Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° agentschap : het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
2° [2 besluit van 26 februari 2016 FAM: het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap;]2
[2 2° /1 besluit van 26 februari 2016 MFC: het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;]2
[2 2° /2 besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders;]2
3° [2 collectief overlegorgaan van de voorziening : het orgaan waarbij de gebruikers als groep in overleg treden met de voorziening]2;
4° [2 collectieve rechten en plichten: de collectieve rechten en plichten voor voorziening en gebruikers, vermeld in artikel 15]2;
5° continuïteit : de mate waarin de hulpverlener zorg draagt voor een goede overdracht van ondersteuning in situaties waarin verschillende hulp- en dienstverleners betrokken zijn, die elkaar aflossen, vervangen of opvolgen;
6° decreet van 17 oktober 2003 : het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen;
[2 6° /1 diensten Ondersteuningsplan: de diensten Ondersteuningsplan vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten Ondersteuningsplan en een mentororganisatie voor het voortraject van personen met een handicap;]2
7° gebruiker : de persoon [2 met een handicap]2 die een beroep doet op [2 rechtstreeks toegankelijke hulp of niet rechtstreeks toegankelijke zorg en]2 ondersteuning van een voorziening;
[2 7° /1 individuele dienstverleningsovereenkomst: de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 9;]2
8° kwaliteitshandboek : het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003;
[2 8° /1 leefkosten: de leefkosten, vermeld in artikel 9, § 3, derde lid;]2
9° leidend ambtenaar : de administrateur-generaal van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
10° [2 ...]2;
11° [2 ...]2;
12° vertegenwoordiger : de persoon die de gebruiker vertegenwoordigt met toepassing van artikel 2;
13° [2 voorziening: de voorzieningen, vermeld in artikel 4]2;
[2 13° /1 woonkosten: de woonkosten, vermeld in artikel 9, § 3, eerste lid;]2
[1 14° Zorginspectie: [3 Zorginspectie als vermeld in artikel 4, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]3.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 FEBRUARI 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-04-2011 en tekstbijwerking tot 17-07-2024)
Titre
4 FEVRIER 2011. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-04-2011 et mise à jour au 17-07-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Aanvang van de ondersteuning
HOOFDSTUK 3. [1 - Overeenkomst tussen gebruiker...
Afdeling 1.
Afdeling 2.
HOOFDSTUK 4.
HOOFDSTUK 5. - Rechten van de gebruiker
Afdeling 1. - Individuele inspraak
Afdeling 2. - Het dossier
Afdeling 3. - Collectieve inspraak
Afdeling 4. - Klachtenbehandeling met betrekkin...
HOOFDSTUK 6. - Klachtenprocedure
Afdeling 1. - Inleidende bepalingen
Afdeling 2. - Klachtenafhandeling
Afdeling 3. - Schriftelijke klachtenprocedure
Afdeling 4. - Klachtencommissie
HOOFDSTUK 7. [1 - Beëindiging van de zorg en on...
HOOFDSTUK 8. - Bescherming van de integriteit
Afdeling 1. - Grensoverschrijdend gedrag
Afdeling 2. - Afzonderingsmaatregelen
Afdeling 3. [1Ernstige gebeurtenissen]1
HOOFDSTUK 9. - Kwaliteitszorg
Afdeling 1. - Kwaliteitshandboek
Afdeling 2. - Zelfevaluatie
Afdeling 3. - Kwaliteitsindicatoren
HOOFDSTUK 10. - Identificatienummer Rijksregist...
Afdeling 1. - Gebruik van het identificatienumm...
Afdeling 2. - Herkenbaarheid van de financierin...
HOOFDSTUK 11. - Toezicht, evaluatie en strafbep...
HOOFDSTUK 12. - Wijzigings-, overgangs- en slot...
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Début de l'appui
CHAPITRE 3. [1 - Contrat entre l'utilisateur et...
Section 1re.
Section 2.
CHAPITRE 4.
CHAPITRE 5. - Droits de l'usager
Section 1re. - Droit individuel à l'information...
Section 2. - Le dossier
Section 3. - Participation collective
Section 4. - Traitement des plaintes relatif au...
CHAPITRE 6. - Procédure de réclamation
Section 1re. - Dispositions introductives
Section 2. - Traitement des plaintes
Section 3. - Procédure de réclamation écrite
Section 4. - Commission des réclamations
CHAPITRE 7. [1 - Cessation des soins et du sout...
CHAPITRE 8. - Protection de l'intégrité
Section 1re. - Comportement illicite
Section 2. - Mesures d'isolement
Section 3. [1 Evénements graves]1
45/1 [1 Les événements graves qui peuvent compr...
CHAPITRE 9. - Gestion de la qualité
Section 1re. - Manuel de qualité
Section 2. - Auto-évaluation
Section 3. - Indicateurs de qualité
CHAPITRE 10. - Numéro d'identification du Regis...
Section 1re. - Utilisation du numéro d'identifi...
Section 2. - Identification du financement par ...
CHAPITRE 11. - Contrôle, évaluation et disposit...
CHAPITRE 12. - Dispositions modificatives, tran...
ANNEXES.
Tekst (116)
Texte (116)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° agence : la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap", créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap";
2° [2 arrêté du 26 février 2016 FAM : l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres d'offre de services flexibles en faveur des personnes handicapées majeures;]2
[2 2° /1 arrêté du 26 février 2016 MFC : l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures;]2
[2 2° /2 arrêté du 24 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés;]2
3° [2 organe de concertation collectif de la structure : l'organe dans lequel les utilisateurs entrent en concertation en tant que groupe avec la structure]2;
4° [2 droits et obligations collectifs : les droits et obligations collectifs des structures et des utilisateurs, visés à l'article 15]2;
5° continuité : la mesure dans laquelle le prestataire d'aide veille à une transition adéquate de l'appui dans des situations où différents prestataires d'aide et de services sont impliqués, qui se relaient, se remplacent ou se succèdent;
6° décret du 17 octobre 2003 : le décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des établissements de santé et d'aide sociale;
[2 6° /1 services Plan de soutien : les services Plan de soutien, visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 septembre 2011 portant agrément et subventionnement des services Plan de soutien et d'une organisation tutrice pour le parcours préalable des personnes handicapées;]2
7° usager : la personne [2 handicapée]2 ayant recours [2 à l'aide directement accessible ou aux soins non directement accessibles et]2 à l'appui proposé par une structure;
[2 7° /1 contrat individuel de services : le contrat individuel de services, visé à l'article 9;]2
8° manuel de qualité : le manuel de qualité, visé à l'article 5, § 4, du décret du 17 octobre 2003;
[2 8° /1 coût de la vie : le coût de la vie, visé à l'article 9, § 3, alinéa 3;]2
9° fonctionnaire dirigeant : l'administrateur général de la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap";
10° [2 ...]2;
11° [2 ...]2;
12° représentant : la personne représentant l'usager en application de l'article 2;
13° [2 structure : la structure, visée à l'article 4;]2;
[2 13° /1 coûts du logement : les coûts du logement, visés à l'article 9, § 3, alinéa 1er;]2
[1 14° Zorginspectie : [3 l'Inspection des Soins, telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins]3.]1
1° agence : la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap", créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap";
2° [2 arrêté du 26 février 2016 FAM : l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres d'offre de services flexibles en faveur des personnes handicapées majeures;]2
[2 2° /1 arrêté du 26 février 2016 MFC : l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures;]2
[2 2° /2 arrêté du 24 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés;]2
3° [2 organe de concertation collectif de la structure : l'organe dans lequel les utilisateurs entrent en concertation en tant que groupe avec la structure]2;
4° [2 droits et obligations collectifs : les droits et obligations collectifs des structures et des utilisateurs, visés à l'article 15]2;
5° continuité : la mesure dans laquelle le prestataire d'aide veille à une transition adéquate de l'appui dans des situations où différents prestataires d'aide et de services sont impliqués, qui se relaient, se remplacent ou se succèdent;
6° décret du 17 octobre 2003 : le décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des établissements de santé et d'aide sociale;
[2 6° /1 services Plan de soutien : les services Plan de soutien, visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 septembre 2011 portant agrément et subventionnement des services Plan de soutien et d'une organisation tutrice pour le parcours préalable des personnes handicapées;]2
7° usager : la personne [2 handicapée]2 ayant recours [2 à l'aide directement accessible ou aux soins non directement accessibles et]2 à l'appui proposé par une structure;
[2 7° /1 contrat individuel de services : le contrat individuel de services, visé à l'article 9;]2
8° manuel de qualité : le manuel de qualité, visé à l'article 5, § 4, du décret du 17 octobre 2003;
[2 8° /1 coût de la vie : le coût de la vie, visé à l'article 9, § 3, alinéa 3;]2
9° fonctionnaire dirigeant : l'administrateur général de la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap";
10° [2 ...]2;
11° [2 ...]2;
12° représentant : la personne représentant l'usager en application de l'article 2;
13° [2 structure : la structure, visée à l'article 4;]2;
[2 13° /1 coûts du logement : les coûts du logement, visés à l'article 9, § 3, alinéa 1er;]2
[1 14° Zorginspectie : [3 l'Inspection des Soins, telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins]3.]1
Art. 2. [1 Als bewindvoering is ingesteld, worden de rechten, vermeld in dit besluit, uitgeoefend door de gebruiker, de bewindvoerder of beiden, overeenkomstig de beschikking van de vrederechter. De persoon met een handicap wordt rekening houdend met zijn mogelijkheden maximaal betrokken bij de uitoefening van die rechten.]1
Als een gebruiker de rechten met betrekking tot persoonsgebonden materies, vastgesteld in dit besluit, niet zelfstandig kan uitoefenen [1 en er geen bewindvoerder bevoegd is om de gebruiker te vertegenwoordigen,]1 worden die rechten door de samenwonende echtgenoot of de wettelijk of feitelijk samenwonende partner uitgeoefend.
Als de echtgenoot of partner dat niet wil doen of als de gebruiker geen echtgenoot of partner heeft worden de rechten in dalende volgorde uitgeoefend door :
1° een van de ouders of beide ouders;
2° een persoon, aangewezen door de persoon met een handicap of door zijn ouders of voogd;
3° een meerderjarig kind;
4° een meerderjarige broer of zus.
Als een gebruiker de rechten met betrekking tot persoonsgebonden materies, vastgesteld in dit besluit, niet zelfstandig kan uitoefenen [1 en er geen bewindvoerder bevoegd is om de gebruiker te vertegenwoordigen,]1 worden die rechten door de samenwonende echtgenoot of de wettelijk of feitelijk samenwonende partner uitgeoefend.
Als de echtgenoot of partner dat niet wil doen of als de gebruiker geen echtgenoot of partner heeft worden de rechten in dalende volgorde uitgeoefend door :
1° een van de ouders of beide ouders;
2° een persoon, aangewezen door de persoon met een handicap of door zijn ouders of voogd;
3° een meerderjarig kind;
4° een meerderjarige broer of zus.
Art. 2. [1 En ce qui concerne l'administration légale, les droits énoncés au présent arrêté sont exercés par l'utilisateur, l'administrateur ou les deux, conformément à la décision du juge de paix. Dans la mesure de ses capacités, la personne handicapée est associée le plus possible à l'exercice de ces droits]1.
Si un usager ne peut pas exercer de manière autonome les droits relatifs aux matières personnalisables, visés au présent arrêté [1 et qu'aucun administrateur n'est compétent pour représenter l'utilisateur]1, ces droits sont exercés par l'époux cohabitant ou par le partenaire cohabitant légalement ou de fait.
Si l'époux ou le partenaire ne veut pas le faire ou si l'usager n'a pas d'époux ou de partenaire, les droits sont exercés en ordre descendant par :
1° un des parents ou par les deux parents;
2° une personne désignée par la personne handicapée ou par ses parents ou son tuteur;
3° un enfant majeur;
4° un frère ou une soeur majeurs.
Si un usager ne peut pas exercer de manière autonome les droits relatifs aux matières personnalisables, visés au présent arrêté [1 et qu'aucun administrateur n'est compétent pour représenter l'utilisateur]1, ces droits sont exercés par l'époux cohabitant ou par le partenaire cohabitant légalement ou de fait.
Si l'époux ou le partenaire ne veut pas le faire ou si l'usager n'a pas d'époux ou de partenaire, les droits sont exercés en ordre descendant par :
1° un des parents ou par les deux parents;
2° une personne désignée par la personne handicapée ou par ses parents ou son tuteur;
3° un enfant majeur;
4° un frère ou une soeur majeurs.
Wijzigingen
Art. 3. Om erkend te worden en te blijven, moet een voorziening, met behoud van de toepassing van andere erkenningsnormen, voldoen aan de bepalingen van dit besluit.
Art. 3. Pour être et rester agréée, une structure est tenue, sans préjudice de l'application d'autres normes d'agrément, de répondre aux dispositions du présent arrêté.
Art. 4. [1 De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op:
1° voorzieningen die rechtstreeks toegankelijk hulp voor personen met een handicap aanbieden;
2° voorzieningen die niet-rechtstreeks toegankelijk zorg en ondersteuning aanbieden;
3° de multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
4° de diensten Ondersteuningsplan;
5° de opvang in crisis- en noodsituaties.
HOOFDSTUK 10. - afdeling 1, is ook van toepassing op:
1° de voorzieningen voor vrijetijdszorg;
2° de centra voor ontwikkelingsstoornissen;
3° [2 ...]2;
4° het centraal tolkenbureau;
5° de bijstandsorganisaties;
6° het steunpunt voor kennisbeheer en netwerkvorming;
7° de instanties die erkend zijn om een multidisciplinair verslag af te leveren, vermeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.]1
1° voorzieningen die rechtstreeks toegankelijk hulp voor personen met een handicap aanbieden;
2° voorzieningen die niet-rechtstreeks toegankelijk zorg en ondersteuning aanbieden;
3° de multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
4° de diensten Ondersteuningsplan;
5° de opvang in crisis- en noodsituaties.
HOOFDSTUK 10. - afdeling 1, is ook van toepassing op:
1° de voorzieningen voor vrijetijdszorg;
2° de centra voor ontwikkelingsstoornissen;
3° [2 ...]2;
4° het centraal tolkenbureau;
5° de bijstandsorganisaties;
6° het steunpunt voor kennisbeheer en netwerkvorming;
7° de instanties die erkend zijn om een multidisciplinair verslag af te leveren, vermeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.]1
Art. 4. [1 Les dispositions du présent arrêté s'appliquent :
1° aux structures offrant de l'aide directement accessible aux personnes handicapées ;
2° aux structures offrant des soins et du soutien non directement accessibles ;
3° aux centres multifonctionnels pour mineurs handicapés ;
4° aux services Plan de Soutien ;
5° à l'accueil en situations d'urgence et de crise.
Le chapitre 10, section 1re, s'applique également :
1° aux structures de soins de loisirs ;
2° aux centres pour les troubles du développement ;
3° [2 ...]2;
4° à l'agence centrale de l'interprétation ;
5° aux organisations d'assistance ;
6° au point d'appui pour la gestion des connaissances et le réseautage ;
7° aux organismes agréés pour délivrer un rapport pluridisciplinaire, visés à l'article 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande de soutien auprès de l'Agence flamande pour les personnes handicapées.]1
1° aux structures offrant de l'aide directement accessible aux personnes handicapées ;
2° aux structures offrant des soins et du soutien non directement accessibles ;
3° aux centres multifonctionnels pour mineurs handicapés ;
4° aux services Plan de Soutien ;
5° à l'accueil en situations d'urgence et de crise.
Le chapitre 10, section 1re, s'applique également :
1° aux structures de soins de loisirs ;
2° aux centres pour les troubles du développement ;
3° [2 ...]2;
4° à l'agence centrale de l'interprétation ;
5° aux organisations d'assistance ;
6° au point d'appui pour la gestion des connaissances et le réseautage ;
7° aux organismes agréés pour délivrer un rapport pluridisciplinaire, visés à l'article 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande de soutien auprès de l'Agence flamande pour les personnes handicapées.]1
HOOFDSTUK 2. - Aanvang van de ondersteuning
CHAPITRE 2. - Début de l'appui
Art. 5. De voorziening kan een gebruiker niet weigeren op grond van etnische afkomst, nationaliteit, geslacht, seksuele geaardheid, sociale achtergrond, ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging, of financieel onvermogen.
Art. 5. La structure ne peut pas refuser un usager sur la base de son origine ethnique, nationalité, sexe, orientation sexuelle, milieu social, convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses, ou insolvabilité financière.
Art. 6. Als bij een opname in een proefperiode wordt voorzien, moet die aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de duur van de proefperiode kan hoogstens zes maanden bedragen;
2° tijdens de proefperiode gelden afwijkende procedures over het ontslag van de gebruiker :
a) de opzegtermijn moet in onderling overleg bepaald worden;
b) bij eenzijdige verbreking van de overeenkomst zonder gegronde reden kan een verbrekingsvergoeding gevorderd worden [1 ten bedrage van de vergoeding verschuldigd voor de overeengekomen opzegtermijn, die evenwel niet meer bedraagt dan de vergoeding voor één maand zorg en ondersteuning]1. [1 ...]1;
c) tijdens de proefperiode kan de voorziening de overeenkomst alleen opzeggen om redenen van overmacht of in de volgende gevallen :
1) als de gebruiker niet meer beantwoordt aan de bijzondere opnamevoorwaarden, vermeld in [1 de collectieve rechten en plichten]1;
2) als de lichamelijke of geestelijke toestand van de gebruiker dermate is dat het zorgaanbod van de voorziening niet kan beantwoorden aan de noden en zorgvragen van de gebruiker;
3) als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger de verplichtingen van [1 de individuele dienstverleningsovereenkomst]1 of begeleiding, en van [1 de collectieve rechten en plichten]1 niet nakomt.
1° de duur van de proefperiode kan hoogstens zes maanden bedragen;
2° tijdens de proefperiode gelden afwijkende procedures over het ontslag van de gebruiker :
a) de opzegtermijn moet in onderling overleg bepaald worden;
b) bij eenzijdige verbreking van de overeenkomst zonder gegronde reden kan een verbrekingsvergoeding gevorderd worden [1 ten bedrage van de vergoeding verschuldigd voor de overeengekomen opzegtermijn, die evenwel niet meer bedraagt dan de vergoeding voor één maand zorg en ondersteuning]1. [1 ...]1;
c) tijdens de proefperiode kan de voorziening de overeenkomst alleen opzeggen om redenen van overmacht of in de volgende gevallen :
1) als de gebruiker niet meer beantwoordt aan de bijzondere opnamevoorwaarden, vermeld in [1 de collectieve rechten en plichten]1;
2) als de lichamelijke of geestelijke toestand van de gebruiker dermate is dat het zorgaanbod van de voorziening niet kan beantwoorden aan de noden en zorgvragen van de gebruiker;
3) als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger de verplichtingen van [1 de individuele dienstverleningsovereenkomst]1 of begeleiding, en van [1 de collectieve rechten en plichten]1 niet nakomt.
Art. 6. Si une période d'essai est prévue lors d'une admission, cette période doit répondre aux conditions suivantes :
1° la durée de la période d'essai ne peut dépasser six mois;
2° pendant la période d'essai, des procédures dérogatoires concernant la démission de l'usager sont applicables :
a) le délai de préavis doit être déterminé de commun accord;
b) en cas de rupture unilatérale du contrat sans raison fondée, une indemnité de rupture [1 à concurrence de l'indemnité due pour la période de préavis convenue, qui ne peut pas dépasser l'indemnité d'un mois de soins et de soutien]1, peut être recouvrée. [1 ...]1;
c) pendant la période d'essai, la structure ne peut résilier le contrat que pour des raisons de force majeure ou dans les cas suivants :
1) si l'usager ne répond plus aux conditions d'admission particulières, visées [1 dans les droits et obligations collectifs]1;
2) lorsque l'état physique ou mental de l'usager est tel que l'offre de soins de la structure ne peut pas répondre aux besoins et aux demandes d'aide de l'usager;
3) lorsque l'usager ou son représentant ne respectent pas les obligations [1 du contrat individuel de services]1 ou d'accompagnement et [1 des droits et obligations collectifs]1.
1° la durée de la période d'essai ne peut dépasser six mois;
2° pendant la période d'essai, des procédures dérogatoires concernant la démission de l'usager sont applicables :
a) le délai de préavis doit être déterminé de commun accord;
b) en cas de rupture unilatérale du contrat sans raison fondée, une indemnité de rupture [1 à concurrence de l'indemnité due pour la période de préavis convenue, qui ne peut pas dépasser l'indemnité d'un mois de soins et de soutien]1, peut être recouvrée. [1 ...]1;
c) pendant la période d'essai, la structure ne peut résilier le contrat que pour des raisons de force majeure ou dans les cas suivants :
1) si l'usager ne répond plus aux conditions d'admission particulières, visées [1 dans les droits et obligations collectifs]1;
2) lorsque l'état physique ou mental de l'usager est tel que l'offre de soins de la structure ne peut pas répondre aux besoins et aux demandes d'aide de l'usager;
3) lorsque l'usager ou son représentant ne respectent pas les obligations [1 du contrat individuel de services]1 ou d'accompagnement et [1 des droits et obligations collectifs]1.
Wijzigingen
Art. 7.
Art. 7.
HOOFDSTUK 3. [1 - Overeenkomst tussen gebruiker en voorziening]1
CHAPITRE 3. [1 - Contrat entre l'utilisateur et la structure]1
Afdeling 1.
Section 1re.
Art. 8. [1 § 1. Voor er tot ondersteuning wordt overgegaan, sluiten de gebruiker en de voorziening een schriftelijke overeenkomst die het volgende bevat:
1° de individuele dienstverleningsovereenkomst;
2° de collectieve rechten en plichten.
In geval van dringende opvang, wordt de overeenkomst gesloten binnen vijf dagen na de aanvang van de opvang.
Als de wettelijke vertegenwoordiger van jongeren die verwezen werden door de jeugdrechter of een gemandateerde voorziening als vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 2 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, weigert de overeenkomst te ondertekenen, registreert de voorziening die weigering, met opgave van de redenen, in een register dat daarvoor is opgesteld.
§ 2. Als de gebruiker een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van het agentschap wil gebruiken om de zorg en ondersteuning te vergoeden, wordt de overeenkomst gesloten onder de opschortende voorwaarde van de controle van de overeenkomst door het agentschap, vermeld in artikel 14, eerste lid van het besluit van 24 juni 2016, of de controle van het beschikbare bedrag door het agentschap, vermeld in artikel 16, tweede lid van het voormelde besluit.]1
1° de individuele dienstverleningsovereenkomst;
2° de collectieve rechten en plichten.
In geval van dringende opvang, wordt de overeenkomst gesloten binnen vijf dagen na de aanvang van de opvang.
Als de wettelijke vertegenwoordiger van jongeren die verwezen werden door de jeugdrechter of een gemandateerde voorziening als vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 2 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, weigert de overeenkomst te ondertekenen, registreert de voorziening die weigering, met opgave van de redenen, in een register dat daarvoor is opgesteld.
§ 2. Als de gebruiker een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van het agentschap wil gebruiken om de zorg en ondersteuning te vergoeden, wordt de overeenkomst gesloten onder de opschortende voorwaarde van de controle van de overeenkomst door het agentschap, vermeld in artikel 14, eerste lid van het besluit van 24 juni 2016, of de controle van het beschikbare bedrag door het agentschap, vermeld in artikel 16, tweede lid van het voormelde besluit.]1
Art. 8. [1 § 1er. Avant de procéder au soutien, l'utilisateur et la structure concluent un contrat écrit sur les aspects suivants :
1° le contrat individuel de services ;
2° les droits et obligations collectifs.
En cas d'accueil d'urgence, le contrat est conclu dans les cinq jours après le début de l'accueil.
Lorsque le représentant légal de jeunes renvoyés par le juge de la jeunesse ou une structure mandatée telle que visée au chapitre 8, section 2 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, refuse de signer le contrat, la structure enregistre ce refus, avec mention des motifs, dans un registre établi à cet effet.
§ 2. Si l'utilisateur veut utiliser un budget de soins et de soutien non directement accessibles de l'agence pour payer les soins et le soutien, le contrat est conclu sous la condition suspensive du contrôle du contrat par l'agence, visé à l'article 14, alinéa 1er de l'arrêté du 24 juin 2016, ou du contrôle du montant disponible par l'agence, visé à l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté précité.]1
1° le contrat individuel de services ;
2° les droits et obligations collectifs.
En cas d'accueil d'urgence, le contrat est conclu dans les cinq jours après le début de l'accueil.
Lorsque le représentant légal de jeunes renvoyés par le juge de la jeunesse ou une structure mandatée telle que visée au chapitre 8, section 2 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, refuse de signer le contrat, la structure enregistre ce refus, avec mention des motifs, dans un registre établi à cet effet.
§ 2. Si l'utilisateur veut utiliser un budget de soins et de soutien non directement accessibles de l'agence pour payer les soins et le soutien, le contrat est conclu sous la condition suspensive du contrôle du contrat par l'agence, visé à l'article 14, alinéa 1er de l'arrêté du 24 juin 2016, ou du contrôle du montant disponible par l'agence, visé à l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté précité.]1
Wijzigingen
Art. 9. [1 § 1. De individuele dienstverleningsovereenkomst voor de minderjarige gebruiker wordt schriftelijk opgesteld in overleg met de gebruiker, op basis van de noden en mogelijkheden van de gebruiker. De individuele dienstverleningsovereenkomst bevat de gegevens, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
De individuele dienstverleningsovereenkomst wordt opgesteld op basis van de ondersteuningsfuncties, vermeld in artikel 10 van het besluit van 26 februari 2016 MFC. Per vorm van ondersteuning wordt de frequentie en de duur van de ondersteuning bepaald.
§ 2. De individuele dienstverleningsovereenkomst voor de meerderjarige gebruiker wordt schriftelijk opgesteld in overleg met de gebruiker op basis van de noden en mogelijkheden van de gebruiker. De individuele dienstverleningsovereenkomst bevat de gegevens, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
De individuele dienstverleningsovereenkomst wordt opgesteld op basis van de vormen van ondersteuning, vermeld in artikel 4, 1° van het besluit van 24 juni 2016. Per ondersteuningsfunctie wordt de frequentie en de duur van de ondersteuning bepaald. Op basis van de duur en de frequentie wordt bepaald welke vergoeding verschuldigd is, uitgedrukt in euro of zorggebonden punten.
[2 De meerderjarige gebruiker aan wie een aantal zorggebonden punten is toegekend als vermeld in artikel 23, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten, en die op 1 januari 2017 financiële bijdrage betaalde, betaalt verder financiële bijdrage totdat de voorziening is overgeschakeld naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten, conform artikel 26, eerste tot en met vierde lid, van het voormelde besluit, of conform artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden, of conform artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2017 over de erkenning en subsidiëring van observatie-, diagnose- en behandelingsunits.
Als de meerderjarige gebruiker, vermeld in het derde lid, de individuele dienstverleningsovereenkomst met de voorziening die hem op 31 december 2016 ondersteuning bood, wijzigt voordat die voorziening is overgeschakeld naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten en hij volledig of gedeeltelijk die voorziening verlaat en geheel of gedeeltelijk overstapt naar een andere voorziening, blijft hij financiële bijdrage betalen aan de voorziening die hem op 31 december 2016 ondersteunde en betaalt hij woon- en leefkosten als vermeld in paragraaf 3, bij de andere voorziening.]2
[2 De meerderjarige gebruiker die vanaf 1 januari 2017 start met een persoonsvolgend budget als vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde besluit van 24 juni 2016, betaalt woon- en leefkosten als vermeld in paragraaf 3.]2
[2 § 2/1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1° gebruiker: de meerderjarige gebruiker, vermeld in paragraaf 2;
2° voorziening: een zorgaanbieder die voor het verstrekken van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg of ondersteuning vergund is door het agentschap conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap.
De maximale financiële bijdrage die aan de meerderjarige gebruiker, vermeld in paragraaf 2, vanaf 21 jaar gevraagd kan worden per ondersteuningsfunctie, wordt bepaald conform de tabel, opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
De bijdrage per dag kan nooit hoger zijn dan de bijdrage voor woonondersteuning respectievelijk voor gebruikers jonger dan 21 jaar of voor gebruikers ouder dan 21 jaar. Als verschillende voorzieningen tegelijk ondersteuning bieden aan een gebruiker, regelen ze de verdeling van de maximale bijdrage onderling.
Voor individuele praktische hulp, globale individuele ondersteuning en oproepbare permanentie mag geen bijdrage gevraagd worden.
Aan gebruikers die een financiële bijdrage betalen, mogen naast de financiële bijdrage alleen nog persoonlijke, individueel toewijsbare kosten aangerekend worden. Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, vervoer naar de collectieve dagondersteuning, kosten en heffingen ten laste van een voorziening, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten.
Een gebruiker die gebruik maakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten of minstens een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° hij is bekwaam om in een erkend maatwerkbedrijf te werken;
2° hij heeft alleen motorische of zintuiglijke of licht mentale beperkingen of een niet-aangeboren hersenletsel.
Een andere gebruiker dan de gebruiker, vermeld in het vijfde lid, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, en die niet bekwaam is om in een erkend maatwerkbedrijf te werken, behoudt 190,61 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten.
Een gebruiker die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten. Dezelfde gebruiker met een arbeidsinkomen of een vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, behoudt minstens een derde van dat inkomen.
Een gebruiker die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning bij een voorziening en die ook ondersteund wordt door een pleeggezin met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg, betaalt de financiële bijdrage voor dagondersteuning met een maximum van het resterende inkomen na de aftrek van de bijdrage in de kosten van de pleegzorg en na vrijstelling van het bedrag, vermeld in artikel 62, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg.
In afwijking van het achtste lid is er tot en met 31 december 2020 geen bijdrage verschuldigd als de gebruiker voor 1 januari 2014 al opvang in een pleeggezin combineerde met opvang in een dagcentrum.
De inkomsten voor een gehuwde of wettelijk samenwonende gebruiker worden berekend door de inkomsten van de gehuwden of wettelijk samenwonenden te delen door twee als dat voordeliger is voor de gebruiker.
Met behoud van de toepassing van eventuele rechterlijke beslissingen over de onderhoudsplicht wordt het bedrag dat de gebruiker behoudt uit zijn persoonlijke inkomsten of uit een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, verhoogd met 225,22 euro per kind ten laste.
De financiële bijdrage wordt geïnd door een voorziening.
Binnen de regels, vermeld in deze paragraaf, wordt de regeling van de kosten die verschuldigd zijn door de gebruikers, bepaald in overleg met het collectief overlegorgaan.
De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, die daarvoor berekend en benoemd is in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.]2
[2 § 2/2. De meerderjarige gebruikers, vermeld in paragraaf 2, die jonger zijn dan 21 jaar, betalen de financiële bijdragen, vermeld in artikel 25 van het besluit van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap.]2
§ 3. Onder woonkosten wordt verstaan de vergoeding voor het gebruik of de huur van een woning, kamer, studio of appartement en eventueel gemeenschappelijke ruimtes die door de gebruiker in het kader van de dienstverlening gebruikt kunnen worden, met inbegrip van de vergoeding voor het gebruik van water, verwarming en elektriciteit en de vergoeding van normale en kleine herstellingen voor deze ruimtes.
De kosten voor aanpassingen aan de infrastructuur die ter beschikking gesteld wordt door de vergunde zorgaanbieder, die uitgevoerd worden met het oog op bijzondere infrastructuurnoden door de aard van de handicap, mogen niet als woonkosten aangerekend worden.
[3 De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen kan de wijze bepalen waarop de woonkosten, vermeld in het eerste lid, berekend moeten worden.]3
Onder leefkosten wordt verstaan de vergoeding voor het levensonderhoud. Het gaat om de kosten voor:
1° voeding;
2° drank;
3° onderhoud en schoonmaak van de woning en de gemeenschappelijke ruimtes;
4° aansluiting op internet en aansluiting van tv en telefoon;
5° was- en strijkservice;
6° medicatie;
7° verzorgingsproducten;
8° kleding;
9° [4 vervoer, behalve als de kosten van vervoer als een onderdeel van de kosten van de ondersteuning worden aangerekend;]4
10° ontspanning;
11° abonnementen;
12° verzekeringen.
Kosten die vergoed worden met een persoonsvolgend budget, kunnen niet ook als woon- en leefkosten worden aangerekend.
De voorziening biedt aan het collectief overlegorgaan transparantie over de principes die aan de basis liggen van de berekeningswijze van de woon- en leefkosten.
De voorziening maakt de woon- en leefkosten en aanpassingen ervan publiek kenbaar en neemt die op in de individuele dienstverleningsovereenkomst.
[3 Voor de meerderjarige gebruikers die op 1 januari 2017 financiële bijdragen betaalden en die woon- en leefkosten moeten betalen na de overschakeling naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten als vermeld in artikel 2, derde lid, wordt het bedrag van de woon- en leefkosten berekend rekening houdend met de financiële bijdragen die moesten worden betaald en met de bijkomende vergoedingen voor specifieke prestaties en verstrekkingen die aangerekend zijn voor de omschakeling naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten.
De voorzieningen berekenen het bedrag dat gemiddeld als financiële bijdrage en als bijkomende vergoeding is aangerekend.
Het bedrag van de woon- en leefkosten dat aan de gebruikers, vermeld in het achtste lid, wordt aangerekend, mag tot en met 31 december 2020 gemiddeld niet meer bedragen dan het gemiddelde bedrag vermeld in het negende lid.
Van de bepaling, vermeld in het tiende lid, kan alleen worden afgeweken na omstandige motivatie op basis van de kostenstructuur van de voorziening en na goedkeuring door het collectief overlegorgaan van de voorziening en door het agentschap.]3
§ 4. De voorziening streeft ernaar een maatschappelijk aanvaardbare ondersteuning te verstrekken aan de gebruiker of zijn omgeving.
In het eerste lid wordt verstaan onder maatschappelijk aanvaardbaar: de mate waarin de ondersteuning wordt aangeboden vanuit algemeen aanvaarde maatschappelijke waarden en rechten die vervat liggen in de Belgische Grondwet, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap.
§ 5. De voorziening hanteert een beleid dat mogelijk maakt een antwoord te bieden op vragen van de gebruiker om tijdelijk en beperkt meer ondersteuning te bieden.]1
De individuele dienstverleningsovereenkomst wordt opgesteld op basis van de ondersteuningsfuncties, vermeld in artikel 10 van het besluit van 26 februari 2016 MFC. Per vorm van ondersteuning wordt de frequentie en de duur van de ondersteuning bepaald.
§ 2. De individuele dienstverleningsovereenkomst voor de meerderjarige gebruiker wordt schriftelijk opgesteld in overleg met de gebruiker op basis van de noden en mogelijkheden van de gebruiker. De individuele dienstverleningsovereenkomst bevat de gegevens, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
De individuele dienstverleningsovereenkomst wordt opgesteld op basis van de vormen van ondersteuning, vermeld in artikel 4, 1° van het besluit van 24 juni 2016. Per ondersteuningsfunctie wordt de frequentie en de duur van de ondersteuning bepaald. Op basis van de duur en de frequentie wordt bepaald welke vergoeding verschuldigd is, uitgedrukt in euro of zorggebonden punten.
[2 De meerderjarige gebruiker aan wie een aantal zorggebonden punten is toegekend als vermeld in artikel 23, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten, en die op 1 januari 2017 financiële bijdrage betaalde, betaalt verder financiële bijdrage totdat de voorziening is overgeschakeld naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten, conform artikel 26, eerste tot en met vierde lid, van het voormelde besluit, of conform artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden, of conform artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2017 over de erkenning en subsidiëring van observatie-, diagnose- en behandelingsunits.
Als de meerderjarige gebruiker, vermeld in het derde lid, de individuele dienstverleningsovereenkomst met de voorziening die hem op 31 december 2016 ondersteuning bood, wijzigt voordat die voorziening is overgeschakeld naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten en hij volledig of gedeeltelijk die voorziening verlaat en geheel of gedeeltelijk overstapt naar een andere voorziening, blijft hij financiële bijdrage betalen aan de voorziening die hem op 31 december 2016 ondersteunde en betaalt hij woon- en leefkosten als vermeld in paragraaf 3, bij de andere voorziening.]2
[2 De meerderjarige gebruiker die vanaf 1 januari 2017 start met een persoonsvolgend budget als vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde besluit van 24 juni 2016, betaalt woon- en leefkosten als vermeld in paragraaf 3.]2
[2 § 2/1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1° gebruiker: de meerderjarige gebruiker, vermeld in paragraaf 2;
2° voorziening: een zorgaanbieder die voor het verstrekken van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg of ondersteuning vergund is door het agentschap conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap.
De maximale financiële bijdrage die aan de meerderjarige gebruiker, vermeld in paragraaf 2, vanaf 21 jaar gevraagd kan worden per ondersteuningsfunctie, wordt bepaald conform de tabel, opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
De bijdrage per dag kan nooit hoger zijn dan de bijdrage voor woonondersteuning respectievelijk voor gebruikers jonger dan 21 jaar of voor gebruikers ouder dan 21 jaar. Als verschillende voorzieningen tegelijk ondersteuning bieden aan een gebruiker, regelen ze de verdeling van de maximale bijdrage onderling.
Voor individuele praktische hulp, globale individuele ondersteuning en oproepbare permanentie mag geen bijdrage gevraagd worden.
Aan gebruikers die een financiële bijdrage betalen, mogen naast de financiële bijdrage alleen nog persoonlijke, individueel toewijsbare kosten aangerekend worden. Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, vervoer naar de collectieve dagondersteuning, kosten en heffingen ten laste van een voorziening, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten.
Een gebruiker die gebruik maakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten of minstens een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° hij is bekwaam om in een erkend maatwerkbedrijf te werken;
2° hij heeft alleen motorische of zintuiglijke of licht mentale beperkingen of een niet-aangeboren hersenletsel.
Een andere gebruiker dan de gebruiker, vermeld in het vijfde lid, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, en die niet bekwaam is om in een erkend maatwerkbedrijf te werken, behoudt 190,61 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten.
Een gebruiker die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten. Dezelfde gebruiker met een arbeidsinkomen of een vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, behoudt minstens een derde van dat inkomen.
Een gebruiker die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning bij een voorziening en die ook ondersteund wordt door een pleeggezin met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg, betaalt de financiële bijdrage voor dagondersteuning met een maximum van het resterende inkomen na de aftrek van de bijdrage in de kosten van de pleegzorg en na vrijstelling van het bedrag, vermeld in artikel 62, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg.
In afwijking van het achtste lid is er tot en met 31 december 2020 geen bijdrage verschuldigd als de gebruiker voor 1 januari 2014 al opvang in een pleeggezin combineerde met opvang in een dagcentrum.
De inkomsten voor een gehuwde of wettelijk samenwonende gebruiker worden berekend door de inkomsten van de gehuwden of wettelijk samenwonenden te delen door twee als dat voordeliger is voor de gebruiker.
Met behoud van de toepassing van eventuele rechterlijke beslissingen over de onderhoudsplicht wordt het bedrag dat de gebruiker behoudt uit zijn persoonlijke inkomsten of uit een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, verhoogd met 225,22 euro per kind ten laste.
De financiële bijdrage wordt geïnd door een voorziening.
Binnen de regels, vermeld in deze paragraaf, wordt de regeling van de kosten die verschuldigd zijn door de gebruikers, bepaald in overleg met het collectief overlegorgaan.
De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, die daarvoor berekend en benoemd is in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.]2
[2 § 2/2. De meerderjarige gebruikers, vermeld in paragraaf 2, die jonger zijn dan 21 jaar, betalen de financiële bijdragen, vermeld in artikel 25 van het besluit van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap.]2
§ 3. Onder woonkosten wordt verstaan de vergoeding voor het gebruik of de huur van een woning, kamer, studio of appartement en eventueel gemeenschappelijke ruimtes die door de gebruiker in het kader van de dienstverlening gebruikt kunnen worden, met inbegrip van de vergoeding voor het gebruik van water, verwarming en elektriciteit en de vergoeding van normale en kleine herstellingen voor deze ruimtes.
De kosten voor aanpassingen aan de infrastructuur die ter beschikking gesteld wordt door de vergunde zorgaanbieder, die uitgevoerd worden met het oog op bijzondere infrastructuurnoden door de aard van de handicap, mogen niet als woonkosten aangerekend worden.
[3 De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen kan de wijze bepalen waarop de woonkosten, vermeld in het eerste lid, berekend moeten worden.]3
Onder leefkosten wordt verstaan de vergoeding voor het levensonderhoud. Het gaat om de kosten voor:
1° voeding;
2° drank;
3° onderhoud en schoonmaak van de woning en de gemeenschappelijke ruimtes;
4° aansluiting op internet en aansluiting van tv en telefoon;
5° was- en strijkservice;
6° medicatie;
7° verzorgingsproducten;
8° kleding;
9° [4 vervoer, behalve als de kosten van vervoer als een onderdeel van de kosten van de ondersteuning worden aangerekend;]4
10° ontspanning;
11° abonnementen;
12° verzekeringen.
Kosten die vergoed worden met een persoonsvolgend budget, kunnen niet ook als woon- en leefkosten worden aangerekend.
De voorziening biedt aan het collectief overlegorgaan transparantie over de principes die aan de basis liggen van de berekeningswijze van de woon- en leefkosten.
De voorziening maakt de woon- en leefkosten en aanpassingen ervan publiek kenbaar en neemt die op in de individuele dienstverleningsovereenkomst.
[3 Voor de meerderjarige gebruikers die op 1 januari 2017 financiële bijdragen betaalden en die woon- en leefkosten moeten betalen na de overschakeling naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten als vermeld in artikel 2, derde lid, wordt het bedrag van de woon- en leefkosten berekend rekening houdend met de financiële bijdragen die moesten worden betaald en met de bijkomende vergoedingen voor specifieke prestaties en verstrekkingen die aangerekend zijn voor de omschakeling naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten.
De voorzieningen berekenen het bedrag dat gemiddeld als financiële bijdrage en als bijkomende vergoeding is aangerekend.
Het bedrag van de woon- en leefkosten dat aan de gebruikers, vermeld in het achtste lid, wordt aangerekend, mag tot en met 31 december 2020 gemiddeld niet meer bedragen dan het gemiddelde bedrag vermeld in het negende lid.
Van de bepaling, vermeld in het tiende lid, kan alleen worden afgeweken na omstandige motivatie op basis van de kostenstructuur van de voorziening en na goedkeuring door het collectief overlegorgaan van de voorziening en door het agentschap.]3
§ 4. De voorziening streeft ernaar een maatschappelijk aanvaardbare ondersteuning te verstrekken aan de gebruiker of zijn omgeving.
In het eerste lid wordt verstaan onder maatschappelijk aanvaardbaar: de mate waarin de ondersteuning wordt aangeboden vanuit algemeen aanvaarde maatschappelijke waarden en rechten die vervat liggen in de Belgische Grondwet, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap.
§ 5. De voorziening hanteert een beleid dat mogelijk maakt een antwoord te bieden op vragen van de gebruiker om tijdelijk en beperkt meer ondersteuning te bieden.]1
Art. 9. [1 § 1er. Le contrat individuel de services avec l'utilisateur mineur est établi par écrit en concertation avec l'utilisateur en fonction des besoins et des capacités de l'utilisateur. Le contrat individuel de services reprend les données, visées à l'annexe 1re au présent arrêté.
Le contrat individuel de services est établi sur la base des fonctions de soutien, visées à l'article 10 de l'arrêté du 26 février 2016 MFC. La fréquence et la durée de chaque type de soutien sont fixées.
§ 2. Le contrat individuel de services avec l'utilisateur majeur est établi par écrit en concertation avec l'utilisateur en fonction des besoins et des capacités de l'utilisateur. Le contrat individuel de services reprend les données, visées à l'annexe 1re au présent arrêté.
Le contrat individuel de services est établi sur la base des types de soutien, visés à l'article 4, 1° de l'arrêté du 24 juin 2016. La fréquence et la durée de chaque fonction de soutien sont fixées. Le montant de l'indemnité en euros ou en points de soins est déterminé en fonction de la durée et de la fréquence.
[2 L'utilisateur majeur auquel un certain nombre de points liés aux soins a été attribué conformément à l'article 23, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement personnalisé et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile, et qui ont payé une contribution financière le 1er janvier 2017, doit verser une contribution financière supplémentaire jusqu'à ce que la structure soit remplacée par un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance, conformément à l'article 26, paragraphes 1 à 4, de l'arrêté susmentionné, ou conformément à l'article 23 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés, ou conformément à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2017 sur la reconnaissance et le subventionnement des unités d'observation, de diagnostic et de traitement.
Si l'utilisateur majeur visé à l'alinéa trois modifie l'accord de prestation de services individuel avec la structure qui lui a fourni un soutien le 31 décembre 2016 avant que celle-ci n'ait été remplacée par un système dans lequel l'utilisateur assume lui-même les frais de logement et de subsistance et quitte cette structure en tout ou en partie et le transfère en tout ou en partie à une autre structure, il continue à verser une contribution financière à la structure qui l'a soutenu le 31 décembre 2016 et paie les frais de logement et de subsistance visés au troisième paragraphe de l'autre structure]2.
[2 L'utilisateur majeur qui commence à partir du 1er janvier 2017 avec un budget personnalisé tel que visé au chapitre 3 de l'arrêté précité du 24 juin 2016 paie les frais de logement et subsistance visés au paragraphe 3.]2
[2 § 2/1. Dans le présent paragraphe, on entend par :
1° utilisateur : l'utilisateur majeur visé au paragraphe 2 ;
2° structure : un prestataire de soins, qui, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées, est autorisé par l'agence à fournir des soins ou du soutien non directement accessibles.
La contribution financière maximale qui peut être demandée à l'utilisateur majeur, tel que visé au paragraphe 2, à partir de l'âge de 21 ans, par fonction de soutien, est déterminée conformément au tableau figurant à l'Annexe 5, qui est joint au présent arrêté.
La contribution par jour ne peut jamais excéder la contribution pour l'accompagnement au logement pour les utilisateurs de moins de 21 ans ou ceux de plus de 21 ans respectivement. Si différentes structures offrent simultanément un accompagnement à un utilisateur, elles règlent la répartition de la contribution maximale entre elles.
Aucune contribution ne peut être demandée pour l'aide pratique individuelle, l'accompagnement individuel global et la permanence sur appel.
Les utilisateurs qui paient une contribution financière ne peuvent se voir imputer que des frais personnels, imputables individuellement, en plus de la contribution financière. Ces coûts ne peuvent pas être liés à l'infrastructure ou à l'entretien de l'infrastructure, aux coûts énergétiques, au transport jusqu'à l'accompagnement journalier collectif, aux coûts et charges d'une structure, aux coûts de fonctionnement de l'atelier collectif dans le cadre de l'accompagnement journalier ou aux coûts administratifs.
Un utilisateur qui utilise l'accompagnement au logement et paie la contribution financière pour celle-ci conserve 357,39 euros par mois de son revenu personnel ou au moins un tiers de son revenu du travail ou de remplacement lié à un revenu de travail antérieur, s'il remplit l'une des conditions suivantes :
1° il est apte à travailler dans une entreprise de travail adapté agréée ;
2° il n'a que des déficiences motrices ou sensorielles ou mentales légères ou une lésion cérébrale non congénitale.
Un utilisateur autre que l'utilisateur visé à l'alinéa cinq, qui utilise l'accompagnement au logement et en paie la contribution financière et qui n'est pas apte à travailler dans une entreprise de travail adapté agréée, conserve 190,61 euros par mois de son revenu personnel.
Un utilisateur qui n'utilise que le soutien de jour et paie la contribution financière pour celui-ci retient 357,39 euros par mois de son revenu personnel. Le même utilisateur ayant un revenu de travail ou un revenu de remplacement lié à un revenu du travail antérieur conserve au moins un tiers de ce revenu.
Un utilisateur qui n'utilise que l'accompagnement de jour pour une structure et qui est également soutenu par une famille d'accueil conformément à la décision du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 portant organisation du placement familial, paie la contribution financière pour l'accompagnement de jour avec un maximum du revenu restant après déduction de la contribution aux frais du placement familial et après exemption du montant visé à l'article 62, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 portant organisation du placement familial.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa huit, aucune contribution ne sera due avant le 31 décembre 2020 si l'usager a déjà combiné une prise en charge dans une famille d'accueil avec une prise en charge dans un centre de jour avant le 1er janvier 2014.
Le revenu d'un utilisateur marié ou cohabitant légal s'obtient en divisant les revenus des personnes mariées ou cohabitantes légales par deux si cette option est plus avantageuse pour l'utilisateur.
Sans préjudice de l'application de décisions judiciaires éventuelles sur le devoir d'entretien, le montant que l'usager garde de ses revenus personnels ou d'un tiers de son revenu du travail ou d'un revenu de remplacement lié à un revenu de travail antérieur est majoré de 225,22 euros par enfant à charge.
La contribution financière est perçue par une structure.
Dans le cadre des règles visées au présent paragraphe, le règlement des frais à la charge des utilisateurs est déterminé en consultation avec l'organe de concertation collective.
Les montants repris dans le présent paragraphe sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et cité dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. La base est l'indice pivot valable au 1er janvier 2014.
Les montants visés dans le présent paragraphe sont toujours adaptés les 1er janvier et 1er juillet conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.]2
[2 § 2/2. Les utilisateurs majeurs visés au paragraphe 2, âgés de moins de 21 ans, paient les contributions financières visées à l'article 25 de l'arrêté du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures.]2
§ 3. Les coûts du logement concernent l'utilisation ou la location d'un logement, chambre, studio ou appartement et éventuellement des locaux communs à la disposition de l'utilisateur dans le cadre des services, y compris la consommation d'eau, de chauffage et d'électricité ainsi que les réparations limitées et normales à ces locaux.
Ne sont pas considérés comme coûts de logement les coûts d'adaptation de l'infrastructure mise à disposition par le prestataire de soins agréé aux besoins spécifiques liés au handicap.
[3 Le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions peut déterminer les modalités selon lesquelles les frais de logement visés à l'alinéa premier doivent être calculés.]3
Par coût de la vie, il faut entendre les frais de subsistance. Il s'agit des frais suivants :
1° alimentation ;
2° boissons ;
3° entretien et nettoyage du logement et des locaux communs ;
4° connexion internet et connexion de télévision et de téléphone ;
5° services de blanchisserie et de repassage ;
6° médicaments ;
7° produits de toilette ;
8° vêtements ;
9° [4 transport, sauf si les frais de transport sont imputés dans le coût de l'assistance ;]4
10° récréation ;
11° abonnements ;
12° assurances.
Les frais couverts par le budget personnalisé ne peuvent pas être considérés comme coûts de logement ou de la vie.
La structure informe l'organe de concertation collectif en toute transparence sur les principes directeurs du calcul des coûts du logement et de la vie.
La structure publie les coûts du logement et de la vie, ainsi que leur changements, et les reprend dans le contrat individuel de services.
[3 Pour les utilisateurs majeurs qui ont payé des contributions financières au 1er janvier 2017 et qui doivent payer des frais de logement et de subsistance après le passage à un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance visés à l'article 2, alinéa trois, le montant des frais de logement et de subsistance est calculé en tenant compte des contributions financières qui ont dû être payées et des rémunérations supplémentaires pour des services et prestations spécifiques qui ont été facturés pour le passage à un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance.
Les structures calculent le montant moyen facturé en tant que contribution financière et en tant que rémunération supplémentaire.
Jusqu'au 31 décembre 2020 inclus, le montant des frais de logement et de subsistance facturés aux utilisateurs visés à l'alinéa huit ne peut dépasser, en moyenne, le montant moyen visé à l'alinéa neuf.
Il ne peut être dérogé à la disposition visée à l'alinéa dix que sur la base d'une justification détaillée fondée sur la structure des coûts de la structure et après approbation de la structure par l'organisme de concertation collective et par l'agence.]3
§ 4. La structure s'efforce d'offrir un soutien socialement acceptable à l'utilisateur ou son environnement.
Dans l'alinéa 1er, on entend par socialement acceptable : basé sur les valeurs et droits sociaux généralement admis, tels que compris dans la Constitution belge, la Déclaration universelle des Droits de l'Homme et la Convention des Nations Unies du 13 décembre 2006 relative aux droits des personnes handicapées.
§ 5. La politique de la structure permet de répondre à titre temporaire et limité aux demandes de soutien renforcé par des utilisateurs.]1
Le contrat individuel de services est établi sur la base des fonctions de soutien, visées à l'article 10 de l'arrêté du 26 février 2016 MFC. La fréquence et la durée de chaque type de soutien sont fixées.
§ 2. Le contrat individuel de services avec l'utilisateur majeur est établi par écrit en concertation avec l'utilisateur en fonction des besoins et des capacités de l'utilisateur. Le contrat individuel de services reprend les données, visées à l'annexe 1re au présent arrêté.
Le contrat individuel de services est établi sur la base des types de soutien, visés à l'article 4, 1° de l'arrêté du 24 juin 2016. La fréquence et la durée de chaque fonction de soutien sont fixées. Le montant de l'indemnité en euros ou en points de soins est déterminé en fonction de la durée et de la fréquence.
[2 L'utilisateur majeur auquel un certain nombre de points liés aux soins a été attribué conformément à l'article 23, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement personnalisé et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile, et qui ont payé une contribution financière le 1er janvier 2017, doit verser une contribution financière supplémentaire jusqu'à ce que la structure soit remplacée par un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance, conformément à l'article 26, paragraphes 1 à 4, de l'arrêté susmentionné, ou conformément à l'article 23 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés, ou conformément à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2017 sur la reconnaissance et le subventionnement des unités d'observation, de diagnostic et de traitement.
Si l'utilisateur majeur visé à l'alinéa trois modifie l'accord de prestation de services individuel avec la structure qui lui a fourni un soutien le 31 décembre 2016 avant que celle-ci n'ait été remplacée par un système dans lequel l'utilisateur assume lui-même les frais de logement et de subsistance et quitte cette structure en tout ou en partie et le transfère en tout ou en partie à une autre structure, il continue à verser une contribution financière à la structure qui l'a soutenu le 31 décembre 2016 et paie les frais de logement et de subsistance visés au troisième paragraphe de l'autre structure]2.
[2 L'utilisateur majeur qui commence à partir du 1er janvier 2017 avec un budget personnalisé tel que visé au chapitre 3 de l'arrêté précité du 24 juin 2016 paie les frais de logement et subsistance visés au paragraphe 3.]2
[2 § 2/1. Dans le présent paragraphe, on entend par :
1° utilisateur : l'utilisateur majeur visé au paragraphe 2 ;
2° structure : un prestataire de soins, qui, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées, est autorisé par l'agence à fournir des soins ou du soutien non directement accessibles.
La contribution financière maximale qui peut être demandée à l'utilisateur majeur, tel que visé au paragraphe 2, à partir de l'âge de 21 ans, par fonction de soutien, est déterminée conformément au tableau figurant à l'Annexe 5, qui est joint au présent arrêté.
La contribution par jour ne peut jamais excéder la contribution pour l'accompagnement au logement pour les utilisateurs de moins de 21 ans ou ceux de plus de 21 ans respectivement. Si différentes structures offrent simultanément un accompagnement à un utilisateur, elles règlent la répartition de la contribution maximale entre elles.
Aucune contribution ne peut être demandée pour l'aide pratique individuelle, l'accompagnement individuel global et la permanence sur appel.
Les utilisateurs qui paient une contribution financière ne peuvent se voir imputer que des frais personnels, imputables individuellement, en plus de la contribution financière. Ces coûts ne peuvent pas être liés à l'infrastructure ou à l'entretien de l'infrastructure, aux coûts énergétiques, au transport jusqu'à l'accompagnement journalier collectif, aux coûts et charges d'une structure, aux coûts de fonctionnement de l'atelier collectif dans le cadre de l'accompagnement journalier ou aux coûts administratifs.
Un utilisateur qui utilise l'accompagnement au logement et paie la contribution financière pour celle-ci conserve 357,39 euros par mois de son revenu personnel ou au moins un tiers de son revenu du travail ou de remplacement lié à un revenu de travail antérieur, s'il remplit l'une des conditions suivantes :
1° il est apte à travailler dans une entreprise de travail adapté agréée ;
2° il n'a que des déficiences motrices ou sensorielles ou mentales légères ou une lésion cérébrale non congénitale.
Un utilisateur autre que l'utilisateur visé à l'alinéa cinq, qui utilise l'accompagnement au logement et en paie la contribution financière et qui n'est pas apte à travailler dans une entreprise de travail adapté agréée, conserve 190,61 euros par mois de son revenu personnel.
Un utilisateur qui n'utilise que le soutien de jour et paie la contribution financière pour celui-ci retient 357,39 euros par mois de son revenu personnel. Le même utilisateur ayant un revenu de travail ou un revenu de remplacement lié à un revenu du travail antérieur conserve au moins un tiers de ce revenu.
Un utilisateur qui n'utilise que l'accompagnement de jour pour une structure et qui est également soutenu par une famille d'accueil conformément à la décision du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 portant organisation du placement familial, paie la contribution financière pour l'accompagnement de jour avec un maximum du revenu restant après déduction de la contribution aux frais du placement familial et après exemption du montant visé à l'article 62, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 portant organisation du placement familial.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa huit, aucune contribution ne sera due avant le 31 décembre 2020 si l'usager a déjà combiné une prise en charge dans une famille d'accueil avec une prise en charge dans un centre de jour avant le 1er janvier 2014.
Le revenu d'un utilisateur marié ou cohabitant légal s'obtient en divisant les revenus des personnes mariées ou cohabitantes légales par deux si cette option est plus avantageuse pour l'utilisateur.
Sans préjudice de l'application de décisions judiciaires éventuelles sur le devoir d'entretien, le montant que l'usager garde de ses revenus personnels ou d'un tiers de son revenu du travail ou d'un revenu de remplacement lié à un revenu de travail antérieur est majoré de 225,22 euros par enfant à charge.
La contribution financière est perçue par une structure.
Dans le cadre des règles visées au présent paragraphe, le règlement des frais à la charge des utilisateurs est déterminé en consultation avec l'organe de concertation collective.
Les montants repris dans le présent paragraphe sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et cité dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. La base est l'indice pivot valable au 1er janvier 2014.
Les montants visés dans le présent paragraphe sont toujours adaptés les 1er janvier et 1er juillet conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.]2
[2 § 2/2. Les utilisateurs majeurs visés au paragraphe 2, âgés de moins de 21 ans, paient les contributions financières visées à l'article 25 de l'arrêté du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures.]2
§ 3. Les coûts du logement concernent l'utilisation ou la location d'un logement, chambre, studio ou appartement et éventuellement des locaux communs à la disposition de l'utilisateur dans le cadre des services, y compris la consommation d'eau, de chauffage et d'électricité ainsi que les réparations limitées et normales à ces locaux.
Ne sont pas considérés comme coûts de logement les coûts d'adaptation de l'infrastructure mise à disposition par le prestataire de soins agréé aux besoins spécifiques liés au handicap.
[3 Le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions peut déterminer les modalités selon lesquelles les frais de logement visés à l'alinéa premier doivent être calculés.]3
Par coût de la vie, il faut entendre les frais de subsistance. Il s'agit des frais suivants :
1° alimentation ;
2° boissons ;
3° entretien et nettoyage du logement et des locaux communs ;
4° connexion internet et connexion de télévision et de téléphone ;
5° services de blanchisserie et de repassage ;
6° médicaments ;
7° produits de toilette ;
8° vêtements ;
9° [4 transport, sauf si les frais de transport sont imputés dans le coût de l'assistance ;]4
10° récréation ;
11° abonnements ;
12° assurances.
Les frais couverts par le budget personnalisé ne peuvent pas être considérés comme coûts de logement ou de la vie.
La structure informe l'organe de concertation collectif en toute transparence sur les principes directeurs du calcul des coûts du logement et de la vie.
La structure publie les coûts du logement et de la vie, ainsi que leur changements, et les reprend dans le contrat individuel de services.
[3 Pour les utilisateurs majeurs qui ont payé des contributions financières au 1er janvier 2017 et qui doivent payer des frais de logement et de subsistance après le passage à un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance visés à l'article 2, alinéa trois, le montant des frais de logement et de subsistance est calculé en tenant compte des contributions financières qui ont dû être payées et des rémunérations supplémentaires pour des services et prestations spécifiques qui ont été facturés pour le passage à un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance.
Les structures calculent le montant moyen facturé en tant que contribution financière et en tant que rémunération supplémentaire.
Jusqu'au 31 décembre 2020 inclus, le montant des frais de logement et de subsistance facturés aux utilisateurs visés à l'alinéa huit ne peut dépasser, en moyenne, le montant moyen visé à l'alinéa neuf.
Il ne peut être dérogé à la disposition visée à l'alinéa dix que sur la base d'une justification détaillée fondée sur la structure des coûts de la structure et après approbation de la structure par l'organisme de concertation collective et par l'agence.]3
§ 4. La structure s'efforce d'offrir un soutien socialement acceptable à l'utilisateur ou son environnement.
Dans l'alinéa 1er, on entend par socialement acceptable : basé sur les valeurs et droits sociaux généralement admis, tels que compris dans la Constitution belge, la Déclaration universelle des Droits de l'Homme et la Convention des Nations Unies du 13 décembre 2006 relative aux droits des personnes handicapées.
§ 5. La politique de la structure permet de répondre à titre temporaire et limité aux demandes de soutien renforcé par des utilisateurs.]1
Art. 9/1. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° begeleid werken: de individuele en trajectmatige begeleiding van een gebruiker die niet kan worden ingeschakeld in het bestaande reguliere of beschermde arbeidscircuit, om via een aanbod van arbeidsmatige onbezoldigde activiteiten de individuele ontplooiing en de sociale integratie van die gebruiker te bevorderen;
2° werkpost: het bedrijf, de organisatie of de voorziening waar de gebruiker in het kader van begeleid werken een of meer activiteiten verricht.
§ 2. Als in de individuele dienstverleningsovereenkomst wordt overeengekomen dat de voorziening de gebruiker als dagondersteuning [2 of een van de individuele ondersteuningsfuncties]2 begeleid werken aanbiedt, voldoet die ondersteuning aan de volgende voorwaarden:
1° de aangeboden arbeidsmatige activiteiten zijn onbezoldigd;
2° de voorziening staat in voor het afsluiten van verzekeringen die de gebruiker verzekert voor:
a) lichamelijke ongevallen inclusief tijdens de verplaatsingen naar en van de werkpost;
b) burgerlijke aansprakelijkheid;
3° begeleid werken wordt georganiseerd met overeenkomsten tussen:
a) de voorziening en de werkpost;
b) de voorziening en de gebruiker;
c) de voorziening, de werkpost en de gebruiker.
De overeenkomsten, vermeld in het eerste lid, 3°, bevatten de vermeldingen en de bepalingen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
De overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 3°, b), maakt deel uit van de individuele dienstverleningsovereenkomst.]1
1° begeleid werken: de individuele en trajectmatige begeleiding van een gebruiker die niet kan worden ingeschakeld in het bestaande reguliere of beschermde arbeidscircuit, om via een aanbod van arbeidsmatige onbezoldigde activiteiten de individuele ontplooiing en de sociale integratie van die gebruiker te bevorderen;
2° werkpost: het bedrijf, de organisatie of de voorziening waar de gebruiker in het kader van begeleid werken een of meer activiteiten verricht.
§ 2. Als in de individuele dienstverleningsovereenkomst wordt overeengekomen dat de voorziening de gebruiker als dagondersteuning [2 of een van de individuele ondersteuningsfuncties]2 begeleid werken aanbiedt, voldoet die ondersteuning aan de volgende voorwaarden:
1° de aangeboden arbeidsmatige activiteiten zijn onbezoldigd;
2° de voorziening staat in voor het afsluiten van verzekeringen die de gebruiker verzekert voor:
a) lichamelijke ongevallen inclusief tijdens de verplaatsingen naar en van de werkpost;
b) burgerlijke aansprakelijkheid;
3° begeleid werken wordt georganiseerd met overeenkomsten tussen:
a) de voorziening en de werkpost;
b) de voorziening en de gebruiker;
c) de voorziening, de werkpost en de gebruiker.
De overeenkomsten, vermeld in het eerste lid, 3°, bevatten de vermeldingen en de bepalingen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
De overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 3°, b), maakt deel uit van de individuele dienstverleningsovereenkomst.]1
Art. 9/1. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° emploi assisté : l'accompagnement individuel et l'accompagnement de parcours d'un usager qui ne peut pas être inséré dans le circuit de travail existant régulier ou protégé, en vue de promouvoir l'épanouissement individuel et l'intégration sociale de cet usager par le biais d'une offre d'activités non rémunérées ;
2° poste de travail : l'entreprise, l'organisation ou la structure dans laquelle l'usager effectue une ou plusieurs activités dans le cadre de l'emploi assisté.
§ 2. Lorsqu'il est convenu dans le contrat individuel de prestation de services que la structure offre à l'usager l'emploi assisté comme accompagnement de jour, [2 ou l'une des fonctions de soutien individuel]2 cet accompagnement répond aux conditions suivantes :
1° les activités d'emploi offertes sont non rémunérées ;
2° la structure est chargée de la contraction d'assurances qui :
a) assurent l'usager contre les accidents corporels, y compris les déplacements du et vers le poste de travail ;
b) couvre la responsabilité civile ;
3° l'emploi assisté est organisé par des conventions entre :
a) la structure et le poste de travail ;
b) la structure et l'usager ;
c) la structure, le poste de travail et l'usager.
Les conventions, visées à l'alinéa premier, 3°, contiennent les mentions et les dispositions reprises à l'annexe 4, jointe au présent arrêté.
La convention, visée à l'alinéa premier, 3°, b) fait partie du contrat individuel de prestation de services.]1
1° emploi assisté : l'accompagnement individuel et l'accompagnement de parcours d'un usager qui ne peut pas être inséré dans le circuit de travail existant régulier ou protégé, en vue de promouvoir l'épanouissement individuel et l'intégration sociale de cet usager par le biais d'une offre d'activités non rémunérées ;
2° poste de travail : l'entreprise, l'organisation ou la structure dans laquelle l'usager effectue une ou plusieurs activités dans le cadre de l'emploi assisté.
§ 2. Lorsqu'il est convenu dans le contrat individuel de prestation de services que la structure offre à l'usager l'emploi assisté comme accompagnement de jour, [2 ou l'une des fonctions de soutien individuel]2 cet accompagnement répond aux conditions suivantes :
1° les activités d'emploi offertes sont non rémunérées ;
2° la structure est chargée de la contraction d'assurances qui :
a) assurent l'usager contre les accidents corporels, y compris les déplacements du et vers le poste de travail ;
b) couvre la responsabilité civile ;
3° l'emploi assisté est organisé par des conventions entre :
a) la structure et le poste de travail ;
b) la structure et l'usager ;
c) la structure, le poste de travail et l'usager.
Les conventions, visées à l'alinéa premier, 3°, contiennent les mentions et les dispositions reprises à l'annexe 4, jointe au présent arrêté.
La convention, visée à l'alinéa premier, 3°, b) fait partie du contrat individuel de prestation de services.]1
Art. 10. [1 Het overleg, vermeld in artikel 9, § 1 eerste lid, en § 2, eerste lid, wordt op een wijze georganiseerd die aan de persoon met een handicap is aangepast. De voorziening maakt daarbij gebruik van de ervaringen en inzichten van de persoon met een handicap.
Bij een conflict tussen de personen, vermeld in artikel 2, of als geen van die personen de rechten, vermeld in dit besluit, willen uitoefenen, behartigt de voorziening in teamoverleg de belangen van de gebruiker.]1
Bij een conflict tussen de personen, vermeld in artikel 2, of als geen van die personen de rechten, vermeld in dit besluit, willen uitoefenen, behartigt de voorziening in teamoverleg de belangen van de gebruiker.]1
Art. 10. [1 L'organisation de la concertation, visée à l'article 9, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 1er, est adaptée à la personne handicapée. Pour ce faire la structure fait appel à l'expérience et aux connaissances de la personne handicapée.
En cas de conflit entre les personnes visées à l'article 2, ou lorsqu'aucune des personnes concernées ne veut exercer les droits, visés au présent arrêté, la structure défend les intérêts de l'utilisateur après concertation en équipe.]1
En cas de conflit entre les personnes visées à l'article 2, ou lorsqu'aucune des personnes concernées ne veut exercer les droits, visés au présent arrêté, la structure défend les intérêts de l'utilisateur après concertation en équipe.]1
Wijzigingen
Art. 11. [1 De individuele dienstverleningsovereenkomst wordt verder geconcretiseerd in een handelingsplan voor de persoon met een handicap en de begeleiding. In het handelingsplan wordt concreet ingevuld hoe de verschillende ondersteuningsfuncties van de individuele dienstverleningsovereenkomst zullen uitgevoerd worden.
Het handelingsplan wordt door beide partijen voor akkoord ondertekend en maakt integraal deel uit van de individuele dienstverleningsovereenkomst.
Het handelingsplan wordt [2 voor meerderjarige gebruikers minstens om de drie jaar en voor minderjarige gebruikers minstens elk jaar]2 geëvalueerd en zo nodig bijgestuurd in overleg met de persoon met een handicap. Het overleg voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 10, eerste lid.
De individuele dienstverleningsovereenkomst bepaalt de frequentie, het tijdstip en de wijze van evalueren van het handelingsplan. De persoon met een handicap kan altijd bijkomend een evaluatie van het handelingsplan vragen. Als wijzigingen van het handelingsplan resulteren in wijzigingen van de duur of frequentie van de verschillende ondersteuningsfuncties van de individuele dienstverleningsovereenkomst, wordt die overeenkomst aangepast.]1
Het handelingsplan wordt door beide partijen voor akkoord ondertekend en maakt integraal deel uit van de individuele dienstverleningsovereenkomst.
Het handelingsplan wordt [2 voor meerderjarige gebruikers minstens om de drie jaar en voor minderjarige gebruikers minstens elk jaar]2 geëvalueerd en zo nodig bijgestuurd in overleg met de persoon met een handicap. Het overleg voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 10, eerste lid.
De individuele dienstverleningsovereenkomst bepaalt de frequentie, het tijdstip en de wijze van evalueren van het handelingsplan. De persoon met een handicap kan altijd bijkomend een evaluatie van het handelingsplan vragen. Als wijzigingen van het handelingsplan resulteren in wijzigingen van de duur of frequentie van de verschillende ondersteuningsfuncties van de individuele dienstverleningsovereenkomst, wordt die overeenkomst aangepast.]1
Art. 11. [1 Le contrat individuel de services est concrétisé dans un plan d'action pour la personne handicapée et son accompagnement. Le plan d'action définie la mise en pratique des différentes fonctions de soutien du contrat individuel de services.
Le plan d'action est signé par les deux parties et fait partie intégrante du contrat individuel de services.
Il est évalué à [2 au moins tous les trois ans pour les utilisateurs majeurs et au moins tous les ans pour les utilisateurs mineurs]2 et, si nécessaire, corrigé en concertation avec la personne handicapée. La concertation répond aux exigences énoncées à l'article 10, alinéa 1er.
Le contrat individuel de services spécifie la fréquence, la date et le mode de l'évaluation du plan d'action. La personne handicapée peut à tout moment demander une évaluation supplémentaire du plan d'action. Lorsqu'une modification du plan d'action conduit à un changement de la durée ou de la fréquence d'une ou plusieurs fonctions de soutien du contrat individuel de services, celui-ci est adapté en conséquence.]1
Le plan d'action est signé par les deux parties et fait partie intégrante du contrat individuel de services.
Il est évalué à [2 au moins tous les trois ans pour les utilisateurs majeurs et au moins tous les ans pour les utilisateurs mineurs]2 et, si nécessaire, corrigé en concertation avec la personne handicapée. La concertation répond aux exigences énoncées à l'article 10, alinéa 1er.
Le contrat individuel de services spécifie la fréquence, la date et le mode de l'évaluation du plan d'action. La personne handicapée peut à tout moment demander une évaluation supplémentaire du plan d'action. Lorsqu'une modification du plan d'action conduit à un changement de la durée ou de la fréquence d'une ou plusieurs fonctions de soutien du contrat individuel de services, celui-ci est adapté en conséquence.]1
Afdeling 2.
Section 2.
Art. 12. [1 De belangrijke betrokken derde van de persoon met een handicap heeft een informatierecht en hoorrecht over individuele dienstverleningsovereenkomst en het handelingsplan, bepaald in artikel 11. De voorziening voldoet aan die voormelde rechten op verzoek van de belangrijke betrokken derde en na akkoord van de persoon met een handicap.
In het eerste lid wordt verstaan onder een belangrijke betrokken derde: de persoon die de persoon met een handicap heeft aangewezen om hem bij te staan. Die persoon is geen personeelslid van de voorziening.]1
In het eerste lid wordt verstaan onder een belangrijke betrokken derde: de persoon die de persoon met een handicap heeft aangewezen om hem bij te staan. Die persoon is geen personeelslid van de voorziening.]1
Art. 12. [1 La personne de confiance de la personne handicapée a le droit d'information et d'audition concernant le contrat individuel de services et le plan d'action, visé à l'article 11. La structure respecte ces droits lorsque la personne de confiance y fait appel, moyennant l'accord de la personne handicapée.
Dans l'alinéa 1er on entend par personne de confiance : la personne que la personne handicapée a désignée pour l'assister. Cette personne n'est pas un membre du personnel de la structure.]1
Dans l'alinéa 1er on entend par personne de confiance : la personne que la personne handicapée a désignée pour l'assister. Cette personne n'est pas un membre du personnel de la structure.]1
Wijzigingen
Art. 13. [1 Voor de diensten Ondersteuningsplan moet geen handelingsplan opgesteld worden.
Bij het verlenen van rechtstreeks toegankelijke hulp vermeldt de individuele dienstverleningsovereenkomst de ondersteuning en de wijze waarop de ondersteuning geboden zal worden. Bij het verlenen van rechtstreeks toegankelijke hulp moet er geen handelingsplan opgesteld worden.]1
Bij het verlenen van rechtstreeks toegankelijke hulp vermeldt de individuele dienstverleningsovereenkomst de ondersteuning en de wijze waarop de ondersteuning geboden zal worden. Bij het verlenen van rechtstreeks toegankelijke hulp moet er geen handelingsplan opgesteld worden.]1
Art. 13. [1 Pour les services Plan de soutien aucun plan d'action ne doit être établi.
En cas d'aide directement accessible, le contrat individuel de services mentionne le soutien et la manière dont il sera offert. En cas d'aide directement accessible, aucun plan d'action ne doit être établi.]1
En cas d'aide directement accessible, le contrat individuel de services mentionne le soutien et la manière dont il sera offert. En cas d'aide directement accessible, aucun plan d'action ne doit être établi.]1
Wijzigingen
Art. 14. [1 De voorziening zorgt voor een vlotte overdracht van informatie bij de overgang tussen de verschillende vormen van ondersteuning binnen haar eigen werking.
Als de voorziening niet zelf kan voorzien in bepaalde noden van de gebruiker bij de uitvoering van de individuele dienstverleningsovereenkomst, zoekt ze actief naar samenwerking met derden en zorgt ze voor de continuïteit van de ondersteuning.
De voorziening waarborgt in overleg met de gebruiker een verantwoorde overdracht van relevante informatie over de ondersteuning.]1
Als de voorziening niet zelf kan voorzien in bepaalde noden van de gebruiker bij de uitvoering van de individuele dienstverleningsovereenkomst, zoekt ze actief naar samenwerking met derden en zorgt ze voor de continuïteit van de ondersteuning.
De voorziening waarborgt in overleg met de gebruiker een verantwoorde overdracht van relevante informatie over de ondersteuning.]1
Art. 14. [1 La structure assure un transfert adéquat d'informations lors de la transition entre les différentes formes d'appui au sein de son propre fonctionnement.
Lorsque la structure n'est pas en mesure de répondre à certains besoins de l'utilisateur lors de la mise en oeuvre du contrat individuel de services, elle fait appel à des tiers afin d'assurer la continuité du soutien.
A cet effet la structure transfère de manière responsable et en concertation avec l'utilisateur les informations pertinentes concernant le soutien.]1
Lorsque la structure n'est pas en mesure de répondre à certains besoins de l'utilisateur lors de la mise en oeuvre du contrat individuel de services, elle fait appel à des tiers afin d'assurer la continuité du soutien.
A cet effet la structure transfère de manière responsable et en concertation avec l'utilisateur les informations pertinentes concernant le soutien.]1
Wijzigingen
Art. 15. [1 Elke voorziening is er toe gehouden de collectieve rechten en plichten op te stellen en aan de gebruiker te overhandigen. De collectieve rechten en plichten omvatten de gegevens, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de voorzieningen van eenzelfde inrichtende macht, als één enkele voorziening beschouwd. Als de inrichtende macht dat wenselijk acht, kan ze evenwel voor elk van die voorzieningen afzonderlijk collectieve rechten en plichten opstellen.
De collectieve rechten en plichten waarborgen aan de gebruikers dat hun ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging, hun vrijheid en privacy, hun veiligheid en hun gezondheid geëerbiedigd zullen worden, voor zover de werking van de voorziening en de integriteit van de medegebruikers en personeel niet in het gedrang komen.]1
Voor de toepassing van het eerste lid worden de voorzieningen van eenzelfde inrichtende macht, als één enkele voorziening beschouwd. Als de inrichtende macht dat wenselijk acht, kan ze evenwel voor elk van die voorzieningen afzonderlijk collectieve rechten en plichten opstellen.
De collectieve rechten en plichten waarborgen aan de gebruikers dat hun ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging, hun vrijheid en privacy, hun veiligheid en hun gezondheid geëerbiedigd zullen worden, voor zover de werking van de voorziening en de integriteit van de medegebruikers en personeel niet in het gedrang komen.]1
Art. 15. [1 Les structures sont tenues d'établir les droits et obligations collectifs et de les remettre à l'utilisateur. Les droits et obligations collectifs et droits comprennent les données visées à l'annexe 2 au présent arrêté.
Pour l'application de l'alinéa 1er les structures d'un même pouvoir organisateur sont considérées comme une seule structure. Si le pouvoir organisateur l'estime souhaitable, il peut cependant prévoir des droits et obligations collectifs pour chacune de ces structures.
Les droits et obligations collectifs garantissent le respect des convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses, de la sécurité et de la santé des utilisateurs, pour autant que le fonctionnement de la structure et l'intégrité des autres utilisateurs et du personnel ne soient pas préjudiciés.]1
Pour l'application de l'alinéa 1er les structures d'un même pouvoir organisateur sont considérées comme une seule structure. Si le pouvoir organisateur l'estime souhaitable, il peut cependant prévoir des droits et obligations collectifs pour chacune de ces structures.
Les droits et obligations collectifs garantissent le respect des convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses, de la sécurité et de la santé des utilisateurs, pour autant que le fonctionnement de la structure et l'intégrité des autres utilisateurs et du personnel ne soient pas préjudiciés.]1
Wijzigingen
Art. 16. [1 De collectieve rechten en plichten die de gebruiker voor akkoord en ontvangst tekent, worden bij de overeenkomst, vermeld in artikel 8, gevoegd en maken er een onlosmakelijk deel van uit.
De volledige tekst van de collectieve rechten en plichten wordt na latere wijzigingen aan de gebruikers en hun vertegenwoordigers meegedeeld en is voor hen permanent ter inzage beschikbaar.]1
De volledige tekst van de collectieve rechten en plichten wordt na latere wijzigingen aan de gebruikers en hun vertegenwoordigers meegedeeld en is voor hen permanent ter inzage beschikbaar.]1
Art. 16. [1 Les droits et obligations collectifs signés par l'utilisateur pour accord et pour réception sont joints au contrat, visé à l'article 8, et en font partie intégrante.
Après des modifications ultérieures, le texte intégral des droits et obligations collectifs est transmis aux utilisateurs et à leurs représentants et reste disponible en permanence pour consultation.]1
Après des modifications ultérieures, le texte intégral des droits et obligations collectifs est transmis aux utilisateurs et à leurs représentants et reste disponible en permanence pour consultation.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4.
CHAPITRE 4.
Art. 17.
Art. 17.
Art. 18.
Art. 18.
Art. 19.
Art. 19.
Art. 20.
Art. 20.
HOOFDSTUK 5. - Rechten van de gebruiker
CHAPITRE 5. - Droits de l'usager
Afdeling 1. - Individuele inspraak
Section 1re. - Droit individuel à l'information et à la concertation
Art. 21. De gebruiker [1 ...]1 heeft recht op volledige, nauwkeurige en tijdige informatie over alle aangelegenheden in verband met zijn [1 zorg en ondersteuning]1 die hem rechtstreeks en persoonlijk aanbelangen.
Art. 21. L'usager [1 ...]1 a droit à des informations complètes, précises et ponctuelles concernant toutes les matières relatives [1 aux soins et au soutien]1 qui l'intéressent directement et personnellement.
Wijzigingen
Art. 22. Behoudens overmacht of hoogdringendheid is voorafgaand overleg met de gebruiker of zijn vertegenwoordiger verplicht als het om de volgende onderwerpen gaat :
1° wijzigingen van de individuele dienstverleningsovereenkomst [1 of het handelingsplan]1;
2° maatregelen die wegens de evolutie van de fysieke of geestelijke toestand van de gebruiker moeten genomen worden;
3° wijzigingen in de individuele woon- of leefsituatie.
Het initiatief voor dat overleg wordt genomen door de partij die een wijziging of maatregel door wil voeren.
1° wijzigingen van de individuele dienstverleningsovereenkomst [1 of het handelingsplan]1;
2° maatregelen die wegens de evolutie van de fysieke of geestelijke toestand van de gebruiker moeten genomen worden;
3° wijzigingen in de individuele woon- of leefsituatie.
Het initiatief voor dat overleg wordt genomen door de partij die een wijziging of maatregel door wil voeren.
Art. 22. Sauf en cas de force majeure ou d'urgence, une concertation préalable avec l'usager ou son représentant est obligatoire s'il s'agît des sujets suivants :
1° modifications du contrat individuel de services [1 ou du plan d'action]1;
2° mesures à prendre à cause de l'évolution de l'état physique ou mentale de l'usager;
3° modifications de la situation individuelle d'habitat ou de vie.
L'initiative de cette concertation est prise par la partie qui veut obtenir une modification ou une mesure.
1° modifications du contrat individuel de services [1 ou du plan d'action]1;
2° mesures à prendre à cause de l'évolution de l'état physique ou mentale de l'usager;
3° modifications de la situation individuelle d'habitat ou de vie.
L'initiative de cette concertation est prise par la partie qui veut obtenir une modification ou une mesure.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Het dossier
Section 2. - Le dossier
Art. 23. De gebruiker heeft recht op een dossier dat door de voorziening zorgvuldig wordt bijgehouden en veilig wordt bewaard.
Het opstellen, het bewaren en het gebruik van het dossier zijn onderworpen aan de verplichtingen [1 die voortvloeien uit de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1, en aan de verplichtingen, opgenomen in deze afdeling.
Het opstellen, het bewaren en het gebruik van het dossier zijn onderworpen aan de verplichtingen [1 die voortvloeien uit de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1, en aan de verplichtingen, opgenomen in deze afdeling.
Art. 23. L'usager a droit à un dossier qui est tenu soigneusement et conservé en sécurité par la structure.
La rédaction, la conservation et l'utilisation du dossier sont soumises aux obligations [1 découlant de la législation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]1, et aux obligations reprises dans cette section.
La rédaction, la conservation et l'utilisation du dossier sont soumises aux obligations [1 découlant de la législation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]1, et aux obligations reprises dans cette section.
Wijzigingen
Art. 24. In het dossier worden in voorkomend geval de persoonsgegevens over de gezondheid van de gebruiker apart bijgehouden. De verwerking van en de toegang tot die gegevens is onderworpen aan de relevante bepalingen uit de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en [1 de [2 wet van 3 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens]2]1.
Art. 24. Le cas échéant, les données à caractère personnel concernant la santé de l'usager sont tenues séparément dans le dossier. Le traitement de et l'accès à ces données sont soumis aux dispositions pertinentes de la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient et de [1 [2 la loi du 3 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel]2]1.
Art. 25. De minderjarige gebruiker heeft recht op inzage in zijn dossier.
De toegang tot de gegevens is onderworpen aan de bepalingen van artikel 20 tot en met 23 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp.
De toegang tot de gegevens is onderworpen aan de bepalingen van artikel 20 tot en met 23 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp.
Art. 25. L'usager mineur a droit de prendre connaissance de son dossier.
L'accès aux données est soumis aux dispositions des articles 20 à 23 inclus du décret du 7 mai 2004 relatif au statut du mineur dans l'aide intégrale à la jeunesse.
L'accès aux données est soumis aux dispositions des articles 20 à 23 inclus du décret du 7 mai 2004 relatif au statut du mineur dans l'aide intégrale à la jeunesse.
Art. 26. De meerderjarige gebruiker of zijn vertegenwoordiger heeft recht op inzage in de dossiergegevens die geen voorwerp uitmaken van het dossier van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
Gegevens die worden verstrekt door medewerkers van de voorziening en derden die zij als vertrouwelijk hebben bestempeld, kunnen alleen ingezien worden na akkoord van die medewerkers of derden.
Gegevens die een derde betreffen, kunnen alleen ingezien worden als er geen afbreuk gedaan wordt aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.
Gegevens die worden verstrekt door medewerkers van de voorziening en derden die zij als vertrouwelijk hebben bestempeld, kunnen alleen ingezien worden na akkoord van die medewerkers of derden.
Gegevens die een derde betreffen, kunnen alleen ingezien worden als er geen afbreuk gedaan wordt aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.
Art. 26. L'usager majeur ou son représentant a le droit de prendre connaissance des données de dossier ne faisant pas l'objet du dossier d'un praticien professionnel des soins de santé.
Les données fournies par des collaborateurs de la structure et des tiers et qui ont été qualifiées de confidentielles, ne peuvent être consultées qu'après accord des collaborateurs ou tiers concernés.
Les données ayant trait à un tiers ne peuvent être consultées que s'il n'est pas porté atteinte au droit du tiers à la protection de sa vie privée.
Les données fournies par des collaborateurs de la structure et des tiers et qui ont été qualifiées de confidentielles, ne peuvent être consultées qu'après accord des collaborateurs ou tiers concernés.
Les données ayant trait à un tiers ne peuvent être consultées que s'il n'est pas porté atteinte au droit du tiers à la protection de sa vie privée.
Afdeling 3. - Collectieve inspraak
Section 3. - Participation collective
Art. 27. [1 Voorzieningen die woonondersteuning aanbieden, richten een collectief overlegorgaan op.
In het eerste lid wordt verstaan onder woonondersteuning: de woonondersteuning, vermeld in artikel 4, 1°, a) van het besluit van 24 juni 2016, of een verblijf als vermeld in artikel 10, § 1, 1°, van het besluit van 26 februari 2016 MFC.]1
In het eerste lid wordt verstaan onder woonondersteuning: de woonondersteuning, vermeld in artikel 4, 1°, a) van het besluit van 24 juni 2016, of een verblijf als vermeld in artikel 10, § 1, 1°, van het besluit van 26 februari 2016 MFC.]1
Art. 27. [1 Les structures offrant un accompagnement au logement, créent un organe de concertation collectif.
Dans l'alinéa 1er, on entend par accompagnement au logement : l'accompagnement au logement, visé à l'article 4, 1°, a) de l'arrêté du 24 juin 2016, ou un séjour tel que visé à l'article 10, § 1er, 1° de l'arrêté du 26 février 2016 MFC.]1
Dans l'alinéa 1er, on entend par accompagnement au logement : l'accompagnement au logement, visé à l'article 4, 1°, a) de l'arrêté du 24 juin 2016, ou un séjour tel que visé à l'article 10, § 1er, 1° de l'arrêté du 26 février 2016 MFC.]1
Wijzigingen
Art. 28. § 1. Elk collectief overlegorgaan telt minstens drie leden. Het collectief overlegorgaan is niet meer rechtsgeldig samengesteld als er minder dan drie leden zijn. In dat geval wordt een nieuwe verkiezing georganiseerd.
§ 2. De leden van het collectief overlegorgaan worden uit en door de gebruikers van de voorziening of hun vertegenwoordigers gekozen voor een termijn van vier jaar.
De verantwoordelijken van de voorziening zijn belast met de organisatie van de verkiezingen, waarbij zij er inzonderheid over waken dat elke stemgerechtigde van de verkiezingen op de hoogte wordt gebracht en zich kandidaat kan stellen.
Als er minder dan drie leden gekozen worden, wordt collectieve inspraak georganiseerd. In [1 de collectieve rechten en plichten]1 wordt de wijze bepaald waarop die inspraak georganiseerd wordt. De verantwoordelijken van de voorziening organiseren in dat geval na twee jaar opnieuw verkiezingen.
Het mandaat van de leden van het collectief overlegorgaan is hernieuwbaar. Het mandaat van een lid vervalt :
1° bij het verstrijken van de termijn waarvoor dat lid gekozen is;
2° als de gebruiker de voorziening verlaat;
3° bij ontslag van het lid.
In de gevallen, vermeld in 2° en 3°, kan op initiatief van [1 het collectief overlegorgaan]1 en in overleg met de voorziening een andere gebruiker of vertegenwoordiger verkozen worden, die het vrijgekomen mandaat voortzet.
§ 3. Het collectief overlegorgaan stelt een huishoudelijk reglement op waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen :
1° de frequentie van de vergaderingen;
2° de wijze waarop de gebruikers of hun vertegenwoordigers een inbreng kunnen leveren aan het collectief overlegorgaan.
Het huishoudelijk reglement van het collectief overlegorgaan wordt opgenomen in het charter.
§ 2. De leden van het collectief overlegorgaan worden uit en door de gebruikers van de voorziening of hun vertegenwoordigers gekozen voor een termijn van vier jaar.
De verantwoordelijken van de voorziening zijn belast met de organisatie van de verkiezingen, waarbij zij er inzonderheid over waken dat elke stemgerechtigde van de verkiezingen op de hoogte wordt gebracht en zich kandidaat kan stellen.
Als er minder dan drie leden gekozen worden, wordt collectieve inspraak georganiseerd. In [1 de collectieve rechten en plichten]1 wordt de wijze bepaald waarop die inspraak georganiseerd wordt. De verantwoordelijken van de voorziening organiseren in dat geval na twee jaar opnieuw verkiezingen.
Het mandaat van de leden van het collectief overlegorgaan is hernieuwbaar. Het mandaat van een lid vervalt :
1° bij het verstrijken van de termijn waarvoor dat lid gekozen is;
2° als de gebruiker de voorziening verlaat;
3° bij ontslag van het lid.
In de gevallen, vermeld in 2° en 3°, kan op initiatief van [1 het collectief overlegorgaan]1 en in overleg met de voorziening een andere gebruiker of vertegenwoordiger verkozen worden, die het vrijgekomen mandaat voortzet.
§ 3. Het collectief overlegorgaan stelt een huishoudelijk reglement op waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen :
1° de frequentie van de vergaderingen;
2° de wijze waarop de gebruikers of hun vertegenwoordigers een inbreng kunnen leveren aan het collectief overlegorgaan.
Het huishoudelijk reglement van het collectief overlegorgaan wordt opgenomen in het charter.
Art. 28. § 1er. Chaque organe de concertation collective compte au moins trois membres. L'organe de concertation collective n'est plus valablement composé s'il y a moins de trois membres. Dans ce cas, une nouvelle élection est organisée.
§ 2. Les membres de l'organe de concertation collective sont choisis parmi et par les usagers de la structure ou leurs représentants pour une période de quatre ans.
Les responsables de la structure sont chargés de l'organisation des élections, et veillent en particulier à ce que chaque membre à voix délibérative soit informé des élections et puisse se porter candidat.
Lorsque moins de trois membres sont élus, une participation collective est organisée. [1 Les droits et obligations collectifs]1 détermine la façon dont cette participation est organisée. Dans ce cas, les responsables de la structure organisent à nouveau des élections après deux ans.
Le mandat des membres de l'organe de concertation collective est renouvelable. Le mandat d'un membre prend fin :
1° lors de l'expiration du délai pour lequel ce membre est choisi;
2° lorsque l'usager quitte la structure;
3° en cas de démission du membre.
Dans les cas visés aux points 2° et 3°, un autre usager ou représentant peut être élu à l'initiative [1 de l'organe de concertation collectif]1 et en concertation avec la structure, afin de poursuivre le mandat devenu vacant.
§ 3. L'organe de concertation collective établit un règlement d'ordre intérieur reprenant au moins les données suivantes :
1° la fréquence des réunions;
2° la façon dont les usagers ou leurs représentants peuvent apporter une contribution à l'organe de concertation collective.
Le règlement d'ordre intérieur de l'organe de concertation collective est repris dans [1 les droits et obligations collectifs]1.
§ 2. Les membres de l'organe de concertation collective sont choisis parmi et par les usagers de la structure ou leurs représentants pour une période de quatre ans.
Les responsables de la structure sont chargés de l'organisation des élections, et veillent en particulier à ce que chaque membre à voix délibérative soit informé des élections et puisse se porter candidat.
Lorsque moins de trois membres sont élus, une participation collective est organisée. [1 Les droits et obligations collectifs]1 détermine la façon dont cette participation est organisée. Dans ce cas, les responsables de la structure organisent à nouveau des élections après deux ans.
Le mandat des membres de l'organe de concertation collective est renouvelable. Le mandat d'un membre prend fin :
1° lors de l'expiration du délai pour lequel ce membre est choisi;
2° lorsque l'usager quitte la structure;
3° en cas de démission du membre.
Dans les cas visés aux points 2° et 3°, un autre usager ou représentant peut être élu à l'initiative [1 de l'organe de concertation collectif]1 et en concertation avec la structure, afin de poursuivre le mandat devenu vacant.
§ 3. L'organe de concertation collective établit un règlement d'ordre intérieur reprenant au moins les données suivantes :
1° la fréquence des réunions;
2° la façon dont les usagers ou leurs représentants peuvent apporter une contribution à l'organe de concertation collective.
Le règlement d'ordre intérieur de l'organe de concertation collective est repris dans [1 les droits et obligations collectifs]1.
Wijzigingen
Art. 29. § 1. Tussen de voorziening en het collectief overlegorgaan is voorafgaand overleg verplicht over :
1° [1 wijzigingen aan de collectieve rechten en plichten;]1
2° belangrijke wijzigingen in de algemene woon- en leefsituatie;
3° wijzigingen in het concept van de voorziening.
[1 Voor wijzigingen van de woon- en leefkosten is voorafgaand overleg met het collectief overlegorgaan verplicht.]1
§ 2. Zowel de voorziening als het collectief overlegorgaan hebben initiatiefrecht om advies te vragen of uit te brengen over aangelegenheden die de verhouding tussen voorziening en de gebruikers of hun vertegenwoordigers aangaan.
Er is hoorrecht en antwoordplicht over elk onderwerp waarover het collectief overlegorgaan een standpunt aan de verantwoordelijken van de voorziening mee wil delen.
§ 3. De voorziening verstrekt aan het collectief overlegorgaan de noodzakelijke informatie over beslissingen die rechtstreeks over de woon- en leefsituatie van de gebruikers gaan en over alle andere elementen die de gebruikers als groep aanbelangen, met inbegrip van informatie over de jaarrekeningen van de voorziening en het doelmatig inzetten van de middelen.
§ 4. Een afgevaardigde van het collectief overlegorgaan wordt als waarnemer uitgenodigd op de vergaderingen van de raad van bestuur van de inrichtende macht van de voorziening, voor de bespreking van die aangelegenheden die betrekking hebben op de voorziening.
Als verschillende voorzieningen tot dezelfde inrichtende macht behoren, wijzen de in voorkomend geval verschillende collectieve overlegorganen onderling een gemeenschappelijke afgevaardigde aan.
[1 § 5. Het collectief overlegorgaan kan, in naam van de gebruikers, klachten die over meer dan één gebruiker gaan, en die de gebruikers niet in persoonlijke naam bij de voorziening willen indienen, schriftelijk indienen bij de leidend ambtenaar met toepassing van artikel 36.]1
1° [1 wijzigingen aan de collectieve rechten en plichten;]1
2° belangrijke wijzigingen in de algemene woon- en leefsituatie;
3° wijzigingen in het concept van de voorziening.
[1 Voor wijzigingen van de woon- en leefkosten is voorafgaand overleg met het collectief overlegorgaan verplicht.]1
§ 2. Zowel de voorziening als het collectief overlegorgaan hebben initiatiefrecht om advies te vragen of uit te brengen over aangelegenheden die de verhouding tussen voorziening en de gebruikers of hun vertegenwoordigers aangaan.
Er is hoorrecht en antwoordplicht over elk onderwerp waarover het collectief overlegorgaan een standpunt aan de verantwoordelijken van de voorziening mee wil delen.
§ 3. De voorziening verstrekt aan het collectief overlegorgaan de noodzakelijke informatie over beslissingen die rechtstreeks over de woon- en leefsituatie van de gebruikers gaan en over alle andere elementen die de gebruikers als groep aanbelangen, met inbegrip van informatie over de jaarrekeningen van de voorziening en het doelmatig inzetten van de middelen.
§ 4. Een afgevaardigde van het collectief overlegorgaan wordt als waarnemer uitgenodigd op de vergaderingen van de raad van bestuur van de inrichtende macht van de voorziening, voor de bespreking van die aangelegenheden die betrekking hebben op de voorziening.
Als verschillende voorzieningen tot dezelfde inrichtende macht behoren, wijzen de in voorkomend geval verschillende collectieve overlegorganen onderling een gemeenschappelijke afgevaardigde aan.
[1 § 5. Het collectief overlegorgaan kan, in naam van de gebruikers, klachten die over meer dan één gebruiker gaan, en die de gebruikers niet in persoonlijke naam bij de voorziening willen indienen, schriftelijk indienen bij de leidend ambtenaar met toepassing van artikel 36.]1
Art. 29. § 1er. La structure et l'organe de concertation collective sont tenus de se concerter préalablement sur :
1° [1 des modifications aux droits et obligations collectifs]1;
2° des modifications importantes de la situation générale d'habitat et de vie;
3° des modifications du concept de la structure.
[1 Les coûts du logement et de la vie ne peuvent être modifiés qu'en concertation avec l'organe de concertation collectif.]1
§ 2. Tant la structure que l'organe de concertation collective ont le droit d'initiative pour demander ou émettre des avis sur des matières liées à la relation entre la structure et les usagers ou leurs représentants.
Il y un droit d'audition et une obligation de réponse pour chaque sujet sur lequel l'organe de concertation collective veut communiquer un point de vue aux responsables de la structure.
§ 3. La structure fournit à l'organe de concertation collective les informations nécessaires sur les décisions concernant directement la situation d'habitat et de vie des usagers et tous les autres éléments intéressant les usagers en tant que groupe, y compris les informations sur les comptes annuels de la structure et l'utilisation fonctionnelle des moyens.
§ 4. Un délégué de l'organe de concertation collective est invité en tant qu'observateur aux réunions du conseil d'administration du pouvoir organisateur de la structure pour la discussion des matières ayant trait à la structure.
Lorsque différentes structures appartiennent au même pouvoir organisateur, leurs éventuels divers organes de concertation collective désignent conjointement un délégué commun.
[1 § 5. L'organe de concertation collectif peut introduire auprès du fonctionnaire dirigeant, conformément à l'article 36, et au nom des utilisateurs, des plaintes écrites concernant plus d'un utilisateur que les utilisateurs ne souhaitent pas introduire en nom personnel.]1
1° [1 des modifications aux droits et obligations collectifs]1;
2° des modifications importantes de la situation générale d'habitat et de vie;
3° des modifications du concept de la structure.
[1 Les coûts du logement et de la vie ne peuvent être modifiés qu'en concertation avec l'organe de concertation collectif.]1
§ 2. Tant la structure que l'organe de concertation collective ont le droit d'initiative pour demander ou émettre des avis sur des matières liées à la relation entre la structure et les usagers ou leurs représentants.
Il y un droit d'audition et une obligation de réponse pour chaque sujet sur lequel l'organe de concertation collective veut communiquer un point de vue aux responsables de la structure.
§ 3. La structure fournit à l'organe de concertation collective les informations nécessaires sur les décisions concernant directement la situation d'habitat et de vie des usagers et tous les autres éléments intéressant les usagers en tant que groupe, y compris les informations sur les comptes annuels de la structure et l'utilisation fonctionnelle des moyens.
§ 4. Un délégué de l'organe de concertation collective est invité en tant qu'observateur aux réunions du conseil d'administration du pouvoir organisateur de la structure pour la discussion des matières ayant trait à la structure.
Lorsque différentes structures appartiennent au même pouvoir organisateur, leurs éventuels divers organes de concertation collective désignent conjointement un délégué commun.
[1 § 5. L'organe de concertation collectif peut introduire auprès du fonctionnaire dirigeant, conformément à l'article 36, et au nom des utilisateurs, des plaintes écrites concernant plus d'un utilisateur que les utilisateurs ne souhaitent pas introduire en nom personnel.]1
Wijzigingen
Art. 30. De voorzieningen die met toepassing van artikel 27 geen collectief overlegorgaan hoeven op te richten, organiseren [3 minstens]3 collectieve inspraak voor de gebruikers of hun vertegenwoordigers[3 voor de punten, vermeld in artikel 29, Ї 1, eerste lid, 1А tot en met 3А]3.
In [2 de collectieve rechten en plichten]2 wordt de wijze bepaald waarop die collectieve inspraak georganiseerd wordt.
[1 De diensten Ondersteuningsplan moeten geen collectieve inspraak organiseren.]1
In [2 de collectieve rechten en plichten]2 wordt de wijze bepaald waarop die collectieve inspraak georganiseerd wordt.
[1 De diensten Ondersteuningsplan moeten geen collectieve inspraak organiseren.]1
Art. 30. Les structures qui, en application de l'article 27, ne doivent pas créer un organe de concertation collective, organisent[3 au moins]3 une participation collective pour les usagers ou leurs représentants [3 sur les points, visés à l'article 29, § 1er, alinéa 1er, 1° à 3°]3.
[2 Les droits et obligations collectifs déterminent]2 la façon dont cette participation collective est organisée.
[1 Les services Plan de soutien ne doivent pas organiser de participation collective.]1
[2 Les droits et obligations collectifs déterminent]2 la façon dont cette participation collective est organisée.
[1 Les services Plan de soutien ne doivent pas organiser de participation collective.]1
Afdeling 4. - Klachtenbehandeling met betrekking tot dit hoofdstuk
Section 4. - Traitement des plaintes relatif au présent chapitre
Art. 31. Klachten over het niet naleven van de bepalingen van afdeling 1 en afdeling 2 worden behandeld volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 6.
Klachten over het niet naleven van de bepalingen van afdeling 3 worden schriftelijk gemeld aan de leidend ambtenaar.
Klachten over het niet naleven van de bepalingen van afdeling 3 worden schriftelijk gemeld aan de leidend ambtenaar.
Art. 31. Les plaintes relatives au non respect des dispositions des sections 1re et 2 sont traitées selon la procédure fixée au chapitre 6.
Les plaintes relatives au non respect des dispositions de la section 3 sont notifiées par écrit au fonctionnaire dirigeant.
Les plaintes relatives au non respect des dispositions de la section 3 sont notifiées par écrit au fonctionnaire dirigeant.
HOOFDSTUK 6. - Klachtenprocedure
CHAPITRE 6. - Procédure de réclamation
Afdeling 1. - Inleidende bepalingen
Section 1re. - Dispositions introductives
Art. 32. De procedures in dit hoofdstuk voor onderzoek en behandeling van de klachten van de gebruikers zijn niet van toepassing op de klachten over het collectief overleg.
De klachten over het beheer van gelden en goederen van de gebruikers door beheerders of personeelsleden van de voorziening worden behandeld volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen [1 of aanbieders van zorg en ondersteuning als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap]1.
De procedures in dit hoofdstuk voor onderzoek en behandeling van de klachten van de gebruikers zijn wel van toepassing op de klachten over het beheer van kleine sommen die als zakgeld voor dagelijks gebruik kunnen beschouwd worden, zoals bepaald in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen [1 of aanbieders van zorg en ondersteuning als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap]1.
De klachten over het beheer van gelden en goederen van de gebruikers door beheerders of personeelsleden van de voorziening worden behandeld volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen [1 of aanbieders van zorg en ondersteuning als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap]1.
De procedures in dit hoofdstuk voor onderzoek en behandeling van de klachten van de gebruikers zijn wel van toepassing op de klachten over het beheer van kleine sommen die als zakgeld voor dagelijks gebruik kunnen beschouwd worden, zoals bepaald in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen [1 of aanbieders van zorg en ondersteuning als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap]1.
Art. 32. Les procédures du présent chapitre relatif à l'examen et au traitement des plaintes des usagers ne s'appliquent pas aux plaintes sur la concertation collective.
Les plaintes sur la gestion des fonds et des biens des usagers par les gestionnaires ou les membres du personnel de la structure, sont traitées conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures [1 ou des offreurs de soins et de soutien tels que visés au décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées)]1.
Les procédures du présent chapitre relatif à l'examen et au traitement des plaintes des usagers s'appliquent toutefois aux plaintes sur la gestion de sommes de petite valeur qui pourraient être considérées comme de l'argent de poche d'usage quotidien, telles que visées à l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures [1 ou des offreurs de soins et de soutien tels que visés au décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées)]1.
Les plaintes sur la gestion des fonds et des biens des usagers par les gestionnaires ou les membres du personnel de la structure, sont traitées conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures [1 ou des offreurs de soins et de soutien tels que visés au décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées)]1.
Les procédures du présent chapitre relatif à l'examen et au traitement des plaintes des usagers s'appliquent toutefois aux plaintes sur la gestion de sommes de petite valeur qui pourraient être considérées comme de l'argent de poche d'usage quotidien, telles que visées à l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures [1 ou des offreurs de soins et de soutien tels que visés au décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées)]1.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Klachtenafhandeling
Section 2. - Traitement des plaintes
Art. 33. De voorziening beschrijft, in overleg met de gebruikers of in voorkomend geval met het collectief overlegorgaan, de wijze waarop ze opmerkingen, suggesties en klachten van de gebruikers of hun vertegenwoordigers afhandelt.
Die afhandelingswijze wordt opgenomen in [1 de collectieve rechten en plichten]1.
De klachten worden afgehandeld op een wijze die aan de gebruiker is aangepast en houdt rekening met de ervaringen en inzichten van de gebruikers.
Die afhandelingswijze wordt opgenomen in [1 de collectieve rechten en plichten]1.
De klachten worden afgehandeld op een wijze die aan de gebruiker is aangepast en houdt rekening met de ervaringen en inzichten van de gebruikers.
Art. 33. La structure définit, en concertation avec les usagers ou, le cas échéant, avec l'organe de concertation collective, les modalités selon lesquelles elle traite les remarques, les suggestions et les plaintes des usagers ou de leurs représentants.
Ce mode de traitement est repris dans [1 les droits et obligations collectifs]1.
Les modalités selon lesquelles les plaintes sont traitées sont adaptées à l'usager et tiennent compte des expériences et connaissances des usagers.
Ce mode de traitement est repris dans [1 les droits et obligations collectifs]1.
Les modalités selon lesquelles les plaintes sont traitées sont adaptées à l'usager et tiennent compte des expériences et connaissances des usagers.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Schriftelijke klachtenprocedure
Section 3. - Procédure de réclamation écrite
Art. 34. De gebruiker of zijn vertegenwoordiger kan steeds een schriftelijke klacht indienen bij de directie van de voorziening. De directie maakt bij ontvangst van die klacht onmiddellijk melding in een daartoe bestemd register.
De klacht kan door de indiener steeds ingetrokken worden.
De voorziening is ertoe gehouden binnen dertig dagen na het indienen van de klacht aan de indiener schriftelijk mee te delen welk gevolg aan de klacht wordt gegeven.
De klacht kan door de indiener steeds ingetrokken worden.
De voorziening is ertoe gehouden binnen dertig dagen na het indienen van de klacht aan de indiener schriftelijk mee te delen welk gevolg aan de klacht wordt gegeven.
Art. 34. L'usager ou son représentant peut toujours déposer une plainte écrite auprès de la direction de la structure. Lors de la réception de cette plainte, la direction la reprend immédiatement dans un registre destiné à cet effet.
La personne introduisant la plainte peut retirer cette plainte à tout moment.
Dans les trente jours après l'introduction de la plainte, la structure est tenue d'informer, par écrit, la personne introduisant la plainte de la suite donnée à la plainte.
La personne introduisant la plainte peut retirer cette plainte à tout moment.
Dans les trente jours après l'introduction de la plainte, la structure est tenue d'informer, par écrit, la personne introduisant la plainte de la suite donnée à la plainte.
Afdeling 4. - Klachtencommissie
Section 4. - Commission des réclamations
Art. 35. § 1. Als de afhandeling van de klacht overeenkomstig de bij artikel 34 vastgestelde procedure de indiener geen voldoening schenkt, kan die zich schriftelijk wenden tot een bij elke voorziening op te richten interne klachtencommissie.
Die klachtencommissie bestaat uit een vertegenwoordiger van de inrichtende macht van de voorziening en een persoon die is aangewezen door het collectief overlegorgaan of, bij ontstentenis daarvan, door de gebruikers of hun vertegenwoordigers in het collectief overleg.[1 De voormelde vertegenwoordiger van de inrichtende macht kan niet dezelfde persoon zijn die de klacht conform artikel 34 heeft behandeld.]1
§ 2. De klachtencommissie behandelt de klacht, hoort alle betrokken partijen en poogt ze te verzoenen.
De indiener van de klacht kan zich laten bijstaan door een derde.
De klachtencommissie deelt binnen dertig dagen nadat ze de klacht ter behandeling voorgelegd heeft gekregen, haar oordeel over de klacht schriftelijk mee aan de indiener en aan de voorziening.
Als beide leden van de klachtencommissie het niet eens zijn over het uit te brengen oordeel, worden beide standpunten meegedeeld.
§ 3. Als de klacht gegrond wordt bevonden, moet de voorziening binnen dertig dagen na de mededeling van het oordeel van de klachtencommissie aan de indiener schriftelijk meedelen welk gevolg eraan gegeven wordt.
Die klachtencommissie bestaat uit een vertegenwoordiger van de inrichtende macht van de voorziening en een persoon die is aangewezen door het collectief overlegorgaan of, bij ontstentenis daarvan, door de gebruikers of hun vertegenwoordigers in het collectief overleg.[1 De voormelde vertegenwoordiger van de inrichtende macht kan niet dezelfde persoon zijn die de klacht conform artikel 34 heeft behandeld.]1
§ 2. De klachtencommissie behandelt de klacht, hoort alle betrokken partijen en poogt ze te verzoenen.
De indiener van de klacht kan zich laten bijstaan door een derde.
De klachtencommissie deelt binnen dertig dagen nadat ze de klacht ter behandeling voorgelegd heeft gekregen, haar oordeel over de klacht schriftelijk mee aan de indiener en aan de voorziening.
Als beide leden van de klachtencommissie het niet eens zijn over het uit te brengen oordeel, worden beide standpunten meegedeeld.
§ 3. Als de klacht gegrond wordt bevonden, moet de voorziening binnen dertig dagen na de mededeling van het oordeel van de klachtencommissie aan de indiener schriftelijk meedelen welk gevolg eraan gegeven wordt.
Art. 35. § 1er. Si le traitement de la plainte, conformément à la procédure fixée par l'article 34, ne donne pas satisfaction à la personne introduisant la plainte, celle-ci peut s'adresser par écrit à une commission des réclamations interne à créer auprès de chaque structure.
Cette commission des réclamations est composée d'un représentant du pouvoir organisateur de la structure et d'une personne désignée par l'organe de consultation collective ou, à défaut de ce dernier, par les usagers ou leurs représentants au sein de la concertation collective.[1 Le représentant du pouvoir organisateur précité ne peut pas être la même personne qui a traité la plainte conformément à l'article 34.]1
§ 2. La commission des réclamations traite la plainte, entend toutes les parties concernées et tente de les réconcilier.
La personne introduisant la plainte peut se faire assister par un tiers.
Dans les trente jours après avoir reçu la plainte en vue de son traitement, la commission des réclamations informe par écrit la personne introduisant la plainte et la structure de son avis sur la plainte.
Si les deux membres de la commission des réclamations ne sont pas d'accord sur l'avis à émettre, les deux positions sont communiquées.
§ 3. Si la plainte est jugée fondée, la structure doit informer par écrit la personne introduisant la plainte de la suite donnée à sa plainte dans les trente jours suivant la communication de l'avis de la commission des réclamations.
Cette commission des réclamations est composée d'un représentant du pouvoir organisateur de la structure et d'une personne désignée par l'organe de consultation collective ou, à défaut de ce dernier, par les usagers ou leurs représentants au sein de la concertation collective.[1 Le représentant du pouvoir organisateur précité ne peut pas être la même personne qui a traité la plainte conformément à l'article 34.]1
§ 2. La commission des réclamations traite la plainte, entend toutes les parties concernées et tente de les réconcilier.
La personne introduisant la plainte peut se faire assister par un tiers.
Dans les trente jours après avoir reçu la plainte en vue de son traitement, la commission des réclamations informe par écrit la personne introduisant la plainte et la structure de son avis sur la plainte.
Si les deux membres de la commission des réclamations ne sont pas d'accord sur l'avis à émettre, les deux positions sont communiquées.
§ 3. Si la plainte est jugée fondée, la structure doit informer par écrit la personne introduisant la plainte de la suite donnée à sa plainte dans les trente jours suivant la communication de l'avis de la commission des réclamations.
Wijzigingen
Art. 36. Als de afhandeling van de klacht overeenkomstig de procedure, vastgesteld in artikel 35, de indiener nog steeds geen voldoening schenkt, kan die zich schriftelijk wenden tot de leidend ambtenaar.
De leidend ambtenaar gaat na of de voorziening al dan niet de reglementering heeft nageleefd. De leidend ambtenaar treft de nodige maatregelen met het oog op het naleven van de reglementering, als de voorziening in gebreke blijft.
De leidend ambtenaar gaat na of de voorziening al dan niet de reglementering heeft nageleefd. De leidend ambtenaar treft de nodige maatregelen met het oog op het naleven van de reglementering, als de voorziening in gebreke blijft.
Art. 36. Si le traitement de la plainte, conformément à la procédure fixée à l'article 35, ne donne toujours pas satisfaction à la personne introduisant la plainte, celle-ci peut s'adresser par écrit au fonctionnaire dirigeant.
Le fonctionnaire dirigeant vérifie si la structure a respecté ou non la réglementation et, si la structure reste en défaut, prend les mesures nécessaires en vue du respect de la réglementation.
Le fonctionnaire dirigeant vérifie si la structure a respecté ou non la réglementation et, si la structure reste en défaut, prend les mesures nécessaires en vue du respect de la réglementation.
HOOFDSTUK 7. [1 - Beëindiging van de zorg en ondersteuning]1
CHAPITRE 7. [1 - Cessation des soins et du soutien]1
Art. 37. [1 e voorziening beыindigt de zorg of ondersteuning van de gebruiker niet eenzijdig, tenzij om een van de volgende redenen:
1А wegens overmacht;
2А als de gebruiker niet meer aan de bijzondere opnamevoorwaarden, vermeld in de collectieve rechten en plichten, voldoet;
3А als de lichamelijke of geestelijke toestand van de gebruiker in die mate is gewijzigd dat het zorgaanbod van de voorziening niet meer kan beantwoorden aan de behoeften en zorgvragen van de gebruiker;
4А als de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichtingen, vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomst, of de collectieve rechten en plichten niet nakomt;
5А als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger bedrieglijke gegevens heeft verstrekt over de verklaring op erewoord, vermeld in punt 12А van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;
6А als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger geen overeenkomst sluit met het agentschap als hij een vergoeding voor hulp van derden of ondersteuning door een voorziening heeft ontvangen, om die vergoeding voor de ondersteuning aan te wenden, of de verplichtingen van die overeenkomst niet nakomt.
Ї 2. De voorziening gaat bij een eenzijdige beыindiging van de zorg en ondersteuning samen met de gebruiker op zoek naar een oplossing zodat de continuяteit van de zorg of ondersteuning verzekerd kan worden. Als dat nodig is, wordt onderzocht of in samenwerking met een andere voorziening de continuяteit van de zorg of ondersteuning verzekerd kan worden.
De voorziening bezorgt een voornemen om over te gaan tot een eenzijdige beыindiging van de zorg en ondersteuning aan de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger. De voorziening motiveert in het voormelde voornemen uitvoerig de redenen van het ontslag en vermeldt de mogelijkheid om het voornemen te betwisten conform artikel 38.
Ї 3. Voor gebruikers van voorzieningen als vermeld in [2 artikel 4, eerste lid, 2°]2, van dit besluit kan de voorziening pas overgaan tot een eenzijdige beыindiging van de zorg en ondersteuning, nadat al de volgende stappen zijn ondernomen:
1А er is een overleg geweest tussen de voorziening en de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
2А er is een beroep gedaan op hoogdrempelige individuele bijstand als vermeld in artikel 12, eerste lid, 8А, van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering;
3А er is een beroep gedaan op intensieve bemiddeling als vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 over de bemiddeling, de afstemming en de planning in het kader van persoonsvolgende financiering voor meerderjarige personen met een handicap.
Voor gebruikers van voorzieningen als vermeld in artikel 4, eerste lid, 3А, van dit besluit, kan de voorziening pas overgaan tot een eenzijdige beыindiging van de zorg en ondersteuning, nadat al de volgende stappen zijn ondernomen:
1А er is een overleg geweest tussen de voorziening en de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
2А er heeft bemiddeling als vermeld in artikel 30, tweede lid, 3А, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, plaatsgehad.
Ї 4. Als een van de stappen, vermeld in paragraaf 3, niet is gevolgd, motiveert de voorziening omstandig waarom die stap niet is gevolgd.
Een voorziening kan nooit de beыindiging of schorsing van een arbeidsovereenkomst van een tewerkgestelde gebruiker inroepen als reden voor het ontslag of voor het beыindigen van de ondersteuning.]1
1А wegens overmacht;
2А als de gebruiker niet meer aan de bijzondere opnamevoorwaarden, vermeld in de collectieve rechten en plichten, voldoet;
3А als de lichamelijke of geestelijke toestand van de gebruiker in die mate is gewijzigd dat het zorgaanbod van de voorziening niet meer kan beantwoorden aan de behoeften en zorgvragen van de gebruiker;
4А als de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichtingen, vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomst, of de collectieve rechten en plichten niet nakomt;
5А als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger bedrieglijke gegevens heeft verstrekt over de verklaring op erewoord, vermeld in punt 12А van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;
6А als de gebruiker of zijn vertegenwoordiger geen overeenkomst sluit met het agentschap als hij een vergoeding voor hulp van derden of ondersteuning door een voorziening heeft ontvangen, om die vergoeding voor de ondersteuning aan te wenden, of de verplichtingen van die overeenkomst niet nakomt.
Ї 2. De voorziening gaat bij een eenzijdige beыindiging van de zorg en ondersteuning samen met de gebruiker op zoek naar een oplossing zodat de continuяteit van de zorg of ondersteuning verzekerd kan worden. Als dat nodig is, wordt onderzocht of in samenwerking met een andere voorziening de continuяteit van de zorg of ondersteuning verzekerd kan worden.
De voorziening bezorgt een voornemen om over te gaan tot een eenzijdige beыindiging van de zorg en ondersteuning aan de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger. De voorziening motiveert in het voormelde voornemen uitvoerig de redenen van het ontslag en vermeldt de mogelijkheid om het voornemen te betwisten conform artikel 38.
Ї 3. Voor gebruikers van voorzieningen als vermeld in [2 artikel 4, eerste lid, 2°]2, van dit besluit kan de voorziening pas overgaan tot een eenzijdige beыindiging van de zorg en ondersteuning, nadat al de volgende stappen zijn ondernomen:
1А er is een overleg geweest tussen de voorziening en de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
2А er is een beroep gedaan op hoogdrempelige individuele bijstand als vermeld in artikel 12, eerste lid, 8А, van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering;
3А er is een beroep gedaan op intensieve bemiddeling als vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 over de bemiddeling, de afstemming en de planning in het kader van persoonsvolgende financiering voor meerderjarige personen met een handicap.
Voor gebruikers van voorzieningen als vermeld in artikel 4, eerste lid, 3А, van dit besluit, kan de voorziening pas overgaan tot een eenzijdige beыindiging van de zorg en ondersteuning, nadat al de volgende stappen zijn ondernomen:
1А er is een overleg geweest tussen de voorziening en de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
2А er heeft bemiddeling als vermeld in artikel 30, tweede lid, 3А, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, plaatsgehad.
Ї 4. Als een van de stappen, vermeld in paragraaf 3, niet is gevolgd, motiveert de voorziening omstandig waarom die stap niet is gevolgd.
Een voorziening kan nooit de beыindiging of schorsing van een arbeidsovereenkomst van een tewerkgestelde gebruiker inroepen als reden voor het ontslag of voor het beыindigen van de ondersteuning.]1
Art. 37. [1 § 1er. La structure n'arrête pas unilatéralement les soins ou le soutien de l'utilisateur, sauf pour l'une des raisons suivantes :
1° pour cas de force majeure ;
2° lorsque l'usager ne répond plus aux conditions d'admission particulières, visées dans les droits et obligations collectifs ;
3° lorsque l'état physique ou mental de l'usager a changé dans une mesure telle que l'offre de soins de la structure ne peut plus répondre aux besoins et aux demandes de soins de l'usager ;
4° lorsque l'usager ou son représentant légal ne respectent pas les obligations visées dans le contrat individuel de services ou dans les droits et obligations collectifs ;
5° lorsque l'usager ou son représentant ont fourni des données mensongères concernant la déclaration sur l'honneur, visée au point 12° de l'annexe 1re jointe au présent arrêté ;
6° lorsque l'usager ou son représentant ne concluent pas d'accord avec l'agence après avoir reçu une indemnité pour l'aide de tiers ou pour l'appui d'une structure, afin d'utiliser cette indemnité pour l'appui, ou s'il ne respecte pas les obligations de cet accord.
§ 2. En cas de cessation unilatérale des soins et de l'appui, la structure recherche une solution avec l'usager afin que la continuité des soins ou de l'appui puisse être garantie. Si nécessaire, il est examiné si la continuité des soins ou de l'appui puisse être garantie en collaboration avec une autre structure.
La structure remet une intention de procéder à une cessation unilatérale des soins et de l'appui à l'usager ou à son représentant légal. La structure motive en détail dans l'intention précitée les motifs de l'exclusion et signale la possibilité de contester l'intention conformément à l'article 38.
§ 3. Pour les usagers de structures telles que visées à l'[2 article 4, alinéa 1er, 2°]2, du présent arrêté, la structure ne peut procéder à une cessation unilatérale des soins et de l'appui qu'après que toutes les démarches suivantes ont été entreprises :
1° il y a eu une concertation entre la structure et l'usager ou son représentant légal ;
2° il a été fait appel à l'assistance individuelle moins accessible, telle que visée à l'article 12, alinéa 1er, 8°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 portant conditions d'autorisation et règlement de subvention des organisations d'assistance aux bénéficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisé ;
3° il a été fait appel à la médiation intensive telle que visée au chapitre 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2018 relatif à la médiation, la coordination et la planification dans le cadre du financement qui suit la personne au bénéfice de personnes handicapées majeures.
Pour les usagers de structures telles que visées à l'article 4, alinéa 1er, 3°, du présent arrêté, la structure ne peut procéder à une cessation unilatérale des soins et de l'appui qu'après que toutes les démarches suivantes ont été entreprises :
1° une concertation a eu lieu entre la structure et l'usager ou son représentant légal ;
2° une concertation telle que visée à l'article 30, alinéa 2, 3°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, a eu lieu.
§ 4. Si l'une des démarches, visées au paragraphe 3, n'a pas été entreprise, la structure motive en détail quelle en est la raison.
Une structure ne peut jamais invoquer la cessation ou la suspension d'un contrat de travail d'un usager employé comme motif d'exclusion ou de cessation de l'appui. ]1
1° pour cas de force majeure ;
2° lorsque l'usager ne répond plus aux conditions d'admission particulières, visées dans les droits et obligations collectifs ;
3° lorsque l'état physique ou mental de l'usager a changé dans une mesure telle que l'offre de soins de la structure ne peut plus répondre aux besoins et aux demandes de soins de l'usager ;
4° lorsque l'usager ou son représentant légal ne respectent pas les obligations visées dans le contrat individuel de services ou dans les droits et obligations collectifs ;
5° lorsque l'usager ou son représentant ont fourni des données mensongères concernant la déclaration sur l'honneur, visée au point 12° de l'annexe 1re jointe au présent arrêté ;
6° lorsque l'usager ou son représentant ne concluent pas d'accord avec l'agence après avoir reçu une indemnité pour l'aide de tiers ou pour l'appui d'une structure, afin d'utiliser cette indemnité pour l'appui, ou s'il ne respecte pas les obligations de cet accord.
§ 2. En cas de cessation unilatérale des soins et de l'appui, la structure recherche une solution avec l'usager afin que la continuité des soins ou de l'appui puisse être garantie. Si nécessaire, il est examiné si la continuité des soins ou de l'appui puisse être garantie en collaboration avec une autre structure.
La structure remet une intention de procéder à une cessation unilatérale des soins et de l'appui à l'usager ou à son représentant légal. La structure motive en détail dans l'intention précitée les motifs de l'exclusion et signale la possibilité de contester l'intention conformément à l'article 38.
§ 3. Pour les usagers de structures telles que visées à l'[2 article 4, alinéa 1er, 2°]2, du présent arrêté, la structure ne peut procéder à une cessation unilatérale des soins et de l'appui qu'après que toutes les démarches suivantes ont été entreprises :
1° il y a eu une concertation entre la structure et l'usager ou son représentant légal ;
2° il a été fait appel à l'assistance individuelle moins accessible, telle que visée à l'article 12, alinéa 1er, 8°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 portant conditions d'autorisation et règlement de subvention des organisations d'assistance aux bénéficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisé ;
3° il a été fait appel à la médiation intensive telle que visée au chapitre 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2018 relatif à la médiation, la coordination et la planification dans le cadre du financement qui suit la personne au bénéfice de personnes handicapées majeures.
Pour les usagers de structures telles que visées à l'article 4, alinéa 1er, 3°, du présent arrêté, la structure ne peut procéder à une cessation unilatérale des soins et de l'appui qu'après que toutes les démarches suivantes ont été entreprises :
1° une concertation a eu lieu entre la structure et l'usager ou son représentant légal ;
2° une concertation telle que visée à l'article 30, alinéa 2, 3°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, a eu lieu.
§ 4. Si l'une des démarches, visées au paragraphe 3, n'a pas été entreprise, la structure motive en détail quelle en est la raison.
Une structure ne peut jamais invoquer la cessation ou la suspension d'un contrat de travail d'un usager employé comme motif d'exclusion ou de cessation de l'appui. ]1
Art. 38. § 1. In geval van [2 het voornemen om over te gaan tot de eenzijdige beëindiging van de zorg of ondersteuning, vermeld in artikel 37, Ї 2, tweede lid]2, kan de gebruiker of zijn vertegenwoordiger die betwisting binnen dertig dagen voorleggen aan de klachtencommissie, vermeld in artikel 35.
In afwijking van artikel 35, § 1, moet vooraf geen schriftelijke klacht bij de directie van de voorziening ingediend worden.
§ 2. Voor de behandeling van [2 het voornemen om over te gaan tot de eenzijdige beыindiging van de zorg of ondersteuning, vermeld in artikel 37, Ї 2, tweede lid]2, wordt de klachtencommissie uitgebreid met een onafhankelijke derde.
De onafhankelijke derde, die bij voorkeur een expert in bemiddeling is, wordt aangewezen in onderling overleg door de voorziening en het collectief overlegorgaan, of bij ontstentenis daarvan, in overleg met de gebruikers of hun vertegenwoordigers door middel van de collectieve inspraak, vermeld in artikel 30. Het mandaat van de onafhankelijke derde heeft een termijn van vier jaar en is hernieuwbaar.
§ 3. De klachtencommissie hoort alle betrokken partijen [2 , gaat na of de stappen overeenkomstig artikel 37, Ї 3, gevolgd zijn,]2 en poogt ze te verzoenen binnen dertig dagen nadat ze [2 het voornemen om over te gaan tot de eenzijdige beëindiging van de zorg of ondersteuning, vermeld in artikel 37, Ї 2, tweede lid,]2ter behandeling voorgelegd heeft gekregen. Het resultaat van een verzoening wordt opgenomen in de individuele dienstverleningsovereenkomst.
[2 ...]2.
§ 4.[2 ...]2
In afwijking van artikel 35, § 1, moet vooraf geen schriftelijke klacht bij de directie van de voorziening ingediend worden.
§ 2. Voor de behandeling van [2 het voornemen om over te gaan tot de eenzijdige beыindiging van de zorg of ondersteuning, vermeld in artikel 37, Ї 2, tweede lid]2, wordt de klachtencommissie uitgebreid met een onafhankelijke derde.
De onafhankelijke derde, die bij voorkeur een expert in bemiddeling is, wordt aangewezen in onderling overleg door de voorziening en het collectief overlegorgaan, of bij ontstentenis daarvan, in overleg met de gebruikers of hun vertegenwoordigers door middel van de collectieve inspraak, vermeld in artikel 30. Het mandaat van de onafhankelijke derde heeft een termijn van vier jaar en is hernieuwbaar.
§ 3. De klachtencommissie hoort alle betrokken partijen [2 , gaat na of de stappen overeenkomstig artikel 37, Ї 3, gevolgd zijn,]2 en poogt ze te verzoenen binnen dertig dagen nadat ze [2 het voornemen om over te gaan tot de eenzijdige beëindiging van de zorg of ondersteuning, vermeld in artikel 37, Ї 2, tweede lid,]2ter behandeling voorgelegd heeft gekregen. Het resultaat van een verzoening wordt opgenomen in de individuele dienstverleningsovereenkomst.
[2 ...]2.
§ 4.[2 ...]2
Art. 38. § 1er. En cas [2 d'intention de procéder à la cessation unilatérale des soins ou de l'appui, visée à l'article 37, § 2, alinéa 2 ]2, l'usager ou son représentant peuvent soumettre cette contestation dans les trente jours à la commission des réclamations, visée à l'article 35.
Par dérogation à l'article 35, § 1er, il n'y a pas lieu d'introduire au préalable une plainte écrite auprès de la direction de la structure.
§ 2. Pour le traitement [2 de l'intention de procéder à la cessation unilatérale des soins ou de l'appui, visée à l'article 37, § 2, alinéa 2]2, la commission des réclamations est complétée par un tiers indépendant.
Le tiers indépendant, de préférence un expert en médiation, est désigné de commun accord par la structure et l'organe de concertation collective, ou à défaut de ce dernier, en concertation avec les usagers ou leurs représentants par la participation collective, visée à l'article 30. La durée du mandat du tiers indépendant est de quatre ans et peut être renouvelée.
§ 3. Dans les trente jours après avoir reçu la contestation [1 de la cessation unilatérale]1 [1 des soins ou]1 de l'appui en vue de son traitement, la commission des réclamations entend toutes les parties concernées [2 , vérifie si toutes les démarches conformément à l'article 37, § 3, ont été entreprises, ]2 et tente de les réconcilier. Le résultat d'une réconciliation est repris dans le contrat individuel de services.
[2 ...]2
§ 4.[2 ...]2
Par dérogation à l'article 35, § 1er, il n'y a pas lieu d'introduire au préalable une plainte écrite auprès de la direction de la structure.
§ 2. Pour le traitement [2 de l'intention de procéder à la cessation unilatérale des soins ou de l'appui, visée à l'article 37, § 2, alinéa 2]2, la commission des réclamations est complétée par un tiers indépendant.
Le tiers indépendant, de préférence un expert en médiation, est désigné de commun accord par la structure et l'organe de concertation collective, ou à défaut de ce dernier, en concertation avec les usagers ou leurs représentants par la participation collective, visée à l'article 30. La durée du mandat du tiers indépendant est de quatre ans et peut être renouvelée.
§ 3. Dans les trente jours après avoir reçu la contestation [1 de la cessation unilatérale]1 [1 des soins ou]1 de l'appui en vue de son traitement, la commission des réclamations entend toutes les parties concernées [2 , vérifie si toutes les démarches conformément à l'article 37, § 3, ont été entreprises, ]2 et tente de les réconcilier. Le résultat d'une réconciliation est repris dans le contrat individuel de services.
[2 ...]2
§ 4.[2 ...]2
Art. 38/1. [1 De voorziening kan pas overgaan tot ontslag nadat de termijn, vermeld in artikel 38, Ї 1, verstreken is of nadat de klachtenprocedure, vermeld in artikel 38, Ї 2 en Ї 3, volledig is doorlopen.
De voorziening motiveert schriftelijk en uitvoerig de reden of redenen van het ontslag.
De voorziening bezorgt het ontslag met een aangetekende brief aan de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.]1
De voorziening motiveert schriftelijk en uitvoerig de reden of redenen van het ontslag.
De voorziening bezorgt het ontslag met een aangetekende brief aan de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.]1
Art. 38/1. [1 La structure ne peut procéder à la démission qu'après que le délai, visé à l'article 38, § 1er, a expiré ou après que la procédure de règlement des plaintes, visée à l'article 38, § 2 et § 3, a été entièrement parcourue.
La structure motive en détail et par écrit la raison ou les raisons de l'exclusion.
La structure remet l'exclusion par lettre recommandée à l'usager ou à son représentant.]1
La structure motive en détail et par écrit la raison ou les raisons de l'exclusion.
La structure remet l'exclusion par lettre recommandée à l'usager ou à son représentant.]1
Art. 39. [1 De opzegtermijn voor beëindiging van de schriftelijke overeenkomst bedraagt drie maanden, tenzij bij de opzegging tussen de partijen een kortere termijn overeengekomen wordt.]1
[2 De opzegtermijn, vermeld in het eerste lid, begint op de dag waarop de voorziening de gebruiker of zijn vertegenwoordiger schriftelijk op de hoogte heeft gebracht van het ontslag conform artikel 38/1.]2
[2 De opzegtermijn, vermeld in het eerste lid, begint op de dag waarop de voorziening de gebruiker of zijn vertegenwoordiger schriftelijk op de hoogte heeft gebracht van het ontslag conform artikel 38/1.]2
Art. 39. [1 Le délai de préavis de résiliation du contrat écrit est de 3 mois, à moins que les parties conviennent un délai plus court lors de la résiliation.]1.
[2 Le délai de préavis, visé à l'alinéa 1er, commence à courir le jour où la structure a informé par écrit l'usager ou son représentant de l'exclusion conformément à l'article 38/1. ]2
[2 Le délai de préavis, visé à l'alinéa 1er, commence à courir le jour où la structure a informé par écrit l'usager ou son représentant de l'exclusion conformément à l'article 38/1. ]2
Art. 40. [1 Als een van de partijen de vastgestelde of overeengekomen opzeggingstermijn niet respecteert, betaalt die aan de andere partij een verbrekingsvergoeding.
De verbrekingsvergoeding is het equivalent van de vergoeding die verschuldigd zou zijn voor een periode van drie maanden.]1
De verbrekingsvergoeding is het equivalent van de vergoeding die verschuldigd zou zijn voor een periode van drie maanden.]1
Art. 40. [1 Lorsqu'une des parties ne respecte pas le délai de préavis fixé ou convenu, elle paie à l'autre partie une indemnité de rupture.
L'indemnité de rupture est égale à l'indemnité qui serait due pour une période de 3 mois.]1
L'indemnité de rupture est égale à l'indemnité qui serait due pour une période de 3 mois.]1
Wijzigingen
Art. 41. De voorziening waarborgt in overleg met de gebruiker of zijn vertegenwoordiger een verantwoorde overdracht van relevante informatie aan de nieuwe voorziening met betrekking tot de ondersteuning.
Art. 41. La structure garantit, en concertation avec l'usager ou son représentant un transfert justifié d'informations pertinentes à la nouvelle structure concernant l'appui.
Art. 41/1. [1 De voorziening bekijkt na de onderbreking van de ondersteuning waarbij de individuele dienstverleningsovereenkomst is beëindigd of aangepast, of ze de oorspronkelijke ondersteuning opnieuw kan opnemen of gaat samen met de gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger op zoek naar een oplossing zodat de continuïteit van de zorg of ondersteuning verzekerd kan worden.]1
Art. 41/1. [1 La structure examine après l'interruption de l'appui dans le cadre de laquelle le contrat individuel de services a été résilié ou adapté, si elle peut à nouveau reprendre l'appui initial ou recherche une solution avec l'usager ou son représentant légal afin que la continuité des soins ou de l'appui puisse être garantie.]1
HOOFDSTUK 8. - Bescherming van de integriteit
CHAPITRE 8. - Protection de l'intégrité
Afdeling 1. - Grensoverschrijdend gedrag
Section 1re. - Comportement illicite
Art. 42. De voorziening ontwikkelt een geschreven referentiekader voor grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de gebruikers[1 of medewerkers]1.
De voorziening hanteert een procedure voor preventie, detectie van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de gebruikers[1 of medewerkers]1. In die procedure is een registratiesysteem opgenomen, dat voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wetgeving betreffende de verwerking van persoonsgegevens.
De voorziening hanteert een procedure voor preventie, detectie van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de gebruikers[1 of medewerkers]1. In die procedure is een registratiesysteem opgenomen, dat voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wetgeving betreffende de verwerking van persoonsgegevens.
Art. 42. La structure met au point un cadre de référence écrit pour le comportement illicite à l'égard des usagers [1 ou collaborateurs ]1.
La structure utilise une procédure de prévention et de détection de, et de réaction appropriée au comportement illicite à l'égard des usagers[1 ou collaborateurs]1. Un système d'enregistrement qui répond aux obligations découlant de la législation relative au traitement des données à caractère personnel, est repris dans cette procédure.
La structure utilise une procédure de prévention et de détection de, et de réaction appropriée au comportement illicite à l'égard des usagers[1 ou collaborateurs]1. Un système d'enregistrement qui répond aux obligations découlant de la législation relative au traitement des données à caractère personnel, est repris dans cette procédure.
Wijzigingen
Art. 43. Grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de gebruikers wordt[2 binnen dertig dagen nadat die is geregistreerd door de voorziening,]2 gemeld aan het [1 agentschap]1.
[2 Het agentschap bepaalt de wijze waarop de melding, vermeld in het eerste lid, gebeurt.]2
[2 Het agentschap bepaalt de wijze waarop de melding, vermeld in het eerste lid, gebeurt.]2
Art. 43. Le comportement illicite à l'égard des usagers est notifié [1 à l'agence]1[2 dans les trente jours après avoir été enregistré par la structure]2.
[2 L'agence détermine la manière dont la notification, visée à l'alinéa 1er, est faite.]2
[2 L'agence détermine la manière dont la notification, visée à l'alinéa 1er, est faite.]2
Afdeling 2. - Afzonderingsmaatregelen
Section 2. - Mesures d'isolement
Art. 44.
Art. 44.
Art. 45. § 1. Een gebruiker kan [1 alleen]1 tijdelijk afgezonderd worden in de volgende gevallen :
1° het gedrag van de gebruiker houdt risico's in voor zijn eigen fysieke integriteit;
2° het gedrag van de gebruiker houdt risico's in voor de fysieke integriteit van andere gebruikers of personeelsleden;
3° de gebruiker vernielt materiaal.
[1 Zodra de toestand van de gebruiker doet veronderstellen dat het oorspronkelijk gesteld gedrag zal uitblijven, wordt de tijdelijke afzondering beëindigd.]1.
§ 2. De voorziening hanteert een procedure voor de tijdelijke afzondering.
De procedure beschrijft ten minste de wijze waarop :
1° tijdelijke afzondering wordt toegepast;
2° [1 de wettelijke vertegenwoordiger of de persoon bepaald met toepassing van artikel 2 van die tijdelijke afzondering op de hoogte gebracht wordt]1;
3° toezicht gehouden wordt op de gebruiker tijdens de tijdelijke afzondering.
1° het gedrag van de gebruiker houdt risico's in voor zijn eigen fysieke integriteit;
2° het gedrag van de gebruiker houdt risico's in voor de fysieke integriteit van andere gebruikers of personeelsleden;
3° de gebruiker vernielt materiaal.
[1 Zodra de toestand van de gebruiker doet veronderstellen dat het oorspronkelijk gesteld gedrag zal uitblijven, wordt de tijdelijke afzondering beëindigd.]1.
§ 2. De voorziening hanteert een procedure voor de tijdelijke afzondering.
De procedure beschrijft ten minste de wijze waarop :
1° tijdelijke afzondering wordt toegepast;
2° [1 de wettelijke vertegenwoordiger of de persoon bepaald met toepassing van artikel 2 van die tijdelijke afzondering op de hoogte gebracht wordt]1;
3° toezicht gehouden wordt op de gebruiker tijdens de tijdelijke afzondering.
Art. 45. § 1er. Un usager [1 ne peut être temporairement isolé que]1 dans les cas suivants :
1° le comportement de l'usager présente des risques pour sa propre intégrité physique;
2° le comportement de l'usager présente des risques pour l'intégrité physique des autres usagers ou des membres du personnel;
3° l'usager ravage du matériel.
[1 Dès que la condition de l'utilisateur permet de conclure que le comportement initial ne se reproduira pas, l'isolement temporaire est arrêté.]1.
§ 2. La structure utilise une procédure pour l'isolement temporaire.
La procédure définit au moins la façon dont :
1° l'isolement temporaire est appliqué;
2° [1 le représentant légal ou la personne déterminée par application de l'article 2 sont mis au courant de cet isolement temporaire]1;
3° l'usager est contrôlé pendant l'isolement temporaire.
1° le comportement de l'usager présente des risques pour sa propre intégrité physique;
2° le comportement de l'usager présente des risques pour l'intégrité physique des autres usagers ou des membres du personnel;
3° l'usager ravage du matériel.
[1 Dès que la condition de l'utilisateur permet de conclure que le comportement initial ne se reproduira pas, l'isolement temporaire est arrêté.]1.
§ 2. La structure utilise une procédure pour l'isolement temporaire.
La procédure définit au moins la façon dont :
1° l'isolement temporaire est appliqué;
2° [1 le représentant légal ou la personne déterminée par application de l'article 2 sont mis au courant de cet isolement temporaire]1;
3° l'usager est contrôlé pendant l'isolement temporaire.
Wijzigingen
Afdeling 3. [1Ernstige gebeurtenissen]1
Section 3. [1 Evénements graves]1
Art. 45/1. [1 Ernstige gebeurtenissen die de zorg en ondersteuning, de gezondheid, de veiligheid, de waardigheid of de integriteit van de gebruikers in het gedrang kunnen brengen, of die daarop een ernstige impact hebben, worden onmiddellijk aan het agentschap gemeld.
45/1 [1 Les événements graves qui peuvent compromettre les soins et l'appui, la santé, la sécurité, la dignité ou l'intégrité des usagers, ou qui ont un impact sérieux sur ceux-ci, sont immédiatement signalés à l'agence.
HOOFDSTUK 9. - Kwaliteitszorg
CHAPITRE 9. - Gestion de la qualité
Afdeling 1. - Kwaliteitshandboek
Section 1re. - Manuel de qualité
Art. 46. § 1. Om erkend te worden en te blijven, moet een voorziening, met behoud van de toepassing van andere erkenningsnormen, ter uitvoering van artikel 5 en 6, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003 beschikken over een kwaliteitshandboek, dat wordt vastgesteld in bijlage 3 bij dit besluit.
§ 2. Het kwaliteitshandboek is actueel, vormt een samenhangend geheel en komt overeen met de praktijk. Het ligt permanent ter beschikking van de medewerkers en de gebruikers van de voorziening.
Het kwaliteitshandboek waarborgt en is niet in tegenspraak met de bepalingen van hoofdstuk 2 tot en met 8 van dit besluit.
§ 2. Het kwaliteitshandboek is actueel, vormt een samenhangend geheel en komt overeen met de praktijk. Het ligt permanent ter beschikking van de medewerkers en de gebruikers van de voorziening.
Het kwaliteitshandboek waarborgt en is niet in tegenspraak met de bepalingen van hoofdstuk 2 tot en met 8 van dit besluit.
Art. 46. § 1er. Pour être et rester agréée, une structure doit disposer d'un manuel de qualité, tel que fixé à l'annexe 3 au présent arrêté, en exécution des articles 5 et 6, § 1er, du décret du 17 octobre 2003, sans préjudice de l'application d'autres normes d'agrément.
§ 2. Le manuel de qualité est actuel, constitue un ensemble cohérent, correspond à la pratique et est en permanence à la disposition des collaborateurs et usagers de la structure.
Le manuel de qualité garantit les dispositions des chapitres 2 à 8 inclus du présent arrêté et n'est pas contraire à ces dispositions.
§ 2. Le manuel de qualité est actuel, constitue un ensemble cohérent, correspond à la pratique et est en permanence à la disposition des collaborateurs et usagers de la structure.
Le manuel de qualité garantit les dispositions des chapitres 2 à 8 inclus du présent arrêté et n'est pas contraire à ces dispositions.
Afdeling 2. - Zelfevaluatie
Section 2. - Auto-évaluation
Art. 47. De zelfevaluatie die de voorziening uitvoert, bevat minstens :
1° een evaluatie van de gebruikersgerichte processen;
2° een evaluatie van de organisatiegerichte processen en ingezette middelen.
[1 3А de evaluatie van het beleidsplan, vermeld in artikel 48/1.]1
Die zelfevaluatie gebeurt in samenspraak met de gebruikers en de medewerkers.
Bij de evaluatie, vermeld in punt 1° en 2°, wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de processen.
Onder doeltreffendheid wordt verstaan, de mate waarin de doelstellingen gerealiseerd worden. Onder doelmatigheid wordt verstaan, de mate waarin de resultaten zich verhouden tot de middelen. Met middelen worden onder meer bedoeld : personeel, financiën, gebouwen en inrichting, uitrusting, technieken en methoden.
1° een evaluatie van de gebruikersgerichte processen;
2° een evaluatie van de organisatiegerichte processen en ingezette middelen.
[1 3А de evaluatie van het beleidsplan, vermeld in artikel 48/1.]1
Die zelfevaluatie gebeurt in samenspraak met de gebruikers en de medewerkers.
Bij de evaluatie, vermeld in punt 1° en 2°, wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de processen.
Onder doeltreffendheid wordt verstaan, de mate waarin de doelstellingen gerealiseerd worden. Onder doelmatigheid wordt verstaan, de mate waarin de resultaten zich verhouden tot de middelen. Met middelen worden onder meer bedoeld : personeel, financiën, gebouwen en inrichting, uitrusting, technieken en methoden.
Art. 47. L'auto-évaluation effectuée par la structure comprend au moins :
1° une évaluation des processus prenant en considération l'intérêt des usagers;
2° une évaluation des processus en matière organisationnelle et des moyens engagés.
[1 3° l'évaluation du plan stratégique, visé à l'article 48/1.]1
Cet auto-évaluation s'effectue en concertation avec les usagers et les collaborateurs.
Lors de l'évaluation visée aux points 1° et 2°, une attention particulière est accordée à l'efficacité et l'efficience des processus.
Par efficacité, il faut entendre la mesure dans laquelle les objectifs sont réalisés. Par efficience, on entend la mesure dans laquelle les résultats se rapportent aux moyens. Par moyens, il faut entendre entre autres : personnel, finances, bâtiments et aménagement, équipement, techniques et méthodes.
1° une évaluation des processus prenant en considération l'intérêt des usagers;
2° une évaluation des processus en matière organisationnelle et des moyens engagés.
[1 3° l'évaluation du plan stratégique, visé à l'article 48/1.]1
Cet auto-évaluation s'effectue en concertation avec les usagers et les collaborateurs.
Lors de l'évaluation visée aux points 1° et 2°, une attention particulière est accordée à l'efficacité et l'efficience des processus.
Par efficacité, il faut entendre la mesure dans laquelle les objectifs sont réalisés. Par efficience, on entend la mesure dans laquelle les résultats se rapportent aux moyens. Par moyens, il faut entendre entre autres : personnel, finances, bâtiments et aménagement, équipement, techniques et méthodes.
Wijzigingen
Art. 48. Bij elk van de evaluaties, vermeld in artikel 47, worden de vijf stappen die omschreven worden in artikel 5, § 3, tweede lid, 1° tot en met 5°, van het decreet van 17 oktober 2003 doorlopen, telkens gedurende een periode van maximaal vijf jaar.
Art. 48. Chacune des évaluations visées à l'article 47, parcourt les cinq étapes décrites à l'article 5, § 3, deuxième alinéa, 1° à 5° inclus, du décret du 17 octobre 2003, couvrant chaque fois une période de cinq ans au maximum.
Art. 48/1. [1 In dit artikel wordt verstaan onder beleidsplan: een plan dat de directie van de voorzieningen, vermeld in artikel 4, eerste lid, 1А, 2А, 3А, en 5А, na een overleg met de werknemersvertegenwoordigers in de sociale overlegorganen en de gebruikers uitwerkt om een kwaliteitsvolle inzet van het personeel te garanderen.
De directie van de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, maakt het beleidsplan op na een overleg met de werknemersvertegenwoordiging en kan dat aantonen.
Het beleidsplan bevat al de volgende doelstellingen:
1А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, versterken de interne werking om continuяteit in zorg en ondersteuning te bieden;
2А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, beschikken over competente medewerkers;
3А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, dragen via hun werking en hun zorg- en ondersteuningsaanbod bij tot een versterking van de levenskwaliteit van de persoon met een handicap en vertrekken van de behoefte van de persoon met een handicap en van zelfregie;
4А de infrastructuur die de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, inzetten, is kwaliteitsvol;
5А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, spelen in op het veranderende zorglandschap;
6А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, zijn financieel leefbaar.
Per doelstelling, vermeld in het derde lid, wordt na een overleg met de relevante stakeholders door de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, minimaal щщn indicator bepaald waaraan een streefdoel wordt gekoppeld.
Per indicator, vermeld in het vierde lid, worden aan de sociale overlegorganen jaarlijks relevante gegevens bezorgd en geduid. Op basis van de voormelde gegevens kunnen de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, nieuwe indicatoren en streefdoelen formuleren.
Het eerste beleidsplan is afgewerkt uiterlijk binnen een jaar nadat de eerste individuele dienstverleningsovereenkomst is ingegaan.
In de volgende gevallen stellen de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, een beleidsplan op conform het model van beleidsplan, dat is opgenomen in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd:
1А er is geen beleidsplan;
2А er worden geen relevante gegevens als vermeld in vijfde lid, bezorgd en geduid;
3А alle indicatoren en streefdoelen wijken in sterke mate af van de doelstellingen]1
De directie van de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, maakt het beleidsplan op na een overleg met de werknemersvertegenwoordiging en kan dat aantonen.
Het beleidsplan bevat al de volgende doelstellingen:
1А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, versterken de interne werking om continuяteit in zorg en ondersteuning te bieden;
2А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, beschikken over competente medewerkers;
3А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, dragen via hun werking en hun zorg- en ondersteuningsaanbod bij tot een versterking van de levenskwaliteit van de persoon met een handicap en vertrekken van de behoefte van de persoon met een handicap en van zelfregie;
4А de infrastructuur die de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, inzetten, is kwaliteitsvol;
5А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, spelen in op het veranderende zorglandschap;
6А de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, zijn financieel leefbaar.
Per doelstelling, vermeld in het derde lid, wordt na een overleg met de relevante stakeholders door de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, minimaal щщn indicator bepaald waaraan een streefdoel wordt gekoppeld.
Per indicator, vermeld in het vierde lid, worden aan de sociale overlegorganen jaarlijks relevante gegevens bezorgd en geduid. Op basis van de voormelde gegevens kunnen de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, nieuwe indicatoren en streefdoelen formuleren.
Het eerste beleidsplan is afgewerkt uiterlijk binnen een jaar nadat de eerste individuele dienstverleningsovereenkomst is ingegaan.
In de volgende gevallen stellen de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, een beleidsplan op conform het model van beleidsplan, dat is opgenomen in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd:
1А er is geen beleidsplan;
2А er worden geen relevante gegevens als vermeld in vijfde lid, bezorgd en geduid;
3А alle indicatoren en streefdoelen wijken in sterke mate af van de doelstellingen]1
Art. 48/1. [1 Dans le présent article, on entend par plan stratégique : un plan que la direction des structures, visées à l'article 4, alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 5°, élabore après concertation avec les représentants des travailleurs dans les organes de concertation sociale et les usagers afin de garantir la bonne qualité du déploiement du personnel.
La direction des structures, visées à l'alinéa 1er, établit le plan stratégique après concertation avec la représentation des travailleurs et est en mesure de le démontrer.
Le plan stratégique contient tous les objectifs suivants :
1° les structures, visées à l'alinéa 1er, renforcent le fonctionnement interne afin d'offrir une continuité dans les soins et l'appui ;
2° les structures, visées à l'alinéa 1er, disposent de collaborateurs compétents ;
3° les structures, visées à l'alinéa 1er, contribuent par le biais de leur fonctionnement et de leur offre de soins et d'appui à un renforcement de la qualité de vie de la personne handicapée et prennent pour point de départ le besoin de la personne handicapée et l'autodétermination ;
4° l'infrastructure mise en oeuvre par les structures, visées à l'alinéa 1er, est de bonne qualité ;
5° les structures, visées à l'alinéa 1er, réagissent aux changements du paysage des soins ;
6° les structures, visées à l'alinéa 1er, sont financièrement viables.
Par objectif, visé à l'alinéa 3, les structures, visées à l'alinéa 1er, déterminent au moins un indicateur auquel un objectif est associé, après concertation avec les parties prenantes pertinentes.
Par indicateur, visé à l'alinéa 4, des données pertinentes sont remises et expliquées chaque année aux organes de concertation sociale. Sur la base des données précitées, les structures, visées à l'alinéa 1er, peuvent formuler de nouveaux indicateurs et objectifs.
Le premier plan stratégique est achevé au plus tard un an après l'entrée en vigueur du premier contrat individuel de services.
Dans les cas suivants, les structures, visées à l'alinéa 1er, établissent un plan stratégique conformément au modèle de plan stratégique repris à l'annexe 6 qui est jointe au présent arrêté :
1° il n'y a pas de plan stratégique ;
2° aucunes données pertinentes telles que visées à l'alinéa 5 ne sont remises et expliquées ;
3° tous les indicateurs et objectifs s'écartent dans une grande mesure des objectifs.]1
La direction des structures, visées à l'alinéa 1er, établit le plan stratégique après concertation avec la représentation des travailleurs et est en mesure de le démontrer.
Le plan stratégique contient tous les objectifs suivants :
1° les structures, visées à l'alinéa 1er, renforcent le fonctionnement interne afin d'offrir une continuité dans les soins et l'appui ;
2° les structures, visées à l'alinéa 1er, disposent de collaborateurs compétents ;
3° les structures, visées à l'alinéa 1er, contribuent par le biais de leur fonctionnement et de leur offre de soins et d'appui à un renforcement de la qualité de vie de la personne handicapée et prennent pour point de départ le besoin de la personne handicapée et l'autodétermination ;
4° l'infrastructure mise en oeuvre par les structures, visées à l'alinéa 1er, est de bonne qualité ;
5° les structures, visées à l'alinéa 1er, réagissent aux changements du paysage des soins ;
6° les structures, visées à l'alinéa 1er, sont financièrement viables.
Par objectif, visé à l'alinéa 3, les structures, visées à l'alinéa 1er, déterminent au moins un indicateur auquel un objectif est associé, après concertation avec les parties prenantes pertinentes.
Par indicateur, visé à l'alinéa 4, des données pertinentes sont remises et expliquées chaque année aux organes de concertation sociale. Sur la base des données précitées, les structures, visées à l'alinéa 1er, peuvent formuler de nouveaux indicateurs et objectifs.
Le premier plan stratégique est achevé au plus tard un an après l'entrée en vigueur du premier contrat individuel de services.
Dans les cas suivants, les structures, visées à l'alinéa 1er, établissent un plan stratégique conformément au modèle de plan stratégique repris à l'annexe 6 qui est jointe au présent arrêté :
1° il n'y a pas de plan stratégique ;
2° aucunes données pertinentes telles que visées à l'alinéa 5 ne sont remises et expliquées ;
3° tous les indicateurs et objectifs s'écartent dans une grande mesure des objectifs.]1
Afdeling 3. - Kwaliteitsindicatoren
Section 3. - Indicateurs de qualité
Art. 49. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de aspecten van zorg uit de lijst, opgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 6, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003, die door de voorzieningen in de zelfevaluatie moeten opgenomen worden.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de indicatoren die bij de zelfevaluatie van de aspecten van zorg gehanteerd worden.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de indicatoren die bij de zelfevaluatie van de aspecten van zorg gehanteerd worden.
Art. 49. Le Ministre flamand compétent pour l'assistance aux personnes détermine les aspects de soins de la liste, établie par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 6, § 2, du décret du 17 octobre 2003, qui doivent être repris dans l'auto-évaluation par les structures.
Le Ministre flamand compétent pour l'assistance aux personnes, détermine les indicateurs utilisés lors de l'auto-évaluation des aspects de soins.
Le Ministre flamand compétent pour l'assistance aux personnes, détermine les indicateurs utilisés lors de l'auto-évaluation des aspects de soins.
HOOFDSTUK 10. - Identificatienummer Rijksregister en herkenbaarheid
CHAPITRE 10. - Numéro d'identification du Registre national et caractère reconnaissable
Afdeling 1. - Gebruik van het identificatienummer bij het Rijksregister van natuurlijke personen
Section 1re. - Utilisation du numéro d'identification auprès du Registre national des personnes physiques
Art. 50. De voorziening mag het identificatienummer van de gebruiker bij het Rijksregister van natuurlijke personen alleen gebruiken voor de betrekkingen met het agentschap.
De rechtspersoon die fungeert als inrichtende macht van de voorziening, alsook alle personeelsleden van de voorziening die het identificatienummer van de gebruiker bij het Rijksregister van natuurlijke personen gebruiken, moeten een verbintenis ondertekenen overeenkomstig het model dat het agentschap vastgesteld heeft.
Onverminderd de strafbepalingen, opgenomen in de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, wordt bij het niet naleven van de verplichtingen, vermeld in deze afdeling, de erkenning van de voorziening geschorst of ingetrokken. Dat gebeurt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld bij artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of bij artikelen 15 en 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
De rechtspersoon die fungeert als inrichtende macht van de voorziening, alsook alle personeelsleden van de voorziening die het identificatienummer van de gebruiker bij het Rijksregister van natuurlijke personen gebruiken, moeten een verbintenis ondertekenen overeenkomstig het model dat het agentschap vastgesteld heeft.
Onverminderd de strafbepalingen, opgenomen in de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, wordt bij het niet naleven van de verplichtingen, vermeld in deze afdeling, de erkenning van de voorziening geschorst of ingetrokken. Dat gebeurt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld bij artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of bij artikelen 15 en 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
Art. 50. La structure ne peut utiliser le numéro d'identification de l'usager auprès du Registre national des personnes physiques que pour les relations avec l'agence.
La personne morale agissant en tant que pouvoir organisateur de la structure, ainsi que tous les membres du personnel de la structure qui utilisent le numéro d'identification de l'usager auprès du Registre national des personnel physiques, doivent signer un engagement conformément au modèle fixé par l'agence.
Sans préjudice des dispositions pénales, reprises dans la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, l'agrément de la structure est suspendu ou retiré lorsque les obligations visées à la présente section ne sont pas respectées. Cela se fait conformément aux règles fixées par l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991relatif à l'enregistrement auprès de la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" ou par les articles 15 et 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'agence "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap".
La personne morale agissant en tant que pouvoir organisateur de la structure, ainsi que tous les membres du personnel de la structure qui utilisent le numéro d'identification de l'usager auprès du Registre national des personnel physiques, doivent signer un engagement conformément au modèle fixé par l'agence.
Sans préjudice des dispositions pénales, reprises dans la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, l'agrément de la structure est suspendu ou retiré lorsque les obligations visées à la présente section ne sont pas respectées. Cela se fait conformément aux règles fixées par l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991relatif à l'enregistrement auprès de la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" ou par les articles 15 et 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'agence "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap".
Afdeling 2. - Herkenbaarheid van de financiering door het agentschap.
Section 2. - Identification du financement par l'agence.
Art. 51. Op het briefpapier met het briefhoofd van de voorziening of van de afdeling van de voorziening moet steeds de vermelding "[1 Erkend of vergund]1 door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" en het logo van het agentschap zijn opgenomen. Dat briefpapier wordt gebruikt voor alle briefwisseling die van de voorzieningen uitgaat en voor elke facturatie aan de gebruiker.
Het agentschap kan nadere bepalingen vaststellen over de afmeting en de plaats van de vermelding en het logo, en over de manier waarop ze op het briefpapier zijn opgenomen.
[1 De vermelding, vermeld in het eerste lid, wordt ook opgenomen in elektronische communicatiemiddelen en elektronische media die de gebruikers als doelgroep hebben.]1
Het agentschap kan nadere bepalingen vaststellen over de afmeting en de plaats van de vermelding en het logo, en over de manier waarop ze op het briefpapier zijn opgenomen.
[1 De vermelding, vermeld in het eerste lid, wordt ook opgenomen in elektronische communicatiemiddelen en elektronische media die de gebruikers als doelgroep hebben.]1
Art. 51. La mention "Erkend en gesubsidieerd door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" ([1 Agréé ou autorisé]1 par la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap") et le logo de l'agence doivent toujours être repris dans le papier à lettres portant l'en-tête de la structure ou de la division de la structure. Ce papier à lettres est utilisé pour toute correspondance émanant des structures et pour chaque facture à l'usager.
L'agence peut fixer des règles spécifiques relatives à la dimension et à la position de la mention et du logo, et à la façon dont ils sont repris dans le papier à lettres.
[1 La mention, visée à l'alinéa 1er, est également reprise dans les moyens de communication et médias électroniques s'adressant aux utilisateurs.]1
L'agence peut fixer des règles spécifiques relatives à la dimension et à la position de la mention et du logo, et à la façon dont ils sont repris dans le papier à lettres.
[1 La mention, visée à l'alinéa 1er, est également reprise dans les moyens de communication et médias électroniques s'adressant aux utilisateurs.]1
Wijzigingen
Art. 52.
Art. 52.
HOOFDSTUK 11. - Toezicht, evaluatie en strafbepalingen
CHAPITRE 11. - Contrôle, évaluation et dispositions pénales
Art. 53. De personeelsleden van [1 Zorginspectie]1 zijn belast met het toezicht op het naleven van de bepalingen van dit besluit.
[2 ...]2.
[2 ...]2.
Art. 53. Les membres du personnel de [1 Zorginspectie]1 sont chargés du contrôle du respect des dispositions du présent arrêté.
[2 ...]2.
[2 ...]2.
Art. 54. [1 De voorziening stelt verslagen van het toezicht, vermeld in artikel 53, ter beschikking van de gebruikers of hun vertegenwoordigers, via het collectief overleg van de voorziening of, als er geen collectief overleg heeft plaatsgevonden, raadpleegbaar voor haar gebruikers op een toegankelijke wijze en aan hun medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers.
Verslagen van toezicht naar aanleiding van een klacht of melding kunnen opgevraagd worden bij Zorginspectie.]1
Verslagen van toezicht naar aanleiding van een klacht of melding kunnen opgevraagd worden bij Zorginspectie.]1
Art. 54. [1 La structure met les comptes rendus du contrôle, visé à l'article 53, à disposition des usagers ou de leurs représentants, via la concertation collective de la structure ou, si aucune concertation collective n'a eu lieu, les rend consultables pour ses usagers de manière accessible et à ses collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs.
Les comptes rendus du contrôle par suite d'une réclamation ou d'une notification peuvent être demandés auprès de l'Inspection des Soins.]1
Les comptes rendus du contrôle par suite d'une réclamation ou d'une notification peuvent être demandés auprès de l'Inspection des Soins.]1
Wijzigingen
Art. 55. § 1. Als een voorziening niet voldoet aan de vereisten voor een verantwoorde ondersteuning en de daaruit voortvloeiende verplichtingen zoals die decretaal en reglementair bepaald zijn, stelt het gemachtigde personeelslid van [1 Zorginspectie]1 dat vast in het [3 "het verslag van het toezicht]3. Dat [3 verslag]3 geeft op gemotiveerde wijze aan op welke punten de vereisten voor een verantwoorde ondersteuning en de daaruit voortvloeiende decretaal en reglementair bepaalde verplichtingen niet of onvoldoende nageleefd werden.
§ 2. De leidend ambtenaar kan aan de voorziening vragen binnen een te bepalen termijn de nodige maatregelen te nemen om aan de verplichtingen te voldoen. Die termijn bedraagt minstens [2 drie]2 maanden en hoogstens twaalf maanden.
De voorziening heeft het recht om tegen dit rapport of tegen die opgelegde termijn schriftelijk bezwaar in te dienen bij de leidend ambtenaar, op straffe van verval binnen veertien dagen na ontvangst van het bericht van de leidend ambtenaar. Na onderzoek van de bezwaren bevestigt of vernietigt de leidend ambtenaar de vraag om de nodige maatregelen te treffen.
[4 De voorziening brengt het agentschap binnen de voormelde termijn op de hoogte van de manier waarop de inbreuk is weggewerkt. Als de voormelde termijn niet gehaald kan worden, bezorgt de voorziening aan het agentschap een plan over de wijze waarop en de termijn waarin de inbreuk wel weggewerkt zal zijn.]4
§ 2. De leidend ambtenaar kan aan de voorziening vragen binnen een te bepalen termijn de nodige maatregelen te nemen om aan de verplichtingen te voldoen. Die termijn bedraagt minstens [2 drie]2 maanden en hoogstens twaalf maanden.
De voorziening heeft het recht om tegen dit rapport of tegen die opgelegde termijn schriftelijk bezwaar in te dienen bij de leidend ambtenaar, op straffe van verval binnen veertien dagen na ontvangst van het bericht van de leidend ambtenaar. Na onderzoek van de bezwaren bevestigt of vernietigt de leidend ambtenaar de vraag om de nodige maatregelen te treffen.
[4 De voorziening brengt het agentschap binnen de voormelde termijn op de hoogte van de manier waarop de inbreuk is weggewerkt. Als de voormelde termijn niet gehaald kan worden, bezorgt de voorziening aan het agentschap een plan over de wijze waarop en de termijn waarin de inbreuk wel weggewerkt zal zijn.]4
Art. 55. § 1er. Lorsqu'une structure ne répond pas aux exigences en matière d'appui justifié, ni aux obligations qui en découlent, telles que définies par décret et par règlement, le membre du personnel mandaté de [1 Zorginspectie]1 en fait mention dans [3 le compte rendu du contrôle]3. Ce [3 compte rendu]3 précise de manière motivée les points sur lesquels les exigences en matière d'appui justifié et les obligations décrétales et réglementaires qui en découlent, n'ont pas ou insuffisamment été respectées.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant peut demander à la structure de prendre, dans un délai à fixer, les mesures nécessaires pour satisfaire aux obligations. Ce délai a une durée d'au moins [2 trois]2 mois et au plus douze mois.
Sous peine de déchéance, la structure a le droit d'introduire un recours écrit contre ce rapport ou délai imparti auprès du fonctionnaire dirigeant, dans les quinze jours de la réception de la notification du fonctionnaire dirigeant. Après examen des objections, le fonctionnaire dirigeant confirme ou annule la demande de prendre les mesures nécessaires.
[4 La structure informe l'agence dans le délai précité de la manière dont il a été remédié à l'infraction. Si le délai précité ne peut pas être tenu, la structure remet à l'agence un plan sur la manière et les délais dans lesquels il aura été remédié à l'infraction.]4
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant peut demander à la structure de prendre, dans un délai à fixer, les mesures nécessaires pour satisfaire aux obligations. Ce délai a une durée d'au moins [2 trois]2 mois et au plus douze mois.
Sous peine de déchéance, la structure a le droit d'introduire un recours écrit contre ce rapport ou délai imparti auprès du fonctionnaire dirigeant, dans les quinze jours de la réception de la notification du fonctionnaire dirigeant. Après examen des objections, le fonctionnaire dirigeant confirme ou annule la demande de prendre les mesures nécessaires.
[4 La structure informe l'agence dans le délai précité de la manière dont il a été remédié à l'infraction. Si le délai précité ne peut pas être tenu, la structure remet à l'agence un plan sur la manière et les délais dans lesquels il aura été remédié à l'infraction.]4
Art. 56. § 1. Na afloop van de opgelegde termijn, vermeld in artikel 55, § 2, voert [1 Zorginspectie]1 een nieuwe evaluatie uit, met specifieke aandacht voor de tekortkomingen die vastgesteld werden in het [3 verslag van het toezicht]3.
[4 De voorziening stelt het verslag van het toezicht, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de gebruikers of hun vertegenwoordigers, via het collectief overleg van de voorziening of, als er geen collectief overleg heeft plaatsgevonden, raadpleegbaar voor haar gebruikers op een toegankelijke wijze en de medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers.]4
§ 2. Als blijkt dat de genomen maatregelen niet voldoen, kan de leidend ambtenaar de voorziening begeleidende maatregelen opleggen, zodat de voorziening binnen een termijn die de leidend ambtenaar oplegt, aan de verplichtingen kan voldoen. Die termijn bedraagt minstens [2 drie]2 maanden en hoogstens twaalf maanden.[4 De voorziening brengt het agentschap, binnen de voormelde termijn, ervan op de hoogte op welke wijze de inbreuk is weggewerkt. Als de voormelde termijn niet gehaald kan worden, bezorgt de voorziening aan het agentschap een plan over de wijze waarop en de termijn waarin de inbreuk wel weggewerkt zal zijn.]4
De voorziening heeft het recht om tegen die begeleidende maatregelen schriftelijk bezwaar in te dienen bij de leidend ambtenaar, op straffe van verval binnen veertien dagen na ontvangst van het bericht van de leidend ambtenaar. Na onderzoek van de bezwaren bevestigt of ontkracht de leidend ambtenaar de maatregel.
§ 3. De voorziening brengt binnen veertien dagen na de betekening van de maatregel, vermeld in paragraaf 2, de gebruikers of hun vertegenwoordigers daarvan op de hoogte via het collectief overleg van de voorziening of, bij ontstentenis daarvan de gebruikers individueel[4 en aan hun medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers]4.
[4 De voorziening stelt het verslag van het toezicht, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de gebruikers of hun vertegenwoordigers, via het collectief overleg van de voorziening of, als er geen collectief overleg heeft plaatsgevonden, raadpleegbaar voor haar gebruikers op een toegankelijke wijze en de medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers.]4
§ 2. Als blijkt dat de genomen maatregelen niet voldoen, kan de leidend ambtenaar de voorziening begeleidende maatregelen opleggen, zodat de voorziening binnen een termijn die de leidend ambtenaar oplegt, aan de verplichtingen kan voldoen. Die termijn bedraagt minstens [2 drie]2 maanden en hoogstens twaalf maanden.[4 De voorziening brengt het agentschap, binnen de voormelde termijn, ervan op de hoogte op welke wijze de inbreuk is weggewerkt. Als de voormelde termijn niet gehaald kan worden, bezorgt de voorziening aan het agentschap een plan over de wijze waarop en de termijn waarin de inbreuk wel weggewerkt zal zijn.]4
De voorziening heeft het recht om tegen die begeleidende maatregelen schriftelijk bezwaar in te dienen bij de leidend ambtenaar, op straffe van verval binnen veertien dagen na ontvangst van het bericht van de leidend ambtenaar. Na onderzoek van de bezwaren bevestigt of ontkracht de leidend ambtenaar de maatregel.
§ 3. De voorziening brengt binnen veertien dagen na de betekening van de maatregel, vermeld in paragraaf 2, de gebruikers of hun vertegenwoordigers daarvan op de hoogte via het collectief overleg van de voorziening of, bij ontstentenis daarvan de gebruikers individueel[4 en aan hun medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers]4.
Art. 56. § 1er. A l'expiration du délai imparti, visé à l'article 55, § 2, [1 Zorginspectie]1 effectue une nouvelle évaluation, prêtant une attention particulière aux manquements constatés dans [3 le compte rendu du contrôle]3.
[4 La structure met le compte rendu du contrôle, visé à l'alinéa 1er, à disposition des usagers ou de leurs représentants, via la concertation collective de la structure ou, si aucune concertation collective n'a eu lieu, les rend consultables pour ses usagers de manière accessible et aux collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs. ]4
§ 2. S'il apparaît que les mesures prises ne donnent pas satisfaction, le fonctionnaire dirigeant peut imposer à la structure des mesures d'accompagnement, de sorte que la structure puisse remplir les obligations dans un délai imposé par le fonctionnaire dirigeant. Ce délai a une durée d'au moins [2 trois]2 mois et au plus douze mois.[4 La structure informe l'agence dans le délai précité de la manière dont il a été remédié à l'infraction. Si le délai précité ne peut pas être tenu, la structure remet à l'agence un plan sur la manière et les délais dans lesquels il aura été remédié à l'infraction.]4
Sous peine de déchéance, la structure a le droit d'introduire un recours écrit contre ces mesures d'accompagnement auprès du fonctionnaire dirigeant, dans les quinze jours de la réception de la notification du fonctionnaire dirigeant. Après examen des objections, le fonctionnaire dirigeant confirme ou annule la mesure.
§ 3. Dans les quinze jours suivant la notification de la mesure, visée au § 2, la structure en informe les usagers ou leurs représentants par voie de la concertation collective de la structure ou, à défaut de celle-ci, les usagers individuellement [4 et à leurs collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs]4.
[4 La structure met le compte rendu du contrôle, visé à l'alinéa 1er, à disposition des usagers ou de leurs représentants, via la concertation collective de la structure ou, si aucune concertation collective n'a eu lieu, les rend consultables pour ses usagers de manière accessible et aux collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs. ]4
§ 2. S'il apparaît que les mesures prises ne donnent pas satisfaction, le fonctionnaire dirigeant peut imposer à la structure des mesures d'accompagnement, de sorte que la structure puisse remplir les obligations dans un délai imposé par le fonctionnaire dirigeant. Ce délai a une durée d'au moins [2 trois]2 mois et au plus douze mois.[4 La structure informe l'agence dans le délai précité de la manière dont il a été remédié à l'infraction. Si le délai précité ne peut pas être tenu, la structure remet à l'agence un plan sur la manière et les délais dans lesquels il aura été remédié à l'infraction.]4
Sous peine de déchéance, la structure a le droit d'introduire un recours écrit contre ces mesures d'accompagnement auprès du fonctionnaire dirigeant, dans les quinze jours de la réception de la notification du fonctionnaire dirigeant. Après examen des objections, le fonctionnaire dirigeant confirme ou annule la mesure.
§ 3. Dans les quinze jours suivant la notification de la mesure, visée au § 2, la structure en informe les usagers ou leurs représentants par voie de la concertation collective de la structure ou, à défaut de celle-ci, les usagers individuellement [4 et à leurs collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs]4.
Art. 57. § 1. Na afloop van de opgelegde termijn,vermeld in artikel 56, § 2, tweede lid, voert [1 Zorginspectie]1 een nieuwe evaluatie uit, met specifieke aandacht voor de tekortkomingen die vastgesteld werden in het [2 verslag van het toezicht[3 en de begeleidende maatregelen die zijn opgelegd]3]2.
[3 De voorziening stelt het verslag van het toezicht, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de gebruikers of hun vertegenwoordigers, via het collectief overleg van de voorziening of, als er geen collectief overleg heeft plaatsgevonden, raadpleegbaar voor haar gebruikers op een toegankelijke wijze en de medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers.]3
§ 2. [3 Als blijkt dat de begeleidende maatregelen niet zijn uitgevoerd of de maatregelen die zijn genomen, niet voldoen om de tekortkomingen weg te werken, kan de leidend ambtenaar de voorziening een administratieve geldboete van 100 tot 100.000 euro opleggen.]3. Het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete wordt vastgesteld met inachtneming van het aantal inbreuken op de bepalingen en de ernst ervan. De administratieve geldboete wordt aan de voorziening betekend. De leidend ambtenaar zal tevens de voorziening gelasten binnen een termijn van hoogstens twaalf maanden de nodige maatregelen te treffen om aan de verplichtingen te voldoen.
De voorziening heeft het recht schriftelijk bezwaar in te dienen bij de minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, op straffe van verval binnen veertien dagen na ontvangst van de betekening. Na onderzoek van de bezwaren bevestigt of ontkracht de minister de administratieve geldboete of de vraag om de nodige maatregelen te treffen.
§ 3. De voorziening brengt binnen veertien dagen na de betekening van de geldboete de gebruikers daarvan op de hoogte via het collectief overleg van de voorziening, of bij ontstentenis daarvan de gebruikers individueel[3 en aan hun medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers]3.
[3 De voorziening stelt het verslag van het toezicht, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de gebruikers of hun vertegenwoordigers, via het collectief overleg van de voorziening of, als er geen collectief overleg heeft plaatsgevonden, raadpleegbaar voor haar gebruikers op een toegankelijke wijze en de medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers.]3
§ 2. [3 Als blijkt dat de begeleidende maatregelen niet zijn uitgevoerd of de maatregelen die zijn genomen, niet voldoen om de tekortkomingen weg te werken, kan de leidend ambtenaar de voorziening een administratieve geldboete van 100 tot 100.000 euro opleggen.]3. Het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete wordt vastgesteld met inachtneming van het aantal inbreuken op de bepalingen en de ernst ervan. De administratieve geldboete wordt aan de voorziening betekend. De leidend ambtenaar zal tevens de voorziening gelasten binnen een termijn van hoogstens twaalf maanden de nodige maatregelen te treffen om aan de verplichtingen te voldoen.
De voorziening heeft het recht schriftelijk bezwaar in te dienen bij de minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, op straffe van verval binnen veertien dagen na ontvangst van de betekening. Na onderzoek van de bezwaren bevestigt of ontkracht de minister de administratieve geldboete of de vraag om de nodige maatregelen te treffen.
§ 3. De voorziening brengt binnen veertien dagen na de betekening van de geldboete de gebruikers daarvan op de hoogte via het collectief overleg van de voorziening, of bij ontstentenis daarvan de gebruikers individueel[3 en aan hun medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers]3.
Art. 57. § 1er. A l'expiration du délai imparti, visé à l'article 56, § 2, deuxième alinéa, [1 Zorginspectie]1 effectue une nouvelle évaluation, prêtant une attention particulière aux manquements qui ont été constatés dans [2 le compte rendu du contrôle [3 et aux mesures d'accompagnement qui ont été imposées ]3]2.
[3 La structure met le compte rendu du contrôle, visé à l'alinéa 1er, à disposition des usagers ou de leurs représentants, via la concertation collective de la structure ou, si aucune concertation collective n'a eu lieu, les rend consultables pour ses usagers de manière accessible et aux collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs.]3
§ 2. [3 S'il apparaît que les mesures d'accompagnement n'ont pas été exécutées ou que les mesures prises ne donnent pas satisfaction pour remédier aux manquements, le fonctionnaire dirigeant peut imposer à la structure une amende administrative de 100 à 100 000 euros]3s. Le montant de l'amende administrative imposée est déterminé en tenant compte du nombre d'infractions aux dispositions ainsi que de leur gravité. L'amende administrative est notifiée à la structure. Le fonctionnaire dirigeant chargera aussi la structure de prendre les mesures nécessaires dans un délai de douze mois au maximum, afin de remplir les obligations.
Sous peine de déchéance, la structure a le droit d'introduire un recours écrit auprès du ministre compétent pour l'assistance aux personnes, dans un délai de quinze jours suivant la réception de la notification. Après examen des objections, le ministre confirme ou annule l'amende administrative ou la demande de prendre les mesures nécessaires.
§ 3. Dans les quinze jours après la notification de l'amende, la structure en informe les usagers par voie de la concertation collective de la structure ou, à défaut de celle-ci, les usagers individuellement[3 et leurs collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs]3.
[3 La structure met le compte rendu du contrôle, visé à l'alinéa 1er, à disposition des usagers ou de leurs représentants, via la concertation collective de la structure ou, si aucune concertation collective n'a eu lieu, les rend consultables pour ses usagers de manière accessible et aux collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs.]3
§ 2. [3 S'il apparaît que les mesures d'accompagnement n'ont pas été exécutées ou que les mesures prises ne donnent pas satisfaction pour remédier aux manquements, le fonctionnaire dirigeant peut imposer à la structure une amende administrative de 100 à 100 000 euros]3s. Le montant de l'amende administrative imposée est déterminé en tenant compte du nombre d'infractions aux dispositions ainsi que de leur gravité. L'amende administrative est notifiée à la structure. Le fonctionnaire dirigeant chargera aussi la structure de prendre les mesures nécessaires dans un délai de douze mois au maximum, afin de remplir les obligations.
Sous peine de déchéance, la structure a le droit d'introduire un recours écrit auprès du ministre compétent pour l'assistance aux personnes, dans un délai de quinze jours suivant la réception de la notification. Après examen des objections, le ministre confirme ou annule l'amende administrative ou la demande de prendre les mesures nécessaires.
§ 3. Dans les quinze jours après la notification de l'amende, la structure en informe les usagers par voie de la concertation collective de la structure ou, à défaut de celle-ci, les usagers individuellement[3 et leurs collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs]3.
Art. 58. § 1. [1 Zorginspectie]1 voert één jaar na de termijn, vermeld in artikel 57, § 2, eerste lid, een nieuwe evaluatie uit, met specifieke aandacht voor de tekortkomingen die vastgesteld werden.[3 ...]3.
[4 De voorziening stelt het verslag van het toezicht, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de gebruikers of hun vertegenwoordigers, via het collectief overleg van de voorziening of, als er geen collectief overleg heeft plaatsgevonden, raadpleegbaar voor haar gebruikers op een toegankelijke wijze en de medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers]4
§ 2. De leidend ambtenaar legt, met inachtneming van het aantal inbreuken op de bepalingen en de ernst ervan, de voorziening een nieuwe termijn op van minstens [2 drie]2 en hoogstens twaalf maanden om aan de verplichtingen te voldoen.[4 De leidend ambtenaar kan de voorziening begeleidende maatregelen opleggen zodat de voorziening binnen een termijn die de leidend ambtenaar oplegt, aan de verplichtingen kan voldoen.]4 Voor het verstrijken van die termijn legt de voorziening de bewijzen voor van de genomen maatregelen. De leidend ambtenaar kan [1 Zorginspectie]1 een onderzoek van de genomen maatregelen gelasten.
[4 De voorziening stelt het verslag van het toezicht, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de gebruikers of hun vertegenwoordigers, via het collectief overleg van de voorziening of, als er geen collectief overleg heeft plaatsgevonden, raadpleegbaar voor haar gebruikers op een toegankelijke wijze en de medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordigers]4
§ 2. De leidend ambtenaar legt, met inachtneming van het aantal inbreuken op de bepalingen en de ernst ervan, de voorziening een nieuwe termijn op van minstens [2 drie]2 en hoogstens twaalf maanden om aan de verplichtingen te voldoen.[4 De leidend ambtenaar kan de voorziening begeleidende maatregelen opleggen zodat de voorziening binnen een termijn die de leidend ambtenaar oplegt, aan de verplichtingen kan voldoen.]4 Voor het verstrijken van die termijn legt de voorziening de bewijzen voor van de genomen maatregelen. De leidend ambtenaar kan [1 Zorginspectie]1 een onderzoek van de genomen maatregelen gelasten.
Art. 58. § 1er. Un an après le délai visé à l'article 57, § 2, premier alinéa, [1 Zorginspectie]1 effectue une nouvelle évaluation, prêtant une attention particulière aux manquements constatés.[3 ...]3.
[4 La structure met le compte rendu du contrôle, visé à l'alinéa 1er, à disposition des usagers ou de leurs représentants, via la concertation collective de la structure ou, si aucune concertation collective n'a eu lieu, les rend consultables pour ses usagers de manière accessible et aux collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs.]4
§ 2. En tenant compte du nombre d'infractions aux dispositions et de leur gravité, le fonctionnaire dirigeant impose à la structure un nouveau délai d'au moins [2 trois]2 mois et au plus douze mois pour satisfaire aux obligations.[4 Le fonctionnaire dirigeant peut imposer à la structure des mesures d'accompagnement afin que la structure puisse satisfaire aux obligations dans un délai imposé par le fonctionnaire dirigeant.]4 Avant l'expiration de ce délai, la structure soumet les preuves des mesures prises. Le fonctionnaire dirigeant peut charger [1 Zorginspectie]1 d'examiner les mesures prises.
[4 La structure met le compte rendu du contrôle, visé à l'alinéa 1er, à disposition des usagers ou de leurs représentants, via la concertation collective de la structure ou, si aucune concertation collective n'a eu lieu, les rend consultables pour ses usagers de manière accessible et aux collaborateurs via les organes de concertation sociale avec les représentants des travailleurs.]4
§ 2. En tenant compte du nombre d'infractions aux dispositions et de leur gravité, le fonctionnaire dirigeant impose à la structure un nouveau délai d'au moins [2 trois]2 mois et au plus douze mois pour satisfaire aux obligations.[4 Le fonctionnaire dirigeant peut imposer à la structure des mesures d'accompagnement afin que la structure puisse satisfaire aux obligations dans un délai imposé par le fonctionnaire dirigeant.]4 Avant l'expiration de ce délai, la structure soumet les preuves des mesures prises. Le fonctionnaire dirigeant peut charger [1 Zorginspectie]1 d'examiner les mesures prises.
Art. 59. Als de voorziening na toepassing van de procedure, vermeld in artikel 58, niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, kan de leidend ambtenaar de erkenning [1 of vergunning]1 van de voorziening opschorten of intrekken. Het agentschap brengt de voorziening schriftelijk op de hoogte van zijn gemotiveerde beslissing.
De voorziening brengt de gebruikers van de voorziening of hun vertegenwoordigers via het collectief overlegorgaan van de voorziening onverwijld schriftelijk op de hoogte gebracht van die beslissing. Bij ontstentenis van een collectief overlegorgaan van de voorziening wordt elke gebruiker of zijn vertegenwoordiger individueel schriftelijk van de beslissing op de hoogte gebracht.[2 De voorziening brengt de medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordiger op de hoogte van die beslissing.]2
De voorziening kan tegen de opschorting of intrekking van de erkenning beroep aantekenen overeenkomstig artikel 15 tot en met 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
De voorziening brengt de gebruikers van de voorziening of hun vertegenwoordigers via het collectief overlegorgaan van de voorziening onverwijld schriftelijk op de hoogte gebracht van die beslissing. Bij ontstentenis van een collectief overlegorgaan van de voorziening wordt elke gebruiker of zijn vertegenwoordiger individueel schriftelijk van de beslissing op de hoogte gebracht.[2 De voorziening brengt de medewerkers via de sociale overlegorganen met de werknemersvertegenwoordiger op de hoogte van die beslissing.]2
De voorziening kan tegen de opschorting of intrekking van de erkenning beroep aantekenen overeenkomstig artikel 15 tot en met 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
Art. 59. Si la structure ne satisfait pas aux conditions fixées après l'application de la procédure, visée à l'article 58, le fonctionnaire dirigeant peut suspendre ou retirer l'agrément [1 ou l'autorisation]1 de la structure. L'agence informe la structure, par écrit, de sa décision motivée.
[2 La structure informe les collaborateurs de cette décision via les organes de concertation sociale avec le représentant des travailleurs.]2
La structure peut interjeter appel contre la suspension ou le retrait de l'agrément conformément aux articles 15 à 17 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap".
[2 La structure informe les collaborateurs de cette décision via les organes de concertation sociale avec le représentant des travailleurs.]2
La structure peut interjeter appel contre la suspension ou le retrait de l'agrément conformément aux articles 15 à 17 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap".
Art. 59/1. [2 ...]2.
Als uit vaststellingen van Zorginspectie ernstige afwijkingen, fraude of financieel misbruik blijken of als blijkt dat bedrieglijke gegevens werden doorgegeven, kan de leidend ambtenaar onmiddellijk een maatregel als bepaald in artikel 56, § 2, artikel 57, § 2 of artikel 59, eerste lid, opleggen.]1
Als uit vaststellingen van Zorginspectie ernstige afwijkingen, fraude of financieel misbruik blijken of als blijkt dat bedrieglijke gegevens werden doorgegeven, kan de leidend ambtenaar onmiddellijk een maatregel als bepaald in artikel 56, § 2, artikel 57, § 2 of artikel 59, eerste lid, opleggen.]1
Art. 59/1. [1 [2 ...]2.
Si l'Inspection des Soins constate des irrégularités graves, la fraude, l'abus financier ou la transmission de données mensongères, le fonctionnaire dirigeant peut immédiatement imposer une mesure telle que visée à aux articles 56, § 2, 57, § 2 ou 59, alinéa 1er.]1
Si l'Inspection des Soins constate des irrégularités graves, la fraude, l'abus financier ou la transmission de données mensongères, le fonctionnaire dirigeant peut immédiatement imposer une mesure telle que visée à aux articles 56, § 2, 57, § 2 ou 59, alinéa 1er.]1
HOOFDSTUK 12. - Wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE 12. - Dispositions modificatives, transitoires et finales
Art. 60. Het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van algemene erkenningsvoorwaarden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 maart 1994, 17 december 1996, 6 december 2002 en 21 mei 2010, wordt opgeheven.
Art. 60. L'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant les conditions générales d'agrément de structures visées dans le décret du 27 juin 1990 portant création d'un Fonds flamand pour l'intégration sociale des personnes handicapées, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 mars 1994, 17 décembre 1996, 6 décembre 2002 et 21 mai 2010, est abrogé.
Art. 61. Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 betreffende de kwaliteitszorg in de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 2. Om erkend te worden en te blijven moeten de centra voor revalidatie, met behoud van de naleving van andere erkenningsnormen, een kwaliteitshandboek opmaken overeenkomstig de componenten, vermeld in bijlage Ibis, die bij dit besluit is gevoegd, en moeten ze de sectorspecifieke minimale kwaliteitseisen naleven met betrekking tot gebruikersgerichtheid, maatschappelijke aanvaardbaarheid, doeltreffendheid, doelmatigheid en continuïteit, vermeld in bijlage IIbis, die bij die besluit is gevoegd. ".
" Art. 2. Om erkend te worden en te blijven moeten de centra voor revalidatie, met behoud van de naleving van andere erkenningsnormen, een kwaliteitshandboek opmaken overeenkomstig de componenten, vermeld in bijlage Ibis, die bij dit besluit is gevoegd, en moeten ze de sectorspecifieke minimale kwaliteitseisen naleven met betrekking tot gebruikersgerichtheid, maatschappelijke aanvaardbaarheid, doeltreffendheid, doelmatigheid en continuïteit, vermeld in bijlage IIbis, die bij die besluit is gevoegd. ".
Art. 61. L'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 relatif à la gestion de la qualité dans les structures d'intégration sociale des personnes handicapées, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 2006, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 2. Pour être et rester agréés, les centres de réadaptation fonctionnelle sont tenus, sans préjudice du respect d'autres normes d'agrément, de rédiger un manuel de la qualité conformément aux éléments visés à l'annexe Irebis jointe au présent arrêté, et de respecter les exigences minimales de qualité spécifiques au secteur en matière d'orientation vers l'usager, d'acceptabilité sociale, d'efficacité, d'efficience et de continuité, visées à l'annexe IIbis jointe au présent arrêté. "
" Art. 2. Pour être et rester agréés, les centres de réadaptation fonctionnelle sont tenus, sans préjudice du respect d'autres normes d'agrément, de rédiger un manuel de la qualité conformément aux éléments visés à l'annexe Irebis jointe au présent arrêté, et de respecter les exigences minimales de qualité spécifiques au secteur en matière d'orientation vers l'usager, d'acceptabilité sociale, d'efficacité, d'efficience et de continuité, visées à l'annexe IIbis jointe au présent arrêté. "
Art. 62. In hetzelfde besluit worden de bijlagen I en II, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 april 2004, opgeheven.
Art. 62. Dans le même arrêté, les annexes Ire et II, modifiées par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 avril 2004, sont abrogées.
Art. 63. Artikel 4bis van het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de inrichtingen, tehuizen en diensten voor plaatsing in gezinnen ten behoeve van gehandicapten, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 maart 1994 en 6 december 2002, wordt opgeheven.
Art. 63. L'article 4bis de l'arrêté royal du 23 décembre 1970 fixant les conditions d'agréation des établissements, des homes et des services de placement familiaux pour handicapés, inséré par l'arrêté du gouvernement flamand du 15 décembre 1993, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 mars 1994 et 6 décembre 2002, est abrogé.
Art. 64. In artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de vaststelling van de erkenningsvoorwaarden, de werkings- en subsidiëringsmodaliteiten voor diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 3, § 1bis van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 8°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994, wordt vervangen door wat volgt :
" 8° als de dienst krachtens een door de persoon met een handicap of zijn wettelijke vertegenwoordiger gegeven lastgeving diens gelden of goederen geheel of gedeeltelijk beheert, voldoen aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap; ";
2° punt 9°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993, punt 10°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 1994, en punt 11°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 worden opgeheven.
1° punt 8°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994, wordt vervangen door wat volgt :
" 8° als de dienst krachtens een door de persoon met een handicap of zijn wettelijke vertegenwoordiger gegeven lastgeving diens gelden of goederen geheel of gedeeltelijk beheert, voldoen aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap; ";
2° punt 9°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993, punt 10°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 1994, en punt 11°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 worden opgeheven.
Art. 64. A l'article 6, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 fixant les conditions d'agrément ainsi que les modalités de fonctionnement et de subventionnement des services pour handicapés habitant chez eux de manière autonome visés à l'article 3, § 1erbis, de l'arrêté royal n° 81 du 10 novembre 1967 créant un Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 8°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994, est remplacé par la disposition suivante :
" 8° satisfaire aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures visées au décret du 27 juin 1990 portant création d'un Fonds flamand pour l'intégration sociale des personnes handicapées, lorsque le service gère des fonds ou des biens, en tout ou en partie, en vertu d'un mandat conféré par une personne handicapée ou son représentant légal; ";
2° le point 9°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993, le point 10°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 mars 1994, et le point 11°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, sont abrogés.
1° le point 8°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994, est remplacé par la disposition suivante :
" 8° satisfaire aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures visées au décret du 27 juin 1990 portant création d'un Fonds flamand pour l'intégration sociale des personnes handicapées, lorsque le service gère des fonds ou des biens, en tout ou en partie, en vertu d'un mandat conféré par une personne handicapée ou son représentant légal; ";
2° le point 9°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993, le point 10°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 mars 1994, et le point 11°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002, sont abrogés.
Art. 65. Artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1996 betreffende de erkenning en subsidiëring van thuisbegeleidingsdiensten voor personen met een handicap, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2008, wordt opgeheven.
Art. 65. L'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1996 réglant l'agrément et le subventionnement des services d'aide à domicile pour handicapés, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juin 2008, est abrogé.
Art. 66. Artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1998 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor beschermd wonen voor personen met een handicap wordt opgeheven.
Art. 66. L'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1998 relatif à l'agrément et au subventionnement de services d'habitations protégées pour handicapés, est abrogé.
Art. 67. In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap wordt punt 5°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2008, opgeheven.
Art. 67. Dans l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 relatif à l'agrément et au subventionnement des services de logement assisté de personnes handicapées, le point 5°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juin 2008, est abrogé.
Art. 68. In artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010 betreffende de vergunning, erkenning en subsidiëring van een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 68. Dans l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010 relatif à l'autorisation, à l'agrément et au subventionnement d'un projet pilote "Diensten Inclusieve Ondersteuning" (Services d'Accompagnement inclusif) par la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap", le deuxième alinéa est abrogé.
Art. 69. In hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het opschrift van onderafdeling 3, dat onderafdeling 2 is geworden, wordt vervangen door wat volgt :
" Onderafdeling 2. - Subsidiëring van de organisatiegebonden kosten "
2° het opschrift van onderafdeling 4, dat onderafdeling 3 is geworden, wordt vervangen door wat volgt :
" Onderafdeling 3. - Betaling van de subsidies "
1° het opschrift van onderafdeling 3, dat onderafdeling 2 is geworden, wordt vervangen door wat volgt :
" Onderafdeling 2. - Subsidiëring van de organisatiegebonden kosten "
2° het opschrift van onderafdeling 4, dat onderafdeling 3 is geworden, wordt vervangen door wat volgt :
" Onderafdeling 3. - Betaling van de subsidies "
Art. 69. Au chapitre 2, section 4, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° l'intitulé de la sous-section 3, qui est devenue sous-section 2, est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 2. Subventionnement des frais d'organisation "
2° l'intitulé de la sous-section 4, qui est devenue sous-section 3, est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 3. Paiement des subventions "
1° l'intitulé de la sous-section 3, qui est devenue sous-section 2, est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 2. Subventionnement des frais d'organisation "
2° l'intitulé de la sous-section 4, qui est devenue sous-section 3, est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 3. Paiement des subventions "
Art. 70. Het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen treedt, ten aanzien van de voorzieningen, vermeld in dit besluit, op dezelfde datum in werking als dit besluit, met uitzondering van artikel 5, § 3, van het decreet, dat in werking treedt op 1 januari 2014.
Art. 70. En ce qui concerne les structures visées au présent arrêté, le décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des structures de soins de santé et d'aide sociale entre en vigueur à la même date que le présent arrêté, à l'exception de l'article 5, § 3, du décret, qui entre en vigueur le 1er janvier 2014.
Art. 71. De voorzieningen hebben tegen uiterlijk 31 december 2013 het kwaliteitshandboek in overeenstemming gebracht met de bepalingen van het kwaliteitsdecreet en dit besluit.
Art. 71. Les structures feront en sorte que pour le 31 décembre 2013, leur manuel de qualité sera conforme aux dispositions du décret sur la qualité et au présent arrêté.
Art. 72. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van artikelen 47 en 48 die in werking treden op 1 januari 2014.
Art. 72. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du troisième mois suivant le mois dans lequel il est publié au Moniteur belge, à l'exception des articles 47 et 48, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2014.
Art. 73. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 73. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. [1 De individuele dienstverleningsovereenkomst
De individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 9 bevat de volgende vermeldingen:
1° de identiteit van de partijen;
2° de aanvangsdatum van de ondersteuning en de duur van de overeenkomst. In geval van een proefperiode wordt de duur ervan vermeld;
3° de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de betaling en de wijze waarop de afrekening en de betaling zal gebeuren, alsook, in voorkomend geval, de betaling van het gevraagde voorschot en de wijze waarop dat voorschot betaald wordt. Dat voorschot kan nooit meer bedragen dan de vergoeding verschuldigd voor een maand zorg of ondersteuning;
4° voor minderjarigen de aard van de ondersteuning, meer bepaald: verblijf, schoolaanvullende dagopvang, schoolvervangende dagopvang, begeleiding, behandeling of diagnostiek uitgedrukt in respectievelijk nachten, dagdelen of uren;
5° voor meerderjarigen de aard van de ondersteuning, meer bepaald: woonondersteuning, dagondersteuning, individuele begeleiding of permanentie, met vermelding van duur en frequentie en de respectieve kosten uitgedrukt in euro of personeelspunten;
6° de plaats of plaatsen waar de ondersteuning geboden wordt;
7° de wijze waarop de voorziening een antwoord zal bieden op vragen van de gebruiker om tijdelijk en beperkt meer ondersteuning te bieden, bepaald in artikel 9, § 5;
8° als de gebruiker de wettelijke eigen financiële bijdrage betaalt, een inventaris van de maandelijkse inkomsten van de persoon met een handicap, met een onderscheid tussen arbeidsinkomsten, vervangingsinkomens en andere persoonlijke inkomsten, en als dat voordeliger is voor de gebruiker, de inkomsten van de echtgenoot of wettelijk samenwonende. De wettelijk voorgeschreven persoonlijke bijdrage wordt vastgesteld op basis van die gegevens en wordt samen met het bedrag van het gereserveerde persoonlijk inkomen en in voorkomend geval het bedrag van de socioculturele toelage vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomst;
9° als de gebruiker geen wettelijke eigen financiële bijdrage betaalt: opsomming van de woon- en leefkosten waarover overeenkomst is tussen de gebruiker en de voorziening en die de gebruiker moet betalen;
10° de wijze waarop, als dat van toepassing is, de inventaris van de duurzame persoonlijke goederen van de gebruiker binnen de voorziening wordt bijgehouden en geactualiseerd;
11° de elementen die aanleiding geven tot een afzonderlijke vergoeding, voor zover die niet vermeld zijn in of afwijken van de collectieve rechten en plichten;
12° een verklaring op erewoord van de gebruiker dat hij geen vergoeding voor hulp van derden of ondersteuning door een voorziening heeft ontvangen of dat hij geen aanspraak kan maken op een dergelijke vergoeding. Als de gebruiker een dergelijke vergoeding heeft ontvangen of mogelijk aanspraak op een dergelijke vergoeding kan maken, brengt hij het agentschap en de voorziening daarvan onmiddellijk op de hoogte;
13° als het beheer van gelden of goederen van de gebruiker aan personeelsleden of beheerders van de voorziening wordt toevertrouwd, een rubriek "Beheer van gelden en goederen" in de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap;
14° de wijze waarop de individuele dienstverleningsovereenkomst en handelingsplan kunnen worden aangepast of gewijzigd.]1
[2 15° een afsprakenkader bij niet-afgesproken afwezigheid dat de volgende gegevens bevat:
a) als de gebruiker zorggebonden kosten betaalt: afspraken over de betaling van de zorggebonden kosten bij afwezigheid;
b) als de gebruiker woon- en leefkosten betaalt: afspraken over de betaling van de woon- en leefkosten bij afwezigheid;
c) afspraken over het inhalen van de ondersteuning bij afwezigheid;
d) afspraken over de terugkeer van de gebruiker bij onderbreking van de ondersteuning conform artikel 41/1.]2
De individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 9 bevat de volgende vermeldingen:
1° de identiteit van de partijen;
2° de aanvangsdatum van de ondersteuning en de duur van de overeenkomst. In geval van een proefperiode wordt de duur ervan vermeld;
3° de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de betaling en de wijze waarop de afrekening en de betaling zal gebeuren, alsook, in voorkomend geval, de betaling van het gevraagde voorschot en de wijze waarop dat voorschot betaald wordt. Dat voorschot kan nooit meer bedragen dan de vergoeding verschuldigd voor een maand zorg of ondersteuning;
4° voor minderjarigen de aard van de ondersteuning, meer bepaald: verblijf, schoolaanvullende dagopvang, schoolvervangende dagopvang, begeleiding, behandeling of diagnostiek uitgedrukt in respectievelijk nachten, dagdelen of uren;
5° voor meerderjarigen de aard van de ondersteuning, meer bepaald: woonondersteuning, dagondersteuning, individuele begeleiding of permanentie, met vermelding van duur en frequentie en de respectieve kosten uitgedrukt in euro of personeelspunten;
6° de plaats of plaatsen waar de ondersteuning geboden wordt;
7° de wijze waarop de voorziening een antwoord zal bieden op vragen van de gebruiker om tijdelijk en beperkt meer ondersteuning te bieden, bepaald in artikel 9, § 5;
8° als de gebruiker de wettelijke eigen financiële bijdrage betaalt, een inventaris van de maandelijkse inkomsten van de persoon met een handicap, met een onderscheid tussen arbeidsinkomsten, vervangingsinkomens en andere persoonlijke inkomsten, en als dat voordeliger is voor de gebruiker, de inkomsten van de echtgenoot of wettelijk samenwonende. De wettelijk voorgeschreven persoonlijke bijdrage wordt vastgesteld op basis van die gegevens en wordt samen met het bedrag van het gereserveerde persoonlijk inkomen en in voorkomend geval het bedrag van de socioculturele toelage vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomst;
9° als de gebruiker geen wettelijke eigen financiële bijdrage betaalt: opsomming van de woon- en leefkosten waarover overeenkomst is tussen de gebruiker en de voorziening en die de gebruiker moet betalen;
10° de wijze waarop, als dat van toepassing is, de inventaris van de duurzame persoonlijke goederen van de gebruiker binnen de voorziening wordt bijgehouden en geactualiseerd;
11° de elementen die aanleiding geven tot een afzonderlijke vergoeding, voor zover die niet vermeld zijn in of afwijken van de collectieve rechten en plichten;
12° een verklaring op erewoord van de gebruiker dat hij geen vergoeding voor hulp van derden of ondersteuning door een voorziening heeft ontvangen of dat hij geen aanspraak kan maken op een dergelijke vergoeding. Als de gebruiker een dergelijke vergoeding heeft ontvangen of mogelijk aanspraak op een dergelijke vergoeding kan maken, brengt hij het agentschap en de voorziening daarvan onmiddellijk op de hoogte;
13° als het beheer van gelden of goederen van de gebruiker aan personeelsleden of beheerders van de voorziening wordt toevertrouwd, een rubriek "Beheer van gelden en goederen" in de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap;
14° de wijze waarop de individuele dienstverleningsovereenkomst en handelingsplan kunnen worden aangepast of gewijzigd.]1
[2 15° een afsprakenkader bij niet-afgesproken afwezigheid dat de volgende gegevens bevat:
a) als de gebruiker zorggebonden kosten betaalt: afspraken over de betaling van de zorggebonden kosten bij afwezigheid;
b) als de gebruiker woon- en leefkosten betaalt: afspraken over de betaling van de woon- en leefkosten bij afwezigheid;
c) afspraken over het inhalen van de ondersteuning bij afwezigheid;
d) afspraken over de terugkeer van de gebruiker bij onderbreking van de ondersteuning conform artikel 41/1.]2
Art. N1. [1 Le contrat individuel de services
Le contrat individuel de services, visé à l'article 9, mentionne les éléments suivants :
1° l'identité des parties ;
2° la date de début du soutien et la durée du contrat. La durée d'une éventuelle période d'essai est mentionnée ;
3° la personne physique ou morale responsable du paiement et le mode de décompte et de paiement, ainsi que, le cas échéant, le paiement et le mode de paiement de l'avance demandée. Cette avance ne peut pas dépasser l'indemnité due pour un mois de soins ou de soutien ;
4° en ce qui concerne les mineurs, la nature du soutien, à savoir : séjour, accueil de jour complémentaire à l'école, accueil de jour en remplacement de l'école, accompagnement, traitement ou diagnostic exprimés respectivement en nuits, demi-journées ou heures ;
5° en ce qui concerne les majeurs, la nature du soutien, à savoir : soutien au logement, soutien de jour, accompagnement individuel ou permanence, avec mention de la durée et de la fréquence et des coûts respectifs en euros ou en points de personnel ;
6° le ou les lieux où le soutien est fourni ;
7° la manière dont la structure répondra à titre temporaire et limité aux demandes de soutien renforcé par des utilisateurs, comme prévu à l'article 9, § 5 ;
8° si l'utilisateur paie la contribution financière personnelle légale, un inventaire des revenus mensuels de la personne handicapée, ventilé entre revenus du travail, revenus de remplacement et autres revenus personnels et, si cela est plus favorable pour l'utilisateur, les revenus du conjoint ou du cohabitant légal. La contribution personnelle légale est fixée sur la base de ces données et mentionnée dans le contrat individuel de services, ensemble avec le montant du revenu personnel réservé et, le cas échéant, le montant de l'indemnité socioculturelle ;
9° si l'utilisateur ne paie pas de contribution financière personnelle légale : état récapitulatif des coûts du logement et de la vie, à payer par l'utilisateur en accord avec la structure ;
10° le cas échéant, la manière dont l'inventaire des biens personnels durables de l'utilisateur au sein de la structure est tenu et actualisé ;
11° les éléments donnant lieu à une indemnité distincte, pour autant qu'ils ne figurent pas dans ou ne dérogent pas aux droits et obligations collectifs ;
12° une déclaration sur l'honneur de l'utilisateur attestant qu'il n'a pas reçu d'indemnité d'aide par des tiers ou de soutien d'une structure ou qu'il ne peut pas prétendre à une telle indemnité. Si l'utilisateur a reçu une telle indemnité ou peut éventuellement y prétendre, il en informe l'agence et la structure sans délai ;
13° si la gestion des fonds ou des biens de l'utilisateur est confiée à des membres du personnel ou gestionnaires de la structure, une rubrique " Gestion de fonds et de biens " dans le contrat individuel de services, visé à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures visées au décret du 27 juin 1990 portant création d'un Fonds flamand pour l'intégration sociale des personnes handicapées ;
14° la manière dont le contrat individuel de services et le plan d'action peuvent être adaptés ou modifiés.]1
[2 15° un cadre d'accords en cas d'absence non convenue, qui comprend les données suivantes :
a) lorsque l'usager paie des coûts liés aux soins : des accords concernant le paiement des coûts liés aux soins en cas d'absence ;
b) lorsque l'usager paie des coûts de logement et de la vie : des accords concernant le paiement des coûts de logement et de la vie en cas d'absence ;
c) des accords concernant le rattrapage de l'appui en cas d'absence ;
d) des accords concernant le retour de l'usager en cas d'interruption de l'appui conformément à l'article 41/1.]2
Le contrat individuel de services, visé à l'article 9, mentionne les éléments suivants :
1° l'identité des parties ;
2° la date de début du soutien et la durée du contrat. La durée d'une éventuelle période d'essai est mentionnée ;
3° la personne physique ou morale responsable du paiement et le mode de décompte et de paiement, ainsi que, le cas échéant, le paiement et le mode de paiement de l'avance demandée. Cette avance ne peut pas dépasser l'indemnité due pour un mois de soins ou de soutien ;
4° en ce qui concerne les mineurs, la nature du soutien, à savoir : séjour, accueil de jour complémentaire à l'école, accueil de jour en remplacement de l'école, accompagnement, traitement ou diagnostic exprimés respectivement en nuits, demi-journées ou heures ;
5° en ce qui concerne les majeurs, la nature du soutien, à savoir : soutien au logement, soutien de jour, accompagnement individuel ou permanence, avec mention de la durée et de la fréquence et des coûts respectifs en euros ou en points de personnel ;
6° le ou les lieux où le soutien est fourni ;
7° la manière dont la structure répondra à titre temporaire et limité aux demandes de soutien renforcé par des utilisateurs, comme prévu à l'article 9, § 5 ;
8° si l'utilisateur paie la contribution financière personnelle légale, un inventaire des revenus mensuels de la personne handicapée, ventilé entre revenus du travail, revenus de remplacement et autres revenus personnels et, si cela est plus favorable pour l'utilisateur, les revenus du conjoint ou du cohabitant légal. La contribution personnelle légale est fixée sur la base de ces données et mentionnée dans le contrat individuel de services, ensemble avec le montant du revenu personnel réservé et, le cas échéant, le montant de l'indemnité socioculturelle ;
9° si l'utilisateur ne paie pas de contribution financière personnelle légale : état récapitulatif des coûts du logement et de la vie, à payer par l'utilisateur en accord avec la structure ;
10° le cas échéant, la manière dont l'inventaire des biens personnels durables de l'utilisateur au sein de la structure est tenu et actualisé ;
11° les éléments donnant lieu à une indemnité distincte, pour autant qu'ils ne figurent pas dans ou ne dérogent pas aux droits et obligations collectifs ;
12° une déclaration sur l'honneur de l'utilisateur attestant qu'il n'a pas reçu d'indemnité d'aide par des tiers ou de soutien d'une structure ou qu'il ne peut pas prétendre à une telle indemnité. Si l'utilisateur a reçu une telle indemnité ou peut éventuellement y prétendre, il en informe l'agence et la structure sans délai ;
13° si la gestion des fonds ou des biens de l'utilisateur est confiée à des membres du personnel ou gestionnaires de la structure, une rubrique " Gestion de fonds et de biens " dans le contrat individuel de services, visé à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures visées au décret du 27 juin 1990 portant création d'un Fonds flamand pour l'intégration sociale des personnes handicapées ;
14° la manière dont le contrat individuel de services et le plan d'action peuvent être adaptés ou modifiés.]1
[2 15° un cadre d'accords en cas d'absence non convenue, qui comprend les données suivantes :
a) lorsque l'usager paie des coûts liés aux soins : des accords concernant le paiement des coûts liés aux soins en cas d'absence ;
b) lorsque l'usager paie des coûts de logement et de la vie : des accords concernant le paiement des coûts de logement et de la vie en cas d'absence ;
c) des accords concernant le rattrapage de l'appui en cas d'absence ;
d) des accords concernant le retour de l'usager en cas d'interruption de l'appui conformément à l'article 41/1.]2
Art. N2. Bijlage 2. - [1 De]1 collectieve rechten en plichten, vermeld in artikel [1 10]1, eerste lid
[1 De]1 collectieve rechten en plichten bevat ten minste de volgende vermeldingen :
1° de exacte identificatie van de voorziening : benaming, zetel, aard van de rechtsvorm van de rechtspersoon die de voorziening beheert, datum en duur van de erkenning [1 of vergunning]1;
2° de missie, visie, waarden, doelstellingen en strategie van de voorziening;
3° een overzicht van het ondersteuningsaanbod, met een globale omschrijving van de doelgroep;
4° in voorkomend geval, de bijzondere opnamevoorwaarden;
5° de wederzijdse rechten en verplichtingen van de gebruiker of vertegenwoordiger en de voorziening;
6° de prestaties of verstrekkingen die aanleiding geven tot [1 bijkomende]1 vergoedingen [1 ...]1;
7° de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot heroriëntering of ontslag uit de voorziening, de opzeggingstermijnen en de opzeggingsvergoeding ingeval de opzeggingstermijnen niet gerespecteerd worden;
8° de wijze waarop het collectief overleg met de gebruikers georganiseerd wordt;
9° in voorkomend geval, het huishoudelijk reglement van het collectief overleg;
10° de wijze waarop opmerkingen, suggesties en klachten kunnen worden ingediend en de wijze waarop ze behandeld worden, rekening houdend met de bepalingen van hoofdstuk 6;
11° de contactgegevens van de klachtencommissie;
12° de onafhankelijke derde, bepaald in artikel 38, § 2;
13° in voorkomend geval, de samenstelling van de toezichtsraad voor beheer van gelden en goederen, vermeld in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap;
14° de plaats en de wijze waarop het kwaliteitshandboek ingezien kan worden;
15° een overzicht van de risico's die de voorziening in het belang van gebruiker verzekert;
16° de wijze waarop [1 de]1 collectieve rechten en plichten in overleg kan worden aangepast;
[1 17° de tarieven van de woon- en leefkosten.]1
[2 18° een algemeen afsprakenkader rond afwezigheden.]2
[1 De]1 collectieve rechten en plichten bevat ten minste de volgende vermeldingen :
1° de exacte identificatie van de voorziening : benaming, zetel, aard van de rechtsvorm van de rechtspersoon die de voorziening beheert, datum en duur van de erkenning [1 of vergunning]1;
2° de missie, visie, waarden, doelstellingen en strategie van de voorziening;
3° een overzicht van het ondersteuningsaanbod, met een globale omschrijving van de doelgroep;
4° in voorkomend geval, de bijzondere opnamevoorwaarden;
5° de wederzijdse rechten en verplichtingen van de gebruiker of vertegenwoordiger en de voorziening;
6° de prestaties of verstrekkingen die aanleiding geven tot [1 bijkomende]1 vergoedingen [1 ...]1;
7° de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot heroriëntering of ontslag uit de voorziening, de opzeggingstermijnen en de opzeggingsvergoeding ingeval de opzeggingstermijnen niet gerespecteerd worden;
8° de wijze waarop het collectief overleg met de gebruikers georganiseerd wordt;
9° in voorkomend geval, het huishoudelijk reglement van het collectief overleg;
10° de wijze waarop opmerkingen, suggesties en klachten kunnen worden ingediend en de wijze waarop ze behandeld worden, rekening houdend met de bepalingen van hoofdstuk 6;
11° de contactgegevens van de klachtencommissie;
12° de onafhankelijke derde, bepaald in artikel 38, § 2;
13° in voorkomend geval, de samenstelling van de toezichtsraad voor beheer van gelden en goederen, vermeld in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 betreffende het beheer van gelden of goederen van personen met een handicap door beheerders of personeelsleden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap;
14° de plaats en de wijze waarop het kwaliteitshandboek ingezien kan worden;
15° een overzicht van de risico's die de voorziening in het belang van gebruiker verzekert;
16° de wijze waarop [1 de]1 collectieve rechten en plichten in overleg kan worden aangepast;
[1 17° de tarieven van de woon- en leefkosten.]1
[2 18° een algemeen afsprakenkader rond afwezigheden.]2
Art. N2. Annexe 2. - [1 Les]1 droits et obligations collectifs, visée à l'article [1 10]1, premier alinéa
[1 Les]1 droits et obligations collectifs comprend au moins les mentions suivantes :
1° l'identification exacte de la structure : le nom, le siège, la forme juridique de la personne morale qui gère la structure, la date et la durée de l'agrément [1 ou de l'autorisation]1;
2° la mission, la vision, les valeurs, les objectifs et la stratégie de la structure;
3° un aperçu de l'offre d'appui, avec une description globale du groupe-cible;
4° le cas échéant, les conditions d'admission particulières;
5° les droits et obligations réciproques de l'usager ou représentant et de la structure;
6° les services ou prestations donnant lieu à des indemnités [1 supplémentaires]1 [1 ...]1;
7° les circonstances pouvant donner lieu à la réorientation ou à la démission de la structure, les délais de préavis et l'indemnité de préavis au cas où les délais de préavis ne sont pas respectés;
8° la façon dont la concertation collective avec les usagers est organisée;
9° le cas échéant, le règlement d'ordre intérieur de la concertation collective;
10° la façon dont les remarques, les suggestions et les plaintes peuvent être introduites et la façon dont elles sont traitées, en tenant compte des dispositions du chapitre 6;
11° les données de contact de la commission des réclamations;
12° le tiers indépendant, fixé à l'article 38, § 2;
13° le cas échéant, la composition du conseil de surveillance pour la gestion de fonds et de biens, visée à l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures visées au décret du 27 juin 1990 portant création d'un Fonds flamand pour l'intégration sociale des personnes handicapées;
14° le lieu et la façon dont le manuel de qualité peut être consulté;
15° un aperçu des risques assurées par la structure dans l'intérêt de l'usager;
16° la façon dont [1 les]1 droits et obligations collectifs peut être ajustée conjointement;
[1 17° les tarifs des coûts du logement et de la vie.]1
[2 18° un cadre d'accords général concernant les absences.]2
[1 Les]1 droits et obligations collectifs comprend au moins les mentions suivantes :
1° l'identification exacte de la structure : le nom, le siège, la forme juridique de la personne morale qui gère la structure, la date et la durée de l'agrément [1 ou de l'autorisation]1;
2° la mission, la vision, les valeurs, les objectifs et la stratégie de la structure;
3° un aperçu de l'offre d'appui, avec une description globale du groupe-cible;
4° le cas échéant, les conditions d'admission particulières;
5° les droits et obligations réciproques de l'usager ou représentant et de la structure;
6° les services ou prestations donnant lieu à des indemnités [1 supplémentaires]1 [1 ...]1;
7° les circonstances pouvant donner lieu à la réorientation ou à la démission de la structure, les délais de préavis et l'indemnité de préavis au cas où les délais de préavis ne sont pas respectés;
8° la façon dont la concertation collective avec les usagers est organisée;
9° le cas échéant, le règlement d'ordre intérieur de la concertation collective;
10° la façon dont les remarques, les suggestions et les plaintes peuvent être introduites et la façon dont elles sont traitées, en tenant compte des dispositions du chapitre 6;
11° les données de contact de la commission des réclamations;
12° le tiers indépendant, fixé à l'article 38, § 2;
13° le cas échéant, la composition du conseil de surveillance pour la gestion de fonds et de biens, visée à l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 relatif à la gestion de fonds et de biens appartenant à des personnes handicapées par les gestionnaires ou les membres du personnel des structures visées au décret du 27 juin 1990 portant création d'un Fonds flamand pour l'intégration sociale des personnes handicapées;
14° le lieu et la façon dont le manuel de qualité peut être consulté;
15° un aperçu des risques assurées par la structure dans l'intérêt de l'usager;
16° la façon dont [1 les]1 droits et obligations collectifs peut être ajustée conjointement;
[1 17° les tarifs des coûts du logement et de la vie.]1
[2 18° un cadre d'accords général concernant les absences.]2
Art. N3. Bijlage.- Het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 46
Het kwaliteitshandboek bevat de volgende gegevens :
1° de structuur van het kwaliteitshandboek;
2° de beschrijving van het aanbod van de voorziening;
3° het kwaliteitsbeleid : missie, visie, waarden, doelstellingen, strategie en geschreven referentiekader;
4° het kwaliteitssysteem, dat de volgende gegevens bevat :
a) de organisatiestructuur;
b) het overzicht en de werking van de overlegorganen;
c) de deelname aan externe overlegorganen;
d) het inzetten van de middelen;
e) het beheren van documenten van het kwaliteitshandboek;
f) de gebruikersgerichte processen, meer bepaald :
1) de intake;
2) het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijsturen van [1 het handelingsplan]1;
3) het beëindigen van de ondersteuning;
4) het organiseren van het collectief overleg met de gebruikers;
5) het afhandelen van klachten van gebruikers;
6) het voorkómen, detecteren van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van gebruikers;
7) de tijdelijke afzonderingsmaatregelen;
[2 8) het registreren van feiten en incidenten die zich voordoen in het kader van de geleverde ondersteuning die aanleiding geven tot schending of mogelijke schending van de integriteit, gezondheid, veiligheid en waardigheid van de gebruiker of medewerker;
9) het voorkomen van en remediëren van de feiten en incidenten, vermeld in punt 8).]2
g) de organisatiegerichte processen;
5° de zelfevaluatie, vermeld in artikel 47.
Het kwaliteitshandboek bevat de volgende gegevens :
1° de structuur van het kwaliteitshandboek;
2° de beschrijving van het aanbod van de voorziening;
3° het kwaliteitsbeleid : missie, visie, waarden, doelstellingen, strategie en geschreven referentiekader;
4° het kwaliteitssysteem, dat de volgende gegevens bevat :
a) de organisatiestructuur;
b) het overzicht en de werking van de overlegorganen;
c) de deelname aan externe overlegorganen;
d) het inzetten van de middelen;
e) het beheren van documenten van het kwaliteitshandboek;
f) de gebruikersgerichte processen, meer bepaald :
1) de intake;
2) het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijsturen van [1 het handelingsplan]1;
3) het beëindigen van de ondersteuning;
4) het organiseren van het collectief overleg met de gebruikers;
5) het afhandelen van klachten van gebruikers;
6) het voorkómen, detecteren van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van gebruikers;
7) de tijdelijke afzonderingsmaatregelen;
[2 8) het registreren van feiten en incidenten die zich voordoen in het kader van de geleverde ondersteuning die aanleiding geven tot schending of mogelijke schending van de integriteit, gezondheid, veiligheid en waardigheid van de gebruiker of medewerker;
9) het voorkomen van en remediëren van de feiten en incidenten, vermeld in punt 8).]2
g) de organisatiegerichte processen;
5° de zelfevaluatie, vermeld in artikel 47.
Art. N3. Annexe.- Le manuel de qualité, visé à l'article 46
Le manuel de qualité comporte les données suivantes :
1° la structure du manuel de qualité;
2° la description de l'offre de la structure;
3° la politique en matière de qualité : mission, vision, valeurs, objectifs, stratégie et cadre de référence écrit;
4° le système de qualité, comportant les données suivantes :
a) la structure organisationnelle;
b) l'aperçu et le fonctionnement des organes de concertation;
c) la participation à des organes de concertation externes;
d) l'utilisation des moyens;
e) la gestion des documents du manuel de qualité;
f) les processus concernant les usagers, notamment :
1) l'accueil;
2) la rédaction, l'exécution, l'évaluation et la correction [1 du plan d'action]1;
3) la cessation de l'appui;
4) l'organisation de la concertation collective avec les usagers;
5) le traitement des plaintes d'usagers;
6) la prévention et la détection de, ainsi que la réaction appropriée au comportement illicite à l'égard des usagers;
7) les mesures d'isolement temporaires;
[2 8) l'enregistrement des faits et incidents qui se produisent dans le cadre de l'appui fourni, qui donnent lieu à une violation ou une violation potentielle de l'intégrité, la santé, la sécurité et la dignité de l'usager ou du collaborateur ;
9) la prévention des faits et incidents, visés au point 8), et leur correction. ]2
g) les processus organisationnels;
5° l'auto-évaluation, visée à l'article 47.
Le manuel de qualité comporte les données suivantes :
1° la structure du manuel de qualité;
2° la description de l'offre de la structure;
3° la politique en matière de qualité : mission, vision, valeurs, objectifs, stratégie et cadre de référence écrit;
4° le système de qualité, comportant les données suivantes :
a) la structure organisationnelle;
b) l'aperçu et le fonctionnement des organes de concertation;
c) la participation à des organes de concertation externes;
d) l'utilisation des moyens;
e) la gestion des documents du manuel de qualité;
f) les processus concernant les usagers, notamment :
1) l'accueil;
2) la rédaction, l'exécution, l'évaluation et la correction [1 du plan d'action]1;
3) la cessation de l'appui;
4) l'organisation de la concertation collective avec les usagers;
5) le traitement des plaintes d'usagers;
6) la prévention et la détection de, ainsi que la réaction appropriée au comportement illicite à l'égard des usagers;
7) les mesures d'isolement temporaires;
[2 8) l'enregistrement des faits et incidents qui se produisent dans le cadre de l'appui fourni, qui donnent lieu à une violation ou une violation potentielle de l'intégrité, la santé, la sécurité et la dignité de l'usager ou du collaborateur ;
9) la prévention des faits et incidents, visés au point 8), et leur correction. ]2
g) les processus organisationnels;
5° l'auto-évaluation, visée à l'article 47.
Art. N4. [1 Bijlage 4. - Vermeldingen en bepalingen in de overeenkomsten voor begeleid werken als vermeld in artikel 9/1, § 2, tweede lid
A) Overeenkomst tussen de voorziening en de werkpost
1° de identiteit van beide partijen;
2° afspraken over de samenwerking:
a) de gebruiker op de werkvloer activiteiten die aangepast zijn aan zijn capaciteiten, aanbieden op basis van de overeenkomst, gesloten tussen de werkpost, de voorziening en de gebruiker;
b) een gebruiker wordt ingeschakeld in onderling akkoord. De werkpost kan niet verplicht worden een gebruiker activiteiten aan te bieden;
c) de jobcoach is de werknemer van de voorziening die instaat voor opleiding en training op werkvloer;
d) de werkpost wijst per gebruiker een werknemer als werkpostbegeleider aan die de gebruiker op de werkvloer de nodige begeleiding biedt in samenspraak met de jobcoach;
e) de werkpost sensibiliseert en stimuleert werknemers. De jobcoach wordt daarvoor ingeschakeld;
f) er wordt op regelmatige tijdstippen overlegd tussen de gebruiker, de jobcoach en de werkpostbegeleider. De tijdstippen en de frequentie worden bepaald in de overeenkomst tussen de voorziening, de werkpost en de gebruiker;
g) de jobcoach staat in voor de telefonische permanentie en komt op verzoek van de gebruiker of werkpost ter plaatse;
h) de jobcoach staat in voor continue en periodieke opvolging van het begeleid werken;
i) de jobcoach, de werkpost, de werkpostbegeleider en de gebruiker nemen de regels over het beroepsgeheim en de discretie in acht;
3° afspraken over het takenpakket voor de gebruiker:
a) de werkpost, de gebruiker en de jobcoach zoeken de geschikte activiteiten voor de gebruiker;
b) de gebruiker vervangt geen werknemers van de werkpost;
4° afspraken over de veiligheid:
a) de jobcoach en de werkpost garanderen dat de gebruiker in goede hygiënische en veilige omstandigheden de activiteiten kan uitoefen, net zoals zou gelden voor de werknemers van de werkpost;
b) de gebruiker wordt niet opgenomen in de arbeidsongevallenverzekering van de werkpost, maar de werkpost neemt hem wel op in de exploitatieverzekering burgerlijke aansprakelijkheid;
c) de voorziening sluit de verzekeringen, vermeld in artikel 9/1, § 2, eerste lid, 2°, af;
d) de werkpost meldt onmiddellijk schadegevallen aan de jobcoach, vult verzekeringsdocumenten in en bezorgt die aan de jobcoach;
5° de aanvang en de duur van de overeenkomst;
6° de opzeggingsmodaliteiten van de overeenkomst;
7° de wijze waarop de overeenkomst aangepast kan worden;
8° de wijze waarop klachten over de uitvoering van de overeenkomst worden behandeld.
B) Overeenkomst tussen de voorziening en de gebruiker
1° de identiteit van beide partijen;
2° de identiteit van de jobcoach;
3° de taken van de jobcoach:
a) een intake- en oriënteringsgesprek met de gebruiker houden;
b) de gebruiker activiteiten aanbieden;
c) een geschikte werkpost en activiteiten zoeken;
d) een afsprakennota voor de werkpost opstellen;
e) de gebruiker bij de start op de werkpost begeleiden;
f) de werkpostbegeleider coachen;
g) het begeleid werken van de gebruiker opvolgen;
h) in geval van vragen of problemen permanentie verzekeren;
4° de start en de duur van de overeenkomst in het kader van begeleid werken;
5° de frequentie en de kostprijs van de begeleiding in het kader van begeleid werken;
6° de voorziening en gebruiker respecteren de regels over het beroepsgeheim en de discretie;
7° de voorziening raadt de gebruiker aan een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid (familiale polis) af te sluiten, in het bijzonder voor schade die hij veroorzaakt in het kader van begeleid werken;
8° de wijze waarop de overeenkomst beëindigd kan worden;
9° de wijze waarop de overeenkomst gewijzigd kan worden;
10° de wijze waarop klachten over de uitvoering van de overeenkomst worden behandeld.
C) Overeenkomst tussen de voorziening, de werkpost en de gebruiker
1° de identiteit van de betrokken partijen: de gebruiker, de werkpost, de jobcoach en de werkpostbegeleider;
2° de startdatum en de duur van de overeenkomst;
3° het uurrooster en de pauzes;
4° in voorkomend geval de proefperiode en de duur ervan;
5° de tijdstippen en de frequentie van overleg tussen de gebruiker, de jobcoach en de werkpostbegeleider;
6° afspraken over afwezigheden: ziekte en verlof;
7° de wijze van vervoer naar en van de werkpost;
8° de aard van de activiteiten en de locatie waar ze uitgeoefend worden;
9° in voorkomend geval afspraken over de werkkledij;
10° in voorkomend geval afspraken over het gebruik van gevaarlijke producten of machines;
11° afspraken over de klachten- of probleembehandeling;
12° de wijze waarop de overeenkomst beëindigd kan worden;
13° de wijze waarop de overeenkomst gewijzigd kan worden.]1
A) Overeenkomst tussen de voorziening en de werkpost
1° de identiteit van beide partijen;
2° afspraken over de samenwerking:
a) de gebruiker op de werkvloer activiteiten die aangepast zijn aan zijn capaciteiten, aanbieden op basis van de overeenkomst, gesloten tussen de werkpost, de voorziening en de gebruiker;
b) een gebruiker wordt ingeschakeld in onderling akkoord. De werkpost kan niet verplicht worden een gebruiker activiteiten aan te bieden;
c) de jobcoach is de werknemer van de voorziening die instaat voor opleiding en training op werkvloer;
d) de werkpost wijst per gebruiker een werknemer als werkpostbegeleider aan die de gebruiker op de werkvloer de nodige begeleiding biedt in samenspraak met de jobcoach;
e) de werkpost sensibiliseert en stimuleert werknemers. De jobcoach wordt daarvoor ingeschakeld;
f) er wordt op regelmatige tijdstippen overlegd tussen de gebruiker, de jobcoach en de werkpostbegeleider. De tijdstippen en de frequentie worden bepaald in de overeenkomst tussen de voorziening, de werkpost en de gebruiker;
g) de jobcoach staat in voor de telefonische permanentie en komt op verzoek van de gebruiker of werkpost ter plaatse;
h) de jobcoach staat in voor continue en periodieke opvolging van het begeleid werken;
i) de jobcoach, de werkpost, de werkpostbegeleider en de gebruiker nemen de regels over het beroepsgeheim en de discretie in acht;
3° afspraken over het takenpakket voor de gebruiker:
a) de werkpost, de gebruiker en de jobcoach zoeken de geschikte activiteiten voor de gebruiker;
b) de gebruiker vervangt geen werknemers van de werkpost;
4° afspraken over de veiligheid:
a) de jobcoach en de werkpost garanderen dat de gebruiker in goede hygiënische en veilige omstandigheden de activiteiten kan uitoefen, net zoals zou gelden voor de werknemers van de werkpost;
b) de gebruiker wordt niet opgenomen in de arbeidsongevallenverzekering van de werkpost, maar de werkpost neemt hem wel op in de exploitatieverzekering burgerlijke aansprakelijkheid;
c) de voorziening sluit de verzekeringen, vermeld in artikel 9/1, § 2, eerste lid, 2°, af;
d) de werkpost meldt onmiddellijk schadegevallen aan de jobcoach, vult verzekeringsdocumenten in en bezorgt die aan de jobcoach;
5° de aanvang en de duur van de overeenkomst;
6° de opzeggingsmodaliteiten van de overeenkomst;
7° de wijze waarop de overeenkomst aangepast kan worden;
8° de wijze waarop klachten over de uitvoering van de overeenkomst worden behandeld.
B) Overeenkomst tussen de voorziening en de gebruiker
1° de identiteit van beide partijen;
2° de identiteit van de jobcoach;
3° de taken van de jobcoach:
a) een intake- en oriënteringsgesprek met de gebruiker houden;
b) de gebruiker activiteiten aanbieden;
c) een geschikte werkpost en activiteiten zoeken;
d) een afsprakennota voor de werkpost opstellen;
e) de gebruiker bij de start op de werkpost begeleiden;
f) de werkpostbegeleider coachen;
g) het begeleid werken van de gebruiker opvolgen;
h) in geval van vragen of problemen permanentie verzekeren;
4° de start en de duur van de overeenkomst in het kader van begeleid werken;
5° de frequentie en de kostprijs van de begeleiding in het kader van begeleid werken;
6° de voorziening en gebruiker respecteren de regels over het beroepsgeheim en de discretie;
7° de voorziening raadt de gebruiker aan een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid (familiale polis) af te sluiten, in het bijzonder voor schade die hij veroorzaakt in het kader van begeleid werken;
8° de wijze waarop de overeenkomst beëindigd kan worden;
9° de wijze waarop de overeenkomst gewijzigd kan worden;
10° de wijze waarop klachten over de uitvoering van de overeenkomst worden behandeld.
C) Overeenkomst tussen de voorziening, de werkpost en de gebruiker
1° de identiteit van de betrokken partijen: de gebruiker, de werkpost, de jobcoach en de werkpostbegeleider;
2° de startdatum en de duur van de overeenkomst;
3° het uurrooster en de pauzes;
4° in voorkomend geval de proefperiode en de duur ervan;
5° de tijdstippen en de frequentie van overleg tussen de gebruiker, de jobcoach en de werkpostbegeleider;
6° afspraken over afwezigheden: ziekte en verlof;
7° de wijze van vervoer naar en van de werkpost;
8° de aard van de activiteiten en de locatie waar ze uitgeoefend worden;
9° in voorkomend geval afspraken over de werkkledij;
10° in voorkomend geval afspraken over het gebruik van gevaarlijke producten of machines;
11° afspraken over de klachten- of probleembehandeling;
12° de wijze waarop de overeenkomst beëindigd kan worden;
13° de wijze waarop de overeenkomst gewijzigd kan worden.]1
Art. N4. [1 Annexe 4. - Mentions et dispositions dans les conventions pour l'emploi assisté telles que visées à l'article 9/1, § 2, deuxième alinéa
A) Convention entre la structure et le poste de travail
1° l'identité des deux parties ;
2° accords sur la coopération :
a) offrir à l'usager sur le lieu de travail des activités adaptées à ces capacités, sur la base de la convention, conclue entre le poste de travail, la structure et l'usager ;
b) un usager est inséré de commun accord. Le poste de travail ne peut pas être obligé d'offrir des activités à un usager ;
c) le conseiller en emploi est le travailleur de la structure qui assure la formation et l'entraînement sur le lieu de travail ;
d) par usager, le poste de travail désigne un travailleur comme accompagnateur de poste de travail qui offre l'accompagnement nécessaire à l'usager en concertation avec le conseiller en emploi ;
e) le poste de travail sensibilise et encourage les travailleurs. A cet effet, il est fait appel au conseiller en emploi ;
f) l'usager, le conseiller en emploi et l'accompagnateur de poste de travail se concertent à intervalles réguliers. Les heures et la fréquence sont stipulées dans la convention entre la structure, le poste de travail et l'usager ;
g) le conseiller en emploi assure la permanence téléphonique et se rend sur les lieux à la demande de l'usager ou du poste de travail ;
h) le conseiller en emploi assure un suivi continu et périodique de l'emploi assisté ;
i) le conseiller en emploi, l'accompagnateur de poste de travail et l'usager respectent les règles sur le secret professionnel et la discrétion ;
3° accords sur l'ensemble des tâches pour l'usager :
a) le poste de travail, l'usager et le conseiller en emploi cherchent les activités appropriées pour l'usager ;
b) l'usager ne remplace aucun travailleur du poste de travail ;
4° accords sur la sécurité :
a) le conseiller en emploi et le poste de travail garantissent que l'usager peut exercer les activités dans de bonnes conditions hygiéniques et en toute sécurité, comme ce serait le cas pour les travailleurs du poste de travail ;
b) l'usager n'est pas repris à l'assurance contre les accidents de travail du poste de travail, cependant, le reprend à l'assurance d'exploitation responsabilité civile ;
c) la structure contracte les assurances, visées à l'article 9/1, § 2, alinéa premier, 2° ;
d) le poste de travail signale les dommages immédiatement au conseiller en emploi, remplit les documents de l'assurance et les remet au conseiller en emploi ;
5° le début et la durée de la convention ;
6° les modalités de résiliation de la convention ;
7° la manière dont la convention peut être adaptée ;
8° la manière dont les plaintes quant à l'exécution de la convention sont réglés ;
B) Convention entre la structure et l'usager
1° l'identité des deux parties ;
2° l'identité du conseiller en emploi ;
3° les tâches du conseiller en emploi :
a) organiser un entretien d'entrée et d'orientation avec l'usager ;
b) offrir des activités à l'usager ;
c) chercher un poste de travail et des activités appropriés ;
d) rédiger une note d'accords pour le poste de travail ;
e) accompagner l'usager au début de l'emploi au poste de travail ;
f) entraînent l'accompagnateur de poste de travail ;
g) assurer le suivi de l'emploi assisté de l'usager ;
h) assurer la permanence en cas de questions ou problèmes ;
4° le début et la durée de la convention dans le cadre de l'emploi assisté ;
5° la fréquence et le coût de l'accompagnement dans le cadre de l'emploi assisté ;
6° la structure et l'usager respectent les règles sur le secret professionnel et la discrétion ;
7° la structure conseille l'usager de contracter une assurance responsabilité civile (police familiale), en particulier pour les dommages causées dans le cadre de l'emploi assisté ;
8° la manière dont la convention peut être terminée ;
9° la manière dont la convention peut être modifiée ;
10° la manière dont les plaintes quant à l'exécution de la convention seront traitées.
C) Convention entre la structure, le poste de travail et l'usager
1° l'identité des parties intéressées : l'usager, le poste de travail, le conseiller en emploi et l'accompagnateur de poste de travail ;
2° la date de début et la durée de la convention ;
3° l'horaire et les pauses ;
4° le cas échéant, la période d'essai ainsi que sa durée ;
5° les heures et la fréquence de la concertation entre l'usager, le conseiller en emploi et l'accompagnateur de poste de travail ;
6° les conventions sur les absences : maladie et congé ;
7° le mode de transport du et vers le poste de travail ;
8° la nature des activités et l'endroit où elles sont exécutées ;
9° le cas échéant, les conventions sur les vêtements de travail ;
10° le cas échéant, les conventions sur l'utilisation de produits ou machines dangereux ;
11° les conventions sur le traitement des plaintes ou des problèmes ;
12° la manière dont la convention peut être terminée ;
13° la manière dont la convention peut être modifiée.]1
A) Convention entre la structure et le poste de travail
1° l'identité des deux parties ;
2° accords sur la coopération :
a) offrir à l'usager sur le lieu de travail des activités adaptées à ces capacités, sur la base de la convention, conclue entre le poste de travail, la structure et l'usager ;
b) un usager est inséré de commun accord. Le poste de travail ne peut pas être obligé d'offrir des activités à un usager ;
c) le conseiller en emploi est le travailleur de la structure qui assure la formation et l'entraînement sur le lieu de travail ;
d) par usager, le poste de travail désigne un travailleur comme accompagnateur de poste de travail qui offre l'accompagnement nécessaire à l'usager en concertation avec le conseiller en emploi ;
e) le poste de travail sensibilise et encourage les travailleurs. A cet effet, il est fait appel au conseiller en emploi ;
f) l'usager, le conseiller en emploi et l'accompagnateur de poste de travail se concertent à intervalles réguliers. Les heures et la fréquence sont stipulées dans la convention entre la structure, le poste de travail et l'usager ;
g) le conseiller en emploi assure la permanence téléphonique et se rend sur les lieux à la demande de l'usager ou du poste de travail ;
h) le conseiller en emploi assure un suivi continu et périodique de l'emploi assisté ;
i) le conseiller en emploi, l'accompagnateur de poste de travail et l'usager respectent les règles sur le secret professionnel et la discrétion ;
3° accords sur l'ensemble des tâches pour l'usager :
a) le poste de travail, l'usager et le conseiller en emploi cherchent les activités appropriées pour l'usager ;
b) l'usager ne remplace aucun travailleur du poste de travail ;
4° accords sur la sécurité :
a) le conseiller en emploi et le poste de travail garantissent que l'usager peut exercer les activités dans de bonnes conditions hygiéniques et en toute sécurité, comme ce serait le cas pour les travailleurs du poste de travail ;
b) l'usager n'est pas repris à l'assurance contre les accidents de travail du poste de travail, cependant, le reprend à l'assurance d'exploitation responsabilité civile ;
c) la structure contracte les assurances, visées à l'article 9/1, § 2, alinéa premier, 2° ;
d) le poste de travail signale les dommages immédiatement au conseiller en emploi, remplit les documents de l'assurance et les remet au conseiller en emploi ;
5° le début et la durée de la convention ;
6° les modalités de résiliation de la convention ;
7° la manière dont la convention peut être adaptée ;
8° la manière dont les plaintes quant à l'exécution de la convention sont réglés ;
B) Convention entre la structure et l'usager
1° l'identité des deux parties ;
2° l'identité du conseiller en emploi ;
3° les tâches du conseiller en emploi :
a) organiser un entretien d'entrée et d'orientation avec l'usager ;
b) offrir des activités à l'usager ;
c) chercher un poste de travail et des activités appropriés ;
d) rédiger une note d'accords pour le poste de travail ;
e) accompagner l'usager au début de l'emploi au poste de travail ;
f) entraînent l'accompagnateur de poste de travail ;
g) assurer le suivi de l'emploi assisté de l'usager ;
h) assurer la permanence en cas de questions ou problèmes ;
4° le début et la durée de la convention dans le cadre de l'emploi assisté ;
5° la fréquence et le coût de l'accompagnement dans le cadre de l'emploi assisté ;
6° la structure et l'usager respectent les règles sur le secret professionnel et la discrétion ;
7° la structure conseille l'usager de contracter une assurance responsabilité civile (police familiale), en particulier pour les dommages causées dans le cadre de l'emploi assisté ;
8° la manière dont la convention peut être terminée ;
9° la manière dont la convention peut être modifiée ;
10° la manière dont les plaintes quant à l'exécution de la convention seront traitées.
C) Convention entre la structure, le poste de travail et l'usager
1° l'identité des parties intéressées : l'usager, le poste de travail, le conseiller en emploi et l'accompagnateur de poste de travail ;
2° la date de début et la durée de la convention ;
3° l'horaire et les pauses ;
4° le cas échéant, la période d'essai ainsi que sa durée ;
5° les heures et la fréquence de la concertation entre l'usager, le conseiller en emploi et l'accompagnateur de poste de travail ;
6° les conventions sur les absences : maladie et congé ;
7° le mode de transport du et vers le poste de travail ;
8° la nature des activités et l'endroit où elles sont exécutées ;
9° le cas échéant, les conventions sur les vêtements de travail ;
10° le cas échéant, les conventions sur l'utilisation de produits ou machines dangereux ;
11° les conventions sur le traitement des plaintes ou des problèmes ;
12° la manière dont la convention peut être terminée ;
13° la manière dont la convention peut être modifiée.]1
Art. N5. [1 Bijlage 5. Tabel voor de bepaling van de financiële bijdrage voor personen met een handicap vanaf de leeftijd van 21 jaar als vermeld in artikel 9, § 2/1, tweede lid
Art. N5. [1 Annexe 5. Tableau pour la détermination de la contribution financière pour les personnes handicapées à partir de l'âge de 21 ans, tel que visé à l'article 9, § 2/1, alinéa deux
| ondersteuningsfunctie | leeftijd | maximale bijdrage | bijkomende bepalingen |
| dagondersteuning als vermeld in artikel 9, § 2 | vanaf 21 jaar zonder vervoer | 4,76 euro per dagdeel | De maximale bijdrage per dag (voor dagondersteuning, woonondersteuning en individuele begeleiding samen) mag nooit meer dan 33,35 euro bedragen voor gebruikers vanaf 21 jaar. Er mogen maximaal twee uren psychosociale begeleiding per dag aangerekend worden. Er mogen geen vervoerskosten aangerekend worden voor mobiele individuele ondersteuning. |
| vanaf 21 jaar met vervoer | 5,96 euro per dagdeel | ||
| woonondersteuning als vermeld in artikel 9, § 3 | vanaf 21 jaar | 33,35 euro per nacht verblijf, met inbegrip van de ondersteuning gedurende de avond en ochtend | |
| individuele psychosociale begeleiding als vermeld in artikel 9, § 4, eerste lid, 1° | maximaal 5 euro per uur individuele ondersteuning |
individuele psychosociale begeleiding als vermeld in artikel 9, § 4, eerste lid, 1° maximaal 5 euro per uur individuele ondersteuning
De bedragen, vermeld in de tabel, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.]1
| fonction de soutien | âge | contribution maximale | dispositions complémentaires |
| accompagnement de jour tel que visé à l'article 9, § 2 | à partir de 21 ans sans transport | 4,76 euros par partie de journée | La contribution maximale par jour (pour l'accompagnement de jour, l'accompagnement au logement et l'accompagnement individuel) ne peut dépasser 33,35 euros pour les utilisateurs âgés de 21 ans et plus. Un maximum de deux heures d'accompagnement psychosocial par jour peut être facturé. On ne peut pas facturer de frais de transport pour l'accompagnement individuel mobile. |
| à partir de 21 ans avec transport | 5,96 euros par partie de journée | ||
| accompagnement au logement tel que visé à l'article 9, § 3 | à partir de 21 ans | 33,35 euros par nuitée, y compris le soutien en soirée et le matin | |
| accompagnement psychosocial individuel tel que visé à l'article 9, § 4, alinéa premier, 1° | maximum 5 EUR par heure d'accompagnement individuel |
Les montants repris dans le tableau sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et cité dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. La base est l'indice pivot valable au 1er janvier 2014.
Les montants visés à l'alinéa premier sont toujours adaptés les 1er janvier et 1er juillet conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.]1
Art. N6. [1Bijlage 6 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap
Bijlage. Model van beleidsplan als vermeld in artikel 48/1, zevende lid
De vergunde zorgaanbieder verduidelijkt op welke manier het participatieve proces over het beleidsplan met de gebruikers heeft plaatsgevonden.
De vergunde zorgaanbieder verduidelijkt op welke manier het participatieve proces over het beleidsplan met de werknemers heeft plaatsgevonden.
De voorziening versterkt de interne werking om continuïteit in zorg en ondersteuning te bieden.
Bijlage. Model van beleidsplan als vermeld in artikel 48/1, zevende lid
De vergunde zorgaanbieder verduidelijkt op welke manier het participatieve proces over het beleidsplan met de gebruikers heeft plaatsgevonden.
De vergunde zorgaanbieder verduidelijkt op welke manier het participatieve proces over het beleidsplan met de werknemers heeft plaatsgevonden.
De voorziening versterkt de interne werking om continuïteit in zorg en ondersteuning te bieden.
Art. N6. [1 Annexe 6 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées
Annexe. Modèle de plan stratégique tel que visé à l'article 48/1, alinéa 7
Le prestataire de soins autorisé précise de quelle manière le processus participatif sur le plan stratégique a eu lieu avec les usagers.
Le prestataire de soins autorisé précise de quelle manière le processus participatif sur le plan stratégique a eu lieu avec les travailleurs.
La structure renforce le fonctionnement interne afin d'offrir une continuité dans les soins et l'appui.
Annexe. Modèle de plan stratégique tel que visé à l'article 48/1, alinéa 7
Le prestataire de soins autorisé précise de quelle manière le processus participatif sur le plan stratégique a eu lieu avec les usagers.
Le prestataire de soins autorisé précise de quelle manière le processus participatif sur le plan stratégique a eu lieu avec les travailleurs.
La structure renforce le fonctionnement interne afin d'offrir une continuité dans les soins et l'appui.
| streefdoel | voorbeelden van mogelijke indicatoren | voorbeelden van gegevensverzameling |
| zelf te definiëren | percentage contracten van onbepaalde duur | inventaris van de lopende contracten |
| percentage ziekteverzuim | gegevens over ziekteverzuim | |
| percentage verloop | gegevens over verloop binnen de organisatie | |
| termijn waarin contracten van onbepaalde duur worden aangeboden | ||
| mate waarin bepaalde taken worden uitbesteed (onderhoud, keuken, verzorging ...) |
De vergunde zorgaanbieder beschikt over competente medewerkers (personeel en vrijwilligers).
| objectif | exemples d'indicateurs possibles | exemples de collecte de données |
| à définir soi-même | pourcentage de contrats à durée indéterminée | inventaire des contrats en cours |
| pourcentage d'absences pour cause de maladie | données sur les absences pour cause de maladie | |
| pourcentage de mouvements de personnel | données sur les mouvements de personnel au sein de l'organisation | |
| délai dans lequel les contrats à durée indéterminée sont proposés | ||
| mesure dans laquelle certaines tâches sont sous-traitées (entretien, cuisine, soins...) |
Le prestataire de soins autorisé dispose de collaborateurs compétents (personnel et bénévoles).
| streefdoel | voorbeelden van mogelijke indicatoren | voorbeelden van gegevensverzameling |
| zelf te definiëren | percentage van de medewerkers dat vorming heeft gevolgd | inventaris van de gevolgde vorming (door wie + aard van de vorming) |
| oog voor alle personeelscategorieën bij vorming | ||
| interne krijtlijnen rond werken met vrijwilligers binnen de organisatie (wie doet wat) | ||
| percentage van de medewerkers dat geëvalueerd is | inventaris van de uitgevoerde evaluatiegesprekken | |
| aanwervingsvoorwaarden voor nieuwe medewerkers | ||
| opleidingsniveau/elders verworven competenties van de medewerkers per functie | inventaris van diploma en competenties | |
| voldoende ervaring op het vlak van zorg die nodig is binnen de organisatie | inventaris van anciënniteit/ beroepservaring |
beroepservaring
De voorziening draagt via haar werking en het zorg- en ondersteuningsaanbod bij tot een versterking van de levenskwaliteit van de budgethouders en vertrekt van de behoefte van de personen met een handicap en van zelfregie.
| objectif | exemples d'indicateurs possibles | exemples de collecte de données |
| à définir soi-même | pourcentage de collaborateurs ayant suivi une formation | inventaire de la formation suivie (par qui + nature de la formation) |
| attention prêtée à toutes les catégories de personnel en matière de formation | ||
| grandes lignes internes concernant le travail avec les bénévoles au sein de l'organisation (qui fait quoi) | ||
| pourcentage de collaborateurs ayant fait l'objet d'une évaluation | inventaire des entretiens d'évaluation effectués | |
| conditions d'engagement de nouveaux collaborateurs | ||
| niveau de formation/compétences acquises ailleurs des collaborateurs par fonction | inventaire des diplômes et des compétences | |
| expérience suffisante en matière de soins qui est nécessaire au sein de l'organisation | inventaire de l'ancienneté/ expérience professionnelle |
expérience professionnelle
La structure contribue, par le biais de son fonctionnement et de l'offre de soins et d'appui, à un renforcement de la qualité de vie des gestionnaires de budget et prend pour point de départ le besoin des personnes handicapées et l'autodétermination.
| streefdoel | voorbeelden van mogelijke indicatoren | voorbeelden gegevensverzameling |
| zelf te definiëren | mate waarin het medewerkersteam multidisciplinair is samengesteld | diploma van medewerkers |
| de aanwezigheid van medewerkers op cruciale momenten om een normaal dagverloop (1) te garanderen | - De bewoners zijn uit bed en aangekleed tegen x uur. - De gebruikers krijgen hun maaltijden op de gebruikelijke uren. - De bewoners gaan op een normaal uur slapen. | |
| de oproepbaarheid van medewerkers bij crisissituaties | ||
| de verdeling van medewerkers over de woningen, leefeenheden en activiteitencentra | ||
| percentage van de tijd voor zorggebonden functies dat aan rechtstreekse ondersteuning van de gebruikers wordt besteed | ||
| manier waarop de verzorgings- en begeleidingsmomenten georganiseerd worden | ||
| - manier waarop de nachtpermanentie georganiseerd wordt (slapende/wakende nacht, aantal ingezette medewerkers, oproepbare nacht ...) - mate van technische ondersteuning 's nachts (oproepsystemen, toezichtsystemen ...) - nabijheid van de nachtpermanentie (te overbruggen afstand ...) | ||
| - interne afspraken over medicatieverdeling (wie kan medicatie klaarzetten, wat bij problemen ...) - intern toezicht daarop |
- De gebruikers krijgen hun maaltijden op de gebruikelijke uren.
- De bewoners gaan op een normaal uur slapen. de oproepbaarheid van medewerkers bij crisissituaties de verdeling van medewerkers over de woningen, leefeenheden en activiteitencentra percentage van de tijd voor zorggebonden functies dat aan rechtstreekse ondersteuning van de gebruikers wordt besteed manier waarop de verzorgings- en begeleidingsmomenten georganiseerd worden - manier waarop de nachtpermanentie georganiseerd wordt (slapende/wakende nacht, aantal ingezette medewerkers, oproepbare nacht ...)
- mate van technische ondersteuning 's nachts (oproepsystemen, toezichtsystemen ...)
- nabijheid van de nachtpermanentie (te overbruggen afstand ...) - interne afspraken over medicatieverdeling (wie kan medicatie klaarzetten, wat bij problemen ...)
- intern toezicht daarop
De ingezette infrastructuur is kwaliteitsvol.
| objectif | exemples d'indicateurs possibles | exemples de collecte de données |
| à définir soi-même | mesure dans laquelle l'équipe de collaborateurs a été composée de manière multidisciplinaire | diplôme des collaborateurs |
| la présence de collaborateurs à des moments cruciaux pour garantir un déroulement normal de la journée (1) | - Les occupants sont levés et habillés pour x heures. - Les usagers reçoivent leurs repas aux heures habituelles. - Les occupants vont dormir à une heure normale. | |
| la disponibilité de collaborateurs en cas de situations de crise | ||
| la répartition de collaborateurs entre les logements, les unités de vie et les centres d'activités | ||
| pourcentage du temps destiné à des fonctions liées aux soins qui est consacré au soutien direct des usagers | ||
| manière dont les moments de soins et d'accompagnement sont organisés | ||
| - manière dont la permanence de nuit est organisée (nuit de sommeil/de veille, nombre de collaborateurs mis en oeuvre, nuit sur appel...) - degré d'appui technique la nuit (systèmes d'appel, systèmes de surveillance...) - proximité de la permanence de nuit (distance à franchir...) | ||
| - accords internes concernant la distribution des médicaments (qui peut préparer les médicaments, quid en cas de problèmes...) - surveillance interne à cet égard |
- Les usagers reçoivent leurs repas aux heures habituelles.
- Les occupants vont dormir à une heure normale. la disponibilité de collaborateurs en cas de situations de crise la répartition de collaborateurs entre les logements, les unités de vie et les centres d'activités pourcentage du temps destiné à des fonctions liées aux soins qui est consacré au soutien direct des usagers manière dont les moments de soins et d'accompagnement sont organisés - manière dont la permanence de nuit est organisée (nuit de sommeil/de veille, nombre de collaborateurs mis en oeuvre, nuit sur appel...)
- degré d'appui technique la nuit (systèmes d'appel, systèmes de surveillance...)
- proximité de la permanence de nuit (distance à franchir...) - accords internes concernant la distribution des médicaments (qui peut préparer les médicaments, quid en cas de problèmes...)
- surveillance interne à cet égard
L'infrastructure mise en oeuvre est de qualité.
| streefdoel | voorbeelden van mogelijke indicatoren | voorbeelden van gegevensverzameling |
| zelf te definiëren | afspraken over dagelijks onderhoud infrastructuur (inzet logistieke krachten ...) en de uitvoering ervan | |
| De infrastructuur ondersteunt de medewerkers bij de uitvoering van hun taken. |
De voorziening speelt in op het veranderende zorglandschap.
| objectif | exemples d'indicateurs possibles | exemples de collecte de données |
| à définir soi-même | accords sur l'entretien quotidien de l'infrastructure (mise en oeuvre de collaborateurs logistiques...) et leur exécution | |
| L'infrastructure soutient les collaborateurs dans l'exécution de leurs tâches. |
La structure réagit aux changements du paysage des soins.
| streefdoel | voorbeelden van mogelijke indicatoren | voorbeelden van gegevensverzameling |
| zelf te definiëren | Medewerkers zijn op de hoogte van de persoonsvolgende financiering. | |
| Er is een methodiek die toelaat om te anticiperen op de golfbeweging van de veranderende in- en uitstroom van budgethouders. | ||
| vastgelegde langetermijndoelstellingen, waarvan minstens een deel opgemaakt wordt op basis van gegevens over de levenskwaliteit | ||
| vastgelegde kortetermijndoelstellingen, waarvan minstens een deel opgemaakt wordt op basis van gegevens over de levenskwaliteit | ||
| bespreking en goedkeuring van de planningen door de raad van bestuur, medewerkersoverleg/ ondernemersraad en gebruikersraad | ||
| Alle processen in het kader van interne zelfevaluatie komen aan bod. | ||
| (inter)sectorale samenwerking onderzoeken en ervoor openstaan |
ondernemersraad en gebruikersraad Alle processen in het kader van interne zelfevaluatie komen aan bod. (inter)sectorale samenwerking onderzoeken en ervoor openstaan
De situatie van de voorziening is financieel leefbaar.
| objectif | exemples d'indicateurs possibles | exemples de collecte de données |
| à définir soi-même | Les collaborateurs sont au courant du financement personnalisé. | |
| Il existe une méthodologie qui permet d'anticiper la fluctuation des entrées et sorties changeantes de gestionnaires de budget. | ||
| objectifs fixés à long terme, dont une partie au moins est établie sur la base de données relatives à la qualité de vie | ||
| objectifs fixés à court terme, dont une partie au moins est établie sur la base de données relatives à la qualité de vie | ||
| discussion et approbation des planifications par le conseil d'administration, la concertation des collaborateurs/ le conseil d'entreprise et le conseil des usagers | ||
| Tous les processus dans le cadre de l'auto-évaluation interne sont abordés. | ||
| examiner la collaboration (inter)sectorielle et être ouvert à celle-ci |
le conseil d'entreprise et le conseil des usagers Tous les processus dans le cadre de l'auto-évaluation interne sont abordés. examiner la collaboration (inter)sectorielle et être ouvert à celle-ci
La structure est financièrement viable.
| streefdoel | voorbeelden van mogelijke indicatoren | voorbeelden gegevensverzameling |
| zelf te definiëren | Voor een aantal indicatoren haalt de vergunde zorgaanbieder een minimale score. | dashboard jaarrekeningen Departement Zorg (voor neergelegde jaarrekeningen) |
]1
| objectif | exemples d'indicateurs possibles | exemples de collecte de données |
| à définir soi-même | Le prestataire de soins autorisé obtient un score minimal pour un certain nombre d'indicateurs. | tableau de bord des comptes annuels du Département Soins (pour les comptes annuels déposés) |
]1