Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 MAART 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-06-2011 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Titre
18 MARS 2011. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand rĂ©glant les subventions d'investissement alternatives octroyĂ©es par le "Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden" (Fonds flamand de l'infrastructure affectĂ©e aux matiĂšres personnalisables)(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 16-06-2011 et mise Ă  jour au 28-11-2025)
Documentinformatie
Numac: 2011202871
Datum: 2011-03-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2011202871
Date: 2011-03-18
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Definities HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied HOOFDSTUK 3. - Algemene voorwaarden in de proce... HOOFDSTUK 4. - Bouwfysische, technische en kwal... HOOFDSTUK 5. - De projecten waarvoor de gebruik... Afdeling 1. - Toepassingsgebied Afdeling 2. - De gebruikstoelage Afdeling 3. - De goedkeuring van een masterplan... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. Procedure voor een algemeen zi... Onderafdeling 3. - Procedure voor de overige vo... Onderafdeling 4. - Onderzoek en advies Onderafdeling 5. - Beslissing over het masterpl... Afdeling 4. - Aanvraag van de gebruikstoelage, ... Onderafdeling 1. - Algemeen Onderafdeling 2. - [1 Procedure]1 en onderzoek Onderafdeling 3. - Beslissing over de gebruikst... HOOFDSTUK 6. - De projecten waarvoor de gebruik... Afdeling 1. - Toepassingsgebied Afdeling 2. - De gebruikstoelage Afdeling 3. - De goedkeuring van een masterplan... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Procedure voor de algemene z... Onderafdeling 3. - Procedure voor de overige vo... Onderafdeling 4. - Onderzoek en advies Onderafdeling 5. - Beslissing over het masterpl... Afdeling 4. - Aanvraag van de gebruikstoelage, ... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - [1 Procedure]1 en onderzoek Onderafdeling 3. - Beslissing over de gebruikst... HOOFDSTUK 7. - Projecten met[1 financiering]1 z... Afdeling 1. - Toepassingsgebied Afdeling 2. - Projecten waarvoor de gebruikstoe... Afdeling 3. - Projecten waarvoor de gebruikstoe... HOOFDSTUK 8. - Bedrag van de gebruikstoelage HOOFDSTUK 9. - Bijzondere bepaling HOOFDSTUK 10. - Toezichtregeling en sancties HOOFDSTUK 11. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définitions CHAPITRE 2. - Champ d'application CHAPITRE 3. - Conditions générales de la procéd... CHAPITRE 4. - Normes physiques de construction,... CHAPITRE 5. - Les projets pour lesquels la subv... Section 1re. - Champ d'application Section 2. - La subvention-utilisation Section 3. - L'approbation d'un plan maßtre et ... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - Procédure pour un hÎpital gén... Sous-section 3. - Procédure pour les autres str... Sous-section 4. - Examen et avis Sous-section 5. - Décision relative au plan maß... Section 4. - Demande de la subvention-utilisati... Sous-section 1re. - Généralités Sous-section 2. - [1 Procédure]1 et examen Sous-section 3. - Décision sur la subvention-ut... CHAPITRE 6. - Les projets pour lesquels la subv... Section 1re. - Champ d'application Section 2. - La subvention-utilisation Section 3. - L'approbation d'un plan maßtre et ... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - Procédure pour les hÎpitaux g... Sous-section 3. - Procédure pour les autres str... Sous-section 4. - Examen et avis Sous-section 5. - Décision sur le plan maßtre e... Section 4. - Demande de la subvention-utilisati... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - [1 Procédure]1 et examen Sous-section 3. - Décision sur la subvention-ut... CHAPITRE 7. - Projets avec [1 financement]1 san... Section 1re. - Champ d'application Section 2. - Projets pour lesquels la subventio... Section 3. - Projets pour lesquels la subventio... CHAPITRE 8. - Montant de la subvention-utilisation CHAPITRE 9. - Disposition particuliÚre CHAPITRE 10. - ContrÎle et sanctions CHAPITRE 11. - Dispositions finales
Tekst (140)
Texte (140)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° [4 ...]4
2° algemeen ziekenhuis : een ziekenhuis, met uitzondering van de psychiatrische ziekenhuizen en met uitzondering van de ziekenhuizen die uitsluitend beschikken over gespecialiseerde diensten voor behandeling en revalidatie (kenletter Sp), al of niet samen met diensten voor gewone hospitalisatie (kenletter H) of diensten neuropsychiatrie voor behandeling van volwassen patiënten (kenletter T) of diensten geriatrie (kenletter G);
3° beschikbaarheidsvergoeding : de vergoeding voor [1 het bouwen, het financieren, het ter beschikking stellen en het al dan niet ontwerpen]1 van een voorziening door een opdrachtnemer voor een aanvrager, of een andere vergoeding in die zin. De betaling van de vergoeding wordt afhankelijk gemaakt van minimale beschikbaarheidvereisten. [1 Deze vergoeding moet gelijkmatig verdeeld zijn over de gehele looptijd]1;
4° centrum voor kortverblijf : een voorziening als vermeld in artikel 30 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
5° dagverzorgingscentrum : een voorziening als vermeld in artikel 25 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
6° decreet van 23 februari 1994 : het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden;
[4 6° /1 Departement Zorg: het departement, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg;]4
[5 6° /2 Fonds: het Fonds, vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 23 februari 1994;]5
7° functie dagopname binnen een ziekenhuis : een aanwijsbare entiteit binnen de vestigingsplaats van een ziekenhuis, met uitzondering van een psychiatrisch ziekenhuis, waarin verstrekkingen worden verricht als vermeld in de desbetreffende artikelen van de overeenkomst tussen de verplegingsinrichtingen en de verzekeringsinstellingen, zonder dat die verstrekkingen aanleiding geven tot een ziekenhuisverblijf met overnachting;
8° gebruikstoelage : een alternatieve vorm van investeringssubsidie als vermeld in artikel 7bis van het decreet van 23 februari 1994;
9° lokaal dienstencentrum : een voorziening als vermeld in artikel 16 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
10° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen en voor het gezondheidsbeleid;
11° opdrachtnemer : een rechtspersoon die, een samenwerkingsverband van rechtspersonen dat of een tijdelijke handelsvennootschap als vermeld in artikel 47 van het Wetboek van Vennootschappen, een voorziening [1 bouwt, financiert, ter beschikking stelt en al dan niet ontwerpt]1 voor een aanvrager;
12° project : het voorwerp van de geplande investering, omschreven in het masterplan, waarvoor een investeringssubsidie of investeringswaarborg wordt gevraagd;
13° psychiatrisch verzorgingstehuis : een psychiatrisch verzorgingstehuis als vermeld in artikel 170 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008;
14° psychiatrisch ziekenhuis : een ziekenhuis als vermeld in artikel 3 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008;
15° regionaal dienstencentrum : een voorziening als vermeld in artikel 20 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
16° [3 ...]3
17° verzorgingsinstelling : [2 een ziekenhuis, een rust- en verzorgingstehuis, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een functie dagopname binnen een ziekenhuis" vervangen door de zinsnede "een ziekenhuis, [3 ...]3 een psychiatrisch verzorgingstehuis of een functie dagopname binnen een ziekenhuis]2;
18° voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg : een woonzorgcentrum, een regionaal dienstencentrum, een lokaal dienstencentrum, een dagverzorgingscentrum of een centrum voor kortverblijf;
19° voorziening voor de sociale integratie van personen met een handicap : een van de voorzieningen, met uitzondering van de revalidatiecentra en de centra voor ontwikkelingsstoornissen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap, als het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld, exclusief btw en algemene onkosten, naargelang van de aard van de investering, overeenkomstig de bepalingen van het voormelde besluit van 19 juni 2009, hoger is dan het bedrag van 80.000 euro, exclusief btw en algemene onkosten. Dat bedrag van 80.000 euro wordt jaarlijks per 1 januari van rechtswege aangepast aan de bouwindex, waarbij de basisindex de bouwindex is van 1 januari 1994;
20° woonzorgcentrum : een voorziening als vermeld in artikel 37 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
21° ziekenhuis : een voorziening als vermeld in artikel 2 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.
[1 22° medische uitrusting : al het medisch en medisch-technisch materiaal dat men in ziekenhuizen gebruikt voor de diagnose, behandeling of bewaking van patiënten, met uitzondering van het niet subsidieerbaar honorarium gebonden medisch en medisch-technisch materiaal dat men gebruikt voor de diagnose en behandeling. Verbruiksartikelen worden niet gesubsidieerd.]1
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° [4 ...]4
2° hÎpital général : un hÎpital, à l'exception des hÎpitaux psychiatriques et des hÎpitaux disposant exclusivement de services de traitement et de réadaptation fonctionnelle (indes Sp), en liaison ou non avec des services d'hospitalisation simple (index H), des services neuro-psychiatriques de traitement de patients adultes (index T), ou des services gériatriques (index G);
3° indemnitĂ© de disponibilitĂ© : l'indemnitĂ© pour [1 la construction, le financement, la mise Ă  disposition et la conception ou non]1 d'une structure par un preneur d'ordre pour un demandeur, ou une autre indemnitĂ© dans ce sens. Le paiement de cette indemnitĂ© est rendue dĂ©pendante des exigences de disponibilitĂ© minimales. [1 Cette indemnitĂ© doit ĂȘtre rĂ©partie de maniĂšre Ă©gale sur la durĂ©e entiĂšre. ]1;
4° centre de court séjour : une structure telle que visée à l'article 30 du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
5° centre de soins de jour : une structure telle que visée à l'article 25 du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
6° décret du 23 février 1994 : le décret du 23 février 1994 relatif à l'infrastructure affectée aux matiÚres personnalisables;
[4 6° /1 DĂ©partement Soins : le dĂ©partement, visĂ© Ă  l'article 2, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au DĂ©partement Soins ; ]4
[5 6° /2 Fonds : le Fonds visé à l'article 2, 4° du décret du 23 février 1994 ;]5
7° fonction d'hospitalisation de jour : une entitĂ© reconnaissable dans le lieu d'implantation d'un hĂŽpital, Ă  l'exception d'un hĂŽpital psychiatrique, oĂč des prestations sont fournies telles que dĂ©finies dans les articles y affĂ©rents de la convention entre les institutions de soins et les Ă©tablissements d'assurance, sans que ces prestations donnent lieu Ă  un sĂ©jour Ă  l'hĂŽpital avec logement;
8° subvention-utilisation : une forme alternative de subvention d'investissement telle que visée à l'article 7bis du décret du 23 février 1994;
9° centre local de services : une structure telle que visée à l'article 16 du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
10° Ministre : le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes et la politique de la santé dans ses attributions;
11° preneur d'ordre : une personne morale qui met un partenariat de personnes morales ou une société commerciale temporaire telle que visée à l'article 47 du Code des Sociétés qui [1 construit, finance, met à disposition et conçoit ou non une structure ]1 d'un demandeur;
12° projet : l'objet de l'investissement envisagé, décrit dans le plan maßtre, pour lequel une subvention d'investissement ou une garantie d'investissement sont demandées;
13° maison de soins psychiatriques : une structure de soins psychiatriques telle que visée à l'article 170 de la loi relative aux hÎpitaux et à d'autres établissements de soins, coordonnée le 10 juillet 2008;
14° hÎpital psychiatrique : un hÎpital telle que visé à l'article 3 de la loi relative aux hÎpitaux et à d'autres établissements de soins, coordonnée le 10 juillet 2008;
15° un centre régional de services : une structure telle que visée à l'article 20 du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
16° [3 ...]3
17° établissement de soins : [2 un hÎpital, [3 ...]3 un foyer de soins psychiatriques ou une fonction d'admission de jour dans un hÎpital]2;
18° structures pour personnes ùgées et structures dans le cadre des soins à domicile : un centre de services de soins et de logement, un centre de services régional, un centre de services local, un centre de soins de jour, ou un centre de court séjour;
19° structure pour l'intĂ©gration sociale des personnes handicapĂ©es : l'une des structures, Ă  l'exception des centres de revalidation et des centres pour troubles de dĂ©veloppement tels que visĂ©s Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinĂ©es aux personnes handicapĂ©es, si le montant total calculĂ© et fixĂ©, hors TVA et frais gĂ©nĂ©raux, selon le type d'investissement, est supĂ©rieur Ă  80.000 euros, hors TVA et frais gĂ©nĂ©raux, conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© susmentionnĂ© du 19 juin 2009. Ce montant de 80.000 euros est ajustĂ© d'office annuellement au 1er janvier Ă  l'indice de la construction, l'indice de base Ă©tant l'indice de la construction du 1er janvier 1994;
20° centre de services de soins et de logement : une structure telle que visée à l'article 37 du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
21° hÎpital : une structure telle que visée à l'article 2 de la loi relative aux hÎpitaux et à d'autres établissements de soins, coordonnée le 10 juillet 2008.
[1 22° équipement médical : tout le matériel médical et médico-technique utilisé dans les hÎpitaux pour le diagnostic, le traitement ou la surveillance de patients, à l'exception du matériel médical et médico-technique non subventionnable, lié aux honoraires, que l'on utilise pour le diagnostic et le traitement. Les articles de consommation ne sont pas subventionnés.]1
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
CHAPITRE 2. - Champ d'application
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op :
1° de sector van de verzorgingsinstellingen;
2° de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg;
3° de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap.
Ter uitvoering van artikel 7bis van het decreet van 23 februari 1994 kan door het Fonds, binnen de perken van de begrotingskredieten, een gebruikstoelage verstrekt worden aan aanvragers, onder de voorwaarden, vermeld in het decreet van 23 februari 1994 en in dit besluit.
Art. 2. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique :
1° au secteur des établissements de soins;
2° au secteur des structures pour personnes ùgées et des structures de soins à domicile;
3° 2° au secteur des structures pour l'intégration sociale des personnes handicapées.
En exĂ©cution de l'article 7bis du dĂ©cret du 23 fĂ©vrier 1994, le Fonds peut accorder aux demandeurs, dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires, une subvention-utilisation aux conditions Ă©noncĂ©es dans le dĂ©cret du 23 fĂ©vrier 1994 et dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art.2 TOEKOMSTIG RECHT.
Dit besluit is van toepassing op :
1° de sector van de verzorgingsinstellingen;
2° de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg;
3° de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap.
Ter uitvoering van artikel 7bis van het decreet van 23 februari 1994 kan door het Fonds, binnen de perken van de begrotingskredieten, een gebruikstoelage verstrekt worden aan aanvragers, onder de voorwaarden, vermeld in het decreet van 23 februari 1994 en in dit besluit.
[1 Vanaf 1 januari 2027 kan geen nieuw principieel akkoord voor een project worden verkregen.]1
Art. 2 DROIT FUTUR. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique :
1° au secteur des établissements de soins;
2° au secteur des structures pour personnes ùgées et des structures de soins à domicile;
3° 2° au secteur des structures pour l'intégration sociale des personnes handicapées.
En exĂ©cution de l'article 7bis du dĂ©cret du 23 fĂ©vrier 1994, le Fonds peut accorder aux demandeurs, dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires, une subvention-utilisation aux conditions Ă©noncĂ©es dans le dĂ©cret du 23 fĂ©vrier 1994 et dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
[1 Aucun nouvel accord de principe pour un projet ne peut ĂȘtre obtenu Ă  partir du 1er janvier 2027.]1
HOOFDSTUK 3. - Algemene voorwaarden in de procedure om een gebruikstoelage te verkrijgen
CHAPITRE 3. - Conditions générales de la procédure en vue d'obtenir subvention-utilisation
Art. 3. De aanvrager komt alleen in aanmerking voor een gebruikstoelage als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° erkend zijn om zorg- en dienstverlening te organiseren in het kader van de persoonsgebonden aangelegenheden;
2° beschikken over een genotsrecht op het project, vermeld in [1 artikel 12]1 van het decreet van 23 februari 1994. Als de aanvrager en de eigenaar of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop een project wordt uitgevoerd, twee verschillende personen zijn, mag er geen ongeoorloofde verwantschap bestaan tussen hen, als vermeld in artikel 4.
Art. 3. Le demandeur ne peut obtenir une subvention-utilisation que s'il remplit les conditions suivantes :
1° ĂȘtre agréé pour organiser des soins et services dans le cadre des matiĂšres personnalisables;
2° disposer d'un droit de jouissance du projet, visé à [1 l'article 12]1 du décret du 24 février 1994. Si le demandeur et le propriétaire ou le détenteur de droits réels sur le terrain sur lequel un projet est exécuté, sont deux différentes personnes, il ne peut y avoir un parenté illégitime mutuelle, telle que visée à l'article 4.
Art. 4. § 1. De aanvrager en de eigenaar van de grond waarop een project wordt uitgevoerd of de aanvrager en de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop een project wordt uitgevoerd, worden geacht een ongeoorloofde verwantschapsband te hebben als de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond een natuurlijke persoon is of een handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid als vermeld in artikel 2, § 2, van het Wetboek van Vennootschappen, en als de ene rechtstreeks of onrechtstreeks de bevoegdheid in rechte of in feite heeft om bij de andere een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan of op de oriëntatie van het beleid.
§ 2. De ongeoorloofde verwantschapsband is in rechte en wordt onweerlegbaar vermoed als :
1° de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond in het bezit is van de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de deelnamerechten van de aanvrager;
2° de aanvrager in het bezit is van de meerderheid van de stemrechten die verbonden zijn aan het totaal van de effecten van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond;
3° de meerderheid van de bestuurders van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, of de aandeelhouders van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, op persoonlijke titel, alleen of samen, de meerderheid bezit of bezitten van de stemrechten die verbonden zijn aan de deelnamerechten van de aanvrager;
4° de meerderheid van de bestuurders of de leden van de aanvrager op persoonlijke titel, alleen of samen, de meerderheid bezit of bezitten van de stemrechten die verbonden zijn aan de effecten van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond;
5° de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond of de meerderheid van zijn bestuurders of aandeelhouders of zijn economische rechthebbenden het recht heeft of hebben om de meerderheid van de bestuurders van de aanvrager te benoemen of te ontslaan;
6° de aanvrager of de meerderheid van zijn bestuurders of leden of zijn economische rechthebbenden het recht heeft of hebben om de meerderheid van de bestuurders van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond te benoemen of te ontslaan;
7° de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond of de meerderheid van zijn bestuurders of aandeelhouders of zijn economische rechthebbenden krachtens de statuten van de aanvrager of krachtens een gesloten overeenkomst over de bevoegdheid beschikt of beschikken om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van het bestuursorgaan of op de oriëntatie van het beleid;
8° de aanvrager of de meerderheid van zijn bestuurders, leden of zijn economische rechthebbenden krachtens de statuten van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond of krachtens een gesloten overeenkomst over de bevoegdheid beschikt of beschikken om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van het bestuursorgaan of op de oriëntatie van het beleid;
9° de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, zijn bestuurders of aandeelhouders op de voorlaatste en laatste algemene vergadering van de aanvrager stemrechten hebben uitgeoefend die de meerderheid vertegenwoordigen van de stemrechten die verbonden zijn aan de op deze algemene vergaderingen vertegenwoordigde aandelen;
10° de aanvrager, zijn bestuurders of aandeelhouders op de voorlaatste en laatste algemene vergadering van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond stemrechten hebben uitgeoefend die de meerderheid vertegenwoordigen van de stemrechten die verbonden zijn aan de op deze algemene vergaderingen vertegenwoordigde aandelen;
11° de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager onder een centrale leiding staan. Zij worden vermoed onder een centrale leiding te staan als :
a) de centrale leiding voortvloeit uit de statuten van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, of uit een overeenkomst tussen alle betrokken entiteiten;
b) de bestuursorganen van respectievelijk de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager, alsook de entiteit die de centrale leiding voert, voor het merendeel uit dezelfde personen bestaan;
c) de meerderheid van de aandelen of lidmaatschapsrechten van respectievelijk de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager, alsook de entiteit die de centrale leiding voert, worden gehouden door dezelfde personen;
12° de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond rechtstreeks of onrechtstreeks een invloed van betekenis uitoefent op de oriëntatie van het beleid van de aanvrager door een participatie van minstens tien % te nemen in het lidmaatschap van de aanvrager;
13° de aanvrager rechtstreeks of onrechtstreeks een invloed van betekenis uitoefent op de oriëntatie van het beleid van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond door een participatie van minstens tien % te nemen in het kapitaal van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond;
14° de bestuurders of de aandeelhouders van de aanvrager enerzijds, en de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond of zijn bestuurders of de aandeelhouders anderzijds, bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad of echtgenoten zijn. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een wettelijk samenlevingscontract hebben gesloten, met echtgenoten gelijkgesteld. De onverenigbaarheid wordt geacht op te houden door het overlijden van de persoon door wie ze tot stand is gekomen, door echtscheiding of door het ophouden van het wettelijk samenlevingscontract.
§ 3. Voor de beoordeling van de gevallen, vermeld in paragraaf 2, is het niet belangrijk dat :
1° de bestuurders of aandeelhouders van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, of de bestuurders of leden van de aanvrager anderzijds, alleen of samen handelen. Tenzij anders wordt bewezen, worden personen die op hetzelfde ogenblik bestuurder of aandeelhouder zijn van de eigenaar van de grond, of van de houder van de zakelijke rechten op de grond en bestuurder of lid van de aanvrager, geacht samen te handelen;
2° de verwantschapsband op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze, met tussenplaatsing van andere entiteiten of tussenpersonen, tot stand komt;
3° stemrechten worden geschorst of onderworpen zijn aan stemkrachtbeperking.
§ 4. De ongeoorloofde verwantschapsband kan in feite worden vermoed door het Fonds op basis van andere elementen dan de elementen, vermeld in paragraaf 2. Dat vermoeden is weerlegbaar door de aanvrager.
§ 5. Het Fonds heeft de mogelijkheid om, in elke fase van de procedure, aan de aanvrager aanvullende gegevens te vragen over de verwantschapsband tussen de aanvrager en de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond.
§ 6. Het Fonds heeft de mogelijkheid om, in elke fase van de procedure, aan de aanvrager aanvullende gegevens te vragen over de rechtsgeldigheid van zijn rechtsband met de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, en over de marktconformiteit van de vergoedingen die gebaseerd zijn op die rechtsband.
Art. 4. § 1er. Le demandeur et le propriétaire du terrain sur lequel le projet est mis en oeuvre ou le demandeur et le détenteur des droits réels du terrain sur lequel le projet est exécuté, sont supposer avoir un parenté illégitime mutuelle si le propriétaire du terrain ou le demandeur et le détenteur des droits réels du terrain est une personne physique ou une société commerciale à personnalité juridique telle que visée à l'article 2, § 2, du Code des Sociétés, et si l'un a la compétence directe ou indirecte de droit ou de fait d'exercer une influence décisive auprÚs de l'autre en matiÚre de la désignation de la majorité des membres de l'organe administratif ou de l'orientation politique.
§ 2. Le parenté illégitime s'appelle en droit et est censé irréfutable si :
1° le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain est en possession de la majorité des droits de vote liés au total des droits de participation du demandeur;
2° le demandeur est en possession de la majorité des droits de vote liés au total des effets du propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain;
3° la majorité des administrateurs du propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain, ou les actionnaires du propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain, détient ou détiennent, à titre personnel, seuls ou ensembles, la majorité des droits de vote liés aux droits de participation du demandeur;
4° la majorité des administrateurs ou des membres du demandeur détient ou détiennent, à titre personnel, seuls ou ensembles, la majorité des droits de vote liés aux effets du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain;
5° le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain ou la majorité des administrateurs ou actionnaires ou ses ayant droits économiques a ou ont le droit de désigner ou de démettre la majorité des administrateurs;
6° le demandeur ou la majorité de ses administrateurs ou membres ou ses ayant droits économiques a ou ont le droit de désigner ou de démettre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain;
7° le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain ou la majorité de ses administrateurs ou actionnaires ou ses ayant droits économiques dispose ou disposent, en vertu des statuts du demandeur ou en vertu d'un contrat conclu, de la compétence d'exercer une influence décisive sur la désignation de la majorité de l'organe administratif ou sur l'orientation politique;
8° le demandeur ou la majorité de ses administrateurs, membres ou ses ayant droits économiques dispose ou disposent, en vertu des statuts du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain ou en vertu d'un contrat conclu, de la compétence d'exercer une influence décisive sur la désignation de la majorité de l'organe administratif ou sur l'orientation politique;
9° le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain, ses administrateurs ou actionnaires ont fait valoir des droits de vote lors de l'avant-derniÚre et derniÚre assemblée générale qui représentent la majorité des droits de vote liés aux actions représentées pendant ces assemblées générales;
10° le demandeur, ses administrateurs ou actionnaires ont fait valoir des droits de vote lors de l'avant-derniÚre et derniÚre assemblée générale du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain qui représentent la majorité des droits de vote liés aux actions représentées pendant ces assemblées générales;
11° le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain et le demandeur sont sous une direction centrale. Ils sont supposĂ©s ĂȘtre sous une direction centrale si :
a) la direction centrale résulte des statuts du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et du demandeur d'autre part, ou d'un contrat entre toutes les parties concernées;
b) les organes administratifs de respectivement le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain et du demandeur ainsi que de l'entitĂ© exerçant la direction gĂ©nĂ©rale, sont composĂ©s pour la majoritĂ© des mĂȘmes personnes;
c) la majoritĂ© des actions ou des droits d'adhĂ©sion du propriĂ©taire du terrain, respectivement du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain et du demandeur ainsi que de l'entitĂ© exerçant la direction gĂ©nĂ©rale, est en main de la majoritĂ© des mĂȘmes personnes;
12° le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain exerce une influence directe ou indirecte significative sur l'orientation de la politique du demandeur en prenant une participation d'au dix pourcent dans l'adhésion du demandeur;
13° le demandeur exerce une influence directe ou indirecte significative sur l'orientation de la politique du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain en prenant une participation d'au moins dix pourcent dans le capital du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels;
14° les administrateurs ou les actionnaires du demandeur d'une part, et le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain ou ses administrateurs ou actionnaires d'autre part, sont des consanguins ou parents jusqu'au deuxiĂšme degrĂ© ou des conjoints. Pour l'application de cette disposition, les personnes qui ont conclu un contrat de vie commune lĂ©gal sont assimilĂ©es Ă  des conjoints. L'incompatibilitĂ© est censĂ©e s'arrĂȘter Ă  la suite du dĂ©cĂšs de la personne qui l'a créée, du divorce ou de la cessation du contrat de vie commune lĂ©gal.
§ 3. Pour l'application des cas, mentionnés dans le paragraphe 2, il n'est pas important :
1° que les administrateurs ou les actionnaires du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain d'une part, et les administrateurs ou les membres du demandeur d'autre part, agissent seuls ou ensembles. Sauf preuve du contraire, les personnes qui au mĂȘme moment sont administrateur ou actionnaire du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain et administrateur ou membre du demandeur, sont supposĂ©s agir ensembles;
2° que la parenté directe ou indirecte, avec interposition d'autres entités ou personnes intermédiaires, est réalisée;
3° que les droits de vote sont suspendus ou soumis à une limitation de la valeur de vote.
§ 4. La parentĂ© illĂ©gitime peut en fait ĂȘtre supposĂ©e par le Fonds sur la base d'Ă©lĂ©ments autres que ceux mentionnĂ©s dans le paragraphe 2. Cette supposition es rĂ©futable par le demandeur.
§ 5. Le Fonds dispose de la possibilité de demander, à n'importe quel stade de la procédure, des données complémentaires au demandeur sur la parenté entre le demandeur et le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain.
§ 6. Le Fonds dispose de la possibilité de demander, à n'importe quel stade de la procédure, des données complémentaires au demandeur sur la validité de son lien juridique avec le demandeur et le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et sur la conformité marchande des indemnités basées sur ce lien juridique.
HOOFDSTUK 4. - Bouwfysische, technische en kwalitatieve normen voor de investeringen
CHAPITRE 4. - Normes physiques de construction, techniques et qualitatives pour les investissements
Art. 5. Om voor een gebruikstoelage in aanmerking te komen, moet de investering plaatsvinden of plaatsgevonden hebben overeenkomstig de volgende algemene bouwfysische, technische en kwalitatieve normen :
1° de regelgeving over de brandveiligheid;
2° de regelgeving over de toegang van gehandicapten tot gebouwen die toegankelijk zijn voor het publiek;
3° de regelgeving over de eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat voor gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat;
4° het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties;
5° de typebestekken, opgesteld door het Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;
6° de regelgeving over de stedenbouw en de ruimtelijke ordening;
7° de regelgeving over de milieuvergunningen;
8° indien van toepassing, de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren.
Art. 5. Pour ĂȘtre Ă©ligible Ă  la subvention-utilisation, l'investissement doit se rĂ©aliser ou avoir Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© conformĂ©ment aux normes physiques de construction, techniques et qualitatives gĂ©nĂ©rales :
1° la réglementation sur la sécurité incendie;
2° la réglementation sur l'accÚs de personnes handicapées aux bùtiments accessibles au public;
3° la réglementation relative aux exigences et mesures de maintien en matiÚre de performance énergétique et de climat intérieur et portant instauration d'un certificat de performance énergétique;
4° le RÚglement général sur les Installations électriques;
5° les cahiers des charges type, établis par le MinistÚre flamand de la Mobilité et des Travaux publics;
6° la réglementation sur l'urbanisme et l'aménagement du territoire;
7° la réglementation sur les autorisations écologiques;
8° si d'application, la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bùtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions subventionnées par les pouvoirs publics qui relÚvent de la Communauté flamande.
Art. 6. Met behoud van de toepassing van artikel 5 moet, om voor een gebruikstoelage in aanmerking te komen, de investering in een ziekenhuis of in een functie dagopname binnen een ziekenhuis plaatsvinden of plaatsgevonden hebben overeenkomstig de specifieke bouwfysische, technische en kwalitatieve normen als vermeld in artikel 58, 66 en 67 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.
Art. 6. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 5, pour ĂȘtre Ă©ligible Ă  une subvention-utilisation, l'investissement concernant un hĂŽpital ou une fonction d'hospitalisation de jour, doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© ou avoir Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© conformĂ©ment aux normes physiques de construction, techniques et qualitatives spĂ©cifiques reprises dans les arrĂȘtĂ©s pris en exĂ©cution des articles 58, 66 et 67 de la loi relative aux hĂŽpitaux et Ă  d'autres Ă©tablissements de soins, coordonnĂ©e le 10 juillet 2008.
Art. 7. Met behoud van de toepassing van artikel 5 moet, om voor een gebruikstoelage in aanmerking te komen, de investering in [2 woonzorgcentrum]2 of in een psychiatrisch verzorgingstehuis plaatsvinden of plaatsgevonden hebben overeenkomstig de specifieke bouwfysische, technische en kwalitatieve normen als vermeld in artikel 170 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.
Art. 7. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 5, pour ĂȘtre Ă©ligible Ă  une subvention-utilisation, l'investissement concernant un [2 centre de soins rĂ©sidentiels]2 ou une maison de soins psychiatriques, doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© ou avoir Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© conformĂ©ment aux normes physiques de construction, techniques et qualitatives spĂ©cifiques reprises dans l'articles 170 de la loi relative aux hĂŽpitaux et Ă  d'autres Ă©tablissements de soins, coordonnĂ©e le 10 juillet 2008.
Art. 8. Met behoud van de toepassing van artikel 5 moet, om voor een gebruikstoelage in aanmerking te komen, de investering in een woonzorgcentrum plaatsvinden of plaatsgevonden hebben overeenkomstig de specifieke erkenningsvoorwaarden, vermeld in bijlage XII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, inzonderheid overeenkomstig de voorwaarden die betrekking hebben op de zorg en kwaliteit van de zorg en de infrastructuur.
[1 Innovatieve pilootprojecten, geselecteerd na een oproep door de minister, kunnen van het Fonds een afwijking krijgen van de specifieke erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. Afwijkingen worden alleen verleend als ze tot doel hebben de levenskwaliteit van de bewoners van de innovatieve pilootprojecten te verhogen. De minister bepaalt daarvoor de bijkomende selectiecriteria.]1
Art. 8. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 5, pour ĂȘtre Ă©ligible Ă  une subvention-utilisation, l'investissement concernant un centre de services de soins et de logement doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© ou avoir Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© conformĂ©ment aux conditions d'agrĂ©ment spĂ©cifiques, visĂ©es Ă  l'annexe XII Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif Ă  la programmation, aux conditions d'agrĂ©ment et au rĂ©gime de subventionnement des structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximitĂ©, notamment conformĂ©ment aux conditions relatives aux soins et Ă  la qualitĂ© des soins et de l'infrastructure.
[1 Le Fonds peut accorder à des projets pilotes novateurs, sélectionnés suite à un appel du Ministre, une dérogation aux conditions d'agrément spécifiques, visées à l'alinéa premier. Une dérogation est uniquement accordée lorsqu'elle a pour but d'améliorer la qualité de vie des habitants des projets pilotes novateurs. Le Ministre fixe les modalités de sélection supplémentaires à cet effet.]1
Art. 9. Met behoud van de toepassing van artikel 5 moet, om voor een gebruikstoelage in aanmerking te komen, de investering in een regionaal dienstencentrum, een lokaal dienstencentrum, een dagverzorgingscentrum of een centrum voor kortverblijf plaatsvinden of plaatsgevonden hebben overeenkomstig de specifieke erkenningsvoorwaarden, vermeld in bijlage VI, VII, IX en XI bij het besluit, vermeld in het artikel 8, inzonderheid overeenkomstig de voorwaarden die betrekking hebben op de infrastructuur.
[1 Innovatieve pilootprojecten, geselecteerd na een oproep door de minister, kunnen van het Fonds een afwijking krijgen van de specifieke erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. Afwijkingen worden alleen verleend als ze tot doel hebben de levenskwaliteit van de bewoners van de innovatieve pilootprojecten te verhogen. De minister bepaalt daarvoor de bijkomende selectiecriteria.]1
Art. 9. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 5, pour ĂȘtre Ă©ligible Ă  une subvention-utilisation, l'investissement concernant un centre rĂ©gional de services, un centre local de services, un centre de soins de jour ou un centre de court sĂ©jour, doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© ou avoir Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© conformĂ©ment aux conditions d'agrĂ©ment spĂ©cifiques, visĂ©es aux annexes VI, VII, IX et XI Ă  l'arrĂȘtĂ© visĂ© Ă  l'article 8, notamment conformĂ©ment aux conditions relatives Ă  l'infrastructure.
[1 Le Fonds peut accorder à des projets pilotes novateurs, sélectionnés suite à un appel du Ministre, une dérogation aux conditions d'agrément spécifiques, visées à l'alinéa premier. Une dérogation est uniquement accordée lorsqu'elle a pour but d'améliorer la qualité de vie des habitants des projets pilotes novateurs. Le Ministre fixe les modalités de sélection supplémentaires à cet effet.]1
Art. 10. Met behoud van de toepassing van artikel 5 moet, om voor een gebruikstoelage in aanmerking te komen, de investering in een voorziening voor de sociale integratie van personen met een handicap plaatsvinden of plaatsgevonden hebben overeenkomstig de specifieke bouwtechnische en de bouwfysische normen, vermeld voor elk soort van voorziening in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap.
Art. 10. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 5, pour ĂȘtre Ă©ligible Ă  une subvention-utilisation, l'investissement concernant une structure pour l'intĂ©gration sociale des personnes handicapĂ©es, doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© ou avoir Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© dans un hĂŽpital conformĂ©ment aux normes physiques de construction, techniques et qualitatives spĂ©cifiques reprises pour chaque type de structure dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques de construction pour les structures assurant l'intĂ©gration sociale des personnes handicapĂ©es.
HOOFDSTUK 5. - De projecten waarvoor de gebruikstoelage dient als rechtstreekse bijdrage in de kostprijs
CHAPITRE 5. - Les projets pour lesquels la subvention-utilisation sert de contribution directe au coût
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Section 1re. - Champ d'application
Art. 11. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op projecten waarvoor de gebruikstoelage als rechtstreekse bijdrage in de kostprijs dient, waarbij de gebruikstoelagen door de aanvrager worden aangewend om rechtstreeks bij te dragen in de kostprijs van het project en waarbij er geen beschikbaarheidsvergoeding wordt betaald door de aanvrager.]1
Art. 11. [1 Le présent chapitre s'applique aux projets pour lesquels la subvention-utilisation sert de contribution directe au coût, pour lesquels le demandeur utilise les subventions-utilisation afin de contribuer directement au coût du projet, et pour lesquels aucune indemnité de disponibilité n'est payée par le demandeur. ]1
Afdeling 2. - De gebruikstoelage
Section 2. - La subvention-utilisation
Art. 12. Jaarlijks kan door het Fonds worden beslist, binnen de perken van de begrotingskredieten en volgens de procedure, vermeld in dit besluit, over de toekenning van een gebruikstoelage aan een aanvrager voor de uitvoering van zijn project. Die beslissing kan gedurende twintig opeenvolgende jaren worden genomen.
Het bedrag van de gebruikstoelage die in een bepaald jaar door het Fonds kan worden verstrekt, wordt berekend door een coëfficiënt toe te passen op het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het bevel tot aanvang van de werken, van het plaatsen van de bestelling of van het verlijden van de authentieke aankoopakte ingeval van aankoop zonder verbouwing [1 bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum]1, naargelang van de aard van de investering, overeenkomstig de bepalingen van een van de volgende besluiten :
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor de personen met een handicap;
[1 De coëfficiënt wordt jaarlijks door de minister in december bepaald en wordt volgens de volgende formule berekend :
coëfficiënt = R/(1-(1/(1+R)20)), waarbij :
1° R = referentierentevoet.]1

De referentierentevoet wordt jaarlijks in december aangeleverd door het beleidsdomein Financiën en Begroting op basis van een tienjarige OLO en stemt overeen met het rekenkundig gemiddelde van de noteringen tijdens de periode van 1 september tot en met 30 november van het desbetreffende jaar, verhoogd met vijftien basispunten. De aldus bepaalde referentierentevoet wordt ieder jaar in december door het beleidsdomein Financiën en Begroting uiterlijk binnen de vijf eerste werkdagen van de maand december meegedeeld aan het Fonds.
De coëfficiënt die geldt voor een bepaald project, is de coëfficiënt die van toepassing is op de datum van het bevel tot aanvang van de werken, van het plaatsen van de bestelling of van het verlijden van de authentieke aankoopakte ingeval van aankoop zonder verbouwing [1 bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum]1.
Art. 12. Le Fonds peut dĂ©cider annuellement, dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires et suivant la procĂ©dure dĂ©finie dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, de l'octroi d'une subvention-utilisation Ă  un demandeur pour l'exĂ©cution de son projet. Cette dĂ©cision peut ĂȘtre prise pendant vingt annĂ©es consĂ©cutives.
Le montant de la subvention-utilisation qui peut ĂȘtre octroyĂ©e par le Fonds au cours d'une annĂ©e dĂ©terminĂ©e, est calculĂ© en appliquant un coefficient au montant total calculĂ© et dĂ©terminĂ© Ă  la date de l'ordre de commencement des travaux ou de la commande ou de la passation de l'acte original d'achat sans transformation [1 auprĂšs d'un centre de services local, d'un centre de services rĂ©gional ou d'un centre de soins de jour ]1, en fonction du type d'investissement, conformĂ©ment aux dispositions de l'un des arrĂȘtĂ©s suivants :
1° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les Ă©tablissements de soins;
2° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 fixant la subvention globale de la subvention d'investissement et les normes techniques de la construction pour les structures pour personnes ĂągĂ©es et les structures des soins Ă  domicile;
3° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinĂ©es aux personnes handicapĂ©es;
[1 Le coefficient est fixé annuellement au mois de décembre par le Ministre, et calculé selon la formule suivante :
coefficient = R/(1-(1/(1+R)20)), oĂč :
1° R = taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence.]1

Le taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence est fixĂ© annuellement par le domaine politique Finances et Budget sur la base d'une OLO de dix ans, et correspond Ă  la moyenne arithmĂ©tique des cotations pendant la pĂ©riode du 1er septembre au 30 novembre inclus de l'annĂ©e en question, majorĂ©e de quinze points de base. Le taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence ainsi obtenu est communiquĂ© chaque annĂ©e au Fonds par le domaine politique Finances et Budget au plus tard dans les cinq premiers jours ouvrables du mois de dĂ©cembre.
Le coefficient qui s'applique à un certain projet, est le coefficient qui s'applique à la date de l'ordre de commencement des travaux, de la commande ou de la passation de l'acte original d'achat sans transformation [1 auprÚs d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour ]1, en fonction du type d'investissement.
Afdeling 3. - De goedkeuring van een masterplan en het verkrijgen van een principieel akkoord
Section 3. - L'approbation d'un plan maĂźtre et l'obtention d'un accord de principe
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 13. Om in aanmerking te komen voor een gebruikstoelage voor een project, moet de aanvrager beschikken over een door de minister goedgekeurd masterplan en over een [1 definitief principieel akkoord]1 van de minister.
Elke aanvraag tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord voor een project wordt gericht aan het Fonds, met uitzondering van de aanvraag in de fase van het zorgstrategische plan, vermeld in artikel 14, die ingediend wordt bij het [2 Departement Zorg]2. [1 De aanvrager bezorgt stukken bij voorkeur op elektronische wijze aan het Fonds of aan het Departement Zorg[2 ]2. Plannen worden bij voorkeur bezorgd op papier.]1
Voor een algemeen ziekenhuis, voor een voorziening voor ouderen en voor een voorziening in de thuiszorg verloopt de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een [1 definitief principieel akkoord]1 volgens de bepalingen vermeld in artikel 14 tot en met [1 24/1]1, en in artikel 30 tot en met 33. Voor de overige voorzieningen verloopt de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord volgens de bepalingen, vermeld in artikel 25 tot en met 33.
Art. 13. Afin d'ĂȘtre Ă©ligible Ă  une subvention-utilisation pour un projet dĂ©terminĂ©, le demandeur doit disposer d'un plan maĂźtre approuvĂ© par le Ministre, et d[1 accord de principe dĂ©finitif ]1 du Ministre.
Toute demande d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe pour un projet sera adressée au Fonds, à l'exception de la demande dans la phase du plan stratégique en matiÚre de soins, mentionnée à l'article 14 qui est introduite auprÚs présentée [2 au Département Soins ]2. [1 Le demandeur transmet les documents de préférence par voie électronique au Fonds ou[ -2 au Département Soins]2 Les plans sont transmis de préférence sur papier. ]1.
Pour un hÎpital général, une structure pour personnes ùgées et une structure de soins à domicile, la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un [1 accord de principe définitif]1 se déroule conformément aux dispositions des articles 14 à [1 24/1]1 inclus, et des articles 30 à 33 inclus. Pour les autres structures, la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un [1 accord de principe définitif]1 se déroule conformément aux dispositions des articles 25 à 33 inclus.
Onderafdeling 2. Procedure voor een algemeen ziekenhuis, voor een voorziening voor ouderen en voor een voorziening in de thuiszorg
Sous-section 2. - Procédure pour un hÎpital général, pour une structure pour personnes ùgées et pour une structure de soins à domicile.
Art. 14. In een eerste fase legt de aanvrager een plan met de zorgstrategische aspecten van het masterplan ter goedkeuring voor. Die aanvraag tot goedkeuring van het zorgstrategische plan bevat :
1° voor een algemeen ziekenhuis : [1 de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten]1 waaruit blijkt dat de aanvrager :
a) een lokaal of provinciaal bestuur is;
b) een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting van openbaar nut is als vermeld in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
c) een instelling is die beheerst wordt door de wet van 12 augustus 1911 waarbij de rechtspersoonlijkheid verleend wordt aan de universiteiten van Brussel en Leuven, of door het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen en het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen;
2° voor een woonzorgcentrum, een dagverzorgingscentrum en een centrum voor kortverblijf : [1 de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten]1 waaruit blijkt dat de aanvrager over een rechtsvorm beschikt als vermeld in artikel 63, eerste lid, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
3° voor een regionaal dienstencentrum en een lokaal dienstencentrum : [1 de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten]1 waaruit blijkt dat de aanvrager over een rechtsvorm beschikt als vermeld in artikel 50 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
4° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het zorgstrategische plan goed te keuren en in te dienen, vergezeld van, voor een algemeen ziekenhuis, het advies van de medische raad, vermeld in artikel 132 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en eventueel van het advies van het coördinatiecomité, vermeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;
5° het zorgstrategische plan, dat ten minste de volgende gegevens bevat :
a) de huidige situatie op het gebied van zorgaanbod, infrastructuur, ligging en samenwerkingsverbanden;
b) de toekomstvisie met betrekking tot diezelfde elementen en de geplande rol in de regio;
c) argumenten die de wenselijkheid en haalbaarheid van die toekomstvisie aantonen, op basis van een grondige omgevingsanalyse, met een projectie van zorgbehoeften en zorgaanbod, een afstemming op de andere zorgverstrekkers in de relevante invloedssfeer, en een diepgaande zelfevaluatie van de positie van de aanvrager;
d) de voorwaarden die vervuld moeten worden om de nagestreefde visie te realiseren;
e) een beschrijving van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met een omschrijving van de doelgroep en de geplande capaciteit per onderdeel.
Art. 14. Dans une premiÚre phase, le demandeur soumet à l'approbation un plan concernant les aspects d'ordre stratégique en matiÚre de soins du plan maßtre. La demande d'approbation du plan stratégique en matiÚre de soins comprend :
1° pour un hÎpital général : [1 la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires,]1 démontrant que demandeur est :
a) une administration locale ou provinciale;
b) une association sans but lucratif au sens de la loi du 27 juin 1921 relative aux associations sans but lucratif, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations;
c) une institution régie par la loi du 12 août 1911 accordant la personnalité civile aux universités de Bruxelles et de Leuven, ou par le décret du 22 décembre 1995 portant modification de divers décrets relatifs à l' "Universiteit Antwerpen" et par le décret du 4 avril 2003 portant dispositions visant à créer une "Universiteit Antwerpen" et portant modification décret du 22 décembre 1995 portant modification de divers décrets relatifs à l' "Universiteit Antwerpen";
2° pour un centre de services de soins et de logement, un centre de soins de jour et un centre de court séjour : [1 la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires, ]1 démontrant que demandeur dispose de la forme juridique, visée à l'article 63, alinéa premier, du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
3° pour un centre régional de services et un centre local de services : [1 la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires, ]1 démontrant que demandeur dispose de la forme juridique, visée à l'article 50 du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
4° le procĂšs-verbal signĂ© de la rĂ©union des organes compĂ©tents du demandeur comprenant la dĂ©cision d'approuver et de soumettre le plan stratĂ©gique en matiĂšre de soins, accompagnĂ©, en ce qui concerne un hĂŽpital gĂ©nĂ©ral, de l'avis du conseil mĂ©dical, visĂ© Ă  l'article 132 de la loi sur les hĂŽpitaux coordonnĂ©e le 10 juillet 2008, et Ă©ventuellement de l'avis du comitĂ© de coordination visĂ© Ă  l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 janvier 1989 fixant les normes complĂ©mentaires d'agrĂ©ment des hĂŽpitaux et services hospitaliers et prĂ©cisant la dĂ©finition des groupements d'hĂŽpitaux et les normes particuliĂšres qu'ils doivent respecter;
5° le plan stratégique en matiÚre de soins, contenant au moins les informations suivantes :
a) la situation actuelle sur le plan de l'offre de soins, de l'infrastructure, de la situation et des partenariats;
b) les perspectives relatives aux mĂȘmes Ă©lĂ©ments et le rĂŽle envisagĂ© dans la rĂ©gion;
c) les arguments démontrant l'opportunité et la faisabilité de ces perspectives, sur la base d'une analyse approfondie du contexte, accompagnée d'une projection des besoins d'aide et de l'offre de soins, d'une harmonisation avec les autres dispensateurs de soins dans la zone d'influence pertinente, et d'une auto-évaluation approfondie de la position du demandeur;
d) les conditions à remplir afin de réaliser les perspectives envisagées;
e) une description de tous les investissements que le demandeur entend réaliser dans les dix prochaines années, une description du groupe cible et la capacité envisagée par unité.
Art. 15. [1 De aanvraag, vermeld in artikel 14, wordt ingediend in acht exemplaren.]1
Om het zorgstrategische plan op te maken, moet de aanvrager modellen gebruiken die door het [2 Departement Zorg]2 ter beschikking worden gesteld. De aanvrager kan gegevens gebruiken die het [2 Departement Zorg]2 ter beschikking stelt. Het agentschap Zorg en Gezondheid kan aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager.
Het [2 Departement Zorg ]2 stuurt binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring van het zorgstrategische plan een ontvangstbewijs naar de aanvrager met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
Een aanvraag is ontvankelijk als de twee volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de aanvraag wordt ingediend op de wijze, vermeld in het eerste en het tweede lid;
2° de aanvraag bevat de nodige stukken, vermeld in artikel 14.
Art. 15. [1 La demande visée à l'article 14 est introduite en huit exemplaires. ]1
Pour l'établissement du plan stratégique en matiÚre de soins, le demandeur est tenu d'utiliser les modÚles mis à sa disposition par [2 le Département Soins]2. Le demandeur peut faire usage des données mises à la disposition par [2 le Département Soins ]2. [2 Le Département Soins]2 peut demander des informations complémentaires au demandeur.
Dans les quatorze jours calendaires de la réception de la demande d'approbation du plan stratégique en matiÚre de soins, [2 le Département Soins]2 envoie un accusé de réception au demandeur, indiquant si la demande est recevable ou non, et, le cas échéant, indiquant la date de la réception de la demande recevable.
Une demande est recevable si les deux conditions suivantes sont remplies :
1° la demande est introduite selon le mode fixé aux alinéas premier et deux;
2° la demande comprend les documents requis, mentionnés à l'article 14.
Art. 16. Het agentschap Zorg en Gezondheid maakt een evaluatienota op. Binnen veertig kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag stuurt het [2 Departement Zorg]2 de evaluatienota [1 ...]1naar de aanvrager.
De aanvrager beschikt over een termijn van veertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de evaluatienota, om een reactienota in te dienen bij het [2 Departement Zorg]2, of om het [2 Departement Zorg]2 te laten weten dat hij een grondige aanpassing van zijn zorgstrategische plan zal doorvoeren. Als de aanvrager beslist het zorgstrategische plan grondig aan te passen, start de procedure van voren af aan.
Art. 16. [2 le Département Soins]2 établit une note d'évaluation. Dans les quarante jours calendaires de la réception de la demande recevable, [2 le Département Soins]2 envoie la note d'évaluation [1 ...]1 au demandeur.
Le demandeur dispose d'un délai de quarante jours calendaires, à compter de la réception de la note d'évaluation, pour introduire une note de réaction auprÚs [2 du Département Soins]2, ou pour annoncer [2 au Département Soins]2 qu'il effectuera des adaptations approfondies de son plan stratégique en matiÚre de soins. Si le demandeur décide d'adapter le plan de maniÚre approfondie, la procédure recommence depuis le début.
Art. 17. Binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de reactienota of, als binnen de gestelde termijn geen reactienota werd ingediend, binnen vijftien kalenderdagen na het verstrijken van die termijn bezorgt het [1 Departement Zorg]1 het dossier in kwestie aan de Commissie Zorgstrategie voor de algemene ziekenhuizen, of aan de Commissie Zorgstrategie voor de voorzieningen voor ouderen en de voorzieningen in de thuiszorg. De bevoegde commissie agendeert het dossier. Het dossier bestaat uit het zorgstrategische plan, de evaluatienota en de eventuele reactienota.
Art. 17. Dans les quinze jours calendaires de la réception de la note de réaction, ou si aucune note de réaction n'a été transmise dans le délai imparti, dans les quinze jours de l'expiration de ce délai, [1 le Département Soins]1" transmet le dossier en question soit à la Commission 'Zorgstrategie' (Stratégie en matiÚre de soins) pour les hÎpitaux généraux, soit à la Commission 'Zorgstrategie' pour les structures pour personnes ùgées et les structures des soins à domicile. La commission compétente inscrit le dossier à l'ordre du jour. Le dossier est constitué du plan stratégique en matiÚre de soins, de la note d'évaluation et de la note de réaction éventuelle.
Art. 18. § 1. In de Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 17, zitten drie interne en drie externe leden.
De drie interne leden behoren tot [1 het Departement Zorg of tot]1 een agentschap van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ze worden aangesteld door de minister.
Bij de Commissie Zorgstrategie voor de algemene ziekenhuizen is één extern lid afkomstig uit de adviesraad die bevoegd is voor de behandeling van bezwaar- of verweermiddelen inzake de erkenning van verzorgingsvoorzieningen. Twee externe leden worden aangesteld wegens hun deskundigheid in gezondheidszorg.
Bij de Commissie Zorgstrategie voor de voorzieningen voor ouderen en de voorzieningen in de thuiszorg is één extern lid afkomstig uit de adviesraad die bevoegd is voor de behandeling van bezwaar- of verweermiddelen inzake de erkenning van voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg. Twee externe leden worden aangesteld wegens hun deskundigheid in ouderenzorg of thuiszorg.
Naargelang de te behandelen dossiers op de vergaderingen van de Commissies Zorgstrategie worden de externe leden gekozen uit een lijst die de minister heeft goedgekeurd.
§ 2. De vergoeding van de externe leden wordt bepaald door de minister en is ten laste van het [1 het Departement Zorg]1.
§ 3. De Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 17, stellen een huishoudelijk reglement op waarin de werking, de aanstelling van de externe leden en de onverenigbaarheden worden geregeld. De minister keurt het huishoudelijk reglement goed.
§ 4. Het agentschap Zorg en Gezondheid neemt het secretariaat van de Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 17, waar. Het [1 het Departement Zorg of tot ]1 verstrekt aan de Commissies Zorgstrategie de inlichtingen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn.
Art. 18. § 1er. Au sein de la Commission 'Zorgstrategie', mentionnée à l'article 17, siÚgent trois membres internes et trois membre externes.
Les trois membres internes appartiennent [1 au DĂ©partement Soins ou]1 Ă  une agence du domaine politique du Bien-Òtre, de la SantĂ© publique et de la Famille. Ils sont dĂ©signĂ©s par le Ministre.
Au sein de la Commission 'Zorgstrategie' pour les hÎpitaux généraux, un membre externe appartient au conseil consultatif compétent pour le traitement de recours ou de moyens de défense en matiÚre d'agrément de structures. Deux membres externes sont désignés en raison de leur expertise en matiÚre de soins de santé.
Au sein de la "Commission Zorgstrategie" pour les structures destinées aux personnes ùgées et les structures dans le cadre des soins à domicile, un membre externe appartient au conseil consultatif compétent pour le traitement de recours ou de moyens de défense en matiÚre d'agrément des structures destinées aux personnes ùgées et des structures dans la cadre des soins à domicile. Deux membres externes sont désignés en raison de leur expertise en matiÚre d'aide aux personnes ùgées ou de soins à domicile.
En fonction des dossiers à traiter lors des réunions des Commissions "Zorgstrategie", les membres externes sont choisis sur une liste approuvée par le Ministre.
§ 2. L'indemnité des membres externes est fixée par le Ministre et est à charge du budget [1 du Département Soins]1".
§ 3. Les Commissions "Zorgstrategie" visées à l'article 17 établissent un rÚglement d'ordre intérieur qui rÚgle le fonctionnement, la désignation des membres externes et les incompatibilités. Le Ministre approuve le rÚglement d'ordre intérieur.
§ 4. [1 Le Département Soins ]1 assure le secrétariat des Commissions 'Zorgstrategie' visées à l'article 17. [1 Le Département Soins ]1 fournit aux Commissions 'Zorgstrategie' les informations nécessaires à leur fonctionnement.
Art. 19. De Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 17, hebben als opdracht de minister te adviseren over de ingediende zorgstrategische plannen.
Het advies van de Commissie Zorgstrategie wordt, samen met het ingediende zorgstrategische plan, de evaluatienota en de eventuele reactienota, binnen vijftien kalenderdagen na de adviesverlening naar de minister gestuurd. De minister neemt een beslissing tot gehele of gedeeltelijke goedkeuring of afkeuring van het zorgstrategische plan binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het advies van de Commissie Zorgstrategie. De beslissing van de minister wordt ter kennis gebracht van het Fonds en [1 ...]1 verstuurd naar de aanvrager.
Art. 19. Les Commissions "Zorgstrategie" visées à l'article 17 ont pour mission de conseiller le Ministre au sujet des plans stratégiques en matiÚre de soins soumis.
L'avis de la Commission "Zorgstrategie", conjointement avec le plan en matiÚre de soins soumis, les notes d'évaluation et l'éventuelle note de réaction, est envoyé au Ministre dans les quinze jours calendaires de l'avis rendu. Le Ministre prend une décision d'approbation complÚte ou partielle ou de désapprobation du plan stratégique en matiÚre de soins dans les quinze jours calendaires de la réception de l'avis de la Commission de la Stratégie des Soins. La décision du Ministre est communiquée à l'Agence "Zorg en Gezondheid" et elle est envoyée [1 ]1 au demandeur.
Art. 20. Na de goedkeuring van het zorgstrategische plan kan de aanvrager in een tweede fase van de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een [1 definitief principieel akkoord]1het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project ter goedkeuring voorleggen aan het Fonds. [1 ...]1. De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren.
Art. 20. AprÚs l'approbation du plan stratégique en matiÚre de soins, le demandeur peut, dans une deuxiÚme phase de la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un [1 accord de principe définitif ]1, soumettre à l'approbation l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet en question au Fonds. [1 ...]1. La demande est introduite en deux exemplaires.
Art. 21. De aanvraag, vermeld in artikel 20, bevat de volgende gegevens en documenten :
1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen;
2° de verwijzing naar stukken, waaruit blijkt dat nog altijd voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 14, eerste lid, 1°, 2° of 3°;
3° het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project;
4° als het een project met [1 financiering]1 zonder voorafgaand principieel akkoord betreft als vermeld in artikel 8 van het decreet van 23 februari 1994, de gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen die vereist zijn voor de volledige prefinanciering van het project;
5° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85.
Art. 21. La demande, visée à l'article 20, comprend les documents suivants :
1° le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur, comprenant la décision d'approuver et de soumettre l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet en question;
2° la référence aux documents démontrant que les conditions énoncées à l'article 14, premier alinéa, 1°, 2°, of 3°, sont toujours remplies;
3° l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet concernée;
4° s'il s'agit d'un projet avec [1 financement]1 sans accord de principe préalable, tel que visé à l'article 8 du décret du 23 février 1994, les données dont il ressort que le demandeur dispose des moyens financiers nécessaires qui sont exigés en vue du préfinancement entier du projet;
5° une déclaration sur honneur, sur le projet qui fait l'objet d'une demande d'accord de principe, pour l'application de l'article 85.
Art. 22. De stukken, vermeld in artikel 21, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen :
1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;
2° een beschrijving, aan de hand van het door de minister goedgekeurde zorgstrategische plan, van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;
3° een schets van de bedoelde investeringswerkzaamheden;
4° een financieel plan voor de investeringen, gedetailleerd voor het project, en, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vergezeld van de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, van het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening;
5° indien van toepassing, een opdeling van de investering in projectonderdelen en de respectieve uitvoeringstermijnen ervan.
Art. 22. Les documents visés à l'article 21, 3°, contiennent au moins les éléments suivants :
1° une description de l'infrastructure existante, portant une attention particuliĂšre Ă  l'intĂ©rĂȘt historique et architecturale, l'Ăąge, la fonctionnalitĂ©, l'intensitĂ© de l'usage, la viabilitĂ© et l'efficience Ă©nergĂ©tique;
2° une description, à l'aide du plan stratégique en matiÚre de soins approuvé par le Ministre, de tous les investissements que le demandeur entend réaliser dans les dix prochaines années, une description du groupe cible et la capacité envisagée par unité, les différentes phases et les délais d'exécution envisagés avec estimation du coût;
3° une esquisse des travaux d'investissement envisagés;
4° un plan financier pour les investissements envisagĂ©s, dĂ©taillĂ© pour le projet et, pour les demandeurs non assujettis Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 relatif Ă  la comptabilitĂ© et au rapport financier pour les structures dans certains secteurs du domaine politique Aide sociale, SantĂ© publique et Famille, accompagnĂ© des derniers comptes annuels approuvĂ©s et, le cas Ă©chĂ©ant, du rapport du rĂ©viseur d'entreprise sur les comptes annuels;
5° si d'application, une répartition de l'investissement en parties de projet et leurs délais d'exécution respectifs.
Art. 23. Als de aanvraag, vermeld in artikel 20, betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag naast de stukken, vermeld in de artikelen 21 en 22, bovendien de volgende stukken bevatten :
1° [1 ...]1
2° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager werd ondertekend en dat ter kennisgeving werd bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
3° [1 een voorontwerp van de plannen op schaal 1/100, in tweevoud, met vermelding van eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;]1
4° een gedetailleerde conceptnota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;
5° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van [2 het functioneel bevoegde agentschap binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin of het Departement Zorg]2;
6° een gedetailleerde raming van het project;
7° de oppervlakteberekening van het project;
8° in voorkomend geval een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;
9° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;
10° een initieel programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
11° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het initiële programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;
12° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.
Art. 23. Si la demande visée à l'article 20, a trait à des travaux, ladite demande doit comprendre, outre les documents mentionnés aux articles 21 et 22, les documents suivants :
[1 ...]1
2° un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent;
3° [1 un avant-projet des plans à l'échelle 1/100, en deux exemplaires, avec mention de l'éventuelle extension lors de projets futurs ;]1
4° une note conceptuelle détaillée sur les aspects fonctionnels, physiques et techniques de la construction;
5° un rapport sur les suites donnĂ©s aux rĂ©unions de travail prĂ©cĂ©dentes et aux recommandations [2 de l'agence fonctionnellement compĂ©tente au sein du domaine politique du Bien-ĂȘtre, de la SantĂ© publique et de la Famille ou du DĂ©partement Soins ]2;
6° une estimation détaillée du projet;
7° le calcul de la superficie du projet;
8° le cas échéant, une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol;
9° une preuve dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance tel que visé à l'article 12, § 1er, alinéa trois, du décret du 23 février 1994;
10° un programme initial d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Les valeurs limites de confort objectivement évaluables et les exigences techniques spécifiques sont mentionnées par type de local. Le Ministre fixe les exigences minimales et les conditions en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux;
11° une lettre d'accord, signée par le demandeur, dans laquelle il souscrit au programme initial d'exigences et désigne le coordinateur responsable de répondre aux exigences de performance objectivement évaluables en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux;
12° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, § § 5 et 6 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et du demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le propriétaire tel que visé aux articles 3 et 4.
Art. 24. De aanvraag, vermeld in artikel 20, kan alleen betrekking hebben op een aankoop, als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval moet de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde bij de aanvraag gevoegd worden.
In afwijking van het eerste lid is [1 bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum]1 een aankoop zonder verbouwing mogelijk. In dat geval moet de aanvraag, vermeld in artikel 20, bovendien de volgende stukken bevatten :
1° de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde;
2° de bouwvergunning en het bijhorende brandpreventieverslag met betrekking tot het aan te kopen gebouw. Ingeval van functiewijziging van het betrokken gebouw wordt de aanvraag aangevuld, met betrekking tot de toekomstige bestemming, met een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager werd ondertekend en dat ter kennisgeving werd bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
3° [1 de plannen op schaal 1/100, in tweevoud, met vermelding van eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;]1;
4° een conceptnota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;
5° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van [2 het functioneel bevoegde agentschap binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin of het Departement Zorg]2;
6° een raming van het project;
7° de oppervlakteberekening van het project;
8° een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;
9° het programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen.
10° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.
Art. 24. La demande, visĂ©e Ă  l'article 20, ne peut avoir trait qu'Ă  un achat, si ce dernier est suivi d'une transformation. Dans ce cas, la promesse de vente ou le compromis Ă  condition suspensive doit ĂȘtre joint Ă  la demande.
En dérogation à l'alinéa premier, un achat sans transformation est possible [1 auprÚs d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour]1. Dans ce cas, la demande, visée à l'article 20, doit en outre comprendre les documents suivants :
1° la promesse de vente ou le compromis à condition suspensive;
2° le permis de bùtir et rapport de prévention incendie ayant trait au bùtiment à acheter. En cas de modification de fonction du bùtiment concerné, la demande est complétée, en ce qui concerne l'affectation future, d'un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent;
3° [1 les plans à l'échelle 1/100, en deux exemplaires, avec mention de l'éventuelle extension lors de projets futurs;]1
4° une note conceptuelle sur les aspects fonctionnels, physiques et techniques de la construction;
5° un rapport sur les suites donnĂ©s aux rĂ©unions de travail prĂ©cĂ©dentes et aux recommandations [2 de l'agence fonctionnellement compĂ©tente au sein du domaine politique du Bien-ĂȘtre, de la SantĂ© publique et de la Famille ou du DĂ©partement Soins ]2;
6° une estimation du projet;
7° le calcul de la superficie du projet;
8° une attestation du sol conformément à la rÚglementation relative à l'assainissement du sol;
9° le programme d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Le Ministre fixe les exigences minimales et les conditions en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux.
10° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et du demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le propriétaire tel que visé aux articles 3 et 4.
Art. 24/1. [1 In afwijking van artikel 20 tot en met 24 kan de aanvrager, na de goedkeuring van het zorgstrategische plan, in een tweede fase van de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een definitief principieel akkoord, het technische en financiële aspect van het masterplan ter goedkeuring voorleggen aan het Fonds in twee stappen. Eerst dient hij een aanvraag van een voorlopig principieel akkoord in. Na de goedkeuring van het voorlopige principieel akkoord kan de aanvrager het definitieve principieel akkoord aanvragen. Beide aanvragen worden ingediend in twee exemplaren.
De aanvraag van een voorlopig principieel akkoord, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens en documenten :
1° de gegevens en documenten, vermeld in artikel 21 en 22;
2° als de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden of op een aankoop zonder verbouwing van een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum, ook de volgende stukken :
a) een conceptnota over de functionele opvattingen, met inbegrip van de outputspecificaties;
b) een raming van de kosten van het project;
c) een inschatting van de oppervlakte van het project;
d) met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6 :
1) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
2) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
3) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
4) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.
De aanvraag van een definitief principieel akkoord, vermeld in het eerste lid, bevat de gegevens en de documenten, vermeld in artikel 21 tot en met 24. Ook de regels voor de aankoop, vermeld in artikel 24, zijn van toepassing. De gegevens en de documenten, vermeld in artikel 21 tot en met 24, die al bezorgd zijn aan het Fonds bij de aanvraag van een voorlopig principieel akkoord, hoeven alleen nog aan het Fonds bezorgd te worden als ze wijzigingen hebben ondergaan sinds de goedkeuring van het voorlopige principieel akkoord.]1

Art. 24/1. [1 Art. 24/1. Par dérogation aux articles 20 à 24 inclus, aprÚs l'approbation du plan stratégique en matiÚre de soins, le demandeur peut, dans une deuxiÚme phase de la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe définitif, soumettre l'aspect technique et financier du plan maßtre à l'approbation du Fonds en deux étapes. En premier lieu, il introduit une demande d'accord de principe provisoire. AprÚs l'approbation de l'accord de principe provisoire, le demandeur peut demander l'accord de principe définitif. Les deux demandes sont introduites en deux exemplaires.
La demande d'un accord de principe provisoire, visée à l'alinéa premier, comprend les données et documents suivants :
1° les données et documents, visés aux articles 21 et 22 ;
2° lorsque la demande concerne des travaux ou un achat sans transformation d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour, également les documents suivants :
a) une note conceptuelle relative aux concepts fonctionnels, y compris les spécifications d'output ;
b) une estimation du coût du projet ;
c) une estimation de la superficie du projet ;
d) en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 :
1) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
2) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
3) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
4) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur tel que visé aux articles 3 et 4.
La demande d'un accord de principe dĂ©finitif, visĂ©e Ă  l'alinĂ©a premier, comprend les donnĂ©es et documents, visĂ©s aux articles 21 Ă  24 inclus. Les rĂšgles pour l'achat, visĂ©es Ă  l'article 24, s'appliquent Ă©galement. Les donnĂ©es et les documents, visĂ©s aux articles 21 Ă  24 inclus, qui sont dĂ©jĂ  transmis au Fonds lors de la demande d'un accord de principe provisoire, ne doivent ĂȘtre transmis au Fonds que s'ils ont Ă©tĂ© modifiĂ©s depuis l'approbation de l'accord de principe provisoire.]1

Onderafdeling 3. - Procedure voor de overige voorzieningen
Sous-section 3. - Procédure pour les autres structures
Art. 25. De aanvraag tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een [1 definitief principieel akkoord]1 wordt door de verzorgingsinstellingen, behalve het algemeen ziekenhuis, en door de voorziening voor de sociale integratie van personen met een handicap ingediend in twee exemplaren. [1 ...]1
Art. 25. La demande d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un [1 accord de principe définitif]1 est introduite par les établissements de soins, à l'exception de l'hÎpital général, et par la structure d'intégration sociale des personnes handicapées, en deux exemplaires. [1 ...]1
Art. 26. De aanvraag, vermeld in artikel 25, bevat de volgende documenten :
1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen;
2° [1 de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager een rechtspersoon is die geen materiële winst nastreeft;]1
3° het masterplan en het betreffende project;
4° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85.
Art. 26. La demande visée à l'article 25 comprend les documents suivants :
1° le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur, comprenant la décision d'approuver et de soumettre le plan maßtre et le projet en question;
2° [1 la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires démontrant que le demandeur est une personne morale n'ayant aucun but lucratif;]1
3° le plan maßtre et le projet en question;
4° une déclaration sur honneur, sur le projet qui fait l'objet d'une demande d'accord de principe, pour l'application de l'article 85.
Art. 27. De stukken, vermeld in artikel 26, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen :
1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;
2° een beschrijving van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met een omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;
3° een schets van de investeringswerkzaamheden;
4° een financieel plan voor de investeringen, gedetailleerd voor het project, en waarbij, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening gevoegd zijn;
5° indien van toepassing, een opdeling van de investeringen in projectonderdelen en de respectieve uitvoeringstermijnen ervan.
Art. 27. Les documents visés à l'article 26, 3°, contiennent au moins les éléments suivants :
1° une description de l'infrastructure existante, portant une attention particuliĂšre Ă  l'intĂ©rĂȘt historique et architecturale, l'Ăąge, la fonctionnalitĂ©, l'intensitĂ© de l'usage, la viabilitĂ© et l'efficience Ă©nergĂ©tique;
2° une description de tous les investissements que le demandeur entend réaliser dans les dix prochaines années, une description du groupe cible et la capacité envisagée par unité, l'étalement en phases et les délais d'exécution prévus avec estimation des coûts..
3° une esquisse des travaux d'investissement;
4° un plan financier pour les investissements envisagĂ©s, dĂ©taillĂ© pour le projet et, pour les demandeurs non assujettis Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 relatif Ă  la comptabilitĂ© et au rapport financier pour les structures dans certains secteurs du domaine politique Aide sociale, SantĂ© publique et Famille, accompagnĂ© des derniers comptes annuels approuvĂ©s et, le cas Ă©chĂ©ant, du rapport du rĂ©viseur d'entreprise sur les comptes annuels;
5° si d'application, une répartition des investissements en des parties de projet et leurs délais d'exécution respectifs.
Art. 28. Als de aanvraag, vermeld in artikel 25, betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag, naast de stukken, vermeld in artikel 26 en 27, de volgende stukken bevatten :
[1 ...]1
2° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
3° [1 een voorontwerp van de plannen op schaal 1/100, in tweevoud, met vermelding van eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;]1
4° een gedetailleerde conceptnota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;
5° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van [2 het functioneel bevoegde agentschap binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin of het Departement Zorg]2;
6° een gedetailleerde raming van het project;
7° de oppervlakteberekening van het project;
8° in voorkomend geval, een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;
9° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;
10° een initieel programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
11° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het initiële programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;
12° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.
Art. 28. Si la demande visée à l'article 25, concerne les travaux, ladite demande doit comprendre, outre les documents mentionnés aux articles 26 et 27, les documents suivants :
[1 ...]1
2° un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent;
3° [1 3° un avant-projet des plans à l'échelle 1/100, en deux exemplaires, avec mention de l'éventuelle extension lors de projets futurs;]1
4° une note conceptuelle détaillée sur les aspects fonctionnels, physiques et techniques de la construction;
5° un rapport sur les suites donnĂ©s aux rĂ©unions de travail prĂ©cĂ©dentes et aux recommandations [2 de l'agence fonctionnellement compĂ©tente au sein du domaine politique du Bien-ĂȘtre, de la SantĂ© publique et de la Famille ou du DĂ©partement Soins ]2;
6° une estimation détaillée du projet;
7° le calcul de la superficie du projet;
8° le cas échéant, une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol;
9° une preuve dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance tel que visé à l'article 12, § 1er, alinéa trois, du décret du 23 février 1994;
10° un programme initial d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Les valeurs limites de confort objectivement évaluables et les exigences techniques spécifiques sont mentionnées par type de local. Le Ministre fixe les exigences minimales et les conditions en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux;
11° une lettre d'accord, signée par le demandeur, dans laquelle il souscrit au programme initial d'exigences et désigne le coordinateur responsable de répondre aux exigences de performance objectivement évaluables en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux;
12° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs ayant personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et du demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le propriétaire tel que visé aux articles 3 et 4.
Art. 29. De aanvraag, vermeld in artikel 25, kan alleen betrekking hebben op een aankoop, als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval moet de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde bij de aanvraag gevoegd worden.
Art. 29. La demande, visĂ©e Ă  l'article 25, ne peut avoir trait qu'Ă  un achat, si ce dernier est suivi d'une transformation. Dans ce cas, la promesse de vente ou le compromis Ă  condition suspensive doit ĂȘtre joint Ă  la demande.
Art. 29/1. [1 In afwijking van artikel 25 tot en met 29 kan de aanvrager de aanvraag tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een definitief principieel akkoord ter goedkeuring voorleggen aan het Fonds in twee stappen. Eerst dient hij een aanvraag van een voorlopig principieel akkoord in. Na de goedkeuring van het voorlopige principieel akkoord kan de aanvrager het definitieve principieel akkoord aanvragen. Beide aanvragen worden ingediend in twee exemplaren.
De aanvraag van een voorlopig principieel akkoord, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens en documenten :
1° de gegevens en de documenten, vermeld in artikel 26 en 27;
2° als de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden, ook de volgende stukken :
a) een conceptnota over de functionele opvattingen, met inbegrip van de outputspecificaties;
b) een raming van de kosten van het project;
c) een inschatting van de oppervlakte van het project;
d) met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6 :
1) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
2) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
3) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
4) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.
De aanvraag van een definitief principieel akkoord, vermeld in het eerste lid, bevat de gegevens en de documenten, vermeld in artikel 26 tot en met 29. Ook de regels voor de aankoop, vermeld in artikel 29, zijn van toepassing. De gegevens en de documenten, vermeld in artikel 26 tot en met 29, die al bezorgd zijn aan het Fonds bij de aanvraag van een voorlopig principieel akkoord, hoeven alleen nog aan het Fonds bezorgd te worden als ze wijzigingen hebben ondergaan sinds de goedkeuring van het voorlopige principieel akkoord]1

Art. 29/1. [1 Art. 29/1. Par dérogation aux articles 25 à 29 inclus, le demandeur peut soumettre la demande d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe définitif, au Fonds en deux étapes. En premier lieu, il introduit une demande d'accord de principe provisoire. AprÚs l'approbation de l'accord de principe provisoire, le demandeur peut demander l'accord de principe définitif. Les deux demandes sont introduites en deux exemplaires.
La demande d'un accord de principe provisoire, visée à l'alinéa premier, comprend les données et documents suivants :
1° les données et les documents, visés aux articles 26 et 27 ;
2° si la demande concerne des travaux, également les documents suivants :
a) une note conceptuelle relative aux concepts fonctionnels, y compris les spécifications d'output ;
b) une estimation du coût du projet ;
c) une estimation de la superficie du projet ;
d) en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 :
1) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
2) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
3) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
4) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur tel que visé aux articles 3 et 4.
La demande d'un accord de principe dĂ©finitif, visĂ©e Ă  l'alinĂ©a premier, comprend les donnĂ©es et documents, visĂ©s aux articles 26 Ă  29 inclus. Les rĂšgles pour l'achat, visĂ©es Ă  l'article 29, s'appliquent Ă©galement. Les donnĂ©es et les documents, visĂ©s aux articles 26 Ă  29 inclus, qui sont dĂ©jĂ  transmis au Fonds lors de la demande d'un accord de principe provisoire, ne doivent ĂȘtre transmis au Fonds que s'ils ont Ă©tĂ© modifiĂ©s depuis l'approbation de l'accord de principe provisoire.]1

Onderafdeling 4. - Onderzoek en advies
Sous-section 4. - Examen et avis
Art. 30. § 1. [1 Het Fonds onderzoekt of de aanvraag, vermeld in artikel 20, 24/1, 25 of 29/1, voldoet aan de toepasselijke bepalingen van artikel 20 tot en met 24/1, of artikel 25 tot en met 29/1.]1
Het Fonds stuurt binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Het Fonds vraagt binnen veertien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag advies aan :
1° voor de sector van de verzorgingsinstellingen en de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg : het [2 Departement Zorg]2 over de inhoudelijke aspecten, onder meer over :
a) de erkenningsnormen;
b) de kwaliteitsvereisten;
c) de programmatie;
d) de aanvrager;
e) de prioriteiten tussen de aanvragen van de verschillende aanvragers;
f) wat het algemeen ziekenhuis, de voorziening voor ouderen en de voorziening in de thuiszorg betreft : over de conformiteit met het goedgekeurde zorgstrategische plan;
2° voor de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap over de inhoudelijke aspecten, onder meer over :
a) de erkenningsnormen;
b) de kwaliteitsvereisten;
c) de programmatie;
d) de aanvrager;
e) de prioriteiten tussen de aanvragen van de verschillende aanvragers.
3° een of meer ambtenaren die ter beschikking staan van het Fonds :
a) over de financiële aspecten, onder meer over de begrotingsweerslag op het activiteitenprogramma bij de exploitatie van het project, waarbij ook gevraagd wordt een raming op te maken van de eventuele financiële weerslag van het project op de opeenvolgende begrotingsjaren;
b) over het beantwoorden aan de bouwtechnische en bouwfysische normen, over de technische aspecten en over de kostprijsraming en, bij een aanvraag voor de aankoop van gebouwen, over de venale waarde van de gebouwen;
c) over de controle van de verwantschapsband, vermeld in de artikelen 3 en 4.
§ 3. [2 De agentschappen]2 en de ambtenaren, vermeld in paragraaf 2, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Ze bezorgen hun advies aan het Fonds binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van de adviesvraag.
Art. 30. § 1er. [1 Le Fonds examine si la demande, visée à l'article 20, 24/1, 25 ou 29/1, répond aux dispositions applicables des articles 20 à 24/1 inclus, ou des articles 25 à 29/1 inclus.]1
Dans les quatorze jours calendaires de la réception de la demande, le Fonds envoie un accusé de réception au demandeur, indiquant si la demande est recevable ou non, et le cas échéant indiquant la date de la réception de la demande recevable. La recevabilité implique que la demande remplit les exigences formelles mentionnées à l'alinéa premier.
§ 2. Dans les quatorze jours calendaires de la date de la réception de la demande recevable, le Fonds prend l'avis :
1° pour le secteur des établissements de soins et le secteur des structures pour personnes ùgées et des structures des soins à domicile : [2 du Département Soins ]2 sur les aspects de fond, entre autres sur :
a) les normes d'agrément;
b) les exigences de qualité;
c) la programmation;
d) le demandeur;
e) les priorités en ce qui concerne les demandes des différents demandeurs;
f) en ce qui concerne l'hÎpital général, la structure pour personnes ùgées et la structure des soins à domicile : de la conformité au plan stratégique en matiÚre de soins approuvé;
2° pour le secteur des structures pour l'intégration sociale des personnes handicapées : de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique 'Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap' en ce qui concerne les aspects de fond, portant notamment sur :
a) les normes d'agrément;
b) les exigences de qualité;
c) la programmation;
d) le demandeur;
e) les priorités en ce qui concerne les demandes des différents demandeur.
3° d'un ou plusieurs fonctionnaires mis à la disposition du Fonds :
a) en ce qui concerne les aspects financiers, notamment l'incidence budgétaire sur le programme d'activité lors de l'exploitation du projet, demandant également d'établir une estimation de l'éventuelle incidence budgétaire du projet sur les exercices budgétaires consécutifs;
b) en ce qui concerne la conformité aux normes techniques et physique de la construction, les aspects techniques et l'estimation du coût et, s'il s'agit d'une demande d'acquisition d'immeubles, en ce qui concerne la valeur vénale des immeubles;
c) en ce qui concerne le lien de parenté, visé aux articles 3 et 4;
§ 3. [2 Le Département Soins, l'agence ]2 et les fonctionnaires, visés au § 2, peuvent demander des informations supplémentaires au demandeur. Ils remettent leur avis au Fonds dans les soixante jours calendaires de la réception de la demande d'avis.
Art. 31. [1 Het Fonds maakt op basis van de verschillende adviezen, vermeld in artikel 30, per project een advies en een ontwerp van beslissing op en legt die, samen met de voormelde adviezen, voor aan de Inspectie van Financiën, die in het bijzonder adviseert over de coherentie van de principiële akkoorden binnen de meerjarenbegroting per sector van de Vlaamse Gemeenschap. Op basis van het advies van Inspectie van Financiën legt het Fonds zijn advies en ontwerp van beslissing voor aan de minister.]1
Art. 31. [1 Sur la base des différents avis, visés à l'article 30, le Fonds prépare pour chaque projet un avis et un projet de décision, qu'il soumet, accompagnés des avis précités, à l'Inspection des Finances, qui rend notamment avis sur la cohérence des accords de principe au sein du budget pluriannuel par secteur de la Communauté flamande. Sur la base de l'avis de l'Inspection des Finances, le Fonds présente son avis et son projet de décision au ministre.]1
Onderafdeling 5. - Beslissing over het masterplan en over het [1 het voorlopige principieel akkoord, het definitieve principieel akkoord of de wijziging van het definitieve principieel akkoord]1
Sous-section 5. - Décision relative au plan maßtre et à[1 à l'accord de principe provisoire, à l'accord de principe définitif ou à la modification de l'accord de principe définitif]1
Art. 32. § 1. Bij gunstig advies [2 ...]2 legt het Fonds, binnen dertig kalenderdagen na het advies, een ontwerp van brief ter ondertekening voor aan de minister, waarbij het masterplan wordt goedgekeurd en [1 het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord]1 voor het project in kwestie wordt verleend.
De minister beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van [1 het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord]1.
§ 2. Bij ongunstig advies [2 ...]2 legt het Fonds, binnen dertig kalenderdagen na het advies, een ontwerp van brief voor aan de minister, waarin omstandig de redenen zijn opgenomen waarom het masterplan niet kan worden goedgekeurd of waarom geen [1 voorlopig, respectievelijk definitief principieel akkoord]1 voor het project in kwestie kan worden gegeven.
De minister beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van [1 het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord]1.
§ 3. [2 ...]2.
§ 4. De aanvrager wordt [1 ...]1 op de hoogte gebracht van de beslissing van de minister.
§ 5. De goedkeuring van het masterplan is geen verbintenis om een principieel akkoord te verlenen voor alle projecten die in het masterplan zijn opgenomen.
§ 6. [1 Een voorlopig principieel akkoord houdt de goedkeuring in van het masterplan en van het betreffende project.
Het definitieve principieel akkoord moet gevraagd worden uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar waarin het voorlopige principieel akkoord is verkregen. Zo niet vervalt het voorlopige principieel akkoord.
Een definitief principieel akkoord houdt in dat het project van de aanvrager in principe in aanmerking komt voor een gebruikstoelage. Het vermeldt onder meer het masterplan en het project waarop het betrekking heeft, de eventuele opmerkingen en de datum vanaf wanneer het geldig i]1

§ 7. Als de aanvrager voor een bepaald project al werkzaamheden aangevat heeft, een bestelling geplaatst heeft of een aankoop gedaan heeft zonder te beschikken over [1 een definitief principieel akkoord]1 hij niet meer in aanmerking voor een gebruikstoelage voor het betreffende project.
§ 8. De aanvrager moet met betrekking tot het project het bevel geven tot aanvang van de werken, de bestelling plaatsen of de authentieke akte verlijden ingeval van aankoop zonder verbouwing [1 bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum]1 binnen twee jaar na de datum van het principieel akkoord, zoniet vervalt [1 het definitieve principieel akkoord]1. Nadat de aanvrager het bevel gegeven heeft tot aanvang van de werken, de bestelling geplaatst heeft of de voormelde authentieke akte verleden heeft, bezorgt de aanvrager onmiddellijk [1 een kopie van het bevel en van de stedenbouwkundige vergunning]1, van de bestelling of van de authentieke akte aan het Fonds.
§ 9. Als de gebruikstoelage betrekking heeft op verschillende projectonderdelen, kan de minister op voorhand en per project het percentage van de gebruikstoelage bepalen dat per projectonderdeel wordt vrijgegeven.
Art. 32. § 1er. En cas d'avis favorable [2 ...]2 le Fonds soumet à la signature du Ministre, dans les trente jours calendaires de l'avis, un projet de lettre contenant l'approbation du plan maßtre et l'octroi [1 de l'accord de principe provisoire, respectivement définitif]1 pour le projet en question.
Le Ministre décide de l'approbation du plan maßtre et de l'octroi [1 de l'accord de principe provisoire, respectivement définitif]1
§ 2. En cas d'avis dĂ©favorable de la commission de coordination, visĂ©e Ă  l'article 31, le Fonds soumet Ă  la signature du Ministre, dans les trente jours calendaires de l'avis, un projet de lettre expliquant de maniĂšre circonstanciĂ©e les raisons pour lesquelles le plan maĂźtre ne peut pas ĂȘtre approuvĂ© ou [1 l'accord de principe provisoire, respectivement dĂ©finitif]1 pour le projet en question ne peut pas ĂȘtre octroyĂ©.
Le Ministre décide de l'approbation du plan maßtre et de l'octroi [1 de l'accord de principe provisoire, respectivement définitif.]1
§ 3. [2 ...]2.
§ 4. Le demandeur est notifié [1 ...]1 de la décision motivée du Ministre.
§ 5. L'approbation du plan maßtre n'est pas un engagement de l'octroi d'un accord de principe pour tous les projets repris dans le plan maßtre.
§ 6. [1 Un accord de principe provisoire implique l'approbation du plan maßtre et du projet concerné.
L'accord de principe dĂ©finitif doit ĂȘtre demandĂ© au plus tard le 31 dĂ©cembre de la deuxiĂšme annĂ©e suivant l'annĂ©e pendant laquelle l'accord de principe provisoire a Ă©tĂ© obtenu, sinon l'accord de principe provisoire Ă©choit.
Un accord de principe définitif implique que le projet du demandeur est en principe éligible à une subvention-utilisation. Il mentionne entre autres le plan maßtre et le projet auquel il a trait, les remarques éventuelles et la date à partir de laquelle l'accord est valable.]1

§ 7. Si le demandeur, dans le cadre d'un projet déterminé, a déjà entamé des travaux, passé une commande ou fait un achat sans disposer [1 d'un accord de principe définitif]1 sur le projet, il n'est plus éligible à une subvention-utilisation pour le projet en question.
§ 8. En ce qui concerne le projet, le demandeur doit donner l'ordre d'entamer les travaux, de passer la commande ou de passer l'acte authentique en cas d'achat sans transformation [1 auprÚs d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour]1 dans le deux ans de la date [1 de l'accord de principe définitif]1, sous peine d'échéance [1 de l'accord de principe définitif]1. AprÚs avoir ordonné d'entamer les travaux ou avoir passé la commande ou avoir passé l'acte authentique précité, le demandeur remet sans tarder [1 une copie de l'ordre et de l'autorisation urbanistique]1 ou de la commande ou de l'acte authentique au Fonds.
§ 9. Si la subvention-utilisation a trait à différents éléments du projet, le Ministre peut déterminer préalablement et par projet le pourcentage de la subvention-utilisation qui est libéré par élément du projet.
Art. 33. [1 Uiterlijk negentig kalenderdagen voor de aanvang van de werkzaamheden die betrekking hebben op het project, kan de aanvrager bij het Fonds een wijziging aanvragen van het definitieve principieel akkoord. Die aanvraag tot wijziging wordt omstandig gemotiveerd en bevat de stukken die gewijzigd zijn ten opzichte van de aanvraag van het oorspronkelijke definitieve principieel akkoord.]1
Het Fonds stuurt, binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag, een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het eerste lid.
Het Fonds vraagt advies aan :
1° voor de sector van de verzorgingsinstellingen en de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg : het [2 Departement Zorg]2;
2° voor de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
3° een of meer ambtenaren die ter beschikking staan van het Fonds.
Na advies van [3 het Fonds]3, beslist de minister over de aanvraag tot wijziging van [1 het definitieve principieel akkoord]1 binnen zestig kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
De aanvrager wordt [1 ...]1 op de hoogte gebracht van het akkoord van de minister met de aanvraag, of van de negatieve beslissing.
Als, in het kader van de procedure tot wijziging van he[1 het definitieve principieel akkoord]1, de aanvrager voor een bepaald project al werkzaamheden aangevat heeft, een bestelling geplaatst heeft of een aankoop gedaan heeft zonder te beschikken over het akkoord van de minister met de aanvraag tot wijziging van het principieel akkoord over het project, komt de aanvrager niet meer in aanmerking voor een gebruikstoelage voor het betreffende project.
Ook in geval van een [1 gewijzigd definitief principieel akkoord]1 moet de aanvrager het bevel geven tot aanvang van de werken of de bestelling plaatsen met betrekking tot het project binnen twee jaar na de datum van het [1 oorspronkelijke definitieve principieel akkoord]1, zoniet vervalt het [1 gewijzigde definitieve principieel akkoord]1. Nadat de aanvrager het bevel gegeven heeft tot aanvang van de werken of de bestelling geplaatst heeft, bezorgt de aanvrager onmiddellijk een kopie van het bevel of van de bestelling aan het Fonds.
Art. 33. [1 Au plus tard nonante jours calendaires avant le commencement des travaux qui portent sur le projet, le demandeur peut demander une modification de l'accord de principe définitif auprÚs du Fonds. Cette demande de modification est motivée de maniÚre circonstanciée et comprend les documents modifiés par rapport à la demande de l'accord de principe définitif initial.]1
Dans les sept jours calendaires de la réception de la demande, le Fonds envoie un accusé de réception au demandeur, indiquant si la demande est recevable ou non, et le cas échéant indiquant la date de la réception de la demande recevable. La recevabilité implique que la demande remplit les exigences formelles mentionnées à l'alinéa premier.
Le Fonds prend l'avis :
1° pour le secteur des établissements de soins et le secteur des structures pour personnes ùgées et des structures des soins à domicile : [2 du Département Soins ]2;
2° pour le secteur des structures pour l'intégration sociale des personnes handicapées : de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" (Agence flamande pour les Personnes handicapées);
3° d'un ou plusieurs fonctionnaires mis à la disposition du Fonds.
AprÚs l'avis du [3 Fonds]3, le Ministre décide de la demande de modification [1 de l'accord de principe définitif]1 dans les soixante jours calendaires de la date de la réception de demande recevable.
Le demandeur est notifié [1 ...]1 soit de l'accord du Ministre, soit de la décision négative.
Si, dans le cadre de la procédure de modification de l'accord de principe, le demandeur, dans le cadre d'un projet déterminé, a déjà entamé des travaux, passé une commande ou fait un achat sans disposer de l'accord du Ministre sur la demande de modification [1 de l'accord de principe définitif]1 sur le projet, il n'est plus éligible à une subvention-utilisation pour le projet en question.
MĂȘme en cas d'un [1 accord de principe dĂ©finitif modifiĂ©]1, le demandeur est tenu de donner l'ordre d'entamer les travaux ou de passer l'ordre en ce qui concerne le projet, dans les deux ans de la date de [1 l'accord de principe dĂ©finitif initial]1, sinon [1 l'accord de principe dĂ©finitif modifiĂ©]1 Ă©choit. AprĂšs avoir ordonnĂ© d'entamer les travaux ou passĂ© la commande, le demandeur remet sans tarder copie de l'ordre ou de la commande au Fonds.
Afdeling 4. - Aanvraag van de gebruikstoelage, de beslissing en de betaling
Section 4. - Demande de la subvention-utilisation, décision et paiement
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1re. - Généralités
Art. 34. Na de ontvangst van [1 het definitieve principieel akkoord]1 of, in voorkomend geval, van het akkoord van de minister met de wijziging van het principieel akkoord, kan de aanvrager [1 ...]1 [2 een aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage]2 bij het Fonds indienen. [2 Die aanvraag]2 kan op zijn vroegst ingediend worden in het jaar na het jaar waarin de aanvrager het bevel heeft gegeven tot aanvang van de werken, waarin hij de bestelling geplaatst heeft of waarin de authentieke akte werd verleden ingeval van aankoop zonder verbouwing [1 bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum]1.
[2 Als de aanvrager al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer bezorgd te worden aan het Fonds.]2 [1 De aanvrager bezorgt stukken bij voorkeur op elektronische wijze aan het Fonds. Plannen worden bij voorkeur bezorgd op papier.]1
[2 De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage aan te vragen.
Na de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage hoeft er in de volgende jaren geen nieuwe aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage worden ingediend door de aanvrager. In de volgende jaren wordt die procedure door het Fonds automatisch opgestart.
Nadat de aanvrager de betreffende infrastructuur in gebruik heeft genomen, meldt hij onmiddellijk de datum van ingebruikname aan het Fonds.]2

Art. 34. AprĂšs rĂ©ception [1 de l'accord de principe dĂ©finitif]1 ou, le cas Ă©chĂ©ant, de l'accord du Ministre avec la modification de l'accord de principe, le demandeur peut, [1 ...]1 introduire [2 une demande d'octroi d'une premiĂšre subvention-utilisation]2 auprĂšs du Fonds. [2 Cette demande]2 peut au plus tĂŽt ĂȘtre introduite pendant l'annĂ©e suivant l'annĂ©e pendant laquelle le demandeur a donner l'ordre d'entamer les travaux, pendant laquelle il a passĂ© la commande ou pendant laquelle l'acte authentique a Ă©tĂ© passĂ© en cas d'achat sans transformation [1 auprĂšs d'un centre de services local, d'un centre de services rĂ©gional ou d'un centre de soins de jour.]1.
[2 Si le demandeur a dĂ©jĂ  transmis certains documents au Fonds, les mĂȘmes documents ne doivent plus ĂȘtre transmis au Fonds.]2 [1 Le demandeur transmet les documents de prĂ©fĂ©rence par voie Ă©lectronique au Fonds. Les plans sont transmis de prĂ©fĂ©rence sur papier.]1
[2 La demande, visée à l'alinéa 1er, contient le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur avec la décision de demander une subvention-utilisation.
AprÚs la demande d'octroi d'une premiÚre subvention-utilisation, le demandeur ne doit plus introduire une nouvelle demande d'octroi d'une subvention-utilisation dans les années suivantes. Dans les années suivantes, cette procédure est automatiquement mise en marche.
AprÚs que le demandeur ait mis en service l'infrastructure en question, il informe le Fonds immédiatement de la date de mise en service.]2

Onderafdeling 2. - [1 Procedure]1 en onderzoek
Sous-section 2. - [1 Procédure]1 et examen
Art. 35. [1 Tijdens de werkzaamheden en tot een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van de aanvraag van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° een overzicht van de uitgevoerde en geplande werkzaamheden;
3° een overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een geactualiseerd programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een geactualiseerde raming voor de verschillende soorten van werkzaamheden en per zorgvorm;
7° de bestekken;
8° het gunningsdossier, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
10° een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
Vanaf een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° een eindafrekening, die bestaat uit:
a) de eindstaat van het project, per perceel en per onderdeel. De onderdelen zijn ruwbouw, technische uitrusting, afwerking en losse uitrusting en meubilering;
b) de finale bouwkosten van het project per soort van werkzaamheden en per zorgvorm;
c) de door de aannemer bezorgde facturen of vorderingsstaten;
3° een definitief overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een definitief programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) een akkoordbrief van de aanvrager waarbij hij stelt dat aan het programma van eisen is voldaan, conform de minimumeisen van de minister, en waarbij hij stelt dat afdoende rekening is gehouden met de vereisten en adviezen;
c) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een evaluatie van het project, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
7° de verbruiksgegevens van energie en water;
8° het gunningsdossier, per aanbesteding, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering;
10° een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
In geval van een aankoop zonder verbouwing van een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum is alleen het tweede lid van toepassing en hoeven alleen de stukken, vermeld in het tweede lid, 1°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11° en 12°, ter beschikking gehouden te worden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd te worden aan het Fonds.]1

Art. 35. [1 Pendant les travaux et jusqu'à un an aprÚs la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la maniÚre dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à la demande de l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un aperçu des travaux exécutés et envisagés ;
3° un aperçu des attributions, établi au vu d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme actualisé d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
b) des études ou avis à l'appui des critÚres indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matiÚre de performance énergétique (EPB) ;
6° une estimation actualisée suivant les différents types de travaux et par forme de soins ;
7° les cahiers des charges ;
8° le dossier d'attribution comportant :
a) le procĂšs-verbal de l'ouverture des soumissions;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrĂŽle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procÚs-verbal de la réception provisoire ;
10° une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bùtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions subventionnés par l'autorité et relevant de la Communauté flamande ;
11° en vue du contrĂŽle sur la parentĂ©, visĂ©e aux articles 3 et 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, lorsque le demandeur n'est pas le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur du droit rĂ©el sur le terrain sur lequel le projet est envisagĂ©, et sans prĂ©judice de la possibilitĂ© du Fonds de demander des donnĂ©es complĂ©mentaires, conformĂ©ment Ă  l'article 4, §§ 5 et 6 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
d) une dĂ©claration dont l'original est signĂ© par l'entier conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parentĂ© illĂ©gitime entre le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain et le demandeur, tel que visĂ© aux articles 3 et 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
A partir d'un an aprÚs la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la maniÚre dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un décompte final, comportant :
a) l'état final du projet, par parcelle et par partie. Les parties sont le gros oeuvre, l'équipement technique, la finition et l'équipement et le mobilier amovibles ;
b) le coût final de construction du projet par type de travaux et par forme de soins ;
c) les factures ou états d'avancement transmis par l'entrepreneur ;
3° un aperçu définitif des attributions, établi au vu d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme définitif d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
b) une lettre d'accord du demandeur que le programme d'exigences a été rempli, conformément aux exigences minimales du Ministre, et qu'il a suffisamment été tenu compte des exigences et avis ;
c) des études ou avis à l'appui des critÚres indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matiÚre de performance énergétique (EPB) ;
6° une évaluation du projet, établie au vu d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
7° les données de consommation d'énergie et d'eau ;
8° le dossier d'attribution par adjudication, comprenant :
a) le procĂšs-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrĂŽle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procÚs-verbal de la réception provisoire ou définitive ;
10° une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bùtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions subventionnés par l'autorité et relevant de la Communauté flamande ;
11° en vue du contrĂŽle sur la parentĂ©, visĂ©e aux articles 3 et 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, lorsque le demandeur n'est pas le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur du droit rĂ©el sur le terrain sur lequel le projet est envisagĂ©, et sans prĂ©judice de la possibilitĂ© du Fonds de demander des donnĂ©es complĂ©mentaires, conformĂ©ment Ă  l'article 4, §§ 5 et 6, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
d) une dĂ©claration dont l'original est signĂ© par l'entier conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parentĂ© illĂ©gitime entre le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain et le demandeur, tel que visĂ© aux articles 3 et 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
Dans le cas d'un achat sans transformation d'un centre de services local, d'un centre de services rĂ©gional ou d'un centre de soins de jour, seul l'alinĂ©a 2 s'applique et uniquement les documents visĂ©s Ă  l'alinĂ©a 2, 1°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11° et 12°, doivent ĂȘtre tenus Ă  disposition par le demandeur ou ĂȘtre transmis au Fonds Ă  la demande de celui-ci.]1

Art. 36. [1 Het Fonds doet voor het onderzoek van het dossier een beroep op de personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds.
De personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Hun advies wordt opgemaakt op basis van een onderzoek ter plaatse of op basis van stukken.]1

Art. 36. [1 Pour l'examen du dossier, le Fonds fait appel aux membres du personnel qui sont mis Ă  la disposition du Fonds.
Les membres du personnel qui sont à la disposition du Fonds peuvent demander des renseignements complémentaires au demandeur. Leur avis est établi sur la base d'un examen sur place ou au vu de documents.]1

Art. 37. [1 Bij de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage en bij de dossiers waarvoor er in het verleden nog geen gebruikstoelagen zijn verstrekt, beslist de minister over het al dan niet verstrekken van een gebruikstoelage. Met het oog daarop legt het Fonds een ontwerp van beslissing voor aan de minister. In de andere gevallen beslist het personeelslid dat belast is met de algemene leiding van het Fonds, over de toekenning van een gebruikstoelage.]1
Art. 37. [1 Lors de la demande d'octroi d'une premiÚre subvention-utilisation et pour les dossiers qui n'ont pas encore fait l'objet d'un octroi de subventions-utilisation, le Ministre décide de l'octroi ou non d'une subvention-utilisation. A cet effet, le Fonds soumet au Ministre un projet de décision. Dans les autres cas, le membre du personnel chargé de la direction générale du Fonds décide de l'octroi d'une subvention-utilisation.]1
Onderafdeling 3. - Beslissing over de gebruikstoelage en betaling
Sous-section 3. - Décision sur la subvention-utilisation et paiement
Art. 38. De aanvrager wordt [1 ...]1 op de hoogte gebracht van de beslissing over de toekenning van een gebruikstoelage.
Na de ondertekening van de beslissing tot het verstrekken van een gebruikstoelage legt het Fonds, op naam van de aanvrager, de gebruikstoelage vast en betaalt ze [2 jaarlijks, uiterlijk op 31 december]2 uit.
Art. 38. Le demandeur est notifié [1 ...]1 de la décision relative à l'octroi d'une subvention-utilisation.
AprÚs la signature de la décision d'octroi d'une subvention-utilisation, le Fonds engage la subvention-utilisation au nom du demandeur et exécute le paiement [2 annuellement au plus tard le 31 décembre]2.
HOOFDSTUK 6. - De projecten waarvoor de gebruikstoelage dient als onrechtstreekse bijdrage in de kostprijs
CHAPITRE 6. - Les projets pour lesquels la subvention-utilisation sert de contribution indirecte au coût
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Section 1re. - Champ d'application
Art. 39. Dit hoofdstuk is van toepassing op projecten waarvoor de gebruikstoelage, vermeld in artikel 1, 8°, dient als onrechtstreekse bijdrage in de kostprijs, waarbij de aanvrager niet optreedt als bouwheer en waarbij de gebruikstoelagen door de aanvrager worden aangewend als bijdrage in een beschikbaarheidsvergoeding als vermeld in artikel 1, 3°.
Art. 39. Le présent chapitre s'applique aux projets pour lesquels la subvention-utilisation, visés à l'article 1er, 8°, sert de contribution indirecte au coût, et lesquels le demandeur n'agit pas en tant que maßtre d'ouvrage et pour lesquels les subventions-utilisation sont utilisées par le demandeur comme contribution à l'indemnité de disponibilité, telle que visée à l'article 1er, 3°.
Afdeling 2. - De gebruikstoelage
Section 2. - La subvention-utilisation
Art. 40. Jaarlijks kan door het Fonds worden beslist, binnen de perken van de begrotingskredieten en volgens de procedure, vermeld in dit besluit, over de toekenning van een gebruikstoelage aan een aanvrager voor de uitvoering van zijn project. Die beslissing kan gedurende twintig opeenvolgende jaren worden genomen.
Het bedrag van de gebruikstoelage die in een bepaald jaar door het Fonds kan worden verstrekt, wordt berekend door een coëfficiënt toe te passen op het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het definitieve principieel akkoord, [1 vermeld in artikel 48, § 2 of § 3,]1, naargelang van de aard van de investering, overeenkomstig de bepalingen van een van de volgende besluiten :
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor personen met een handicap;
[1 De coëfficiënt wordt jaarlijks door de minister in december bepaald en wordt volgens de volgende formule berekend :
coëfficiënt = R/(1-(1/(1+R)20)) x 95 %, waarbij :
1° R = referentierentevoet.]1

De referentierentevoet wordt jaarlijks in december aangeleverd door het beleidsdomein Financiën en Begroting op basis van een tienjarige OLO en stemt overeen met het rekenkundig gemiddelde van de noteringen tijdens de periode van 1 september tot en met 30 november van het desbetreffende jaar, verhoogd met vijftien basispunten. De aldus bepaalde referentierentevoet wordt ieder jaar in december door het beleidsdomein Financiën en Begroting uiterlijk binnen de vijf eerste werkdagen van de maand december meegedeeld aan het Fonds.
De coëfficiënt die geldt voor een dergelijk project, is de coëfficiënt die van toepassing is op de datum van het definitieve principieel akkoord.
Art. 40. Le Fonds peut dĂ©cider annuellement, dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires et suivant la procĂ©dure dĂ©finie dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, de l'octroi d'une subvention-utilisation Ă  un demandeur pour l'exĂ©cution de son projet. Cette dĂ©cision peut ĂȘtre prise pendant vingt annĂ©es consĂ©cutives.
Le montant de la subvention-utilisation qui peut ĂȘtre octroyĂ©e par le Fonds au cours d'une annĂ©e dĂ©terminĂ©e, est calculĂ© en appliquant un coefficient au montant total calculĂ© et dĂ©terminĂ© Ă  la date de l'accord de principe dĂ©finitif, visĂ© [1 Ă  l'article 48, § 2 ou § 3, ]1, en fonction du type d'investissement, conformĂ©ment aux dispositions de l'un des arrĂȘtĂ©s suivants :
1° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les Ă©tablissements de soins;
2° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 fixant la subvention globale de la subvention d'investissement et les normes techniques de la construction pour les structures pour personnes ĂągĂ©es et les structures des soins Ă  domicile;
3° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinĂ©es aux personnes handicapĂ©es;
[1 Le coefficient est fixé annuellement au mois de décembre par le Ministre, et calculé selon la formule suivante :
coefficient = R/(1-(1/(1+R)20)) x 95 %, oĂč :
1° R = taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence.]1

Le taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence est fixĂ© annuellement par le domaine politique Finances et Budget sur la base d'une OLO de dix ans, et correspond Ă  la moyenne arithmĂ©tique des cotations pendant la pĂ©riode du 1er septembre au 30 novembre inclus de l'annĂ©e en question, majorĂ©e de quinze points de base. Le taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence ainsi obtenu est communiquĂ© chaque annĂ©e au Fonds par le domaine politique Finances et Budget au plus tard dans les cinq premiers jours ouvrables du mois de dĂ©cembre.
Le coefficient qui s'applique à un tel projet est le coefficient qui s'applique à la date de l'accord de principe définitif.
Afdeling 3. - De goedkeuring van een masterplan en het verkrijgen van een [1 ...]1 principieel akkoord
Section 3. - L'approbation d'un plan maĂźtre et l'obtention d'un accord de principe [1 ...]1
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 41. Om in aanmerking te komen voor een gebruikstoelage voor een bepaald project, moet de aanvrager beschikken over een door de minister goedgekeurd masterplan en over een definitief principieel akkoord van de minister.
Elke aanvraag tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord voor een bepaald project wordt gericht aan het Fonds, met uitzondering van de aanvraag in de fase van het zorgstrategische plan, vermeld in artikel 42, die ingediend wordt bij het [2 Departement Zorg]2. [1 De aanvrager bezorgt stukken bij voorkeur op elektronische wijze aan het Fonds of aan het [2 Departement Zorg]2. Plannen worden bij voorkeur bezorgd op papier.]1
Voor een algemeen ziekenhuis, voor een voorziening voor ouderen en voor een voorziening in de thuiszorg verloopt de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord volgens de bepalingen, vermeld in artikel 42 tot en met 53, en in artikel 60 tot en met 62. Voor de overige voorzieningen verloopt de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord volgens de bepalingen, vermeld in artikel 54 tot en met 62.
Art. 41. Afin d'ĂȘtre Ă©ligible Ă  une subvention-utilisation pour un projet dĂ©terminĂ©, le demandeur doit disposer d'un plan maĂźtre approuvĂ© par le Ministre, et d'un accord de principe dĂ©finitif du Ministre.
Toute demande d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe pour un projet déterminé sera adressée au Fonds, à l'exception de la demande dans la phase du plan stratégique en matiÚre de soins, mentionnée à l'article 42 qui est introduite auprÚs présentée[2 au Département Soins]2. [1 Le demandeur transmet les documents de préférence par voie électronique au Fonds ou [2 au Département Soins]2 . Les plans sont transmis de préférence sur papier.]1
Pour un hÎpital général, pour une structure pour personnes ùgées et une structure de soins à domicile, la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe se déroule conformément aux dispositions des articles 42 à 53 inclus, et des articles 60 à 62 inclus. Pour les autres structures, la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe se déroule conformément aux dispositions des articles 54 à 62 inclus.
Onderafdeling 2. - Procedure voor de algemene ziekenhuizen en voor de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg
Sous-section 2. - Procédure pour les hÎpitaux généraux et pour les structures pour personnes ùgées et les structures de soins à domicile
Art. 42. In een eerste fase legt de aanvrager een plan met de zorgstrategische aspecten van het masterplan ter goedkeuring voor. Die aanvraag tot goedkeuring van het zorgstrategische plan bevat :
1° voor een algemeen ziekenhuis : [1 de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten,]1 waaruit blijkt dat de aanvrager :
a) een lokaal of provinciaal bestuur is;
b) een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting van openbaar nut is als vermeld in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
c) een instelling is die beheerst wordt door de wet van 12 augustus 1911 waarbij de rechtspersoonlijkheid verleend wordt aan de universiteiten van Brussel en Leuven, of door het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, en door het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen;
2° voor een woonzorgcentrum, een dagverzorgingscentrum en een centrum voor kortverblijf : [1 de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten,]1 waaruit blijkt dat de aanvrager over een rechtsvorm beschikt als vermeld in artikel 63, eerste lid, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
3° voor de regionale dienstencentra en de lokale dienstencentra : [1 de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten,]1 waaruit blijkt dat de aanvrager over een rechtsvorm beschikt als vermeld in artikel 50 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
4° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het zorgstrategische plan goed te keuren en in te dienen, vergezeld van, voor de algemene ziekenhuizen, het advies van de medische raad, vermeld in artikel 132 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en eventueel van het advies van het coördinatiecomité, vermeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;
5° het zorgstrategische plan, dat ten minste de volgende gegevens bevat :
a) de huidige situatie op het gebied van zorgaanbod, infrastructuur, ligging en samenwerkingsverbanden;
b) de toekomstvisie met betrekking tot diezelfde elementen en de geplande rol in de regio;
c) argumenten die de wenselijkheid en haalbaarheid van die toekomstvisie aantonen, op basis van een grondige omgevingsanalyse, met een projectie van zorgbehoeften en zorgaanbod, een afstemming op de andere zorgverstrekkers in de relevante invloedssfeer, en een diepgaande zelfevaluatie van de positie van de aanvrager;
d) de voorwaarden die vervuld moeten worden om de nagestreefde visie te realiseren;
e) een beschrijving van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met een omschrijving van de doelgroep en de geplande capaciteit per onderdeel.
Art. 42. Dans une premiÚre phase, le demandeur soumet à l'approbation un plan concernant les aspects d'ordre stratégique en matiÚre de soins du plan maßtre. La demande d'approbation du plan stratégique en matiÚre de soins comprend :
1° pour un hÎpital général : [1 la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires,]1 démontrant que demandeur est :
a) une administration locale ou provinciale;
b) une association sans but lucratif au sens de la loi du 27 juin 1921 relative aux associations sans but lucratif, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations;
c) une institution régie par la loi du 12 août 1911 accordant la personnalité civile aux universités de Bruxelles et de Leuven, ou par le décret du 22 décembre 1995 portant modification de divers décrets relatifs à l' "Universiteit Antwerpen" et par le décret du 4 avril 2003 portant dispositions visant à créer une "Universiteit Antwerpen" et portant modification décret du 22 décembre 1995 portant modification de divers décrets relatifs à l' "Universiteit Antwerpen";
2° pour un centre de services de soins et de logement, un centre de soins de jour et un centre de court séjour : [1 la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires,]1 démontrant que demandeur dispose de la forme juridique, visée à l'article 63, alinéa premier, du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
3° pour les centres régionaux de services et les centres locaux de services : [1 la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires,]1 démontrant que demandeur dispose de la forme juridique, visée à l'article 50 du décret du 13 mars 2009 sur les Soins et le Logement;
4° le procĂšs-verbal signĂ© de la rĂ©union des organes compĂ©tents du demandeur comprenant la dĂ©cision d'approuver et de soumettre le plan stratĂ©gique en matiĂšre de soins, accompagnĂ©, en ce qui concerne les hĂŽpitaux gĂ©nĂ©raux, de l'avis du conseil mĂ©dical, visĂ© Ă  l'article 132 de la loi sur les hĂŽpitaux et autres structures de soins, coordonnĂ©e le 10 juillet 2008, et Ă©ventuellement de l'avis du comitĂ© de coordination visĂ© Ă  l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 janvier 1989 fixant les normes complĂ©mentaires d'agrĂ©ment des hĂŽpitaux et services hospitaliers et prĂ©cisant la dĂ©finition des groupements d'hĂŽpitaux et les normes particuliĂšres qu'ils doivent respecter;
5° le plan stratégique en matiÚre de soins, contenant au moins les informations suivantes :
a) la situation actuelle sur le plan de l'offre de soins, de l'infrastructure, de la situation et des partenariats;
b) les perspectives relatives aux mĂȘmes Ă©lĂ©ments et le rĂŽle envisagĂ© dans la rĂ©gion;
c) les arguments démontrant l'opportunité et la faisabilité de ces perspectives, sur la base d'une analyse approfondie du contexte, accompagnée d'une projection des besoins d'aide et de l'offre de soins, d'une harmonisation avec les autres dispensateurs de soins dans la zone d'influence pertinente, et d'une auto-évaluation approfondie de la position du demandeur;
d) les conditions à remplir afin de réaliser les perspectives envisagées;
e) une description de tous les investissements que le demandeur entend réaliser dans les dix prochaines années, une description du groupe cible et la capacité envisagée par unité.
Art. 43. [1 De aanvraag, vermeld in artikel 42, wordt ingediend in acht exemplaren.]1
Om het zorgstrategische plan op te maken, moet de aanvrager modellen gebruiken die door het agentschap Zorg en Gezondheid ter beschikking worden gesteld. De aanvrager kan gegevens gebruiken die het [2 Departement Zorg ]2 ter beschikking stelt. Het [2 Departement Zorg]2 kan aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager.
Het [2 Departement Zorg]2 stuurt binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag tot goedkeuring van het zorgstrategische plan een bewijs van ontvangst naar de aanvrager met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
Een aanvraag is ontvankelijk als de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de aanvraag wordt ingediend op de wijze, vermeld in het eerste en het tweede lid;
2° de aanvraag bevat de nodige stukken, vermeld in artikel 42.
Art. 43. [1 La demande visée à l'article 42 est introduite en huit exemplaires.]1
Pour l'établissement du plan stratégique en matiÚre de soins, le demandeur est tenu d'utiliser les modÚles mis à sa disposition par [2 le Département Soins]2. Le demandeur peut faire usage des données mises à la disposition par [2 le Département Soins]2. [2 Le Département Soins]2 peut demander des informations complémentaires au demandeur.
Dans les quatorze jours calendaires de la réception de la demande d'approbation du plan stratégique en matiÚre de soins, [2 le Département Soins]2 envoie un accusé de réception au demandeur, indiquant si la demande est recevable ou non, et le cas échéant indiquant la date de la réception de la demande recevable.
Une demande est recevable si les conditions suivantes sont remplies :
1° la demande est introduite selon le mode fixé aux alinéas premier et deux;
2° la demande comprend les documents requis, mentionnés à l'article 42.
Art. 44. Het [2 Departement Zorg]2 maakt een evaluatienota op. Binnen veertig kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag stuurt het [2 Departement Zorg]2 de evaluatienota [1 ...]1 naar de aanvrager.
De aanvrager beschikt over een termijn van veertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de evaluatienota, om een reactienota in te dienen bij het [2 Departement Zorg]2, of om het [2 Departement Zorg]2 te laten weten dat hij een grondige aanpassing van zijn zorgstrategische plan zal doorvoeren. Als de aanvrager beslist het zorgstrategische plan grondig aan te passen, start de procedure van voren af aan.
Art. 44. [2 Le Département Soins]2 établit une note d'évaluation. Dans les quarante jours calendaires de la réception de la demande recevable, [2 le Département Soins]2 envoie la note d'évaluation [1 ...]1 au demandeur.
Le demandeur dispose d'un délai de quarante jours calendaires, à compter de la réception de la note d'évaluation, pour introduire une note de réaction auprÚs [2 du Département Soins]2, ou pour annoncer [2 au Département Soins]2 qu'il effectuera des adaptations approfondies de son plan stratégique en matiÚre de soins. Si le demandeur décide d'adapter le plan de maniÚre approfondie, la procédure recommence depuis le début.
Art. 45. Binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de reactienota of, als binnen de gestelde termijn geen reactienota werd ingediend, binnen vijftien kalenderdagen na het verstrijken van die termijn bezorgt het [1 Departement Zorg]1 het dossier in kwestie aan de Commissie Zorgstrategie voor de algemene ziekenhuizen, of aan de Commissie Zorgstrategie voor de voorzieningen voor ouderen en de voorzieningen in de thuiszorg. De bevoegde commissie agendeert het dossier. Het dossier bestaat uit het zorgstrategische plan, de evaluatienota en de eventuele reactienota.
Art. 45. Dans les quinze jours calendaires de la réception de la note de réaction, ou si aucune note de réaction n'a été transmise dans le délai imparti, dans les quinze jours de l'expiration de ce délai, [1 le Département Soins ]1 transmet le dossier en question soit à la Commission 'Zorgstrategie' (Stratégie en matiÚre de soins) pour les hÎpitaux généraux, soit à la Commission 'Zorgstrategie' pour les structures pour personnes ùgées et les structures des soins à domicile. La commission compétente inscrit le dossier à l'ordre du jour. Le dossier est constitué du plan stratégique en matiÚre de soins, de la note d'évaluation et de la note de réaction éventuelle.
Art. 46. § 1. In de Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 45, zitten drie interne en drie externe leden.
De drie interne leden behoren tot [1 het Departement Zorg of tot]1 een agentschap van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ze worden aangesteld door de minister.
Bij de Commissie Zorgstrategie voor de algemene ziekenhuizen is één extern lid afkomstig uit de adviesraad die bevoegd is voor de behandeling van bezwaar- of verweermiddelen inzake de erkenning van verzorgingsvoorzieningen. Twee externe leden worden aangesteld wegens hun deskundigheid in gezondheidszorg.
Bij de Commissie Zorgstrategie voor de voorzieningen voor ouderen en de voorzieningen in de thuiszorg is één extern lid afkomstig uit de adviesraad die bevoegd is voor de behandeling van bezwaar- of verweermiddelen inzake de erkenning van voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg. Twee externe leden worden aangesteld wegens hun deskundigheid in ouderenzorg of thuiszorg.
Naargelang de te behandelen dossiers op de vergaderingen van de Commissies Zorgstrategie worden de externe leden gekozen uit een lijst die de minister heeft goedgekeurd.
§ 2. De vergoeding van de externe leden wordt bepaald door de minister en is ten laste van [1 Departement Zorg]1.
§ 3. De Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 45, stellen een huishoudelijk reglement op waarin de werking, de aanstelling van de externe leden en de onverenigbaarheden worden geregeld. De minister keurt het huishoudelijk reglement goed.
§ 4. Het [1 Departement Zorg]1.]1 neemt het secretariaat van de Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 45, waar. Het [1 Departement Zorg]1 verstrekt aan de Commissies Zorgstrategie de inlichtingen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn.
Art. 46. § 1er. Au sein de la Commission 'Zorgstrategie', mentionnée à l'article 45, siÚgent trois membres internes et trois membre externes.
Les trois membres internes appartiennent [1 au DĂ©partement Soins ou]1 Ă  une agence du domaine politique du Bien-Òtre, de la SantĂ© publique et de la Famille. Ils sont dĂ©signĂ©s par le Ministre.
Au sein de la Commission 'Zorgstrategie' pour les hÎpitaux généraux, un membre externe appartient au conseil consultatif compétent pour le traitement de recours ou de moyens de défense en matiÚre d'agrément de structures. Deux membres externes sont désignés en raison de leur expertise en matiÚre de soins de santé.
Au sein de la "Commission Zorgstrategie" pour les structures destinées aux personnes ùgées et les structures dans le cadre des soins à domicile, un membre externe appartient au conseil consultatif compétent pour le traitement de recours ou de moyens de défense en matiÚre d'agrément des structures destinées aux personnes ùgées et des structures dans la cadre des soins à domicile. Deux membres externes sont désignés en raison de leur expertise en matiÚre d'aide aux personnes ùgées ou de soins à domicile.
En fonction des dossiers à traiter lors des réunions des Commissions "Zorgstrategie", les membres externes sont choisis sur une liste approuvée par le Ministre.
§ 2. L'indemnité des membres externes est fixée par le Ministre et est à charge du budget [1 du Département Soins]1.
§ 3. Les Commissions "Zorgstrategie" visées à l'article 45 établissent un rÚglement d'ordre intérieur qui rÚgle le fonctionnement, la désignation des membres externes et les incompatibilités. Le Ministre approuve le rÚglement d'ordre intérieur.
§ 4.[1 Le Département Soins]1 assure le secrétariat des Commissions 'Zorgstrategie' visées à l'article 45. [1 Le Département Soins]1 fournit aux Commissions 'Zorgstrategie' les informations nécessaires à leur fonctionnement.
Art. 47. De Commissies Zorgstrategie, vermeld in artikel 45, hebben als opdracht de minister te adviseren over de ingediende zorgstrategische plannen.
Het advies van de Commissie Zorgstrategie wordt, samen met het ingediende zorgstrategische plan, de evaluatienota en de eventuele reactienota, binnen vijftien kalenderdagen na de adviesverlening naar de minister gestuurd. De minister neemt een beslissing tot gehele of gedeeltelijke goedkeuring of afkeuring van het zorgstrategische plan binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het advies van de Commissie Zorgstrategie. De beslissing van de minister wordt ter kennis gebracht van het Fonds en [1 ...]1 verstuurd naar de aanvrager.
Art. 47. Les Commissions "Zorgstrategie" visées à l'article 45 ont pour mission de conseiller le Ministre au sujet des plans stratégiques en matiÚre de soins soumis.
L'avis de la Commission "Zorgstrategie", conjointement avec le plan en matiÚre de soins soumis, les notes d'évaluation et l'éventuelle note de réaction, est envoyé au Ministre dans les quinze jours calendaires de l'avis rendu. Le Ministre prend une décision d'approbation complÚte ou partielle ou de désapprobation du plan stratégique en matiÚre de soins dans les quinze jours calendaires de la réception de l'avis de la Commission de la Stratégie des Soins. La décision du Ministre est communiquée à l'Agence "Zorg en Gezondheid" et elle est envoyée [1 ...]1 au demandeur.
Art. 48. § 1. Na de goedkeuring van het zorgstrategische plan kan de aanvrager in een volgende fase van de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een voorlopig principieel akkoord het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project ter goedkeuring voorleggen. [1 ...]1 De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren.
§ 2. Na het verkrijgen van de goedkeuring van het technische en financiële aspect van het masterplan en na het verkrijgen van het voorlopige principieel akkoord voor het betreffende project, kan de aanvrager het definitieve principieel akkoord vragen voor het betreffende project. [1 ...]1 De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren.
[1 § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan de aanvrager, na de goedkeuring van het zorgstrategische plan, zonder de tussenstap van een voorlopig principieel akkoord, in een tweede fase van de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een definitief principieel akkoord, het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project ter goedkeuring voorleggen aan het Fonds. De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren.]1
Art. 48. § 1er. AprÚs l'approbation du plan stratégique en matiÚre de soins, le demandeur peut, dans une suivante phase de la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe provisoire, soumettre à l'approbation l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet en question. [1 ...]1 La demande est introduite en deux exemplaires.
§ 2. AprÚs obtention de l'approbation de l'aspect technique et financier du plan maßtre et aprÚs l'obtention de l'accord de principe provisoire pour le projet concerné, le demandeur peut demander l'accord de principe définitif pour le projet concerné. [1 ...]1 La demande est introduite en deux exemplaires.
[1 § 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, aprÚs l'approbation du plan stratégique en matiÚre de soins, le demandeur peut, sans l'étape transitoire d'un accord de principe provisoire, dans une deuxiÚme phase de la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe définitif, soumettre l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet concerné à l'approbation du Fonds. La demande est introduite en deux exemplaires.]1
Art. 49. De aanvraag, vermeld in artikel 48, § 1, bevat de volgende gegevens en documenten :
1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen;
2° de verwijzing naar stukken, waaruit blijkt dat nog altijd voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 42, eerste lid, 1°, 2° of 3°;
3° het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project;
4° als het een project met [1 financiering]1 zonder voorafgaand principieel akkoord betreft als vermeld in artikel 8 van het decreet van 23 februari 1994, de gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen die vereist zijn voor de volledige [1 financiering]1 van het project;
5° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85.
Art. 49. La demande, visée à l'article 48, § 1er, comprend les documents suivants :
1° le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur, comprenant la décision d'approuver et de soumettre l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet en question;
2° la référence aux documents démontrant que les conditions énoncées à l'article 42, alinéa premier, 1°, 2°, of 3°, sont toujours remplies;
3° l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet concernée;
4° s'il s'agit d'un projet avec préfinancement sans accord de principe préalable, tel que visé à l'article 8 du décret du 23 février 1994, les données dont il ressort que le demandeur dispose des moyens financiers nécessaires qui sont exigés en vue du [1 financement]1 entier du projet;
5° une déclaration sur honneur, sur le projet qui fait l'objet d'une demande d'accord de principe, pour l'application de l'article 85.
Art. 50. De stukken, vermeld in artikel 49, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen :
1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;
2° een beschrijving, aan de hand van het door de minister goedgekeurde zorgstrategische plan, van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;
3° een omschrijving van de bedoelde investeringswerkzaamheden;
4° een financieel plan voor de bedoelde investeringen, gedetailleerd voor het project, en, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vergezeld van de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, van het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening.
Art. 50. Les documents visés à l'article 49, 3°, contiennent au moins les éléments suivants :
1° une description de l'infrastructure existante, portant une attention particuliĂšre Ă  l'intĂ©rĂȘt historique et architecturale, l'Ăąge, la fonctionnalitĂ©, l'intensitĂ© de l'usage, la viabilitĂ© et l'efficience Ă©nergĂ©tique;
2° une description, à l'aide du plan stratégique en matiÚre de soins approuvé par le Ministre, de tous les investissements que le demandeur entend réaliser dans les dix prochaines années, une description du groupe cible et la capacité envisagée par unité, les différentes phases et les délais d'exécution envisagés avec estimation du coût;
3° une description des travaux d'investissement envisagés;
4° un plan financier pour les investissements envisagĂ©s, dĂ©taillĂ© pour le projet et, pour les demandeurs non assujettis Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 relatif Ă  la comptabilitĂ© et au rapport financier pour les structures dans certains secteurs du domaine politique Aide sociale, SantĂ© publique et Famille, accompagnĂ© des derniers comptes annuels approuvĂ©s et, le cas Ă©chĂ©ant, du rapport du rĂ©viseur d'entreprise sur les comptes annuels.
Art. 51. Als het een aanvraag betreft tot het verkrijgen van een voorlopig principieel akkoord als vermeld in artikel 48, § 1, die betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag, naast de stukken, vermeld in artikel 49 en 50, de volgende stukken bevatten :
1° een conceptnota over de functionele opvattingen, met inbegrip van de outputspecificaties;
2° een raming van de bouwkosten van het project;
3° een inschatting van de oppervlakte van het project;
4° een raming van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin deze verschuldigd is door de aanvrager; [1 Die termijn bedraagt minstens twintig jaar;]1
5° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.
Art. 51. S'il s'agit d'une demande d'obtention d'un accord de principe provisoire telle que visée à l'article 48, § 1er, qui a trait aux travaux, cette demande doit comprendre, outre les documents visés aux articles 49 et 50, les documents suivants :
1° une note conceptuelle relative aux concepts fonctionnels, y compris les spécifications d'exécution;
2° une estimation du coût de la construction du projet;
3° une estimation de la superficie du projet;
4° une estimation de l'indemnité de disponibilité annuelle et la période pendant laquelle cette derniÚre est due par le demandeur; [1 Cette période s'élÚve au moins à vingt ans;]1
5° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et du demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le propriétaire tel que visé aux articles 3 et 4.
Art. 52. Als het een aanvraag betreft tot het verkrijgen van een definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 48, § 2, die betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag de volgende stukken bevatten :
1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het definitieve principieel akkoord voor het betreffende project aan te vragen;
2° de verwijzing naar stukken, waaruit blijkt dat nog altijd voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 42, eerste lid, 1°, 2°, of 3°;
3° de eventuele wijzigingen van het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project, vermeld in artikel 49, 3°;
4° de eventuele wijzigingen van het financieel plan, vermeld in artikel 50, 4°;
5° als dat door de aard van de werkzaamheden vereist is, een stedenbouwkundig attest of, voor de aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen of voor handelingen van algemeen belang als vermeld in artikel 4.1.1, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, een akkoord van de vergunningverlenende instantie over een principeaanvraag;
6° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
7° [1 de plannen op schaal 1/100, in tweevoud, met vermelding van een eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;]1
8° een gedetailleerde nota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;
9° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van [2 het agentschap en het Departement Zorg]2;
10° de bouwkosten van het project;
11° de oppervlakteberekening van het project, eventueel opgedeeld in projectonderdelen;
12° in voorkomend geval, een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;
13° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;
14° het programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en de specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
15° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;
16° het gunningsverslag tot aanwijzing van de opdrachtnemer, alsook een ondertekende overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachtnemer tot realisatie van het project, met inbegrip van de opgave van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin die verschuldigd is, met inbegrip van een bepaling dat de aanvrager verplicht is de gebruikstoelage, vermeld in artikel 73, te gebruiken voor de betaling van de beschikbaarheidsvergoeding; [1 De termijn waarin de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding verschuldigd is, bedraagt minstens twintig jaar;]1
17° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.
Art. 52. S'il s'agit d'une demande d'obtention d'un accord de principe définitif telle que visée à l'article 48, § 2, qui a trait aux travaux, cette demande doit comprendre les documents suivants :
1° le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur comprenant la décision de demander une subvention-utilisation pour l'année en question;
2° la référence aux documents démontrant que les conditions énoncées à l'article 42, alinéa premier, 1°, 2°, of 3° sont toujours remplies;
3° les éventuelles modifications de l'aspect technique et financier du plan maßtre et du projet concerné, visé à l'article 49, 3°;
4° les éventuelles modifications du plan financier, visé à l'article 50, 4°;
5° s'il tel est nĂ©cessaire suite Ă  la nature des travaux, une attestation urbanistique ou, pour les demandes par des personnes de droit public ou pour les actes d'intĂ©rĂȘt gĂ©nĂ©ral tels que visĂ©s Ă  l'article 4.1.1.5°, du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009, un accord de l'instance octroyant les attestations sur la demande de principe;
6° un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent;
7° [1 les plans à l'échelle 1/100, en deux exemplaires, avec mention de l'éventuelle extension lors de projets futurs;]1
8° une note détaillée sur les aspects fonctionnels, physiques et techniques de la construction;
9° un rapport sur les suites donnés aux réunions de travail précédentes et aux recommandations [2 de l'agence et du Département Soins]2;
10° le coût de construction du projet;
11° le calcul de la superficie du projet, éventuellement réparti en parties de projet;
12° le cas échéant, une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol;
13° une preuve dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance tel que visé à l'article 12, § 1er, alinéa trois, du décret du 23 février 1994;
14° le programme d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Les valeurs limites de confort objectivement évaluables et les exigences techniques spécifiques sont mentionnées par type de local. Le Ministre fixe les exigences minimales et les conditions en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux;
15° une lettre d'accord, signée par le demandeur, dans laquelle il souscrit au programme d'exigences et désigne le coordinateur responsable de répondre aux exigences de performance objectivement évaluables en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux;
16° le rapport d'adjudication désignant l'exécutant, ainsi qu'un accord signé entre le demandeur et l'exécutant d'exécution du projet, y compris la mention de l'indemnité de disponibilité annuelle et la période laquelle cette derniÚre est due, y compris la disposition que le demandeur est obligé d'utiliser la subvention-utilisation, mentionnée dans l'article 73, pour le paiement de l'indemnité de disponibilité; [1 La période pendant laquelle l'indemnité de disponibilité annuelle est due, s'élÚve au moins à vingt ans;]1
17° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, § 5 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et du demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le propriétaire tel que visé aux articles 3 et 4.
Art. 52/1. [1 De aanvraag, vermeld in artikel 48, § 3, bevat de volgende gegevens en documenten :
1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen, en om het definitieve principieel akkoord voor het betreffende project aan te vragen;
2° de verwijzing naar stukken, waaruit blijkt dat nog altijd voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 42, 1°, 2° of 3° ;
3° het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project;
4° als het een project met financiering zonder voorafgaand principieel akkoord betreft als vermeld in artikel 8 van het decreet van 23 februari 1994, de gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen die vereist zijn voor de volledige financiering van het project;
5° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85.
De stukken, vermeld in het eerste lid, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen :
1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;
2° een beschrijving, aan de hand van het door de minister goedgekeurde zorgstrategische plan, van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;
3° een omschrijving van de bedoelde investeringswerkzaamheden;
4° een financieel plan voor de bedoelde investeringen, gedetailleerd voor het project, en, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, met de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening erbij gevoegd.
Als de aanvraag, vermeld in artikel 48, § 3, betrekking heeft op werkzaamheden, moet de aanvraag naast de stukken, vermeld in het eerste en het tweede lid, de volgende stukken bevatten :
1° een conceptnota over de functionele opvattingen, met inbegrip van de outputspecificaties;
2° een raming van de bouwkosten van het project;
3° een inschatting van de oppervlakte van het project;
4° als dat door de aard van de werkzaamheden vereist is, een stedenbouwkundig attest of, voor de aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen of voor handelingen van algemeen belang als vermeld in artikel 4.1.1, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, een akkoord van de vergunningverlenende instantie over een principeaanvraag;
5° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
6° de plannen op schaal 1/100, in tweevoud, met vermelding van een eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;
7° een gedetailleerde nota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;
8° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van [2 het agentschap en het Departement Zorg]2;
9° de bouwkosten van het project;
10° de oppervlakteberekening van het project, eventueel opgedeeld in projectonderdelen;
11° in voorkomend geval, een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;
12° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;
13° het programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en de specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
14° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;
15° het gunningsverslag tot aanwijzing van de opdrachtnemer, alsook een ondertekende overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachtnemer tot realisatie van het project, met inbegrip van de opgave van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin die verschuldigd is, met inbegrip van een bepaling dat de aanvrager verplicht is de gebruikstoelage, vermeld in artikel 73, te gebruiken voor de betaling van de beschikbaarheidsvergoeding. Die termijn bedraagt minstens twintig jaar;
16° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen met toepassing van artikel 4, § 5 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.]1

Art. 52/1. [1 La demande, visée à l'article 48, § 3, comprend les données et documents suivants :
1° le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur, comprenant la décision d'approuver et de soumettre l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet concerné, et de demander l'accord de principe définitif pour le projet concerné ;
2° la référence aux documents, démontrant que les conditions, visées à l'article 42, 1°, 2° ou 3°, sont toujours remplies ;
3° l'aspect technique et financier du plan maßtre et le projet concerné ;
4° s'il s'agit d'un projet avec financement sans accord de principe préalable, tel que visé à l'article 8 du décret du 23 février 1994, les données démontrant que le demandeur dispose des moyens financiers nécessaires qui sont requis en vue du financement entier du projet ;
5° une déclaration sur l'honneur concernant le projet qui fait l'objet d'une demande d'accord de principe, pour l'application de l'article 85.
Les documents visés à l'alinéa premier, 3°, contiennent au moins les éléments suivants :
1° une description de l'infrastructure existante, portant une attention particuliĂšre Ă  l'intĂ©rĂȘt historique et architecturale, l'Ăąge, la fonctionnalitĂ©, l'intensitĂ© de l'usage, la viabilitĂ© et l'efficience Ă©nergĂ©tique ;
2° une description, à l'aide du plan stratégique en matiÚre de soins approuvé par le Ministre, de tous les investissements que le demandeur entend réaliser dans les dix prochaines années, une description du groupe cible, la capacité envisagée par unité, les différentes phases et les délais d'exécution envisagés avec estimation du coût ;
3° une description des travaux d'investissement envisagés ;
4° un plan financier pour les investissements envisagĂ©s, dĂ©taillĂ© pour le projet et, pour les demandeurs non assujettis Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 relatif Ă  la comptabilitĂ© et au rapport financier pour les structures dans certains secteurs du domaine politique Aide sociale, SantĂ© publique et Famille, accompagnĂ© des derniers comptes annuels approuvĂ©s et, le cas Ă©chĂ©ant, du rapport du rĂ©viseur d'entreprise sur les comptes annuels.
Si la demande visée à l'article 48, § 3, concerne des travaux, ladite demande doit comprendre, outre les documents visés aux alinéas premier et deux, les documents suivants :
1° une note conceptuelle relative aux concepts fonctionnels, y compris les spécifications d'output ;
2° une estimation du coût de la construction du projet ;
3° une estimation de la superficie du projet ;
4° si la nature des travaux le requiert, une attestation urbanistique ou, pour les demandes de personnes morales de droit public ou pour les actes d'intĂ©rĂȘt gĂ©nĂ©ral tels que visĂ©s Ă  l'article 4.1.1, 5°, du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009, un accord de l'instance dĂ©livrante sur une demande de principe ;
5° un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent ;
6° les plans à l'échelle 1/100, en deux exemplaires, avec mention de l'éventuelle extension lors de projets futurs ;
7° une note détaillée sur les aspects fonctionnels, physiques et techniques de la construction ;
8° un rapport sur la suite donnée aux réunions de travail préalables et aux recommandations [2 de l'agence et du Département Soins]2 ;
9° le coût de construction du projet ;
10° le calcul de la superficie du projet, éventuellement réparti en parties de projet ;
11° le cas échéant, une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol ;
12° une preuve démontrant que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance tel que visé à l'article 12, § 1er, alinéa trois, du décret du 23 février 1994 ;
13° le programme d'exigences en matiĂšre de confort et d'usage d'Ă©nergie, d'eau et de matĂ©riaux. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation liĂ©s Ă  un projet en matiĂšre de confort et d'usage d'Ă©nergie, d'eau et de matĂ©riaux. Les valeurs limites de confort objectivement Ă©valuables et les exigences techniques spĂ©cifiques sont mentionnĂ©es par type de local. Le Ministre arrĂȘte les exigences minimales et les conditions en matiĂšre de confort et d'usage d'Ă©nergie, d'eau et de matĂ©riaux ;
14° une lettre d'accord, signée par le demandeur, dans laquelle il souscrit au programme d'exigences et désigne le coordinateur responsable de répondre aux exigences de performance objectivement évaluables en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
15° le rapport d'adjudication désignant le preneur d'ordre, ainsi qu'un accord signé entre le demandeur et le preneur d'ordre en vue de l'exécution du projet, y compris la mention de l'indemnité de disponibilité annuelle et la période pendant laquelle cette derniÚre est due, y compris la disposition que le demandeur est obligé d'utiliser la subvention-utilisation, visée à l'article 73, pour le paiement de l'indemnité de disponibilité. Cette période s'élÚve au moins à vingt ans ;
16° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, § 5 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4.]1

Art. 53. De aanvraag, [1 vermeld in artikel 48, § 2 of § 3,]1, kan alleen betrekking hebben op een aankoop, als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval moet de aanvraag de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde bevatten.
Art. 53. La demande, [1 visée à l'article 48, § 2 ou § 3,]1 ne peut avoir trait qu'à un achat, si ce dernier est suivi d'une transformation. Dans ce cas, la demande doit comprendre la promesse de vente ou le compromis à condition suspensive.
Onderafdeling 3. - Procedure voor de overige voorzieningen
Sous-section 3. - Procédure pour les autres structures
Art. 54. § 1. De verzorgingsinstellingen, behalve de algemene ziekenhuizen, en de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap leggen in een eerste fase van de procedure tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een voorlopig principieel akkoord het masterplan en het betreffende project ter goedkeuring voor. [1 ...]1 De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren.
§ 2. Na het verkrijgen van de goedkeuring van het masterplan en na het verkrijgen van het voorlopige principieel akkoord voor het betreffende project, vermeld in paragraaf 1, kunnen de verzorgingsinstellingen, behalve de algemene ziekenhuizen, en de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap in een tweede fase het definitieve principieel akkoord vragen voor het betreffende project. [1 ...]1 De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren.
[1 In afwijking van paragraaf 1 en 2 kunnen de verzorgingsinstellingen, behalve de algemene ziekenhuizen, en de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap zonder de tussenstap van een voorlopig principieel akkoord de procedure starten tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een definitief principieel akkoord voor het betreffende project. De aanvraag wordt ingediend in twee exemplaren.]1
Art. 54. § 1er. En une premiÚre phase de la procédure d'approbation du plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe provisoire, les structures de soins, sauf les hÎpitaux généraux, et les structures pour l'intégration sociale de personnes handicapées présentent le plan maßtre et le projet concerné pour approbation. [1 ...]1. La demande est introduite en deux exemplaires.
§ 2. AprÚs l'obtention de l'approbation du plan maßtre et aprÚs l'obtention de l'accord de principe provisoire pour le projet concerné, visé au paragraphe 1er, les structures de soins, sauf les hÎpitaux généraux, et les structures pour l'intégration sociale de personnes handicapées, peuvent, en une deuxiÚme phase, demander l'accord de principe provisoire pour le projet concerné. [1 ...]1. La demande est introduite en deux exemplaires.
[1 § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, les établissements de soins, sauf les hÎpitaux généraux, et les structures pour l'intégration sociale de personnes handicapées, peuvent, sans l'étape transitoire d'un accord de principe provisoire, commencer la procédure d'approbation d'un plan maßtre et d'obtention d'un accord de principe définitif pour le projet concerné. La demande est introduite en deux exemplaires.]1
Art. 55. De aanvraag, vermeld in artikel 54, § 1, bevat de volgende documenten :
1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen;
2° [1 de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager een rechtspersoon is die geen materiële winst nastreeft;]1
3° het masterplan en het betreffende project;
4° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85.
Art. 55. La demande visée à l'article 54, § 1er, comprend les documents suivants :
1° le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur, comprenant la décision d'approuver et de soumettre le plan maßtre et le projet en question;
2° [1 la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires démontrant que le demandeur est une personne morale n'ayant aucun but lucratif ;]1
3° le plan maßtre et le projet en question;
4° une déclaration sur honneur, sur le projet qui fait l'objet d'une demande d'accord de principe, pour l'application de l'article 85.
Art. 56. De stukken, vermeld in artikel 55, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen :
1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;
2° een beschrijving van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met een omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;
3° een omschrijving van de investeringswerkzaamheden;
4° een financieel plan voor de investeringen, gedetailleerd voor het project, en, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vergezeld van de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, van het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening.
Art. 56. Les documents visés à l'article 55, 3°, contiennent au moins les éléments suivants :
1° une description de l'infrastructure existante, portant une attention particuliĂšre Ă  l'intĂ©rĂȘt historique et architecturale, l'Ăąge, la fonctionnalitĂ©, l'intensitĂ© de l'usage, la viabilitĂ© et l'efficience Ă©nergĂ©tique;
2° une description de tous les investissements que le demandeur entend réaliser dans les dix prochaines années, une description du groupe cible et la capacité envisagée par unité, l'étalement en phases et les délais d'exécution prévus avec estimation des coûts.
3° une description des travaux d'investissement;
4° un plan financier pour les investissements envisagĂ©s, dĂ©taillĂ© pour le projet et, pour les demandeurs non assujettis Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 relatif Ă  la comptabilitĂ© et au rapport financier pour les structures dans certains secteurs du domaine politique Aide sociale, SantĂ© publique et Famille, accompagnĂ© des derniers comptes annuels approuvĂ©s et, le cas Ă©chĂ©ant, du rapport du rĂ©viseur d'entreprise sur les comptes annuels.
Art. 57. Als het een aanvraag betreft tot het verkrijgen van een voorlopig principieel akkoord als vermeld in artikel 54, § 1, die betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag, naast de stukken, vermeld in artikel 55 en 56, de volgende stukken bevatten :
1° een conceptnota over de functionele opvattingen, met inbegrip van de outputspecificaties;
2° een raming van de bouwkosten van het project;
3° een inschatting van de oppervlakte van het project;
4° een raming van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin die verschuldigd is door de aanvrager; [1 Die termijn bedraagt minstens twintig jaar;]1
5° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager in de zin van artikel 3 en 4.
Art. 57. S'il s'agit d'une demande d'obtention d'un accord de principe provisoire telle que visée à l'article 54, § 1er, qui a trait aux travaux, cette demande doit comprendre, outre les documents visés aux articles 55 et 56, les documents suivants :
1° une note conceptuelle relative aux concepts fonctionnels, y compris les spécifications d'exécution;
2° une estimation du coût de la construction du projet;
3° une estimation de la superficie du projet;
4° une estimation de l'indemnité de disponibilité annuelle et la période pendant laquelle cette derniÚre est due par le demandeur; [1 Cette période s'élÚve au moins à vingt ans ;]1
5° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et du demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le propriétaire tel que visé aux articles 3 et 4.
Art. 58. Als het een aanvraag betreft tot het verkijgen van een definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 54, § 2, die betrekking heeft op werkzaamheden, moet die aanvraag de volgende stukken bevatten :
1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het definitieve principieel akkoord voor het betreffende project aan te vragen;
2° de eventuele wijzigingen van het masterplan en het betreffende project, vermeld in artikel 55, 3°;
3° de eventuele wijzigingen van het financieel plan, vermeld in artikel 56, 4°;
4° als dat door de aard van de werkzaamheden vereist is, een stedenbouwkundig attest of, voor de aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen of voor handelingen van algemeen belang als vermeld in artikel 4.1.1, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, een akkoord van de vergunningverlenende instantie over een principeaanvraag;
5° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
6° [1 de plannen op schaal 1/100, in tweevoud, met vermelding van een eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;]1
7° een gedetailleerde nota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;
8° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van [2 het agentschap en het Departement Zorg]2;
9° de bouwkosten van het project;
10° de oppervlakteberekening van het project, eventueel opgedeeld in projectonderdelen;
11° in voorkomend geval, een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;
12° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;
13° het programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
14° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;
15° de verwijzing naar stukken, waaruit blijkt dat nog altijd voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 55, 2°;
16° het gunningsverslag tot aanwijzing van de opdrachtnemer, alsook een ondertekende overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachtnemer tot realisatie van het project, met inbegrip van de opgave van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin die verschuldigd is, met inbegrip van een bepaling dat de aanvrager verplicht is de gebruikstoelage, vermeld in artikel 73, te gebruiken voor de betaling van de beschikbaarheidsvergoeding; [1 De termijn waarin de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding verschuldigd is, bedraagt minstens twintig jaar;]1
17° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en onverminderd de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.
Art. 58. S'il s'agit d'une demande d'obtention d'un accord de principe définitif telle que visé à l'article 54, § 2, qui a trait aux travaux, cette demande doit comprendre les documents suivants :
1° le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur comprenant la décision de demander une subvention-utilisation pour l'année en question;
2° les éventuelles modifications du plan maßtre et du projet concerné, visé à l'article 55, 3°;
3° les éventuelles modifications du plan financier, visé à l'article 56, 4°;
4° s'il tel est nĂ©cessaire suite Ă  la nature des travaux, une attestation urbanistique ou, pour les demandes par des personnes de droit public ou pour les actes d'intĂ©rĂȘt gĂ©nĂ©ral tels que visĂ©s Ă  l'article 4.1.1.5°, du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009, un accord de l'instance octroyant les attestations sur la demande de principe;
5° un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent;
6° [1 les plans à l'échelle 1/100, en deux exemplaires, avec mention de l'éventuelle extension lors de projets futurs ;]1
7° une note détaillée sur les aspects fonctionnels, physiques et techniques de la construction;
8° un rapport sur les suites donnés aux réunions de travail précédentes et aux recommandations [2 de l'agence et du Département Soins]2;
9° le coût de construction du projet;
10° le calcul de la superficie du projet, éventuellement réparti en parties de projet;
11° le cas échéant, une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol;
12° une preuve dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance tel que visé à l'article 12, § 1er, alinéa trois, du décret du 23 février 1994;
13° le programme d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Les valeurs limites de confort objectivement évaluables et les exigences techniques spécifiques sont mentionnées par type de local. Le Ministre fixe les exigences minimales et les conditions en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux;
14° une lettre d'accord, signée par le demandeur, dans laquelle il souscrit au programme d'exigences et désigne le coordinateur responsable de répondre aux exigences de performance objectivement évaluables en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux;
15° la référence aux documents démontrant que les conditions énoncées à l'article 55, 2°,sont toujours remplies;
16° le rapport d'adjudication désignant le preneur d'ordre, ainsi qu'un accord signé entre le demandeur et le preneur d'ordre en vue de l'exécution du projet, y compris la mention de l'indemnité de disponibilité annuelle et la période laquelle cette derniÚre est due, y compris la disposition que le demandeur est obligé d'utiliser la subvention-utilisation, mentionnée dans l'article 73, pour le paiement de l'indemnité de disponibilité; [1 La période pendant laquelle l'indemnité de disponibilité annuelle est due, s'élÚve au moins à vingt ans ;]1
17° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, si celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et du demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le propriétaire tel que visé aux articles 3 et 4.
Art. 58/1. [1 De aanvraag, vermeld in artikel 54, § 3, bevat de volgende documenten :
1° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het masterplan en het betreffende project goed te keuren en in te dienen, en om het definitieve principieel akkoord voor het betreffende project aan te vragen;
2° de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager een rechtspersoon is die geen materiële winst nastreeft;
3° het masterplan en het betreffende project;
4° een verklaring op erewoord over het project waarvoor een principieel akkoord wordt gevraagd, voor de toepassing van artikel 85.
De stukken, vermeld in het eerste lid, 3°, bevatten minstens de volgende onderdelen :
1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur, met bijzondere aandacht voor het historische en architectonische belang, de leeftijd, functionaliteit, gebruiksintensiteit, leefbaarheid en energie-efficiëntie;
2° een beschrijving van alle investeringen die de aanvrager in de komende tien jaar wil doen, met een omschrijving van de doelgroep, de geplande capaciteit per onderdeel, de fasering en de geplande uitvoeringstermijnen met kostenraming;
3° een omschrijving van de investeringswerkzaamheden;
4° een financieel plan voor de investeringen, gedetailleerd voor het project, en, voor de aanvragers die niet onderworpen zijn aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, met de laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening erbij gevoegd.
Als de aanvraag, vermeld in artikel 54, § 3, betrekking heeft op werkzaamheden, moet de aanvraag naast de stukken, vermeld in het eerste en het tweede lid, de volgende stukken bevatten :
1° een conceptnota over de functionele opvattingen, met inbegrip van de outputspecificaties;
2° een raming van de bouwkosten van het project;
3° een inschatting van de oppervlakte van het project;
4° als dat door de aard van de werkzaamheden vereist is, een stedenbouwkundig attest of, voor de aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen of voor handelingen van algemeen belang als vermeld in artikel 4.1.1, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, een akkoord van de vergunningverlenende instantie over een principeaanvraag;
5° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
6° de plannen op schaal 1/100, in tweevoud, met vermelding van een eventuele uitbreiding in toekomstige projecten;
7° een gedetailleerde nota over de functionele, bouwfysische en bouwtechnische opvattingen;
8° een verslag over het gevolg dat is gegeven aan de voorafgaande werkvergaderingen en aan de aanbevelingen van [2 het agentschap en het Departement Zorg]2;
9° de bouwkosten van het project;
10° de oppervlakteberekening van het project, eventueel opgedeeld in projectonderdelen;
11° in voorkomend geval, een bodemattest overeenkomstig de regelgeving betreffende de bodemsanering;
12° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet van 23 februari 1994;
13° het programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
14° een akkoordbrief, ondertekend door de aanvrager, waarin hij het programma van eisen onderschrijft en de coördinator aanwijst die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;
15° het gunningsverslag tot aanwijzing van de opdrachtnemer, alsook een ondertekende overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachtnemer tot realisatie van het project, met inbegrip van de opgave van de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding en de termijn waarin die verschuldigd is, met inbegrip van een bepaling dat de aanvrager verplicht is de gebruikstoelage, vermeld in artikel 73, te gebruiken voor de betaling van de beschikbaarheidsvergoeding. Die termijn bedraagt minstens twintig jaar;
16° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen met toepassing van artikel 4, § 5 en § 6 :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.]1

Art. 58/1. [1 Art. 58/1. La demande visée à l'article 54, § 3, comprend les documents suivants :
1° le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur, comprenant la décision d'approuver et de soumettre le plan maßtre et le projet concerné, et de demander l'accord de principe définitif pour le projet concerné ;
2° la mention du numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des Entreprises ou les actes, statuts ou documents nécessaires démontrant que le demandeur est une personne morale n'ayant aucun but lucratif ;
3° le plan maßtre et le projet concerné ;
4° une déclaration sur l'honneur concernant le projet qui fait l'objet d'une demande d'accord de principe, pour l'application de l'article 85.
Les documents visés à l'alinéa premier, 3°, contiennent au moins les éléments suivants :
1° une description de l'infrastructure existante, portant une attention particuliĂšre Ă  l'intĂ©rĂȘt historique et architecturale, l'Ăąge, la fonctionnalitĂ©, l'intensitĂ© de l'usage, la viabilitĂ© et l'efficience Ă©nergĂ©tique ;
2° une description de tous les investissements que le demandeur entend réaliser dans les dix prochaines années, une description du groupe cible, la capacité envisagée par unité, les différentes phases et les délais d'exécution envisagés avec estimation du coût ;
3° une description des travaux d'investissement ;
4° un plan financier pour les investissements, dĂ©taillĂ© pour le projet et, pour les demandeurs non assujettis Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 relatif Ă  la comptabilitĂ© et au rapport financier pour les structures dans certains secteurs du domaine politique Aide sociale, SantĂ© publique et Famille, accompagnĂ© des derniers comptes annuels approuvĂ©s et, le cas Ă©chĂ©ant, du rapport du rĂ©viseur d'entreprise sur les comptes annuels.
Si la demande visée à l'article 54, § 3, concerne les travaux, ladite demande doit comprendre, outre les documents visés aux alinéas premier et deux, les documents suivants :
1° une note conceptuelle relative aux concepts fonctionnels, y compris les spécifications d'output ;
2° une estimation du coût de la construction du projet ;
3° une estimation de la superficie du projet ;
4° si la nature des travaux le requiert, une attestation urbanistique ou, pour les demandes de personnes morales de droit public ou pour les actes d'intĂ©rĂȘt gĂ©nĂ©ral tels que visĂ©s Ă  l'article 4.1.1, 5°, du Code flamand de l'AmĂ©nagement du Territoire du 15 mai 2009, un accord de l'instance dĂ©livrante sur une demande de principe ;
5° un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent ;
6° les plans à l'échelle 1/100, en deux exemplaires, avec mention de l'éventuelle extension lors de projets futurs ;
7° une note détaillée sur les aspects fonctionnels, physiques et techniques de la construction ;
8° un rapport sur la suite donnée aux réunions de travail préalables et aux recommandations [2 de l'agence et du Département Soins]2 ;
9° le coût de construction du projet ;
10° le calcul de la superficie du projet, éventuellement réparti en parties de projet ;
11° le cas échéant, une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol ;
12° une preuve démontrant que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance tel que visé à l'article 12, § 1er, alinéa trois, du décret du 23 février 1994 ;
13° le programme d'exigences en matiĂšre de confort et d'usage d'Ă©nergie, d'eau et de matĂ©riaux. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation liĂ©s Ă  un projet en matiĂšre de confort et d'usage d'Ă©nergie, d'eau et de matĂ©riaux. Les valeurs limites de confort objectivement Ă©valuables et les exigences techniques spĂ©cifiques sont mentionnĂ©es par type de local. Le Ministre arrĂȘte les exigences minimales et les conditions en matiĂšre de confort et d'usage d'Ă©nergie, d'eau et de matĂ©riaux ;
14° une lettre d'accord, signée par le demandeur, dans laquelle il souscrit au programme d'exigences et désigne le coordinateur responsable de répondre aux exigences de performance objectivement évaluables en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
15° le rapport d'adjudication désignant le preneur d'ordre, ainsi qu'un accord signé entre le demandeur et le preneur d'ordre en vue de l'exécution du projet, y compris la mention de l'indemnité de disponibilité annuelle et la période pendant laquelle cette derniÚre est due, y compris la disposition que le demandeur est obligé d'utiliser la subvention-utilisation, visée à l'article 73, pour le paiement de l'indemnité de disponibilité. Cette période s'élÚve au moins à vingt ans ;
16° en vue du contrÎle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4, si le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires conformément à l'article 4, § 5 et § 6 :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4.]1

Art. 59. De aanvraag, [1 vermeld in artikel 54, § 2 of § 3,]1 kan alleen betrekking hebben op een aankoop, als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval moet de aanvraag de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde bevatten.
Art. 59. La demande, [1 visée à l'article 54, § 2 ou § 3,]1 ne peut avoir trait qu'à un achat, si ce dernier est suivi d'une transformation. Dans ce cas, la demande doit comprendre la promesse de vente ou le compromis à condition suspensive.
Onderafdeling 4. - Onderzoek en advies
Sous-section 4. - Examen et avis
Art. 60. § 1. Het Fonds onderzoekt of de aanvragen, vermeld in artikel 48 of in artikel 54, voldoen aan de toepasselijke bepalingen van artikel 48 tot en met 53, of artikel 54 tot en met 59.
Het Fonds stuurt binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag, een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Het Fonds vraagt binnen veertien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag advies aan :
1° voor de sector van de verzorgingsinstellingen en de sector van de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg : het [1 Departement Zorg]1over de inhoudelijke aspecten, onder meer over :
a) de erkenningsnormen;
b) de kwaliteitsvereisten;
c) de programmatie;
d) de aanvrager;
e) de prioriteiten tussen de aanvragen van de verschillende aanvragers;
f) wat de algemene ziekenhuizen en de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg betreft : over de conformiteit met het goedgekeurde zorgstrategische plan;
2° voor de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap over de inhoudelijke aspecten, onder meer over :
a) de erkenningsnormen;
b) de kwaliteitsvereisten;
c) de programmatie;
d) de aanvrager;
e) de prioriteiten tussen de aanvragen van de verschillende aanvragers;
3° een of meer ambtenaren die ter beschikking staan van het Fonds :
a) over de financiële aspecten, onder meer over de begrotingsweerslag op het activiteitenprogramma bij de exploitatie van het project, waarbij ook gevraagd wordt een raming op te maken van de eventuele financiële weerslag van het project op de opeenvolgende begrotingsjaren;
b) over het beantwoorden aan de bouwtechnische en bouwfysische normen, over de technische aspecten en over de kostprijsraming en, bij een aanvraag voor de aankoop van gebouwen, over de venale waarde van de gebouwen;
c) over de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4;
d) over de naleving van de principes van de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten door de aanvrager bij het aanwijzen van de opdrachtnemer, vermeld in artikel 1, 14°.
§ 3. [1 Het Departement Zorg, het agentschap]1 en de ambtenaren, vermeld in paragraaf 2, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Ze bezorgen hun advies aan het Fonds binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van de adviesvraag.
Art. 60. § 1er. Le Fonds examine si les demandes, visées respectivement à l'article 48 ou 54, répondent aux dispositions applicables des articles 48 à 53 inclus, ou des articles 54 à 59 inclus.
Dans les quatorze jours calendaires de la réception de la demande, le Fonds envoie un accusé de réception au demandeur, indiquant si la demande est recevable ou non, et le cas échéant indiquant la date de la réception de la demande recevable. La recevabilité implique que la demande remplit les exigences formelles mentionnées à l'alinéa premier.
§ 2. Dans les quatorze jours calendaires de la date de la réception de la demande recevable, le Fonds prend l'avis :
1° pour le secteur des établissements de soins et le secteur des structures pour personnes ùgées et des structures des soins à domicile : [1 du Département Soins, l'agence ]1 sur les aspects de fond, entre autres sur :
a) les normes d'agrément;
b) les exigences de qualité;
c) la programmation;
d) le demandeur;
e) les priorités en ce qui concerne les demandes des différents demandeurs;
f) en ce qui concerne les hÎpitaux généraux et les structures pour personnes ùgées et les structures des oins à domicile : de la conformité au plan stratégique en matiÚre de soins approuvé;
2° pour le secteur des structures pour l'intégration sociale des personnes handicapées : de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique 'Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap' en ce qui concerne les aspects de fond, portant notamment sur :
a) les normes d'agrément;
b) les exigences de qualité;
c) la programmation;
d) le demandeur;
e) les priorités en ce qui concerne les demandes des différents demandeurs;
3° d'un ou plusieurs fonctionnaires mis à la disposition du Fonds :
a) en ce qui concerne les aspects financiers, notamment l'incidence budgétaire sur le programme d'activité lors de l'exploitation du projet, demandant également d'établir une estimation de l'éventuelle incidence budgétaire du projet sur les exercices budgétaires consécutifs;
b) en ce qui concerne la conformité aux normes techniques et physique de la construction, les aspects techniques et l'estimation du coût et, s'il s'agit d'une demande d'acquisition d'immeubles, en ce qui concerne la valeur vénale des immeubles;
c) en ce qui concerne le lien de parenté, visé aux articles 3 et 4;
d) en ce qui concerne le respect des principes de la législation relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et des services par le demandeur lors de la désignation du preneur exécutant, visé à l'article 1er, 14°.
§ 3. [1 Le Département Soins, l'agence ]1 et les fonctionnaires, visés au § 2, peuvent demander des informations supplémentaires au demandeur. Ils remettent leur avis au Fonds dans les soixante jours calendaires de la réception de la demande d'avis.
Art. 61.
Art. 61.
Onderafdeling 5. - Beslissing over het masterplan en over het voorlopige en definitieve principieel akkoord
Sous-section 5. - Décision sur le plan maßtre et sur l'accord de principe provisoire et définitif
Art. 62. § 1. Bij gunstig advies [2 ...]2 legt het Fonds, binnen dertig kalenderdagen na het advies, een ontwerp van brief ter ondertekening voor aan de minister, waarbij het masterplan wordt goedgekeurd en het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord voor het project in kwestie wordt verleend.
De minister beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord.
§ 2. Bij ongunstig advies [2 ...]2 legt het Fonds, binnen dertig kalenderdagen na het advies, een ontwerp van brief voor aan de minister, waarin omstandig de redenen zijn opgenomen waarom het masterplan niet kan worden goedgekeurd of waarom geen voorlopig, respectievelijk definitief principieel akkoord voor het project in kwestie kan worden gegeven.
De minister beslist over de goedkeuring van het masterplan en over het verlenen van het voorlopige, respectievelijk definitieve principieel akkoord.
§ 3. [2 ...]2.
§ 4. De aanvrager wordt [1 ...]1 op de hoogte gebracht van de beslissing van de minister.
§ 5. De goedkeuring van het masterplan is geen verbintenis om een principieel akkoord te geven voor alle projecten die in het masterplan zijn opgenomen.
§ 6. Een voorlopig principieel akkoord als vermeld in artikel 48, § 1, en artikel 54, § 1, houdt de goedkeuring in van het masterplan en van het betreffende project. [1 ...]1
§ 7. Een definitief principieel akkoord, [1 vermeld in artikel 48, § 2 en § 3, en artikel 54, § 2 en § 3,]1, houdt in dat het project van de aanvrager in principe in aanmerking komt voor een gebruikstoelage. Het vermeldt onder meer het masterplan en het project waarop het betrekking heeft, de eventuele opmerkingen en de datum vanaf wanneer het geldig is.
§ 8. Als voor het project waarvoor de aanvraag wordt ingediend, al werkzaamheden zijn aangevat, een bestelling is geplaatst of een aankoop werd gedaan, zonder dat de aanvrager beschikt over een definitief principieel akkoord voor het project, komt hij niet meer in aanmerking voor een gebruikstoelage voor het betreffende project.
§ 9. Het definitieve principieel akkoord moet gevraagd worden uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar waarin het voorlopige principieel akkoord werd verkregen, zo niet vervalt het voorlopige principieel akkoord.
§ 10. De werken met betrekking tot het project moeten aangevangen zijn of de bestelling moet geplaatst zijn binnen twee jaar na de datum van het definitieve principieel akkoord, zoniet vervalt het definitieve principieel akkoord.
§ 11. Als de gebruikstoelage betrekking heeft op verschillende projectonderdelen, kan de minister op voorhand en per project het percentage van de gebruikstoelage bepalen dat per projectonderdeel wordt vrijgegeven.
Art. 62. § 1er. En cas d'avis favorable [2 ...]2 le Fonds soumet à la signature du Ministre, dans les trente jours calendaires de l'avis, un projet de lettre contenant l'approbation du plan maßtre et l'octroi de l'accord de principe provisoire, respectivement définitif, pour le projet en question.
Le Ministre décide de l'approbation du plan maßtre et de l'octroi de l'accord de principe provisoire, respectivement définitif.
§ 2. En cas d'avis dĂ©favorable de la commission de coordination, visĂ©e Ă  l'article 61, le Fonds soumet Ă  la signature du Ministre, dans les trente jours calendaires de l'avis, un projet de lettre expliquant de maniĂšre circonstanciĂ©e les raisons pour lesquelles le plan maĂźtre ne peut pas ĂȘtre approuvĂ© ou l'accord de principe provisoire, respectivement dĂ©finitif, pour le projet en question ne peut pas ĂȘtre octroyĂ©.
Le Ministre décide de l'approbation du plan maßtre et de l'octroi de l'accord de principe provisoire, respectivement définitif.
§ 3. [2 ...]2.
§ 4. Le demandeur est notifié [1 ...]1 de la décision motivée du Ministre.
§ 5. L'approbation du plan maßtre n'est pas un engagement de l'octroi d'un accord de principe pour tous les projets repris dans le plan maßtre.
§ 6. Un accord de principe provisoire tel que mentionné dans les articles 48, § 1er, et 54, § 1er, implique l'approbation du plan maßtre et du projet concerné. [1 ...]1
§ 7. Un accord de principe définitif, [1 visé aux articles 48, §§ 2 et 3, et 54, §§ 2 et 3,]1 implique que le projet du demandeur est en principe éligible à une subvention-utilisation. Il mentionne entre autres le plan maßtre et le projet auquel il a trait, les remarques éventuelles et la date à partir de laquelle l'accord est valable.
§ 8. Si des travaux ont déjà été commencés, une commande a été passé ou un achat a été fait pour le projet pour lequel la demande a été introduite, sans que le demandeur dispose d'un accord de principe définitif pour le projet, il n'est plus éligible à une subvention-utilisation pour le projet concerné.
§ 9. L'accord de principe dĂ©finitif doit ĂȘtre demandĂ© au plus tard au 31 dĂ©cembre de la deuxiĂšme annĂ©e suivant l'annĂ©e pendant laquelle 'accord de principe provisoire a Ă©tĂ© obtenu, sinon l'accord de principe provisoire Ă©choit.
§ 10. Les travaux relatifs au projet doivent avoir été entamés ou la commande doit avoir été passé dans les deux ans de la date de l'accord de principe définitif, sinon l'accord de principe définitif échoit.
§ 11. Si la subvention-utilisation a trait à différents éléments du projet, le Ministre peut déterminer préalablement et par projet le pourcentage de la subvention-utilisation qui est libéré par élément du projet.
Afdeling 4. - Aanvraag van de gebruikstoelage, de beslissing en de betaling
Section 4. - Demande de la subvention-utilisation, décision et paiement
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 63. Na de ontvangst van het definitieve principieel akkoord kan de aanvrager [2 een aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage]2 bij het Fonds indienen. [2 Die aanvraag]2 kan op zijn vroegst ingediend worden in het jaar waarin de aanvrager de betreffende infrastructuur, of een onderdeel ervan bij gefaseerde ingebruikname, in gebruik heeft genomen.
[2 Als de aanvrager al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer bezorgd te worden aan het Fonds.]2 [1 De aanvrager bezorgt stukken bij voorkeur op elektronische wijze aan het Fonds. Plannen worden bij voorkeur bezorgd op papier.]1
[2 De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage aan te vragen en vermeldt de datum van ingebruikname van de betreffende infrastructuur, of van een onderdeel ervan bij gefaseerde ingebruikname.
Na de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage hoeft er in de volgende jaren geen nieuwe aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage te worden ingediend door de aanvrager. In de volgende jaren wordt de procedure door het Fonds automatisch opgestart.]2

Art. 63. AprĂšs rĂ©ception de l'accord de principe dĂ©finitif, le demandeur peut introduire [2 une demande d'octroi d'une premiĂšre subvention-utilisation auprĂšs du Fonds]2. [2 Cette demande]2 peut au plus tĂŽt ĂȘtre introduite pendant l'annĂ©e pendant laquelle le demandeur a mis en service l'infrastructure concernĂ©e, ou une partie de cette derniĂšre en cas de mise en service en phases.
[2 Si le demandeur a dĂ©jĂ  transmis certains documents au Fonds, les mĂȘmes documents ne doivent plus ĂȘtre transmis au Fonds.]2 [1 Le demandeur transmet les documents de prĂ©fĂ©rence par voie Ă©lectronique au Fonds. Les plans sont transmis de prĂ©fĂ©rence sur papier.]1
[2 La demande visée à l'alinéa 1er, contient le procÚs-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur avec la décision de demander une subvention-utilisation et mentionne la date de mise en service de l'infrastructure concernée, ou d'une partie de celle-ci en cas de mise en service échelonnée.
AprÚs la demande d'octroi d'une premiÚre subvention-utilisation, le demandeur ne doit plus introduire une nouvelle demande d'octroi d'une subvention-utilisation dans les années suivantes. Dans les années suivantes, la procédure est automatiquement mise en marche.]2

Onderafdeling 2. - [1 Procedure]1 en onderzoek
Sous-section 2. - [1 Procédure]1 et examen
Art. 64. [1 Tijdens de werkzaamheden en tot een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° de stedenbouwkundige vergunning;
3° een overzicht van de uitgevoerde en geplande werkzaamheden;
4° een overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
5° een geactualiseerd programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
6° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid;
7° een geactualiseerde raming, per kostensoort en per zorgvorm;
8° de bestekken;
9° het gunningsdossier, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
10° het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
Vanaf een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° de eindafrekening, die bestaat uit:
a) de eindstaat van het project, per perceel en per onderdeel. De onderdelen zijn ruwbouw, technische uitrusting, afwerking en losse uitrusting en meubilering;
b) de finale bouwkosten van het project per soort van werkzaamheden en per zorgvorm;
c) de door de aannemer bezorgde facturen of vorderingsstaten;
3° een definitief overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een definitief programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) een akkoordbrief van de aanvrager, waarbij hij stelt dat aan het programma van eisen is voldaan, conform de minimumeisen van de minister, en waarbij hij stelt dat afdoende rekening is gehouden met de vereisten en adviezen;
c) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een evaluatie van het project, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
7° verbruiksgegevens van energie en water;
8° het gunningsdossier, per aanbesteding, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering;
10° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
11° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.]1

Art. 64. [1 Pendant les travaux et jusqu'à un an aprÚs la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la maniÚre dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° l'autorisation urbanistique ;
3° un aperçu des travaux exécutés et envisagés ;
4° un aperçu des attributions, établi au vu d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
5° un programme actualisé d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
6° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
b) des études ou avis à l'appui des critÚres indiqués de durabilité ;
7° une estimation actualisée, par genre de coût et par forme de soins ;
8° les cahiers des charges ;
9° le dossier d'attribution comportant :
a) le procĂšs-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrĂŽle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
10° le procÚs-verbal de la réception provisoire ;
11° en vue du contrĂŽle sur la parentĂ©, visĂ©e aux articles 3 et 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, lorsque le demandeur n'est pas le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur du droit rĂ©el sur le terrain sur lequel le projet est envisagĂ©, et sans prĂ©judice de la possibilitĂ© du Fonds de demander des donnĂ©es complĂ©mentaires, conformĂ©ment Ă  l'article 4, §§ 5 et 6, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
d) une dĂ©claration dont l'original est signĂ© par l'entier conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parentĂ© illĂ©gitime entre le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain et le demandeur, tel que visĂ© aux articles 3 et 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
A partir d'un an aprÚs la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la maniÚre dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un décompte final, comportant :
a) l'état final du projet, par parcelle et par partie. Les parties sont le gros oeuvre, l'équipement technique, la finition et l'équipement et le mobilier amovibles ;
b) le coût final de construction du projet par type de travaux et par forme de soins ;
c) les factures ou états d'avancement transmis par l'entrepreneur ;
3° un aperçu définitif des attributions, établi au vu d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme définitif d'exigences en matiÚre de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
b) une lettre d'accord du demandeur par laquelle il confirme que le programme d'exigences a été rempli, conformément aux exigences minimales du Ministre, et qu'il a suffisamment été tenu compte des exigences et avis ;
c) des études ou avis à l'appui des critÚres indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matiÚre de performance énergétique (EPB) ;
6° une évaluation du projet, établie au vu d'un modÚle mis à disposition par le Fonds ;
7° des données de consommation d'énergie et d'eau ;
8° le dossier d'attribution par adjudication, comprenant :
a) le procĂšs-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrĂŽle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procÚs-verbal de la réception provisoire ou définitive ;
10° en vue du contrĂŽle sur la parentĂ©, visĂ©e aux articles 3 et 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, lorsque le demandeur n'est pas le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur du droit rĂ©el sur le terrain sur lequel le projet est envisagĂ©, et sans prĂ©judice de la possibilitĂ© du Fonds de demander des donnĂ©es complĂ©mentaires, conformĂ©ment Ă  l'article 4, §§ 5 et 6, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
a) le dernier compte annuel approuvĂ© du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvĂ© des administrateurs dotĂ©s de la personnalitĂ© juridique dans le conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas ĂȘtre dĂ©posĂ© Ă  la Banque nationale de Belgique ;
d) une dĂ©claration dont l'original est signĂ© par l'entier conseil d'administration du propriĂ©taire du terrain ou du dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parentĂ© illĂ©gitime entre le propriĂ©taire du terrain ou le dĂ©tenteur des droits rĂ©els sur le terrain et le demandeur, tel que visĂ© aux articles 3 et 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
11° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.]1

Art. 65. [1 Het Fonds doet voor het onderzoek van het dossier een beroep op de personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds.
De personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Hun advies wordt opgemaakt op basis van een onderzoek ter plaatse of op basis van stukken.]1

Art. 65. [1 Pour l'examen du dossier, le Fonds fait appel aux membres du personnel qui sont mis Ă  la disposition du Fonds.
Les membres du personnel qui sont à la disposition du Fonds peuvent demander des renseignements complémentaires au demandeur. Leur avis est établi sur la base d'un examen sur place ou au vu de documents.]1

Art. 66. [1 Bij de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage en bij de dossiers waarvoor er in het verleden nog geen gebruikstoelagen zijn verstrekt, beslist de minister over het al dan niet verstrekken van een gebruikstoelage. Met het oog daarop legt het Fonds een ontwerp van beslissing voor aan de minister. In de andere gevallen beslist het personeelslid dat belast is met de algemene leiding van het Fonds, over de toekenning van een gebruikstoelage.]1
Art. 66. [1 Lors de la demande d'octroi d'une premiÚre subvention-utilisation et pour les dossiers qui n'ont pas encore fait l'objet d'un octroi de subventions-utilisation, le Ministre décide de l'octroi ou non d'une subvention-utilisation. A cet effet, le Fonds soumet au Ministre un projet de décision. Dans les autres cas, le membre du personnel chargé de la direction générale du Fonds décide de l'octroi d'une subvention-utilisation.]1
Onderafdeling 3. - Beslissing over de gebruikstoelage
Sous-section 3. - Décision sur la subvention-utilisation
Art. 67. De aanvrager wordt [1 ...]1 op de hoogte gebracht van de beslissing over het verstrekken van een gebruikstoelage.
Na de ondertekening van de beslissing tot het verstrekken van een gebruikstoelage legt het Fonds, op naam van de aanvrager, de gebruikstoelage vast en betaalt ze [2 jaarlijks, uiterlijk op 31 december]2 uit.
Art. 67. Le demandeur est notifié [1 ...]1 de la décision relative à l'octroi d'une subvention-utilisation.
AprÚs la signature de la décision d'octroi d'une subvention-utilisation, le Fonds engage la subvention-utilisation au nom du demandeur et exécute le paiement [2 annuellement au plus tard le 31 décembre]2.
HOOFDSTUK 7. - Projecten met[1 financiering]1 zonder voorafgaand principieel akkoord
CHAPITRE 7. - Projets avec [1 financement]1 sans accord de principe préalable
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Section 1re. - Champ d'application
Art. 68. Dit hoofdstuk is van toepassing op projecten met [1 financiering]1 zonder voorafgaand principieel akkoord als vermeld in artikel 8 van het decreet van 23 februari 1994.
Art. 68. Le présent chapitre s'applique aux projets avec [1 financement]1 sans accord de principe préalable tels que visés à l'article 8 du décret du 23 février 1994.
Afdeling 2. - Projecten waarvoor de gebruikstoelage dient als rechtstreekse bijdrage in de kostprijs
Section 2. - Projets pour lesquels la subvention-utilisation sert de contribution directe au coût
Art. 69. § 1. Een project met[1 financiering]1 zonder voorafgaand principieel akkoord als vermeld in artikel 8 van het decreet van 23 februari 1994, dat tevens een project uitmaakt waarvoor de gebruikstoelage, vermeld in artikel 1, 8°, dient als rechtstreekse bijdrage in de kostprijs, [1 ...]1 waarbij de gebruikstoelagen door de aanvrager worden aangewend om rechtstreeks bij te dragen in de kostprijs van het project, vallen onder de toepassing van hoofdstuk 5.
In afwijking van artikel 32, § 7, kan het bevel tot aanvang van de werken al worden gegeven, kan de bestelling al geplaatst worden of kan de aankoop al worden gedaan nadat [2 het Fonds]2 een gunstig advies heeft verleend met het oog op het verkrijgen van [1 het definitieve principieel akkoord]1, onverminderd de beslissingsbevoegdheid van de minister.
§ 2. In afwijking van artikel 31 wordt de aanvrager [1 ...]1 op de hoogte gebracht van het advies van [2 het Fonds]2.
Art. 69. § 1er. Un projet avec [1 financement]1 sans accord de principe préalable tel que visé à l'article 8 du décret du 23 février 1994, [1 ...]1 pour lequel les subventions-utilisation sont utilisées par le demandeur comme contribution directe au coût du projet, relÚve de l'application du chapitre 5.
En dĂ©rogation Ă  l'article 32, § 7, l'ordre de commencement des travaux peut dĂ©jĂ  ĂȘtre donnĂ©, la commande peut dĂ©jĂ  ĂȘtre passĂ©e ou l'achat peut ĂȘtre fait aprĂšs que [2 le Fonds]2 a rendu un avis favorable en vue de l'obtention [1 de l'accord de principe dĂ©finitif]1, sans prĂ©judice de la compĂ©tence de dĂ©cision du Ministre.
§ 2. En dérogation à l'article 31, le demandeur est notifié [1 ...]1 de l'avis [2 du Fonds]2.
Art. 70. [1 Als voor het definitieve principieel akkoord het bevel tot aanvang van de werken is gegeven, de bestelling is geplaatst of de authentieke akte is verleden in geval van aankoop zonder verbouwing bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum, kan de aanvrager, in afwijking van artikel 34, eerste lid, [2 de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage]2 op zijn vroegst indienen in het jaar dat volgt op het jaar waarin de aanvrager het definitieve principieel akkoord heeft verkregen.]1
Art. 70. [1 Si, avant l'accord de principe définitif, l'ordre de démarrage des travaux est donné, la commande est passée, ou l'acte authentique est passé en cas d'achat sans transformation auprÚs d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour, le demandeur peut, par dérogation à l'article 34, alinéa premier, introduire [2 la demande d'octroi d'une premiÚre subvention-utilisation]2 au plus tÎt au cours de l'année qui suit l'année pendant laquelle le demandeur a obtenu l'accord de principe définitif.]1
Afdeling 3. - Projecten waarvoor de gebruikstoelage dient als onrechtstreekse bijdrage in de kostprijs
Section 3. - Projets pour lesquels la subvention-utilisation sert de contribution indirecte au coût
Art. 71. § 1. Een project met [1 financiering]1 zonder voorafgaand principieel akkoord als vermeld in artikel 8 van het decreet van 23 februari 1994, dat tevens een project uitmaakt waarvoor de gebruikstoelage, vermeld in artikel 1, 8°, dient als onrechtstreekse bijdrage in de kostprijs, waarbij de aanvrager niet optreedt als bouwheer en waarbij de gebruikstoelagen door de aanvrager worden aangewend als bijdrage in een beschikbaarheidsvergoeding als vermeld in artikel 1, 3°, vallen onder de toepassing van hoofdstuk 6.
In afwijking van artikel 62, § 8, kan het bevel tot aanvang van de werken al worden gegeven of kan de bestelling al geplaatst worden nadat [2 het Fonds]2 een gunstig advies heeft verleend met het oog op het verkrijgen van het definitief principieel akkoord, onverminderd de beslissingsbevoegdheid van de minister.
§ 2. [2 De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van het advies van het Fonds]2.
Art. 71. § 1er. Un projet avec [1 financement]1 sans accord de principe préalable tel que visé à l'article 8 du décret du 23 février 1994, qui constitue également un projet pour lequel la subvention-utilisation, visée à l'article 1er, 8°, sert de contribution indirecte au coût, pour lequel le demandeur n'agit pas en tant que maßtre d'ouvrage et pour lequel les subventions-utilisation sont utilisées par le demandeur comme contribution à l'indemnité de disponibilité, telle que visée à l'article 1er, 3°, relÚve de l'application du chapitre 6.
En dĂ©rogation Ă  l'article 62, § 8, l'ordre de commencement des travaux peut dĂ©jĂ  ĂȘtre donnĂ© ou la commande peut dĂ©jĂ  ĂȘtre passĂ©e aprĂšs que [2 le Fonds]2 a rendu un avis favorable en vue de l'obtention de l'accord de principe dĂ©finitif, sans prĂ©judice de la compĂ©tence de dĂ©cision du Ministre.
§ 2. [2 Le demandeur est informé de l'avis du Fonds]2.
Art. 72. De aanvrager kan [1 de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage]1 op zijn vroegst indienen in het jaar waarin de aanvrager de betreffende infrastructuur, of een onderdeel ervan bij gefaseerde ingebruikname, in gebruik heeft genomen en nadat hij het definitief principieel akkoord heeft bekomen.
Art. 72. Le demandeur peut introduire [1 la demande d'octroi d'une premiÚre subvention-utilisation]1 au plus tÎt pendant l'année pendant laquelle le demandeur a mis en service l'infrastructure concernée, ou une partie de cette derniÚre en cas de mise en service en phases et aprÚs qu'il a obtenu l'accord de principe définitif.
HOOFDSTUK 8. - Bedrag van de gebruikstoelage
CHAPITRE 8. - Montant de la subvention-utilisation
Art. 73. [1 Het bedrag van de gebruikstoelage wordt vastgesteld, naargelang het geval, conform artikel 12 of 40.]1
Art. 73. [1 Le montant de la subvention-utilisation est fixé conformément à l'article 12 ou 40, suivant le cas.]1
Art. 74.
Art. 74.
Art. 75.
Art. 75.
Art. 76.
Art. 76.
Art. 77.
Art. 77.
Art. 78.
Art. 78.
Art. 79.
Art. 79.
Art. 80.
Art. 80.
Art. 81.
Art. 81.
Art. 82.
Art. 82.
Art. 83.
Art. 83.
Art. 84. Als de aanvrager bij een bepaalde opdracht in het kader van het project waarvoor de gebruikstoelage wordt gevraagd, de principes van de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten niet heeft gerespecteerd, zal de gebruikstoelage, vermeld in artikel 73, worden verminderd naar rata van het aandeel van de betreffende opdracht in het geheel van het project.
Art. 84. Si le demandeur n'a pas respecté, pour une mission déterminée dans le cadre du projet faisant l'objet de la demande d'une subvention-utilisation, les principes de la législation relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services, la subvention-utilisation, visée à l'article 73, sera diminuée au prorata de la mission en question dans l'ensemble du projet.
HOOFDSTUK 9. - Bijzondere bepaling
CHAPITRE 9. - Disposition particuliĂšre
Art. 85. [1 Tenzij het anders bepaald is, kan er in een periode van twintig jaar na de ingebruikname van een investering die gesubsidieerd is door het Fonds of door zijn rechtsvoorgangers, geen definitief principieel akkoord worden verkregen voor hetzelfde project of voor een deel van hetzelfde project, ongeacht de sector van de persoonsgebonden aangelegenheden waarin de subsidie is verkregen. Alleen als een verbouwing noodzakelijk wordt wegens gewijzigde regelgeving of wegens gewijzigde en opgelegde veiligheidsvoorschriften, kan binnen die periode een definitief principieel akkoord voor een verbouwing worden verkregen.
In afwijking van het eerste lid kan de minister voor ziekenhuizen in de periode van twintig jaar na de ingebruikname van een investering die gesubsidieerd is door het Fonds of door zijn rechtsvoorgangers, een definitief principieel akkoord toestaan voor hetzelfde project of voor een deel van hetzelfde project, op voorwaarde dat het project waarvoor een definitief principieel akkoord wordt gevraagd, verder bestemd blijft binnen de persoonsgebonden aangelegenheden, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden. Bij zijn beslissing tot afwijking kan de minister rekening houden met functionele elementen, financiële elementen, de opname van de infrastructuur in een grotere ontwikkeling met private of publieke partners, of met de realisatietermijn.]1

Art. 85. [1 Sauf disposition contraire, au cours d'une pĂ©riode de vingt ans suivant la mise en service d'un investissement subventionnĂ© par le Fonds ou par ses prĂ©dĂ©cesseurs, aucun accord de principe dĂ©finitif ne peut ĂȘtre obtenu pour le mĂȘme projet ou pour une partie du mĂȘme projet, indĂ©pendamment du secteur des matiĂšres personnalisables dans lequel la subvention a Ă©tĂ© obtenue. Uniquement lorsqu'une transformation devient nĂ©cessaire en raison d'une rĂ©glementation modifiĂ©e ou de prescriptions de sĂ©curitĂ© modifiĂ©es et imposĂ©es, un accord de principe dĂ©finitif pour une transformation peut ĂȘtre obtenu au cours de cette pĂ©riode.
Par dĂ©rogation Ă  l'alinĂ©a premier, le Ministre peut autoriser pour des hĂŽpitaux, au cours de la pĂ©riode de vingt ans suivant la mise en service d'un investissement subventionnĂ© par le Fonds ou par ses prĂ©dĂ©cesseurs, un accord de principe dĂ©finitif pour le mĂȘme projet ou pour une partie du mĂȘme projet, Ă  condition que le projet faisant l'objet de la demande d'un accord de principe dĂ©finitif, reste affectĂ© aux matiĂšres personnalisables, visĂ©es Ă  l'article 2, 3°, du dĂ©cret du 2 juin 2006 portant transformation du " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " en agence autonomisĂ©e interne dotĂ©e de la personnalitĂ© juridique, et modifiant le dĂ©cret du 23 fĂ©vrier 1994 relatif Ă  l'infrastructure affectĂ©e aux matiĂšres personnalisables. Lors de sa dĂ©cision de dĂ©rogation, le Ministre peut tenir compte des Ă©lĂ©ments fonctionnels, des Ă©lĂ©ments financiers, de l'intĂ©gration de l'infrastructure dans un plus important dĂ©veloppement avec des partenaires privĂ©s ou publics, ou du dĂ©lai de rĂ©alisation.]1

HOOFDSTUK 10. - Toezichtregeling en sancties
CHAPITRE 10. - ContrĂŽle et sanctions
Art. 86. De bevoegde personeelsleden van de Vlaamse administratie, bevoegd voor het beleidsdomein waartoe het Fonds behoort, oefenen ter plaatse of op stukken toezicht uit op de naleving van de bouwfysische, technische en kwalitatieve normen, en op het gebruik van de gebouwen. De aanvrager verleent zijn medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Hij bezorgt aan de personeelsleden, op hun eenvoudig verzoek, de nuttige stukken voor de uitvoering van de toezichtopdracht.
De aanvrager is verplicht alle documenten die verband houden met de aanbesteding en de gunning, gedurende vijf jaar na de voorlopige oplevering of de eerste ingebruikname van de betreffende werken of leveringen te bewaren. Die documenten kunnen op elk moment worden gecontroleerd. Ze moeten voorgelegd worden aan de personeelsleden van de Vlaamse administratie, bevoegd voor het beleidsdomein waartoe het Fonds behoort, als die daarom verzoeken.
De aanvrager is verplicht alle documenten die verband houden met de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4, te bezorgen aan het Fonds als dat erom verzoekt.
Art. 86. Les membres du personnel de l'administration flamande, compétents pour le domaine politique dont relÚve le Fonds, exercent sur place ou sur piÚces le contrÎle du respect des normes physiques et techniques de la construction, et qualitatives, ainsi que de l'usage des bùtiments. Le demandeur offre sa collaboration à l'exercice du contrÎle. Il remet aux membres du personnel, sur leur simple demande, les documents utiles à l'exercice de la mission de contrÎle.
Le demandeur est obligĂ© de conserver tous les documents relatifs Ă  l'adjudication et l'attribution pendant cinq ans aprĂšs la rĂ©ception provisoire ou la premiĂšre mise en service des travaux ou livraisons concernĂ©s. Ces documents peuvent ĂȘtre contrĂŽlĂ©s Ă  tout moment. Ils doivent ĂȘtre soumis aux membres du personnel compĂ©tents de l'administration flamande compĂ©tente pour le domaine public dont relĂšve le Fonds, s'ils le demandent.
Le demandeur est obligé de transmettre tous les documents ayant trait au lien de parenté, visé aux articles 3 et 4, au Fonds si ce dernier le demande.
Art. 87.
Art. 87.
Art. 88. [1 De verleende gebruikstoelagen zullen worden teruggevorderd, overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof :
1° bij overtreding van de bepalingen van artikel 86 [2 ...]2;
2° als de aanvrager een onjuiste verklaring aflegt over de voorwaarden, vermeld in artikel 3 en 4;
3° als de aanvrager een gebruikstoelage heeft verkregen voor de uitvoering van zijn project en als dat project niet gerealiseerd wordt of niet leidt tot een uitbating binnen een redelijke uitvoeringstermijn;
4° als de aanvrager een gebruikstoelage heeft verkregen voor de uitvoering van zijn project en hij bij een bepaalde opdracht in het kader van dat project de principes van de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten niet heeft gerespecteerd, als er daarbij geen toepassing is gemaakt van artikel 84.
[2 ...]2]1

Art. 88. [1 Les subventions-utilisation octroyées seront recouvrées, conformément à l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrÎle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrÎle de la Cour des comptes :
1° en cas d'une infraction aux dispositions [2 de l'article 86]2, alinéa premier ;
2° si le demandeur dépose une déclaration inexacte relative aux conditions, visées aux articles 3 et 4 ;
3° si le demandeur a obtenu une subvention-utilisation pour l'exécution de son projet, et si ce projet n'est pas réalisé ou ne conduit pas à une exploitation dans un délai d'exécution raisonnable ;
4° si le demandeur a obtenu une subvention-utilisation pour l'exécution de son projet, et qu'il n'a pas respecté, pour un marché déterminé dans le cadre de ce projet, les principes de la législation relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services, pour autant que l'article 84 n'est pas appliqué.
[2 ...]2]1

HOOFDSTUK 11. - Slotbepalingen
CHAPITRE 11. - Dispositions finales
Art. 89. Het decreet van 12 februari 2010 tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden treedt in werking op 1 juli 2011.
Art. 89. Le décret du 12 février 2010 modifiant le décret du 23 février 1994 relatif à l'infrastructure affectée aux matiÚres personnalisables, entre en vigueur le 1er juillet 2011.
Art. 90. Het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, 19 juni 2009, 24 juli 2009, 4 juni 2010 en 16 juli 2010, wordt opgeheven.
Art. 90. L'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 rĂ©glant les subventions d'investissement alternatives octroyĂ©es par le "Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden", modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 mai 2008, 19 juin 2009, 24 juillet 2009, 4 juin 2010 et 16 juillet 2010, est abrogĂ©.
Art. 91. Er kunnen geen aanvragen voor subsidies overeenkomstig de subsidieregeling, vermeld in artikel 6 van het decreet van 23 februari 1994, meer worden ingediend en afgehandeld [1 voor woonzorgcentra of centra voor kortverblijf]1.
Art. 91. Aucune demande de subvention conformĂ©ment au rĂ©gime de subvention, visĂ© Ă  l'article 6 du dĂ©cret du 23 fĂ©vrier 1994, ne peut plus ĂȘtre introduite et traitĂ©e [1 pour des centres de soins et de logement ou des centres de court sĂ©jour]1.
Art. 92. Dit besluit is onmiddellijk van toepassing op de dossiers waarvoor een aanvraag wordt ingediend vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.
Dit besluit is ook van toepassing op alle aanvragen die ingediend zijn onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, en waarvoor op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit nog geen principieel akkoord is verkregen als vermeld in het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006.
In afwijking van artikel 90, worden aanvragen waarvoor al een principieel akkoord is verkregen als vermeld in het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, verder behandeld overeenkomstig het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 1 september 2006.
[1 Met behoud van de toepassing van het derde lid, zijn artikel 36, artikel 65 en artikel 73 tot en met 88 van dit besluit ook van toepassing op de aanvragen, vermeld in het derde lid.]1
Art. 92. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique immĂ©diatement aux dossiers pour lesquels une demande est introduite Ă  partir de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique Ă©galement Ă  toutes les demandes qui sont introduites sous l'application de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 rĂ©glant les subventions d'investissement alternatives octroyĂ©es par le "Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden", et pour lesquelles Ă  la date de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il n'a pas encore Ă©tĂ© obtenu un accord de principe tel que visĂ© Ă  l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006.
En dĂ©rogation Ă  l'article 90, les demandes pour lesquelles un accord de principe a dĂ©jĂ  Ă©tĂ© obtenu tel que visĂ© Ă  l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 rĂ©glant les subventions d'investissement alternatives octroyĂ©es par le "Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden", seront traitĂ©es conformĂ©ment Ă  l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006.
[1 Sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a trois, les articles 36, 65 et 73 Ă  88 inclus du prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'appliquent Ă©galement aux demandes visĂ©es Ă  l'alinĂ©a trois.]1.
Art. 92/1. [1 Om een principieel akkoord of definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 13 of 41 te kunnen krijgen van de minister moet een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een dagverzorgingscentrum voor de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014 tot wijziging van diverse besluiten inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, een ontvankelijke aanvraag tot goedkeuring van het zorgstrategische plan hebben ingediend en moet, na goedkeuring van het zorgstrategische plan, de ontvankelijke aanvraag tot goedkeuring van het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project zijn ingediend voor 31 december 2014.]1
Art. 92/1. [1 Art. 92/1. Pour pouvoir obtenir un accord de principe ou un accord de principe dĂ©finitif, tel que visĂ© Ă  l'article 13 ou 41, du Ministre, un centre de soins et de logement, un centre de court sĂ©jour ou un centre de soins de jour doit avoir introduit, avant la date d'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 fĂ©vrier 2014 modifiant divers arrĂȘtĂ©s relatifs Ă  l'infrastructure affectĂ©e aux matiĂšres personnalisables, une demande recevable d'approbation du plan stratĂ©gique en matiĂšre de soins, et aprĂšs l'approbation de ce dernier, la demande recevable d'approbation de l'aspect technique et financier du plan maĂźtre et le projet concernĂ© doit ĂȘtre introduite avant le 31 dĂ©cembre 2014.]1
Art.92/2. [1 In de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap, in de sector van de verzorgingsinstellingen, en betreffende een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum worden de dossiers waarvoor op de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 tot wijziging van diverse besluiten inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen, wat betreft de lokale en regionale dienstencentra, nog geen definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 13 of 41 van dit besluit, is gegeven, verder behandeld conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de proceduregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden. Het Fonds informeert de aanvrager over de stand van zaken van zijn dossier in de procedure en vraagt in voorkomend geval de ontbrekende stukken op.
Vanaf de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 tot wijziging van diverse besluiten inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen, wat betreft de lokale en regionale dienstencentra, kunnen geen nieuwe aanvragen met het oog op het verkrijgen van een definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 13 of 41 van dit besluit, meer worden ingediend in de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap, in de sector van de verzorgingsinstellingen en betreffende een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum.]1

Art. 92/2. [1 Dans le secteur des structures d'intĂ©gration sociale des personnes handicapĂ©es, dans le secteur des Ă©tablissements de soins, et pour ce qui est d'un centre de services local, d'un centre de services rĂ©gional ou d'un centre de soins de jour, les dossiers n'ayant pas encore fait l'objet d'un accord de principe dĂ©finitif tel que visĂ© Ă  l'article 13 ou 41 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© Ă  la date d'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 janvier 2016 modifiant divers arrĂȘtĂ©s relatifs Ă  l'infrastructure affectĂ©e aux matiĂšres personnalisables et modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 rĂ©glementant l'octroi de l'autorisation prĂ©alable pour certaines structures de services de soins et de logement, pour ce qui est des centres de services locaux et rĂ©gionaux, continuent Ă  ĂȘtre traitĂ©s conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 Ă©tablissant les rĂšgles de procĂ©dure relatives Ă  l'infrastructure affectĂ©e aux matiĂšres personnalisables. Le Fonds informe le demandeur de l'Ă©tat d'avancement de son dossier selon la procĂ©dure et rĂ©clame, le cas Ă©chĂ©ant, les documents manquants.
A partir de l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 janvier 2016 modifiant divers arrĂȘtĂ©s relatifs Ă  l'infrastructure affectĂ©e aux matiĂšres personnalisables et modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 rĂ©glementant l'octroi de l'autorisation prĂ©alable pour certaines structures de services de soins et de logement, pour ce qui est des centres de services locaux et rĂ©gionaux, aucune nouvelle demande d'obtention d'un accord de principe dĂ©finitif tel que visĂ© Ă  l'article 13 ou 41 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne peut plus ĂȘtre introduite dans le secteur des structures d'intĂ©gration sociale des personnes handicapĂ©es, dans le secteur des Ă©tablissements de soins, et pour ce qui est d'un centre de services local, d'un centre de services rĂ©gional ou d'un centre de soins de jour.]1

Art.92/3. [1 Vanaf de datum van de bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de subsidiëring van infrastructuur van ziekenhuizen in het Belgisch Staatsblad kunnen voor ziekenhuizen geen ontvankelijke aanvragen tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord, vermeld in artikel 13, tweede lid, en artikel 41, tweede lid, van dit besluit, en geen ontvankelijke aanvragen met betrekking tot projecten met financiering zonder voorafgaand principieel akkoord, vermeld in artikel 69, § 1, eerste lid, en artikel 71, § 1, eerste lid, van dit besluit, worden ingediend. Aanvragen die vanaf die datum worden ingediend, worden van rechtswege geacht niet ontvankelijk te zijn en worden niet onderzocht.
Voor zover ze op ziekenhuizen betrekking hebben worden de aanvragen tot goedkeuring van een masterplan en tot het verkrijgen van een principieel akkoord waarvoor vóór de datum, vermeld in het eerste lid, geen voorlopig of definitief principieel akkoord is verleend als vermeld in artikel 32 of 62, van dit besluit, en de aanvragen met betrekking tot projecten met financiering zonder voorafgaand principieel akkoord waarvoor vóór de datum, vermeld in het eerste lid, de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 31 van dit besluit, geen gunstig advies heeft verleend als vermeld in artikel 69, § 1, tweede lid, of artikel 71, § 1, tweede lid, van dit besluit, geacht aanvragen te zijn voor een strategisch forfait als vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de subsidiëring van infrastructuur van ziekenhuizen. Het Fonds vraagt zo nodig bij de betrokken ziekenhuizen de aanvullende informatie op die de procedureregels en de zorgstrategische planning, vermeld in artikel 2, eerste lid, en artikel 5 van dat besluit, vereisen.]1

Art. 92/3. [1 A partir de la date de la publication de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 portant subventionnement des infrastructures hospitaliĂšres au Moniteur belge, aucune demande recevable d'approbation d'un plan maĂźtre et d'obtention d'un accord de principe tel que visĂ© Ă  l'article 13, alinĂ©a deux, et 41, alinĂ©a deux, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et aucune demande recevable relative aux projets de financement relative aux projets de financement sans accord de principe prĂ©alable, visĂ©e Ă  l'article 69, § 1er, alinĂ©a premier, et l'article 71, § 1er, alinĂ©a premier, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ne peuvent ĂȘtre introduites. Des demandes introduites Ă  partir de cette date, sont d'office censĂ©es ĂȘtre non recevables et ne sont pas examinĂ©es.
Pour autant qu'elles aient trait aux hĂŽpitaux, les demandes d'approbation d'un plan maĂźtre et d'obtention d'un accord de principe pour lesquelles, avant la date, visĂ©e Ă  l'alinĂ©a premier, aucun accord de principe provisoire ou dĂ©finitif n'est accordĂ© tel que visĂ© aux articles 32 ou 62 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et les demandes relatives aux projets de financement sans accord de principe prĂ©alable pour lesquelles, avant la date, visĂ©e Ă  l'alinĂ©a premier, la commission de coordination, visĂ©e Ă  l'article 31 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, n'a rendu aucun avis favorable tel que visĂ© Ă  l'article 69, § 1er, alinĂ©a deux, ou l'article 71, § 1er, alinĂ©a deux, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont censĂ©es ĂȘtre des demandes pour un forfait stratĂ©gique tel que visĂ© au chapitre 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 portant subventionnement des infrastructures hospitaliĂšres. Si nĂ©cessaire, le Fonds demande auprĂšs des hĂŽpitaux concernĂ©s les informations complĂ©mentaires requises par les rĂšgles de procĂ©dure et la planification stratĂ©gique, visĂ©e Ă  l'article 2, alinĂ©a premier, et l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]1

Art. 93. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2011.
Art. 93. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er juillet 2011.
Art. 94. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 94. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions et le Ministre flamand ayant la politique en matiĂšre de santĂ© dans ses attributions sont chargĂ©s, chacun en ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.