingsperiode, voor zijn school of voor elk van zijn scholen alle aangemelde leerlingen, zodat de toewijzingen de volgende voorrangen in volgorde respecteren:
   1° eerst de leerlingen die tot dezelfde leefentiteit behoren, vermeld in artikel 253/43, eerste lid, 1° ;
   2° dan de kinderen van een ouder die personeelslid is, vermeld in artikel 253/43, eerste lid, 2° ;
   3° dan de kinderen van ouders die conform artikel 253/44 het Nederlands in voldoende mate machtig zijn;
   4° dan de kinderen die [2 vanaf de start van de leerplicht ieder jaar]2 Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd, vermeld in artikel 253/45;
   5° in voorkomend geval, dan de leerlingen die behoren tot de ondervertegenwoordigde groep, vermeld in artikel 253/46;
   6° tot slot de overige leerlingen, in voorkomend geval met inbegrip van de leerlingen die overblijven na de toepassing van de criteria, vermeld in punt 1° tot en met 5°, volgens een van de volgende ordeningscriteria:
   a) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in de keuze die de betrokken personen hebben gemaakt en dan toeval;
   b) toeval en dan de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze die de betrokken personen hebben gemaakt.
   Het schoolbestuur, de schoolbesturen of het LOP hanteren bij het ordenen van de aangemelde leerlingen de combinatie van ordeningscriteria uit het standaarddossier dat ze hebben onderschreven of de eventuele afwijkingen daarop, zoals de CLR ze heeft goedgekeurd.
   § 2. Als de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 253/42, al bereikt wordt binnen de leerlingengroep, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, worden de leerlingen binnen die leerlingengroep in kwestie geordend volgens de volgorde van de voorrangsgroepen en volgens de ordeningscriteria, zoals de overige leerlingen, vermeld in het eerste lid, 6°, en vermeld in het standaarddossier dat door hen is onderschreven, of de eventuele afwijkingen daarop, die de CLR heeft goedgekeurd.
   § 3. In voorkomend geval wordt aan een leerling die voor meerdere scholen of vestigingsplaatsen gunstig gerangschikt is, de hoogste school of vestigingsplaats van voorkeur toegewezen en wordt die leerling verwijderd in de scholen of vestigingsplaatsen van lagere keuze.
  [3 Het schoolbestuur, de schoolbesturen samen of het LOP kunnen beslissen om na de definitieve toewijzing het resultaat van de toewijzing te optimaliseren, zodat meer leerlingen een school van hogere voorkeur krijgen toegewezen.]3. Deze beslissing mag er niet toe leiden dat de voorrang van een geweigerde leerling geschonden zou worden.]1

  
Art. 253/47. [1 § 1. Pour les inscriptions l'autorité scolaire ou, moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, l'autorité scolaire mandatée à cette fin ou la LOP classent, à la fin de la période de préinscription, en ce qui concerne leur école ou chacune de leurs écoles, tous les élèves préinscrits comme suit, de sorte que les attributions respectent les priorités suivantes dans l'ordre :
   1° en premier lieu les élèves appartenant à la même entité de vie, telle que visée à l'article 253/43, alinéa 1, 1° ;
   2° ensuite les enfants qui ont un parent qui est un membre du personnel au sens de l'article 253/43, alinéa 1, 2° ;
   3° ensuite les enfants de parents qui, conformément à l'article 253/44, maîtrisent suffisamment le néerlandais ;
   4° ensuite les enfants qui ont suivi [2 chaque année à partir du début de la scolarité obligatoire]2 d'enseignement fondamental en langue néerlandaise visé à l'article 253/45 ;
   5° le cas échéant, les élèves appartenant au groupe sous-représenté visé à l'article 253/46 ;
   6° enfin, les autres élèves, y compris, le cas échéant, les élèves restant après l'application des critères visés aux points 1° à 5°, selon l'un des critères de classification suivants :
   a) la place qu'occupe l'école ou l'implantation dans l'ordre des choix faits par les personnes intéressées et ensuite la coïncidence ;
   b) la coïncidence et ensuite la place qu'occupe l'école ou l'implantation dans l'ordre des choix faits par les personnes intéressées.
   Lors du classement des élèves préinscrits, l'autorité scolaire, les autorités scolaires ou la LOP utilisent la combinaison des critères de classement du dossier type qu'elles ont souscrits ou les éventuelles dérogations à celui-ci, telles qu'approuvées par la CLR.
   § 2. Si la capacité déterminée au préalable visée à l'article 253/42, est déjà atteinte au sein du groupe d'élèves visé au paragraphe 1, alinéa 1, 1°, 2°, 3°, 4° ou 5°, les élèves au sein de ce groupe d'élèves concerné sont classés selon le critère d'ordre des groupes prioritaires et les critères de classement tels que les autres élèves visés à l'alinéa 1, 6°, et visés au dossier type souscrit par ceux-ci, ou aux dérogations, le cas échéant, au dossier type, approuvées par la CLR.
   § 3. Le cas échéant, l'élève qui est favorablement classé dans plusieurs écoles ou implantations se voit attribuer l'école ou l'implantation de son choix le plus préféré et cet élève est supprimé des écoles ou implantations de ses choix secondaires.
  [3 L'autorité scolaire, les autorités scolaires conjointement ou la LOP peuvent décider, après l'attribution définitive, d'optimiser le résultat de l'attribution, de sorte qu'un plus grand nombre d'élèves se voient attribuer une école de préférence supérieure.]3 qui ont le choix le plus élevé de l'autre. Cette décision ne doit pas conduire à une violation de la priorité d'un élève refusé.]1

  
Art. 253/48. [1 § 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 253/42 bepaalde, capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister.
   Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, op basis van artikel 253/47, tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP de rangschikking van alle aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.
   § 2. Van de scholen of vestigingsplaatsen waar de aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen, wijst het schoolbestuur, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de betrokken personen of de leerling bij de aanmelding opgaven.
   Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de betrokken personen of de leerling een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria [2 en voorrangsgroepen, vermeld in artikel 253/43 tot en met 253/47,]2 eerstvolgend gerangschikte leerlingen.
   Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat er geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de [2 volgorde van de voorrangsgroepen en de]2 daartoe gekozen ordeningscriteria.
   De aangemelde leerling en de betrokken personen krijgen uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode, vermeld in artikel 253/40, § 2.
   Indien de aangemelde leerling en zijn ouders binnen de periode, vermeld in artikel 253/40, § 2, geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.
   Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats.
   Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de betrokken personen opgegeven voorrangsgroep die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van [2 klachten, vaststellingen en vragen]2 als vermeld in artikel 253/40, § 3, leidt tot een andere beslissing.
  [3 In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om [5 op zijn vroegst na de einddatum van de aanmeldingsperiode en uiterlijk voordat de resultaten]5 van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen.]3
   Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.
  [4 Voor het ordenen, toewijzen en weigeren van aangemelde leerlingen is het schoolbestuur de verwerkingsverantwoordelijke. In geval van een verwerking door een LOP blijft het schoolbestuur of de gemandateerde de verwerkingsverantwoordelijke.]4
   § 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en de betrokken personen uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de betrokken personen of leerling gekozen school of vestigingsplaats.
   Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen hadden gekozen.
   § 4. Een niet-gunstige rangschikking wordt gelijkgesteld met een weigering op basis van bereikte capaciteit, overeenkomstig artikel 253/42. Het uitreiken van de weigeringsdocumenten kan gemandateerd worden aan het LOP.]1

  
Art. 253/48. [1 § 1er. Une autorité scolaire utilise un registre de préinscription pour chaque capacité, fixée conformément à l'article 253/42 et concernée par la procédure de préinscription.
   Une autorité scolaire réussit à établir, par registre de préinscription, sur la base de l'article 253/47, un classement favorable ou non favorable de tous les élèves préinscrits et reprend ce classement dans le registre de préinscription. Moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP peut effectuer le classement de tous les élèves préinscrits dans le registre de préinscription.
   § 2. Parmi les écoles ou implantations où l'élève préinscrit a obtenu un classement favorable, l'autorité scolaire ou, moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP, affecte l'élève préinscrit à l'école ou à l'implantation du premier choix des personnes concernées ou de l'élève au moment de la préinscription.
   Cet élève est ensuite supprimé du registre de préinscriptions des différentes écoles et implantations pour lesquelles les personnes concernées ou l'élève ont marqué un choix moins élevé. Dans la mesure du possible, les places ainsi libérées dans les registres de préinscriptions sont prises par les élèves suivants les mieux classés sur la base de la même combinaison de critères de classement [2 et de groupes prioritaires visés aux articles 253/43 à 253/47]2.
   La prise de places libérées dans le registre de préinscriptions est répétée jusqu'à ce qu'il ne soit plus possible d'effectuer des affectations, telles que visées à l'alinéa premier. Ensuite, les élèves non affectés sont classés selon [2 l'ordre des groupes prioritaires et]2 les critères de classement choisis à cette fin.
   Au plus tard à la date arrêtée par le Gouvernement flamand, l'élève préinscrit et les personnes concernées sont informés par écrit ou au moyen d'un support électronique de l'école ou de l'implantation à laquelle l'élève préinscrit a été affecté et de la période, visée à l'article 253/40, § 2.
   Si, dans la période mentionnée à l'article 253/40, § 2, l'élève préinscrit et ses parents ne font pas usage de la possibilité d'inscription, le droit d'inscription qu'ils ont acquis par le biais de la procédure de préinscriptions échoit.
   Il est également communiqué à l'élève préinscrit et aux personnes concernées quelle est la place qu'occupe l'élève préinscrit parmi les élèves non affectés dans le registre de préinscription des différentes écoles ou implantations pour lesquelles l'élève préinscrit ou les personnes concernées ont marqué un choix plus élevé que celui de l'école ou implantation à laquelle il a été affecté.
   S'il s'avère au moment de l'inscription, que l'élève ne remplit pas les critères de classement qui ont été déclarés par les personnes concernées et qui ont conduit au classement favorable et à l'affectation, le droit d'inscription qu'ils ont acquis par le biais de la procédure de préinscription échoit, à moins que le traitement [2 de plaintes, constatations et questions]2, tel que visé à l'article 253/40, § 3 ne mène à une autre décision.
   Lorsqu' un élève qui a été inscrit via une procédure de préinscription est tout de même inscrit dans une école de son choix plus élevé, l'école de son choix moins élevé peut mettre fin à l'inscription effectuée antérieurement.
  [3 Par dérogation à l'alinéa 7, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires conjointement ou la LOP peuvent décider de procéder à cette vérification [5 au plus tôt après la date de fin de la période de préinscription et au plus tard avant la publication des résultats de la préinscription]5.]3
  [4 Pour l'organisation, l'attribution et le refus d'élèves préinscrits, l'autorité scolaire est le responsable du traitement. En cas de traitement par une LOP, l'autorité scolaire ou la partie mandatée reste le responsable du traitement.]4
   § 3. Si l'élève ne peut être classé favorablement dans aucune école ou implantation, l'élève préinscrit et les personnes concernées sont informés par écrit ou par voie électronique, au plus tard à la date fixée par le Gouvernement flamand, de l'impossibilité d'affecter l'élève préinscrit à une école ou à une implantation choisies par les personnes ou l'élève concernés.
   Il est également communiqué à l'élève préinscrit et aux personnes concernées quelle est la place qu'occupe l'élève préinscrit parmi les élèves non affectés dans le registre de préinscription des différentes écoles ou implantations pour lesquelles l'élève préinscrit ou les personnes concernées avaient choisies.
   § 4. Un classement non favorable est assimilé à un refus sur la base de l'atteinte de la capacité, conformément à l'article 253/42. La LOP peut être mandatée pour la délivrance des documents de refus.]1

  
Art. 253/49. [1 § 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke overeenkomstig artikel 253/42 bepaalde capaciteit een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch noteert.
   Overeenkomstig artikel 253/47 wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.
   § 2. [2 Met uitzondering van de inschrijvingen van leerlingen die zijn ingeschreven in overcapaciteit conform artikel 253/51, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 253/42, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 253/43 tot en met 253/46, en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 253/44, 253/45 en 253/46, betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 253/44, § 3, artikel 253/45, § 3, en artikel 253/46, § 1, en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.]2
   Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
   § 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.]1

  
Art. 253/49. [1 § 1er. Pour chaque capacité déterminée conformément à l'article 253/42, une autorité scolaire tient un registre des inscriptions dans lequel elle consigne, par ordre chronologique, toutes les inscriptions et refus.
   Conformément à l'article 253/47, l'ordre des élèves affectés et l'ordre des élèves non affectés sont repris dans le registre d'inscriptions.
   § 2. [2 A l'exception des inscriptions d'élèves inscrits en surcapacité, conformément à l'article 253/51, pour les inscriptions résultant de places vacantes ou d'une augmentation de la capacité visées à l'article 253/42, § 2, l'ordre des refus est respecté, y compris l'ordre des groupes prioritaires visé aux articles 253/43 à 253/46, et en ce qui concerne les élèves visés aux articles 253/44, 253/45 et 253/46, en vue de réaliser leur part respective visée aux articles 253/44, § 3, et l'article 253/45, § 3, et l'article 253/46 § 1, et ce jusqu'au cinquième jour scolaire du mois d'octobre de l'année scolaire à laquelle l'inscription se rapportait.]2
   Les personnes concernées d'élèves qui sont encore affectés à une place en sont informées par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours civils. Cette notification contient des informations relatives à la période dans laquelle les personnes concernées peuvent inscrire l'élève concerné. Cette période a une durée d'au moins sept jours calendrier.
   § 3. Le Gouvernement flamand fixe le modèle du registre d'inscriptions.
   § 4. Le déroulement des inscriptions et des refus peut faire l'objet d'un contrôle par les services compétents de la Communauté flamande.]1

  
Art. 253/50. [1 De inschrijvingen en eventuele weigeringen van leerlingen die zich niet hebben aangemeld worden vanaf de door de Vlaamse Regering bepaalde startdatum van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/39, in chronologische volgorde opgenomen in het inschrijvingsregister.]1
  
Art. 253/50. [1 Les inscriptions et les éventuels refus d'élèves non préinscrits sont repris dans le registre des inscriptions par ordre chronologique à partir de la date de début des inscriptions arrêtée par le Gouvernement flamand, visée à l'article 253/39.]1
  
Art. 253/51. [1 § 1. Een schoolbestuur kan, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
   1° voor de toelating van leerlingen die:
   a) [2 hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woonen leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank;]2
   b) [3 hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;]3;
   c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
  [2 d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnenof buitenlandse adoptie, dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie;
   e) hetzij beschikken over een [4 IAC-verslag of OV4-verslag]4;]2

   2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/42, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;
   3° van leerlingen waarvoor de [2 ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/40, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd]2 voor een inschrijving in overcapaciteit.
  [2 4° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.]2
  [5 5° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.]5
   § 2. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.[4 Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.]4
   § 3. In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/42.]1

  
Art. 253/51. [1 § 1er. En cas de dépassement d'une capacité fixée également, une autorité scolaire peut toutefois procéder à une inscription dans les situations suivantes :
   1° pour l'admission d'élèves qui :
   a) [2 soit disposer d'une décision de l'aide à la jeunesse pour la fonction de séjour, à savoir un logement adapté et un environnement de vie sous surveillance et accompagnement, auprès d'un prestataire de services d'aide à la jeunesse, sur renvoi d'une structure mandatée ou d'un Service social du Tribunal de la Jeunesse ;]2
   b) [3 soit résident, en tant que semi-internes, dans un semi-internat attaché à une école, soit résident, en tant qu'internes, dans un internat de l'enseignement]3;
   c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
  [2 d) soit ont été adoptés dans une famille disposant d'une requête en adoption nationale ou étrangère déposée auprès du tribunal compétent ou, à défaut, une décision d'adoption étrangère ou une décision de placement étrangère en vue d'adoption ;
   e) soit disposent d'un [4 rapport IAC ou d'un rapport OV4]4 ;]2

   2° pour l'admission d'élèves appartenant à la même unité de vie, si les personnes concernées souhaitent inscrire ces élèves dans le même niveau, visé à l'article 253/42, selon le cas, et que seul un des élèves peut être inscrit en raison de la capacité ;
   3° pour l'inscription d'élèves en faveur de qui [2 le service de médiation " inscriptions " ou la CLR visés à l'article 253/40, §§ 3 à 5 a donné un avis favorable ou a confirmé la situation exceptionnelle ]2 pour une inscription en surcapacité.
  [2 4° pour l'admission des élèves qui, au cours de l'année scolaire en cours ou après le premier jour de classe du mois de mars de l'année scolaire précédant l'année scolaire pour laquelle l'inscription est demandée, ont changé d'adresse de domicile et ont changé de commune]2;
  [5 5° pour l'admission d'élèves dans l'école ou l'implantation libre ou officielle la plus proche de l'adresse de domicile ou de la résidence principale de l'élève, en tenant compte du choix de la première année d'études A ou de la première année d'études B. La distance entre l'école ou l'implantation et l'adresse de domicile ou la résidence principale est calculée en mesurant la distance le long de la chaussée, visée à l'article 2.1 de l'arrêté royal du 1 décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, sans tenir compte des déviations, des rues sans circulation, des rues à sens unique et des autoroutes. Le nombre des élèves visé au présent point ne peut dépasser 5 pour cent du nombre des élèves auquel la capacité a été fixée. Cette capacité fixée ne peut être inférieure au nombre d'élèves inscrits dans le niveau de capacité concerné à la date habituelle de comptage de l'année scolaire précédente.]5
   § 2. Dans le cas de dépassement d'une capacité fixée également, une autorité scolaire est tenue de procéder à une inscription pour permettre le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire qui, pendant l'année scolaire en cours, l'année scolaire précédente ou l'année scolaire précédant celle-ci, étaient inscrits dans l'école et qui étaient inscrits dans l'enseignement secondaire spécial pendant cette période.[4 Il en va de même pour les élèves de l'enseignement spécial qui, en application de l'article 136/1, alinéa 2, ont suivi les cours à temps plein pendant deux années scolaires dans l'école d'enseignement ordinaire et souhaitent, après deux années scolaires, s'inscrire dans cette école.]4
   § 3. Dans aucune subdivision structurelle pour laquelle un paquet minimum a été attribué à l'école, l'inscription d'un élève ne peut être refusé pour des motifs de capacité, telle que visée à l'article 253/42 pendant l'année de l'attribution du paquet minimum.]1

  
Onderafdeling 2. [1 Inschrijvingen voor andere leerjaren dan het eerste leerjaar van de eerste graad]1
Sous-section 2. [1 Inscriptions portant sur des années d'études autres que la première année du premier degré]1
Art. 253/52. [1 Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar, met uitzondering van de leertijd.
   Een school- of centrumbestuur maakt de start van de inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. Een school- of centrumbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, maakt de start van de inschrijvingen alleszins via het LOP bekend.]1

  
Art. 253/52. [1 Les inscriptions pour une année scolaire déterminée peuvent démarrer au plus tôt le premier jour de classe après les vacances de Pâques de l'année scolaire précédente, à l'exception de l'apprentissage.
   Une autorité scolaire ou de centre annonce le début des inscriptions à tous les intéressés. Une autorité scolaire ou de centre qui fait partie d'une LOP publie en tout cas le début des inscriptions par la voie de la LOP.]1

  
Art. 253/53. [1 § 1. Een school- of centrumbestuur moet voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 253/52, capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
   a) hetzij per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
   b) hetzij per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   c) hetzij per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
   d) [2 hetzij per administratieve groep of combinatie van administratieve groepen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.]2
   Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen, vermeld in artikel 253/55.
   § 2. Voor de andere leerjaren dan het eerste leerjaar van de eerste graad, bepaalt een schoolbestuur voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, zoals bepaald in artikel 253/44.
   Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55% leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, zoals bepaald in artikel 253/44. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.
   Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus vermeld in paragraaf 1.]1

  
Art. 253/53. [1 § 1er. Préalablement à une période d'inscription, telle que visée à l'article 253/52, une autorité scolaire ou de centre doit déterminer pour l'ensemble de ses écoles, centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et centres de formation pour travailleurs indépendants et petites et moyennes entreprises la capacité à un ou plusieurs des niveaux suivants :
   a) soit par école, à l'exception de la première année d'études du premier cycle de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
   b) soit par centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
   c) soit par implantation, à l'exception de la première année d'études du premier cycle de l'enseignement secondaire ordinaire à plein temps ;
   d) [2 soit par groupe administratif ou combinaison de groupes administratifs, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, que ce soit ou non par implantation.]2
   Par capacité on entend le nombre maximal d'élèves que l'autorité scolaire ou l'autorité du centre envisage pouvoir inscrire, toute inscription additionnelle étant refusée en cas de dépassement de cette capacité, sauf dans les cas visés à l'article 253/55.
   § 2. Pour les années d'études autres que la première année d'études du premier cycle, une autorité scolaire fixe pour ses écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale le nombre d'élèves envisagé pour l'inscription par priorité d'élèves ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, tel que visé à l'article 253/44.
   Le nombre d'élèves mentionné à l'alinéa premier doit être axé sur l'acquisition ou le maintien de 55 % d'élèves dans l'école ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, tel que visé à l'article 253/44. Il peut être convenu au sein de la LOP de la région bilingue de Bruxelles-Capitale d'utiliser un pourcentage supérieur à 55.
   Le nombre d'élèves, visé à l'alinéa premier, peut être fixé par une autorité scolaire jusqu'aux niveaux visés au paragraphe 1er.]1

  
Art. 253/54. [1 § 1. Een school- of centrumbestuur hanteert voor alle overeenkomstig artikel 253/53 bepaalde niveaus waarop capaciteit wordt bepaald een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch noteert.
   Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/55, §§ 1 en 2, wordt voor inschrijvingen de volgorde van de geweigerde leerlingen gerespecteerd[2 , ook rekening houdend met het aandeel zoals bepaald in paragraaf 2 van artikel 253/53, van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is zoals bepaald in artikel 253/44,]2 en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.
   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.
   § 3. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.]1

  
Art. 253/54. [1 § 1er. Une autorité scolaire ou de centre tient un registre des inscriptions dans lequel sont consignés, par ordre chronologique, toutes les inscriptions et tous les refus pour tous les niveaux qui ont été définis conformément à l'article 253/53 et pour lesquels des capacités sont définies.
   A l'exception des inscriptions visées à l'article 253/55, §§ 1er et 2, l'ordre des élèves refusés est respecté pour les inscriptions[2 , en tenant également compte de la part fixée au paragraphe 2 de l'article 253/53 d'élèves ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, tel que visé à l'article 253/44, ]2 et ce, jusqu'au cinquième jour de classe d'octobre de l'année scolaire à laquelle l'inscription se rapportait.
   § 2. Le Gouvernement flamand fixe le modèle du registre d'inscriptions.
   § 3. Le déroulement des inscriptions et refus peut être soumis à un contrôle par les services compétents de la Communauté flamande.]1

  
Art. 253/55. [1 § 1. Een school- of centrumbestuur kan ook na het bereiken van de capaciteit zoals bepaald in artikel 253/53 toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
   1° voor de toelating van leerlingen die:
   a) [2 hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woonen leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank;]2
   b) [3 hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;]3;
   c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
  [2 d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen of buitenlandse adoptie, dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie;
   e) hetzij beschikken over een[4 IAC-verslag of OV4-verslag]4;]2

   2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de bereikte capaciteit.
  [2 3° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.]2
  [5 4° voor de toelating van leerlingen in de dichtstbijzijnde vrije of officiële school of vestigingsplaats bij het domicilieadres of de hoofdverblijfplaats van de leerling, waarbij rekening wordt gehouden met de keuze voor het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B en, vanaf de tweede graad, de keuze voor een studiedomein, finaliteit en onderwijsvorm. De afstand tussen de school of de vestigingsplaats en het domicilieadres of hoofdverblijfplaats wordt berekend door de afstand te meten langs de rijbaan, vermeld in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen. Het aantal van de leerlingen, vermeld in dit punt, kan maximaal 5 procent bedragen van het aantal van de leerlingen waarop de capaciteit is vastgelegd. Deze vastgelegde capaciteit mag niet lager zijn dan het aantal ingeschreven leerlingen in het desbetreffend capaciteitsniveau op de gebruikelijke teldatum van het vorige schooljaar.]5
   § 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na het bereiken van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 253/53, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.
   § 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van de bereikte capaciteit.]1

  
Art. 253/55. [1 § 1er. Une autorité scolaire ou de centre peut toujours procéder à une inscription dans les situations suivantes, même après avoir atteint la capacité prévue à l'article 253/53 :
   1° pour l'admission d'élèves qui :
   a) [2 soit disposer d'une décision de l'aide à la jeunesse pour la fonction de séjour, à savoir un logement adapté et un environnement de vie sous surveillance et accompagnement, auprès d'un prestataire de services d'aide à la jeunesse, sur renvoi d'une structure mandatée ou d'un Service social du Tribunal de la Jeunesse ;]2
   b) [3 soit résident, en tant que semi-internes, dans un semi-internat attaché à une école, soit résident, en tant qu'internes, dans un internat de l'enseignement]3;
   c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
  [2 d) soit ont été adoptés dans une famille disposant d'une requête en adoption nationale ou étrangère déposée auprès du tribunal compétent ou, à défaut, une décision d'adoption étrangère ou une décision de placement étrangère en vue d'adoption ;
   e) soit disposent d'un [4 rapport IAC ou d'un rapport OV4]4 ;]2

   2° pour l'admission d'élèves appartenant à la même unité de vie, si les personnes concernées souhaitent inscrire ces élèves dans la même subdivision structurelle, selon le cas, et que seul un des élèves peut être inscrit en raison de l'atteinte de la capacité.
  [2 3° pour l'admission des élèves qui, au cours de l'année scolaire en cours ou après le premier jour de classe du mois de mars de l'année scolaire précédant l'année scolaire pour laquelle l'inscription est demandée, ont changé d'adresse de domicile et ont changé de commune]2;
  [5 4° pour l'admission d'élèves dans l'école ou l'implantation libre ou officielle la plus proche de l'adresse de domicile ou de la résidence principale de l'élève, en tenant compte du choix de la deuxième année d'études A ou de la deuxième année d'études B et, à partir du deuxième degré, du choix d'un domaine d'études, d'une finalité et d'une forme d'enseignement. La distance entre l'école ou l'implantation et l'adresse de domicile ou la résidence principale est calculée en mesurant la distance le long de la chaussée, visée à l'article 2.1 de l'arrêté royal du 1 décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, sans tenir compte des déviations, des rues sans circulation, des rues à sens unique et des autoroutes. Le nombre des élèves visé au présent point ne peut dépasser 5 pour cent du nombre des élèves auquel la capacité a été fixée. Cette capacité fixée ne peut être inférieure au nombre d'élèves inscrits dans le niveau de capacité concerné à la date habituelle de comptage de l'année scolaire précédente.]5
   § 2. Dans le cas de l'atteinte de la capacité également, telle que visée au à l'article 253/53, une autorité scolaire ou de centre doit toutefois procéder à une inscription pour permettre le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire ou dans l'apprentissage qui, pendant l'année scolaire en cours ou les deux années scolaires précédentes, étaient inscrits dans l'école ou le centre et qui étaient inscrits dans une école d'enseignement secondaire spécial pendant cette période.
   § 3. Dans aucune subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire à plein temps appartenant à un degré ou à une forme d'enseignement pour laquelle un paquet minimum a été attribué à l'école, l'inscription d'un élève ne peut être refusé sur la base de l'atteinte de la capacité pendant l'année de l'attribution du paquet minimum. ]1

  
Afdeling 4. [1 Weigeren van inschrijving]1
Section 4. [1 Refus d'inscription]1
Art. 253/56. [1 § 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de bij decreet of besluit bepaalde toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden weigeren.
   [2 Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar of in het lopende schooljaar vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende bij de effectieve start van de lesbijwoning aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voldoet.
   Indien een beslissing van de toelatingsklassenraad vereist is, vindt de inschrijving plaats onder ontbindende voorwaarde en wordt de inschrijving ontbonden indien de toelatingsklassenraad beslist dat de onderwijszoekende niet aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden in kwestie voldoet. De inschrijving wordt ontbonden op het moment dat de leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na kennisgeving van de beslissing. De inschrijving wordt evenwel niet ontbonden wanneer het schoolbestuur geen gebruik wenst te maken van deze weigeringsgrond.]2

   § 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.
   § 3. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school doorloopt op basis van artikel 253/35.
   § 4. Een schoolbestuur van een school voor gewoon secundair onderwijs waarvan de draagkracht onder druk staat, kan slechts na overleg en goedkeuring binnen het LOP de inschrijving in de loop van het schooljaar weigeren van een leerling die elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Deze weigering moet gebaseerd zijn op en conform zijn aan vooraf door het LOP bepaalde criteria.
   Voor het bepalen van deze criteria wordt ten minste rekening gehouden met de volgende elementen:
   1° het aantal leerlingen met een begeleidingsdossier in het kader van problematische afwezigheden;
   2° het aantal eerder in de loop van het schooljaar ingeschreven leerlingen die in hetzelfde schooljaar elders werden uitgesloten.]1

  
Art. 253/56. [1 § 1er. Une autorité scolaire peut refuser l'inscription d'un demandeur d'enseignement qui ne remplit pas les conditions d'admission, de passage ou d'entrée définies par décret ou par arrêté.
   [2 Une inscription dans le courant de l'année scolaire précédente ou dans l'année scolaire en cours a lieu à la condition suspensive que le demandeur d'enseignement remplisse les conditions respectives d'admission, de passage ou d'entrée au début effectif de la fréquentation des cours.
   Si une décision du conseil de classe d'admission est requise, l'inscription a lieu sous condition résolutoire et l'inscription est annulée si le conseil de classe d'admission décide que le demandeur d'enseignement ne remplit pas les conditions d'admission, de passage ou entrée dans l'établissement d'application. L'inscription est annulée au moment où l'élève est inscrit dans une autre école et au plus tard un mois, hors période de vacances, après la notification de la décision. L'inscription n'est toutefois pas annulée si l'autorité scolaire ne souhaite pas faire usage de ce motif de refus.]2

   § 2. Une autorité scolaire refuse l'inscription d'un élève qui change d'école dans le courant de la même année scolaire, si cette inscription a pour but ou pour conséquence, que l'élève en question fréquentera alternativement différentes écoles pendant cette année scolaire.".
   § 3. Une autorité scolaire peut refuser l'inscription dans une école où l'élève concerné a été définitivement exclu l'année scolaire en cours, l'année scolaire précédente ou l'année scolaire précédant celle-ci, suite à une exclusion définitive à titre de mesure disciplinaire. Un tel refus d'inscription est également possible dans une école où la continuité de l'inscription est assurée de l'une école à l'autre sur la base de l'article 253/35.
   § 4. Une autorité scolaire d'une école d'enseignement secondaire ordinaire dont les capacités se trouvent sous pression ne peut refuser l'inscription dans le courant de l'année scolaire d'un élève qui a été désinscrit ailleurs à cause d'une exclusion définitive à titre de mesure disciplinaire, qu'après concertation et approbation au sein de la LOP. Ce refus doit reposer sur des critères préalablement fixés par la LOP et y être conforme.
   Pour la détermination de ces critères, il est au moins tenu compte des éléments suivants :
   1° le nombre d'élèves possédant un dossier d'accompagnement pour cause d'absences problématiques ;
   2° le nombre d'élèves inscrits plus tôt dans le courant de l'année scolaire et qui ont été exclus ailleurs dans cette même année scolaire.]1

  
Art. 253/57. [1 § 1. [2 [3 Als een schoolbestuur een leerling weigert, deelt dat schoolbestuur of het schoolbestuur dat daarvoor is gemandateerd of het LOP, zijn beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee]3 aan de ouders van de leerling en aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap bezorgen die melding aan het LOP. Die melding bevat het rijksregisternummer en de identificatiegegevens van de leerlingen en de feitelijke en juridische grond van de weigering. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen over de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en de procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking. De weigeringsdocumenten worden ook, op vraag van de ouders, op papier ter beschikking gesteld.]2
   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model waarmee het schoolbestuur de weigering meedeelt aan de betrokken personen en aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
   [2 [3 Het model, vermeld in het eerste lid, bevat naast de elementen, vermeld in paragraaf 1, al de volgende elementen:]3
   1° de feitelijke en de juridische grond van de beslissing tot weigering;
   2° de informatie over de mogelijkheden voor bemiddeling, eerstelijnsklachten en het indienen van een klacht bij de CLR.]2

   Indien de weigering gebeurde op basis van bereikte capaciteit als vermeld in artikel 253/42 en 253/53, deelt het schoolbestuur[3 f het schoolbestuur dat daartoe gemandateerd is of het gemandateerde LOP]3 mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen opgenomen in het inschrijvingsregister de betrokken leerling staat.
   § 3. De betrokken personen krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.]1

  
Art. 253/57. [1 § 1er. [2 [3 Lorsqu'une autorité scolaire refuse un élève, cette autorité scolaire ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP communique sa décision par écrit ou par voie électronique dans un délai de sept jours calendrier ]3 aux parents de l'élève et aux services compétents de la Communauté flamande via les applications administratives pour l'échange de données d'élèves entre les écoles et le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. Les services compétents de la Communauté flamande transmettent cette notification à la LOP. Cette notification comprend le numéro de registre national et les données d'identification des élèves ainsi que le fondement factuel et juridique du refus. Le Gouvernement flamand peut fixer les règles relatives aux périodes de stockage et aux activités de traitement et les procédures, y compris les mesures visant à assurer un traitement correct, sûr et transparent. Les documents de refus sont également mis à disposition sur papier, à la demande des parents.]2
   § 2. Le Gouvernement flamand détermine le modèle avec lequel l`autorité scolaire communique le refus aux personnes concernées et aux services compétents de la Communauté flamande.
   [2 [3 Le modèle visé à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés au paragraphe 1er, tous les éléments suivants : ]3 :
   1° les fondements factuels et juridiques de la décision de refus ;
   2° les informations sur les possibilités de médiation, les plaintes de première ligne et l'introduction d'une plainte auprès de la CLR.]2

   Si le refus a eu lieu sur la base de l'atteinte de la capacité, telle que visée à l'article 253/42 et à l'article 253/53, l'autorité scolaire [3 ou l'autorité scolaire mandatée à cet effet ou la LOP mandatée]3 communique la place qu'occupe l'élève concerné parmi les élèves refusés repris dans le registre d'inscription.
   § 3. A la demande des personnes concernées, celles-ci obtiennent des éclaircissements portant sur la décision de l'autorité scolaire.]1

  
Afdeling 5. [1 Bemiddelings- en klachtenprocedure]1
Section 5. [1 Procédure de médiation et de plaintes]1
Art. 253/58. [1 Betrokken personen en alle belanghebbenden kunnen vragen om bemiddeling door het LOP, zoals bepaald in artikel 253/59, of een klacht indienen bij de CLR, zoals bepaald in artikel 253/60, wanneer ze niet akkoord zijn met:
   1° een weigering op basis van bereikte capaciteit;
   2° een weigering van inschrijving, op basis van de weigeringsgronden, vermeld in artikel 253/56;
   3° een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/36;
   4° een ontbinding van inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften als vermeld in artikel 253/37.
   Voor de toepassing van artikel 253/59 tot en met artikel 253/61 bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedure. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.]1

  
Art. 253/58. [1 Les personnes concernées et toutes les parties intéressées peuvent demander la médiation de la LOP, conformément à l'article 253/59, ou déposer une plainte auprès de la CLR, conformément à l'article 253/60, si elles ne sont pas d'accord avec :
   1° un refus sur la base de l'atteinte de la capacité ;
   2° un refus d'inscription, sur la base des motifs de refus, visés à l'article 253/56 ;
   3° une désinscription sur la base d'une inscription dans une autre école, telle que visée à l'article 253/36 ;
   4° une annulation de l'inscription d'un élève ayant des besoins d'enseignement spécifiques, tels que visés à l'article 253/37.
   Pour l'application des article s 253/59 à 253/61 inclus, le Gouvernement flamand précise la procédure. Il garantit en ce l'obligation d'audition.]1

  
Art. 253/59. [1 § 1. In geval van een weigering op basis van artikel 253/56, § 4, start het LOP een bemiddeling om een oplossing voor de geweigerde leerling te zoeken. Het LOP organiseert daartoe een bemiddelingscel, waarvan het de samenstelling en de werkingsprincipes bepaalt. [2 In de volgende gevallen start het LOP een bemiddeling als de betrokken personen er uitdrukkelijk om verzoeken:
   1° bij een weigering, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 1° ;
   2° bij een weigering op basis van artikel 253/56, § 1, § 2 en § 3;
   3° bij een ontbinding van de inschrijving, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 4° ;
   4° bij een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school, vermeld in artikel 253/36 en vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 3°.]2

   § 2. [2 [3 Het LOP bemiddelt binnen tien kalenderdagen na het verzoek van de betrokken personen of na de afgifte van het weigeringsdocument, vermeld in artikel 253/57, Ї 1, tussen de leerling en de betrokken personen en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. In geval van bemiddeling bij een ontbinding als vermeld in artikel 253/58, Ї 1, 4А, betrekt het LOP ook de school die de weigering uitschreef. De bemiddeling schort de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in artikel 253/60, Ї 1, tweede lid, op.]3]2
   § 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken [2 over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing of de ontbinding van de inschrijving of de uitschrijving, conform artikel 253/60, § 2]2. De CLR formuleert dit oordeel binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen die ingaat de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2.
   [2 Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of elektronisch verstuurd naar de betrokkenen.]2
   § 4. [2 ...]2
   § 5. [2 ...]2]1

  
Art. 253/59. [1 § 1er. En cas d'un refus sur la base de l'article 253/56, § 4, la LOP entame une médiation pour trouver une solution pour l'élève refusé. La LOP organise à cet effet une cellule de médiation, dont elle fixe la composition et les principes de fonctionnement. [2 Dans les cas suivants, la LOP commence une médiation si les personnes concernées en font la demande expresse :
   1° en cas de refus visé à l'article 253/58, alinéa 1, 1° ;
   2° en cas de refus sur la base de l'article 253/56, §§ 1, 2 et 3 ;
   3° en cas de l'annulation de l'inscription, visée à l'article 253/58, alinéa 1, 4° ;
   4° en cas de désinscription sur la base d'une inscription dans une autre école visée à l'article 253/36 et visée à l'article 253/58, alinéa 1, 3°.]2

   § 2. [2 [3 Dans les dix jours calendrier suivant la demande des personnes concernées ou la remise du document de refus visé à l'article 253/57, § 1er, la LOP intervient en médiateur entre l'élève et les personnes concernées et les autorités scolaires des écoles situées à l'intérieur de sa zone d'action en vue d'une inscription définitive de l'élève dans une école. En cas de médiation lors d'une annulation telle que visée à l'article 253/58, § 1er, 4°, la LOP y associe également l'école qui a émis le refus. La médiation suspend le délai de trente jours calendrier visé à l'article 253/60, § 1er, alinéa 2.]3]2
   § 3. Si la médiation de la LOP dans le délai visé au paragraphe 2 n'aboutit pas à une inscription définitive, la CLR est saisie pour se prononcer [2 sur le bien-fondé de la décision de refus ou de l'annulation de l'inscription ou de la désinscription, conformément à l'article 253/60, § 2]2. La CLR formule ce jugement dans un délai de vingt et un jours calendrier, commençant le lendemain de l'expiration du délai visé au paragraphe 2.
   [2 Le jugement de la CLR est envoyé par écrit ou par la voie électronique aux personnes concernées dans un délai de sept jours calendrier au plus tard.]2
   § 4. [2 ...]2
   § 5. [2 ...]2]1

  
Art. 253/60. [1 § 1. [2 Betrokken personen en andere belanghebbenden kunnen in de volgende gevallen al dan niet na een bemiddelingsprocedure door het LOP of na behandeling door de ombudsdienst inschrijvingen, een schriftelijke klacht indienen bij de CLR:
   1° bij een weigering, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 1° en 2° ;
   2° bij een ontbinding van de inschrijving, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 4° ;
   3° bij een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school, vermeld in artikel 253/36, en vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 3°.
   Klachten die dertig kalenderdagen nadat de betwiste feiten zijn vastgesteld, ingediend worden, zijn onontvankelijk.]2

   § 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de [2 klacht]2.
   [2 Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of elektronisch verstuurd naar de betrokkenen.]2
  [2 In geval van een klacht, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 4°, blijft de leerling ingeschreven in de school tot het oordeel van de CLR aan de betrokkenen kenbaar is gemaakt en wordt de termijn van een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, vermeld in artikel 253/37, § 2, derde lid, ook tot dat moment opgeschort.]2
   § 3. Indien de CLR [2 een weigering, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 1° en 2°, een ontbinding van de inschrijving, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 4°, of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school, vermeld in artikel 253/36, en vermeld in artikel 253/58, eerste lid 3°,]2 gegrond acht, schrijven de betrokken personen de leerling in een andere school in.
   Indien het gaat om [2 een ontbinding van de inschrijving, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 4°]2, schrijven de betrokken personen de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 2, tweede lid. Op vraag van de betrokken personen worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB die deel uitmaken van het LOP.
   § 4. Indien de CLR [2 een weigering, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 1° of 2°, een ontbinding van de inschrijving, vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 4°, of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school, vermeld in artikel 253/36, en vermeld in artikel 253/58, eerste lid, 3°, ]2 niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.]1

  
Art. 253/60. [1 § 1er. [2 Les personnes concernées et autres parties intéressées peuvent, après une procédure de médiation par la LOP ou après examen par le service de médiation " inscriptions " ou non, introduire une plainte écrite auprès de la CLR dans les cas suivants :
   1° en cas d'un refus visé à l'article 253/58, alinéa 1, 1° et 2° ;
   2° en cas d'annulation de l'inscription visée à l'article 253/58, alinéa 1, 4° ;
   3° en cas de désinscription sur la base d'une inscription dans une autre école visée à l'article 253/36 et visée à l'article 253/58, alinéa 1, 3°.
   Des plaintes introduites trente jours calendrier après le constat des faits contestés sont irrecevables.]2

   § 2. La CLR juge du bien-fondé [2 de la plainte]2 dans un délai de vingt et un jours calendrier, prenant cours le lendemain de la signification ou du cachet de la poste de la plainte écrite.
   [2 Le jugement de la CLR est envoyé par écrit ou par la voie électronique aux personnes concernées dans un délai de sept jours calendrier au plus tard.]2
  [2 Dans le cas d'une plainte visée à l'article 253/58, alinéa 1, 4°, l'élève reste inscrit à l'école jusqu'à ce que le jugement de la CLR ait été porté à la connaissance des personnes concernées, et le délai d'un mois, non compris les périodes de vacances visé à l'article 253/37, § 2, alinéa 3, est également suspendu jusqu'à ce moment.]2
   § 3. Si la CLR estime que [2 un refus visé à l'article 253/58, alinéa 1, 1° et 2°, une annulation de l'inscription visée à l'article 253/58, alinéa 1, 4°, ou une désinscription fondée sur une inscription dans une autre école visée à l'article 253/36 et visée à l'article 253/58, alinéa 1, 3°,]2 est fondé, les personnes concernées inscrivent l'élève dans une autre école.
   S'il s'agit [2 d'une annulation de l'inscription visée à l'article 253/58, alinéa 1, 4°]2, les personnes concernées inscrivent l'élève dans une autre école, au plus tard dans un délai de quinze jours calendrier de la notification écrite du jugement de la CLR, visée au paragraphe 2, alinéa deux. A la demande des personnes concernées, elles sont appuyés par la LOP, notamment par les CLB faisant partie de la LOP, lors de la recherche d'une autre école.
   § 4. Si la CLR estime que [2 un refus visé à l'article 253/58, alinéa 1, 1° ou 2°, une annulation de l'inscription visée à l'article 253/58, alinéa 1, 4°, ou une désinscription fondée sur une inscription dans une autre école visée à l'article 253/36 et visée à l'article 253/58, alinéa 1, 3°]2 n'est pas ou insuffisamment motivé, l'élève peut faire valoir son droit à l'inscription dans l'école.]1

  
Art. 253/61. [1 § 1. De CLR kan in een situatie [2 als vermeld in artikel 253/60, § 4]2, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.
   De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.
   § 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.
   Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.
   § 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2:
   1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;
   2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.
   § 4. Onverminderd de toepassing van paragrafen 1 tot en met 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.]1

  
Art. 253/61. [1 § 1er. Dans une situation, [2 telle que visée à l'article 253/60, § 4]2, la CLR peut recommander au Gouvernement flamand de recouvrer ou de retenir un montant sur les moyens de fonctionnement pour l'année scolaire à laquelle se rapportait l'inscription.
   La CLR informe le Gouvernement flamand de cet avis sans délai.
   § 2. Dans un délai de quatorze jours calendrier, commençant le lendemain de la réception de l'avis, le Gouvernement flamand décide sur l'imposition d'une sanction financière, qui peut prendre la forme d'un recouvrement ou d'une retenue sur les moyens de fonctionnement de l'école.
   Préalablement à l'imposition d'une sanction, le Gouvernement flamand vérifie si l'élève intéressé a encore été inscrit dans l'école concernée.
   § 3. Le recouvrement ou la retenue, tels que visés aux paragraphes 1er et 2 :
   1° ne peuvent excéder dix pour cent du budget de fonctionnement de l'école ;
   2° ne peuvent avoir comme effet que la part des moyens de fonctionnement réservée aux matières du personnel est, en chiffres absolus, inférieure à celle qu'il y aurait eu si la mesure n'avait pas été prise.
   § 4. Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er à 3, la CLR peut saisir l'organisme ayant le mandat de mécanisme indépendant en application de l'article 33, § 2, de la convention des NU du 13 décembre 2006 relative aux Droits des Personnes handicapées et en application de l'article 40 du décret du 10 juillet 2008 portant le cadre de la politique flamande de l'égalité des chances et de traitement, du dossier.]1

  
HOOFDSTUK 1/3. [1Specifieke bepalingen over cursisten van het hoger beroepsonderwijs in scholen voor voltijds secundair onderwijs ]1
CHAPITRE 1/3. [1 Dispositions spécifiques relatives aux apprenants de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 dans les écoles d'enseignement secondaire à temps plein ]1
Art. 253/62. [1 Ї 1. In de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs gelden voor cursisten de volgende gezamenlijke toelatingsvoorwaarden:
   1А voldaan hebben aan de leerplicht;
   2А in het bezit zijn van een van de volgende studiebewijzen:
   a) een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2023-2024;
   b) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
   c) een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;
   d) een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
   e) een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;
   f) een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;
   g) een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie;
   h) een certificaat van het hoger beroepsonderwijs;
   i) een diploma van het hoger beroepsonderwijs;
   j) een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
   k) een diploma van bachelor of master;
   l) een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met een van de studiebewijzen, vermeld in punt a) tot en met i). Bij gebrek aan een dergelijke erkenning kan de klassenraad personen die in een land buiten de Europese Unie een studiebewijs hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de opleiding.
   In afwijking van het eerste lid worden in het schoolreglement van de school in kwestie afwijkende toelatingsvoorwaarden voor de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs opgenomen. De afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen alleen rekening houden met de volgende elementen:
   1А humanitaire redenen;
   2А medische, psychische of sociale redenen;
   3А het algemene niveau van de cursist, getoetst met een toelatingsproef die wordt georganiseerd binnen vijf lesdagen nadat de cursist met de opleiding is gestart.
   De organisatie op verzoek van de cursist van een toelatingsproef als vermeld in het tweede lid kan niet worden geweigerd. De proef wordt beoordeeld door de klassenraad, die nagaat of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Van de beoordeling wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat wordt opgenomen in het dossier van de cursist.
  [2 Het schoolreglement van de school in kwestie bevat het vrijstellingenbeleid.]2
  [2 Ї 1/1. De school biedt ten minste het standaardtraject aan, met een studieomvang van 27 tot 33 studiepunten per semester of 54 tot 66 studiepunten per schooljaar.
   Een cursist volgt in de opleiding Basisverpleegkunde:
   1А hetzij het standaardtraject;
   2А hetzij, na een gunstige beslissing van de klassenraad, een traject dat meer of minder studiepunten omvat dan het standaardtraject. Dat afwijkende traject wordt vastgelegd voor een individuele cursist of voor een groep van cursisten.]2

   Ї 2. Om tot een sequentieel geordende module van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs toegelaten te worden, voldoet de cursist aan een van de volgende voorwaarden:
   1А het bezit van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaande module;
   2А het bezit van een studiebewijs van een andere opleidings- of vormingsinstelling. De klassenraad bepaalt welke studiebewijzen toegang geven tot sequentieel geordende modules;
   3А het bezit van een titel van beroepsbekwaamheid als vermeld in het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid en in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid. De Vlaamse Regering bepaalt welke titels van beroepsbekwaamheid toegang geven tot sequentieel geordende modules;
   4А de beoordeling van de klassenraad dat de cursist beschikt over een studiebewijs uit het onderwijs of uit een andere opleidings- of vormingsinstelling waaruit blijkt dat hij over voldoende kennis, vaardigheden en attitudes beschikt om de module aan te vangen;
   5А de beoordeling van de klassenraad op basis van een toelatingsproef dat de cursist de nodige ervaring heeft verworven die toelaat om de module te volgen.
   Een cursist kan maar щщn module tezelfdertijd volgen.]1

  
Art. 253/62. [1 § 1er. Dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5, les conditions communes d'admission suivantes s'appliquent aux apprenants :
   1° avoir rempli l'obligation scolaire ;
   2° être en possession d'un des titres suivants :
   a) un certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, délivré jusqu'à l'année scolaire 2023-2024 ;
   b) un diplôme de l'enseignement secondaire, qualification d'enseignement de niveau 3, délivré à partir de l'année scolaire 2024-2025 ;
   c) un diplôme de l'enseignement secondaire, délivré jusqu'à l'année scolaire 2024-2025 ;
   d) un diplôme de l'enseignement secondaire, qualification d'enseignement de niveau 4, délivré à partir de l'année scolaire 2024-2025 ;
   e) un certificat d'une formation de l'enseignement secondaire de promotion sociale comprenant au moins 900 périodes ;
   f) un certificat d'une formation de l'enseignement secondaire des adultes comprenant au moins 900 périodes ;
   g) un diplôme de l'enseignement supérieur de promotion sociale ;
   h) un certificat de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 ;
   i) un diplôme de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 ;
   j) un diplôme de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice ;
   k) un diplôme de bachelier ou de master ;
   l) un titre reconnu, en vertu d'une norme légale, d'une directive européenne ou d'une convention internationale, comme équivalent à un des titres mentionnés aux points a) à i) inclus. A défaut d'un tel agrément, le conseil de classe d'admission peut autoriser des personnes ayant obtenu un titre dans un pays hors de l'Union européenne qui donne accès à l'enseignement supérieur dans ce pays, à s'inscrire à la formation.
   Par dérogation au § 1er, des conditions divergentes d'admission à la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 sont reprises dans le règlement d'école de l'école en question. Les conditions d'admission divergentes ne peuvent tenir compte que des éléments suivants :
   1° des raisons humanitaires ;
   2° des raisons médicales, psychiques ou sociales ;
   3° le niveau général de l'apprenant, contrôlé au moyen d'une épreuve d'admission organisée endéans les cinq premiers jours de cours de la formation à laquelle l'apprenant s'est inscrit.
   L'organisation d'une épreuve d'admission, visée à l'alinéa 2, demandée par l'apprenant ne peut être refusée. L'épreuve est évaluée par le conseil de classe d'admission, qui vérifie si l'apprenant dispose des savoirs et aptitudes requis pour entamer la formation en question. L'évaluation est coulée dans un rapport écrit, qui sera repris dans le dossier de l'apprenant.
  [2 Le règlement d'école de l'école en question comprend la politique en matière d'exemption. ]2
  [2 § 1/1. L'école offre au moins le parcours standard, avec un volume des études de 27 à 33 crédits par semestre ou de 54 à 66 crédits par année scolaire.
   Dans la formation Soins infirmiers de base, un apprenant suit :
   1° soit le parcours standard ;
   2° soit, après une décision favorable du conseil de classe, un parcours comprenant plus ou moins de crédits que le parcours standard. Ce parcours divergent est établi pour un apprenant individuel ou pour un groupe d'apprenants.]2

   § 2. Les conditions mentionnées ci-après sont fixées pour l'admission de l'apprenant à une subdivision organisée de façon séquentielle de la formation de nursing de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 :
   1° être titulaire du certificat partiel d'une subdivision précédente organisée de façon séquentielle ;
   2° être titulaire d'un titre d'un autre établissement de formation. Le conseil de classe d'admission stipule quels titres donnent accès à des subdivisions organisées de façon séquentielle ;
   3° être titulaire d'un titre de compétence professionnelle, tel que visé au décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005 portant exécution du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle. Le Gouvernement flamand détermine les titres de compétence professionnelle donnant accès à des subdivisions organisées de manière séquentielle ;
   4° le conseil de classe d'admission juge que l'apprenant est porteur d'un titre de l'enseignement ou d'un autre établissement de formation dont il ressort, qu'il dispose de suffisamment de savoirs, d'aptitudes et d'attitudes pour entamer la subdivision ;
   5° le conseil de classe d'admission juge, au vu d'une épreuve d'admission, que l'apprenant a acquis l'expérience requise qui lui permet de suivre la subdivision.
   Un apprenant ne peut suivre qu'un module à la fois.]1

  
Art. 253/63. [1 Ї 1. [2 "In afwijking van artikel 112, eerste lid, 9А, bevat het schoolreglement het evaluatiebeleid met betrekking tot de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, met inbegrip van de mogelijkheden om tekorten zo nodig weg te werken.
   In de opleiding Basisverpleegkunde beslist de klassenraad, na evaluatie, of een cursist een opleidingsonderdeel hetzij met vrucht, hetzij met tekorten heeft beыindigd.
   [3 Voor een cursist die wordt uitgeschreven zonder de opleiding met vrucht te hebben beëindigd, reikt de school een document uit dat bewijst welke opleidingsonderdelen met vrucht werden beëindigd. Dit bewijs is de erkenning van het feit dat een cursist de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven]3.
   Aan een cursist die de eerste 60 studiepunten van de opleiding met vrucht heeft beыindigd, wordt het bewijs van de beroepskwalificatie zorgkundige toegekend.]2
.
   Het schoolbestuur kent de graad van gegradueerde in de basisverpleegkunde toe aan de cursist die geslaagd is voor de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.
   Bij het diploma van gegradueerde in de basisverpleegkunde wordt een diplomasupplement uitgereikt. Dat is een document dat de inhoud van de studies van de cursist en de structuur van het onderwijs in het land waar de cursist gestudeerd heeft, verduidelijkt. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm van het diploma, de inhoud van het diplomasupplement en, eventueel, nadere voorwaarden voor de uitreiking ervan.
   Aan cursisten die houder zijn van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, kent het schoolbestuur naast het diploma van gegradueerde in de basisverpleegkunde, de volgende twee diploma's toe:
   1А uiterlijk in het schooljaar 2024-2025: het diploma van secundair onderwijs;
   2А vanaf het schooljaar 2025-2026: het diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4.
   Ї 2. In de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs beslist de klassenraad aan het einde van een module of een cursist hetzij geslaagd is zonder beperkingen, hetzij niet geslaagd is. Als de cursist geslaagd is, wordt een deelcertificaat toegekend.
   Het schoolbestuur kent de graad van gegradueerde in de verpleegkunde toe aan de cursist die geslaagd is voor alle modules van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.
   Bij het diploma van gegradueerde in de verpleegkunde wordt een diplomasupplement uitgereikt. Dat is een document dat de inhoud van de studies van de cursist en de structuur van het onderwijs in het land waar de cursist gestudeerd heeft, verduidelijkt. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het diplomasupplement en, eventueel, nadere voorwaarden voor de uitreiking ervan.
   Aan cursisten die houder zijn van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, kent het schoolbestuur naast het diploma van gegradueerde in de verpleegkunde, de volgende twee diploma's toe:
   1А uiterlijk in het schooljaar 2024-2025: het diploma van secundair onderwijs;
   2А vanaf het schooljaar 2025-2026: het diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4.
   Ї 3. Tegen een beslissing van de klassenraad die door de betrokken cursist wordt betwist, kan beroep worden ingesteld overeenkomstig de procedure die is opgenomen in het schoolreglement, vermeld in artikel 112.
   Ї 4. Iedereen die in het bezit is van het diploma van gegradueerde in de verpleegkunde blijft gerechtigd om de titel van `verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg' te voeren.]1

  
Art. 253/63. [1 § 1er. [2 Par dérogation à l'article 112, alinéa 1er, 9°, le règlement d'école comprend la politique d'évaluation relative à la formation Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO5, y compris les possibilités de combler les lacunes si nécessaire.
   Dans la formation Soins infirmiers de base, le conseil de classe décide, après une évaluation, si un apprenant a terminé une subdivision de formation soit avec fruit, soit avec des lacunes.
   [3 A l'apprenant qui est désinscrit sans avoir terminé avec fruit la formation, l'école délivre un document attestant les subdivisions de formation qu'il a terminées avec fruit. Cette preuve est la reconnaissance du fait qu'un apprenant a acquis les compétences associées à une subdivision de formation]3.
   Un apprenant qui a terminé avec fruit les 60 premiers crédits de la formation, se voit attribuer l'attestation de qualification professionnelle d'aide-soignant. ]2
.
   L'autorité scolaire octroie le grade de gradué en assistant en soins infirmiers à l'apprenant ayant réussi la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5.
   Le diplôme de gradué en soins infirmiers de base est assorti d'un supplément au diplôme. Il s'agit d'un document expliquant le contenu des études de l'apprenant et la structure de l'enseignement dans le pays où l'apprenant a fait les études en question. Le Gouvernement flamand détermine la forme du diplôme, le modèle du supplément au diplôme, ainsi que, le cas échéant, les modalités de délivrance.
   Outre le diplôme de gradué en soins infirmiers de base, l'autorité scolaire octroie aux apprenants qui sont titulaires d'un certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire, les deux diplômes suivants :
   1° au plus tard dans l'année scolaire 2024-2025 : le diplôme de l'enseignement secondaire ;
   2° à partir de l'année scolaire 2025-2026 : le diplôme de l'enseignement secondaire, certification d'enseignement de niveau 4.
   § 2. Dans la formation de nursing de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5, le conseil de classe décide à la fin d'un module si un apprenant a soit réussi sans limitations, soit échoué. Si l'apprenant a réussi, un certificat partiel est délivré.
   L'autorité scolaire octroie le grade de gradué en art infirmier à l'apprenant ayant réussi tous les modules de la formation de nursing de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5.
   Le diplôme de gradué en art infirmier est assorti d'un supplément au diplôme. Il s'agit d'un document expliquant le contenu des études de l'apprenant et la structure de l'enseignement dans le pays où l'apprenant a fait les études en question. Le Gouvernement flamand fixe le modèle du supplément au diplôme, ainsi que, le cas échéant, les modalités de délivrance.
   Outre le diplôme de gradué en art infirmier, l'autorité scolaire octroie aux apprenants qui sont titulaires d'un certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire, les deux diplômes suivants :
   1° au plus tard dans l'année scolaire 2024-2025 : le diplôme de l'enseignement secondaire ;
   2° à partir de l'année scolaire 2025-2026 : le diplôme de l'enseignement secondaire, certification d'enseignement de niveau 4.
   § 3. Un recours est ouvert contre une décision du conseil de classe qui est contestée par l'apprenant intéressé, conformément à la procédure prévue dans le règlement d'école, visée à l'article 112.
   § 4. Toute personne titulaire du diplôme de gradué en art infirmier conserve le droit de porter le titre d' " infirmier responsable de soins généraux ". ]1

  
HOOFDSTUK 2.
CHAPITRE 2.
HOOFDSTUK 3. - [1 Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs]1
Chapitre 3. [1 Jury de la Communauté flamande pour l'enseignement secondaire]1
Art. 256/1. [1 Bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt een "examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs" opgericht, hierna de "examencommissie" genoemd, die samengesteld wordt door en onder de leiding valt van de leidend ambtenaar van de instantie aan wie de organisatie van de examencommissie is opgedragen.
  De examencommissie stelt een [2 examenreglement]2 op en maakt dit bekend.]1

  
Art. 256/1. [1 Il est créé auprès du Ministre flamand de l'Enseignement et de la Formation "un jury de la Communauté flamande pour l'enseignement secondaire", appelé ci-après "le jury", qui est composé par et tombe sous la direction du fonctionnaire dirigeant de l'instance à laquelle l'organisation du jury a été conférée.
  [2 règlement des examens]2 règlement de fonctionnement et le communique.]1

  
Art. 256/2. [1 De examencommissie is bevoegd voor uitreiking van de volgende studiebewijzen die van rechtswege gelden:
   1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;
   2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
   3° het diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3;
   4° het diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4;
   5° een bewijs van slagen voor de basisvorming van de derde graad van de doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit of arbeidsmarktfinaliteit;
   6° een bewijs van beroepskwalificatie.
   In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder basisvorming: het deel van het examenprogramma dat gemeenschappelijk is voor alle studierichtingen van de derde graad doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit respectievelijk arbeidsmarktfinaliteit.
   De examencommissie organiseert daartoe op permanente basis examens.]1

  
Art. 256/2. [1 Le jury est compétent pour la délivrance des titres suivants, valables de plein droit :
   1° le certificat du premier degré de l'enseignement secondaire ;
   2° le certificat du deuxième degré de l'enseignement secondaire ;
   3° le diplôme de l'enseignement secondaire, qualification d'enseignement de niveau 3 ;
   4° le diplôme de l'enseignement secondaire, qualification d'enseignement de niveau 4 ;
   5° une preuve de réussite à la formation de base du troisième degré de la finalité transition, de la double finalité ou de la finalité marché du travail ;
   6° une certification professionnelle.
   Dans l'alinéa 1er, 5°, on entend par formation de base : la partie du programme d'examens qui est commune à toutes les orientations d'études du troisième degré finalité transition, double finalité, respectivement finalité marché du travail.
   A cette fin, le jury organise des examens sur une base permanente.]1

  
Art. 256/3. [1 § 1. [3 Onverminderd de examens die leiden tot het bewijs, vermeld in artikel 256/2, eerste lid, 5°, bepaalt de examencommissie over welke structuuronderdelen en onderliggende beroepskwalificaties van het voltijds secundair onderwijsaanbod, die de Vlaamse Regering vastlegt, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel en per onderliggende beroepskwalificatie ten minste rekening met de hiernavolgende criteria:
   1° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;
   2° de financiële kost van de organisatie van de examens;
   3° het te verwachten aantal inschrijvingen van kandidaten;
   4° de mate waarin een doorsnee kandidaat er zelfstandig in slaagt om zich afdoende op het examenprogramma voor te bereiden]3
.
  § 2. [4 Het examenprogramma voor een structuuronderdeel is opgebouwd uit vakken en wordt ontwikkeld door de examencommissie. Voor structuuronderdelen die leiden tot een onderwijskwalificatie wordt bij de ontwikkeling rekening gehouden met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Voor structuuronderdelen die niet leiden tot een onderwijskwalificatie, worden als referentiekader voor de ontwikkeling, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden, vermeld in Vlaamse regelgeving, gehanteerd]4.
  § 3. [2 In afwijking van paragraaf 1 en 2 [4 ...]4 bestaat, voor wat betreft de examens tot het behalen van een getuigschrift van de eerste graad, het examenprogramma uit de basisvorming van de A- stroom of de basisvorming van de B-stroom, naargelang van de keuze van de kandidaat.]2]1

  
Art. 256/3. [1 § 1er. [3 Sans préjudice des examens conduisant à la preuve visée à l'article 256/2, alinéa 1er, 5°, le jury fixe les subdivisions structurelles et les qualifications professionnelles sous-jacentes de l'offre de l'enseignement secondaire à temps plein, fixées par le Gouvernement flamand, sur lesquelles des examens peuvent être passés. Par subdivision structurelle et par qualification professionnelle sous-jacente, le jury tient au moins compte des critères suivants :
   1° la faisabilité technique et pratique de l'organisation des examens ;
   2° le coût financier de l'organisation des examens ;
   3° le nombre envisagé d'inscriptions de candidats ;
   4° la mesure dans laquelle un candidat moyen réussit de manière autonome à se préparer adéquatement sur le programme d'examen]3
.
  § 2. [4 Le programme d'examen pour une subdivision structurelle est composé de cours et est développé par le jury. Pour les subdivisions structurelles menant à une qualification d'enseignement, leur élaboration tient compte des qualifications d'enseignement décrites en vertu du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. Pour les subdivisions structurelles qui ne mènent pas à une qualification d'enseignement, les objectifs ou les contenus d'apprentissage minimaux visés à la réglementation flamande sont utilisés comme cadre de référence pour le développement ou, le cas échéant, pour les objectifs finaux]4.
  § 3. [2 Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 [4 ...]4 le programme d'examen consiste, en ce qui concerne les examens pour l'obtention d'un certificat du premier degré, de la formation de base de la filière A ou de la formation de base de la filière B, selon le choix du candidat.]2]1

  
Art. 256/4. [1 § 1. Een inschrijving voor deelname aan de examens is rechtsgeldig als de kandidaat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet :
  1° de kandidaat schrijft zich elektronisch in;
  2° de kandidaat betaalt het inschrijvingsgeld, vastgesteld op 30 euro;
  3° de kandidaat neemt deel aan een voorafgaande informatiesessie, behalve als de examencommissie daarvoor een vrijstelling verleend heeft.
  De examencommissie regelt de praktische uitvoeringsbepalingen met betrekking tot die voorwaarden.
  Het bedrag, vermeld in 2°, wordt [2 jaarlijks vanaf 1 november]2 als volgt aangepast : het bedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.
  § 2. Het inschrijvingsgeld geldt voor het geheel van de examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen.
  § 3. Onwettige afwezigheid op examens wordt van rechtswege gelijkgesteld met uitschrijving. De resterende examens kunnen pas worden afgelegd als opnieuw voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
  § 4. Voor een examen over hetzelfde vak kan een kandidaat zich per jaar maximaal drie keer inschrijven.
  § 5. Zolang niet alle examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen, zijn afgelegd, blijft het resultaat voor een afgelegd examen geldig gedurende zeven kalenderjaren, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het resultaat.]1

  [2 § 6. De examencommissie kan de volgorde bepalen waarin vakken van een examenprogramma of onderdelen van eenzelfde vak van een examenprogramma moeten worden afgelegd.]2
  
Art. 256/4. [1 § 1er. Une inscription pour participation aux examens est valable si le candidat répond aux conditions suivantes :
  1° le candidat s'inscrit de manière électronique;
  2° le candidat paie le droit d'inscription, fixé à 30 euros;
  3° le candidat participe à une session d'informations précédente, sauf si le jury en a accordé une exemption.
  Le jury arrête les dispositions d'exécution pratiques relatives à ces conditions.
  Le montant, visé au 2°, est adapté [2 annuellement à partir du 1er novembre]2 : le montant est multiplié par l'indice de santé du mois de septembre de l'année calendaire concernée et divisé par l'indice de santé du mois de septembre 2012. Le résultat de ce calcul est arrondi à l'unité inférieure si le chiffre après la virgule est moins de cinq et arrondi à l'unité supérieure si le chiffre après la virgule est cinq ou plus.
  § 2. Le droit d'inscription est valable pour l'ensemble des examens pour obtenir un certificat ou un diplôme dans une certaine subdivision structurelle.
  § 3. Une absence non justifiée aux examens est assimilée de droit à une désinscription. Les examens restants ne peuvent être passés que s'il est satisfait aux conditions, visées au paragraphe 1er.
  § 4. Pour un examen sur le même cours, le candidat peut s'inscrire trois fois par an au maximum.
  § 5. Tant que tous les examens pour obtenir un certificat ou un diplôme dans une certaine subdivision structurelle ne sont pas passés, le résultat pour un examen subi reste valable pendant sept années calendaires, à compter de la date de la notification du résultat.]1

  [2 § 6. Le jury peut déterminer l'ordre dans lequel des branches d'un programme d'examens ou des subdivisions d'une même branche d'un programme d'examens doivent être subies.]2
  
Art. 256/5. [1 De examencommissie stelt intern een subcommissie samen die bevoegd is voor het verlenen van vrijstelling van examen over bepaalde vakken aan een kandidaat die het bewijs levert van kennis van de desbetreffende leerinhouden.]1
  
Art. 256/5. [1 Le jury compose une sous-commission interne qui est compétente pour l'octroi d'une dispense d'examens dans certains cours à un candidat qui fournit la preuve de connaissances des contenus didactiques concernés.]1
  
Art. 256/6. [1 De examencommissie beslist autonoom over de vorm waaronder examens worden georganiseerd en over de cijfermatige normen per structuuronderdeel om als geslaagd te worden beschouwd. Deze normen zijn uniform voor alle kandidaten.
  De examencommissie voorziet in een interne beroepsmogelijkheid voor de kandidaat tegen een omstreden beslissing "niet geslaagd". Het beroepsorgaan heeft volheid van bevoegdheid. Bij mededeling aan de kandidaat van de beslissing "niet geslaagd" wordt op de mogelijkheid tot beroep en op de overeenkomstige procedure gewezen.]1

  
Art. 256/6. [1 Le jury décide de façon autonome sur la forme sous laquelle des examens sont organisés et sur les normes chiffrés par division structurelle pour être considéré comme ayant réussi. Ces normes sont uniformes pour tous les candidats.
  Le jury prévoit dans une possibilité de recours interne pour la candidat contre une décision contestée "non réussi". L'organe de recours dispose de la plénitude des compétences. Lors de la communication au candidat de la décision "non réussi", il est informé de la possibilité de recours et à la procédure correspondante.]1

  
Art. 256/7. [1 Voor de samenstelling van de examencommissie door de leidend ambtenaar van de instantie aan wie de organisatie van de examencommissie is opgedragen, gelden de hiernavolgende voorwaarden :
  1° de betrokken instantie stelt competentieprofielen op die variëren naargelang van de aard van de prestaties van de medewerkers. Hoe dan ook bepaalt elk competentieprofiel, met uitzondering van dat van toezichter, dat de medewerker moet beschikken over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, zoals door de Vlaamse Regering bepaald voor het onderwijzend personeel van het gefinancierd of gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs;
  2° de oproep tot kandidaat-medewerkers wordt ten minste via de website van de betrokken instantie bekendgemaakt telkens er plaatsen te begeven zijn;
  3° de betrokken instantie selecteert de medewerkers door toetsing van het individuele profiel aan het competentieprofiel ten minste op basis van interviews;
  4° de lijst van de geselecteerde medewerkers wordt via de website van de betrokken instantie gepubliceerd.]1

  
Art. 256/7. [1 Pour la composition du jury par le fonctionnaire dirigeant de l'instance à laquelle est conférée l'organisation du jury, les conditions suivantes sont d'application :
  1° l'instance concernée établit les profils des compétences qui varient selon la nature des prestations des collaborateurs. En tout cas, chaque profil de compétences, à l'exception du profil de surveillant, stipule que le collaborateur doit disposer d'un titre jugé requis suffisant, tel que fixé par le Gouvernement flamand pour le personnel enseignant de l'enseignement secondaire à temps plein financé ou subventionné;
  2° l'appel aux candidats-collaborateurs est au moins publié sur le site web de l'instance concernée chaque fois qu'il y a des vacances;
  3° l'instance concernée sélectionne les collaborateurs par comparaison du profil individuel au profil de compétences, au moins sur la base d'interviews;
  4° la liste des collaborateurs sélectionnés est publiée sur le site web de l'instance concernée.]1

  
Art. 256/8. [1 Aan de medewerkers van de examencommissie, uitgezonderd zij die met een verlof wegens bijzondere opdracht bij de examencommissie zijn tewerkgesteld zoals vermeld in het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeel Gemeenschapsonderwijs en het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeel gesubsidieerd onderwijs, worden de volgende vergoedingen toegekend :
  1° [2 ...]2
  2° examinator, belast met het afnemen van examens : 15 euro per uur;
  3° corrector, belast met het verbeteren van schriftelijke examens : 15 euro per uur;
  4° toezichter, belast met het toezicht op het verloop van schriftelijke examens : 10 euro per uur.
  Deze bedragen worden [3 jaarlijks vanaf 1 november]3 als volgt aangepast : de bedragen worden vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.]1

  
Art. 256/8. [1 Aux collaborateurs du jury, à l'exception de ceux en congé pour mission spéciale employés auprès du jury, tel que visé au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire et au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, sont octroyées les indemnités suivantes :
  1° [2 ...]2
  2° examinateur, chargé de faire subir les examens : 15 euros par heure;
  3° examinateur, chargé de la correction des examens écrits : 15 euros par heure;
  4° surveillant, chargé de la surveillance sur le déroulement d'examens écrits : 10 euros par heure.
  Ces montants sont adaptés [3 annuellement à partir du 1er novembre]3 de manière suivante : les montants sont multipliés par l'indice de santé du mois de septembre de l'année calendaire concernée et divisés par l'indice de santé du mois de septembre 2012. Le résultat de ce calcul est arrondi à l'unité inférieure si le chiffre après la virgule est moins de cinq et arrondi à l'unité supérieure si le chiffre après la virgule est cinq ou plus.]1

  
Art. 256/9. [1 De examencommissie stelt een jaarverslag op dat wordt ingediend bij de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement.]1
  
Art. 256/9. [1 Le jury établit un rapport annuel qui est transmis au Gouvernement flamand et au Parlement flamand.]1
  
Art. 256/10. [1 De examencommissie wordt om de vijf jaar geëvalueerd door de onderwijsinspectie. Het evaluatieverslag, met eventuele voorstellen tot bijsturing, wordt bezorgd aan de Vlaamse Regering.]1
  
Art. 256/10. [1 Le jury est évalué tous les cinq ans par l'inspection de l'enseignement. Le rapport d'évaluation, avec des propositions d'adaptation éventuelles, est transmis au Gouvernement flamand.]1
  
HOOFDSTUK 4. [1 - Screening niveau onderwijstaal]1
CHAPITRE 4. [1 - Screening niveau langue d'enseignement]1
Art. 256/11. [2 § 1.]2 [1 Voor elke leerling die voor het eerst in het voltijds gewoon secundair onderwijs instroomt, voert de school een verplichte screening uit die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden en gebeurt met een valide en betrouwbaar screeningsinstrument.
   Indien de resultaten van deze screening daar aanleiding toe geven, treft de school maatregelen die aansluiten bij de beginsituatie en de specifieke noden van de betrokken leerling inzake de onderwijstaal.]1

  [2 § 2. In afwijking van paragraaf 1, is de screening niet verplicht voor een anderstalige nieuwkomer zoals bepaald in artikel 3, 2° /1. Voor deze leerling treft de school in elk geval maatregelen die aansluiten bij zijn beginsituatie en zijn specifieke noden inzake de onderwijstaal.]2
  
Art. 256/11. [2 § 1er.]2 [1 Pour chaque élève qui entre pour la première fois dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, l'école effectue un screening obligatoire, afin de déterminer le niveau de l'élève en ce qui concerne la langue d'enseignement. Ce screening ne peut jamais être effectué avant l'inscription de l'élève et se fait au moyen d'un instrument de screening valide et fiable.
   Si les résultats du screening y donnent lieu, l'école prend des mesures qui s'alignent sur la situation initiale et les besoins spécifiques de l'élève concerné au niveau de la langue d'enseignement.]1

  [2 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le screening n'est pas obligatoire pour un primo-arrivant allophone tel que visé à l'article 3, 2° /1. Pour cet élève, l'école prend en tout cas des mesures qui s'alignent sur sa situation initiale et ses besoins spécifiques en matière de langue d'enseignement.]2
  
DEEL V. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS
PARTIE V. - DISPOSITIONS SPECIFIQUES RELATIVES A L'ENSEIGNEMENT SECONDAIRE SPECIAL
TITEL 1. [1 - BEGRIPPEN]1
TITRE 1er. [1 - DEFINITIONS]1
Art. 257. [1 Voor de toepassing van dit deel V wordt verstaan onder:
   1° klassenraad: geheel van leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het medisch, paramedisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel die voorzien in het onderwijs en de opvoeding van de leerlingen en de verantwoordelijkheid dragen voor de klas. De klassenraad wordt voorgezeten door de directeur of zijn afgevaardigde;
   2° pedagogische eenheid: leerlingen, behorende tot eenzelfde of tot verschillende types van buitengewoon onderwijs, tijdelijk of permanent gegroepeerd om opvoeding en onderwijs te krijgen aangepast aan hun onderwijsbehoeften.]1

  
Art. 257. [1 Pour l'application de la présente partie V, on entend par :
   1° conseil de classe : l'ensemble des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel médical, paramédical, psychologique, orthopédagogique et social qui pourvoient à l'enseignement et l'éducation des élèves et qui ont la responsabilité de la classe. Le conseil de classe est présidé par le directeur ou son délégué ;
   2° unité pédagogique : les élèves appartenant au même ou à différents types d'enseignement spécial, regroupés temporairement ou en permanence pour recevoir une éducation et un enseignement adaptés à leurs besoins éducatifs.]1

  
TITEL 2. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2, 3 EN 4
TITRE 2. - DISPOSITIONS COMMUNES RELATIVES AUX FORMES D'ENSEIGNEMENT 1, 2, 3 ET 4
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende scholen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
CHAPITRE 1er. - Dispositions communes relatives aux formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
Afdeling 1. - Structuur en organisatie
Section 1. - Structure et organisation
Art. 259. [1 § 1. Het buitengewoon secundair onderwijs wordt onderscheiden in de volgende types:
   1° type basisaanbod, voor jongeren voor wie de onderwijsbehoeften dermate zijn en aantoonbaar blijkt dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling te kunnen blijven meenemen binnen een gemeenschappelijk curricu- lum in een school voor gewoon onderwijs;
   2° type 2, voor jongeren met een verstandelijke beperking.
   Jongeren met een verstandelijke beperking voldoen aan alle onderstaande criteria:
   a) ze hebben significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest [3 dat twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdsgenoten]3, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;
   b) ze hebben significante beperkingen in het [3 adaptief gedrag]3, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor [3 adaptief gedrag]3, die [3 twee of meer]3 standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;
   c) de functioneringsproblemen zijn ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar;
   d) het besluit "verstandelijke beperking" wordt genomen na een periode van procesdiagnostiek;
   3° type 3, voor jongeren met een emotionele of gedragsstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.
   Jongeren met een emotionele of gedragsstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
   a) een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit;
   b) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis;
   c) de gedragsstoornis in enge zin, `conduct disorder';
   d) een angststoornis;
   e) een stemmingsstoornis;
   f) een hechtingsstoornis;
   4° type 4, voor jongeren met een motorische beperking.
   Jongeren met een motorische beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke medische diagnostiek, een uitval wordt vastgesteld in de neuromusculoskeletale en beweginggerelateerde functies, meer bepaald:
   a) de functies van gewrichten en beenderen;
   b) de spierfuncties, meer bepaald de spierkracht, de tonus en het uithoudingsvermogen, met gedeeltelijke of volledige uitval van:
   1) een van de of beide bovenste of onderste ledematen;
   2) de linkerzijde, de rechterzijde of beide zijden;
   3) de romp;
   4) overige;
   c) de bewegingsfuncties;
   d) een door medische diagnostiek geobjectiveerde problematiek met weerslag op het beweginggerelateerd functioneren die niet terug te brengen is tot criterium a) tot en met c) maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
   5° type 5, voor jongeren die opgenomen zijn in een [4 ...]4 ziekenhuis, een residentiele setting of verblijven in een preventorium.
   De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de residentiële setting moet voldoen opdat er een school voor buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, aan verbonden kan zijn.
   Jongeren in type 5 beantwoorden aan alle onderstaande voorwaarden:
   a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding laat het niet toe dat de jongeren voltijds in een school aanwezig zijn;
   b) de jongeren hebben behoefte aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in de residentiële omgeving verstrekt wordt;
   6° type 6, voor jongeren met een visuele beperking.
   Jongeren met een visuele beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke oogheelkundige diagnostiek een gezichtsstoornis werd vastgesteld die beantwoordt aan minstens een van de volgende criteria:
   a) een optimaal gecorrigeerde gezichtsscherpte die kleiner dan of gelijk aan 3/10 voor het beste oog is;
   b) een of meer gezichtsvelddefecten die meer dan 50% van de centrale zone van 30° beslaan of die het gezichtsveld concentrisch tot minder dan 20° verkleinen;
   c) een volledige altitudinale hemianopsie, een oftalmoplegie, een oculomotorische apraxie of een oscillopsie.
   Onder altitudinale hemianopsie wordt verstaan: halfzijdige blindheid of blindheid in de helft van het gezichtsveld met verschillende varianten die door hersenbeschadiging veroorzaakt is.
   Onder oculomotorische apraxie wordt verstaan: het niet kunnen fixeren van de ogen op één voorwerp en het niet kunnen volgen van bewegende voorwerpen.
   Onder oftalmoplegie wordt verstaan: verlamming van de oogspieren.
   Onder oscillopsie wordt verstaan: subjectieve instabiliteit van het gezichtsveld of het symptoom waarbij het beeld dat iemand van de omgeving heeft, beweegt zodra het hoofd wordt bewogen;
   d) een ernstige gezichtsstoornis die uit een geobjectiveerde cerebrale pathologie voortvloeit, zoals cerebrale visuele inperking;
   e) een door een oogarts geobjectiveerde visuele problematiek die niet tot criterium a) tot en met d) terug te brengen is, maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
   7° type 7, voor jongeren met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis.
   Jongeren met een auditieve beperking zijn jongeren die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria:
   a) volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie;
   b) als de Fletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker-klinker- medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte;
   c) een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium a) of b), maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.
   Jongeren met een spraak- of taalstoornis zijn jongeren zonder een verstandelijke beperking, zoals bepaald in 2°, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team, met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie wordt vastgesteld;
   8° type 9, voor jongeren met een autismespectrumstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.
   Jongeren met een autismespectrumstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
   a) de autistische stoornis;
   b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.
   § 2. Het buitengewoon secundair onderwijs wordt onderscheiden in de volgende opleidingsvormen, waarin telkens bepaalde types afzonderlijk of gezamenlijk kunnen worden georganiseerd:
   1° opleidingsvorm 1, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en in voorkomend geval op arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is. Jongeren met een [5 IAC-verslag]5 voor type 2, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 1;
   2° opleidingsvorm 2, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en op tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is. Jongeren met een verslag voor type 2, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 2;
   3° opleidingsvorm 3, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren en op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu. Jongeren met een verslag voor type basisaanbod, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 3;
   4° opleidingsvorm 4, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren, al dan niet in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, en op het aanvatten, binnen de context van het gemeenschappelijk curriculum, van vervolgonderwijs of op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, al dan niet met ondersteuning. Jongeren met een [5 OV4-verslag ]5 voor type 3, 4, 5, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 4.
   § 3. De Vlaamse Regering legt diagnostische protocollen vast voor de oriëntering naar de types als vermeld in § 1, 2° tot 8°.
   § 4. [3 [5 ...]5]3]1

  
Art. 259. [1 § 1er. Dans l'enseignement secondaire spécial, il y a lieu de distinguer les types suivants :
   1° type offre de base, destiné aux jeunes dont les besoins éducatifs sont tels et pour lesquels il s'avère que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires sont soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir continuer à assurer pour l'élève un programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire ;
   2° type 2, destiné aux jeunes atteints d'un handicap mental.
   Les jeunes atteints d'un handicap mental satisfont à tous les critères ci-dessous :
   a) ils sont significativement limités dans leur fonctionnement intellectuel, ce qui se manifeste, sur la base d'un examen psychodiagnostique, dans un quotient intellectuel total [3 se trouvant à deux déviations standard ou plus au-dessous de la moyenne par [5 rapport IAC]5 à un groupe de référence de compagnons d'âge]3 sur un test d'intelligence standardisé et normé, compte tenu de l'intervalle de fiabilité ;
   b) ils sont significativement limités dans leur [3 comportement adaptatif]3, ce qui se manifeste sur la base d'un examen psychodiagnostique dans un résultat à une échelle standardisée et normée de [3 comportement adaptatif]3 se trouvant [3 à deux déviations standard ou plus]3 au-dessous de la moyenne par [5 rapport IAC]5 à un groupe de référence de compagnons d'âge, compte tenu de l'intervalle de fiabilité ;
   c) les problèmes de fonctionnement se sont manifestés avant l'âge de 18 ans ;
   d) la décision " handicap mental " est prise après une période de diagnostic du processus ;
   3° type 3, destiné aux jeunes atteints d'un trouble émotionnel ou du comportement n'ayant pas de handicap mental tel que visé au point 2°.
   Des jeunes atteints d'un trouble émotionnel ou du comportement sont des jeunes chez lesquels une des problématiques suivantes est constatée sur la base d'un diagnostic spécialisé, en ce compris un examen psychiatrique, établi par une équipe multidisciplinaire :
   a) un trouble de déficit de l'attention avec hyperactivité ;
   b) un trouble du comportement oppositionnel avec provocation ;
   c) un trouble du comportement au sens strict, " conduct disorder " ;
   d) un trouble d'anxiété ;
   e) un trouble de l'humeur ;
   f) un trouble de l'attachement ;
   4° type 4, destiné aux jeunes atteints d'un handicap moteur.
   Des jeunes atteints d'un handicap moteur sont des jeunes chez lesquels il est constaté, sur la base d'un diagnostic médical spécifique, une défaillance des fonctions neuro-musculo-squelettiques et liées aux mouvements, notamment :
   a) les fonctions des articulations et os ;
   b) les fonctions musculaires, notamment la force musculaire, le tonus et la résistance, avec une défaillance partielle ou totale :
   1) d'un ou des deux membres supérieurs ou inférieurs ;
   2) du côté gauche, du côté droit ou des deux côtés ;
   3) du tronc ;
   4) autres ;
   c) les fonctions motrices ;
   d) une problématique objectivée par un diagnostic médical ayant une répercussion sur le fonctionnement lié aux mouvements et ne pouvant être ramenée aux critères a) à c) inclus, mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires ;
   5° type 5, destiné aux jeunes admis dans un hôpital [4 ...]4, une structure résidentielle ou séjournant dans un préventorium.
   Le Gouvernement fixe les conditions auxquelles la structure résidentielle doit satisfaire pour qu'une école d'enseignement spécial de la forme d'enseignement 4 type 5 puisse y être rattachée.
   Les jeunes de type 5 satisfont à toutes les conditions mentionnées ci-après :
   a) l'accueil ou l'accompagnement médical, psychiatrique ou résidentiel n'admet pas la présence à temps plein des jeunes à l'école ;
   b) les jeunes ont besoin d'une offre individuelle ou individualisée qui soit dispensée dans l'environnement résidentiel ;
   6° type 6, destiné aux jeunes atteints d'un handicap visuel.
   Des jeunes atteints d'un handicap visuel sont des jeunes chez lesquels il a été constaté, sur la base d'un diagnostic oculochirurgical spécifique, un trouble de la vue répondant à au moins un des critères suivants :
   a) une acuité visuelle optimalement corrigée inférieure ou égale à 3/10 au meilleur oeil ;
   b) une ou plusieurs défaillances du champ visuel occupant plus de 50 % de la zone centrale de 30° ou réduisant le champ visuel de façon concentrique à moins de 20° ;
   c) une hémianopsie altitudinale complète, une ophtalmoplégie, une apraxie oculomotrice ou une oscillopsie.
   Par hémianopsie altitudinale il faut entendre : cécité unilatérale ou cécité dans la moitié du champ visuel avec différentes variantes, causée par un endommagement cérébral.
   Par apraxie oculomotrice il faut entendre : ne fait de ne pas pouvoir fixer les yeux sur un seul objet et de ne pas pouvoir suivre des objets mouvants.
   Par ophtalmoplégie il faut entendre : paralysie des muscles oculaires.
   Par oscillopsie il faut entendre : instabilité subjective du champ visuel ou symptôme de voir bouger l'environnement, lorsqu'on bouge la tête ;
   d) un sérieux trouble visuel résultant d'une pathologie cérébrale objectivée, telle qu'une limitation visuelle cérébrale ;
   e) une problématique visuelle objectivée par un ophtalmologue, ne pouvant pas être ramenée aux critères a) à d) inclus, mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires ;
   7° type 7, destiné aux jeunes atteints d'un handicap auditif ou souffrant d'un trouble du langage ou linguistique.
   Des jeunes atteints d'un handicap auditif sont des jeunes qui, sur la base d'un examen audiologique effectué par un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie, répondent aux critères visés ci-dessous :
   a) avoir, selon l'indice de Fletcher, une perte auditive moyenne pour les fréquences 500, 1000 et 2000 Hz ou plus à la meilleure oreille sans correction ;
   b) si l'indice de Fletcher indique moins de 40 dB : obtenir un score phonémique de 80% ou moins lors d'une audiométrie vocale avec des mots composés de consonne-voyelle-consonne à un volume sonore de 70 dB ;
   c) une problématique auditive objectivée par un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie, ne pouvant être ramenée au critère a) ou b), mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires.
   Des jeunes souffrant d'un trouble du langage ou linguistique sont des jeunes sans handicap mental tel que visé au point 2°, chez lesquels est constaté, sur la base d'un examen multidisciplinaire effectué par une équipe spécialisée agréée comprenant au moins un logopède, un audiologue et un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie, une diagnose dysphasie de développement ou aphasie enfantine ;
   8° type 9, destiné aux jeunes souffrant de troubles du spectre d'autisme et n'ayant pas de handicap mental tel que visé au point 2°.
   Des jeunes souffrant de troubles du spectre d'autisme sont des jeunes chez lesquels une des problématiques suivantes est constatée sur la base d'un diagnostic spécialisé, en ce compris un examen psychiatrique, établi par une équipe multidisciplinaire :
   a) le trouble autistique ;
   b) un trouble envahissant du développement non spécifié.
   § 2. L'enseignement secondaire spécial est réparti dans les suivantes formes d'enseignement ; dans chacune de celles-ci, certains types peuvent être organisés à part ou conjointement :
   1° forme d'enseignement 1, axée sur le fonctionnement et la participation sociaux dans un environnement pourvu d'un encadrement et, le cas échéant, axée sur une participation au marché de l'emploi dans un environnement où il est pourvu en un encadrement. Les jeunes en possession d'un [5 rapport IAC]5 pour le type 2, 3, 4, 6, 7 et 9 peuvent s'inscrire à la forme d'enseignement 1 ;
   2° forme d'enseignement 2, axée sur le fonctionnement et la participation sociaux dans un environnement pourvu d'un encadrement et sur une participation au marché de l'emploi dans un environnement professionnel où il est pourvu en un encadrement. Les jeunes en possession d'un [5 rapport IAC]5 pour le type 2, 3, 4, 6, 7 et 9 peuvent s'inscrire à la forme d'enseignement 2 ;
   3° forme d'enseignement 3, axée sur le fonctionnement et la participation sociaux et sur une mise à l'emploi dans un milieu de travail commun Les jeunes en possession d'un rapport pour le type offre de base, 3, 4, 6, 7 et 9 peuvent s'inscrire à la forme d'enseignement 3 ;
   4° forme d'enseignement 4, axée sur le fonctionnement et la participation sociaux, éventuellement dans un environnement pourvu d'un encadrement, et visant à entamer, au sein du programme d'études commun, un enseignement complémentaire ou un emploi dans un milieu de travail commun, avec ou sans assistance. Les jeunes en possession d'un rapport pour le type 3, 4, 5, 6, 7 et 9 peuvent s'inscrire à la forme d'enseignement 4.
   § 3. Le Gouvernement flamand établit des protocoles diagnostiques pour l'orientation vers les types tels que visés au § 1er, 2° à 8°.
   § 4. [3 [5 ...]5.]3]1

  
Art. 260. [1 De klassenraad, bijgestaan door het centrum voor leerlingenbegeleiding, brengt voor iedere leerling gemotiveerd advies uit bij de overgang van de ene opleidingsvorm naar de andere, maar het centrum voor leerlingenbegeleiding beslist over een eventuele wijziging van het [2 IAC-verslag of OV4-verslag]2.
   De klasvorming en de vorming van de pedagogische eenheden gebeurt eveneens door de klassenraad, bijgestaan door het centrum voor leerlingenbegeleiding, rekening houdend met de mogelijkheden en de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerlingen.]1

  
Art. 260. [1 Le conseil de classe, appuyé par le centre d'encadrement des élèves, émet pour chaque élève un avis motivé lors du passage d'une forme de formation à une autre, mais le centre d'encadrement des élèves statue sur une éventuelle modification du [2 rapport IAC ou du rapport OV4 ]2.
   La formation des classes et des unités pédagogiques se fait également par le conseil de classe, assisté par le centre d'encadrement des élèves, tout en tenant compte des possibilités et des besoins en formation et en éducation des élèves.]1

  
Art. 260/1. [1 [2 De leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden moet om regelmatige leerling te zijn, van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van het structuuronderdeel waar hij is ingeschreven volledig en daadwerkelijk volgen in de school waar hij is ingeschreven, behalve in geval van gewettigde afwezigheid. De leerling die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt een vrije leerling. [3 Regelmatige leerling zijn in een bepaalde school sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding of studierichting waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs dan de school waarin de leerling is ingeschreven en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Dit is mogelijk:
   a) bij leerlingen ingeschreven in opleidingsvorm 1, 2 of 3: zowel in dezelfde administratieve groep als in een andere administratieve groep;
   b) bij leerlingen ingeschreven in opleidingsvorm 4: zowel in dezelfde administratieve groep en dezelfde opleidingsvorm als in een andere administratieve groep en dezelfde opleidingsvorm.]3
. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :
   1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
   2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;
   3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;
   4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven :
   a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
   b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
   5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;
   6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen :
   a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;
   b) de invulling van de samenwerking;
   c) de looptijd van de samenwerking;
   d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.
   De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole;
   7° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere school van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven [5 ...]5;
   8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.]1

  [4 Leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag die ingeschreven zijn in het gewoon secundair onderwijs, kunnen op schooljaarbasis gemiddeld gedurende maximaal de helft van de wekelijkse uren van het structuuronderdeel waarvoor de leerling is ingeschreven, lessen of activiteiten volgen in een school voor buitengewoon secundair onderwijs, die de opleidingsvorm aanbiedt volgens het IAC-verslag of OV4-verslag. Daarbij moet voldaan worden aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1А tot en met 6А, en 8А, vastgelegd in het eerste lid. De inzet van omkadering vanuit het leersteunmodel is in de school voor buitengewoon secundair onderwijs niet mogelijk.]4
  
Art. 260/1. [1 [2 Pour être un élève régulier, l'élève qui satisfait aux conditions d'admission doit dès qu'il commence effectivement à fréquenter les cours, suivre effectivement la totalité de la formation de la subdivision structurelle à laquelle il est inscrit et dans l'école où il est inscrit, sauf en cas d'absence justifiée. L'élève qui ne satisfait pas à ces conditions devient un élève libre. [3 Etre un élève régulier dans une école particulière n'exclut pas qu'une partie de l'éducation de la forme de formation et, le cas échéant, de la formation ou de l'orientation d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est proposée par des enseignants d'une école d'enseignement secondaire spécial autre que l'école dans laquelle l'élève est inscrit et ce dans une implantation de cette autre école. Ceci est possible :
   a) pour les élèves inscrits à la forme de formation 1, 2 ou 3 : tant dans le même groupe administratif que dans un autre groupe administratif ;
   b) pour les élèves inscrits à la forme de formation de type 4 : tant dans le même groupe administratif et la même forme de formation que dans un autre groupe administratif et la même forme de formation.]3
. S'il est fait usage de cette possibilité de coopération, les conditions suivantes s'appliquent :
   1° les mesures sont reprises dans le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit ;
   2° le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit continue à s'appliquer intégralement ;
   3° les mesures sont négociées au préalable dans les comités locaux compétents en matière de conditions de travail et de gestion des ressources humaines, des écoles concernées ;
   4° les enseignants de l'autre école qui assurent la formation de l'élève :
   a) font partie des conseils de classe compétents et y ont voix délibérative dans le cas où il s'agit d'écoles appartenant à la même autorité scolaire ;
   b) font partie des conseils de classe compétents et y ont voix consultative dans le cas où il s'agit d'écoles n'appartenant pas à la même autorité scolaire ;
   5° seule l'école où l'élève est inscrit détient la compétence et la responsabilité en matière d'évaluation, de validation des études et de gestion de la qualité ;
   6° la coopération entre les écoles est formalisée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
   a) les écoles coopérantes, avec mention de l'école d'inscription ;
   b) la concrétisation de la coopération ;
   c) la durée de la coopération ;
   d) les arrangements pris au sujet de l'évaluation et de la gestion de la qualité.
   L'accord de coopération peut à tout moment être consulté dans les écoles en vue du contrôle administratif et du contrôle qualitatif externe ;
   7° l'élève peut au maximum suivre à mi-temps une partie de la formation dans une autre école d'enseignement secondaire spécial, cela veut dire au maximum la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial où il est inscrit [5 ...]5;
   8° ce régime ne peut pas être combiné dans le chef de l'élève pendant la même année scolaire avec les dispositions de l'article 136/1.]1

  [4 Les élèves en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 qui ont été inscrits dans l'enseignement secondaire ordinaire peuvent suivre par année scolaire, en moyenne pendant maximum la moitié des heures hebdomadaires de la subdivision structurelle pour laquelle l'élève a été inscrit, des cours ou des activités dans une école d'enseignement secondaire spécial qui offre la forme d'enseignement selon le rapport IAC ou le rapport OV4. A cet égard, les conditions énoncées à l'alinéa 1er, 1° à 6° et 8°, fixées à l'alinéa 1er, doivent être remplies. Le déploiement de l'encadrement basé sur le modèle de soutien à l'apprentissage n'est pas possible dans l'école d'enseignement secondaire spécial.]4
  
Art. 260/2. [1 De leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden moet, om regelmatige leerling te zijn, van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van het structuuronderdeel waar hij is ingeschreven volledig en daadwerkelijk volgen in de school waar hij is ingeschreven, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid. De leerling die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt een vrije leerling.
   Regelmatige leerling zijn in opleidingsvorm 1, 2 of 3 in een bepaalde school, sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van de eigen school voor buitengewoon secundair onderwijs in een andere administratieve groep, dan die waarin de leerling is ingeschreven.
   Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
   1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
   2° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken school;
   3° de leraars van de andere administratieve groep die aan de leerling vorming geven, maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden;
   4° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere administratieve groep van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven [2 ...]2;
   5° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.]1

  
Art. 260/2. [1 Pour être un élève régulier, l'élève qui remplit les conditions d'admission doit, dès le début de la fréquentation effective des cours, achever et suivre effectivement la formation de la subdivision structurelle à laquelle il est inscrit dans l'école où il est inscrit, sauf en cas d'absence légitime. L'élève qui ne satisfait pas à ces conditions devient un élève libre.
   Etre un élève régulier dans la forme de formation 1, 2 ou 3 d'une école particulière n'exclut pas qu'une partie de l'éducation de la forme de formation et, le cas échéant, de la formation ou de l'orientation d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est proposée par des enseignants de l'école d'enseignement secondaire spécial dans un groupe administratif autre que celui dans lequel l'élève est inscrit.
   S'il est fait usage de cette possibilité, les conditions suivantes s'appliquent :
   1° l'arrangement est prévu dans le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit ;
   2° l'arrangement est négocié au préalable dans les comités locaux compétents en matière de conditions de travail et de ressources humaines, de l'école concernée ;
   3° les enseignants de l'autre groupe administratif qui assurent la formation de l'élève ont voix délibérative aux conseils de classe compétents ;
   4° l'élève peut au maximum suivre à mi-temps une partie de la formation dans un autre groupe administratif de l'enseignement secondaire spécial, cela veut dire au maximum la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial où il est inscrit, [2 ...]2;
   5° cet arrangement ne peut pas être combiné avec les dispositions de l'article 136/1 dans le chef de l'élève pendant la même année scolaire.]1

  
Art. 260/3. [1 Ї 1. Scholen voor buitengewoon secundair onderwijs werken samen met leersteuncentra in functie van expertisedeling en gezamenlijke expertiseontwikkeling met betrekking tot leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.
   Scholen voor buitengewoon secundair onderwijs werken toe naar de mogelijkheid tot terugkeer van leerlingen naar het gewoon secundair onderwijs.
   Ї 2. Op basis van het cyclisch proces van handelingsplanmatig werken geeft de school voor buitengewoon secundair onderwijs, in samenspraak met de ouders, jaarlijks aan het CLB door voor welke leerlingen een evaluatie over de inschrijving van de leerling in het buitengewoon secundair onderwijs aangewezen is. Ouders kunnen die evaluatie ook rechtstreeks aan het CLB vragen. De evaluatie gebeurt door het CLB op basis van een handelingsgericht diagnostisch traject samen met de ouders, de leerling en de school, waarbij samen wordt bekeken of de leerling kan terugkeren naar het gewoon secundair onderwijs binnen het gemeenschappelijk curriculum, of om een individueel aangepast curriculum te volgen.
   Als ouders voor een leerling beslissen om terug te keren naar het gewoon secundair onderwijs, ondersteunen de school voor buitengewoon secundair onderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van en bij de overstap naar een school voor gewoon secundair onderwijs waar de leerling wordt ingeschreven in geval van een GC-verslag of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven in geval van een IAC-verslag of OV4-verslag met het oog op de afweging van redelijke aanpassingen.]1

  
Art. 260/3. [1 § 1er. Les écoles de l'enseignement secondaire spécial coopèrent avec des centres de soutien à l'apprentissage en vue du partage d'expertise et du développement commun d'expertise concernant les élèves à besoins éducatifs spécifiques.
   Les écoles de l'enseignement secondaire spécial oeuvrent à la possibilité de réintégration des élèves dans l'enseignement secondaire ordinaire.
   § 2. Sur la base du processus cyclique de travail suivant un plan d'action, l'école d'enseignement secondaire spécial communique chaque année au CLB, en concertation avec les parents, les élèves pour lesquels il convient d'évaluer l'inscription de l'élève dans l'enseignement secondaire spécial. Les parents peuvent également demander cette évaluation directement au CLB. Le CLB procède à l'évaluation sur la base d'un parcours diagnostique orienté vers l'action, conjointement avec les parents, l'élève et l'école, pour déterminer ensemble si l'élève peut réintégrer l'enseignement secondaire ordinaire au sein du programme d'études commun ou pour suivre un programme adapté individuellement.
   Si les parents décident de réintégrer un élève dans l'enseignement secondaire ordinaire, l'école d'enseignement secondaire spécial et le CLB aident les parents dans leur recherche d'une école d'enseignement secondaire ordinaire et lors du passage dans cette école où l'élève sera inscrit dans le cas d'un rapport GC ou sera inscrit sous condition résolutoire dans le cas d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 en vue d'évaluer les aménagements raisonnables.]1

  
Afdeling 2. [1 - Doelen [2 ...]2]1
Section 2. [1 - Objectifs [2 ...]2]1
Onderafdeling 1. [1 - Doelen van opleidingsvormen 1, 2 en 3]1
Sous-section 1re. [1 - Objectifs des formes d'enseignement 1, 2 et 3]1
Art. 261. [1 De ontwikkelingsdoelen van opleidingsvorm 3 die tot stand komen in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling treden progressief in werking.]1
  
Art. 261. [1 Les objectifs de développement de la forme d'enseignement 3 qui sont réalisés en exécution des dispositions de la présente section entrent progressivement en vigueur.]1
  
Art. 262. [1 § 1. Ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon secundair onderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die wenselijk zijn voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de ontwikkelingsdoelen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes bij de leerlingen na te streven in zoverre deze zijn opgenomen in het [2 individueel aangepast curriculum als vermeld in artikel 122/1/0,]2. Daarnaast kan de school nog extra doelen met de leerlingen nastreven.
   Voor de kwaliteitscontrole in functie van de erkenning en de doorlichting, zoals bedoeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, van de scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het nastreven van de ontwikkelingsdoelen via de [2 individueel aangepaste curricula als vermeld in artikel 122/1/0]2
   § 2. De ontwikkelingsdoelen van opleidingsvorm 3 worden geformuleerd in functie van volgende sleutelcompetenties:
   1. competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid;
   2. competenties in het Nederlands;
   3. competenties in andere talen;
   4. digitale competentie en mediawijsheid;
   5. sociaal-relationele competenties;
   6. competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie;
   7. burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven;
   8. competenties met betrekking tot historisch bewustzijn;
   9. competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn;
   10. competenties inzake duurzaamheid;
   11. economische en financiële competenties;
   12. juridische competenties;
   13. leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken;
   14. zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid;
   15. ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties;
   16. cultureel bewustzijn en culturele expressie.
   § 3. De ontwikkelingsdoelen worden afzonderlijk bepaald voor:
   1° opleidingsvorm 1 en 2;
   2° opleidingsvorm 3.
   § 4. In het geval een opleiding van opleidingsvorm 3 voor één of meer leerlingen tot een onderwijskwalificatie niveau 2 leidt, dienen de ontwikkelingsdoelen overeen te komen met de eindtermen voor de tweede graad, arbeidsmarktfinaliteit, en dient dit door de klassenraad gestaafd te worden in het leerlingendossier vooraleer de klassenraad de desbetreffende onderwijskwalificatie kan toekennen.
   § 5. Het Vlaams Parlement keurt een beperkt aantal van sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare ontwikkelingsdoelen goed waar kennis telkens geëxpliciteerd wordt en vaardigheden, inzichten en indien van toepassing attitudes aan bod komen.
   § 6. In afwachting van ontwikkelingsdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen van toepassing.]1

  
Art. 262. [1 § 1er. Des objectifs de développement pour l'enseignement secondaire spécial sont des objectifs de connaissances, notions, aptitudes et attitudes qui sont souhaitables pour autant d'élèves que possible d'une certaine population d'élèves. Toute école a la mission sociétale de chercher à atteindre chez les élèves les objectifs de développement relatifs aux connaissances, notions, aptitudes et attitudes inscrits dans le [2 programme adapté individuellement tel que visé à l'article 122/1/0,]2. En outre, l'école peut toujours chercher à atteindre chez les élèves des objectifs supplémentaires.
   Pour le contrôle de qualité en fonction de la reconnaissance et de l'audit tels que visés à l'article 32, 1° et 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, des écoles d'enseignement secondaire ordinaire, l'inspection de l'enseignement s'appuie sur la poursuite des objectifs de développement via [2 les programmes adaptés individuellement tels que visés à l'article 122/1/0]2.
   § 2. Les objectifs de développement de la forme d'enseignement 3 sont formulés en fonction des compétences clés suivantes :
   1. compétences en matière de conscience physique, mentale et émotionnelle, ainsi que dans le domaine de la santé physique, mentale et émotionnelle ;
   2. compétences en néerlandais ;
   3. compétences dans d'autres langues ;
   4. compétences numériques et compétences médiatiques ;
   5. compétences sociorelationnelles ;
   6. compétences en mathématiques, sciences exactes et technologie ;
   7. compétences civiques, y compris les compétences relatives à la vie en commun ;
   8. compétences liées à la conscience historique ;
   9. compétences liées à la conscience spatiale ;
   10. compétences en matière de durabilité ;
   11. compétences économiques et financières ;
   12. compétences juridiques ;
   13. compétences d'apprentissage y compris compétences de recherche, réflexion innovante, créativité, résolution de problèmes et esprit critique, réflexion systémique, traitement de données et collaboration ;
   14. conscience de soi et expression de soi-même, autonomie et flexibilité ;
   15. esprit d'initiative, ambition, esprit d'entreprise et compétences en matière de carrière ;
   16. conscience culturelle en expression culturelle.
   § 3. Les objectifs de développement sont séparément fixés pour :
   1° la forme d'enseignement 1 et 2 ;
   2° la forme d'enseignement 3.
   § 4. Dans le cas où une formation de la forme d'enseignement 3 conduit pour un ou plusieurs élèves à une qualification d'enseignement du niveau 2, les objectifs de développement doivent correspondre aux objectifs finaux pour le deuxième degré, finalité marché du travail, et ceci doit être étayée par le conseil de classe dans le dossier de l'élève avant que le conseil de classe ne puisse conférer la qualification d'enseignement concernée.
   § 5. Le Parlement flamand approuve un nombre limité d'objectifs de développement clairs, axés sur les compétences et évaluables, formulés de façon succincte. Ces objectifs explicitent chaque fois les connaissances, et abordent des aptitudes, des notions et, s'il y a lieu, des attitudes.
   § 6. Dans l'attente de la mise en oeuvre des objectifs de développement en exécution des dispositions du présent article, les objectifs de développement existants restent d'application.]1

  
Art. 263. [1 Voor het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie zijn er geen ontwikkelingsdoelen.]1
  
Art. 263. [1 Pour l'enseignement de religion, de morale non confessionnelle, de formation culturelle et de propre culture et religion, il n'existe pas d'objectifs de développement.]1
  
Art. 264. [1 De ontwikkeling van ontwikkelingsdoelen wordt gecoördineerd door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering stelt daartoe een of meerdere ontwikkelcommissies samen die ten minste bestaan uit leerkrachten, de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, vak- en andere experten uit het hoger onderwijs. De ontwikkelcommissie formuleert een beperkt aantal aan sober geformuleerde duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare ontwikkelingsdoelen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en indien van toepassing, attitudes aan bod komen. Ze duidt tevens het belang en de uitgangspunten ervan aan. [2 Ze bewaakt de haalbaarheid.]2
   De ontwikkelde ontwikkelingsdoelen worden door de Vlaamse Regering voorgelegd aan een valideringscommissie. De valideringscommissie valideert of stuurt de ontwikkelde ontwikkelingsdoelen terug naar de ontwikkelcommissie met het oog op bijsturing, waarna ze finaal ter validering aan de valideringscommissie worden voorgelegd. De valideringscommissie bestaat uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. De valideringscommissie bewaakt de coherentie, consistentie, en evalueerbaarheid van de ontwikkelingsdoelen.
   De ontwikkelingsdoelen worden door de Vlaamse Regering als ontwerp van decreet ingediend bij het Vlaams Parlement. Het Vlaams Parlement kan het initiatief nemen de in het eerste lid voorziene procedure op te starten.
   De ontwikkelingsdoelen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. De Vlaams Regering bepaalt de procedure voor deze screening en bijsturing.]1

  
Art. 264. [1 Le développement des objectifs de développement est coordonné par le Gouvernement flamand. A cet effet, le Gouvernement flamand compose une ou plusieurs commissions de développement qui consistent au moins d'enseignants, des représentants de l'Enseignement communautaire et des associations d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné, ainsi que d'experts professionnels et d'autres experts de l'enseignement supérieur. La commission de développement formule un nombre limité d'objectifs de développement clairs, axés sur les compétences et évaluables, formulés de façon succincte dans lesquels les connaissances, les aptitudes, les notions et, s'il y a lieu, les attitudes sont abordées. Elle indique également leur importance et leurs principes. [2 Elle surveille la faisabilité.]2
   Les objectifs de développement développés sont ensuite présentés par le Parlement flamand à une commission de validation. La commission de validation prononce la validation des objectifs de développement élaborés ou les renvoie à la commission de développement pour ajustement, après quoi ils sont finalement soumis à la commission de validation pour validation. La commission de validation se compose de membres de l'inspection de l'enseignement et d'autres experts. La commission de validation veille à la cohérence, à la consistance et à la possibilité d'évaluation des objectifs de développement.
   Les objectifs de développement sont soumis au Parlement flamand comme projet de décret. Le Parlement flamand peut prendre l'initiative de lancer la procédure prévue à l'alinéa 1er.
   Les objectifs de développement font périodiquement l'objet d'une appréciation de leur valeur d'actualité et sont, si besoin est, ajustés. Le Gouvernement flamand arrête la procédure de cette appréciation et de cet ajustement.]1

  
Art. 265. [1 De bepalingen van artikel 146 met betrekking tot een aanvraag tot afwijking op de doelen in het gewoon onderwijs, zijn eveneens van toepassing op ontwikkelingsdoelen in het buitengewoon secundair onderwijs.]1
  
Art. 265. [1 Les dispositions de l'article 146 relatives à la demande de dérogation aux objectifs de l'enseignement ordinaire sont également d'application aux objectifs de développement dans l'enseignement secondaire spécial.]1
  
Onderafdeling 2. [1 - Doelen van opleidingsvorm 4]1
Sous-section 2. [1 - Objectifs de la forme d'enseignement 4]1
Art. 266. [1 Voor opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs zijn de bepalingen van artikel 138 tot en met 147/3 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het onthaaljaar.]1
  
Art. 266. [1 A la forme d'enseignement 4 de l'enseignement secondaire spécial, les dispositions des articles 138 à 147/3 sont d'application, à l'exception des dispositions relatives à l'année d'accueil.]1
  
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Afdeling 3. - Programmatie en rationalisatie
Section 3. - Programmation et rationalisation
Onderafdeling 1. - Begrippen en inleidende bepalingen
Sous-section 1. - Définitions et dispositions introductives
Art. 268. § 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
  [1 ]1 Regelmatige leerling : de leerling die beantwoordt aan de toelatingsvoorwaarden en, waar het voorzien is, aan de overgangsvoorwaarden en die regelmatig de activiteiten volgt [1 , behoudens in geval van gewettigde afwezigheid]1;
  [1 ]1 Bevolkingsdichtheid van een arrondissement : de bevolking per bestuurlijk arrondissement, zoals die berekend werd ten gevolge van de laatst uitgevoerde volkstelling en vastgesteld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, gedeeld door de totale oppervlakte van het arrondissement, uitgedrukt in km2.
  De bevolkingsdichtheid, in aanmerking te nemen voor een school die vestigingsplaatsen heeft in verschillende arrondissementen, wordt vastgesteld op basis van volgende berekening : de totale bevolking van deze arrondissementen worden gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km2.
  [1 ...]1
  § 2. De scholen van het buitengewoon onderwijs worden, naargelang van het schoolbestuur waarvan zij afhangen, voor de toepassing van [1 deze afdeling]1 ingedeeld in de volgende groepen :
  - scholen van het gemeenschapsonderwijs;
  - gesubsidieerde officiële scholen;
  - gesubsidieerde vrije katholieke scholen;
  - gesubsidieerde vrije protestantse scholen;
  - gesubsidieerde vrije israëlitische scholen;
  - gesubsidieerde vrije islamitische scholen;
  - gesubsidieerde vrije orthodoxe scholen;
  - gesubsidieerde vrije anglicaanse scholen;
  - gesubsidieerde vrije niet-confessionele scholen.
  § 3. [2 ...]2
  In geval van definitieve ontruiming mag het verlaten schoolgebouw niet meer geheel of gedeeltelijk in gebruik genomen blijven. (267)
  [3 § 4. Als een programmatie het rechtstreekse gevolg is van een manifeste overmachtssituatie die, omwille van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, de ingebruikname van een andere vestigingsplaats noodzakelijk maakt of van een verhuis naar aanleiding van een overmachtssituatie wordt de overbrenging van een school of een vestigingsplaats of een structuuronderdeel of meerdere structuuronderdelen een vrije programmatie en kan de Vlaamse Regering afwijken van de termijnen, vermeld in artikel 286, 289 en 290/1.
   Met toegestane afwijking:
   1° kan de programmatie gebeuren na een schriftelijke melding bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
   2° kan de programmatie alleen betrekking hebben op opleidingsvormen, types en structuuronderdelen die de school al inricht of mag inrichten en die door de overmachtssituatie zijn gevat.]3

  
Art. 268. § 1. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
  [1 ]1 Elève régulier : l'élève qui remplit les conditions d'admission et, où il est prévu, les conditions de transition et qui suit de façon régulière les activités [1 , sauf en cas d'absence justifiée]1.
  [1 ]1 Densité de la population d'un arrondissement : la population par arrondissement administratif, telle que calculée lors du dernier recensement de la population et déterminée par l'Institut national de Statistique, divisée par la superficie totale de l'arrondissement, exprimée en km2.
  La densité de la population à prendre en compte pour une école qui a des implantations dans différents arrondissements, est déterminée sur la base du calcul suivant : la population totale de ces arrondissements est divisée par la superficie totale exprimée en km2.
  [1 ...]1
  § 2. Pour l'application [1 de la présente section]1, les écoles d'enseignement spécial font partie, selon l'autorité scolaire dont elles dépendent, d'un des groupes suivants :
  - écoles de l'enseignement communautaire;
  - écoles officielles subventionnées;
  - écoles libres catholiques subventionnées;
  - écoles libres protestantes subventionnées;
  - écoles libres israélites subventionnées;
  - écoles libres musulmanes subventionnées;
  - écoles libres orthodoxes subventionnées;
  - écoles libres anglicanes subventionnées;
  - écoles libres non confessionnelles subventionnées.
  § 3. [2 ...]2
  Dans le cas d'une évacuation définitive, le bâtiment scolaire abandonné ne peut être complètement ou partiellement remis en service. (267)
  [3 § 4. Si la programmation est la conséquence directe d'une situation manifeste de force majeure qui, pour des raisons d'habitabilité, de sécurité et d'hygiène, nécessite la mise en service d'une autre implantation, ou d'un déménagement à l'occasion d'une situation de force majeure, le transfert d'une école, d'une implantation ou d'une ou plusieurs subdivisions structurelles devient une programmation libre, et le Gouvernement flamand peut déroger aux délais visés aux articles 286, 289 et 290/1.
   En cas de dérogation autorisée :
   1° la programmation peut se faire après une communication écrite aux services compétents de la Communauté flamande ;
   2° la programmation peut uniquement porter sur les formes d'enseignement, types et subdivisions structurelles que l'école organise déjà ou peut déjà organiser et qui sont concernés par la situation de force majeure.]3

  
Art. 269. Aan de rationalisatie of programmatie wordt per taalstelsel uitvoering gegeven. (268)
Art. 269. La rationalisation ou programmation est mise en oeuvre par régime linguistique. (268)
Art. 270. Voor de toepassing van deze afdeling wordt bij de rekenkundige bewerkingen op de schoolbevolkingsminima het eindresultaat afgerond tot de hogere eenheid indien het eerste cijfer na de komma 5 of meer is. (269)
Art. 270. Pour l'application de la présente section, le résultat final lors des opérations arithmétiques sur les minimums de population scolaire est arrondi à l'unité supérieure si le premier chiffre après la virgule est 5 ou plus. (269)
Art. 271. Zonder afbreuk te doen aan artikel 286 worden voor de toepassing van de bevolkingsminima de regelmatige leerlingen in aanmerking genomen, die op 1 oktober voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 291 tot en met 295 [1 ...]1. (270)
  
Art. 271. Sans préjudice de l'article 286, sont pris en considération pour l'application des minimums de population les élèves réguliers qui remplissent au 1er octobre les conditions fixées aux articles 291 à 295 inclus [1 ...]1. (270)
  
Onderafdeling 2. - Fusie
Sous-section 2. - Fusion
Art. 274. § 1. De fusie van scholen kan worden doorgevoerd onder volgende voorwaarden :
  1. De fusie geschiedt :
  - ofwel door samenvoeging tot één school van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft;
  - ofwel door de samenvoeging van twee of meer scholen waarbij één van de betrokken scholen blijft bestaan die de andere school of scholen opslorpt.
  2. De fusie wordt zowel uit oogpunt van de administratieve, als van pedagogische organisatie in éénmaal tot stand gebracht.
  Zij sluit in dat er nog slechts één schoolbestuur en één schooldirectie is.
  3. De fusie moet ingaan uiterlijk op 1 oktober van het lopende schooljaar.
  [1 4. De fusie wordt door het schoolbestuur of de schoolbesturen in kwestie [3 uiterlijk 1 april]3 van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1
  § 2. De scholen gefinancierd of gesubsidieerd in functie van artikel 286 kunnen in de periode van programmatie geen beroep doen op de bepalingen van § 1 van dit artikel.
  § 3. De school ontstaan uit een fusie wordt niet beschouwd als een oprichting van een nieuwe school.
  [2 § 4. Voorafgaand aan de vrijwillige fusie per 1 september, dient het schoolbestuur [3 uiterlijk 1 april]3, een melding in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Bij een gedwongen fusie dient het schoolbestuur uiterlijk op 30 september voorafgaand aan de gedwongen fusie per 1 oktober een melding in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]2 (273)
  
Art. 274. § 1. La fusion d'écoles peut être effectuée aux conditions suivantes :
  1. La fusion s'opère :
  - soit par la réunion en une école de deux ou plusieurs écoles qui sont supprimées simultanément;
  - soit par fusion de deux ou plusieurs écoles où une des écoles concernées continue à exister et absorbe l'autre ou les autres écoles.
  2. La fusion est tant du point de vue de l'organisation administrative que de l'organisation pédagogique réalisée en une fois.
  Elle implique qu'il reste une seule autorité scolaire et une seule direction d'école.
  3. La fusion doit intervenir le 1er octobre de l'année scolaire en cours au plus tard.
  [1 4. La fusion est notifiée par l'autorité scolaire ou les autorités scolaires en question, [3 au plus tard le 1er avril]3 de l'année scolaire précédente, à l''Agentschap voor Onderwijsdiensten'.]1
  § 2. Les écoles financées ou subventionnées en vertu de l'article 286 ne peuvent invoquer les dispositions du § 1er du présent article pendant la période de programmation.
  § 3. L'école née d'une fusion n'est pas assimilée à l'établissement d'une nouvelle école. (273)
  [2 § 4. Préalablement à la fusion volontaire au 1er septembre, l'autorité scolaire en fait notification à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten, [3 au plus tard le 1er avril]3. En cas d'une fusion forcée, l'autorité scolaire en fait notification à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten, au plus tard le 30 septembre avant la fusion forcée.]2
  
Art. 275. [1 Een school die ontstaat uit fusie kan verschillende vestigingsplaatsen hebben.]1
  
Art. 275. [1 "Une école qui résulte d'une fusion peut avoir différentes succursales".(TRADUCTION Justel)]1
  
Onderafdeling 3. - Rationalisatie
Sous-section 3. - Rationalisation
Art. 276. Elke school voor buitengewoon secundair onderwijs moet op de datum bepaald in artikel 271 ten minste 15 leerlingen tellen.
  [1 Deze bepaling is niet van toepassing op ziekenhuisscholen.]1
  
Art. 276. Toute école d'enseignement secondaire spécial doit compter au moins 15 élèves à la date fixée à l'article 271. (275)
  [1 Cette disposition ne s'applique pas aux écoles hospitalières.]1
  
Art. 277. § 1. Elke school voor buitengewoon secundair onderwijs moet op de datum bepaald in artikel 271 aan de bevolkingsminima voldoen bepaald in [2 § 4]2 van dit artikel.
  [1 Voor de ziekenhuisscholen wordt de datum bepaald in artikel 271 gelijkgesteld aan de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 oktober van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt en de berekeningswijze gebaseerd op de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen.]1
  § 2. In de scholen voor secundair onderwijs met meer dan één opleidingsvorm wordt het bevolkingsminimum bepaald door de som te maken van de bevolkingsminima, zoals bepaald in [2 § 4]2 van dit artikel, van de opleidingsvormen die in de school gefinancierd of gesubsidieerd zijn.
  § 3. De rationalisatienormen, zoals bepaald in [2 § 4]2 van dit artikel, worden toegepast op de globale bevolking van al de vestigingsplaatsen. Het hoofdgebouw wordt daarbij in aanmerking genomen als vestigingsplaats.
  [1 ...]1
  [1 § 4.]1 De minima worden voor de verschillende opleidingsvormen afzonderlijk vastgesteld als volgt :
Art. 277. § 1. Toute école d'enseignement secondaire spécial doit atteindre, à la date fixée à l'article 271, les minimums de population fixés au [2 § 4]2 du présent article.
  [1 Pour les écoles hospitalières, la date fixée à l'article 271 est assimilée à la période de 12 mois préalable au 1er octobre de l'année dans laquelle l'année scolaire concernée commence et le mode de calcul est basé que la présence moyenne des élèves réguliers.]1
  § 2. Dans des écoles d'enseignement secondaire avec plus d'une forme d'enseignement, le minimum de population est déterminé en additionnant les minimums de population, tels que définis au [2 § 4]2 du présent article, des formes d'enseignement qui sont financées ou subventionnées dans l'école.
  § 3. Les normes de rationalisation, telles que définies au [2 § 4]2 du présent article, sont appliquées à la population globale de toutes les implantations. Le bâtiment principal est pris en considération comme implantation.
  [1 ...]1
  [1 § 4.]1 Les minimums sont fixés séparément pour les différentes formes d'enseignement comme suit :

  
  
OpleidingsvormBevolkingsminimum
  
17
  
212
  
324
  
412

  
  
Forme d'enseignementMinimum de population
  
17
  
212
  
324
  
412
OpleidingsvormBevolkingsminimum
17
212
324
412
Forme d'enseignementMinimum de population
17
212
324
412
  [1 § 5.]1 [2 Het aantal leerlingen van type 6 in alle opleidingsvormen, van type 7 in opleidingsvorm 1 en 4, en van type 3, opleidingsvorm 3 wordt met 2 vermenigvuldigd om de norm te bereiken bepaald in paragraaf 4 van dit artikel.]2(276)
  
  [1 § 5.]1 [2 Le nombre d'élèves du type 6 dans toutes les formes d'enseignement, du type 7 dans les formes d'enseignement 1 et 4, et du type 3, de la forme d'enseignement 3 est multiplié par 2 pour atteindre la norme fixée au paragraphe 4 du présent article.]2(276)
  
Art. 278. In afwijking van artikel 277 worden de minima verminderd met één vierde :
  - voor de scholen, gelegen in arrondissementen met een bevolkingsdichtheid van minder dan 75 inwoners/km2;
  - voor de scholen met het Nederlands als onderwijstaal, die gelegen zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. (277)
Art. 278. Par dérogation à l'article 277, les minima sont réduits d'un quart :
  - pour les écoles, situées dans des arrondissements où la densité de population est inférieure à 75 habitants/km2;
  - pour les écoles ayant le néerlandais comme langue d'enseignement, situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale. (277)
Art. 279. § 1. In afwijking van de [1 artikel 277]1 kan, indien in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad geen enkele school van een bepaalde groep met het Nederlands als onderwijstaal, de rationalisatienormen voorzien in deze afdeling bereikt, één school van deze groep in dit arrondissement de georganiseerde opleidingsvormen en haar volledige structuur behouden op voorwaarde dat ze ten minste 15 leerlingen telt, ongeacht de bevolking per opleidingsvorm.
  § 2. Indien meerdere scholen hiervoor in aanmerking komen dan blijft de school met het grootste aantal regelmatige leerlingen op 1 oktober verder bestaan. (278)
  
Art. 279. § 1. Par dérogation [1 à l'article 277]1 si aucune école d'un certain groupe ayant le néerlandais comme langue d'enseignement dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale n'atteint les normes de rationalisation prévues à la présente section, une école de ce groupe est autorisée à maintenir dans cet arrondissement les formes d'enseignement organisées et sa structure complète à condition qu'elle compte au moins 15 élèves quelle que soit la population par forme d'enseignement.
  § 2. Si plusieurs écoles entrent en ligne de compte pour ceci, l'école ayant le nombre le plus élevé d'élèves réguliers continue à exister le 1er octobre. (278)
  
Art. 280. § 1. Elke school met verschillende opleidingsvormen, die het totaal van de normen bereikt met toepassing van de artikelen 277 [1 ...]1 en 278, maar waarvan de bevolking van één of meer opleidingsvormen beneden de normen gesteld bij dezelfde artikelen ligt, mag deze opleidingsvormen behouden wanneer de bevolking van elke opleidingsvorm afzonderlijk niet minder bedraagt dan 2/3 van deze norm.
  § 2. Elke school bestaande uit verschillende opleidingsvormen die het totaal van de normen bereikt met toepassing van de artikelen 277 [1 ...]1 en 278, maar waarvan de bevolking van één of meer opleidingsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm gesteld in § 1 van dit artikel niet bereikt, moet de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) met ingang van 1 oktober van dit tweede schooljaar afschaffen of de school moet vanaf dezelfde datum fusioneren.
  § 3. Elke school bestaande uit verschillende opleidingsvormen, die gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet het totaal van de norm bereikt met toepassing van de artikelen 277 [1 ...]1 en 278, maar waarvan elke opleidingsvorm de norm bereikt gesteld in § 1, van dit artikel, moet uiterlijk met ingang van 1 oktober van het tweede schooljaar de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) afschaffen, ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fusioneren.
  § 4. Onverminderd de bepalingen van artikel 276 moet elke school die slechts opleidingsvorm 3 inricht, en die gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm met toepassing van de artikelen 277 [1 ...]1 en 278, niet bereikt maar waarvan de bevolking niet minder bedraagt dan 2/3 van de norm die daarop toepasselijk is, uiterlijk met ingang van 1 oktober van het tweede schooljaar afgeschaft worden ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fusioneren.
  [1 [2 ...]2]1
  § 5. In een school met verschillende opleidingsvormen, waar opleidingsvorm 3 afgeschaft moet worden krachtens deze afdeling en waar binnen deze opleidingsvorm slechts één opleiding bestond, mag deze opleiding geleidelijk opgeheven worden, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, op voorwaarde dat binnen een afstand van 20 km geen enkele school van dezelfde groep deze opleiding organiseert. (279)
  
Art. 280. § 1. Toute école avec plusieurs formes d'enseignement, atteignant le total des normes par application des articles 277 [1 ...]1 et 278, mais dont la population d'une ou de plusieurs formes d'enseignement se situe au-dessous des normes fixées par les mêmes articles, peut maintenir ces formes d'enseignement lorsque la population de chaque forme d'enseignement séparée n'est pas inférieure aux 2/3 de cette norme.
  § 2. Toute école qui comporte plusieurs formes d'enseignement, atteignant le total des normes par application des articles 277 [1 ...]1 et 278, mais dont la population d'une ou de plusieurs formes d'enseignement n'atteint pas la norme fixée au § 1er du présent article pendant deux années scolaires consécutives, doit supprimer la forme ou les formes d'enseignement restées en défaut le 1er octobre de ce deuxième année scolaire ou l'école doit fusionner à partir de cette même date.
  § 3. Toute école qui comporte plusieurs formes d'enseignement, n'atteignant pas pendant deux années scolaires consécutives le total de la norme par application des articles 277 [1 ...]1 et 278, mais dont chaque forme d'enseignement atteint la norme fixée au § 1er du présent article, doit supprimer la forme ou les formes d'enseignement restées en défaut au plus tard le 1er octobre de la deuxième année scolaire ou l'école doit fusionner à partir de cette même date.
  § 4. Sans préjudice des dispositions de l'article 276, toute école qui n'organise que la forme d'enseignement 3, et qui, pendant deux années consécutives suivantes, n'atteint pas la norme par application des articles 277 [1 ...]1 et 278, mais dont la population n'est pas inférieure aux 2/3 de la norme y applicable, doit être supprimée le 1er octobre de la deuxième année scolaire au plus tard ou l'école doit fusionner à partir de cette même date.
  [1 [2 ...]2]1
  § 5. Dans une école avec plusieurs formes d'enseignement dont la forme d'enseignement 3 doit être supprimée en vertu de la présente section et où, dans cette forme d'enseignement, n'existait qu'une seule formation, il peut être procédé à la suppression progressive de la formation, année d'études après année d'études, à commencer par la première année, à condition qu'à une distance de 20 km aucune école du même groupe n'organise cette formation. (279)
  
Art. 282. [1 De vrijwillige afbouw van een opleiding in opleidingsvorm 3 gebeurt leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste.
   Scholen die op 1 september 2019 een of meer opleidingen in afbouw hebben, omdat ze op 1 oktober van een jaar voorafgaand aan 2019 niet aan de toenmalige rationalisatienormen voor de opleidingen voldeden, zetten die afbouw voort na 1 september 2019.]1

  
Art. 282. [1 Il est procédé à la suppression progressive de la formation dans la forme de formation 3, année d'études après année d'études, à commencer par la première année.
   Les écoles qui, au 1er septembre 2019, ont une ou plusieurs formations en voie de suppression parce qu'elles ne satisfaisaient pas aux normes de rationalisation applicables aux formations au 1er octobre d'une année antérieure à 2019, poursuivent cette suppression progressive après le 1er septembre 2019.]1

  
Art. 283. Indien voor een bepaalde opleidingsvorm in een bepaalde provincie [1 of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad]1 en per taalstelsel geen enkele school van een bepaalde groep de rationalisatienorm voorzien in deze afdeling bereikt, dan mag één school van deze groep in deze provincie [1 of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad]1 en dit taalstelsel de opleidingsvorm behouden op voorwaarde dat de totale schoolbevolking van 15 leerlingen bereikt wordt. (282)
  
Art. 283. Si pour une certaine forme d'enseignement dans une certaine province [1 ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale]1 et par régime linguistique aucune école d'un certain groupe n'atteint la norme de rationalisation prévue par la présente section, une école de ce groupe peut maintenir dans cette province [1 ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale]1 et ce régime linguistique la forme d'enseignement à condition que la population scolaire totale de 15 élèves soit atteinte. (282)
  
Art. 284. [1 Als op de datum bepaald in artikel 271 de voor een school of een opleidingsvorm toepasbare rationalisatienorm niet wordt bereikt, kan die school of opleidingsvorm vanaf het daaropvolgende schooljaar niet meer worden gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij de school fuseert en daardoor aan de toepasbare rationalisatienormen voldoet.]1)
  [1 In afwijking van het voorgaande lid kan de school verder voortbestaan, na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. Het schoolbestuur moet hiertoe een gemotiveerde afwijkingsaanvraag indienen, met daarin een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid aantoont, rekening houdend met het lokale aanbod.]1
  
Art. 284. [1 Si, à la date prévue à l'article 271, la norme de rationalisation applicable à une école ou à une forme d'enseignement n'est pas atteinte, cette école ou forme d'enseignement ne peut plus être financée ou subventionnée à partir de l'année scolaire suivante, sauf si l'école fusionne et se conforme ainsi aux normes de rationalisation applicables.]1
  [1 Par dérogation à l'alinéa précédent, l'école peut continuer à exister après une décision favorable du Gouvernement flamand. L'autorité scolaire doit déposer à cet effet une demande de dérogation motivée, comportant une analyse de l'environnement qui démontre la nécessité, l'efficacité et la viabilité, en tenant compte de l'offre locale.]1
  
Art. 285. In een vestigingsplaats ontstaan door fusie met toepassing van artikel 275 kunnen alleen de opleidingsvormen en [1 opleidingen [2 ...]2]1 die er bestonden vóór de fusie verder georganiseerd blijven. (284)
  
Art. 285. Dans une implantation née d'une fusion par application de l'article 275, seules les formes d'enseignement et [1 les formations [2 ...]2]1 qui existaient avant la fusion peuvent continuer à être organisées. (284)
  
Onderafdeling 4. - Programmatie
Sous-section 4. - Programmation
Art. 285/1. [1 De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld [2 uiterlijk 1 april]2 van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, en de bepalingen van deze onderafdeling van toepassing.]1
  
Art. 285/1. [1 La programmation d'une école créée par la scission d'une école existante est communiquée par écrit par l'autorité scolaire au service compétent de la Communauté flamande, [2 au plus tard le 1er avril]2 de l'année scolaire précédente. Si la programmation n'est pas le résultat de la scission d'une école existante, les dispositions de l'article 15, § 2, et les dispositions de la présente sous-section s'appliquent à la programmation de l'école.]1
  
Art. 286. § 1. Per 1 september kan een school worden opgenomen in de financiering of subsdiëring indien op de datum bepaald in artikel 271 aan de drie volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° ten minste 2 opleidingsvormen organiseren;
  2° [3 als verschillende opleidingsvormen worden georganiseerd, voor elke opleidingsvorm afzonderlijk 150% van de rationalisatienorm, vermeld in artikel 277 en 278, bereiken;]3
  3° ten minste : het eerste jaar 200 %, het tweede jaar 250 %, en het derde jaar 300 %, van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278, voor elke gefinancierde of gesubsidieerde opleidingsvorm bereiken.
  § 2. Worden deze minima niet bereikt, dan moet(en) hetzij de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) hetzij de school met ingang van 1 september daaropvolgend worden opgeheven.
  § 3. Met ingang van het vierde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen van de rationalisatie van toepassing.
  [1 § 4. [3 In afwijking van paragraaf 1, 1А, kan een schoolbestuur een nieuwe school oprichten met maar щщn opleidingsvorm. Dat is alleen mogelijk in regio's waar er aantoonbaar een capaciteitstekort is voor leerlingen met een verslag voor die opleidingsvorm en als er wordt aangetoond dat het capaciteitstekort niet kan worden opgelost met een nieuwe vestigingsplaats van een bestaande school. Het capaciteitstekort wordt gemotiveerd in het oprichtingsdossier, vermeld in paragraaf 5. Een nieuwe school laten ontstaan door splitsing als vermeld in artikel 285/1, is alleen mogelijk met minstens twee opleidingsvormen.]3]1
  [1 § 5. In aanvulling op paragraaf 1 tot en met paragraaf 4 moet een schoolbestuur dat een nieuwe school wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
   1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier;
   2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de nieuwe school. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs.
   Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1;
   3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe school;
   4° de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot de nieuwe school worden in het dossier weergegeven.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.
   § 6. De oprichting vanaf 1 september van een nieuwe school kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.
   Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.
   In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.
   De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi [4 ...]4.]1

  
Art. 286. § 1. Une école peut être admise au financement ou au subventionnement au 1er septembre si à la date fixée à l'article 271 il est satisfait aux trois conditions suivantes :
  1° organiser au moins 2 formes d'enseignement;
  2° [3 si différentes formes d'enseignement sont organisées, atteindre 150 % de la norme de rationalisation, visée aux articles 277 et 278, pour chaque forme d'enseignement séparément ;]3
  3° atteindre au moins : 200% la première année, 250% la deuxième année, 300% la troisième année, du total des normes de rationalisation fixées aux articles 277 et 278, pour chacune des formes d'enseignement financées ou subventionnées.
  § 2. Si ces minimums ne sont pas atteints, les formes d'enseignement restées en défaut ou l'école doivent être supprimées le 1er septembre suivant.
  § 3. A partir de la quatrième année scolaire, seules les dispositions de la rationalisation sont d'application.(285)
  [3 Par dérogation au paragraphe 1er, 1°, une autorité scolaire peut créer une nouvelle école ne dispensant qu'une seule forme d'enseignement. Cela n'est possible que dans les régions manifestement confrontées à un manque de capacité pour les élèves en possession d'un rapport pour cette forme d'enseignement et lorsqu'il est démontré qu'une nouvelle implantation d'une école existante ne permet pas de résoudre le manque de capacité. Le manque de capacité est motivé dans le dossier de création, visé à au paragraphe 5. La création d'une nouvelle école par scission, telle que visée à l'article 285/1, n'est possible qu'avec au moins deux formes d'enseignement.]3
  [1 § 5. En complément des paragraphes 1er à 4, une autorité scolaire désirant créer une nouvelle école doit introduire à cet effet un dossier de création. Ce dossier de création doit au moins répondre aux normes de qualité reprises ci-dessous :
   1° L'autorité scolaire est responsable de l'introduction du dossier ;
   2° le dossier reprend une analyse de l'environnement motivant la nécessité, l'efficacité et la viabilité de la proposition de programmation. Dans l'analyse de l'environnement, le lien avec d'éventuelles possibilités d'accompagnement adapté, y compris des possibilités d'accompagnement extra-muros pour les jeunes à besoins complémentaires d'aide, est explicitement traité, si nécessaire pour la population scolaire intéressée. Lorsqu'une proposition de programmation est faite pour la forme d'enseignement 4, à l'exception du type 5, un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plain voisine proposant une ample offre d'études doit pouvoir être produit. Il faut chaque fois produire un avis au sujet de cet accord de coopération entre une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et la nouvelle école. L'avis est pris après concertation au sein du conseil de classe et après concertation ou après négociation au sein du comité local compétent dans une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
   Pour la formation des élèves dans cette forme d'enseignement, il est coopéré, après la programmation éventuelle, si possible et souhaitable, avec l'école/les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, tel que prévu à l'article 136/1 ;
   3° l'école doit disposer des structures infrastructurelles et matérielles requises en matière d'accessibilité et d'aides requises pour la nouvelle école ;
   4° les efforts de professionnalisation de l'équipe quant à la nouvelle école figurent dans le dossier.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives au contenu et à la forme du dossier de création et au mode d'évaluation des normes de qualité.]1

  [1 § 6. La création à partir du 1er septembre d'une nouvelle école n'est possible qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand.
   A cet effet, l'autorité scolaire adresse, le 30 novembre de l'année scolaire précédente au plus tard, une demande motivée assortie du dossier de création, à AgODi, qui remet la demande pour avis administratif-technique et de fond au Conseil flamand de l'Enseignement.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, des demandes motivées peuvent être introduites auprès d'AgODi jusqu'au 1er juillet 2014 au plus tard pour la création à partir du 1er septembre 2015 d'un type 9.
   Le Gouvernement flamand prend cette décision après avoir pris l'avis du Conseil flamand de l'Enseignement sur le bien-fondé du besoin local d'offre supplémentaire et après l'avis d'AgODi [4 ...]4.]1

  
Art. 287. [1 § 1. Elke school die voldoet aan de rationalisatienormen, bepaald bij de artikelen 276 tot en met 278 mag één of meer vestigingsplaatsen oprichten.
   § 2. In de vestigingsplaatsen bedoeld in paragraaf 1 kunnen uitsluitend al in de school georganiseerde of in de toelageregeling opgenomen opleidingsvormen, opleidingen [2 ...]2 en types worden opgericht, tenzij er nieuwe opleidingsvormen, opleidingen [2 ...]2 en types worden opgericht.
   § 3. Onverminderd de bepalingen in paragraaf 1 en paragraaf 2 kan een school van opleidingsvorm 4, type 5, pas een nieuwe vestigingsplaats oprichten na goedkeuring door de Vlaamse Regering.]1

  
Art. 287. [1 § 1er. Toute école satisfaisant aux normes de rationalisation fixées par les articles 276 à 278, est autorisée à créer une ou plusieurs implantations.
   § 2. Dans les implantations visées au paragraphe 1er, seules les formes d'enseignement, formations [2 ...]2 et de types déjà organisés ou subventionnés dans l'école peuvent être créés, à moins que de nouvelles formes d'enseignement, formations [2 ...]2 et de types y soient créés. ".
   § 3. Sans préjudice des dispositions des paragraphes 1er et 2, une école de la forme d'enseignement, type 5, ne peut créer une nouvelle implantation que moyennant l'approbation du Gouvernement flamand.]1

  
Art. 289. § 1. Bij beslissing van het schoolbestuur kan een bestaande school die voldoet aan de rationalisatienorm per 1 september :
  1° een bestaande opleidingsvorm 1 of 2 die aan de rationalisatienorm voldoet omvormen tot een andere opleidingsvorm op voorwaarde dat de bestaande opleidingsvorm volledig en gelijktijdig wordt opgeheven en dat, op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, in de ontstane opleidingsvorm de rationalisatienorm wordt bereikt;
  2° een bestaande opleidingsvorm 3 of 4 die aan de rationalisatienorm voldoet omvormen tot een andere opleidingsvorm, op voorwaarde dat de bestaande opleidingsvorm gelijktijdig, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, wordt opgeheven en dat op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, in de ontstane opleidingsvorm de rationalisatienorm wordt bereikt;
  3° [6 ...]6
  [4 ...]4.[4 ...]4;
  4°[6 de omvormingen, vermeld in punt 1° en 2°,]6 van deze paragraaf moeten doorgevoerd worden in al de vestigingsplaatsen van de school waar deze opleidingsvorm [6 ...]6 wordt georganiseerd;
  [1 Omvormingen van een bestaande opleidingsvorm naar opleidingsvorm 4, zoals voorzien in de punten 1° en 2° van deze paragraaf zijn slechts mogelijk indien een school een samenwerkingsovereenkomst kan voorleggen met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)len van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1;]1
  [4 [6 Tijdens de periode van omvorming kunnen in de opleidingsvorm die opgeheven wordt, alleen leerlingen worden ingeschreven in de leerjaren die, gelet op de progressieve opheffing, nog niet zijn opgeheven. Bij opleidingen van opleidingsvorm 3, waarvan de omvorming al van start is gegaan in 2020-2021, geldt ook dat tijdens de periode van omvorming in de opleiding die opgeheven wordt, alleen leerlingen kunnen worden ingeschreven in de leerjaren die, gelet op de progressieve opheffing, nog niet zijn opgeheven.]6]4
  5° een opleidingsvorm 1, 2 of 3 oprichten op voorwaarde dat, op de datum bepaald in artikel 271 :
  - het vorig schooljaar ten minste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
  - 250 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 277 en 278 voor deze opleidingsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt.
  Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing;
  6° een opleidingsvorm 4 oprichten, op voorwaarde dat op de datum bepaald in artikel 271 :
  - het vorig schooljaar tenminste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
  - 125 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 277, § 5, en 278 voor deze opleidingsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt.
  Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.
  § 2. Per provincie [1 of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad]1 en per groep en per taalstelsel kan in een bestaande school een opleidingsvorm gefinancierd of gesubsidieerd worden op voorwaarde dat op de datum die in artikel 271 wordt bepaald aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
  [2 - dit de enige opleidingsvorm is in die provincie per groep en per taalstelstel of maximaal de tweede opleidingsvorm is in het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad per groep en per taalstelsel;]2
  - [1 ...]1
  - het vorig schooljaar tenminste het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
  - voor elk van de nieuw georganiseerde opleidingsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 bereiken.
  Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.
  [6 De bepalingen van paragraaf 1, 1° en 2°,]6 zijn tijdens de periode van programmatie niet van toepassing voor de opleidingsvormen opgericht of in de toelageregeling opgenomen overeenkomstig deze paragraaf.
  § 3. [5 Een bestaande school die opleidingsvorm 3 organiseert die aan de rationalisatienorm voldoet, kan een of meer bijkomende [6 structuuronderdelen]6 inrichten.
  [8 Om een programmatieaanvraag in te dienen voor een of meer bijkomende structuuronderdelen in scholen met opleidingsvorm 3, waar type 9 wordt aangeboden, stelt het schoolbestuur een oprichtingsdossier samen. Om een programmatieaanvraag in te dienen voor een of meer bijkomende structuuronderdelen in scholen met opleidingsvorm 3, ongeacht het aanbod van types, waar door de programmatie van een structuuronderdeel een nieuw studiedomein zal worden aangeboden, stelt het schoolbestuur een oprichtingsdossier samen. De voormelde oprichtingsdossiers bevatten al de volgende elementen]8:
   1° de identificatiegegevens van het schoolbestuur, de school en de vestigingsplaats;
   2° het schooljaar waarop de programmatie betrekking heeft;
   3° de benaming van [6 het structuuronderdeel]6 of [6 structuuronderdelen]6, bepaald door de Vlaamse Regering, waarop de programmatie betrekking heeft, samen met een grondige motivering waarom zij [6 dit structuuronderdeel]6 of [6 structuuronderdelen]6 wenst te programmeren;
   4° [6 per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon secundair onderwijs of één centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs met een vergelijkbaar studieaanbod in de buurt uit het beroepssecundair onderwijs;]6
   5° [6 de volgende bewijsstukken:
   a) de samenwerkingsovereenkomst met een of meer scholen voor gewoon secundair onderwijs of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs met een vergelijkbaar aanbod in het beroepssecundair onderwijs;
   b) in voorkomend geval, het protocol van de onderhandeling daarover in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]6
.
   De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing rekening met al de volgende criteria:
   1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van [6 het structuuronderdeel]6 zijn gekoppeld;
   2° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
   3° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
   4° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de scholengemeenschap;
   5° de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van [6 het geprogrammeerde structuuronderdeel]6;
   6° de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
   7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod.
   [6 Het schoolbestuur stuurt een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 30 november van het schooljaar dat voorafgaat aan de programmatie. Het dossier kan zowel structuuronderdelen van de opleidingsfase, ofwel de kwalificatiefase, ofwel de integratiefase bevatten, als structuuronderdelen van enkele of alle fasen in kwestie samen. De programmatie in de integratiefase en de kwalificatiefase kan verschillen van elkaar[7 ...]7. Het schoolbestuur kan er ook voor kiezen om identieke structuuronderdelen in die fasen te programmeren. De programmatie van gemoderniseerde structuuronderdelen kan in de verschillende leerjaren of fasen gelijktijdig dan wel progressief worden doorgevoerd, nadat de modernisering is uitgerold. De voormelde termijn geldt als een vervaltermijn.
   Aanvragen die later worden ingediend, zijn onontvankelijk. Een observatiefase is een apart structuuronderdeel, dat in alle scholen met opleidingsvorm 3 wordt aangeboden, waarin met de structuuronderdelen die in de latere fases worden aangeboden kennis gemaakt kan worden, en is vrij programmeerbaar.]6

   Indien de voormelde aanvraag betrekking heeft op de programmatie per 1 september 2021 of 2022 van een niet-gemoderniseerd structuuronderdeel van de kwalificatiefase en de integratiefase, dan moet de aanvraag eveneens de toekomstige concordantie naar het gemoderniseerde structuuronderdeel bevatten om ontvankelijk te zijn. Niet-gemoderniseerde structuuronderdelen zijn niet programmeerbaar in de opleidingsfase en vanaf 1 september 2023 in de kwalificatiefase en de integratiefase.
   De Vlaamse Onderwijsraad [9 ...]9 en het Agentschap voor Onderwijsdiensten brengen binnen een redelijke termijn en uiterlijk twee maanden na de ontvangst van de aanvragen, vakantieperioden niet inbegrepen, een advies uit aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs.
   De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, legt een voorstel van beslissing voor aan de Vlaamse Regering.
   [6 Een bijkomend structuuronderdeel]6 kan op 1 september in een school alleen worden opgericht na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. [6 De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 31 maart van het schooljaar waarin de aanvraag is ingediend. [5 De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn.]8]6.
   Het Agentschap voor Onderwijsdiensten deelt de beslissing van de Vlaamse Regering binnen een periode van twee weken schriftelijk mee aan het schoolbestuur.]5

  [8 In afwijking van het tweede tot en met het tiende lid kan:
   1° een school een structuuronderdeel in de integratiefase vrij programmeren als de school hetzelfde structuuronderdeel al in de kwalificatiefase heeft ingericht of goedgekeurd krijgt;
   2° een school een niet-duaal structuuronderdeel in de kwalificatiefase of de integratiefasefase vrij programmeren als de school het gelijknamige duale structuuronderdeel al heeft ingericht of goedgekeurd krijgt;
   3° een school met opleidingsvorm 3, waar geen type 9 wordt aangeboden of geprogrammeerd, een of meer bijkomende structuuronderdelen van hetzelfde studiedomein dat ze al aanbiedt, vrij programmeren.
   Een vrije programmatie wordt bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap gemeld uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd:
   1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comitщ;
   2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]8

  [5 § 3/1. In aanvulling op artikel 286 moet een schoolbestuur bij de programmatie van een nieuwe school met opleidingsvorm 3 eveneens een programmatieaanvraag en een oprichtingsdossier indienen voor de oprichting van een of meer nieuwe [6 structuuronderdelen]6 in opleidingsvorm 3 en een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering krijgen om deze te kunnen oprichten. Hierbij moeten de bepalingen van paragraaf 3 toegepast worden op de nieuwe [6 structuuronderdelen]6 in de nieuw op te richten opleidingsvorm 3 in een nieuwe school en niet op bijkomende [6 structuuronderdelen]6 in een opleidingsvorm 3 dat aan de rationalisatienorm voldoet in een bestaande school.]5
  § 4. [1 In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragraaf 2, moet een schoolbestuur dat één of meer nieuwe opleidingsvormen wil oprichten een oprichtingsdossier indienen.
   Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
   1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;
   2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de school met de nieuwe opleidingsvorm 4. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1.
   Dit punt is niet van toepassing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2. Voor een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, onder toepassing van paragraaf 2, is een samenwerkingsovereenkomst, zoals hierboven vermeld, wel verplicht;
   3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe opleidingsvorm(en);
   4° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe opleidingsvorm(en) worden in het dossier weergegeven.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.]1

  [1 § 5. De oprichting vanaf 1 september van één of meer nieuwe opleidingsvormen kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.
   Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. Dit advies wordt niet gevraagd aan de Vlaamse Onderwijsraad indien het pro- grammatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2.[8 De voormelde aanvraagtermijn geldt als vervaltermijn.]8
Art. 289. § 1. Par décision de l'autorité scolaire, une école existante qui satisfait à la norme de rationalisation au 1er septembre peut :
  1° transformer une forme d'enseignement existante 1 ou 2 qui satisfait à la norme de rationalisation en une autre forme d'enseignement à condition que la forme d'enseignement existante soit supprimée complètement et simultanément et qu'au 1er octobre de l'année scolaire dans laquelle la transformation est opérée, la norme de rationalisation soit atteinte dans la forme d'enseignement créée;
  2° transformer une forme d'enseignement existante 3 ou 4 qui satisfait à la norme de rationalisation en une autre forme d'enseignement à condition que la forme d'enseignement existante soit supprimée simultanément, année d'études après année d'études, à commencer par la première année, et qu'au 1er octobre de l'année scolaire dans laquelle la transformation est opérée, la norme de rationalisation soit atteinte dans la forme d'enseignement créée;
  3° [6 ...]6
  [4 ...]4. [4 ...]4;
  4° [6 les transformations visées aux points 1° et 2°,]6 du présent paragraphe doivent être effectuées dans toutes les implantations de l'école où cette forme d'enseignement [6 ...]6 sont organisés]1;
  [1 Des transformations d'une forme d'enseignement existante en la la forme d'enseignement 4, telles que prévues aux points 1° et 2° du présent paragraphe ne sont possibles que si une école peut produire un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire à temps plein voisine proposant une ample offre d'études. Pour la formation des élèves dans cette forme d'enseignement, il est coopéré, si possible et souhaitable avec cette école/ces écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, tel que prévu à l'article 136/1.]1
  [4 [6 Pendant la période de transformation, des élèves ne peuvent être inscrits à la forme d'enseignement en cours de suppression que dans les années d'études qui, vu la suppression progressive, ne sont pas encore supprimées. Pour les formations de la forme d'enseignement 3, dont la transformation a déjà commencé en 2020-2021, pendant la période de transformation, des élèves ne peuvent être inscrits que dans les années d'études qui, vu la suppression progressive, ne sont pas encore supprimées.]6]4
  5° créer une forme d'enseignement 1, 2 ou 3 à condition qu'à la date fixée à l'article 271 :
  - pendant l'année scolaire précédente au moins 150% du total des normes de rationalisation fixées aux articles 277 et 278 pour les formes d'enseignement organisées fussent atteints;
  - 250% de la norme de rationalisation fixée aux articles 277 et 278 pour cette forme d'enseignement soient atteints pendant deux années scolaires consécutives.
  A partir de la troisième année scolaire, seules les dispositions relatives à la rationalisation sont d'application;
  6° créer une forme d'enseignement 4 à condition qu'à la date fixée à l'article 271 :
  - pendant l'année scolaire précédente au moins 150% du total des normes de rationalisation fixées aux articles 277 et 278 pour les formes d'enseignement organisées fussent atteints;
  - 125 % de la norme de rationalisation fixée aux articles 277, § 5, et 278 pour cette forme d'enseignement soient atteints pendant deux années scolaires consécutives.
  A partir de la troisième année scolaire, seules les dispositions relatives à la rationalisation sont d'application.
  § 2. Par province [1 ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale]1 et par groupe et par régime linguistique, une forme d'enseignement peut être financée ou subventionnée dans une école existante à condition qu'il soit satisfait, à la date fixée à l'article 271, aux conditions suivantes : - cette forme d'enseignement n'était pas financée ou subventionnée au 1er septembre 1986 dans cette province et dans ce groupe;
  [2 - celle-ci est l'unique forme d'enseignement dans cette province par groupe et par régime linguistique ou est au maximum la deuxième forme d'enseignement dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale par groupe et par régime linguistique ;]2
  - [1 ...]1
  - l'année scolaire précédente au moins le total des normes de rationalisation fixées aux articles 277 et 278 était atteint pour les formes d'enseignement organisées;
  - atteindre pendant deux années scolaires consécutives les normes de rationalisation fixées aux articles 277 et 278 pour chacune des formes d'enseignement nouvellement organisées.
  A partir de la troisième année scolaire, seules les dispositions relatives à la rationalisation sont d'application.
  [6 Les dispositions du paragraphe 1er, 1° et 2°,]6 ne sont pas d'application pendant la période de programmation aux formes d'enseignement créées ou reprises dans le régime de subventions conformément au présent paragraphe.
  § 3. [5 Une école existante qui organise une forme de formation 3 satisfaisant à la norme de rationalisation peut organiser une ou plusieurs [6 subdivisions structurelles]6 supplémentaires.
  [8 Afin d'introduire une demande de programmation pour une ou plusieurs subdivisions structurelles supplémentaires dans les écoles de la forme d'enseignement 3, où le type 9 est proposé, l'autorité scolaire constitue un dossier de création. Afin d'introduire une demande de programmation pour une ou plusieurs subdivisions structurelles supplémentaires dans les écoles de la forme d'enseignement 3, quel que soit le type, où un nouveau domaine d'études sera proposé suite à la programmation d'une subdivision structurelle, l'autorité scolaire constitue un dossier de création.Les dossiers de création précités contiennent déjà les éléments suivants]8:
   1° les données d'identification de l'autorité scolaire, de l'école et de l'implantation ;
   2° l'année scolaire à laquelle la programmation a trait ;
   3° la dénomination de la ou des [6 subdivisions structurelles]6 déterminée par le Gouvernement flamand, auxquelles la programmation se rapporte, ainsi qu'une justification détaillée de la programmation souhaitée de cette ou ces [6 subdivisions structurelles]6 ;
   4° [6 par subdivision structurelle ou combinaison de subdivisions structurelles, un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire ordinaire ou un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel avec une offre d'études similaire à proximité de l'enseignement secondaire professionnel ;]6
   5° [6 les pièces justificatives suivantes :
   a) l'accord de coopération avec une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire ou un ou plusieurs centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel avec une offre d'études similaire dans l'enseignement secondaire professionnel ;
   b) le cas échéant, le protocole de la négociation au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à une communauté scolaire, un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux accords conclus au sein de la communauté scolaire.]6

   En prenant sa décision, le Gouvernement flamand tient compte de tous les critères suivants :
   1° les restrictions ou conditions éventuelles qui, du point de vue de la macro-efficacité, sont liées à l'offre de la [6 subdivision structurelle]6 ;
   2° les besoins quantitatifs et qualitatifs pour l'offre d'enseignement secondaire dans la zone d'enseignement en question en vue de l'enseignement complémentaire ou l'entrée sur le marché du travail ;
   3° la liberté de choix des parents et des élèves ;
   4° la continuité des études des élèves au sein du centre d'enseignement ;
   5° les préparatifs en matière d'infrastructure matérielle et de moyens didactiques qui sont suffisants et adaptés aux compétences à acquérir de la [6 subdivision structurelle]6 programmée ;
   6° les possibilités démontrables de coopération avec des acteurs locaux du marché de l'emploi et le secteur des entreprises ;
   7° les accords conclus avec d'autres organisateurs d'enseignement locaux, à l'intérieur comme à l'extérieur du centre d'enseignement en question, concernant une offre d'études rationnelle et transparente.
   [6 L'autorité scolaire envoie une demande motivée avec le dossier de création à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédant la programmation. Le dossier peut contenir tant des subdivisions structurelles de la phase de formation, soit de la phase de qualification, soit de la phase d'intégration, que des subdivisions structurelles de l'ensemble de certaines ou de toutes les phases en question. La programmation dans la phase d'intégration et la phase de qualification peut différer[7 ...]7. L'autorité scolaire peut également choisir de programmer des subdivisions structurelles identiques dans ces phases. La programmation de subdivisions structurelles modernisées peut être effectuée simultanément ou progressivement dans les différentes années d'études ou phases, après la mise en oeuvre de la modernisation. Le délai précité vaut comme délai d'échéance.
   Les demandes présentées après ce délai seront irrecevables. Une phase d'observation est une subdivision structurelle distincte, qui est offerte dans toutes les écoles de la forme d'enseignement 3, dans laquelle l'on peut s'initier aux subdivisions structurelles qui sont offertes lors des phases ultérieures, et est librement programmable.]6

   Si la demande susmentionnée concerne la programmation au 1er septembre 2021 ou 2022 d'une subdivision structurelle non modernisée de la phase de qualification et de la phase d'intégration, la demande doit également contenir la concordance future avec la subdivision structurelle modernisée afin d'être recevable. Des subdivisions structurelles non modernisées ne sont pas programmables dans la phase de formation et à partir du 1er septembre 2023 dans les phases de qualification et d'intégration.
   Le Vlaamse Onderwijsraad (Conseil flamand de l'enseignement) [9 ...]9 et l'Agentschap voor Onderwijsdiensten émettent un avis, dans un délai raisonnable et dans les deux mois de la réception de la demande, périodes de vacances non comprises, au Ministre flamand chargé de l'enseignement.
   Le Ministre flamand chargé de l'enseignement soumet une proposition de décision au Gouvernement flamand.
   Une [6 subdivision structurelle]6 complémentaire ne peut être mise en place le 1er septembre dans une école qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand. [6 Le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard le 31 mars de l'année scolaire pendant laquelle la demande est introduite.[8 Le délai de décision précité vaut délai d'ordre.]8.]6.
   L'Agence de Services d'Enseignement communique la décision du Gouvernement flamand dans un délai de deux semaines par écrit à l'autorité scolaire.]5

  [8 Par dérogation aux alinéas 2 à 10 :
   1° une école peut programmer librement une subdivision structurelle dans la phase d'intégration si elle a déjà mis en place ou reçu une approbation pour la même subdivision structurelle dans la phase de qualification ;
   2° une école peut programmer librement une subdivision structurelle non duale dans la phase de qualification ou d'intégration si elle a déjà mis en place ou reçu une approbation pour la subdivision structurelle duale du même nom ;
   3° une école de la forme d'enseignement 3, où aucun type 9 n'est proposé ou programmé, peut programmer librement une ou plusieurs subdivisions structurelles supplémentaires du même domaine d'études qu'elle offre déjà.
   Une libre programmation est communiquée aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 1er avril précédant la création. La communication susmentionnée doit être accompagnée des documents suivants :
   1° le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;
   2° si l'école fait partie d'une communauté scolaire : un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux accords conclus au sein du centre d'enseignement.]8

  [5 § 3/1. En complément de l'article 286, lors de la programmation d'une nouvelle école de la forme de formation 3, une autorité scolaire doit également soumettre une demande de programmation et un dossier de création pour la création d'une ou plusieurs nouvelles [6 subdivisions structurelles]6 de la forme de formation 3 et recevoir une décision favorable du Gouvernement flamand pour les mettre en place. Les dispositions du paragraphe 3 doivent être appliquées aux nouvelles [6 subdivisions structurelles]6 dans la nouvelle forme de formation 3 à créer dans une nouvelle école et non aux [6 subdivisions structurelles]6 supplémentaires dans une forme de formation 3 qui répond à la norme de rationalisation dans une école existante.]5
  § 4. [1 En complément du paragraphe 1er, 5° et 6°, et du paragraphe 2, une autorité scolaire désirant créer une ou plusieurs nouvelles formes d'enseignement doit introduire à cet effet un dossier de création.
   Ce dossier de création doit au moins répondre aux normes de qualité reprises ci-dessous :
   1° l'autorité scolaire est responsable de l'introduction du dossier après concertation au sein du conseil scolaire et après concertation ou négociation au sein du comité local ;
   2° le dossier reprend une analyse de l'environnement motivant la nécessité, l'efficacité et la viabilité de la proposition de programmation. Dans l'analyse de l'environnement, le lien avec d'éventuelles possibilités d'accompagnement adapté, y compris des possibilités d'accompagnement extra-muros pour les jeunes à besoins complémentaires d'aide, est explicitement traité, si nécessaire pour la population scolaire intéressée. Lorsqu'une proposition de programmation est faite pour la forme d'enseignement 4, à l'exception du type 5, un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plain voisine proposant une ample offre d'études doit pouvoir être produit. Il faut chaque fois produire un avis au sujet de cet accord de coopération entre une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et l'école organisant la nouvelle forme d'enseignement 4. L'avis est pris après concertation au sein du conseil de classe et après concertation ou après négociation au sein du comité local compétent dans une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein. Pour la formation des élèves dans cette forme d'enseignement, il est coopéré, après la programmation éventuelle, si possible et souhaitable, avec l'école/les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, tel que prévu à l'article 136/1.
   Le présent point n'est pas d'application si la proposition de programmation relève de l'application du paragraphe 2. Un accord de coopération tel que visé ci-dessus est obligatoire pour une proposition de programmation pour la forme d'enseignement 4 relevant de l'application du paragraphe 2 ;
   3° l'école doit disposer des structures infrastructurelles et matérielles requises en matière d'accessibilité et d'aides requises pour la/les nouvelle(s) forme(s) d'enseignement ;
   4° l'expertise déjà existante ou les efforts de professionnalisation de l'équipe quant à la/les nouvelle(s) forme(s) d'enseignement figurent dans le dossier.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives au contenu et à la forme du dossier de création et au mode d'évaluation des normes de qualité.
   § 5. La création à partir du 1er septembre d'une ou de plusieurs nouvelles formes d'enseignement n'est possible qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand.
   A cet effet, l'autorité scolaire adresse, le 30 novembre de l'année scolaire précédente au plus tard, une demande motivée assortie du dossier de création, à AgODi, qui remet la demande pour avis administratif-technique et de fond au Conseil flamand de l'Enseignement. Un tel avis n'est pas demandé au Conseil flamand de l'Enseignement si la proposition de programmation relève de l'application du paragraphe 2.[8 La période de demande susvisée vaut délai d'échéance.]8
   Par dérogation à l'alinéa précédent, des demandes motivées peuvent être introduites auprès d'AgODi jusqu'au 1er juillet 2014 au plus tard pour la création à partir du 1er septembre 2015 d'un type 9.
   Le Gouvernement flamand prend cette décision après avoir pris l'avis du Conseil flamand de l'Enseignement sur le bien-fondé du besoin local d'offre supplémentaire et après l'avis d'AgODi [9 ...]9. L'avis du Conseil flamand de l'Enseignement ne constitue pas un élément dans cette décision, si la proposition de programmation relève de l'application du paragraphe 2.]1

  [5 § 6. En complément au paragraphe 1er, 5° et 6° et aux paragraphes 2, 4 et 5, une autorité scolaire souhaitant créer une forme de formation 3 doit également soumettre une demande de programmation et un dossier de création pour la création d'une ou plusieurs nouvelles [6 subdivisions structurelles]6 de la forme de formation 3 et recevoir une décision favorable du Gouvernement flamand pour les mettre en place. Les dispositions du paragraphe 3 doivent s'être appliquées aux nouvelles [6 subdivisions structurelles]6 dans la nouvelle forme de formation 3 à créer dans une école existante et non aux [6 subdivisions structurelles]6 supplémentaires dans une forme de formation 3 qui répond à la norme de rationalisation dans une école existante.]5
  [6 § 7. [8 Les subdivisions structurelles qui sont librement programmables dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, sont également librement programmables dans les écoles de l'enseignement secondaire spécial, forme d'enseignement 4, où aucun type 9 n'est proposé ou programmé. Les subdivisions structurelles qui sont programmables dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, sont également programmables dans les écoles de l'enseignement secondaire spécial, forme d'enseignement 4, où aucun type 9 n'est proposé ou programmé, moyennant l'approbation du Gouvernement flamand. Les subdivisions structurelles dans les écoles de l'enseignement secondaire spécial, où la forme d'enseignement 4, de type 9, est proposée ou programmée, sont programmables moyennant l'approbation du Gouvernement flamand. Par dérogation aux dispositions susmentionnées :
   1° l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones n'est pas programmable dans l'enseignement secondaire spécial ;
   2° le principe de programmation ne s'applique pas à l'enseignement secondaire spécial, forme d'enseignement 4, type 5 ;
   3° une subdivision structurelle non duale dans la forme d'enseignement 4 est librement programmable si l'école a déjà mis en place ou programmé la subdivision structurelle duale du même nom et, inversement, une subdivision structurelle duale est librement programmable si l'école a déjà mis en place ou programmé la subdivision structurelle non duale du même nom ;
   4° l'article 179 ne s'applique pas à l'enseignement secondaire spécial, forme d'enseignement 4.]8

   Une libre programmation est communiquée aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard lors de la création de la subdivision structurelle en question.
   [8 Une programmation dont le Gouvernement flamand décide, est demandée auprès des services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 30 novembre ou au plus tard le 31 mars avant la création de la subdivision structurelle en question. La période de demande susvisée vaut délai d'échéance. Le Gouvernement flamand prend une décision dans les deux mois suivant la date d'introduction ultime respective après l'avis des services compétents de la Communauté flamande [9 ...]9. Le délai de décision précité vaut délai d'ordre. Tant la motivation de la demande que la décision tiennent compte des critères cumulatifs, visés à l'article 178, alinéa 4, pour les subdivisions structurelles non duales et duales.]8
   La communication ou la demande doit être assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à une communauté scolaire, d'un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux accords conclus au sein de la communauté scolaire.]6

  
   In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.
   De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi [9 ...]9. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad is geen element in deze beslissing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2]1
  [5 § 6. In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragrafen 2, 4 en 5, moet een schoolbestuur dat opleidingsvorm 3 wil oprichten eveneens een programmatieaanvraag en een oprichtingsdossier indienen voor de oprichting van een of meer nieuwe [6 structuuronderdelen]6 in opleidingsvorm 3 en een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering krijgen om deze te kunnen oprichten. Hierbij moeten de bepalingen van paragraaf 3 toegepast worden op de nieuwe [6 structuuronderdelen]6 in de nieuw op te richten opleidingsvorm 3 in een bestaande school en niet op bijkomende [6 structuuronderdelen]6 in een opleidingsvorm 3 dat aan de rationalisatienorm voldoet in een bestaande school.]5
  [6 § 7.[8 Structuuronderdelen die in het voltijds gewoon secundair onderwijs vrij programmeerbaar zijn, zijn ook in scholen van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, waar geen type 9 wordt aangeboden of geprogrammeerd, vrij programmeerbaar. Structuuronderdelen die in het voltijds gewoon secundair onderwijs programmeerbaar zijn na goedkeuring van de Vlaamse Regering, zijn ook in scholen van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, waar geen type 9 wordt aangeboden of geprogrammeerd, programmeerbaar na goedkeuring van de Vlaamse Regering. Structuuronderdelen in scholen van het buitengewoon secundair onderwijs, waar opleidingsvorm 4, type 9 wordt aangeboden of geprogrammeerd, zijn programmeerbaar na goedkeuring van de Vlaamse Regering. In afwijking van de voormelde bepalingen is:
   1° het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers niet programmeerbaar in het buitengewoon secundair onderwijs;
   2° het programmatieprincipe niet van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, type 5;
   3° een niet-duaal structuuronderdeel in opleidingsvorm 4 vrij programmeerbaar als de school het gelijknamige duale structuuronderdeel al heeft ingericht of geprogrammeerd, en, omgekeerd, is een duaal structuuronderdeel vrij programmeerbaar als de school het gelijknamige niet-duale structuuronderdeel al heeft ingericht of geprogrammeerd;
   4° artikel 179 niet van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4.]8

   [8 Een programmatie waarover de Vlaamse Regering beslist, wordt bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap aangevraagd uiterlijk op 30 november of uiterlijk op 31 maart voor de oprichting van het structuuronderdeel in kwestie. De voormelde aanvraagtermijn geldt als vervaltermijn. Na advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap [9 ...]9 beslist de Vlaamse Regering binnen twee maanden na de respectieve uiterste indieningsdatum. De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn. De motivering van de voormelde aanvraag en de voormelde beslissing houden rekening met de cumulatieve criteria, vermeld in artikel 178, vierde lid, voor niet-duale structuuronderdelen en voor duale structuuronderdelen.]8
   Bij de melding of aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]6

  
-
Art. 290/1. [1 § 1. In afwijking van de artikelen 286 en 289 wordt de oprichting van een nieuwe type ook als een programmatie beschouwd.
   De school hertelt op de datum, vermeld in artikel 271, indien er effectief leerlingen van het nieuwe type zijn op die datum en voldaan is aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2.
   Indien simultaan een nieuwe school wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de school voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 286.
   Indien simultaan een nieuwe opleidingsvorm of een nieuwe opleiding wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de opleidingsvorm en de opleiding voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 289.
   § 2. In een school of opleidingsvorm kan een nieuw type worden opgericht als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
   1° het schoolbestuur dient een programmatiedossier in dat ten minste voldoet aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
   a) het schoolbestuur dient het dossier in na overleg binnen de schoolraad en in de wettelijk voorziene overlegorganen met het personeel;
   b) het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste verblijfmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmo- gelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld;
   c) de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;
   d) de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het programmatiedossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld;
   2° de oprichting vanaf 1 september van het nieuwe type kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.
   Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het programmatiedossier aan AgODi, dat de aanvraag voor advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.
   In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.
   De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi [4 ...]4.
   § 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.]1

  [2 [3 ...]3]2
  
Art. 290/1. [1 § 1er. Par dérogation aux articles 286 et 289, la création d'un nouveau type est également considérée comme une programmation.
   L'école effectue un nouveau comptage à la date visée à l'article 271, s'il y a effectivement des élèves du nouveau type à cette date et si les conditions fixées au paragraphe 2 sont remplies.
   S'il est simultanément créé une nouvelle école avec ce nouveau type, les conditions fixées au paragraphe 2 du présent article doivent être remplies pour la création du nouveau type, tandis que pour la création de l'école, les conditions de l'article 286 doivent être remplies.
   S'il est simultanément créé une nouvelle forme d'enseignement ou une nouvelle formation avec ce nouveau type, les conditions fixées au paragraphe 2 du présent article doivent être remplies pour la création de ce nouveau type, tandis que pour la création de la forme d'enseignement et de la formation, les conditions de l'article 289 doivent être remplies.
   § 2. Un nouveau type peut être créé dans une école ou forme d'enseignement, si les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'autorité scolaire introduit un dossier de programmation qui répond au moins aux normes de qualité reprises ci-dessous :
   a) l'autorité scolaire introduit le dossier après concertation au sein du conseil scolaire et dans les organes de concertation légalement prévus avec le personnel ;
   b) le dossier reprend une analyse de l'environnement motivant la nécessité, l'efficacité et la viabilité de la proposition de programmation. Dans l'analyse de l'environnement, le lien avec d'éventuelles possibilités de séjour adaptées, y compris des possibilités d'accompagnement extra-muros pour les jeunes à besoins complémentaires d'aide, est explicitement traité, si nécessaire pour la population scolaire intéressée ;
   c) l'école doit disposer des structures infrastructurelles et matérielles requises en matière d'accessibilité et d'aides requises pour le nouveau type ;
   d) l'expertise déjà existante ou les efforts de professionalisation de l'équipe quant au nouveau type figurent dans le dossier.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives au contenu et à la forme du dossier de programmation et au mode d'évaluation des normes de qualité ;
   2° la création à partir du 1er septembre du nouveau type n'est possible qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand.
   A cet effet, l'autorité scolaire adresse, le 30 novembre de l'année scolaire précédente au plus tard, une demande motivée assortie du dossier de programmation, à AgODi, qui remet la demande pour avis au Conseil flamand de l'Enseignement.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, des demandes motivées peuvent être introduites auprès d'AgODi jusqu'au 1er juillet 2014 au plus tard pour la création à partir du 1er septembre 2015 d'un type 9.
   Le Gouvernement flamand prend cette décision après avoir pris l'avis du Conseil flamand de l'Enseignement sur le bien-fondé du besoin local d'offre supplémentaire et après l'avis d'AgODi [4 ...]4.
   § 3. Les écoles d'enseignement secondaire spécial qui offraient le type 1 pendant l'année scolaire 2014-2015, offrent à partir du 1er septembre 2015 l'offre de base telle que visée à l'article 259, § 1er, 1°. Ceci n'est pas considéré comme une restructuration.]1

   [3 ...]1]3
  
Art. 290/2. [1 In afwijking van de artikelen 286, 289 en 290/1 mag een schoolbestuur dat voor de programmatie van [2 een nieuw structuuronderdeel,]2 een nieuw type, een nieuwe opleidingsvorm of van een nieuwe school een goedkeuring kreeg van de Vlaamse Regering met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september [2 van het jaar X]2, zonder [2 nieuwe aanvraag of goedkeuring het toegestane aanbod]2 inrichten vanaf [2 1 september van het jaar X+1]2, indien de school de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod niet haalt op de eerste schooldag van oktober [2 van het jaar X]2. [2 In geval van een nieuw type beslist de school tegen de eerste schooldag van oktober van het jaar X of ze het nieuwe type in de loop van dat schooljaar alsnog zal organiseren, als er een vraag tot inschrijving wordt gesteld. Op de eerste schooldag van oktober van het jaar X+1 moet de school de programmatienormen voor dat nieuwe aanbod bereiken. Als de programmatienormen niet bereikt worden, worden ofwel de opgerichte opleidingsvorm of opleidingsvormen ofwel de nieuwe school met ingang van 1 september daaropvolgend opgeheven]2.]1
  
Art. 290/2. [1 Par dérogation aux articles 286, 289 et 290/1, une autorité scolaire qui a reçu une approbation du Gouvernement flamand pour la programmation [2 d'une nouvelle subdivision structurelle,]2 d'un nouveau type, d'une nouvelle forme d'enseignement ou d'une nouvelle école en vue du démarrage de la nouvelle offre au 1er septembre [2 de l'année X]2, peut mettre en place [2 l'offre autorisée]2 à partir du [2 1er septembre de l'année X+1]2, sans demande ni approbation supplémentaire, si l'école n'atteint pas les normes de programmation pour cette nouvelle offre le premier jour de classe d'octobre [2 de l'année X]2. [2 Dans le cas d'un nouveau type, l'école décide, pour le premier jour de classe d'octobre de l'année X, si elle organisera encore le nouveau type dans le courant de cette année scolaire si une demande d'inscription est introduite. Le premier jour de classe d'octobre de l'année X+1, l'école doit atteindre les normes de programmation pour cette nouvelle offre. Si les normes de programmation ne sont pas atteintes, soit la ou les formes d'enseignement, soit la nouvelle école sont supprimées à partir du 1er septembre suivant.]2.]1
  
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
CHAPITRE 2. - Dispositions relatives aux élèves des formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
Afdeling 1. - Toelatingsvoorwaarden
Section 1re. - Conditions d'admission
Onderafdeling 1. - Leeftijd
Sous-section 1re. - Age
Art. 291. Voor de toelating tot het buitengewoon secundair onderwijs komen in aanmerking personen met een handicap vanaf 13 jaar tot 21 jaar. Uitzonderlijk kunnen ook leerlingen [1 vroeger]1 worden toegelaten, zoals bepaald in artikel 292, 1°, 2°. (290)
  
Art. 291. Des personnes handicapées de 13 à 21 ans sont admissibles à l'enseignement secondaire spécial. Dans des cas exceptionnels, [1 des élèves peuvent être admis plus tôt]1 comme prévu à l'article 292, 1°, 2°. (290)
  
Art. 292. Kinderen en adolescenten kunnen als regelmatige leerling in een school voor buitengewoon secundair onderwijs worden toegelaten op basis van een [1 [5 IAC-verslag of OV4-verslag]5 :
  1° na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van dertien jaar bereiken;
  2° op gemotiveerd advies, [4 opgenomen in]4 het [1 [5 IAC-verslag of OV4-verslag]5]1
, na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van twaalf jaar bereiken.[6 In afwijking van het voormelde is het gemotiveerde advies niet nodig voor de toelating tot het eerste leerjaar B van opleidingsvorm 4]6;
  3° als ze meer dan eenentwintig jaar zijn en [2 voldoen aan de bepalingen van één van de paragrafen van artikel 293]2;
  [3 4° als ze beschikken over een getuigschrift basisonderwijs.]3
  
Art. 292. Des enfants et adolescents peuvent être admis à une école d'enseignement secondaire spécial comme élève régulier sur la base d'un[5 rapport IAC ou d'un rapport OV4]5établi tel que fixé à l'article 294 :
  1° après les vacances d'été de l'année dans laquelle ils atteignent l'âge de treize ans;
  2° sur avis motivé, [4 contenu dans le]4 [1 [5 rapport IAC ou le rapport OV4]5]1, après les vacances d'été de l'année dans laquelle ils atteignent l'âge de douze ans.[6 Par dérogation à ce qui précède, l'avis motivé n'est pas nécessaire pour l'admission en première année B de la forme d'enseignement 4 ]6;
  3° s'ils ont plus de vingt et un ans et [2 remplissent les dispositions d'un des paragraphes de l'article 293]2;
  [3 4° s'ils sont porteur d'un certificat de l'enseignement fondamental.]3
  
Art. 293. [1 § 1. Een klassenraad van een leerling aangewezen op opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2, kan, indien zij hiertoe een schriftelijke verlengingsaanvraag krijgt van de betrokken personen, een leerling na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt telkens voor één schooljaar verder laten genieten van het buitengewoon onderwijs in functie van het behalen van het attest. Dit is mogelijk indien [2 deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 nog niet beschikt over een persoonsvolgend budget waarmee de gewenste dagondersteuning effectief is opgestart in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap]2, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Dit is eveneens mogelijk indien er geen plaats is voor deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 in de post-schoolse opvangmogelijkheden op gebied van tewerkstelling, en deze opvang geweigerd is, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Deze verlengingsaanvraag moet uiterlijk op 1 september voorgelegd worden aan de klassenraad. De klassenraad dient uitspraak te doen over deze aanvraag ten laatste op 15 september van het schooljaar waarop de verlenging van toepassing is.
   [3 Een klassenraad kan de verlengingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, ofwel accepteren ofwel weigeren. De klassenraad kan daarbij ofwel voorrang geven aan leerlingen met een eerste aanvraag tot verlenging op leerlingen met een tweede of een nog verdere verlengingsaanvraag, ofwel voorrang geven aan leerlingen met een context die meer ondersteuning noodzaakt boven leerlingen die een context hebben die minder ondersteuning noodzaakt. Leerlingen over wie de klassenraad een positieve beslissing neemt, voldoen aan de toelatingsvoorwaarden inzake de leeftijd. Leerlingen over wie een negatieve beslissing wordt genomen, voldoen niet aan de toelatingsvoorwaarden inzake leeftijd. Een leerling voor wie de gewenste ondersteuning in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap effectief opgestart is, komt niet in aanmerking voor verlengingen. Als de verlenging al aangevangen was voor de gewenste ondersteuning kon opstarten, kan de leerling ook verder ingeschreven blijven en zijn schooljaar afwerken, na de opstart van de gewenste ondersteuning, als de betrokken personen beoordelen dat het haalbaar is.]3
   [3 Een klassenraad kan ook beslissen om nooit verlengingen zoals hiervoor vermeld toe te staan. Als dit het geval is, neemt de school dat op in het schoolreglement.]3
   § 2. In afwijking van de voorgaande paragraaf worden de personen die voldoen aan één van de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, door de klassenraad van rechtswege toegelaten tot het buitengewoon secundair onderwijs na de leeftijd van eenentwintig jaar:
   1° [6 een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 3 of 4, die nog ten hoogste twee schooljaren nodig heeft na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, voor het behalen van een of meer studiebewijzen in opleidingsvorm 3 of in opleidingsvorm 4;]6
   2° een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 1, 2, 3 of 4, die ingevolge ziekte of ongeval in de loop van het gewoon of het buitengewoon secundair onderwijs een handicap of een bijkomende handicap heeft opgelopen als gevolg waarvan zich een ernstige regressie heeft voorgedaan en waarvoor de termijn waarbinnen de studie zal beëindigd zijn duidelijk is aangegeven;
   3° een persoon met een handicap van meer dan eenentwintig jaar die voor het eerst in het buitengewoon secundair onderwijs wenst ingeschreven te worden, als deze persoon door een ongeval of ziekte hem overkomen in aanmerking kan komen voor een beroepsopleiding of training in compenserende vaardigheden in het buitengewoon secundair onderwijs.
   § 3. [7 In afwijking van de voorgaande paragrafen kunnen de leerlingen die met een IAC-verslag of OV4-verslag worden toegelaten tot het gewoon onderwijs, ook na de leeftijd van eenentwintig jaar van rechtswege genieten van leersteun vanuit het leersteunmodel]7]5]4.]1

  
Art. 293. [1 § 1er. Le conseil de classe d'un élève orienté vers la forme d'enseignement 1 ou 2 peut, s'il reçoit à cet effet une demande écrite de prolongation de la part des personnes concernées, continuer à faire bénéficier de l'enseignement spécial en fonction de l'obtention de l'attestation, un élève après l'année scolaire dans laquelle il a atteint l'âge de vingt-et-un ans, et ce chaque fois pour une année scolaire. Ceci est possible [2 lorsque cet élève de la forme d'enseignement 1 ou la forme d'enseignement 2 ne dispose pas encore d'un budget personnalisé grâce auquel le soutien de jour souhaité a été effectivement démarré dans le cadre du système de financement personnalisé à des personnes majeures de la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap]2, nonobstant une demande explicite à cet effet par les personnes concernées, et que cela résulte de la demande de prolongation des personnes concernées. Ceci est également possible s'il n'y a pas de place pour cet élève de la forme d'enseignement 1 ou 2 dans les possibilités d'accueil postscolaire au niveau de l'occupation, et si cet accueil a été refusé, nonobstant une demande explicite à cet effet par les personnes concernées, et que cela résulte de la demande de prolongation des personnes concernées. Cette demande de prolongation doit être soumise au conseil de classe le 1er septembre au plus tard. Le conseil de classe doit se prononcer sur cette demande au plus tard le 15 septembre de l'année scolaire à laquelle s'applique la prolongation.
   [3 Un conseil de classe peut accepter ou refuser la demande de prolongation visée à l'alinéa 1er. Dans ce contexte, le conseil de classe peut soit donner la priorité aux élèves introduisant une première demande de prolongation par rapport aux élèves introduisant une deuxième ou même suivante demande de prolongation, soit donner la priorité aux élèves dans une situation nécessitant plus de soutien par rapport aux élèves dans une situation nécessitant moins de soutien. Les élèves pour lesquels le conseil de classe prend une décision positive, remplissent les conditions d'admission en matière d'âge. Les élèves pour lesquels le conseil de classe prend une décision négative, ne remplissent pas les conditions d'admission en matière d'âge. Un élève pour lequel le soutien de jour souhaité a été effectivement démarré dans le cadre du système de financement personnalisé à des personnes majeures de la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap n'est pas éligible à une prolongation. Lorsque la prolongation avait déjà pris cours avant le démarrage du soutien souhaité, l'élève peut rester inscrit et finir l'année scolaire après le démarrage du soutien souhaité si les personnes concernées le jugent faisable.]3
   [3 Un conseil de classe peut également décider de ne pas autoriser des prolongations susvisées. Si le conseil de classe prend cette décision, l'école intègre cette mesure dans le règlement d'école.]3
   § 2. Par dérogation au paragraphe précédent, les personnes remplissant une des conditions mentionnées au présent paragraphe, sont admises d'office par le conseil de classe à l'enseignement secondaire spécial après l'âge de vingt-et-un ans :
   1° [6 un élève orienté vers la forme d'enseignement 3 ou 4, qui a encore besoin tout au plus de deux années scolaires après l'année scolaire pendant laquelle il atteint l'âge de vingt-et-un ans pour obtenir un ou plusieurs titres dans la forme d'enseignement 3 ou dans la forme d'enseignement 4 ;]6
   2° un élève orienté vers la forme d'enseignement 1, 2, 3 ou 4, qui, par suite d'une maladie ou d'un accident, a été atteint au cours de l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial d'un handicap ou d'un handicap supplémentaire après quoi une régression sévère est survenue et pour qui le délai dans lequel il terminera ses études est clairement indiqué ;
   3° une personne handicapée âgée de plus de vingt-et-un ans qui souhaite s'inscrire pour la première fois [3 ou une nouvelle fois]3 dans l'enseignement secondaire spécial, si cette personne, en raison d'un accident ou d'une maladie, peut entrer en ligne de compte pour une formation professionnelle ou un training axé sur l'apprentissage d'aptitudes compensatoires dans l'enseignement secondaire spécial.
   § 3. [7 Par dérogation aux paragraphes qui précèdent, les élèves qui sont admis dans l'enseignement ordinaire avec un rapport IAC ou un rapport OV4, même après l'âge de vingt et un ans, peuvent bénéficier de plein droit d'un soutien à l'apprentissage basé sur le modèle de soutien à l'apprentissage.]7
  
Onderafdeling 2. [1 - [2 IAC-verslag en OV4-verslag]2en attest]1
Sous-section 2. [1 -[2 rapport IAC et rapport OV4]2 et attestation]1
Art. 294. [1 Voor de toelating van een leerling tot een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, is een attest vereist, dat uitgereikt is ofwel door de behandelende arts van de medische of psychiatrische voorziening ofwel door de directeur van de residentiыle setting. De Vlaamse Regering bepaalt wat het attest moet inhouden.
   Ї 2. Voor de toelating van een leerling tot een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon secundair onderwijs, of voor een individueel aangepast curriculum of een gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning in het gewoon onderwijs, is het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een IAC-verslag of OV4-verslag door een centrum voor leerlingenbegeleiding vereist, opgesteld met inachtname van artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 over de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:
   1А voor een IAC-verslag voor opleidingsvorm 1, 2 of 3:
   a) dat de fasen van het zorgcontinuќm voor de betreffende leerling zijn doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;
   b) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 de aanpassingen, waaronder remediыrende, differentiыrende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen een gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;
   c) dat de onderwijsbehoeften van de leerling zijn omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;
   d) dat de onderwijsbehoeften van de leerling niet louter toe te schrijven zijn aan een gelijkekansenindicator van de leerling als bepaald in artikel 225, Ї 1, 1А, 4А en 5А ;
   e) welk type en welke opleidingsvorm voor de leerling van toepassing zijn als bepaald in artikel 259, Ї 1, 1А tot en met 8А, en Ї 2, 1А tot en met 3А ;
   2А voor een OV4-verslag voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5:
   a) dat de fasen van het zorgcontinuќm voor de betreffende leerling zijn doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;
   b) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 de aanpassingen, waaronder remediыrende, differentiыrende, compenserende en dispenserende maatregelen, alsook intensieve onderwijskundige en orthopedagogische of orthodidactische ondersteuning, en de inzet van paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch of orthopedagogisch personeel noodzakelijk zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen en de doelen van het gemeenschappelijk curriculum en de bijkomende doelen te bereiken en de reguliere studiebekrachtiging te behalen;
   c) welke aanpassingen, met toepassing van handelingsplanmatig werken en op basis van de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling, er voor welke onderdelen van het gemeenschappelijk curriculum nodig zijn, alsook op welke manier de intensieve onderwijskundige, orthopedagogische en orthodidactische ondersteuning en de inzet van paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch of orthopedagogisch personeel zal worden ingezet bij de realisatie van het gemeenschappelijk curriculum;
   d) dat de onderwijsbehoeften van de leerling zijn omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;
   e) dat de onderwijsbehoeften van de leerling niet louter toe te schrijven zijn aan een gelijkekansenindicator van de leerling als bepaald in artikel 225, Ї 1, 1А, 4А en 5А ;
   f) welk type voor de leerling van toepassing is als bepaald in artikel 259, Ї 1, 3А tot en met 8А, met uitzondering van 5А.
   Ї 3. Voor een leerling die overgaat van het buitengewoon basisonderwijs naar het buitengewoon secundair onderwijs of die voor het eerst naar school gaat en wil starten in opleidingsvorm 1, 2 of 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt, in afwijking van paragraaf 2, 1А, a) en b), aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediыrende, differentiыrende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum in een school voor gewoon onderwijs.
   Voor een leerling die overgaat van het buitengewoon basisonderwijs naar het buitengewoon secundair onderwijs of die voor het eerst naar school gaat en wil starten in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs, wordt, in afwijking van paragraaf 2А, a) en b), aangetoond dat aanpassingen, waaronder remediыrende, differentiыrende, compenserende en dispenserende maatregelen, nodig zijn en intensieve onderwijskundige, orthopedagogische en orthodidactische ondersteuning en de inzet van paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch of orthopedagogisch personeel noodzakelijk zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen en de doelen van het gemeenschappelijk curriculum te bereiken en de reguliere studiebekrachtiging te behalen.
   Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en met een individueel aangepast curriculum wil starten in het gewoon onderwijs, wordt, in afwijking van paragraaf 2, 1А, a) en b), aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediыrende, differentiыrende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en wordt, in afwijking van paragraaf 2, 1А, e), bepaald welk type voor de leerling van toepassing is als bepaald in artikel 259, Ї 1, 2А, 4А, 6А of 7А.
   Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en met een OV4-verslag het gemeenschappelijk curriculum wil volgen in het gewoon secundair onderwijs, wordt, in afwijking van paragraaf 2, 2А, a) en b), aangetoond dat aanpassingen, waaronder remediыrende, differentiыrende, compenserende en dispenserende maatregelen, nodig zijn en intensieve onderwijskundige, orthopedagogische en orthodidactische ondersteuning en de inzet van paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch of orthopedagogisch personeel noodzakelijk zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen en de doelen van het gemeenschappelijk curriculum te bereiken en de reguliere studiebekrachtiging te behalen, en wordt, in afwijking van paragraaf 2, 2А, f), bepaald welk type voor de leerling van toepassing is als bepaald in artikel 259, Ї 1, 4А, 6А of 7А.
   Ї 4. Het IAC-verslag en het OV4-verslag bestaan telkens uit een attest en een protocol ter verantwoording. De Vlaamse Regering bepaalt wat het IAC-verslag en het OV4-verslag moeten inhouden. Het protocol ter verantwoording bevat de verantwoording van de elementen, vermeld in paragraaf 2 en, in voorkomend geval, in paragraaf 3.
   Bij de opmaak van een IAC-verslag of OV4-verslag informeert het CLB de ouders en de leerling actief over het inschrijvingsrecht voor leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag.
   Ї 5. Leerlingen kunnen alleen het buitengewoon onderwijs volgen van de opleidingsvorm en het type waarnaar ze in het IAC-verslag of het OV4-verslag georiыnteerd worden, met uitzondering van de leerlingen van opleidingsvorm 4, type 5.
   Ї 6. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 met een inschrijvingsverslag ingeschreven waren in een school voor buitengewoon onderwijs, geldt paragraaf 2 alleen bij wijziging van onderwijsniveau, van type of bij de overgang van buitengewoon onderwijs naar gewoon onderwijs.
   Ї 7. Als niet meer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 1А, b), of 2А, b) en c), heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het IAC-verslag of OV4-verslag op.
   Als een GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag wordt opgemaakt voor een leerling die al beschikt over een IAC-verslag of OV4-verslag, vervalt dat IAC-verslag of OV4-verslag.
   Als een centrum voor leerlingenbegeleiding voor een leerling met een IAC-verslag in het basisonderwijs, een GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag opmaakt met het oog op een overgang van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs, vervalt het IAC-verslag dat de leerling had in het basisonderwijs.
   Ї 8. Bij onenigheid tussen ouders, school en centrum voor leerlingenbegeleiding over het afleveren van het IAC-verslag of OV4-verslag kan, op initiatief van een van de betrokken partijen, een beroep gedaan worden op een Vlaamse Bemiddelingscommissie.
   De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werkingsprincipes van die commissie.
   Ї 9. Als een leerling, die met toepassing van paragraaf 6 nog beschikt over een inschrijvingsverslag, overgaat van het buitengewoon secundair onderwijs naar het gewoon secundair onderwijs, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het inschrijvingsverslag op of maakt het, naargelang de situatie van de leerling, een GC-verslag, een IAC-verslag of een OV4-verslag op.
   Als een leerling met een IAC-verslag of OV4-verslag overgaat van het buitengewoon secundair onderwijs naar het gewoon secundair onderwijs, heft het CLB, naargelang de situatie, het IAC-verslag of OV4-verslag op, maakt het een GC-verslag op of past het bestaande IAC-verslag of OV4-verslag aan. Aanpassingen aan IAC-verslagen en OV4-verslagen kunnen gebeuren met een addendum, voor- zien van de datum van opmaak.
   Ї 10. Leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in het gewoon secundair onderwijs, komen in aanmerking voor leersteun vanuit het leersteunmodel.
   Ї 11. In afwijking van paragraaf 2, 1А, e), en 2А, f), kan voor leerlingen in het gewoon onderwijs voor wie een handelingsgericht diagnostisch traject is afgerond met een vermoeden van een emotionele of gedragsstoornis waarvoor een aanbod in type 3 nodig is, eenmalig een voorlopig IAC-verslag type 3 of voorlopig OV4-verslag type 3 opgemaakt worden door het centrum voor leerlingenbegeleiding, ook al is niet voldaan aan de voorwaarden betreffende diagnostiek, vermeld in artikel 259, Ї 1, 3А. Een voorlopig IAC-verslag voldoet aan alle vereisten, vermeld in paragraaf 2, 1А, a) tot en met d). Een voorlopig OV4-verslag voldoet aan alle vereisten, vermeld in paragraaf 2, 2А, a) tot en met e).
   De opmaak van een voorlopig IAC-verslag of voorlopig OV4-verslag leidt tot de inschrijving van de leerling in een school voor buitengewoon onderwijs type 3. In geval van onenigheid kunnen ouders een beroep doen op de Vlaamse Bemiddelingscommissie, vermeld in paragraaf 8.
   Een voorlopig IAC-verslag of voorlopig OV4-verslag is geldig gedurende het lopende schooljaar. Als de diagnose, vermeld in artikel 259, Ї 1, 3А, nog niet beschikbaar is bij de start van het daaropvolgende schooljaar, kan het CLB het voorlopig IAC-verslag of voorlopig OV4-verslag uitzonderlijk met maximaal een schooljaar verlengen.
   Als het handelingsgericht diagnostisch traject leidt tot een diagnose als vermeld in artikel 259, Ї 1, 3А, wordt het voorlopig IAC-verslag of voorlopig OV4-verslag opgeheven en wordt er een IAC-verslag opgesteld dat voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 1А, a) tot en met e), of een OV4-verslag dat voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2А, a) tot en met f).
   Als het handelingsgericht diagnostisch traject niet leidt tot een diagnose als vermeld in artikel 259, Ї 1, 3А, wordt het voorlopig IAC-verslag of voorlopig OV4-verslag opgeheven door het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding. Tenzij de ouders beslissen tot een inschrijving in een school voor gewoon onderwijs, behoudt de leerling het recht om in de school type 3 ingeschreven te blijven tot het einde van het lopende schooljaar.
   Ї 12. Verslagen voor toegang tot een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs of tot het buitengewoon onderwijs die zijn opgemaakt voor 1 september 2023, worden gelijkgesteld aan IAC-verslagen of OV4-verslagen, naargelang de opleidingsvorm. Leerlingen die nog beschikken over een verslag van voor 1 september 2023, voldoen aan dezelfde voorwaarden en hebben dezelfde rechten als leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag.]1

  
Art. 294. [1 § 1er. L'admission d'un élève dans une école d'enseignement spécial de la forme d'enseignement 4, type 5, financée ou subventionnée par la Communauté flamande, requiert une attestation délivrée soit par le médecin traitant de la structure médicale ou psychiatrique, soit par le directeur de la structure résidentielle. Le Gouvernement flamand détermine le contenu de l'attestation.
   § 2. L'admission d'un élève dans une école d'enseignement secondaire spécial financée ou subventionnée par la Communauté flamande ou un programme adapté individuellement ou un programme d'études commun assorti d'un soutien intensif dans l'enseignement ordinaire requiert l'accomplissement d'un parcours diagnostique orienté vers l'action accompagné de la rédaction d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 par un centre d'encadrement des élèves, élaboré dans le respect de l'article 7 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, démontrant :
   1° dans le cas d'un rapport IAC pour la forme d'enseignement 1, 2 ou 3 :
   a) que les phases du continuum d'encadrement ont été parcourues pour l'élève concerné, à moins que l'école ne puisse justifier, dans des circonstances exceptionnelles, que l'accomplissement d'une phase donnée n'est pas pertinent ;
   b) qu'en application des principes de l'article 136/2, les aménagements, dont les mesures de remédiation, de différenciation, compensatoires et dispensatoires, nécessaires pour continuer à inclure l'élève dans un programme d'études commun sont soit disproportionnés, soit insuffisants ;
   c) que les besoins éducatifs de l'élève ont été définis par application d'un système de classification scientifiquement fondé et basé sur une vision interactionnelle et un modèle social du handicap ;
   d) que les besoins éducatifs de l'élève ne sont pas purement imputables à un indicateur d'égalité des chances de l'élève tel que prévu à l'article 225, § 1er, 1°, 4° et 5° ;
   e) le type et la forme d'enseignement qui s'appliquent à l'élève, tels que définis à l'article 259, § 1er, 1° à 8°, et § 2, 1° à 3° ;
   2° dans le cas d'un rapport OV4 pour la forme d'enseignement 4, à l'exception du type 5 :
   a) que les phases du continuum d'encadrement ont été parcourues pour l'élève concerné, à moins que l'école ne puisse justifier, dans des circonstances exceptionnelles, que l'accomplissement d'une phase donnée n'est pas pertinent ;
   b) qu'en application des principes de l'article 136/2, les aménagements, dont les mesures de remédiation, de différenciation, compensatoires et dispensatoires, de même qu'un soutien didactique et orthopédagogique ou orthodidactique intensif, et le déploiement de personnel paramédical, social, médical, psychologique ou orthopédagogique sont nécessaires pour continuer à inclure l'élève dans le programme d'études commun et atteindre les objectifs du programme d'études commun et les objectifs supplémentaires et obtenir la validation régulière des études ;
   c) les aménagements qui, par application du travail suivant un plan d'action et sur la base des besoins éducatifs et des besoins de soutien de l'élève, sont nécessaires pour quelles parties du programme d'études commun, ainsi que la manière dont on recourra au soutien didactique, orthopédagogique et orthodidactique intensif et au déploiement de personnel paramédical, social, médical, psychologique ou orthopédagogique dans la réalisation du programme d'études commun ;
   d) que les besoins éducatifs de l'élève ont été définis par application d'un système de classification scientifiquement fondé et basé sur une vision interactionnelle et un modèle social du handicap ;
   e) que les besoins éducatifs de l'élève ne sont pas purement imputables à un indicateur d'égalité des chances de l'élève tel que prévu à l'article 225, § 1er, 1°, 4° et 5° ;
   f) le type qui s'applique à l'élève, tel que défini à l'article 259, § 1er, 3° à 8°, à l'exception de 5°.
   § 3. Dans le cas d'un élève qui passe de l'enseignement fondamental spécial à l'enseignement secondaire spécial ou qui fréquente l'école pour la première fois et désire débuter dans la forme d'enseignement 1, 2 ou 3 de l'enseignement secondaire spécial, il est démontré, par dérogation au paragraphe 2, 1°, a) et b), que les aménagements, dont les mesures de remédiation, de différenciation, compensatoires et dispensatoires, seront disproportionnés ou insuffisants pour inclure l'élève dans un programme d'études commun d'une école de l'enseignement ordinaire.
   Dans le cas d'un élève qui passe de l'enseignement fondamental spécial à l'enseignement secondaire spécial ou qui fréquente l'école pour la première fois et désire débuter dans la forme d'enseignement 4 de l'enseignement secondaire spécial, il est démontré, par dérogation au paragraphe 2°, a) et b), que les aménagements, dont les mesures de remédiation, de différenciation, compensatoires et dispensatoires, sont nécessaires et qu'un soutien didactique, orthopédagogique et orthodidactique intensif et le déploiement de personnel paramédical, social, médical, psychologique ou orthopédagogique sont nécessaires pour continuer à inclure l'élève dans le programme d'études commun et atteindre les objectifs du programme d'études commun et obtenir la validation régulière des études.
   Dans le cas d'un élève qui fréquente l'école pour la première fois et désire débuter dans l'enseignement ordinaire avec un programme adapté individuellement, il est démontré, par dérogation au paragraphe 2, 1°, a) et b), que les aménagements, dont les mesures de remédiation, de différenciation, compensatoires et dispensatoires, seront disproportionnés ou insuffisants pour inclure l'élève dans le programme d'études commun et, par dérogation au paragraphe 2, 1°, e), le type qui s'applique à l'élève, tel que défini à l'article 259, § 1er, 2°, 4°, 6° ou 7°, est déterminé.
   Dans le cas d'un élève qui fréquente l'école pour la première fois et désire suivre le programme d'études commun de l'enseignement secondaire ordinaire avec un rapport OV4, il est démontré, par dérogation au paragraphe 2, 2°, a) et b), que les aménagements, dont les mesures de remédiation, de différenciation, compensatoires et dispensatoires, sont nécessaires et qu'un soutien didactique, orthopédagogique et orthodidactique intensif et le déploiement de personnel paramédical, social, médical, psychologique ou orthopédagogique sont nécessaires pour continuer à inclure l'élève dans le programme d'études commun et atteindre les objectifs du programme d'études commun et obtenir la validation régulière des études et, par dérogation au paragraphe 2, 2°, f), le type qui s'applique à l'élève, tel que défini à l'article 259, § 1er, 4°, 6° ou 7°, est déterminé.
   § 4. Le rapport IAC et le rapport OV4 comprennent à chaque fois une attestation et un protocole justificatif. Le Gouvernement flamand détermine le contenu du rapport IAC et du rapport OV4. Le protocole justificatif contient la justification des éléments mentionnés dans le paragraphe 2 et, le cas échéant, dans le paragraphe 3.
   Lors de la rédaction d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4, le CLB informe activement les parents et l'élève du droit d'inscription pour les élèves en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4.
   § 5. Les élèves ne peuvent suivre l'enseignement spécial que de la forme d'enseignement et du type vers lesquels le rapport IAC ou le rapport OV4 les oriente, à l'exception des élèves de la forme d'enseignement 4, type 5.
   § 6. Concernant les élèves qui, pendant l'année scolaire 2014-2015, étaient inscrits dans une école d'enseignement spécial avec un rapport d'inscription, le paragraphe 2 ne s'applique qu'en cas de changement de niveau d'enseignement ou de type, ou en cas de passage de l'enseignement spécial à l'enseignement ordinaire.
   § 7. Si les conditions énoncées dans le paragraphe 2, 1°, b), ou 2°, b) et c), ne sont plus remplies, le centre d'encadrement des élèves annule le rapport IAC ou le rapport OV4.
   Si un rapport GC, un rapport IAC ou un rapport OV4 est rédigé pour un élève qui dispose déjà d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4, ce rapport IAC ou ce rapport OV4 devient caduc.
   Si un centre d'encadrement des élèves rédige un rapport GC, un rapport IAC ou un rapport OV4 pour un élève en possession d'un rapport IAC dans l'enseignement fondamental en vue d'un passage de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire, le rapport IAC que l'élève avait dans l'enseignement fondamental devient caduc.
   § 8. En cas de désaccord entre les parents, l'école et le centre d'encadrement des élèves quant à la délivrance du rapport IAC ou du rapport OV4, il peut être fait appel à une Commission de médiation flamande à l'initiative de l'une des parties concernées.
   Le Gouvernement flamand détermine la composition, les compétences et le fonctionnement de cette commission.
   § 9. Si un élève qui dispose encore d'un rapport d'inscription en application du paragraphe 6 passe de l'enseignement secondaire spécial à l'enseignement secondaire ordinaire, le centre d'encadrement des élèves annule le rapport d'inscription ou rédige un rapport GC, un rapport IAC ou un rapport OV4 selon la situation de l'élève.
   Si un élève en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 passe de l'enseignement secondaire spécial à l'enseignement secondaire ordinaire, le CLB annule le rapport IAC ou le rapport OV4, rédige un rapport GC ou adapte le rapport IAC ou le rapport OV4 existant, selon la situation. Les rapports IAC et les rapports OV4 peuvent être adaptés au moyen d'un addendum muni de la date de rédaction.
   § 10. Les élèves en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4 dans l'enseignement secondaire ordinaire sont éligibles au soutien à l'apprentissage basé sur le modèle de soutien à l'apprentissage.
   § 11. Par dérogation au paragraphe 2, 1°, e), et 2°, f), le centre d'encadrement des élèves peut rédiger une seule fois un rapport IAC provisoire de type 3 ou un rapport OV4 provisoire de type 3 pour les élèves de l'enseignement ordinaire qui ont accompli un parcours diagnostique orienté vers l'action ayant conduit à une suspicion de trouble émotionnel ou comportemental nécessitant une offre de type 3, même si les conditions relatives au diagnostic visées à l'article 259, § 1er, 3°, ne sont pas remplies. Un rapport IAC provisoire satisfait à toutes les exigences énoncées dans le paragraphe 2, 1°, a) à d). Un rapport OV4 provisoire satisfait à toutes les exigences énoncées dans le paragraphe 2, 2°, a) à e).
   La rédaction d'un rapport IAC provisoire ou d'un rapport OV4 provisoire conduit à l'inscription de l'élève dans une école d'enseignement spécial de type 3. En cas de désaccord, les parents peuvent faire appel à la Commission de médiation flamande visée au paragraphe 8.
   Un rapport IAC provisoire ou un rapport OV4 provisoire est valable pendant l'année scolaire en cours. Si le diagnostic visé à l'article 259, § 1er, 3°, n'est pas encore disponible au début de l'année scolaire suivante, le CLB peut exceptionnellement prolonger le rapport IAC provisoire ou le rapport OV4 provisoire d'une année scolaire maximum.
   Si le parcours diagnostique orienté vers l'action aboutit à un diagnostic tel que visé à l'article 259, § 1er, 3°, le rapport IAC provisoire ou le rapport OV4 provisoire est annulé et un rapport IAC répondant à toutes les conditions énoncées dans le paragraphe 2, 1°, a) à e), ou un rapport OV4 répondant à toutes les conditions énoncées dans le paragraphe 2, 2°, a) à f), est rédigé.
   Si le parcours diagnostique orienté vers l'action n'aboutit pas à un diagnostic tel que visé à l'article 259, § 1er, 3°, le centre d'encadrement des élèves concerné annule le rapport IAC provisoire ou le rapport OV4 provisoire. A moins que les parents ne décident d'une inscription dans une école d'enseignement ordinaire, l'élève conserve le droit de rester inscrit dans l'école de type 3 jusqu'à la fin de l'année scolaire en cours.
   § 12. Les rapports autorisant l'accès à un programme adapté individuellement dans l'enseignement ordinaire ou à l'enseignement spécial, qui ont été rédigés avant le 1er septembre 2023, sont assimilés à des rapports IAC ou à des rapports OV4 selon la forme d'enseignement. Les élèves qui disposent encore d'un rapport antérieur au 1er septembre 2023 satisfont aux mêmes conditions et jouissent des mêmes droits que les élèves en possession d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4.]1

  
Onderafdeling 3. - Type 5
Sous-section 3. - Type 5
Art. 295. Een leerling blijft in de volgende gevallen beschouwd als regelmatige leerling in zijn oorspronkelijke school :
  - [1 ...]1
  - een leerling van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs die op de datum van de telling van het aantal leerlingen onderwijs volgen in een school van type 5 of een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangt.
  Hij is daarenboven regelmatige leerling :
  - [1 in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een [2 ...]2 ziekenhuis of aan een residentiële setting]1, voor periodes van minimum vijf al dan niet opeenvolgende dagen waarin hij per dag gemiddeld ten minste één lestijd onderwijs krijgt;
  - in de [1 de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een preventorium]1 [1 ...]1. (294)
  
Art. 295. Dans les cas suivants, l'élève continue à être censé un élève régulier dans son école d'origine :
  - [1 ...]1
  - un élève de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou de l'enseignement secondaire spécial, qui, à la date de comptage du nombre d'élèves, suit un enseignement dans une école de type 5 ou un service neuropsychiatrie pour enfants qui reçoit du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation une enveloppe de subventions.
  Il est en outre un élève régulier :
  - [1 dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée à un hôpital [2 ...]2 ou une structure résidentielle]1, pour des périodes d'au moins cinq jours, consécutifs ou non, dans laquelle il reçoit en moyenne au moins une période de cours par jour;
  - dans [1 l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée à un préventorium]1 [1 ...]1. (294)
  
Afdeling 2. [1 Recht op inschrijving]1
Section 2. [1 Droit à l'inscription]1
Onderafdeling 1. [1 Inwerkingtreding]1
Sous-section 1re. [1 Entrée en vigueur]1
Art. 295/1. [1 De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing voor de inschrijvingen als regelmatige leerling in het buitengewoon secundair onderwijs voor lesbijwoning vanaf het schooljaar [3 2027-2028]3 of later.
   Voor de toepassing van de termijnen bepaald in deze afdeling worden de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]1

  
Art. 295/1. [1 Les dispositions de la présente section s'appliquent aux inscriptions en tant qu'élève régulier dans l'enseignement secondaire spécial pour la fréquentation des cours à partir de l'année scolaire [3 2027-2028]3 ou plus tard.
   Pour l'application des délais visés dans la présente section, les périodes de vacances fixées par le Gouvernement flamand, conformément à l'article 12, ne sont pas prises en compte.]1

  
Onderafdeling 2. [1 Beginselen]1
Sous-section 2. [1 Principes]1
Art. 295/2. [1 § 1. Elke leerling die beschikt over een [2 IAC-verslag of OV4-verslag]2 of over een document opgemaakt door het CLB waaruit blijkt dat het handelingsgericht diagnostisch proces is doorlopen, heeft recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats, gekozen door de betrokken personen, onder de opschortende voorwaarde dat de leerling op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in de artikelen 291 tot en met 294, voldoet voor het onderwijsaanbod in de betreffende vestigingsplaats.
   De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de betrokken personen van het pedagogisch project en schoolreglement.
   § 2. Een school registreert elke inschrijving binnen de zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van:
   1° het type, de opleidingsvorm, en de administratieve groep waarvoor de leerling is ingeschreven;
   2° de datum en het tijdstip van de inschrijving;
   3° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning]1

  
Art. 295/2. [1 § 1er. Tout élève qui dispose d'un [2 rapport IAC ou d'un rapport OV4]2 ou d'un document établi par le CLB attestant l'achèvement du processus de diagnostic, a droit à l'inscription dans l'école ou l'implantation choisie par les personnes concernées, sous la condition suspensive que le premier jour de la fréquentation effective des cours, l'élève remplisse les conditions d'admission, prévues aux article s 291 à 294 inclus, pour l'offre d'enseignement dans l'implantation concernée.
   L'inscription est prise après la signature pour accord du projet pédagogique et du règlement d'école par les personnes concernées.
   § 2. Une école enregistre chaque inscription dans les sept jours calendaires, et au plus tard le premier jour de la fréquentation effective des cours, dans les applications administratives pour l'échange de données relatives aux élèves entre les écoles et le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, avec mention :
   1° du type, de la forme de formation et du groupe administratif pour lequel l'élève est inscrit ;
   2° de la date et de l'heure de l'inscription ;
   3° de la date du début prévu de la fréquentation des cours.]1

  
Art. 295/3. [1 § 1. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen en de structuuronderdelen heen.
   Indien de voortgang van het leerproces, met inachtname van de studiebewijzen waarover de leerling beschikt en met inachtname van de regelgeving betreffende de toelatings- of instapvoorwaarden in het secundair onderwijs, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan die niet worden gestuit. Indien zich daarbij verschillende keuzemogelijkheden qua structuuronderdeel voordoen, dan kan de leerling niet tot een welbepaald structuuronderdeel worden gedwongen.
   Het verworven recht als ingeschreven leerling blijft behouden indien van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.
   § 2. Een schoolbestuur met scholen van buitengewoon onderwijs die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.
   § 3. Een schoolbestuur met scholen van buitengewoon onderwijs die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, de desbetreffende gebiedsomschrijving als één school te beschouwen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.]1

  
Art. 295/3. [1 § 1er. Sauf dans les cas de désinscription définis par décret ou arrêté, une inscription d'un élève dans une école est valable pour la durée de toute la carrière scolaire dans cette école. Le maintien de l'inscription s'applique au-delà des implantations et subdivisions structurelles.
   Si le progrès du processus d'apprentissage, en tenant compte des titres dont dispose l'élève et de la réglementation relative aux conditions d'admission ou d'entrée dans l'enseignement secondaire, nécessite le maintien ou le changement d'implantation ou de subdivision structurelle, ceux-ci ne peuvent pas être enfreints. Si différentes possibilités de choix quant à la subdivision structurelle se produisent à cette occasion, l'élève ne peut être obligé de s'inscrire dans une subdivision structurelle spécifique.
   Le droit acquis comme élève inscrit reste valable si une partie de l'école est scindée et intégrée dans une nouvelle école de la même autorité scolaire.
   § 2. Une autorité scolaire ayant des écoles d'enseignement spécial situées entièrement ou partiellement dans une même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut opter, séparément pour l'enseignement secondaire ordinaire et pour l'enseignement secondaire spécial, d'assurer la continuité des inscriptions lors du passage d'un élève de l'une école secondaire à l'autre école secondaire. Une autorité scolaire qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école.
   § 3. Une autorité scolaire ayant des écoles d'enseignement spécial situées entièrement ou partiellement dans une même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut, pour l'application des dispositions dans le présent chapitre, opter de considérer la zone respective comme une seule école. Une autorité scolaire qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école.]1

  
Art. 295/4. [1 Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgend schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor buitengewoon secundair onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in hetzelfde schooljaar in een andere school voor buitengewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.
   Elke inschrijving in de loop van het betrokken schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een school voor buitengewoon onderwijs, maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde of een andere administratieve groep voor datzelfde schooljaar in een andere school voor buitengewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve lesbijwoning, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.]1

  
Art. 295/4. [1 Toute inscription avant le 1er septembre pour l'année scolaire suivante pour un groupe administratif spécifique dans une école spécifique d'enseignement secondaire spécial annule d'office l'inscription précédant celle-ci pour ce même groupe administratif dans la même année scolaire dans une autre école d'enseignement spécial.
   Toute inscription au cours de l'année scolaire concernée pour un groupe administratif spécifique dans une école d'enseignement spécial, annule l'inscription précédant celle-ci pour le même groupe ou un autre groupe administratif pour la même année scolaire dans une autre école d'enseignement spécial à partir du début de la fréquentation effective des cours, sauf en cas d'absence justifiée.]1

  
Onderafdeling 3. [1 Organisatie van de inschrijvingen]1
Sous-section 3. [1 Organisation des inscriptions]1
Art. 295/5. [1 Een schoolbestuur beslist jaarlijks voor al zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, of het voor het daaropvolgende schooljaar leerlingen moet kunnen weigeren op basis van capaciteit. Het schoolbestuur maakt deze beslissing, en bepaalt de betreffende capaciteit, voor een of meer van volgende niveaus:
   a) hetzij per school;
   b) hetzij per vestigingsplaats;
   c) hetzij per opleidingsvorm, al dan niet per vestigingsplaats;
   d) hetzij per type, al dan niet per vestigingsplaats;
   e) hetzij per administratieve groep, al dan niet per vestigingsplaats.
   Voor de niveaus, vermeld in het eerste lid, waarvoor het schoolbestuur oordeelt alle verzoeken tot inschrijving te kunnen realiseren, zijn de bepalingen van artikel 295/6 van toepassing.
   Voor de niveaus, vermeld in het eerste lid, waarvoor het schoolbestuur wenst te kunnen weigeren op basis van capaciteit en beroep wenst te doen op het platform als vermeld in artikel 295/14, voor het realiseren van een inschrijving van leerlingen na het bereiken van de capaciteit, zijn de bepalingen van artikelen 295/7 tot en met 295/10 van toepassing.]1

  
Art. 295/5. [1 Chaque année, une autorité scolaire décide pour l'ensemble de ses écoles d'enseignement secondaire spécial si elle doit avoir la possibilité de refuser des élèves pour l'année scolaire suivante sur la base de leur capacité. L'autorité scolaire prend cette décision et détermine la capacité respective pour un ou plusieurs des niveaux suivants :
   a) soit par école ;
   b) soit par implantation ;
   c) soit par forme de formation, ventilée par implantation ou non ;
   d) soit par type, ventilé par implantation ou non ;
   e) soit par groupe administratif, ventilé par implantation ou non.
   Pour les niveaux visés au premier alinéa, pour lesquels l'autorité scolaire estime pouvoir honorer toutes les demandes d'inscription, les dispositions de l'article 295/6 s'appliquent.
   Pour les niveaux visés au premier alinéa, pour lesquels l'autorité scolaire veut avoir la possibilité de refuser des élèves sur la base de la capacité et veut utiliser la plate-forme visée à l'article 295/14, pour effectuer une inscription d'élèves après que la capacité a été atteinte, les dispositions des article s 295/7 à 295/10 s'appliquent.]1

  
Art. 295/6. [1 e Vlaamse Regering bepaalt de startdatum voor de inschrijvingen.
   Een schoolbestuur hanteert voor elk overeenkomstig artikel 295/5, eerste lid, bepaald niveau waarvoor het besliste geen enkele leerling te zullen weigeren op basis van capaciteit, een inschrijvingsregister, waarin het alle inschrijvingen chronologisch noteert.
   De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister. Het verloop van de inschrijvingen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.]1

  
Art. 295/6. [1 Le Gouvernement flamand fixe la date de début pour les inscriptions.
   L'autorité scolaire tient un registre d'inscriptions pour chaque niveau déterminé conformément à l'article 295/5, alinéa 1er, pour lequel elle a décidé de ne refuser aucun élève en raison de la capacité, dans lequel elle consigne toutes les inscriptions par ordre chronologique.
   Le Gouvernement flamand fixe le modèle du registre d'inscriptions. Le déroulement des inscriptions peut être soumis à un contrôlé par les services compétents de la Communauté flamande.]1

  
Art. 295/7. [1 § 1. Een schoolbestuur moet de inschrijvingen voor de niveaus, vermeld in artikel 295/5, eerste lid, waarvoor het besliste leerlingen te moeten kunnen weigeren omwille van capaciteit, laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure.
   De Vlaamse Regering bepaalt de start- en einddatum van de aanmeldingsperiode.
   § 2. Het schoolbestuur meldt uiterlijk op 15 februari voor welke niveaus, zoals bepaald in artikel 295/5, eerste lid, het de inschrijvingen zal laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.]1

  
Art. 295/7. [1 § 1er. Une autorité scolaire doit faire précéder d'une procédure de préinscriptions les inscriptions pour les niveaux visés à l'article 295/5, alinéa 1er, pour lesquels elle a décidé de devoir avoir la possibilité de refuser des inscriptions pour des raisons de capacité.
   Le Gouvernement flamand arrête la date de début et de fin de la période de préinscription.
   § 2. L'autorité scolaire informe les services compétents de la Communauté flamande, au plus tard le 15 février, des niveaux, tels que visés à l'article 295/5, alinéa 1er, pour lesquels elle fera précéder les inscriptions par une procédure de préinscription.]1

  
Art. 295/8. [1 § 1. Het schoolbestuur rangschikt de binnen de aanmeldingsperiode, zoals bepaald in artikel 295/7, aangemelde leerlingen, die behoren tot de volgende voorrangsgroepen bovenaan en respecteert daarbij onderstaande volgorde:
   1° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit als een reeds ingeschreven leerling;
   2° leerlingen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel 295/3, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen. Met personeelslid wordt bedoeld:
   a) een personeelslid als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in de school;
   b) een personeelslid dat via een arbeidsovereenkomst werd aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld wordt in de school;
   3° voor scholen, gelegen in tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en tot het aandeel van 65 procent van de capaciteit van het betreffende niveau, zoals bepaald in artikel 295/5, eerste lid, bereikt is, leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, zoals bepaald in artikel 253/46;
   4° een schoolbestuur kan voor zijn scholen een maximum van 50 procent van de capaciteit van het betreffende niveau, zoals bepaald in artikel 295/5, eerste lid, voorrang verlenen aan leerlingen die - uiterlijk op het moment van de effectieve lesbijwoning - verblijven of gebruik maken van dat internaat of semi-internaat. Met internaat of semi-internaat wordt bedoeld:
   a) internaten, als bepaald in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;
   b) internaten met permanente openstelling, als vermeld in hoofdstuk 6 van dezelfde codificatie;
   c) semi-internaten, als bepaald in het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen;
   d) multifunctionele centra, als bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, voor wat de functies dagopvang, verblijf, diagnostiek of intensieve behandeling betreft.
   Indien de capaciteit, vermeld in artikel 295/5, eerste lid, of artikel 295/9, § 4, reeds bereikt werd binnen bovenstaande voorrangsgroepen worden de leerlingen uit de betreffende voorrangsgroep, geordend op basis van de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats.
   Indien de capaciteit, vermeld in artikel 295/5, eerste lid, of artikel 295/9, § 4, bereikt werd binnen de overige aangemelde leerlingen, worden de betreffende leerlingen geordend op basis van de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats.
   § 2. Wanneer meerdere scholen of vestigingsplaatsen samen aanmelden worden de aangemelde leerlingen toegewezen aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de betrokken personen bij de aanmelding opgaven, waarbinnen de leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen. De leerling wordt verwijderd uit de lijst van aangemelde leerlingen in de lager gerangschikte scholen of vestigingsplaatsen op zijn voorkeurslijst.
   De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen ter beschikking stellen voor gezamenlijke aanmeldingsprocedures.]1

  
Art. 295/8. [1 § 1er. L'autorité scolaire classe en tête de liste les élèves préinscrits au cours de la période de préinscription, telle que prévue à l'article 295/7, qui appartiennent aux groupes prioritaires suivants, tout en respectant l'ordre suivant :
   1° les élèves qui appartiennent à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit ;
   2° les élèves ayant un parent qui est membre du personnel de l'école ou des écoles qui assurent la continuité des inscriptions de l'une école à l'autre sur la base de l'article 295/3, à condition qu'il soit question, au moment de l'inscription, d'une occupation en cours de plus de 104 jours. Par membre du personnel, il faut entendre :
   a) un membre du personnel, tel que visé à l'article 2 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, pour autant qu'ils ont été affectés à ou désignés dans l'école ;
   b) un membre du personnel qui a été engagé via un contrat de travail par une autorité scolaire et qui est mis à l'emploi dans l'école ;
   3° pour les écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, et jusqu'à concurrence de 65 pour cent de la capacité du niveau concerné, telle que visée à l'article 295/5, alinéa premier, les élèves dont au moins un parent maîtrise suffisamment le néerlandais, conformément à l'article 253/46 ;
   4° une autorité scolaire peut réserver un maximum de 50 pour cent de la capacité du niveau concerné, telle que visée à l'article 295/5, alinéa premier, aux élèves qui, au plus tard au moment de la fréquentation effective des cours, résident ou font appel à cet internat ou semi- internat. Par internat ou semi- internat, on entend :
   a) les internats, tels que visés dans la partie III, chapitre 4, section 1re, sous-section 2 du décret du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement ;
   b) les internats à ouverture permanente, visés au chapitre 6 de la même codification ;
   c) les semi-internats, tels que visés à l'arrêté royal du 21 août 1978 portant organisation des semi-internats dans l'enseignement spécial de l'Etat et déterminant les normes du personnel ;
   d) les centres multifonctionnels, tels que définis dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures, en ce qui concerne les fonctions de soins de jour, de séjour, de diagnostic ou de traitement intensif.
   Si la capacité mentionnée à l'article 295/5, alinéa premier, ou à l'article 295/9, § 4, a déjà été atteinte au sein des groupes prioritaires mentionnés ci-dessus, les élèves du groupe prioritaire concerné sont classés en fonction de la distance entre le domicile de l'élève et l'école ou l'implantation.
   Si la capacité, visée à l'article 295/5, alinéa 1er, ou à l'article 295/9, § 4, a été atteinte dans le groupe des autres élèves préinscrits, les élèves concernés sont classés en fonction de la distance entre le domicile de l'élève et l'école ou l'implantation.
   § 2. Si plusieurs écoles ou implantations adoptent une procédure conjointe de préinscription, les élèves préinscrits sont affectés à l'école ou à l'implantation du choix le plus élevé spécifié par les personnes concernées au moment de la préinscription, pour laquelle l'élève a obtenu un classement favorable. L'élève est supprimé de la liste d'élèves préinscrits dans les écoles ou implantations classées plus bas sur sa liste de préférence.
   Le Gouvernement flamand peut dans les limites des crédits budgétaires disponibles mettre à disposition des moyens pour des procédures conjointes de préinscription.]1

  
Art. 295/9. [1 § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de datum waarop de resultaten van de aanmeldingsprocedure uiterlijk worden bekendgemaakt.
   Aan de betrokken personen wordt meegedeeld of de leerling gunstig of ongunstig gerangschikt is, op basis van de capaciteit, vermeld in artikel 295/5, eerste lid, of artikel 295/9, § 4. Indien de leerling ongunstig gerangschikt is, deelt de school eveneens mee welke plaats de leerling inneemt op de lijst van ongunstig gerangschikte leerlingen.
   De betrokken personen van de gunstig gerangschikte leerlingen krijgen een melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen, met vermelding van de door de Vlaamse Regering bepaalde periode waarbinnen de betrokken personen de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Indien de betrokken personen geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving binnen de daartoe door de Vlaamse Regering bepaalde periode, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.
   § 2. Het schoolbestuur noteert alle inschrijvingen van de gunstig gerangschikte leerlingen in het inschrijvingsregister, met vermelding van datum en tijdstip en het type, de opleidingsvorm en, in voorkomend geval, de administratieve groep waarvoor wordt ingeschreven.
   Inschrijvingen voor eventueel resterende vrije plaatsen na de aanmeldingen, binnen de bepaalde capaciteit, worden in chronologische volgorde genoteerd in het inschrijvingsregister, met vermelding van datum en tijdstip van inschrijving, en het type, de opleidingsvorm en, in voorkomend geval, de administratieve groep waarvoor wordt ingeschreven en, in voorkomend geval, vermelding van de toewijzing van de leerling door het platform, vermeld in artikel 295/14, § 1.
   § 3. Plaatsen van gunstig gerangschikte leerlingen die zich in deze periode, vermeld in paragraaf 1, derde lid, niet zijn komen inschrijven, of wiens inschrijving door een inschrijving in een andere school voor buitengewoon onderwijs ongedaan gemaakt wordt, zoals bepaald in artikel 295/4, worden tot de door de Vlaamse Regering bepaalde datum toegekend aan de hoogst gerangschikte leerlingen van de lijst van niet-gunstig gerangschikte leerlingen.
   Deze leerlingen behouden hun recht op inschrijving gedurende veertien kalenderdagen na de melding van de omzetting in een gunstige rangschikking.
   § 4. Het schoolbestuur kan de capaciteit verhogen tot de door de Vlaamse Regering bepaalde datum.]1

  
Art. 295/9. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand arrête la date à laquelle les résultats de la procédure de préinscription sont communiqués au plus tard.
   Les personnes concernées sont informées si l'élève est favorablement ou défavorablement classé sur la base de la capacité, visée à l'article 295/5, alinéa 1er, ou à l'article 295/9, § 4. Si l'élève est défavorablement classé, l'école communique également la place qu'occupe l'élève sur la liste des élèves défavorablement classés.
   Les personnes concernées des élèves favorablement classés sont informées de l'école ou de l'implantation à laquelle l'élève préinscrit a été affecté, avec mention de la période déterminée par le Gouvernement flamand dans laquelle les personnes concernées peuvent inscrire l'élève préinscrit. Si les personnes concernées ne font pas usage de la possibilité d'inscription dans le délai fixé à cet effet par le Gouvernement flamand, le droit d'inscription qu'elles ont acquis par la procédure de préinscription échoit.
   § 2. L'autorité scolaire consigne au registre d'inscriptions les inscriptions de tous les élèves favorablement classés, avec mention de la date et de l'heure et du type, de la forme de formation et, le cas échéant, du groupe administratif pour lequel l'inscription est faite.
   Les inscriptions pour les éventuelles places libres restantes après les préinscriptions, dans la limite de la capacité spécifiée, sont consignées dans le registre d'inscriptions en ordre chronologique, avec mention de la date et de l'heure d'inscription, du type, de la forme de formation et, le cas échéant, du groupe administratif pour lequel l'inscription est faite et, le cas échéant, avec mention de l'affectation de l'élève par la plateforme, visée à l'article 295/14, § 1er.
   § 3. Les places d'élèves favorablement classés qui ne se sont pas inscrits pendant cette période, visée au paragraphe 1er, alinéa 3, ou dont l'inscription est annulée par une inscription dans une autre école d'enseignement spécial, conformément à l'article 295/4, sont attribuées jusqu'à la date déterminée par le Gouvernement flamand aux élèves les mieux classés sur la liste des élèves défavorablement classés.
   Ces élèves conservent leur droit d'inscription pendant une période de quatorze jours civils après la notification de la conversion en un classement favorable.
   § 4. L'autorité scolaire peut augmenter la capacité jusqu'à la date fixée par le Gouvernement flamand.]1

  
Art. 295/10. [1 § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de uiterlijke datum waarop het schoolbestuur aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap meldt welke leerlingen ongunstig gerangschikt zijn, op basis van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 295/5, eerste lid, of de verhoogde capaciteit, zoals bepaald in artikel 295/9, § 4.
   § 2. Voor de niveaus, vermeld in artikel 295/5, eerste lid, waarvoor ongunstig geordende leerlingen werden gemeld aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 295/12, § 1, kunnen bijkomende inschrijvingen enkel gerealiseerd worden op vraag van, of mits goedkeuring van het platform, zoals bepaald in artikel 295/14, § 1. Het platform kan hierover afspraken maken.
   Elke bijkomende vraag tot inschrijving voor een niveau waarvoor de capaciteit bereikt werd op het einde van deze inschrijvingsperiode, wordt in chronologische volgorde genoteerd in het inschrijvingsregister, en via het digitale weigeringsdocument gemeld aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 295/12.]1

  
Art. 295/10. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand arrête la date limite à laquelle l'autorité scolaire notifie aux services compétents de la Communauté flamande les données des élèves défavorablement classés, sur la base de leur capacité, telle que prévue à l'article 295/5, alinéa 1er, ou sur la base de la capacité augmentée, visée à l'article 295/9, § 4.
   § 2. Pour les niveaux visés à l'article 295/5, alinéa 1er, pour lesquels les données d' élèves défavorablement classés ont été notifiées aux services compétents de la Communauté flamande, visés à l'article 295/12, § 1er, des inscriptions supplémentaires ne peuvent être réalisées qu'à la demande de ou sous réserve de l'approbation de la plate-forme, conformément à l'article 295/14, § 1er. La plate-forme peut prendre des arrangements à ce sujet.
   Toute demande supplémentaire d'inscription pour un niveau pour lequel la capacité a été atteinte à la fin de cette période d'inscription est notée dans le registre d'inscriptions en ordre chronologique et notifiée aux services compétents de la Communauté flamande, visés à l'article 295/12, au moyen du document numérique de refus.]1

  
Onderafdeling 4. [1 Weigeren]1
Sous-section 4. [1 Refus]1
Art. 295/11. [1 § 1. Een schoolbestuur kan geen verzoek tot inschrijving weigeren, behoudens in volgende gevallen:
   1° wanneer het gaat om een leerling die op het moment van de effectieve start van de lesbijwoning niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, zoals bepaald in de artikelen 291 tot en met 294;
   2° wanneer het gaat om een leerling die in het lopende schooljaar definitief werd uitgesloten als tuchtmaatregel uit de betrokken school, zoals bepaald in artikel 123/10, 2°.
   § 2. Een schoolbestuur kan geen verzoeken tot inschrijving weigeren op basis van bereikte capaciteit, van leerlingen:
   1° die terugkeren in het buitengewoon onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die met toepassing van artikel 294 of 352, in een school voor gewoon onderwijs ingeschreven waren;
   2° voor wie de school door het platformoverleg werd voorgesteld als passend alternatief, zoals bepaald in artikel 295/14.
   § 3. Een schoolbestuur kan, ook nadat de capaciteit overschreden werd, en nadat reeds beroep werd gedaan op het platform voor geweigerde leerlingen, alsnog leerlingen inschrijven die:
   a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter;
   b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;
   c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
   d) die behoren tot de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 295/8, § 1, 1° en 2°.
   Het schoolbestuur meldt deze inschrijvingen ter kennisgeving aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.]1

  
Art. 295/11. [1 § 1er. Une autorité scolaire ne peut refuser de demande d'inscription, sauf dans les cas suivants :
   1° dans le cas d'un élève qui, au moment du début effectif de la fréquentation des cours, ne remplit pas les conditions d'admission prévues aux article s 291 à 294 inclus ;
   2° dans le cas d'un élève qui a été définitivement exclu de l'école concernée au cours de l'année scolaire en cours à titre de mesure disciplinaire, conformément à l'article 123/10, 2°.
   § 2. Une autorité scolaire ne peut refuser de demandes d'inscription sur la base de l'atteinte de la capacité, d'élèves :
   1° qui retournent dans l'enseignement spécial qui, pendant l'année scolaire en cours ou les deux années scolaires précédentes, étaient inscrits dans l'école et qui, par application de l'article 294 ou 352, étaient inscrits dans une école d'enseignement ordinaire ;
   2° pour qui l'école a été proposée par la consultation de la plate-forme comme alternative appropriée, conformément à l'article 295/14.
   § 3. Après que la capacité a été dépassée également et que la plate-forme pour élèves refusés a été sollicitée, une autorité scolaire peut toujours inscrire des élèves qui :
   a) soit ont été placés par le juge de la jeunesse ;
   b) soit résident, en tant que (semi-)internes, dans un (semi-)internat rattaché à l'école ;
   c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
   d) appartiennent aux groupes prioritaires, tels que visés à l'article 295/8, § 1er, 1° et 2°.
   L'autorité scolaire informe les services compétents de la Communauté flamande de ces inscriptions à titre d'information.]1

  
Art. 295/12. [1 § 1. Het schoolbestuur meldt, in geval van een weigering van het verzoek tot inschrijving als vermeld in artikel 295/11, § 1, 1° en 2°, of op basis van bereikte capaciteit, de weigering binnen de zeven kalenderdagen aan de betrokken personen en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
   § 2. Het schoolbestuur meldt, in geval van een definitieve uitsluiting van een leerling als vermeld in artikel 123/10, 2°, de definitieve uitsluiting binnen de zeven kalenderdagen aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt het digitale model van het weigeringsdocument.]1

  
Art. 295/12. [1 § 1er. Dans le cas d'un refus de la demande d'inscription, tel que visé à l'article 295/11, § 1er, 1° et 2°, ou sur la base de l'atteinte de la capacité, l'autorité scolaire notifie le refus aux personnes concernées et aux services compétents de la Communauté flamande dans les sept jours calendrier.
   § 2. Dans le cas d'une exclusion définitive d'un élève, telle que visée à l'article 123/10, 2°, l'autorité scolaire notifie l'exclusion définitive aux services compétents de la Communauté flamande dans les sept jours calendrier.
   § 3. Le Gouvernement flamand arrête le modèle numérique du document de refus.]1

  
Art. 295/13. [1 § 1. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap roepen, op basis van de informatie in de digitale melding van weigering, of in geval van een definitieve uitsluiting van een leerling, bepaald in artikel 123/10, 2°, en binnen eenentwintig kalenderdagen, alle relevante actoren samen voor een platformoverleg.
   § 2. Voor het platformoverleg worden uitgenodigd:
   1° de schoolbesturen van alle scholen uit de regio met een aanbod voor de betreffende combinatie van opleidingsvorm en type, en in voorkomend geval ook de gewenste opleiding of het structuuronderdeel, waarbij de grootte van de regio bepaald wordt door de spreiding van het aanbod, en de noodzaak om een passend alternatief, zoals bepaald in artikel 295/14, voor te stellen;
   2° afgevaardigden van het CLB dat de leerling tot op dat moment begeleid heeft, en van het CLB van de school voor buitengewoon onderwijs die het verzoek tot inschrijving weigerde;
   3° de betrokken personen of hun eventuele vertegenwoordiger, en waar mogelijk de leerling;
   4° vertegenwoordigers van organisaties die schoolexterne begeleidingsmogelijkheden bieden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, of verblijfmogelijkheden voorzien voor deze jongeren, wanneer de mededeling van weigering een vraag naar deze begeleiding of verblijfsmogelijkheid bevat.
   Leden die uitgenodigd worden voor het platformoverleg kunnen zich laten bijstaan door externe deskundigen die de leerling, waarvoor het platform een passend alternatief zoekt, begeleiden.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten inzake de werking van het platform.]1

  
Art. 295/13. [1 § 1er. Les services compétents de la Communauté flamande convoquent, sur la base des informations contenues dans la notification numérique de refus ou dans le cas d'une exclusion définitive d'un élève, telle que visée à l'article 123/10, 2°, et dans les vingt et un jours calendrier, tous les acteurs pertinents pour une consultation de plate-forme.
   § 2. Sont invités à la consultation de la plateforme :
   1° les autorités scolaires de toutes les écoles de la région proposant une offre pour la combinaison respective de forme de formation et de type et, le cas échéant, de la formation ou de la subdivision structurelle souhaitées, la taille de la région étant déterminée par la répartition de l'offre et la nécessité de proposer une alternative appropriée, conformément à l'article 295/14 ;
   2° des représentants du CLB qui a accompagné l'élève jusque-là et du CLB de l'école d'enseignement spécial qui a refusé la demande d'inscription ;
   3° les personnes concernées ou leur représentant éventuel et, si possible, l'élève ;
   4° des représentants d'organisations qui offrent des services d'accompagnement à l'extérieur de l'école aux jeunes ayant des besoins complémentaires d'aide, ou qui fournissent un séjour à ces jeunes, si la notification de refus contient une demande pour cet accompagnement ou cette possibilité de séjour.
   Les membres invités à la consultation de la plate-forme peuvent se faire assister par des experts externes qui accompagnent l'élève, pour qui la plate-forme cherche une alternative appropriée.
   § 3. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de fonctionnement de la plateforme.]1

  
Art. 295/14. [1 § 1. Het platformoverleg formuleert, binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de weigering of definitieve uitsluiting van de leerling, een passend alternatief voor de leerling waarvan het verzoek tot inschrijving niet werd gerealiseerd, aan de betrokken personen.
   Het passend alternatief bestaat uit een voorstel tot inschrijving in één of meerdere scholen. Het platformoverleg houdt daarbij rekening met de vrije schoolkeuze, het gewenste onderwijsaanbod, de afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de leerling en de school, de vraag van de betrokken personen naar leerlingenvervoer, in voorkomend geval het behoren tot de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 295/8, § 1, en desgevallend de nood aan schoolexterne begeleidingsmogelijkheden of verblijfmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften.
   Het passend alternatief kan ook bestaan uit de beslissing om alsnog in te schrijven in de school waarin de inschrijving initieel niet gerealiseerd werd.
   Indien de leerling geweigerd werd in een school, waarnaar de leerling recht op leerlingenvervoer genoot, en de betrokken personen vragen om leerlingenvervoer, dient het platform de regels met betrekking tot het recht op leerlingenvervoer te respecteren bij het zoeken naar een passend alternatief. Het platform kan enkel een gemotiveerde afwijking toestaan op het recht op leerlingenvervoer naar de school of vestigingsplaats die voorgesteld wordt als passend alternatief, op voorwaarde dat het passend alternatief zich bevindt binnen redelijke afstand.
   § 2. De betrokken personen beslissen binnen de zeven kalenderdagen of ze al dan niet ingaan op het passend alternatief dat wordt voorgesteld door het platformoverleg. Indien de betrokken personen akkoord gaan met de voorgestelde school, schrijven ze hun kind er binnen die termijn van zeven kalenderdagen in.
   Indien de betrokken personen de inschrijving niet bevestigen binnen de zeven kalenderdagen, of indien de betrokken personen een inschrijving realiseren in een andere school, vervalt de verplichting van het platformoverleg om een plaats te garanderen voor de betreffende leerling.]1

  
Art. 295/14. [1 § 1er. La consultation de la plate-forme formule, dans un délai de trente jours calendrier après le refus ou l'exclusion définitive de l'élève, une alternative appropriée pour l'élève dont la demande d'inscription n'a pas été réalisée, aux personnes concernées.
   L'alternative appropriée consiste en une proposition d'inscription dans une ou plusieurs écoles. La consultation de la plate-forme tient dans ce cadre compte du libre choix de l'école, de l'offre d'enseignement souhaitée, de la distance entre le domicile ou le lieu de résidence de l'élève et l'école, de la demande des personnes concernées de transport scolaire, le cas échéant, de l'appartenance aux groupes prioritaires mentionnés à l'article 295/8, § 1er, et, éventuellement, du besoin de possibilités d'accompagnement ou de séjour à l'extérieur de l'école pour des jeunes aux besoins complémentaires d'aide.
   L'alternative appropriée peut également consister en la décision d'encore faire une inscription dans l'école dans laquelle l'inscription n'a initialement pas été réalisée.
   Si l'élève s'est vu refuser l'admission dans une école pour laquelle il jouissait d'un droit au transport scolaire et que les personnes concernées sont demandeuses de transport scolaire, la plate-forme doit respecter les règles relatives au droit au transport scolaire lorsqu'elle recherche une alternative appropriée. La plate-forme ne peut autoriser une dérogation motivée au droit au transport scolaire vers l'école ou l'implantation proposées comme alternative appropriée qu'à condition que l'alternative appropriée soit située à une distance raisonnable.
   § 2. Les personnes concernées décident, dans un délai de sept jours calendrier, d'accepter ou non l'alternative appropriée proposée par la consultation de la plate-forme. Si les personnes concernées acceptent l'école proposée, elles y inscrivent leur enfant dans ce délai de sept jours calendrier.
   Si les personnes concernées ne confirment pas l'inscription dans un délai de sept jours calendaires ou si les personnes concernées effectuent une inscription dans une autre école, l'obligation de la consultation de la plate-forme de garantir une place à l'élève concerné échoit.]1

  
Art. 295/15. [1 § 1. Betrokken personen en andere belanghebbenden kunnen naar aanleiding van een weigering of wanneer ze niet akkoord gaan met het door het platform voorgestelde passend alternatief, zoals bepaald in artikel 295/11, een klacht indienen bij de CLR. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werkingsprincipes van deze commissie voor deze klachten.
   § 2. Klachten die worden ingediend na de termijn van zeven kalenderdagen na het ontvangen van de weigering of nadat het passend alternatief aan de betrokken personen werd gecommuniceerd, zijn onontvankelijk.
   § 3. Een klacht bij de CLR schort de termijn van zeven kalenderdagen, waarbinnen de betrokken personen de inschrijving in de school die door het platform wordt voorgesteld als passend alternatief, zoals bepaald in artikel 295/14, moeten bevestigen.
   § 4. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de weigering.
   Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.
   § 5. Indien de CLR de klacht gegrond acht, wordt het platform opnieuw bevoegd voor het formuleren van een passend alternatief.
   Indien de CLR de klacht ongegrond acht, schrijft de leerling zich alsnog in de door het platform voorgestelde school in, binnen de termijn van zeven kalenderdagen.]1

  
Art. 295/15. [1 § 1er. Les personnes concernées et les autres parties intéressées peuvent déposer une plainte auprès de la CLR à la suite d'un refus ou si elles ne sont pas d'accord avec l'alternative appropriée proposée par la plate-forme, comme prévu à l'article 295/11. Le Gouvernement flamand fixe la composition, les compétences et les principes de fonctionnement de cette commission pour ces plaintes.
   § 2. Les plaintes déposées après le délai de sept jours civils suivant la réception du refus ou après que l'alternative appropriée a été communiquée aux personnes concernées sont irrecevables.
   § 3. Une plainte auprès de la CLR suspend le délai de sept jours calendaires, endéans lequel les personnes concernées doivent confirmer l'inscription dans l'école proposée par la plate-forme comme alternative appropriée, telle que visée à l'article 295/14.
   § 4. La CLR juge du bien-fondé du refus dans un délai de vingt et un jours calendrier, prenant cours le lendemain de la signification ou du cachet de la poste de la plainte écrite.
   Le jugement de la CLR est envoyé par lettre recommandée aux personnes concernées et au président de la LOP dans un délai de sept jours calendrier au plus tard.
   § 5. Si la CLR estime la plainte bien fondée, la plate-forme redevient compétente pour la formulation d'une alternative appropriée.
   Si la CLR estime la plainte non fondée, l'élève s'inscrit dans l'école proposée par la plate-forme, dans le délai de sept jours calendaires.]1

  
HOOFDSTUK 3. - [1 Financiering, subsidiëring en waarborgregeling]1
CHAPITRE 3. - [1 Financement, subventionnement et régime de garantie]1
Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
Section 1re. - Financement et subventionnement des membres du personnel
Onderafdeling 1. - Directeur
Sous-section 1re. - Directeur
Art. 296. [2 § 1.]2 In het buitengewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 72 regelmatige leerlingen op de gebruikelijke teldatum.
  Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht pro rata van 2 lesuren per volledige reeks van 9 leerlingen die ontbreken. De lesuren vallen binnen het lesurenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op het overeenstemmende salaris of salaristoelage.
  Voor de toepassing van deze bepalingen worden enerzijds de regelmatige leerlingen van de opleidingsvormen 1 en 2 vermenigvuldigd met 1,33 [1 en anderzijds in scholen die op de eerste schooldag van oktober van het schooljaar 2014-2015 minimaal 10 regelmatige leerlingen in het geïntegreerd onderwijs[2 begeleidden in schooljaar 2016-2017, deze leerlingen mee]2,]1 in aanmerking genomen. (295)
  [2 Ї 2. Als een leersteuncentrum deel uitmaakt van een school voor buitengewoon secundair onderwijs als vermeld in artikel 20, Ї 2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, wordt de directie vrijgesteld van de gedeeltelijke lesopdracht als niet voldaan wordt aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.]2
  
Art. 296. Dans l'enseignement secondaire spécial, un emploi à temps plein de directeur est octroyé à un établissement ayant au moins 72 élèves réguliers à la date habituelle de comptage.
  Si le nombre minimum d'élèves n'est pas atteint, le directeur se voit attribuer une charge d'enseignement au prorata de 2 heures de cours par série complète de 9 élèves manquants. Les heures de cours tombent dans le capital-heures de cours. Il conserve cependant le droit à l'échelle de traitement de directeur avec une charge complète, au traitement correspondant ou à la subvention-traitement correspondante.
  Pour l'application des présentes dispositions sont pris en considération d'une part les élèves réguliers des formes d'enseignement 1 et 2 multipliés par 1,33 [1 et d'autre part, dans les écoles accompagnant, au premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire 2014-2015, au moins 10 élèves réguliers dans l'enseignement[2 qui accompagnaient au moins 10 élèves réguliers dans l'enseignement intégré durant l'année scolaire 2016-2017, ces élèves]2]1.
  [2 § 2. Lorsqu'un centre de soutien à l'apprentissage fait partie d'une école d'enseignement secondaire spécial telle que visée à l'article 20, § 2, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage, la direction est dispensée de la charge d'enseignement partielle s'il n'est pas satisfait à la condition énoncée dans le paragraphe 1er, alinéa 1er.]2(295)
  
Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel
Sous-section 2. - Personnel enseignant
Art. 297. § 1. Het volume van de gefinancierde en gesubsidieerde betrekkingen wordt voor elk schooljaar en per school bepaald volgens de in deze onderafdeling vermelde normen.
  § 2. In aanmerking komende leerlingen zijn die welke als regelmatige leerlingen dienen beschouwd te worden overeenkomstig [1 de artikelen 291 tot en met 295]1. (296)
  
Art. 297. § 1. Le volume des emplois financés et subventionnés est déterminé pour chaque année scolaire et par école selon les normes visées dans la présente sous-section.
  § 2. Les élèves admissibles sont ceux qui doivent être considérés comme élèves réguliers conformément [1 aux articles 291 à 295]1. (296)
  
Art. 298. § 1. Het volume van de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde betrekkingen in de wervingsambten van het onderwijzend personeel van het buitengewoon secundair niveau wordt vastgesteld binnen de lesurenpakketten die aan iedere school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt toegewezen.
  § 2. Een lesurenpakket wordt berekend door het aantal in aanmerking komende leerlingen per type te vermenigvuldigen met het aantal wekelijks ingerichte lesuren en te delen door een richtgetal per type.
  § 3. De lesurenpakketten worden samengesteld uit het totaal aantal periodes van 50 minuten, waarover de school op niveau van het secundair onderwijs, beschikt om haar onderwijs te verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 296, artikel 306 en artikel 307 worden deze lesurenpakketten elk jaar opnieuw bepaald per school en aangewend voor de effectieve prestaties van het onderwijzend personeel in die school. (297)
Art. 298. § 1. Le volume des emplois financés et subventionnés par la Communauté flamande dans les fonctions de recrutement du personnel enseignant du niveau secondaire spécial est déterminé dans les limites des capitaux-heures de cours qui sont attribués à chaque école d'enseignement secondaire spécial.
  § 2. Un capital-heures de cours est calculé en multipliant le nombre d'élèves admissibles par type par le nombre de périodes organisées hebdomadairement et en le divisant par un nombre guide par type.
  § 3. Les capitaux-heures de cours sont composés du nombre total de périodes de 50 minutes dont l'école au niveau de l'enseignement secondaire dispose pour dispenser son enseignement. Sans préjudice des dispositions des articles 296, 306 et 307, ces capitaux-heures de cours sont déterminés à nouveau chaque année par école et utilisés pour les prestations effectives du personnel enseignant dans cette école. (297)
Art. 299. In uitvoering van artikel 297, § 2 komen in aanmerking :
  1° [2 types basisaanbod, 2, 3, 4, 6, 7 en 9 het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar.
   In afwijking hiervan wordt 1 oktober van het lopende schooljaar de teldatum:
   - voor nieuwe scholen die worden opgenomen in de financiering of de subsidiëring;
   - voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of de subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm.
   Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. [3 In afwijking van de voorgaande zin is met toepassing van artikel 290/2 voor de opname in de financiering of de subsidiering de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de drie daaropvolgende schooljaren.]3
   In geval van oprichting van een nieuw type, [4 ...]4 alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. [3 Als het nieuwe type met toepassing van artikel 290/2 pas na de eerste lesdag van oktober wordt opgericht blijft de teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar.]3
   Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel.]2

  2° in het type 5 het aantal bepaald door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen :
  [1 a) gedurende de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt, indien het type gedurende heel deze duur georganiseerd was[4 ...]4;
   b) in andere gevallen, gedurende de eerste 30 dagen te rekenen vanaf de openstelling van het type, of gedurende een periode te bepalen door de Vlaamse Regering.]1
(298)
  
Art. 299. Par application de l'article 297, § 2, sont admissibles :
  1° [2 dans les types offre de base, 2, 3, 4, 6, 7 et 9, le nombre d'élèves régulièrement inscrits au 1er février de l'année scolaire précédente.
   Par dérogation à ce qui précède, le 1er octobre de l'année scolaire en cours devient la date de comptage :
   - pour les nouvelles écoles qui sont reprises dans le financement ou le subventionnement ;
   - pour les écoles existantes qui sont impliquées dans une restructuration, ou bien par une fusion, ou bien par la reprise dans le financement ou le subventionnement ou la suppression ou la transformation d'une forme d'enseignement.
   Lors de la reprise dans le financement ou le subventionnement, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours et des deux années scolaires suivantes. [3 Par dérogation à la phrase précédente, pour l'admission au financement ou au subventionnement, la date de comptage est, en application de l'article 290/2, le 1er octobre de l'année scolaire en cours et des trois années scolaires suivantes.]3
   Dans le cas d'une création d'un nouveau type[4 ...]4 ainsi que dans le cas d'une fusion, suppression d'une forme d'enseignement ou transformation, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours. [3 Si, en application de l'article 290/2, le nouveau type n'est créé qu'après le premier jour de classe d'octobre, la date de comptage reste le 1er février de l'année scolaire précédente.]3
   Cette date de comptage est chaque fois applicable à l'ensemble de l'école en question.]2

  2° dans le type 5, le nombre déterminé par la présence moyenne des élèves réguliers :
  [1 a) pendant la période de 12 mois qui précède le 1er février de l'année dans laquelle l'année scolaire concernée prend cours, si le type était organisé pendant toute cette durée[4 ...]4 ;
   b) dans d'autres cas, pendant les 30 premiers jours à compter de l'ouverture du type, ou pendant la période à fixer par le Gouvernement flamand.]1
(298)
  
Art. 300. Een cursus in één van de erkende godsdiensten of in de niet-confessionele zedenleer die niet gefinancierd of gesubsidieerd kan worden op basis van de schoolbevolking van 1 februari van het voorafgaande schooljaar, mag toch onmiddellijk worden gefinancierd of gesubsidieerd als een leerling zich voor één van deze cursussen inschrijft.
  Een cursus in één van de erkende godsdiensten of in de niet-confessionele zedenleer die kan worden gefinancierd of gesubsidieerd op basis van de schoolbevolking van 1 februari van het voorafgaande schooljaar, maar waarvoor geen leerlingen meer zijn ingeschreven, kan niet langer worden gefinancierd of gesubsidieerd. (299)
Art. 300. Un cours dans une des religions reconnues ou un cours de morale non confessionnelle qui ne peut pas être financé ou subventionné sur la base de la population scolaire au 1er février de l'année scolaire précédente, peut toutefois être financé ou subventionné immédiatement si un élève s'inscrit à un de ces cours.
  Un cours dans une des religions reconnues ou un cours de morale non confessionnelle qui peut être financé ou subventionné sur la base de la population scolaire au 1er février de l'année scolaire précédente, mais auquel aucun élève n'est plus inscrit, ne peut plus être financé ou subventionné. (299)
Art. 301. § 1. Binnen elke opleidingsvorm wordt het lesurenpakket per type berekend. Het lesurenpakket per school is de som van de bekomen quotiënten per opleidingsvorm. Slechts de som wordt tot de hogere eenheid afgerond.
  § 2. Indien het aantal ingerichte lesuren per week niet in alle leerjaren van opleidingsvorm 4 gelijk is, wordt het lesurenpakket eerst per leerjaar berekend en daarna samengeteld voor de opleidingsvorm.
  [1 § 3. De leerlingen van type 5 worden voor wat het richtgetal en de personeelsomkadering betreft, gelijkgesteld met opleidingvorm 4, ongeacht welke opleidingsvorm er op hun attest vermeld wordt.]1
  
Art. 301. § 1. Dans chaque forme d'enseignement, le capital-heures de cours est calculé par type. Le capital-heures de cours par école est la somme des quotients obtenus par forme d'enseignement. Seule la somme est arrondie à l'unité supérieure.
  § 2. Si le nombre d'heures de cours organisées par semaine n'est pas le même dans toutes les années d'études de la forme d'enseignement 4, le capital-heures de cours est premièrement calculé par année d'études et ensuite additionné pour la forme d'enseignement.
  [1 § 3. Les élèves du type 5 sont, pour ce qui est du nombre guide et l'encadrement des personnels, assimilés à la forme d'enseignement 4, quelle que soit la forme d'enseignement mentionnée sur leur attestation.]1
  
Art. 302. De richtgetallen worden per opleidingsvorm volgens het type als volgt vastgesteld :
  1° Opleidingsvorm 1 :
  Type 2 : richtgetal 6
  Type 3 : richtgetal 6
  Type 4 : richtgetal 6
  Type 6 : richtgetal 5
  Type 7 : richtgetal 5
  [1 Type 9: richtgetal 6]1
  2° Opleidingsvorm 2 :
  Type 2 : richtgetal 7
  Type 3 : richtgetal 7
  Type 4 : richtgetal 6
  Type 6 : richtgetal 5
  Type 7 : richtgetal 5
  [1 Type 9: richtgetal 7]1
  3° Opleidingsvorm 3 :
  [1 Type basisaanbod]1 : richtgetal 7
  Type 3 : richtgetal 7
  Type 4 : richtgetal 6
  Type 6 : richtgetal 5
  Type 7 : richtgetal 5
  [1 Type 9: richtgetal 7]1
  4° Opleidingsvorm 4 :
  Type 3 : richtgetal 4,75
  Type 4 : richtgetal 4,25
  Type 5 : richtgetal 5
  Type 6 : richtgetal 3
  Type 7 : richtgetal [1 4,75]1
  [1 Type 9: richtgetal 4,75.]1 (301)
  
Art. 302. Les nombres guides sont déterminés par forme d'enseignement suivant le type comme suit :
  1° Forme d'enseignement 1 :
  Type 2 : nombre guide 6
  Type 3 : nombre guide 6
  Type 4 : nombre guide 6
  Type 6 : nombre guide 5
  Type 7 : nombre guide 5
  [1 Type 9 : nombre guide 6]1
  Forme d'enseignement 2 :
  Type 2 : nombre guide 7
  Type 3 : nombre guide 7
  Type 4 : nombre guide 6
  Type 6 : nombre guide 5
  Type 7 : nombre guide 5
  [1 Type 9 : nombre guide 7]1
  Forme d'enseignement 3 :
  [1 Type offre de base]1 : nombre guide 7
  Type 3 : nombre guide 7
  Type 4 : nombre guide 6
  Type 6 : nombre guide 5
  Type 7 : nombre guide 5
  [1 Type 9 : nombre guide 7]1
  Forme d'enseignement 4 :
  Type 3 : nombre guide 4,75
  Type 4 : nombre guide 4,25
  Type 5 : nombre guide 5
  Type 6 : nombre guide 3
  Type 7 : nombre guide [1 4,75]1
  [1 Type 9 : nombre guide 4,75.]1 (301)
  
Art. 303. Op het lesurenpakket dat wordt bekomen in toepassing van de in deze onderafdeling bepaalde normen, wordt voor de opleidingsvormen 1, 2 en 3 een aanwendingspercentage toegepast van 93,9 %. (302)
Art. 303. Au capital-heures de cours obtenu par application des normes fixées dans la présente sous-section, un pourcentage d'utilisation de 93,9 % est appliqué aux formes d'enseignement 1, 2 et 3. (302)
Art. 304. § 1. In afwijking op de bepalingen vermeld in deze onderafdeling en met het oog op bijzondere omstandigheden kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, met ingang van 1 september 1982 extra lesuren of uren toekennen aan de scholen.
  § 2. Met ingang van 1 september 1989 kan het aantal lesuren of uren globaal niet meer bedragen dan [4 0,475]4 % van het totaal aantal lesuren en uren dat het voorgaand schooljaar werd toegekend aan respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het officieel gesubsidieerd onderwijs en het vrij gesubsidieerd onderwijs. Voor de berekening van het aantal extra lesuren of -uren gebeurt de omrekening van de voltijdse ambten naar lesuren of uren op basis van de minimumprestaties eigen aan ieder ambt.
  § 3. [4 ...]4
  § 4. [4 ...]4
  
Art. 304. § 1. Par dérogation aux dispositions de la présente sous-section et en vue des circonstances exceptionnelles, le Ministre flamand chargé de l'enseignement peut, à partir du 1er septembre 1982, attribuer des heures de cours supplémentaires ou des heures supplémentaires aux écoles.
  § 2. A partir du 1er septembre 1989, le nombre d'heures de cours ou d'heures ne peut excéder globalement [4 0,475]4 % du nombre total d'heures de cours et d'heures qui était attribué l'année scolaire précédente respectivement à l'enseignement communautaire, l'enseignement officiel subventionné et l'enseignement libre subventionné. Pour le calcul du nombre d'heures de cours ou d'heures supplémentaires, la conversion des emplois à temps plein vers des heures de cours ou des heures sur la base des prestations minimum propres à chaque emploi.
  § 3. [4 ...]4
  § 4. [4 ...]4
  
Art. 306. Maximum 3 % van het lesurenpakket en van het urenpakket, bedoeld in artikel 311, kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (305)
Art. 306. Au maximum 3% du capital-heures de cours et du capital-heures, visés à l'article 311, peuvent être utilisés comme des heures qui ne sont pas des heures de cours et sont organisées sous forme de charges pédagogiques particulières. Ce maximum ne s'applique pas à l'enseignement secondaire professionnel spécial qui est organisé suivant le régime modulaire ou sous forme de la formation professionnelle en alternance. Le maximum peut être dépassé après l'accord du comité local compétent en matière de conditions de travail et d'affaires du personnel. (305)
Art. 307. § 1. De uren klassenraad en klassendirectie en de lesuren van de minderheidscursussen in de godsdienst of de zedenleer vallen buiten het lesurenpakket.
  § 2. Bij het lesurenpakket kunnen de uren klassendirectie worden gevoegd voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn.
  De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn en de administratieve en geldelijke gevolgen voor de personeelsleden die hiermee belast worden.
  § 3. Voor de personeelsleden die hun opdracht ten minste voor 60% van de lestijden presteren in het buitengewoon secundair onderwijs kan één lestijd worden besteed aan bijscholing en begeleiding. Dit uur wordt niet aangerekend op het lesurenpakket. (306)
Art. 307. § 1. Les heures de conseil de classe et de direction de classe et les heures de cours minoritaires de religion ou de morale non confessionnelle tombent en dehors du capital-heures de cours.
  § 2. Au capital-heures de cours peuvent être ajoutées des heures de direction de classe pour l'organisation d'heures qui ne sont pas des heures de cours.
  Le Gouvernement flamand fixe les conditions pour l'organisation d'heures qui ne sont pas des heures de cours et les conséquences administratives et pécuniaires pour les personnels qui en sont chargés.
  § 3. Pour les membres du personnel qui accomplissent leur charge pour au moins 60% des heures de cours dans l'enseignement secondaire spécial, une période peut être affectée au perfectionnement et à l'accompagnement. Cette heure n'est pas imputée au capital-heures de cours. (306)
Art. 308. Het aantal uren klassendirectie dat buiten het lesurenpakket kan worden toegekend, wordt bepaald door het totaal aantal regelmatig ingeschreven leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te delen door 12.
  In afwijking hiervan is voor de gefinancierde of gesubsidieerde scholen, de teldatum 1 oktober voor de eerste drie schooljaren.
  Als een bestaande school bij een herstructurering betrokken is, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of subsidiëring, de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar.
  Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. (307)
Art. 308. Le nombre d'heures de direction de classe pouvant être attribué en dehors du capital-heures de cours est défini en divisant par 12 le nombre total d'élèves régulièrement inscrits au 1er février de l'année scolaire précédente.
  Par dérogation à cette disposition, la date de comptage pour les écoles financées ou subventionnées est le 1er octobre pour les trois premières années scolaires.
  Si une école existante est impliquée dans une restructuration, ou bien par une fusion, ou bien par la reprise dans le financement ou le subventionnement, la suppression ou la transformation d'une forme d'enseignement, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours.
  Cette date de comptage est chaque fois applicable à l'ensemble de l'école en question. (307)
Art. 308/1. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van het reglementair vastgelegde lesurenpakket dat wordt toegekend, wordt een specifiek aantal lesuren toegekend aan elke door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs, die opleidingen aanbiedt die verwant zijn aan land- en tuinbouw. De Vlaamse Regering bepaalt welke opleidingen uit het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw daarvoor in aanmerking komen. Dit moeten opleidingen zijn waarvoor er een noodzaak is om culturen, serres of veestapel uit te baten of onderhouden, die van de instelling afhangen.
   Het specifieke aantal lesuren, vermeld in het eerste lid, dat respectievelijk overeenstemt met één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3, staat de instelling toe de volgende opdrachten uit te voeren:
   1° de culturen, de serres en de veestapel die van de instelling afhangen, uitbaten en onderhouden;
   2° tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw illustratieve demonstraties geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt rekening gehouden met:
   1° voor opleidingsvorm 3: alle administratieve groepen uit de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase van de opleidingen die de Vlaamse Regering bepaalt, die behoren tot het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw;
   2° voor opleidingsvorm 4: alle structuuronderdelen van het studiegebied of studiedomein land- en tuinbouw die zich over de tweede en derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs uitstrekken, met uitzondering van die structuuronderdelen waarvan de wekelijkse lessentabel geen praktijkvakken bevat.]1

  
Art. 308/1. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application du capital période réglementaire fixé par la loi, un nombre spécifique de périodes de cours est accordé à chaque établissement d'enseignement secondaire spécial financé ou subventionné par la Communauté flamande qui propose des formations liées à l'agriculture et à l'horticulture. Le Gouvernement flamand détermine quelles formations de la discipline ou du domaine d'étude de l'agriculture et de l'horticulture peuvent en bénéficier. Il s'agit de formations pour lesquelles il est nécessaire d'exploiter ou d'entretenir des cultures, des serres ou un cheptel, qui dépendent de l'établissement.
   Ce nombre spécifique de périodes-professeur, visé à l'alinéa 1er, qui correspond respectivement à un emploi à temps plein dans la fonction d'enseignant de l'enseignement secondaire chargé de cours pratiques aux deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein dans la forme d'enseignement 4 ou à un emploi à temps plein dans la fonction de professeur de l'enseignement secondaire chargé de la formation à vocation professionnelle dans la forme d'enseignement 3 permet à l'établissement d'effectuer les missions suivantes :
   1° exploiter et d'entretenir les cultures, les serres et le cheptel qui dépendent de l'établissement ;
   2° faire des démonstrations illustratives lors des cours pratiques aux élèves de la discipline ou du domaine d'étude de l'agriculture et de l'horticulture, qui tiennent compte des développements techniques et technologiques du secteur.
   § 2. Pour l'application du présent article, il est tenu compte :
   1° pour la forme d'enseignement 3 : de tous les groupes administratifs de la phase de formation, la phase de qualification et la phase d'intégration des formations définies par le Gouvernement flamand qui font partie de la discipline ou du domaine d'étude de l'agriculture et de l'horticulture ;
   2° pour la forme d'enseignement 4 : de toutes les subdivisions structurelles de la discipline ou du domaine d'étude de l'agriculture et de l'horticulture, qui s'étale sur les deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel, à l'exception des subdivisions structurelles dont la grille horaire hebdomadaire ne contient pas de cours pratiques.]1

  
Art. 308/2. [1 § 1. Voor de toepassing van artikel 308/1 wordt de voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs toegekend als de instelling op de gebruikelijke tellingsdatum de norm van veertig regelmatige leerlingen bereikt, die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 308/1, § 2. Als het een instelling met opleidingsvorm 3 betreft, komt dat overeen met vierentwintig lesuren. Als het een instelling met opleidingsvorm 4 betreft, komt dit overeen met negenentwintig lesuren.
   § 2. Het aantal lesuren in kwestie blijft toegekend gedurende twee opeenvolgende schooljaren waarin de behoudsnorm niet wordt bereikt. Vanaf het daaropvolgende schooljaar wordt de toekenning stopgezet tot de oprichtingsnorm opnieuw wordt bereikt.]1

  
Art. 308/2. [1 § 1er. Pour l'application de l'article 308/1, l'emploi à plein temps dans la fonction d'enseignant de l'enseignement secondaire est attribué si, à la date habituelle de comptage, l'établissement atteint la norme de quarante élèves réguliers qui remplissent les conditions prévues à l'article 308/1, § 2. S'il s'agit d'un établissement de la forme d'enseignement 3, cela correspond à vingt-quatre heures de cours. S'il s'agit d'un établissement de la forme d'enseignement 4, cela correspond à vingt-neuf heures de cours.
   § 2. Le nombre d'heures de cours dont question reste attribué pendant deux années scolaires consécutives pendant lesquelles la norme de maintien n'est pas atteinte. A partir de l'année scolaire suivante, l'octroi est suspendu jusqu'à ce que la norme de création soit à nouveau atteinte.]1

  
Art. 308/3. [1 Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur [3 tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030]3 maximaal 20% van de aan de school toegekende[2 vacante]2 lesuren, vermeld in artikel 298, 318 en 319, omzetten in punten en uren voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
   De omzettingen, vermeld in het eerste lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van lesuren als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd opgericht in een ambt van het ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de lesuren vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat.
  [3 In afwijking van het eerste en tweede lid kan een schoolbestuur bij een tekort aan onderwijzend personeel voor haar scholen die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad tijdens het schooljaar 2025-2026 meer dan 20% van de aan de school toegekende vacante lesuren, vermeld in het eerste lid, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel. De omzettingen kunnen gebeuren vanaf 1 september 2025 onder al de volgende voorwaarden:
   1° het schoolbestuur legt per school een voorstel om af te wijken van de ingangsdatum van 1 oktober, vermeld in het tweede lid, en van het maximum van 20% van de aan de school toegekende vacante lesuren, vermeld in het eerste lid, voor onderhandeling voor in het bevoegde lokaal comité;
   2° het schoolbestuur moet voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lesuren ten aanzien van die vacante lesuren op 1 september de verplichtingen tot reaffectatie of wedertewerkstelling, vermeld in artikel 36, § 2, A, 1° tot en met 3°, artikel 36, § 2, B, 1° tot en met 2bis°, en artikel 36, § 2, C, 1° tot en met 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, zoals die van kracht waren op 31 augustus 2025, naleven;
   3° het schoolbestuur moet voordat het overgaat tot omzetting van de vacante lesuren ten aanzien van die vacante lesuren op 1 september het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur naleven van de tijdelijke personeelsleden die daar een beroep op kunnen doen volgens artikel 21 of 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 23 of 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.]3

   De punten of uren die verkregen worden door de omzetting, [3 vermeld in het eerste en derde lid]3, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de lesuren kunnen worden omgezet in punten voor het ondersteunend personeel en in uren voor het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
   De criteria om het tekort aan onderwijzend personeel te bepalen en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel als [3 vermeld in het eerste en derde lid]3, worden vastgelegd na onderhandeling in het bevoegde lokale comité.
   De betrekkingen die opgericht worden in ambten van het ondersteunend personeel of in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel als [3 vermeld in het eerste en derde lid]3, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.]1

  
Art. 308/3. [1 En cas de pénurie de personnel enseignant, l'autorité scolaire peut, [2 pendant les années scolaires 2025-2026 à 2029-2030]2, convertir un maximum de 20 % des heures de cours [3 vacantes]3 attribuées à l'école, visées aux articles 298, 318 et 319, en points et heures pour l'utilisation dans des fonctions du personnel d'appui ou du personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique.
   Les conversions visées à l'alinéa 1er peuvent se faire, chaque fois, à partir du 1er octobre de l'année scolaire en cours et restent valables pendant toute la durée de l'année scolaire en cours. Par dérogation à cette disposition, la conversion d'heures de cours prend fin si le membre du personnel désigné dans un emploi qui a été organisé via la conversion précitée dans une fonction du personnel d'appui ou dans une fonction du personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique, démissionne volontairement pendant l'année scolaire conformément à l'article 25 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou conformément à l'article 26 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné. Dans ce cas, la conversion prend fin pour la partie correspondante des heures de cours à partir du moment où la démission prend effet.
  [2 Par dérogation aux alinéas 1er et 2, en cas de pénurie de personnel enseignant pour ses écoles situées en région bilingue de Bruxelles-Capitale, une autorité scolaire peut convertir, pendant l'année scolaire 2025-2026, plus de 20 % heures de cours vacantes allouées à l'école, visées à l'alinéa 1er, en points à utiliser dans des fonctions du personnel d'appui ou en heures à utiliser dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique. Les conversions peuvent se faire à partir du 1er septembre 2025 selon toutes les conditions suivantes :
   1° l'autorité scolaire soumet par école une proposition de dérogation à la date d'entrée du 1er octobre, visée à l'alinéa 2, et au maximum de 20 % des heures de cours vacantes allouées à l'école, visé à l'alinéa 1er, aux négociations au sein du comité local compétent ;
   2° avant de procéder à la conversion des heures de cours vacantes, l'autorité scolaire doit respecter, à l'égard de ces heures de cours vacantes, au 1er septembre, les obligations de réaffectation ou de remise au travail, visées à l'article 36, § 2, A, 1° à 3°, à l'article 36, § 2, B, 1° à 2bis°, et à l'article 36, § 2, C, 1° à 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, telles qu'en vigueur le 31 août 2025 ;
   3° avant de procéder à la conversion des heures de cours vacantes, l'autorité scolaire doit respecter, à l'égard de ces heures de cours vacantes, au 1er septembre, le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue des membres du personnel temporaires qui peuvent y faire appel selon l'article 21 ou 21bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire ou selon l'article 23 ou 23bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.]2

   Les points ou heures obtenus par la conversion, [2 mentionnés aux alinéas 1er et 3]2, sont utilisés au maximum pour soutenir l'enseignant dans les écoles afin qu'il puisse se concentrer sur sa tâche principale : enseigner.
   Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les heures de cours peuvent être converties en points pour le personnel d'appui et en heures pour le personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique.
   Les critères de détermination de la pénurie de personnel enseignant et de l'utilisation dans des fonctions du personnel d'appui ou dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique, [2 visés aux alinéas 1er et 3]2, sont déterminés après négociation au sein du comité local de négociation compétent.
   Les emplois créés dans des fonctions du personnel d'appui ou dans des fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique, [2 visés aux alinéas 1er et 3]2, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, laffecter ou le muter dans un de ces emplois.]1

  
Art. 308/4. [1 Ї 1. Een schoolbestuur kan bij een tekort van onderwijzend personeel op de arbeidsmarkt een deel van zijn omkadering voor het onderwijzend personeel van een of meer van zijn scholen telkens voor maximaal щщn schooljaar aanwenden om via een overeenkomst van dienstverlening tussen het schoolbestuur en een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector in een die school of scholen een of meer werknemers van die organisatie of onderneming in dienst te nemen via een dienstverleningsovereenkomst. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn niet van toepassing op de voormelde werknemers.
   Bij de wijze van aanwending van de omkadering voor het onderwijzend personeel, vermeld in het eerste lid, kan het schoolbestuur dat het personeelslid in dienst neemt, lesuren van een of meer van haar scholen, vermeld in het eerste lid, omzetten in een krediet ten belope van de lesopdracht of lesopdrachten die in de dienstverleningsovereenkomst zijn vastgelegd. Het voormelde krediet wordt aangewend als financiыle tegemoetkoming voor de onderneming of de organisatie, vermeld in het eerste lid, die een of meer werknemers ter beschikking stelt van het schoolbestuur. Het schoolbestuur wendt voor de voormelde financiыle tegemoetkoming lesuren aan uit het lesurenpakket, vermeld in artikel 298 en 300, dat aan de school is toegekend.
   De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag dat een schoolbestuur per lesuur kan omzetten in een krediet en de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst van de administratie. Het schoolbestuur machtigt de bevoegde dienst van de administratie om de voormelde financiыle tegemoetkoming rechtstreeks uit te betalen aan de organisatie of onderneming, vermeld in het eerste lid, waarmee het schoolbestuur een dienstverleningsovereenkomst sluit.
   De Vlaamse Regering stelt een model van dienstverleningsovereenkomst op, waarbij ze rekening houdt met de voorwaarden, vermeld in de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. In de voormelde dienstverleningsovereenkomst worden al de volgende elementen opgenomen:
   1А de specifieke opdracht van de werknemer, vermeld in het eerste lid, in de school;
   2А de aanstellingsen arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemer, vermeld in het eerste lid, waarbij alvast het salaris en de financiыle voordelen die de voormelde werknemer in zijn onderneming of organisatie geniet gegarandeerd blijven door de uitsturende onderneming of organisatie;
   3А de opleiding die de werknemer, vermeld in het eerste lid, moet gevolgd hebben;
   4А de plichten die de werknemer, vermeld in het eerste lid, moet naleven bij het uitoefenen van zijn opdracht. In de voormelde verplichtingen wordt alvast uitdrukkelijk bepaald dat de voormelde werknemer altijd onder het gezag blijft van zijn organisatie of onderneming, tenzij het gaat om plichten die betrekking hebben op het welzijn op het werk of over specifieke instructies die nodig zijn voor de goede uitvoering van de specifieke opdracht;
   5А de duur van de dienstverleningsovereenkomst;
   6А de mogelijkheden tot voortijdige beыindiging van de dienstverleningsovereenkomst.
   De werknemers, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden die de Vlaamse Regering opneemt in het model van dienstverleningsovereenkomst, vermeld in het vierde lid. Werknemers als vermeld in het eerste lid, die ter beschikking worden gesteld van een school die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, tonen daarenboven aan dat ze de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheersen op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De werknemers bewijzen die vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1А met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2А met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3А met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4А met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   Ї 2. Het tekort van onderwijzend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de werknemer van een organisatie of onderneming, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
   Om de vacature, vermeld in het eerste lid, in te vullen, sluit het schoolbestuur van de school een dienstverleningsovereenkomst met de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. In de voormelde dienstverleningsovereenkomst worden de afspraken over de terbeschikkingstelling van een werknemer van de onderneming of organisatie voor een welbepaalde opdracht en periode van de terbeschikkingstelling opgenomen. De dienstverleningsovereenkomst regelt altijd een lesopdracht die de volgende taken omvat:
   1А de planning en voorbereiding van lessen;
   2А het lesgeven zelf;
   3А de klaseigen leerlingenbegeleiding;
   4А de evaluatie van de leerlingen;
   5А het overleg en de samenwerking met directie, collega's, en in voorkomend geval CLB, leersteuncentra en ouders.
   Het schoolbestuur en de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, sluiten een dienstverleningsovereenkomst als vermeld in paragraaf 1, af. De dienstverleningsovereenkomst bevat de volgende bepalingen en voorwaarden over de uitvoering van de opdracht, vermeld in het tweede lid:
   1А de gegevens van het schoolbestuur dat als opdrachtgever optreedt en de gegevens van de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die als opdrachtnemer optreedt;
   2А de contactgegevens van de gemachtigden die de beide partijen aanwijzen;
   3А de opdracht die wordt overeengekomen, de wijze van uitvoering van die opdracht en de ondersteuning waarop de werknemer recht heeft tijdens die uitvoering en die de school aanbiedt;
   4А de voorwaarden waaraan de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, inschakelt, moet beantwoorden, waarbij uitdrukkelijk bepaald wordt dat de werknemer onder het gezag blijft van de onderneming of organisatie, tenzij het gaat om instructies die het schoolbestuur aan de werknemer geeft in het kader van de uitvoering van de opdracht en die in de deelovereenkomst worden opgenomen;
   5А de financiыle en sociale verplichtingen ten aanzien van de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die ten laste van de onderneming of organisatie blijven;
   6А de financiыle tegemoetkoming die het schoolbestuur betaalt aan de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de modaliteiten van betaling;
   7А bepalingen over de vertrouwelijkheid waartoe de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zich verbindt met het oog op de uitvoering van de opdracht. In de voormelde bepalingen wordt in elk geval opgenomen dat de werknemer van de onderneming of organisatie het ambtsgeheim in onderwijs moet naleven;
   8А bepalingen over de intellectuele eigendom waarbij de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zich ermee akkoord verklaart dat alle auteursof andere intellectuele rechten op werken die in het kader van de uitvoering van de opdracht worden gerealiseerd, overgedragen worden aan het schoolbestuur en waarbij afspraken opgenomen kunnen worden over het eventuele interne gebruik van dit intellectuele eigendom in de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid;
   9А bepalingen over de aansprakelijkheid bij de uitvoering van de opdracht, waarbij in elk geval wordt opgenomen dat het schoolbestuur ervoor zorgt dat de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, tijdens de uitvoering van de opdracht op dezelfde wijze is verzekerd als al zijn andere personeelsleden;
   10А de bepalingen, vermeld in artikel 8 tot en met 10 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
   11А de duurtijd van de dienstverleningsovereenkomst.
   Ї 3. De onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, selecteert een werknemer om de opdracht uit te oefenen die in de dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, derde lid, is vastgelegd. De werknemer moet aan al de volgende voorwaarden voldoen:
   1А de werknemer is minstens drie jaren in dienst bij de onderneming of de organisatie;
   2А de werknemer is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven;
   3А de werknemer die ter beschikking wordt gesteld van een school die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, beschikt over de vereiste kennis van het Nederlands als onderwijstaal, wat blijkt uit het feit dat de werknemer het Nederlands beheerst op het niveau C1 van het Europees Referentiekader voor Talen. Die vereiste taalkennis blijkt uit het feit dat de werknemer minstens beschikt over een diploma dat in het Nederlands is behaald en dat toegang geeft tot een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarin hij een lesopdracht opneemt conform artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs;
   4А de werknemer beschikt over een diploma dat minstens een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is voor het wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel waarin hij een lesopdracht opneemt conform artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs.
   De onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, stelt de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor aan het schoolbestuur, dat controleert of de werknemer aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, voldoet en dat vervolgens beslist om de opdracht al of niet toe te kennen aan de voormelde werknemer. Het schoolbestuur bewaart de gegevens van de voormelde werknemer, vermeld in het eerste lid, 2А, 3А en 4А, die het door de voormelde controle verkrijgt op de wijze en gedurende de termijnen die het schoolbestuur al hanteert voor de gegevens van al zijn personeelsleden, conform de algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
   Ї 4. De individuele opdracht van de werknemer, vermeld in paragraaf 3, in de school wordt opgenomen in een deelovereenkomst conform het model van deelovereenkomst dat is opgenomen in het model van dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 1.
   In de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid, worden ook de specifieke afspraken opgenomen over de aanvangsbegeleiding en de ondersteuning waarop de werknemer, vermeld in het eerste lid, een beroep kan doen in de school waar hij zijn lesopdracht opneemt.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, blijft tijdens de uitvoering van de overeengekomen opdracht altijd onder het gezag van zijn onderneming of organisatie. Het schoolbestuur kan aan de voormelde werknemer in het kader van de uitvoering van de concrete lesopdracht instructies geven. De bepalingen over die instructies worden opgenomen in een bijlage bij de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, behoudt tijdens de uitvoering van de opdracht in de school het salaris waar hij bij zijn onderneming of organisatie recht op heeft, en ook alle daarbij horende financiыle en extralegale voordelen.
   De dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, regelt de algemene rechtsverhouding tussen het schoolbestuur en de onderneming of organisatie voor de duur van de overeengekomen opdracht. Bij een tegenstrijdigheid of afwijking hebben de bepalingen van de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid, voorrang op de bepalingen van de dienstverleningsovereenkomst. De bepalingen van een recentere deelovereenkomst als vermeld in het eerste lid, hebben altijd voorrang op die van een vorige deelovereenkomst.
   De werknemer, vermeld in het eerste lid, is in het kader van de lesopdracht die hij in de school opneemt ambtshalve stemgerechtigd lid van de klassenraad. Tussen de school en de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, worden praktische afspraken gemaakt over het functioneren van de voormelde werknemer in de klassenraad, met inbegrip van het al dan niet aanwezig zijn van de voormelde werknemer op klassenraadsvergaderingen. Die afspraken worden opgenomen in de deelovereenkomst.
   In het zesde lid wordt verstaan onder klassenraad: de begeleidende klassenraad of de delibererende klassenraad.
   Ї 5. De Vlaamse Regering kan subsidies toekennen aan een externe organisatie of bedrijf om in het kader van het lerarentekort tussen schoolbesturen en ondernemingen of organisaties een bemiddelende of coachende rol op te nemen.
   Ї 6. De maatregelen vervat in dit artikel worden geыvalueerd tijdens [2 het schooljaar 2025-2026 en 2029-2030]2.]1

  
Art. 308/4. [1 § 1er. En cas de pénurie de personnel enseignant sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser une partie de l'encadrement du personnel enseignant d'une ou de plusieurs de ses écoles, pour une durée maximale d'une année scolaire à la fois, afin d'employer dans cette ou ces écoles, par le biais d'un contrat de services entre l'autorité scolaire et une organisation ou entreprise du secteur public ou privé, un ou plusieurs employés de cette organisation ou entreprise. Le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas aux employés précités.
   Dans le mode d'affectation de l'encadrement du personnel enseignant, visé à l'alinéa 1er, l'autorité scolaire qui engage le membre du personnel peut convertir des périodes-professeur d'une ou de plusieurs de ses écoles, visées à l'alinéa 1er, en crédit à concurrence de la mission d'enseignement ou des missions d'enseignement qui ont été fixées dans le contrat de services. Le crédit précité est affecté comme intervention financière pour l'entreprise ou l'organisation, visée à l'alinéa 1er, qui met un ou plusieurs travailleurs à la disposition de l'autorité scolaire. Pour l'intervention financière précitée, l'autorité scolaire affecte des heures de cours provenant du capital périodes, visé aux articles 298 et 300, qui a été attribué à l'école.
   Le Gouvernement flamand détermine le montant qu'une autorité scolaire peut convertir par heure de cours en crédit et le mode de notification de la conversion précitée au service compétent de l'administration. L'autorité scolaire autorise le service compétent de l'administration à verser l'intervention financière précitée directement à l'organisation ou l'entreprise, visée à l'alinéa 1er, avec laquelle l'autorité scolaire conclut un contrat de services.
   Le Gouvernement flamand établit un modèle de contrat de services, en tenant compte des conditions, visées à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise d'e travailleurs à la disposition d'utilisateurs. Dans le contrat de services précité, tous les éléments suivants sont repris :
   1° la mission spécifique de l'employé, visé à l'alinéa 1er, dans l'école ;
   2° les conditions de désignation et de travail applicables à l'employé, visé à l'alinéa 1er, dont le salaire et les avantages financiers dont l'employé précité bénéficie dans son entreprise ou organisation sont garantis par l'entreprise ou l'organisation d'origine ;
   3° la formation que l'employé, visé à l'alinéa 1er, doit avoir suivie ;
   4° les obligations que l'employé, visé à l'alinéa 1er, doit respecter dans l'exercice de sa mission Les obligations précitées stipulent expressément que l'employé précité reste toujours sous l'autorité de son organisation ou entreprise, sauf s'il s'agit d'obligations qui ont trait au bien-être au travail ou d'instructions spécifiques indispensables à la bonne exécution de la mission spécifique ;
   5° la durée du contrat de services ;
   6° les possibilités de cessation anticipée du contrat de services.
   Les employés, visés à l'alinéa 1er, doivent remplir les conditions de désignation qui sont reprises par le Gouvernement flamand dans le modèle de contrat de services, visé à l'alinéa 4. Les employés, tels que visés à l'alinéa 1er, qui sont mis à la disposition d'une école située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontrent en outre qu'ils maîtrisent la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Les employés prouvent cette connaissance linguistique requise de l'une des manières suivantes :
   1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
   2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
   § 2. La pénurie de personnel enseignant sur le marché du travail, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire de l'école où elle veut engager l'employé d'une organisation ou entreprise, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
   Pour pourvoir la vacance, visée à l'alinéa 1er, l'autorité scolaire de l'école conclut un contrat de services avec l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er. Le contrat de services précité reprend les accords concernant la mise à disposition d'un employé de l'entreprise ou de l'organisation pour une mission spécifique et la période de la mise à disposition. Le contrat de services régit toujours une mission d'enseignement qui comprend les tâches suivantes :
   1° la planification et la préparation des cours ;
   2° l'enseignement proprement dit ;
   3° l'encadrement des élèves spécifique à la classe ;
   4° l'évaluation des élèves ;
   5° la consultation et la coopération avec la direction, les collègues et, le cas échéant, le centre d'encadrement des élèves, les centres de soutien à l'apprentissage et les parents.
   L'autorité scolaire et l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, concluent un contrat de services, tel que visé au paragraphe 1er. Le contrat de services contient les dispositions et conditions suivantes concernant l'exécution de la mission visée à l'alinéa 2 :
   1° les données de l'autorité scolaire agissant en tant que donneur d'ordre et les données de l'entreprise ou de l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, agissant en tant que preneur d'ordre ;
   2° les coordonnées des mandataires désignés par les deux parties ;
   3° la mission qui est convenue, le mode d'exécution de cette mission et le soutien auquel l'employé a droit pendant cette exécution et qui est proposée par l'école ;
   4° les conditions à remplir par l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, mis à disposition par l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, stipulant explicitement que l'employé reste sous l'autorité de l'entreprise ou de l'organisation, sauf s'il s'agit d'instructions données par l'autorité scolaire à l'employé dans le cadre de l'exécution de la mission, qui sont incluses dans la sous-convention ;
   5° les obligations financières et sociales à l'égard de l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, qui restent à charge de l'entreprise ou organisation ;
   6° l'intervention financière payée par l'autorité scolaire à l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et les modalités de paiement ;
   7° des dispositions relatives à la confidentialité auxquelles s'engage l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, en vue de l'exécution de la mission. Les dispositions précitées stipulent en tous les cas que l'employé de l'entreprise ou de l'organisation doit respecter le secret professionnel de l'enseignement ;
   8° des dispositions sur la propriété intellectuelle par lesquelles l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, accepte notamment que tous les droits d'auteur ou autres droits de propriété intellectuelle sur les oeuvres réalisées dans le cadre de l'exécution de la mission soient transférés à l'autorité scolaire et qui peuvent inclure des accords sur l'utilisation éventuelle de cette propriété intellectuelle dans l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er ;
   9° des dispositions sur la responsabilité dans l'exécution de la mission, qui prévoient dans tous les cas que l'autorité scolaire veille à ce que l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, soit assuré de la même manière que tous ses autres employés pendant l'exécution de la mission ;
   10° des dispositions, visées aux articles 8 à 10 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ;
   11° la durée du contrat de services.
   § 3. L'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, sélectionne un employé pour exercer la mission qui a été fixée dans le contrat de services, visé au paragraphe 2, alinéa 3. L'employé doit réunir les conditions suivantes :
   1° l'employé est au moins depuis trois ans en service dans l'entreprise ou l'organisation ;
   2° l'employé a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation ;
   3° l'employé qui est mis à la disposition d'une école située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, a la connaissance requise du néerlandais comme langue d'enseignement, ce qui est attesté par le fait que l'employé maîtrise le néerlandais au niveau C1 du Cadre européen de référence pour les langues. Cette connaissance linguistique requise est attestée par le fait que l'employé possède au moins un diplôme obtenu en néerlandais, qui donne accès à la fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dans le cadre de laquelle il assume une mission d'enseignement conformément à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire dans l'enseignement spécial ;
   4° l'employé possède au moins un diplôme qui est un titre jugé suffisant pour la fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant dans le cadre de laquelle il assume une mission d'enseignement conformément à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire dans l'enseignement spécial.
   L'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, propose l'employé, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, à l'autorité scolaire, qui contrôle si l'employé remplit les conditions, visées à l'alinéa 1er, et qui décide ensuite de confier la mission ou non à l'employé précité. L'autorité scolaire conserve les données de l'employé précité, visé à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, qu'elle obtient par le biais du contrôle précité, de la manière et pendant les délais déjà appliqués par l'autorité scolaire pour les données de tous ses membres du personnel, conformément au règlement général sur la protection des données (RGPD).
   § 4. La mission individuelle de l'employé, visée au paragraphe 3, dans l'école est incluse dans une sous-convention conformément au modèle de sous-convention inclus dans le modèle de contrat de services, visé au paragraphe 1er.
   La sous-convention, visée à l'alinéa 1er, contient également les accords spécifiques sur l'encadrement initial et le soutien auxquels l'employé, visé à l'alinéa 1er, peut faire appel dans l'école où il assume sa mission d'enseignement.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, reste toujours sous l'autorité de son entreprise ou organisation pendant l'exécution de la mission convenue. L'autorité scolaire peut donner des instructions à l'employé précité dans le cadre de l'exécution de la mission d'enseignement concrète. Les dispositions relatives à ces instructions figurent dans une annexe de la sous-convention, visée à l'alinéa 1er.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, conserve le salaire auquel il a droit dans son entreprise ou organisation pendant l'exécution de la mission dans l'école, ainsi que tous les avantages financiers et extralégaux y afférents.
   Le contrat de services, visé au paragraphe 2, régit la relation juridique générale entre l'autorité scolaire et l'entreprise ou l'organisation pour la durée de la mission convenue. En cas de contradiction ou de dérogation, les dispositions de la sous-convention, visée à l'alinéa 1er, prévalent sur les dispositions du contrat de services. Les dispositions d'une sous-convention plus récente, telle que visée à l'alinéa 1er, prévalent toujours sur celles d'une sous-convention antérieure.
   L'employé, visé à l'alinéa 1er, est membre de droit du conseil de classe avec droit de vote dans le cadre de la mission d'enseignement qu'il assume dans l'école. Des accords pratiques sont convenus entre l'école et l'entreprise ou l'organisation, visée au paragraphe 1er, sur le fonctionnement de l'employé précité dans le conseil de classe, y compris la présence ou non de l'employé précité aux réunions du conseil de classe. Ces accords sont repris dans la sous-convention.
   A l'alinéa 6, on entend par conseil de classe, le conseil de classe accompagnateur ou le conseil de classe délibérant.
   § 5. Dans le cadre de la pénurie d'enseignants, le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions à une organisation ou entreprise externe pour assumer un rôle de médiation ou de coach entre des autorités scolaires et des entreprises ou organisations.
   § 6. Les mesures, contenues dans le présent article, seront évaluées pendant [2 les années scolaires 2025-2026 et 2029-2030]2.]1

  
Art. 308/5. [1 De aanwending van het wekelijks lesurenpakket, vermeld in deze afdeling, kan [2 tijdens de schooljaren 2025-2026 tot en met 2029-2030]2 ook plaatsvinden voor het inzetten van een gastleraar en dit voor een maximum van een derde van de lesuren van de wekelijkse lessentabel van de betrokken opleidingsvorm. Het aantal vacante lesuren dat aan gastleraren kan worden besteed, wordt door het schoolbestuur vastgelegd na onderhandeling in het lokaal comitщ.
   Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de school. Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, geeft in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, gastlessen in de school of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.
   Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde gastleraar die gastlessen geeft in een school die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde gastleraar bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1А met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2А met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3А met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4А met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   Bij de wijze van aanwending, vermeld in het eerste lid, worden lesuren omgezet in een krediet ten belope van de lesopdracht van de gastleraar. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per lesuur dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.
   De maatregelen, vermeld in deze paragraaf, worden geëvalueerd tijdens [2 het schooljaar 2025-2026 en 2029-2030]2.]1

  
Art. 308/5. [1 Le capital périodes hebdomadaire, visé à la présente section, peut également être utilisé [2 pendant les années scolaires 2025-2026 à 2029-2030]2 pour l'engagement d'un enseignant invité et ce pour un maximum d'un tiers des heures de cours de la grille horaire hebdomadaire de la forme d'enseignement concernée. Le nombre d'heures de cours vacantes pouvant être affectées à des enseignants invités, est fixé par l'autorité scolaire après négociation dans le comité local.
   Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, est une personne qui ne fait pas partie de l'autorité scolaire ou du personnel de l'école. Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, donne en nom propre ou au service d'une organisation ou entreprise du secteur public ou privé des cours d'invité dans l'école ou à un autre endroit dans le cadre de la réalisation du programme d'enseignement et sur la base de son expertise ou expérience en ce qui concerne le marché du travail et le monde des affaires.
   Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation. De plus, l'enseignant invité précité qui donne des cours d'invité dans une école située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontre qu'il maîtrise la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. L'enseignant invité précité prouve la connaissance linguistique requise précitée de l'une des manières suivantes :
   1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
   2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
   Dans le mode d'affectation, visé à l'alinéa 1er, des heures de cours sont converties en crédit à concurrence de la mission d'enseignement de l'enseignant invité. Le Gouvernement flamand détermine le mode de notification de la conversion précitée au service compétent désigné par le Gouvernement flamand, le montant du crédit par heure de cours qui est convertie et le mode d'attribution du crédit.
   Les mesures, visées au présent paragraphe, seront évaluées pendant [2 les années scolaires 2025-2026 et 2029-2030]2. ]1

  
Onderafdeling 3. - Paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel
Sous-section 3. - Personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique
Art. 309. § 1. In de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs bevat :
  1° de categorie van het paramedisch personeel de ambten van verpleger, kinesitherapeut, logopedist, kinderverzorger en ergotherapeut;
  2° de categorie van het sociaal personeel het ambt van maatschappelijk werker;
  3° de categorie van het medisch personeel het ambt van arts;
  4° de categorie van het psychologisch personeel het ambt van psycholoog;
  5° de categorie van het orthopedagogisch personeel het ambt van orthopedagoog.
  § 2. Het volume van het aantal betrekkingen van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel in het buitengewoon secundair onderwijs wordt bepaald volgens de in deze onderafdeling vermelde normen.
  § 3. De leerlingen die in aanmerking komen zijn regelmatige leerlingen overeenkomstig [1 de artikelen 291 tot en met 295]1 en die als regelmatige leerlingen ingeschreven waren op 1 februari van het voorafgaande schooljaar.
  In afwijking hiervan is 1 oktober van het lopende schooljaar de teldatum :
  - voor nieuwe scholen die worden opgenomen in de financiering of subsidiëring;
  - voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm.
  [2 Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. [3 In afwijking van de voorgaande zin is met toepassing van artikel 290/2 voor de opname in de financiering of de subsidiering de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de drie daaropvolgende schooljaren.]3
   In geval van oprichting van een nieuw type, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar.]2
[3 Als het nieuwe type met toepassing van artikel 290/2 pas na de eerste lesdag van oktober wordt opgericht, blijft de teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar.]3
  Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. (308)
  
Art. 309. § 1. Dans les écoles d'enseignement secondaire spécial, la catégorie :
  1° du personnel paramédical comprend les fonctions d'infirmier, de kinésithérapeute, de logopède, de puériculteur et d'ergothérapeute;
  2° du personnel social comprend la fonction d'assistant social;
  3° du personnel médical comprend la fonction de médecin;
  4° du personnel psychologique comprend la fonction de psychologue;
  5° du personnel orthopédagogique comprend la fonction d'orthopédagogue.
  § 2. Le volume des emplois des personnels paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial est déterminé selon les normes fixées par la présente sous-section.
  § 3. Les élèves admissibles sont les élèves réguliers conformément [1 aux articles 291 à 295]1 et qui étaient inscrits comme des élèves réguliers au 1er février de l'année scolaire précédente.
  Par dérogation à ce qui précède, le 1er octobre de l'année scolaire en cours est la date de comptage :
  - pour les nouvelles écoles qui sont reprises dans le financement ou le subventionnement;
  - pour les écoles existantes qui sont impliquées dans une restructuration, ou bien par une fusion, ou bien par la reprise dans le financement ou le subventionnement ou la suppression ou la transformation d'une forme d'enseignement.
  [2 Lors de la reprise dans le financement ou le subventionnement, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours et des deux années scolaires suivantes. [3 Par dérogation à la phrase précédente, pour l'admission au financement ou au subventionnement, la date de comptage est, en application de l'article 290/2, le 1er octobre de l'année scolaire en cours et des trois années scolaires suivantes.]3
   Dans le cas d'une création d'un nouveau type, ainsi que dans le cas d'une fusion, suppression d'une forme d'enseignement ou transformation, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours.]2
[3 Si, en application de l'article 290/2, le nouveau type n'est créé qu'après le premier jour de classe d'octobre, la date de comptage reste le 1er février de l'année scolaire précédente.]3
  Cette date de comptage est chaque fois applicable à l'ensemble de l'école en question. (308)
  
Art. 310. In afwijking op artikel 309, § 3, komen niet in aanmerking de leerlingen, die hetzij :
  a) [1 ...]1
  b)[2 ...]2;
  c) in een medische instelling of ziekenhuis verblijven en buitengewoon onderwijs van type 5 volgen;
  d) tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd. (309)
  
Art. 310. Par dérogation à l'article 309, § 3, ne sont pas admissibles les élèves qui :
  a) [1 ...]1
  b) [2 ...]2;
  c) résident dans un établissement médical ou un hôpital et suivent l'enseignement spécial de type 5;
  d) qui suivent une rééducation pendant les heures de classe ou subis sent des traitements thérapeutiques dans une des disciplines figurant au cadre du personnel dans l'enseignement, assurés par des personnes dont la fonction n'est financée ou subventionnée ni par l'enseignement ni par l'aide sociale. (309)
  
Art. 311. § 1. Het volume van de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel in de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs wordt vastgelegd door een urenpakket.
  § 2. De uren volgens de richtgetallen worden bepaald door het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op 1 februari van het voorgaande schooljaar, met uitzondering van de leerlingen die vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982, per type te vermenigvuldigen met de volgende richtgetallen :
  - [1 type basisaanbod]1 : 0,5
  - type 2 : 1,5
  - type 3 : 1,3
  - type 4 : 3,5
  - type 6 : 1,5
  - type 7 : [1 1,6]1
  [1 - type 9: 1,3.]1
  
Art. 311. § 1. Le volume des emplois financés ou subventionnés par la Communauté flamande des personnels paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans les écoles d'enseignement secondaire spécial est fixé par un capital-heures.
  § 2. Les heures selon les nombres guides sont déterminés en multipliant pour chaque type le nombre d'élèves réguliers inscrits au 1er février de l'année scolaire précédente, à l'exception des élèves auxquels s'applique l'arrêté royal n° 184 du 30 décembre 1982, par les nombres guides suivants :
  - [1 type offre de base]1 : 0,5
  - type 2 : 1,5
  - type 3 : 1,3
  - type 4 : 3,5
  - type 6 : 1,5
  - type 7 : [1 1,6]1
  [1 - type 9 : 1,3.]1 (310)
  
Art. 312. § 1. In afwijking op de bepalingen van deze onderafdeling en met het oog op bijzondere omstandigheden kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, extra lesuren of uren toekennen aan de scholen.
  § 2. Met ingang van 1 september 1989 kan het aantal lesuren of uren globaal niet meer bedragen dan [4 0,475]4 % van het totaal aantal lesuren en uren dat het voorgaand schooljaar werd toegekend aan respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het officieel gesubsidieerd onderwijs en het vrij gesubsidieerd onderwijs. Voor de berekening van het aantal extra lesuren of -uren gebeurt de omrekening van de voltijdse ambten naar lesuren of uren op basis van de minimumprestaties eigen aan ieder ambt.
  § 3. [4 ...]4
  § 4. [4 ...]4
  
Art. 312. § 1. Par dérogation aux dispositions de la présente sous-section et en vue des circonstances exceptionnelles, le Ministre flamand chargé de l'enseignement peut attribuer des heures de cours supplémentaires ou des heures supplémentaires aux écoles.
  § 2. A partir du 1er septembre 1989, le nombre d'heures de cours ou d'heures ne peut excéder globalement [4 0,475]4 % du nombre total d'heures de cours et d'heures qui était attribué l'année scolaire précédente respectivement à l'enseignement communautaire, l'enseignement subventionné officiel et l'enseignement subventionné libre. Pour le calcul du nombre d'heures de cours supplémentaires ou d'heures supplémentaires, la conversion d'emplois à temps plein vers des heures de cours ou des heures se fait sur la base des prestations minimum propres à chaque emploi.
  § 3. [4 ...]4
  § 4. [4 ...]4
  
Art. 313. § 1. Een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan het gedeelte van het urenpakket dat zij niet aanwendt overdragen naar het daaropvolgend schooljaar, mits te voldoen aan alle volgende voorwaarden :
  1° de overdracht wordt beperkt tot twee procent van het aanwendbare urenpakket van dat bepaalde schooljaar;
  2° de niet georganiseerde uren moeten uiterlijk 1 november van het lopende schooljaar worden vastgelegd met het oog op overdracht naar het daaropvolgende schooljaar;
  3° de overgedragen uren kunnen enkel in het daaropvolgend schooljaar worden aangewend;
  4° voor het lopende schooljaar bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten, geen aanvraag hebben ingediend met het oog op het bekomen van extra uren.
  De overdracht van uren naar een volgend schooljaar is bovendien slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school op eer verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking moet uitspreken. Het niet naleven van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.
  In de naar een volgend schooljaar overgedragen uren kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.
  Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten moet het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer afleggen die ertoe strekt dat in bedoelde uren geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het niet naleven van deze bepalingen heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten opzichte van de overheid.
  § 2. Binnen hetzelfde net kunnen [1 ...]1 tot uiterlijk 1 november uren van een school naar een andere school worden overgedragen.
  Deze overdracht is slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school die de uren overdraagt, op eer verklaart dat het gedurende dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het medisch, paramedisch, psychologisch, maatschappelijk of orthopedagogisch personeel moet uitspreken.
  Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten moet het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer afleggen die ertoe strekt dat zij deze bepalingen in acht neemt bij de overdracht. De niet-naleving ervan heeft tot gevolg dat nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het medisch, paramedisch, psychologisch, maatschappelijk of orthopedagogisch personeel geen uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.
  In de overgedragen uren kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.
  Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten moet het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer afleggen die ertoe strekt dat in bedoelde lesuren geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving ervan heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de overheid.
  Indien een schoolbestuur van een school haar vastbenoemd personeel van deze school op datum van 30 juni van het voorgaande schooljaar behoudt op 1 september bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of indien personeelsleden op 1 september gereaffecteerd of werdertewerkgesteld zijn in een andere school, is overdracht wel mogelijk. (312)
  
Art. 313. § 1. Une école d'enseignement secondaire spécial peut transférer à l'année scolaire suivante la partie du capital-heures de cours qu'elle n'affecte pas pendant l'année en cours, pourvu qu'il satisfasse aux conditions suivantes :
  1 ° le transfert est limité à deux pour cent du capital-heures utilisable de l'année scolaire en question;
  2° les périodes non organisées doivent être fixées au plus tard le 1er novembre de l'année scolaire en cours en vue du transfert à l'année scolaire suivante;
  3° les heures transférées ne peuvent être utilisées que pendant l'année scolaire suivante;
  4° aucune demande visant à obtenir de nouvelles heures supplémentaires pour l'année scolaire en cours n'est introduite auprès de l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten".
  De plus, il ne peut être procédé au transfert d'heures à une année scolaire suivante que si l'autorité scolaire intéressée de l'école déclare sur l'honneur qu'au cours de cette année scolaire aucune mise en disponibilité nouvelle ou supplémentaire par défaut d'emploi ne s'impose dans l'école en question conformément à la réglementation en vigueur. Le non-respect de cette disposition a pour conséquence qu'une mise en disponibilité par défaut d'emploi ne produit pas ses effets vis-à-vis de l'autorité.
  Aucun membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif dans les heures transférées à une année scolaire suivante.
  En vue du contrôle par l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten", l'autorité scolaire intéressée est tenue de déclarer sur l'honneur qu'elle n'accordera pas de nomination définitive aux personnels dans les heures en question. Le non-respect de ces dispositions a pour conséquence que les nominations à titre définitif ne peuvent pas produire leurs effets vis-à-vis de l'autorité.
  § 2. [1 ...]1 des heures peuvent être transférées d'une école à l'autre au sein d'un même réseau jusqu'au 1er novembre au plus tard.
  Ce transfert ne peut s'effectuer que si l'autorité scolaire intéressée de l'école qui transfère les heures déclare sur l'honneur qu'au cours de cette année scolaire aucune mise en disponibilité nouvelle ou supplémentaire par défaut d'emploi ne doit être prononcée dans la catégorie des personnels médical, paramédical, psychologique, social ou orthopédagogique dans l'école en question conformément à la réglementation en vigueur.
  En vue du contrôle par l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten", l'autorité soclaire intéressée est tenue de déclarer sur l'honneur qu'elle respectera ces dispositions lors du transfert. Le non-respect de ces dispositions a pour conséquence que les nouvelles mises en disponibilité ou les mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie des personnels médical, paramédical, psychologique, social ou orthopédagogique ne produisent pas d'effets vis-à-vis de l'autorité.
  Les personnels ne peuvent être nommés à titre définitif dans les périodes transférées.
  En vue du contrôle par l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten", l'autorité scolaire intéressée est tenue de déclarer sur l'honneur qu'elle n'accordera pas de nomination définitive aux personnels dans les heures de cours en question. Le non-respect de ces dispositions a pour conséquence que les nominations à titre définitif ne produisent pas d'effets vis-à-vis de l'autorité.
  Si une autorité scolaire d'une école maintient par voie de réaffectation ou remise au travail au 1er septembre ses personnels nommés à titre définitif dans cette école à la date du 30 juin de l'année scolaire précédente ou si les personnels sont réaffectés ou remis au travail au 1er septembre dans une autre école, le transfert est toutefois possible. (312)
  
Art. 314. Maximum 3 % van het urenpakket en van het lesurenpakket kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (313)
Art. 314. Au maximum 3% du capital-heures et du capital-heures de cours peuvent être utilisés pour des heures qui ne sont pas des heures de cours et sont organisées sous forme de charges pédagogiques particulières. Ce maximum ne s'applique pas à l'enseignement secondaire professionnel spécial qui est organisé suivant le régime modulaire ou sous forme d'une formation professionnelle en alternance. Le maximum peut être dépassé après l'accord du comité local compétent en matière de conditions de travail et d'affaires du personnel. (313)
Onderafdeling 3/1.
Sous-section 3/1.
Onderafdeling 3/2. [1 - Waarborgregeling bij daling van het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs]1
Sous-section 3/2. [1 - Régime de garanties en cas de baisse du nombre d'élèves dans l'enseignement spécial]1
Art. 314/5. [1 § 1. Bij het realiseren van een relatieve minderkost in het buitengewoon secundair onderwijs ten opzichte van het referentieschooljaar [3 2014-2015]3, worden per schooljaar de vrijgekomen middelen, via enveloppefinanciering, ingezet voor de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs.
   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de berekening van de enveloppe en houdt voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en over de scholen minstens rekening met de volgende principes:
   1° de vastgestelde verschuivingen van leerlingen van het buitengewoon naar het gewoon secundair onderwijs als gevolg van effectieve terugkeer uit of verminderde instroom in het buitengewoon secundair onderwijs voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De regering houdt hierbij ook rekening met de demografie;
   2° de relatieve aanwezigheid van leerlingen met een verslag als vermeld in artikel 352 of 294 voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor gewoon secundair onderwijs;
   3° de vastgestelde verschuivingen in de leerlingenpopulaties van de opleidingsvormen en types voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt tevens de wijze waarop en de ambten waarin de middelen uit de enveloppe kunnen worden ingezet voor uitbreiding van zorg in de scholen voor gewoon secundair onderwijs of voor versterking van het onderwijs en de zorg in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs en voor welke leerlingen deze middelen kunnen worden aangewend.]1

  
Art. 314/5. [1 § 1er. Lorsqu'il est réalisé un moindre coût relatif dans l'enseignement secondaire spécial par rapport à l'année scolaire de référence [3 2014-2015]3, les moyens libérés sont affectés, par année scolaire, par le biais d'un financement par enveloppes, à l'appui d'élèves à besoins éducatifs spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial.
   § 2. Le Gouvernement flamand détermine la procédure pour le calcul de l'enveloppe et tient au moins compte des principes suivants pour la répartition de l'enveloppe entre l'enseignement secondaire ordinaire et spécial et parmi les écoles :
   1° les glissements constatés d'élèves de l'enseignement secondaire spécial à l'enseignement secondaire ordinaire découlant du retour effectif de l'enseignement secondaire spécial ou de l'afflux réduit dans l'enseignement secondaire spécial pour la répartition de l'enveloppe entre l'enseignement secondaire ordinaire et spécial. A cet égard, le gouvernement tient également compte de la démographie ;
   2° la présence relative d'élèves disposant d'un rapport tel que visé à l'article 352 ou 294 pour la répartition de l'enveloppe parmi les écoles d'enseignement secondaire ordinaire ;
   3° les glissements constatés dans les populations d'élèves des formes d'enseignement et types pour la répartition de l'enveloppe parmi les écoles d'enseignement secondaire spécial.
   § 3. Le Gouvernement flamand détermine également la façon dont et les fonctions dans lesquelles les moyens de l'enveloppe peuvent être affectés à l'élargissement de l'encadrement dans les écoles d'enseignement secondaire ordinaire ou au renforcement de l'enseignement et de l'encadrement dans les écoles d'enseignement secondaire spécial, ainsi que les élèves pour lesquels ces moyens peuvent être utilisés.]1

  
Onderafdeling 3/3.
Sous-section 3/3.
Onderafdeling 3/4.
Sous-section 3/4.
Onderafdeling 4. - Plage uren
Sous-section 4. - Heures de plage
Art. 315. Artikel 216, § 5, is eveneens van toepassing in de scholen van het buitengewoon secundair onderwijs. (314)
Art. 315. L'article 216, § 5, est également d'application aux écoles d'enseignement secondaire spécial. (314)
Onderafdeling 5. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen
Sous-section 5. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation
Art. 317. § 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden de volgende indicatoren, verder genoemd " gelijkekansenindicatoren " :
  1° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
  2° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximaal één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.
  § 2. Het beantwoorden aan de in § 1 vermelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders. De Vlaamse Regering legt de procedure vast waarmee de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen aan een of meer van de gelijkekansindicatoren beantwoorden, worden ten minste vijf jaar bewaard op school.
  § 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Het hoogste gewicht wordt toegekend aan de in § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. De in § 1, 2°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met de andere gelijkekansenindicator. (316)
Art. 317. § 1. Pour l'application de la présente sous-section, les indicateurs suivants, dénommés ci-après 'indicateurs d'égalité des chances' sont applicables :
  1 ° la mère n'est pas titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire, d'un certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel ou d'un certificat équivalent;
  2° la langue que l'élève parle dans la famille, c.-à-d. la langue qu'il parle avec sa mère, son père, ses frères ou soeurs n'est pas le néerlandais. Cette langue n'est pas le néerlandais si l'élève ne le parle avec personne dans la famille ou si l'élève le parle avec au maximum un membre dans une famille de trois membres (outre l'élève). L'ensemble des frères et soeurs est considéré comme un membre de famille.
  § 2. Moyennant une déclaration sur l'honneur des parents, il est démontré qu'il est satisfait aux indicateurs d'égalité des chances cités au § 1er. Le Gouvernement fixe la procédure de communication des données au Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. A cet effet, il tient compte de la réglementation en vigueur dans le domaine de la protection de la vie privée.
  Les documents ou déclarations démontrant que les élèves satisfont à un ou plusieurs des indicateurs d'égalité des chances, sont gardés dans l'école pendant au moins cinq ans.
  § 3. Le Gouvernement flamand accorde une pondération à chaque indicateur d'égalité des chances. La pondération la plus élevée est attribuée à l'indicateur d'égalité des chances visé au § 1er, 1 °. L'indicateur d'égalité des chances visé au § 1er, 2°, est uniquement pondéré en combinaison avec les autres indicateurs d'égalité des chances. (316)
Art. 318. [1 Scholen kunnen jaarlijks extra lesuren krijgen voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:
   1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 40% regelmatige leerlingen type basisaanbod en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 317, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator en die niet:
   - binnen het niet rechtstreeks toegankelijke aanbod, als vermeld in artikel 2, § 1, [2 40А,]2, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp gebruik maken van de module verblijf in een multifunctioneel centrum als vermeld in [2 artikel 10, § 1, 1А, en §2]2 het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
   - [3 ...]3;
   2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 319 batig gerangschikt zijn onder de in punt 1° bedoelde scholen en ten minste 6 extra lesuren genereren.]1

  
Art. 318. [1 Les écoles peuvent recevoir des heures de cours supplémentaires chaque année si elles remplissent toutes les conditions ci-dessous :
   1° compter, au 1er février de l'année scolaire précédente ou celle la précédant encore, au moins 40 % d'élèves réguliers de type offre de base et de type 3, qui satisfont à l'indicateur d'égalité des chances visé à l'article 317, § 1er, 1°, et qui :
   - dans l'offre directement accessible, telle que visée à l'article 2, § 1er, [2 40]2, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, n'ont pas recours au module séjour dans un centre multifonctionnel, tel que visé à [2 l'article 10, § 1er, 1°, et § 2, de]2 l'arrêté du Gouvernement flamand 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
   - [3 ...]3;
   2° être classées favorablement parmi les écoles visées au 1° conformément aux dispositions de l'article 139 et générer au minimum six heures de cours supplémentaires.]1

  
Art. 319. § 1. [2 Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gebeurt de toekenning van de extra lesuren jaarlijks als volgt]2 :
  1° de in artikel 318 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan de in artikel 317, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absolute aantal van die leerlingen gerangschikt;
  2° de leerlingen genereren een aantal punten op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra lesuren een punt vertegenwoordigt.
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  § 3. [1 ...]1
  
Art. 319. § 1. [2 Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'octroi des heures de cours supplémentaires se fait annuellement de la façon suivante]2 :
  1° les écoles visées à l'article 318 sont classées suivant le pourcentage d'élèves répondant à l'indicateur d'égalité des chances visé à l'article 317, § 1er, 1°. A l'intérieur d'un même pourcentage, les écoles sont classées suivant le nombre absolu de ces élèves;
  2° les élèves génèrent un nombre de points sur la base de la pondération des indicateurs d'égalité des chances qui leur sont applicables.
  § 2. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand définit combien de heures de cours supplémentaires correspondent à un point.
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  § 3. [1 ...]1
  
Art. 320. [1 De extra lesuren kunnen enkel worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op gelijke onderwijskansen als vermeld in artikel 123/21 en op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad.]1
  
Art. 320. [1 Les heures de cours supplémentaires ne peuvent être utilisées que pour permettre à l'équipe de l'école d'apporter un encadrement approprié à chaque élève en vue de l'égalité des chances dans l'enseignement visée à l'article 123/21 et de répondre aux attentes de qualité telles que définies dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement établi par le Gouvernement flamand. Pour ce faire, l'école définit ses propres objectifs, indicateurs et calendrier.]1
  
Art. 322. [1 De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van [2 de extra lesuren, vermeld in artikel 318 tot en met 320 van deze codex,]2 gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]1
  
Art. 322. [1 L'évaluation externe de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement de l'école, y compris l'utilisation des [2 heures de cours supplémentaires visées aux articles 318 à 320 du présent code]2, se fait dans le cadre de l'audit de l'école tel que visé aux articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.]1
  
Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van de werking
Section 2. - Financement et subventionnement du fonctionnement
Onderafdeling 1. - Schoolkenmerken
Sous-section 1re. - Caractéristiques de l'école
Art. 323. Voor de toepassing van deze afdeling gelden volgende schoolkenmerken :
  a) het studiegebied en de onderwijsvorm in het gewoon onderwijs;
  b) het type in het buitengewoon onderwijs;
  c) [1 ...]1
  d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;
  e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen. (322)
  
Art. 323. Pour l'application de la présente section, les caractéristiques de l'école suivantes s'appliquent :
  a) la discipline et la forme d'enseignement dans l'enseignement ordinaire;
  b) le type dans l'enseignement spécial;
  c) [1 ...]1
  d) l'organisation d'un enseignement neutre, conformément à l'article 24, § 1er, deuxième alinéa, de la Constitution coordonnée, ci-après dénommé prélèvement 1 (V1);
  e) l'offre du choix entre l'enseignement d'une des religions reconnues et l'enseignement de la morale non confessionnelle, conformément à l'article 24, § 1er, quatrième alinéa, de la Constitution coordonnée, ci-après dénommé prélèvement 2 (V2). (322)
  
Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale werkingsbudget en de voorafnamen
Sous-section 2. - Fixation du budget total de fonctionnement et des prélèvements
Art. 324. § 1.[6 ...]6.
  § 2. De berekening van het werkingsbudget vanaf begrotingsjaar 2010 gebeurt als volgt :
  1° [6 ...]6;
  2° [6 ...]6;
  3° [4 Vanaf het begrotingsjaar 2017]4 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar;
  4° [5 ...]5
  § 3.[6 ...]6.
  Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
  De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :
  1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :
  a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 326, voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
  b) punten 0 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 326, voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
  2° A2 = Cx-1/(Cx-2), waarbij :
  a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
  b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
  De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
  3°[6 ...]6.
  [1 [6 ...]6]1
  [2 [6 ...]6;]2
  [3 [6 ...]6;
   7° [6 ...]6.]3

  § 4.[6 ...]6.
  
Art. 324. § 1er.[6 ...]6.
  § 2. Le budget de fonctionnement est calculé comme suit à partir de l'année budgétaire 2010 :
  1° [6 ...]6;
  2° [6 ...]6;
  3° [4 A partir de l'année budgétaire 2017]4, le budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire spécial est calculé sur la base des crédits qui sont inscrits au budget général des dépenses de la Communauté flamande de l'année budgétaire précédente comme budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire spécial, majorés de 60% des coûts salariaux des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif de l'enseignement communautaire secondaire spécial de l'année budgétaire précédente;
  [5 ...]5
  § 3.[6 ...]6.
  A partir de l'année budgétaire 2010, le montant obtenu en application du § 2 est multiplié par les coefficients d'adaptation A1 et A2.
  Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
  1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), où :
  a) punten 1 = le nombre total de points pour des caractéristiques de l'école, calculé en application de l'article 326, pour les élèves de l'enseignement secondaire spécial au 1er février de l'année scolaire précédente;
  b) punten 0 = le nombre total de points pour des caractéristiques de l'école, tel que calculé en application de l'article 326, pour les élèves de l'enseignement secondaire spécial au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
  2° A2 = Cx-1/(Cx-2), où :
  a) Cx-1 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1;
  b) Cx-2 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
  Le coefficient A2 est porté en compte pour 100%.
  3° [6 ...]6.
  [1 [6 ...]6.]1
  [2 [6 ...]6;]2
  [3 [6 ...]6;
   7° [6 ...]6.]3

  § 4.[6 ...]6
  
Art. 325. § 1. Van het werkingsbudget buitengewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 324, wordt een budget van 3 percent voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :
  V1 = B * lln-Neu * 3 % / (lln-tot+ lln-Neu * 3 %+ lln-LB * 4,5 %), waarbij :
  1° B = werkingsbudget, verkregen na de toepassing van artikel 324;
  2° lln-Neu = leerlingen van het buitengewoon secundair Gemeenschapsonderwijs;
  3° lln-tot = het totale aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs;
  4° lln-LB = leerlingen van het officieel buitengewoon secundair onderwijs.
  § 2. Van het werkingsbudget buitengewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 324, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :
  V2 = B * lln-LB * 4,5 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %).
  § 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B-SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule :
  B-SchK= B-V1-V2.
  In afwijking van het eerste lid wordt voor het begrotingsjaar 2010 het B-SchK bepaald door toepassing van volgende formule :
  B-SchK = GPP-SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 326, 1° en 2°, waarbij : GPP-SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009. (324)
Art. 325. § 1. Du budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire spécial, obtenu en application de l'article 324, un budget de 3% est prélevé pour les écoles qui répondent à la caractéristique de l'école V1. Ce prélèvement est calculé selon la formule suivante :
  V1 = B * lln-Neu * 3 % / (lln-tot + lln-Neu * 3%+ lln-LB * 4,5 %), où :
  1° B = le budget de fonctionnement obtenu par application de l'article 324;
  2° lln-Neu = les élèves de l'enseignement communautaire secondaire spécial;
  3° lln-tot = le nombre total d'élèves dans l'enseignement secondaire spécial;
  4° lln-LB = les élèves de l'enseignement secondaire officiel spécial.
  § 2. Du budget de fonctionnement pour l'enseignement secondaire spécial, obtenu en application de l'article 324, un budget de 4,5 % est prélevé pour les écoles qui répondent à la caractéristique de l'école V2. Ce prélèvement est calculé selon la formule suivante :
  V2 = B * lln-LB * 4,5 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %).
  § 3. Le budget de fonctionnement qui est réparti sur la base des caractéristiques de l'école, dénommé ci-après B-SchK, est fixé en appliquant la formule suivante :
  B-SchK= B-V1-V2.
  Par dérogation au premier alinéa, le B-SchK est fixé pour l'année budgétaire 2010 par application de la formule suivante :
  B-SchK = GPP-SchK2009 x le nombre total de points obtenu par application de l'article 326, 1° et 2°, GPP-SchK2009 est la valeur monétaire par point pour l'année budgétaire 2009, telle que fixée après le troisième contrôle budgétaire 2009. (324)
Onderafdeling 3. - Verdeling van het werkingsbudget voor schoolkenmerken
Sous-section 3. - Répartition des budgets de fonctionnement pour des caractéristiques de l'école
Art. 326. B-SchK, vermeld in artikel 325, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken, vermeld in artikel 323, met uitzondering van schoolkenmerk V1 en V2 :
  1° [3 voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld:]3
Art. 326. Le B-SchK, visé à l'article 325, § 3, est réparti comme suit sur les caractéristiques de l'école telles que visées à l'article 323 à l'exception de la caractéristique de l'école V1 et V2 :
  1° [2 pour les élèves de l'enseignement secondaire spécial, la pondération est déterminée comme suit :]2
Buitengewoon secundair onderwijs niet type 434 punten
  
Buitengewoon secundair onderwijs wel type 439 punten
  
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
(1)<DVR 2014-03-21/59, art. III.59, 015; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
(2)<DVR 2019-04-05/42, art. 93, 046; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
Buitengewoon secundair onderwijs niet type 434 punten
Buitengewoon secundair onderwijs wel type 439 punten
[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2(1)(2)
Enseignement secondaire spécial, n'étant pas du type 434 points
  
Enseignement secondaire spécial de type 439 points
  
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
[2 ...]2[2 ...]2
(1)<DCFL 2014-03-21/59, art. III.59, 015; En vigueur : 01-09-2014>
(2)<DCFL 2019-04-05/42, art. 93, 046; En vigueur : 01-09-2019>
Enseignement secondaire spécial, n'étant pas du type 434 points
Enseignement secondaire spécial de type 439 points
[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2[2 ...]2(1)(2)
  2° voor alle scholen wordt per categorie, vermeld in 1°, het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in artikel 169 tot en met 172, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;
  3° het B-SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP-SchK te noemen. (325)
  (3)
  2° pour toutes les écoles, est multiplié, par catégorie, visée au 1°, le nombre d'élèves comptés à la date de comptage mentionnée aux articles 169 à 172 inclus, par la pondération correspondante;
  3° le B-SchK est ensuite divisé par le nombre total de points à répartir. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école, ci-après dénommée GPP-SchK. (325)
  (2)
Art. 327. Het budget V1, vermeld in artikel 325, § 1, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW-V1 te noemen.
  Het budget V2, vermeld in artikel 325, § 2, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het buitengewoon officieel secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW-V2 te noemen. (326)
Art. 327. Le budget V1, visé à l'article 325, § 1er, est réparti comme suit : V1 est divisé par tous les élèves de l'enseignement communautaire secondaire spécial. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par élève pour la caractéristique de l'école V1, ci-après dénommée GW-V1.
  Le budget V2, visé à l'article 325, § 2, est réparti comme suit : V2 est divisé par tous les élèves de l'enseignement secondaire spécial officiel. Le quotient de cette division est la valeur monétaire par élève pour la caractéristique de l'école V2, ci-après dénommée GW-V2. (326)
Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsbudget per school
Sous-section 4. - Calcul du budget de fonctionnement par école
Art. 328. Het werkingsbudget per school wordt berekend op basis van schoolkenmerken. (327)
Art. 328. Le budget de fonctionnement par école est calculé sur la base des caractéristiques de l'école. (327)
Art. 329. § 1. [4 Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in artikel 169 tot en met 172, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerken, met uitzondering van schoolkenmerk V1, V2.]4
  § 2. Het werkingsbudget per school van het buitengewoon secundair onderwijs is de som van :
  1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP-SchK, vermeld in artikel 326, 3°;
  2° GW-V1, vermeld in artikel 327, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;
  3° GW-V2, vermeld in artikel 327, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school.
  § 3. Het budget, verkregen na de toepassing van § 1 en § 2, wordt voor het gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, waarbij :
  1° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en [2 vanaf 2017]2 met 100 percent van die loonkosten;
  2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen, vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 68.000 euro.
  Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 324;
  3° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, vermeerderd wordt met een transitiefonds dat in 2009 56.000 euro bedraagt en in 2010 19.000 euro.
  § 4. Het werkingsbudget verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs.
  Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de respectieve onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 267.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 324. Die cao-middelen worden verdeeld naar rata van het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van § 1.
  § 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. (328)
  [1 § 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet. ]1
  
Art. 329. § 1. [4 Par école, le nombre total de points est calculé en multipliant le nombre d'élèves comptés à la date de comptage mentionnée aux articles 169 à 172, par leur pondération pour les caractéristiques de l'école, à l'exception des caractéristiques de l'école V1, V2.]4
  § 2. Le budget de fonctionnement par école de l'enseignement secondaire spécial est la somme :
  1° du produit de la multiplication du nombre total de points par école par la GPP-SchK, telle que fixée à l'article 326, 3°;
  2° GW-V1, visée à l'article 327, multipliée par le nombre d'élèves dans l'école;
  3° GW-V2, visée à l'article 327, multipliée par le nombre d'élèves dans l'école.
  § 3. Le budget, obtenu en application des §§ 1er et 2, est octroyé annuellement, pour ce qui concerne l'enseignement communautaire, aux conseils d'administration des groupes d'écoles conformément aux dispositions de l'article 36, 2°, du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire, où :
  1° la somme du montant, obtenu en application du § 2, est réduite, pour l'ensemble des écoles de l'enseignement communautaire secondaire spécial, de 30 pour cent des coûts salariaux des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service de l'enseignement communautaire secondaire ordinaire jusqu'à l'année 2015 incluse, et respectivement de 60% en 2016 et de 100% de ces coûts salariaux [2 à partir de 2017]2;
  2° la somme du montant, obtenu en application du § 2, est majorée, pour l'ensemble des écoles de l'enseignement communautaire secondaire spécial, des moyens engagés pour l'augmentation du pécule de vacances à 92 % pour les membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service contractuels de l'enseignement communautaire, attribués en vertu de la CCT de l'enseignement applicable. Pour l'année budgétaire 2009, ce montant s'élève à 68 000 euros.
  A partir de l'année budgétaire 2010, ce montant est indexé annuellement par application du coefficient A2, tel que défini à l'article 324;
  3°la somme du montant, obtenu en application du § 2, est majorée d'un fonds de transition qui s'élève à 56.000 euros en 2009 et à 19.000 euros en 2010.
  § 4. Le budget de fonctionnement, obtenu par application du § 2, est octroyé annuellement, pour ce qui est de l'enseignement subventionné, aux autorités scolaires de l'enseignement subventionné.
  A cet effet, les moyens pour les autorités scolaires de l'enseignement libre subventionné sont majorés des moyens pour l'harmonisation des salaires des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service de l'enseignement libre subventionné et de ce personnel de l'enseignement communautaire, attribués en vertu des CCT de l'enseignement respectives. Pour l'année budgétaire 2009, ce montant est de 267 000 euros. A partir de l'année budgétaire 2010, ce montant est indexé annuellement par application du coefficient A2, tel que défini à l'article 324. Ces moyens CCT sont répartis au prorata du nombre de points par école de l'enseignement libre subventionné qui est obtenu par application du § 1er.
  § 5. Les budgets de fonctionnement des groupes d'écoles de l'enseignement communautaire et des écoles de l'enseignement secondaire spécial subventionné sont versés chaque année en deux tranches au moins, étant entendu qu'avant le 1er février la somme des tranches versées représente au moins 50% des moyens de fonctionnement de l'année scolaire en question et que le solde est payé avant le 1er juillet. (328)
  [1 § 6. Lorsque le décret ajustant le budget général des dépenses de l'année budgétaire auquel sont repris les moyens de fonctionnement pour l'année scolaire concernée, donne lieu à une augmentation des moyens pour les autorités scolaires de l'enseignement secondaire spécial subventionné ou les groupes d'écoles de l'Enseignement communautaire, ces moyens supplémentaires sont payés dans les deux mois suivant la ratification du décret concerné par le Gouvernement flamand.]1
  
Onderafdeling 5. [1 - Berekening van de werkingsmiddelen voor scholen buitengewoon onderwijs actief in het kader van het ondersteuningsmodel]1
Sous-section 5. [1 - Calcul des moyens de fonctionnement pour les écoles d'enseignement spécial actives dans le cadre du modèle de soutien]1
Onderafdeling 6. - Evaluatie
Sous-section 6. - Evaluation
Art. 331. De Vlaamse Regering ontwikkelt een methode die jaarlijks toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs. (330)
Art. 331. Le Gouvernement flamand développe une méthode permettant de dresser annuellement un aperçu global de l'affectation des budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire. (330)
Art. 332. In [1 2013 en 2014]1 wordt het nieuwe financieringssysteem door de Vlaamse Regering geëvalueerd. Deze evaluatie zal de doelmatige aanwending van de toegekende werkingsmiddelen beoordelen. Uitgangspunten van deze evaluatie zijn :
  - de gelijke behandeling van elk kind met dezelfde noden;
  - gelijke middelen voor elke school in eenzelfde situatie;
  - het voeren van een gelijkekansenbeleid;
  - transparantie, voorspelbaarheid en stabiliteit van het mechanisme;
  - evolutie van de schoolloopbanen, met bijzondere aandacht voor gelijke kansen en talentontwikkeling. (331)
  
Art. 332. En [1 2013 et 2014]1, le nouveau système de financement sera évalué par le Gouvernement flamand. Cette évaluation jugera de l'affectation efficace des moyens de fonctionnement attribués. Les points de départ de cette évaluation sont :
  - le traitement égal de chaque enfant ayant les mêmes besoins;
  - les mêmes moyens pour chaque école dans une même situation;
  - la conduite d'une politique d'égalité des chances;
  - la transparance, la prévisibilité et la stabilité du mécanisme;
  - l'évolution des carrières scolaires, en prêtant une attention particulière à l'égalité des chances et au développement des talents. (331)
  
Onderafdeling 7. [1 - Personeel ten laste van het werkingsbudget]1
Sous-section 7. [1 - Personnel à charge du budget de fonctionnement]1
Art. 332/1. [1 Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329 [2 , ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB[3 , ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie]3 [4 , ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken of ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken]4,]2 personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
   De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
   Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.
   Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.
   Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.]1

  [4 In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043.]4
  
Art. 332/1. [1 L'autorité scolaire peut, à charge du budget de fonctionnement visé à l'article 329 [2 , à charge de la prime de soutien flamande versée par le VDAB[3 à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]3 [4 , à charge des subventions qu'octroie le domaine politique de l'Enseignement et de la Formation, visé à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande, pour renforcer la qualité de l'enseignement ou à charge des subventions qu'octroie la fondation Leerpunt pour renforcer la qualité de l'enseignement,]4]2 engager du personnel. Dans l'enseignement communautaire, une autorité scolaire peut appliquer le principe précité aux catégories de personnel dans l'enseignement secondaire spécial visées à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel communautaire, à l'exception du personnel de maîtrise, gens de métier et de service statutaires. Dans l'enseignement subventionné, une autorité scolaire peut appliquer le principe précité aux catégories de personnel dans l'enseignement secondaire spécial visées à l'article 4, § 1er, a, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné.
   L'emploi organisé avec ces moyens ne peut être déclaré vacant et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
   Le membre du personnel qui est engagé dans l'enseignement communautaire par une autorité scolaire, est toujours désigné en qualité de membre du personnel temporaire. Le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres de l'enseignement communautaire lui est applicable.
   Le membre du personnel qui est engagé dans l'enseignement subventionné par une autorité scolaire, est toujours désigné en qualité de membre du personnel temporaire. Le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres de l'enseignement subventionné lui est applicable.
   L''Agentschap voor Onderwijsdiensten' paie le traitement ou la subvention-traitement directement aux membres du personnel en question. Ce même service réclame le traitement brut ou la subvention-traitement brute, majoré(e) des indemnités, des allocations, du pécule de vacance, de la prime de fin d'année et de la cotisation patronale, de l'autorité scolaire.]1

  [4 Dans l'alinéa 1er, on entend par fondation Leerpunt : la fondation privée créée par le Gouvernement flamand par décision du 16 décembre 2022, portant le numéro d'entreprise 0795.192.043.]4
  
TITEL 3. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2 EN 3
TITRE 3. - DISPOSITIONS COMMUNES RELATIVES AUX FORMES D'ENSEIGNEMENT 1, 2 ET 3
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3
CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux formes d'enseignement 1, 2 et 3
Afdeling 1. - Structuur en organisatie
Section 1re. - Structure et organisation
Art. 333. [1 Het buitengewoon secundair onderwijs in deze opleidingsvormen wordt verstrekt naar rata van minimum 32 lesuren en maximum 36 lesuren van 50 minuten per week, gespreid over 9 halve dagen [2 , met uitzondering van de facultatieve integratiefase van opleidingsvorm 3, waar 38 lesuren per week worden verstrekt.]2]1
  
Art. 333. [1 L'enseignement secondaire spécial dans ces formes d'enseignement est dispené au prorata de 32 heures de cours minimum et de 36 heures de cours maximum de 50 minutes par semaine, étalées sur 9 demi-journées [2 , à l'exception de la phase facultative d'intégration de la forme de formation 3, où 38 heures de cours par semaine sont proposées]2.]1
  
Art. 334. In het buitengewoon secundair onderwijs kunnen twee of meer vakken van de algemene en sociale vorming geïntegreerd worden gegeven.
  De Vlaamse Regering bepaalt welke vakken hiervoor niet in aanmerking komen en de administratieve en financiële gevolgen voor de personeelsleden die belast worden met het geven van geïntegreerde vakken. (333)
Art. 334. Dans l'enseignement secondaire spécial, deux cours ou plus de formation générale et sociale peuvent être donnés de façon intégrée.
  Le Gouvernement flamand détermine les cours n'entrent en considération et les conséquences administratives et financières pour les membres du personnel qui sont chargés de donner des cours intégrés. (333)
Hoofdstuk 1/1. [1 - Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 1]1
CHAPITRE 1/1. [1 - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 1]1
Afdeling 1. [1 - Structuur en organisatie]1
Section 1re. [1 - Structure et organisation]1
Art. 334/1. [1 § 1. In opleidingsvorm 1 beogen de activiteiten vooral het ontwikkelen van de zelfredzaamheid, de communicatiemogelijkheden, de sensomotoriek en de sociale vorming van de leerlingen in de contexten wonen, werken en vrije tijd.
   § 2. Opleidingsvorm 1 omvat minstens vier leerjaren. Voor iedere leerling wordt de duur ervan bepaald door de klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding.
   § 3. In deze opleidingsvorm kunnen sociaal maatschappelijke trainingen of leerlingenstages worden ingericht voor leerlingen vanaf [2 de leeftijd van vijftien jaar die niet meer voltijds leerplichtig zijn]2, gedurende een beperkt aantal dagen. De duur en het doel ervan wordt bepaald door de klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling. Uitzonderlijk kunnen deze sociaal maatschappelijke trainingen of leerlingenstages georganiseerd worden tijdens de vakanties.
   § 4. Iedere leerling die de school verlaat na de duur zoals bepaald in paragraaf 2, heeft recht op een attest, waarvan het model wordt bepaald door de Vlaamse Regering, uitgereikt door de directeur op het einde van het schooljaar of in de loop van het schooljaar.]1

  
Art. 334/1. [1 § 1er. Dans la forme d'enseignement, les activités visent surtout le développement de l'autonomie, des possibilités de communication, de la motricité sensorielle, ainsi que la formation des élèves dans les contextes de l'habitat, du travail et des loisirs.
   § 2. La forme d'enseignement 1 comprend quatre années d'études. Pour chaque élève, la durée en est déterminée par le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves.
   § 3. Dans cette forme d'enseignement, des entraînements sociétaux ou des stages d'élèves peuvent être organisés pour des élèves [2 dès l'âge de quinze ans qui ne sont plus soumis à plein temps à l'obligation scolaire]2, pendant un nombre restreint de jours. La durée et le but de ces entraînements ou stages sont déterminés par le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves et, si possible, de concert avec les parents et l'élève. A titre exceptionnel, ces entraînements sociétaux ou stages d'élèves peuvent être organisés pendant les vacances.
   § 4. Tout élève qui quitte l'école après la durée telle que fixée au paragraphe 2, a droit à une attestation, dont le modèle est fixé par le Gouvernement flamand, délivrée par le directeur à la fin de l'année scolaire ou au cours de l'année scolaire.]1

  
HOOFDSTUK 1/2. [1 - Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 2]1
CHAPITRE 1/2. [1 - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 2]1
Afdeling 1. [1 - Structuur en organisatie]1
Section 1re. [1 - Structure et organisation]1
Art. 334/2. [1 § 1. Opleidingsvorm 2 omvat twee fasen, elke fase duurt ten minste twee leerjaren:
   1° de eerste fase geeft voorrang aan de algemene en sociale vorming en waarborgt tevens de arbeidsgerichte vorming. Ten minste vijftien van de wekelijkse lesuren worden voorbehouden aan de algemene en sociale vorming;
   2° de tweede fase geeft voorrang aan de arbeidsgerichte vorming. Ten minste negen van de wekelijkse lesuren worden voorbehouden aan de algemene en sociale vorming.
   § 2. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, bepaalt voor iedere leerling de respectieve duur van elke fase.
   § 3. In deze opleidingsvorm kunnen leerlingenstages worden ingericht, gedurende een beperkt aantal dagen. Deze worden georganiseerd gedurende de tweede fase, tijdens het schooljaar. Uitzonderlijk kunnen deze leerlingenstages georganiseerd worden tijdens de vakanties. Een leerling kan tijdens het laatste jaar van de tweede fase op basis van [2 het individueel aangepaste curriculum, vermeld in artikel 122/1/0]2, na beslissing van de klassenraad, en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling, een leerlingenstage volgen onder een alternerende vorm van leerlingenstage en vorming op school op weekbasis.
   § 4. Iedere leerling die de school verlaat na de duur zoals bepaald in paragraaf 2, heeft recht op een attest, waarvan het model wordt bepaald door de Vlaamse Regering, uitgereikt door de directeur op het einde van het schooljaar of in de loop van het schooljaar.]1

  
Art. 334/2. [1 § 1er. La forme d'enseignement 2 se compose de deux phases, chacune comprenant au moins deux années d'études :
   1° la première phase donne la priorité à la formation générale et sociale et garantit également une formation axée sur l'emploi. Au moins quinze des heures de cours hebdomadaires sont réservées à la formation générale et sociale ;
   2° la seconde phase donne la priorité à la formation axée sur l'emploi. Au moins neuf des heures de cours hebdomadaires sont réservées à la formation générale et sociale.
   § 2. Le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves, détermine pour chaque élève la durée respective de chaque phase.
   § 3. Pendant un nombre restreint de jours, des stages d'élèves peuvent être organisés dans cette forme d'enseignement. Ils sont organisés au cours de la seconde phase, pendant l'année scolaire. A titre exceptionnel, ces stages d'élèves peuvent être organisés pendant les vacances. Au cours de la dernière année de la seconde phase, un élève peut, sur la base [2 du programme adapté individuellement visé à l'article 122/1/0]2, après décision du conseil de classe et si possible de concert avec les parents et l'élève, suivre un stage d'élèves sous une forme alternante de stage d'élèves et formation à l'école sur base hebdomadaire.
   § 4. Tout élève qui quitte l'école après la durée telle que fixée au paragraphe 2, a droit à une attestation, dont le modèle est fixé par le Gouvernement flamand, délivrée par le directeur à la fin de l'année scolaire ou au cours de l'année scolaire.]1

  
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 3
CHAPITRE 2. - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 3
Afdeling 1. - Structuur en organisatie
Section 1re. - Structure et organisation
Art. 335. De Vlaamse Regering deelt de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair beroepsonderwijs op in opleidingen die tevens worden ingericht in het voltijds beroeps- en technisch secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het secundair volwassenenonderwijs.
  Voor elk van deze opleidingen worden de competenties, de nodige algemene en sociale vaardigheden en de sleutelvaardigheden vastgelegd in opleidingsprofielen. (334)
  [1 De bepalingen van dit artikel houden progressief, te beginnen met de observatiefase, op uitwerking te hebben met ingang van 1 september 2020.]1
Art. 335. Le Gouvernement flamand subdivise la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire professionnel spécial en formations qui sont également organisées dans l'enseignement secondaire professionnel et technique de plein exercice, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et l'enseignement secondaire des adultes.
  Pour chacune de ces formations, les compétences, les aptitudes générales et sociales requises et les aptitudes-clés sont fixées en profils de formation. (334)
  [1 Les dispositions du présent article cessent progressivement de produire leurs effets, année d'études par année d'études, à commencer par la phase d'observation, à partir du 1er septembre 2020.]1
Art. 335/1. [1 De bepalingen van dit artikel treden progressief, te beginnen met de observatiefase, in werking vanaf 1 september 2020.
   In de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase worden opleidingen onderscheiden, die als finaliteit arbeidsmarkt hebben. Die opleidingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen [2 zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering]2.
   De studiedomeinen zijn:
   1° taal en cultuur;
   2° stem;
   3° kunst en creatie;
   4° land- en tuinbouw;
   5° economie en organisatie;
   6° maatschappij en welzijn;
   7° sport;
   8° voeding en horeca.
   [2 ...]2
   De lijst van opleidingen kan worden gewijzigd door maatschappelijke, onderwijskundige, technologische of andere ontwikkelingen of vanwege arbeidsmarktbehoeften. Die wijziging kan opheffing, vervanging of toevoeging van opleidingen betekenen. Het initiatief daarvoor kan zowel uitgaan van de Vlaamse Regering als van derden.
   De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat.
   Uiterlijk om de vijf schooljaren vanaf het derde schooljaar van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019 worden alle opleidingen gescreend op actualiteitswaarde en worden zo nodig bijsturingen doorgevoerd. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die screening en bijsturing.]1

  [3 Als een opleiding wordt vervangen als vermeld in het vierde lid, heeft dat een van de volgende gevolgen voor de organiserende school:
   1° een vervanging van rechtswege als de opleiding door één opleiding wordt vervangen;
   2° een vervanging door één opleiding naar keuze van het schoolbestuur als de opleiding door verschillende opleidingen wordt vervangen. Het eventuele aanbod van de overige opleidingen verloopt via de programmatieregeling.]3

  
Art. 335/1. [1 Les dispositions du présent article entrent progressivement en vigueur, à commencer par la phase d'observation, à partir du 1er septembre 2020.
   Dans la phase de formation, la phase de qualification et la phase facultative d'intégration sont distinguées des formations à finalité " insertion sur le marché de l'emploi ". Ces formations sont organisées dans une matrice sur la base de domaines d'études [2 telle qu'établie par le Gouvernement flamand]2.
   Les domaines d'études sont :
   1° langue et culture ;
   2° STEM (Science-Technology-Engineering-Mathematics) ;
   3° art et création ;
   4° agriculture et horticulture ;
   5° économie et organisation ;
   6° société et bien-être ;
   7° sport ;
   8° alimentation et horeca.
   [2 ...]2
   La liste de formations peut être modifiée en fonction des développements sociaux, pédagogiques, technologiques ou autres ou en fonction des besoins du marché de l'emploi. Cette modification peut signifier la suppression, le remplacement ou l'ajout de formations. L'initiative peut être prise tant par le Gouvernement flamand que par des tiers.
   Le Gouvernement flamand détermine la procédure à suivre avant toute modification.
   Au moins toutes les cinq années scolaires à compter de la troisième année scolaire de la mise en oeuvre progressive de la modernisation de l'enseignement secondaire à partir du 1er septembre 2019, toutes les formations font l'objet d'une appréciation de leur valeur d'actualité et sont, si besoin est, adaptées. Le Gouvernement flamand arrête la procédure de cette appréciation et de cette adaptation.]1

  [3 Le remplacement d'une formation tel que visé à l'alinéa 4, a l'une des conséquences suivantes pour l'école organisatrice :
   1° un remplacement de plein droit si la formation est remplacée par une seule formation ;
   2° un remplacement par une formation au choix de l'autorité scolaire si la formation est remplacée par plusieurs formations. L'offre éventuelle des autres formations se déroule via le régime de programmation.]3

  
Art. 336. [1 § 1. [5 Opleidingsvorm 3 omvat vier fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase:
   1° de observatiefase omvat één schooljaar;
   2° de opleidingsfase omvat twee schooljaren;
   3° de kwalificatiefase omvat twee schooljaren;
   4° de facultatieve integratiefase omvat één schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf in de vorm van leerlingenstage.]5

   § 2. [2 In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.]2
  [7 Als er geen of onvoldoende stageplaatsen beschikbaar zijn in de kwalificatiefase, zet de school maximaal in op observatieactiviteiten in een organisatie of onderneming waarbij de leerling, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, kennismaakt met een beroep of een specifieke werkplek.
   De school kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de stageverplichting in de kwalificatiefase. In dat geval is een goed onderbouwde motivering vereist. Die motivering bevat minstens objectieve factoren die de stageverplichting onmogelijk maken. De onderwijsinspectie kan in voorkomend geval die motivering controleren.]7

   § 3. [5 [6 De opleidingsprofielen, die voor elke opleiding van opleidingsvorm 3 de generieke en beroepsspecifieke competenties en de algemene vorming vastleggen, worden onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap ontwikkeld in overleg met het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.]6]5
   § 4. [5 [6 De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake:
   1А de organisatie van opleidingsvorm 3;
   2А de opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3;
   3А de inhoudelijke, organisatorische en vormelijke elementen die een opleidingsprofiel moet omvatten en de procedure voor indiening en goedkeuring van een opleidingsprofiel.]6
]5
]1

  [4 § 5. In afwijking van paragraaf 1, 4°, en paragraaf 2 [6 ...]6, wordt in duaal leren op het niveau van de integratiefase van opleidingsvorm 3 de werkervaring in een regulier bedrijf georganiseerd onder de vorm van een arbeidsdeelname in een regulier bedrijf als vermeld in artikel 357/2.]4
  
Art. 336. [1 § 1er. [5 La forme d'enseignement 3 comporte quatre phases : la phase d'observation, la phase de formation, la phase de qualification et la phase facultative d'intégration :
   1° la phase d'observation comprend une année scolaire ;
   2° la phase de formation comprend deux années scolaires ;
   3° la phase de qualification comprend deux années scolaires ;
   4° la phase facultative d'intégration comprend une année scolaire sous la forme d'une formation professionnelle en alternance, comprenant 1200 heures de formation à l'école et une expérience professionnelle en entreprise. La formation à l'école consiste en 400 heures minimum de formation générale et sociale et de formation à caractère professionnel. L'expérience professionnelle consiste en 700 heures minimum d'expérience dans une entreprise régulière, sous la forme d'un stage d'élèves.]5

   § 2. [2 Dans cette forme d'enseignement, un stage d'élèves ayant lieu en groupe et avec l'accompagnement permanent assuré par l'enseignant peut être organisé pendant un nombre limité de jours au cours de l'année scolaire dans la dernière année de la phase de formation et dans la phase de qualification. Dans la phase de qualification, un nombre limité de jours de stage d'élèves est obligatoire pendant l'année scolaire, chaque élève-stagiaire accomplissant son stage individuellement. A titre exceptionnel, les stages d'élèves ayant lieu dans la phase de qualification peuvent être organisés pendant les vacances. L'expérience professionnelle dans la phase d'intégration est assimilée à un stage d'élèves au niveau organisation.]2
  [7 Si les stages en entreprise sont inexistants ou insuffisants dans la phase de qualification, l'école doit maximiser le recours aux activités d'observation dans une organisation ou une entreprise où, sans participer effectivement au processus du travail, l'élève est initié à une profession ou à un lieu de travail spécifique.
   L'école peut déroger à l'obligation de stage pendant la phase de qualification dans des cas exceptionnels. Dans ce cas, une justification bien motivée est requise. Cette justification contient au moins des facteurs objectifs qui rendent l'obligation de stage impossible. Le cas échéant, l'inspection de l'enseignement peut contrôler cette justification.]7

   § 3. [5 [6 § 3. Les profils de formation, qui fixent, pour toute formation de la forme d'enseignement 3, les compétences génériques et professionnelles et la formation générale, sont élaborés sous la coordination des services compétents de la Communauté flamande en concertation avec l'Enseignement communautaire et les associations des autorités scolaires de l'enseignement subventionné et soumis à l'approbation du Gouvernement flamand.]6]5
   § 4. [5 [6 § 4. Le Gouvernement flamand fixe les règles additionnelles concernant :
   1° l'organisation de la forme d'enseignement 3 ;
   2° les formations qui peuvent être organisées dans la forme d'enseignement 3 ;
   3° les éléments organisationnels, de contenu et de forme qu'un profil de formation doit impérativement comprendre et la procédure d'introduction et d'approbation d'un profil de formation. ]6
]5
]1

  [4 § 5. Par dérogation au paragraphe 1er, 4°, et[6 au paragraph]6, dans la formation duale au niveau de la phase d'intégration de la forme d'enseignement 3, l'expérience professionnelle dans une entreprise régulière est organisée sous la forme d'une participation à l'emploi dans une entreprise régulière telle que visée à l'article 357/2.]4
  
Afdeling 2.
Section 2.
TITEL 4. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORM 4
TITRE 4. - DISPOSITIONS SPECIFIQUES RELATIVES A LA FORME D'ENSEIGNEMENT 4
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 4, met uitzondering van de ziekenhuisscholen
CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 4, à l'exception des écoles hospitalières
Afdeling 1. - Structuur en organisatie
Section 1re. - Structure et organisation
Art. 350. [4 Artikel [8 123/21, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6,157/2 tot en met 157/9]8, 170 en 252, § 1, a), en § 1/1]7, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd]4.
  [3 [5 In opleidingsvorm 4 wordt een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd. Dat gemeenschappelijk curriculum wordt aangepast volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerlingen, rekening houdend met de bepalingen van artikel 122/1/1.]5]3
  
Art. 350. [4 Les articles [8 123/21, 133/1 à 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 à 136/6,157/2 à 157/9]8, 170 et 252, § 1er, a), et § 1/1]7, sont également d'application à la forme de formation 4 dans les écoles proposant la forme de formation 4, sauf pour l'enseignement d'accueil qui n'y peut pas être organisé.]4
  [3 [5 Dans la forme d'enseignement 4, un programme d'études commun de l'enseignement secondaire ordinaire de plein exercice est suivi. Ce programme d'études commun est aménagé selon les besoins éducatifs et les besoins de soutien des élèves, compte tenu des dispositions de l'article 122/1/1.]5]3
  
HOOFDSTUK 2. [1 - Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 4, in de ziekenhuisscholen]1
CHAPITRE 2. [1 - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 4, dans les écoles hospitalières]1
Art. 350/1. [1 § 1. In de scholen van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een [3 ...]3 ziekenhuis en verbonden aan een residentiële setting werken de leerlingen verder aan het curriculum van de oorspronkelijke school en worden hieromtrent eveneens afspraken gemaakt met de oorspronkelijke school. De oorspronkelijke school staat in voor de studiebekrachtiging.
   § 2. In ziekenhuisscholen moeten er, naargelang de noden van de leerlingen, gepaste en redelijke aanpassingen genomen worden, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen. De ziekenhuisschool werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders en de oorspronkelijke school, tenzij de leerling voor het verblijf in de ziekenhuisschool niet in een school ingeschreven was.
   § 3. Op basis van de behoeften van de leerlingen mag men in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het preventorium, op ieder tijdstip van het schooljaar een structuuronderdeel van het gewoon voltijds secundair onderwijs [2 en buitengewoon secundair onderwijs]2 inrichten, ook indien de onderliggende structuuronderdelen niet ingericht zijn. De school kan op die wijze onder- delen van het volledig studieaanbod van het gewoon voltijds secundair onderwijs [2 en buitengewoon secundair onderwijs]2 inrichten,[4 of onderdelen van de [5 opleidingen]5 van het hoger beroepsonderwijs]4, en de vierde graad. [2 Naargelang de keuze van de ouders mag men in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het Zeepreventorium verschillende leerplannen aanbieden.]2
   § 4. In de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het preventorium worden dezelfde studiebewijzen uitgereikt als in het [2 gewoon voltijds secundair onderwijs en buitengewoon secundair onderwijs]2[4 of in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.]4 De school van opleidingsvorm 4, type 5, bij het preventorium staat zelf in voor de studiebekrachtiging.]1

  § 5. [6 ...]6.
  
Art. 350/1. [1 § 1er. Dans les écoles de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachées à un hôpital [3 ...]3 et rattachées à une structure résidentielle, les élèves poursuivent le programme d'études de l'école d'origine ; des accords à ce sujet sont également conclus avec l'école d'origine. L'école d'origine assure la validation des études.
   § 2. Dans les écoles hospitalières, il faut que des aménagements appropriés et raisonnables soient apportés, suivant les besoins des élèves, dont la prise de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires. A cette fin, l'école hospitalière coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les parents et l'école d'origine, à moins que l'élève ne fusse inscrit dans une école avant le séjour dans l'école hospitalière.
   § 3. Sur la base des besoins des élèves, une école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium, peut à tout moment de l'année scolaire organiser une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein [2 et de l'enseignement secondaire spécial]2, même si les subdivisions structurelles sous-jacentes ne sont pas organisées. De cette manière-là, l'école peut organiser des parties de l'offre d'études complète de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein,[4 ou des subdivisions [5 des formations ]5de l'enseignement supérieur professionnel HBO 5.]4 [2 Selon le choix des parents, on peut dispenser différents programmes d'études dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium.]2
   § 4. Dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium, les titres délivrés sont identiques aux titres délivrés dans [2 l'enseignement secondaire à temps plein et l'enseignement secondaire spécial]2. L'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium assure elle-même la validation des études.]1

  § 5. [6 ...]6.
  
TITEL 5. [1 Specifieke bepalingen over de ondersteuning voor het gewoon onderwijs vanuit het buitengewoon onderwijs en de speciale onderwijsleermiddelen]1
TITRE 5. [1 Dispositions spécifiques sur le soutien à l'enseignement ordinaire apporté par l'enseignement spécial et les moyens spéciaux d'aide à l'enseignement]1
HOOFDSTUK 1. [1 De ondersteuning voor het gewoon onderwijs vanuit het buitengewoon onderwijs]1
CHAPITRE 1er. [1 Le soutien à l'enseignement ordinaire apporté par l'enseignement spécial]1
Art. 352. [1 Ї 1. Om als school voor gewoon secundair onderwijs in aanmerking te komen voor leersteun vanuit het leersteunmodel, is voor leerlingen het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een GC-verslag door een centrum voor leerlingenbegeleiding vereist, tenzij ze al beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag. In een GC-verslag wordt:
   1А gemotiveerd dat met toepassing van de principes, vermeld in artikel 136/2, de fasen van brede basiszorg en verhoogde zorg werden doorlopen en dat het inzetten van de leersteun, in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen, nodig en voldoende geacht wordt om de leerling een gemeenschappelijk curriculum te laten volgen;
   2А omschreven welke specifieke deskundigheid vereist is vanuit een of meer van de types, vermeld in artikel 259, Ї 1, 1А tot en met 4А, en 6А tot en met 8А.
   In afwijking van het eerste lid kan een CLB een GC-verslag opmaken op basis van een handelingsgericht advies indien het door het CLB reeds doorlopen traject met de school, de leerling en de ouders voldoende informatie biedt.
   De Vlaamse Regering bepaalt de verdere inhoud en modaliteiten van het GC-verslag.
   Ї 2. Het GC-verslag wordt geregistreerd in het multidisciplinair dossier van de leerling.
   Ї 3. Bij wijziging van het onderwijsniveau of van het type, vermeld in paragraaf 1, 2А, wordt een nieuw GC-verslag opgesteld.
   Ї 4. Als niet meer voldaan is aan de criteria, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1А of 2А, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het GC-verslag op. Als een centrum voor leerlingenbegeleiding voor een leerling met een GC-verslag, een GC-verslag of IAC-verslag opmaakt in functie van een overgang van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs, vervalt het GC-verslag dat de leerling had in het basisonderwijs.
   Ї 5. Gemotiveerde verslagen die zijn opgemaakt voor 1 september 2023, worden gelijkgesteld aan GC-verslagen. Leerlingen die nog beschikken over een gemotiveerd verslag van voor 1 september 2023, voldoen aan dezelfde voorwaarden en hebben dezelfde rechten als leerlingen met een GC-verslag.]1

  
Art. 352. [1 § 1er. L'éligibilité, en tant qu'école d'enseignement secondaire ordinaire, au soutien à l'apprentissage basé sur le modèle de soutien à l'apprentissage requiert l'accomplissement par les élèves d'un parcours diagnostique orienté vers l'action accompagné de la rédaction d'un rapport GC par un centre d'encadrement des élèves, à moins qu'ils ne disposent déjà d'un rapport IAC ou d'un rapport OV4. Un rapport GC :
   1° justifie l'accomplissement des phases de l'ample encadrement de base et de l'encadrement complémentaire en application des principes visés à l'article 136/2 et le fait que le déploiement du soutien, combiné à des mesures compensatoires ou dispensatoires, est jugé nécessaire et suffisant pour permettre à l'élève de suivre le programme d'études commun ;
   2° décrit l'expertise spécifique qui est requise d'un ou plusieurs des types mentionnés à l'article à l'article 259, § 1er, 1° à 4°, et 6° à 8°.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, un CLB peut rédiger un rapport GC sur la base d'un avis orienté vers l'action si le parcours déjà accompli par le CLB avec l'école, l'élève et les parents livre suffisamment d'informations.
   Le Gouvernement flamand détermine le contenu et les modalités du rapport GC.
   § 2. Le rapport GC est enregistré dans le dossier multidisciplinaire de l'élève.
   § 3. En cas de changement de niveau d'enseignement ou de type visé dans le paragraphe 1er, 2°, un nouveau rapport GC est rédigé.
   § 4. Si les critères énoncés dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° ou 2°, ne sont plus remplis, le centre d'encadrement des élèves annule le rapport GC. Si un centre d'encadrement des élèves rédige un rapport GC ou un rapport IAC pour un élève en possession d'un rapport GC en vue d'un passage de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire, le rapport GC que l'élève avait dans l'enseignement fondamental devient caduc.
   § 5. Les rapports motivés qui ont été rédigés avant le 1er septembre 2023 sont assimilés à des rapports GC. Les élèves qui disposent encore d'un rapport motivé antérieur au 1er septembre 2023 satisfont aux mêmes conditions et jouissent des mêmes droits que les élèves en possession d'un rapport GC.]1

  
HOOFDSTUK 2. [1 - De speciale onderwijsleermiddelen]1
CHAPITRE 2. [1 - Moyens spéciaux d'aide à l'enseignement]1
Art. 357. [1 § 1. Aan regelmatige leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die gewoon gefinancierd of gesubsidieerd secundair onderwijs volgen, en voldoen aan de toelatingsvoorwaarden van het gewoon secundair onderwijs, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking worden gesteld.
  [4 In afwijking van het eerste lid, kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon secundair onderwijs en die, met toepassing van artikel 136/1, onderwijsactiviteiten volgen in het gewoon secundair onderwijs, tijdens die activiteiten speciale onderwijsmiddelen ter beschikking krijgen, als ze de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of een andere gebarentaal of schrijftolken.
   In afwijking van het eerste lid, kunnen leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon secundair onderwijs en die een stage of sociaal maatschappelijke training volgen, tijdens het werkplekleren speciale onderwijsmiddelen ter beschikking krijgen, als ze de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of een andere gebarentaal of schrijftolken.]4

   [2 § 2.]2 Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken [3 Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal]3 of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering :
   [2 ...]2
   [2 ]2 de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken [3 Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal]3 bij het Agodi, het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien;
   [2 ]2 de diplomavoorwaarden voor de tolken [3 Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal]3 en schrijftolken;
   [2 ]2 de te indexeren loonkost voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en de loonkost voor de schrijftolken;
  [2 4° de definitie van de doelgroep.]2
   [2 § 3.]2 [2 Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken [3 Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal]3 of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken.
   De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.]2

   [2 § 4.]2 De procedure voor de aanvraag en toekenning en het intern beroep en de werking van het door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau worden om de drie jaar geëvalueerd, de eerste evaluatie vindt plaats gedurende het schooljaar 2015-2016. Tijdens deze evaluatie wordt de betrokkenheid van de doelgroep verzekerd.
  [4 § 4/1. Als de speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van een omzetting van leermaterialen voor blinde en slechtziende leerlingen, kan de Vlaamse Regering daarvoor middelen ter beschikking stellen binnen de beschikbare begrotingskredieten.
   De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van een productiehuis voor omzetting van leermaterialen voor blinde en slechtziende leerlingen.]4

   [2 § 5.]2 Indien deze speciale onderwijsleermiddelen een andere vorm aannemen dan hetgeen vermeld is onder paragraaf 2 tot en met [2 4]2, dan bepaalt de Vlaamse Regering de procedure voor de aanvraag en de criteria voor toekenning van deze middelen.]1

  [5 § 6. De medische attesten voor het aanvragen van de speciale onderwijsleermiddelen worden maximaal 110 jaar na de geboorte van de betrokkene bewaard wegens het permanente karakter van de functiebeperking van de betrokkenen en het recht op levenslang leren.]5
  
Art. 357. [1 § 1er. Des moyens spéciaux d'aide à l'enseignement peuvent être mis à la disposition des élèves réguliers ayant des besoins d'enseignement spécifiques qui suivent un enseignement secondaire ordinaire financé ou subventionné, et qui remplissent les conditions d'admission de l'enseignement secondaire ordinaire.
   [4 Par dérogation à l'alinéa 1er, les élèves qui ont été inscrits dans l'enseignement secondaire spécial et qui, en application de l'article 136/1, suivent des activités d'enseignement dans l'enseignement secondaire ordinaire peuvent disposer, durant ces activités, de moyens didactiques spéciaux si ceux-ci revêtent la forme d'interprètes en langue des signes flamande ou une autre langue des signes ou de vélotypistes.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les élèves qui ont été inscrits dans l'enseignement secondaire spécial et qui suivent un stage ou une préparation à la vie sociale et sociétale peuvent disposer, pendant l'apprentissage sur le lieu de travail, de moyens didactiques spéciaux si ceux-ci revêtent la forme d'interprètes en langue des signes flamande ou une autre langue des signes ou de vélotypistes.]4

   [2 § 2.]2 Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement, visés au paragraphe 1er, prennent la forme d'interprètes [3 Langue des signes flamande ou une autre langue des signes]3 ou d'interprètes écrits, le Gouvernement flamand fixe :
   [2 ...]2
   [2 ]2 la procédure de demande et d'attribution des interprètes écrits et des interprètes Langage gestuel auprès de AgODi; à cet effet, AgODi prévoira également un recours interne;
   [2 ]2 les conditions de diplôme pour les interprètes [3 Langue des signes flamande ou une autre langue des signes]3 et les interprètes écrits;
   [2 ]2 le coût salarial à indexer pour les interprètes [3 Langue des signes flamande ou une autre langue des signes]3 et le coût salarial pour les interprètes écrits;
  [2 4° la définition du groupe-cible.]2
   [2 § 3.]2 [2 Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement, visés au paragraphe 1er, prennent la forme d'interprètes [3 Langue des signes flamande ou une autre langue des signes]3 ou d'interprètes écrits, le Gouvernement flamand octroie, pour la réalisation de ces heures d'interprétation, une subvention à une agence centrale d'interprétation qui consiste, d'une part, de moyens de fonctionnement pour cette agence d'interprètes et, d'autre part, de traitements et de frais de déplacement pour les interprètes.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités de fonctionnement de cette agence d'interprétation.]2

   [2 § 4.]2 La procédure de demande et d'attribution et le recours interne, ainsi que le fonctionnement du bureau central d'interprétation à déterminer par le Gouvernement flamand sont évalués tous les trois ans, la première évaluation ayant lieu au cours de l'année scolaire 2015-2016. La participation du groupe cible est assurée pendant cette évaluation.
  [4 Si les moyens didactiques spéciaux mentionnés dans le paragraphe 1er revêtent la forme d'une conversion de matériel didactique pour élèves aveugles et malvoyants, le Gouvernement flamand peut mettre à cet effet des moyens à disposition dans les limites des crédits budgétaires disponibles.
   Le Gouvernement flamand arrête les autres conditions de fonctionnement d'une maison de production pour la conversion de matériel didactique pour élèves aveugles et malvoyants.]4

   [2 § 5.]2 Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement prennent une autre forme que celle visée aux paragraphes 2 à [2 4]2 inclus, le Gouvernement flamand fixe la procédure de demande et les critères d'octroi de ces moyens.]1

  [5 § 6. Les certificats médicaux pour les demandes de moyens spéciaux d'aide à l'enseignement seront conservés pendant une durée maximale de 110 ans après la naissance de la personne concernée en raison du caractère permanent du handicap fonctionnel des personnes concernées et du droit à l'apprentissage tout au long de la vie. ]5
  
DEEL V/1. [1 Specifieke bepalingen over duale structuuronderdelen in het secundair onderwijs]1
PARTIE V/1. [1 Dispositions spécifiques relatives aux subdivisions structurelles duales dans l'enseignement secondaire]1
Titel 1. [1 Inleidende bepalingen]1
Titre 1er. [1 Dispositions introductives]1
Art. 357/1. [1 In voorkomend geval zijn alle decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit deel, niet van toepassing op het duaal leren dat de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde aanbieders duaal leren, conform de bepalingen van dit deel, organiseren.]1
  
Art. 357/1. [1 Le cas échéant, toutes les dispositions décrétales et réglementaires qui sont contraires aux dispositions de la présente partie, ne s'appliquent pas à la formation duale organisée par les prestataires de la formation duale, agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande, conformément aux dispositions de la présente partie.]1
  
Art. 357/2. [1 In dit deel wordt verstaan onder:
   1° aanbieder duaal leren: een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   2° arbeidsdeelname: een invulling van de werkplekcomponent in het structuuronderdeel duaal leren waarbij een jongere opleiding krijgt op een werkplek, gebaseerd op een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding, als vermeld in artikel 3 van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;
   3° duaal leren: een opleidingstraject, waarbij het aanleren van competenties evenwichtig verdeeld is over een werkplek en een aanbieder duaal leren. Doel is het behalen van een onderwijskwalificatie of - als dat niet lukt - een beroepskwalificatie;
   4° intakegesprek: het gesprek dat plaatsvindt tussen de leerling en de onderneming of een vertegenwoordiger van de onderneming, met het oog op het sluiten van een overeenkomst;
   5° klassenraad: de klassenraad in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en, naargelang van de opdracht waarmee hij wordt belast, de toelatingsklassenraad, de begeleidende klassenraad of de delibererende klassenraad in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een school voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 4, de klassenraad in een school voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 2 of 3, en de klassenraad in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   6° mentor: de persoon die binnen de onderneming aangeduid wordt om de leerling op de werkplek op te leiden en te begeleiden;
   7° modulair: een organisatievorm waarbij een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, opgebouwd is uit één of meer clusters, samenhangende en afgeronde gehelen van competenties, die een lerende de mogelijkheid biedt via een individuele leerweg toe te werken naar een studiebekrachtiging met waarborg voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden;
   8° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;
   9° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat, dat het standaardtraject omvat;
   10° opleidingsuur: zowel de tijdspanne van vijftig minuten waarin een les of een met een les gelijkgestelde activiteit wordt georganiseerd, als de tijdspanne van zestig minuten waarin de opleiding op de werkplek wordt georganiseerd;
   11° organisatoren: organisaties met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, of natuurlijke personen, die leerlingen ondersteunen tijdens de invulling van de werkplekcomponent;
   12° schoolcomponent: het deel van de opleiding dat lessen bij de aanbieder duaal leren of met lessen gelijkgestelde activiteiten, buiten de werkplekcomponent, omvat;
   13° sector: een groep professionele activiteiten ingedeeld naar belangrijkste dienst, product, technologie, naar belangrijkste economische functie of naar bedrijfstak;
   14° standaardtraject: een eenvormig traject per duaal structuuronderdeel dat de minimale inhoudelijke en organisatorische modaliteiten van het traject bevat;
   15° trajectbegeleider: het gemandateerde personeelslid van een aanbieder duaal leren, dat belast is met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;
   16° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling zowel tijdens de schoolcomponent als tijdens de werkplekcomponent;
   17° werkplek: een reële werkplek of een gesimuleerde werkplek buiten de school. Gesimuleerde werkplekken komen enkel in aanmerking voor zover ze eigen zijn aan de sector of de onderneming en ook door werknemers binnen een sector of onderneming gebruikt dienen te worden;
   18° werkplekcomponent: het deel van de opleiding dat wordt ingevuld via arbeidsdeelname;
   19° zijinstromers: jongeren die het onderwijs al hebben verlaten, al dan niet gekwalificeerd, en die zich, na een onderbreking, opnieuw willen inschrijven voor een duaal structuuronderdeel.]1

  
Art. 357/2. [1 Dans cette partie, on entend par :
   1° prestataire de la formation duale : une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
   2° participation au marché de l'emploi : une concrétisation de la composante du lieu de travail dans la subdivision structurelle `formation duale' où un jeune reçoit une formation à un lieu de travail, basée sur un contrat visant la mise en oeuvre d'une formation en alternance, telle que visée à l'article 3 du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ;
   3° formation duale : un parcours de formation dans lequel l'acquisition de compétences est répartie de manière égale entre un lieu de travail et un prestataire de la formation duale. L'objectif est d'obtenir une qualification d'enseignement ou - si tel n'est pas possible - d'une qualification professionnelle ;
   4° entretien d'entrée : l'entretien qui a lieu entre l'élève et l'entreprise ou un représentant de l'entreprise, en vue de la conclusion d'un contrat ;
   2° conseil de classe : le conseil de classe dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et, selon la mission dont il est chargé, le conseil de classe d'admission, le conseil de classe accompagnateur ou le conseil de classe délibérant dans une école de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou une école d'enseignement secondaire spécial organisant la forme d'enseignement 4, le conseil de classe dans une école d'enseignement secondaire spécial organisant la forme d'enseignement 2 ou 3, et le conseil de classe dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
   6° tuteur : la personne désignée dans l'entreprise afin de former et d'accompagner l'élève sur le lieu de travail ;
   7° modulaire : une forme d'organisation où une subdivision structurelle duale ou une subdivision structurelle de démarrage telle que visée à la partie V/2, se compose d'un ou de plusieurs clusters, ensembles cohérents et complets de compétences, qui permet à l'apprenant d'atteindre, par le biais d'un parcours d'apprentissage personnalisé, une validation d'études avec une garantie d'alignement sur des formations continues ou des possibilités d'emploi ;
   8° entreprise : toute personne physique, personne morale de droit privé ou de droit public qui forme un élève par le biais d'un contrat visant la mise en oeuvre d'une formation en alternance ;
   9° plan de formation : un plan comprenant le parcours d'apprentissage personnalisé de l'élève, qui comprend le parcours standard ;
   10° heure de formation : tant le laps de temps de cinquante minutes durant lequel est organisé un cours ou une activité assimilée à un cours, que le laps de temps de soixante minutes durant lequel est organisée la formation sur le lieu de travail ;
   11° organisateurs : les organisations disposant de la personnalité juridique de droit public ou de droit privé, ou les personnes physiques, qui soutiennent les élèves pendant la concrétisation de la composante du lieu de travail ;
   12° composante scolaire : la partie de la formation comprenant des cours auprès du prestataire de la formation duale ou des activités assimilées à des cours, en dehors de la composante du lieu de travail ;
   13° secteur : un groupement d'activités professionnelles réunies autour du service principal, du produit principal, de la technologie principale, de la fonction économique principale ou du secteur d'activité ;
   14° parcours standard : un parcours uniforme par subdivision structurelle duale comprenant les modalités de fond et organisationnelles minimales du parcours ;
   15° accompagnateur de parcours : le membre du personnel mandaté d'un prestataire de la formation duale, qui est chargé du suivi et de l'accompagnement de l'élève en vue de la réalisation entière du plan de formation ;
   16° accompagnement de parcours : un processus continu d'accompagnement et de suivi du développement personnel et de la formation de l'élève, tant pendant la composante scolaire que pendant la composante du lieu de travail ;
   17° lieu de travail : un lieu de travail réel ou un lieu de travail simulé en dehors de l'école. Des lieux de travail simulés n'entrent en ligne de compte que dans la mesure où ils sont propres au secteur ou à l'entreprise et doivent également être utilisés par des travailleurs au sein d'un secteur ou d'une entreprise ;
   18° composante du lieu de travail : la partie de la formation qui est concrétisée par le biais de la participation au marché de l'emploi ;
   19° entrants indirects : des jeunes qui ont déjà quitté l'enseignement, qualifiés ou non, et qui souhaitent se réinscrire, après une interruption, pour une subdivision structurelle duale.]1

  
Titel 2. [1 Opzet]1
Titre 2. [1 Mise en place]1
Art. 357/3. [1 Een duaal structuuronderdeel combineert voor elke jongere een schoolcomponent en een werkplekcomponent. De combinatie van schoolcomponent met werkplekcomponent omvat minimaal 28 opleidingsuren per week. De werkplekcomponent omvat gemiddeld op schooljaarbasis minstens 14 opleidingsuren per week. De Vlaamse Regering kan beslissen om voor bepaalde structuuronderdelen af te wijken van het gemiddelde, minimale aantal wekelijkse uren op de werkplek.]1
  
Art. 357/3. [1 Une subdivision structurelle duale combine, pour chaque jeune, une composante scolaire et une composante du lieu de travail. La combinaison de la composante scolaire avec la composante du lieu de travail comprend au moins 28 heures de formation par semaine. La composante du lieu de travail comprend en moyenne sur base d'une année scolaire au moins 14 heures de formation par semaine. Le Gouvernement flamand peut décider de déroger, pour certaines subdivisions structurelles, au nombre d'heures moyen minimal par semaine sur le lieu de travail.]1
  
Art. 357/4. [1 Duale structuuronderdelen worden ongeacht de aanbieder duaal leren als voltijds gewoon secundair onderwijs beschouwd.]1
  
Art. 357/4. [1 Les subdivisions structurelles duales sont considérées comme un enseignement secondaire ordinaire à temps plein, quel que soit le prestataire de la formation duale.]1
  
Titel 3. [1 Structuur en organisatie]1
Titre 3. [1 Structure et organisation]1
Art. 357/5. [1 § 1. De Vlaamse Regering:
   1° legt de lijst van duale structuuronderdelen vast en neemt die op in de matrix, bedoeld in artikel 133/4; in afwachting van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019, worden desbetreffende duale structuuronderdelen ingedeeld in studiegebieden en onderwijsvormen van de tweede en de derde graad;
   2° bepaalt de omzetting in duale structuuronderdelen van opleidingen die zijn vastgelegd ter uitvoering van artikel 22 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
   3° bepaalt de kalender van de omzetting, vermeld in punt 2° ;
   4° kan voorwaarden of beperkingen verbinden aan de organisatie van deze structuuronderdelen.
   § 2. Elk structuuronderdeel kan aangeboden worden door elke aanbieder duaal leren.]1

  
Art. 357/5. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand :
   1° arrête la liste des subdivisions structurelles duales et la reprend dans la matrice, visée à l'article 133/4 : dans l'attente du déploiement progressif de la modernisation de l'enseignement secondaire à partir du 1er septembre 2019, les subdivisions structurelles duales concernées sont réparties dans des disciplines et des formes d'enseignement des deuxième et troisième degrés ;
   2° arrête la transposition en subdivisions structurelles duales de formations établies en exécution de l'article 22 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande ;
   3° arrête le calendrier de la transposition, visée au point 2° ;
   4° peut lier des conditions ou restrictions à l'organisation de ces subdivisions structurelles.
   § 2. Chaque subdivision structurelle peut être offerte par chaque prestataire de la formation duale.]1

  
Art. 357/6. [1 Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober. Een structuuronderdeel [2 7de leerjaar [3 gericht op instroom arbeidsmarkt]3]2 kan ook opgestart worden op de eerste lesdag van februari van het lopende schooljaar. Als een aanbieder duaal leren ten minste één regelmatige leerling in een duaal structuuronderdeel of aanloopstructuuronderdeel als vermeld in 357/43, eerste lid, 1° of 2°, die zijn opgenomen in hetzelfde standaardtraject, heeft ingeschreven op de eerste lesdag van oktober, is de duale opleiding opgenomen in het studieaanbod van de aanbieder.
   In afwijking van het eerste lid kan een duaal structuuronderdeel ook opstarten na de eerste lesdag van oktober als de instroom in dat structuuronderdeel op dat moment al voorbehouden wordt voor leerlingen die bij dezelfde aanbieder duaal leren kunnen overstappen van een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in deel V/2, naar een duaal structuuronderdeel dat aan dat aanloopstructuuronderdeel gekoppeld is. In voorkomend geval wordt de eerste lesdag van juni als tweede referentiedatum beschouwd voor de vaststelling of het aanloopstructuuronderdeel of het duale structuuronderdeel in het schooljaar in kwestie al dan niet in het studieaanbod van de aanbieder duaal leren in kwestie voorkomt.]1

  
Art. 357/6. [1 Un prestataire de la formation duale peut lancer une subdivision structurelle duale jusqu'au premier jour de classe inclus d'octobre. Une subdivision structurelle [2 7e année d'études [3 préparatoire à l'entrée sur le marché du travail]3]2peut également être lancée au premier jour de classe de février de l'année scolaire en cours. Si, au premier jour de classe d'octobre, un prestataire de la formation duale a inscrit au moins un élève régulier dans une subdivision structurelle duale ou une subdivision structurelle de démarrage telle que visée à l'article 357/43, alinéa premier, 1° ou 2°, qui sont reprises dans le même parcours standard, la formation duale est reprise dans l'offre d'études du prestataire.
   Par dérogation à l'alinéa premier, une subdivision structurelle duale peut également être lancée après le premier jour de classe d'octobre si l'entrée dans la subdivision structurelle est déjà réservée à ce moment-là aux élèves qui, auprès du même prestataire de la formation duale, passent d'une subdivision structurelle de démarrage telle que visée à la partie V/2, à une subdivision structurelle duale qui est liée à cette subdivision structurelle de démarrage. Le cas échéant, le premier jour de classe de juin est considéré comme deuxième date de référence pour l'établissement si la subdivision structurelle de démarrage ou la subdivision structurelle duale dans l'année scolaire en question est reprise ou non dans l'offre d'études du prestataire de la formation duale en question.]1

  
Art. 357/7. [1 § 1. [3 In afwachting van de invoering van curriculumdossiers als vermeld in artikel 138, eerste lid, zijn de duale structuuronderdelen ingericht volgens standaardtrajecten.]3
   § 2. Voor elk duaal structuuronderdeel wordt één standaardtraject ontwikkeld, gebaseerd op een of meerdere beroepskwalificaties of één of meerdere deelkwalificaties, onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, een afvaardiging van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, [2 het Departement Werk en Sociale Economie]2 en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. Standaardtrajecten worden door de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
   Een standaardtraject bevat in elk geval:
   1° de reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren of semesters;
   2° de specifieke toelatingsvoorwaarden;
   3° de graad en het studiegebied waartoe het structuuronderdeel behoort;
   4° een clustering van beroepsgerichte competenties gebaseerd op een of meerdere beroepskwalificaties of een of meerder deelkwalificaties;
   5° [3 in voorkomend geval de algemeen vormende competenties, gebaseerd op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmend niet-duaal leren. Indien de aanbieder van de duale opleiding een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, zijn evenwel niet van toepassing:
   1° vóór de modernisering: de eindtermen lichamelijke opvoeding van het beroepssecundair onderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2002;
   2° [4 ...]4;]3

   6° de omvang van de werkplekcomponent;
   7° welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een studiebekrachtiging;
   8° de aanloopstructuuronderdelen die, afgeleid van dit standaardtraject, georganiseerd kunnen worden conform deel V/2.
   § 3. Een duaal structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.
   § 4. Als de aanbieder een school voor voltijds secundair onderwijs is, dan geldt de verplichting tot organisatie van levensbeschouwelijk onderricht. Deze cursussen vallen buiten het standaardtraject. Als de aanbieder duaal leren een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, worden levensbeschouwelijke vakken niet aangeboden.]1

  
Art. 357/7. [1 § 1er. [3 Dans l'attente de l'introduction des dossiers du cursus scolaire, tels que visés à l'article 138, alinéa 1er, les subdivisions structurelles duales seront organisées selon les parcours standard.]3
   § 2. Pour chaque subdivision structurelle duale, un parcours standard est développé, sur la base d'une ou de plusieurs qualifications professionnelles ou d'une ou de plusieurs qualifications partielles, sous la coordination des services compétents de la Communauté flamande, en concertation avec le secteur concerné, l'Enseignement communautaire, les associations représentatives des autorités scolaires de l'enseignement subventionné, une représentation des centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, [2 le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2 et le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ". Le Ministre flamand de l'Enseignement et le Ministre flamand de l'Emploi soumettent les parcours standard à l'approbation du Gouvernement flamand.
   Un parcours standard comprend en tout cas :
   1° la durée de formation régulière exprimée en années ou semestres ;
   2° les conditions spécifiques d'admission ;
   3° le grade et la discipline auxquels la subdivision structurelle appartient ;
   4° un groupement en clusters de compétences professionnelles basées sur une ou plusieurs qualifications professionnelles ou une ou plusieurs qualifications partielles ;
   5° [3 le cas échéant, les compétences générales basées sur les objectifs finaux applicables pour la formation non duale correspondante. si le prestataire de la formation duale est un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, ne sont toutefois pas d'application :
   1° avant la modernisation : les objectifs finaux éducation physique de l'enseignement secondaire professionnel, tels que visés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000, ratifié par le décret du 18 janvier 2002, et l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 septembre 2002, ratifié par le décret du 20 décembre 2002 ;
   2° [4 ...]4;]3

   6° l'ampleur de la composante du lieu de travail ;
   7° quel cluster de compétences ou quelle combinaison de clusters de compétences que l'élève a accompli avec succès donne droit à une validation d'études ;
   8° les subdivisions structurelles de démarrage qui, dérivées de ce parcours standard, peuvent être organisées conformément à la partie V/2.
   § 3. Une subdivision structurelle duale peut être organisée de manière modulaire.
   § 4. Si le prestataire est une école d'enseignement secondaire à temps plein, l'obligation d'organisation de cours philosophiques s'applique. Ces cours ne relèvent pas du parcours standard. Si le prestataire de la formation duale est un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, des cours philosophiques ne sont pas offerts.]1

  
Titel 4. [1 Programmatie]1
Titre 4. [1 Programmation]1
Art. 357/8. [6 § 1 Voor de programmatie van een duaal structuuronderdeel binnen het gemoderniseerde secundair onderwijs zijn de bepalingen van artikel 176 tot en met 179 van toepassing, met uitzondering van artikel 177 in geval van programmatie door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
   §2. [7 ...]7]6

  (6)
  (7)
Art. 357/8. [6 Pour la programmation d'une subdivision structurelle duale dans l'enseignement secondaire modernisé, les dispositions des articles 176 à 179 s'appliquent, à l'exception de l'article 177 en cas de programmation par un centre de formation des travailleurs indépendants et des petites et moyennes entreprises.
   § 2.[7 ]7]6

  (6)
  (7)
Titel 5. [1 Leerlingen]1
Titre 5. [1 Elèves]1
Art. 357/9. [1 § 1. In het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart, wordt aan de leerling een niet-bindend advies gegeven. Het advies wordt tijdig verstrekt met het oog op een vlotte studiekeuze en -voortgang van de leerling.
   Het niet-bindende advies heeft betrekking op de instap in een duaal structuuronderdeel en geeft inzicht in de arbeidsbereidheid en arbeidsrijpheid van de leerling.
   Het niet-bindende karakter van het advies waarborgt de keuzevrijheid van de leerling en is geen toelatingsvoorwaarde voor een duaal structuuronderdeel.
   In het tweede lid wordt verstaan onder:
   1° arbeidsbereid: gemotiveerd om te leren en te participeren op de werkplek;
   2° arbeidsrijp: competent om te leren en te participeren op de werkplek.
   § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 123/20, kan een leerling die niet meer voltijds leerplichtig is, een verkennende leerlingenstage lopen in een onderneming in elk schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart.
   Die leerlingenstage:
   1° strekt ertoe de leerling te laten kennismaken met een beroep of een specifieke werkplek;
   2° kan maximaal één week bedragen;
   3° hoeft geen deel uit te maken van het leerprogramma dat de leerling volgt, maar mag geen afbreuk doen aan het bereiken van de doelen ervan;
   4° vereist het voorafgaand akkoord van de begeleidende klassenraad en van de betrokken personen.
   § 3. Een leerling die nog voltijds leerplichtig is, kan observatieactiviteiten verrichten in een onderneming, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, in elk schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin eventueel met een duaal structuuronderdeel wordt gestart. Deze observatieactiviteiten dienen aan dezelfde voorwaarden te voldoen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
   § 4. Tijdens de verkennende leerlingenstage is een vertegenwoordiger van de opleidingsverstrekker waar de leerling is ingeschreven, bereikbaar. Die verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de eventuele statutaire rechten van de individuele personeelsleden.
   Als de uitvoering van de verplichting, vermeld in deze paragraaf, voor personeelsleden verplichtingen met zich meebrengt die er anders niet geweest zouden zijn, voorziet het bestuur van de aanbieder duaal leren in een passende compensatieregeling. In voorkomend geval wordt erover onderhandeld in het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad. Die regeling vergt het uitdrukkelijke, schriftelijke en voorafgaande akkoord van het betrokken personeelslid.]1

  [2 Een personeelslid kan met het oog op de verplichting, vermeld in het tweede lid, en onverminderd de daar gestelde verplichting om in een passende compensatieregeling te voorzien, op vrijwillige basis de jaarlijkse vakantie, die van kracht is in de school of het centrum waar hij is aangesteld, in een andere periode van het schooljaar opnemen met inachtneming van de organisatie van de school en onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de school of het centrum in het gemeenschapsonderwijs of van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs. In het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad worden daarover verdere criteria en afspraken onderhandeld, waarbij alleszins rekening wordt gehouden met het volgende:
   1° de termijn van aanvraag om als personeelslid in een andere periode vakantie op te nemen;
   2° de periode van afwijking van de jaarlijkse vakantie in de school of het centrum.
   De jaarlijkse vakantie als vermeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]2

  
Art. 357/9. [1 § 1er. Dans l'année scolaire précédant l'année scolaire dans laquelle une subdivision structurelle duale est éventuellement commencée, un avis non contraignant est rendu à l'élève. L'avis est rendu à temps, en vue d'un choix et d'une progression d'études aisés de l'élève.
   L'avis non contraignant concerne la participation à une subdivision structurelle duale et documente la disposition au travail et la maturité au travail de l'élève.
   Le caractère non contraignant de l'avis garantit la liberté de choix de l'élève et ne constitue pas de condition d'admission pour une subdivision structurelle duale.
   Dans l'alinéa 2, on entend par :
   1° disposé au travail : motivé pour apprendre et pour participer sur le lieu de travail ;
   2° mûr pour le travail : compétent pour apprendre et pour participer sur le lieu de travail.
   § 2. Sans préjudice de l'application de l'article 123/20, un élève qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein peut faire un stage d'élèves de prospection dans une entreprise dans chaque année scolaire précédant l'année scolaire dans laquelle la subdivision structurelle duale est éventuellement commencée.
   Ce stage d'élèves :
   1° vise à permettre à l'élève de découvrir une profession ou un lieu de travail spécifique ;
   2° peut durer une semaine au maximum ;
   3° ne doit pas faire partie du programme d'apprentissage suivi par l'élève, mais ne peut pas porter préjudice à la réalisation de ses objectifs ;
   4° requiert l'accord préalable du conseil de classe accompagnateur et des personnes concernées.
   § 3. Un élève qui est encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein, peut effectuer des activités d'observation dans une entreprise, sans participer effectivement au processus du travail, dans chaque année scolaire précédant l'année scolaire dans laquelle la subdivision structurelle duale est éventuellement commencée. Ces activités d'observation doivent répondre aux mêmes conditions que celles visées au paragraphe 2, alinéa 2.
   § 4. Pendant le stage d'élèves de prospection, un représentant du dispensateur de formation où l'élève est inscrit, peut être contacté. Cette obligation ne peut toutefois pas porter préjudice aux droits statutaires éventuels des membres du personnel individuels.
   Si l'exécution de l'obligation, visée au présent paragraphe, entraîne pour les membres du personnel des obligations qui n'auraient pas existé autrement, l'administration du prestataire de la formation duale prévoit un régime de compensation approprié. Le cas échéant, il en est négocié au sein du comité local compétent ou au sein du conseil d'entreprise. Ce régime requiert l'accord explicite, écrit et préalable du membre du personnel concerné.]1

  [2 Aux fins de l'obligation visée à l'alinéa 2, et sans préjudice de l'obligation qui y est prévue en vue de prévoir une compensation appropriée, le membre du personnel peut, sur une base volontaire, prendre le congé annuel de vacances en vigueur dans l'école ou le centre auquel il a été désigné pendant une autre période de l'année scolaire, en tenant compte de l'organisation de l'école et sous la responsabilité du directeur de l'école ou du centre dans l'enseignement communautaire ou du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné. D'autres critères et accords sont négociés au sein du comité local compétent ou du conseil d'entreprise, en tenant compte en tout état de cause des éléments suivants :
   1° le délai de demande pour prendre des vacances en qualité de membre du personnel dans une autre période ;
   2° la période d'écart par rapport au congé annuel de vacances dans l'école ou le centre.
   Le congé annuel de vacances tel que visé à l'alinéa 3, est assimilé à une période d'activité de service.]2

  
Art. 357/10. [1 In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° equivalent leefloongerechtigde: de persoon die recht heeft op bijstand van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, waarvoor de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de federale overheid zijn op basis van artikel 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
   2° leefloongerechtigde: de persoon, vermeld in artikel 2 en 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of de behoeftige, vermeld in artikel 5 van de voormelde wet van 2 april 1965.
   Het niet-bindende advies, vermeld in artikel 357/9, wordt gegeven op de volgende wijze:
   1° voor een leerling uit een niet-duaal ingericht arbeidsmarktgericht structuuronderdeel en voor een leerling uit een niet-duaal ingericht structuuronderdeel met dubbele finaliteit wordt het advies verplicht gegeven door de klassenraad van dat structuuronderdeel;
   2° voor een zijinstromer, die geen leefloongerechtigde of equivalent leefloongerechtigde is, wordt het advies gegeven door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding gaat daarbij na wat de meest passende opleiding in zijn traject naar werk is. Bij een negatief advies voor duaal leren stelt de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding een meer passend opleidings- of begeleidingstraject aan de zijinstromer voor;
   3° voor een zijinstromer, die een leefloongerechtigde of equivalent leefloongerechtigde is, wordt het advies gegeven door het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;
   4° in alle andere situaties wordt het advies verstrekt op vraag van de leerling of de betrokken personen, door de klassenraad van het voorafgaande structuuronderdeel of door de trajectbegeleider van de aanbieder duaal leren waar de leerling duaal leren wensen te volgen.
   In afwachting van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019, wordt het advies, vermeld in punt 1°, gegeven in structuuronderdelen die na concordantie door de Vlaamse Regering beschouwd worden als structuuronderdelen met arbeidsmarktgerichte of dubbele finaliteit.]1

  
Art. 357/10. [1 Dans le présent article, on entend par :
   1° équivalent du bénéficiaire du revenu d'intégration : la personne qui a droit à l'assistance du Centre public d'Action sociale, prise en charge, en tout ou en partie, par l'autorité fédérale sur la base de l'article 5 de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale ;
   2° bénéficiaire du revenu d'intégration : la personne, visée aux articles 2 et 3 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, ou le nécessiteux, visé à l'article 5, de la loi précitée du 2 avril 1965.
   L'avis non contraignant, visé à l'article 357/9, est rendu de la manière suivante :
   1° pour un élève d'une subdivision structurelle non duale orientée sur le marché de l'emploi et pour un élève d'une subdivision structurelle non duale à double finalité, l'avis est rendu obligatoirement par le conseil de classe de cette subdivision structurelle ;
   2° pour un entrant indirect, qui n'est pas de bénéficiaire du revenu d'intégration ou d'équivalent du bénéficiaire du revenu d'intégration, l'avis est rendu par l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle. L'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle examine quelle est la formation la plus appropriée dans son parcours vers l'emploi. En cas d'un avis négatif pour la formation duale, l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle propose un parcours de formation ou d'accompagnement plus approprié à l'entrant indirect ;
   3° pour un entrant indirect, qui est un bénéficiaire du revenu d'intégration ou un équivalent du bénéficiaire du revenu d'intégration, l'avis est rendu par le Centre public d'Action sociale ;
   4° dans toutes les autres situations, l'avis est rendu à la demande de l'élève ou des personnes concernées, par le conseil de classe de la subdivision structurelle précédente ou par l'accompagnateur de parcours du prestataire de la formation duale où l'élève souhaite suivre la formation duale.
   Dans l'attente du déploiement progressif de la modernisation de l'enseignement secondaire à partir du 1er septembre 2019, l'avis visé au point 1° est rendu dans des subdivisions structurelles qui sont considérées après la concordance par le Gouvernement flamand comme des subdivisions structurelles à finalité orientée sur le marché de l'emploi ou à finalité double.]1

  
Art. 357/11. [1 Om als regelmatige leerling tot een duaal structuuronderdeel te kunnen worden toegelaten, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht;
   2° beantwoorden aan de specifieke toelatingsvoorwaarden tot het duale structuuronderdeel in kwestie zoals bepaald in het standaardtraject; in afwijking hiervan geldt voor leerlingen die hetzij [2 overstappen van een school met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België]2 en al dan niet onthaalonderwijs hebben gevolgd, hetzij overstappen van een school voor buitengewoon secundair onderwijs, behoudens opleidingsvorm 4, een gunstige beslissing met betrekking tot vereiste vooropleiding of studiebewijzen van de klassenraad die beslist over de toelating als toelatingsvoorwaarde, zonder afbreuk te doen aan de specifieke toelatingsvoorwaarden van het duale structuuronderdeel;
   3° voor zijinstromers een gunstige beslissing van de klassenraad gekregen hebben.
  [3 ...]3]1

  
Art. 357/11. [1 Pour être admis comme élève régulier à une subdivision structurelle duale, les conditions suivantes doivent être remplies :
   1° avoir rempli l'obligation scolaire à temps plein ;
   2° répondre aux conditions spécifiques d'admission à la subdivision structurelle duale en question, telles que définies au parcours standard ; par dérogation à cette disposition, une décision favorable relative à la formation préalable ou aux titres du conseil de classe qui décide de l'admission, vaut comme condition d'admission pour les élèves qui sont soit [2 qui passent d'une école ayant un système d'enseignement étranger ou d'une école agréée par la Communauté française ou germanophone de Belgique]2 et qui ont suivi ou non l'enseignement d'accueil, soit passent d'une école d'enseignement secondaire spécial, sauf la forme d'enseignement 4, sans préjudice des conditions spécifiques d'admission de la subdivision structurelle duale ;
   3° pour les entrants indirects, avoir obtenu une décision favorable du conseil de classe.
  [3 ...]3]1

  
Art. 357/12. [1 De klassenraad van een niet-duaal structuuronderdeel beslist over de instap van een leerling die overkomt uit een duaal structuuronderdeel en alleen in het bezit is van een bewijs van beroepskwalificatie, een bewijs van deelkwalificatie of een bewijs van competenties.]1
  
Art. 357/12. [1 Le conseil de classe d'une subdivision structurelle non duale décide de la participation d'un élève qui vient d'une subdivision structurelle duale et qui est uniquement en possession d'une preuve de qualification professionnelle, d'une preuve de qualification partielle ou d'une preuve de compétences.]1
  
Art. 357/13. [1 Tot en met de eerste lesdag van november kan een leerling van rechtswege instappen in een duaal structuuronderdeel als die leerling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden. Leerlingen die na de eerste lesdag van november willen instappen, worden toegelaten via een klassenraad.]1
  
Art. 357/13. [1 Jusqu'au premier jour de classe inclus de novembre, un élève peut entamer de plein droit une subdivision structurelle duale si cet élève répond aux conditions d'admission. Les élèves qui souhaitent commencer après le premier jour de classe de novembre, sont admis par la biais d'un conseil de classe.]1
  
Art. 357/14. [1 De trajectbegeleider en de mentor zijn ambtshalve stemgerechtigde leden van de klassenraad.
   In afwijking van het eerste lid is de mentor geen lid van de klassenraad als die klassenraad zou beslissen over de toelating van leerlingen in het kader van de toelatingsvoorwaarden.
   De Vlaamse Regering bepaalt de praktische afspraken over het functioneren van de mentor in de klassenraad.]1

  
Art. 357/14. [1 L'accompagnateur de parcours et le tuteur sont d'office membres ayant voix délibérative du conseil de classe.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le tuteur n'est pas membre du conseil de classe si celui-ci décide sur l'admission d'élèves dans le cadre des conditions d'admission.
   Le Gouvernement flamand détermine les accords pratiques sur le fonctionnement du tuteur au sein du conseil de classe.]1

  
Art. 357/15. [1 Met behoud van de toepassing van de bestaande vrijstellingsmogelijkheden voor bepaalde onderdelen van een structuuronderdeel, kan de klassenraad beslissen om vrijstelling te verlenen voor delen van of voor het geheel van de algemene vorming vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van achttien jaar bereikt.
   Bij een vrijstelling als vermeld in het eerste lid, voorziet de klassenraad in een alternatieve invulling van de vrijgekomen opleidingsuren.]1

  
Art. 357/15. [1 Sans préjudice de l'application des possibilités existantes de dispense pour certaines parties d'une subdivision structurelle, le conseil de classe peut décider d'accorder une dispense pour des parties ou l'ensemble de la formation générale à partir de l'année scolaire qui commence dans l'année calendaire pendant laquelle le jeune atteint l'âge de dix-huit ans.
   En cas d'une dispense telle que visée à l'alinéa 1er, le conseil de classe prévoit une concrétisation alternative des heures de formation libérées.]1

  
Art. 357/17. [1 Het school- of centrumreglement bevat, naast de bepalingen die ook gelden voor niet-duale structuuronderdelen, de volgende specifieke bepalingen voor duale structuuronderdelen:
   1° de leerling schikt zich naar alle mogelijke maatregelen die de aanbieder duaal leren neemt om de component werkplekleren ononderbroken invulling te geven met inbegrip van het intakegesprek en de trajectbegeleiding;
   2° de verduidelijking van het orgaan "klassenraad", met de expliciete vermelding dat de trajectbegeleider en mentor er stemgerechtigd deel van uitmaken;
   3° de omstandigheden waaronder de aanbieder duaal leren, met toepassing van de vigerende decreetgeving, tot de uitschrijving van een leerling kan of moet overgaan.]1

  
Art. 357/17. [1 Le règlement scolaire ou de centre comprend, outre les dispositions qui s'appliquent également aux subdivisions structurelles non duales, les dispositions spécifiques suivantes pour les subdivisions structurelles duales :
   1° l'élève se conforme à toutes les mesures possibles que le prestataire de la formation duale prend afin de concrétiser de manière ininterrompue la composante apprentissage sur le lieu de travail, y compris l'entretien d'entrée et l'accompagnement de parcours ;
   2° l'explicitation de l'organe " conseil de classe ", avec la mention explicite que l'accompagnateur de parcours et le tuteur y ont voix délibérative ;
   3° les circonstances auxquelles le prestataire de la formation duale, en application de la législation décrétale en vigueur, peut ou doit procéder à la désinscription d'un élève.]1

  
Art. 357/18. [1 Voor een regelmatige leerling die zijn opleiding in de loop van of op het einde van het schooljaar beëindigt, beslist de klassenraad, na evaluatie, over de studiebekrachtiging. De studiebekrachtiging in duale structuuronderdelen is gebaseerd op onderwijskwalificaties en beroepskwalificaties of op onderdelen ervan.
   De Vlaamse Regering legt de lijst van studiebewijzen vast die uitgereikt kunnen worden in duale structuuronderdelen.]1

  
Art. 357/18. [1 Pour un élève régulier qui termine sa formation au cours ou à la fin de l'année scolaire, le conseil de classe décide, après évaluation, de la validation des études. La validation des études dans les subdivisions structurelles duales est basée sur des qualifications d'enseignement et des qualifications professionnelles ou sur des parties de celles-ci.
   Le Gouvernement flamand établit la liste des titres pouvant être délivrés dans des subdivisions structurelles duales.]1

  
Art. 357/19. [1 In een duaal structuuronderdeel hebben gepaste en redelijke aanpassingen voor een leerling met specifieke onderwijsbehoeften als vermeld in artikel 136/2, zowel betrekking op de schoolcomponent als op de werkplekcomponent. De klassenraad werkt daarvoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding, de betrokken personen en, voor de aanpassingen op de werkplek, met de onderneming. De Vlaamse Regering kan voorzien in een ondersteuning van de werkgever om eventuele gepaste en redelijke aanpassingen door te voeren.]1
  
Art. 357/19. [1 Dans une subdivision structurelle duale, des aménagements appropriés et raisonnables pour un élève à besoins éducatifs spécifiques tels que visés à l'article 136/2, concernent tant la composante scolaire que la composante du lieu de travail. A cette fin, le conseil de classe coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente avec le centre d'encadrement des élèves, les personnes concernées et, pour les aménagements sur le lieu de travail, avec l'entreprise. Le Gouvernement flamand peut prévoir un soutien de l'employeur afin d'effectuer des aménagements appropriés et raisonnables éventuels.]1
  
Art. 357/19/1. [1 Artikel 357/9, § 1, artikel 357/10 tot en met 357/13, artikel 357/14, eerste en tweede lid, artikel 357/16 en artikel 357/18 houden op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data:
   1° 14 juni 2022: in het eerste leerjaar van de tweede graad;
   2° 31 augustus 2022: in het tweede leerjaar van de tweede graad;
   3° 31 augustus 2023: in het eerste leerjaar van de derde graad;
   4° 31 augustus 2024: in het tweede leerjaar van de derde graad;
   5° 31 augustus 2025: in het derde leerjaar van de derde graad.]1

  
Art. 357/19/1. [1 L'article 357/9, § 1er, les articles 357/10 à 357/13, l'article 357/14, alinéas 1er et 2, l'article 357/16 et l'article 357/18 cessent de produire leurs effets par suite de la modernisation de l'enseignement secondaire aux dates suivantes :
   1° 14 juin 2022 : en première année d'études du deuxième degré ;
   2° 31 août 2022 : en deuxième année d'études du deuxième degré ;
   3° 31 août 2023 : en première année d'études du troisième degré ;
   4° 31 août 2024 : en deuxième année d'études du troisième degré ;
   5° 31 août 2025 : en troisième année d'études du troisième degré.]1

  
Titel 6. [1 Arbeidsdeelname]1
Titre 6. [1 Participation au marché de l'emploi]1
Art. 357/20. [1 [2 het Vlaams Partnerschap Duaal Leren]2 staat als regisseur van de werkplekcomponent in voor de uitbouw en het beheer van een duurzaam netwerk van erkende leerondernemingen.]1
  
Art. 357/20. [1 En tant que régisseur de la composante du lieu de travail, [2 le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual]2 assure le développement et la gestion d'un réseau durable d'entreprises d'apprentissage agréées.]1
  
Art. 357/21. [1 De aanbieder duaal leren en de leerling kiezen samen een geschikte werkplek. Ze kunnen daarbij een beroep doen op de sector of [2 het Vlaams Partnerschap Duaal Leren]2.
   Tussen de onderneming of de vertegenwoordiger van de onderneming en de leerling vindt een intakegesprek plaats, met het oog op het sluiten van een overeenkomst in het kader van een duaal structuuronderdeel. De leerling kan daarbij ondersteund worden door de trajectbegeleider bij onder andere het intakegesprek, de voorbereiding en de opvolging ervan.]1

  
Art. 357/21. [1 Le prestataire de la formation duale et l'élève choisissent ensemble un lieu de travail approprié. A cet effet, ils peuvent faire appel au secteur ou à [2 le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual]2.
   Un entretien d'entrée a lieu entre l'entreprise ou le représentant de l'entreprise et l'élève, en vue de la conclusion d'un contrat dans le cadre d'une subdivision structurelle duale. L'élève peut être soutenu par l'accompagnateur de parcours pendant, entre autres, l'entretien d'entrée, la préparation et le suivi de celui-ci.]1

  
Art. 357/22. [1 De leerling heeft twintig opleidingsdagen per schooljaar waarop hij geen overeenkomst hoeft te hebben. Die dagen beginnen te tellen vanaf de eerste lesbijwoning na inschrijving of vanaf de eerste lesbijwoning na de beëindiging van een eerdere overeenkomst, tot het moment dat er een overeenkomst wordt afgesloten. Als die periode van twintig opleidingsdagen opgebruikt is, wordt de leerling uitgeschreven. De Vlaamse Regering kan voorzien in uitzonderingen waarbij die twintig opleidingsdagen kunnen worden verlengd.
   In het eerste lid wordt verstaan onder opleidingsdag: een dag waarop opleiding in de vorm van lessen of met lessen gelijkgestelde activiteiten of opleiding op de werkplek wordt georganiseerd.
   Zolang er geen overeenkomst loopt, wordt de opleiding altijd volledig georganiseerd via onderwijs bij de aanbieder duaal leren van minstens 28 opleidingsuren.]1

  
Art. 357/22. [1 L'élève a vingt jours de formation par année scolaire auxquels il ne doit pas avoir de contrat. Ces jours commencent à compter à partir de la première fréquentation des cours après l'inscription ou après la cessation d'un contrat précédent, jusqu'au moment où un contrat est conclu. Si cette période de vingt jours de formation est épuisée, l'élève est désinscrit. Le Gouvernement flamand peut prévoir des exceptions où ces vingt jours de formation peuvent être prolongés.
   Dans l'alinéa 1er, on entend par jour de formation : un jour auquel est organisée une formation sous forme de cours ou d'activités assimilées à des cours ou une formation sur le lieu de travail.
   Tant qu'il n'y a pas de contrat, la formation est toujours entièrement organisée par le biais d'enseignement auprès du prestataire de la formation duale d'au moins 28 heures de formation.]1

  
Art. 357/23. [1 Tijdens de periodes dat de leerling de werkplekcomponent effectief invult, is een vertegenwoordiger van de aanbieder duaal leren waar de leerling is ingeschreven, bereikbaar. Die verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de eventuele statutaire rechten van de individuele personeelsleden.
   Als de uitvoering van de verplichting, vermeld in het eerste lid, voor personeelsleden verplichtingen met zich meebrengt die er anders niet geweest zouden zijn, voorziet het bestuur van de aanbieder duaal leren in een passende compensatieregeling. In voorkomend geval wordt erover onderhandeld in het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad. Die regeling vergt het uitdrukkelijke, schriftelijke en voorafgaande akkoord van het betrokken personeelslid.]1

  [2 Een personeelslid kan met het oog op de verplichting, vermeld in het tweede lid, en onverminderd de daar gestelde verplichting om in een passende compensatieregeling te voorzien, op vrijwillige basis de jaarlijkse vakantie, die van kracht is in de school of het centrum waar hij is aangesteld, in een andere periode van het schooljaar opnemen met inachtneming van de organisatie van de school of het centrum en onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de school in het gemeenschapsonderwijs of van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs. In het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad worden daarover verdere criteria en afspraken onderhandeld, waarbij alleszins rekening wordt gehouden met het volgende:
   1° de termijn van aanvraag om als personeelslid in een andere periode vakantie op te nemen;
   2° de periode van afwijking van de jaarlijkse vakantie in de school of het centrum.
   De jaarlijkse vakantie als vermeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]2

  
Art. 357/23. [1 Pendant les périodes que l'élève remplit effectivement la composante du lieu de travail, un représentant du prestataire de la formation duale où l'élève est inscrit doit pouvoir être contacté. Cette obligation ne peut toutefois pas porter préjudice aux droits statutaires éventuels des membres du personnel individuels.
   Si l'exécution de l'obligation, visée à l'alinéa 1er, entraîne pour les membres du personnel des obligations qui n'auraient pas existé autrement, l'administration du prestataire de la formation duale prévoit un régime de compensation approprié. Le cas échéant, il en est négocié au sein du comité local compétent ou au sein du conseil d'entreprise. Ce régime requiert l'accord explicite, écrit et préalable du membre du personnel concerné.]1

  [2 Aux fins de l'obligation visée à l'alinéa 2, et sans préjudice de l'obligation qui y est prévue en vue de prévoir une compensation appropriée, le membre du personnel peut, sur une base volontaire, prendre le congé annuel de vacances en vigueur dans l'école ou le centre auquel il a été désigné pendant une autre période de l'année scolaire, en tenant compte de l'organisation de l'école ou du centre et sous la responsabilité du directeur de l'école ou du centre dans l'enseignement communautaire ou du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné. D'autres critères et accords sont négociés au sein du comité local compétent ou du conseil d'entreprise, en tenant compte en tout état de cause des éléments suivants :
   1° le délai de demande pour prendre des vacances en qualité de membre du personnel dans une autre période ;
   2° la période d'écart par rapport au congé annuel de vacances dans l'école ou le centre.
   Le congé annuel de vacances tel que visé à l'alinéa 3, est assimilé à une période d'activité de service.]2

  
Art. 357/24. [1 Tijdens de periode waarin de leerling niet beschikt over een overeenkomst of tijdens de periode van arbeidsdeelname kan er worden voorzien in extra begeleiding voor de leerling. Die extra begeleiding is mogelijk na overleg met de eventuele onderneming, de aanbieder duaal leren en de leerling. De noodzaak ervan wordt opgenomen in het opleidingsplan van de leerling. De extra begeleiding wordt in de eerste plaats geboden door de aanbieder duaal leren. Die aanbieder kan daarvoor ondersteuning vragen van een organisator. Deze extra ondersteuning kan nooit ter vervanging van de voorziene trajectbegeleiding worden ingericht. De Vlaamse Regering kan het verdere kader uitwerken waarbinnen zulke ondersteuning vorm dient te krijgen.]1
  
Art. 357/24. [1 Pendant la période dans laquelle l'élève ne dispose pas d'un contrat ou pendant la période de participation au marché de l'emploi, un accompagnement supplémentaire peut être prévu pour l'élève. Cet accompagnement supplémentaire est possible après concertation avec l'entreprise éventuelle, le prestataire de la formation duale et l'élève. Sa nécessité est reprise dans le plan de formation de l'élève. L'accompagnement supplémentaire est offert en premier lieu par le prestataire de la formation duale. Ce prestataire peut demander le soutien d'un organisateur à cet effet. Ce soutien supplémentaire ne peut jamais remplacer l'accompagnement de parcours prévu. Le Gouvernement flamand peut élaborer les détails du cadre dans lequel un tel soutien doit être concrétisé.]1
  
Titel 7. [1 Financiering of subsidiëring van de aanbieders]1
Titre 7. [1 Financement ou subventionnement des prestataires]1
Art. 357/25. [1 Uitsluitend voor de financiering of subsidiëring in de vorm van personeelsomkadering van duale structuuronderdelen als voltijds secundair onderwijs, ingericht door een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, gelden de berekeningsmodaliteiten van het deeltijds beroepssecundair onderwijs.]1
  [2 Het eerste lid is niet van toepassing voor de uren-leraar voor anderstalige nieuwkomers in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.]2
  
Art. 357/25. [1 Les modalités de calcul de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel s'appliquent exclusivement au financement ou au subventionnement sous la forme d'encadrement du personnel de subdivisions structurelles duales comme enseignement secondaire à temps plein, organisé par un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises.]1
  [2 L'alinéa 1er ne s'applique pas aux périodes-professeur pour les primo-arrivants allophones dans un centre de formation d'indépendants et de petites et moyennes entreprises.]2
  
Art. 357/26. [1 Het resultaat van de berekening, uitgedrukt in een pakket uren-leraar, wordt voor elk centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen omgezet in een krediet op basis van de gemiddelde bruto loonkosten op jaarbasis van een uur-leraar in het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar van toekenning, wordt als jaarbasis genomen.
   Voor de vaststelling van de subsidiëring van duale structuuronderdelen georganiseerd door centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden de regelmatige leerlingen geteld op de eerste lesdag van oktober van het lopende schooljaar voor zolang in die centra ook opleidingen worden georganiseerd die niet duaal zijn maar gebaseerd op het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. Vanaf het schooljaar dat laatstbedoelde opleidingen niet meer in die centra worden georganiseerd, worden de regelmatige leerlingen geteld op de eerste lesdag van februari van het voorafgaand schooljaar.
   Het resultaat van de berekening, uitgedrukt in een globale puntenenveloppe, wordt voor elk centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen omgezet in een krediet op basis van de gemiddelde bruto loonkosten op jaarbasis van een punt in het secundair onderwijs. Het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar van toekenning, wordt als jaarbasis genomen.
   Het aldus toegekende totale krediet kan door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen uitsluitend voor de personeelsomkadering van duale structuuronderdelen worden aangewend. Het toegekende werkingsbudget kan door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen uitsluitend voor de werking van duale structuuronderdelen worden aangewend. [2 In afwijking van de bepalingen uit dit lid kunnen vanaf schooljaar 2023-2024 de personeelsomkadering en het werkingsbudget die worden gegenereerd door inschrijvingen in duale opleidingen, ook aangewend worden in de leertijd. Dit kan enkel toegepast worden als alle subsidies voor de leertijd, toegekend conform de geldende regelgeving betreffende de subsidiëring van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in uitvoering van hoofdstuk VI, afdeling 6, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", zijn uitgeput.]2
   Het krediet voor de personeelsomkadering en het werkingsbudget worden aan een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gelijktijdig toegekend volgens de voorschot- en saldoregeling die van toepassing is voor de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs.]1

  
Art. 357/26. [1 Le résultat du calcul, exprimé en un capital périodes-professeur, est converti pour chaque centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en un crédit sur la base des frais salariaux bruts moyens sur une base annuelle d'une période-professeur dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. L'année scolaire précédant l'année scolaire d'octroi, est prise comme base annuelle.
   Pour l'établissement du subventionnement de subdivisions structurelles duales organisées par des centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, les élèves réguliers sont comptés le premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours tant que ces centres organisent également des formations non duales mais basées sur le décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande. A partir de l'année scolaire pendant laquelle les dernières formations ne sont plus organisées dans ces centres, les élèves réguliers sont comptés le premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente.
   Le résultat du calcul, exprimé en une enveloppe globale de points, est converti pour chaque centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, en un crédit sur la base des frais salariaux bruts moyens sur une base annuelle d'un point dans l'enseignement secondaire. L'année scolaire précédant l'année scolaire d'octroi, est prise comme base annuelle.
   Le crédit total ainsi accordé ne peut être affecté par un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises qu'à l'encadrement du personnel des subdivisions structurelles duales. Le budget de fonctionnement accordé ne peut être affecté par un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises qu'au fonctionnement des subdivisions structurelles duales. [2 Par dérogation aux dispositions du présent alinéa, à partir de l'année scolaire 2023-2024, l'encadrement du personnel et le budget de fonctionnement générés par les inscriptions dans des formations duales peuvent également être affectés en période d'apprentissage. Cette possibilité s'applique uniquement après l'épuisement de toutes les subventions pour l'apprentissage, accordées conformément à la réglementation en vigueur relative au subventionnement des centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises en exécution du chapitre VI, section 6, du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle).]2
   Le crédit pour l'encadrement du personnel et le budget de fonctionnement sont accordés simultanément à un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises selon le règlement des avances et du solde applicable aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire.]1

  
Art. 357/27. [1 Met behoud van de aanwendingsmogelijkheden van het pakket uren-leraar, zoals respectievelijk bepaald in of krachtens deze codex en het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, gelden de volgende specifieke en deels afwijkende bepalingen voor duale structuuronderdelen:
   1° een aantal uren-leraar wordt aangewend als uren die geen lesuren zijn in de vorm van trajectbegeleiding en aangeduid als "trajectbegeleiding duaal". De Vlaamse Regering kan voor de voormelde aanwending een minimum bepalen dat kan variëren naargelang van het structuuronderdeel of de groep van structuuronderdelen;
   2° uren-leraar kunnen in alle duale structuuronderdelen worden aangewend voor [2 gastleraren]2. De Vlaamse Regering kan voor de voormelde aanwending een maximum bepalen dat kan variëren naargelang van het structuuronderdeel of de groep van structuuronderdelen;
   3° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen uren-leraar door een aanbieder aan een andere aanbieder, ook van een ander net, worden overgedragen voor de organisatie van een deel van duale structuuronderdelen.
   Bij de overdracht van een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs aan een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden de desbetreffende uren-leraar omgezet in een krediet volgens parameters die de Vlaamse Regering vastlegt. Dezelfde parameters worden toegepast indien een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen uren uitbesteedt aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
   4° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen uren-leraar door een aanbieder aan een centrum voor volwassenenonderwijs, ook van een ander net, worden overdragen voor de organisatie van een deel van duale structuuronderdelen.]1

  
Art. 357/27. [1 Sans préjudice des possibilités d'affectation du capital périodes-professeur, telles que fixées respectivement dans ou en vertu du présent code et du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, les dispositions spécifiques et partiellement divergentes suivantes s'appliquent aux subdivisions structurelles duales :
   1° un certain nombre de périodes-professeur sont affectées comme des heures qui ne sont pas des heures de cours sous forme d'accompagnement de parcours et sont désignées comme " accompagnement de parcours dual ". Pour l'affectation précitée, le Gouvernement flamand peut arrêter un minimum qui peut varier selon la subdivision structurelle ou le groupe de subdivisions structurelles ;
   2° dans toutes les subdivisions structurelles duales, les périodes-professeur peuvent être affectées à des [2 enseignants invités ]2. Pour l'affectation précitée, le Gouvernement flamand peut arrêter un maximum qui peut varier selon la subdivision structurelle ou le groupe de subdivisions structurelles ;
   3° aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, des périodes-professeur peuvent être transférées par un prestataire à un autre prestataire, également d'un autre réseau, pour l'organisation d'une partie des subdivisions structurelles duales.
   Lors du transfert d'une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel à un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, les périodes-professeur concernées sont converties en un crédit selon des paramètres fixés par le Gouvernement flamand. Les mêmes paramètres sont appliqués si un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises sous-traite des heures à une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ;
   4° aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, des périodes-professeur peuvent être transférées par un prestataire à un centre d'éducation des adultes, également d'un autre réseau, pour l'organisation d'une partie des subdivisions structurelles duales.]1

  
Art. 357/28. [1 Op de personeelsleden van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen die voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen in het gewoon secundair onderwijs, zijn de overeenkomstige reglementaire salarisschalen van toepassing.
   Op de personeelsleden van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding niet van toepassing]1

  
Art. 357/28. [1 Les échelles de traitement réglementaires correspondantes s'appliquent aux membres du personnel d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises qui remplissent les conditions réglementaires en matière de titres dans l'enseignement secondaire ordinaire.
   Aux membres du personnel d'un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves ne s'applique pas.]1

  
Titel 8. [1 Subsidiëring van de organisatoren]1
Titre 8. [1 Subventionnement des organisateurs]1
Art. 357/29. [1 De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten subsidies verlenen aan de organisatoren. De organisatoren worden gesubsidieerd op basis van effectieve prestaties [2 ...]2in de ondersteuning op de werkplek.
   De Vlaamse Regering bepaalt:
   1° de selectieprocedure die gebruikt wordt om de organisatoren aan te wijzen;
   2° de organisatoren die in aanmerking komen voor ondersteuning op de werkplek;
   3° de hoogte van de subsidie;
   4° de voorwaarden waaronder deze subsidies kunnen worden toegekend en eventueel ingetrokken;
   5° de maximale subsidieerbare ondersteuning;
   6° de evaluatie en duur van de trajecten.]1

  
Art. 357/29. [1 Dans les limites des crédits disponibles, le Gouvernement flamand peut accorder des subventions aux organisateurs. Les organisateurs sont subventionnés sur la base des prestations effectives[2 ...]2 dans le soutien sur le lieu de travail.
   Le Gouvernement flamand arrête :
   1° la procédure de sélection utilisée pour désigner les organisateurs ;
   2° les organisateurs éligibles au soutien sur le lieu de travail ;
   3° le montant de la subvention ;
   4° les conditions auxquelles ces subventions peuvent être accordées et éventuellement retirées ;
   5° le soutien subventionnable maximal ;
   6° l'évaluation et la durée des parcours.]1

  
Titel 9. [1 Kwaliteitstoezicht]1
Titre 9. [1 Contrôle de la qualité]1
Art. 357/30. [1 Het kwaliteitstoezicht op duale structuuronderdelen verloopt conform de bepalingen van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
   Onverminderd het eerste lid, wordt voor duale structuuronderdelen het kwaliteitstoezicht gezamenlijk uitgevoerd door de onderwijsinspectie en [2 het Departement Werk en Sociale Economie]2. De onderwijsinspectie neemt de coördinerende rol op voor het geheel van het kwaliteitstoezicht op het leertraject. De onderwijsinspectie coördineert het kwaliteitstoezicht op de schoolcomponent. [2 Het Departement Werk en Sociale Economie]2 - wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de doorlichting als extern deskundige, vermeld in artikel 37 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. [2 Het Departement Werk en Sociale Economie]2 - coördineert het kwaliteitstoezicht van de werkplekcomponent binnen het leertraject. De onderwijsinspectie wordt uitgenodigd voor dat toezicht.
   De Vlaamse Regering kan de verdere modaliteiten van het toezicht bepalen.
   Tussen de onderwijsinspectie en [3 het Departement Werk en Sociale Economie]3 wordt een samenwerkingsovereenkomst over de operationalisering van het toezicht gesloten.
   In het tweede lid wordt verstaan onder leertraject: het geheel van de schoolcomponent en de werkplekcomponent.]1

  
Art. 357/30. [1 Le contrôle de la qualité des subdivisions structurelles duales se déroule conformément aux dispositions du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.
   Sans préjudice de l'alinéa 1er, le contrôle de la qualité de subdivisions structurelles duales est effectué conjointement par l'inspection de l'enseignement et [2 le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2. L'inspection de l'enseignement assume le rôle coordinateur pour l'ensemble du contrôle de la qualité du parcours d'apprentissage. L'inspection de l'enseignement coordonne le contrôle de la qualité de la composante scolaire. [2 Le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2 est invitée à participer à l'audit comme expert externe, visé à l'article 37 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. [2 Le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2 coordonne le contrôle de la qualité de la composante du lieu de travail au sein du parcours d'apprentissage. L'inspection de l'enseignement est invitée à ce contrôle.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités du contrôle.
   Entre l'inspection de l'enseignement et [3 le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]3, il est conclu un accord de coopération sur l'opérationnalisation du contrôle.
   Dans l'alinéa 2, on entend par parcours d'apprentissage : l'ensemble de la composante scolaire et de la composante du lieu de travail.]1

  
Titel 10. [1 Monitoring]1
Titre 10. [1 Suivi]1
Art. 357/31. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de manier van monitoren van leerlingen in duale structuuronderdelen, waarbij minstens de start- en einddatum van elke individuele leerling in de arbeidsdeelname worden gemonitord.
   De Vlaamse Regering bepaalt eveneens de te koppelen gegevens tussen het beleidsdomein Onderwijs en het beleidsdomein Werk die nodig zijn om de monitoring uit te voeren.]1

  
Art. 357/31. [1 Le Gouvernement flamand détermine le mode de suivi des élèves dans des subdivisions structurelles duales, où au moins la date de début et de fin de chaque élève individuel dans la participation au marché de l'emploi sont suivies.
   Le Gouvernement flamand détermine également les données à lier entre le domaine politique de l'Enseignement et le domaine politique de l'Emploi, qui sont nécessaires à effectuer le suivi.]1

  
Titel 11. [1 Overlegforum]1
Titre 11. [1 Forum de concertation]1
Art. 357/32. [1 Binnen elke provincie en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, wordt er minstens één overlegforum opgericht. Als de leden van het overlegforum opteren voor een andere regionale onderverdeling, garandeert die onderverdeling dat elke partner, vermeld in 357/33, binnen de provincie of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kan worden ondergebracht in een regionale onderverdeling.
   Een wijziging in de regionale indeling wordt altijd doorgegeven aan de bevoegde diensten voor 30 juni van het voorafgaande schooljaar.]1

  
Art. 357/32. [1 Au sein de chaque province et de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, au moins un forum de concertation est établi. Si les membres du forum de concertation optent pour une autre subdivision régionale, cette subdivision garantit que chaque partenaire, visé à l'article 357/33, au sein de la province ou de la région bilingue de Bruxelles-Capitale peut être intégré dans une subdivision régionale.
   Une modification de la répartition régionale est toujours communiquée aux services compétents avant le 30 juin de l'année scolaire précédente.]1

  
Art. 357/33. [1 Een overlegforum is minstens samengesteld uit:
   1° de vertegenwoordigers van de aanbieders duaal leren, waarvan een of meer vestigingsplaatsen binnen het werkingsgebied van het overlegforum liggen;
   2° een afvaardiging van de centra voor leerlingenbegeleiding, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het werkingsgebied van het overlegforum in kwestie;
   3° een afvaardiging van de organisatoren van de aanloopfase ingericht binnen die regio dan wel, in afwachting van de invoering van de aanloopfase een afvaardiging van de organisatoren van de brugprojecten in die regio;
   4° een afvaardiging van sociale partners uit de provinciale werkgroepen sociale partners en de werkgroep sociale partners Brussel, zoals bepaald in artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
   5° een afgevaardigde van het Regionaal Technologisch Centrum, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het werkingsgebied van het overlegforum in kwestie;
   6° een afgevaardigde van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn uit het werkingsgebied van het overlegforum in kwestie;
   7° een afgevaardigde van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding met kennis van het werkingsgebied van het overlegforum;
   8° een afgevaardigde van [2 het Departement Werk en Sociale Economie]2;
   9° een afgevaardigde namens het Departement Onderwijs en Vorming.]1

  
Art. 357/33. [1 Un forum de concertation se compose au moins :
   1° des représentants des prestataires de la formation duale, dont une ou plusieurs implantations se situent dans la zone d'action du forum de concertation ;
   2° d'une délégation des centres d'encadrement des élèves, dont la zone d'action correspond entièrement ou partiellement à la zone d'action du forum de concertation en question ;
   3° d'une délégation des organisateurs de la phase de démarrage organisée dans cette région, soit, dans l'attente de l'introduction de la phase de démarrage, d'une délégation des organisateurs des projets-tremplins dans cette région ;
   4° d'une délégation de partenaires sociaux des groupes de travail provinciaux partenaires sociaux et du groupe de travail partenaires sociaux Bruxelles, tels que fixés à l'article 2, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle ;
   5° d'un délégué du Centre technologique régional, dont la zone d'action correspond entièrement ou partiellement à la zone d'action du forum de concertation en question ;
   6° d'un délégué des Centres publics d'Action sociale de la zone d'action du forum de concertation en question ;
   7° d'un délégué de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle ayant connaissance de la zone d'action du forum de concertation ;
   8° d'un délégué [2 du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2 ;
   9° d'un délégué au nom du Département de l'Enseignement et de la Formation.]1

  
Art. 357/34. [1 Elk overlegforum wijst een voorzitter aan. Die voorzitter is geheel onafhankelijk van de betrokken aanbieders duaal leren of van de organisatoren van de aanloopfase binnen het werkingsgebied.]1
  
Art. 357/34. [1 Chaque forum de concertation désigne un président. Ce président est totalement indépendant des prestataires de la formation duale concernés ou des organisateurs de la phase de démarrage au sein de la zone d'action.]1
  
Art. 357/35. [1 De opdracht van een overlegforum heeft betrekking op een brede context van onderwerpen over de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt, maar met een expliciete focus op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen. Het overlegforum organiseert structureel overleg rond, en signaleert problemen bij:
   1° de afstemming van het opleidingsaanbod op de mogelijkheden binnen de lokale arbeidsmarkt en tussen de verschillende aanbieders duaal leren;
   2° het opzetten van al dan niet tijdelijke samenwerkingsverbanden tussen de verschillende betrokken partijen binnen duaal leren, met het oog op een versterking van de link tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt voor de leerling;
   3° sensibilisering en mobilisering van de lokale arbeidsmarkt;
   4° de bevordering van de vlotte overgang van leerlingen van onderwijs naar de arbeidsmarkt;
   5° de analyse van de lokale arbeidsmarkt in functie van het huidige en toekomstige opleidingsaanbod, gebruik makende van de beschikbare gegevens.]1

  
Art. 357/35. [1 La mission d'un forum de concertation concerne un large contexte de sujets relatifs à l'alignement de l'enseignement sur le marché de l'emploi, en mettant toutefois l'accent explicite sur les subdivisions structurelles duales et les subdivisions structurelles de démarrage. Le forum de concertation organise une concertation structurelle sur, et signale des problèmes lors de :
   1° l'adéquation de l'offre de formation aux possibilités au sein du marché local de l'emploi et entre les différents prestataires de la formation duale ;
   2° l'établissement de partenariats temporaires ou non entre les différentes parties concernées au sein de la formation duale, en vue du renforcement du lien entre l'enseignement et le marché de l'emploi pour l'élève ;
   3° la sensibilisation et la mobilisation du marché local de l'emploi ;
   4° la promotion du passage aisé des élèves de l'enseignement au marché de l'emploi ;
   5° l'analyse du marché local de l'emploi en fonction de l'offre de formation actuelle et future, en utilisant les données disponibles.]1

  
Art. 357/36. [1 Een afgevaardigde van Actiris neemt deel aan het overlegforum van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voor wat gewestaangelegenheden betreft.]1
  
Art. 357/36. [1 Un délégué d'Actiris participe au forum de concertation de la région bilingue de Bruxelles-Capitale en ce qui concerne les matières régionales.]1
  
DEEL V/2. [1 Specifieke bepalingen over de aanloopstructuuronderdelen naar duale structuuronderdelen in het secundair onderwijs]1
PARTIE V/2. [1 Dispositions spécifiques relatives aux subdivisions structurelles de démarrage vers des subdivisions structurelles duales dans l'enseignement secondaire]1
Titel 1. [1 Inleidende bepaling]1
Titre 1. [1 Disposition introductive]1
Art. 357/37. [1 In voorkomend geval zijn alle decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit deel, niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die conform de bepalingen van deze titel als aanloopstructuuronderdelen worden georganiseerd.]1
  
Art. 357/37. [1 Le cas échéant, toutes les dispositions décrétales et réglementaires qui sont contraires aux dispositions de la présente partie, ne s'appliquent pas aux centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et aux centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande, qui sont organisés conformément aux dispositions du présent titre comme des subdivisions structurelles de démarrage.]1
  
Art. 357/38. [1 In dit deel wordt verstaan onder:
   1° aanbieder van de aanloopfase: een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   2° arbeidsdeelname: een invulling van de werkplekcomponent in het structuuronderdeel duaal leren waarbij een jongere opleiding krijgt op een werkplek, gebaseerd op een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding als vermeld in artikel 3 van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;
   3° arbeidsrijp: competent om te leren en te participeren op de werkplek;
   4° klassenraad: de klassenraad in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en, naargelang van de opdracht waarmee hij wordt belast, de toelatingsklassenraad, de begeleidende klassenraad of de delibererende klassenraad in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een school voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 4, de klassenraad in een school voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 2 of 3, de klassenraad in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   5° modulair: een organisatievorm waarbij een duaal structuuronderdeel als vermeld in deel V/1, of aanloopstructuuronderdeel opgebouwd is uit één of meer clusters, samenhangende en afgeronde gehelen van competenties, die een lerende de mogelijkheid biedt via een individuele leerweg toe te werken naar een studiebekrachtiging met waarborg voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden;
   6° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat;
   7° organisatoren: de organisaties met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid of natuurlijke personen die leerlingen ondersteunen bij de invulling van de aanloopfase;
   8° schoolcomponent: het deel van de opleiding dat lessen bij de aanbieder van de aanloopfase of met lessen gelijkgestelde activiteiten omvat, buiten de aanloopcomponent.]1

  
Art. 357/38. [1 Dans cette partie, on entend par :
   1° prestataire de la phase de démarrage : une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
   2° participation au marché de l'emploi : une concrétisation de la composante du lieu de travail dans la subdivision structurelle `formation duale' où un jeune reçoit une formation à un lieu de travail, basée sur un contrat visant la mise en oeuvre d'une formation en alternance, telle que visée à l'article 3 du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ;
   3° mûr pour le travail : compétent pour apprendre et pour participer sur le lieu de travail ;
   4° conseil de classe : le conseil de classe dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et, selon la mission dont il est chargé, le conseil de classe d'admission, le conseil de classe accompagnateur ou le conseil de classe délibérant dans une école de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou une école d'enseignement secondaire spécial organisant la forme d'enseignement 4, le conseil de classe dans une école d'enseignement secondaire spécial organisant la forme d'enseignement 2 ou 3, et le conseil de classe dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
   5° modulaire : une forme d'organisation où une subdivision structurelle duale telle que visée à la partie V/1, ou une subdivision structurelle de démarrage se compose d'un ou de plusieurs clusters, ensembles cohérents et complets de compétences, qui permet à l'apprenant d'atteindre, par le biais d'un parcours d'apprentissage personnalisé, une validation d'études avec une garantie d'alignement sur des formations continues ou des possibilités d'emploi ;
   6° plan de formation : un plan comprenant le parcours d'apprentissage personnalisé de l'élève ;
   7° organisateurs : les organisations disposant de la personnalité juridique de droit public ou de droit privé, ou les personnes physiques, qui soutiennent les élèves pendant la concrétisation de la phase de démarrage ;
   8° composante scolaire : la partie de la formation comprenant des cours auprès du prestataire de la phase de démarrage ou des activités assimilées à des cours, en dehors de la composante de démarrage.]1

  
Titel 2. [1 Opzet]1
Titre 2. [1 Mise en place]1
Art. 357/39. [1 Een aanloopstructuuronderdeel combineert voor elke jongere een schoolcomponent en een aanloopcomponent. De combinatie van schoolcomponent met aanloopcomponent omvat minimaal 28 opleidingsuren per week.
   Het aanloopstructuuronderdeel wordt concreet ingevuld op maat van de individuele leerling. De doelstelling van een aanloopstructuuronderdeel is een doorstroom naar duaal leren.]1

  
Art. 357/39. [1 Une subdivision structurelle de démarrage combine, pour chaque jeune, une composante scolaire et une composante de démarrage. La combinaison de la composante scolaire avec la composante de démarrage comprend au moins 28 heures de formation par semaine.
   La subdivision structurelle de démarrage est concrétisée à la mesure de l'élève individuel. L'objectif d'une subdivision structurelle de démarrage est une transition vers la formation duale.]1

  
Art. 357/40. [1 Een aanloopstructuuronderdeel kan worden ingericht door elke aanbieder van de aanloopfase. Structuuronderdelen die in het kader van de aanloopfase aangeboden worden, worden als voltijds secundair onderwijs beschouwd.]1
  
Art. 357/40. [1 Une subdivision structurelle de démarrage peut être organisée par chaque prestataire de la phase de démarrage. Les subdivisions structurelles offertes dans le cadre de la phase de démarrage sont considérées comme un enseignement secondaire à temps plein.]1
  
Titel 3. [1 Structuur en organisatie]1
Titre 3. [1 Structure et organisation]1
Art. 357/41. [1 De Vlaamse Regering:
   1° [2 legt de lijst van de aanloopstructuuronderdelen, vermeld in artikel 357/39 van dit decreet, vast, koppelt die structuuronderdelen aan een of meer duale structuuronderdelen, en deelt die aanloopstructuuronderdelen in studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen in;]2;
   2° bepaalt de omzetting in aanloopstructuuronderdelen van opleidingen die zijn vastgelegd ter uitvoering van artikel 22 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
   3° bepaalt de kalender van de omzetting, vermeld in punt 2°.]1

  [2 In afwijking van de indeling, vermeld in het eerste lid, 1А, worden aanloopstructuuronderdelen op het niveau van het tweede leerjaar van de derde graad in schooljaar 2023-2024 niet ingedeeld in finaliteiten en studiedomeinen, maar in studiegebieden.]2
  
Art. 357/41. [1 Le Gouvernement flamand :
   1° [2 Arrête la liste des subdivisions structurelles de démarrage, visées à l'article 357/39 du présent décret, relie ces subdivisions structurelles à une ou plusieurs subdivisions structurelles duales, et classe ces subdivisions structurelles de démarrage en domaines d'études, finalités et formes d'enseignement ;]2 ;
   2° arrête la transposition en subdivisions structurelles de démarrage de formations établies en exécution de l'article 22 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande ;
   3° arrête le calendrier de la transposition, visée au point 2°.]1

  [2 Par dérogation à la classification, visée à l'alinéa 1er, 1°, les subdivisions structurelles de démarrage au niveau de la deuxième année d'études du troisième degré ne sont pas classées pendant l'année scolaire 2023-2024 en finalités et domaines d'études, mais en disciplines. ]2
  
Art. 357/42. [1 De aanbieder van de aanloopfase kan op elk moment van het schooljaar een aanloopstructuuronderdeel starten.]1
  
Art. 357/42. [1 Le prestataire de la phase de démarrage peut commencer une subdivision structurelle de démarrage à tout moment de l'année scolaire.]1
  
Art. 357/43. [1 [2 Voor de invulling van een aanloopstructuuronderdeel zijn er twee mogelijkheden:
   1° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit een standaardtraject als vermeld in artikel 357/7;
   2° een aanloopstructuuronderdeel is een bundeling van competenties uit standaardtrajecten als vermeld in artikel 357/7, die gekoppeld zijn aan een studiedomein of een afgebakend geheel binnen een studiedomein. Deze invulling is enkel mogelijk op niveau van de tweede graad.]2

   De Vlaamse Regering bepaalt de invulling van een aanloopstructuuronderdeel.
   Een aanloopstructuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.]1

  
Art. 357/43. [1 [2 Il existe deux possibilités pour la concrétisation d'une subdivision structurelle de démarrage :
   1° une subdivision structurelle est le regroupement de compétences d'un parcours standard tel que visé à l'article 357/7 ;
   2° une subdivision structurelle est le regroupement de compétences de parcours standard tels que visés à l'article 357/7, qui sont liés à un domaine d'études ou à un ensemble délimité au sein d'un domaine d'études. Cette concrétisation n'est possible qu'au niveau du deuxième degré.]2

   Le Gouvernement flamand arrête la concrétisation d'une subdivision structurelle de démarrage.
   Une subdivision structurelle de démarrage peut être organisée de manière modulaire.]1

  
Titel 4. [1 Programmatie]1
Titre 4. [1 Programmation]1
Art. 357/44. [1 Voor aanloopstructuuronderdelen als vermeld in artikel 357/43, eerste lid, 1° en 2°, volgt de programmatie van een aanloopstructuuronderdeel uit de goedkeuring tot programmatie van een duaal structuuronderdeel als vermeld in artikel 357/8.
   Op de programmaties, bedoeld in dit artikel, zijn eveneens de bepalingen van artikel 176/1 van toepassing.]1

  
Art. 357/44. [1 Pour les subdivisions structurelles de démarrage telles que visées à l'article 357/43, alinéa premier, 1° et 2°, la programmation d'une subdivision structurelle de démarrage découle de l'approbation de programmation d'une subdivision structurelle duale telle que visée à l'article 357/8.
   Les dispositions de l'article 176/1 s'appliquent également aux programmations visées au présent article.]1

  
Titel 5. [1 Leerlingen]1
Titre 5. [1 Elèves]1
Art. 357/46. [1 § 1. De aanbieder van de aanloopfase staat in voor de invulling van de aanloopcomponent en kan daarbij beroep doen op een organisator.
   § 2. De aanloopcomponent is een individueel traject op maat van de leerling. De inhoud en de duur van het individuele traject worden bepaald door het resultaat van de screening, vermeld in artikel 357/47, en worden verankerd in een individueel opleidingsplan, gebaseerd op het standaardtraject.
   § 3. De aanloopcomponent focust op het stimuleren van de arbeidsrijpheid van de leerling en is gericht op:
   1° het verbeteren van de arbeidsgerichte competenties van de leerling of;
   2° het verbeteren van loopbaangerichte competenties, het zoeken naar een werkplek en verbetering van sollicitatievaardigheden, of;
   3° de versterking van vaktechnische competenties.
   De verschillende onderdelen kunnen geïntegreerd worden aangeboden.
   De Vlaamse Regering kan aanvullend op de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, een verdere focus van de aanloopcomponent bepalen.
   § 4. De aanloopcomponent kan ook ingevuld worden met een begeleide leerervaring op een werkplek. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere organisatie van deze leerervaring, met inbegrip van mogelijke trajecten, het statuut van de leerling en de te hanteren overeenkomst.
   § 5. In een aanloopstructuuronderdeel hebben gepaste en redelijke aanpassingen voor een leerling met specifieke onderwijsbehoeften als vermeld in artikel 136/2, zowel betrekking op de schoolcomponent als op de aanloopcomponent. De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding, de betrokken personen, de organisator of de onderneming, voor wat de aanpassingen op de werkplek betreft. De Vlaamse Regering kan voorzien in een ondersteuning van de werkgever voor het doorvoeren van eventuele gepaste en redelijke aanpassingen.]1

  
Art. 357/46. [1 § 1er. Le prestataire de la phase de démarrage assure la concrétisation de la composante de démarrage et peut faire appel à un organisateur à cet effet.
   § 2. La composante de démarrage est un parcours individuel à la mesure de l'élève. Le contenu et la durée du parcours individuel sont déterminés par le résultat du screening, visé à l'article 357/47, et sont ancrés dans un plan individuel de formation, basé sur le parcours standard.
   § 3. La composante de démarrage se concentre sur la stimulation de la maturité au travail de l'élève et vise à :
   1° améliorer les compétences axées sur l'emploi de l'élève ou ;
   2° améliorer les compétences axées sur la carrière, rechercher un lieu de travail et améliorer les techniques de recherche d'emploi, ou ;
   3° renforcer les compétences spécialisées.
   Les différents éléments peuvent être offerts de manière intégrée.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter, outre les objectifs visés à l'alinéa 1er, un accent complémentaire de la composante de démarrage.
   § 4. La composante de démarrage peut également être concrétisée par une expérience d'apprentissage encadrée sur un lieu de travail. Le Gouvernement flamand détermine l'organisation concrète de cette expérience d'apprentissage, y compris les parcours possibles, le statut de l'élève et le contrat à utiliser.
   § 5. Dans une subdivision structurelle de démarrage, des aménagements appropriés et raisonnables pour un élève à besoins éducatifs spécifiques tels que visés à l'article 136/2, concernent tant la composante scolaire que la composante de démarrage. A cette fin, le conseil de classe coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente avec le centre d'encadrement des élèves, les personnes concernées, l'organisateur ou l'entreprise, en ce qui concerne les aménagements sur le lieu de travail. Le Gouvernement flamand peut prévoir un soutien de l'employeur afin d'effectuer des aménagements appropriés et raisonnables éventuels.]1

  
Art. 357/47. [1 Na de inschrijving volgt een screening die de klassenraad moet toelaten om te beslissen of de leerling het aanloopstructuuronderdeel al dan niet kan volgen. De screening verloopt op de volgende wijze:
   1° de screening wordt uitgevoerd door de aanbieder van de aanloopfase en heeft betrekking op arbeidsrijpheid, arbeidsbereidheid, studieoriëntatie, interesses, motivatie en eerder verworven competenties;
   2° [2 de screening vindt zo spoedig mogelijk en uiterlijk vijfentwintig opleidingsdagen na de start van de effectieve lesbijwoning plaats;]2
   3° de middelen of methodieken voor de screening worden door de Vlaamse Regering gevalideerd met het oog op kwaliteitsborging;
   4° als uit het resultaat van de screening blijkt dat de jongere kan starten in het aanloopstructuuronderdeel, geeft die screening de invulling van de aanloopcomponent aan als vermeld in artikel 357/46;
   5° als de klassenraad op basis van de screening beslist dat de jongere het aanloopstructuuronderdeel niet kan aanvatten, is die beslissing bindend voor de jongere en wordt hij uit het aanloopstructuuronderdeel uitgeschreven. [2 Indien de leerling, na uitschrijving uit het aanloopstructuuronderdeel, terugkeert naar de vorige school waar hij ingeschreven was voor de inschrijving in het aanloopstructuuronderdeel, mag een eventuele volzetverklaring of capaciteitsoverschrijding nooit op die leerling van toepassing zijn.]2
   In het eerste lid, 1° en 2°, wordt verstaan onder:
   1° arbeidsbereid: gemotiveerd om te leren en te participeren op de werkplek;
   2° opleidingsdag: een dag waarop opleiding in de vorm van lessen of met lessen gelijkgestelde activiteiten wordt georganiseerd.]1

  
Art. 357/47. [1 L'inscription est suivie d'un screening qui doit permettre au conseil de classe de décider si l'élève peut suivre ou non la subdivision structurelle de démarrage. Le screening se déroule comme suit :
   1° le screening est effectué par le prestataire de la phase de démarrage et concerne la maturité au travail, la disposition au travail, l'orientation d'études, les intérêts, la motivation et les compétences acquises antérieurement ;
   2° [2 le screening a lieu le plus tôt possible et au plus tard vingt-cinq jours de formation après le début de la fréquentation effective des cours ;]2
   3° les moyens ou méthodes du screening sont validés par le Gouvernement flamand en vue d'en garantir la qualité ;
   4° si le résultat du screening démontre que le jeune peut commencer la subdivision structurelle de démarrage, ce screening indique la concrétisation de la composante de démarrage telle que visée à l'article 357/46 ;
   5° si le conseil de classe décide, sur la base du screening, que le jeune ne peut pas commencer la subdivision structurelle de démarrage, cette décision est contraignante pour le jeune, et il est désinscrit de la subdivision structurelle de démarrage. [2 Si l'élève, après désinscription de la subdivision structurelle de démarrage, retourne dans l'école précédente où il était inscrit avant de s'inscrire dans la subdivision structurelle de démarrage, une éventuelle déclaration d'occupation complète ou un dépassement éventuel de la capacité ne peut jamais s'appliquer à cet élève.]2
   Dans l'alinéa 1er, 1° et 2°, on entend par :
   1° disposé au travail : motivé pour apprendre et pour participer sur le lieu de travail ;
   2° jour de formation : un jour auquel est organisée une formation sous forme de cours ou d'activités assimilées à des cours.]1

  
Art. 357/48. [1 Vanaf het moment dat een jongere een tewerkstelling heeft met een overeenkomst als vermeld in artikel 357/21, wordt de inschrijving in het aanloopstructuuronderdeel stopgezet en kan de jongere inschrijven in een duaal structuuronderdeel indien voldaan aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 357/12.]1
  
Art. 357/48. [1 A partir du moment où un jeune a un emploi avec un contrat tel que visé à l'article 357/21, l'inscription à la subdivision structurelle de démarrage est arrêtée et le jeune peut s'inscrire à une subdivision structurelle duale si les conditions d'admission, visées à l'article 357/12, sont remplies.]1
  
Art. 357/49. [1 Een inschrijving in een aanloopstructuuronderdeel kan gedurende het hele schooljaar.]1
  
Art. 357/49. [1 Une inscription à une subdivision structurelle de démarrage peut s'effectuer pendant toute l'année scolaire.]1
  
Art. 357/50. [1 Bij de leerlingenevaluatie doet de klassenraad, naast de studievoortgang, eveneens uitspraak over de wenselijkheid tot verderzetting en invulling van de aanloopfase.
  [4 ...]4.
  [2 [4 ...]4.]2
  [2 [3 ...]3.]2
   De Vlaamse Regering legt de lijst van studiebewijzen vast die uitgereikt kunnen worden in aanloopstructuuronderdelen.]1

  
Art. 357/50. [1 Lors de l'évaluation des élèves, le conseil de classe statue, outre la progression des études, également sur l'opportunité de la continuation et de la concrétisation de la phase de démarrage.
  [4 ...]4.
  [4 ...]4
   [2 [3 ...]3.]2
   Le Gouvernement flamand établit la liste des titres pouvant être délivrés dans des subdivisions structurelles de démarrage.]1

  
Art. 357/51.. [1 Met behoud van de toepassing van de bestaande vrijstellingsmogelijkheden voor bepaalde onderdelen van een structuuronderdeel, kan de klassenraad beslissen om vrijstelling te verlenen voor een deel of het geheel van de algemene vorming vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van achttien jaar bereikt.
   Bij een vrijstelling voorziet de klassenraad in een alternatieve invulling van de vrijgekomen opleidingsuren.]1

  
Art. 357/51. [1 Sans préjudice de l'application des possibilités existantes de dispense pour certaines parties d'une subdivision structurelle, le conseil de classe peut décider d'accorder une dispense pour une partie ou l'ensemble de la formation générale à partir de l'année scolaire qui commence dans l'année calendaire pendant laquelle le jeune atteint l'âge de dix-huit ans.
   En cas d'une dispense, le conseil de classe prévoit une concrétisation alternative des heures de formation libérées.]1

  
Titel 6. [1 Financiering of subsidiëring van de aanbieders en organisatoren]1
Titre 6. [1 Financement ou subventionnement des prestataires et organisateurs]1
Art. 357/52. [1 Uitsluitend voor de financiering of subsidiëring in de vorm van personeelsomkadering van aanloopstructuuronderdelen als voltijds secundair onderwijs, ingericht door een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, gelden de berekeningsmodaliteiten van het deeltijds beroepssecundair onderwijs.]1
  [2 Het eerste lid is niet van toepassing voor de uren-leraar voor anderstalige nieuwkomers in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.]2
  
Art. 357/52. [1 Les modalités de calcul de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel s'appliquent exclusivement au financement ou au subventionnement sous la forme d'encadrement du personnel de subdivisions structurelles de démarrage comme enseignement secondaire à temps plein, organisé par un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises.]1
  [2 L'alinéa 1er ne s'applique pas aux périodes-professeur pour les primo-arrivants allophones dans un centre de formation d'indépendants et de petites et moyennes entreprises.]2
  
Art. 357/52/1. [1 Met behoud van de aanwendingsmogelijkheden van het pakket uren-leraar, zoals respectievelijk bepaald in of krachtens deze codex en het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, gelden de volgende afwijkende bepalingen voor aanloopstructuuronderdelen:
   1° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen uren-leraar door een aanbieder aan een andere aanbieder, ook van een ander net, worden overgedragen voor de organisatie van een deel van aanloopstructuuronderdelen. Bij de overdracht van een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs aan een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden de uren-leraar in kwestie omgezet in een krediet volgens parameters die de Vlaamse Regering vastlegt. Dezelfde parameters worden toegepast als een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen uren uitbesteedt aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
   2° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen uren-leraar door een aanbieder aan een centrum voor volwassenenonderwijs, ook van een ander net, worden overdragen voor de organisatie van een deel van aanloopstructuuronderdelen.]1

  
Art. 357/52/1. [1 Sous réserve des possibilités d'affectation du capital périodes-professeur, tel que fixé respectivement dans ou en vertu du présent code et le décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, les dispositions dérogatoires suivantes s'appliquent aux subdivisions structurelles de démarrage :
   1° aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, un prestataire peut transférer des périodes-professeur à un autre prestataire, y compris d'un autre réseau, pour l'organisation d'une partie des subdivisions structurelles de démarrage. Lors du transfert d'une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel à un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, les périodes-professeur concernées sont converties en un crédit selon les paramètres fixés par le Gouvernement flamand. Les mêmes paramètres sont appliqués si un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises sous-traite des heures à une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou à un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ;
   2° aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, un prestataire peut transférer des périodes-professeur à un centre d'éducation des adultes, y compris d'un autre réseau, pour l'organisation d'une partie des subdivisions structurelles de démarrage.]1

  
Art. 357/53. [1 Met ingang van het schooljaar 2019-2020 lanceert de Vlaamse Regering minimaal om de zes schooljaren en zo spoedig mogelijk vóór de start van het eerste schooljaar in kwestie een oproep voor organisatoren om de aanloopcomponent in te vullen.
   De oproep, vermeld in het eerste lid, omvat minstens de volgende bepalingen:
   1° de selectieprocedure die gebruikt wordt om de organisatoren aan te wijzen;
   2° de organisatoren die in aanmerking komen om de aanloopcomponent in te vullen;
   3° de hoogte van de subsidie en resultaatsgerichtheid;
   4° de voorwaarden waaronder de subsidies kunnen worden toegekend en eventueel kunnen worden ingetrokken;
   5° de maximale subsidieerbare ondersteuning;
   6° de evaluatie van de trajecten.]1

  
Art. 357/53. [1 A partir de l'année scolaire 2019-2020, le Gouvernement flamand lance, au moins toutes les six années scolaires et le plus tôt possible avant le début de la première année scolaire en question, un appel aux organisateurs en vue de concrétiser la composante de démarrage.
   L'appel, visé à l'alinéa 1er, comprend au moins les dispositions suivantes :
   1° la procédure de sélection utilisée pour désigner les organisateurs ;
   2° les organisateurs qui entrent en considération pour concrétiser la composante de démarrage ;
   3° le montant de la subvention et l'orientation sur le résultat ;
   4° les conditions auxquelles les subventions peuvent être accordées et éventuellement retirées ;
   5° le soutien subventionnable maximal ;
   6° l'évaluation des parcours.]1

  
Titel 7. [1 Kwaliteitstoezicht]1
Titre 7. [1 Contrôle de la qualité]1
Art. 357/54. [1 Het kwaliteitstoezicht op aanloopstructuuronderdelen verloopt conform de bepalingen van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]1
  
Art. 357/54. [1 Le contrôle de la qualité des subdivisions structurelles de démarrage se déroule conformément aux dispositions du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.]1
  
Titel 8. [1 Monitoring]1
Titre 8. [1 Suivi]1
Art. 357/55. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de manier van monitoren van leerlingen in aanloopstructuuronderdelen, waarbij minstens de start- en einddatum van elke individuele leerling worden gemonitord. De Vlaamse Regering bepaalt ook de te koppelen gegevens tussen het beleidsdomein Onderwijs en het beleidsdomein Werk, die nodig zijn om de monitoring uit te voeren.]1
  
Art. 357/55. [1 Le Gouvernement flamand détermine le mode de suivi des élèves dans des subdivisions structurelles de démarrage, où au moins la date de début et de fin de chaque élève individuel sont suivies. Le Gouvernement flamand détermine également les données à lier entre le domaine politique de l'Enseignement et le domaine politique de l'Emploi, qui sont nécessaires à effectuer le suivi.]1
  
Deel V3. [1 Specifieke bepalingen over duale structuuronderdelen in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4]1
Partie V/3. [1 Dispositions spécifiques relatives aux subdivisions structurelles duales dans l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4]1
Titel 1. [1 Inleidende bepalingen]1
Titre 1er. [1 Dispositions introductives]1
Art. 357/56. [1 In voorkomend geval zijn alle decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit deel, niet van toepassing op het duaal leren dat de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap, organiseren.]1
  
Art. 357/56. [1 Le cas échéant, toutes les dispositions décrétales et réglementaires qui sont contraires aux dispositions de la présente partie, ne s'appliquent pas à la formation duale organisée par les écoles d'enseignement secondaire spécial avec les formes d'enseignement 3 et 4, agréées, financées ou subventionnées par la Communauté flamande.]1
  
Art. 357/57. [1 Alle definities, vermeld in artikel 357/2, zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met uitzondering van de definities, vermeld in punt 1°, 3° en 5°.
   In dit deel wordt verstaan onder:
   1° aanbieder duaal leren: een school voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 of 4;
   2° duaal leren: een opleidingstraject, waarbij het aanleren van competenties evenwichtig verdeeld is over een werkplek en een aanbieder duaal leren. Het doel van duaal leren is het behalen van een onderwijskwalificatie of - als dat niet lukt - een beroepskwalificatie bij opleidingsvorm 4, en het behalen van een beroepskwalificatie, of onderwijskwalificatie onder de voorwaarden, vermeld in artikel 335/1, vierde lid, bij opleidingsvorm 3;
   3° klassenraad: de klassenraad in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en, naargelang van de opdracht waarmee hij wordt belast, de toelatingsklassenraad, de begeleidende klassenraad of de delibererende klassenraad in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een school voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 4, de klassenraad in een school voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 1, 2 of 3, en de klassenraad in een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.]1

  
Art. 357/57. [1 Toutes les définitions mentionnées à l'article 357/2 sont également applicables aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4, à l'exception des définitions mentionnées aux points 1°, 3° et 5°.
   Dans cette partie, on entend par :
   1° prestataire de la formation duale : une école d'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3 ou de la forme d'enseignement 4 ;
   2° formation duale : un parcours de formation dans lequel l'acquisition de compétences est répartie de manière équilibrée entre un lieu de travail et un prestataire de la formation duale. L'objectif de la formation duale est l'obtention d'une qualification d'enseignement ou - en cas de non réussite - d'une qualification professionnelle dans la forme d'enseignement 4 et l'obtention d'une qualification professionnelle, ou d'une qualification d'enseignement aux conditions visées à l'article 335/1, alinéa 4 dans la forme d'enseignement 3 ;
   3° conseil de classe : le conseil de classe dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et, selon la mission dont il est chargé, le conseil de classe d'admission, le conseil de classe accompagnateur ou le conseil de classe délibérant dans une école de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou une école d'enseignement secondaire spécial organisant la forme d'enseignement 4, le conseil de classe dans une école d'enseignement secondaire spécial organisant la forme d'enseignement 1, 2 ou 3, et le conseil de classe dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises.]1

  
Titel 2. [1 Opzet]1
Titre 2. [1 Conception]1
Art. 357/58. [1 Een duaal structuuronderdeel combineert voor elke jongere een schoolcomponent en een werkplekcomponent. De combinatie van schoolcomponent met werkplekcomponent omvat minimaal 28 opleidingsuren per week in opleidingsvorm 4 en minimaal 32 opleidingsuren per week in opleidingsvorm 3. De werkplekcomponent omvat gemiddeld op schooljaarbasis minstens 14 opleidingsuren per week. De Vlaamse Regering kan beslissen om voor bepaalde structuuronderdelen af te wijken van het gemiddelde minimale aantal wekelijkse uren op de werkplek.]1
  
Art. 357/58. [1 Une subdivision structurelle duale combine, pour chaque jeune, une composante scolaire et une composante du lieu de travail. La combinaison de la composante scolaire et de la composante du lieu de travail comprend au moins 28 heures de formation par semaine dans la forme d'enseignement 4 et au moins 32 heures de formation par semaine dans la forme d'enseignement 3. La composante du lieu de travail comprend en moyenne par année scolaire au moins 14 heures de formation par semaine. Le Gouvernement flamand peut décider de déroger, pour certaines subdivisions structurelles, au nombre minimum moyen d'heures hebdomadaires sur le lieu de travail.]1
  
Art. 357/59. [1 Duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4 worden als voltijds buitengewoon secundair onderwijs beschouwd.]1
  
Art. 357/59. [1 Des subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4 sont considérées comme un enseignement secondaire spécial à temps plein.]1
  
Titel 3. [1 Structuur en organisatie]1
Titre 3. [1 Structure et organisation]1
Art. 357/60. [1 De Vlaamse Regering legt de lijst van duale structuuronderdelen voor opleidingsvorm 4 vast en deelt die in in studiegebieden en onderwijsvormen van de tweede en de derde graad.
   Duale structuuronderdelen van opleidingsvorm 4 zijn voorbehouden voor scholen buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 4. [2 ...]2
   De Vlaamse Regering legt de lijst van duale structuuronderdelen voor opleidingsvorm 3 vast en deelt die in in de kwalificatiefase en integratiefase.
   Duale structuuronderdelen van opleidingsvorm 3 zijn voorbehouden voor scholen buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3. [2 ...]2]1

  
Art. 357/60. [1 Le Gouvernement flamand établit la liste des subdivisions structurelles duales pour la forme d'enseignement 4 et les organise en disciplines et formes d'enseignement des deuxième et troisième degrés.
   Les subdivisions structurelles duales de la forme d'enseignement 4 sont réservées aux écoles d'enseignement secondaire spécial proposant la forme d'enseignement 4. [2 ...]2
   Le Gouvernement flamand établit la liste des subdivisions structurelles duales pour la forme d'enseignement 3 et les organise en une phase de qualification et une phase d'intégration.
   Les subdivisions structurelles duales de la forme d'enseignement 3 sont réservées aux écoles d'enseignement secondaire spécial proposant la forme d'enseignement 3. [2 ...]2]1

  
Art. 357/61. [1 Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober.]1
  
Art. 357/61. [1 Un prestataire de la formation duale peut lancer une subdivision structurelle duale jusque et y compris le premier jour de classe d'octobre.]1
  
Art. 357/62. [1 Voor elk duaal structuuronderdeel wordt één standaardtraject ontwikkeld dat gebaseerd is op een of meerdere beroepskwalificaties, onder coördinatie van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, een afvaardiging van de centra voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, [2 het Departement Werk en Sociale Economie]2 en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. Standaardtrajecten worden op voordracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
   Een standaardtraject vermeldt in elk geval:
   1° de reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren of semesters;
   2° de specifieke toelatingsvoorwaarden;
   3° voor opleidingsvorm 4: de graad en het studiegebied waartoe het structuuronderdeel behoort;
   4° voor opleidingsvorm 3: de fase waartoe het structuuronderdeel behoort;
   5° een clustering van beroepsgerichte competenties, die gebaseerd zijn op een of meer beroepskwalificaties;
   6° in voorkomend geval de algemeen vormende competenties, die gebaseerd zijn op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmende niet-duaal leren voor opleidingsvorm 4 en op de toepasbare ontwikkelingsdoelen voor het overeenstemmend niet-duaal leren voor opleidingsvorm 3, of op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmende niet-duaal leren, als in opleidingsvorm 3 voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 335/1, vierde lid;
   7° de omvang van de werkplekcomponent;
   8° welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een studiebekrachtiging;
   9° [3 ...]3
   Een duaal structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd.]1

  
Art. 357/62. [1 Pour chaque subdivision structurelle duale, un parcours standard fondé sur une ou plusieurs qualifications professionnelles est développé sous la coordination des services compétents de la Communauté flamande, et en concertation avec le secteur concerné, l'Enseignement communautaire, les associations représentatives des autorités scolaires de l'enseignement subventionné, une représentation des centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, [2 le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2 et le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ". Les parcours standard sont soumis à l'approbation du Gouvernement flamand sur la proposition du Ministre flamand de l'Enseignement et le Ministre flamand de l'Emploi.
   Un parcours standard mentionne en tout cas :
   1° la durée de formation régulière exprimée en années ou semestres ;
   2° les conditions spécifiques d'admission ;
   3° pour la forme d'enseignement 4 : le grade et la discipline auxquels appartient la subdivision structurelle ;
   4° pour la forme d'enseignement 3 : la phase à laquelle appartient la subdivision structurelle ;
   5° un groupement en clusters de compétences professionnelles basées sur une ou plusieurs qualifications professionnelles ;
   6° le cas échéant, les compétences de formation générale qui sont fondées sur les objectifs finaux applicables à la formation non duale correspondante pour la forme d'enseignement 4 et sur les objectifs de développement applicables à la formation non duale correspondante pour la forme d'enseignement 3 ou sur les objectifs finaux applicables à la formation non duale correspondante, si dans la forme d'enseignement 3 il est satisfait aux conditions visées à l'article 335/1, alinéa 4 ;
   7° l'ampleur de la composante du lieu de travail ;
   8° le cluster de compétences ou la combinaison de clusters de compétences accompli avec succès par l'élève qui donne droit à une validation d'études ;
   9° [3 ...]3
   Une subdivision structurelle duale peut être organisée de manière modulaire.]1

  
Titel 4. [1 Programmatie en rationalisatie]1
Titre 4. [1 Programmation et rationalisation]1
Art. 357/63. [1 De programmatie van een duaal structuuronderdeel wordt door het bestuur van de aanbieder duaal leren bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar. Die termijn geldt als vervaltermijn; aanvragen die later worden ingediend zijn onontvankelijk. De motivering van de aanvraag houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het derde lid, 1° tot en met 8°. Bij de aanvraag zitten, in voorkomend geval, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
   De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de programmatie na advies van:
   1° [4 ...]4 de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
   2° de Vlaamse Onderwijsraad;
   3° de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.
   De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing rekening met al de volgende criteria:
   1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld;
   2° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
   3° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
   4° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de aanbieder duaal leren, of de scholengemeenschap;
   5° de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel;
   6° de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
   7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod;
   8° de afstemming binnen het overlegforum, vermeld in artikel 357/32.
   De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar. [3 De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn.]3.
   In opleidingsvorm 3 is artikel 289, § 3, niet van toepassing bij de programmatie van een duale opleiding.
   Een aanbieder van een duaal structuuronderdeel dat in het schooljaar 2018-2019 experimenteel wordt ingericht, is vrijgesteld van programmatie zolang dit structuuronderdeel geen twee aansluitende schooljaren niet wordt ingericht.]1

  [3 In afwijking van het eerste tot en met het zesde lid kan een bestuur van een aanbieder duaal leren:
   1А een duaal structuuronderdeel van opleidingsvorm 3 in de integratiefase vrij programmeren als de aanbieder hetzelfde structuuronderdeel van opleidingsvorm 3 al in de kwalificatiefase heeft ingericht of goedgekeurd krijgt;
   2А een duaal structuuronderdeel in de kwalificatiefase of de integratiefase vrij programmeren als de aanbieder het gelijknamige niet-duale structuuronderdeel al heeft ingericht of goedgekeurd krijgt.
   Een vrije programmatie wordt bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap gemeld uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd:
   1А het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comitщ;
   2А als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]3

  [2 Dit artikel is niet van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4.]2
  
Art. 357/63. [1 La programmation d'une subdivision structurelle duale est demandée, par écrit et de manière motivée, par l'administration du prestataire de la formation duale aux services compétents de la Communauté flamande, au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente. Ce délai vaut comme échéance ; les demandes introduites après cette date sont irrecevables. La motivation de la demande tient en tout cas compte des critères visés à l'alinéa 3, 1° à 8°. La demande est accompagnée, le cas échéant, du protocole des négociations y afférentes au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, d'un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement.
   Le Gouvernement flamand prend une décision sur la programmation après avoir obtenu l'avis :
   1° [4 ...]4 des services compétents de la Communauté flamande ;
   2° du " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement) ;
   3° du Conseil socio-économique de la Flandre.
   Le Gouvernement flamand se fonde sur l'ensemble des critères suivants pour prendre sa décision :
   1° les restrictions ou conditions éventuelles qui sont liées à l'offre de la subdivision structurelle en raison de la macro-efficacité ;
   2° les besoins quantitatifs et qualitatifs en termes d'offre d'enseignement secondaire dans la zone d'enseignement en question, en vue d'un enseignement complémentaire ou de l'entrée sur le marché de l'emploi ;
   3° la liberté de choix des parents et des élèves ;
   4° la continuité des études des élèves au sein du prestataire de la formation duale ou du centre d'enseignement ;
   5° les préparatifs faits au niveau d'infrastructure et de moyens didactiques matériels qui sont suffisants et appropriés en vue des compétences à acquérir de la subdivision structurelle programmée ;
   6° les possibilités de coopération démontrables avec des acteurs locaux du marché de l'emploi et le secteur des entreprises ;
   7° les accords conclus avec d'autres organisateurs d'enseignement locaux, à l'intérieur comme à l'extérieur du centre d'enseignement en question, concernant une offre d'études rationnelle et transparente ;
   8° la coordination au sein du forum de concertation au sens de l'article 357/32.
   Le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard le 31 mars de l'année scolaire précédente. [3 Le délai de décision précité vaut délai d'ordre.]3
   Dans la forme d'enseignement 3, l'article 289, § 3, n'est pas d'application à la programmation d'une formation duale.
   Un prestataire d'une subdivision structurelle duale organisée de manière expérimentale dans l'année scolaire 2018-2019 est exempté de la programmation tant que cette subdivision structurelle n'est pas organisée pendant deux années scolaires consécutives.]1

  [2 Le présent arrêté ne s'applique pas à l'enseignement secondaire spécial, forme d'enseignement 4.]2
  [3 Par dérogation aux alinéas 1er à 6, l'administration d'un dispensateur de la formation duale peut :
   1° programmer librement une subdivision structurelle duale de la forme d'enseignement 3 dans la phase d'intégration si le prestataire a déjà mis en place ou reçu une approbation pour la même subdivision structurelle de la forme d'enseignement 3 dans la phase de qualification ;
   2° programmer librement une subdivision structurelle duale dans la phase de qualification ou d'intégration s'il a déjà mis en place ou reçu une approbation pour la subdivision structurelle non duale du même nom.
   Une libre programmation est communiquée aux services compétents de la Communauté flamande au plus tard le 1er avril précédant la création. La communication susmentionnée doit être accompagnée des documents suivants :
   1° le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ;
   2° si l'école fait partie d'une communauté scolaire : un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux accords conclus au sein de la communauté scolaire.]3

  
Art. 357/64. [1 Bij de toepassing van artikel 281 worden duale structuuronderdelen niet in aanmerking genomen.]1
  
Art. 357/64. [1 Aux fins de l'application de l'article 281, les subdivisions structurelles duales ne sont pas prises en compte.]1
  
Titel 5. [1 Leerlingen]1
Titre 5. [1 Elèves]1
Art. 357/65. [1 §1. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/10 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/11 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat ook de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 293, § 2, en artikel 294, van toepassing zijn.
   Artikel 357/12 tot en met 357/14 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/15 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dien verstande dat de woorden "algemene vorming" voor opleidingsvorm 3 als de woorden "de algemene en sociale vorming" worden gelezen.
   Artikel 357/16 en 357/17 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/18 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat voor opleidingsvorm 3 moet worden aangevuld dat het behalen van de eindstudiebekrachtiging op het einde van de kwalificatiefase of de integratiefase niet tot gevolg mag hebben dat een leerling vóór het jaar waarin hij de leeftijd van achttien jaar bereikt, zijn opleiding of deelname aan het leerplichtonderwijs beëindigt.
   Artikel 357/19 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, als de aanpassingen de werkplekcomponent betreffen.]1

  [2 § 2. De bepalingen in paragraaf 1 houden op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data:
   1° 14 juni 2022: in het eerste leerjaar van de tweede graad;
   2° 31 augustus 2022: in het tweede leerjaar van de tweede graad;
   3° 31 augustus 2023:
   a) in het eerste leerjaar van de derde graad;
   b) in het eerste leerjaar van de kwalificatiefase;
   4° 31 augustus 2024:
   a) in het tweede leerjaar van de derde graad;
   b) in het tweede leerjaar van de kwalificatiefase;
   5° 31 augustus 2025:
   a) in het derde leerjaar van de derde graad;
   b) in de integratiefase.
   § 3. Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/14 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/15 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dien verstande dat de woorden "algemene vorming" voor opleidingsvorm 3 als de woorden "de algemene en sociale vorming" worden gelezen.
   Artikel 357/17 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/19 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, als de aanpassingen de werkplekcomponent betreffen.
   De bepalingen van deze paragraaf treden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de tweede graad, in werking met ingang vanaf 15 juni 2022.]2

  
Art. 357/65. [1 §1er. L'article 357/9 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/10 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/11 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4, avec cette différence toutefois que les conditions d'admission visées à l'article 293, § 2, et à l'article 294 s'appliquent également.
   Les articles 357/12 à 357/14 sont également applicables aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/15 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4, étant entendu que les mots " de la formation générale " pour la forme d'enseignement 3 doivent être lus comme " de la générale et sociale ".
   Les articles 357/16 et 357/17 sont également applicables aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/18 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4, toutefois cet article doit être complété par la mention que, pour la forme d'enseignement 3, l'obtention de la validation de fin d'études à la fin de la phase de qualification ou de la phase d'intégration ne peut avoir pour effet qu'un élève termine sa formation ou sa participation à l'enseignement obligatoire avant l'année dans laquelle il atteint l'âge de dix-huit ans.
   L'article 357/19 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4 si les adaptations concernent la composante du lieu de travail.]1

  [2 § 2. Les dispositions du paragraphe 1er cessent de produire leurs effets par suite de la modernisation de l'enseignement secondaire aux dates suivantes :
   1° 14 juin 2022 : en première année d'études du deuxième degré ;
   2° 31 août 2022 : en deuxième année d'études du deuxième degré ;
   3° 31 août 2023 :
   a) en première année d'études du troisième degré ;
   b) en première année d'études de la phase de qualification ;
   4° 31 août 2024 :
   a) en deuxième année d'études du troisième degré ;
   b) en deuxième année d'études de la phase de qualification ;
   5° 31 août 2025 :
   a) en troisième année d'études du troisième degré ;
   b) dans la phase d'intégration.
   § 3. L'article 357/9 s'applique également aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/14 s'applique également aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/15 s'applique également aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4, étant entendu que les mots " la formation générale " doivent être lus, pour la forme d'enseignement 3, comme les mots " la formation générale et sociale ".
   L'article 357/17 s'applique également aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/19 s'applique également aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4 si les adaptations concernent la composante du lieu de travail.
   Les dispositions du présent paragraphe entrent en vigueur progressivement, année d'études après année d'études à commencer par la première année d'études du deuxième degré, à partir du 15 juin 2022.]2

  
Titel 6. [1 Arbeidsdeelname]1
Titre 6. [1 Participation au marché de l'emploi]1
Art. 357/66. [1 Artikel 357/20 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/21 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat de leerling door de trajectbegeleider ondersteund moet worden bij onder andere het intakegesprek, de voorbereiding of de opvolging ervan en dat de mentor aanwezig is bij het intakegesprek.
   Artikel 357/22 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat wat de duur betreft, de opleiding in opleidingsvorm 3 minstens 32 opleidingsuren omvat.
   Artikel 357/23 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.
   Artikel 357/24 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat het opleidingsplan wordt opgenomen in het [2 individueel aangepast curriculum, vermeld in artikel 122/1/0 of het gemeenschappelijke curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 122/1/1]2.]1

  
Art. 357/66. [1 L'article 357/20 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/21 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4, avec cette différence toutefois que l'élève doit être soutenu par l'accompagnateur de parcours pendant, entre autres, l'entretien d'entrée, la préparation et le suivi de celui-ci et que le tuteur est présent à cet entretien.
   L'article 357/22 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4, avec cette différence toutefois qu'en ce qui concerne la durée, la formation dans la forme d'enseignement 3 comprend au moins 32 heures de formation.
   L'article 357/23 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.
   L'article 357/24 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4 avec cette différence toutefois que le plan de formation est intégré dans le [2 programme adapté individuellement visé à l'article 122/1/0 ou le programme d'études commun assorti du soutien intensif visé à l'article 122/1/1]2.]1

  
Titel 7. [1 Financiering of subsidiëring van de aanbieders]1
Titre 7. [1 Financement ou subventionnement des prestataires]1
Art. 357/67. [1 De duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4 volgen voor de berekening van de financiering of subsidiëring van de personeelsleden de bepalingen die gelden voor de niet-duale structuuronderdelen in die opleidingsvormen. Daarbij wordt voor de berekening van het onderwijskundig personeel in opleidingsvorm 3 rekening gehouden met het minimale en het maximale aantal lesuren per week, vermeld in artikel 333, en het aantal lesuren dat voor de berekening in de integratiefase is vastgelegd op 38.
   De duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4 volgen voor de berekening van de financiering en de subsidiëring van de werking de bepalingen die gelden voor de niet-duale structuuronderdelen in die opleidingsvormen.]1

  
Art. 357/67. [1 Pour le calcul du financement ou subventionnement des membres du personnel, les subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4 appliquent les dispositions applicables aux subdivisions structurelles non duales dans ces formes d'enseignement. Aux fins du calcul du personnel enseignant dans la forme d'enseignement 3, il est tenu compte du nombre minimum et maximum d'heures de cours par semaine, mentionné à l'article 333, et du nombre d'heures de cours qui est fixé à 38 pour le calcul en phase d'intégration.
   Pour le calcul du financement ou subventionnement du fonctionnement, les subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4 appliquent les dispositions applicables aux subdivisions structurelles non duales dans ces formes d'enseignement.]1

  
Art. 357/68. [1 Met behoud van de aanwendingsmogelijkheden van het pakket lesuren en uren, zoals bepaald in of krachtens deze codex, gelden de volgende specifieke en deels afwijkende bepalingen voor duale structuuronderdelen:
   1° een aantal lesuren en uren worden aangewend als uren die geen lesuren zijn in de vorm van trajectbegeleiding en aangeduid worden als "trajectbegeleiding duaal". De Vlaamse Regering kan voor de voormelde aanwending een minimum bepalen dat kan variëren naargelang van het structuuronderdeel of de groep van structuuronderdelen;
   2° lesuren en uren kunnen in alle duale structuuronderdelen worden aangewend voor [2 voordrachtgevers]2. De Vlaamse Regering bepaalt voor de voormelde aanwending een maximum dat kan variëren naargelang van het structuuronderdeel of de groep van structuuronderdelen;
   3° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen lesuren en uren door een aanbieder aan een andere aanbieder, voor de lesuren ook van een ander net, worden overgedragen voor de organisatie van een deel van duale structuuronderdelen. Bij de overdracht van een school voor buitengewoon secundair onderwijs aan een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden de desbetreffende lesuren en uren omgezet in een krediet volgens parameters die de Vlaamse Regering vastlegt. Die parameters worden toegepast als een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen uren uitbesteedt aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs;
   4° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen lesuren door een aanbieder aan een centrum voor volwassenenonderwijs, ook van een ander net, worden overdragen voor de organisatie van een deel van de duale structuuronderdelen.]1

  
Art. 357/68. [1 Sans préjudice des possibilités d'affectation du capital d'heures de cours et d'heures, telles que déterminées dans ou en vertu du présent code, les dispositions spécifiques et partiellement divergentes suivantes s'appliquent aux subdivisions structurelles duales :
   1° un nombre d'heures de cours et d'heures sont affectées comme des heures qui ne sont pas des heures de cours sous forme d'accompagnement de parcours et sont désignées comme " accompagnement de parcours dual ". Pour l'affectation précitée, le Gouvernement flamand peut arrêter un minimum qui peut varier selon la subdivision structurelle ou le groupe de subdivisions structurelles ;
   2° dans toutes les subdivisions structurelles duales, les heures de cours et les heures peuvent être affectées à des [2 enseignants invités]2. Pour l'affectation précitée, le Gouvernement flamand arrête un maximum qui peut varier selon la subdivision structurelle ou le groupe de subdivisions structurelles ;
   3° aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, les heures de cours et heures peuvent être transférées par un prestataire à un autre prestataire, et pour les heures de cours également d'un autre réseau, pour l'organisation d'une partie des subdivisions structurelles duales. Lors du transfert d'une école d'enseignement secondaire spécial à un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, les heures de cours et heures concernées sont converties en un crédit selon des paramètres fixés par le Gouvernement flamand. Les mêmes paramètres sont appliqués si un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises sous-traite des heures à une école d'enseignement secondaire spécial ;
   4° aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, des heures de cours peuvent être transférées par un prestataire à un centre d'éducation des adultes, également d'un autre réseau, pour l'organisation d'une partie des subdivisions structurelles duales.]1

  
Titel 8. [1 Subsidiëring van de organisatoren]1
Titre 8. [1 Subventionnement des organisateurs]1
Art. 357/69. [1 Artikel 357/29 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.]1
  
Art. 357/69. [1 L'article 357/29 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.]1
  
Titel 9. [1 Kwaliteitstoezicht]1
Titre 9. [1 Contrôle de la qualité]1
Art. 357/70. [1 Artikel 357/30 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.]1
  
Art. 357/70. [1 L'article 357/30 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.]1
  
Titel 10. [1 Monitoring]1
Titre 10. [1 Monitoring]1
Art. 357/71. [1 Artikel 357/31 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.]1
  
Art. 357/71. [1 L'article 357/31 est également applicable aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.]1
  
Titel 11. [1 Overlegforum]1
Titre 11. [1 Forum de concertation]1
Art. 357/72. [1 Artikel 357/32 tot en met 357/36 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4.]1
  
Art. 357/72. [1 Les articles 357/32 à 357/36 sont également applicables aux subdivisions structurelles duales de l'enseignement secondaire spécial des formes d'enseignement 3 et 4.]1
  
DEEL VI. - UITWERKINGSDATA
PARTIE VI. - DATES D'EFFET
Art. 358. De oorspronkelijke bepalingen van de artikelen opgenomen in de codificatie hebben uitwerking met ingang van de ernaast vermelde datum :
Art. 358. Les dispositions initiales des articles repris dans la codification produisent leurs effets à la date mentionnée en regard :

  
  
artikel 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
artikel 3 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
artikel 4 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
artikel 5 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
artikel 6 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
artikel 7 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
artikel 8 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
artikel 9 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
10°artikel 11 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997;
  
11°artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
12°artikel 13 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
13°artikel 14 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
14°artikel 15 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
15°artikel 16 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
16°artikel 17 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
17°artikel 18 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
18°artikel 19 heeft uitwerking met ingang van 25 augustus 1989;
  
19°artikel 20 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1984;
  
20°artikel 21, § 1 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991, § 2 - § 6 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1993 en 1 september 1993;
  
21°artikel 22 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
  
22°artikel 23 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
23°artikel 24 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
24°artikel 25 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
25°artikel 26 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
26°artikel 27 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
27°artikel 28 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
28°artikel 29 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
29°artikel 30 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
30°artikel 31 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
  
31°artikel 32 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
  
32°artikel 33 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
33°artikel 34 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
34°artikel 35, eerste lid, heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
 artikel 35, tweede lid, heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
  
35°artikel 36 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
36°artikel 37 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
37°artikel 38 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1973;
  
38°artikel 39 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
39°artikel 40 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1991;
  
40°artikel 41 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
41°artikel 42 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991;
  
42°artikel 43 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
  
43°artikel 44 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
44°artikel 45 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007 :
  
45°artikel 46 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
  
46°artikel 47 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
47°artikel 48 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2010;
  
48°artikel 49 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
49°artikel 50 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
50°artikel 51 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
51°artikel 52 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
52°artikel 53 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
53°artikel 54 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
54°artikel 55 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
55°artikel 56 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
56°artikel 57 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
57°artikel 58 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
58°artikel 59 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
59°artikel 60 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
60°artikel 61 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
61°artikel 62 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
62°artikel 63 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
63°artikel 64 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
64°artikel 65 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
65°artikel 66 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
66°artikel 67 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
  
67°artikel 68 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
  
68°artikel 69 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
69°artikel 70 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
70°artikel 71 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
71°artikel 72 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
72°artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
73°artikel 74 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
74°artikel 75 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
75°artikel 76 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
76°artikel 77 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
77°artikel 78 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
78°artikel 79 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
79°artikel 80 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
80°artikel 81 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
81°artikel 82 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
82°artikel 83 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
83°artikel 84 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
84°artikel 85 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
85°artikel 86 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
86°artikel 87 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
87°artikel 88 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
88°artikel 89 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
89°artikel 90 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
90°artikel 91 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
91°artikel 92 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
92°artikel 93 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
93°artikel 94 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
  
94°artikel 95 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
95°artikel 96 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
96°artikel 97 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
97°artikel 98 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
98°artikel 99 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
99°artikel 100 heeft uitwerking met ingang van 25 oktober 1981;
  
100°artikel 101 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
101°artikel 102 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
  
102°artikel 103 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
103°artikel 104 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
  
104°artikel 105 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990.
  
105°artikel 106 heeft uitwerking met ingang van 5 september 1996;
  
106°artikel 107 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
  
107°artikel 108 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
108°artikel 109 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
109°artikel 110 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
  
110°artikel 111 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006
  
111°artikel 112 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
112°artikel 113 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
113°artikel 114 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
114°artikel 115 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989 en 1 oktober 1991;
  
115°artikel 116 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
  
116°artikel 117 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005; behalve in § 3 de woorden "tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte", die in werking treden op een door de VR te bepalen datum;
  
117°artikel 118 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
  
118°artikel 119 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
  
119°artikel 120 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
  
120°artikel 121 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
  
121°artikel 122 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
  
122°artikel 123 heeft uitwerking met ingang van 5 september 1996;
  
123°artikel 124 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
124°artikel 125 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
125°artikel 126 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
126°artikel 127 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
127°artikel 128 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
128°artikel 129 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
129°artikel 130 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
130°artikel 131 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
131°artikel 132 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
132°artikel 133 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
133°artikel 134 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
134°artikel 135 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
135°artikel 136 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2010;
  
136°artikel 137 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
137°artikel 138 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
138°artikel 139 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
139°artikel 140 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
140°artikel 141 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
141°artikel 142 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
142°artikel 143 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
143°artikel 144 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;
  
144°artikel 145 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;
  
145°artikel 146 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
146°artikel 147 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
147°artikel 148 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;
  
148°artikel 149 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;
  
149°artikel 150 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1996;
  
150°artikel 151 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;
  
151°artikel 152 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
152°artikel 153 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
153°artikel 154 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
154°artikel 155 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
155°artikel 156 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
156°artikel 157 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
157°artikel 158 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
158°artikel 159 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
159°artikel 160 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
160°artikel 161 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
161°artikel 162 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
162°artikel 163 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
163°artikel 164 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
164°artikel 165 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
165°artikel 166 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
166°artikel 167 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
167°artikel 168 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
168°artikel 169 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
  
169°artikel 170 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
170°artikel 171 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
  
171°artikel 172 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
  
172°artikel 173 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1992;
  
173°artikel 174, § 1 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998; artikel 174, § 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994;
  
174°artikel 175 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
175°artikel 176 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
176°artikel 177 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
177°artikel 178 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
178°artikel 179 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
179°artikel 180 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
180°artikel 181 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
181°artikel 182 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
182°artikel 183 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
183°artikel 184 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
184°artikel 185 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
185°artikel 186 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
186°artikel 187 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
187°artikel 188 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
188°artikel 189 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
189°artikel 190 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
190°artikel 191 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
191°artikel 192 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
192°artikel 193 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
193°artikel 194 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
194°artikel 195 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
195°artikel 196 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
196°artikel 197 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
197°artikel 198 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
198°artikel 199 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2000;
  
199°artikel 200 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
200°artikel 201 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994;
  
201°artikel 202 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
202°artikel 203 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
203°artikel 204 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
204°artikel 205 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
205°artikel 206 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
206°artikel 207 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
207°artikel 208 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
208°artikel 209 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
  
209°artikel 210 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
210°artikel 211 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
  
211°artikel 212 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
212°artikel 213 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
213°artikel 214 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
  
214°artikel 215 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
215°artikel 216 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
216°artikel 217 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
  
217°artikel 218 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
  
218°artikel 219 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
  
219°artikel 220 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
  
220°artikel 221 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
  
221°artikel 222 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
222°artikel 223 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
  
223°artikel 224 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
224°artikel 225 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
225°artikel 226 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
226°artikel 227 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
227°artikel 228 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
228°artikel 229 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
229°artikel 230 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
230°artikel 231 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
231°artikel 232 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
232°artikel 233 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
233°artikel 234 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
234°artikel 235 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
235°artikel 236 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
236°artikel 237 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
237°artikel 238 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
238°artikel 239 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
239°artikel 240 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
  
240°artikel 241 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
241°artikel 242 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
242°artikel 243 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
243°artikel 244 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
244°artikel 245 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
245°artikel 246 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
246°artikel 247 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
247°artikel 248 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
248°artikel 249 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
249°artikel 250 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
250°artikel 251 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
251°artikel 252 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
  
252°artikel 253 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
253°artikel 254 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991;
  
254°artikel 255 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991;
  
255°artikel 256 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991;
  
256°artikel 257 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
  
257°artikel 258 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
  
258°artikel 259 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
  
259°artikel 260 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
260°artikel 261 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
261°artikel 262 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
262°artikel 263 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
263°artikel 264 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;
  
264°artikel 265 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;
  
265°artikel 266 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
266°artikel 267 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
  
267°artikel 268 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
268°artikel 269 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
269°artikel 270 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
270°artikel 271 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
271°artikel 272 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
272°artikel 273 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
273°artikel 274 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
274°artikel 275 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
275°artikel 276 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
276°artikel 277 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
277°artikel 278 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
278°artikel 289 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
279°artikel 280 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
280°artikel 281 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
281°artikel 282 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
282°artikel 283 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
283°artikel 284 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
284°artikel 285 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
285°artikel 286 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
286°artikel 287 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
287°artikel 288 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
288°artikel 289 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
  
289°artikel 290 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
290°artikel 291 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
  
291°artikel 292 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
292°artikel 293 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
  
293°artikel 294 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
  
294°artikel 295 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
295°artikel 296 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
296°artikel 297 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
297°artikel 298 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
298°artikel 299 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
299°artikel 300 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
300°artikel 301 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
301°artikel 302 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
302°artikel 303 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
303°artikel 304 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
304°artikel 305 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
305°artikel 306 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
306°artikel 307, § 1, § 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982; artikel 307, § 3 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1984;
  
307°artikel 308 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
308°artikel 309 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
309°artikel 310 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
310°artikel 311 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
311°artikel 312 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
312°artikel 313 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
313°artikel 314 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
  
314°artikel 315 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
  
315°artikel 316 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
316°artikel 317 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
317°artikel 318 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
318°artikel 319 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
319°artikel 320 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
320°artikel 321 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
321°artikel 322 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
  
322°artikel 323 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
323°artikel 324 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
324°artikel 325 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
325°artikel 326 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
326°artikel 327 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
327°artikel 328 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
328°artikel 329 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
329°artikel 330 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
330°artikel 331 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
331°artikel 332 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
  
332°artikel 333 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
333°artikel 334 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997;
  
334°artikel 335 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
  
335°artikel 336 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
336°artikel 337 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
337°artikel 338 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
338°artikel 339 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
339°artikel 340 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
340°artikel 341 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
341°artikel 342 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
342°artikel 343 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
343°artikel 344 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
344°artikel 345 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
345°artikel 346 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
346°artikel 347 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
347°artikel 348 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
348°artikel 349 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
  
349°artikel 350 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
  
350°artikel 351 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1986;
  
351°artikel 352 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
352°artikel 353 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
353°artikel 354 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
354°artikel 355 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
355°artikel 356 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
  
356°artikel 357 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.

  
l'article 2 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
l'article 3 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
l'article 4 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
l'article 5 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
l'article 6 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
l'article 7 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
l'article 8 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
l'article 9 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
l'article 10 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
10°l'article 11 produit ses effets le 1er septembre 1997;
  
11°l'article 12 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
12°l'article 13 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
13°l'article 14 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
14°l'article 15 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
15°l'article 16 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
16°l'article 17 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
17°l'article 18 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
18°l'article 19 produit ses effets le 25 août 1989;
  
19°l'article 20 produit ses effets le 1er janvier 1984;
  
20°l'article 21, § 1er produit ses effets le 1er septembre 1991, les §§ 2 - 6 produisent leurs effets le 1er janvier 1993 et le 1er septembre 1993;
  
21°l'article 22 produit ses effets le 1er septembre 2007;
  
22°l'article 23 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
23°l'article 24 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
24°l'article 25 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
25°l'article 26 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
26°l'article 27 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
27°l'article 28 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
28°l'article 29 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
29°l'article 30 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
30°l'article 31 produit ses effets le 1er septembre 2007;
  
31°l'article 32 produit ses effets le 1er septembre 2007;
  
32°l'article 33 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
33°l'article 34 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
34°l'article 35, premier alinéa, produit ses effets le 1er septembre 2001; l'article 35, deuxième alinéa, produit ses effets le 1er septembre 2007;
  
35°l'article 36 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
36°l'article 37 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
37°l'article 38 produit ses effets le 1er septembre 1973;
  
38°l'article 39 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
39°l'article 40 produit ses effets le 1er janvier 1991;
  
40°l'article 41 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
41°l'article 42 produit ses effets le 1er septembre 1991;
  
42°l'article 43 produit ses effets le 1er septembre 2005;
  
43°l'article 44 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
44°l'article 45 produit ses effets le 1er septembre 2007;
  
45°l'article 46 produit ses effets le 1er septembre 2007;
  
46°l'article 47 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
47°l'article 48 produit ses effets le 1er septembre 2010;
  
48°l'article 49 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
49°l'article 50 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
50°l'article 51 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
51°l'article 52 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
52°l'article 53 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
53°l'article 54 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
54°l'article 55 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
55°l'article 56 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
56°l'article 57 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
57°l'article 58 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
58°l'article 59 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
59°l'article 60 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
60°l'article 61 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
61°l'article 62 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
62°l'article 63 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
63°l'article 64 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
64°l'article 65 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
65°l'article 66 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
66°l'article 67 produit ses effets le 1er septembre 1970;
  
67°l'article 68 produit ses effets le 1er septembre 1970;
  
68°l'article 69 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
69°l'article 70 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
70°l'article 71 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
71°l'article 72 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
72°l'article 73 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
73°l'article 74 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
74°l'article 75 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
75°l'article 76 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
76°l'article 77 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
77°l'article 78 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
78°l'article 79 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
79°l'article 80 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
80°l'article 81 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
81°l'article 82 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
82°l'article 83 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
83°l'article 84 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
84°l'article 85 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
85°l'article 86 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
86°l'article 87 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
87°l'article 88 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
88°l'article 89 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
89°l'article 90 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
90°l'article 91 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
91°l'article 92 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
92°l'article 93 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
93°l'article 94 produit ses effets le 1er avril 2008;
  
94°l'article 95 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
95°l'article 96 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
96°l'article 97 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
97°l'article 98 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
98°l'article 99 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
99°l'article 100 produit ses effets le 25 octobre 1981;
  
100°l'article 101 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
101°l'article 102 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
102°l'article 103 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
103°l'article 104 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
104°l'article 105 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
105°l'article 106 produit ses effets le 5 septembre 1996;
  
106°l'article 107 produit ses effets le 1er septembre 2007;
  
107°l'article 108 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
108°l'article 109 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
109°l'article 110 produit ses effets le 1er septembre 1958;
  
110°l'article 111 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
111°l'article 112 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
112°l'article 113 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
113°l'article 114 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
114°l'article 115 produit ses effets le 1er septembre 1989 et le 1er octobre 1991;
  
115°l'article 116 produit ses effets le 1er septembre 2005;
  
116°l'article 117 produit ses effets le 1er septembre 2005; à l'exception des mots au § 3 "à moins qu'il ne s'agisse d'une absence à cause d'une maladie chronique", qui entrent en vigueur à une date à déterminer par le Gouvernement flamand;
  
117°l'article 118 produit ses effets le 1er septembre 2005;
  
118°l'article 119 produit ses effets le 1er septembre 2005;
  
119°l'article 120 produit ses effets le 1er septembre 2005;
  
120°l'article 121 produit ses effets le 1er septembre 2005;
  
121°l'article 122 produit ses effets le 1er septembre 2005;
  
122°l'article 123 produit ses effets le 5 septembre 1996;
  
123°l'article 124 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
124°l'article 125 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
125°l'article 126 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
126°l'article 127 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
127°l'article 128 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
128°l'article 129 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
129°l'article 130 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
130°l'article 131 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
131°l'article 132 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
132°l'article 133 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
133°l'article 134 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
134°l'article 135 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
135°l'article 136 produit ses effets le 1er septembre 2010;
  
136°l'article 137 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
137°l'article 138 produit ses effets le 18 février 2002;
  
138°l'article 139 produit ses effets le 18 février 2002;
  
139°l'article 140 produit ses effets le 18 février 2002;
  
140°l'article 141 produit ses effets le 18 février 2002;
  
141°l'article 142 produit ses effets le 18 février 2002;
  
142°l'article 143 produit ses effets le 18 février 2002;
  
143°l'article 144 produit ses effets le 26 juillet 2009;
  
144°l'article 145 produit ses effets le 26 juillet 2009;
  
145°l'article 146 produit ses effets le 18 février 2002;
  
146°l'article 147 produit ses effets le 18 février 2002;
  
147°l'article 148 produit ses effets le 1er septembre 1978;
  
148°l'article 149 produit ses effets le 1er septembre 1978;
  
149°l'article 150 produit ses effets le 1er septembre 1996;
  
150°l'article 151 produit ses effets le 1er septembre 1978;
  
151°l'article 152 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
152°l'article 153 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
153°l'article 154 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
154°l'article 155 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
155°l'article 156 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
156°l'article 157 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
157°l'article 158 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
158°l'article 159 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
159°l'article 160 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
160°l'article 161 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
161°l'article 162 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
162°l'article 163 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
163°l'article 164 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
164°l'article 165 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
165°l'article 166 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
166°l'article 167 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
167°l'article 168 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
168°l'article 169 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
169°l'article 170 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
170°l'article 171 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
171°l'article 172 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
172°l'article 173 produit ses effets le 1er septembre 1992;
  
173°l'article 174, § 1er qui produit ses effets le 1er septembre 1998; l'article 174, § 2 qui produit ses effets le 1er septembre 1994;
  
174°l'article 175 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
175°l'article 176 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
176°l'article 177 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
177°l'article 178 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
178°l'article 179 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
179°l'article 180 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
180°l'article 181 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
181°l'article 182 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
182°l'article 183 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
183°l'article 184 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
184°l'article 185 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
185°l'article 186 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
186°l'article 187 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
187°l'article 188 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
188°l'article 189 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
189°l'article 190 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
190°l'article 191 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
191°l'article 192 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
192°l'article 193 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
193°l'article 194 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
194°l'article 195 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
195°l'article 196 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
196°l'article 197 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
197°l'article 198 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
198°l'article 199 produit ses effets le 1er septembre 2000;
  
199°l'article 200 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
200°l'article 201 produit ses effets le 1er septembre 1994;
  
201°l'article 202 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
202°l'article 203 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
203°l'article 204 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
204°l'article 205 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
205°l'article 206 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
206°l'article 207 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
207°l'article 208 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
208°l'article 209 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
209°l'article 210 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
210°l'article 211 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
211°l'article 212 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
212°l'article 213 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
213°l'article 214 produit ses effets le 1er septembre 1990;
  
214°l'article 215 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
215°l'article 216 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
216°l'article 217 produit ses effets le 1er janvier 2007;
  
217°l'article 218 produit ses effets le 1er janvier 2007;
  
218°l'article 219 produit ses effets le 1er janvier 2007;
  
219°l'article 220 produit ses effets le 1er janvier 2007;
  
220°l'article 221 produit ses effets le 1er septembre 2007;
  
221°l'article 222 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
222°l'article 223 produit ses effets le 1er septembre 1999;
  
223°l'article 224 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
224°l'article 225 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
225°l'article 226 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
226°l'article 227 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
227°l'article 228 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
228°l'article 229 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
229°l'article 230 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
230°l'article 231 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
231°l'article 232 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
232°l'article 233 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
233°l'article 234 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
234°l'article 235 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
235°l'article 236 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
236°l'article 237 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
237°l'article 238 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
238°l'article 239 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
239°l'article 240 produit ses effets le 1er septembre 2002;
  
240°l'article 241 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
241°l'article 242 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
242°l'article 243 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
243°l'article 244 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
244°l'article 245 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
245°l'article 246 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
246°l'article 247 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
247°l'article 248 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
248°l'article 249 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
249°l'article 250 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
250°l'article 251 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
251°l'article 252 produit ses effets le 1er septembre 1989;
  
252°l'article 253 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
253°l'article 254 produit ses effets le 1er septembre 1991;
  
254°l'article 255 produit ses effets le 1er octobre 1991;
  
255°l'article 256 produit ses effets le 1er octobre 1991;
  
256°l'article 257 produit ses effets le 1er septembre 1970;
  
257°l'article 258 produit ses effets le 1er septembre 1970;
  
258°l'article 259 produit ses effets le 1er septembre 1970;
  
259°l'article 260 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
260°l'article 261 produit ses effets le 18 février 2002;
  
261°l'article 262 produit ses effets le 18 février 2002;
  
262°l'article 263 produit ses effets le 18 février 2002;
  
263°l'article 264 produit ses effets le 26 juillet 2009;
  
264°l'article 265 produit ses effets le 26 juillet 2009;
  
265°l'article 266 produit ses effets le 18 février 2002;
  
266°l'article 267 produit ses effets le 18 février 2002;
  
267°l'article 268 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
268°l'article 269 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
269°l'article 270 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
270°l'article 271 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
271°l'article 272 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
272°l'article 273 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
273°l'article 274 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
274°l'article 275 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
275°l'article 276 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
276°l'article 277 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
277°l'article 278 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
278°l'article 289 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
279°l'article 280 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
280°l'article 281 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
281°l'article 282 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
282°l'article 283 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
283°l'article 284 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
284°l'article 285 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
285°l'article 286 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
286°l'article 287 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
287°l'article 288 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
288°l'article 289 produit ses effets le 1er septembre 1986;
  
289°l'article 290 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
290°l'article 291 produit ses effets le 1er septembre 1970;
  
291°l'article 292 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
292°l'article 293 produit ses effets le 1er septembre 1970;
  
293°l'article 294 produit ses effets le 1er septembre 1970;
  
294°l'article 295 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
295°l'article 296 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
296°l'article 297 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
297°l'article 298 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
298°l'article 299 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
299°l'article 300 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
300°l'article 301 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
301°l'article 302 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
302°l'article 303 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
303°l'article 304 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
304°l'article 305 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
305°l'article 306 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
306°l'article 307, § 1er, § 2 qui produit ses effets le 1er septembre 1982; l'article 307, § 3 qui produit ses effets le 1er septembre 1984;
  
307°l'article 308 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
308°l'article 309 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
309°l'article 310 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
310°l'article 311 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
311°l'article 312 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
312°l'article 313 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
313°l'article 314 produit ses effets le 1er juillet 2006;
  
314°l'article 315 produit ses effets le 1er septembre 2005;
  
315°l'article 316 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
316°l'article 317 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
317°l'article 318 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
318°l'article 319 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
319°l'article 320 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
320°l'article 321 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
321°l'article 322 produit ses effets le 1er septembre 2009;
  
322°l'article 323 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
323°l'article 324 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
324°l'article 325 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
325°l'article 326 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
326°l'article 327 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
327°l'article 328 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
328°l'article 329 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
329°l'article 330 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
330°l'article 331 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
331°l'article 332 produit ses effets le 1er novembre 2008;
  
332°l'article 333 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
333°l'article 334 produit ses effets le 1er septembre 1997;
  
334°l'article 335 produit ses effets le 1er septembre 2001;
  
335°l'article 336 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
336°l'article 337 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
337°l'article 338 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
338°l'article 339 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
339°l'article 340 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
340°l'article 341 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
341°l'article 342 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
342°l'article 343 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
343°l'article 344 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
344°l'article 345 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
345°l'article 346 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
346°l'article 347 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
347°l'article 348 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
348°l'article 349 produit ses effets le 1er septembre 2008;
  
349°l'article 350 produit ses effets le 1er septembre 1998;
  
350°l'article 351 produit ses effets le 1er octobre 1986;
  
351°l'article 352 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
352°l'article 353 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
353°l'article 354 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
354°l'article 355 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
355°l'article 356 produit ses effets le 1er septembre 2006;
  
356°l'article 357 produit ses effets le 1er septembre 1995.

1°l'article 2 produit ses effets le 1er septembre 1958;
2°l'article 3 produit ses effets le 1er septembre 1989;
3°l'article 4 produit ses effets le 1er septembre 1989;
4°l'article 5 produit ses effets le 1er septembre 1958;
5°l'article 6 produit ses effets le 1er septembre 1958;
6°l'article 7 produit ses effets le 1er septembre 2001;
7°l'article 8 produit ses effets le 1er septembre 2001;
8°l'article 9 produit ses effets le 1er septembre 2001;
9°l'article 10 produit ses effets le 1er septembre 2001;
10°l'article 11 produit ses effets le 1er septembre 1997;
11°l'article 12 produit ses effets le 1er septembre 1958;
12°l'article 13 produit ses effets le 1er septembre 2006;
13°l'article 14 produit ses effets le 1er septembre 2006;
14°l'article 15 produit ses effets le 1er septembre 2006;
15°l'article 16 produit ses effets le 1er septembre 1958;
16°l'article 17 produit ses effets le 1er septembre 1958;
17°l'article 18 produit ses effets le 1er septembre 1958;
18°l'article 19 produit ses effets le 25 août 1989;
19°l'article 20 produit ses effets le 1er janvier 1984;
20°l'article 21, § 1er produit ses effets le 1er septembre 1991, les §§ 2 - 6 produisent leurs effets le 1er janvier 1993 et le 1er septembre 1993;
21°l'article 22 produit ses effets le 1er septembre 2007;
22°l'article 23 produit ses effets le 1er septembre 1999;
23°l'article 24 produit ses effets le 1er septembre 1999;
24°l'article 25 produit ses effets le 1er septembre 1999;
25°l'article 26 produit ses effets le 1er septembre 1999;
26°l'article 27 produit ses effets le 1er septembre 1999;
27°l'article 28 produit ses effets le 1er septembre 1999;
28°l'article 29 produit ses effets le 1er septembre 1999;
29°l'article 30 produit ses effets le 1er septembre 2002;
30°l'article 31 produit ses effets le 1er septembre 2007;
31°l'article 32 produit ses effets le 1er septembre 2007;
32°l'article 33 produit ses effets le 1er septembre 2008;
33°l'article 34 produit ses effets le 1er septembre 2008;
34°l'article 35, premier alinéa, produit ses effets le 1er septembre 2001; l'article 35, deuxième alinéa, produit ses effets le 1er septembre 2007;
35°l'article 36 produit ses effets le 1er septembre 1958;
36°l'article 37 produit ses effets le 1er septembre 1958;
37°l'article 38 produit ses effets le 1er septembre 1973;
38°l'article 39 produit ses effets le 1er septembre 1986;
39°l'article 40 produit ses effets le 1er janvier 1991;
40°l'article 41 produit ses effets le 1er septembre 1958;
41°l'article 42 produit ses effets le 1er septembre 1991;
42°l'article 43 produit ses effets le 1er septembre 2005;
43°l'article 44 produit ses effets le 1er septembre 2006;
44°l'article 45 produit ses effets le 1er septembre 2007;
45°l'article 46 produit ses effets le 1er septembre 2007;
46°l'article 47 produit ses effets le 1er septembre 1998;
47°l'article 48 produit ses effets le 1er septembre 2010;
48°l'article 49 produit ses effets le 1er septembre 1999;
49°l'article 50 produit ses effets le 1er septembre 1999;
50°l'article 51 produit ses effets le 1er septembre 1999;
51°l'article 52 produit ses effets le 1er septembre 1999;
52°l'article 53 produit ses effets le 1er septembre 1999;
53°l'article 54 produit ses effets le 1er septembre 1999;
54°l'article 55 produit ses effets le 1er septembre 1999;
55°l'article 56 produit ses effets le 1er septembre 1999;
56°l'article 57 produit ses effets le 1er septembre 1999;
57°l'article 58 produit ses effets le 1er septembre 1999;
58°l'article 59 produit ses effets le 1er septembre 1999;
59°l'article 60 produit ses effets le 1er septembre 1999;
60°l'article 61 produit ses effets le 1er septembre 1999;
61°l'article 62 produit ses effets le 1er septembre 1999;
62°l'article 63 produit ses effets le 1er septembre 1999;
63°l'article 64 produit ses effets le 1er septembre 1999;
64°l'article 65 produit ses effets le 1er septembre 1999;
65°l'article 66 produit ses effets le 1er septembre 1999;
66°l'article 67 produit ses effets le 1er septembre 1970;
67°l'article 68 produit ses effets le 1er septembre 1970;
68°l'article 69 produit ses effets le 1er septembre 1998;
69°l'article 70 produit ses effets le 1er septembre 2009;
70°l'article 71 produit ses effets le 1er avril 2008;
71°l'article 72 produit ses effets le 1er avril 2008;
72°l'article 73 produit ses effets le 1er avril 2008;
73°l'article 74 produit ses effets le 1er avril 2008;
74°l'article 75 produit ses effets le 1er avril 2008;
75°l'article 76 produit ses effets le 1er avril 2008;
76°l'article 77 produit ses effets le 1er avril 2008;
77°l'article 78 produit ses effets le 1er avril 2008;
78°l'article 79 produit ses effets le 1er avril 2008;
79°l'article 80 produit ses effets le 1er avril 2008;
80°l'article 81 produit ses effets le 1er avril 2008;
81°l'article 82 produit ses effets le 1er avril 2008;
82°l'article 83 produit ses effets le 1er avril 2008;
83°l'article 84 produit ses effets le 1er avril 2008;
84°l'article 85 produit ses effets le 1er avril 2008;
85°l'article 86 produit ses effets le 1er avril 2008;
86°l'article 87 produit ses effets le 1er avril 2008;
87°l'article 88 produit ses effets le 1er avril 2008;
88°l'article 89 produit ses effets le 1er avril 2008;
89°l'article 90 produit ses effets le 1er avril 2008;
90°l'article 91 produit ses effets le 1er avril 2008;
91°l'article 92 produit ses effets le 1er avril 2008;
92°l'article 93 produit ses effets le 1er avril 2008;
93°l'article 94 produit ses effets le 1er avril 2008;
94°l'article 95 produit ses effets le 1er septembre 1999;
95°l'article 96 produit ses effets le 1er septembre 2009;
96°l'article 97 produit ses effets le 1er septembre 2002;
97°l'article 98 produit ses effets le 1er septembre 2002;
98°l'article 99 produit ses effets le 1er septembre 2002;
99°l'article 100 produit ses effets le 25 octobre 1981;
100°l'article 101 produit ses effets le 1er septembre 2006;
101°l'article 102 produit ses effets le 1er septembre 1990;
102°l'article 103 produit ses effets le 1er septembre 1958;
103°l'article 104 produit ses effets le 1er septembre 1990;
104°l'article 105 produit ses effets le 1er septembre 1990;
105°l'article 106 produit ses effets le 5 septembre 1996;
106°l'article 107 produit ses effets le 1er septembre 2007;
107°l'article 108 produit ses effets le 1er septembre 1958;
108°l'article 109 produit ses effets le 1er septembre 2002;
109°l'article 110 produit ses effets le 1er septembre 1958;
110°l'article 111 produit ses effets le 1er septembre 2006;
111°l'article 112 produit ses effets le 1er septembre 2006;
112°l'article 113 produit ses effets le 1er septembre 2006;
113°l'article 114 produit ses effets le 1er septembre 2006;
114°l'article 115 produit ses effets le 1er septembre 1989 et le 1er octobre 1991;
115°l'article 116 produit ses effets le 1er septembre 2005;
116°l'article 117 produit ses effets le 1er septembre 2005; à l'exception des mots au § 3 "à moins qu'il ne s'agisse d'une absence à cause d'une maladie chronique", qui entrent en vigueur à une date à déterminer par le Gouvernement flamand;
117°l'article 118 produit ses effets le 1er septembre 2005;
118°l'article 119 produit ses effets le 1er septembre 2005;
119°l'article 120 produit ses effets le 1er septembre 2005;
120°l'article 121 produit ses effets le 1er septembre 2005;
121°l'article 122 produit ses effets le 1er septembre 2005;
122°l'article 123 produit ses effets le 5 septembre 1996;
123°l'article 124 produit ses effets le 1er septembre 1989;
124°l'article 125 produit ses effets le 1er septembre 1989;
125°l'article 126 produit ses effets le 1er septembre 1998;
126°l'article 127 produit ses effets le 1er septembre 1998;
127°l'article 128 produit ses effets le 1er septembre 1998;
128°l'article 129 produit ses effets le 1er septembre 1998;
129°l'article 130 produit ses effets le 1er septembre 2002;
130°l'article 131 produit ses effets le 1er septembre 1989;
131°l'article 132 produit ses effets le 1er septembre 2002;
132°l'article 133 produit ses effets le 1er septembre 1998;
133°l'article 134 produit ses effets le 1er septembre 1989;
134°l'article 135 produit ses effets le 1er septembre 2002;
135°l'article 136 produit ses effets le 1er septembre 2010;
136°l'article 137 produit ses effets le 1er septembre 2009;
137°l'article 138 produit ses effets le 18 février 2002;
138°l'article 139 produit ses effets le 18 février 2002;
139°l'article 140 produit ses effets le 18 février 2002;
140°l'article 141 produit ses effets le 18 février 2002;
141°l'article 142 produit ses effets le 18 février 2002;
142°l'article 143 produit ses effets le 18 février 2002;
143°l'article 144 produit ses effets le 26 juillet 2009;
144°l'article 145 produit ses effets le 26 juillet 2009;
145°l'article 146 produit ses effets le 18 février 2002;
146°l'article 147 produit ses effets le 18 février 2002;
147°l'article 148 produit ses effets le 1er septembre 1978;
148°l'article 149 produit ses effets le 1er septembre 1978;
149°l'article 150 produit ses effets le 1er septembre 1996;
150°l'article 151 produit ses effets le 1er septembre 1978;
151°l'article 152 produit ses effets le 1er septembre 1989;
152°l'article 153 produit ses effets le 1er septembre 1989;
153°l'article 154 produit ses effets le 1er septembre 1989;
154°l'article 155 produit ses effets le 1er septembre 2009;
155°l'article 156 produit ses effets le 1er septembre 1989;
156°l'article 157 produit ses effets le 1er septembre 1989;
157°l'article 158 produit ses effets le 1er septembre 2008;
158°l'article 159 produit ses effets le 1er septembre 2008;
159°l'article 160 produit ses effets le 1er septembre 2008;
160°l'article 161 produit ses effets le 1er septembre 2008;
161°l'article 162 produit ses effets le 1er septembre 2008;
162°l'article 163 produit ses effets le 1er septembre 2009;
163°l'article 164 produit ses effets le 1er septembre 2008;
164°l'article 165 produit ses effets le 1er septembre 2008;
165°l'article 166 produit ses effets le 1er septembre 2008;
166°l'article 167 produit ses effets le 1er septembre 2008;
167°l'article 168 produit ses effets le 1er septembre 2008;
168°l'article 169 produit ses effets le 1er septembre 1990;
169°l'article 170 produit ses effets le 1er septembre 2009;
170°l'article 171 produit ses effets le 1er septembre 1990;
171°l'article 172 produit ses effets le 1er septembre 1990;
172°l'article 173 produit ses effets le 1er septembre 1992;
173°l'article 174, § 1er qui produit ses effets le 1er septembre 1998; l'article 174, § 2 qui produit ses effets le 1er septembre 1994;
174°l'article 175 produit ses effets le 1er septembre 1999;
175°l'article 176 produit ses effets le 1er septembre 1999;
176°l'article 177 produit ses effets le 1er septembre 1999;
177°l'article 178 produit ses effets le 1er septembre 1999;
178°l'article 179 produit ses effets le 1er septembre 1999;
179°l'article 180 produit ses effets le 1er septembre 1999;
180°l'article 181 produit ses effets le 1er septembre 1999;
181°l'article 182 produit ses effets le 1er septembre 1999;
182°l'article 183 produit ses effets le 1er septembre 1999;
183°l'article 184 produit ses effets le 1er septembre 1999;
184°l'article 185 produit ses effets le 1er septembre 1999;
185°l'article 186 produit ses effets le 1er septembre 1999;
186°l'article 187 produit ses effets le 1er septembre 1999;
187°l'article 188 produit ses effets le 1er septembre 1999;
188°l'article 189 produit ses effets le 1er septembre 1998;
189°l'article 190 produit ses effets le 1er septembre 1998;
190°l'article 191 produit ses effets le 1er septembre 1998;
191°l'article 192 produit ses effets le 1er septembre 1998;
192°l'article 193 produit ses effets le 1er septembre 1998;
193°l'article 194 produit ses effets le 1er septembre 1998;
194°l'article 195 produit ses effets le 1er septembre 1998;
195°l'article 196 produit ses effets le 1er septembre 1998;
196°l'article 197 produit ses effets le 1er septembre 1999;
197°l'article 198 produit ses effets le 1er septembre 1998;
198°l'article 199 produit ses effets le 1er septembre 2000;
199°l'article 200 produit ses effets le 1er septembre 1998;
200°l'article 201 produit ses effets le 1er septembre 1994;
201°l'article 202 produit ses effets le 1er septembre 1998;
202°l'article 203 produit ses effets le 1er septembre 1998;
203°l'article 204 produit ses effets le 1er septembre 1998;
204°l'article 205 produit ses effets le 1er septembre 1998;
205°l'article 206 produit ses effets le 1er septembre 1998;
206°l'article 207 produit ses effets le 1er septembre 1998;
207°l'article 208 produit ses effets le 1er septembre 1998;
208°l'article 209 produit ses effets le 1er septembre 1990;
209°l'article 210 produit ses effets le 1er septembre 2006;
210°l'article 211 produit ses effets le 1er septembre 1990;
211°l'article 212 produit ses effets le 1er septembre 1999;
212°l'article 213 produit ses effets le 1er septembre 2002;
213°l'article 214 produit ses effets le 1er septembre 1990;
214°l'article 215 produit ses effets le 1er septembre 2001;
215°l'article 216 produit ses effets le 1er septembre 2001;
216°l'article 217 produit ses effets le 1er janvier 2007;
217°l'article 218 produit ses effets le 1er janvier 2007;
218°l'article 219 produit ses effets le 1er janvier 2007;
219°l'article 220 produit ses effets le 1er janvier 2007;
220°l'article 221 produit ses effets le 1er septembre 2007;
221°l'article 222 produit ses effets le 1er septembre 2002;
222°l'article 223 produit ses effets le 1er septembre 1999;
223°l'article 224 produit ses effets le 1er septembre 2002;
224°l'article 225 produit ses effets le 1er septembre 2002;
225°l'article 226 produit ses effets le 1er septembre 2002;
226°l'article 227 produit ses effets le 1er septembre 2002;
227°l'article 228 produit ses effets le 1er septembre 2002;
228°l'article 229 produit ses effets le 1er septembre 2002;
229°l'article 230 produit ses effets le 1er septembre 2002;
230°l'article 231 produit ses effets le 1er septembre 2002;
231°l'article 232 produit ses effets le 1er septembre 2002;
232°l'article 233 produit ses effets le 1er septembre 2002;
233°l'article 234 produit ses effets le 1er septembre 2002;
234°l'article 235 produit ses effets le 1er septembre 2002;
235°l'article 236 produit ses effets le 1er septembre 2002;
236°l'article 237 produit ses effets le 1er septembre 2002;
237°l'article 238 produit ses effets le 1er septembre 2002;
238°l'article 239 produit ses effets le 1er septembre 2002;
239°l'article 240 produit ses effets le 1er septembre 2002;
240°l'article 241 produit ses effets le 1er septembre 2008;
241°l'article 242 produit ses effets le 1er novembre 2008;
242°l'article 243 produit ses effets le 1er novembre 2008;
243°l'article 244 produit ses effets le 1er novembre 2008;
244°l'article 245 produit ses effets le 1er novembre 2008;
245°l'article 246 produit ses effets le 1er novembre 2008;
246°l'article 247 produit ses effets le 1er novembre 2008;
247°l'article 248 produit ses effets le 1er novembre 2008;
248°l'article 249 produit ses effets le 1er novembre 2008;
249°l'article 250 produit ses effets le 1er novembre 2008;
250°l'article 251 produit ses effets le 1er novembre 2008;
251°l'article 252 produit ses effets le 1er septembre 1989;
252°l'article 253 produit ses effets le 1er septembre 2001;
253°l'article 254 produit ses effets le 1er septembre 1991;
254°l'article 255 produit ses effets le 1er octobre 1991;
255°l'article 256 produit ses effets le 1er octobre 1991;
256°l'article 257 produit ses effets le 1er septembre 1970;
257°l'article 258 produit ses effets le 1er septembre 1970;
258°l'article 259 produit ses effets le 1er septembre 1970;
259°l'article 260 produit ses effets le 1er septembre 2006;
260°l'article 261 produit ses effets le 18 février 2002;
261°l'article 262 produit ses effets le 18 février 2002;
262°l'article 263 produit ses effets le 18 février 2002;
263°l'article 264 produit ses effets le 26 juillet 2009;
264°l'article 265 produit ses effets le 26 juillet 2009;
265°l'article 266 produit ses effets le 18 février 2002;
266°l'article 267 produit ses effets le 18 février 2002;
267°l'article 268 produit ses effets le 1er septembre 1986;
268°l'article 269 produit ses effets le 1er septembre 1986;
269°l'article 270 produit ses effets le 1er septembre 1986;
270°l'article 271 produit ses effets le 1er septembre 1986;
271°l'article 272 produit ses effets le 1er septembre 1986;
272°l'article 273 produit ses effets le 1er septembre 1986;
273°l'article 274 produit ses effets le 1er septembre 1986;
274°l'article 275 produit ses effets le 1er septembre 1986;
275°l'article 276 produit ses effets le 1er septembre 1986;
276°l'article 277 produit ses effets le 1er septembre 1986;
277°l'article 278 produit ses effets le 1er septembre 1986;
278°l'article 289 produit ses effets le 1er septembre 1986;
279°l'article 280 produit ses effets le 1er septembre 1986;
280°l'article 281 produit ses effets le 1er septembre 1986;
281°l'article 282 produit ses effets le 1er septembre 1986;
282°l'article 283 produit ses effets le 1er septembre 1986;
283°l'article 284 produit ses effets le 1er septembre 1986;
284°l'article 285 produit ses effets le 1er septembre 1986;
285°l'article 286 produit ses effets le 1er septembre 1986;
286°l'article 287 produit ses effets le 1er septembre 1986;
287°l'article 288 produit ses effets le 1er septembre 1986;
288°l'article 289 produit ses effets le 1er septembre 1986;
289°l'article 290 produit ses effets le 1er septembre 2009;
290°l'article 291 produit ses effets le 1er septembre 1970;
291°l'article 292 produit ses effets le 1er septembre 2006;
292°l'article 293 produit ses effets le 1er septembre 1970;
293°l'article 294 produit ses effets le 1er septembre 1970;
294°l'article 295 produit ses effets le 1er septembre 2001;
295°l'article 296 produit ses effets le 1er septembre 1998;
296°l'article 297 produit ses effets le 1er juillet 2006;
297°l'article 298 produit ses effets le 1er juillet 2006;
298°l'article 299 produit ses effets le 1er juillet 2006;
299°l'article 300 produit ses effets le 1er juillet 2006;
300°l'article 301 produit ses effets le 1er juillet 2006;
301°l'article 302 produit ses effets le 1er juillet 2006;
302°l'article 303 produit ses effets le 1er juillet 2006;
303°l'article 304 produit ses effets le 1er juillet 2006;
304°l'article 305 produit ses effets le 1er juillet 2006;
305°l'article 306 produit ses effets le 1er juillet 2006;
306°l'article 307, § 1er, § 2 qui produit ses effets le 1er septembre 1982; l'article 307, § 3 qui produit ses effets le 1er septembre 1984;
307°l'article 308 produit ses effets le 1er juillet 2006;
308°l'article 309 produit ses effets le 1er juillet 2006;
309°l'article 310 produit ses effets le 1er juillet 2006;
310°l'article 311 produit ses effets le 1er juillet 2006;
311°l'article 312 produit ses effets le 1er juillet 2006;
312°l'article 313 produit ses effets le 1er juillet 2006;
313°l'article 314 produit ses effets le 1er juillet 2006;
314°l'article 315 produit ses effets le 1er septembre 2005;
315°l'article 316 produit ses effets le 1er septembre 2009;
316°l'article 317 produit ses effets le 1er septembre 2009;
317°l'article 318 produit ses effets le 1er septembre 2009;
318°l'article 319 produit ses effets le 1er septembre 2009;
319°l'article 320 produit ses effets le 1er septembre 2009;
320°l'article 321 produit ses effets le 1er septembre 2009;
321°l'article 322 produit ses effets le 1er septembre 2009;
322°l'article 323 produit ses effets le 1er novembre 2008;
323°l'article 324 produit ses effets le 1er novembre 2008;
324°l'article 325 produit ses effets le 1er novembre 2008;
325°l'article 326 produit ses effets le 1er novembre 2008;
326°l'article 327 produit ses effets le 1er novembre 2008;
327°l'article 328 produit ses effets le 1er novembre 2008;
328°l'article 329 produit ses effets le 1er novembre 2008;
329°l'article 330 produit ses effets le 1er novembre 2008;
330°l'article 331 produit ses effets le 1er novembre 2008;
331°l'article 332 produit ses effets le 1er novembre 2008;
332°l'article 333 produit ses effets le 1er septembre 2006;
333°l'article 334 produit ses effets le 1er septembre 1997;
334°l'article 335 produit ses effets le 1er septembre 2001;
335°l'article 336 produit ses effets le 1er septembre 1998;
336°l'article 337 produit ses effets le 1er septembre 1998;
337°l'article 338 produit ses effets le 1er septembre 1998;
338°l'article 339 produit ses effets le 1er septembre 1998;
339°l'article 340 produit ses effets le 1er septembre 1998;
340°l'article 341 produit ses effets le 1er septembre 2008;
341°l'article 342 produit ses effets le 1er septembre 2008;
342°l'article 343 produit ses effets le 1er septembre 2008;
343°l'article 344 produit ses effets le 1er septembre 2008;
344°l'article 345 produit ses effets le 1er septembre 2008;
345°l'article 346 produit ses effets le 1er septembre 2008;
346°l'article 347 produit ses effets le 1er septembre 2008;
347°l'article 348 produit ses effets le 1er septembre 2008;
348°l'article 349 produit ses effets le 1er septembre 2008;
349°l'article 350 produit ses effets le 1er septembre 1998;
350°l'article 351 produit ses effets le 1er octobre 1986;
351°l'article 352 produit ses effets le 1er septembre 2006;
352°l'article 353 produit ses effets le 1er septembre 2006;
353°l'article 354 produit ses effets le 1er septembre 2006;
354°l'article 355 produit ses effets le 1er septembre 2006;
355°l'article 356 produit ses effets le 1er septembre 2006;
356°l'article 357 produit ses effets le 1er septembre 1995.
1°artikel 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
2°artikel 3 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
3°artikel 4 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
4°artikel 5 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
5°artikel 6 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
6°artikel 7 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
7°artikel 8 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
8°artikel 9 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
9°artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
10°artikel 11 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997;
11°artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
12°artikel 13 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
13°artikel 14 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
14°artikel 15 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
15°artikel 16 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
16°artikel 17 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
17°artikel 18 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
18°artikel 19 heeft uitwerking met ingang van 25 augustus 1989;
19°artikel 20 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1984;
20°artikel 21, § 1 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991, § 2 - § 6 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1993 en 1 september 1993;
21°artikel 22 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
22°artikel 23 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
23°artikel 24 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
24°artikel 25 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
25°artikel 26 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
26°artikel 27 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
27°artikel 28 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
28°artikel 29 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
29°artikel 30 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
30°artikel 31 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
31°artikel 32 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
32°artikel 33 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
33°artikel 34 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
34°artikel 35, eerste lid, heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
artikel 35, tweede lid, heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
35°artikel 36 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
36°artikel 37 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
37°artikel 38 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1973;
38°artikel 39 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
39°artikel 40 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1991;
40°artikel 41 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
41°artikel 42 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991;
42°artikel 43 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
43°artikel 44 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
44°artikel 45 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007 :
45°artikel 46 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
46°artikel 47 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
47°artikel 48 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2010;
48°artikel 49 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
49°artikel 50 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
50°artikel 51 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
51°artikel 52 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
52°artikel 53 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
53°artikel 54 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
54°artikel 55 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
55°artikel 56 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
56°artikel 57 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
57°artikel 58 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
58°artikel 59 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
59°artikel 60 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
60°artikel 61 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
61°artikel 62 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
62°artikel 63 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
63°artikel 64 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
64°artikel 65 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
65°artikel 66 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
66°artikel 67 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
67°artikel 68 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
68°artikel 69 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
69°artikel 70 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
70°artikel 71 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
71°artikel 72 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
72°artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
73°artikel 74 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
74°artikel 75 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
75°artikel 76 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
76°artikel 77 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
77°artikel 78 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
78°artikel 79 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
79°artikel 80 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
80°artikel 81 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
81°artikel 82 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
82°artikel 83 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
83°artikel 84 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
84°artikel 85 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
85°artikel 86 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
86°artikel 87 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
87°artikel 88 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
88°artikel 89 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
89°artikel 90 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
90°artikel 91 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
91°artikel 92 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
92°artikel 93 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
93°artikel 94 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;
94°artikel 95 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
95°artikel 96 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
96°artikel 97 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
97°artikel 98 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
98°artikel 99 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
99°artikel 100 heeft uitwerking met ingang van 25 oktober 1981;
100°artikel 101 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
101°artikel 102 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
102°artikel 103 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
103°artikel 104 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
104°artikel 105 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990.
105°artikel 106 heeft uitwerking met ingang van 5 september 1996;
106°artikel 107 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
107°artikel 108 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
108°artikel 109 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
109°artikel 110 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;
110°artikel 111 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006
111°artikel 112 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
112°artikel 113 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
113°artikel 114 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
114°artikel 115 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989 en 1 oktober 1991;
115°artikel 116 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
116°artikel 117 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005; behalve in § 3 de woorden "tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte", die in werking treden op een door de VR te bepalen datum;
117°artikel 118 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
118°artikel 119 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
119°artikel 120 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
120°artikel 121 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
121°artikel 122 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
122°artikel 123 heeft uitwerking met ingang van 5 september 1996;
123°artikel 124 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
124°artikel 125 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
125°artikel 126 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
126°artikel 127 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
127°artikel 128 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
128°artikel 129 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
129°artikel 130 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
130°artikel 131 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
131°artikel 132 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
132°artikel 133 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
133°artikel 134 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
134°artikel 135 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
135°artikel 136 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2010;
136°artikel 137 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
137°artikel 138 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
138°artikel 139 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
139°artikel 140 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
140°artikel 141 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
141°artikel 142 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
142°artikel 143 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
143°artikel 144 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;
144°artikel 145 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;
145°artikel 146 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
146°artikel 147 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
147°artikel 148 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;
148°artikel 149 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;
149°artikel 150 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1996;
150°artikel 151 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;
151°artikel 152 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
152°artikel 153 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
153°artikel 154 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
154°artikel 155 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
155°artikel 156 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
156°artikel 157 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
157°artikel 158 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
158°artikel 159 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
159°artikel 160 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
160°artikel 161 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
161°artikel 162 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
162°artikel 163 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
163°artikel 164 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
164°artikel 165 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
165°artikel 166 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
166°artikel 167 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
167°artikel 168 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
168°artikel 169 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
169°artikel 170 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
170°artikel 171 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
171°artikel 172 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
172°artikel 173 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1992;
173°artikel 174, § 1 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998; artikel 174, § 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994;
174°artikel 175 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
175°artikel 176 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
176°artikel 177 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
177°artikel 178 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
178°artikel 179 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
179°artikel 180 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
180°artikel 181 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
181°artikel 182 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
182°artikel 183 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
183°artikel 184 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
184°artikel 185 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
185°artikel 186 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
186°artikel 187 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
187°artikel 188 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
188°artikel 189 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
189°artikel 190 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
190°artikel 191 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
191°artikel 192 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
192°artikel 193 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
193°artikel 194 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
194°artikel 195 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
195°artikel 196 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
196°artikel 197 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
197°artikel 198 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
198°artikel 199 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2000;
199°artikel 200 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
200°artikel 201 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994;
201°artikel 202 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
202°artikel 203 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
203°artikel 204 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
204°artikel 205 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
205°artikel 206 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
206°artikel 207 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
207°artikel 208 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
208°artikel 209 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
209°artikel 210 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
210°artikel 211 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
211°artikel 212 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
212°artikel 213 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
213°artikel 214 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;
214°artikel 215 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
215°artikel 216 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
216°artikel 217 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
217°artikel 218 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
218°artikel 219 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
219°artikel 220 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
220°artikel 221 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;
221°artikel 222 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
222°artikel 223 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;
223°artikel 224 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
224°artikel 225 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
225°artikel 226 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
226°artikel 227 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
227°artikel 228 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
228°artikel 229 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
229°artikel 230 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
230°artikel 231 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
231°artikel 232 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
232°artikel 233 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
233°artikel 234 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
234°artikel 235 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
235°artikel 236 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
236°artikel 237 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
237°artikel 238 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
238°artikel 239 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
239°artikel 240 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;
240°artikel 241 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
241°artikel 242 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
242°artikel 243 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
243°artikel 244 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
244°artikel 245 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
245°artikel 246 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
246°artikel 247 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
247°artikel 248 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
248°artikel 249 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
249°artikel 250 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
250°artikel 251 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
251°artikel 252 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;
252°artikel 253 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
253°artikel 254 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991;
254°artikel 255 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991;
255°artikel 256 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991;
256°artikel 257 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
257°artikel 258 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
258°artikel 259 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
259°artikel 260 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
260°artikel 261 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
261°artikel 262 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
262°artikel 263 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
263°artikel 264 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;
264°artikel 265 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;
265°artikel 266 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
266°artikel 267 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;
267°artikel 268 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
268°artikel 269 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
269°artikel 270 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
270°artikel 271 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
271°artikel 272 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
272°artikel 273 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
273°artikel 274 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
274°artikel 275 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
275°artikel 276 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
276°artikel 277 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
277°artikel 278 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
278°artikel 289 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
279°artikel 280 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
280°artikel 281 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
281°artikel 282 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
282°artikel 283 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
283°artikel 284 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
284°artikel 285 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
285°artikel 286 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
286°artikel 287 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
287°artikel 288 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
288°artikel 289 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;
289°artikel 290 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
290°artikel 291 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
291°artikel 292 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
292°artikel 293 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
293°artikel 294 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;
294°artikel 295 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
295°artikel 296 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
296°artikel 297 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
297°artikel 298 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
298°artikel 299 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
299°artikel 300 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
300°artikel 301 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
301°artikel 302 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
302°artikel 303 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
303°artikel 304 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
304°artikel 305 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
305°artikel 306 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
306°artikel 307, § 1, § 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982; artikel 307, § 3 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1984;
307°artikel 308 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
308°artikel 309 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
309°artikel 310 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
310°artikel 311 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
311°artikel 312 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
312°artikel 313 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
313°artikel 314 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;
314°artikel 315 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;
315°artikel 316 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
316°artikel 317 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
317°artikel 318 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
318°artikel 319 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
319°artikel 320 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
320°artikel 321 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
321°artikel 322 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;
322°artikel 323 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
323°artikel 324 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
324°artikel 325 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
325°artikel 326 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
326°artikel 327 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
327°artikel 328 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
328°artikel 329 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
329°artikel 330 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
330°artikel 331 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
331°artikel 332 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;
332°artikel 333 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
333°artikel 334 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997;
334°artikel 335 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;
335°artikel 336 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
336°artikel 337 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
337°artikel 338 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
338°artikel 339 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
339°artikel 340 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
340°artikel 341 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
341°artikel 342 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
342°artikel 343 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
343°artikel 344 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
344°artikel 345 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
345°artikel 346 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
346°artikel 347 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
347°artikel 348 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
348°artikel 349 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;
349°artikel 350 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;
350°artikel 351 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1986;
351°artikel 352 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
352°artikel 353 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
353°artikel 354 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
354°artikel 355 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
355°artikel 356 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;
356°artikel 357 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.
-
DEEL VII. - AANPASSINGEN VAN DE VERWIJZINGEN NAAR ARTIKELEN OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE
PARTIE VII. - ADAPTATIONS DES REFERENCES AUX ARTICLES REPRIS DANS LA CODIFICATION
Art. 359. In de hierna vermelde wetten, decreten en besluiten worden de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs, aangepast door schrappingen door te voeren of een verwijzing op te nemen naar een artikel uit de codificatie :
  1) In artikel 16, § 1, B, e) van het koninklijk besluit van 15/4/1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wordt de zinsnede " artikel 28, 1° tot en met 5°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 28, 1° tot en met 5°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en van artikel 18, 1° tot 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  2) In de titel van het koninklijk besluit van 15/12/1959 houdende toepassing van artikel 32 van de wet van 29 mei 1959, wordt de zinsnede " artikel 32 van de wet van 29 mei 1959 " vervangen door de zinsnede " artikel 37 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  3) In artikel 1 van het koninklijk besluit van 27/7/1971 houdende organisatiemodaliteiten van de begeleiding der leerlingen die scholen of afdelingen voor buitengewoon onderwijs volgen, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " De begeleiding van leerlingen in het buitengewoon onderwijs omvat de hiernavolgende werkzaamheden : ".
  4) In artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 7/2/1974 betreffende de wijze waarop de reisonkosten van leerlingen iot het buitengewoon onderwijs ten laste genomen worden door de Staat, wordt de zinsnede " artikel 4 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 110 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  5) In het koninklijk besluit van 28/6/1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1, § 1, wordt de zinsnede " bedoeld bij de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " opgesomd in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 7 wordt de zinsnede " artikel 5, § 1, van de wet op het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 294 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 10, § 1, wordt de zinsnede " artikel 4 van de wet op het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 293 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 10, § 2, wordt de zinsnede " artikel 4 van de wet op het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 293 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  6) In de wet van 1/9/1980 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2, § 3, 4°, wordt de zinsnede " waarop de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1973, van toepassing is " vervangen door de zinsnede " waarop de decreten rechtspositie van toepassing zijn ";
  2° in artikel 2, § 3, 5°, wordt de zinsnede " waarop de wet van 29 mei 1959 niet van toepassing is " vervangen door de zinsnede " waarop de decreten rechtspositie niet van toepassing zijn ".
  7) In de wet van 29/6/1983 betreffende de leerplicht worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1, § 5, wordt de zinsnede " verstrekt overeenkomstig de wet van op het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 5, § 5, wordt de zinsnede " de wet van op het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " de bepalingen van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  8) In het koninklijk besluit van 13/9/1983 betreffende het verlof voor opdrachten in het belang van het onderwijs en de terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht van de personeelsleden van het Gesubsidieerd onderwijs, wordt in artikel 1 de zinsnede " overeenkomstig de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, " geschrapt.
  9) In artikel 1, 1°, van het ministerieel besluit van 20/9/1983 tot vaststelling van het bijzonder bestek voor vervoer van de leerlingen die de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde scholen bezoeken, wordt de zinsnede " de inrichtende macht zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de woorden " het schoolbestuur ".
  10) In het koninklijk besluit nr. 297 van 31/3/1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, wordt in artikel 1, het punt 3° vervangen door wat volgt :
  " 3° het personeel gesubsidieerd onderwijs zoals opgesomd in de decreten rechtspositie; ".
  11) In artikel 3 en artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26/4/1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 3° wordt geschrapt;
  2° in 11° wordt de zinsnede " artikel 156 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 69 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  12) In het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2, § 3, 2°, wordt de zinsnede " art. 34 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie in het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 288 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 2, § 3, 3°, wordt de zinsnede " art. 34 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 288 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 4, § 3, wordt de zinsnede " artikel 75, § 1, van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs ", vervangen door de zinsnede " artikel 43, 2°, van het decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing ".
  13) In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen wordt de zinsnede " Artikel 12bis, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving treedt " vervangen door de zinsnede " De reglementaire bepalingen inzake bekwaamheidsbewijzen treden ".
  14) In het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 tot vastlegging van het pakket " uren-leraar " in het voltijds secundair onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1 wordt de zinsnede " ,overeenkomstig van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, " geschrapt;
  2° in artikel 3 en artikel 9 wordt de zinsnede " , bedoeld in artikel 56, 1° van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs B II " geschrapt;
  3° in artikel 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in § 4 wordt de zinsnede " in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) in § 5 wordt de zinsnede " artikel 48 of 49 van hetzelfde decreet van 14 juli 1998, genoemd in § 4, derde lid " vervangen door de zinsnede " artikel 190 of artikel 191 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  c) in § 6 wordt de zinsnede " artikel 50 of 52bis, § 1, van hetzelfde decreet van 14 juli 1998, genoemd in § 4, derde lid " vervangen door de zinsnede " artikel 192 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  d) in § 7 wordt de zinsnede " artikel 51, 52, 52bis, § 2, 52bis, § 3, of 54bis van hetzelfde decreet van 14 juli 1998, genoemd in § 4, derde lid " vervangen door de zinsnede " artikel 193, artikel 194 en artikel 197 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 6 wordt de zinsnede " in hetzelfde decreet van 14 juli 1998, genoemd in artikel 4, § 4, derde lid " vervangen door de zinsnede " in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 15quater wordt de zinsnede " artikel 3, § 6, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 20 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  15) In artikel 200 van het decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II, wordt de zinsnede " artikel 12 bis, § 3 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " de reglementaire bepalingen inzake terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling ".
  16) In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26/9/1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars, wordt de zinsnede " Artikel 12bis, § 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving treedt " vervangen door de zinsnede " De reglementaire bepalingen inzake bekwaamheidsbewijzen treden ".
  17) In het besluit van de Vlaamse Regering van 9/1/1991 houdende de controlemaatregelen inzake de aanwending van de werkingstoelagen in het gesubsidieerd onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1 wordt de zinsnede " artikel 32 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 37 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 2 wordt de zinsnede " de artikelen 32 en 36bis van dezelfde wet " vervangen door de zinsnede " het artikel 37 en artikel 38 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  18) In het decreet van 23/3/1991 betreffende de rechtspositie vanbepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 3, 3°, wordt de zinsnede " artikel 96, § 4, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, § 4, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 3, 7°, wordt de zinsnede " artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " de reglementaire bepalingen inzake levensbeschouwelijk onderricht ";
  3° in artikel 3, 28°, wordt de zinsnede " artikel 2, 28° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 3, 36°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 39 wordt de zinsnede " artikel 96, 4° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 56/1, § 1,1° wordt de zinsnede " van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 206, § 2, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  6° in artikel 100quinquies worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in § 1 en § 2 wordt telkens de zinsnede " titel XI - Ondersteunend personeel van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " de bepalingen inzake de globale puntenenveloppe opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) in § 3 wordt de zinsnede " artikel 95 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 30 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  c) in § 4 wordt de zinsnede " artikel 97 van voormeld decreet van 14 juli 1998 " vervangen door de zinsnede " de bepalingen inzake de globale puntenenveloppe opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  19) In het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 5, 9°, wordt de zinsnede " artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " de reglementaire bepalingen inzake levensbeschouwelijk onderricht ";
  2° in artikel 5, 20°, wordt de zinsnede " artiikel 2, 28°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 3, 36°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 19 wordt de zinsnede " artikel 28, § 1, 1°, 2° en 4°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 28, § 1, 1°, 2° en 4°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en artikel 18, § 1, 1°, 2°, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 74bis /1, § 1 wordt de zinsnede " artikle 45, § 2, 4°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 206, § 2, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 84quinquies worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in § 1 en § 2 wordt telkens de zinsnede " titel XI - Ondersteunend personeel van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " de bepalingen inzake de globale puntenenveloppe opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) in § 3 wordt de zinsnede " artikel 95 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 30 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  c) in § 4 wordt de zinsnede " artikel 97 van voormeld decreet van 14 juli 1998 " vervangen door de zinsnede " de bepalingen inzake de globale puntenenveloppe opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  6° in artikel 84quater decies wordt de zinsnede " artikel 27, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 27, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en artikel 17, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  20) In het besluit van de Vlaamse Regering van 24/7/1991 houdende bepaling van de begrippen gezondheidstoezicht en sociale voordelen bedoeld in artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de titel wordt de zinsnede " bedoeld in artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " geschrapt;
  2° artikel 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 1. Voor de toepassing van de bepalingen inzake sociale voordelen wordt onder "gezondheidstoezicht" verstaan het preventief medisch schooltoezicht zoals bepaald in de regelgeving inzake centra voor leerlingenbegeleiding. ";
  3° in artikel 2 wordt de zinsnede " artikel 33, derde lid van dezelfde wet " vervangen door de zinsnede " de regelgeving betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau ".
  21) In het decreet van 23/10/1991 betreffende de medezeggenschap in het gesubsidieerd onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 7 wordt de zin " De onderwijsinstellingen die worden erkend door de Raad van het pluralistisch onderwijs, bedoeld in, vierde lid, b, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, moeten evenmin een participatieraad oprichten. " geschrapt;
  2° in artikel 34bis wordt de zinsnede " van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  22) In het besluit van de Vlaamse Regering van 7/1/1992 houdende vaststelling van de toepassingsregels van de sancties bepaald in artikel 3, § 9, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepaald in, § 9 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden de volgende wijziging aangebracht :
  1° in de titel wordt de zinsnede " bepaald in artikel 3, § 9, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " inzake programmatie of rationalisatie ";
  2° in artikel 2, § 1, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de zinsnede " bedoeld in artikel 3, § 9 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " inzake reglementaire programmatie- en rationalisatienormen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) de zinsnede " ,vastgelegd in uitvoering van artikel 13, § 1, a, van die wet " wordt geschrapt.
  23) In het besluit van de Vlaamse Regering van 29/4/1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2, § 2, 11°, wordt de zinsnede " artikle 94 tot en met 99ter van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 24 tot en met artikel 31 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 12bis, § 1, de zinsnede " in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " in de bepalingen van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  24) In artikel 79 van het decreet van 25/6/1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 wordt de zinsnede " artikel 2, § 1, en artikel 3, § 1, en artikel 3, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " geschrapt.
  25) In artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22/7/1993 betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerkosten van hun personeelsleden wordt de zinsnede " bedoeld in artikel 3, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, " geschrapt.
  26) In het decreet van 1/12/1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2, 2°, wordt de zinsnede " artikel 8, tweede lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 96 en artikel 97 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 8, § 1, 1°, wordt de zinsnede " artikel 8 en 8bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 96 tot en met artikel 99 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  27) In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15/12/1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, wordt de zinsnede " bedoeld in artikel 9, vierde en vijfde lid, en in artikel 10, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " levensbeschouwelijk onderricht ".
  28) In het besluit van de Vlaamse Regering van 21/12/1994 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 worden de volgende wijzingen aangebracht :
  1° in artikel 1 wordt de zinsnede " Artikel 12bis, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving treedt " wordt vervangen door de zinsnede " De reglementaire bepalingen inzake bekwaamheidsbewijzen treden ";
  2° in artikel 2, 1°, wordt de zinsnede " artikel 34 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie in het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 288 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 2, 2°, wordt de zinsnede " met toepassing van artikel 34 van het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 " vervangen door " artikel 288 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  29) In het decreet van 5/4/1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 37bis wordt de zinsnede " titel VIII van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " de reglementaire bepalingen inzake scholengemeenschappen van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 55, § 2, wordt de zinsnede " artikel 32 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, " vervangen door de zinsnede " artikel 37 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  30) In het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt in artikel 125octies de zinsnede " het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " de coördinatie betreffende het secundair onderwijs ".
  31) In het besluit van de Vlaamse Regering van 24/6/1997 over de bevoegdheid, de samenstelling en de werking van de commissies van advies voor het buitengewoon onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1 wordt het punt 3° opgeheven;
  2° in artikel 3 wordt de zinsnede " artikel 7, § 2, van de wet " vervangen door de zinsnede " artikel 68, § 2, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 5 worden de zinsnede " artikel 7, § 1, van de wet " en " artikel 20 van de wet " vervangen door de zinsnede " artikel 68, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 5 wordt de zinsnede " zoals bepaald in artikel 20 van de wet " geschrapt;
  5° in artikel 6 wordt de zinsnede " artikel 4 van de wet " vervangen door de zinsnede " artikel 293 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  6° in artikel 7 en artikel 12 wordt telkens de zinsnede " artikel 6, § 2, van de wet " vervangen door de zinsnede " artikel 67, § 2, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  32) In artikel 31, § 2, van het decreet van 15/7/1997 betreffende het onderwijs VIII, wordt de zinsnede " artikel 58bis, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door de zinsnede " artikel 201, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  33) In het besluit van de Vlaamse Regering van 23/7/1997 tot nadere bepaling van de afwijkingsprocedure vvor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen.
  1° in artikel 1 wordt het punt 1° geschrapt;
  2° in artikel 1, 3° wordt de zinsnede " artikel 6ter van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 147 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 8 wordt de zinsnede " 6ter, § 3, van de wet " en " artikel 6ter, § 4, van de wet " vervangen door de zinsnede " artikel 147, § 3 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs " en respectievelijk de zinsnede " artikel 147, § 4, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  34) In het besluit van de Vlaamse Regering van 16/9/1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 14 wordt de volgende zinsnede " artikel 71, § 2, derde lid van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII " vervangen door de zinsnede " artikel 106 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 14bis wordt de volgende zinsnede " in artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door " artikel 252 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  35) In artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16/12/1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 3° wordt de zinsnede " verstrekt in het kader van de begeleiding en ondersteuning van de scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding bij de implementatie van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I, vermeld in artikel VI.21 van dit decreet " geschrapt;
  2° in punt 11 wordt de zinsnede " verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 156 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 69 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  36) In het decreet van 1/12/1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 38, § 4 wordt de zinsnede " artikel 71, 2° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 57, 2°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 39 wordt het punt 10° vervangen door wat volgt :
  " 10° de afspraken omtrent het gelijkekansenbeleid bedoeld in het decreet basisonderwijs en in de codificatie betreffende het secundair onderwijs, voorzover het centrum en de school hiervoor bijkomende omkaderingsgewichten, respectievelijk extra ondersteuning bekomen; ";
  3° in artikel 71 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de zinsnede " artikel VI.3 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 139ter van het decreet basisonderwijs en artikel 226 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) de zinsnede " artikel VI.4 van hetzelfde decreet " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 139quater van het decreet basisonderwijs en artikel 227 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  c) de zinsnede " artikel VI.13 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 235 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  d) de zinsnede " artikel VI.14 van hetzelfde decreet " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 236 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  37) In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2/2/1999 betreffende de werking en de organisatie van het paritair college van onderwijsinspecteurs belast met het advies betreffende de opheffing van de erkenning van een onderwijsinstelling of een vestigingsplaats ervan, een onderwijsinstelling of een onderdeel ervan, wordt in punt 1° en 3° telkens de zinsnede " artikel 6quater van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 36 tot en met artikel 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs ".
  38) In het besluit van de Vlaamse regering van 2/2/1999 betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1 wordt het punt 2° geschrapt;
  2° in artikel 3 wordt de zinsnede " de artikelen 6quater en 24, § 2, van de schoolpactwet " vervangen door de zinsnede " artikel 15 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 16, § 4, wordt de zinsnede " artikel 6 van de schoolpactwet " vervangen door de zinsnede " artikel 146 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  39) In artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/8/2000 houdende oprichting en samenstelling van de lokale comités voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, wordt de zinsnede " artikel 81quinquiesdecies van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 84 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  40) In artikel V.25 van het decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII Mozaïek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de zinsnede " artikel V.13 " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 35 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) de zinsnede " artikel V.9, V.10, V.11 en V.12 " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 7 tot en met artikel 10 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  41) In het decreet van 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel II.1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in punt 8° wordt de zinsnede " artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door de zinsnede " artikel 252 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) in punt 13° wordt de zinsnede " artikel 50, § 5, 7°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door de zinsnede " artikel 135 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  c) in punt 16° wordt de zinsnede " afdeling 2 van titel XI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " bepalingen inzake de globale puntenenveloppe van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  d) in punt 17° en 18° wordt telkens de zinsnede " artikel VI.2, § 1 " vervangen door de zinsnede " artikel 139bis, § 1, van het decreet basisonderwijs en artikel 225, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  e) in punt 22° wordt de zinsnede " artikel 56 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door de zinsnede " artikel 209 en artikel 210 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel III.4, § 3, wordt de zinsnede " in artikel VI.2, § 2 " vervangen door de zinsnede " artikel 139bis, § 2, van het decreet basisonderwijs en artikel 225, § 2 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel III.7 wordt de zinsnede " artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door de zinsnede " artikel 252 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel III.9 wordt de zinsnede " in artikel VI.2, § 1, en artikel VI.11, § 1 " vervangen door de zinsnede " artikel 225, § 1, en artikel 233, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel VI.3bis wordt de zinsnede " artikel VI.2, § 1, 1° " vervangen door de zinsnede " artikel 139bis, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs ".
  42) In artikel 9 van het besluit van 24/5/202 van de Vlaamse Regering inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs, wordt in het eerste lid, de tweede zin vervangen, door wat volgt :
  " Er wordt aan de regelmatige anderstalige nieuwkomers het puntengewicht 16 toegekend. ".
  43) In het besluit van de Vlaamse Regering van 19/7/2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2 worden in punt 1° de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de zinsnede " artikel 48, 6°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 3, 3°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) de zinsnede " in artikel 48, 5°, van voornoemd decreet van 31 juli 1990 " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 3, 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  c) de zinsnede " artikel 48, 7°, van voornoemde decreet van 31 juli 1990 " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 3, 31°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 29 wordt de zinsnede " het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 35 wordt de zinsnede " artikel 52 van voornoemd decreet van 31 juli 1990 " vervangen door de zinsnede " artikel 134 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 53 wordt de zinsnede " het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 56, § 2 wordt de zinsnede " artikel 48, 7°, van voornoemd decreet van 31 juli 1990 " vervangen door de zinsnede " artikel 3, 30°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  6° in artikel 58 wordt de zinsnede " artikel 52 van voornoemd decreet van 31 juli 1990 " vervangen door de zinsnede " artikel 134 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  44) In het besluit van de Vlaamse Regering van 6/9/2002 betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2 worden in 1°, punt a) de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de zinsnede " artikel VI.2, § 1, 1°, 2°, 3° en 4° " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) de zinsnede " artikel VI.11, § 1, 1°, 2°, 3° en 4° " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  c) de zinsnede " artikel VI.2, § 1, 1°, 2° of 1° en 5° " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  d) de zinsnede " artikel VI.11, § 1, 1°, 2° of 1° en 5° " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 233,§ 1, 1° of 1° en 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 2 wordt in punt 4° de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de zinsnede " artikel VI.2, § 1 " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 225, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) de zinsnede " artikel VI.11, § 1 " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 233, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de zinsnede " artikel VI.3, eerste lid, 1° " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 226, eerste lid, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) de zinsnede " artikel VI.2, § 1, 2°, 3°, 4°, en 5° " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 225, § 1, 2°, 3°,4°, en 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 4ter wordt de zinsnede " artikel VI.3 van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 226 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 5 en artikel 6 wordt de zinsnede " artikel VI.2, § 1, 1° of 1° en 5° van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 225, § 1, 1°, of 1° en 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  6° in artikel 10 wordt de zinsnede " artikel VI.5, § 1, 1° van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 228, § 1, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  7° in artikel 16 wordt de zinsnede " artikel VI.8, § 1, derde lid van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 231, § 1, derde lid, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  8° in artikel 19 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de zinsnede " artikel VI.12, eerste lid, 1°, van het decreet " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 234, eerste lid, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  b) de zinsnede " artikel VI.12 " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 234 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  c) de zinsnede " artikel VI.11, § 1, 2°, 3°, 4° en 5° " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 233, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  9° in artikel 19quater wordt de zinsnede " artikel VI.12 van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 234 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  10° in artikel 19quinquies wordt de zinsnede " artikel VI.11, § 1, 1°, of 1° en 5°, van het decreet " vervangen door " artikel 233, § 1, of 1° en 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  11° in artikel 20 wordt de zinsnede " artikel VI.11, § 1, 1°, of 1° en 5°, van het decreet " vervangen door " artikel 233, § 1, of 1° en 5°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  12° in artikel 25 wordt de zinsnede " artikel VI.15, § 1, 1° van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 237, § 1, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  13° in artikel 28 wordt de zinsnede " artikel VI.18, § 1, derde lid van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 240, § 1, derde lid, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  45) In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur, wordt in 1°, a) de zinsnede " - artikel 2, 12° van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, " vervangen door de zinsnede " - artikel 3, 40°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, ".
  46) In artikel 1, § 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24/1/2003 tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs, wordt de zinsnede " artikel 34 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie in het buitengewoon onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 288 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  47) In het decreet van 14/2/2003 betreffende het onderwijs XIV, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel X.15 wordt de zinsnede " artikel 6quater van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving uitreiken " vervangen door de zinsnede " artikel 254 tot en met 256 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in het artikel X.53, § 2, 3° wordt de zinsnede " artikel 64, 3° lid van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 51, derde lid, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel X.55, 1° wordt de zinsnede " artikel 97 van het decreet op het secundair onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 27 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  48) In het besluit van de Vlaamse Regering van 12/12/2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 3 en artikel 7, 2°, wordt de zinsnede " artikel 5bis van de wet van 6 juli 1970 betreffende het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 351 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 7, 4°, wordt de zinsnede " de artikelen 5bis 1 en 5bis 3 van de wet van 6 juli 1970 " vervangen door de zinsnede " artikel 352 en artikel 353, § 2, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 12 wordt de zinsnede " artikel 35 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij het decreet van 25 juni 1992, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door de zinsnede " artikel 103 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  49) In artikel 92 van het decreet van 2/4/2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, wordt het laatste lid geschrapt.
  50) In het decreet van 30/4/2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid wordt in artikel 2, het punt 10°, vervangen door wat volgt :
  " 10° VLOR : de Vlaamse Onderwijsraad; ".
  51) In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3/2/2006 houdende de controlemaatregelen inzake de aanwending van de werkingsmiddelen in het vrij gesubsidieerd onderwijs wordt de zinsnede " artikel 32 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 37 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  52) In artikel 1, 6° en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/3/2006 betreffende tijdelijke projecten inzake kunstinitiative voor kansarme en/of allochtone minderjarigen, wordt de zinsnede " in artikel VI.2, § 1, respectievelijk VI.11, § 1 van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 225, § 1, respectievelijk artikel 233, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  53) In artikel 5, 11° van het decreet van 8/6/2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap wordt de zinsnede " wet van 29 mei 1959 de tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals gewijzigd, en hoofdstuu I van titel IV van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door de zinsnede " artikel 13 tot en met artikel 15 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  54) In artikel 1 van het van het besluit van de Vlaamse Regering van 6/7/2007 tot vaststelling van de indienings- en adviseringsprocedure voor voorstellen van nieuwe structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs, wordt de zinsnede " artikel 7, § 1, eerste lid, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het Basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 129, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  55) In het besluit van de Vlaamse Regering, van 13/7/2007 betreffende het onderwijs aan huis voor zieke kinderen en jongeren, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1, 2°, wordt de zinsnede " vermeld in artikel 74bis van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " artikel 116 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 2, 5°, wordt de zinsnede " en de inrichtende macht van het secundair onderwijs, vermeld in artikel 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003; " vervangen door de zinsnede " en het schoolbestuur, zoals vermeld in artikel 3, 40°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 3, 1°, b, wordt de zinsnede " artikel 74quater, § 3, tweede lid, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, ingevoegd bij de artikelen III.15 en III.17 van het decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV " vervangen door de zinsnede " artikel 117, § 3, tweede lid, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 8 wordt de zinsnede " artikel 74quater van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " artikel 118 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  5° in artikel 11 wordt de zinsnede " artikel V.9 tot en met V.13 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII voor het secundair onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 7 tot en met artikel 10 en artikel 35 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  56) In artikel 29 van het decreet van 30/11/2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau wordt de zinsnede " bedoeld in artikel 33 van de wet van 29 mei 1959, tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, " geschrapt.
  57) In artikel XI.6 van het decreet van 4/7/2008 betreffende het onderwijs XVIII wordt de zinsnede " artikel 85bis van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006 en gewijzigd bij het decreet betreffende het onderwijs XVIII " vervangen door de zinsnede " artikel 25 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  58) In het decreet van 10/7/2008 betreffende het stelsel van leren en werken, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 9 wordt de zinsnede " titel VIII van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 20 wordt de zinsnede " bij het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 29 wordt de zinsnede " bij het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II " vervangen door de zinsnede " in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 29, § 3, en artikel 33, § 2, wordt de zinsnede " het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 147 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 86, § 1, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
  " 2° het werkingsbudget als vermeld in de codificatie betreffende het secundair onderwijs; ";
  6° in artikel 87 en artikel 88 wordt de zinsnede " in van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " in de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  59) In het besluit van de Vlaamse Regering van 18/7/2008 houdende organisatie van het experimenteel voltijds gewoon secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1 wordt de zinsnede " artikel 74terdecies, § 3, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " artikel 159, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 2 wordt de volgende zinsnede " artikel 74quaterdecies van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " artikel 160 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 3 wordt de volgende zinsnede " artikel 74duodevicies van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " artikel 165 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 3/1 wordt de volgende zinsnede " artikel 74duodevicies van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " artikel 165 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 4 wordt de volgende zinsnede " artikel 74undevicies, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " artikel 166, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  60) In het besluit van de Vlaamse Regering van 5/9/2008 houdende organisatie van het experimenteel buitengewoon secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1 wordt de zinsnede " artikel 20ter, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 " vervangen door de zinsnede " artikel 342 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 2 wordt de zinsnede " artikel 20quater van hetzelfde besluit " vervangen door de zinsnede " artikel 343 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 3 wordt de zinsnede " artikel 20octies van hetzelfde besluit " vervangen door de zinsnede " artikel 347 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  61) In het besluit van de Vlaamse Regering van 6/2/2009 houdende de werkingsbudgetten in het basisonderwijs en de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 8 worden de zinsnedes " artikel 5, § 3, van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en respectievelijk " in artikel 5 § 1, 1°, b), van hetzelfde decreet " vervangen door de zinsnedes " artikel 242, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs " en respectievelijk " artikel 242, § 1, 1°, b), van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 9 worden de zinsnedes " artikel 5, § 3 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft " en respectievelijk " in artikel 5, § 1, 1°, a), en c), van dit decreet " vervangen door de zinsnedes " artikel 242, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs " en respectievelijk " artikel 242, § 1, 1°, a) en c), van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 10 worden de zinsnedes " artikel 5, § 3, van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft " en respectievelijk " in artikel 5, § 1, 1°, d), van hetzelfde decreet " vervangen door de zinsnedes " artikel 242, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs " en respectievelijk " artikel 242, § 1, 1°, d), van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 11 worden de zinsnedes " artikel 5, § 3, van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft " en respectievelijk " in artikel 5, § 1, d) van hetzelfde decreet " vervangen door de zinsnedes " artikel 242, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs " en respectievelijk " artikel 242, § 1, 1°, d), van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 14 wordt de zinsnede " artikel 74undevivies, § 1, bedoeld in artikel 3, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, " geschrapt.
  62) In het decreet van 30/4/2009 betreffende het secundair na het secundair en het hoger beroepsonderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 3 wordt de zinsnede " artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II " vervangen door de zinsnede " artikel 252 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 18 wordt de zinsnede " artikel 71, 1°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 57, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  63) In artikel 14 van het decreet van 30/4/2009 betreffende de kwalificatiestructuur, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de zinsnede " artikel 9 van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 147 en artikel 267 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° de zinsnede " artikel 7ter van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs " wordt vervangen door de zinsnede " artikel 145 en artikel 265 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  64) In het decreet van 8/5/2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2, 18°, wordt de zinsnede " artikel 2, 28°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 41, § 5 wordt punt b) vervangen door wat volgt :
  " b) artikel 15, § 1, 2°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs; ";
  3° in artikel 41, § 6 wordt de zinsnede " artikel 24bis, § 1, 12°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " vervangen door de zinsnede " artikel 15, § 1, 12°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  65) In artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/6/2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van de subsidies en houdende de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van kortdurende en langdurige time-outprogramma's, wordt de zinsnede " artikel X.3 van het decreet van 22 juni 2007 betreffende het Onderwijs XVII " vervangen door de zinsnede " artikel 44 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  66) In het besluit van de Vlaamse Regering van 4/9/2009 betreffende de globale puntenenveloppe in het secundair onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2, 1°, wordt de zinsnede " de artikelen 94 tot en met 99ter van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs " vervangen door de zinsnede " het artikel 24 tot en met artikel 31 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 2, wordt het punt 2° geschrapt;
  3° in artikel 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  - in punt 1° wordt de zinsnede " artikel 95, § 2, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 2, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 2° wordt de zinsnede " artikel 95, § 3, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 3° wordt de zinsnede " artikel 95, § 4, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 4, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 4° wordt de zinsnede " artikel 95, § 5, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 5, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 5° wordt de zinsnede " in artikel 95, § 6, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 6, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 6° wordt de zinsnede " artikel 95, § 7, van het decreet Secundair Onderwijs "vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 7, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 7° wordt de zinsnede " artikel 95, § 9, 1° van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 9, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 8° wordt de zinsnede " artikel 95, § 9, 2° van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 9, 2°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 9° wordt de zinsnede " artikel 95, § 9, 3° van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 9, 3°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 10° wordt de zinsnede " artikel 95, § 10, 1°, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 10, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 11° wordt de zinsnede " artikel 95, § 10, 2°, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 10, 2°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 12° wordt de zinsnede " artikel 95, § 10, 3°, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 10, 3°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 13° wordt de zinsnede " artikel 95, § 12 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 25, § 12, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 14° wordt de zinsnede " artikel 96, § 2 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, § 2, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 15° wordt de zinsnede " artikel 96, § 3 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 16° wordt de zinsnede " artikel 96, § 4, 1° van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, § 4, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 17° wordt de zinsnede " artikel 96, § 4, 2° van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, § 4, 2°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 18° wordt de zinsnede " artikel 96, § 5, 1° van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, § 5, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 19° wordt de zinsnede " artikel 96, § 5, 2° van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, § 5, 2°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 20° wordt de zinsnede " artikel 96, § 6, van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 26, § 6, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 21° wordt de zinsnede " artikel 97, § 2 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 27, § 2, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 22° wordt de zinsnede " artikel 97, § 3 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 27, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 23° wordt de zinsnede " artikel 97, § 4 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 27, § 4, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 24° wordt de zinsnede " artikel 97, § 5 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 27, § 5, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 25° wordt de zinsnede " artikel 98, § 2 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 28, § 2, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  - in punt 26° wordt de zinsnede " artikel 98, § 3 van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 28, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 4 en artikel 5 wordt telkens de zinsnede " van het decreet Secundair Onderwijs " vervangen door de zinsnede " artikel 29 tot en met artikel 31 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  67) In het besluit van de Vlaamse Regering van 30/10/2009 betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2 wordt de zinsnedes " artikel VI.23, § 1, 1°, van het decreet " en respectievelijk " artikel VI.23, § 1, van het decreet " vervangen door de zinsnedes " artikel 317, § 1, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs " en respectievelijk " artikel 317, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  2° in artikel 3 worden de zinsnedes " artikel VI.24, § 1, 1°, van het decreet " en " datzelfde artikel VI.24 "vervangen door de zinsnedes " artikel 318, § 1, 1° van de codificatie betreffende het secundair onderwijs " en respectievelijk " artikel 318 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  3° in artikel 4 wordt de zinsnede " artikel VI.23, § 3 " vervangen door de zinsnede " artikel 317, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  4° in artikel 6 wordt de zinsnedes " artikel VI.25, § 1, van het decreet " en respectievelijk " artikel VI.24 van het decreet " vervangen door de zinsnedes " artikel 319, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs " en respectievelijk " artikel 318 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  5° in artikel 8 wordt de zinsnede " artikel VI.24, § 3 " vervangen door de zinsnede " artikel 318, § 3, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  6° in artikel 9 wordt de zinsnede " artikel VI.24 " vervangen door de zinsnede " artikel 318 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  7° in artikel 11 wordt de zinsnede " artikel VI.26, § 1, 1°, van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 320, § 1, 1°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ";
  8° in artikel 12 wordt de zinsnede " artikel VI.26, § 1, van het decreet " vervangen door de zinsnede " artikel 320, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs ".
  

Wijzigingen

[1]Artikel 1, eerste lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1970 door de wet van 6/7/1970. In de codificatie is artikel 1, tweede lid, inzake muziekscholen niet opgenomen.
- Artikel 47, 1°, 2,° 3° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II.Gewijzigd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 31/7/2001, met ingang van 1/1/2002 en 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009.
- Artikel 64 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008.
- Artikel 2bis ; Artikel 3 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Artikel 2bis is ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006.
In de codificatie zijn de artikelen grondig herwerkt in overeenstemming met de indeling van de codificatie, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[2]Artikel 46, § 2, eerste zin; § 2, tweede lid en § 3 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008.
- Artikel 48 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/1/1996 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 30/4/2009.
- Artikel 2 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010.
In de codificatie zijn de definities uit de drie voormelde artikelen samengebracht in alfabetische volgorde, behalve de definitie " regelmatige leerling " die is opgenomen in een afzonderlijk artikel 252, bij de definitie scholengemeenschap is de zin rond het gemeenschapsonderwijs niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter en in de definitie voltijds secundair onderwijs (47°) is de verwijzing naar koninklijk besluit nr.2 van 21/8/1978 geschrapt, het begrip centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs is toegevoegd, het begrip " school " is aangepast en vervangt in de volledige codificatie gelijkaardige begrippen als instelling, onderwijsinstelling, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
Het begrip " schoolbestuur " (40°) is toegevoegd in de lijst in overeenstemming met het decreet basisonderwijs en komt in alle betrokken artikelen van de codificatie in de plaats van het begrip " inrichtende macht ".
[3]Artikel 46, § 1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1995 door het decreet van 9/12/2005; met ingang van 1/9/2008 door decreet van 10/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[4]Artikel 2 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973, met ingang van 1/9/1975 door de wet van 14/7/1975; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[5]Artikel 3, § 1, eerste, derde, vierde lid en § 2 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1970 door de wet van 6/7/1970; met ingang van 1/9/1981 door de wet van 18/9/1981; met ingang van 1/1/1986 door het koninklijk besluit nr. 411 van 25/4/1986, met ingang van 1/1/1989 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 438 van 11/8/1986; met ingang 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 456 van 10/9/1986; met ingang van 1/9/1987 door de wet van 30/7/1987; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 25/10/1981 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 25/10/1981 en 1/9/1987 door de wet van 1/8/1988; met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 25/10/1981, 1/9/1982 en 1/9/1984 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 16/4/1996; met ingang van 1/9/2000 door het decreet van 20/10/2000.
In de codificatie is de zinsnede " worden jaarlijks bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgelegd " geschrapt; de volgende begrippen zijn vervangen, nl. " inrichtingen, instellingen " door " scholen en centra ", " toelageregeling " door " financiering of subsidiëring ", " wet " door " de decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs ", " Staat " door " krachtens het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs ", " rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13 " door " de reglementaire programmatie- of rationalisatienormen ", " niet-confessioneel of confessioneel " door " officiële of vrije scholen ". De § 4 in het oorspronkelijke artikel is niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter en het tweede lid van § 1 is opgenomen in artikel 39. De codificatie brengt geen inhoudelijke wijzigingen aan.
[6]Artikel V.9 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[7]Artikel V.10 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[8]Artikel V.11 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[9]Artikel V.12 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[10]Artikel 71 : Decreet van 15/7/1997 betreffende het onderwijs VIII. In de codificatie is de term " Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming " ingeschreven, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[11]Artikel 7, § 1 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 23/10/1991; met ingang van 28/5/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie zijn de bepalingen inzake basisonderwijs, sociale promotie en deeltijds kunstonderwijs niet opgenomen, " georganiseerd " is vervangen door " gefinancierd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[12]Artikel 24bis, § 4 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[13]Artikel 24ter : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007, met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 6/6/2008, met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is " Agodi " ingevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[14]Artikel 24bis, § 1, § 2 en § 3 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 6/6/2008; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie zijn in punt 1° de woorden " zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon " geschrapt omwille van de definitie in artikel 3; in punt 7° is de verwijzing naar artikel 7 geschrapt; de zinsnede " rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13 " is vervangen door " de reglementaire programmatie- en rationalisatienormen "; " Agodi " is toegevoegd; het tweede deel van het tweede lid van § 2 is niet opgenomen omwille van een recente regeling in het decreet van 8/5/2009 betreffende de kwaliteit, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[15]Artikel 26 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990. In de codificatie is het artikel volledig herwerkt door de Raad van State in het advies van 10/12/2009, de verwijzing naar artikel 38 geschrapt, de verwijzing naar artikel 27 aangepast, het begrip " gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerde personeelsleden " is toegevoegd, het begrip " wedde " is vervangen door " salaris ", " wetten " door " decreten ", " Staat " door " Vlaamse Gemeenschap ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
- Artikel 36, § 2 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr.413 van 29/4/1986; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr.447 van 20/8/1986; met ingang van 1/1/1991 door het decreet van 31/7/1990. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[16]Artikel 27, § 1, eerste, tweede lid en § 2 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1970 door de wet van 20/2/1970 en de wet van 6/7/1970; met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973; met ingang van 1/9/85 door de wet van 1/8/1985; met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de bevoegdheid van de Vlaamse Regering toegevoegd, het begrip " wedde " vervangen door " salaris ", " Ministerraad " door " Vlaamse Regering ", " door de Staat georganiseerd of niet door de Staat georganiseerd " door " gefinancierd of gesubsidieerd ", zijn de bepalingen rond internaten (§ 1) niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[17]Artikel 28 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973; met ingang van 1/9/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 27/3/1991; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 13/7/2007. In de codificatie zijn in § 1 de begrippen " financiering en subsidiëring " opgenomen, is de verwijzing naar artikel 29 vervangen door " vereiste, voldoende en andere bekwaamheidsbewijzen ", de verwijzing naar 12bis door " de reglementering inzake terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling ", het begrip " inrichting " is vervangen door " scholen en centra ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[18]Artikel 3, § 5 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 15/12/1993; met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is een indeling in paragrafen toegevoegd, is eenvormig de term " uren-leraar "gebruikt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[19]Artikel 3, § 6 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/84 door het decreet van 5/7/1989; gewijzigd met ingang van 1/1/1993 en 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 15/12/1993; met ingang van 1/9/1984, 1/9/1994 en 1/9/1993 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de tekst herschikt en een indeling in paragrafen aangebracht, het tweede lid van het oorspronkelijk artikel 3,§ 6, b) inzake studiekeuze voor meisjes en voor migranten is niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, is eenvormig de term " uren-leraar "gebruikt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[20]§ 1 : Artikel 59bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 28/4/1993; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
- § 2 tot en met § 6 : Artikel 59ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/1/1993 en 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993; gewijzigd met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 15/12/1993; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is de nummering van de paragrafen aangepast en is de verwijzing naar artikel 59bis geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[21]Artikel 59quinquies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[22]Artikel 93, § 2, § 3 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[23]Artikel 94 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[24]Artikel 95 : Decreet van 14/07/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 57 en naar het decreet van 28/6/2002 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[25]Artikel 96 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/1/2005 door het decreet van 24/12/2004; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 57 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[26]Artikel 97 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/98 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[27]Artikel 98 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[28]Artikel 99 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 142/2003; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 7/5/2004; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 95 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[29]Artikel 99bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 99 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[30]Artikel 99ter : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 96 en 97 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[31]Artikel 99quater : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is artikel 36 opgenomen omwille van de opheffing van artikel 36bis, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[32]Artikel 99duodecies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen rond vervangingen van korte afwezigheden niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[33]Artikel 99ter decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 8/5/2009, gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009. In de codificatie zijn de bepalingen rond vervangingen van korte afwezigheden (§ 1, 1°; § 2, eerste lid) niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[34]Artikel V.13 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. Gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[35]Artikel 25 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 24 vervangen door " gefinancierd of gesubsidieerd " , het begrip " Staat " is vervangen door " Vlaamse Gemeenschap ", " inrichtingen " is vervangen door " scholen ", " wedde " is vervangen door " salaris ", " toelagen " door " budget ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[36]Artikel 32, § 1 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1970 door de wet van 6/7/1970 en de wet van 25/5/1971; met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973; met ingang van 11/4/1974 door de wet van 17/1/1974; met ingang van 1/9/1972 en 1/9/1975 door de wet van 8/7/1976; met ingang van 1/9/1976 door de wet van 22/12/1977; met ingang van 1/9/1977 door de wet van 5/8/1978; met ingang van 1/9/1979 door de wet van 8/8/1980; met ingang van 1/9/1980 door de wet van 2/7/1981; met ingang van 1/9/1981 door het koninklijk besluit nr. 47 van 10/6/1982; met ingang van 1/9/1982 door het koninklijk besluit nr.154 van 30/12/1982; met ingang van 1/9/1983 door het koninklijk besluit nr. 233 van 22/12/1983; met ingang van 1/1/1986 en 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang van 1/9/1984 door de wet van 1/8/1985; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 456 van 10/9/1986; met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 538 van 31/3/1987; met ingang van 1/9/1986, 1/1/1987 en 1/9/1987 door de wet van 1/8/1988; met ingang van 1/9/1989 door het decreet van 20/12/1989; met ingang van 1/9/1989 en 1/1/1991 door het decreet van 31/07/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/1/1999 door het decreet van 19/12/1998; met ingang van 1/1/1989 en 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 1/1/2002 door het decreet van 14/02/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is het begrip " werkingstoelagen " vervangen door " werkingsbudget ", zijn de bepalingen in § 1 en van § 2 inzake internaten niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[37]Artikel 36bis : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1973 door de wet van 11/7/1973; gewijzigd met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang van 1/1/1991 door het decreet van 31/7/1990. In de codificatie is het begrip " Argo " vervangen door " Gemeenschapsonderwijs " en " Rijk " door "federale ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[38]Artikel 3, § 1, tweede lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr.456 van 10/9/1986; gewijzigd met ingang van 1/1/1989 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang 1/1/1987 door de wet van 1/8/1988. In de codificatie is het begrip " staatsdiensten met afzonderlijk beheer in het Rijksonderwijs " vervangen door " het Gemeenschapsonderwijs ", zijn de bepalingen inzake internaten niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[39]Artikel 5 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. In de codificatie is de tekst in overeenstemming gebracht met de bepalingen van het bijzonder decreet van 14 juli 1998, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[40]Artikel 36, § 1 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 447 van 20/8/1986; met ingang van 1/1/1991 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/1/1991 door het decreet van 28/4/1993. In de codificatie is het begrip " wedde "vervangen door " salaris ", " werkingstoelage " door " werkingsbudget, is § 3 van het oorspronkelijke artikel 36 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, zijn de bepalingen inzake internaten niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[41]Artikel 3, § 8, 1°, achtste lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992. In de codificatie is het begrip " werkingstoelage " vervangen door " werkingsbudget ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[42]Artikel X.5 : Decreet van 15/7/2005 betreffende het onderwijs XV. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[43]Artikel X.3 : Decreet van 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[44]Artikel X.6 : Decreet van 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[45]Artikel X.7 : Decreet van 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 21/11/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[46]Artikel 103 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 22/12/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[47]Artikel 103bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[48]Artikel 62 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[49]Artikel 63 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[50]Artikel 64 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[51]Artikel 65 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar de vervangingspool (10° van het oorspronkelijk artikel 71) niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, de verwijzingen zijn verder aangepast aan de hernummering binnen artikel 57, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[52]Artikel 66 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/91999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[53]Artikel 67 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[54]Artikel 68 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/6/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de " Autonome Raad " vervangen door " Gemeenschapsonderwijs ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[55]Artikel 70 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[56]Artikel 71 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/6/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 15/12/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 20/3/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is het oorspronkelijke punt 10° inzake de vervangingspool niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, is de opsomming hernummerd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[57]Artikel 72 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/6/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 71 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[58]Artikel 73 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[59]Artikel 74 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 88 geschrapt, een nieuwe indeling in paragrafen is toegevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[60]Artikel 75 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 87 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[61]Artikel 76 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 89 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[62]Artikel 77 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie is de indeling in paragrafen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[63]Artikel 78 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[64]Artikel 80 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 15/12/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie zijn de tijdelijke bepalingen voorafgaand 2004 niet opgenomen, is een indeling in paragrafen toegevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[65]Artikel 81 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is het " PMS " niet meer opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[66]Artikel 6 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993. In de codificatie is " inspecteur-coördinator of een inspecteur van het basisonderwijs " vervangen door " een inspecteur van de onderwijsinspectie ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[67]Artikel 7; Artikel 11 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1993 door de wet van 28/4/1993. In de codificatie is " Minister bevoegd voor Nationale Opvoeding " vervangen door " Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[68]- § 1 - § 2 : Artikel 156 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
- § 3 : Artikel 158 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. In de codificatie is de verwijzingen naar de artikelen 156 en 157 geschrapt, het begrip " wedde " is vervangen door " salaris ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[69]Artikel 46bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[70]Artikel 81bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[71]Artikel 81ter : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[72]Artikel 81quater : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[73]Artikel 81quinquies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[74]Artikel 81sexies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[75]Artikel 81septies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[76]Artikel 81octies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[77]Artikel 81novies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[78]Artikel 81decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet het basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[79]Artikel 81undecies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[80]Artikel 81duodecies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[81]Artikel 81terdecies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[82]Artikel 81quater decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[83]Artikel 81quinquies decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[84]Artikel 81sexies decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[85]Artikel 81septies decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[86]Artikel 81duodevicies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[87]Artikel 81undevicies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[88]Artikel 81vicies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[89]Artikel 81vicies semel : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[90]Artikel 81vicies bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[91]Artikel 81vicies ter : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[92]Artikel 81vicies quater : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[93]Artikel 81vicies quinquies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[94]Artikel 159 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[95]Artikel 52sexies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[96]Artikel 52septies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[97]Artikel 52octies : Decreet van 31/7/1990 betreffende onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[98]Artikel 24quinquies : Wet van 29/5/1959 tot wijziging sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[99]Artikel 3, § 9 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 25/10/1981 door het decreet van 31/7/1990. In de codificatie is de zinsnede " rationalisatie Ben programmatieplan overeenkomstig artikel 13 " vervangen door " de reglementaire programmatie- en rationalisatienormen ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[100]Artikel 24quater : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 24bis aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
- Artikel 6quater, derde lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is artikel 6quater, derde lid, niet meer afzonderlijk opgenomen omdat de bepaling is opgenomen in artikel 24quater, § 2 (artikel 101 codificatie), en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[101]Artikel 192 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. In de codificatie is het begrip " wedden " vervangen door " salaris ", het begrip " werkingsmiddelen " door " werkingsbudget ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[102]Artikel 35 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992. In de codificatie is het begrip " koninklijk besluit " vervangen door " besluit van de Vlaamse Regering ", het begrip " werkingstoelage " door " werkingsbudget " en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[103]Artikel 198 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het besluit Vlaamse Regering van 14/12/2001; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is het begrip " wedden " vervangen door " salarissen ", " " werkingsmiddelen " door " werkingsbudget ", is § 2 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[104]Artikel 199 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/6/1991 door het decreet van 27/3/1991. In de codificatie is de laatste zin van het tweede lid oorspronkelijk artikel 199 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen..
[105]Artikel 71, § 2 : Decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII. In de codificatie zijn de begrippen " werkingsbudgettoelagen of werkingsmiddelen " vervangen door de term " werkingsbudget ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[106]Artikel 74quinquies 2 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[107]Artikel 7, § 2, § 3 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 23/10/1991; met ingang van 28/5/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie zijn de bepalingen inzake basisonderwijs, sociale promotie en deeltijds kunstonderwijs niet opgenomen, is de verwijzing naar artikel 32 geschrapt, is het begrip " werkingsbudget " gebruikt, is het begrip " ARGO " vervangen door het " Gemeenschapsonderwijs ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[108]Artikel 52novies : Decreet van 31/7/1990 betreffende onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de verwijzing naar een artikel 52octies aangepast, de term " werkingsmiddelen " is vervangen door " werkingsbudget ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[109]Artikel 4, eerste, tweede lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973; met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 468 van 9/10/1986; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie wordt enkel het eerste en tweede lid opgenomen, de overige leden blijven in de oorspronkelijke wet behouden, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[110]Artikel 74octies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 20/3/2009 en door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[111]Artikel 74novies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[112]Artikel 74decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[113]Artikel 74undecies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[114]Artikel 84quater, 1° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/10/1991 door het decreet van 12/6/1991; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is punt 2° van het oorspronkelijke artikel 84quater opgenomen in artikel 254, § 2, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
- Artikel 48, 2°, laatste zin : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
De toelatingsvoorwaarden zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 19/7/2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs.
[115]Artikel 74bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de definitie " betrokken personen " opgenomen in artikel 3, de omschrijving CABO is opgenomen in artikel 67, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[116]Artikel 74ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie is " Dienst met onderwijsbehoeften " vervangen door " dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangen ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[117]Artikel 74quater : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[118]Artikel 74quinquies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[119]Artikel 74quinquies /1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan
[120]Artikel 74sexies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie zijn de woorden " van het secundair onderwijs " geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[121]Artikel 74septies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie zijn de woorden " van het secundair onderwijs " weggelaten, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[122]Artikel 71, § 1, § 2, eerste lid : Decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII. In de codificatie is het begrip " studenten " vervangen door " cursisten ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[123]Artikel 49 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/1/1996 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[124]Artikel 50 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/1/1996 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[125]Artikel 4 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[126]Artikel 5 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[127]Artikel 6 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[128]Artikel 7 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 16/5/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[129]Artikel 52bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[130]Artikel 51 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[131]Artikel 52ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[132]Artikel 8 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 9/12/2005; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[133]Artikel 52 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[134]Artikel 52quater, § 1, eerste, tweede, vierde lid; § 2 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[135]Artikel 52quinquies /1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[136]Artikel 52quinquies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[137]Artikel 2, eerste lid : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs is opgenomen in deel V, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[138]Artikel 3 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs is opgenomen in deel V, het tweede lid is opgenomen in het decreet van 10/7/2008, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[139]Artikel 4 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar het decreet van 31/7/1990 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[140]Artikel 5, § 1, § 2 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs (§ 3) is opgenomen in deel V, is de verwijzing naar het decreet van 31/7/1970 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[141]Artikel 6 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de verwijzing naar het decreet van 31/7/1990 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[142]Artikel 7 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[143]Artikel 7bis : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Ingevoegd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[144]Artikel 7ter : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Ingevoegd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009; gewijzigd met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[145]Artikel 8, § 1, § 3-§ 5 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs (§ 2) is opgenomen in deel V, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[146]Artikel 9 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs is opgenomen in deel V, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[147]Artikel 1 : koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1982 door het koninklijk besluit nr. 79 van 21/7/1982; met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995. In de codificatie is de term " gefinancierd en gesubsidieerd " ingevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[148]Artikel 2 : koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[149]Artikel 46, § 2, tweede zin : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 8/7/1996; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[150]Artikel 5 : koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[151]Artikel 55bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1989 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen 53-55 vervangen door de zinsnede " bepalingen inzake minimum lessenrooster ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[152]Artikel 53 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[153]Artikel 54 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 en 1/9/2011 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[154]Artikel 54bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[155]Artikel 55, § 1-§ 3, § 8 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010, 1/9/2011, 1/9/2012, 1/9/2013 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen betreffende de tweede graad in een afzonderlijk artikel opgenomen, waardoor de § 8 uit het oorspronkelijke artikel 55, hier hernomen wordt als § 4, en zonder inhoudelijke wijzingen.
[156]Artikel 55, § 4-§ 8 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2012, 1/9/2013, 1/9/2014, 1/9/2015 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de nummering van de paragrafen aangepast, in § 4 is de verwijzing naar artikel 50 vervangen door de zinsnede " derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[157]Artikel 74duodecies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[158]Artikel 74ter decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009 en door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[159]Artikel 74quater decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[160]Artikel 74quinquies decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[161]Artikel 74sexies decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[162]Artikel 74sexies decies bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009.De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[163]Artikel 74septies decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[164]Artikel 74duodevicies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[165]Artikel 74undevicies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In codificatie is het tweede lid van § 1 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen..
[166]Artikel 74vicies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[167]Artikel 74vicies semel : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie wordt eenvormig de term " onderwijsinspectie " gehanteerd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[168]Artikel 3, § 8, 1°, eerste en tweede lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is het onderwijs voor sociale promotie niet opgenomen, zijn het zesde en zevende lid over de Belgische Scholen in Duitsland en het aanvullend secundair beroepsonderwijs niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, is de zinsnede " een rationalisatie- en programmatieplan volgens artikel 13 " vervangen door " de reglementaire rationalisatie- en programmatienormen ", het " administratief en opvoedend hulppersoneel " is vervangen door " ondersteunend personeel ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[169]Artikel 7bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de verwijzing naar een " programmatie- en rationalisatieplan " vervangen door de " reglementaire bepalingen inzake programmatie of rationalisatie ", " werkingsmiddelen " door " werkingsbudget ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[170]Artikel 3, § 8, 1°, derde en vierde lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 25/6/1992. In de codificatie is het begrip " toelageregeling " vervangen door " financiering en subsidiering ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[171]Artikel 3, § 8, 1°, vijfde en negende lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 25/6/1992; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie wordt de zinsnede " rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13 " vervangen door " reglementaire rationalisatienormen ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[172]Artikel 3, § 8, 2° : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992; gewijzigd met ingang van 1/9/1997 door het decreet van 15/7/1997. In de codificatie is de eerste zin toegevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[173]§ 1 : Artikel 9 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
- § 2 : Artikel 75 : Decreet van 21/12/1994 betreffende het onderwijs VI. In codificatie is de verwijzing naar artikel 13 van de wet van 29/5/1959 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[174]Artikel 25 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2008 door het decreet 4/7/2008. In de codificatie is de nummering in paragrafen en verwijzingen met artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[175]Artikel 26 : Decreet van 14/07/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[176]Artikel 27 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[177]Artikel 28 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[178]Artikel 29 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 7/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 23 geschrapt omdat het een tijdelijk maatregel betreft, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[179]Artikel 31 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de nummering van de paragrafen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[180]Artikel 32 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[181]Artikel 33 : Decreet van 14/07/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de nummering aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[182]Artikel 34 : Decreet van 14/07/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is de nummering in § 1 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen
[183]Artikel 35 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[184]Artikel 36 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[185]Artikel 38 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[186]Artikel 40 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[187]Artikel 41 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. In de codificatie is de verwijzing naar het opgeheven artikel 5 vervangen door " specifiek ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[188]Artikel 47, tweede lid : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[189]Artikel 47, eerste lid; Artikel 48 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[190]Artikel 49 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[191]Artikel 50 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[192]Artikel 51 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[193]Artikel 52 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[194]Artikel 53 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[195]Artikel 54 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[196]Artikel 54bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[197]Artikel 55 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[198]Artikel 56bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2000 door het decreet van 20/10/2000. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[199]Artikel 56 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 24, § 2, 8° geschrapt omdat de bepaling is opgeheven, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[200]§ 1, § 2 : Artikel 58bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; gewijzigd met ingang van 1/9/1997 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 15/5/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is in § 1 de verwijzing naar artikel 56 vervangen door de woorden " na fusie ", in punt 3° is de tweede zin geschrapt omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
- § 3 : Artikel 56, 3° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1994 dor het decreet van 21/12/1994; gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[201]§ 1, § 2 : Artikel 61 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 58bis aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
- § 3 : Artikel 58, tweede lid : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[202]Artikel 42; Artikel 168, 4° : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009; met ingang van 1/9/2011 enkel voor de datum van 30 november, door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[203]Artikel 43 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[204]Artikel 44 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie zijn de bepalingen in het oorspronkelijke artikel 44 over vorige schooljaren bij § 1, 2°, a) en bij § 1, 5°, a) niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[205]Artikel 45 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. In de codificatie is § 4 van artikel 44 niet opgenomen omdat artikel 3, § 3 van de wet van 29/5/1959 reeds is opgeheven en dus een tijdelijke maatregel betreft, het begrip " werkingsbudget " is ingeschreven, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[206]Artikel 83 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[207]Artikel 104 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[208]§ 1 : Artikel 57, § 1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 8/7/1996; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is in § 1 de verwijzing naar artikel 56 geschrapt, de verwijzing naar scholen van de Belgische Strijdkrachten is niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, de verwijzing naar artikel 52sexies is vervangen door de tekst van het betrokken artikel, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
- § 2 : Artikel 59 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 8/7/1996; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 58 geschrapt, de verwijzing naar artikel 56 en 57 is vervangen door " aantal wekelijkse uren-leraar ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[209]Artikel 59quater : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen 59 vervangen door " berekeningswijze en aanwendingspercentage ", de verwijzing naar artikel 57 is vervangen door " aantal wekelijkse uren-leraar ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[210]Artikel 57, § 3 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is een indeling in paragrafen toegevoegd, is de verwijzing naar paragraaf 1 vervangen door een verwijzing naar een artikel, de verwijzing naar artikel 48 is geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[211]Artikel 57, § 3bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is de verwijzing naar paragraaf 3 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[212]Artikel 57, § 3ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar paragraaf 3 geschrapt en de verwijzingt naar een artikel 56 vervangen door " aantal wekelijkse uren-leraar die elke school wordt toegekend ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[213]Artikel 57, § 4 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 8/7/1996. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is de verwijzing naar paragraaf 3 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[214]Artikel 57ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen 57 en 57bis vervangen door " het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend " respectievelijk door " bedoeld in de bepalingen betreffende de plage-uren ", en zonder inhoudelijke wijzigingen
[215]Artikel 57bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 57 vervangen door " het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend ", de verwijzing naar artikelen 71-74 is vervangen door " de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs ", een indeling in paragrafen is toegevoegd, de punten a) tot en met c) van § 1, tweede lid en het punt a) van § 1, derde lid en verder de beschrijving van een scenario zijn niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[216]Artikel 99sexies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/1/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[217]Artikel 99septies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/1/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen vervangen door de zinsnede " vermeld in deze onderafdeling ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[218]Artikel 99octies : Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/1/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen vervangen door de zinsnede " vermeld in deze onderafdeling ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[219]Artikel 99novies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/1/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[220]Artikel 99decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[221]Artikel 52quater, § 1, derde lid : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[222]Artikel 157 : Decreet van 18/5/1999 betreffende het onderwijs XI. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[223]Artikel VI.1 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[224]Artikel VI.2 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in § 1, 2° verwezen naar de nieuwe regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[225]Artikel VI.3 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 7/7/2006, met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, de verwijzing naar artikelen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[226]Artikel VI.4 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, de verwijzing naar artikelen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[227]Artikel VI.5 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[228]Artikel VI.6 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. In de codificatie is de verwijzing naar artikel VI.21 extra begeleiding geschrapt omwille van het tijdelijk karakter, de verwijzing naar een artikel is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[229]Artikel VI.7 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[230]Artikel VI.8 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, de verwijzing naar artikelen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[231]Artikel VI.10 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[232]Artikel VI.11 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie wordt in § 1, 2°, verwezen naar de nieuwe regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[233]Artikel VI.12 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[234]Artikel VI.13 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[235]Artikel VI.14 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[236]Artikel VI.15 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[237]Artikel VI.16 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. In de codificatie is de verwijzing naar artikel VI.21-Extra begeleiding, geschrapt omwille van het tijdelijk karakter, de verwijzing naar artikelen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[238]Artikel VI.17 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[239]Artikel VI.18 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[240]Artikel VI.19bis : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
(241- Artikel 5, § 1, § 2 en § 3 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. In de codificatie (§ 2, 2°) is verwezen naar de nieuw regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[242]Artikel 6 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 19/12/2008; met ingang van 1/1/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[243]Artikel 7 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/1/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[244]Artikel 8 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[245]Artikel 9 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[246]Artikel 10 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[247]Artikel 11 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[248]Artikel 12 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 21/11/2008; met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 19/12/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[249]Artikel 5, § 4 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[250]Artikel 21 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[251]Artikel 48, 2° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijsdecreet II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[252]Artikel 3, § 8, 5° : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003.
In de codificatie is de verwijzing naar artikel X.1, 2° van het decreet van 14/2/2003 vervangen door de zinsnede " een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangt ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[253]Artikel 6quater, eerste, tweede, zesde lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 17/7/1991; gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 24/7/1996; met ingang van 1/9/1997 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 18/1/2002; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 28/6/2002; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen inzake OSP en DKO niet opgenomen, is de verwijzing naar artikel 24ter vervangen door " de voorwaarden inzake financiering of subsidiering ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[254]Artikel 84quinquies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/10/1991 door het decreet van 12/6/1991. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 84quater vervangen door " van de Vlaamse Gemeenschap ", is de overgangsregeling voor het lerarenkorps niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[255]§ 1 : Artikel 84bis, § 1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/10/1991 door het decreet van 12/6/1991; gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/1/1996 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 20/10/2000, met ingang van 1/6/2002 door het decreet van 19/7/2002; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008 en door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is § 2 niet opgenomen omwille van tijdelijke karakter, is er een nummering toegevoegd, is het begrip " georganiseerd " vervangen door " gefinancierd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
- § 2 en § 3 : Artikel 84ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/10/1991 door het decreet van 12/6/1991; gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 20/10/2000. In de codificatie is in § 2 de verwijzing naar artikel 84bis geschrapt en is de zinsnede " de inwerkingtreding van de wet van 31 juli 1975 " vervangen door de datum " 1 september 1975 ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[256]Artikel 1, § 1 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/10/1986 door de wet van 11/3/1986. In de codificatie is de aanvangszin aangepast, is de verwijzing naar artikel 5 vervangen door " instanties bepaald door de Vlaamse Regering ", het woord " gehandicapten " is vervangen door " personen met een handicap ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[257]Artikel 1, § 2 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/10/1986 door de wet van 11/3/1986. In de codificatie is het woord " gehandicapten " vervangen door " personen met een handicap ", en zonder inhoudelijke wijzigingen
[258]Artikel 3 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[259]Artikel 3bis, § 1, § 3 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[260]Artikel 2 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. In de codificatie is hier de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is opgenomen onder deel IV, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[261]Artikel 3 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is hier de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is opgenomen onder deel IV, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[262]Artikel 5, § 3 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[263]Artikel 7bis : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Ingevoegd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[264]Artikel 7ter : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Ingevoegd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009; gewijzigd op een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[265]Artikel 8, § 1-§ 4 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd op een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is hier de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is opgenomen onder deel IV, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[266]Artikel 9 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is hier de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is opgenomen onder deel IV, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[267]Artikel 2 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie zijn de bepalingen inzake het basisonderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[268]Artikel 3 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[269]Artikel 6 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[270]Artikel 7 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2001 door het besluit Vlaamse Regering van 27/4/2001. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[271]Artikel 8 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[272]Artikel 9 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[273]Artikel 4 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. In de codificatie is " opgericht " vervangen door " gefinancierd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[274]Artikel 5 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/81986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. In de codificatie is het begrip " Koning " vervangen door " Vlaamse Regering ", is het tweede deel van § 2 en § 3 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[275]Artikel 22 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[276]Artikel 23 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. In de codificatie is " georganiseerd en opgenomen in de toelageregeling " vervangen door " gefinancierd en gesubsidieerd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[277]Artikel 24 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[278]Artikel 25, § 2 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het besluit Vlaamse Regering van 27/4/2001. In de codificatie is § 1 van het oorspronkelijk artikel 25 niet opgenomen wegens het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[279]Artikel 26 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1993 door het besluit Vlaamse Regering van 22/12/1993; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie is in § 5 het begrip " afdeling " weggelaten omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[280]Artikel 27 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit van 6/12/2002. In de codificatie is het begrip " afdeling " en § 4 weggelaten omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[281]Artikel 28 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie is het begrip " afdeling " weggelaten omwille van het tijdelijk karakter, het begrip " boventallig " is vervangen door " niet te financieren of te subsidiëren ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[282]Artikel 29 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[283]Artikel 30 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[284]Artikel 31 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. Het begrip " afdeling " is weggelaten, omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[285]Artikel 32 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989. In de codificatie is de zinsnede " en voldoet de school aan de voorwaarden bepaald in artikel 13 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving " geschrapt, is er een nummering toegevoegd, zijn de begrippen " georganiseerd en opgenomen in de toelageregeling " vervangen door " gefinancierd en gesubsidieerd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[286]Artikel 33 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie is " georganiseerd en opgenomen in de toelageregeling " vervangen door " gefinancierd en gesubsidieerd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[287]Artikel 34 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. In de codificatie zijn de begrippen " financiering en subsidiëring " ingevoegd, zijn de zinsnedes " het Rijk of " en " ,opgericht of in de toelageregeling opgenomen met toepassing van artikel 18, § 2, 1°, van deze afdeling " geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[288]Artikel 35 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het besluit Vlaamse Regering van 27/4/2001; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie zijn de zinsnedes " oprichten en opname in de toelageregeling " vervangen door " financiering of subsidiëring ", in § 2 is de datum van 1/9/1986 opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[289]Artikel 35/1 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[290]Artikel 4, eerste lid : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992; met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen omdat ze expliciet opgeheven zijn, waardoor de leeftijd van " 2 2 jaar " impliciet al is vervangen door " 13 jaar ", het begrip " gehandicapten " is vervangen door " personen met een handicap ", de zin " Uitzonderlijk kunnen ook leerlingen vanaf 12 jaar worden toegelaten, zoals bepaald in artikel 292 " is toegevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
De specifieke toelatingsvoorwaarden buitengewoon onderwijs zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 28/06/1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs en in het besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.
[291]Artikel 5, § 3 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[292]Artikel 4, tweede, derde lid : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992; met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen omdat ze reeds opgegeven zijn, een indeling in paragrafen en punten is toegevoegd, het woord " gehandicapte " is vervangen door " persoon met een handicap ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[293]Artikel 5, § 1, § 2 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie zijn de bestaande zinnen herschikt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[294]Artikel 3, § 8, 5° : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar artikel X.1, 2° van het decreet van 14/2/2003 vervangen door " een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs een subsidie-enveloppe ontvangt ", de bepalingen zijn hier hernomen voor het buitengewoon onderwijs, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[295]Artikel 84 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[296]Artikel 1 : koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 463 van 25/9/1986; met ingang van 1/9/1987 door de wet van 1/8/1988; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 17 niet opgenomen omdat het artikel is opgeheven, § 2 van het oorspronkelijke artikel 1 is niet opgenomen, de zinsnede " georganiseerd door Rijksinrichtingen " is vervangen door " gefinancierd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[297]Artikel 2, § 1, § 2, § 3 : koninklijk besluit nr.65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de verwijzingen naar artikelen aangepast, de zinsnede " georganiseerd door Rijksinrichtingen " is vervangen door " gefinancierd ", bepalingen inzake basisonderwijs zijn niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[298]Artikel 3, § 1 : koninklijk besluit nr.65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1982 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1993 door het besluit Vlaamse Regering van 7/12/1994; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de zinsnede " oprichting of opname in de toelageregeling " vervangen door " gefinancierd of gesubsidieerd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[299]Artikel 4 : koninklijk besluit nr.65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1993 door het besluit Vlaamse Regering van 7/12/1994. In de codificatie is het woord " georganiseerd " vervangen door " gefinancierd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[300]Artikel 22 : koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[301]Artikel 23 : koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[302]Artikel 6 : koninklijk besluit nr.65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[303]Artikel 5, § 1-§ 3, § 7 : koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 463 van 25/9/1986; met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 1/9/1991door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1982 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/1/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is § 5 en § 6 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, de nummering in paragrafen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[304]Artikel 2, § 5, § 6 : koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is het begrip Agentschap voor Onderwijsdiensten ingevoegd, en is er een wijziging van de nummering in paragrafen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[305]Artikel 21, § 2, 3de lid : koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 3 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[306]§ 1, § 2 : Artikel 21, § 1 en § 2, eerste en tweede lid : koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1997 door het decreet van 14/7/1998. De codificatie brengt geen wijzigingen aan. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
- § 3 : Artikel 3, § 2 : koninklijk besluit nr. 297 van 31/3/1984 betreffende de opdrachten, de salarissen, salaristoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de CLB. Gewijzigd met ingang van 1/9/1984 door het decreet van 28/4/1993.
[307]Artikel 24 : Koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1993 door het besluit Vlaamse Regering van 7/12/1994. In de codificatie is de zinsnede " oprichting of de opname in de toelageregeling " vervangen door " de opname in de financiering of subsidiëring ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[308]Artikel 1 : koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/86 door het koninklijk besluit nr. 463 van 25/9/1986; met ingang van 1/9/1987 door de wet van 1/8/1988; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1993 door het besluit Vlaamse Regering van 7/12/1994; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie is § 3 niet opgenomen, de zinsnede " oprichting en opname in de toelageregeling " is vervangen door " opname in de financiering of subsidiëring ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[309]Artikel 2 : koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs. In de codificatie is punt d) geactualiseerd naar terminologie, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[310]Artikel 3, § 1, § 2 : koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[311]Artikel 6, § 1 - § 3, § 6 : koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 463 van 25/9/1986; met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 1/9/1982 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/1/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in § 1 de ingangsdatum weggelaten, zijn § 4 en § 5 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, is een hernummering in paragrafen ingevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[312]Artikel 3, § 4, § 6 : koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is het Agentschap voor Onderwijsdiensten ingevoegd, is er een aanpassing van de nummering in paragrafen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[313]Artikel 3, § 3 : koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie is de verwijzing naar koninklijk besluit nr.65 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[314]Artikel 57bis, § 2 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie wordt hier de regelgeving plage-uren hernomen voor het buitengewoon onderwijs, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[315]Artikel VI.22 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[316]Artikel VI.23 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan
[317]Artikel VI.24 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, is de verwijzing met artikelen aangepast en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[318]Artikel VI.25 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie, zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, is de verwijzing met artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[319]Artikel VI.26 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[320]Artikel VI.27 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[321]Artikel VI.28 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[322]Artikel 5, § 1, 2° : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. In de codificatie is hier de bepaling schoolkenmerken voor het buitengewoon onderwijs hernomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[323]Artikel 13 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 19/12/2008; met ingang van 1/1/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[324]Artikel 14 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/1/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[325]Artikel 15 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[326]Artikel 16 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[327]Artikel 17 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[328]Artikel 18 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 21/11/2008; met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 19/12/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[329]Artikel 19 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[330]Artikel 5, § 4 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. In codificatie wordt hier § 4 hernomen voor het buitengewoon onderwijs, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[331]Artikel 21 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. In de codificatie is hier het artikel 21 voor het buitengewoon onderwijs hernomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[332]Artikel 3bis, § 2, § 3 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[333]Artikel 42 : Decreet van 14/07/1998 betreffende het onderwijs IX. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[334]Artikel IV.14, eerste, tweede lid : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII Mozaïek. In de codificatie is het 3de en 4de lid niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[335]Artikel 5ter : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 13/7/2001; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[336]Artikel 5quater : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 13/7/2001; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[337]Artikel 5quinquies : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 13/7/2001; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[338]Artikel 5sexies : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 13/7/2001. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[339]Artikel 5septies : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 13/7/2001; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is het 1ste lid niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[340]Artikel 20bis : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[341]Artikel 20ter : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[342]Artikel 20quater : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[343]Artikel 20quinquies : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[344]Artikel 20sexies : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[345]Artikel 20septies : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[346]Artikel 20octies : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[347]Artikel 20novies : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[348]Artikel 20decies : besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[349]Artikel 47, 4° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009.
- Artikel 3 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009.
[350]Artikel 5bis : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/10/1986 door de wet van 11/3/1986; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is § 4 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
[351]Artikel 5bis 1 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[352]Artikel 5bis 2, Artikel 5bis 3 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[353]Artikel 5bis 4 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[354]Artikel 5bis 5 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[355]Artikel 5bis 6 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.
[356]Artikel 67 : Decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie zijn de bepalingen voor het volwassenenonderwijs, hoger onderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.
Art. 359. Dans les lois, décrets et arrêtés visés ci-après, les références aux articles repris dans la codification relative à l'enseignement secondaire, sont adaptées par des abrogations ou des références à un article de la codification :
  1) Dans l'article 16, § 1er, B, e) de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, le syntagme "l'article 28, 1° à 5°, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation sur l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 28, 1° à 5°, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement et l'article 18, 1° à 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  2) Dans le titre de l'arrêté royal du 15/12/59 portant application de l'article 32 de la loi du 29 mai 1959, le syntagme "l'article 32 de la loi du 29 mai 1959" est remplacé par le syntagme "l'article 37 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  3) Dans l'article 1er de l'arrêté royal du 27/07/71 fixant les modalités d'organisation de la guidance des élèves fréquentant les établissements ou sections d'enseignement spécial, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
  "La guidance des élèves de l'enseignement spécial comprend les activités suivantes :".
  4) Dans l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 07/02/74 déterminant les modalités de prise en charge par l'Etat des frais de déplacement des élèves de l'enseignement spécial, le syntagme "l'article 4 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 110 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  5) A l'arrêté royal du 28/06/78 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 1er, § 1er, le syntagme "visés par la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial" est remplacé par le syntagme "énumérés dans la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 7, le syntagme "l'article 5, § 1er de la loi sur l'enseignement spécial" est remplacé par le syntagme "l'article 294 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 10, § 1er, le syntagme "l'article 4 de la loi sur l'enseignement spécial" est remplacé par le syntagme "l'article 293 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 10, § 2, le syntagme "l'article 4 de la loi sur l'enseignement spécial" est remplacé par le syntagme "l'article 293 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  6) A la loi du 01/09/80 relative à l'octroi et au paiement d'une prime syndicale à certains membres du personnel du secteur public, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 2, § 3, 4°, le syntagme "auxquels la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, modifiée par la loi du 11 juillet 1973 est applicable" est remplacé par le syntagme "auxquels les décrets relatifs au statut sont applicables";
  2° dans l'article 2, § 3, 5°, le syntagme "auxquels la loi du 29 mai 1959 n'est pas applicable" est remplacé par le syntagme "auxquels les décrets relatifs au statut n'est pas applicable".
  7) A la loi du 29/06/83 concernant l'obligation scolaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 1er, § 5, le syntagme "dispensé conformément à la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial" est remplacé par le syntagme "organisé conformément aux dispositions de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 5, § 5, le syntagme "la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial" est remplacé par le syntagme "les dispositions de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  8) Dans l'article 1er de l'arrêté royal du 13/09/83 concernant le congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement et la disponibilité pour mission spéciale des membres du personnel de l'enseignement subventionné, le syntagme "conformément à la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, " est supprimé.
  9) Dans l'article 1er, 1°, du "ministerieel besluit van 20/9/1983 tot vaststelling van het bijzonder bestek voor vervoer van de leerlingen die de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde scholen bezoeken" (l'arrêté ministériel du 20/09/83 portant réglementation du transport des élèves fréquentant des écoles organisées ou subventionnées par la Communauté flamande), le syntagme "de inrichtende macht zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving (le pouvoir organisateur, tel que décrit à l'article 2 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement)" sont remplacés par les mots "het schoolbestuur (l'autorité scolaire)".
  10) Dans l'arrêté royal n° 297 du 31/03/84 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, le point 3° de l'article 1er est remplacé par la disposition suivante :
  "3° aux membres du personnel subventionnés visés par les décrets sur le statut;".
  11) Aux articles 3 et 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26/04/90 relatif aux congés pour prestations réduites justifiés par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations réduites justifiées par des raisons de convenances personnelles, accordés aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 3° est supprimé;
  2° dans le point 11°, le syntagme "l'article 156 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 69 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  12) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 31/07/90 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire dans l'enseignement spécial sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 2, § 3, 2°, le syntagme "l'article 34 de l'arrêté royal n° 439 du 11 août 1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial," est remplacé par le syntagme "l'article 288 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 2, § 3, 3°, le syntagme "l'article 34 de l'arrêté royal n° 439 du 11 août 1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial," est remplacé par le syntagme "l'article 288 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 4, § 3, le syntagme "l'article 75, § 1er, du décret du 5 juillet 1989 relatif à l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 43, 2° du décret du 16 avril 1996 relatif au tutorat et à la formation continuée".
  13) Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31/07/90 modifiant l'arrêté royal du 21 août 1978 portant organisation des semi-internats dans l'enseignement spécial de l'Etat et déterminant les normes du personnel, le syntagme "L'article 12bis, § 2 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement entre" est remplacé par le syntagme "Les dispositions réglementaires relatives aux titres entrent".
  14) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 31/07/90 fixant le capital "périodes-professeur" dans l'enseignement secondaire à temps plein, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 1er, le syntagme "conformément à l'article 27 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement," est supprimé;
  2° Dans les articles 3 et 9, le syntagme "visé à l'article 56, 1°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement - II" est supprimé;
  3° dans l'article 4 sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans le § 4, le syntagme "au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "à la codification relative à l'enseignement secondaire".
  b) dans le § 5 le syntagme "l'article 48 ou 49 du même décret du 14 juillet 1998, visé au § 4, troisième alinéa" est remplacé par le syntagme "l'article 190 ou l'article 191 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  c) dans le § 6 le syntagme "l'article 50 ou 52bis, § 1er du même décret du 14 juillet 1998, visé au § 4, troisième alinéa" est remplacé par le syntagme "l'article 192 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  d) dans le § 7 le syntagme "l'article 51, 52, 52bis, § 2, 52bis, § 3, ou 54bis du même décret du 14 juillet 1998, visé au § 4, troisième alinéa" est remplacé par le syntagme "l'article 193, l'article 194 et l'article 197 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 6 le syntagme "au même arrêté du 14 juillet 1998, visé à l'article 4, § 4, troisième alinéa" est remplacé par le syntagme "à la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° dans l'article 15quater, le syntagme "l'article 3, § 6, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 20 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  15) Dans l'article 200 du décret du 31/07/90 relatif à l'enseignement-II, le syntagme "l'article 12bis, § 3, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "les dispositions réglementaires relatives à la mise en disponibilité, la réaffectation et la remise au travail".
  16) Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26/09/90 relatif aux titres, aux échelles de traitement et au statut pécuniaire des maîtres de religion et des professeurs de religion, le syntagme "L'article 12bis, § 2 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement entre" est remplacé par le syntagme "Les dispositions réglementaires relatives aux titres entrent".
  17) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 09/01/91 portant des mesures de contrôle en matière d'emploi des subventions de fonctionnement dans l'enseignement subventionné, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 1er le syntagme "l'article 32 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 37 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 2 le syntagme "articles 32 et 36bis de la même loi" est remplacé par le syntagme "articles 37 et 38 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  18) Au décret du 27/03/91 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 3, 3°, le syntagme "l'article 96, § 4, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 26, § 4, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  2° dans l'article 3, 7°, le syntagme "à l'article 8 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "aux dispositions réglementaires relatives à l'enseignement philosophique";
  3° dans l'article 3, 28°, le syntagme "l'article 2, 28°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 3, 36°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 39, le syntagme "l'article 96, 4°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 26, 4°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° dans l'article 56/1, § 1er,1°, le syntagme "l'article 45, § 2, 4°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 206, § 2, 4° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  6° à l'article 100quinquies, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans les §§ 1 et 2, le syntagme "le Titre XI - Personnel d'appui du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental," est chaque fois remplacé par le syntagme "les dispositions relatives à l'enveloppe globale de points reprise dans la codification relative à l'enseignement secondaire".
  b) dans le § 3, le syntagme "l'article 95 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 30 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  c) dans le § 4 le syntagme "l'article 97 du décret précité du 14 juillet 1998" est remplacé par le syntagme "les dispositions relatives à l'enveloppe globale de points reprise dans la codification relative à l'enseignement secondaire".
  19) Au décret du 27/03/91 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves sont apportées les dispositions suivantes :
  1° dans l'article 5, 9°, le syntagme "à l'article 8 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "aux dispositions réglementaires relatives à l'enseignement philosophique";
  2° dans l'article 5, 20°, le syntagme "l'article 2, 28°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 3, 36°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 19, le syntagme "l'article 28, § 1er, 1°, 2° et 4° de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 28, § 1er, 1°, 2° et 4° de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement et l'article 18, § 1, 1°, 2°, 4°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 74bis /1, § 1er le syntagme "l'article 45, § 2, 4°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 206, § 2, 4° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° à l'article 84quinquies sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans les §§ 1 et 2, le syntagme "le Titre XI - Personnel d'appui du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental," est chaque fois remplacé par le syntagme "les dispositions relatives à l'enveloppe globale de points reprise dans la codification relative à l'enseignement secondaire".
  2° dans le § 3, le syntagme "l'article 95 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 30 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  c) dans le § 4 le syntagme "l'article 97 du décret précité du 14 juillet 1998" est remplacé par le syntagme "les dispositions relatives à l'enveloppe globale de points reprise dans la codification relative à l'enseignement secondaire".
  6° dans l'article 84quater decies, le syntagme "l'article 27, § 1er, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 27, § 1er, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement et l'article 17, § 1, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  20) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 portant détermination des notions de "tutelle sanitaire" et d'"avantages sociaux" visées à l'article 33 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le titre, le syntagme "visées à l'article 33 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement," est supprimé;
  2° l'article 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Art.1er. Pour l'application des dispositions relatives aux avantages sociaux, il faut entendre par "tutelle sanitaire", l'inspection médicale scolaire préventive telle que définie dans la réglementation relative aux centres d'encadrement des élèves. " ;
  3° dans l'article 2, le syntagme "l'article 33, troisième alinéa de la même loi" est remplacé par le syntagme "la réglementation relative à la politique locale d'encadrement de l'enseignement".
  21) Au décret du 23/10/1991 relatif à la participation dans l'enseignement subventionné, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 7, la phrase "Les établissements d'enseignement agréés par le Conseil de l'Enseignement pluraliste, visé à l'article 2, quatrième alinéa, b, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, ne doivent pas créer un conseil de participation non plus. " est supprimée;
  2° dans l'article 34bis, le syntagme "le Titre VIII du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "la codification relative à l'enseignement secondaire".
  22) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 07/01/92 fixant les règles d'application des sanctions déterminées par l'article 3, § 9, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le titre, le syntagme "déterminées par l'article 3, § 9, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "en matière de programmation ou de rationalisation";
  2° à l'article 2, § 1er, sont apportées les modifications suivantes :
  a) le syntagme "déterminées par l'article 3, § 9, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "en matière des normes réglementaires de programmation ou de rationalisation reprises dans la codification relative à l'enseignement secondaire";
  b) le syntagme ", fixées en exécution de l'article 13, § 1er, a, de cette loi" est supprimé.
  23) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 29/04/92 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 2, § 2, 11°, le syntagme "aux articles 94 à 99ter inclus du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "aux articles 24 à 31 inclus de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 12bis, § 1er, le syntagme "au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "à la codification relative à l'enseignement secondaire".
  24) Dans l'article 79 du décret du 25/06/92 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1992, le syntagme "l'article 2, § 1er et l'article 3, § 1er, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est supprimé.
  25) Dans l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22/07/1993 relatif à l'intervention des employeurs du secteur de l'enseignement dans les frais de transport de leurs membres du personnel, le syntagme "visés à l'article 3, § 2, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II," est supprimé.
  26) Dans le décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 2, 2° le syntagme "l'article 8, deuxième alinéa, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "les articles 96 et 97 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 8, § 1er, 1°, le syntagme "l'article 8 et 8bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "les articles 96 à 99 inclus de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  27) Dans l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 pris en exécution du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques, le syntagme "visés à l'article 9, quatrième et cinquième alinéas, et à l'article 10, § 2, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'enseignement philosophique".
  28) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 21/12/1994 du Gouvernement flamand relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestation et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 4 sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 1er, le syntagme "L'article 12 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "Les dispositions réglementaires relatives aux titres entrent";
  2° dans l'article 2, 1°, le syntagme "l'article 34 de l'arrêté royal n° 439 du 11 août 1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial," est remplacé par le syntagme "l'article 288 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 2, 2°, le syntagme "par application de l'article 34 de l'arrête royal n° 439 du 11 août 1986" est remplacé par "par application de l'article 288 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  29) Au décret du 05/04/1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 37bis, le syntagme "au Titre VIII du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "aux dispositions réglementaires relatives aux centres d'enseignement de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 55, § 2, le syntagme "l'article 32 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 37 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  30) Dans l'article 125octies du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, le syntagme "au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "à la coordination relative à l'enseignement secondaire".
  31) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 24/06/1997 fixant la compétence, la composition et le fonctionnement des commissions consultatives de l'enseignement spécial sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'article 1er, le point 3° est abrogé;
  2° dans l'article 3, le syntagme "l'article 7, § 2 de la loi" est remplacé par le syntagme "l'article 68, § 2, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 5, les syntagmes "l'article 7, § 1er de la loi" et "l'article 20 de la loi" sont remplacés par le syntagme "l'article 68, § 1er, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 5, le syntagme "tel que fixé dans l'article 20 de la loi" est supprimé;
  5° dans l'article 6, le syntagme "l'article 4 de la loi" est remplacé par le syntagme "l'article 293 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  6° dans l'article 7 et l'article 12, le syntagme "l'article 6, § 2, de la loi" est remplacé chaque fois par le syntagme "l'article 67, § 2, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  32) Dans l'article 31, § 2, du décret du 15/07/1997 relatif à l'enseignement VIII, le syntagme "l'article 58bis, § 1er, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 201, § 1er, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  33) Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23/07/1997 précisant la procédure de dérogation pour les objectifs de développement et les objectifs finaux :
  1° est supprimé le point 1° dans l'article 1er.
  2° est remplacé dans l'article 1er, 3, le syntagme "l'article 6ter de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" par le syntagme "l'article 147 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° est remplacé dans l'article 8, le syntagme "6ter, § 3, de la loi" et "l'article 6ter, § 4, de la loi" par le syntagme "l'article 147, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire" et respectivement "l'article 147, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  34) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 16/09/1997 relatif au contrôle des inscriptions d'élèves de l'enseignement secondaire, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 14, le syntagme suivant "l'article 71, § 2, troisième alinéa du décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement VII" est remplacé par le syntagme "l'article 106 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 14bis, le syntagme suivant "l'article 48, 2° du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 252 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  35) A l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16/12/1997 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 3°, le syntagme "les prestations dispensées dans le cadre de l'encadrement et du soutien des écoles et des centres d'encadrement des élèves pour la mise en oeuvre du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I, tels que visés à l'article VI.21 dudit décret" est supprimé;
  2° dans le point 11°, le syntagme "dispensées par les membres du personnel en congé tels que visés à l'article 156 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 69 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  36) Au décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 38, 4°, le syntagme "l'article 71, 2°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 57, 2°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans le § 39, le point 10° est remplacé par la disposition suivante :
  "10° les accords relatifs à la politique d'égalité des chances visés au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et dans la codification relative à l'enseignement secondaire, pour autant que le centre et l'école obtiennent à cette fin des pondérations d'encadrement complémentaires, respectivement un soutien complémentaire;";
  3° dans l'article 71 sont apportées les modifications suivantes :
  a) le syntagme "l'article VI.3 du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I" est remplacé par le syntagme "l'article 139ter du décret relatif à l'enseignement fondamental et l'article 226 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  b) le syntagme "l'article VI.4 du même décret" est remplacé par le syntagme "l'article 139quater du décret relatif à l'enseignement fondamental et l'article 227 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  c) le syntagme "l'article VI.13 du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I" est remplacé par le syntagme "l'article 235 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  d) le syntagme "l'article VI.14 du même décret" est remplacé par le syntagme "l'article 236 de la codification relative à l'enseignement secondaire
  37) Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 02/02/1999 relatif au fonctionnement et à l'organisation du Collège paritaire d'inspecteurs, chargé de l'émission d'avis sur la suppression de l'agrément d'une école ou d'une implantation de celle-ci, d'un établissement d'enseignement ou d'une section de celui-ci, est remplacé chaque fois le syntagme dans les points 1° et 3° "l'article 6quater de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" par le syntagme "les articles 36 à 42 inclus du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement".
  38) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 02/02/1999 relatif à la façon dont certaines compétences de l'Inspection de l'Enseignement de la Communauté flamande sont exercées, sont apportées les modifications suivantes :
  1° est supprimé le point 2° dans l'article 1er;
  2° dans l'article 3, le syntagme "aux articles 6quater et 24, § 2, de la loi du Pacte" est remplacé par le syntagme "à l'article 15 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 16, § 4, le syntagme "article 6 de la loi du Pacte" est remplacé par le syntagme "l'article 146 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  39) Dans l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 août 2000 créant et composant les comités locaux pour les personnels de l'enseignement communautaire, le syntagme "l'article 81quinquies decies du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 84 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  40) A l'article V.25 du décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII-Mosaïque, sont apportées les modifications suivantes :
  a) le syntagme "l'article V.13" est remplacé par le syntagme "l'article 35 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  b) le syntagme "des articles article V.9, V.10, V.11 et V.12 " est remplacé par le syntagme "des articles 7 à 10 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  41) Au décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'article II.1er sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans le point 8°, le syntagme "l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 252 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  b) dans le point 13°, le syntagme "l'article 50, § 5, 7°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 135 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  c) dans le point 16°, le syntagme "à la section 2 du titre XI du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "aux dispositions relatives à l'enveloppe globale de points de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  d) aux points 17° et 18°, le syntagme "l'article VI.2, § 1er" est remplacé par le syntagme "l'article 139bis, § 1er, du décret relatif à l'enseignement fondamental et l'article 225, § 1er, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  e) dans le point 22°, le syntagme "l'article 56 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 209 et l'article 210 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° à l'article III.4, § 3, le syntagme "de l'article IV.2, § 2," est remplacé par le syntagme "l'article 139bis, § 1er, du décret relatif à l'enseignement fondamental et l'article 225, § 1er, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article III.7, le syntagme "l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 252 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article III.9, le syntagme "l'article VI.2, § 1er et l'article VI.11, § 1er" est remplacé par le syntagme "l'article 225, § 1er et l'article 233, § 1er de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° dans l'article VI.3bis, le syntagme "l'article VI.2, § 1er, 1°" est remplacé par le syntagme "l'article 139bis, § 1er, 1°, du décret relatif à l'enseignement fondamental".
  42) Dans l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, la deuxième phrase du premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Une pondération de 16 est affectée aux primo-arrivants allophones réguliers. " .
  43) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 19/07/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 2 les modifications suivantes sont apportées au point 1° :
  a) le syntagme "l'article 48, 6°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 3, 3°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  b) le syntagme "de l'article 48, 5°, du décret précité du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "de l'article 3, 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  c) le syntagme "l'article 48, 7°, du décret précité du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 3, 31°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 29, le syntagme "au décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "à la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 35, le syntagme "l'article 52 du décret précité du 31 juillet 1990" est remplacé par le syntagme "l'article 134 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 53, le syntagme "du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° dans l'article 56, § 2, le syntagme "l'article 48, 7°, du décret précité du 31 juillet 1990" est remplacé par le syntagme "l'article 3, 30°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  6° dans l'article 58, le syntagme "l'article 52 du décret précité du 31 juillet 1990" est remplacé par le syntagme "l'article 134 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  44) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/09/2002 relatif à l'offre d'encadrement intégrée dans l'enseignement secondaire ordinaire les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 2, les modifications suivantes sont apportées au 1°, point a) :
  a) le syntagme " l'article VI.2, § 1er, 1°, 2°, 3°, et 4° " est remplacé par le syntagme " l'article 225, § 1er, 1°, 2°, 3°, et 4°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  b) le syntagme " l'article VI.11, § 1er, 1°, 2°, 3°, et 4° " est remplacé par le syntagme " l'article 233, § 1er, 1°, 2°, 3°, et 4°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  c) le syntagme " l'article VI.2, § 1er, 1°, ou 1°et 5° " est remplacé par le syntagme " l'article 225, § 1er, 1°, ou 1° et 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  d) le syntagme " l'article VI.11, § 1er, 1°, ou 1°et 5° " est remplacé par le syntagme " l'article 233, § 1er, 1°, ou 1° et 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 2 les modifications suivantes sont apportées au point 4° :
  a) le syntagme "l'article VI.2, § 1er" est remplacé par le syntagme "l'article 225, § 1er de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  b) le syntagme "l'article VI.11, § 1er" est remplacé par le syntagme "l'article 233, § 1er de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° à l'article 3 sont apportées les modifications suivantes :
  a) le syntagme "l'article VI.3, alinéa premier, 1°" est remplacé par le syntagme "l'article 226, premier alinéa, 1° de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  b) le syntagme " l'article VI.2, § 1er, 2°, 3°, 4° et 5° " est remplacé par le syntagme " l'article 225, § 1er, 2°, 3°,4°, et 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 4ter, le syntagme "l'article VI.3 du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 226 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° dans les articles 5 et 6, le syntagme " l'article VI.2, § 1er, 1°, ou 1°et 5° du décret " est remplacé par le syntagme " l'article 225, § 1er, 1°, ou 1° et 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  6° dans l'article 10, le syntagme "l'article VI.5, § 1er, 1° du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 228, § 1er, 1° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  7° dans l'article 16, le syntagme "l'article VI.8, § 1er, troisième alinéa du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 231, § 1er, troisième alinéa de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  8° à l'article 19 sont apportées les modifications suivantes :
  a) le syntagme "l'article VI.12, alinéa premier, 1° du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 234, premier alinéa, 1°, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  b) les mots "l'article VI.12" sont remplacés par le syntagme "l'article 234 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  c) le syntagme " l'article VI.11, § 1er, 2°, 3°, 4° et 5° " est remplacé par le syntagme " l'article 233, § 1er, 2°, 3°, 4°, et 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  9° dans l'article 19quater, le syntagme "l'article VI.12 du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 234 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  10° dans l'article 19quinquies, le syntagme "l'article VI.11, § 1er, 1° ou 1° et 5°, du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 233, § 1er, ou 1° et 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  11° dans l'article 20, le syntagme "l'article VI.11, § 1er, 1°, ou 1° et 5°, du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 233, § 1er, ou 1° et 5°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  12° dans l'article 25, le syntagme "l'article VI.15, § 1er, 1° du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 237, § 1er, 1°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  13° dans l'article 28, le syntagme "l'article VI.18, § 1er, troisième alinéa du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 240, § 1er, troisième alinéa, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  45) Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27/09/2002 relatif à la Commission de bonne administration, au 1°, a), le syntagme "- à l'article 2, 12° du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "à l'article 3, 40°, de la codification relative à l'enseignement secondaire,".
  46) Dans l'article 1er, § 2, 2° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24/01/2003 déterminant et classant les fonctions dans l'enseignement spécial, le syntagme "l'article 34 de l'arrêté royal n° 439 du 11 août 1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial" est remplacé par le syntagme "l'article 288 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  47) Au décret du 14/02/2003 relatif à l'enseignement XIV sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article X.15 le syntagme "l'article 6quater de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 254 à 256 inclus de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article X.53, § 2, 3° le syntagme "l'article 64, troisième alinéa, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental " est remplacé par le syntagme "l'article 51, troisième alinéa, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article X.55, 1° le syntagme "l'article 97 du décret relatif à l'enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 27 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  48) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 12/12/2003 relatif à l'intégration d'élèves présentant un handicap intellectuel modéré ou sévère dans l'enseignement primaire et secondaire ordinaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 3 et l'article 7, 2°, le syntagme "l'article 5bis de la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial et intégré" est remplacé par le syntagme "l'article 351 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 7, 4°, le syntagme "des articles 5bis 1 et 5bis 3 de la loi du 6 juillet 1970" est remplacé par le syntagme "des articles 352 et 353, § 2 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 12, le syntagme "à l'article 35 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, modifiée par le décret du 25 juin 1992, à l'article 192 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "à l'article 103 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  49) Dans l'article 92 du décret du 02/04/2004 relatif à la participation à l'école et au "Vlaamse Onderwijsraad" (Conseil flamand de l'Enseignement), le dernier alinéa est supprimé.
  50) Dans l'article 2 du décret du 30/04/2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle, le point 10° est remplacé par la disposition suivante :
  "10° VLOR : le 'Vlaamse Onderwijsraad'(Conseil flamand de l'Enseignement);".
  51) Dans l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 03/02/2006 relatif aux mesures de contrôle concernant l'affectation des moyens de fonctionnement dans l'enseignement libre subventionné, le syntagme "l'article 32 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 37 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  52) Dans l'article 1er, 6° et l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 relatif aux projets temporaires d'initiation aux arts en faveur de mineurs défavorisés et/ou allochtones, le syntagme "à l'article VI.2, § 1er, respectivement VI.11, § 1er, du décret" est remplacé par le syntagme "à l'article 225, § 1er, respectivement 233, § 1er, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  53) Dans l'article 5, 11° du décret du 08/06/2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, le syntagme "à la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, telle que modifiée, et conformément au chapitre Ier du titre IV du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "aux articles 3 à 5 inclus de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  54) Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/07/2007 établissant la procédure d'introduction et de consultation pour les propositions de nouvelles subdivisions structurelles dans l'enseignement secondaire à temps plein, le syntagme " l'article 7, § 1er, alinéa 1er, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme ""l'article 129, § 1er de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  55) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 13/07/2007 relatif à l'enseignement en milieu familial destiné aux enfants et jeunes malades, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 1er, 2°, le syntagme "visé à l'article 74bis du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II" est remplacé par le syntagme "visé à l'article 116 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 2, 5°, le syntagme "et le pouvoir organisateur de l'enseignement secondaire, visé à l'article 2 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, remplacé par le décret du 14 février 2003" est remplacé par le syntagme "et l'autorité scolaire, telle que visée à l'article 3, 40° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 3, 1°, b, le syntagme "l'article 74ter, § 3, alinéa deux, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II, inséré par les articles III.15 et III.17 du décret du 15 juillet 2005 relatif à l'enseignement XV, est remplacé par le syntagme "l'article 117, § 3, deuxième alinéa de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 8, le syntagme "l'article 74quater du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 118 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  5° dans l'article 11, le syntagme "aux articles V.9 à V.13 du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII pour ce qui est de l'enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "aux articles 10 à 35 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  56) Dans l'article 29 du décret du 30/11/2007 relatif à la politique locale d'encadrement de l'enseignement", le syntagme "visées à l'article 33 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est supprimé.
  57) Dans l'article XI.6 du décret du 04/07/2008 relatif à l'enseignement XVIII, le syntagme "l'article 85bis du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, inséré par le décret du 7 juillet 2006 et modifié par le décret relatif à l'enseignement XVIII" est remplacé par le syntagme "l'article 25 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  58) Au décret du 10/07/2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 9, le syntagme "au Titre VIII du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "à la codification relative à l'enseignement secondaire".
  2° dans l'article 20, le syntagme "par le décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "dans la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 29, le syntagme "du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4°dans l'article 29, § 3, et l'article 33, § 2, le syntagme "le décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein" est remplacé par le syntagme "l'article 25 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  5° dans l'article 86, § 1er, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
  "2° budget de fonctionnement tel que visé à la codification relative à l'enseignement secondaire;";
  6° dans l'article 87 et l'article 88, le syntagme "au titre XI du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "à la codification relative à l'enseignement secondaire".
  59) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 18/07/2008 portant organisation de l'enseignement secondaire ordinaire expérimental à temps plein suivant un régime modulaire, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 1er, le syntagme "l'article 74ter decies, § 3, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 159, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 2, le syntagme "l'article 74quater decies du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 160 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  3° dans l'article 3, le syntagme "l'article 74duodevicies du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 165 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 3/1, le syntagme suivant "l'article 74duodevicies du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 165 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° dans l'article 4, le syntagme "l'article 74undevicies, § 1er, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 166, § 1er de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  60) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 05/09/2008 portant organisation de l'enseignement secondaire spécial expérimental à temps plein suivant un régime modulaire, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 1er, le syntagme "l'article 20ter, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3" est remplacé par le syntagme "l'article 342 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  2° dans l'article 2, le syntagme "l'article 20quater du même décret" est remplacé par le syntagme "l'article 343 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 3, le syntagme "l'article 20octies du même décret" est remplacé par le syntagme "l'article 347 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  61) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/02/2009 portant les budgets de fonctionnement dans l'enseignement fondamental et les budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'article 8, les syntagmes "l'article 5, § 3, du décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" et respectivement "l'article 5, § 1er, 1°, b), du même décret" sont remplacés par les syntagmes "l'article 242, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire" et respectivement "l'article 242, § 1, 1°, b), de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° à l'article 9, les syntagmes "l'article 5, § 3, du décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" et respectivement "l'article 5, § 1er, 1°, a), du même décret" sont remplacés par les syntagmes "l'article 242, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire" et respectivement "l'article 242, § 1, 1°, a) et c), de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° à l'article 10, les syntagmes "l'article 5, § 3, du décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" et respectivement "l'article 5, § 1er, 1°, d), du même décret" sont remplacés par les syntagmes "l'article 242, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire" et respectivement "l'article 242, § 1er, 1°, d), de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° à l'article 11, les syntagmes "l'article 5, § 3, du décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" et respectivement "l'article 5, § 1er, d), du même décret" sont remplacés par les syntagmes "l'article 242, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire" et respectivement "l'article 242, § 1er, 1°, d), de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° dans l'article 14, le syntagme "visé à l'article 3, § 2, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement - II" est supprimé.
  62) Au décret du 30/04/2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel HBO-5, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 3, le syntagme "l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II" est remplacé par le syntagme "l'article 252 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 18, le syntagme "l'article 71, 1°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 57, 1°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  63) A l'article 14 du décret du 30/04/2009 relatif à la structure de certifications sont apportées les modifications suivantes :
  1° le syntagme "l'article 9 décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein" est remplacé par le syntagme "l'article 147 et l'article 267 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  2° le syntagme "l'article 7ter du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein" est remplacé par le syntagme "l'article 145 et l'article 265 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  64) Au décret du 08/05/2009 relatif à la qualité de l'enseignement sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 2, 18°, le syntagme "l'article 2, 28°, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "l'article 3, 39°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° à l'article 41, § 5, le point b) est remplacé par la disposition suivante :
  " b) l'article 15, § 1er, 2° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 41, § 6, le syntagme "l'article 24bis, § 1er, 12°, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est remplacé par le syntagme "l'article 15, § 1er, 12°, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  65) Dans l'article 17 de l'arrêté du Gouvernement flamand fixant les conditions d'octroi de subventions et fixant les modalités de sélection, la durée et l'évaluation de programmes "time-out" de courte et de longue durée, le syntagme "l'article X.3 du décret du 22 juin 2007 relatif à l'enseignement XVII" est remplacé par le syntagme "l'article 44 de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  66) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 04/09/2009 relatif à l'enveloppe globale de points dans l'enseignement secondaire les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 2, 1°, le syntagme "aux articles 94 à 99ter inclus du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental" est remplacé par le syntagme "aux articles 24 à 31 inclus de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 2, le point 2° est supprimé;
  3° à l'article 3 sont apportées les modifications suivantes :
  - au point 1°, le syntagme "l'article 95, § 2, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 2, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 2°, le syntagme "l'article 95, § 3, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 3°, le syntagme "l'article 95, § 4, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 4, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 4°, le syntagme "l'article 95, § 5, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 5, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 5°, le syntagme "l'article 95, § 6, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 6, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 6°, le syntagme "l'article 95, § 7, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 7, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 7°, le syntagme "l'article 95, § 9, 1° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 9, 1° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 8°, le syntagme "l'article 95, § 9, 2° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 9, 2° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 9°, le syntagme "l'article 95, § 9, 3° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 9, 3° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 10°, le syntagme "l'article 95, § 10, 1° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 10, 1° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 11°, le syntagme "l'article 95, § 10, 2° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 10, 2° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 12°, le syntagme "l'article 95, § 10, 3° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 10, 3° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 13°, le syntagme "l'article 95, § 12, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 25, § 12, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 14°, le syntagme "l'article 96, § 2, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 26, § 2, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 15°, le syntagme "l'article 96, § 3, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 26, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 16°, le syntagme "l'article 96, § 4, 1° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 26, § 4, 1° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 17°, le syntagme "l'article 96, § 4, 2° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 26, § 4, 2° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 18°, le syntagme "l'article 96, § 5, 1° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 26, § 5, 1° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 19°, le syntagme "l'article 96, § 5, 2° du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 26, § 5, 2° de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 20°, le syntagme "l'article 96, § 6, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 26, § 6, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 21°, le syntagme "l'article 97, § 2, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 27, § 2, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 22°, le syntagme "l'article 97, § 3, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 27, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 23°, le syntagme "l'article 97, § 4, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 27, § 4, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 24°, le syntagme "l'article 97, § 5, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 27, § 5, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 25°, le syntagme "l'article 98, § 2, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 28, § 2, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  - au point 26°, le syntagme "l'article 98, § 3, du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "l'article 28, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° aux articles 4 et 5, le syntagme "des articles 99 à 99ter inclus du décret sur l'Enseignement secondaire" est remplacé par le syntagme "des articles 29 à 31 inclus de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  67) A l'arrêté du Gouvernement flamand du 30/10/2009 relatif à l'offre d'appui à l'égalité des chances en éducation dans l'enseignement secondaire spécial, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 2, les syntagmes "l'article VI.23, § 1er, 1°, du décret" et respectivement "l'article VI.23, § 1er, du décret" sont remplacés par les syntagmes "l'article 317, § 1er, 1°, de la codification relative à l'enseignement secondaire" et respectivement "l'article 317, § 1er, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  2° dans l'article 3, les syntagmes "l'article VI.24, § 1er, 1°, du décret" et respectivement "au même article VI.24" sont remplacés par les syntagmes "l'article 318, § 1er, 1°, de la codification relative à l'enseignement secondaire" et respectivement "l'article 318 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  3° dans l'article 4, le syntagme "l'article VI.23, § 3" est remplacé par le syntagme "l'article 317, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  4° dans l'article 6, les syntagmes "l'article VI.25, § 1er, du décret" et respectivement "l'article VI.24, du décret" sont remplacés par les syntagmes "l'article 319, § 1er, de la codification relative à l'enseignement secondaire" et respectivement "l'article 318, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  5° dans l'article 8, le syntagme "l'article VI.24, § 3" est remplacé par le syntagme "l'article 318, § 3, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  6° dans l'article 9, le syntagme "l'article VI.24" est remplacé par le syntagme "l'article 318 de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  7° dans l'article 11, le syntagme "l'article VI.26, § 1er, 1° du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 320, § 1er, 1°, de la codification relative à l'enseignement secondaire";
  8° dans l'article 12, le syntagme "l'article VI.26, § 1er, du décret" est remplacé par le syntagme "l'article 320, § 1er, de la codification relative à l'enseignement secondaire".
  

Wijzigingen

[1]Article 1er, alinéa 1er : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/9/1970 par la loi du 6/7/1970. Dans la codification, l'article 1er, deuxième alinéa, relatif aux écoles de musique n'est pas repris.
- Article 47, 1°, 2,° 3° Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/2001 par le décret du 31/7/2001, à partir des 1/1/2002 et 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009.
- Article 64 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008.
- Article 2bis ; Article 3 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. L'article 2bis a été inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006.
Dans la codification, les articles ont été revus à fond, conformément à la classification de la codification, et sans modifications de fond.
[2]Article 46, § 2, première phrase; § 2, deuxième alinéa, et § 3 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1996 par le décret du 19/4/1995; à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008.
- Article 48 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 01/9/1994 par le décret du 21/12/1994; à partir du 01/9/1996 par le décret du 19/4/1995; à partir du 1/1/1996 par le décret du 15/7/1997; à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2008 par le décret du 30/4/2009.
- Article 2 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1998 par le décret du 18/5/1999; à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010.
Dans la codification, les définitions des trois articles précités sont réunies en ordre alphabétique, sauf la définition 'élève régulier', qui est reprise dans un article 252 séparé; pour la définition 'centre d'enseignement', la phrase portant sur l'enseignement communautaire n'est pas reprise à cause du caractère temporaire et dans la définition 'enseignement secondaire à temps plein (47°), le renvoi à l'arrêté royal n°2 du 21/8/1978 est supprimé, la notion 'centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel' est ajoutée, la notion 'école' est adaptée et remplace dans la codification complète des notions similaires comme établissement, établissement d'enseignement, et ce sans modifications de fond.
La notion 'autorité scolaire' (40°) est ajoutée dans la liste, conformément au décret relatif à l'enseignement fondamental et remplace dans tous les articles concernés de la codification la notion 'pouvoir organisateur'.
[3]Article 46, § 1er : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1995 par le décret du 9/12/2005; à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[4]Article 2 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 30/8/1973 par la loi du 11/7/1973, à partir du 1/9/1975 par la loi du 14/7/1975; à partir du 1/9/2003 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007. La codification n'apporte pas de modifications.
[5]Article 3, § 1er, alinéas premier, trois et quatre, et § 2 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifiée à partir du 1/9/1970 par la loi du 6/7/1970; à partir du 1/9/1981 par la loi du 18/9/1981; à partir du 1/1/1986 par l'arrêté royal n° 411 du 25/4/1986, à partir du 1/1/1989 par l'arrêté royal n° 413 du 29/4/1986; à partir du 1/9/1986 par l'arrêté royal n° 438 du 11/8/1986; à partir du 1/9/1986 par l'arrêté royal n° 439 du 11/8/1986; à partir du 1/9/1986 par l'arrêté royal n° 456 du 10/9/1986; à partir du 1/9/1987 par la loi du 30/7/1987; à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/7/1990; à partir du 25/10/1981 par le décret du 9/4/1992; à partir des 25/10/1981 et 1/9/1987 par la loi du 1/8/1988; à partir du 25/8/1989 par le décret du 5/7/1989; à partir des 25/10/1981, 1/9/1982 et 1/9/1984 par le décret du 28/4/1993; à partir du 1/9/1996 par le décret du 16/4/1996; à partir du 1/9/2000 par le décret du 20/10/2000.
Dans la codification, le membre de phrase "sont fixés annuellement par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres" est supprimé; le notions suivantes sont remplacées : "établissements, institutions" par "écoles et centres", "régime d'allocations" par "financement ou subventionnement", "loi" par "les dispositions décrétales relatives à l'enseignement secondaire", "Etat" par "en vertu du décret spécial relatif à l'enseignement communautaire", "plan de rationalisation et de programmation visé à l'article 13" par "les normes réglementaires de programmation ou de rationalisation", "non confessionnel ou confessionnel" par "écoles officielles ou libres". Le § 4 figurant à l'article original n'est pas repris en raison du caractère temporaire et l'alinéa deux du § 1er est repris à l'article 39. La codification n'apporte pas de modifications de fond.
[6]Article V.9 : Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII. La codification n'apporte pas de modifications.
[7]Article V.10 : Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII. La codification n'apporte pas de modifications.
[8]Article V.11 : Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII. La codification n'apporte pas de modifications.
[9]Article V.12 : Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII. La codification n'apporte pas de modifications.
[10]Article 71 : Décret du 15/07/1997 relatif à l'enseignement VIII. La notion "Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation" est inscrite dans la codification, sans modifications de fond.
[11]Article 7, § 1er : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/7/1990; à partir du 1/9/1991 par le décret du 23/10/1991; à partir du 28/5/1993 par le décret du 28/4/1993; à partir du 1/9/2001 par le décret du 13/7/2001. Dans la codification, les dispositions relatives à l'enseignement fondamental, la promotion sociale et l'enseignement artistique à temps partiel ne sont pas reprises, "organisé" est remplacé par "financé", et sans modifications de fond.
[12]Article 24bis, § 4 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[13]Article 24ter : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; modifié à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007, à partir du 1/9/2008 par le décret du 6/6/2008, à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008; à partir du 1/1/2009 par le décret du 10/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. Dans la codification est inséré "Agodi", sans modifications de fond.
[14]Article 24bis, §§ 1er, 2 et 3 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; modifié à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 6/6/2008; à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir d'une date à fixer par le Gouvernement flamand par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. Dans la codification, au punt 1°, les mots "tels que visé à l'article 24, § 4, de la Constitution, soit une personne physique ou une personne morale" sont supprimés en raison de la définition reprise à l'article 3; au point 7°, le renvoi à l'article 7 est supprimé; le membre de phrase "plan de rationalisation et de programmation visé à l'article 13" est remplacé par "les normes de programmation ou de rationalisation réglementaires"; le mot "Agodi" est ajouté; la deuxième partie de l'alinéa deux du § 2 n'est pas reprise en raison d'un règlement récent dans le décret du 8/5/2009 relatif à la qualité, et sans modifications de fond.
[15]Article 26 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/7/1990. Dans la codification, l'article est entièrement retravaillé par le Conseil d'Etat, dans son avis du 10/12/2009, le renvoi à l'article 38 est supprimé, le renvoi à l'article 27 est adapté, la notion "enseignement communautaire et membres du personnel subventionnés" est ajoutée, dans la version néerlandaise, la notion "wedde" est remplacée par "salaris", "lois" par "décrets", "Etat" par "Communauté flamande", et sans modifications de fond.
- Article 36, § 2 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/1/1987 par l'arrêté royal n° 413 du 29/4/1986; à partir du 1/9/1986 par l'arrêté royal n° 447 du 20/8/1986; à partir du 1/1/199/ par le décret du 31/7/1990. La codification n'apporte pas de modifications.
[16]Article 27, § 1er, alinéas 1er et 2, et § 2 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/9/1970 par la loi du 20/2/1970 et par la loi du 6/7/1970; à partir du 30/8/1973 par la loi du 11/7/1973; à partir du 1/9/85 par la loi du 1/8/1985; à partir du 25/8/1989 par le décret 5/7/1989; à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/7/1990; à partir du 1/9/1999 par le décret du 13/7/2001; à partir du 1/9/2008 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, la compétence du Gouvernement flamand est ajoutée, dans la version néerlandaise, la notion " wedde " est remplacée par " salaris ", " Conseil des Ministres " par " Gouvernement flamand ", " organisé ou non par l'Etat " par " financé ou subventionné ", les dispositions relatives aux internats (§ 1er) ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[17]Article 28 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 30/8/1973 par la loi du 11/7/1973; à partir du 1/9/1989 par le décret du 5/7/1989; à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/7/1990; à partir du 1/9/1991 par le décret du 27/3/1991; à partir du 1/9/2001 par le décret du 13/7/2001; à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2007 par le décret du 13/7/2007. Dans la codification, au § 1er, sont reprises les notions "financement et subventionnement", le renvoi à l'article 29 est remplacé par "titres requis, jugés suffisants et autres", le renvoi à 12bis par "la réglementation relative à la mise en disponibilité, à la réaffectation et à la remise au travail", la notion "établissement" est remplacée par "écoles et centres", et sans modifications de fond.
[18]Article 3, § 5 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 25/8/1989 par le décret du 5/7/1989; modifié à partir du 1/9/1990 par le décret du 9/4/1992; à partir du 1/9/1993 par le décret du 28/4/1993; à partir du 1/9/1993 par le décret du 15/12/1993; à partir du 1/9/1994 par le décret du 21/12/1994; à partir du 1/9/1998 par le décret du 14/7/1998; à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/5/1999; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification est insérée une répartition en paragraphes, le terme "périodes-professeur" est utilisé de manière uniforme, et sans modifications de fond.
[19]Article 3, § 6 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/84 par le décret du 5/7/1989; modifié à partir des 1/1/1993 et 1/9/1993 par le décret du 28/4/1993; à partir du 1/9/1993 par le décret du 15/12/1993; à partir des 1/9/1984, 1/9/1994 et 1/9/1993 par le décret du 21/12/1994; à partir du 1/9/1998 par le décret du 14/7/1998; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, le texte est remanié, une répartition en paragraphes a été prévue, l'alinéa deux de l'article 3, § 6, b) relatif au choix d'études pour filles et migrants n'est pas repris en raison du caractère temporaire, le terme "périodes-professeur" est utilisé, et sans modifications de fond.
[20]- § 1 : Article 59bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/1991 par le décret du 28/4/1993; modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
- §§ 2 à 6 inclus : Article 59ter : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir des 1/1/1993 et 1/9/1993 par le décret du 28/4/1993; modifié à partir du 1/9/1993 par le décret du 15/12/1993; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007. Dans la codification, le numérotage des paragraphes est adapté et le renvoi à l'article 59bis est supprimé, et sans modifications de fond.
[21]Article 59quinquies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007. La codification n'apporte pas de modifications.
[22]Article 93, §§ 2 et 3 : Décret du 14.07.98 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2003 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[23]Article 94 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1998 par le décret du 18/5/1999; à partir des 1/9/1998 et 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/6/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[24]Article 95 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir des 1/9/1998 et 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009 et par le décret du 9/7/2010. Dans la codification, le renvoi à l'article 57 et au décret du 28/6/2002 est adapté, et sans modifications de fond.
[25]Article 96 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir des 1/9/1998 et 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/1/2005 par le décret du 24/12/2004; à partir du 1/6/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009 et par le décret du 9/7/2010. Dans la codification, le renvoi à l'article 57 est adapté, et sans modifications de fond.
[26]Article 97 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1998 par le décret du 18/5/1999; à partir des 01/9/19998 et 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/6/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par les décrets des 8/5/2009 et 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[27]Article 98 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1998 par le décret du 18/5/1999; à partir des 1/9/19998 et 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/6/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2009 par les décrets des 8/5/2009 et 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[28]Article 99 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir des 1/9/1998 et 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2003 par le décret du 7/5/2004; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, le renvoi à l'article 95 est adapté, et sans modifications de fond.
[29]Article 99bis : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/6/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009 et par le décret du 9/7/2010. Dans la codification, le renvoi à l'article 99 est adapté, et sans modifications de fond.
[30]Article 99ter : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009 et par le décret du 9/7/2010. Dans la codification, le renvoi aux articles 96 et 97 est adapté, et sans modifications de fond.
[31]Article 99quater : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, l'article 36 est inséré suite à l'abrogation de l'article 36bis, et sans modifications de fond.
[32]Article 99duodecies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, les dispositions relatives aux remplacements d'absences de courte durée ne sont pas reprises, en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[33]Article 99ter decies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 8/5/2009, modifié à partir du 1/9/2010 par le décret du 18/12/2009. Dans la codification, les dispositions relatives aux remplacements d'absences de courte durée (§ 1er, 1°; § 2, alinéa 1er) ne sont pas reprises, en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[34]Article V.13 : Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII. Inséré à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007. La codification n'apporte pas de modifications.
[35]Article 25 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/1/1987 par l'arrêté royal n° 413 du 29/4/1986. Dans la codification, le renvoi à l'article 24 est remplacé par "financées ou subventionnées", la notion "Etat" est remplacée par "Communauté flamande", "établissements" est remplacée par "écoles", dans la version néerlandaise, la notion " wedde " est remplacée par " salaris ", "allocations" par "budget", et sans modifications de fond.
[36]Article 32, § 1er : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/9/1970 par les lois des 6/7/1970 et 25/5/1971; à partir du 30/8/1973 par la loi du 11/7/1973; à partir du 11/4/1974 par la loi du 17/1/1974; à partir des 1/9/1972 et 1/9/1975 par la loi du 8/7/1976; à partir du 1/9/1976 par la loi du 22/12/1977; à partir du 1/9/1977 par la loi du 5/8/1978; à partir du 1/9/1979 par la loi du 8/8/1980; à partir du 1/9/1980 par la loi du 2/7/1981; à partir du 1/9/1981 par l'arrêté royal n° 47 du 10/6/1982; à partir du 1/9/1982 par l'arrêté royal n° 154 du 30/12/1982; à partir du 1/9/1983 par l'arrêté royal n° 233 du 22/12/1983; à partir des 1/1/1986 et 1/1/1987 par l'arrêté royal n° 413 du 29/4/1986; à partir du 1/9/1984 par la loi du 1/8/1985; à partir du 1/9/1986 par l'arrêté royal n° 456 du 10/9/1986; à partir du 1/1/1987 par l'arrêté royal n° 538 du 31/3/1987; à partir des 1/9/1986, 1/1/1987 et 1/9/1987 par la loi du 1/8/1988; à partir du 1/9/1989 par le décret du 20/12/1989; à partir des 1/9/1989 et 1/1/1991 par le décret du 31/07/1990; à partir du 1/9/1991 par le décret du 9/4/1992; à partir du 1/1/1999 par le décret du 19/12/1998; à partir des 1/1/1989 et 25/8/1989 par le décret du 5/7/1989; à partir du 1/1/2002 par le décret du 14/02/2003; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, la notion "allocations de fonctionnement" est remplacée par "budget de fonctionnement", les dispositions visées aux §§ 1er et 2 relatives aux internats ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[37]Article 36bis : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/1973 par la loi du 11/7/1973; modifié à partir du 1/1/1987 par l'arrêté royal n° 413 du 29/4/1986; à partir du 1/1/1991 par le décret du 31/7/1990. Dans la codification, la notion "Argo" est remplacée par "Enseignement communautaire" et "Etat" par "fédérale", et sans modifications de fond.
[38]Article 3, § 1er, deuxième alinéa : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/1986 par l'arrêté royal n° 456 du 10/9/1986; modifié à partir du 1/1/1989 par l'arrêté royal n° 413 du 29/4/1986; à partir du 1/1/1987 par la loi du 1/8/1988. Dans la codification, la notion "services de l'Etat à gestion séparée de l'enseignement de l'Etat" est remplacée par "l'Enseignement communautaire", les dispositions relatives aux internats ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[39]Article 5 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Dans la codification, le texte est mis en conformité avec les dispositions du décret spécial du 14 juillet 1998, et sans modifications de fond.
[40]Article 36, § 1er : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/1/1987 par l'arrêté royal n° 413 du 29/4/1986; à partir du 1/9/1986 par l'arrêté royal n° 447 du 20/8/1986; à partir du 1/1/1991 par le décret du 31/7/190; à partir du 1/1/1991 par le décret du 28/4/1993. Dans la codification, la notion "wedde" est remplacée par "salaris" dans la version néerlandaise, la notion "allocation de fonctionnement" est remplacée par "budget de fonctionnement", le § 3 de l'article 36 original n'est pas repris en raison du caractère temporaire, les dispositions relatives aux internats ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[41]Article 3, § 8, 1°, huitième alinéa : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/1991 par le décret du 9/4/1992. Dans la codification, la notion "allocation de fonctionnement" est remplacée par "budget de fonctionnement", et sans modifications de fond.
[42]Article X.5 : Décret du 15/7/2005 relatif à l'enseignement XV. La codification n'apporte pas de modifications.
[43]Article X.3 : Décret du 22/6/2007 relatif à l'enseignement XVII. La codification n'apporte pas de modifications.
[44]Article X.6 : Décret du 22/6/2007 relatif à l'enseignement XVII. La codification n'apporte pas de modifications.
[45]Article X.7 : Décret du 22/6/2007 relatif à l'enseignement XVII. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 21/11/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[46]Article 103 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/5/1999; à partir du 1/9/2003 par le décret du 22/12/2006; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[47]Article 103bis : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[48]Article 62 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[49]Article 63 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[50]Article 64 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007. La codification n'apporte pas de modifications.
[51]Article 65 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003. Dans la codification, le renvoi au pool de remplacement (10° de l'article 71 original) n'est pas repris en raison du caractère temporaire, par ailleurs, les renvois sont adaptés à la renumérotation au sein de l'article 57, et sans modifications de fond.
[52]Article 66 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/5/1999; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005. La codification n'apporte pas de modifications.
[53]Article 67 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/5/1999. La codification n'apporte pas de modifications.
[54]Article 68 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/6/2002 par le décret du 14/2/2003. Dans la codification, la notion "Conseil autonome de l'enseignement communautaire" est remplacée par "l'Enseignement communautaire", et sans modifications de fond.
[55]Article 70 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[56]Article 71 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/6/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; à partir du 1/9/2007 par le décret du 15/12/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/1/2009 par le décret du 10/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 20/3/2009; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, le point 10° original relatif au pool de remplacement n'est pas repris en raison du caractère temporaire, l'énumération est renumérotée, et sans modifications de fond.
[57]Article 72 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/6/2002 par le décret du 14/2/2003. Dans la codification, le renvoi à l'article 71 est supprimé, et sans modifications de fond.
[58]Article 73 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[59]Article 74 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006. Dans la codification, le renvoi à l'article 88 est supprimé, il est ajouté un nouveau classement en paragraphes, et sans modifications de fond.
[60]Article 75 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/05/1999; à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006. Dans la codification, le renvoi à l'article 87 est supprimé, et sans modifications de fond.
[61]Article 76 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, le renvoi à l'article 89 est supprimé, et sans modifications de fond.
[62]Article 77 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/5/1999; à partir du 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005. Dans la codification, le classement en paragraphes est adapté, et sans modifications de fond.
[63]Article 78 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/05/1999; à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[64]Article 80 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/02/2003; à partir du 1/9/2007 par le décret du 15/12/2006; à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/07/2008; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. Dans la codification, les dispositions temporaires préalablement à 2004 ne sont pas reprises, un classement en paragraphes est ajouté, et sans modifications de fond.
[65]Article 81 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007. Dans la codification, le PMS n'est plus repris, et sans modifications de fond.
[66]Article 6 : Loi du 6/7/1970 relatif à l'enseignement spécial et intégré. Modifié à partir du 1/9/1992 par le décret du 25/6/1992; à partir du 1/9/1993 par le décret du 28/4/1993. Dans la codification, les mots "inspecteur coordinateur ou un inspecteur de l'enseignement fondamental" sont remplacés par les mots "un inspecteur de l'inspection de l'enseignement", et sans modifications de fond.
[67]Article 7; Article 11 : Loi du 6/7/1970 relatif à l'enseignement spécial et intégré. Modifié à partir du 1/9/1993 par la loi du 28/4/1993. Dans la codification, les mots "Ministre compétent pour l'Education nationale" sont remplacés par les mots "Ministre flamand compétent pour l'enseignement", et sans modifications de fond.
[68]- § 1er - § 2 : Article 156 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/07/2005. La codification n'apporte pas de modifications.
- § 3 : Article 158 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Dans la codification, les renvois aux articles 156 et 157 sont supprimés, dans la version néerlandaise, la notion "wedde" est remplacée par "salaris", et sans modifications de fond.
[69]Article 46bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[70]Article 81bis : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[71]Article 81ter : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[72]Article 81quater : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[73]Article 81quinquies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[74]Article 81sexies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[75]Article 81septies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[76]Article 81octies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[77]Article 81novies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[78]Article 81decies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[79]Article 81undecies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[80]Article 81duodecies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[81]Article 81ter decies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[82]Article 81quater decies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[83]Article 81quinquies decies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[84]Article 81sexies decies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[85]Article 81septies decies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[86]Article 81duodevicies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[87]Article 81undevicies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[88]Article 81vicies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[89]Article 81vicies semel : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[90]Article 81vicies bis : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[91]Article 81vicies ter : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[92]Article 81vicies quater : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[93]Article 81vicies quinquies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/4/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[94]Article 159 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[95]Article 52sexies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/04/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[96]Article 52septies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[97]Article 52octies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[98]Article 24quinquies : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[99]Article 3, § 9 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 25/10/1981 par le décret du 31/7/1990. Dans la codification, le membre de phrase "plan de rationalisation et de programmation conformément à l'article 13" est remplacé par "les normes réglementaires de programmation et de rationalisation", et sans modifications de fond.
[100]- Article 24quater : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, le renvoi à l'article 24bis est adapté, et sans modifications de fond.
- Article 6quater, troisième alinéa : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, l'article 6quater, troisième alinéa, n'est plus repris séparément, parce que la disposition est reprise à l'article 24quater, § 2, (article 101 codification), et sans modifications de fond.
[101]Article 192 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Dans la codification, la notion "wedde" est remplacée par "salaris" dans la version néerlandaise, et la notion "moyens de fonctionnement" par "budget de fonctionnement", et sans modifications de fond.
[102]Article 35 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/9/1992 par le décret du 25/06/1992. Dans la codification, la notion "arrêté royal" est remplacée par "arrêté du Gouvernement flamand", la notion "allocation de fonctionnement" par "budget de fonctionnement", et sans modifications de fond.
[103]Article 198 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1991 par le décret du 9/4/1992; à partir du 1/9/1993 par le décret du 28/04/1993; à partir du 1/9/2001 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14/12/2001; à partir du 1/9/1998 par le décret du 14/7/1998; à partir du 1/9/2001 par le décret du 13/7/2001. Dans la codification, la notion "wedden" est remplacée par "salarissen" dans la version néerlandaise, la notion "moyens de fonctionnement" par "budget de fonctionnement", le § 2 n'est pas repris en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[104]Article 199 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 01/06/1991 par le décret du 27/03/1991. Dans la codification, la dernière phrase du deuxième alinéa de l'article 199 original n'est pas reprise en raison du caractère temporaire, et sans modifications au niveau du contenu.
[105]Article 71, § 2 : Décret du 8/7/1996 relatif à l'enseignement VII. Dans la codification, les notions "subventions ou moyens de fonctionnement" sont remplacées par la notion "budget de fonctionnement", et sans modifications de fond.
[106]Article 74quinquies 2 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/06/2007. La codification n'apporte pas de modifications.
[107]Article 7, §§ 2 et 3 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/07/1990; à partir du 1/9/1991 par le décret du 23/10/1991; à partir du 28/5/1993 par le décret du 28/4/1993; à partir du 1/9/2001 par le décret du 13/07/2001. Dans la codification, les dispositions en matière d'enseignement fondamental, de promotion sociale et d'enseignement artistique à temps partiel ne sont pas reprises, le renvoi à l'article 32 est supprimé, la notion "budget de fonctionnement" est utilisée, la notion "ARGO" est remplacée par "Enseignement communautaire", et sans modifications de fond.
[108]Article 52novies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, le renvoi à l'article 52octies est adapté, la notion "moyens de fonctionnement" est remplacée par "budget de fonctionnement", et sans modifications de fond.
[109]Article 4, alinéas premier et deux : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 30/8/1973 par la loi du 11/7/1973; modifié à partir du 1/1/1987 par l'arrêté royal n° 468 du 9/10/1986; à partir du 1/9/2003 par le décret du 14/2/2003. Dans la codification, seuls les alinéas premier et deux sont repris, les autres alinéas restent maintenus dans la loi originale, et sans modifications de fond.
[110]Article 74octies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; modifié à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008; à partir du 1/9/2009 par les décrets des 20/3/2009 et 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[111]Article 74novies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; modifié à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[112]Article 74decies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[113]Article 74undecies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[114]- Article 84quater, 1° : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 01/10/1991 par le décret du 12/06/1991; modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, le point 2° de l'article 84quater original est repris à l'article 254, § 2, et sans modifications de fond.
- Article 48, 2°, dernière phrase : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
Les conditions d'admission sont reprises à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19/7/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein.
[115]Article 74bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; modifié à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. Dans la codification, la définition "personnes intéressées" est reprise à l'article 3, la définition "Commission consultative de l'enseignement spécial" ('Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs' - CABO) est reprise à l'article 67, et sans modifications de fond.
[116]Article 74ter : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005. Dans la codification, "Service présentant des besoins en matière d'enseignement" est remplacé par "service de neuropsychiatrie destinés aux enfants qui reçoivent une enveloppe subventionnelle du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation", et sans modifications de fond.
[117]Article 74quater : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005; modifié à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[118]Article 74quinquies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005. La codification n'apporte pas de modifications.
[119]Article 74quinquies /1 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2005 par le décret du 7/7/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[120]Article 74sexies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005. Dans la codification, les mots "de l'enseignement secondaire" sont supprimés, et sans modifications de fond.
[121]Article 74septies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005. Dans la codification, les mots "de l'enseignement secondaire" sont supprimés, et sans modifications de fond.
[122]Article 71, §§ 1er et 2, alinéa 1er : Décret du 8/7/1996 relatif à l'enseignement VIII. Dans la codification, la notion "étudiants" est remplacée par "apprenants", et sans modifications de fond.
[123]Article 49 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1996 par le décret du 19/4/1995; à partir du 1/1/1996 par le décret du 15/7/1997; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[124]Article 50 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1994 par le décret du 21/12/1994; à partir du 1/9/1996 par le décret du 19/4/1995; à partir du 1/1/1996 par le décret du 15/7/1997; à partir du 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[125]Article 4 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2003 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[126]Article 5 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2003 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[127]Article 6 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2002 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[128]Article 7 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 16/5/2007; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[129]Article 52bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[130]Article 51 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1996 par le décret du 19/4/1995; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[131]Article 52ter : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[132]Article 8 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2005 par le décret du 9/12/2005; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[133]Article 52 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[134]Article 52quater, § 1er, alinéas 1er, 2, 4, § 2 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[135]Article 52quinquies /1 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[136]Article 52quinquies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[137]Article 2, alinéa 1er : Décret du 18/1/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, le texte portant sur l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la partie IV, le texte portant sur l'enseignement secondaire spécial est repris à la partie V, et sans modifications de fond.
[138]Article 3 : Décret du 18/1/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir du 26/07/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, le texte portant sur l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la partie IV, le texte portant sur l'enseignement secondaire spécial est repris à la partie V, le deuxième alinéa est repris au décret du 10/7/2008, et sans modifications de fond.
[139]Article 4 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Inséré à partir du 1/9/2010 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, le renvoi au décret du 31/7/1990 est adapté, et sans modifications de fond.
[140]Article 5, §§ 1er et 2 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir du 1/9/2010 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, le texte portant sur l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la partie IV, le texte portant sur l'enseignement secondaire spécial (§ 3) est repris à la partie V, le renvoi au décret du 31/7/1970 est adapté, et sans modifications de fond.
[141]Article 6 : Décret du 18/1/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Inséré à partir du 26/07/2009 par le décret du 30/04/2009. Dans la codification, le renvoi au décret du 31/7/1990 est supprimé, et sans modifications de fond.
[142]Article 7 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir du 26/7/2009 par le décret du 30/04/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[143]Article 7bis : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Inséré à partir du 26/7/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[144]Article 7ter : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Inséré à partir du 26/7/2009 par le décret du 30/4/2009; modifié à partir d'une date à fixer par le Gouvernement flamand par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[145]Article 8, § 1er, §§ 3 à 5 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir d'une date à fixer par le Gouvernement flamand par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, le texte portant sur l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la partie IV, le texte portant sur l'enseignement secondaire spécial (§ 2) est repris à la partie V, et sans modifications de fond.
[146]Article 9 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir du 26/7/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, le texte portant sur l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la partie IV, le texte portant sur l'enseignement secondaire spécial est repris à la partie V, et sans modifications de fond.
[147]Article 1er : Arrêté royal n° 2 du 21/8/1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire à temps plein; Modifié à partir du 1/9/1982 par l'arrêté royal n° 79 du 21/7/1982; à partir du 1/9/1996 par le décret du 19/4/1995. Le terme "financé et subventionné" est inséré dans la codification, et sans modifications de fond.
[148]Article 2 : Arrêté royal n° 2 du 21/8/1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire à temps plein. Modifié à partir du 1/9/1996 par le décret du 19/4/1995; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[149]Article 46, § 2, phrase deux : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/1996 par le décret du 8/7/1996; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[150]Article 5 : Arrêté royal n° 2 du 21/8/1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire à temps plein. La codification n'apporte pas de modifications.
[151]Article 55bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/1989 par le décret du 13/7/2001. Dans la codification, le renvoi aux articles 53-55 est remplacé par le membre de phrase "dispositions en matière d'horaire minimum", et sans modifications de fond.
[152]Article 53 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/09/1994 par le décret du 21/12/1994; à partir du 1/9/2010 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[153]Article 54 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/2010 et du 1/9/2011 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[154]Article 54bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[155]Article 55, §§ 1er à 3, § 8 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir des 1/9/2010, 1/9/2011, 1/9/2012, 1/9/2013 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, les dispositions relatives au deuxième degré sont reprises dans un article distinct, de sorte que le § 8 de l'article 55 original est repris ici comme § 4, et sans modifications de fond.
[156]Article 55, §§ 4 à 8 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir des 1/9/2012, 1/9/2013, 1/9/2014, 1/9/2015 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, la numérotation des paragraphes est adaptée, au § 4, le renvoi à l'article 50 est remplacé par le membre de phrase "troisième année du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel", et sans modifications de fond.
[157]Article 74duodecies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[158]Article 74ter decies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009 et par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[159]Article 74quater decies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[160]Article 74quinquies decies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[161]Article 74sexies decies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[162]Article 74sexies decies bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/04/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[163]Article 74septies decies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[164]Article 74duodevicies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[165]Article 74undevicies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, le deuxième alinéa du § 1er n'est pas inséré en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[166]Article 74vicies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[167]Article 74vicies semel : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, le terme "inspection de l'enseignement" est utilisé, et sans modifications de fond.
[168]Article 3, § 8, alinéas 1er et2 : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/7/1990; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, l'enseignement de promotion sociale n'est pas repris, les alinéas 6 et 7 relatifs aux Ecoles belges en Allemagne et l'enseignement secondaire professionnel complémentaire ne sont pas repris en raison du caractère temporaire, le membre de phrase "un plan de rationalisation et de programmation, prévu à l'article 13" est remplacé par "les normes réglementaires de rationalisation et de programmation", "personnel administratif et personnel auxiliaire d'éducation" est remplacé par "personnel d'appui", et sans modifications de fond.
[169]Article 7bis : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, le renvoi à un "plan de programmation et de rationalisation" est remplacé par les "dispositions réglementaires en matière de programmation ou de rationalisation", "moyens de fonctionnement" par "budget de fonctionnement", et sans modifications de fond.
[170]Article 3, § 8, alinéas trois et quatre : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/7/1990; modifié à partir du 1/9/1990 par le décret du 25/6/1992. Dans la codification, la notion "régime d'allocations" est remplacée par "financement ou subventionnement", et sans modifications de fond.
[171]Article 3, § 8, alinéas cinq et neuf : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/1990 par le décret du 31/7/1990; modifié à partir du 1/9/1990 par le décret du 25/6/1992; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, le membre de phrase "plan de rationalisation et de programmation, prévu à l'article 13" est remplacé par "normes réglementaires de rationalisation", et sans modifications de fond.
[172]Article 3, § 8, 2° : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 1/9/1992 par le décret du 25/6/1992; à partir du 1/9/1997 par le décret du 15/7/1997. Dans la codification, la première phrase est ajoutée, et sans modifications de fond.
[173]- §1er : Article 9 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 18/12/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
- § 2 : Article 75 : Décret du 21/12/1994 relatif à l'enseignement VI. Dans la codification, le renvoi à l'article 13 de la loi du 29/5/1959 est supprimé, et sans modifications de fond.
[174]Article 25 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/5/1999; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, la numérotation en paragraphes et les renvois à des articles sont adaptés, et sans modifications de fond.
[175]Article 26 : Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[176]Article 27 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[177]Article 28 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[178]Article 29 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 7/7/2010. Dans la codification, le renvoi à l'article 23 est supprimé parce qu'il s'agit d'une mesure temporaire, et sans modifications de fond.
[179]Article 31 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/5/1999; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, la numérotation des paragraphes est adaptée, et sans modifications de fond.
[180]Article 32 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[181]Article 33 : Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, la numérotation est adaptée, et sans modifications de fond.
[182]Article 34 : Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006. Dans la codification, la numérotation au § 1er est adaptée, et sans modifications de fond.
[183]Article 35 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[184]Article 36 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[185]Article 38 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[186]Article 40 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[187]Article 41 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Dans la codification, le renvoi à l'article 5 supprimé est remplacé par "spécifique", et sans modifications de fond.
[188]Article 47, alinéa deux : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[189]Article 47, alinéa 1er; Article 48 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[190]Article 49 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[191]Article 50 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[192]Article 51 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[193]Article 52 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[194]Article 53 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/1998 par le décret du 18/5/1999; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[195]Article 54 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[196]Article 54bis : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/1999 par le décret du 18/5/1999. La codification n'apporte pas de modifications.
[197]Article 55 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[198]Article 56bis : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2000 par le décret du 20/10/2000. La codification n'apporte pas de modifications.
[199]Article 56 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Dans la codification, le renvoi à l'article 24, § 2, 8°, est supprimé, parce que la disposition est abrogée, et sans modifications de fond.
[200]- § 1, § 2 : Article 58bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/1994 par le décret du 21/12/1994; modifié à partir du 1/9/1997 par le décret du 15/7/1997; à partir du 1/9/1998 par le décret du 14/7/1998; à partir du 15/5/2002 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 10/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, au § 1er, le renvoi à l'article 56 est remplacé par les mots "après fusion", au point 3°, la deuxième phrase est supprimée en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
- § 3 : Article 56, 3° : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/1994 par le décret du 21/12/1994; modifié à partir du 1/9/2010 par le décret du 18/12/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[201]- § 1, - § 2 : Article 61 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Dans la codification, le renvoi à l'article 58bis est adapté, et sans modifications de fond.
- § 3 : Article 58, alinéa deux : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2010 par le décret du 18/12/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[202]Article 42; Article 168, 4° : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2010 par le décret du 18/12/2009; à partir du 1/9/2011 uniquement pour la date du 30 novembre, par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[203]Article 43 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[204]Article 44 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. Dans la codification, les dispositions de l'article original 44 relatif à des années scolaires précédentes, figurant au § er, 2°, a) et au § 1er, 5°, a), ne sont pas reprises en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[205]Article 45 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Dans la codification, le § 4 de l'article 44 n'est pas repris, parce que l'article 3, § 3 de la loi du 29/5/1959 est déjà abrogé et qu'il s'agit donc d'une mesure temporaire, la notion "budget de fonctionnement" est inscrite, et sans modifications de fond.
[206]Article 83 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[207]Article 104 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. La codification n'apporte pas de modifications.
[208]- § 1er : Article 57, § 1er : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1996 par le décret du 19/4/1995; à partir du 1/9/1990 par le décret du 8/7/1996; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. Dans la codification, au § 1er, le renvoi à l'article 56 est supprimé, le renvoi aux écoles des Forces armées belges n'est pas repris en raison du caractère temporaire, le renvoi à l'article 52 sexies est remplacé par le texte de l'article concerné, et sans modifications de fond.
- § 2 : Article 59 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1990 par le décret du 21/12/1994; à partir du 1/9/1990 par le décret du 8/7/1996; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, le renvoi à l'article 58 est supprimé, le renvoi aux articles 56 et 57 est remplacé par "nombre de périodes-professeur hebdomadaires", et sans modifications de fond.
[209]Article 59quater : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006. Dans la codification, le renvoi à l'article 59 est remplacé par "du mode de calcul et du pourcentage d'utilisation", le renvoi à l'article 57 est remplacé par "nombre de périodes-professeur hebdomadaires", et sans modifications de fond.
[210]Article 57, § 3 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 13/7/2001; modifié à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007; à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009; à partir du 1/9/2010 par le décret du 9/7/2010. Dans la codification est inséré une répartition en paragraphes, le renvoi au paragraphe 1er est remplacé par un renvoi à un article, le renvoi à l'article 48 est supprimé, et sans modifications de fond.
[211]Article 57, § 3bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/1999 par le décret du 13/7/2001. Dans la codification, le renvoi au paragraphe 3 est supprimé, et sans modifications de fond.
[212]Article 57, § 3ter : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003. Dans la codification, le renvoi au paragraphe 3 est supprimé et le renvoi à l'article 56 est remplacé par "nombre de périodes-professeur hebdomadaires qui sont accordées à chaque école", et sans modifications de fond.
[213]Article 57, § 4 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/1999 par le décret du 8/7/1996. Modifié à partir du 1/9/1999 par le décret du 13/7/2001. Dans la codification, le renvoi au paragraphe 3 est supprimé, et sans modifications de fond.
[214]Article 57ter : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003. Dans la codification, le renvoi aux articles 57 et 57bis est respectivement remplacé par "le nombre de périodes-professeur hebdomadaires attribuées à chaque école" et par "visées par les dispositions relatives aux heures de plage", et sans modifications de fond.
[215]Article 57bis : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2001 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2005 par le décret du 15/7/2005. Dans la codification, le renvoi à l'article 57 est remplacé par "le nombre de périodes-professeur hebdomadaires attribuées à chaque école", le renvoi aux articles 71-74 est remplacé par "des dispositions relatives à l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel", il est ajouté une répartition en paragraphes, les points a) à c) du § 1er, alinéa deux, et le point a) du § 1er, alinéa trois, ainsi que la description d'un scénario ne sont pas repris en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[216]Article 99sexies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/1/2007 par le décret du 22/6/2007. La codification n'apporte pas de modifications.
[217]Article 99septies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/1/2007 par le décret du 22/6/2007. Dans la codification, le renvoi à des articles est remplacé par le membre de phrase "visée dans la présente sous-section", et sans modifications de fond.
[218]Article 99septies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/1/2007 par le décret du 22/6/2007. Dans la codification, le renvoi à des articles est remplacé par le membre de phrase "visée dans la présente sous-section", et sans modifications de fond.
[219]Article 99novies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/1/2007 par le décret du 22/6/2007. La codification n'apporte pas de modifications.
[220]Article 99decies : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental. Inséré à partir du 1/9/2007 par le décret du 22/6/2007. La codification n'apporte pas de modifications.
[221]Article 52quater, § 1er, alinéa trois : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 1/9/2002 par le décret du 14/2/2003; modifié à partir du 1/9/2009 par le décret du 30/4/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[222]Article 157 : Décret du 18/5/19999 relatif à l'enseignement XI. La codification n'apporte pas de modifications.
[223]Article VI.1 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Dans la codification, les dispositions relatives à l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[224]Article VI.2 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008; à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. Dans la codification, il est renvoyé, au § 1er, 2°, à la nouvelle réglementation en matière d'assistance spéciale à la jeunesse, et sans modifications de fond.
[225]Article VI.3 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 1/9/2005 par le décret du 7/7/2006, à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, le renvoi à des articles est adapté, et sans modifications de fond.
[226]Article VI.4 : Décret du 28/6/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, le renvoi à des articles est adapté, et sans modifications de fond.
[227]Article VI.5 : Décret du 28/6/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[228]Article VI.6 : Décret du 28/6/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Dans la codification, le renvoi à l'article VI.21 accompagnement supplémentaire est supprimé en raison du caractère temporaire, le renvoi à un article est adapté, et sans modifications de fond.
[229]Article VI.7 : Décret du 28/6/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. La codification n'apporte pas de modifications.
[230]Article VI.8 : Décret du 28/6/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 1/9/2008 par le décret du 4/7/2008. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, le renvoi à des articles est adapté, et sans modifications de fond.
[231]Article VI.10 : Décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. La codification n'apporte pas de modifications.
[232]Article VI.11 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. Dans la codification, il est fait référence dans le § 1er, 2°, à la nouvelle réglementation relative à l'assistance spéciale à la jeunesse, et sans modifications de fond.
[233]Article VI.12 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. Dans la codification, la référence aux articles est adaptée et sans modifications de fond.
[234]Article VI.13 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. Dans la codification, la référence aux articles est adaptée et sans modifications de fond.
[235]Article VI.14 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006, à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[236]Article VI.15 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[237]Article VI.16 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Dans la codification, la référence à l'article VI.21 - Encadrement supplémentaire, est supprimée à cause de son caractère temporaire, la référence aux articles est adaptée et sans modifications de fond.
[238]Article VI.17 : Décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. La codification n'apporte pas de modifications.
[239]Article VI.18 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Modifié à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. Dans la codification, la référence aux articles est adaptée et sans modifications de fond.
[240]Article VI.19bis : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. Dans la codification, la référence aux articles est adaptée et sans modifications de fond.
[241]Article 5, § 1er, § 2 et § 3 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Dans la codification (§ 2, 2°), référence est faite à la nouvelle législation relative à l'assistance spéciale à la jeunesse, et sans modifications de fond.
[242]Article 6 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Modifié à partir du 01/01/2009 par le décret du 19/12/2008; à partir du 01/01/2010 par le décret du 18/12/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[243]Article 7 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Modifié à partir du 01/01/2010 par le décret du 18/12/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[244]Article 8 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Modifié à partir du 01/09/2009 par le décret du 30/04/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[245]Article 9 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[246]Article 10 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[247]Article 11 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[248]Article 12 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Modifié à partir du 01/09/2008 par le décret du 21/11/2008; à partir du 01/01/2009 par le décret du 19/12/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[249]Article 5, § 4 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[250]Article 21 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[251]Article 48, 2° : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[252]Article 3, § 8, 5° : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 01/09/2001 par le décret du 13/07/2001; modifié à partir du 01/09/2002 par le décret du 14/02/2003.
Dans la codification, la référence à l'article X.1, 2° du décret du 14/02/2003 est remplacée par la phrase "un service de neuropsychiatrie pour enfants qui reçoit une enveloppe de subventions du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation", et sans modifications de fond.
[253]Article 6quater, alinéas premier, deux et six : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 01/09/1991 par le décret du 17/07/1991; modifié à partir du 01/09/1996 par le décret du 24/07/1996; à partir du 01/09/1997 par le décret du 15/07/1997; à partir du 01/09/2002 par le décret du 18/01/2002; à partir du 01/09/2002 par le décret du 28/06/2002; à partir du 01/09/2003 par le décret du 14/02/2003; à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006; à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, les dispositions relatives à l'enseignement de promotion sociale et l'enseignement artistique à temps partiel ne sont pas reprises, la référence à l'article 24ter est remplacée par "conditions de financement et de subventionnement", et sans modifications de fond.
[254]Article 84quinquies : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 12/06/1991 par le décret du 01/10/1991. Dans la codification, la référence à l'article 84quater est remplacée par "de la Communauté flamande", le régime transitoire pour le corps enseignant n'est pas repris en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[255]- § 1 : Article 84bis, § 1er : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 01/10/1991 par le décret du 12/06/1991; modifié à partir du 01/09/1996 par le décret du 19/04/1995; à partir du 01/01/1996 par le décret du 15/07/1997; à partir du 01/09/2001 par le décret du 20/10/2000; à partir du 01/06/2002 par le décret du 19/07/2002; à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008 et par le décret du 10/07/2008; à partir du 01/09/2009 par le décret du 30/04/2009 et par le décret du 09/07/2010. Dans la codification, le § 2 n'est pas repris en raison de son caractère temporaire, il est ajouté une numérotation, la notion "organisé" est remplacé par "financé", et sans modifications de fond.
- § 2 et § 3 : Article 84ter : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 01/10/1991 par le décret du 12/06/1991; modifié à partir du 01/09/1999 par le décret du 20/10/2000. Dans la codification, la référence à l'article 84bis dans le § 2 est supprimée, le syntagme "l'entrée en vigueur de la loi du 31 juillet 1975" est remplacé par la date "1er septembre 1975", sans modifications de fond.
[256]Article 1, § 1 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Modifié à partir du 01/10/1986 par la loi du 11/03/1986. Dans la codification, la phrase initiale est adaptée, la référence à l'article 5 est remplacée par "instances déterminées par le Gouvernement flamand", le mot "handicapés" est remplacé par "personnes handicapées", sans modifications de fond.
[257]Article 1, § 2 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Modifié à partir du 01/10/1986 par la loi du 11/03/1986. Dans la codification, le mot "handicapés" est remplacé par "personnes handicapées", et sans modifications de fond.
[258]Article 3 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Modifié à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[259]Article 3bis, § 1, § 3 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[260]Article 2 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Dans la codification, le texte pour l'enseignement secondaire spécial est repris ici, le texte pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la Partie IV, et sans modifications de fond.
[261]Article 3 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir du 26/07/2009 par le décret du 30/04/2009. Dans la codification, le texte pour l'enseignement secondaire spécial est repris ici, le texte pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la Partie IV, et sans modifications de fond.
[262]Article 5, § 3 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir du 26/07/2009 par le décret du 30/04/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[263]Article 7bis : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Inséré à partir du 26/07/2009 par le décret du 30/04/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[264]Article 7ter : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Inséré à partir du 26/07/2009 par le décret du 30/04/2009; modifié à une date à déterminer par le Gouvernement flamand par le décret du 09/07/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[265]Article 8, § 1- § 4 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à une date à déterminer par le Gouvernement flamand par le décret du 30/04/2009. Dans la codification, le texte pour l'enseignement secondaire spécial est repris ici, le texte pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la Partie IV, et sans modifications de fond.
[266]Article 9 : Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein. Modifié à partir du 01/09/2009 par le décret du 30/04/2009; à partir du 01/09/2010 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, le texte pour l'enseignement secondaire spécial est repris ici, le texte pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein est repris à la Partie IV, et sans modifications de fond.
[267]Article 2 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1992 par le décret du 28/04/1993; à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. Dans la codification, les dispositions relatives à l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[268]Article 3 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. La codification n'apporte pas de modifications.
[269]Article 6 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. La codification n'apporte pas de modifications.
[270]Article 7 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/2001 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27/04/2001. La codification n'apporte pas de modifications.
[271]Article 8 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. La codification n'apporte pas de modifications.
[272]Article 9 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. La codification n'apporte pas de modifications.
[273]Article 4 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Dans la codification, "créé" est remplacé par "financé", et sans modifications de fond.
[274]Article 5 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Dans la codification, la notion "Roi" est remplacé par "Gouvernement flamand", la deuxième partie du § 2 et du § 3 n'est pas reprise en raison de son caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[275]Article 22 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. La codification n'apporte pas de modifications.
[276]Article 23 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Dans la codification, les mots "organisées et admises aux subventions" sont remplacés par "financées et subventionnées" sans modifications de fond.
[277]Article 24 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. La codification n'apporte pas de modifications.
[278]Article 25, § 2 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1992 par le décret du 28/04/1993; à partir du 01/09/2001 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27/04/2001. Dans la codification, le § 1er de l'article 25 original n'est pas repris en raison de son caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[279]Article 26 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1993 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22/12/1993; à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. Dans la codification, le § 5 la notion "section" est supprimée en raison de son caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[280]Article 27 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du 06/12/2002. Dans la codification, la notion "section" et le § 4 sont supprimés en raison du caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[281]Article 28 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. Dans la codification, la notion "section" est supprimée en raison de son caractère temporaire, la notion "en surnombre" est remplacé par "ne pas admissible au financement ou au subventionnement", et sans modifications de fond.
[282]Article 29 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1992 par le décret du 28/04/1993. La codification n'apporte pas de modifications.
[283]Article 30 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. La codification n'apporte pas de modifications.
[284]Article 31 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. La notion "section" est supprimée en raison de son caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[285]l'enseignement spécial. Modifié à partir du 25/08/1989 par le décret du 05/07/1989. Dans la codification, le syntagme "et l'école remplit les conditions visées à l'article 13 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement" est supprimé, il est ajouté une numérotation, les notions "créée ou admise aux subventions" sont remplacées par "financée et subventionnée", et sans modifications de fond.
[286]Article 33 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. Dans la codification, les mots "organisées et admises aux subventions" sont remplacés par "financées et subventionnées", et sans modifications de fond.
[287]Article 34 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Dans la codification, les notions "financement et subventionnement" sont insérées, les syntagmes "le Royaume ou" et "créée ou admise aux subventions en application de l'article 18, § 2, 1°, de la présente section" sont supprimés, et sans modifications de fond.
[288]Article 35 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1992 par le décret du 28/04/1993; à partir du 01/09/2001 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27/04/2001; à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. Dans la codification, les syntagmes "création et admission aux subventions" sont remplacés par "financement ou subventionnement", au § 2 la date du 01/09/1986 est reprise, et sans modifications de fond.
[289]Article 35/1 : Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial. Inséré à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009; modifié à partir du 01/09/2009 par le décret du 09/07/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[290]Article 4, alinéa 1er : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Modifié à partir du 01/09/1991 par le décret du 09/04/1992; à partir du 01/09/1992 par le décret du 25/06/1992; à partir du 01/09/1992 par le décret du 28/04/1993; à partir du 01/09/1998 par le décret du 14/07/1998; à partir du 01/09/2001 par le décret du 13/07/2001. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises parce qu'elles sont explicitement supprimées, ainsi l'âge de "22 ans" est remplacé implicitement par "13 ans", la notion "handicapés" est remplacée par "personnes handicapées", la phrase "A titre d'exception, des élèves à partir de l'âge de 12 ans peuvent également être admis, tel que fixé à l'article 292" est ajouté, et sans modifications de fond.
Les conditions spécifiques d'admission à l'enseignement spécial sont reprises dans l'arrêté royal du 28/06/1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial et dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3.
[291]Article 5, § 3 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[292]Article 4, alinéas deux, trois : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Modifié à partir du 01/09/1991 par le décret du 09/04/1992; à partir du 01/09/1992 par le décret du 25/06/1992; à partir du 01/09/1992 par le décret du 28/04/1993;à partir du 01/09/1998 par le décret du 14/07/1998; à partir du 01/09/2001 par le décret du 13/07/2001. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises parce qu'elles sont déjà supprimées, une répartition en paragraphes et points est insérée, la notion "handicapé" est remplacée par "personne handicapée", et sans modifications de fond.
[293]Article 5, §§ 1 et 2 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Modifié à partir du 01/09/2001 par le décret du 13/07/2001; à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. Dans la codification, les phrases existantes sont réarrangées, et sans modifications de fond.
[294]Article 3, § 8, 5° : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Inséré à partir du 01/09/2001 par le décret du 13/07/2001; modifié à partir du 01/09/2002 par le décret du 14/02/2003. Dans la codification, la référence à l'article X.1, 2° du décret du 14/02/2003 est remplacée par "un service de neuropsychiatrie pour enfants qui reçoit une enveloppe de subventions du Ministère flamand de l'Enseignement", les dispositions sont reprises ici pour l'enseignement spécial, et sans modifications de fond.
[295]Article 84 : Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 01/09/2005 par le décret du 15/07/2005; à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[296]Article 1 : Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1986 par l'Arrêté royal n° 463 du 25/09/1986; à partir du 01/09/1987 par la loi du 01/08/1988; à partir du 01/09/1990 par le décret du 31/07/1990; à partir du 01/09/1991 par le décret du 09/04/1992; à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, la référence à l'article 17 n'est pas reprise parce que l'article est abrogé, le § 2 de l'article 1er original n'est pas repris, le syntagme "organisées par des établissements de l'Etat" est remplacé par "financées", et sans modifications de fond.
[297]Article 2, § 1, § 2, § 3 : Arrêté royal n°65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1991 par le décret du 09/04/1992; à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, les références aux articles sont adaptées, le syntagme "organisées par des établissements de l'Etat" est remplacé par "financées", les dispositions relatives à l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[298]Article 3, § 1 : Arrêté royal n°65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1990 par le décret du 31/07/1990; à partir du 01/09/1991 par le décret du 09/04/1992; à partir du 01/09/1982 par le décret du 28/04/1993; à partir du 01/09/1993 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 07/12/1994; à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, le syntagme "la création ou l'admission aux subventions" est remplacé par "le financement ou le subventionnement", et sans modifications de fond.
[299]Article 4 : Arrêté royal n°65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1990 par le décret du 31/07/1990; à partir du 01/09/1993 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 07/12/1994. Dans la codification, le mot "organisé" est remplacé par "financé", et sans modifications de fond.
[300]Article 22 : Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. La codification n'apporte pas de modifications.
[301]Article 23 : Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. La codification n'apporte pas de modifications.
[302]Article 6 : Arrêté royal n°65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1991 par le décret du 09/04/1992; à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. La codification n'apporte pas de modifications.
[303]Article 5, § 1- § 3, § 7 : Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1986 par l'Arrêté royal n° 463 du 25/09/1986; à partir du 25/08/1989 par le décret du 05/07/1989; à partir du 1/9/1991 par le décret du 09/04/1992; à partir du 01/09/1982 par le décret du 28/04/1993; à partir du 01/01/1998 par le décret du 14/07/1998; à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, les §§ 5 et 6 ne sont pas repris en raison de leur caractère temporaire, la numérotation en paragraphes est adaptée, et sans modifications de fond.
[304]Article 2, §§ 5 et 6 : Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002; à partir du 01/09/2007 par le décret du 22/06/2007; à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, la notion "Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) est introduite, la numérotation en paragraphes est modifiée, et sans modifications de fond.
[305]Article 21, § 2, alinéa 3; Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1999 par le décret du 13/07/2001. Dans la codification, la référence à l'article 3 est adaptée, et sans modifications de fond.
[306]- § 1, § 2 : Article 21, § 1er et § 2, alinéas 1er et 2 : Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1997 par le décret du 14/07/1998. La codification n'apporte pas de modifications. La codification n'apporte pas de modifications.
- § 3 : Article 3, § 2 : Arrêté royal n° 297 du 31/03/1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres d'encadrement des élèves. Modifié à partir du 01/09/1984 par le décret du 28/04/1993.
[307]Article 24 : Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial. Modifié à partir du 01/09/1990 par le décret du 31/07/1990; à partir du 01/09/1990 par le décret du 28/04/1993; à partir du 01/09/1993 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 07/12/1994. Dans la codification, le syntagme "la création ou l'admission aux subventions" est remplacé par "l'admission au financement ou au subventionnement", et sans modifications de fond.
[308]Article 1 : "Arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial. Modifié à partir du 01/09/1986 par l'Arrêté royal n° 463 du 25/09/1986; à partir du 01/09/1987 par la loi du 01/08/1988; à partir du 01/09/1990 par le décret du 31/07/1990; à partir du 01/09/1993 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 07/12/1994; à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. Dans la codification, le § 3 n'est pas repris, le syntagme "la création ou l'admission aux subventions" est remplacé par "l'admission au financement ou au subventionnement", et sans modifications de fond.
[309]Article 2 : "Arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial. Dans la codification, le point a) est actualisé quant à la terminologie, et sans modifications de fond.
[310]Article 3, §§ 1 et 2 : "Arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial. Modifié à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. La codification n'apporte pas de modifications.
[311]Article 6, § 1- § 3, § 6 : "Arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial. Modifié à partir du 01/09/1986 par l'Arrêté royal n° 463 du 25/09/1986; à partir du 25/08/1989 par le décret du 05/07/1989; à partir du 01/09/1982 par le décret du 28/04/1993; à partir du 01/01/1998 par le décret du 14/07/1998, à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, la date d'entrée en vigueur dans le § 1er n'est pas reprise, les §§ 4 et 5 ne sont pas repris en raison de leur caractère temporaire, une nouvelle numérotation en paragraphes est introduite, et sans modifications de fond.
[312]Article 3, §§ 4 et 6 : "Arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial. Modifié à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002; à partir du 01/09/2007 par le décret du 22/06/2007. Dans la codification, l''Agentschap voor Onderwijsdiensten' est inséré, il y a une adaptation de la numérotation en paragraphes, il n'y a pas de modifications de fond.
[313]Article 3, § 3 : "Arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial. Modifié à partir du 01/09/1999 par le décret du 13/07/2001; à partir du 01/09/2002 par l'arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002. Dans la codification, la référence à l'arrêté royal n°65 est supprimée, et sans modifications de fond.
[314]Article 57bis, § 2 : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Inséré à partir du 01/09/2005 par le décret du 15/07/2005. Dans la codification la réglementation sur les heures de plage est reprise pour l'enseignement spécial, et sans modifications de fond.
[315]Article VI.22 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Inséré à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[316]Article VI.23 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Inséré à partir du 1/9/2009 par le décret du 8/5/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[317]Article VI.24 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Inséré à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, la référence aux articles est adaptée et sans modifications de fond.
[318]Article VI.25 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Inséré à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009; modifié à partir du 01/09/2009 par le décret du 09/07/2010. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, la référence aux articles est adaptée, et sans modifications de fond.
[319]Article VI.26 Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Inséré à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, et sans modifications de fond.
[320]Article VI.27 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Inséré à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, la référence aux articles est adaptée, et sans modifications de fond.
[321]Article VI.28 : Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I. Inséré à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. Dans la codification, les dispositions pour l'enseignement fondamental ne sont pas reprises, la référence aux articles est adaptée et sans modifications de fond.
[322]Article 5, § 1, 2° : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Dans la codification, la disposition sur les caractéristiques de l'école pour l'enseignement spécial est reprise ici, et sans modifications de fond.
[323]Article 13 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Modifié à partir du 01/01/2009 par le décret du 19/12/2008; à partir du 01/01/2010 par le décret du 18/12/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[324]Article 14 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Modifié à partir du 01/01/2010 par le décret du 18/12/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[325]Article 15 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[326]Article 16 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[327]Article 17 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[328]Article 18 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Modifié à partir du 01/09/2008 par le décret du 21/11/2008; à partir du 01/01/2009 par le décret du 19/12/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[329]Article 19 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. La codification n'apporte pas de modifications.
[330]Article 5, § 4 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Dans la codification, le § 4 est repris ici pour l'enseignement spécial, et sans modifications de fond.
[331]Article 21 : Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement. Dans la codification, l'article 21 pour l'enseignement spécial est repris ici, et sans modifications de fond.
[332]Article 3bis, § 2, § 3 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[333]Article 42 : Décret du 14/07/1998 relatif à l'enseignement B IX. La codification n'apporte pas de modifications.
[334]Article IV.14, alinéa premier, deux : Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII B Mosaïque. Dans la codification, les troisième et quatrième alinéas ne sont pas repris en raison de leur caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[335]Article 5ter : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/1998 par le décret du 13/07/2001; modifié à partir du 1/9/2006 par le décret du 7/7/2006; à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009. La codification n'apporte pas de modifications.
[336]Article 5quater : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/1998 par le décret du 13/07/2001; modifié à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[337]Article 5quinquies : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/1998 par le décret du 13/07/2001; modifié à partir du 01/09/2009 par le décret du 08/05/2009; à partir du 01/09/2009 par le décret du 09/07/2010. La codification n'apporte pas de modifications.
[338]Article 5sexies : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/1998 par le décret du 13/07/2001. La codification n'apporte pas de modifications.
[339]Article 5septies : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/1998 par le décret du 13/07/2001; modifié à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. Dans la codification, le premier alinéa n'est pas repris en raison de son caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[340]Article 20bis : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[341]Article 20ter : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[342]Article 20quater : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[343]Article 20quinquies : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[344]Article 20sexies : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[345]Article 20septies : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[346]Article 20octies : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[347]Article 20novies : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[348]Article 20decies : Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3. Inséré à partir du 01/09/2008 par le décret du 04/07/2008. La codification n'apporte pas de modifications.
[349]Article 47, 4° : Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II. Modifié à partir du 01/09/2001 par le décret du 13/07/2001; à partir du 01/09/2002 par le décret du 14/02/2003; à partir du 01/09/2009 par le décret du 30/04/2009.
- Article 3 : Décret du 14/7/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental. Modifié à partir du 01/09/2009 par le décret du 30/04/2009.
[350]Article 5bis : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/10/1986 par la loi du 11/03/1986; modifié à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006; à partir du 01/09/2010 par le décret du 09/07/2010. Dans la codification, le § 4 n'est pas repris en raison de son caractère temporaire, et sans modifications de fond.
[351]Article 5bis 1 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[352]Article 5bis 2, Article 5bis 3 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[353]Article 5bis 4 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[354]Article 5bis 5 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[355]Article 5bis 6 : Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré. Inséré à partir du 01/09/2006 par le décret du 07/07/2006. La codification n'apporte pas de modifications.
[356]- Article 1er, alinéa 1er : Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement. Modifié à partir du 1/9/1970 par la loi du 6/7/1970. Dans la codification, l'article 1er, deuxième alinéa, relatif aux écoles de musique n'est pas repris.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. [1 , remplacement N1]1
Art. N2. Bijlage II. - Addendum I. - Overzicht artikelen niet opgenomen in de codificatie
  Artikelen die aangelegenheden voor het secundair onderwijs regelen, maar die niet meer actueel zijn of een tijdelijk karakter hebben, worden niet opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs.
  1° Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving :
  artikel 1, tweede lid; artikel 3, § 1, tweede lid, laatste zin; artikel 3, § 4; artikel 3, § 6, b) tweede lid; artikel 3, § 7 en § 7bis ; artikel 3, § 8, 1°, zesde en zevende lid; artikel 3, § 8, 3°en 4°; artikel 4, derde tot en met tiende lid; artikel 6; artikel 6bis ; artikel 12; artikel 13, artikel 13bis, artikel 16 tot en met 19; artikel 21 tot en met 22ter ; artikel 24; artikel 24bis, § 2, tweede lid, tweede deel; artikel 27, § 1, derde, vierde en vijfde lid; artikel 29; artikel 31; artikel 32, § 2 en § 3; artikel 36, § 3; artikel 46; artikel 52.
  2° Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs :
  artikel 2; artikel 4, eerste lid, eerste streepje; artikel 5bis, § 4; artikel 5septies, eerste lid; artikel 12; artikel 13; artikel 20; artikel 27, artikel 28.
  3° koninklijk besluit nr.65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de scholen voor buitengewoon onderwijs : artikel 1, § 2; artikel 5, § 5 en § 6; artikel 29.
  4° koninklijk besluit nr.67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de berekening van de ambten in het buitengewoon onderwijs : artikel 1, § 3; artikel 6, § 4 en § 5; artikel 9.
  5° koninklijk besluit nr.439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs : artikel 1; artikel 2, § 1, 3°, a); artikel 5, § 3; artikel 10 tot en met 17, artikel 27, § 4; artikel 25, § 1; artikel 36 tot en met artikel 39.
  6° Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II : artikel 3ter ; artikel 3quater ; artikel 3quinquies ; artikel 4; artikel 17; artikel 56, 1° en 2°; artikel 57bis, § 1, tweede lid met punt a, b, c en derde lid met punt a; artikel 58bis, § 1, 3°, tweede zin; artikel 84bis, § 2; artikel 84quater, 2°; artikel 84quinquies met de zinsnede " of, tot en met 31 augustus 1994, het lerarenkorps, "; artikel 84sexies ; artikel 84septies ; artikel 74undevicies, § 1, tweede lid; artikel 198, § 2.
  7° Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs : artikel 24, artikel 30; artikel 42, tweede lid; artikel 44, § 1, 2°, punt a); artikel 44, § 1, 5°, punt a); artikel 45 § 4; artikel 46; artikel 52bis ; artikel 58, eerste en derde lid; artikel 60; artikel 69; artikel 82; artikel 85; artikel 86; artikel 93, § 1; artikel 99undecies ; artikel 99duodecies, 2°; artikel 99ter decies, § 1, 1° en § 2, eerste lid; artikel 157.
  8° Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII : artikel IV.14, derde en vierde lid.
  9° Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, artikel 2, tweede lid.
  10° Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I : artikel VI.9; artikel VI.3bis ; artikel VI.19; artikel VI.20; artikel VIII.1 tot en met VIII.6; artikel X.1; artikel X.1bis.
  11° Decreet betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft : artikel 4
Art. N2. Annexe II. - Addenda I. - Aperçu des articles non repris dans la codification
  Des articles régissant des matières de l'enseignement secondaire, qui ne sont plus d'actualité ou qui ont un caractère temporaire, ne sont pas repris dans la codification de l'enseignement secondaire.
  1° Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement :
  l'article 1er, deuxième alinéa; l'article 3, § 1er, deuxième alinéa, dernière phrase; l'article 3, § 4; l'article 3, § 6, b) deuxième alinéa; l'article 3, § 7 et § 7bis ; l'article 3, § 8, 1°, sixième et septième alinéas; l'article 3, § 8, 3° et 4°; l'article 4, troisième au dixième alinéas; l'article 6; l'article 6bis ; l'article 12; l'article 13, l'article 13bis, l'article 16 à 19 inclus; l'article 21 à 22ter inclus; l'article 24; l'article 24bis, § 2, deuxième alinéa, deuxième partie; l'article 27, § 1, troisième, quatrième et cinqième alinéas; l'article 29; l'article 31; l'article 32, § 2 et § 3; l'article 36, § 3; l'article 46; l'article 52.
  2° Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré :
  l'article 2; l'article 4, premier alinéa, premier tiret; l'article 5bis, § 4; l'article 5septies, premier alinéa; l'article 12; l'article 13; l'article 20; l'article 27, l'article 28.
  3° arrêté royal n°65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial : l'article 1er, § 2; l'article 5, § 5 et § 6; l'article 29.
  4° arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical dans les établissements d'enseignement spécial : l'article 1er, § 3; l'article 6, § 4 et § 5; l'article 9.
  5° arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial; l'article 1er; l'article 2, § 1er, 3°, a); l'article 5, § 3; les articles 10 à 17 inclus, l'article 27, § 4; l'article 25, § 1; les articles 36 à 39 inclus.
  6° Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II : l'article 3ter ; l'article 3quater ; l'article 3quinquies ; l'article 4; l'article 17; l'article 56, 1° et 2°; l'article 57bis, § 1er, deuxième alinéa avec points a, b, c et troisième alinéa avec point a; l'article 58bis, § 1er, 3°, deuxième phrase; l'article 84bis, § 2; l'article 84quater, 2°; l'article 84quinquies avec le syntagme " ou, jusqu'au 31 août 1994, du corps des professeurs "; l'article 84sexies ; l'article 84septies ; l'article 74undevicies , § 1, deuxième alinéa; l'article 198, § 2.
  7° Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental : l'article 24, l'article 30; l'article 42, deuxième alinéa; l'article 44, § 1, 2°, point a); l'article 44, § 1, 5°, point a); l'article 45 § 4; l'article 46; l'article 52bis ; l'article 58, premier et troisième alinéas; l'article 60; l'article 69; l'article 82; l'article 85; l'article 86; l'article 93, § 1; l'article 99undecies ; l'article 99duodecies , 2°; l'article 99ter decies, § 1, 1° et § 2, premier alinéa; l'article 157.
  8° Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII : l'article IV.14, troisième et quatrième alinéas.
  9° Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein, l'article 2, deuxième alinéa.
  10° Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I : l'article VI.9; l'article VI.3bis ; l'article VI.19; l'article VI.20; les articles VIII.1 à VIII.6; l'article X.1; l'article X.1bis.
  11° Décret relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement; l'article 4.
Art. N3. Bijlage III. - Addendum II. - Concordantietabel vroegere artikelen gerangschikt volgens de nieuwe artikelen
Art. N3. Annexe III. - Addenda II. - Table de concordance articles anciens classes selon les nouveaux articles
DEEL I. - Inleidende bepalingen
  
artikel 1, eerste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 2;
  
 artikel 64 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II
  
 artikel 2bis, artikel 3 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs
  
 artikel 47, 1°, 2°, 3° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II 
DEEL II. - Begrippen
  
artikel 46, § 2, eerste zin; § 2, tweede lid; § 3 : decreet betreffende het onderwijs II
  
 artikel 48, behalve 2° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II
  
 artikel 2 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 3;
DEEL III. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende het secundair onderwijs
Titel 1. - Bepalingen betreffende scholen
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
  
artikel 46, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 4;
  
artikel 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 5;
  
artikel 3, § 1, eerste, derde, vierde en § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 6;
  
artikel V.9 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 7;
  
artikel V.10 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 8;
  
artikel V.11 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 9;
  
artikel V.12 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 10;
  
10°artikel 71 : decreet 15/7/1997 betreffende het onderwijs VIII artikel 11;
  
11°artikel 7, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 12;
HOOFDSTUK 2. - Erkenningsvoorwaarden
  
12°artikel 24bis, § 4 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 13;
  
13°artikel 24ter : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 14;
HOOFDSTUK 3. - Financiering en subsidiëring
Afdeling 1. - Voorwaarden
  
14°artikel 24bis, § 1, § 2, § 3 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 15;
Afdeling 2. - Financiering en subsidiering van de personeelsleden
Onderafdeling 1. - Salariëring
  
15°artikel 26 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 16;
  
 artikel 36, § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 16;
  
16°artikel 27, § 1, eerste, tweede lid; § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 17;
  
17°artikel 28 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 18;
Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel
  
18°artikel 3, § 5 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 19;
  
19°artikel 3, § 6 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 20;
  
20°artikel 59bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 21, § 1;
  
 artikel 59ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 21, § 2 § 6;
  
21°artikel 59quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 22;
Onderafdeling 3. - Globale puntenenveloppe
  
22°artikel 93, § 2, § 3 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 23;
  
23°artikel 94 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 24;
  
24°artikel 95 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 25;
  
25°artikel 96 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 26;
  
26°artikel 97 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 27;
  
27°artikel 98 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 28;
  
28°artikel 99 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 29;
  
29°artikel 99bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 30;
  
30°artikel 99ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 31;
Onderafdeling 4. - Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs
  
31°artikel 99quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 32;
Onderafdeling 5. - Bedrijfsstages
  
32°artikel 99duodecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 33;
  
33°artikel 99ter decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 34;
Afdeling 3. - Financiering en subsidiëring van de werking
Onderafdeling 1. - Algemeen
  
34°artikel V.13 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 35;
  
35°artikel 25 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 36;
  
36°artikel 32, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 37;
  
37°artikel 36bis : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 38;
  
38°artikel 3, § 1,tweede lid : wet 29/5/1959 artikel 39;
  
39°artikel 5 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 40;
  
40°artikel 36, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 41;
  
41°artikel 3, § 8, 1°, achtste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 42;
  
42°artikel X.5 : decreet 15/7/2005 betreffende het onderwijs XV artikel 43;
Onderafdeling 2. - Time-out projecten
  
43°artikel X.3 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 44;
Onderafdeling 3. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
  
44°artikel X.6 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 45;
  
45°artikel X.7 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 46;
Onderafdeling 4. - Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen
  
46°artikel 103 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 47;
  
47°artikel 103bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 48;
HOOFDSTUK 4. - Scholengemeenschappen
Afdeling 1. - Algemeen
  
48°artikel 62 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 49;
Afdeling 2. - Vorming van een scholengemeenschap
  
49°artikel 63 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 50;
  
50°artikel 64 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 51;
  
51°artikel 65 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 52;
  
52°artikel 66 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 53;
  
53°artikel 67 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 54;
  
54°artikel 68 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 55;
  
55°artikel 70 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 56;
Afdeling 3. - Bevoegdheden van een scholengemeenschap
  
56°artikel 71 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 57;
  
57°artikel 72 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 58;
Afdeling 4. - Diverse voordelen voor scholengemeenschappen
  
58°artikel 73 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 59;
  
59°artikel 74 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 60;
  
60°artikel 75 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 61;
  
61°artikel 76 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 62;
  
62°artikel 77 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 63;
  
63°artikel 78 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 64;
  
64°artikel 80 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 65;
  
65°artikel 81 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 66;
  
HOOFDSTUK 5. - Organen
Afdeling 1. - Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs
  
66°artikel 6 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 67;
  
67°artikel 7 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 68, § 1, § 2;
  
 artikel 11 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 68, § 3;
Afdeling 2. - Representatieve vakorganisaties
  
68°artikel 156 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 69, § 1, § 2;
  
 artikel 158 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 69 § 3;
Afdeling 3. - Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen
  
69°artikel 46bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 70;
Afdeling 4. - Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap
Onderafdeling 1. - Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs
  
70°artikel 81bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 71;
  
71°artikel 81ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 72;
  
72°artikel 81quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 73;
  
73°artikel 81quinquies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 74;
  
74°artikel 81sexies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 75;
  
75°artikel 81septies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 76;
  
76°artikel 81octies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 77;
  
77°artikel 81novies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 78;
  
78°artikel 81decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 79;
  
79°artikel 81undecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 80;
  
80°artikel 81duodecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 81;
Onderafdeling 2. - Netoverschrijdende scholengemeenschappen
  
81°artikel 81terdecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 82;
  
82°artikel 81quater decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 83;
  
83°artikel 81quinquies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 84;
  
84°artikel 81sexies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 85;
  
85°artikel 81septies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 86;
  
86°artikel 81duodevicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 87;
  
87°artikel 81undevicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 88;
  
88°artikel 81vicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 89;
  
89°artikel 81vicies semel : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 90;
  
90°artikel 81vicies bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 91;
  
91°artikel 81vicies ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 92;
  
92°artikel 81vicies quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 93;
  
93°artikel 81vicies quinquies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 94;
Onderafdeling 3. - Inzagerecht lokaal comité
  
94°artikel 159 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 95;
HOOFDSTUK 6. - Levensbeschouwelijk onderricht
  
95°artikel 52sexies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 96;
  
96°artikel 52septies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 97;
  
97°artikel 52octies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 98;
  
98°artikel 24quinquies : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 99;
HOOFDSTUK 7. - Sancties
  
99°artikel 3, § 9 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 100;
  
100°artikel 6quater, derde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 101;
  
 artikel 24quater : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 101;
  
101°artikel 192 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 102;
  
102°artikel 35 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 103;
  
103°artikel 198 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 104;
  
104°artikel 199 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 105;
  
105°artikel 71, § 2 : decreet 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 106;
  
106°artikel 74quinquies 2 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 107;
  
107°artikel 7, § 2, § 3 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 108;
  
108°artikel 52novies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 109;
Titel 2. - Bepalingen betreffende leerlingen
HOOFDSTUK 1. - Vrije keuze
  
109°artikel 4, eerste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 110;
HOOFDSTUK 2. - School -en centrumreglement
  
110°artikel 74octies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 111;
  
111°artikel 74novies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 112;
  
112°artikel 74decies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 113;
  
113°artikel 74undecies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 114;
HOOFDSTUK 3. - Toelatingsvoorwaarden en studiebekrachtiging
  
114°artikel 84quater, 1° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 115;
  
 Artikel 48, 2°, decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II 
HOOFDSTUK 4. - Onderwijs voor zieke jongeren
  
115°artikel 74bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 116;
  
116°artikel 74ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 117;
  
117°artikel 74quater : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 118;
  
118°artikel 74quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 119;
  
119°artikel 74quinquies 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 120;
  
120°artikel 74sexies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 121;
  
121°artikel 74septies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 122;
HOOFDSTUK 5. - Controle op inschrijvingen
  
122°artikel 71, § 1, § 2, eerste lid : decreet 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 123;
DEEL IV. - Specifieke bepalingen betreffende het voltijds gewoon secundair onderwijs
Titel 1. - Bepalingen betreffende scholen
HOOFDSTUK 1. - Structuur en organisatie
Afdeling 1. - Structuur en organisatie op macro niveau
  
123°artikel 49 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 124;
  
124°artikel 50 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 125;
  
125°artikel 4 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 126;
  
126°artikel 5 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 127;
  
127°artikel 6 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 128;
  
128°artikel 7 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 129;
  
129°artikel 52bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 130;
  
130°artikel 51 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 131;
  
131°artikel 52ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 132;
  
132°artikel 8 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 133;
Afdeling 2. - Structuur en organisatie op schoolniveau
  
133°artikel 52 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 134;
  
134°artikel 52quater, § 1, eerste, tweede, vierde lid; § 2 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 135;
  
135°artikel 52quinquies /1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 136;
  
136°artikel 52quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 137;
Afdeling 3. - Eindtermen, ontwikkelingsdoelen en leerplannen
  
137°artikel 2, eerste lid : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelenartikel 138, 261;
  
138°artikel 3 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 139, 262;
  
139°artikel 4 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 140;
  
140°artikel 5, § 1, § 2 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 141;
  
141°artikel 6 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 142;
  
142°artikel 7 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 143;
  
143°artikel 7bis : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 144, 264;
  
144°artikel 7ter : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 145, 265;
  
145°artikel 8 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 146, 266;
  
146°artikel 9 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelenartikel 147, 267;
Afdeling 4. - Lessenrooster
  
147°artikel 1 : koninklijk besluit nr.2 maximum aantal lestijden secundair onderwijs artikel 148;
  
148°artikel 2 : koninklijk besluit nr.2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 149;
  
149°artikel 46,§ 2, tweede zin : decreet betreffende het onderwijs IIartikel 150;
  
150°artikel 5 : koninklijk besluit nr.2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 151;
  
151°artikel 55bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 152;
  
152°artikel 53 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 153;
  
153°artikel 54 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 154;
  
154°artikel 54bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 155;
  
155°artikel 55, § 1 - § 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 156;
  
156°artikel 55, § 4 - § 8 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 157;
Afdeling 5. - Experimenteel modulair onderwijs
  
157°artikel 74duodecies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 158;
  
158°artikel 74ter decies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 159;
  
159°artikel 74quater decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 160;
  
160°artikel 74quinquies decies :decreet betreffende het onderwijs II artikel 161;
  
161°artikel 74sexies decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 162;
  
162°artikel 74sexies decies bis : decreet betreffende het onderwijs II artikel 163;
  
163°artikel 74septies decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 164;
  
164°artikel 74duodevicies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 165;
  
165°artikel 74undevicies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 166;
  
166°artikel 74vicies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 167;
  
167°artikel 74vicies semel : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 168;
HOOFDSTUK 2. - Teldata
  
168°artikel 3, § 8,1°, eerste en tweede lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 169;
  
169°artikel 7bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 170;
  
170°artikel 3,§ 8,1°, derde en vierde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 171;
  
171°artikel 3, § 8,1°, vijfde en negende lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 172;
  
172°artikel 3, § 8, 2° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 173;
HOOFDSTUK 3. - Programmatie
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
  
173°artikel 9 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 174, § 1;
  
 artikel 75 : decreet 21/12/1994 betreffende het onderwijs VI artikel 174, § 2;
Afdeling 2. - Programmatie van scholen die tot een scholengemeenschap behoren
  
174°artikel 25 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 175;
Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen door scholen die tot een scholengemeenschap behoren
  
175°artikel 26 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 176;
  
176°artikel 27 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 177;
  
177°artikel 28 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 178;
  
178°artikel 29 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 179;
Afdeling 4. - Programmatie van scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
  
179°artikel 31 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 180;
Afdeling 5. - Programmatie van structuuronderdelen door scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
  
180°artikel 32 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 181;
  
181°artikel 33 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 182;
  
182°artikel 34 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 183;
  
183°artikel 35 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 184;
  
184°artikel 36 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 185;
  
185°artikel 38 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 186;
  
186°artikel 40 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 187;
  
187°artikel 41 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 188;
HOOFDSTUK 4. - Rationalisatie en fusie
Afdeling 1. - Rationalisatienormen
  
188°artikel 47, tweede lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 189;
  
189°artikel 47, eerste lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 190, § 1;
  
 artikel 48 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 190, § 2;
  
190°artikel 49 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 191;
  
191°artikel 50 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 192;
  
192°artikel 51 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 193;
  
193°artikel 52 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 194;
  
194°artikel 53 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 195;
  
195°artikel 54 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 196;
  
196°artikel 54bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 197;
  
197°artikel 55 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 198;
  
198°artikel 56bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 199;
Afdeling 2. - Fusie van scholen
  
199°artikel 56 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 200;
  
200°artikel 58bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 201, § 1, § 2;
  
 artikel 56,3° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 201, § 3;
  
201°artikel 58, tweede lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 202, § 3;
  
 artikel 61 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 202, § 1, § 2;
HOOFDSTUK 5. - Omvorming en overheveling
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
  
202°artikel 42 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 203;
  
203°artikel 43 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 204;
Afdeling 2. - Omvorming
  
204°artikel 44 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 205;
Afdeling 3. - Overheveling
  
205°artikel 45 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 206;
HOOFDSTUK 6. - Financiering en subsidiëring
Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
Onderafdeling 1. - Directeur
  
206°artikel 83 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 207;
  
207°artikel 104 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 208;
Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel
  
208°artikel 57, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 209, § 1;
  
 artikel 59 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 209, § 2;
  
209°artikel 59quater : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 210;
  
210°artikel 57,§ 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 211;
  
211°artikel 57, § 3bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 212;
  
212°artikel 57, § 3ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 213;
  
213°artikel 57, § 4 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 214;
  
214°artikel 57ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 215;
  
215°artikel 57bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 216;
  
Onderafdeling 3. - Scholen met optie Rijn -en binnenvaart
  
216°artikel 99sexies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 217;
  
217°artikel 99septies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 218;
  
218°artikel 99octies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 219;
  
219°artikel 99novies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 220;
Onderafdeling 4. - Topsportscholen
  
220°artikel 99decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 221;
Onderafdeling 5. - Onthaalonderwijs
  
221°artikel 52quater, § 1, derde lid : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 222;
Onderafdeling 6. - Kunstsecundaire scholen
  
222°artikel 157 : decreet 18/5/1999 betreffende het onderwijs XI artikel 223;
Onderafdeling 7. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad
  
223°artikel VI.1 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 224;
  
224°artikel VI.2 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 225;
  
225°artikel VI.3 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 226;
  
226°artikel VI.4 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 227;
  
227°artikel VI.5 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 228;
  
228°artikel VI.6 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 229;
  
229°artikel VI.7 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 230;
  
230°artikel VI.8 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 231;
Onderafdeling 8. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad
  
231°artikel VI.10 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 232;
  
232°artikel VI.11 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 233;
  
233°artikel VI.12 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 234;
  
234°artikel VI.13 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 235;
  
235°artikel VI.14 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 236;
  
236°artikel VI.15 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 237;
  
237°artikel VI.16 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 238;
  
238°artikel VI.17 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 239;
  
239°artikel VI.18 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 240;
  
240°artikel VI.19bis : decreet betreffende gelijke onderwijskansen artikel 241;
Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van de werking
Onderafdeling 1. - Leerlingen- en schoolkenmerken
  
241°artikel 5, § 1, § 2, § 3 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgettenartikel 242;
Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen
  
242°artikel 6 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 243;
  
243°artikel 7 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 244;
Onderafdeling 3. - Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken
  
244°artikel 8 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 245;
  
245°artikel 9 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 246;
  
246°artikel 10 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 247;
Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsbudget per school
  
247°artikel 11 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 248;
  
248°artikel 12 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 249;
Onderafdeling 5. - Evaluatie
  
249°artikel 5, § 4. - decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 250, 331;
  
250°artikel 21 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 251, 332;
Titel 2. - Bepalingen betreffende leerlingen
HOOFDSTUK 1. - Regelmatige versus vrije leerling
  
251°artikel 48, 2° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 252;
  
252°artikel 3, § 8, 5° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 253, 294;
  
HOOFDSTUK 2. - Klassenraad en examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap
  
253°artikel 6quater, eerste, tweede, zesde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 254;
  
254°artikel 84quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 255;
  
255°artikel 84bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 256, § 1;
  
 artikel 84ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 256, § 2, § 3;
DEEL V. - Specifieke bepalingen betreffende het buitengewoon secundair onderwijs
Titel 1. - Inleidende bepaling
  
256°artikel 1, § 1 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 257;
  
257°artikel 1, § 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 258;
Titel 2. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende scholen van de OV 1, 2, 3 en 4
Afdeling 1. - Structuur en organisatie
  
258°artikel 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 259;
  
259°artikel 3bis, § 1, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 260;
Afdeling 2. - Eindtermen, ontwikkelingsdoelen, leerplan en handelingsplan
  
260°artikel 2, eerste lid : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelenartikel 261,138;
  
261°artikel 3. : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 262,139;
  
262°artikel 5, § 3 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 263;
  
263°artikel 7bis : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 264,144;
  
264°artikel 7ter : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 265,145;
  
265°artikel 8 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 266,146;
  
266°artikel 9 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 267,147;
Afdeling 3. - Programmatie en rationalisatie
Onderafdeling 1. - Begrippen en inleidende bepalingen
  
267°artikel 2 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 268;
  
268°artikel 3 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 269;
  
269°artikel 6 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 270;
  
270°artikel 7 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 271;
  
271°artikel 8 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 272;
  
272°artikel 9 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 273;
Onderafdeling 2. - Fusie
  
273°artikel 4 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 274;
  
274°artikel 5 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 275;
Onderafdeling 3. - Rationalisatie
  
275°artikel 22 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 276;
  
276°artikel 23 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 277;
  
277°artikel 24 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 278;
  
278°artikel 25 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 279;
  
279°artikel 26 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 280;
  
280°artikel 27 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundairartikel 281;
  
281°artikel 28 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 282;
  
282°artikel 29 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 283;
  
283°artikel 30 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 284;
  
284°artikel 31 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundairartikel 285;
Onderafdeling 4. - Programmatie
  
285°artikel 32 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 286;
  
286°artikel 33 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 287;
  
287°artikel 34 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 288;
  
288°artikel 35 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 289;
  
289°artikel 35/1 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 290;
  
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
Afdeling 1. - Toelatingsvoorwaarden
Onderafdeling 1. - Leeftijd
  
290°artikel 4, eerste lid : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 291;
  
291°artikel 5, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 292;
  
292°artikel 4, tweede, derde lid : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 293;
Onderafdeling 2. - Inschrijvingsverslag en attest
  
293°artikel 5, § 1, § 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 294;
Onderafdeling 3. - Type 5
  
294°artikel 3, § 8, 5° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 295, 253;
HOOFDSTUK 3. - Financiering en subsidiëring
Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
Onderafdeling 1. - Directeur
  
295°artikel 84 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 296;
Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel
  
296°artikel 1 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 297;
  
297°artikel 2, § 1, § 2, § 3 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 298;
  
298°artikel 3 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 299;
  
299°artikel 4 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijsartikel 300;
  
300°artikel 22 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 301;
  
301°artikel 23 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 302;
  
302°artikel 6 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 303;
  
303°artikel 5 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 304;
  
304°artikel 2, § 5, § 6 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 305;
  
305°artikel 21, § 2, derde lid : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 306;
  
306°artikel 21, § 1, § 2, eerste, tweede lid : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijsartikel 307, § 1, § 2
  
 Artikel 3, § 2 : koninklijk besluit nr. 297 opdrachten in het onderwijs artikel 307, § 3
  
307°artikel 24 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 308;
Onderafdeling 3 : Paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel
  
308°artikel 1 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 309;
  
309°artikel 2 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 310;
  
310°artikel 3, § 1, § 2 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 311;
  
311°artikel 6 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 312;
  
312°artikel 3, § 4, § 6 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 313;
  
313°artikel 3, § 3 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 314;
Onderafdeling 4. - Plage uren
  
314°artikel 57bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 315, 216;
Onderafdeling 5. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen
  
315°artikel VI.22 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 316;
  
316°artikel VI.23 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 317;
  
317°artikel VI.24 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 318;
  
318°artikel VI.25 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 319;
  
319°artikel VI.26 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 320;
  
320°artikel VI.27 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 321;
  
321°artikel VI.28 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 322;
  
Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van de werking
Onderafdeling 1. - Schoolkenmerken
  
322°artikel 5, § 1, 2° : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgettenartikel 323;
Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale werkingsbudget en de voorafnamen
  
323°artikel 13 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 324;
  
324°artikel 14 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 325;
Onderafdeling 3. - Verdeling van het werkingsbudget voor schoolkenmerken
  
325°artikel 15 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 326;
  
326°artikel 16 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 327;
Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsbudget per school
  
327°artikel 17 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 328;
  
328°artikel 18 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 329;
Onderafdeling 5. - Berekening van de integratietoelage per school
  
329°artikel 19 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 330;
Onderafdeling 6. - Evaluatie
  
330°artikel 5, § 4 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 331, 250;
  
331°artikel 21 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 332, 251;
Titel 3. - Specifieke bepalingen betreffende de opleidingsvormen 1, 2 en 3
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3
Afdeling 1. - Structuur en organisatie
  
332°artikel 3bis, § 2, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 333;
  
333°artikel 42 : decreet 14/7/1998 betreffende het onderwijs IX artikel 334;
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 3
Afdeling 1. - Structuur en organisatie
  
334°artikel IV.14, eerste, tweede lid : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIIIartikel 335;
  
335°artikel 5ter : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 336;
  
336°artikel 5quater : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 337;
  
337°artikel 5quinquies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 338;
  
338°artikel 5sexies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 339;
  
339°artikel 5septies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 340;
Afdeling 2. - Experimenteel modulair onderwijs
  
340°artikel 20bis : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3artikel 341;
  
341°artikel 20ter : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 342;
  
342°artikel 20quater : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 343;
  
343°artikel 20quinquies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 344;
  
344°artikel 20sexies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 345;
  
345°artikel 20septies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 346;
  
346°artikel 20octies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 347;
  
347°artikel 20novies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 348;
  
348°artikel 20decies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 349;
Titel 4. - Specifieke bepalingen betreffende de opleidingsvorm 4
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 4, met uitzondering van de ziekenhuisscholen
  
349°artikel 47, 4° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 350;
  
Titel 5. - Specifieke bepalingen betreffende het geïntegreerd onderwijs en de specifieke onderwijsleermiddelen
HOOFDSTUK 1. - Het geïntegreerd onderwijs
  
350°artikel 5bis : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 351;
  
351°artikel 5bis 1 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 352;
  
352°artikel 5bis 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 353;
  
 artikel 5bis 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 353;
  
353°artikel 5bis 4 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 354;
  
354°artikel 5bis 5 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 355;
  
355°artikel 5bis 6 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 356;
HOOFDSTUK 2. - De specifieke onderwijsleermiddelen
  
356°artikel 67 : decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 357;
  
357°DEEL VI. - Uitwerkingsdata artikel 358;
  
358°DEEL VII. - Aanpassingen van de verwijzingen naar artikelen opgenomen in de codificatie artikel 359.
  
359°Bijlage I. - Indeling in onderwijszones
DEEL I. - Inleidende bepalingen
1°artikel 1, eerste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 2;
artikel 64 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II
artikel 2bis, artikel 3 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs
artikel 47, 1°, 2°, 3° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIDEEL II. - Begrippen
2°artikel 46, § 2, eerste zin; § 2, tweede lid; § 3 : decreet betreffende het onderwijs II
artikel 48, behalve 2° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II
artikel 2 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 3;DEEL III. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende het secundair onderwijsTitel 1. - Bepalingen betreffende scholenHOOFDSTUK 1. - Algemeen
3°artikel 46, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 4;
4°artikel 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 5;
5°artikel 3, § 1, eerste, derde, vierde en § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 6;
6°artikel V.9 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 7;
7°artikel V.10 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 8;
8°artikel V.11 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 9;
9°artikel V.12 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 10;
10°artikel 71 : decreet 15/7/1997 betreffende het onderwijs VIII artikel 11;
11°artikel 7, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 12;HOOFDSTUK 2. - Erkenningsvoorwaarden
12°artikel 24bis, § 4 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 13;
13°artikel 24ter : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 14;HOOFDSTUK 3. - Financiering en subsidiëringAfdeling 1. - Voorwaarden
14°artikel 24bis, § 1, § 2, § 3 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 15;Afdeling 2. - Financiering en subsidiering van de personeelsleden Onderafdeling 1. - Salariëring
15°artikel 26 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 16;
artikel 36, § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 16;
16°artikel 27, § 1, eerste, tweede lid; § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 17;
17°artikel 28 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 18;Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel
18°artikel 3, § 5 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 19;
19°artikel 3, § 6 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 20;
20°artikel 59bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 21, § 1;
artikel 59ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 21, § 2 § 6;
21°artikel 59quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 22;Onderafdeling 3. - Globale puntenenveloppe
22°artikel 93, § 2, § 3 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 23;
23°artikel 94 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 24;
24°artikel 95 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 25;
25°artikel 96 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 26;
26°artikel 97 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 27;
27°artikel 98 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 28;
28°artikel 99 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 29;
29°artikel 99bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 30;
30°artikel 99ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 31;Onderafdeling 4. - Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs
31°artikel 99quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 32;Onderafdeling 5. - Bedrijfsstages
32°artikel 99duodecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 33;
33°artikel 99ter decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 34;Afdeling 3. - Financiering en subsidiëring van de werking Onderafdeling 1. - Algemeen
34°artikel V.13 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 35;
35°artikel 25 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 36;
36°artikel 32, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 37;
37°artikel 36bis : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 38;
38°artikel 3, § 1,tweede lid : wet 29/5/1959 artikel 39;
39°artikel 5 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 40;
40°artikel 36, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 41;
41°artikel 3, § 8, 1°, achtste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 42;
42°artikel X.5 : decreet 15/7/2005 betreffende het onderwijs XV artikel 43;Onderafdeling 2. - Time-out projecten
43°artikel X.3 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 44;Onderafdeling 3. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
44°artikel X.6 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 45;
45°artikel X.7 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 46;Onderafdeling 4. - Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen
46°artikel 103 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 47;
47°artikel 103bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 48;HOOFDSTUK 4. - ScholengemeenschappenAfdeling 1. - Algemeen
48°artikel 62 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 49;Afdeling 2. - Vorming van een scholengemeenschap
49°artikel 63 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 50;
50°artikel 64 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 51;
51°artikel 65 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 52;
52°artikel 66 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 53;
53°artikel 67 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 54;
54°artikel 68 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 55;
55°artikel 70 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 56;Afdeling 3. - Bevoegdheden van een scholengemeenschap
56°artikel 71 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 57;
57°artikel 72 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 58;Afdeling 4. - Diverse voordelen voor scholengemeenschappen
58°artikel 73 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 59;
59°artikel 74 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 60;
60°artikel 75 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 61;
61°artikel 76 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 62;
62°artikel 77 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 63;
63°artikel 78 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 64;
64°artikel 80 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 65;
65°artikel 81 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 66;
HOOFDSTUK 5. - OrganenAfdeling 1. - Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs
66°artikel 6 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 67;
67°artikel 7 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 68, § 1, § 2;
artikel 11 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 68, § 3;Afdeling 2. - Representatieve vakorganisaties
68°artikel 156 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 69, § 1, § 2;
artikel 158 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 69 § 3;Afdeling 3. - Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen
69°artikel 46bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 70;Afdeling 4. - Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschapOnderafdeling 1. - Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs
70°artikel 81bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 71;
71°artikel 81ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 72;
72°artikel 81quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 73;
73°artikel 81quinquies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 74;
74°artikel 81sexies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 75;
75°artikel 81septies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 76;
76°artikel 81octies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 77;
77°artikel 81novies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 78;
78°artikel 81decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 79;
79°artikel 81undecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 80;
80°artikel 81duodecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 81;Onderafdeling 2. - Netoverschrijdende scholengemeenschappen
81°artikel 81terdecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 82;
82°artikel 81quater decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 83;
83°artikel 81quinquies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 84;
84°artikel 81sexies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 85;
85°artikel 81septies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 86;
86°artikel 81duodevicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 87;
87°artikel 81undevicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 88;
88°artikel 81vicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 89;
89°artikel 81vicies semel : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 90;
90°artikel 81vicies bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 91;
91°artikel 81vicies ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 92;
92°artikel 81vicies quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 93;
93°artikel 81vicies quinquies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 94;Onderafdeling 3. - Inzagerecht lokaal comité
94°artikel 159 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 95;HOOFDSTUK 6. - Levensbeschouwelijk onderricht
95°artikel 52sexies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 96;
96°artikel 52septies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 97;
97°artikel 52octies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 98;
98°artikel 24quinquies : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 99;HOOFDSTUK 7. - Sancties
99°artikel 3, § 9 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 100;
100°artikel 6quater, derde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 101;
artikel 24quater : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 101;
101°artikel 192 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 102;
102°artikel 35 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 103;
103°artikel 198 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 104;
104°artikel 199 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 105;
105°artikel 71, § 2 : decreet 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 106;
106°artikel 74quinquies 2 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 107;
107°artikel 7, § 2, § 3 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 108;
108°artikel 52novies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 109;Titel 2. - Bepalingen betreffende leerlingen HOOFDSTUK 1. - Vrije keuze
109°artikel 4, eerste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 110;HOOFDSTUK 2. - School -en centrumreglement
110°artikel 74octies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 111;
111°artikel 74novies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 112;
112°artikel 74decies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 113;
113°artikel 74undecies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 114;HOOFDSTUK 3. - Toelatingsvoorwaarden en studiebekrachtiging
114°artikel 84quater, 1° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 115;
Artikel 48, 2°, decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIHOOFDSTUK 4. - Onderwijs voor zieke jongeren
115°artikel 74bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 116;
116°artikel 74ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 117;
117°artikel 74quater : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 118;
118°artikel 74quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 119;
119°artikel 74quinquies 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 120;
120°artikel 74sexies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 121;
121°artikel 74septies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 122;HOOFDSTUK 5. - Controle op inschrijvingen
122°artikel 71, § 1, § 2, eerste lid : decreet 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 123;DEEL IV. - Specifieke bepalingen betreffende het voltijds gewoon secundair onderwijsTitel 1. - Bepalingen betreffende scholen HOOFDSTUK 1. - Structuur en organisatie Afdeling 1. - Structuur en organisatie op macro niveau
123°artikel 49 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 124;
124°artikel 50 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 125;
125°artikel 4 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 126;
126°artikel 5 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 127;
127°artikel 6 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 128;
128°artikel 7 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 129;
129°artikel 52bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 130;
130°artikel 51 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 131;
131°artikel 52ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 132;
132°artikel 8 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 133;Afdeling 2. - Structuur en organisatie op schoolniveau
133°artikel 52 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 134;
134°artikel 52quater, § 1, eerste, tweede, vierde lid; § 2 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 135;
135°artikel 52quinquies /1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 136;
136°artikel 52quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 137;Afdeling 3. - Eindtermen, ontwikkelingsdoelen en leerplannen
137°artikel 2, eerste lid : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelenartikel 138, 261;
138°artikel 3 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 139, 262;
139°artikel 4 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 140;
140°artikel 5, § 1, § 2 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 141;
141°artikel 6 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 142;
142°artikel 7 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 143;
143°artikel 7bis : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 144, 264;
144°artikel 7ter : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 145, 265;
145°artikel 8 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 146, 266;
146°artikel 9 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelenartikel 147, 267;Afdeling 4. - Lessenrooster
147°artikel 1 : koninklijk besluit nr.2 maximum aantal lestijden secundair onderwijs artikel 148;
148°artikel 2 : koninklijk besluit nr.2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 149;
149°artikel 46,§ 2, tweede zin : decreet betreffende het onderwijs IIartikel 150;
150°artikel 5 : koninklijk besluit nr.2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 151;
151°artikel 55bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 152;
152°artikel 53 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 153;
153°artikel 54 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 154;
154°artikel 54bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 155;
155°artikel 55, § 1 - § 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 156;
156°artikel 55, § 4 - § 8 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs IIartikel 157;Afdeling 5. - Experimenteel modulair onderwijs
157°artikel 74duodecies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 158;
158°artikel 74ter decies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 159;
159°artikel 74quater decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 160;
160°artikel 74quinquies decies :decreet betreffende het onderwijs II artikel 161;
161°artikel 74sexies decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 162;
162°artikel 74sexies decies bis : decreet betreffende het onderwijs II artikel 163;
163°artikel 74septies decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 164;
164°artikel 74duodevicies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 165;
165°artikel 74undevicies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 166;
166°artikel 74vicies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 167;
167°artikel 74vicies semel : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 168;HOOFDSTUK 2. - Teldata
168°artikel 3, § 8,1°, eerste en tweede lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 169;
169°artikel 7bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 170;
170°artikel 3,§ 8,1°, derde en vierde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 171;
171°artikel 3, § 8,1°, vijfde en negende lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 172;
172°artikel 3, § 8, 2° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 173;HOOFDSTUK 3. - ProgrammatieAfdeling 1. - Toepassingsgebied
173°artikel 9 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 174, § 1;
artikel 75 : decreet 21/12/1994 betreffende het onderwijs VI artikel 174, § 2;Afdeling 2. - Programmatie van scholen die tot een scholengemeenschap behoren
174°artikel 25 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 175;Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen door scholen die tot een scholengemeenschap behoren
175°artikel 26 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 176;
176°artikel 27 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 177;
177°artikel 28 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 178;
178°artikel 29 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 179;Afdeling 4. - Programmatie van scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
179°artikel 31 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 180;Afdeling 5. - Programmatie van structuuronderdelen door scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
180°artikel 32 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 181;
181°artikel 33 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 182;
182°artikel 34 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 183;
183°artikel 35 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 184;
184°artikel 36 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 185;
185°artikel 38 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 186;
186°artikel 40 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 187;
187°artikel 41 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 188;HOOFDSTUK 4. - Rationalisatie en fusie Afdeling 1. - Rationalisatienormen
188°artikel 47, tweede lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 189;
189°artikel 47, eerste lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 190, § 1;
artikel 48 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 190, § 2;
190°artikel 49 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 191;
191°artikel 50 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 192;
192°artikel 51 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 193;
193°artikel 52 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 194;
194°artikel 53 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 195;
195°artikel 54 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 196;
196°artikel 54bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 197;
197°artikel 55 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijsartikel 198;
198°artikel 56bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 199;Afdeling 2. - Fusie van scholen
199°artikel 56 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 200;
200°artikel 58bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 201, § 1, § 2;
artikel 56,3° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 201, § 3;
201°artikel 58, tweede lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 202, § 3;
artikel 61 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 202, § 1, § 2;HOOFDSTUK 5. - Omvorming en overheveling Afdeling 1. - Toepassingsgebied
202°artikel 42 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 203;
203°artikel 43 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 204;Afdeling 2. - Omvorming
204°artikel 44 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 205;Afdeling 3. - Overheveling
205°artikel 45 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 206;HOOFDSTUK 6. - Financiering en subsidiëring Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van de personeelsleden Onderafdeling 1. - Directeur
206°artikel 83 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 207;
207°artikel 104 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 208;Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel
208°artikel 57, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 209, § 1;
artikel 59 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 209, § 2;
209°artikel 59quater : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 210;
210°artikel 57,§ 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 211;
211°artikel 57, § 3bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 212;
212°artikel 57, § 3ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 213;
213°artikel 57, § 4 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 214;
214°artikel 57ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 215;
215°artikel 57bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 216;
Onderafdeling 3. - Scholen met optie Rijn -en binnenvaart
216°artikel 99sexies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 217;
217°artikel 99septies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 218;
218°artikel 99octies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 219;
219°artikel 99novies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 220;Onderafdeling 4. - Topsportscholen
220°artikel 99decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 221;Onderafdeling 5. - Onthaalonderwijs
221°artikel 52quater, § 1, derde lid : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 222;Onderafdeling 6. - Kunstsecundaire scholen
222°artikel 157 : decreet 18/5/1999 betreffende het onderwijs XI artikel 223;Onderafdeling 7. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad
223°artikel VI.1 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 224;
224°artikel VI.2 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 225;
225°artikel VI.3 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 226;
226°artikel VI.4 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 227;
227°artikel VI.5 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 228;
228°artikel VI.6 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 229;
229°artikel VI.7 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 230;
230°artikel VI.8 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 231;Onderafdeling 8. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad
231°artikel VI.10 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 232;
232°artikel VI.11 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 233;
233°artikel VI.12 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 234;
234°artikel VI.13 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 235;
235°artikel VI.14 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 236;
236°artikel VI.15 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 237;
237°artikel VI.16 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 238;
238°artikel VI.17 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 239;
239°artikel VI.18 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 240;
240°artikel VI.19bis : decreet betreffende gelijke onderwijskansen artikel 241;Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van de werking Onderafdeling 1. - Leerlingen- en schoolkenmerken
241°artikel 5, § 1, § 2, § 3 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgettenartikel 242;Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen
242°artikel 6 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 243;
243°artikel 7 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 244;Onderafdeling 3. - Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken
244°artikel 8 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 245;
245°artikel 9 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 246;
246°artikel 10 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 247;Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsbudget per school
247°artikel 11 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 248;
248°artikel 12 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 249;Onderafdeling 5. - Evaluatie
249°artikel 5, § 4. - decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 250, 331;
250°artikel 21 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 251, 332;Titel 2. - Bepalingen betreffende leerlingen HOOFDSTUK 1. - Regelmatige versus vrije leerling
251°artikel 48, 2° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 252;
252°artikel 3, § 8, 5° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 253, 294;
HOOFDSTUK 2. - Klassenraad en examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap
253°artikel 6quater, eerste, tweede, zesde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 254;
254°artikel 84quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 255;
255°artikel 84bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 256, § 1;
artikel 84ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 256, § 2, § 3;DEEL V. - Specifieke bepalingen betreffende het buitengewoon secundair onderwijsTitel 1. - Inleidende bepaling
256°artikel 1, § 1 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 257;
257°artikel 1, § 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 258;Titel 2. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4 HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende scholen van de OV 1, 2, 3 en 4Afdeling 1. - Structuur en organisatie
258°artikel 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 259;
259°artikel 3bis, § 1, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 260;Afdeling 2. - Eindtermen, ontwikkelingsdoelen, leerplan en handelingsplan
260°artikel 2, eerste lid : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelenartikel 261,138;
261°artikel 3. : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 262,139;
262°artikel 5, § 3 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 263;
263°artikel 7bis : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 264,144;
264°artikel 7ter : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 265,145;
265°artikel 8 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 266,146;
266°artikel 9 : decreet 18/1/2002 eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 267,147;Afdeling 3. - Programmatie en rationalisatieOnderafdeling 1. - Begrippen en inleidende bepalingen
267°artikel 2 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 268;
268°artikel 3 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 269;
269°artikel 6 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 270;
270°artikel 7 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 271;
271°artikel 8 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 272;
272°artikel 9 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 273;Onderafdeling 2. - Fusie
273°artikel 4 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 274;
274°artikel 5 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 275;Onderafdeling 3. - Rationalisatie
275°artikel 22 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 276;
276°artikel 23 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 277;
277°artikel 24 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 278;
278°artikel 25 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 279;
279°artikel 26 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 280;
280°artikel 27 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundairartikel 281;
281°artikel 28 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 282;
282°artikel 29 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 283;
283°artikel 30 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 284;
284°artikel 31 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundairartikel 285;Onderafdeling 4. - Programmatie
285°artikel 32 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 286;
286°artikel 33 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 287;
287°artikel 34 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 288;
288°artikel 35 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 289;
289°artikel 35/1 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 290;
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4 Afdeling 1. - ToelatingsvoorwaardenOnderafdeling 1. - Leeftijd
290°artikel 4, eerste lid : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 291;
291°artikel 5, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 292;
292°artikel 4, tweede, derde lid : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 293;Onderafdeling 2. - Inschrijvingsverslag en attest
293°artikel 5, § 1, § 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 294;Onderafdeling 3. - Type 5
294°artikel 3, § 8, 5° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 295, 253;HOOFDSTUK 3. - Financiering en subsidiëring Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van de personeelsleden Onderafdeling 1. - Directeur
295°artikel 84 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 296;Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel
296°artikel 1 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 297;
297°artikel 2, § 1, § 2, § 3 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 298;
298°artikel 3 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 299;
299°artikel 4 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijsartikel 300;
300°artikel 22 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 301;
301°artikel 23 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 302;
302°artikel 6 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 303;
303°artikel 5 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 304;
304°artikel 2, § 5, § 6 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 305;
305°artikel 21, § 2, derde lid : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 306;
306°artikel 21, § 1, § 2, eerste, tweede lid : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijsartikel 307, § 1, § 2
Artikel 3, § 2 : koninklijk besluit nr. 297 opdrachten in het onderwijs artikel 307, § 3
307°artikel 24 : koninklijk besluit nr.65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 308;Onderafdeling 3 : Paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel
308°artikel 1 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 309;
309°artikel 2 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 310;
310°artikel 3, § 1, § 2 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 311;
311°artikel 6 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 312;
312°artikel 3, § 4, § 6 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 313;
313°artikel 3, § 3 : koninklijk besluit nr.67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 314;Onderafdeling 4. - Plage uren
314°artikel 57bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 315, 216;Onderafdeling 5. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen
315°artikel VI.22 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 316;
316°artikel VI.23 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 317;
317°artikel VI.24 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 318;
318°artikel VI.25 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 319;
319°artikel VI.26 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 320;
320°artikel VI.27 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 321;
321°artikel VI.28 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 322;
Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van de werking Onderafdeling 1. - Schoolkenmerken
322°artikel 5, § 1, 2° : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgettenartikel 323;Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale werkingsbudget en de voorafnamen
323°artikel 13 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 324;
324°artikel 14 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 325;Onderafdeling 3. - Verdeling van het werkingsbudget voor schoolkenmerken
325°artikel 15 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 326;
326°artikel 16 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 327;Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsbudget per school
327°artikel 17 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 328;
328°artikel 18 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 329;Onderafdeling 5. - Berekening van de integratietoelage per school
329°artikel 19 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 330;Onderafdeling 6. - Evaluatie
330°artikel 5, § 4 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 331, 250;
331°artikel 21 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 332, 251;Titel 3. - Specifieke bepalingen betreffende de opleidingsvormen 1, 2 en 3 HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3Afdeling 1. - Structuur en organisatie
332°artikel 3bis, § 2, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 333;
333°artikel 42 : decreet 14/7/1998 betreffende het onderwijs IX artikel 334;HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 3 Afdeling 1. - Structuur en organisatie
334°artikel IV.14, eerste, tweede lid : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIIIartikel 335;
335°artikel 5ter : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 336;
336°artikel 5quater : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 337;
337°artikel 5quinquies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 338;
338°artikel 5sexies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 339;
339°artikel 5septies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 340;Afdeling 2. - Experimenteel modulair onderwijs
340°artikel 20bis : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3artikel 341;
341°artikel 20ter : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 342;
342°artikel 20quater : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 343;
343°artikel 20quinquies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 344;
344°artikel 20sexies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 345;
345°artikel 20septies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 346;
346°artikel 20octies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 347;
347°artikel 20novies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 348;
348°artikel 20decies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 349;Titel 4. - Specifieke bepalingen betreffende de opleidingsvorm 4 HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 4, met uitzondering van de ziekenhuisscholen
349°artikel 47, 4° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 350;
Titel 5. - Specifieke bepalingen betreffende het geïntegreerd onderwijs en de specifieke onderwijsleermiddelenHOOFDSTUK 1. - Het geïntegreerd onderwijs
350°artikel 5bis : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 351;
351°artikel 5bis 1 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 352;
352°artikel 5bis 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 353;
artikel 5bis 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 353;
353°artikel 5bis 4 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 354;
354°artikel 5bis 5 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 355;
355°artikel 5bis 6 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 356;HOOFDSTUK 2. - De specifieke onderwijsleermiddelen
356°artikel 67 : decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 357;
357°DEEL VI. - Uitwerkingsdata artikel 358;
358°DEEL VII. - Aanpassingen van de verwijzingen naar artikelen opgenomen in de codificatie artikel 359.
359°Bijlage I. - Indeling in onderwijszones
PARTIE Ire. - Dispositions introductives
  
Art. 1er, alinéa 1er; loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 2;
  
 Art. 64 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement II
  
 Art. 2bis, Art. 3 : décret 14/07/1998 enseignement secondaire
  
 Art. 47, 10, 20, 30 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement II 
PARTIE II. - Définitions
  
Art. 46, § 2, première phrase; § 2, deuxième alinéa; § 3 : décret relatif à l'enseignement II
  
 Art. 48, sauf 20 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement II
  
 Art. 2 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 3;
PARTIE III. - Dispositions communes relatives à l'enseignement secondaire
Titre 1er. - Dispositions relatives aux écoles
CHAPITRE 1er. - Généralités
  
Art. 46, § 1er : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 4;
  
Art. 2 : loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 5;
  
Art. 3, § 1er, alinéas premier, troisième et quatrième, et § 2 : loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 6;
  
Art. V.9 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 7;
  
Art. V.10 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 8;
  
Art. V.11 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 9;
  
Art. V.12 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 10;
  
10°Art. 71 : décret 15/07/1997 relatif à l'enseignement VIIIArt. 11;
  
11°Art. 7, § 1er : loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 12;
CHAPITRE 2. - Conditions d'agrément
  
12°Art. 24bis, § 4 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 13;
  
13°Art. 24ter : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 14;
CHAPITRE 3. - Financement et subventionnement
Section 1re. - Conditions
  
14°Art. 24bis, §§ 1er, 2 et 3 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 15;
Section 2. - Financement et subventionnement des membres du personnel
Sous-section 1. - Rémunération
  
15°Art. 26 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 16;
  
 Art. 36, § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 16;
  
16°Art. 27, § 1er, alinéas 1er et 2; § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 17;
  
17°Art. 28 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 18;
Sous-section 2. - Personnel enseignant
  
18°Art. 3, § 5 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 19;
  
19°Art. 3, § 6 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 20;
  
20°Art. 59bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 21, § 1er;
  
 Art. 59ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 21, § 2-§ 6;
  
21°Art. 59quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 22;
Sous-section 3. - Enveloppe globale de points
  
22°Art. 93, § 2, § 3 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 23;
  
23°Art. 94 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 24;
  
24°Art. 95 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 25;
  
25°Art. 96 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 26;
  
26°Art. 97 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 27;
  
27°Art. 98 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 28;
  
28°Art. 99 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 29;
  
29°Art. 99bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 30;
  
30°Art. 99ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 31;
Sous-section 4. - Enveloppe de points Conseil de l'Enseignement communautaire
  
31°Art. 99quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 32;
Sous-section 5. - Stages en entreprise
  
32°Art. 99duodecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 33;
  
33°Art. 99ter decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 34;
Section 3. - Financement et subventionnement du fonctionnement
Sous-section 1re. - Généralités
  
34°Art. V.13 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 35;
  
35°Art. 25 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 36;
  
36°Art. 32, § 1er : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 37;
  
37°Art. 36bis : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 38;
  
38°Art. 3, § 1er, alinéa deux : loi 29/5/1959Art. 39;
  
39°Art. 5 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 40;
  
40°Art. 36, § 1er : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 41;
  
41°Art. 3, § 8, 1°, alinéa huit : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 42;
  
42°Art. X.5 : décret 15/07/2005 relatif à l'enseignement XVArt. 43;
Sous-section 2. - Projets "time-out"
  
43°Art. X.3 : décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 44;
Sous-section 3. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
  
44°Art. X.6 : décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 45;
  
45°Art. X.7; décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 46;
  
Sous-section 4. - Mesures spéciales pour les formations techniques ou à vocation professionnelle
  
46°Art. 103 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 47;
  
47°Art. 103bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 48;
CHAPITRE 4. - Centres d'enseignement
Section 1. - Généralités
  
48°Art. 62 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 49;
Section 2. - Constitution d'un centre d'enseignement
  
49°Art. 63 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 50;
  
50°Art. 64 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 51;
  
51°Art. 65 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 52;
  
52°Art. 66 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 53;
  
53°Art. 67 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 54;
  
54°Art. 68 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 55;
  
55°Art. 70 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 56;
Section 3. - Compétences d'un centre d'enseignement
  
56°Art. 71 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 57;
  
57°Art. 72 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 58;
Section 4. - Divers avantages pour les centres d'enseignement
  
58°Art. 73 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 59;
  
59°Art. 74 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 60;
  
60°Art. 75 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 61;
  
61°Art. 76 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 62;
  
62°Art. 77 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 63;
  
63°Art. 78 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 64;
  
64°Art. 80 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 65;
  
65°Art. 81 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 66;
CHAPITRE 5. - Organes
Section 1. - 'Commissie voor Advies Buitengewoon Onderwijs' (Commission consultative de l'enseignement spécial)
  
66°Art. 6 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 67;
  
67°Art. 7 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 68, § 1er, § 2;
  
 Art. 11 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 68, § 3;
Section 2. - Organisations syndicales représentatives
  
68°Art. 156 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 69, § 1er, § 2;
  
 Art. 158 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 69, § 3;
Section 3. - Organes de concertation sur les réformes fondamentales de l'enseignement
  
69°Art. 46bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 70;
Section 4. - Comité local au niveau du centre d'enseignement
Sous-section 1. - Centre d'enseignement de l'enseignement officiel subventionné
  
70°Art. 81 bis ; décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 71;
  
71°Art. 81ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 72;
  
72°Art. 81quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 73;
  
73°Art. 81quinquies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 74;
  
74°Art. 81sexies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 75;
  
75°Art. 81septies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 76;
  
76°Art. 81octies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 77;
  
77°Art. 81novies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 78;
  
78°Art. 81decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 79;
  
79°Art. 81undecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 80;
  
80°Art. 81duodecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 81;
  
Sous-section 2. - Centres d'enseignement transréseaux
  
81°Art. 81ter decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 82;
  
82°Art. 81quater decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 83;
  
83°Art. 81quinquies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 84;
  
84°Art. 81sexies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 85;
  
85°Art. 81septies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 86;
  
86°Art. 81duodevicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 87;
  
87°Art. 81undevicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 88;
  
88°Art. 81vicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 89;
  
89°Art. 81vicies semel : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 90;
  
90°Art. 81vicies bis décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 91;
  
91°Art. 81vicies ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 92;
  
92°Art. 81vicies quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 93;
  
93°Art. 81vicies quinquies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 94;
Sous-section 3. - Droit de consultation comité local
  
94°Art. 159 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 95;
CHAPITRE 6. - Enseignement philosophique
  
95°Art. 52sexies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 96;
  
96°Art. 52septies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 97;
  
97°Art. 52octies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 98;
  
98°Art. 24quinquies : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 99;
CHAPITRE 7. - Sanctions
  
99°Art. 3, § 9 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 100;
  
100°Art. 6quater, troisième alinéa : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 101;
  
 Art. 24quater : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 101;
  
101°Art. 192 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 102;
  
102°Art. 35 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 103;
  
103°Art. 198 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 104;
  
104°Art. 199 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 105;
  
105°Art. 71, § 2 : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 106;
  
106°Art. 74quinquies 2 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 107;
  
107°Art. 7, § 2, § 3 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 108;
  
108°Art. 52novies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 109;
Titre 2. - Dispositions relatives aux élèves
CHAPITRE 1er. - Libre choix
  
109°Art. 4, alinéa 1er : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 110;
CHAPITRE 2. - Règlement d'école et règlement de centre
  
110°Art. 74octies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 111;
  
111°Art. 74novies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 112;
  
112°Art. 74decies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 113;
  
113°Art. 74undecies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 114;
CHAPITRE 3. - Conditions d'admission et validation des études
  
114°Art. 84quater, 1 ° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 115;
  
 Art. 48, 2°, décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II  
CHAPITRE 4. - Enseignement destiné aux jeunes malades
  
115°Art. 74bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 116;
  
116°Art. 74ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 117;
  
117°Art. 74quater : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 118;
  
118°Art. 74quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 119;
  
119°Art. 74quinquies 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 120;
  
120°Art. 74sexies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 121;
  
121°Art. 74septies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 122;
  
CHAPITRE 5. - Contrôle des inscriptions
  
122°Art. 71, §§ 1er et 2, alinéa 1er : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 123;
PARTIE IV. - Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein
Titre 1. - Dispositions relatives aux écoles
CHAPITRE 1er. - Structure et organisation
Section 1. - Structure et organisation au niveau macro
  
123°Art. 49 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 124;
  
124°Art. 50 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 125;
  
125°Art. 4 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 126;
  
126°Art. 5 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 127;
  
127°Art. 6 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 128;
  
128°Art. 7 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 129;
  
129°Art. 52bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 130;
  
130°Art. 51 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 131;
  
131°Art. 52ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 132;
  
132°Art. 8 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 133;
Section 2. - Structure et organisation au niveau de l'école
  
133°Art. 52 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 134;
  
134°Art. 52quater, § 1er, alinéas premier, deux, quatre; § 2 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 135;
  
135°Art. 52quinquies /1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 136;
  
136°Art. 52quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 137;
Section 3. - Objectifs finaux, objectifs de développement et programmes d'études
  
137°Art. 2, alinéa 1er : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 138, 261;
  
138°Art. 3 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 139, 262;
  
139°Art. 4 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 140;
  
140°Art. 5, § 1, § 2 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 141;
  
141°Art. 6 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 142;
  
142°Art. 7 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 143;
  
143°Art. 7bis : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 144, 264;
  
144°Art. 7ter : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 145, 265;
  
145°Art. 8 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 146, 266;
  
146°Art. 9 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 147, 267;
Section 4. - Horaire
  
147°Art. 1 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 148;
  
148°Art. 2 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 149;
  
149°art. 46, § 2, phrase deux : décret relatif à l'enseignement IIArt. 150;
  
150°Art. 5 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 151;
  
151°Art. 55bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 152;
  
152°Art. 53 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 153;
  
153°Art. 54 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 154;
  
154°Art. 54bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 155;
  
155°Art. 55, § 1-§ 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 156;
  
156°Art. 55, § 4-§ 8 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 157;
Section 5. - Enseignement modulaire expérimental
  
157°Art. 74duodecies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 158;
  
158°Art. 74ter decies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 159;
  
159°Art. 74quater decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 160;
  
160°Art. 74quinquies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 161;
  
161°Art. 74sexies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 162;
  
162°Art. 74sexies decies bis : décret relatif à l'enseignement IIArt. 163;
  
163°Art. 74septies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 164;
  
164°Art. 74duodevicies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 165;
  
165°Art. 74undevicies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 166;
  
166°Art. 74vicies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 167;
  
167°Art. 74vicies semel : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 168;
CHAPITRE 2. - Dates de comptage
  
168°Art. 3, § 8, alinéa 1er et deux;
  
 loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 169;
  
169°Art. 7bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 170;
  
170°Art. 3, § 8, 1°, alinéas trois et quatre; loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 171;
  
171°Art. 3, § 8, 1°, alinéa cinq et neuf; loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 172;
  
172°Art. 3, § 8, 2° : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 173;
CHAPITRE 3. - Programmation
Section 1. - Champ d'application
  
173°Art. 9 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 174, § 1;
  
 Art. 75 : décret 21/12/1994 relatif à l'enseignement VIArt. 174, § 2;
Section 2. - Programmation des écoles appartenant à un centre d'enseignement
  
174°Art. 25 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 175;
Section 3 : Programmation des subdivisions structurelles appartenant à un centre d'enseignement
  
175°Art. 26 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 176;
  
176°Art. 27 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 177;
  
177°Art. 28 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 178;
  
178°Art. 29 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 179;
Section 4. - Programmation des écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement
  
179°Art. 31 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 180;
Section 5. - Programmation des subdivisions structurelles par des écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement
  
180°Art. 32 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 181;
  
181°Art. 33 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 182;
  
182°Art. 34 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 183;
  
183°Art. 35 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 184;
  
184°Art. 36 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 185;
  
185°Art. 38 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 186;
  
186°Art. 40 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 187;
  
187°Art. 41 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 188;
CHAPITRE 4. - Rationalisation et fusion
Section 1. - Normes de rationalisation
  
188°Art. 47, alinéa deux : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 189;
  
189°Art. 47, alinéa 1er : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 190, § 1;
  
 Art. 48 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 190, § 2;
  
190°Art. 49 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 191;
  
191°Art. 50 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 192;
  
192°Art. 51 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 193;
  
193°Art. 52 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 194;
  
194°Art. 53 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 195;
  
195°Art. 54 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 196;
  
196°Art. 54bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 197;
  
197°Art. 55 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 198;
  
198°Art. 56bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 199;
  
Section 2. - Fusion d'écoles
  
199°Art. 56 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 200;
  
200°Art. 58bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 201, § 1er, § 2;
  
 Art. 56,3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 201, § 3;
  
201°Art. 58, alinéa deux : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 202, § 3;
  
 Art. 61 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 202, § 1er, § 2;
CHAPITRE 5. - Transformation et transfert
Section 1. - Champ d'application
  
202°Art. 42 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 203;
  
203°Art. 43 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 204;
Section 2. - Transformation
  
204°Art. 44 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 205;
Section 3; - Transfert
  
205°Art. 45 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 206;
CHAPITRE 6. - Financement et subventionnement
Section 1. - Financement et subventionnement des membres du personnel
Sous-section 1. - Directeur
  
206°Art. 83 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 207;
  
207°Art. 104 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 208;
Sous-section 2. - Personnel enseignant
  
208°Art. 57, § 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 209, § 1;
  
 Art. 59 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 209, § 2;
  
209°Art. 59quater : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 210;
  
210°Art. 57, § 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 211;
  
211°Art. 57, § 3bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 212;
  
212°Art. 57, § 3ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 213;
  
213°Art. 57, § 4 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 214;
  
214°Art. 57ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 215;
  
215°Art. 57bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 216;
Sous-section 3. - Ecoles avec option Rhin et navigation intérieure
  
216°Art. 99sexies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 217;
  
217°Art. 99septies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 218;
  
218°Art. 99octies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 219;
  
219°Art. 99novies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 220;
Sous-section 4. - Ecoles de sport de haut niveau
  
220°Art. 99decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 221;
Sous-section 5. - Enseignement d'accueil
  
 Art. 52quater, § 1er, alinéa trois :
  
221°décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 222;
Sous-section 6. - Ecoles secondaires artistiques
  
222°Art. 157 : décret 18/05/1999 relatif à l'enseignement XIArt. 223;
Sous-section 7. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation, premier degré
  
223°Art. VI.1 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 224;
  
224°Art. VI.2 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 225;
  
225°Art. VI.3 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 226;
  
226°Art. VI.4 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 227;
  
227°Art. VI.5 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 228;
  
228°Art. VI.6 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 229;
  
229°Art. VI.7 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 230;
  
230°Art. VI.8 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 231;
  
Sous-section 8. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation, deuxième et troisième degrés
  
231°Art. VI.10 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 232;
  
232°Art. VI.11 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 233;
  
233°Art. VI.12 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 234;
  
234°Art. VI.13 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 235;
  
235°Art. VI.14 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 236;
  
236°Art. VI.15 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 237;
  
237°Art. VI.16 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 238;
  
238°Art. VI.17 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 239;
  
239°Art. VI.18 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 240;
  
240°Art. VI.1 9bis : décret relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 241;
Section 2. - Financement et subventionnement du fonctionnement
Sous-section 1. - Caractéristiques de l'élève et caractéristiques de l'école
  
241°Art. 5, § 1, § 2, § 3 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 242;
Sous-section 2. - Fixation du budget total de fonctionnement et des prélèvements
  
242°Art. 6 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 243;
  
243°Art. 7 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 244;
Sous-section 3. - Répartition du crédit pour les caractéristiques de l'école et les caractéristiques de l'élève
  
244°Art. 8 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 245;
  
245°Art. 9 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 246;
  
246°Art. 10 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 247;
Sous-section 4. - Calcul du budget de fonctionnement par école
  
247°Art. 11 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 248;
  
248°Art. 12 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 249;
Sous-section 5. - Evaluation
  
249°Art. 5, § 4 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 250, 331;
  
250°Art. 21 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 251, 332;
Titre 2. - Dispositions relatives aux élèves
CHAPITRE 1er. - Elève régulier et élève libre
  
251°Art. 48, 20 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 252;
  
252°Art. 3, § 8, 50 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 253, 294;
CHAPITRE 2 : Conseil de classe et jury de la Communauté flamande
  
253°Art. 6quater, alinéas premier, deux et six : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 254;
  
254°Art. 84quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 255;
  
255°Art. 84bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 256, § 1;
  
 Art. 84ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 256, § 2, § 3;
PARTIE V. - Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement secondaire spécial
Titre 1. - Disposition introductive
  
256°Art. 1, § 1 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 257;
  
257°Art. 1, § 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 258;
Titre 2. - Dispositions communes relatives aux formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
Section 1. - Structure et organisation
  
258°Art. 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 259;
  
259°Art. 3bis, § 1, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 260;
Section 2. - Objectifs finaux, objectifs de développement, programme d'études et plan d'action
  
260°Art. 2, alinéa 1er : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 261,138;
  
261°Art. 3 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 262,139;
  
262°Art. 5, § 3 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 263;
  
263°Art. 7bis : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 264,144;
  
264°Art. 7ter : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 265,145;
  
265°Art. 8 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 266,146;
  
266°Art. 9 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 267,147;
Section 3. - Programmation et rationalisation
Sous-section 1. - Définitions et dispositions introductives
  
267°Art. 2 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 268;
  
268°Art. 3 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 269;
  
269°Art. 6 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 270;
  
270°Art. 7 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 271;
  
271°Art. 8 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 272;
  
272°Art. 9 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 273;
Sous-section 2. - Fusion
  
273°Art. 4 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 274;
  
274°Art. 5 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 275;
Sous-section 3. - Rationalisation
  
275°Art. 22 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 276;
  
276°Art. 23 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 277;
  
277°Art. 24 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 278;
  
278°Art. 25 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 279;
  
279°Art. 26 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 280;
  
280°Art. 27 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 281;
  
281°Art. 28 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 282;
  
282°Art. 29 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 283;
  
283°Art. 30 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 284;
  
284°Art. 31 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 285;
Sous-section 4. - Programmation
  
285°Art. 32 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 286;
  
286°Art. 33 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 287;
  
287°Art. 34 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 288;
  
288°Art. 35 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 289;
  
289°Art. 35/1 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 290;
CHAPITRE 2. - Dispositions relatives aux élèves des formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
Section 1. - Conditions d'admission
Sous-section 1. - Age
  
290°Art. 4, alinéa 1er : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 291;
  
291°Art. 5, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 292;
  
292°Art. 4, alinéas deux, trois : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 293;
Sous-section 2. - Rapport d'inscription et attestation
  
293°Art. 5, § 1, § 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 294;
Sous-section 3. - Type 5
  
294°Art. 3, § 8, 5° : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 295, 253;
CHAPITRE 3. - Financement et subventionnement
Section 1. - Financement et subventionnement des membres du personnel
Sous-section 1. - Directeur
  
295°Art. 84 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 296;
Sous-section 2. - Personnel enseignant
  
296°Art. 1 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 297;
  
297°Art. 2, § 1, § 2, § 3 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 298;
  
298°Art. 3 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 299;
  
299°Art. 4 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 300;
  
300°Art. 22 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 301;
  
301°Art. 23 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 302;
  
302°Art. 6 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 303;
  
303°Art. 5 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 304;
  
304°Art. 2, § 5, § 6 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 305;
  
305°Art. 21, § 2, alinéa trois : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 306;
  
306°Art. 21, § 1er, § 2, alinéas 1er et 2 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 307, § 1er, § 2
  
 Art. 3, § 2 : arrêté royal n°297 charges dans l'enseignementArt. 307, § 3
  
307°Art. 24 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 308;
Sous-section 3. - Personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique
  
308°Art. 1 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 309;
  
309°Art. 2 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 310;
  
310°Art. 3, § 1, § 2 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 311;
  
311°Art. 6 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 312;
  
312°Art. 3, § 4, § 6 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 313;
  
313°Art. 3, § 3 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 314;
Sous-section 4. - Heures de plage
  
314°Art. 57bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 315, 216;
Sous-section 5. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation
  
315°Art. VI.22 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 316;
  
316°Art. VI.23 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 317;
  
317°Art. VI.24 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 318;
  
318°Art. VI.25 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 319;
  
319°Art. VI.26 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 320;
  
320°Art. VI.27 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 321;
  
321°Art. VI.28 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 322;
Section 2. - Financement et subventionnement du fonctionnement
Sous-section 1. - Caractéristiques de l'école
  
322°Art. 5, § 1, 20 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 323;
Sous-section 2. - Fixation du budget total de fonctionnement et des prélèvements
  
323°Art. 13 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 324;
  
324°Art. 14 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 325;
Sous-section 3. - Répartition des budgets de fonctionnement pour des caractéristiques de l'école
  
325°Art. 15 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 326;
  
326°Art. 16 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 327;
Sous-section 4. - Calcul du budget de fonctionnement par école
  
327°Art. 17 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 328;
  
328°Art. 18 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 329;
Sous-section 5. - Calcul de la subvention d'intégration par école
  
329°Art. 19 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 330;
Sous-section 6. - Evaluation
  
330°Art. 5, § 4 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 331, 250;
  
331°Art. 21 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 332, 251;
Titre 3. - Dispositions spécifiques relatives aux formes d'enseignement 1, 2 et 3
CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux formes d'enseignement 1, 2 et 3
Section 1. - Structure et organisation
  
332°Art. 3bis, § 2, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 333;
  
333°Art. 42 : décret 14/07/1998 relatif à l'enseignement IXArt. 334;
CHAPITRE 2. - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 3
Section 1. - Structure et organisation
  
334°Art. IV.14, alinéa 1er et deux; décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 335;
  
335°Art. 5ter : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 336;
  
336°Art. 5quater : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 337;
  
337°Art. 5quinquies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 338;
  
338°Art. 5sexies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 339;
  
339°Art. 5septies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 340;
Section 2. - Enseignement modulaire expérimental
  
340°Art. 20bis : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 341;
  
341°Art. 20ter : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 342;
  
342°Art. 20quater : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 343;
  
343°Art. 20quinquies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 344;
  
344°Art. 20sexies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 345;
  
345°Art. 20septies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 346;
  
346°Art. 20octies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 347;
  
347°Art. 20novies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 348;
  
348°Art. 20decies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 349;
Titre 4. - Dispositions spécifiques relatives à la forme d'enseignement 4
CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 4, à l'exception des écoles hospitalières
  
349°Art. 47, 40 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 350;
Titre 5. - Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement intégré et au matériel éducatif spécifique
CHAPITRE 1er. - L'enseignement intégré
  
350°Art. 5bis : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 351;
  
351°Art. 5bis 1 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 352;
  
352°Art. 5bis 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 353;
  
 Art. 5bis 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 353;
  
353°Art. 5bis 4 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 354;
  
354°Art. 5bis 5 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 355;
  
355°Art. 5bis 6 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 356;
CHAPITRE 2. - Le matériel éducatif spécifique
  
356°Art. 67 : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 357;
  
357°PARTIE VI. - Dates d'effet Art. 358;
  
358°PARTIE VII. - Adaptations des références aux articles repris dans la codification Art. 359.
  
359°Annexe Ire. - Répartition en zones d'enseignement
PARTIE Ire. - Dispositions introductives
1°Art. 1er, alinéa 1er; loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 2;
Art. 64 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement II
Art. 2bis, Art. 3 : décret 14/07/1998 enseignement secondaire
Art. 47, 10, 20, 30 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIPARTIE II. - Définitions
2°Art. 46, § 2, première phrase; § 2, deuxième alinéa; § 3 : décret relatif à l'enseignement II
Art. 48, sauf 20 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement II
Art. 2 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 3;PARTIE III. - Dispositions communes relatives à l'enseignement secondaireTitre 1er. - Dispositions relatives aux écolesCHAPITRE 1er. - Généralités
3°Art. 46, § 1er : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 4;
4°Art. 2 : loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 5;
5°Art. 3, § 1er, alinéas premier, troisième et quatrième, et § 2 : loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 6;
6°Art. V.9 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 7;
7°Art. V.10 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 8;
8°Art. V.11 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 9;
9°Art. V.12 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 10;
10°Art. 71 : décret 15/07/1997 relatif à l'enseignement VIIIArt. 11;
11°Art. 7, § 1er : loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 12;CHAPITRE 2. - Conditions d'agrément
12°Art. 24bis, § 4 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 13;
13°Art. 24ter : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 14;CHAPITRE 3. - Financement et subventionnementSection 1re. - Conditions
14°Art. 24bis, §§ 1er, 2 et 3 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 15;Section 2. - Financement et subventionnement des membres du personnelSous-section 1. - Rémunération
15°Art. 26 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 16;
Art. 36, § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 16;
16°Art. 27, § 1er, alinéas 1er et 2; § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 17;
17°Art. 28 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 18;Sous-section 2. - Personnel enseignant
18°Art. 3, § 5 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 19;
19°Art. 3, § 6 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 20;
20°Art. 59bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 21, § 1er;
Art. 59ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 21, § 2-§ 6;
21°Art. 59quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 22;Sous-section 3. - Enveloppe globale de points
22°Art. 93, § 2, § 3 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 23;
23°Art. 94 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 24;
24°Art. 95 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 25;
25°Art. 96 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 26;
26°Art. 97 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 27;
27°Art. 98 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 28;
28°Art. 99 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 29;
29°Art. 99bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 30;
30°Art. 99ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 31;Sous-section 4. - Enveloppe de points Conseil de l'Enseignement communautaire
31°Art. 99quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 32;Sous-section 5. - Stages en entreprise
32°Art. 99duodecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 33;
33°Art. 99ter decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 34;Section 3. - Financement et subventionnement du fonctionnementSous-section 1re. - Généralités
34°Art. V.13 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 35;
35°Art. 25 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 36;
36°Art. 32, § 1er : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 37;
37°Art. 36bis : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 38;
38°Art. 3, § 1er, alinéa deux : loi 29/5/1959Art. 39;
39°Art. 5 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 40;
40°Art. 36, § 1er : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 41;
41°Art. 3, § 8, 1°, alinéa huit : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 42;
42°Art. X.5 : décret 15/07/2005 relatif à l'enseignement XVArt. 43;Sous-section 2. - Projets "time-out"
43°Art. X.3 : décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 44;Sous-section 3. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
44°Art. X.6 : décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 45;
45°Art. X.7; décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 46;
Sous-section 4. - Mesures spéciales pour les formations techniques ou à vocation professionnelle
46°Art. 103 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 47;
47°Art. 103bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 48;CHAPITRE 4. - Centres d'enseignement Section 1. - Généralités
48°Art. 62 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 49;Section 2. - Constitution d'un centre d'enseignement
49°Art. 63 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 50;
50°Art. 64 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 51;
51°Art. 65 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 52;
52°Art. 66 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 53;
53°Art. 67 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 54;
54°Art. 68 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 55;
55°Art. 70 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 56;Section 3. - Compétences d'un centre d'enseignement
56°Art. 71 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 57;
57°Art. 72 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 58;Section 4. - Divers avantages pour les centres d'enseignement
58°Art. 73 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 59;
59°Art. 74 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 60;
60°Art. 75 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 61;
61°Art. 76 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 62;
62°Art. 77 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 63;
63°Art. 78 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 64;
64°Art. 80 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 65;
65°Art. 81 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 66;CHAPITRE 5. - OrganesSection 1. - 'Commissie voor Advies Buitengewoon Onderwijs' (Commission consultative de l'enseignement spécial)
66°Art. 6 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 67;
67°Art. 7 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 68, § 1er, § 2;
Art. 11 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 68, § 3;Section 2. - Organisations syndicales représentatives
68°Art. 156 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 69, § 1er, § 2;
Art. 158 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 69, § 3;Section 3. - Organes de concertation sur les réformes fondamentales de l'enseignement
69°Art. 46bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 70;Section 4. - Comité local au niveau du centre d'enseignementSous-section 1. - Centre d'enseignement de l'enseignement officiel subventionné
70°Art. 81 bis ; décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 71;
71°Art. 81ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 72;
72°Art. 81quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 73;
73°Art. 81quinquies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 74;
74°Art. 81sexies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 75;
75°Art. 81septies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 76;
76°Art. 81octies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 77;
77°Art. 81novies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 78;
78°Art. 81decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 79;
79°Art. 81undecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 80;
80°Art. 81duodecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 81;
Sous-section 2. - Centres d'enseignement transréseaux
81°Art. 81ter decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 82;
82°Art. 81quater decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 83;
83°Art. 81quinquies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 84;
84°Art. 81sexies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 85;
85°Art. 81septies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 86;
86°Art. 81duodevicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 87;
87°Art. 81undevicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 88;
88°Art. 81vicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 89;
89°Art. 81vicies semel : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 90;
90°Art. 81vicies bis décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 91;
91°Art. 81vicies ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 92;
92°Art. 81vicies quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 93;
93°Art. 81vicies quinquies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 94;Sous-section 3. - Droit de consultation comité local
94°Art. 159 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 95;CHAPITRE 6. - Enseignement philosophique
95°Art. 52sexies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 96;
96°Art. 52septies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 97;
97°Art. 52octies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 98;
98°Art. 24quinquies : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 99;CHAPITRE 7. - Sanctions
99°Art. 3, § 9 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 100;
100°Art. 6quater, troisième alinéa : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 101;
Art. 24quater : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 101;
101°Art. 192 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 102;
102°Art. 35 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 103;
103°Art. 198 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 104;
104°Art. 199 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 105;
105°Art. 71, § 2 : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 106;
106°Art. 74quinquies 2 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 107;
107°Art. 7, § 2, § 3 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 108;
108°Art. 52novies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 109;Titre 2. - Dispositions relatives aux élèvesCHAPITRE 1er. - Libre choix
109°Art. 4, alinéa 1er : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 110;CHAPITRE 2. - Règlement d'école et règlement de centre
110°Art. 74octies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 111;
111°Art. 74novies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 112;
112°Art. 74decies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 113;
113°Art. 74undecies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 114;CHAPITRE 3. - Conditions d'admission et validation des études
114°Art. 84quater, 1 ° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 115;
Art. 48, 2°, décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II CHAPITRE 4. - Enseignement destiné aux jeunes malades
115°Art. 74bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 116;
116°Art. 74ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 117;
117°Art. 74quater : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 118;
118°Art. 74quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 119;
119°Art. 74quinquies 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 120;
120°Art. 74sexies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 121;
121°Art. 74septies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 122;
CHAPITRE 5. - Contrôle des inscriptions
122°Art. 71, §§ 1er et 2, alinéa 1er : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 123;PARTIE IV. - Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement secondaire ordinaire à temps pleinTitre 1. - Dispositions relatives aux écolesCHAPITRE 1er. - Structure et organisationSection 1. - Structure et organisation au niveau macro
123°Art. 49 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 124;
124°Art. 50 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 125;
125°Art. 4 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 126;
126°Art. 5 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 127;
127°Art. 6 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 128;
128°Art. 7 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 129;
129°Art. 52bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 130;
130°Art. 51 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 131;
131°Art. 52ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 132;
132°Art. 8 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 133;Section 2. - Structure et organisation au niveau de l'école
133°Art. 52 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 134;
134°Art. 52quater, § 1er, alinéas premier, deux, quatre; § 2 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 135;
135°Art. 52quinquies /1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 136;
136°Art. 52quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 137;Section 3. - Objectifs finaux, objectifs de développement et programmes d'études
137°Art. 2, alinéa 1er : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 138, 261;
138°Art. 3 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 139, 262;
139°Art. 4 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 140;
140°Art. 5, § 1, § 2 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 141;
141°Art. 6 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 142;
142°Art. 7 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 143;
143°Art. 7bis : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 144, 264;
144°Art. 7ter : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 145, 265;
145°Art. 8 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 146, 266;
146°Art. 9 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 147, 267;Section 4. - Horaire
147°Art. 1 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 148;
148°Art. 2 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 149;
149°art. 46, § 2, phrase deux : décret relatif à l'enseignement IIArt. 150;
150°Art. 5 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 151;
151°Art. 55bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 152;
152°Art. 53 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 153;
153°Art. 54 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 154;
154°Art. 54bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 155;
155°Art. 55, § 1-§ 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 156;
156°Art. 55, § 4-§ 8 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 157;Section 5. - Enseignement modulaire expérimental
157°Art. 74duodecies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 158;
158°Art. 74ter decies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 159;
159°Art. 74quater decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 160;
160°Art. 74quinquies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 161;
161°Art. 74sexies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 162;
162°Art. 74sexies decies bis : décret relatif à l'enseignement IIArt. 163;
163°Art. 74septies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 164;
164°Art. 74duodevicies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 165;
165°Art. 74undevicies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 166;
166°Art. 74vicies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 167;
167°Art. 74vicies semel : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 168;CHAPITRE 2. - Dates de comptage
168°Art. 3, § 8, alinéa 1er et deux;
loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 169;
169°Art. 7bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 170;
170°Art. 3, § 8, 1°, alinéas trois et quatre; loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 171;
171°Art. 3, § 8, 1°, alinéa cinq et neuf; loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 172;
172°Art. 3, § 8, 2° : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 173;CHAPITRE 3. - ProgrammationSection 1. - Champ d'application
173°Art. 9 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 174, § 1;
Art. 75 : décret 21/12/1994 relatif à l'enseignement VIArt. 174, § 2;Section 2. - Programmation des écoles appartenant à un centre d'enseignement
174°Art. 25 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 175;Section 3 : Programmation des subdivisions structurelles appartenant à un centre d'enseignement
175°Art. 26 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 176;
176°Art. 27 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 177;
177°Art. 28 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 178;
178°Art. 29 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 179;Section 4. - Programmation des écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement
179°Art. 31 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 180;Section 5. - Programmation des subdivisions structurelles par des écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement
180°Art. 32 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 181;
181°Art. 33 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 182;
182°Art. 34 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 183;
183°Art. 35 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 184;
184°Art. 36 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 185;
185°Art. 38 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 186;
186°Art. 40 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 187;
187°Art. 41 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 188;CHAPITRE 4. - Rationalisation et fusionSection 1. - Normes de rationalisation
188°Art. 47, alinéa deux : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 189;
189°Art. 47, alinéa 1er : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 190, § 1;
Art. 48 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 190, § 2;
190°Art. 49 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 191;
191°Art. 50 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 192;
192°Art. 51 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 193;
193°Art. 52 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 194;
194°Art. 53 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 195;
195°Art. 54 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 196;
196°Art. 54bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 197;
197°Art. 55 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 198;
198°Art. 56bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 199;
Section 2. - Fusion d'écoles
199°Art. 56 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 200;
200°Art. 58bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 201, § 1er, § 2;
Art. 56,3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 201, § 3;
201°Art. 58, alinéa deux : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 202, § 3;
Art. 61 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 202, § 1er, § 2;CHAPITRE 5. - Transformation et transfertSection 1. - Champ d'application
202°Art. 42 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 203;
203°Art. 43 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 204;Section 2. - Transformation
204°Art. 44 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 205;Section 3; - Transfert
205°Art. 45 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 206;CHAPITRE 6. - Financement et subventionnementSection 1. - Financement et subventionnement des membres du personnelSous-section 1. - Directeur
206°Art. 83 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 207;
207°Art. 104 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 208;Sous-section 2. - Personnel enseignant
208°Art. 57, § 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 209, § 1;
Art. 59 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 209, § 2;
209°Art. 59quater : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 210;
210°Art. 57, § 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 211;
211°Art. 57, § 3bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 212;
212°Art. 57, § 3ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 213;
213°Art. 57, § 4 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 214;
214°Art. 57ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 215;
215°Art. 57bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 216;Sous-section 3. - Ecoles avec option Rhin et navigation intérieure
216°Art. 99sexies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 217;
217°Art. 99septies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 218;
218°Art. 99octies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 219;
219°Art. 99novies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 220;Sous-section 4. - Ecoles de sport de haut niveau
220°Art. 99decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 221;Sous-section 5. - Enseignement d'accueil
Art. 52quater, § 1er, alinéa trois :
221°décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 222;Sous-section 6. - Ecoles secondaires artistiques
222°Art. 157 : décret 18/05/1999 relatif à l'enseignement XIArt. 223;Sous-section 7. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation, premier degré
223°Art. VI.1 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 224;
224°Art. VI.2 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 225;
225°Art. VI.3 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 226;
226°Art. VI.4 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 227;
227°Art. VI.5 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 228;
228°Art. VI.6 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 229;
229°Art. VI.7 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 230;
230°Art. VI.8 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 231;
Sous-section 8. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation, deuxième et troisième degrés
231°Art. VI.10 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 232;
232°Art. VI.11 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 233;
233°Art. VI.12 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 234;
234°Art. VI.13 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 235;
235°Art. VI.14 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 236;
236°Art. VI.15 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 237;
237°Art. VI.16 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 238;
238°Art. VI.17 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 239;
239°Art. VI.18 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 240;
240°Art. VI.1 9bis : décret relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 241;Section 2. - Financement et subventionnement du fonctionnementSous-section 1. - Caractéristiques de l'élève et caractéristiques de l'école
241°Art. 5, § 1, § 2, § 3 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 242;Sous-section 2. - Fixation du budget total de fonctionnement et des prélèvements
242°Art. 6 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 243;
243°Art. 7 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 244;Sous-section 3. - Répartition du crédit pour les caractéristiques de l'école et les caractéristiques de l'élève
244°Art. 8 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 245;
245°Art. 9 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 246;
246°Art. 10 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 247;Sous-section 4. - Calcul du budget de fonctionnement par école
247°Art. 11 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 248;
248°Art. 12 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 249;Sous-section 5. - Evaluation
249°Art. 5, § 4 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 250, 331;
250°Art. 21 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 251, 332;Titre 2. - Dispositions relatives aux élèvesCHAPITRE 1er. - Elève régulier et élève libre
251°Art. 48, 20 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 252;
252°Art. 3, § 8, 50 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 253, 294;CHAPITRE 2 : Conseil de classe et jury de la Communauté flamande
253°Art. 6quater, alinéas premier, deux et six : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 254;
254°Art. 84quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 255;
255°Art. 84bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 256, § 1;
Art. 84ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 256, § 2, § 3;PARTIE V. - Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement secondaire spécialTitre 1. - Disposition introductive
256°Art. 1, § 1 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 257;
257°Art. 1, § 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 258;Titre 2. - Dispositions communes relatives aux formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4Section 1. - Structure et organisation
258°Art. 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 259;
259°Art. 3bis, § 1, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 260;Section 2. - Objectifs finaux, objectifs de développement, programme d'études et plan d'action
260°Art. 2, alinéa 1er : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 261,138;
261°Art. 3 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 262,139;
262°Art. 5, § 3 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 263;
263°Art. 7bis : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 264,144;
264°Art. 7ter : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 265,145;
265°Art. 8 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 266,146;
266°Art. 9 : décret 18/01/2002 objectifs finaux et objectifs de développement Art. 267,147;Section 3. - Programmation et rationalisationSous-section 1. - Définitions et dispositions introductives
267°Art. 2 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 268;
268°Art. 3 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 269;
269°Art. 6 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 270;
270°Art. 7 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 271;
271°Art. 8 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 272;
272°Art. 9 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 273;Sous-section 2. - Fusion
273°Art. 4 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 274;
274°Art. 5 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 275;Sous-section 3. - Rationalisation
275°Art. 22 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 276;
276°Art. 23 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 277;
277°Art. 24 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 278;
278°Art. 25 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 279;
279°Art. 26 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 280;
280°Art. 27 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 281;
281°Art. 28 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 282;
282°Art. 29 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 283;
283°Art. 30 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 284;
284°Art. 31 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 285;Sous-section 4. - Programmation
285°Art. 32 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 286;
286°Art. 33 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 287;
287°Art. 34 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 288;
288°Art. 35 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 289;
289°Art. 35/1 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 290;CHAPITRE 2. - Dispositions relatives aux élèves des formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4Section 1. - Conditions d'admissionSous-section 1. - Age
290°Art. 4, alinéa 1er : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 291;
291°Art. 5, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 292;
292°Art. 4, alinéas deux, trois : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 293;Sous-section 2. - Rapport d'inscription et attestation
293°Art. 5, § 1, § 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 294;Sous-section 3. - Type 5
294°Art. 3, § 8, 5° : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 295, 253;CHAPITRE 3. - Financement et subventionnementSection 1. - Financement et subventionnement des membres du personnelSous-section 1. - Directeur
295°Art. 84 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 296;Sous-section 2. - Personnel enseignant
296°Art. 1 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 297;
297°Art. 2, § 1, § 2, § 3 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 298;
298°Art. 3 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 299;
299°Art. 4 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 300;
300°Art. 22 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 301;
301°Art. 23 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 302;
302°Art. 6 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 303;
303°Art. 5 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 304;
304°Art. 2, § 5, § 6 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 305;
305°Art. 21, § 2, alinéa trois : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 306;
306°Art. 21, § 1er, § 2, alinéas 1er et 2 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 307, § 1er, § 2
Art. 3, § 2 : arrêté royal n°297 charges dans l'enseignementArt. 307, § 3
307°Art. 24 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 308;Sous-section 3. - Personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique
308°Art. 1 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 309;
309°Art. 2 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 310;
310°Art. 3, § 1, § 2 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 311;
311°Art. 6 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 312;
312°Art. 3, § 4, § 6 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 313;
313°Art. 3, § 3 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 314;Sous-section 4. - Heures de plage
314°Art. 57bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 315, 216;Sous-section 5. - Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation
315°Art. VI.22 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 316;
316°Art. VI.23 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 317;
317°Art. VI.24 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 318;
318°Art. VI.25 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 319;
319°Art. VI.26 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 320;
320°Art. VI.27 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 321;
321°Art. VI.28 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 322;Section 2. - Financement et subventionnement du fonctionnementSous-section 1. - Caractéristiques de l'école
322°Art. 5, § 1, 20 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 323;Sous-section 2. - Fixation du budget total de fonctionnement et des prélèvements
323°Art. 13 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 324;
324°Art. 14 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 325;Sous-section 3. - Répartition des budgets de fonctionnement pour des caractéristiques de l'école
325°Art. 15 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 326;
326°Art. 16 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 327;Sous-section 4. - Calcul du budget de fonctionnement par école
327°Art. 17 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 328;
328°Art. 18 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 329;Sous-section 5. - Calcul de la subvention d'intégration par école
329°Art. 19 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 330;Sous-section 6. - Evaluation
330°Art. 5, § 4 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 331, 250;
331°Art. 21 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 332, 251;Titre 3. - Dispositions spécifiques relatives aux formes d'enseignement 1, 2 et 3CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux formes d'enseignement 1, 2 et 3 Section 1. - Structure et organisation
332°Art. 3bis, § 2, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 333;
333°Art. 42 : décret 14/07/1998 relatif à l'enseignement IXArt. 334;CHAPITRE 2. - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 3Section 1. - Structure et organisation
334°Art. IV.14, alinéa 1er et deux; décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 335;
335°Art. 5ter : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 336;
336°Art. 5quater : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 337;
337°Art. 5quinquies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 338;
338°Art. 5sexies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 339;
339°Art. 5septies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 340;Section 2. - Enseignement modulaire expérimental
340°Art. 20bis : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 341;
341°Art. 20ter : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 342;
342°Art. 20quater : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 343;
343°Art. 20quinquies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 344;
344°Art. 20sexies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 345;
345°Art. 20septies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 346;
346°Art. 20octies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 347;
347°Art. 20novies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 348;
348°Art. 20decies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 349;Titre 4. - Dispositions spécifiques relatives à la forme d'enseignement 4CHAPITRE 1er. - Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 4, à l'exception des écoles hospitalières
349°Art. 47, 40 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 350;Titre 5. - Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement intégré et au matériel éducatif spécifiqueCHAPITRE 1er. - L'enseignement intégré
350°Art. 5bis : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 351;
351°Art. 5bis 1 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 352;
352°Art. 5bis 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 353;
Art. 5bis 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 353;
353°Art. 5bis 4 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 354;
354°Art. 5bis 5 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 355;
355°Art. 5bis 6 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 356;CHAPITRE 2. - Le matériel éducatif spécifique
356°Art. 67 : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 357;
357°PARTIE VI. - Dates d'effet Art. 358;
358°PARTIE VII. - Adaptations des références aux articles repris dans la codification Art. 359.
359°Annexe Ire. - Répartition en zones d'enseignement
Art. N4. Bijlage IV. - Addendum III. - Concordantietabel nieuwe artikelen gerangschikt volgens de vroegere artikelen
  I. Wet van 29/5/59 tot wijziging van de onderwijswetgeving
Art. N4. Annexe IV. - Addenda III. - Table de concordance nouveaux articles classes selon les articles anciens
  I. Loi du 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignement

  
  
artikel 1, eerste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 2;
  
artikel 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 5;
  
artikel 3, § 1, eerste, derde, vierde lid en § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 6;
  
artikel 3, § 1, tweede lid : wet tot wijziging onderwijswetgevingartikel 39;
  
artikel 3, § 5 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 19;
  
artikel 3, § 6 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 20;
  
artikel 3, § 8,1°, eerste en tweede lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 169;
  
artikel 3, § 8, 1°, derde en vierde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 171;
  
artikel 3, § 8, 1°, vijfde en negende lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 172;
  
10°artikel 3, § 8, 1°, achtste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 42;
  
11°artikel 3, § 8, 2° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 173;
  
12°artikel 3, § 8, 5° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 253, 295;
  
13°artikel 3, § 9 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 100;
  
14°artikel 4, eerste en tweede lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 110;
  
15°artikel 6quater, eerste, tweede, zesde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 254;
  
16°artikel 6quater, derde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 101;
  
17°artikel 7, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 12;
  
18°artikel 7, § 2, § 3 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 108;
  
19°artikel 24bis, § 1, § 2, § 3 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 15;
  
20°artikel 24bis, § 4 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 13;
  
21°artikel 24ter : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 14;
  
22°artikel 24quater : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 101;
  
23°artikel 24quinquies : wet tot wijziging onderwijswetgevingartikel 99;
  
24°artikel 25 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 36;
  
25°artikel 26 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 16;
  
26°artikel 27, § 1, eerste, tweede lid; § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 17;
  
27°artikel 28 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 18;
  
28°artikel 32, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 37;
  
29°artikel 35 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 103;
  
30°artikel 36, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 41;
  
31°artikel 36, § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 16;
  
32°artikel 36bis : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 38.

  
  
Art. 1, alinéa 1er : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 2;
  
Art. 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 5;
  
Art. 3, § 1er, alinéas premier, trois et quatre, et § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 6;
  
Art. 3, § 1er, alinéa deux : loi modifiant la législation de l'enseignementArt. 39;
  
Art. 3, § 5 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 19;
  
Art. 3, § 6 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 20;
  
Art. 3, § 8, alinéa 1er et deux; loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 169;
  
Art. 3, § 8, 1°, alinéas trois et quatre : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 171;
  
Art. 3, § 8, 1°, alinéa cinq et neuf : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 172;
  
10°Art. 3, § 8, 1°, alinéa huit : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 42;
  
11°Art. 3, § 8, 2° : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 173;
  
12°Art. 3, § 8, 5° : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 253, 295;
  
13°Art. 3, § 9 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 100;
  
14°Art. 4, alinéa 1er et deux : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 110;
  
15°Art. 6quater, alinéas premier, deux et six : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 254;
  
16°Art. 6quater, troisième alinéa : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 101;
  
17°Art. 7, § 1 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 12;
  
18°Art. 7, § 2, § 3 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 108;
  
19°Art. 24bis, §§ 1er, 2 et 3 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 15;
  
20°Art. 24bis, § 4 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 13;
  
21°Art. 24ter : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 14;
  
22°Art. 24quater : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 101;
  
23°Art. 24quinquies : loi modifiant la législation de l'enseignementArt. 99;
  
24°Art. 25 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 36;
  
25°Art. 26 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 16;
  
26°Art. 27, § 1er, alinéas 1er et 2; § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 17;
  
27°Art. 28 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 18;
  
28°Art. 32, § 1 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 37;
  
29°Art. 35 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 103;
  
30°Art. 36, § 1 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 41;
  
31°Art. 36, § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 16;
  
32°Art. 36bis : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 38.
1°artikel 1, eerste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 2;
2°artikel 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 5;
3°artikel 3, § 1, eerste, derde, vierde lid en § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 6;
artikel 3, § 1, tweede lid : wet tot wijziging onderwijswetgevingartikel 39;
artikel 3, § 5 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 19;
6°artikel 3, § 6 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 20;
7°artikel 3, § 8,1°, eerste en tweede lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 169;
artikel 3, § 8, 1°, derde en vierde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 171;
9°artikel 3, § 8, 1°, vijfde en negende lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 172;
10°artikel 3, § 8, 1°, achtste lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 42;
11°artikel 3, § 8, 2° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 173;
12°artikel 3, § 8, 5° : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 253, 295;
13°artikel 3, § 9 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 100;
14°artikel 4, eerste en tweede lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 110;
15°artikel 6quater, eerste, tweede, zesde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 254;
16°artikel 6quater, derde lid : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 101;
17°artikel 7, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 12;
18°artikel 7, § 2, § 3 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 108;
19°artikel 24bis, § 1, § 2, § 3 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgeving artikel 15;
20°artikel 24bis, § 4 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 13;
21°artikel 24ter : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 14;
22°artikel 24quater : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 101;
23°artikel 24quinquies : wet tot wijziging onderwijswetgevingartikel 99;
24°artikel 25 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 36;
25°artikel 26 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 16;
26°artikel 27, § 1, eerste, tweede lid; § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 17;
27°artikel 28 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 18;
28°artikel 32, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 37;
29°artikel 35 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 103;
30°artikel 36, § 1 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 41;
31°artikel 36, § 2 : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 16;
32°artikel 36bis : wet 29/5/1959 tot wijziging onderwijswetgevingartikel 38.
1°Art. 1, alinéa 1er : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 2;
2°Art. 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 5;
3°Art. 3, § 1er, alinéas premier, trois et quatre, et § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 6;
4°Art. 3, § 1er, alinéa deux : loi modifiant la législation de l'enseignementArt. 39;
5°Art. 3, § 5 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 19;
6°Art. 3, § 6 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 20;
7°Art. 3, § 8, alinéa 1er et deux; loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 169;
8°Art. 3, § 8, 1°, alinéas trois et quatre : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 171;
9°Art. 3, § 8, 1°, alinéa cinq et neuf : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 172;
10°Art. 3, § 8, 1°, alinéa huit : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 42;
11°Art. 3, § 8, 2° : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 173;
12°Art. 3, § 8, 5° : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 253, 295;
13°Art. 3, § 9 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 100;
14°Art. 4, alinéa 1er et deux : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 110;
15°Art. 6quater, alinéas premier, deux et six : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 254;
16°Art. 6quater, troisième alinéa : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 101;
17°Art. 7, § 1 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 12;
18°Art. 7, § 2, § 3 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 108;
19°Art. 24bis, §§ 1er, 2 et 3 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 15;
20°Art. 24bis, § 4 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 13;
21°Art. 24ter : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 14;
22°Art. 24quater : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 101;
23°Art. 24quinquies : loi modifiant la législation de l'enseignementArt. 99;
24°Art. 25 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 36;
25°Art. 26 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 16;
26°Art. 27, § 1er, alinéas 1er et 2; § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 17;
27°Art. 28 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 18;
28°Art. 32, § 1 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 37;
29°Art. 35 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 103;
30°Art. 36, § 1 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 41;
31°Art. 36, § 2 : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 16;
32°Art. 36bis : loi 29/05/1959 modifiant la législation de l'enseignementArt. 38.
  II. Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs
  II. Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré

  
  
artikel 1, § 1 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijsartikel 257;
  
artikel 1, § 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijsartikel 258;
  
artikel 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 259;
  
artikel 3bis, § 1, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 260;
  
artikel 3bis, § 2, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 333;
  
artikel 4, eerste lid : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 291;
  
artikel 4, tweede, derde lid : wet buitengewoon onderwijs artikel 293;
  
artikel 5, § 1, § 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 294;
  
artikel 5, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 292;
  
10° artikel 5bis : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 351;
  
11° artikel 5bis 1 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 352;
  
12° artikel 5bis 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 353;
  
 artikel 5bis 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 353;
  
13° artikel 5bis 4 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 354;
  
14° artikel 5bis 5 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 355;
  
15° artikel 5bis 6 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 356;
  
16° artikel 5ter : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 336;
  
17° artikel 5quater : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 337;
  
18° artikel 5quinquies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 338;
  
19° artikel 5sexies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 339;
  
20° artikel 5septies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 340;
  
21° artikel 6 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 67;
  
22° artikel 7 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijsartikel 68, § 1, § 2;
  
 artikel 11 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijsartikel 68, § 3.

  
  
Art. 1, § 1 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 257;
  
Art. 1, § 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 258;
  
Art. 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 259;
  
Art. 3bis, § 1, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 260;
  
Art. 3bis, § 2, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 333;
  
Art. 4, alinéa 1er : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 291;
  
Art. 4, alinéas deux, trois : Loi sur l'enseignement spécialArt. 293;
  
Art. 5, § 1, § 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 294;
  
Art. 5, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 292;
  
10°Art. 5bis : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 351;
  
11°Art. 5bis 1 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 352;
  
12°Art. 5bis 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 353;
  
 Art. 5bis 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 353;
  
13°Art. 5bis 4 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 354;
  
14°Art. 5bis 5 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 355;
  
15°Art. 5bis 6 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 356;
  
16°AArt. 5ter : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 336;
  
17°Art. 5quater : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 337;
  
18°Art. 5quinquies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 338;
  
19°Art. 5sexies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 339;
  
20°Art. 5septies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 340;
  
21°Art. 6 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 67;
  
22°Art. 7 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 68, § 1, § 2;
  
 Art. 11 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 68, § 3.
artikel 1, § 1 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijsartikel 257;
2°artikel 1, § 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijsartikel 258;
artikel 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 259;
artikel 3bis, § 1, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 260;
artikel 3bis, § 2, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 333;
artikel 4, eerste lid : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 291;
artikel 4, tweede, derde lid : wet buitengewoon onderwijs artikel 293;
artikel 5, § 1, § 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 294;
artikel 5, § 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 292;
10° artikel 5bis : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 351;
11° artikel 5bis 1 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 352;
12° artikel 5bis 2 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 353;
artikel 5bis 3 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 353;
13° artikel 5bis 4 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 354;
14° artikel 5bis 5 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 355;
15° artikel 5bis 6 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 356;
16° artikel 5ter : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 336;
17° artikel 5quater : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 337;
18° artikel 5quinquies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 338;
19° artikel 5sexies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 339;
20° artikel 5septies : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 340;
21° artikel 6 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijs artikel 67;
22° artikel 7 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijsartikel 68, § 1, § 2;
artikel 11 : wet 6/7/1970 buitengewoon onderwijsartikel 68, § 3.
1°Art. 1, § 1 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 257;
2°Art. 1, § 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 258;
3°Art. 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 259;
4°Art. 3bis, § 1, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 260;
5°Art. 3bis, § 2, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 333;
6°Art. 4, alinéa 1er : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 291;
7°Art. 4, alinéas deux, trois : Loi sur l'enseignement spécialArt. 293;
8°Art. 5, § 1, § 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 294;
9°Art. 5, § 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 292;
10°Art. 5bis : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 351;
11°Art. 5bis 1 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 352;
12°Art. 5bis 2 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 353;
Art. 5bis 3 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 353;
13°Art. 5bis 4 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 354;
14°Art. 5bis 5 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 355;
15°Art. 5bis 6 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 356;
16°AArt. 5ter : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 336;
17°Art. 5quater : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 337;
18°Art. 5quinquies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 338;
19°Art. 5sexies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 339;
20°Art. 5septies : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 340;
21°Art. 6 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 67;
22°Art. 7 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 68, § 1, § 2;
Art. 11 : loi 06/07/1970 enseignement spécialArt. 68, § 3.
  III. Koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs
  III. Arrêté royal n° 2 du 21/08/1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire à temps plein

  
  
artikel 1 : koninklijk besluit nr. 2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 148;
  
artikel 2 : koninklijk besluit nr. 2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 149;
  
artikel 5 : koninklijk besluit nr. 2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 151.

  
  
Art. 1 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 148;
  
Art. 2 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 149;
  
Art. 5 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 151.
1°artikel 1 : koninklijk besluit nr. 2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 148;
2°artikel 2 : koninklijk besluit nr. 2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 149;
3°artikel 5 : koninklijk besluit nr. 2 maximum aantal lestijden secundair onderwijsartikel 151.
1°Art. 1 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 148;
2°Art. 2 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 149;
3°Art. 5 : arrêté royal n°2 nombre maximum nombre maximum de périodes enseignement secondaire Art. 151.
  IV. Koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs
  IV. Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial

  
  
artikel 1 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 297;
  
artikel 2, § 1, § 2, § 3 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 298;
  
artikel 2, § 5, § 6 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 305;
  
artikel 3, § 1 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 299;
  
artikel 4 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 300;
  
artikel 5, § 1-§ 4 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 304;
  
artikel 6 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 303;
  
artikel 21, § 1, § 2, eerste, tweede lid : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 307;
  
artikel 21, § 2, derde lid : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 306;
  
10° artikel 22 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 301;
  
11° artikel 23 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 302;
  
12° artikel 24 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 308.

  
  
Art. 1 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 297;
  
Art. 2, § 1, § 2, § 3 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 298;
  
Art. 2, § 5, § 6 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 305;
  
Art. 3, § 1 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 299;
  
Art. 4 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 300;
  
Art. 5, § 1-§ 4 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 304;
  
Art. 6 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 303;
  
Art. 21, § 1er, § 2, alinéas 1er et 2 :
  
 arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 307;
  
Art. 21, § 2, alinéa trois :
  
 arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 306;
  
10°Art. 22 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 301;
  
11°Art. 23 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 302;
  
12°Art. 24 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 308.
artikel 1 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 297;
artikel 2, § 1, § 2, § 3 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 298;
artikel 2, § 5, § 6 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 305;
artikel 3, § 1 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 299;
artikel 4 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 300;
artikel 5, § 1-§ 4 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 304;
artikel 6 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 303;
artikel 21, § 1, § 2, eerste, tweede lid : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 307;
artikel 21, § 2, derde lid : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 306;
10° artikel 22 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 301;
11° artikel 23 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 302;
12° artikel 24 : koninklijk besluit nr. 65 ambten buitengewoon onderwijs artikel 308.
1°Art. 1 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 297;
2°Art. 2, § 1, § 2, § 3 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 298;
3°Art. 2, § 5, § 6 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 305;
4°Art. 3, § 1 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 299;
5°Art. 4 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 300;
6°Art. 5, § 1-§ 4 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 304;
7°Art. 6 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 303;
8°Art. 21, § 1er, § 2, alinéas 1er et 2 :
arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 307;
9°Art. 21, § 2, alinéa trois :
arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 306;
10°Art. 22 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 301;
11°Art. 23 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 302;
12°Art. 24 : arrêté royal n° 65 fonctions enseignement spécialArt. 308.
  V. Koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs
  V. Arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial;

  
  
artikel 1 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 309;
  
artikel 2 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 310;
  
artikel 3, § 1, § 2 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 311;
  
artikel 3, § 3 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 314;
  
artikel 3, § 4, § 6 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 313;
  
artikel 6 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 312.

  
  
Art. 1 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 309;
  
Art. 2 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 310;
  
Art. 3, § 1, § 2 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 311;
  
Art. 3, § 3 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 314;
  
Art. 3, § 4, § 6 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 313;
  
Art. 6 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 312.
artikel 1 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 309;
artikel 2 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 310;
artikel 3, § 1, § 2 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 311;
artikel 3, § 3 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 314;
artikel 3, § 4, § 6 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 313;
artikel 6 : koninklijk besluit nr. 67 buitengewoon secundair onderwijs artikel 312.
1°Art. 1 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 309;
2°Art. 2 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 310;
3°Art. 3, § 1, § 2 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 311;
4°Art. 3, § 3 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 314;
5°Art. 3, § 4, § 6 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 313;
6°Art. 6 : arrêté royal n° 67 enseignement secondaire spécialArt. 312.
  VI. Koninklijk besluit nr. 297 van 31/3/1984 betreffende de opdrachten, de salarissen, de salaristoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de CLB
  VI. Arrêté royal n° 297 du 31/03/1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres d'encadrement des élèves

  
  
artikel 3, § 2 : koninklijk besluit opdrachten in het onderwijsartikel 307, § 3

  
  
Art. 3, § 2 : arrêté royal charges dans l'enseignementArt. 307, § 3
artikel 3, § 2 : koninklijk besluit opdrachten in het onderwijsartikel 307, § 3
1°Art. 3, § 2 : arrêté royal charges dans l'enseignementArt. 307, § 3
  VII. koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon secundair onderwijs
  VII. Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement secondaire spécial

  
  
artikel 2 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 268;
  
artikel 3 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 269;
  
artikel 4 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 274;
  
artikel 5 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 275;
  
artikel 6 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 270;
  
artikel 7 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 271;
  
artikel 8 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 272;
  
artikel 9 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 273;
  
artikel 22 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 276;
  
10° artikel 23 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 277;
  
11° artikel 24 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 278;
  
12° artikel 25, § 2 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 279;
  
13° artikel 26 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 280;
  
14° artikel 27 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 281;
  
15° artikel 28 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 282;
  
16° artikel 29 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 283;
  
17° artikel 30 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 284;
  
18° artikel 31 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 285;
  
19° artikel 32 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 286;
  
20° artikel 33 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 287;
  
21° artikel 34 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 288;
  
22° artikel 35 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 289;
  
23° artikel 35/1 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 290.

  
  
Art. 2 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 268;
  
Art. 3 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 269;
  
Art. 4 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 274;
  
Art. 5 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 275;
  
Art. 6 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 270;
  
Art. 7 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 271;
  
Art. 8 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 272;
  
Art. 9 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 273;
  
Art. 22 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 276;
  
10°Art. 23 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 277;
  
11°Art. 24 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 278;
  
12°Art. 25, § 2 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 279;
  
13°Art. 26 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 280;
  
14°Art. 27 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 281;
  
15°Art. 28 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 282;
  
16°Art. 29 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 283;
  
17°Art. 30 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 284;
  
18°Art. 31 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 285;
  
19°Art. 32 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 286;
  
20°Art. 33 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 287;
  
21°Art. 34 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 288;
  
22°Art. 35 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 289;
  
23°Art. 35/1 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 290.
artikel 2 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 268;
artikel 3 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 269;
artikel 4 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 274;
artikel 5 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 275;
artikel 6 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 270;
artikel 7 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 271;
artikel 8 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 272;
artikel 9 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 273;
artikel 22 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 276;
10° artikel 23 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 277;
11° artikel 24 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 278;
12° artikel 25, § 2 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 279;
13° artikel 26 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 280;
14° artikel 27 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 281;
15° artikel 28 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 282;
16° artikel 29 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 283;
17° artikel 30 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 284;
18° artikel 31 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 285;
19° artikel 32 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 286;
20° artikel 33 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 287;
21° artikel 34 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 288;
22° artikel 35 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 289;
23° artikel 35/1 : koninklijk besluit nr 439 rationalisatie buitengewoon secundair artikel 290.
1°Art. 2 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 268;
2°Art. 3 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 269;
3°Art. 4 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 274;
4°Art. 5 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 275;
5°Art. 6 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 270;
6°Art. 7 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 271;
7°Art. 8 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 272;
8°Art. 9 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 273;
9°Art. 22 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 276;
10°Art. 23 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 277;
11°Art. 24 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 278;
12°Art. 25, § 2 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 279;
13°Art. 26 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 280;
14°Art. 27 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 281;
15°Art. 28 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 282;
16°Art. 29 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 283;
17°Art. 30 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 284;
18°Art. 31 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 285;
19°Art. 32 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 286;
20°Art. 33 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 287;
21°Art. 34 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 288;
22°Art. 35 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 289;
23°Art. 35/1 : arrêté royal n° 439 rationalisation secondaire spécialArt. 290.
  VIII. Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II
  VIII. Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II

  
  
artikel 5 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 40;
  
artikel 46, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 4;
  
artikel 46, § 2, eerste zin; § 2, tweede lid; § 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 3;
  
artikel 46,§ 2, tweede zin : decreet betreffende het onderwijs II artikel 150;
  
artikel 46bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 70;
  
artikel 47, 1°, 2°, 3° : decreet betreffende het onderwijs II artikel 2;
  
artikel 47, 4° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 350;
  
artikel 48, behalve 2° : decreet betreffende het onderwijs II artikel 3;
  
artikel 48, 2° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 115,252;
  
10° artikel 49 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 124;
  
11° artikel 50 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 125;
  
12° artikel 51 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 131;
  
13° artikel 52 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 134;
  
14° artikel 52bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 130;
  
15° artikel 52ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 132;
  
16° artikel 52quater, § 1, eerste, tweede, vierde lid; § 2 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 135;
  
17° artikel 52quater, § 1, derde lid : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 222;
  
18° artikel 52quinquies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 137;
  
19° artikel 52quinquies /1 : decreet betreffende het onderwijs II artikel 136;
  
20° artikel 52sexies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 96;
  
21° artikel 52septies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 97;
  
22° artikel 52octies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 98;
  
23° artikel 52novies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 109;
  
24° artikel 53 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 153;
  
25° artikel 54 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 154;
  
26° artikel 54bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 155;
  
27° artikel 55, § 1-§ 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 156;
  
28° artikel 55, § 4-§ 8 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 157;
  
29° artikel 55bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 152;
  
30° artikel 56, 3° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 201, § 3;
  
31° artikel 57, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 209, § 1;
  
32° artikel 57, § 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 211;
  
33° artikel 57, § 3bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 212;
  
34° artikel 57, § 3ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 213;
  
35° artikel 57, § 4 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 214;
  
36° artikel 57bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 216,315;
  
37° artikel 57ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 215;
  
38° artikel 58bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 201, § 1, § 2;
  
39° artikel 59 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 209, § 2;
  
40° artikel 59bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 21, § 1;
  
41° artikel 59ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 21, § 2-§ 6;
  
42° artikel 59quater : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 210;
  
43° artikel 59quinquies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 22;
  
44° artikel 64 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 2;
  
45° artikel 74bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 116;
  
46° artikel 74ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 117;
  
47° artikel 74quater : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 118;
  
48° artikel 74quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 119;
  
49° artikel 74quinquies 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 120;
  
50° artikel 74quinquies 2 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 107;
  
51° artikel 74sexies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 121;
  
52° artikel 74septies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 122;
  
53° artikel 74octies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 111;
  
54° artikel 74novies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 112;
  
55° artikel 74decies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 113;
  
56° artikel 74undecies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 114;
  
57° artikel 74duodecies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 158;
  
58° artikel 74ter decies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 159;
  
59° artikel 74quater decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 160;
  
60° artikel 74quinquies decies :decreet betreffende het onderwijs II artikel 161;
  
61° artikel 74sexies decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 162;
  
62° artikel 74sexies decies bis : decreet betreffende het onderwijs II artikel 163;
  
63° artikel 74septies decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 164;
  
64° artikel 74duodevicies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 165;
  
65° artikel 74undevicies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 166;
  
66° artikel 74vicies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 167;
  
67° artikel 74vicies semel : decreet betreffende het onderwijs II artikel 168;
  
68° artikel 84bis, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 256, § 1;
  
 artikel 84ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 256, § 2, § 3;
  
69° artikel 84quater, 1° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 115;
  
70° artikel 84quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 255;
  
71° artikel 192 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 102;
  
72° artikel 198 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 104;
  
73° artikel 199 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 105.

  
  
Art. 5 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 40;
  
Art. 46, § 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 4;
  
Art. 46, § 2, première phrase; § 2, deuxième alinéa; § 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 3;
  
art. 46, § 2, phrase deux : décret relatif à l'enseignement IIArt. 150;
  
Art. 46bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 70;
  
Art. 47, 1°, 2°, 3° : décret relatif à l'enseignement IIArt. 2;
  
Art. 47, 4° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 350;
  
Art. 48, sauf 2° : décret relatif à l'enseignement IIArt. 3;
  
Art. 48, 2° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 115,252;
  
10°Art. 49 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 124;
  
11°Art. 50 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 125;
  
12°Art. 51 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 131;
  
13°Art. 52 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 134;
  
14°Art. 52bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 130;
  
15°Art. 52ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 132;
  
16°Art. 52quater, § 1er, alinéas premier, deux, quatre; § 2 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 135;
  
17°Art. 52quater, § 1er, alinéa trois : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 222;
  
18°Art. 52quinquies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 137;
  
19°Art. 52quinquies /1 : décret relatif à l'enseignement IIArt. 136;
  
20°Art. 52sexies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 96;
  
21°Art. 52septies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 97;
  
22°Art. 52octies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 98;
  
23°Art. 52novies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 109;
  
24°Art. 53 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 153;
  
25°Art. 54 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 154;
  
26°Art. 54bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 155;
  
27°Art. 55, § 1-§ 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 156;
  
28°Art. 55, § 4-§ 8 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 157;
  
29°Art. 55bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 152;
  
30°Art. 56,3° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 201, § 3;
  
31 °Art. 57, § 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 209, § 1;
  
32°Art. 57, § 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 211;
  
33°Art. 57, § 3bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 212;
  
34°Art. 57, § 3ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 213;
  
35°Art. 57, § 4 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 214;
  
36°Art. 57bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 216, 315;
  
37°Art. 57ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 215;
  
38°Art. 58bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 201, § 1, § 2;
  
39°Art. 59 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 209, § 2;
  
40°Art. 59bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 21, § 1;
  
41 °Art. 59ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 21, § 2-§ 6;
  
42°Art. 59quater : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 210;
  
43°Art. 59quinquies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 22;
  
44°Art. 64 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 2;
  
45°Art. 74bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 116;
  
46°Art. 74ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 117;
  
47°Art. 74quater : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 118;
  
48°Art. 74quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 119;
  
49°Art. 74quinquies 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 120;
  
50°Art. 74quinquies 2 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 107;
  
51°Art. 74sexies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 121;
  
52°Art. 74septies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 122;
  
53°Art. 74octies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 111;
  
54°Art. 74novies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 112;
  
55°Art. 74decies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 113;
  
56°Art. 74undecies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 114;
  
57°Art. 74duodecies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 158;
  
58°Art. 74ter decies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 159;
  
59°Art. 74quater decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 160;
  
60°Art. 74quinquies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 161;
  
61°Art. 74sexies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 162;
  
62°Art. 74sexies decies bis : décret relatif à l'enseignement IIArt. 163;
  
63°Art. 74septies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 164;
  
64°Art. 74duodevicies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 165;
  
65°Art. 74undevicies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 166;
  
66°Art. 74vicies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 167;
  
67°Art. 74vicies semel : décret relatif à l'enseignement IIArt. 168;
  
68°Art. 84bis, § 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 256, § 1;
  
 Art. 84ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 256, § 2, § 3;
  
69°Art. 84quater, 1 ° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 115;
  
70°Art. 84quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 255;
  
71 °Art. 192 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 102;
  
72°Art. 198 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 104;
  
73°Art. 199 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 105.
artikel 5 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 40;
artikel 46, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 4;
artikel 46, § 2, eerste zin; § 2, tweede lid; § 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 3;
artikel 46,§ 2, tweede zin : decreet betreffende het onderwijs II artikel 150;
artikel 46bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 70;
artikel 47, 1°, 2°, 3° : decreet betreffende het onderwijs II artikel 2;
artikel 47, 4° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 350;
artikel 48, behalve 2° : decreet betreffende het onderwijs II artikel 3;
artikel 48, 2° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 115,252;
10° artikel 49 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 124;
11° artikel 50 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 125;
12° artikel 51 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 131;
13° artikel 52 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 134;
14° artikel 52bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 130;
15° artikel 52ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 132;
16° artikel 52quater, § 1, eerste, tweede, vierde lid; § 2 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 135;
17° artikel 52quater, § 1, derde lid : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 222;
18° artikel 52quinquies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 137;
19° artikel 52quinquies /1 : decreet betreffende het onderwijs II artikel 136;
20° artikel 52sexies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 96;
21° artikel 52septies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 97;
22° artikel 52octies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 98;
23° artikel 52novies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 109;
24° artikel 53 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 153;
25° artikel 54 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 154;
26° artikel 54bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 155;
27° artikel 55, § 1-§ 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 156;
28° artikel 55, § 4-§ 8 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 157;
29° artikel 55bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 152;
30° artikel 56, 3° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 201, § 3;
31° artikel 57, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 209, § 1;
32° artikel 57, § 3 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 211;
33° artikel 57, § 3bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 212;
34° artikel 57, § 3ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 213;
35° artikel 57, § 4 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 214;
36° artikel 57bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 216,315;
37° artikel 57ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 215;
38° artikel 58bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 201, § 1, § 2;
39° artikel 59 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 209, § 2;
40° artikel 59bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 21, § 1;
41° artikel 59ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 21, § 2-§ 6;
42° artikel 59quater : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 210;
43° artikel 59quinquies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 22;
44° artikel 64 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 2;
45° artikel 74bis : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 116;
46° artikel 74ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 117;
47° artikel 74quater : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 118;
48° artikel 74quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 119;
49° artikel 74quinquies 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 120;
50° artikel 74quinquies 2 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 107;
51° artikel 74sexies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 121;
52° artikel 74septies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 122;
53° artikel 74octies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 111;
54° artikel 74novies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 112;
55° artikel 74decies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 113;
56° artikel 74undecies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 114;
57° artikel 74duodecies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 158;
58° artikel 74ter decies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 159;
59° artikel 74quater decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 160;
60° artikel 74quinquies decies :decreet betreffende het onderwijs II artikel 161;
61° artikel 74sexies decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 162;
62° artikel 74sexies decies bis : decreet betreffende het onderwijs II artikel 163;
63° artikel 74septies decies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 164;
64° artikel 74duodevicies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 165;
65° artikel 74undevicies : decreet betreffende het onderwijs II artikel 166;
66° artikel 74vicies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 167;
67° artikel 74vicies semel : decreet betreffende het onderwijs II artikel 168;
68° artikel 84bis, § 1 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 256, § 1;
artikel 84ter : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 256, § 2, § 3;
69° artikel 84quater, 1° : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 115;
70° artikel 84quinquies : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 255;
71° artikel 192 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 102;
72° artikel 198 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 104;
73° artikel 199 : decreet 31/7/1990 betreffende het onderwijs II artikel 105.
1°Art. 5 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 40;
2°Art. 46, § 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 4;
3°Art. 46, § 2, première phrase; § 2, deuxième alinéa; § 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 3;
4°art. 46, § 2, phrase deux : décret relatif à l'enseignement IIArt. 150;
5°Art. 46bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 70;
6°Art. 47, 1°, 2°, 3° : décret relatif à l'enseignement IIArt. 2;
7°Art. 47, 4° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 350;
8°Art. 48, sauf 2° : décret relatif à l'enseignement IIArt. 3;
9°Art. 48, 2° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 115,252;
10°Art. 49 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 124;
11°Art. 50 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 125;
12°Art. 51 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 131;
13°Art. 52 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 134;
14°Art. 52bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 130;
15°Art. 52ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 132;
16°Art. 52quater, § 1er, alinéas premier, deux, quatre; § 2 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 135;
17°Art. 52quater, § 1er, alinéa trois : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 222;
18°Art. 52quinquies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 137;
19°Art. 52quinquies /1 : décret relatif à l'enseignement IIArt. 136;
20°Art. 52sexies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 96;
21°Art. 52septies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 97;
22°Art. 52octies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 98;
23°Art. 52novies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 109;
24°Art. 53 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 153;
25°Art. 54 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 154;
26°Art. 54bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 155;
27°Art. 55, § 1-§ 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 156;
28°Art. 55, § 4-§ 8 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 157;
29°Art. 55bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 152;
30°Art. 56,3° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 201, § 3;
31 °Art. 57, § 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 209, § 1;
32°Art. 57, § 3 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 211;
33°Art. 57, § 3bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 212;
34°Art. 57, § 3ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 213;
35°Art. 57, § 4 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 214;
36°Art. 57bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 216, 315;
37°Art. 57ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 215;
38°Art. 58bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 201, § 1, § 2;
39°Art. 59 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 209, § 2;
40°Art. 59bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 21, § 1;
41 °Art. 59ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 21, § 2-§ 6;
42°Art. 59quater : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 210;
43°Art. 59quinquies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 22;
44°Art. 64 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 2;
45°Art. 74bis : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 116;
46°Art. 74ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 117;
47°Art. 74quater : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 118;
48°Art. 74quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 119;
49°Art. 74quinquies 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 120;
50°Art. 74quinquies 2 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 107;
51°Art. 74sexies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 121;
52°Art. 74septies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 122;
53°Art. 74octies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 111;
54°Art. 74novies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 112;
55°Art. 74decies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 113;
56°Art. 74undecies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 114;
57°Art. 74duodecies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 158;
58°Art. 74ter decies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 159;
59°Art. 74quater decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 160;
60°Art. 74quinquies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 161;
61°Art. 74sexies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 162;
62°Art. 74sexies decies bis : décret relatif à l'enseignement IIArt. 163;
63°Art. 74septies decies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 164;
64°Art. 74duodevicies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 165;
65°Art. 74undevicies : décret relatif à l'enseignement IIArt. 166;
66°Art. 74vicies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 167;
67°Art. 74vicies semel : décret relatif à l'enseignement IIArt. 168;
68°Art. 84bis, § 1 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 256, § 1;
Art. 84ter : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 256, § 2, § 3;
69°Art. 84quater, 1 ° : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 115;
70°Art. 84quinquies : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 255;
71 °Art. 192 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 102;
72°Art. 198 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 104;
73°Art. 199 : décret 31/07/1990 relatif à l'enseignement IIArt. 105.
  IX. Decreet van 14/7/98 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs
  IX. Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental

  
  
artikel 2 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 3;
  
artikel 2bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 2;
  
artikel 3 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 2; 350;
  
artikel 4 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 126;
  
artikel 5 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 127;
  
artikel 6 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 128;
  
artikel 7 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 129;
  
artikel 7bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 170;
  
artikel 8 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 133;
  
10° artikel 9 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 174, § 1;
  
11° artikel 25 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 175;
  
12° artikel 26 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 176;
  
13° artikel 27 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 177;
  
14° artikel 28 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 178;
  
15° artikel 29 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 179;
  
16° artikel 31 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 180;
  
17° artikel 32 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 181;
  
18° artikel 33 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 182;
  
19° artikel 34 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 183;
  
20° artikel 35 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 184;
  
21° artikel 36 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 185;
  
22° artikel 38 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 186;
  
23° artikel 40 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 187;
  
24° artikel 41 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 188;
  
25° artikel 42 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 203;
  
26° artikel 43 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 204;
  
27° artikel 44 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 205;
  
28° artikel 45 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 206;
  
29° artikel 47, eerste lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 190, § 1;
  
30° artikel 47, tweede lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 189;
  
31° artikel 48 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 190, § 2;
  
32° artikel 49 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 191;
  
33° artikel 50 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 192;
  
34° artikel 51 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 193;
  
35° artikel 52 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 194;
  
36° artikel 53 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 195;
  
37° artikel 54 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 196;
  
38° artikel 54bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 197;
  
39° artikel 55 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 198;
  
40° artikel 56 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 200;
  
41° artikel 56bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 199;
  
42° artikel 58, tweede lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 202, § 3;
  
 artikel 61 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 202, § 1, § 2;
  
43° artikel 62 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 49;
  
44° artikel 63 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 50;
  
45° artikel 64 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 51;
  
46° artikel 65 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 52;
  
47° artikel 66 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 53;
  
48° artikel 67 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 54;
  
49° artikel 68 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 55;
  
50° artikel 70 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 56;
  
51° artikel 71 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 57;
  
52° artikel 72 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 58;
  
53° artikel 73 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 59;
  
54° artikel 74 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 60;
  
55° artikel 75 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 61;
  
56° artikel 76 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 62;
  
57° artikel 77 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 63;
  
58° artikel 78 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 64;
  
59° artikel 80 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 65;
  
60° artikel 81 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 66;
  
61° artikel 81bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 71;
  
62° artikel 81ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 72;
  
63° artikel 81quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 73;
  
64° artikel 81quinquies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 74;
  
65° artikel 81sexies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 75;
  
66° artikel 81septies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 76;
  
67° artikel 81octies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 77;
  
68° artikel 81novies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 78;
  
69° artikel 81decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 79;
  
70° artikel 81undecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 80;
  
71° artikel 81duodecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 81;
  
72° artikel 81terdecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 82;
  
73° artikel 81quater decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 83;
  
74° artikel 81quinquies decies : decreet secundair onderwijs artikel 84;
  
75° artikel 81sexies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 85;
  
76° artikel 81septies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 86;
  
77° artikel 81duodevicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 87;
  
78° artikel 81undevicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 88;
  
79° artikel 81vicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 89;
  
80° artikel 81vicies semel : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 90;
  
81° artikel 81vicies bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 91;
  
82° artikel 81vicies ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 92;
  
83° artikel 81vicies quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 93;
  
84° artikel 81vicies quinquies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 94;
  
85° artikel 83 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 207;
  
86° artikel 84 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 296;
  
87° artikel 93, § 2, § 3 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 23;
  
88° artikel 94 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 24;
  
89° artikel 95 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 25;
  
90° artikel 96 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 26;
  
91° artikel 97 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 27;
  
92° artikel 98 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 28;
  
93° artikel 99 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 29;
  
94° artikel 99bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 30;
  
95° artikel 99ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 31;
  
96° artikel 99quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 32;
  
97° artikel 99sexies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 217;
  
98° artikel 99septies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 218;
  
99° artikel 99octies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 219;
  
100° artikel 99novies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 220;
  
101° artikel 99decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 221;
  
102° artikel 99duodecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 33;
  
103° artikel 99ter decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 34;
  
104° artikel 103 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 47;
  
105° artikel 103bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 48;
  
106° artikel 104 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 208;
  
107° artikel 156 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 69, § 1, § 2;
  
 artikel 158 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 69, § 3;
  
108° artikel 159 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 95;
  
109° artikel 168, 4° : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 203.

  
  
Art. 2 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 3;
  
Art. 2bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 2;
  
Art. 3 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 2; 350;
  
Art. 4 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 126;
  
Art. 5 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 127;
  
Art. 6 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 128;
  
Art. 7 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 129;
  
Art. 7bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 170;
  
Art. 8 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 133;
  
10°Art. 9 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 174, § 1;
  
11 °Art. 25 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 175;
  
12°Art. 26 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 176;
  
13°Art. 27 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 177;
  
14°Art. 28 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 178;
  
15°Art. 29 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 179;
  
16°Art. 31 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 180;
  
17°Art. 32 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 181;
  
18°Art. 33 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 182;
  
19°Art. 34 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 183;
  
20°Art. 35 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 184;
  
21 °Art. 36 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 185;
  
22°Art. 38 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 186;
  
23°Art. 40 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 187;
  
24°Art. 41 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 188;
  
25°Art. 42 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 203;
  
26°Art. 43 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 204;
  
27°Art. 44 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 205;
  
28°Art. 45 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 206;
  
29°Art. 47, alinéa 1er : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 190, § 1;
  
30°Art. 47, alinéa deux : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 189;
  
31 °Art. 48 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 190, § 2;
  
32°Art. 49 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 191;
  
33°Art. 50 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 192;
  
34°Art. 51 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 193;
  
35°Art. 52 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 194;
  
36°Art. 53 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 195;
  
37°Art. 54 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 196;
  
38°Art. 54bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 197;
  
39°Art. 55 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 198;
  
40°Art. 56 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 200;
  
41°Art. 56bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 199;
  
42°Art. 58, alinéa deux : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 202, § 3;
  
 Art. 61 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 202, § 1, § 2;
  
43°Art. 62 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 49;
  
44°Art. 63 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 50;
  
45°Art. 64 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 51;
  
46°Art. 65 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 52;
  
47°Art. 66 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 53;
  
48°Art. 67 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 54;
  
49°Art. 68 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 55;
  
50°Art. 70 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 56;
  
51 °Art. 71 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 57;
  
52°Art. 72 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 58;
  
53°Art. 73 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 59;
  
54°Art. 74 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 60;
  
55°Art. 75 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 61;
  
56°Art. 76 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 62;
  
57°Art. 77 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 63;
  
58°Art. 78 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 64;
  
59°Art. 80 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 65;
  
60°Art. 81 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 66;
  
61 °Art. 81 bis ; décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 71;
  
62°Art. 81ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 72;
  
63°Art. 81 quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 73;
  
64°Art. 81 quinquies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 74;
  
65°Art. 81 sexies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 75;
  
66°Art. 81 septies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 76;
  
67°Art. 81 octies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 77;
  
68°Art. 81 novies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 78;
  
69°Art. 81decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 79;
  
70°Art. 81 undecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 80;
  
71 °Art. 81 duodecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 81;
  
72°Art. 81ter decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 82;
  
73°Art. 81 quater decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 83;
  
74°Art. 81 quinquies decies : décret enseignement secondaireArt. 84;
  
75°Art. 81 sexies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 85;
  
76°Art. 81 septies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 86;
  
77°Art. 81 duodevicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 87;
  
78°Art. 81undevicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 88;
  
79°Art. 81vicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 89;
  
80°Art. 81vicies semel : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 90;
  
81 °Art. 81 vicies bis ; décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 91;
  
82°Art. 81vicies ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 92;
  
83°Art. 81vicies quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 93;
  
84°Art. 81vicies quinquies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 94;
  
85°Art. 83 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 207;
  
86°Art. 84 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 296;
  
87°Art. 93, § 2, § 3 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 23;
  
88°Art. 94 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 24;
  
89°Art. 95 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 25;
  
90°Art. 96 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 26;
  
91 °Art. 97 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 27;
  
92°Art. 98 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 28;
  
93°Art. 99 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 29;
  
94°Art. 99bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 30;
  
95°Art. 99ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 31;
  
96°Art. 99quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 32;
  
97°Art. 99sexies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 217;
  
98°Art. 99septies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 218;
  
99°Art. 99octies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 219;
  
100°Art. 99novies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 220;
  
101 °Art. 99decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 221;
  
102°Art. 99duodecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 33;
  
103°Art. 99ter decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 34;
  
104°Art. 103 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 47;
  
105°Art. 103bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 48;
  
106°Art. 104 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 208;
  
107°Art. 156 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 69, § 1, § 2;
  
 Art. 158 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 69, § 3;
  
108°Art. 159 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 95;
  
109°Art. 168, 4° : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 203.
artikel 2 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 3;
artikel 2bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 2;
artikel 3 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 2; 350;
artikel 4 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 126;
artikel 5 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 127;
artikel 6 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 128;
artikel 7 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 129;
artikel 7bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 170;
artikel 8 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 133;
10° artikel 9 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 174, § 1;
11° artikel 25 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 175;
12° artikel 26 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 176;
13° artikel 27 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 177;
14° artikel 28 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 178;
15° artikel 29 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 179;
16° artikel 31 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 180;
17° artikel 32 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 181;
18° artikel 33 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 182;
19° artikel 34 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 183;
20° artikel 35 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 184;
21° artikel 36 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 185;
22° artikel 38 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 186;
23° artikel 40 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 187;
24° artikel 41 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 188;
25° artikel 42 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 203;
26° artikel 43 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 204;
27° artikel 44 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 205;
28° artikel 45 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 206;
29° artikel 47, eerste lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 190, § 1;
30° artikel 47, tweede lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 189;
31° artikel 48 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 190, § 2;
32° artikel 49 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 191;
33° artikel 50 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 192;
34° artikel 51 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 193;
35° artikel 52 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 194;
36° artikel 53 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 195;
37° artikel 54 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 196;
38° artikel 54bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 197;
39° artikel 55 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 198;
40° artikel 56 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 200;
41° artikel 56bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 199;
42° artikel 58, tweede lid : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 202, § 3;
artikel 61 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 202, § 1, § 2;
43° artikel 62 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 49;
44° artikel 63 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 50;
45° artikel 64 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 51;
46° artikel 65 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 52;
47° artikel 66 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 53;
48° artikel 67 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 54;
49° artikel 68 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 55;
50° artikel 70 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 56;
51° artikel 71 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 57;
52° artikel 72 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 58;
53° artikel 73 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 59;
54° artikel 74 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 60;
55° artikel 75 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 61;
56° artikel 76 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 62;
57° artikel 77 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 63;
58° artikel 78 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 64;
59° artikel 80 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 65;
60° artikel 81 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 66;
61° artikel 81bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 71;
62° artikel 81ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 72;
63° artikel 81quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 73;
64° artikel 81quinquies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 74;
65° artikel 81sexies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 75;
66° artikel 81septies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 76;
67° artikel 81octies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 77;
68° artikel 81novies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 78;
69° artikel 81decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 79;
70° artikel 81undecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 80;
71° artikel 81duodecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 81;
72° artikel 81terdecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 82;
73° artikel 81quater decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 83;
74° artikel 81quinquies decies : decreet secundair onderwijs artikel 84;
75° artikel 81sexies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 85;
76° artikel 81septies decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 86;
77° artikel 81duodevicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 87;
78° artikel 81undevicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 88;
79° artikel 81vicies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 89;
80° artikel 81vicies semel : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 90;
81° artikel 81vicies bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 91;
82° artikel 81vicies ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 92;
83° artikel 81vicies quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 93;
84° artikel 81vicies quinquies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 94;
85° artikel 83 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 207;
86° artikel 84 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 296;
87° artikel 93, § 2, § 3 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 23;
88° artikel 94 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 24;
89° artikel 95 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 25;
90° artikel 96 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 26;
91° artikel 97 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 27;
92° artikel 98 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 28;
93° artikel 99 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 29;
94° artikel 99bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 30;
95° artikel 99ter : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 31;
96° artikel 99quater : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 32;
97° artikel 99sexies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 217;
98° artikel 99septies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 218;
99° artikel 99octies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 219;
100° artikel 99novies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 220;
101° artikel 99decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 221;
102° artikel 99duodecies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 33;
103° artikel 99ter decies : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 34;
104° artikel 103 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 47;
105° artikel 103bis : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 48;
106° artikel 104 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 208;
107° artikel 156 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 69, § 1, § 2;
artikel 158 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 69, § 3;
108° artikel 159 : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 95;
109° artikel 168, 4° : decreet 14/7/1998 secundair onderwijs artikel 203.
1°Art. 2 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 3;
2°Art. 2bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 2;
3°Art. 3 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 2; 350;
4°Art. 4 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 126;
5°Art. 5 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 127;
6°Art. 6 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 128;
7°Art. 7 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 129;
8°Art. 7bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 170;
9°Art. 8 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 133;
10°Art. 9 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 174, § 1;
11 °Art. 25 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 175;
12°Art. 26 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 176;
13°Art. 27 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 177;
14°Art. 28 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 178;
15°Art. 29 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 179;
16°Art. 31 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 180;
17°Art. 32 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 181;
18°Art. 33 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 182;
19°Art. 34 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 183;
20°Art. 35 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 184;
21 °Art. 36 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 185;
22°Art. 38 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 186;
23°Art. 40 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 187;
24°Art. 41 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 188;
25°Art. 42 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 203;
26°Art. 43 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 204;
27°Art. 44 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 205;
28°Art. 45 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 206;
29°Art. 47, alinéa 1er : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 190, § 1;
30°Art. 47, alinéa deux : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 189;
31 °Art. 48 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 190, § 2;
32°Art. 49 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 191;
33°Art. 50 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 192;
34°Art. 51 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 193;
35°Art. 52 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 194;
36°Art. 53 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 195;
37°Art. 54 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 196;
38°Art. 54bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 197;
39°Art. 55 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 198;
40°Art. 56 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 200;
41°Art. 56bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 199;
42°Art. 58, alinéa deux : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 202, § 3;
Art. 61 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 202, § 1, § 2;
43°Art. 62 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 49;
44°Art. 63 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 50;
45°Art. 64 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 51;
46°Art. 65 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 52;
47°Art. 66 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 53;
48°Art. 67 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 54;
49°Art. 68 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 55;
50°Art. 70 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 56;
51 °Art. 71 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 57;
52°Art. 72 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 58;
53°Art. 73 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 59;
54°Art. 74 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 60;
55°Art. 75 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 61;
56°Art. 76 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 62;
57°Art. 77 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 63;
58°Art. 78 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 64;
59°Art. 80 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 65;
60°Art. 81 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 66;
61 °Art. 81 bis ; décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 71;
62°Art. 81ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 72;
63°Art. 81 quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 73;
64°Art. 81 quinquies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 74;
65°Art. 81 sexies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 75;
66°Art. 81 septies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 76;
67°Art. 81 octies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 77;
68°Art. 81 novies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 78;
69°Art. 81decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 79;
70°Art. 81 undecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 80;
71 °Art. 81 duodecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 81;
72°Art. 81ter decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 82;
73°Art. 81 quater decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 83;
74°Art. 81 quinquies decies : décret enseignement secondaireArt. 84;
75°Art. 81 sexies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 85;
76°Art. 81 septies decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 86;
77°Art. 81 duodevicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 87;
78°Art. 81undevicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 88;
79°Art. 81vicies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 89;
80°Art. 81vicies semel : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 90;
81 °Art. 81 vicies bis ; décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 91;
82°Art. 81vicies ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 92;
83°Art. 81vicies quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 93;
84°Art. 81vicies quinquies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 94;
85°Art. 83 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 207;
86°Art. 84 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 296;
87°Art. 93, § 2, § 3 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 23;
88°Art. 94 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 24;
89°Art. 95 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 25;
90°Art. 96 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 26;
91 °Art. 97 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 27;
92°Art. 98 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 28;
93°Art. 99 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 29;
94°Art. 99bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 30;
95°Art. 99ter : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 31;
96°Art. 99quater : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 32;
97°Art. 99sexies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 217;
98°Art. 99septies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 218;
99°Art. 99octies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 219;
100°Art. 99novies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 220;
101 °Art. 99decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 221;
102°Art. 99duodecies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 33;
103°Art. 99ter decies : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 34;
104°Art. 103 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 47;
105°Art. 103bis : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 48;
106°Art. 104 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 208;
107°Art. 156 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 69, § 1, § 2;
Art. 158 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 69, § 3;
108°Art. 159 : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 95;
109°Art. 168, 4° : décret 14/07/1998 enseignement secondaireArt. 203.
  X. Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon onderwijs
  X. Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein;

  
  
artikel 2, eerste lid : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 138, 261;
  
artikel 3 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 139, 262;
  
artikel 4 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 140;
  
artikel 5, § 1, § 2 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 141;
  
artikel 5, § 3 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 263;
  
artikel 6 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 142;
  
artikel 7 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 143;
  
artikel 7bis : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 144, 264;
  
artikel 7ter : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 145, 265;
  
10° artikel 8, § 1, § 3-§ 5 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 146;
  
11° artikel 8, § 1, § 2-§ 4 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 266;
  
12° artikel 9 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 147, 267.

  
  
1 °Art. 2, alinéa 1er : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 138, 261;
  
Art. 3 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 139, 262;
  
Art. 4 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 140;
  
Art. 5, § 1, § 2 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 141;
  
Art. 5, § 3 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 263;
  
Art. 6 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 142;
  
Art. 7 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 143;
  
Art. 7bis : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 144, 264;
  
Art. 7ter : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 145, 265;
  
10°Art. 8, § 1, § 3-§ 5 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 146;
  
11 °Art. 8, § 1, § 2-§ 4 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 266;
  
12°Art. 9 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 147, 267.
artikel 2, eerste lid : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 138, 261;
artikel 3 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 139, 262;
artikel 4 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 140;
artikel 5, § 1, § 2 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 141;
artikel 5, § 3 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 263;
artikel 6 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 142;
artikel 7 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 143;
artikel 7bis : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 144, 264;
artikel 7ter : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 145, 265;
10° artikel 8, § 1, § 3-§ 5 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 146;
11° artikel 8, § 1, § 2-§ 4 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 266;
12° artikel 9 : decreet eindtermen en ontwikkelingsdoelen artikel 147, 267.
1 °Art. 2, alinéa 1er : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 138, 261;
2°Art. 3 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 139, 262;
3°Art. 4 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 140;
4°Art. 5, § 1, § 2 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 141;
5°Art. 5, § 3 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 263;
6°Art. 6 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 142;
7°Art. 7 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 143;
8°Art. 7bis : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 144, 264;
9°Art. 7ter : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 145, 265;
10°Art. 8, § 1, § 3-§ 5 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 146;
11 °Art. 8, § 1, § 2-§ 4 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 266;
12°Art. 9 : décret objectifs finaux et objectifs de développementArt. 147, 267.
  XI. Decreet van 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I
  XI. Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des changes en éducation-I

  
  
artikel VI.1 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 224;
  
artikel VI.2 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 225;
  
artikel VI.3 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 226;
  
artikel VI.4 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 227;
  
artikel VI.5 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 228;
  
artikel VI.6 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 229;
  
artikel VI.7 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 230;
  
artikel VI.8 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 231;
  
artikel VI.10 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 232;
  
10° artikel VI.11 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 233;
  
11° artikel VI.12 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 234;
  
12° artikel VI.13 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 235;
  
13° artikel VI.14 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 236;
  
14° artikel VI.15 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 237;
  
15° artikel VI.16 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 238;
  
16° artikel VI.17 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 239;
  
17° artikel VI.18 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 240;
  
18° artikel VI.19bis : decreet betreffende gelijke onderwijskansen artikel 241;
  
19° artikel VI.22 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 316;
  
20° artikel VI.23 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 317;
  
21° artikel VI.24 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 318;
  
22° artikel VI.25 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 319;
  
23° artikel VI.26 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 320;
  
24° artikel VI.27 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 321;
  
25° artikel VI.28 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 322.

  
  
1 °Art. VI.1 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 224;
  
Art. VI.2 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 225;
  
Art. VI.3 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 226;
  
Art. VI.4 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 227;
  
Art. VI.5 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 228;
  
Art. VI.6 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 229;
  
Art. VI.7 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 230;
  
Art. VI.8 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 231;
  
Art. VI.10 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 232;
  
10°Art. VI.11 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 233;
  
11 °Art. VI.12 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 234;
  
12°Art. VI.13 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 235;
  
13°Art. VI.14 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 236;
  
14°Art. VI.15 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 237;
  
15°Art. VI.16 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 238;
  
16°Art. VI.17 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 239;
  
17°Art. VI.18 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 240;
  
18°Art. VI.19bis : décret relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 241;
  
19°Art. VI.22 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 316;
  
20°Art. VI.23 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 317;
  
21 °Art. VI.24 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 318;
  
22°Art. VI.25 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 319;
  
23°Art. VI.26 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 320;
  
24°Art. VI.27 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 321;
  
25°Art. VI.28 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 322.
artikel VI.1 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 224;
artikel VI.2 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 225;
artikel VI.3 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 226;
artikel VI.4 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 227;
artikel VI.5 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 228;
artikel VI.6 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 229;
artikel VI.7 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 230;
artikel VI.8 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 231;
artikel VI.10 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 232;
10° artikel VI.11 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 233;
11° artikel VI.12 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 234;
12° artikel VI.13 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 235;
13° artikel VI.14 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 236;
14° artikel VI.15 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 237;
15° artikel VI.16 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 238;
16° artikel VI.17 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 239;
17° artikel VI.18 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 240;
18° artikel VI.19bis : decreet betreffende gelijke onderwijskansen artikel 241;
19° artikel VI.22 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 316;
20° artikel VI.23 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 317;
21° artikel VI.24 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 318;
22° artikel VI.25 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 319;
23° artikel VI.26 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 320;
24° artikel VI.27 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 321;
25° artikel VI.28 : decreet 28/6/2002 betreffende gelijke onderwijskansen artikel 322.
1 °Art. VI.1 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 224;
2°Art. VI.2 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 225;
3°Art. VI.3 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 226;
4°Art. VI.4 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 227;
5°Art. VI.5 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 228;
6°Art. VI.6 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 229;
7°Art. VI.7 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 230;
8°Art. VI.8 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 231;
9°Art. VI.10 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 232;
10°Art. VI.11 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 233;
11 °Art. VI.12 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 234;
12°Art. VI.13 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 235;
13°Art. VI.14 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 236;
14°Art. VI.15 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 237;
15°Art. VI.16 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 238;
16°Art. VI.17 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 239;
17°Art. VI.18 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 240;
18°Art. VI.19bis : décret relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 241;
19°Art. VI.22 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 316;
20°Art. VI.23 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 317;
21 °Art. VI.24 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 318;
22°Art. VI.25 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 319;
23°Art. VI.26 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 320;
24°Art. VI.27 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 321;
25°Art. VI.28 : décret 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducationArt. 322.
  XII. besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van opleidingsvorm 3 in het buitengewoon secundair onderwijs
  XII. Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3

  
  
artikel 20bis : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 341;
  
artikel 20ter : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 342;
  
artikel 20quater : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 343;
  
artikel 20quinquies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 344;
  
artikel 20sexies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 345;
  
artikel 20septies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 346;
  
artikel 20octies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 347;
  
artikel 20novies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 348;
  
artikel 20decies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 349.

  
  
1 °Art. 20bis : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 341;
  
Art. 20ter : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 342;
  
Art. 20quater : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 343;
  
Art. 20quinquies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 344;
  
Art. 20sexies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 345;
  
Art. 20septies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 346;
  
Art. 20octies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 347;
  
Art. 20novies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 348;
  
Art. 20decies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 349.
artikel 20bis : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 341;
artikel 20ter : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 342;
artikel 20quater : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 343;
artikel 20quinquies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 344;
artikel 20sexies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 345;
artikel 20septies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 346;
artikel 20octies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 347;
artikel 20novies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 348;
artikel 20decies : BVR organisatie van opleidingsvorm OV3 artikel 349.
1 °Art. 20bis : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 341;
2°Art. 20ter : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 342;
3°Art. 20quater : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 343;
4°Art. 20quinquies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 344;
5°Art. 20sexies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 345;
6°Art. 20septies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 346;
7°Art. 20octies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 347;
8°Art. 20novies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 348;
9°Art. 20decies : AGF organisation de la forme d'enseignement 3Art. 349.
  XIII. Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft
  XIII. Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement;

  
  
artikel 5, § 1, § 2, § 3 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 242;
  
artikel 5, § 1, 2° : decreet betreffende de werkingsbudgetten artikel 323;
  
artikel 5, § 4 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 250, 331;
  
artikel 6 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 243;
  
artikel 7 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 244;
  
artikel 8 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 245;
  
artikel 9 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 246;
  
artikel 10 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 247;
  
artikel 11 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 248;
  
10° artikel 12 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 249;
  
11° artikel 13 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 324;
  
12° artikel 14 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 325;
  
13° artikel 15 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 326;
  
14° artikel 16 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 327;
  
15° artikel 17 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 328;
  
16° artikel 18 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 329;
  
17° artikel 19 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 330;
  
18° artikel 21 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 251, 332.

  
  
1 °Art. 5, § 1, § 2, § 3 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 242;
  
Art. 5, § 1, 2° : décret relatif aux budgets de fonctionnementArt. 323;
  
Art. 5, § 4 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 250, 331;
  
Art. 6 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 243;
  
Art. 7 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 244;
  
Art. 8 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 245;
  
Art. 9 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 246;
  
Art. 10 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 247;
  
Art. 11 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 248;
  
10°Art. 12 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 249;
  
11 °Art. 13 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 324;
  
12°Art. 14 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 325;
  
13°Art. 15 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 326;
  
14°Art. 16 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 327;
  
15°Art. 17 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 328;
  
16°Art. 18 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 329;
  
17°Art. 19 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 330;
  
18°Art. 21 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 251, 332.
artikel 5, § 1, § 2, § 3 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 242;
artikel 5, § 1, 2° : decreet betreffende de werkingsbudgetten artikel 323;
artikel 5, § 4 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 250, 331;
artikel 6 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 243;
artikel 7 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 244;
artikel 8 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 245;
artikel 9 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 246;
artikel 10 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 247;
artikel 11 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 248;
10° artikel 12 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 249;
11° artikel 13 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 324;
12° artikel 14 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 325;
13° artikel 15 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 326;
14° artikel 16 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 327;
15° artikel 17 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 328;
16° artikel 18 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 329;
17° artikel 19 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 330;
18° artikel 21 : decreet 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten artikel 251, 332.
1 °Art. 5, § 1, § 2, § 3 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 242;
2°Art. 5, § 1, 2° : décret relatif aux budgets de fonctionnementArt. 323;
3°Art. 5, § 4 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 250, 331;
4°Art. 6 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 243;
5°Art. 7 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 244;
6°Art. 8 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 245;
7°Art. 9 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 246;
8°Art. 10 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 247;
9°Art. 11 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 248;
10°Art. 12 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 249;
11 °Art. 13 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 324;
12°Art. 14 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 325;
13°Art. 15 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 326;
14°Art. 16 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 327;
15°Art. 17 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 328;
16°Art. 18 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 329;
17°Art. 19 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 330;
18°Art. 21 : décret 4/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnementArt. 251, 332.
  XIV. Andere
  XIV. Autres

  
  
artikel 75 : decreet 21/12/1994 betreffende het onderwijs VI artikel 174,§ 2;
  
artikel 67 : decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 357;
  
artikel 71, § 1, § 2, eerste lid : decreet 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 123;
  
artikel 71, § 2 : decreet 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 106;
  
artikel 71 : decreet 15/7/1997 betreffende het onderwijs VIII artikel 11;
  
artikel 42 : decreet 14/7/1998 betreffende het onderwijs IX artikel 334;
  
artikel 157 : decreet 18/5/1999 betreffende het onderwijs XI artikel 223;
  
artikel IV.14, eerste, tweede lid : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 335;
  
artikel V.9 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 7;
  
10° artikel V.10 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 8;
  
11° artikel V.11 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 9;
  
12° artikel V.12 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 10;
  
13° artikel V.13 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 35;
  
14° artikel X.5 : decreet 15/7/2005 betreffende het onderwijs XV artikel 43;
  
15° artikel X.3 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 44;
  
16° artikel X.6 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 45;
  
17° artikel X.7 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 46.

  
  
Art. 75 : décret 21/12/1994 relatif à l'enseignement VIArt. 174, § 2;
  
Art. 67 : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 357;
  
Art. 71, §§ 1er et 2, alinéa 1er : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 123;
  
Art. 71, § 2 : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 106;
  
Art. 71 : décret 15/07/1997 relatif à l'enseignement VIIIArt. 11;
  
Art. 42 : décret 14/07/1998 relatif à l'enseignement IXArt. 334;
  
Art. 157 : décret 18/05/1999 relatif à l'enseignement XIArt. 223;
  
Art. IV.14, alinéa 1er et deux; décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 335;
  
Art. V.9 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 7;
  
10°Art. V.10 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 8;
  
11 °Art. V.11 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 9;
  
12°Art. V.12 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 10;
  
13°Art. V.13 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 35;
  
14°Art. X.5 : décret 15/07/2005 relatif à l'enseignement XVArt. 43;
  
15°Art. X.3 : décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 44;
  
16°Art. X.6 : décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 45;
  
17°Art. X.7; décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 46.
artikel 75 : decreet 21/12/1994 betreffende het onderwijs VI artikel 174,§ 2;
artikel 67 : decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 357;
artikel 71, § 1, § 2, eerste lid : decreet 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 123;
artikel 71, § 2 : decreet 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII artikel 106;
artikel 71 : decreet 15/7/1997 betreffende het onderwijs VIII artikel 11;
artikel 42 : decreet 14/7/1998 betreffende het onderwijs IX artikel 334;
artikel 157 : decreet 18/5/1999 betreffende het onderwijs XI artikel 223;
artikel IV.14, eerste, tweede lid : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 335;
artikel V.9 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 7;
10° artikel V.10 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 8;
11° artikel V.11 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 9;
12° artikel V.12 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 10;
13° artikel V.13 : decreet 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII artikel 35;
14° artikel X.5 : decreet 15/7/2005 betreffende het onderwijs XV artikel 43;
15° artikel X.3 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 44;
16° artikel X.6 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 45;
17° artikel X.7 : decreet 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII artikel 46.
1°Art. 75 : décret 21/12/1994 relatif à l'enseignement VIArt. 174, § 2;
2°Art. 67 : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 357;
3°Art. 71, §§ 1er et 2, alinéa 1er : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 123;
4°Art. 71, § 2 : décret 08/07/1996 relatif à l'enseignement VIIArt. 106;
5°Art. 71 : décret 15/07/1997 relatif à l'enseignement VIIIArt. 11;
6°Art. 42 : décret 14/07/1998 relatif à l'enseignement IXArt. 334;
7°Art. 157 : décret 18/05/1999 relatif à l'enseignement XIArt. 223;
8°Art. IV.14, alinéa 1er et deux; décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 335;
9°Art. V.9 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 7;
10°Art. V.10 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 8;
11 °Art. V.11 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 9;
12°Art. V.12 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 10;
13°Art. V.13 : décret 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIIIArt. 35;
14°Art. X.5 : décret 15/07/2005 relatif à l'enseignement XVArt. 43;
15°Art. X.3 : décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 44;
16°Art. X.6 : décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 45;
17°Art. X.7; décret 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVIIArt. 46.
Art. N5. Bijlage V. - Addendum IV. - Overzicht wettelijke en decretale bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs
  1° Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
  2° Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs.
  3° koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs.
  4° koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs.
  5° koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs.
  6° koninklijk besluit nr. 297 van 31/3/1984 betreffende de opdrachten, de salarissen, de salaristoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de CLB, artikel 3, § 2.
  7° koninklijk besluit nr.439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon secundair onderwijs.
  8° Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II.
  9° Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
  10° Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.
  11° Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I : artikel VI.1 tot en artikel VI.3, artikel VI.4 tot en met artikel VI.19bis, artikel VI.22 tot en met artikelVI.28.
  12° besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van opleidingsvorm 3 in het buitengewoon secundair onderwijs, artikel 20bis tot en met artikel 20decies.
  13° Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft : artikel 4 tot en met artikel 19 en artikel 21.
  14° Artikelen uit diverse decreten betreffende het onderwijs :
  Decreet van 21/12/1994 betreffende het onderwijs VI : artikel 75.
  Decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII : artikel 67, 71.
  Decreet van 5/7/1997 betreffende het onderwijs VIII : artikel 71.
  Decreet van 14/7/1998 betreffende het onderwijs IX : artikel 42.
  Decreet van 18/5/1999 betreffende het onderwijs XI : artikel 157.
  Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII : artikel IV.14, artikel V.9 tot en met V.13.
  Decreet van 15/72005 betreffende het onderwijs XV : artikel X.5.
  Decreet van 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII : artikel X.3, X.6, X.7.
Art. N5. Annexe V. - Addenda IV. - Aperçu des dispositions légales et décrétales reprises dans la codification relative à l'enseignement secondaire
  1° Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement.
  2° Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré.
  3° arrêté royal n° 2 du 21/08/1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire à temps plein.
  4° arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial.
  5° arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial.
  6° arrêté royal n° 297 du 31/03/1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres d'encadrement des élèves, l'article 3, § 2.
  7° arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement secondaire spécial.
  8° Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II.
  9° Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
  10° Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein.
  11 ° Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I : l'article VI.1 à l'article VI.3, l'article VI.4 à l'article VI.19bis, l'article VI.22 à l'article VI.28.
  12° Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3, les articles 20bis à 20decies inclus.
  13° Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement : les articles 4 à 19 inclus et l'article 21.
  14° Des articles de divers décrets relatifs à l'enseignement :
  Décret du 21/12/1994 relatif à l'enseignement - VI : l'article 75.
  Décret du 08/07/1996 relatif à l'enseignement VII : les articles 67, 71.
  Décret du 05/07/1997 relatif à l'enseignement VIII : l'article 71.
  Décret du 14/07/1998 relatif à l'enseignement B IX : l'article 42.
  Décret du 18/05/1999 relatif à l'enseignement XI : l'article 157.
  Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII : l'article IV.14, les articles V.9 à V.13 inclus.
  Décret du 15/7/2005 relatif à l'enseignement XV : l'article X.5.
  Décret du 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVII : les articles X.3,X.6, X.7.
Art. N6. Bijlage VI. - Addendum V. - Bepalingen na de codificatie op te heffen
  De bepalingen die niet opgenomen zijn in de codificatie (Addendum I) en de bepalingen die opgenomen zijn in de codificatie (Addendum III) zullen na codificatie worden opgeheven bij decreet.
  De volgende bepalingen en artikelen, zoals gewijzigd worden bij decreet opgeheven :
  1° Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving : artikel 1, tweede lid; artikel 2; artikel 3, § 2 tot en met § 4, § 5, eerste lid, tweede zin, 1° en 2°, tweede lid, § 6, punt b), tweede lid, punt c), § 7, § 8, 1°, eerste tot en met zevende lid, negende lid, 2° tot en met 5°; artikel 4, eerste en tweede lid; artikel 24bis ; artikel 24ter ; artikel 24quater ; artikel 24quinquies ; artikel 27, § 2; artikel 29; artikel 31; artikel 32, § 3; artikel 36, § 3; artikel 46; artikel 52.
  2° Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving : op te heffen enkel voor wat betreft het secundair onderwijs : artikel 1, eerste lid; artikel 3, § 1, § 5, eerste lid, eerste zin, derde, vierde en vijfde lid, § 6, a) en b) eerste en derde lid, § 8, 1°, achtste lid, § 9; artikel 6quater ; artikel 7; artikel 25; artikel 26; artikel 27, § 1, eerste en twee lid; artikel 28; artikel 32, § 1; artikel 35; artikel 36, § 1 en § 2; artikel 36bis.
  3° Wet van 22/6/1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs.
  4° Koninklijk besluit van 22/3/1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
  5° Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, behalve artikel 2, punt d) en punt e); artikel 20, eerste lid.
  6° Wet van 11/7/1973 houdende wijziging van de wet van 29 mei 1959 betreffende het bewaarschoolonderwijs, het lager, middelbaar, normaal-, technisch, kunst- en buitengewoon onderwijs.
  7° Koninklijk besluit 5/5/1976 houdende uitvoering van artikel 27, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
  8° Koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs.
  9° Koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de instellingen voor buitengewoon onderwijs.
  10° Koninklijk besluit nr. 67 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs.
  11° koninklijk besluit nr. 297 van 31/3/1984 betreffende de opdrachten, de salarissen, de salaristoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de CLB, artikel 3, § 2.
  12° Wet van 31/7/1984 : artikel 83 tot en met artikel 85.
  13° Koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs.
  14° Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II : artikel 46 tot en met artikel 60, artikel 64, artikel 74bis tot en met artikel 74vicies semel, artikel 84bis tot en met artikel 84septies.
  15° Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II : op te heffen enkel voor wat betreft het secundair onderwijs : artikel 5; artikel 192; artikel 198, artikel 199.
  16° besluit van de Vlaamse Regering van 30/1/1991 houdende uitvoering van het artikel 163, § 4, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II aangaande de bevoegdheden van de commissaris van de Vlaamse Regering.
  17° Decreet van 28/4/1993 betreffende het onderwijs IV : artikel 69.
  18° Decreet van 21/12/1994 betreffende het onderwijs VI : artikel 75.
  19° Decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII :artikel 73.
  20° Decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII : op te heffen enkel voor wat betreft het secundair onderwijs : artikel 67, artikel 71.
  21° Decreet van 15/7/1997 betreffende het onderwijs VIII : artikel 71.
  22° Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs.
  23° Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs : enkel voor wat betreft het secundair onderwijs : artikel 156, artikel 158, artikel 159.
  24° Decreet van 14/7/1998 betreffende het onderwijs IX : artikel 42.
  25° Decreet van 18/5/1999 betreffende het onderwijs XI : artikel 157.
  26° besluit van de Vlaamse Regering van 1/12/2000 houdende vaststelling van de voorwaarden voor de financiering of subsidiëring van de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel van de centra voor volwassenenonderwijs.
  27° Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII : artikel IV.14, artikel V.9 tot en met artikel V.13.
  28° Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het secundair onderwijs.
  29° Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I : artikel VI.1
  tot en met artikel VI.3, artikel VI.4 tot en met artikel VI.19, artikel VI.20, artikel VI.22 tot en met VI.28; artikel X.1, artikel X.1bis.
  30° besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3, artikel 20bis tot en met 20decies.
  31° Decreet van 15/7/2005 betreffende het onderwijs XV : op te heffen enkel voor wat betreft het secundair onderwijs : artikel X.5.
  32° Decreet van 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII : artikel X.3, X.6, X.7.
  33° Decreet van 4/7/2008 betreffende het onderwijs XVIII : artikel XI.2.
  34° Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft : artikel 4 tot en met artikel 19.
  35° Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft : op te heffen enkel voor wat betreft het secundair onderwijs : artikel 21.
Art. N6. Annexe VI. - Addenda V. - Dispositions à abroger après la codification
  Les dispositions qui ne sont pas reprises dans la codification (Addenda I) et les dispositions qui sont reprises dans la codification (Addenda III) seront supprimées par décret après la codification.
  Les dispositions et articles suivants, tels que modifiés, sont abrogés par décret :
  1 ° Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement : l'article 1er, deuxième alinéa; l'article 2; l'article 3, § 2 à § 4, § 5, premier alinéa, deuxième phrase, 1 ° et 2°, deuxième alinéa, § 6, point b), deuxième alinéa, point c), § 7, § 8, 1 premier au septième alinéas, neuvième alinéa, 2° à 5°; l'article 4, premier et deuxième alinéas; l'article 24bis ; l'article 24ter ; l'article 24quater ; l'article 24quinquies ; l'article 27, § 2; l'article 29; l'article 31; l'article 32, § 3; l'article 36, § 3; l'article 46; l'article 52.
  2° Loi du 29/5/1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement : à abroger pour ce qui est de l'enseignement secondaire : l'article 1er, premier alinéa; l'article 3, § 1er, § 5, premier alinéa, première phrase, troisième, quatrième et cinquième alinéas, § 6, a) et b) premier et troisième alinéas, § 8, 1 °, huitième alinéa, § 9; l'article 6quater ; l'article 7; l'article 25; l'article 26; l'article 27, § 1, premier et deuxième alinéas; l'article 28; l'article 32, § 1; l'article 35; l'article 36, § 1 et § 2; l'article 36bis.
  3° Loi du 22/06/1964 relative au statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat.
  4° Arrêté royal du 22/03/1969, pris en exécution de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.
  5° Loi du 06/07/1970 sur l'enseignement spécial et intégré, sauf l'article 2, point d) et point e); l'article 20, premier alinéa.
  6° Loi du 11/07/1973 modifiant la loi du 29 mai 1959 relative a l'enseignement gardien, primaire, moyen, normal, technique, artistique et spécial.
  7° Arrêté royal du 05/05/1976 exécutant l'article 27, § 2, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement.
  8° Arrêté royal n° 2 du 21/08/1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire à temps plein.
  9° Arrêté royal n° 65 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel directeur et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial.
  10° Arrêté royal n° 67 du 20/07/1982 fixant la façon de déterminer les fonctions du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique dans l'enseignement secondaire spécial.
  11 ° arrêté royal n° 297 du 31/03/1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres d'encadrement des élèves, l'article 3, § 2.
  12° Loi du 31/07/1984 : les articles 83 à 85 inclus.
  13° Arrêté royal n° 439 du 11/08/1986 portant rationalisation et programmation de l'enseignement spécial.
  14° Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II : les articles 46 à 60 inclus, l'article 64, les articles 74bis à 74vicies semel inclus, les articles 84bis à 84septies inclus.
  15° Décret du 31/7/1990 relatif à l'enseignement II : à abroger pour le seul enseignement secondaire : l'article 5; l'article 192; l'article 198, l'article 199.
  16° Arrêté du Gouvernement flamand du 30/01/1991 portant exécution de l'article 163, § 4, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II concernant les compétences du commissaire du Gouvernement flamand.
  17° Décret du 28/04/1993 relatif à l'enseignement IV : l'article 69.
  18° Décret du 21/12/1994 relatif à l'enseignement VI : l'article 75.
  19° Décret du 08/07/1996 relatif à l'enseignement VII : l'article 73.
  20° Décret du 08/07/1996 relatif à l'enseignement VII : à abroger pour le seul enseignement secondaire : l'article 67, l'article 71.
  21 ° Décret du 15/07/1997 relatif à l'enseignement VIII : l'article 71.
  22° Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental.
  23° Décret du 14/07/1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental : pour ce qui concerne l'enseignement secondaire : l'article 156, l'article 158, l'article 159.
  24° Décret du 14/07/1998 relatif à l'enseignement IX : l'article 42.
  25° Décret du 18/05/1999 relatif à l'enseignement XI : l'article 157.
  26° Arrêté du Gouvernement flamand du 01/12/2000 fixant les conditions de financement et de subventionnement des fonctions des personnels directeurs et des personnels d'appui des centres d'éducation des adultes.
  27° Décret du 13/07/2001 relatif à l'enseignement XIII : l'article IV.14, l'article V.9 à l'article V.13.
  28° Décret du 18/01/2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire.
  29° Décret du 28/06/2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I : l'article VI.1
  à l'article VI.3, l'article VI. à l'article VI.19 inclus, l'article VI.20, l'article VI.22 à l'article VI.28 inclus; l'article X.1, l'article X.1 bis.
  30° Arrêté du Gouvernement flamand du 06/12/2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3, les articles 20bis à 20decies inclus.
  31° Décret du 15/07/2005 relatif à l'enseignement XV : à abroger pour le seul enseignement secondaire : l'article X.5.
  32° Décret du 22/06/2007 relatif à l'enseignement XVII : les articles X.3, X.6, X.7.
  33° Décret du 04/07/2008 relatif à l'enseignement XVIII : l'article XI.2.
  34° Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement : les articles 4 à 19 inclus.
  35° Décret du 04/07/2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement : à abroger pour le seul enseignement secondaire : l'article 21.
Art. N7. Bijlage VII. - Addendum VI. - Inhoudstafel codificatie betreffende het secundair onderwijs
  Deel I : Inleidende bepalingen
  Deel II : Begrippen
  Deel III : Gemeenschappelijke bepalingen betreffende het secundair onderwijs
  Titel 1 : Bepalingen betreffende de scholen
  Hoofdstuk 1 : Algemeen
  Hoofdstuk 2 : Erkenningsvoorwaarden
  Hoofdstuk 3 : Financiering en subsidiëring
  Afdeling 1 : Voorwaarden
  Afdeling 2 : Financiering en subsidiering van de personeelsleden
  Onderafdeling 1 : Salariëring
  Onderafdeling 2 : Onderwijzend personeel
  Onderafdeling 3 : Globale puntenenveloppe
  Onderafdeling 4 : Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs
  Onderafdeling 5 : Bedrijfsstages
  Afdeling 3 : Financiering en subsidiëring van de werking
  Onderafdeling 1 : Algemeen
  Onderafdeling 2 : Time-out projecten
  Onderafdeling 3 : Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
  Onderafdeling 4 : Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen
  Hoofdstuk 4 : Scholengemeenschappen
  Afdeling 1 : Algemeen
  Afdeling 2 : Vorming van een scholengemeenschap
  Afdeling 3 : Bevoegdheden van een scholengemeenschap
  Afdeling 4 : Diverse voordelen voor scholengemeenschappen
  Hoofdstuk 5 : Organen
  Afdeling 1 : Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs
  Afdeling 2 : Representatieve vakorganisaties
  Afdeling 3 : Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen
  Afdeling 4 : Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap
  Onderafdeling 1 : Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs
  Onderafdeling 2 : Netoverschrijdende scholengemeenschappen
  Onderafdeling 3 : Inzagerecht lokaal comité
  Hoofdstuk 6 : Levensbeschouwelijk onderricht
  Hoofdstuk 7 : Sancties
  Titel 2 : Bepalingen betreffende leerlingen
  Hoofdstuk 1 : Vrije keuze
  Hoofdstuk 2 : School Ben centrumreglement
  Hoofdstuk 3 : Toelatingsvoorwaarden en studiebekrachtiging
  Hoofdstuk 4 : Onderwijs voor zieke jongeren
  Hoofdstuk 5 : Controle op inschrijvingen
  Deel IV : Specifieke bepalingen betreffende het voltijds gewoon secundair onderwijs
  Titel 1 : Bepalingen betreffende scholen
  Hoofdstuk 1 : Structuur en organisatie
  Afdeling 1 : Structuur en organisatie op macro niveau
  Afdeling 2 : Structuur en organisatie op schoolniveau
  Afdeling 3 : Eindtermen, ontwikkelingsdoelen en leerplannen
  Afdeling 4 : Lessenrooster
  Afdeling 5 : Experimenteel modulair onderwijs
  Hoofdstuk 2 : Teldata
  Hoofdstuk 3 : Programmatie
  Afdeling 1 : Toepassingsgebied
  Afdeling 2 : Programmatie van scholen die tot een scholengemeenschap behoren
  Afdeling 3 : Programmatie van structuuronderdelen door scholen die tot een scholengemeenschap behoren
  Afdeling 4 : Programmatie van scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
  Afdeling 5 : Programmatie van structuuronderdelen door scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
  Hoofdstuk 4 : Rationalisatie en fusie
  Afdeling 1 : Rationalisatienormen
  Afdeling 2 : Fusie van scholen
  Hoofdstuk 5 : Omvorming en overheveling
  Afdeling 1 : Toepassingsgebied
  Afdeling 2 : Omvorming
  Afdeling 3 : Overheveling
  Hoofdstuk 6 : Financiering en subsidiëring
  Afdeling 1 : Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
  Onderafdeling 1 : Directeur
  Onderafdeling 2 : Onderwijzend personeel
  Onderafdeling 3 : Scholen met optie Rijn Ben binnenvaart
  Onderafdeling 4 : Topsportscholen
  Onderafdeling 5 : Onthaalonderwijs
  Onderafdeling 6 : Kunstsecundaire scholen
  Onderafdeling 7 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad
  Onderafdeling 8 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad
  Afdeling 2 : Financiering en subsidiëring van de werking
  Onderafdeling 1 : LeerlingenB en schoolkenmerken
  Onderafdeling 2 : Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen
  Onderafdeling 3 : Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken
  Onderafdeling 4 : Berekening van het werkingsbudget per school
  Onderafdeling 5 : Evaluatie
  Titel 2 : Bepalingen betreffende leerlingen
  Hoofdstuk 1 : Regelmatige versus vrije leerling
  Hoofdstuk 2 : Klassenraad en examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap
  Deel V : Specifieke bepalingen betreffende het buitengewoon secundair onderwijs
  Titel 1 : Inleidende bepaling
  Titel 2 : Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
  Hoofdstuk 1 : Bepalingen betreffende scholen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
  Afdeling 1 : Structuur en organisatie
  Afdeling 2 : Eindtermen, ontwikkelingsdoelen, leerplan en handelingsplan
  Afdeling 3 : Programmatie en rationalisatie
  Onderafdeling 1 : Begrippen en inleidende bepalingen
  Onderafdeling 2 : Fusie
  Onderafdeling 3 : Rationalisatie
  Onderafdeling 4 : Programmatie
  Hoofdstuk 2 : Bepalingen betreffende leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
  Afdeling 1 : Toelatingsvoorwaarden
  Onderafdeling 1 : Leeftijd
  Onderafdeling 2 : Inschrijvingsverslag en attest
  Onderafdeling 3 : Type 5
  Hoofdstuk 3 : Financiering en subsidiëring
  Afdeling 1 : Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
  Onderafdeling 1 : Directeur
  Onderafdeling 2 : Onderwijzend personeel
  Onderafdeling 3 : Paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel
  Onderafdeling 4 : Plage uren
  Onderafdeling 5 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen
  Afdeling 2 : Financiering en subsidiëring van de werking
  Onderafdeling 1 : Schoolkenmerken
  Onderafdeling 2 : Vaststelling van het totale werkingsbudget en de voorafnamen
  Onderafdeling 3 : Verdeling van het werkingsbudget voor schoolkenmerken
  Onderafdeling 4 : Berekening van het werkingsbudget per school
  Onderafdeling 5 : Berekening van de integratietoelage per school
  Onderafdeling 6 : Evaluatie
  Titel 3 : Specifieke bepalingen betreffende de opleidingsvormen 1, 2 en 3
  Hoofdstuk 1 : Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3
  Afdeling 1 : Structuur en organisatie
  Hoofdstuk 2 : Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 3
  Afdeling 1 : Structuur en organisatie
  Afdeling 2 : Experimenteel modulair onderwijs
  Titel 4 : Specifieke bepalingen betreffende de opleidingsvorm 4
  Hoofdstuk 1 : Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 4, met uitzondering van de ziekenhuisscholen
  Afdeling 1 : Structuur en organisatie
  Titel 5 : Specifieke bepalingen betreffende het geïntegreerd onderwijs en de specifieke onderwijsleermiddelen
  Hoofdstuk 1 : Het geïntegreerd onderwijs
  Hoofdstuk 2 : De specifieke onderwijsleermiddelen
  Deel VI. Uitwerkingdata
  Deel VII. Aanpassingen van de verwijzingen naar artikelen opgenomen in de codificatie.
Art. N7. Annexe VII. - Addenda VI. - Table des matières codification relative à l'enseignement secondaire
  Partie Ire : Dispositions introductives
  Partie II : Définitions
  Partie III : Dispositions communes relatives à l'enseignement secondaire
  Titre 1er : Dispositions relatives aux écoles
  Chapitre 1er : Généralités
  Chapitre 2 : Conditions d'agrément
  Chapitre 3. Financement et subventionnement
  Section 1 : Conditions
  Section 2 : Financement et subventionnement des membres du personnel
  Sous-section 1 : Rémunération
  Sous-section 2 : Personnel enseignant
  Sous-section 3 : Enveloppe globale de points
  Sous-section 4 : Enveloppe de points Conseil de l'Enseignement communautaire
  Sous-section 5 : Stages en entreprise
  Section 3 : Financement et subventionnement du fonctionnement
  Sous-section 1 : Généralités
  Sous-section 2 : Projets "time-out"
  Sous-section 3 : Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
  Sous-section 4 : Mesures spéciales pour les formations techniques ou à vocation professionnelle
  Chapitre 4 : Centres d'enseignement
  Section 1 : Généralités
  Section 2 : Constitution d'un centre d'enseignement
  Section 3 : Compétences d'un centre d'enseignement
  Section 4 : Divers avantages pour les centres d'enseignement
  Chapitre 5 : Organes
  Section 1 : 'Commissie voor Advies Buitengewoon Onderwijs' (Commission consultative de l'enseignement spécial)
  Section 2 : Organisations syndicales représentatives
  Section 3 : Organes de concertation réformes fondamentales de l'enseignement
  Section 4 : Comité local au niveau du centre d'enseignement
  Sous-section 1 : Centre d'enseignement de l'enseignement officiel subventionné
  Sous-section 2 : Centres d'enseignement transréseaux
  Sous-section 3 : Droit de consultation comité local
  Chapitre 6 : Enseignement philosophique
  Chapitre 7 : Sanctions
  Titre 2 : Dispositions relatives aux élèves
  Chapitre 1 : Libre choix
  Chapitre 2 : Règlement d'école et règlement de centre
  Chapitre 3 : Conditions d'admission et validation des études
  Chapitre 4 : Enseignement destiné aux jeunes malades
  Chapitre 5 : Contrôle des inscriptions
  Partie IV : Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein
  Titre 1 : Dispositions relatives aux écoles
  Chapitre 1 : Structure et organisation
  Section 1 : Structure et organisation au niveau macro
  Section 2 : Structure et organisation au niveau de l'école
  Section 3 : Objectifs finaux, objectifs de développement et programmes d'études
  Section 4 : Horaire
  Section 5 : Enseignement expérimental modulaire
  Chapitre 2 : Dates de comptage
  Chapitre 3 : Programmation
  Section 1 : Champ d'application
  Section 2 : Programmation d'écoles appartenant à un centre d'enseignement
  Section 3 : Programmation de subdivisions par des écoles appartenant à un centre d'enseignement
  Section 4 : Programmation d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement
  Section 5 : Programmation de subdivisions structurelles par des écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement
  Chapitre 4 : Rationalisation et fusion
  Section 1 : Normes de rationalisation
  Section 2 : Fusion d'écoles
  Chapitre 5 : Transformation et transfert
  Section 1 : Champ d'application
  Section 2 : Transformation
  Section 3 : Transfert
  Chapitre 6 : Financement et subventionnement
  Section 1 : Financement et subventionnement des membres du personnel
  Sous-section 1 : Directeur
  Sous-section 2 : Personnel enseignant
  Sous-section 3 : Ecoles à option 'Rijn- en binnenvaart' (Navigation rhénane et intérieure)
  Sous-section 4 : Ecoles de sport de haut niveau
  Sous-section 5 : Enseignement d'accueil
  Sous-section 6 : Ecoles d'enseignement secondaire artistique
  Sous-section 7 : Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation, premier degré
  Sous-section 8 : Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation, deuxième et troisième degrés
  Section 2 : Financement et subventionnement du fonctionnement
  Sous-section 1 : Caractéristiques de l'élève et caractéristiques de l'école
  Sous-section 2 : Fixation du budget total de fonctionnement et des prélèvements
  Sous-section 3 : Répartition du crédit pour les caractéristiques de l'école et les caractéristiques de l'élève
  Sous-section 4 : Calcul du budget de fonctionnement par école
  Sous-section 5 : Evaluation
  Titre 2 : Dispositions relatives aux élèves
  Chapitre 1er : Elève régulier et élève libre
  Chapitre 2 : Conseil de classe et jury de la Communauté flamande
  Partie V : Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement secondaire
  Titre 1 : Disposition introductive
  Titre 2 : Dispositions communes relatives aux formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
  Chapitre 1 : Dispositions communes relatives aux formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
  Section 1 : Structure et organisation
  Section 2 : Objectifs finaux, objectifs de développement, programme d'études et plan d'action
  Section 3 : Programmation et rationalisation
  Sous-section 1 : Définitions et dispositions introductives
  Sous-section 2 : Fusion
  Sous-section 3 : Rationalisation
  Sous-section 4 : Programmation
  Chapitre 2 : Dispositions communes relatives aux élèves des formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
  Section 1 : Conditions d'admission
  Sous-section 1 : Age
  Sous-section 2 : Rapport d'inscription et attestation
  Sous-section 3 : Type 5
  Chapitre 3 : Financement et subventionnement
  Section 1 : Financement et subventionnement des membres du personnel
  Sous-section 1 : Directeur
  Sous-section 2 : Personnel enseignant
  Sous-section 3 : Personnel paramédical, social, médical, psychologique et orthopédagogique
  Sous-section 4 : Heures de plage
  Sous-section 5 : Offre d'appui intégrée, égalité des chances en éducation
  Section 2 : Financement et subventionnement du fonctionnement
  Sous-section 1 : Caractéristiques de l'école
  Sous-section 2 : Fixation du budget total de fonctionnement et des prélèvements
  Sous-section 3 : Répartition du budget de fonctionnement pour les caractéristiques de l'école
  Sous-section 4 : Calcul du budget de fonctionnement par école
  Sous-section 5 : Calcul de la subvention d'intégration par école
  Sous-section 6 : Evaluation
  Titre 3 : Dispositions spécifiques relatives les formes d'enseignement 1, 2 et 3
  Chapitre 1er : Dispositions communes relatives aux formes d'enseignement 1, 2, 3 et 4
  Section 1 : Structure et organisation
  Chapitre 2 : Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 3
  Section 1 : Structure et organisation
  Section 2 : Enseignement modulaire expérimental
  Titre 4 : Dispositions spécifiques relatives à la forme d'enseignement 4
  Chapitre 1er : Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 4, à l'exception des écoles hospitalières
  Section 1 : Structure et organisation
  Titre 5 : Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement intégré et au matériel éducatif spécifique
  Chapitre 1er : L'enseignement intégré
  Chapitre 2 : Le matériel éducatif spécifique
  Partie VI. Dates d'effet
  Partie VII. Adaptations des références aux articles repris dans la codification
  BIJLAGE BIJ DE CODIFICATIE BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS
  Bijlage I : Indeling in onderwijszones
  ANNEXE A LA CODIFICATION RELATIVE A L'ENSEIGNEMENT SECONDAIRE
  Annexe Ire : Répartition en zones d'enseignement
  ADDENDUM BIJ DE CODIFICATIE
  Addendum I : Niet opgenomen artikelen
  Addendum II : Concordantietabel : vroegere artikelen gerangschikt volgens de nieuwe artikelen
  Addendum III : Concordantietabel : nieuwe artikelen gerangschikt volgens de vroegere artikelen
  Addendum IV : Overzicht wettelijke en decretale bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs
  Addendum V : Bepalingen na codificatie op te heffen
  Addendum VI : Inhoudstabel codificatie betreffende het secundair onderwijs
  ADDENDA A LA CODIFICATION
  Addenda I : Articles non repris
  Addenda II : Table de concordance : articles anciens classés selon les nouveaux articles
  Addenda III : Table de concordance : nouveaux articles classés selon les anciens articles
  Addenda IV : Aperçu des dispositions légales et décrétales reprises dans la codification relative à l'enseignement secondaire
  Addenda V : Dispositions à abroger après la codification
  Addenda VI : Table des matières codification relative à l'enseignement secondaire