Artikel 1. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 14° Mestdecreet : het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 FEBRUARI 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling
Titre
4 FEVRIER 2011. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales en application du Programme flamand de Développement rural
Documentinformatie
Numac: 2011035147
Datum: 2011-02-04
Info du document
Numac: 2011035147
Date: 2011-02-04
Tekst (14)
Texte (14)
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales par application du Programme flamand de Développement rural, il est ajouté un point 14°, rédigé comme suit :
" 14° Décret sur les engrais : le décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles. "
" 14° Décret sur les engrais : le décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles. "
Art.2. Aan artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2008 en 23 april 2010, wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor de verbintenissen tot toepassing van de agromilieumaatregelen, vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, komt de volledig ingezaaide of beteelde oppervlakte in aanmerking voor de subsidie, alsook de oppervlakte die noodzakelijk is voor de toepassing van de betreffende agromilieumaatregel. "
" Voor de verbintenissen tot toepassing van de agromilieumaatregelen, vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, komt de volledig ingezaaide of beteelde oppervlakte in aanmerking voor de subsidie, alsook de oppervlakte die noodzakelijk is voor de toepassing van de betreffende agromilieumaatregel. "
Art.2. A l'article 3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 novembre 2008 et 23 avril 2010, il est ajouté un huitième alinéa, rédigé comme suit :
" Pour les engagements en vue de l'application de mesures agri-environnementales, visés à l'article 2, 1° à 4° inclus, la superficie entièrement cultivée/ensemencée est éligible à la subvention, ainsi que la superficie nécessaire pour l'application de la mesure agri-environnementale en question. "
" Pour les engagements en vue de l'application de mesures agri-environnementales, visés à l'article 2, 1° à 4° inclus, la superficie entièrement cultivée/ensemencée est éligible à la subvention, ainsi que la superficie nécessaire pour l'application de la mesure agri-environnementale en question. "
Art.3. In artikel 4, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° de betreffende percelen in eigen gebruik hebben vanaf de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag tot en met 30 december; ";
2° in punt 4° worden de woorden " en dit voor een totale periode van minimum 1 jaar " opgeheven.
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° de betreffende percelen in eigen gebruik hebben vanaf de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag tot en met 30 december; ";
2° in punt 4° worden de woorden " en dit voor een totale periode van minimum 1 jaar " opgeheven.
Art.3. A l'article 4, § 2 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° exploiter soi-même les parcelles en question à partir de la date limite d'introduction de la demande unique jusqu'au 30 décembre inclus; ";
2° au point 4° les mots " et cela pour une période d'un an au minimum " sont supprimés.
1° le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° exploiter soi-même les parcelles en question à partir de la date limite d'introduction de la demande unique jusqu'au 30 décembre inclus; ";
2° au point 4° les mots " et cela pour une période d'un an au minimum " sont supprimés.
Art.4. In artikel 5, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2008, wordt punt 4° opgeheven.
Art.4. A l'article 5, § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 28 novembre 2008, le point 4° est abrogé.
Art.5. In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede " vanaf een gemiddelde minimum biologische veebezetting van 1,6 grootvee-eenheden per hectare " vervangen door de zinsnede " als het veebestand van het bedrijf zoals geregistreerd door een controleorgaan, erkend door de Vlaamse overheid krachtens artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de biologische productie en de etikettering van biologische producten, minstens gelijk is aan 1,6 grootvee-eenheid per hectare begraasbare oppervlakte waarvoor steun aangevraagd wordt. ";
2° aan paragraaf 1, 2°, wordt de volgende zin toegevoegd : " Als de veebezetting kleiner is dan 1,6 grootvee-eenheden per hectare, wordt de subsidie verhoudingsgewijs gereduceerd; ";
3° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° alle percelen die het voorwerp uitmaken van de verbintenis, moeten gecertificeerd zijn door een controleorgaan dat erkend is door de Vlaamse overheid krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de biologische productie en de etikettering van biologische producten; ";
4° in paragraaf 2 wordt punt 2° opgeheven.
1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede " vanaf een gemiddelde minimum biologische veebezetting van 1,6 grootvee-eenheden per hectare " vervangen door de zinsnede " als het veebestand van het bedrijf zoals geregistreerd door een controleorgaan, erkend door de Vlaamse overheid krachtens artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de biologische productie en de etikettering van biologische producten, minstens gelijk is aan 1,6 grootvee-eenheid per hectare begraasbare oppervlakte waarvoor steun aangevraagd wordt. ";
2° aan paragraaf 1, 2°, wordt de volgende zin toegevoegd : " Als de veebezetting kleiner is dan 1,6 grootvee-eenheden per hectare, wordt de subsidie verhoudingsgewijs gereduceerd; ";
3° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° alle percelen die het voorwerp uitmaken van de verbintenis, moeten gecertificeerd zijn door een controleorgaan dat erkend is door de Vlaamse overheid krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de biologische productie en de etikettering van biologische producten; ";
4° in paragraaf 2 wordt punt 2° opgeheven.
Art.5. A l'article 6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 28 novembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, 2°, le membre de phrase " à partir d'une densité du bétail biologique moyenne minimale de 1,6 unités de gros bétail par hectare " est remplacé par le membre de phrase " lorsque le bétail de l'entreprise tel qu'enregistré par un organisme de contrôle, agréé par l'autorité flamande en vertu de l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 relatif à la production biologique et à l'étiquetage des produits biologiques, est au moins égal à 1,6 d'unité gros bétail par hectare de superficie pâturable faisant l'objet d'une demande d'aide. ";
2° le § 1er, 2° est complété par la phrase suivante : " Si la densité du bétail est inférieure à 1,6 UGB/ha, la subvention est réduite proportionnellement; ";
3° dans le paragraphe 2, le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° toutes les parcelles faisant l'objet de l'engagement, doivent être certifiées par un organisme de contrôle qui est agréé par l'autorité flamande en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 relatif à la production biologique et à l'étiquetage des produits biologiques; ";
4° dans le § 2, le point 2° est abrogé.
1° au § 1er, 2°, le membre de phrase " à partir d'une densité du bétail biologique moyenne minimale de 1,6 unités de gros bétail par hectare " est remplacé par le membre de phrase " lorsque le bétail de l'entreprise tel qu'enregistré par un organisme de contrôle, agréé par l'autorité flamande en vertu de l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 relatif à la production biologique et à l'étiquetage des produits biologiques, est au moins égal à 1,6 d'unité gros bétail par hectare de superficie pâturable faisant l'objet d'une demande d'aide. ";
2° le § 1er, 2° est complété par la phrase suivante : " Si la densité du bétail est inférieure à 1,6 UGB/ha, la subvention est réduite proportionnellement; ";
3° dans le paragraphe 2, le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° toutes les parcelles faisant l'objet de l'engagement, doivent être certifiées par un organisme de contrôle qui est agréé par l'autorité flamande en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 relatif à la production biologique et à l'étiquetage des produits biologiques; ";
4° dans le § 2, le point 2° est abrogé.
Art.6. In artikel 7, § 2, van hetzelfde besluit wordt punt 7° opgeheven.
Art.6. A l'article 7, § 2, du même arrêté le point 7° est abrogé.
Art.7. In hetzelfde besluit wordt een artikel 7/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 7/1. § 1. De begunstigde kan voor de agromilieumaatregel, vermeld in artikel 2, 5°, afhankelijk van de kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest die daartoe goedgekeurd zijn, maximaal de volgende jaarlijkse subsidie ontvangen :
1° 100 euro per dier voor het houden van minimaal vijf dieren van de met uitsterven bedreigde lokale rundveerassen, vermeld in bijlage II. In 2011 kunnen nieuwe verbintenissen worden gesloten met minder dan vijf runderen als die dieren afkomstig zijn uit de verruimingsoperatie 2009. Die dieren moeten een minimale raszuiverheid hebben van 50 %;
2° 25 euro per dier voor het houden van minimaal vijf dieren van de met uitsterven bedreigde lokale schapenrassen, vermeld in bijlage II.
§ 2. Het maximumaantal dieren waarvoor een begunstigde een subsidie kan krijgen voor de agromilieumaatregel, vermeld in paragraaf 1, bedraagt 650 voor de schapenrassen en 125 voor de rundveerassen.
§ 3. Er worden maximaal 2 500 ooien per ras gesubsidieerd. Op 1 januari van elk jaar wordt het aantal ooien waarvoor een verbintenis is gesloten, geteld. Het verschil tussen die telling en het vooropgestelde maximum bepaalt het aantal ooien dat via nieuwe verbintenissen gesubsidieerd wordt. Om dat vooropgestelde maximum te bereiken, wordt, op basis van een rangschikking van de verbintenissen per aantal dieren, voorrang gegeven aan de verbintenissen met het grootste aantal dieren. Als in die rangschikking twee verbintenissen met hetzelfde aantal dieren voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van de grootste genetische variatie binnen de populaties van de verbintenissen. De genetische variatie wordt bepaald op basis van de berekende effectieve populatiegrootte. Als een verbintenis een te groot aantal ooien bevat waardoor het vooropgestelde maximum overschreden wordt, kan de begunstigde ervoor opteren om alleen een verbinteniste sluiten voor het aantal ooien dat nodig is om het maximum te bereiken.
Er worden maximaal 2 500 koeien per ras gesubsidieerd. Op 1 januari van elk jaar wordt het aantal koeien waarvoor een verbintenis is gesloten, geteld. Het verschil tussen die telling en het vooropgestelde maximum bepaalt het aantal koeien dat via nieuwe verbintenissen gesubsidieerd wordt. Om dat vooropgestelde maximum te bereiken, wordt, op basis van een rangschikking van de verbintenissen per aantal dieren, voorrang gegeven aan de verbintenissen met het grootste aantal dieren. Als in die rangschikking twee verbintenissen met hetzelfde aantal dieren voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van het hoogste gemiddelde percentage raszuiverheid van alle dieren in de verbintenis, met een minimum van 75 % raszuiverheid, vermeld in artikel 8, § 3, tweede lid. Als een verbintenis een te groot aantal koeien bevat waardoor het vooropgestelde maximum overschreden wordt, kan de begunstigde ervoor opteren om alleen een verbintenis te sluiten voor het aantal koeien dat nodig is om het maximum te bereiken.
§ 4. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, moet de begunstigde aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° in het bezit zijn van een schriftelijke verbintenis als vermeld in paragraaf 1, aangegaan met het departement, om gedurende vijf opeenvolgende jaren een aantal dieren te houden van een ras als vermeld in bijlage II;
2° gedurende de looptijd van zijn verbintenis minstens het aantal dieren houden, dat is vastgelegd in de verbintenis.
Daarnaast moeten de runderen van de begunstigde die een subsidie aanvraagt voor het behoud van met uitsterven bedreigde lokale rundveerassen, aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° ingeschreven zijn in een stamboek van de met uitsterven bedreigde lokale rundveerassen, vermeld in bijlage II;
2° minstens 75 % raszuiver zijn;
3° minstens zes maanden oud zijn op 1 januari van elk jaar van de verbintenis.
Daarnaast moeten de schapen van de begunstigde die een subsidie aanvraagt voor het behoud van met uitsterven bedreigde lokale schapenrassen, aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° ingeschreven zijn in de hoofdafdeling van een stamboek van de met uitsterven bedreigde lokale schapenrassen, vermeld in bijlage II;
2° voldoen aan de originele rasstandaard;
3° minstens één jaar oud zijn op 25 april van elk jaar van de verbintenis.
§ 5. Als de begunstigde bij een ongeval of ziekte van de dieren binnen drie maanden opnieuw het vereiste aantal dieren verkrijgt, behoudt hij zijn recht op de subsidie.
§ 6. Als de begunstigde gedurende de looptijd van de overeenkomst het aantal dieren van het betreffende ras vergroot met minder dan 50 %, kan de begunstigde het departement verzoeken om de lopende overeenkomst voor de resterende looptijd uit te breiden met extra dieren. De uitbreiding van de bestaande overeenkomst is alleen mogelijk als de voorwaarden, vermeld in artikel 45, tweede lid, van de uitvoeringsverordening, worden nageleefd.
§ 7. Als de begunstigde gedurende de looptijd van de verbintenis het aantal dieren van het betreffende ras aanzienlijk vergroot met meer dan 50 % van de oorspronkelijke verbintenis, kan de begunstigde het departement verzoeken om de oorspronkelijke overeenkomst te vervangen door een nieuwe overeenkomst. De vervanging van de bestaande overeenkomst door een nieuwe overeenkomst is alleen mogelijk onder de voorwaarden, vermeld in artikel 45, derde lid, van de uitvoeringsverordening.
§ 8. Het aantal dieren dat in de betalingsaanvraag wordt vermeld en dat in de overeenkomst is opgenomen, komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1. "
" Art. 7/1. § 1. De begunstigde kan voor de agromilieumaatregel, vermeld in artikel 2, 5°, afhankelijk van de kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest die daartoe goedgekeurd zijn, maximaal de volgende jaarlijkse subsidie ontvangen :
1° 100 euro per dier voor het houden van minimaal vijf dieren van de met uitsterven bedreigde lokale rundveerassen, vermeld in bijlage II. In 2011 kunnen nieuwe verbintenissen worden gesloten met minder dan vijf runderen als die dieren afkomstig zijn uit de verruimingsoperatie 2009. Die dieren moeten een minimale raszuiverheid hebben van 50 %;
2° 25 euro per dier voor het houden van minimaal vijf dieren van de met uitsterven bedreigde lokale schapenrassen, vermeld in bijlage II.
§ 2. Het maximumaantal dieren waarvoor een begunstigde een subsidie kan krijgen voor de agromilieumaatregel, vermeld in paragraaf 1, bedraagt 650 voor de schapenrassen en 125 voor de rundveerassen.
§ 3. Er worden maximaal 2 500 ooien per ras gesubsidieerd. Op 1 januari van elk jaar wordt het aantal ooien waarvoor een verbintenis is gesloten, geteld. Het verschil tussen die telling en het vooropgestelde maximum bepaalt het aantal ooien dat via nieuwe verbintenissen gesubsidieerd wordt. Om dat vooropgestelde maximum te bereiken, wordt, op basis van een rangschikking van de verbintenissen per aantal dieren, voorrang gegeven aan de verbintenissen met het grootste aantal dieren. Als in die rangschikking twee verbintenissen met hetzelfde aantal dieren voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van de grootste genetische variatie binnen de populaties van de verbintenissen. De genetische variatie wordt bepaald op basis van de berekende effectieve populatiegrootte. Als een verbintenis een te groot aantal ooien bevat waardoor het vooropgestelde maximum overschreden wordt, kan de begunstigde ervoor opteren om alleen een verbinteniste sluiten voor het aantal ooien dat nodig is om het maximum te bereiken.
Er worden maximaal 2 500 koeien per ras gesubsidieerd. Op 1 januari van elk jaar wordt het aantal koeien waarvoor een verbintenis is gesloten, geteld. Het verschil tussen die telling en het vooropgestelde maximum bepaalt het aantal koeien dat via nieuwe verbintenissen gesubsidieerd wordt. Om dat vooropgestelde maximum te bereiken, wordt, op basis van een rangschikking van de verbintenissen per aantal dieren, voorrang gegeven aan de verbintenissen met het grootste aantal dieren. Als in die rangschikking twee verbintenissen met hetzelfde aantal dieren voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van het hoogste gemiddelde percentage raszuiverheid van alle dieren in de verbintenis, met een minimum van 75 % raszuiverheid, vermeld in artikel 8, § 3, tweede lid. Als een verbintenis een te groot aantal koeien bevat waardoor het vooropgestelde maximum overschreden wordt, kan de begunstigde ervoor opteren om alleen een verbintenis te sluiten voor het aantal koeien dat nodig is om het maximum te bereiken.
§ 4. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, moet de begunstigde aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° in het bezit zijn van een schriftelijke verbintenis als vermeld in paragraaf 1, aangegaan met het departement, om gedurende vijf opeenvolgende jaren een aantal dieren te houden van een ras als vermeld in bijlage II;
2° gedurende de looptijd van zijn verbintenis minstens het aantal dieren houden, dat is vastgelegd in de verbintenis.
Daarnaast moeten de runderen van de begunstigde die een subsidie aanvraagt voor het behoud van met uitsterven bedreigde lokale rundveerassen, aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° ingeschreven zijn in een stamboek van de met uitsterven bedreigde lokale rundveerassen, vermeld in bijlage II;
2° minstens 75 % raszuiver zijn;
3° minstens zes maanden oud zijn op 1 januari van elk jaar van de verbintenis.
Daarnaast moeten de schapen van de begunstigde die een subsidie aanvraagt voor het behoud van met uitsterven bedreigde lokale schapenrassen, aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° ingeschreven zijn in de hoofdafdeling van een stamboek van de met uitsterven bedreigde lokale schapenrassen, vermeld in bijlage II;
2° voldoen aan de originele rasstandaard;
3° minstens één jaar oud zijn op 25 april van elk jaar van de verbintenis.
§ 5. Als de begunstigde bij een ongeval of ziekte van de dieren binnen drie maanden opnieuw het vereiste aantal dieren verkrijgt, behoudt hij zijn recht op de subsidie.
§ 6. Als de begunstigde gedurende de looptijd van de overeenkomst het aantal dieren van het betreffende ras vergroot met minder dan 50 %, kan de begunstigde het departement verzoeken om de lopende overeenkomst voor de resterende looptijd uit te breiden met extra dieren. De uitbreiding van de bestaande overeenkomst is alleen mogelijk als de voorwaarden, vermeld in artikel 45, tweede lid, van de uitvoeringsverordening, worden nageleefd.
§ 7. Als de begunstigde gedurende de looptijd van de verbintenis het aantal dieren van het betreffende ras aanzienlijk vergroot met meer dan 50 % van de oorspronkelijke verbintenis, kan de begunstigde het departement verzoeken om de oorspronkelijke overeenkomst te vervangen door een nieuwe overeenkomst. De vervanging van de bestaande overeenkomst door een nieuwe overeenkomst is alleen mogelijk onder de voorwaarden, vermeld in artikel 45, derde lid, van de uitvoeringsverordening.
§ 8. Het aantal dieren dat in de betalingsaanvraag wordt vermeld en dat in de overeenkomst is opgenomen, komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1. "
Art.7. Dans le même arrêté, il est inséré un article 7/1, rédigé comme suit :
" Art. 7/1. § 1er. Le bénéficiaire peut percevoir pour la mesure agri-environnementale, visée à l'article 2, 5°, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, la subvention annuelle suivante plafonnée à :
1° 100 euros par animal pour la détention d'au moins cinq animaux de races bovines locales menacées d'extinction, visés à l'annexe II. En 2001 de nouveaux engagements peuvent être pris avec moins de cinq bovins si les animaux proviennent de l'opération d'élargissement 2009. Les animaux doivent avoir une pureté variétale minimale de 50 %; 2° 25 euros par animal pour la détention d'au moins cinq animaux de races ovines locales menacées d'extinction, visées à l'annexe II.
§ 2. Le nombre maximal d'animaux éligible à la subvention pour la mesure agri-environnementale, visée au § 1er, s'élève à 650 pour les races ovines et à 125 pour les races bovines.
§ 3. Un nombre maximal de 2 500 de brebis par race sont subventionnés. Le 1er janvier de chaque année, le nombre de brebis pour lesquels un engagement est pris, est compté. La différence entre ce comptage et le maximum envisagé détermine le nombre de brebis subventionnés par de nouveaux engagements. Afin d'atteindre ce maximum, la priorité est donnée aux engagements avec le plus grand nombre d'animaux, sur la base d'un classement des engagements par nombre d'animaux. Lorsque deux engagements ayant le même nombre d'animaux figurent dans ce classement, ces engagements sont classifiés sur la base de la plus grande variation génétique au sein des populations des engagements. La variation génétique est déterminée sur la base de la grandeur effective de la population calculée. Si un engagement contient un trop grand nombre de brebis, dépassant ainsi le maximum envisagé, le bénéficiaire peut choisir de ne contracter un engagement que pour le nombre de brebis nécessaire pour atteindre le maximum.
Un nombre maximal de 2 500 vaches par race sont subventionnées. Le 1er janvier de chaque année, le nombre de vaches pour lesquelles un engagement est pris, est compté. La différence entre ce comptage et le maximum envisagé détermine le nombre de vaches subventionnées par de nouveaux engagements. Afin d'atteindre ce maximum envisagé, la priorité est donnée aux engagements avec le plus grand nombre de vaches, sur la base d'un classement d'engagements par nombre d'animaux. Si deux engagements avec le même nombre d'animaux figurent dans ce classement, ceux-ci sont classés sur la base du pourcentage moyen maximal de pureté variétale de tous les animaux dans l'engagement, avec un minimum de 75 % de pureté variétale, visée à l'article 8, § 3, deuxième alinéa. Si un engagement contient un trop grand nombre de vaches, dépassant ainsi le maximum envisagé, le bénéficiaire peut choisir de ne contracter un engagement que pour le nombre de vaches nécessaires pour atteindre le maximum.
§ 4. Pour être éligible à la subvention, visée au § 1er, le bénéficiaire doit remplir toutes les conditions suivantes :
1° être en possession d'un engagement écrit, tel que visé au § 1er, conclu avec le département, en vue de détenir pendant cinq années successives, un nombre d'animaux d'une race telle que visée à l'annexe II;
2° détenir pendant la durée de validité de son engagement au moins le nombre d'animaux prévu par l'engagement.
Outre ces dispositions, les bovins du bénéficiaire qui demande une subvention en vue du maintien de races bovines locales menacées d'extinction, doivent répondre à toutes les conditions suivantes :
1° être enregistrées dans un livre généalogique de races bovines locales menacées d'extinction, visées à l'annexe II;
2° avoir une conformité raciale d'au moins 75 %;
3° avoir au moins six mois d'âge le 1er janvier de chaque année de l'engagement.
Outre ces dispositions, les ovines du bénéficiaire qui demande une subvention en vue du maintien de races ovines locales menacées d'extinction, doivent répondre à toutes les conditions suivantes :
1° être enregistrées dans un livre généalogique de races ovines locales menacées d'extinction, visées à l'annexe II;
2° répondre au standard racial original;
3° avoir au moins 1 an d'âge le 25 avril de chaque année de l'engagement.
§ 5. Si, en cas d'accident ou de maladie des animaux, le bénéficiaire obtient à nouveau le nombre requis d'animaux dans les trois mois, il conserve son droit à la subvention.
§ 6. Si le bénéficiaire accroit par moins de 50 % le nombre d'animaux de la race ou variété en question pendant la durée de validité de l'engagement, il peut demander au département d'étendre l'engagement en cours pour la durée restante par des animaux supplémentaires. L'extension de l'engagement existant est subordonnée au respect des conditions, visées à l'article 45, alinéa deux, du règlement d'exécution.
§ 7. Si le bénéficiaire accroit notablement par plus de 50 % de l'engagement initial, le nombre d'animaux de la race en question pendant la durée de validité de l'engagement, il peut demander au département de remplacer l'engagement initial par un nouvel engagement. Le remplacement de l'engagement existant par un nouvel engagement est subordonné au respect des conditions, visées à l'article 45, alinéa trois du règlement d'exécution.
§ 8. Le nombre d'animaux repris dans la demande de paiement et faisant l'objet de l'engagement, est éligible à la subvention visée au § 1er. "
" Art. 7/1. § 1er. Le bénéficiaire peut percevoir pour la mesure agri-environnementale, visée à l'article 2, 5°, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, la subvention annuelle suivante plafonnée à :
1° 100 euros par animal pour la détention d'au moins cinq animaux de races bovines locales menacées d'extinction, visés à l'annexe II. En 2001 de nouveaux engagements peuvent être pris avec moins de cinq bovins si les animaux proviennent de l'opération d'élargissement 2009. Les animaux doivent avoir une pureté variétale minimale de 50 %; 2° 25 euros par animal pour la détention d'au moins cinq animaux de races ovines locales menacées d'extinction, visées à l'annexe II.
§ 2. Le nombre maximal d'animaux éligible à la subvention pour la mesure agri-environnementale, visée au § 1er, s'élève à 650 pour les races ovines et à 125 pour les races bovines.
§ 3. Un nombre maximal de 2 500 de brebis par race sont subventionnés. Le 1er janvier de chaque année, le nombre de brebis pour lesquels un engagement est pris, est compté. La différence entre ce comptage et le maximum envisagé détermine le nombre de brebis subventionnés par de nouveaux engagements. Afin d'atteindre ce maximum, la priorité est donnée aux engagements avec le plus grand nombre d'animaux, sur la base d'un classement des engagements par nombre d'animaux. Lorsque deux engagements ayant le même nombre d'animaux figurent dans ce classement, ces engagements sont classifiés sur la base de la plus grande variation génétique au sein des populations des engagements. La variation génétique est déterminée sur la base de la grandeur effective de la population calculée. Si un engagement contient un trop grand nombre de brebis, dépassant ainsi le maximum envisagé, le bénéficiaire peut choisir de ne contracter un engagement que pour le nombre de brebis nécessaire pour atteindre le maximum.
Un nombre maximal de 2 500 vaches par race sont subventionnées. Le 1er janvier de chaque année, le nombre de vaches pour lesquelles un engagement est pris, est compté. La différence entre ce comptage et le maximum envisagé détermine le nombre de vaches subventionnées par de nouveaux engagements. Afin d'atteindre ce maximum envisagé, la priorité est donnée aux engagements avec le plus grand nombre de vaches, sur la base d'un classement d'engagements par nombre d'animaux. Si deux engagements avec le même nombre d'animaux figurent dans ce classement, ceux-ci sont classés sur la base du pourcentage moyen maximal de pureté variétale de tous les animaux dans l'engagement, avec un minimum de 75 % de pureté variétale, visée à l'article 8, § 3, deuxième alinéa. Si un engagement contient un trop grand nombre de vaches, dépassant ainsi le maximum envisagé, le bénéficiaire peut choisir de ne contracter un engagement que pour le nombre de vaches nécessaires pour atteindre le maximum.
§ 4. Pour être éligible à la subvention, visée au § 1er, le bénéficiaire doit remplir toutes les conditions suivantes :
1° être en possession d'un engagement écrit, tel que visé au § 1er, conclu avec le département, en vue de détenir pendant cinq années successives, un nombre d'animaux d'une race telle que visée à l'annexe II;
2° détenir pendant la durée de validité de son engagement au moins le nombre d'animaux prévu par l'engagement.
Outre ces dispositions, les bovins du bénéficiaire qui demande une subvention en vue du maintien de races bovines locales menacées d'extinction, doivent répondre à toutes les conditions suivantes :
1° être enregistrées dans un livre généalogique de races bovines locales menacées d'extinction, visées à l'annexe II;
2° avoir une conformité raciale d'au moins 75 %;
3° avoir au moins six mois d'âge le 1er janvier de chaque année de l'engagement.
Outre ces dispositions, les ovines du bénéficiaire qui demande une subvention en vue du maintien de races ovines locales menacées d'extinction, doivent répondre à toutes les conditions suivantes :
1° être enregistrées dans un livre généalogique de races ovines locales menacées d'extinction, visées à l'annexe II;
2° répondre au standard racial original;
3° avoir au moins 1 an d'âge le 25 avril de chaque année de l'engagement.
§ 5. Si, en cas d'accident ou de maladie des animaux, le bénéficiaire obtient à nouveau le nombre requis d'animaux dans les trois mois, il conserve son droit à la subvention.
§ 6. Si le bénéficiaire accroit par moins de 50 % le nombre d'animaux de la race ou variété en question pendant la durée de validité de l'engagement, il peut demander au département d'étendre l'engagement en cours pour la durée restante par des animaux supplémentaires. L'extension de l'engagement existant est subordonnée au respect des conditions, visées à l'article 45, alinéa deux, du règlement d'exécution.
§ 7. Si le bénéficiaire accroit notablement par plus de 50 % de l'engagement initial, le nombre d'animaux de la race en question pendant la durée de validité de l'engagement, il peut demander au département de remplacer l'engagement initial par un nouvel engagement. Le remplacement de l'engagement existant par un nouvel engagement est subordonné au respect des conditions, visées à l'article 45, alinéa trois du règlement d'exécution.
§ 8. Le nombre d'animaux repris dans la demande de paiement et faisant l'objet de l'engagement, est éligible à la subvention visée au § 1er. "
Art.8. Artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2008 en 23 april 2010, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 8. § 1. De begunstigde kan voor de agromilieumaatregel, vermeld in artikel 2, 5°, afhankelijk van de kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest die daartoe goedgekeurd zijn, maximaal 4 euro per boom ontvangen voor het planten en 2 euro per boom voor het onderhouden van de zeldzame lokale rassen van hoogstambomen, vermeld in bijlage II.
§ 2. Een nieuwe verbintenis voor het planten of onderhouden van hoogstambomen kan worden gesloten als de subsidie wordt aangevraagd voor minimaal 40 euro per jaar. Een hoogstamboom komt voor de aanplant- of onderhoudssubsidie in aanmerking als hij zich bevindt op een perceel met minimaal drie hoogstambomen.
§ 3. De minister bepaalt jaarlijks het maximale subsidiebedrag voor het planten of onderhouden van hoogstambomen. Op 1 januari van elk jaar wordt het totale subsidiebedrag waarvoor een verbintenis is gesloten, geteld. Het verschil tussen die telling en het maximale subsidiebedrag op 1 januari van dat jaar bepaalt het maximale subsidiebedrag voor het sluiten van nieuwe verbintenissen.
Om dat vooropgestelde maximum te bereiken, wordt, op basis van een indeling van de verbintenissen naar aanplanting of onderhoud of een combinatie van beide, voorrang gegeven aan de verbintenissen die alleen voor het planten aangegaan worden. Als het maximale subsidiebedrag daardoor overschreden wordt, worden de verbintenissen die alleen voor het planten aangegaan worden, gerangschikt op basis van de grootste variatie binnen de verbintenis. Als in die rangschikking twee verbintenissen met dezelfde variatie voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van het grootste aandeel zeldzame variëteiten binnen de verbintenis.
Als het maximale subsidiebedrag daardoor niet bereikt wordt, komen ook de verbintenissen die zowel voor het aanplanten als voor het onderhouden aangegaan worden, in aanmerking. Als het maximale subsidiebedrag daardoor overschreden wordt, worden de verbintenissen die zowel voor het planten als voor het onderhouden aangegaan worden, gerangschikt op basis van de grootste variatie binnen de verbintenis. Als in die rangschikking twee verbintenissen met dezelfde variatie voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van het grootste aandeel zeldzame variëteiten binnen de verbintenis.
Als het maximale subsidiebedrag daardoor niet bereikt wordt, komen ook de verbintenissen die alleen voor het onderhouden aangegaan worden, in aanmerking. Als het maximale subsidiebedrag daardoor overschreden wordt, worden de verbintenissen die alleen voor het onderhouden aangegaan worden, gerangschikt op basis van de grootste variatie binnen de verbintenis. Als in die rangschikking twee verbintenissen met dezelfde variatie voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van het grootste aandeel zeldzame variëteiten binnen de verbintenis.
Als bij de rangschikking van de verbintenissen blijkt dat daardoor het vooropgestelde maximale subsidiebedrag overschreden wordt, kan de begunstigde ervoor opteren om alleen een verbintenis te sluiten voor het aantal hoogstambomen dat nodig is om het maximum te bereiken.
§ 4. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, moet de begunstigde aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° in het bezit zijn van een schriftelijke verbintenis, als vermeld in paragraaf 1, aangegaan met het agentschap, als gevolg van het indienen van een steunaanvraag bij het agentschap uiterlijk op 31 mei, om gedurende vijf opeenvolgende jaren een aantal hoogstambomen te planten of te onderhouden van een variëteit als vermeld in bijlage II;
2° gedurende de looptijd van zijn overeenkomst of verbintenis minstens het aantal hoogstambomen houden, dat is vastgelegd in de overeenkomst of verbintenis.
Daarnaast moet de begunstigde voor verbintenissen voor het planten of het onderhouden van hoogstambomen aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° de percelen met hoogstambomen het eerste jaar van de verbintenis aangeven in de verzamelaanvraag die dienst doet als eenmalige betalingsaanvraag voor deze maatregel;
2° de betreffende percelen in eigen gebruik hebben gedurende de volledige looptijd van de verbintenis. Als de begunstigde een inscharingscontract als vermeld in artikel 47 van het Mestdecreet, heeft gesloten met als doel een aantal dieren van een andere landbouwer op zijn landbouwgronden te laten grazen, hoeft hij niet aan de voorwaarde, vermeld in punt 2°, te voldoen gedurende de looptijd van het inscharingscontract. "
" Art. 8. § 1. De begunstigde kan voor de agromilieumaatregel, vermeld in artikel 2, 5°, afhankelijk van de kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest die daartoe goedgekeurd zijn, maximaal 4 euro per boom ontvangen voor het planten en 2 euro per boom voor het onderhouden van de zeldzame lokale rassen van hoogstambomen, vermeld in bijlage II.
§ 2. Een nieuwe verbintenis voor het planten of onderhouden van hoogstambomen kan worden gesloten als de subsidie wordt aangevraagd voor minimaal 40 euro per jaar. Een hoogstamboom komt voor de aanplant- of onderhoudssubsidie in aanmerking als hij zich bevindt op een perceel met minimaal drie hoogstambomen.
§ 3. De minister bepaalt jaarlijks het maximale subsidiebedrag voor het planten of onderhouden van hoogstambomen. Op 1 januari van elk jaar wordt het totale subsidiebedrag waarvoor een verbintenis is gesloten, geteld. Het verschil tussen die telling en het maximale subsidiebedrag op 1 januari van dat jaar bepaalt het maximale subsidiebedrag voor het sluiten van nieuwe verbintenissen.
Om dat vooropgestelde maximum te bereiken, wordt, op basis van een indeling van de verbintenissen naar aanplanting of onderhoud of een combinatie van beide, voorrang gegeven aan de verbintenissen die alleen voor het planten aangegaan worden. Als het maximale subsidiebedrag daardoor overschreden wordt, worden de verbintenissen die alleen voor het planten aangegaan worden, gerangschikt op basis van de grootste variatie binnen de verbintenis. Als in die rangschikking twee verbintenissen met dezelfde variatie voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van het grootste aandeel zeldzame variëteiten binnen de verbintenis.
Als het maximale subsidiebedrag daardoor niet bereikt wordt, komen ook de verbintenissen die zowel voor het aanplanten als voor het onderhouden aangegaan worden, in aanmerking. Als het maximale subsidiebedrag daardoor overschreden wordt, worden de verbintenissen die zowel voor het planten als voor het onderhouden aangegaan worden, gerangschikt op basis van de grootste variatie binnen de verbintenis. Als in die rangschikking twee verbintenissen met dezelfde variatie voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van het grootste aandeel zeldzame variëteiten binnen de verbintenis.
Als het maximale subsidiebedrag daardoor niet bereikt wordt, komen ook de verbintenissen die alleen voor het onderhouden aangegaan worden, in aanmerking. Als het maximale subsidiebedrag daardoor overschreden wordt, worden de verbintenissen die alleen voor het onderhouden aangegaan worden, gerangschikt op basis van de grootste variatie binnen de verbintenis. Als in die rangschikking twee verbintenissen met dezelfde variatie voorkomen, worden die onderling gerangschikt op basis van het grootste aandeel zeldzame variëteiten binnen de verbintenis.
Als bij de rangschikking van de verbintenissen blijkt dat daardoor het vooropgestelde maximale subsidiebedrag overschreden wordt, kan de begunstigde ervoor opteren om alleen een verbintenis te sluiten voor het aantal hoogstambomen dat nodig is om het maximum te bereiken.
§ 4. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, moet de begunstigde aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° in het bezit zijn van een schriftelijke verbintenis, als vermeld in paragraaf 1, aangegaan met het agentschap, als gevolg van het indienen van een steunaanvraag bij het agentschap uiterlijk op 31 mei, om gedurende vijf opeenvolgende jaren een aantal hoogstambomen te planten of te onderhouden van een variëteit als vermeld in bijlage II;
2° gedurende de looptijd van zijn overeenkomst of verbintenis minstens het aantal hoogstambomen houden, dat is vastgelegd in de overeenkomst of verbintenis.
Daarnaast moet de begunstigde voor verbintenissen voor het planten of het onderhouden van hoogstambomen aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° de percelen met hoogstambomen het eerste jaar van de verbintenis aangeven in de verzamelaanvraag die dienst doet als eenmalige betalingsaanvraag voor deze maatregel;
2° de betreffende percelen in eigen gebruik hebben gedurende de volledige looptijd van de verbintenis. Als de begunstigde een inscharingscontract als vermeld in artikel 47 van het Mestdecreet, heeft gesloten met als doel een aantal dieren van een andere landbouwer op zijn landbouwgronden te laten grazen, hoeft hij niet aan de voorwaarde, vermeld in punt 2°, te voldoen gedurende de looptijd van het inscharingscontract. "
Art.8. L'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 novembre 2008 et 23 avril 2010, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 8. § 1er. Le bénéficiaire peut recevoir pour la mesure agri-environnementale, visée à l'article 2, 5°, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, une subvention maximale de 4 euros par arbre pour la plantation et 2 euros par arbre pour l'entretien de variétés locales rares d'arbres à hautes tiges, visées à l'annexe II.
§ 2. Un nouvel engagement pour la plantation ou l'entretien d'arbres à hautes tiges peut être conclu si la subvention est demandée pour au moins 40 euros par an. Un arbre à hautes tiges est éligible à la subvention d'implantation ou d'entretien lorsqu'il se trouve sur une parcelle avec au moins trois arbres à hautes tiges.
§ 3. Le Ministre arrête annuellement le montant de subvention maximal pour la plantation ou l'entretien d'arbres à hautes tiges. Le 1er janvier de chaque année, le montant de subvention total pour lequel un engagement est pris, est compté. La différence entre ce comptage et le montant de subvention maximal détermine le montant de subvention maximal pour la conclusion de nouveaux engagements.
Afin d'atteindre ce maximum envisagé, la priorité est données aux engagements qui ne sont conclus que pour la plantation, sur la base d'un classement d'engagements par plantation ou entretien ou par une combinaison des deux. En cas de dépassement du montant de subvention maximal, les engagements qui ne sont conclus que pour la plantation, sont classés sur la base de la plus grande variation dans l'engagement. Si deux engagements avec la même variation figurent dans ce classement, ces engagements sont classés sur la base de la plus grande quote-part de variétés rares dans l'engagement.
Si le montant de subvention maximal n'est pas atteint, les engagements conclus tant pour la plantation que pour l'entretien sont également pris en compte. En cas de dépassement du montant de subvention maximal, les engagements qui sont conclus tant pour la plantation que pour l'entretien, sont classés sur la base de la plus grande variation dans l'engagement. Si deux engagements avec la même variation figurent dans ce classement, ceux-ci sont classés sur la base de la plus grande quote-part de variétés rares dans l'engagement.
Si le montant de subvention maximal n'est pas atteint, les engagements qui ne sont conclus que pour l'entretien sont également pris en compte. En cas de dépassement du montant de subvention maximal, les engagements qui ne sont conclus que pour l'entretien, sont classés sur la base de la plus grande variation dans l'engagement. Si deux engagements avec la même variation figurent dans ce classement, ceux-ci sont classés sur la base de la plus grande quote-part de variétés rares dans l'engagement.
S'il apparaît lors du classement des engagements que le montant de subvention maximal envisagé est dépassé, le bénéficiaire peut choisir de ne contracter un engagement que pour le nombre d'arbres à hautes tiges nécessaires pour atteindre le maximum.
§ 4. Pour être éligible à la subvention, visée au § 1er, le bénéficiaire doit remplir toutes les conditions suivantes :
1° être en possession d'un engagement écrit, tel que visé au § 1er, conclu avec l'agence, suite à l'introduction d'une demande de subvention auprès de l'agence au plus tard le 31 mai, en vue de planter pendant cinq années successives un nombre d'arbres à hautes tiges ou d'entretenir une variété, telle que visée à l'annexe II;
2° détenir pendant la durée de validité de son contrat ou engagement le nombre d'arbres à hautes tiges prévu par le contrat ou l'engagement.
Outre ces dispositions, le bénéficiaire pour des engagements pour la plantation ou l'entretien d'arbres à hautes tiges doit répondre à toutes les conditions suivantes :
1° déclarer, pendant la première année de l'engagement, les parcelles avec des arbres à hautes tiges dans la demande unique qui sert de demande unique de paiement pour cette mesure;
2° avoir utilisé soi-même les parcelles en question pendant la durée totale de l'engagement. Lorsque le bénéficiaire a conclu un contrat de mise en pension, tel que visé à l'article 47 du Décret sur les engrais, dans le but de laisser pâturer ses terres agricoles par un certain nombre d'animaux d'un autre agriculteur, il ne doit pas remplir la condition, visée au point 2°, pendant la durée du contrat de mise en pension. "
" Art. 8. § 1er. Le bénéficiaire peut recevoir pour la mesure agri-environnementale, visée à l'article 2, 5°, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, une subvention maximale de 4 euros par arbre pour la plantation et 2 euros par arbre pour l'entretien de variétés locales rares d'arbres à hautes tiges, visées à l'annexe II.
§ 2. Un nouvel engagement pour la plantation ou l'entretien d'arbres à hautes tiges peut être conclu si la subvention est demandée pour au moins 40 euros par an. Un arbre à hautes tiges est éligible à la subvention d'implantation ou d'entretien lorsqu'il se trouve sur une parcelle avec au moins trois arbres à hautes tiges.
§ 3. Le Ministre arrête annuellement le montant de subvention maximal pour la plantation ou l'entretien d'arbres à hautes tiges. Le 1er janvier de chaque année, le montant de subvention total pour lequel un engagement est pris, est compté. La différence entre ce comptage et le montant de subvention maximal détermine le montant de subvention maximal pour la conclusion de nouveaux engagements.
Afin d'atteindre ce maximum envisagé, la priorité est données aux engagements qui ne sont conclus que pour la plantation, sur la base d'un classement d'engagements par plantation ou entretien ou par une combinaison des deux. En cas de dépassement du montant de subvention maximal, les engagements qui ne sont conclus que pour la plantation, sont classés sur la base de la plus grande variation dans l'engagement. Si deux engagements avec la même variation figurent dans ce classement, ces engagements sont classés sur la base de la plus grande quote-part de variétés rares dans l'engagement.
Si le montant de subvention maximal n'est pas atteint, les engagements conclus tant pour la plantation que pour l'entretien sont également pris en compte. En cas de dépassement du montant de subvention maximal, les engagements qui sont conclus tant pour la plantation que pour l'entretien, sont classés sur la base de la plus grande variation dans l'engagement. Si deux engagements avec la même variation figurent dans ce classement, ceux-ci sont classés sur la base de la plus grande quote-part de variétés rares dans l'engagement.
Si le montant de subvention maximal n'est pas atteint, les engagements qui ne sont conclus que pour l'entretien sont également pris en compte. En cas de dépassement du montant de subvention maximal, les engagements qui ne sont conclus que pour l'entretien, sont classés sur la base de la plus grande variation dans l'engagement. Si deux engagements avec la même variation figurent dans ce classement, ceux-ci sont classés sur la base de la plus grande quote-part de variétés rares dans l'engagement.
S'il apparaît lors du classement des engagements que le montant de subvention maximal envisagé est dépassé, le bénéficiaire peut choisir de ne contracter un engagement que pour le nombre d'arbres à hautes tiges nécessaires pour atteindre le maximum.
§ 4. Pour être éligible à la subvention, visée au § 1er, le bénéficiaire doit remplir toutes les conditions suivantes :
1° être en possession d'un engagement écrit, tel que visé au § 1er, conclu avec l'agence, suite à l'introduction d'une demande de subvention auprès de l'agence au plus tard le 31 mai, en vue de planter pendant cinq années successives un nombre d'arbres à hautes tiges ou d'entretenir une variété, telle que visée à l'annexe II;
2° détenir pendant la durée de validité de son contrat ou engagement le nombre d'arbres à hautes tiges prévu par le contrat ou l'engagement.
Outre ces dispositions, le bénéficiaire pour des engagements pour la plantation ou l'entretien d'arbres à hautes tiges doit répondre à toutes les conditions suivantes :
1° déclarer, pendant la première année de l'engagement, les parcelles avec des arbres à hautes tiges dans la demande unique qui sert de demande unique de paiement pour cette mesure;
2° avoir utilisé soi-même les parcelles en question pendant la durée totale de l'engagement. Lorsque le bénéficiaire a conclu un contrat de mise en pension, tel que visé à l'article 47 du Décret sur les engrais, dans le but de laisser pâturer ses terres agricoles par un certain nombre d'animaux d'un autre agriculteur, il ne doit pas remplir la condition, visée au point 2°, pendant la durée du contrat de mise en pension. "
Art.9. In artikel 8/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het eerst en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Evenwel, wanneer het totale aantal geconstateerde hectaren in het Vlaamse Gewest in een kalenderjaar groter is dan 7500 ha, dan wordt het subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met een correctiefactor. De correctiefactor wordt verkregen door het getal 7500 te delen door het totale aantal geconstateerde hectaren in het kalenderjaar in kwestie. ";
2° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt in punt 1° de zinsnede " volgens de voorwaarden die bij de erkenning van het gebruikte handelsmiddel werden opgelegd " vervangen door de zinsnede " volgens de gebruiksvoorschriften inzake aantal en plaatsing, zoals bepaald in de erkenning van het gebruikte handelsmiddel ";
3° aan het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 6° geen gedeeltelijke terugbetaling van de toepassingskosten voor de verwarringstechniek hebben aangevraagd in het kader van de Gemeenschappelijke Marktordening voor Groenten en Fruit. "
1° tussen het eerst en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Evenwel, wanneer het totale aantal geconstateerde hectaren in het Vlaamse Gewest in een kalenderjaar groter is dan 7500 ha, dan wordt het subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met een correctiefactor. De correctiefactor wordt verkregen door het getal 7500 te delen door het totale aantal geconstateerde hectaren in het kalenderjaar in kwestie. ";
2° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt in punt 1° de zinsnede " volgens de voorwaarden die bij de erkenning van het gebruikte handelsmiddel werden opgelegd " vervangen door de zinsnede " volgens de gebruiksvoorschriften inzake aantal en plaatsing, zoals bepaald in de erkenning van het gebruikte handelsmiddel ";
3° aan het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 6° geen gedeeltelijke terugbetaling van de toepassingskosten voor de verwarringstechniek hebben aangevraagd in het kader van de Gemeenschappelijke Marktordening voor Groenten en Fruit. "
Art.9. A l'article 8/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° entre les alinéas premier et deux, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Toutefois, lorsque le nombre total d'hectares constaté en Région flamande dans une année calendaire est supérieure à 7 500 ha, le montant de subvention, visé à l'alinéa premier, est multiplié par un facteur de correction. Le facteur de correction est obtenu par le quotient entre le nombre 7 500 et le nombre total d'hectares constaté dans l'année calendaire en question. ";
2° dans le deuxième alinéa existant, qui devient le troisième alinéa, le membre de phrase dans le point 1°
" selon les conditions imposées lors de l'agréation du produit commercial utilisé " est remplacé par le membre de phrase " selon les prescriptions d'utilisation en matière de nombre et de l'implantation, telles que prévues dans l'agréation du produit commercial utilisé ";
3° au deuxième alinéa existant, qui devient le troisième alinéa, il est ajouté un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° n'ont pas demandé de remboursement partiel des frais d'application de la technique de confusion dans le cadre de l'Organisation commune de marché des Légumes et des Fruits. "
1° entre les alinéas premier et deux, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Toutefois, lorsque le nombre total d'hectares constaté en Région flamande dans une année calendaire est supérieure à 7 500 ha, le montant de subvention, visé à l'alinéa premier, est multiplié par un facteur de correction. Le facteur de correction est obtenu par le quotient entre le nombre 7 500 et le nombre total d'hectares constaté dans l'année calendaire en question. ";
2° dans le deuxième alinéa existant, qui devient le troisième alinéa, le membre de phrase dans le point 1°
" selon les conditions imposées lors de l'agréation du produit commercial utilisé " est remplacé par le membre de phrase " selon les prescriptions d'utilisation en matière de nombre et de l'implantation, telles que prévues dans l'agréation du produit commercial utilisé ";
3° au deuxième alinéa existant, qui devient le troisième alinéa, il est ajouté un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° n'ont pas demandé de remboursement partiel des frais d'application de la technique de confusion dans le cadre de l'Organisation commune de marché des Légumes et des Fruits. "
Art.10. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2008 en 23 april 2010, wordt bijlage I vervangen door de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Art.10. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 novembre 2008 et 23 avril 2010, l'annexe 1re est remplacée par l'annexe jointe au présent arrêté.
Art.11. § 1.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2011, met uitzondering van artikel 9, 3°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2010.
§ 2. Het besluit is van toepassing op de op 1 januari 2011 nieuw aangegane verbintenissen en overeenkomsten.
Het besluit is eveneens van toepassing op de op 1 januari 2011 al lopende verbintenissen en overeenkomsten, met uitzondering van artikel 7 en 8. Op deze verbintenissen blijft artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling van toepassing zoals het van kracht was op 31 december 2010. Op verzoek van de begunstigde wordt de op 1 januari 2011 lopende verbintenis voor een agromilieumaatregel, vermeld in artikel 2, 5°, omgezet in een nieuwe verbintenis met een looptijd van vijf jaar, op voorwaarde dat de nieuwe verbintenis voldoet aan de bepalingen van dit besluit.
§ 2. Het besluit is van toepassing op de op 1 januari 2011 nieuw aangegane verbintenissen en overeenkomsten.
Het besluit is eveneens van toepassing op de op 1 januari 2011 al lopende verbintenissen en overeenkomsten, met uitzondering van artikel 7 en 8. Op deze verbintenissen blijft artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling van toepassing zoals het van kracht was op 31 december 2010. Op verzoek van de begunstigde wordt de op 1 januari 2011 lopende verbintenis voor een agromilieumaatregel, vermeld in artikel 2, 5°, omgezet in een nieuwe verbintenis met een looptijd van vijf jaar, op voorwaarde dat de nieuwe verbintenis voldoet aan de bepalingen van dit besluit.
Art.11. § 1er. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2011, à l'exception de l'article 9, 3°, qui produit ses effets le 1er janvier 2010.
§ 2. L'arrêté s'applique aux contrats et engagements nouvellement conclus le 1er janvier 2011.
L'arrêté s'applique également aux engagements et contrats déjà en cours le 1er janvier 2011, à l'exclusion des articles 7 et 8. L'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales par application du Programme flamand de Développement rural reste d'application à ces engagements, tel qu'il était en vigueur le 31 décembre 2010. Sur la demande du bénéficiaire, l'engagement en cours le 1er janvier 2011 pour une mesure agro-environnementale, visée à l'article 2, 5°, est converti en un nouvel engagement avec une échéance de cinq ans, à condition que le nouvel engagement remplisse les dispositions du présent arrêté.
§ 2. L'arrêté s'applique aux contrats et engagements nouvellement conclus le 1er janvier 2011.
L'arrêté s'applique également aux engagements et contrats déjà en cours le 1er janvier 2011, à l'exclusion des articles 7 et 8. L'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales par application du Programme flamand de Développement rural reste d'application à ces engagements, tel qu'il était en vigueur le 31 décembre 2010. Sur la demande du bénéficiaire, l'engagement en cours le 1er janvier 2011 pour une mesure agro-environnementale, visée à l'article 2, 5°, est converti en un nouvel engagement avec une échéance de cinq ans, à condition que le nouvel engagement remplisse les dispositions du présent arrêté.
Art.12. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.12. Le Ministre flamand ayant la politique agricole dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Brussel, 4 februari 2011.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS
Bruxelles, le 4 février 2011.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Ministre flamand de l'Economie, de la Politique extérieure, de l'Agriculture et de la Ruralité,
K. PEETERS
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Ministre flamand de l'Economie, de la Politique extérieure, de l'Agriculture et de la Ruralité,
K. PEETERS
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling
Bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling
Bijlage I. Indeling van de gewassen in teeltgroepen als vermeld in artikel 6, § 7, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling.
Bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling
Bijlage I. Indeling van de gewassen in teeltgroepen als vermeld in artikel 6, § 7, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling.
Art. N. Annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales en application du Programme flamand de Développement rural
Annexe Ire à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales en application du Programme flamand de Développement rural
Annexe Ire. Classement des cultures en groupes tel que visé à l'art. 6, § 7, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales en application du Programme flamand de Développement rural.
Annexe Ire à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales en application du Programme flamand de Développement rural
Annexe Ire. Classement des cultures en groupes tel que visé à l'art. 6, § 7, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales en application du Programme flamand de Développement rural.
| Teeltgroep | Gewassen |
| 1° Eenjarige akkerbouw- en voederteelten | Granen Zaden Vlas Hennep Eenjarige vlinderbloemigen als voederteelt Aardappelen (andere dan onder bedekking) Bieten Cichorei Voederkool (bladkool) Voederwortelen Andere voedergewassen Niet-eetbare tuinbouwgewassen |
| 2° Grasland, meerjarige voederteelten en begraasbare natuurlijke begroeiing | Blijvend grasland Tijdelijk grasland Meerjarige vlinderbloemigen Begraasbare natuurlijke begroeiing Niet-verharde uitloop |
| 3° Eenjarige groenten, kruiden en fruit | Eenjarige groenten Eenjarige kruiden Eenjarige fruitteelt |
| 4° Beschutte teelten | Groenten, kruiden en fruit onder bedekking Niet-eetbare tuinbouwgewassen onder bedekking |
| 5° Meerjarige fruit-, groente- en kruidenteelt | Laagstammige fruitbomen en heesters met een dichtheid van minstens 300 per ha Andere (hoogstammige) fruitbomen met een dichtheid van minstens 15 per ha (homogeen verspreid op het perceel) Meerjarige groenten (asperge, rabarber, aardpeer) Meerjarige kruiden Hop Noten |
| Groupe cultural | Cultures |
| 1° Cultures arables et fourragères annuelles | Céréales Semences Lin Chanvre Légumineuses annuelles comme culture fourragère Pommes de terre (autres que sous couvert) Betteraves Chicorée Colza fourrager Carottes fourragères Autres cultures fourragères Cultures horticoles non comestibles |
| 2° Pâturages, cultures fourragères pluriannuelles et végétation naturelle pâturable | Pâturage permanent Pâturage temporaire Légumineuses pluriannuelles Végétation naturelle pâturable Espace extérieur non durci |
| 3° Légumes, herbes et fruits annuels | Légumes annuelles Herbes annuelles Culture fruitière annuelle |
| 4° Cultures sous abri | Légumes, herbes et fruits sous abri Cultures horticoles non comestibles sous abri |
| 5° Culture pluriannuelle de légumes, herbes et fruits | Arbres fruitiers à basse-tige et arbustes avec une densité d'au moins 300 par ha Autres arbres fruitiers (haute tige) avec une densité d'au moins 15 par ha (répartis homogènement sur le terrain) légumes pluriannuelles (asperges, rhubarbe, topinambour) Herbes pluriannuelles Houblon Noix |
TeeltgroepGewassen
1° Eenjarige akkerbouw- en voederteeltenGranen
Zaden
Vlas
Hennep
Eenjarige vlinderbloemigen als voederteelt
Aardappelen (andere dan onder bedekking)
Bieten
Cichorei
Voederkool (bladkool)
Voederwortelen
Andere voedergewassen
Niet-eetbare tuinbouwgewassen
2° Grasland, meerjarige voederteelten en begraasbare natuurlijke begroeiingBlijvend grasland
Tijdelijk grasland
Meerjarige vlinderbloemigen
Begraasbare natuurlijke begroeiing
Niet-verharde uitloop
3° Eenjarige groenten, kruiden en fruitEenjarige groenten
Eenjarige kruiden
Eenjarige fruitteelt
4° Beschutte teeltenGroenten, kruiden en fruit onder bedekking
Niet-eetbare tuinbouwgewassen onder bedekking
5° Meerjarige fruit-, groente- en kruidenteeltLaagstammige fruitbomen en heesters met een dichtheid van minstens 300 per ha
Andere (hoogstammige) fruitbomen met een dichtheid van minstens 15 per ha (homogeen verspreid op het perceel)
Meerjarige groenten (asperge, rabarber, aardpeer)
Meerjarige kruiden
Hop
Noten
1° Eenjarige akkerbouw- en voederteeltenGranen
Zaden
Vlas
Hennep
Eenjarige vlinderbloemigen als voederteelt
Aardappelen (andere dan onder bedekking)
Bieten
Cichorei
Voederkool (bladkool)
Voederwortelen
Andere voedergewassen
Niet-eetbare tuinbouwgewassen
2° Grasland, meerjarige voederteelten en begraasbare natuurlijke begroeiingBlijvend grasland
Tijdelijk grasland
Meerjarige vlinderbloemigen
Begraasbare natuurlijke begroeiing
Niet-verharde uitloop
3° Eenjarige groenten, kruiden en fruitEenjarige groenten
Eenjarige kruiden
Eenjarige fruitteelt
4° Beschutte teeltenGroenten, kruiden en fruit onder bedekking
Niet-eetbare tuinbouwgewassen onder bedekking
5° Meerjarige fruit-, groente- en kruidenteeltLaagstammige fruitbomen en heesters met een dichtheid van minstens 300 per ha
Andere (hoogstammige) fruitbomen met een dichtheid van minstens 15 per ha (homogeen verspreid op het perceel)
Meerjarige groenten (asperge, rabarber, aardpeer)
Meerjarige kruiden
Hop
Noten
Groupe culturalCultures
1° Cultures arables et fourragères annuellesCéréales
Semences
Lin
Chanvre
Légumineuses annuelles comme culture fourragère
Pommes de terre (autres que sous couvert)
Betteraves
Chicorée
Colza fourrager
Carottes fourragères
Autres cultures fourragères
Cultures horticoles non comestibles
2° Pâturages, cultures fourragères pluriannuelles et végétation naturelle pâturablePâturage permanent
Pâturage temporaire
Légumineuses pluriannuelles
Végétation naturelle pâturable
Espace extérieur non durci
3° Légumes, herbes et fruits annuelsLégumes annuelles
Herbes annuelles
Culture fruitière annuelle
4° Cultures sous abriLégumes, herbes et fruits sous abri
Cultures horticoles non comestibles sous abri
5° Culture pluriannuelle de légumes, herbes et fruitsArbres fruitiers à basse-tige et arbustes avec une densité d'au moins 300 par ha
Autres arbres fruitiers (haute tige) avec une densité d'au moins 15 par ha (répartis homogènement sur le terrain)
légumes pluriannuelles (asperges, rhubarbe, topinambour)
Herbes pluriannuelles
Houblon
Noix
1° Cultures arables et fourragères annuellesCéréales
Semences
Lin
Chanvre
Légumineuses annuelles comme culture fourragère
Pommes de terre (autres que sous couvert)
Betteraves
Chicorée
Colza fourrager
Carottes fourragères
Autres cultures fourragères
Cultures horticoles non comestibles
2° Pâturages, cultures fourragères pluriannuelles et végétation naturelle pâturablePâturage permanent
Pâturage temporaire
Légumineuses pluriannuelles
Végétation naturelle pâturable
Espace extérieur non durci
3° Légumes, herbes et fruits annuelsLégumes annuelles
Herbes annuelles
Culture fruitière annuelle
4° Cultures sous abriLégumes, herbes et fruits sous abri
Cultures horticoles non comestibles sous abri
5° Culture pluriannuelle de légumes, herbes et fruitsArbres fruitiers à basse-tige et arbustes avec une densité d'au moins 300 par ha
Autres arbres fruitiers (haute tige) avec une densité d'au moins 15 par ha (répartis homogènement sur le terrain)
légumes pluriannuelles (asperges, rhubarbe, topinambour)
Herbes pluriannuelles
Houblon
Noix
Tabak, champignons, bos, wendakker, kruiden en bloemen in pot en plantgoed in substraatperspot of bakje worden in deze tabel niet als teelt beschouwd.
Le tabac, les champignons, les bois, la tournière, les herbes et les fleurs en pot et les plants en pots pressés à base de substrat ou en cuvettes ne sont pas considérés comme des cultures dans ce tableau.
Vu pour être joint à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales en application du Programme flamand de Développement rural.
Vu pour être joint à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif à l'octroi de subventions à l'exécution de mesures agri-environnementales en application du Programme flamand de Développement rural.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 tot het verlenen van subsidies voor de uitvoering van agromilieumaatregelen met toepassing van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling.
Brussel, 4 februari 2011.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS
Brussel, 4 februari 2011.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS
Bruxelles, le 4 février 2011.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Ministre flamand de l'Economie, de la Politique extérieure,
de l'Agriculture et de la Ruralité,
K. PEETERS
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Ministre flamand de l'Economie, de la Politique extérieure,
de l'Agriculture et de la Ruralité,
K. PEETERS