Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 FEBRUARI 2010. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wat de rechtspositie van het personeel van de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten betreft(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-05-2010 en tekstbijwerking tot 05-02-2026)
Titre
5 FEVRIER 2010. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand portant exĂ©cution du dĂ©cret du 8 mai 2009 relatif Ă  la qualitĂ© de l'enseignement pour ce qui est du statut du personnel de l'inspection et des services d'encadrement pĂ©dagogique(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 17-05-2010 et mise Ă  jour au 05-02-2026)
Documentinformatie
Numac: 2010202589
Datum: 2010-02-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2010202589
Date: 2010-02-05
Moniteur: Voir
Inhoud
TITRE Ier. - Dispositions gĂ©nĂ©rales TITRE II. - Inspection CHAPITRE Ier. - DĂ©finition d'expĂ©rience profess... CHAPITRE II. - Conditions de recrutement CHAPITRE III. [1 - La sĂ©lection pour la fonctio... Chapitre III/1. CHAPITRE IV. CHAPITRE V. - AccĂšs Ă  la fonction d'inspecteur ... Section 2. [1 RĂšglement gĂ©nĂ©rique de sĂ©lection ... CHAPITRE VI. - La suspension prĂ©ventive CHAPITRE VII. - Le rĂ©gime disciplinaire CHAPITRE VIII. - La chambre de recours Section Ire. - Composition et fonctionnement Section II. - ProcĂ©dure de recours CHAPITRE IX. - RĂ©munĂ©rations et indemnitĂ©s Section Ire. - RĂ©munĂ©ration Sous-section 1re. - RĂ©munĂ©ration des inspecteurs Sous-section 2. - RĂ©munĂ©ration des inspecteurs ... Sous-section 3. - RĂ©munĂ©ration de l'inspecteur ... Section II. - Migration pendulaire et frais de ... Sous-section Ire. - IndemnitĂ© de migration pend... Sous-section 2. Section III. - IndemnitĂ© TIC Section IV. - IndemnitĂ© pour frais de fonctionn... CHAPITRE X. - RĂ©gime de vacances et de prestations CHAPITRE XI. - CongĂ© pour exercer temporairemen... CHAPITRE XII. - CongĂ© pour l'exercice d'un mandat TITRE III. - Les services d'encadrement pĂ©dagog... CHAPITRE Ier. - Fixation des fonctions CHAPITRE II. - RĂ©munĂ©ration CHAPITRE III. - RĂ©gime de vacances et de presta... TITRE IV. - Dispositions modificatives CHAPITRE Ier. - Modifications Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gou... CHAPITRE II. - Modifications Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouv... TITRE V. - Dispositions abrogatoires, transitoi...
Tekst (140)
Texte (140)
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° het decreet van 8 mei 2009 : het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
  2° raadsman : een advocaat, een personeelslid van de inspectie, een ambtenaar, of een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie.
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° le décret du 8 mai 2009 : le décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;
  2° conseil : un avocat, un membre du personnel de l'inspection, un fonctionnaire, ou un représentant d'une organisation syndicale agréée.
TITEL II. - Inspectie
TITRE II. - Inspection
HOOFDSTUK I. - Definitie relevante beroepservaring
CHAPITRE Ier. - Définition d'expérience professionnelle pertinente
Art. 2. § 1. Onder beroepservaring als vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 mei 2009, wordt verstaan : de ervaring die opgedaan is binnen onderwijs in een van de onderwijsniveaus, vermeld in artikel 46, § 2 van het decreet van 8 mei 2009, in de basiseducatie of in de centra voor leerlingenbegeleiding.
  § 2. De beroepservaring is relevant als die in de laatste tien jaar voor de tijdelijke aanstelling [1 ...]1 of de vaste benoeming bij de inspectie minstens twee jaar effectief gepresteerde diensten omvat.
  De in aanmerking komende diensten worden berekend per dag en geteld van datum tot datum.
  Gedurende een kalenderjaar kan een ervaring van maximaal 360 dagen worden verworven. De jaarlijkse vakantie, de weekends en de feestdagen worden als effectieve diensten beschouwd. Het aantal dagen, gepresteerd in een betrekking met onvolledige prestaties die niet de helft bedragen van het aantal uren dat vereist is voor een betrekking met volledige prestaties, telt voor de helft mee.
  De beroepservaring in verschillende ambten binnen hetzelfde niveau kan worden samengeteld.
  Het resultaat van de berekeningen moet minstens 600 dagen bedragen om als relevante beroepservaring te kunnen worden beschouwd.
  § 3. De diensten die gepresteerd zijn in het ambt van directeur, komen voor de berekening van relevante beroepservaring alleen in aanmerking in het niveau waartoe de instelling behoort.
  § 4. Een personeelslid kan over relevante beroepservaring beschikken in een of meer van de niveaus, vermeld in artikel 46, § 2 van het decreet van 8 mei 2009.
  
Art. 2. § 1er. Par expérience professionnelle, telle que visée à l'article 46 du décret du 8 mai 2009, on entend : l'expérience acquise dans l'enseignement dans un des niveaux d'enseignement, visés à l'article 46, § 2 du décret du 8 mai 2009, dans l'éducation de base ou dans les centres d'encadrement des élÚves.
  § 2. L'expérience est pertinente si celle-ci comprend au moins deux ans de services effectivement prestés dans les dix derniÚres années avant la désignation temporaire [1 ...]1 ou la nomination à titre définitif.
  Les services éligibles sont calculés par jour et comptés de date en date.
  Pendant une annĂ©e calendaire, une expĂ©rience d'au maximum 360 jours peut ĂȘtre acquise. Les congĂ©s annuels de vacances, les weekends et les jours fĂ©riĂ©s sont considĂ©rĂ©s comme des services effectifs. Le nombre de jours, prestĂ©s dans une fonction Ă  prestations incomplĂštes, qui n'atteignent pas la moitiĂ© du nombre d'heures requis pour une fonction Ă  prestations complĂštes, est pris en compte pour la moitiĂ©.
  L'expĂ©rience professionnelle dans diffĂ©rentes fonctions du mĂȘme niveau peut ĂȘtre additionnĂ©e.
  Le rĂ©sultat des calculs doit s'Ă©lever Ă  au moins 600 jours afin de pouvoir ĂȘtre considĂ©rĂ© comme une expĂ©rience professionnelle pertinente.
  § 3. Les services prestés dans la fonction de directeur sont uniquement éligibles pour le calcul de l'expérience professionnelle pertinente dans le niveau auquel appartient l'institution.
  § 4. Un membre du personnel peut posséder une expérience professionnelle pertinente dans un ou plusieurs niveaux, visés à l'article 46, § 2 du décret du 8 mai 2009.
  
HOOFDSTUK II. - Aanwervingsvoorwaarden
CHAPITRE II. - Conditions de recrutement
Art. 3. § 1.Voor de kandidaat-inspecteurs met diensten in het onderwijs wordt de dienstanciënniteit, vermeld in artikel 49, § 2 van het decreet van 8 mei 2009, als volgt berekend :
  1° voor de dienstanciënniteit, verworven in het gemeenschapsonderwijs : overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
  2° voor de dienstanciënniteit, verworven in het gesubsidieerd onderwijs : overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
  § 2. Voor de kandidaat-inspecteurs met diensten in de hogescholen of de universiteiten wordt de dienstanciënniteit, vermeld in artikel 49, § 2 van het decreet van 8 mei 2009, verworven in de hogescholen of de universiteiten berekend overeenkomstig de regels die gelden voor de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding in het gemeenschapsonderwijs.
  Voor de hogescholen en universiteiten worden als diensten beschouwd :
  1° in het universitair onderwijs : de diensten, en daarmee gelijkgestelde prestaties, die een personeelslid heeft gepresteerd in de categorie van het academisch personeel, vermeld in hoofdstuk IV van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;
  2° in de hogescholen : de diensten, en daarmee gelijkgestelde prestaties, die een personeelslid heeft gepresteerd in de categorie van het onderwijzend personeel, vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.
  § 3. Voor de kandidaat-inspecteurs met diensten in de basiseducatie, worden de gepresteerde diensten in de basiseducatie, vermeld in artikel 49, § 2 van het decreet van 8 mei 2009, berekend overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, meer bepaald conform de regels die gelden voor de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding. Alleen de diensten die gepresteerd zijn in een centrum voor basiseducatie, het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Centra voor Basiseducatie of in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, komen in aanmerking.
  § 4. In voorkomend geval wordt de dienstanciënniteit die verworven is in het gemeenschapsonderwijs, in het gesubsidieerd onderwijs, in de hogescholen en in de universiteiten, en de gepresteerde diensten in de basiseducatie samengeteld.
Art. 3. § 1er. Pour les candidats-inspecteurs avec des services dans l'enseignement, l'ancienneté de service, visée à l'article 49, § 2 du décret du 8 mai 2009, est calculée comme suit :
  1° pour l'ancienneté de service, acquise dans l'enseignement communautaire : conformément à l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;
  2° pour l'ancienneté de service, acquise dans l'enseignement subventionné : conformément à l'article 6 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élÚves;
  § 2. Pour les candidats-inspecteurs avec des services dans les instituts supérieurs ou les universités, l'ancienneté de service, visée à l'article 49, § 2 du décret du 8 mai 2009, acquise dans les instituts supérieurs ou les universités, est calculée conformément aux rÚgles applicables aux membres du personnel des centres d'encadrement des élÚves de l'enseignement communautaire.
  Sont censĂ©s ĂȘtre des services pour les instituts supĂ©rieurs et les universitĂ©s :
  1 ° dans l'enseignement universitaire : les services, et les prestations y assimilées, qu'un membre du personnel a effectués dans la catégorie du personnel académique tel que visé au chapitre IV du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande;
  2° dans les instituts supérieurs : les services, et les prestations y assimilées, qu'un membre du personnel a effectués dans la catégorie du personnel enseignant tel que visé au chapitre II du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
  § 3. Pour les candidats-inspecteurs avec des services dans l'éducation de base, les services prestés dans l'éducation de base, visée à l'article 49, § 2 du décret du 8 mai 2009, sont calculés conformément à l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, notamment conformément aux rÚgles applicables aux membres du personnel des centres d'encadrement des élÚves. Seuls les services prestés dans un centre d'éducation de base, le "Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Centra voor Basiseducatie" (Centre flamand d'Aide à l'Education de base) ou le "Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" (Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes) sont éligibles.
  § 4. Le cas échéant, l'ancienneté de service acquise dans l'enseignement communautaire, dans l'enseignement subventionné, dans les instituts supérieurs et dans les universités, et les services prestés dans l'éducation de base sont additionnés.
HOOFDSTUK III. [1 - De selectie voor het ambt van inspecteur]1
CHAPITRE III. [1 - La sélection pour la fonction d'inspecteur]1
Art. 4. [1 [2 Een vacature voor het ambt van inspecteur wordt ten minste bekendgemaakt:
   1° op de website van de onderwijsinspectie;
   2° op de website van VDAB;
   3° via de nieuwsbrief Schooldirect van het Departement Onderwijs]2
.
   De vacature voor het ambt van inspecteur bevat ten minste de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 49 van het decreet van 8 mei 2009, en de specifieke toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 63, § 4, van het voormelde decreet, alsook de wijze van solliciteren.]1

  
Art. 4. [1 [2 Une vacance d'emploi pour la fonction d'inspecteur est à tout le moins publiée :
   1° sur le site web de l'inspection de l'enseignement ;
   2° sur le site web du VDAB ;
   3° via le bulletin d'information Schooldirect du Département Enseignement.]2
.
   La vacance d'emploi pour la fonction d'inspecteur contient au moins les conditions de recrutement visées à l'article 49 du décret du 8 mai 2009 et les conditions spécifiques d'admission visées à l'article 63, § 4 du décret susvisé ainsi que le mode de candidature.]1

  
Art. 5. [1 De kandidaat bezorgt het digitaal ingevulde sollicitatieformulier uiterlijk op de uiterste sollicitatiedatum, vermeld in artikel 8, eerste lid, en op de wijze, vermeld in de vacature.
   Het sollicitatieformulier staat op de website van de onderwijsinspectie.
   Het sollicitatieformulier bevat al de volgende gegevens van de kandidaat:
   1° de persoonsgegevens;
   2° de gevolgde opleidingen;
   3° de relevante werkervaringen;
   4° het competentieportfolio dat de competenties en kwalificaties van de kandidaat inventariseert en alle elementen bevat waarmee de kandidaat zijn onderwijskundige inzichten heeft uitgebreid en verdiept. Het betreft competenties die zowel binnen als buiten het onderwijs verworven zijn.]1

  
Art. 5. [1 Le candidat remet le formulaire de demande d'emploi complété numériquement au plus tard à la date limite de candidature, visée à l'article 8, alinéa premier de la maniÚre indiquée dans la vacance d'emploi.
   Le formulaire de demande d'emploi figure sur le site web de l'inspection de l'enseignement.
   Le formulaire de demande d'emploi contient toutes les données suivantes du candidat :
   1° les données personnelles ;
   2° les formations suivies ;
   3° les expériences professionnelles pertinentes ;
   4° le portfolio de compétences, qui contient l'inventaire des compétences et qualifications que possÚde le candidat et tous les éléments par lesquels le candidat a élargi et approfondi ses connaissances pédagogiques. Il s'agit de compétences acquises dans et en dehors de l'enseignement.]1

  
Art. 6. [1 De diploma's, getuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen, vermeld in artikel 49 van het decreet van 8 mei 2009, geven toegang tot de wervingsprocedure voor het ambt van inspecteur.]1
  
Art. 6. [1 Les diplÎmes, certificats d'études, titres d'expérience ou titres d'accÚs, visés à l'article 49 du décret du 8 mai 2009, donnent accÚs à la procédure de recrutement pour la fonction d'inspecteur.]1
  
Art. 7. [1 De aanwervingsvoorwaarden zijn uiterlijk vervuld op het ogenblik van de kandidaatstelling voor de selectieproef, vermeld in artikel 11.]1
  
Art. 7. [1 Les conditions de recrutement sont remplies au plus tard au moment de la candidature pour l'épreuve de sélection visée à l'article 11.]1
  
Art. 9. [1 Na de toepassing van de werkwijze, vermeld in artikel 65 van het decreet van 8 mei 2009, bezorgt de onderwijsinspectie de kandidaat een bevestigingsmail waarin wordt vermeld dat de elektronische sollicitatie is ontvangen en dat de kandidaat al dan niet voldoet aan de aanwervingsvoorwaarden.
   De sollicitatieformulieren van de kandidaten die voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden worden voorgelegd aan de commissie, vermeld in artikel 10, § 2.]1

  
Art. 9. [1 AprÚs l'application de la procédure visée à l'article 65 du décret du 8 mai 2009, l'inspection de l'enseignement envoie au candidat un mail de confirmation indiquant que la candidature électronique a été reçue et que le candidat satisfait ou non aux conditions de recrutement.
   Les formulaires de demande d'emploi des candidats qui satisfont aux conditions de recrutement sont soumis à la commission, visée à l'article 10, § 2.]1

  
Art. 10. [1 § 1. De informatie in het sollicitatieformulier wordt door de delegatie van de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, met een eliminerend mandaat gescreend op de specifieke toelatingsvoorwaarden, die, in toepassing van artikel 63, § 4 van het decreet van 8 mei 2009, opgenomen zijn in het specifieke selectiereglement, opgesteld door de inspecteur-generaal en de betrokken coördinerend inspecteur.
   Zoals bepaald in artikel 63, § 4, van het decreet van 8 mei 2009 concretiseert het specifiek selectiereglement de specifieke verwachtingen en bevat ten minste :
   1° welke diploma's, getuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang verlenen tot de selectieprocedure;
   2° de aard en het aantal van de specifieke testen;
   3° de criteria op basis waarvan wordt beoordeeld of de kandidaat geschikt is en geslaagd is;
   4° de samenstelling en de werking van de selectiecommissies, die voor de helft bestaan uit personen uit de organisatie en de helft uit personen extern aan de organisatie.
   § 2. De delegatie van de selectiecommissie die de screening uitvoert bestaat uit:
   1° de inspecteur-generaal of zijn gemachtigde, die hij aanwijst onder de coördinerend inspecteurs;
   2° één lid van de onderwijsinspectie, aangewezen door de voorzitter;
   3° twee leden die extern zijn aan de inspectie en die aangewezen worden door de voorzitter.
   De inspecteur-generaal of zijn gemachtigde is de voorzitter van de delegatie van de selectiecommissie.
   De voorzitter voegt aan de delegatie van de selectiecommissie een secretaris toe die belast is met de algemene organisatie.
   § 3. De delegatie van de selectiecommissie beraadslaagt geldig als ten minste twee derde van de leden aanwezig is.
   § 4. Na de screening krijgt de kandidaat een mail waarin ofwel bevestigd wordt dat hij kan deelnemen aan de selectieproef, vermeld in artikel 11, ofwel gemeld wordt dat de kandidatuur niet ontvankelijk is op basis van de specifieke toelatingsvoorwaarden.
   De kandidaten die mogen deelnemen aan de selectieproef, worden met een mail op de hoogte gebracht van de modaliteiten van de selectieproef.]1

  
Art. 10. [1 § 1er. L'information dans le formulaire de demande d'emploi est examinée par la délégation de la commission de sélection, visée à l'article 13, avec un mandat éliminatoire, en fonction des conditions spécifiques d'admission qui, en application de l'article 63, § 4 du décret du 8 mai 2009, figurent dans le rÚglement de sélection spécifique établi par l'inspecteur général et l'inspecteur coordinateur concerné.
   Comme visé à l'article 63, § 4 du décret du 8 mai 2009, le rÚglement de sélection spécifique concrétise les attentes spécifiques et mentionne au moins :
   1° les diplÎmes, certificats d'études, titres d'expérience ou titres d'accÚs qui donnent accÚs à la procédure de sélection ;
   2° la nature et le nombre de tests spécifiques ;
   3° les critÚres d'évaluation de l'aptitude et de la réussite du candidat ;
   4° la composition et le fonctionnement des commissions de sélection qui se composent pour moitié de personnes de l'organisation et pour moitié de personnes externes à l'organisation.
   § 2. La délégation de la commission de sélection qui procÚde à l'examen se compose comme suit :
   1° l'inspecteur général ou son délégué qu'il désigne parmi les inspecteurs coordinateurs ;
   2° un membre de l'inspection de l'enseignement, désigné par le président ;
   3° deux membres extérieurs à l'inspection, désignés par le président.
   L'inspecteur général ou son délégué préside la délégation de la commission de sélection.
   Le président adjoint à la délégation de la commission de sélection un secrétaire qui est chargé de l'organisation générale.
   § 3. La délégation de la commission de sélection délibÚre valablement si au moins deux tiers des membres sont présents.
   § 4. AprÚs l'examen, le candidat reçoit un mail qui soit lui confirme qu'il peut prendre part à l'épreuve de sélection visée à l'article 11, soit lui signale que sa candidature n'est pas recevable en fonction des conditions d'admission spécifiques.
   Les candidats qui peuvent prendre part à l'épreuve de sélection sont informés par un mail des modalités de l'épreuve de sélection.]1

  
Art. 11. [1 De selectieproef voor het ambt van inspecteur bestaat uit een interview bij de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, eventueel vooraf gegaan door een eliminerende test als vermeld in artikel 12.
   De kandidaat stelt tijdens het interview zijn competentieportfolio voor en wordt ondervraagd door de leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, onder meer over de inhoud van het competentieportfolio.
   Uit het interview moet blijken in welke mate de kandidaat beantwoordt aan de selectiecriteria, vermeld in artikel 14/2.]1

  
Art. 11. [1 L'épreuve de sélection pour la fonction d'inspecteur se compose d'une interview auprÚs de la commission de sélection visée à l'article 13, précédée éventuellement d'un test éliminatoire visé à l'article 12.
   Pendant son interview, le candidat présente son portfolio de compétences et est interrogé par les membres de la commission de sélection, visée à l'article 13, notamment sur le contenu du portfolio de compétences.
   L'interview doit révéler dans quelle mesure le candidat répond aux critÚres de sélection visés à l'article 14/2.]1

  
Art. 12. [1 De selectiecommissie, vermeld in artikel 13 kan beslissen om voorafgaand aan het interview een eliminerende test te organiseren.
   De eliminerende test toetst een aantal van de selectiecriteria, vermeld in artikel 14/2.]1

  
Art. 12. [1 La commission de sélection, visée à l'article 13, peut décider d'organiser un test éliminatoire préalablement à l'interview.
   Le test éliminatoire contrÎle certain des critÚres de sélection visés à l'article 14/2.]1

  
Art. 13. [1 § 1. De selectiecommissie bestaat uit:
   1° de inspecteur-generaal of zijn gemachtigde, die hij aanwijst onder de coördinerend inspecteurs;
   2° twee leden van de onderwijsinspectie, die aangewezen worden door de voorzitter, onder wie een inspecteur en een coördinerend inspecteur met affiniteit met het te werven profiel;
   3° drie leden die extern zijn aan de inspectie en die aangewezen worden door de voorzitter.
   § 2. De inspecteur-generaal of zijn gemachtigde is de voorzitter van de commissie.
   De voorzitter voegt aan de selectiecommissie een secretaris toe die belast is met de algemene organisatie.
   § 3. De selectiecommissie beraadslaagt geldig als ten minste twee derde van de leden aanwezig is. De samenstelling van de selectiecommissie is bij de beraadslaging dezelfde als tijdens het interview.
   § 4. De volgende personen mogen geen deel uitmaken van de selectiecommissie:
   1° de echtgenoot van de kandidaat;
   2° een bloed- of aanverwant van de kandidaat tot en met de vierde graad;
   3° personen die een relationele band hebben met een kandidaat.]1

  
Art. 13. [1 § 1er. La Commission de sélection se compose :
   1° de l'inspecteur général ou son délégué qu'il désigne parmi les inspecteurs coordinateurs ;
   2° de deux membres de l'inspection de l'enseignement, désignés par le président, parmi lesquels un inspecteur et un inspecteur coordinateur ayant des affinités avec le profil à recruter ;
   3° de trois membres extérieurs à l'inspection, désignés par le président.
   § 2. L'inspecteur général ou son délégué préside la commission.
   Le président adjoint à la commission de sélection a secrétaire qui est chargé de l'organisation générale.
   § 3. La commission de sĂ©lection dĂ©libĂšre valablement si au moins deux tiers des membres sont prĂ©sents. La composition de la commission de sĂ©lection est la mĂȘme lors de la dĂ©libĂ©ration que celle lors de l'interview.
   § 4. Ne peuvent pas faire partie de la commission de sélection :
   1° l'époux du candidat ;
   2° un parent ou allié du candidat jusqu'au quatriÚme degré inclus ;
   3° les personnes qui ont un lien relationnel avec le candidat.]1

  
Art. 14. [1 De selectiecommissie, vermeld in artikel 13, stelt haar werkingsreglement op, dat kenbaar gemaakt wordt aan de kandidaten.]1
  
Art. 14. [1 La commission de sélection, visée à l'article 13, établit son rÚglement de fonctionnement qui est porté à la connaissance des candidats.]1
  
Art.14/1. [1 De selectiecommissie, vermeld in artikel 13, kan beslissen om aanvullende externe testen te organiseren om bepaalde competenties, vermeld in artikel 14/2, bijkomend te laten testen.
   Indien hiertoe beslist wordt, worden alle kandidaten aan die aanvullende externe testen onderworpen.
   De resultaten van de testen, vermeld in het eerste lid, vormen een element voor de deliberatie van de kandidaten en in voorkomend geval voor de uitbouw van de aanvangsbegeleiding.]1

  
Art.14/1. [1 La commission de sélection, visée à l'article 13, peut décider d'organiser des tests externes complémentaires afin de faire vérifier certaines compétences, visées à l'article 14/2.
   Si cette décision est prise, tous les candidats se soumettront à ces tests externes complémentaires.
   Les résultats des tests, visés au premier alinéa, constituent un élément de la délibération des candidats et, le cas échéant, de la mise en place de l'accompagnement initial.]1

  
Art.14/2. [1 De volgende criteria worden door de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, gebruikt om te bepalen of een kandidaat geschikt is:
   1° de visie op en het inzicht in de functie;
   2° de motivatie en de verwachtingen;
   3° de beheersing van de generieke en de specifieke competenties of het leervermogen om ze te verwerven;
   4° de inzetbaarheid in de functie en de organisatie.]1

  
Art.14/2. [1 Les critÚres suivants sont utilisés par la commission de sélection, visée à l'article 13, pour déterminer si un candidat est apte :
   1° la vision et la perception de la fonction ;
   2° la motivation et les attentes ;
   3° la gestion des compétences génériques et spécifiques ou la capacité d'apprentissage nécessaire pour les acquérir;
   4° l'employabilité dans la fonction et au sein de l'organisation.]1

  
Art.14/3. [1 De leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, beoordelen elk van de overblijvende kandidaten na de eventuele voorafgaande test waarvan sprake in artikel 12, op de vier criteria bepaald in artikel 14/2.
   Het gewicht van de respectievelijke criteria wordt bepaald in het werkingsreglement bedoeld in artikel 14.
   Er wordt voor alle overblijvende kandidaten een globale beoordeling gemaakt die de som is van de beoordelingen van alle leden van de selectiecommissie.
   De selectiecommissie rangschikt de geslaagde kandidaten naar gelang de behaalde beoordeling.]1

  
Art.14/3. [1 Les membres de la commission de sélection, visée à l'article 13, évaluent chacun des candidats retenus aprÚs le test préalable éventuel dont il est question à l'article 12 en fonction des quatre critÚres définis à l'article 14/2.
   La pondération des critÚres respectifs est déterminée dans le rÚglement de fonctionnement visé à l'article 14.
   Une évaluation globale qui est la somme des évaluations de tous les membres de la commission de sélection est établie pour tous les candidats retenus.
   La commission de sélection classe les candidats qui ont réussi en fonction de l'évaluation obtenue.]1

  
Art.14/4. [1 De geslaagde kandidaten worden voor vier jaar opgenomen in een wervingsreserve.]1
  
Art.14/4. [1 Les candidats qui ont réussi sont inscrits pendant quatre ans dans une réserve de recrutement.]1
  
Hoofdstuk III/1.
Chapitre III/1.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
HOOFDSTUK V. - Toegang tot het ambt van coördinerend inspecteur en inspecteur-generaal
CHAPITRE V. - AccÚs à la fonction d'inspecteur coordinateur et d'inspecteur général
Art. 17. [1 Voor de berekening van de dienstanciënniteit, vermeld in artikel 79 van het decreet van 8 mei 2009, komen alleen de diensten in aanmerking die het personeelslid heeft gepresteerd als lid van de inspectie.
   Bij de berekening van de duur van de dienstanciënniteit, vermeld in artikel 79 van het voormelde decreet, zijn de bepalingen van artikel 3 van dit besluit van toepassing.]1

  
Art. 17. [1 Pour le calcul de l'anciennetĂ© de service, visĂ©e Ă  l'article 79 du dĂ©cret du 8 mai 2009, seuls les services prestĂ©s par le membre du personnel comme membre de l'inspection peuvent ĂȘtre valorisĂ©s.
   Lors du calcul de la durĂ©e de l'anciennetĂ© de service, visĂ©e Ă  l'article 79 du dĂ©cret susvisĂ©, les dispositions de l'article 3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont d'application.]1

  
Afdeling 2. [1 Generiek selectiereglement voor het ambt van coördinerend inspecteur]1
Section 2. [1 RÚglement générique de sélection pour la fonction d'inspecteur coordinateur]1
Art. 18. [1 [2 Een vacature voor het ambt van coördinerend inspecteur wordt bij externe werving als vermeld in artikel 79, § 2, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 ten minste bekendgemaakt:
   1° op de website van de onderwijsinspectie;
   2° op de website van VDAB;
   3° via de nieuwsbrief Schooldirect van het Departement Onderwijs ]2
.
   De vacature voor het ambt van coördinerend inspecteur bevat ten minste de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 79 van het decreet van 8 mei 2009, en de specifieke toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 63, § 4, van het voormelde decreet, alsook de wijze van solliciteren.]1

  
Art. 18. [1 [2 Une vacance d'emploi pour la fonction d'inspecteur coordinateur est à tout le moins publiée, en cas de recrutement externe tel que visé à l'article 79, § 2, du décret du 8 mai 2009 :
   1° sur le site web de l'inspection de l'enseignement ;
   2° sur le site web du VDAB ;
   3° via le bulletin d'information Schooldirect du Département Enseignement]2
.
   La vacance d'emploi pour la fonction d'inspecteur coordinateur contient au moins les conditions de recrutement visées à l'article 79 du décret du 8 mai 2009 et les conditions spécifiques d'admission visées à l'article 63, § 4 du décret susvisé ainsi que le mode de candidature.]1

  
Art. 19. [1 De kandidaat bezorgt uiterlijk op de uiterste sollicitatiedatum, vermeld in artikel 22, eerste lid, het digitaal ingevulde sollicitatieformulier op de wijze, vermeld in de vacature.
   Het sollicitatieformulier staat op de website van de onderwijsinspectie.
   Het sollicitatieformulier bevat al de volgende gegevens van de kandidaat:
   1° de persoonsgegevens;
   2° de gevolgde opleidingen;
   3° de relevante werkervaringen;
   4° het competentieportfolio dat de competenties en kwalificaties van de kandidaat inventariseert.]1

  
Art. 19. [1 Au plus tard à la date limite de candidature visée à l'article 22, alinéa premier, le candidat remet le formulaire de demande d'emploi complété numériquement de la maniÚre indiquée dans la vacance d'emploi.
   Le formulaire de demande d'emploi figure sur le site web de l'inspection de l'enseignement ;
   Le formulaire de demande d'emploi contient toutes les données suivantes du candidat :
   1° les données personnelles ;
   2° les formations suivies ;
   3° les expériences professionnelles pertinentes ;
   4° le portfolio de compétences qui énumÚre les compétences et qualifications du candidat.]1

  
Art. 20. [1 De diploma's, getuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen, vermeld in artikel 49 van het decreet van 8 mei 2009, geven toegang tot de selectieprocedure voor het ambt van coördinerend inspecteur.]1
  
Art. 20. [1 Les diplÎmes, certificats d'études, titres d'expérience ou titres d'accÚs, visés à l'article 49 du décret du 8 mai 2009, donnent accÚs à la procédure de sélection pour la fonction d'inspecteur coordinateur.]1
  
Art. 21. [1 De aanwervingsvoorwaarden zijn uiterlijk vervuld op het ogenblik van de kandidaatstelling voor de selectieproeven, vermeld in artikel 24.]1
  
Art. 21. [1 Les conditions de recrutement sont remplies au plus tard au moment de la candidature pour les épreuves de sélection, visées à l'article 24.]1
  
Art. 23. [1 Na de toepassing van de werkwijze, vermeld in artikel 65 van het decreet van 8 mei 2009, bezorgt de onderwijsinspectie de kandidaat een bevestigingsmail waarin wordt vermeld dat de elektronische sollicitatie is ontvangen en dat de kandidaat al dan niet voldoet aan de aanwervingsvoorwaarden.
   De sollicitatieformulieren van de kandidaten die voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, worden voorgelegd aan de selectiecommissie, vermeld in artikel 25.]1

  
Art. 23. [1 AprÚs l'application de la procédure visée à l'article 65 du décret du 8 mais 2009, l'inspection de l'enseignement envoie au candidat un mail de confirmation indiquant que la candidature électronique a été reçue et que le candidat satisfait ou non aux conditions de recrutement.
   Les formulaires de demande d'emploi des candidats qui satisfont aux conditions de recrutement sont soumis à la commission de sélection visée à l'article 25.]1

  
Art. 24. [1 De testen voor de selectie in het ambt van coördinerend inspecteur zijn:
   1° het opstellen van een beleidsnota waarbij de kandidaat de prioriteiten voorstelt die hij wil leggen in het ambt waarvoor hij kandideert;
   2° een externe test. De resultaten van die externe test vormen een element voor de deliberatie van de kandidaten en in voorkomend geval voor de uitbouw van de aanvangsbegeleiding;
   3° een interview bij de selectiecommissie, vermeld in artikel 25. Het interview bestaat uit een gesprek waaruit blijkt of de kandidaat voldoet aan de selectiecriteria, vermeld in artikel 26/1.
   De kandidaat stelt tijdens het interview zijn competentieportfolio en zijn beleidsnota voor en wordt door de leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 25, ondervraagd over onder meer de inhoud van het competentieportfolio en de beleidsnota.
   De commissie kan op basis van het aantal kandidaten beslissen om een voorafgaande, bijkomende eliminerende proef te organiseren. De eliminerende proef toetst een aantal van de selectiecriteria, vermeld in artikel 26/1.]1

  
Art. 24. [1 Les tests pour la sélection à la fonction d'inspecteur coordinateur sont :
   1° l'établissement d'une note politique dans laquelle le candidat présente les priorités qu'il propose pour la fonction pour laquelle il pose sa candidature ;
   2° un test externe. Les résultats de ce test externe constituent un élément pour la délibération des candidats et, le cas échéant, pour la mise en place de l'accompagnement initial ;
   3° une interview auprÚs de la commission de sélection mentionnée à l'article 25. L'interview comprend un entretien, dont il doit apparaßtre si le candidat satisfait aux critÚres de sélection visés à l'article 26/1.
   Pendant son interview, le candidat présente son portfolio de compétences et sa note politique et est interrogé par les membres de la commission de sélection, visée à l'article 25, notamment à propos du contenu du portfolio de compétences et de la note politique.
   Sur la base du nombre de candidats, la commission peut décider d'organiser un test éliminatoire préalable supplémentaire. Le test éliminatoire contrÎle plusieurs des critÚres de sélection, visés à l'article 26/1.]1

  
Art. 25. [1 § 1. De selectiecommissie bestaat uit:
   1° de inspecteur-generaal of zijn gemachtigde;
   2° vier leden die extern zijn aan de inspectie en die aangewezen worden door de voorzitter.
   § 2. De inspecteur-generaal of zijn gemachtigde is de voorzitter van de commissie.
   De voorzitter voegt aan de selectiecommissie een secretaris toe die belast is met de algemene organisatie.
   § 3. De selectiecommissie beraadslaagt geldig als ten minste twee derde van de leden aanwezig is. De samenstelling van de selectiecommissie is bij de beraadslaging dezelfde als tijdens het interview.
   § 4. De volgende personen mogen geen deel uitmaken van de selectiecommissie:
   1° de echtgenoot van de kandidaat;
   2° een bloed- of aanverwant van de kandidaat tot en met de vierde graad;
   3° personen die een relationele band hebben met een kandidaat.]1

  
Art. 25. [1 § 1er. La Commission de sélection se compose :
   1° de l'inspecteur général ou de son délégué ;
   2° de quatre membres extérieurs à l'inspection, désignés par le président.
   § 2. L'inspecteur général ou son délégué préside la commission.
   Le président adjoint à la commission de sélection a secrétaire qui est chargé de l'organisation générale.
   § 3. La commission de sĂ©lection dĂ©libĂšre valablement si au moins deux tiers des membres sont prĂ©sents. La composition de la commission de sĂ©lection est la mĂȘme lors de la dĂ©libĂ©ration que celle lors de l'entretien.
   § 4. Ne peuvent pas faire partie de la commission de sélection :
   1° l'époux du candidat ;
   2° un parent ou allié du candidat jusqu'au quatriÚme degré inclus ;
   3° les personnes qui ont un lien relationnel avec le candidat.]1

  
Art. 26. [1 De selectiecommissie, vermeld in artikel 25, stelt haar werkingsreglement op, dat kenbaar gemaakt wordt aan de kandidaten.]1
  
Art. 26. [1 La commission de sélection, visée à l'article 25, établit son rÚglement de fonctionnement qui est porté à la connaissance des candidats.]1
  
Art.26/1. [1 De volgende criteria worden door de selectiecommissie, vermeld in artikel 25, gebruikt om te bepalen of een kandidaat geschikt is en geslaagd is:
   1° de visie op en het inzicht in de functie;
   2° de motivatie en de verwachtingen;
   3° de beheersing van de generieke en de specifieke competenties, of het leervermogen om ze te verwerven;
   4° de inzetbaarheid in de functie en de organisatie.]1

  
Art.26/1. [1 Les critÚres suivants sont utilisés par la commission de sélection visée à l'article 25 pour déterminer si un candidat est apte et a réussi :
   1° la vision sur et la compréhension de la fonction ;
   2° la motivation et les attentes ;
   3° la gestion des compĂ©tences gĂ©nĂ©riques et spĂ©cifiques oĂč les capacitĂ©s d'apprentissage nĂ©cessaires pour les acquĂ©rir ;
   4° l'employabilité dans la fonction et au sein de l'organisation.]1

  
Art.26/2. [1 De leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 25, beoordelen elk van de kandidaten op de vier criteria bepaald in artikel 26/1.
   Het gewicht van de respectievelijke criteria wordt bepaald in het werkingsreglement bedoeld in artikel 26.
   Er wordt voor alle kandidaten een globale beoordeling gemaakt die de som is van de beoordelingen van alle leden van de selectiecommissie.
   De selectiecommissie rangschikt de geslaagde kandidaten naar gelang de behaalde beoordeling.]1

  
Art.26/2. [1 Les membres de la commission de sélection, visée à l'article 25, évaluent chacun des candidats en fonction des quatre critÚres définis à l'article 26/1.
   La pondération des critÚres respectifs est déterminée dans le rÚglement de fonctionnement visé à l'article 26.
   Une évaluation globale qui est la somme des évaluations de tous les membres de la commission de sélection est établie pour tous les candidats.
   La commission de sélection classe les candidats qui ont réussi en fonction de l'évaluation obtenue.]1

  
Art.26/3. [1 De geslaagde kandidaten worden voor vier jaar opgenomen in een wervingsreserve.]1
  
Art.26/3. [1 Les candidats qui ont réussi sont inscrits pendant quatre ans dans une réserve de recrutement.]1
  
HOOFDSTUK VI. - De preventieve schorsing
CHAPITRE VI. - La suspension préventive
Art. 27. De preventieve schorsing, vermeld in artikel 122 van het decreet van 8 mei 2009, is een bewarende maatregel. Het personeelslid blijft tijdens die schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag voor de preventieve schorsing. Tijdens de preventieve schorsing wordt het personeelslid ontheven van de verplichting om dienstprestaties te leveren.
  De preventieve schorsing kan worden voorgesteld voor :
  1° de inspecteur door de inspecteur-generaal;
  2° de coördinerend inspecteur door de inspecteur-generaal;
  3° de inspecteur-generaal door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
Art. 27. La suspension préventive, visée à l'article 122 du décret du 8 mai 2009, est une mesure conservatoire. Pendant cette suspension, le membre du personnel reste dans la position administrative dans laquelle il se trouvait à la veille de la suspension préventive. Durant la suspension préventive, le membre du personnel est dispensé de l'obligation de fournir des prestations de service.
  La suspension prĂ©ventive peut ĂȘtre proposĂ©e pour :
  1° l'inspecteur par l'inspecteur général;
  2° l'inspecteur coordinateur par l'inspecteur général;
  3° l'inspecteur général par le Ministre flamand chargé de l'enseignement.
Art. 28. De preventieve schorsing kan pas worden uitgesproken nadat het personeelslid werd gehoord door de persoon die de preventieve schorsing voorstelt.
  De redenen om over te gaan tot de preventieve schorsing worden uiterlijk drie werkdagen voor dat verhoor met een aangetekende brief meegedeeld aan het betrokken personeelslid.
  In spoedeisende gevallen kan de Vlaamse Regering de preventieve schorsing onmiddellijk uitspreken, met de verplichting de betrokkene na de uitspraak onverwijld te horen.
  Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan door zijn raadsman.
Art. 28. La suspension prĂ©ventive ne peut ĂȘtre prononcĂ©e qu'aprĂšs audition du membre du personnel par la personne qui propose la suspension prĂ©ventive.
  Les motifs de la suspension préventive sont communiqués par lettre recommandée au membre du personnel concerné, au plus tard trois jours ouvrables avant l'audition.
  En cas d'extrĂȘme urgence, le Gouvernement flamand peut prononcer immĂ©diatement la suspension prĂ©ventive, Ă  charge d'entendre l'intĂ©ressĂ© tout de suite aprĂšs la dĂ©cision.
  Pendant l'audition, le membre du personnel peut se faire assister par son conseil.
Art. 29. De preventieve schorsing wordt aan het betrokken personeelslid meegedeeld met een aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending van de kennisgeving. In spoedeisende gevallen heeft de preventieve schorsing onmiddellijk uitwerking.
  De aangetekende brief moet de beroepsmogelijkheden vermelden.
Art. 29. La suspension prĂ©ventive est notifiĂ©e par lettre recommandĂ©e au membre du personnel et produit ses effets le troisiĂšme jour ouvrable aprĂšs la date d'envoi de la notification. Dans les cas d'extrĂȘme urgence, la suspension prĂ©ventive produit immĂ©diatement ses effets.
  La lettre recommandée doit mentionner les possibilités de recours.
Art. 30. § 1. De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van ten hoogste één jaar.
  In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten kan de Vlaamse Regering die termijn met perioden van ten hoogste zes maanden verlengen zolang de strafrechtelijke procedure loopt.
  § 2. Als binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 1, geen tuchtstraf wordt opgelegd, vervallen de effecten van de preventieve schorsing.
  In geval van beroep tegen de uitgesproken maatregel kan de preventieve schorsing worden verlengd tot na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 53, derde lid of artikel 54.
  § 3. Aan de preventieve schorsing komt van rechtswege een einde bij de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid preventief werd geschorst.
Art. 30. § 1er. La suspension préventive est prononcée pour une période maximale d'un an.
  Lorsqu'une poursuite pĂ©nale est entamĂ©e pour les mĂȘmes faits, le Gouvernement flamand peut prolonger ce dĂ©lai par des pĂ©riodes d'au maximum six mois aussi longtemps que la procĂ©dure pĂ©nale n'est pas close.
  § 2. Si, dans les délais visés au paragraphe 1er, aucune sanction disciplinaire n'est prononcée, la suspension préventive cesse de produire ses effets.
  Dans le cas d'un recours contre la mesure prononcĂ©e, la suspension prĂ©ventive peut ĂȘtre prolongĂ©e jusqu'aprĂšs l'expiration du dĂ©lai, visĂ© Ă  l'article 53, troisiĂšme alinĂ©a ou Ă  l'article 54.
  § 3. La suspension prĂ©ventive se termine d'office lors du prononcĂ© disciplinaire sur les mĂȘmes faits pour lesquels le fonctionnaire Ă©tait suspendu prĂ©ventivement.
Art. 31. Het personeelslid dat preventief wordt geschorst, kan beroep aantekenen bij de raad van beroep conform de procedure, vermeld in artikel 42 tot en met artikel 54.
Art. 31. Le membre du personnel qui est suspendu préventivement, peut introduire un recours auprÚs de la chambre de recours, conformément à la procédure, visée aux articles 42 à 54.
HOOFDSTUK VII. - Tuchtregeling
CHAPITRE VII. - Le régime disciplinaire
Art. 32. § 1. Elk initiatief dat ertoe strekt een tuchtstraf, als vermeld in artikel 125 van het decreet van 8 mei 2009, op te leggen, wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en per aangetekende brief meegedeeld aan het betrokken personeelslid.
  De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van de verzending van de aangetekende brief.
  § 2. De persoon die de tuchtstraf voorstelt, stelt een tuchtdossier samen.
  § 3. Een tuchtstraf mag pas worden voorgesteld nadat het personeelslid gehoord is door de persoon die de tuchtstraf voorstelt. De betrokkene mag zich laten bijstaan door zijn raadsman.
  Het tuchtdossier, vermeld in paragraaf 2, mag door het betrokken personeelslid of zijn raadsman op verzoek worden geraadpleegd voor het verhoor plaatsvindt. Zij beschikken daarvoor over een termijn van ten minste tien werkdagen na de ontvangst van de oproepingsbrief, vermeld in paragraaf 4.
  Desgewenst kan het personeelslid kosteloos een kopie van het dossier krijgen.
  § 4. De oproeping van het personeelslid om te verschijnen voor de persoon die de tuchtstraf voorstelt, moet betekend worden per aangetekende brief.
  De oproeping moet op straffe van nietigheid melding maken van :
  1° de ten laste gelegde feiten;
  2° het voorstel van tuchtsanctie;
  3° de plaats, de dag en het uur van het verhoor;
  4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een raadsman;
  5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier, vermeld in paragraaf 2 kan worden ingezien.
  Er kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer ingesteld worden na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten.
  In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten begint de termijn van zes maanden te lopen op de dag dat de persoon die een tuchtstraf kan voorstellen, door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.
  § 5. Van het verhoor wordt op de zitting een proces-verbaal opgemaakt, dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft. Het proces-verbaal wordt voorgelezen en de betrokkene wordt verzocht het te ondertekenen.
  Als de betrokkene, die opgeroepen is met inachtneming van de te volgen procedure, niet verschijnt, beslist de persoon die de tuchtstraf voorstelt, bij verstek, over het voorstel tot tuchtstraf.
  Als de verhindering gewettigd blijkt, kan het personeelslid tegen de beslissing verzet aantekenen binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem per aangetekende brief werd betekend.
  In dat geval wordt het dossier heropend en beslist de persoon die bevoegd is voor het voorstellen van de tuchtstraf, na een nieuwe oproep met inachtneming van de te volgen procedure, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, over het voorstel tot tuchtstraf.
  § 6. De persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen, kan op de zitting ambtshalve, en moet, op verzoek van de betrokkene, getuigen horen.
  In dit geval vindt het verhoor plaats in aanwezigheid van de betrokkene.
  § 7. De persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen, beslist uiterlijk binnen zes weken na het opstellen van het proces-verbaal van verhoor of van niet-verschijnen over het voorstel tot tuchtstraf.
  Nadat die termijn verstreken is, wordt hij geacht af te zien van de uitoefening van zijn tuchtrechtelijke bevoegdheid.
  De beslissing waarbij een tuchtstraf wordt voorgesteld, wordt met redenen omkleed.
  § 8. De volledige beslissing waarbij de tuchtstraf wordt voorgesteld, wordt onmiddellijk aan het personeelslid betekend met een aangetekende brief, die uitwerking heeft vanaf de derde werkdag na de datum van de verzending.
  Die brief vermeldt de beroepsmogelijkheden.
Art. 32. § 1er. Toute initiative visant à infliger une peine disciplinaire, telle que visée à l'article 125 du décret du 8 mai 2009, est formulée par écrit, motivée et communiquée par lettre recommandée au membre du personnel concerné.
  Les poursuites disciplinaires commencent à la date d'envoi de la lettre recommandée.
  § 2. La personne qui propose la peine disciplinaire, établit un dossier disciplinaire.
  § 3. Une peine disciplinaire ne peut ĂȘtre proposĂ©e qu'aprĂšs audition du membre du personnel par la personne qui propose la peine disciplinaire. L'intĂ©ressĂ© peut se faire assister par son conseil.
  Avant d'ĂȘtre entendus, le membre du personnel intĂ©ressĂ© ou son conseil peut consulter, sur demande, le dossier disciplinaire, visĂ© au paragraphe 2. A cet effet, ils disposent d'un dĂ©lai d'au moins dix jours ouvrables aprĂšs rĂ©ception de la lettre de convocation, visĂ©e au paragraphe 4.
  S'il le souhaite, le membre du personnel peut recevoir gratuitement une copie du dossier.
  § 4. La convocation du membre du personnel Ă  comparaĂźtre devant la personne proposant la peine disciplinaire, doit ĂȘtre notifiĂ©e par lettre recommandĂ©e.
  Sous peine de nullité, la convocation doit faire mention de :
  1° les faits imputés;
  2° la proposition de peine disciplinaire;
  3° le lieu, la date et l'heure de l'audition;
  4° le droit de l'intéressé de se faire assister par un conseil;
  5° le lieu oĂč et le dĂ©lai dans lequel le dossier disciplinaire, visĂ© au paragraphe 2, peut ĂȘtre consultĂ©.
  Des poursuites disciplinaires ne peuvent plus ĂȘtre intentĂ©es aprĂšs l'expiration d'un dĂ©lai de six mois Ă  dater de la constatation ou de la prise de connaissance des faits punissables.
  Dans le cas de poursuites pĂ©nales pour les mĂȘmes faits, ce dĂ©lai de six mois prend cours le jour auquel l'autoritĂ© disciplinaire communique Ă  la personne habilitĂ©e Ă  proposer une peine disciplinaire qu'une dĂ©cision irrĂ©vocable a Ă©tĂ© prononcĂ©e ou que la procĂ©dure pĂ©nale n'est pas poursuivie.
  § 5. Il est dressé procÚs-verbal de l'audition qui reproduit fidÚlement les déclarations de la personne entendue. Le procÚs-verbal est lu et l'intéressé est invité à le signer.
  Si l'intéressé, qui a été convoqué dans le respect de la procédure à suivre, ne comparaßt pas, la personne proposant la peine disciplinaire, se prononce, par défaut, sur la proposition de peine disciplinaire.
  En cas d'empĂȘchement lĂ©gitime, le membre du personnel peut former opposition contre le prononcĂ©, dans les dix jours ouvrables de la notification de la dĂ©cision par lettre recommandĂ©e.
  Dans ce cas, il est procédé à la réouverture du dossier et la personne habilitée à proposer une peine disciplinaire statue, aprÚs une nouvelle convocation respectant la procédure à suivre, que le membre du personnel soit présent ou non, sur la proposition de peine disciplinaire.
  § 6. La personne habilitée à proposer une peine disciplinaire peut entendre d'office des témoins en séance et est obligé, sur la demande de l'intéressé, de les entendre.
  Dans ce cas, l'audition a lieu en présence de l'intéressé.
  § 7. La personne habilitée à proposer une peine disciplinaire statue sur la proposition de peine disciplinaire au plus tard six semaines aprÚs la rédaction du procÚs-verbal de l'audition ou de non-comparution.
  Passé ce délai, il est réputé renoncer à l'exercice de sa compétence disciplinaire.
  La dĂ©cision par laquelle une peine disciplinaire est imposĂ©e doit ĂȘtre motivĂ©e.
  § 8. La décision complÚte proposant la peine disciplinaire est immédiatement signifiée au membre du personnel par une lettre recommandée, produisant ses effets le troisiÚme jour ouvrable aprÚs la date d'envoi.
  Cette lettre mentionne les possibilités de recours.
Art. 33. Als verscheidene feiten die verband houden met elkaar, ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.
  Als hem in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd dat geen verband houdt met de lopende tuchtprocedure, kan dat aanleiding geven tot een nieuwe procedure.
Art. 33. Lorsque plusieurs faits connexes sont reprochés au fonctionnaire, ceci ne peut toutefois donner lieu qu'à une seule procédure et au prononcé d'une seule peine disciplinaire.
  Si, lors de la procĂ©dure disciplinaire, il lui est imputĂ© un nouveau fait n'ayant aucun lien avec la procĂ©dure disciplinaire en cours, une nouvelle procĂ©dure peut ĂȘtre entamĂ©e.
Art. 34. De persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen, kan bij een strafrechtelijke vervolging betreffende feiten waarvoor een tuchtprocedure is ingesteld, de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak opschorten.
  Ongeacht de uitslag van de strafrechtelijke vervolging oordeelt alleen de persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen, over de toepassing van de tuchtstraffen.
  In geval van strafrechtelijke vervolging moet de tuchtvordering ingesteld worden binnen zes maanden na de dag dat de persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing is uitgesproken of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.
Art. 34. Lors de poursuites pénales relatives aux faits pour lesquels une procédure disciplinaire est intentée, la personne habilitée à proposer une peine disciplinaire peut suspendre la procédure disciplinaire ainsi que le prononcé disciplinaire.
  Quel que soit le résultat des poursuites pénales, seule la personne habilitée à proposer une peine disciplinaire statue sur l'application des peines disciplinaires.
  Dans le cas de poursuites pĂ©nales, l'action disciplinaire doit ĂȘtre intentĂ©e dans les six mois aprĂšs le jour auquel la personne habilitĂ©e Ă  proposer une peine disciplinaire est notifiĂ©e par l'autoritĂ© judiciaire qu'une dĂ©cision irrĂ©vocable a Ă©tĂ© prononcĂ©e ou que la procĂ©dure pĂ©nale n'est pas poursuivie.
Art. 35. Elke tuchtstraf wordt in het personeelsdossier van het betrokken personeelslid opgenomen.
Art. 35. Toute peine disciplinaire est reprise dans le dossier du personnel du membre du personnel intéressé.
HOOFDSTUK VIII. - Raad van beroep
CHAPITRE VIII. - La chambre de recours
Afdeling I. - Samenstelling en werking
Section Ire. - Composition et fonctionnement
Art. 36. De raad van beroep is samengesteld uit een voorzitter, leden van wie het aantal wordt bepaald op basis van het aantal representatieve vakorganisaties die zitting hebben in het Sectorcomité X, en een secretaris. De secretaris is niet stemgerechtigd.
  Het aantal leden is gelijk aan tweemaal het aantal vakorganisaties dat zitting heeft in Sectorcomité X.
Art. 36. La chambre de recours est composée d'un président, de membres dont le nombre est défini sur la base du nombre d'organisations syndicales représentatives qui siÚgent dans le Comité sectoriel X, et d'un secrétaire. Le secrétaire n'a pas voix délibérative.
  Le nombre de membres est égal à deux fois le nombre d'organisations syndicales siégeant dans le Comité sectoriel X.
Art. 37. § 1. De Vlaamse Regering wijst voor de raad van beroep aan :
  1° een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter;
  2° leden, van wie de Vlaamse Regering de ene helft rechtstreeks aanwijst onder de leden van de inspectie, en van wie de Vlaamse Regering de andere helft aanwijst uit kandidaten, voorgedragen door de representatieve vakorganisaties;
  3° onder dezelfde voorwaarden, een plaatsvervanger per effectief lid. Een plaatsvervangend lid kan alleen zitting hebben als het effectieve lid afwezig is of als het effectieve lid gewraakt wordt.
  § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, wijst een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan onder de personeelsleden van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming die behoren tot niveau A.
Art. 37. § 1er. Le Gouvernement flamand désigne pour la chambre de recours :
  1° un président et un président suppléant;
  2° des membres dont le Gouvernement flamand désigne la moitié directement parmi les membres de l'inspection, et dont le Gouvernement flamand désigne l'autre moitié parmi les candidats proposés par les organisations syndicales représentatives;
  3° aux mĂȘmes conditions, un supplĂ©ant par membre effectif. Un membre supplĂ©ant ne peut siĂ©ger qu'en l'absence du membre effectif ou en cas de rĂ©cusation du membre effectif.
  § 2. Le Ministre flamand chargé de l'enseignement désigne un secrétaire et un secrétaire suppléant parmi les membres du personnel du MinistÚre flamand de l'Enseignement et de la Formation appartenant au niveau A.
Art. 38. § 1. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter,de leden en de plaatsvervangende leden worden aangesteld voor onbepaalde duur.
  Het mandaat eindigt :
  1° in geval van ontslagneming;
  2° als de organisatie die de betrokkene heeft voorgedragen, om zijn vervanging verzoekt;
  3° in geval van overlijden.
  Bij het beëindigen van een mandaat van een voorzitter of van een lid stelt de Vlaamse Regering een vervanger aan.
  § 2. Tijdens hun mandaat kunnen de effectieve en de plaatsvervangende voorzitter en de leden geen personeelslid bijstaan of vertegenwoordigen in de raad van beroep.
  § 3. De effectieve of plaatsvervangende voorzitter ontvangt per zitting een vergoeding van 50 euro.
  § 4. De secretaris ontvangt een vergoeding van 25 euro per zitting als die geheel of gedeeltelijk plaatsvindt buiten de normale diensttijd.
  § 5. Het mandaat van de leden wordt niet vergoed. Zij kunnen evenwel aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de ter zake geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid.
  § 6. De samenstelling van de raad van beroep wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 38. § 1er. Le président, le président suppléant, les membres et les membres suppléants sont désignés pour une durée indéterminée.
  Le mandat prend fin :
  1° en cas de démission;
  2° lorsque l'organisation qui a désigné l'intéressé, demande son remplacement;
  3° en cas de décÚs.
  En cas de cessation d'un mandat d'un président ou d'un membre, le Gouvernement flamand désigne un suppléant.
  § 2. Au cours de leur mandat, le président effectif et suppléant et les membres ne peuvent assister ou représenter aucun membre du personnel dans la chambre de recours.
  § 3. Le président effectif ou suppléant perçoit, par séance, une indemnité de 50 euros.
  § 4. Le secrétaire perçoit une indemnité de 25 euros par séance, si celle-ci a lieu en tout ou en partie en dehors des heures de service normales.
  § 5. Le mandat des membres n'est pas rémunéré. Ils ont toutefois droit à l'indemnisation des frais de parcours et de séjour pour les déplacements intérieurs, conformément à la réglementation en vigueur applicable aux personnels des services de l'Autorité flamande.
  § 6. La composition de la chambre de recours est publiée au Moniteur belge.
Art. 39. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de raad van beroep.
Art. 39. Le président rÚgle le fonctionnement de la chambre de recours.
Art. 40. De werkingskosten van de raad van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
  De zetel van de raad van beroep is gevestigd in Brussel.
Art. 40. Les frais de fonctionnement de la chambre de recours sont à charge du budget de la Communauté flamande.
  Le siÚge de la chambre de recours est établi à Bruxelles.
Art. 41. De raad van beroep stelt een werkingsreglement op.
Art. 41. La chambre de recours établit un rÚglement de fonctionnement.
Afdeling II. - Procedure in beroep
Section II. - Procédure de recours
Art. 42. § 1. Een personeelslid kan per aangetekende brief beroep instellen bij de raad van beroep, naargelang van het geval, binnen :
  1° [1 ...]1
  2° vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen;
  3° twintig kalenderdagen na de ontvangst van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende";
  4° twintig kalenderdagen vanaf de dag waarop het voorstel tot tuchtstraf ter visering wordt voorgelegd;
  5° twintig kalenderdagen na de schriftelijke mededeling van de preventieve schorsing.
  Het beroep moet, met uitzondering van punt 1° en 2°, op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.
  § 2. Als de aangetekende brief waarbij het voorstel tot tuchtstraf, de evaluatie met eindconclusie onvoldoende, het voorstel tot ontslag na de beëindiging van de proeftijd, de preventieve schorsing of het ontslag om dringende redenen aan het personeelslid wordt bekendgemaakt de beroepsmogelijkheden niet vermeldt, begint de beroepstermijn niet te lopen.
  § 3. Na het verstrijken van de beroepstermijnen, voorzien in paragraaf 1, wordt de evaluatie met eindconclusie onvoldoende, het ontslag na de beëindiging van de proeftijd, de preventieve schorsing of het ontslag om dringende redenen definitief.
  Na het verstrijken van de beroepstermijn, voorzien in paragraaf 1, eerste lid, 4° wordt het dossier voor beslissing voorgelegd aan de Vlaamse Regering, die bevoegd is om de tuchtstraf definitief uit te spreken. De tuchtstraf is in dit geval definitief op het moment dat de Vlaamse Regering de definitieve beslissing neemt over de tuchtstraf.
  
Art. 42. § 1er. Un membre du personnel peut introduire, par lettre recommandée, un recours devant la chambre de recours, le cas échéant, dans :
  1° [1 ...]1
  2° les cinq jours calendaires aprÚs réception du licenciement pour motifs impérieux;
  3° les vingt jours calendaires aprÚs réception du rapport d'évaluation avec la conclusion finale "insuffisant";
  4° les vingt jours calendaires à partir du jour auquel la proposition de peine disciplinaire est soumise au visa;
  5° les vingt jours calendaires aprÚs notification écrite de la suspension préventive.
  A l'exception des points 1° et 2°, le recours doit ĂȘtre motivĂ© sous peine d'irrecevabilitĂ©.
  § 2. Si la lettre recommandée par laquelle la proposition de peine disciplinaire, l'évaluation avec la conclusion finale "insuffisant", la proposition de licenciement à l'issue du stage, la suspension préventive ou le licenciement pour motifs impérieux est notifié au membre du personnel, ne mentionne pas les possibilités de recours, le délai de recours ne prend pas cours.
  § 3. A l'expiration des délais de recours, prévus au paragraphe 1er, l'évaluation avec la conclusion finale "insuffisant", le licenciement à l'issue du stage, la suspension préventive ou le licenciement pour motifs impérieux devient définitif.
  A l'expiration du dĂ©lai de recours, prĂ©vu au paragraphe 1er, premier alinĂ©a, 4°, le dossier est soumis Ă  l'approbation du Gouvernement flamand qui est autorisĂ© Ă  statuer dĂ©finitivement sur la peine disciplinaire. La peine disciplinaire est en tout cas dĂ©finitive au moment oĂč le Gouvernement flamand prend une dĂ©cision dĂ©finitive sur la peine disciplinaire.
  
Art. 43. De raad van beroep mag niet beraadslagen over een beroep als het personeelslid niet met een aangetekende brief is opgeroepen.
Art. 43. La chambre de recours ne peut pas délibérer sur un recours si le membre du personnel n'est pas convoqué par lettre recommandée.
Art. 44. Zodra een zaak bij de raad van beroep aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitter en de leden van de raad van beroep.
  Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en van een of meer leden van de raad, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.
  Als zowel de voorzitter als de plaatsvervangende voorzitter worden gewraakt, wijst de Vlaamse Regering een andere plaatsvervangende voorzitter aan om zitting te hebben in de zaak.
Art. 44. DÚs la saisie de la chambre de recours, le secrétaire communique aux parties la liste du président effectif et suppléant et des membres de la chambre de recours.
  Dans les dix jours ouvrables aprÚs réception de cette liste, les parties peuvent demander la récusation du président et d'un ou plusieurs membres de la chambre, à moins que la cause de la récusation ne soit survenue ultérieurement.
  Lorsque tant le président que le président suppléant sont récusés, le Gouvernement flamand désigne un autre président suppléant pour siéger dans l'affaire.
Art. 45. De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.
  De voorzitter die, of een lid van de raad van beroep dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.
Art. 45. Les causes de récusation sont celles prévues à l'article 828 du Code judiciaire. En dehors de ces causes de récusation, les deux parties peuvent récuser un membre sans motivation.
  Le président ou un membre de la chambre de recours qui sait qu'il existe une cause de récusation contre sa personne, doit s'abstenir de l'affaire.
Art. 46. De raad van beroep heeft rechtsgeldig zitting zodra de voorzitter, twee leden, rechtstreeks aangewezen door de Vlaamse Regering onder de leden van de inspectie, en twee leden, aangewezen door de Vlaamse Regering uit door de representatieve vakorganisaties voorgedragen kandidaten, aanwezig zijn.
Art. 46. La chambre de recours siÚge valablement lorsque le président, deux membres, désignés directement par le Gouvernement flamand parmi les membres de l'inspection, et deux membres, désignés par le Gouvernement flamand parmi les candidats proposés par les organisations syndicales représentatives, sont présents.
Art. 47. § 1. De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman getuigen horen. In dat geval vindt het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene.
  De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
  § 2. De zittingen van de raad van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of goede zeden.
  Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.
Art. 47. § 1. La chambre de recours peut ordonner une enquĂȘte complĂ©mentaire et peut entendre d'office des tĂ©moins ou les entendre Ă  la demande du membre du personnel ou de son conseil. Dans ce cas, l'audition des tĂ©moins a lieu en prĂ©sence du membre du personnel.
  Le tĂ©moin convoquĂ© peut s'opposer Ă  ĂȘtre entendu en public.
  § 2. Les séances de la chambre de recours sont publiques à moins que la publicité ne constitue un danger pour l'ordre public ou les bonnes moeurs.
  A la demande du membre du personnel ou de son conseil, la séance se déroule à huis clos.
Art. 48. De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
  Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de raad van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, hiertegen verzet aantekenen. In dat geval wordt de raad van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist hij, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk over het uit te brengen advies.
Art. 48. Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil.
  Si le membre du personnel a Ă©tĂ© dĂ»ment convoquĂ© mais ne se prĂ©sente pas ou n'est pas reprĂ©sentĂ©, la chambre de recours dĂ©cide par dĂ©faut. Si l'empĂȘchement est justifiĂ©, le membre du personnel peut former opposition contre la dĂ©cision, dans les dix jours ouvrables de la notification de celle-ci par lettre recommandĂ©e. Dans ce cas, la chambre de recours est convoquĂ©e de nouveau, et dĂ©cide, dĂ©finitivement et irrĂ©vocablement, tant en la prĂ©sence qu'en l'absence du membre du personnel, de l'avis Ă  Ă©mettre.
Art. 49. De stemming is verplicht en geheim.
  De leden die rechtstreeks aangewezen zijn door de Vlaamse Regering en de leden die aangewezen zijn op voordracht van de representatieve vakorganisaties, moeten even talrijk zijn bij een stemming. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door loting. De raad van beroep beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.
  Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
Art. 49. Le vote est obligatoire et a lieu au scrutin secret.
  Lors du vote, les membres dĂ©signĂ©s directement par le Gouvernement flamand et les membres dĂ©signĂ©s sur la proposition des organisations syndicales reprĂ©sentatives doivent ĂȘtre en nombre Ă©gal. Le cas Ă©chĂ©ant, la paritĂ© est rĂ©tablie aprĂšs tirage au sort. La chambre de recours statue Ă  la majoritĂ© des voix sur l'avis Ă  Ă©mettre.
  En cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante.
Art. 50. In afwijking van de artikelen 46 en 49 beslist de raad van beroep op een tweede zitting over het uit te brengen advies, ongeacht of de vertegenwoordigers, vermeld in de artikelen 46 en 49, aanwezig zijn.
Art. 50. Par dérogation aux articles 46 et 49, la chambre de recours décide en seconde séance sur l'avis à émettre, que les représentants visés aux articles 46 et 49 soient présents ou non.
Art. 51. De raad van beroep beslist over het uit te brengen advies binnen :
  1° dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift in het geval van een ontslag na de proeftijd of een evaluatie met eindconclusie onvoldoende;
  2° twintig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift in het geval van een ontslag om dringende redenen en preventieve schorsing;
  3° zestig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift in het geval van een voorstel tot tuchtstraf.
  De raad van beroep heeft de bevoegdheid om het voorstel of de beslissing waartegen beroep werd aangetekend, te bevestigen of te vernietigen. In het geval van een beroep tegen een voorstel tot tuchtstraf heeft hij daarnaast ook nog de mogelijkheid om een advies uit te brengen over een lichtere tuchtstraf.
Art. 51. La chambre de recours décide de l'avis à émettre dans :
  1° les trente jours calendaires aprÚs réception du recours dans le cas d'un licenciement aprÚs le stage ou d'une évaluation avec la conclusion finale "insuffisante";
  2° les vingt jours calendaires aprÚs réception du recours dans le cas d'un licenciement pour motifs impérieux et d'une suspension préventive;
  3° les soixante jours calendaires aprÚs réception du recours dans le cas d'une proposition de peine disciplinaire.
  La chambre de recours est habilitée à confirmer ou annuler la proposition ou la décision contre laquelle un recours a été introduit. Dans le cas d'un recours contre une proposition de peine disciplinaire, elle a encore la possibilité d'émettre un avis sur une peine disciplinaire plus légÚre.
Art. 52. De instantie die na een beroep tegen een voorstel tot tuchtstraf de definitieve beslissing neemt, kan geen hogere tuchtstraf uitspreken dan het voorstel tot tuchtstraf waartegen het beroep is ingesteld.
Art. 52. L'instance qui prend la décision définitive aprÚs un recours contre une proposition de peine disciplinaire, ne peut pas prononcer une peine disciplinaire supérieure à la proposition de peine disciplinaire contre laquelle le recours est introduit.
Art. 53. De tuchtstraf, de evaluatie met eindconclusie onvoldoende, het ontslag na de beëindiging van de proeftijd, de preventieve schorsing of het ontslag om dringende redenen wordt definitief op het ogenblik dat de raad van beroep een eenparig advies heeft uitgebracht.
  Als de raad van beroep geen eenparig advies heeft uitgebracht, stuurt hij het dossier binnen vijftien kalenderdagen naar de Vlaamse Regering. Hij brengt de Vlaamse Regering op de hoogte van zijn gemotiveerde advies, waarin vermeld wordt met hoeveel stemmen, voor of tegen, het advies werd uitgebracht.
  De secretaris deelt het advies en, bij eenparigheid, de beslissing van de raad van beroep met een aangetekende brief mee aan de partijen binnen tien kalenderdagen na de vergadering waarin het advies werd geformuleerd of de beslissing werd genomen. Het advies of de beslissing wordt met redenen omkleed.
Art. 53. La peine disciplinaire, l'Ă©valuation avec la conclusion "insuffisant", le licenciement Ă  l'issue du stage, la suspension prĂ©ventive ou le licenciement pour motifs impĂ©rieux devient dĂ©finitif au moment oĂč la chambre de recours a Ă©mis un avis Ă  l'unanimitĂ©.
  Faute d'avis unanime de la chambre de recours, elle transmet le dossier au Gouvernement flamand dans les quinze jours calendaires. Elle informe le Gouvernement flamand de son avis motivé, dans lequel il est mentionné par quel nombre de voix, pour ou contre, l'avis a été rendu.
  Le secrétaire communique, par lettre recommandée, l'avis et, à l'unanimité des voix, la décision de la chambre de recours aux parties dans les dix jours calendaires aprÚs la séance dans laquelle l'avis a été formulé ou la décision a été prise. L'avis ou la décision est motivé.
Art. 54. De Vlaamse Regering beslist binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van de ontvangst van het advies. De tuchtstraf, de evaluatie met eindconclusie onvoldoende, het ontslag na de beëindiging van de proeftijd, de preventieve schorsing of het ontslag om dringende redenen worden in dit geval definitief op het ogenblik dat de Vlaamse Regering een beslissing neemt.
  De beslissing van de Vlaamse Regering wordt met een aangetekende brief aan de partijen meegedeeld binnen tien kalenderdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen.
Art. 54. Le Gouvernement flamand dĂ©cide dans un dĂ©lai de trente jours calendaires aprĂšs la date de rĂ©ception de l'avis. La peine disciplinaire, l'Ă©valuation avec la conclusion "insuffisant", le licenciement Ă  l'issue du stage, la suspension prĂ©ventive ou le licenciement pour motifs impĂ©rieux devient dans ce cas dĂ©finitif au moment oĂč le Gouvernement flamand prend une dĂ©cision.
  La dĂ©cision du Gouvernement flamand est notifiĂ©e aux parties par lettre recommandĂ©e dans les dix jours calendaires de la sĂ©ance oĂč la dĂ©cision fut prise.
HOOFDSTUK IX. - Bezoldigingen en vergoedingen
CHAPITRE IX. - Rémunérations et indemnités
Afdeling I. - Bezoldiging
Section Ire. - Rémunération
Onderafdeling 1. - Bezoldiging inspecteurs
Sous-section 1re. - Rémunération des inspecteurs
Art. 55. De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van inspecteur, worden als volgt bepaald :
  1° de inspecteur die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 541;
  2° de inspecteur die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 544;
  3° de inspecteur die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 354.
Art. 55. Les échelles de traitement liées à l'exercice de la fonction d'inspecteur sont fixées comme suit :
  1° l'inspecteur qui possÚde un titre du niveau de master, à l'exception du grade de docteur, a droit à une échelle de traitement 541;
  2° l'inspecteur qui est titulaire du grade de docteur a droit à l'échelle de traitement 544;
  3° l'inspecteur qui ne satisfait pas aux conditions, visées aux points 1° et 2°, a droit à l'échelle de traitement 354.
Art. 56. Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, 1° tot en met 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.
  De inspecteur die een bekwaamheidsbewijs als vermeld in artikel 55, 1° of 2°, behaalt na de aanstelling in het ambt van inspecteur, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.
Art. 56. Par titre du niveau de master, on entend : un des diplĂŽmes de base, visĂ©s Ă  l'article 6, aux points 1° Ă  11°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire.
  L'inspecteur qui obtient un titre tel que visé à l'article 55, 1° ou 2°, aprÚs la désignation dans la fonction d'inspecteur, peut faire valoir ses droits à une échelle de traitement supérieure à la date de l'obtention du diplÎme ou du grade.
Art. 57. De salarisschalen, vermeld in artikel 55, worden vastgesteld bij [1 het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018]1 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.
  
Art. 57. Les Ă©chelles de traitement, visĂ©es Ă  l'article 55, sont fixĂ©es par [1 l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018]1 portant les Ă©chelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement.
  
Onderafdeling 2. - Bezoldiging coördinerend inspecteurs
Sous-section 2. - Rémunération des inspecteurs coordinateurs
Art. 58. De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van coördinerend inspecteur, worden als volgt bepaald :
  1° de coördinerend inspecteur die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 859;
  2° de coördinerend inspecteur die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 862;
  3° de coördinerend inspecteur die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 854.
Art. 58. Les échelles de traitement liées à l'exercice de la fonction d'inspecteur coordinateur sont fixées comme suit :
  1° l'inspecteur coordinateur qui possÚde un titre du niveau de master, à l'exception du grade de docteur, a droit à l'échelle de traitement 859;
  2° l'inspecteur coordinateur qui possÚde le grade de docteur a droit à l'échelle de traitement 862;
  3° l'inspecteur coordinateur qui ne satisfait pas aux conditions, visées aux points 1° et 2°, a droit à l'échelle de traitement 854.
Art. 59. Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, 1° tot en met 11° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.
  De coördinerend inspecteur die een diploma als vermeld in artikel 58, 1° of 2°, behaalt na de aanstelling in het ambt van coördinerend inspecteur, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.
Art. 59. Par titre du niveau de master, on entend : un des diplĂŽmes de base, visĂ©s Ă  l'article 6, aux points 1° Ă  11°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire.
  L'inspecteur coordinateur qui obtient un titre tel que visé à l'article 58, 1° ou 2°, aprÚs la désignation dans la fonction d'inspecteur coordinateur, peut faire valoir ses droits à une échelle de traitement supérieure à la date de l'obtention du diplÎme ou du grade.
Art. 60. De salarisschalen, vermeld in artikel 58, worden vastgesteld bij [1 het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018]1 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.
  
Art. 60. Les Ă©chelles de traitement, visĂ©es Ă  l'article 58, sont fixĂ©es par [1 l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018]1 portant les Ă©chelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement.
  
Onderafdeling 3. - Bezoldiging inspecteur-generaal
Sous-section 3. - Rémunération de l'inspecteur général
Art. 61. De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van inspecteur-generaal, worden als volgt bepaald :
  1° de inspecteur-generaal die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 869;
  2° de inspecteur-generaal die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 872;
  3° de inspecteur-generaal die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 864.
Art. 61. Les échelles de traitement liées à l'exercice de la fonction d'inspecteur général sont fixées comme suit :
  1° l'inspecteur général qui possÚde un titre du niveau de master, à l'exception du grade de docteur, a droit à l'échelle de traitement 869;
  2° l'inspecteur général qui possÚde le grade de docteur a droit à l'échelle de traitement 872;
  3° l'inspecteur général qui ne satisfait pas aux conditions, visées aux points 1° et 2°, a droit à l'échelle de traitement 864.
Art. 62. Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, 1° tot en met 11° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.
  De inspecteur-generaal die een bekwaamheidsbewijs als vermeld in artikel 61, 1° of 2°, behaalt na de aanstelling in het ambt van inspecteur-generaal, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.
Art. 62. Par titre du niveau de master, on entend : un des diplĂŽmes de base, visĂ©s Ă  l'article 6, aux points 1° Ă  11°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire.
  L'inspecteur général qui obtient un titre tel que visé à l'article 61, 1° ou 2°, aprÚs la désignation dans la fonction d'inspecteur général, peut faire valoir ses droits à une échelle de traitement supérieure à la date de l'obtention du diplÎme ou du grade.
Art. 63. De salarisschalen, vermeld in artikel 61, worden vastgesteld bij [1 het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018]1 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.
  
Art. 63. Les Ă©chelles de traitement, visĂ©es Ă  l'article 61, sont fixĂ©es par [1 l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018]1 portant les Ă©chelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement.
  
Afdeling II. - Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten
Section II. - Migration pendulaire et frais de voyage et de séjour
Onderafdeling 1. - Vergoeding voor woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten voor inspecteurs [1 , coördinerend inspecteurs en inspecteur-generaal]1
Sous-section Ire. - Indemnité de migration pendulaire et frais de voyage et de séjour pour inspecteurs [1 , des inspecteurs coordinateurs et de inspecteur général]1
Art. 64. § 1. De inspecteurs van wie het ambtsgebied gelijk is aan standplaatsgebied-west of -oost, hebben recht op een forfaitaire vergoeding om de reis- en verblijfkosten te dekken die verbonden zijn aan de uitoefening van hun ambt. Die vergoeding wordt vastgesteld op 2.503,27 euro per jaar.
  De inspecteurs van wie het ambtsgebied gelijk is aan standplaatsgebied-west en -oost, hebben recht op een forfaitaire vergoeding om de reis- en verblijfkosten te dekken die verbonden zijn aan de uitoefening van hun ambt. Die vergoeding wordt vastgesteld op 3.188,36 euro per jaar. [2 Deze forfaitaire vergoeding geldt ook voor de coördinerend inspecteurs en de inspecteur-generaal.]2
  Het ambtsgebied is het gebied waar inspectieopdrachten worden uitgevoerd en dat vastgesteld wordt door de inspecteur-generaal;
  Het standplaatsgebied-west : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de provincie West-Vlaanderen, de provincie Oost-Vlaanderen, het arrondissement Antwerpen;
  Het standplaatsgebied-oost : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de provincie Vlaams-Brabant, de provincie Limburg, het arrondissement Mechelen en het arrondissement Turnhout.
  [2 ...]2
  § 2. De bedragen, vermeld in paragraaf 1 volgen de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.
  § 3. De forfaitaire vergoedingen, vermeld in paragraaf 1, worden in maandelijkse schijven uitbetaald. De vergoedingen worden met 1/12 ingehouden voor elke onderbreking van de ambtsuitoefening gedurende een periode van dertig aaneensluitende kalenderdagen.
  § 4. De inspecteur die op basis van bewijsstukken kan aantonen dat de reële reis- en verblijfkosten die hij heeft gemaakt in de uitoefening van zijn ambt [2 ...]2 hoger zijn dan de forfaitaire vergoeding waarop hij recht heeft op jaarbasis, krijgt het verschil tussen de reële kosten en de forfaitaire vergoeding uitbetaald. Hij dient hiervoor een gedetailleerde onkostenstaat in ten laatste in de maand februari die volgt op het jaar waarop de uitgaven betrekking hebben. Onkostenstaten die na deze termijn nog worden ingediend zijn onontvankelijk. De reële uitgaven voor reis- en verblijfskosten worden slechts terugbetaald tot het beloop van de maximale bedragen die gelden voor de ambtenaren van de Vlaamse overheid voor binnenlandse dienstreizen.
  De betaling van het verschil tussen de reële kosten en de forfaitaire vergoeding gebeurt binnen twee maanden nadat de inspecteur de gedetailleerde onkostenstaat heeft ingediend.
  
Art. 64. § 1er. Les inspecteurs dont le ressort correspond à la résidence administrative ouest ou est, ont droit à une indemnité forfaitaire pour frais de voyage ou de séjour liés à l'exercice de leur fonction. Cette indemnité est fixée à 2.503,27 euros par an.
  Les inspecteurs dont le ressort correspond à la résidence administrative ouest et est, ont droit à une indemnité forfaitaire pour frais de voyage ou de séjour liés à l'exercice de leur fonction. Cette indemnité est fixée à 3.188,36 euros par an. [2 Cette indemnité forfaitaire s'applique également pour les inspecteurs coordinateurs et l'inspecteur général.]2
  Le ressort correspond au territoire oĂč les charges d'inspection sont exercĂ©es et qui est fixĂ© par l'inspecteur gĂ©nĂ©ral;
  La résidence administrative ouest : la Région de Bruxelles-Capitale, la province de Flandre occidentale, la province de Flandre orientale, l'arrondissement d'Anvers.
  La résidence administrative est : la Région de Bruxelles-Capitale, la province du Brabant flamand, la province du Limbourg, l'arrondissement de Mechelen et l'arrondissement de Turnhout.
  [2 ...]2
  § 2. Les montants, visĂ©s aux § 1er, suivent l'Ă©volution de l'indice des prix calculĂ© et dĂ©nommĂ© pour l'application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 dĂ©cembre 1993 portant exĂ©cution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compĂ©titivitĂ© du pays, confirmĂ© par la loi du 30 mars 1994. Le montant est liĂ© Ă  l'indice-pivot 138.01.
  § 3. Les indemnités forfaitaires, visées au § 1er, sont payées en tranches mensuelles. Des indemnités est déduite une retenue d'1/12e pour chaque interruption de l'exercice de la fonction pendant une période de trente jours calendaires consécutifs.
  § 4. L'inspecteur qui peut démontrer, sur la base de piÚces justificatives, que les frais réels de voyage et de séjour qu'il a engagés pour l'exercice de sa fonction ne dépassent pas de [2 ...]2 l'indemnité forfaitaire à laquelle il a droit sur une base annuelle, perçoit la différence entre les frais réels et l'indemnité forfaitaire. A cet effet, il présente un état détaillé des frais au plus tard au mois de février qui suit l'année à laquelle les dépenses se rapportent. Les états des frais présentés aprÚs ce délai sont irrecevables. Les dépenses réelles pour les frais de voyage et de séjour ne sont remboursées que jusqu'à concurrence des montants maximaux auxquels ont droit les fonctionnaires de l'Autorité flamande pour les voyages de service intérieurs.
  Le paiement de la différence entre les frais réels et l'indemnité forfaitaire s'effectue dans les deux mois aprÚs présentation par l'inspecteur de l'état détaillé des frais.
  
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Art. 65. [1 Inspecteurs en coördinerend inspecteurs die hun opdracht uitsluitend uitvoeren op het adres van de onderwijsinspectie, kunnen in plaats van de van toepassing zijnde forfaitaire vergoeding voor reis- en verblijfskosten, vermeld in artikel 64, § 1, kiezen voor de terugbetaling van het woon-werkverkeer en een reis-, maaltijd- en hotelvergoeding voor binnenlandse en buitenlandse dienstreizen conform de geldende regeling voor de ambtenaren van de Vlaamse overheid.
   De inspecteur-generaal die zijn opdracht uitsluitend uitvoert op het adres van de onderwijsinspectie, kan in plaats van de forfaitaire vergoeding voor reis- en verblijfkosten, vermeld in artikel 64, § 1, tweede alinea kiezen [2 voor een mobiliteitskrediet zoals uitgewerkt in artikel V 12bis]2 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 en een reis-, maaltijd- en hotelvergoeding voor binnenlandse en buitenlandse dienstreizen conform de geldende regeling voor de ambtenaren van de Vlaamse overheid.]1

  
Art. 65. [1 Les inspecteurs et inspecteurs coordinateurs qui exécutent exclusivement leur mission à l'adresse de l'inspection de l'enseignement peuvent opter, à la place de l'indemnité forfaitaire applicable pour les frais de voyage ou de séjour, visée à l'article 64, § 1er, pour le remboursement du trajet domicile-lieu de travail et une indemnité de voyage, de repas et d'hÎtel pour des voyages de service à l'intérieur et à l'étranger conformément à la réglementation applicable aux fonctionnaires de l'Autorité flamande.
   L'inspecteur général qui exécute sa mission exclusivement à l'adresse de l'inspection de l'enseignement peut opter, à la place de l'indemnité forfaitaire applicable pour frais de voyage ou de séjour, visée à l'article 64, § 1er, deuxiÚme alinéa, [2 pour un crédit de mobilité tel qu'élaboré à l'article V 12bis]2 du Statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 et une indemnité de voyage, de repas et d'hÎtel pour des voyages de service à l'intérieur et à l'étranger conformément à la réglementation applicable aux fonctionnaires de l'Autorité flamande.]1

  
Afdeling III. - ICT-vergoeding
Section III. - Indemnité TIC
Art. 66. § 1. De leden van de inspectie die niet beschikken over een permanent kantoor in de gebouwen van de diensten van de Vlaamse Regering, hebben recht op een forfaitaire ICT-vergoeding. Deze vergoeding is bestemd voor de inrichting van het thuiskantoor met de noodzakelijke ICT-voorzieningen en wordt vastgesteld op 474,60 euro per jaar. De ICT-vergoeding wordt aangewend door de betrokken inspecteur om informatica en communicatiemiddelen te voorzien in functie van de uitvoering van zijn ambt.
  § 2. De ICT-vergoeding wordt in maandelijkse schijven uitbetaald.
  § 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, volgt de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.
Art. 66. § 1er. Les membres de l'inspection ne disposant pas d'un bureau permanent dans les immeubles des services du Gouvernement flamand, ont droit à une indemnité TIC forfaitaire. Cette indemnité TIC est réservée à l'aménagement du bureau à domicile avec les équipements TIC nécessaires et est fixée à 474,60 euros par an. L'indemnité TIC est utilisée par l'inspecteur intéressé pour l'acquisition de matériel informatique et de moyens de communication, en fonction de l'exercice de sa fonction.
  § 2. L'indemnité TIC est payée en tranches mensuelles.
  § 3. Le montant, visĂ© au § 1er, suit l'Ă©volution de l'indice des prix calculĂ© et dĂ©nommĂ© pour l'application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 dĂ©cembre 1993 portant exĂ©cution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compĂ©titivitĂ© du pays, confirmĂ© par la loi du 30 mars 1994. Le montant est liĂ© Ă  l'indice-pivot 138.01.
Afdeling IV. - Vergoeding voor werkingskosten
Section IV. - Indemnité pour frais de fonctionnement
Art. 67. § 1. De leden van de inspectie die niet beschikken over een permanent kantoor in de gebouwen van de diensten van de Vlaamse Regering, hebben recht op een forfaitaire vergoeding voor werkingskosten. Deze vergoeding is bestemd voor de werkingskosten verbonden aan de uitoefening van hun ambt en wordt vastgesteld op 476 euro per jaar.
  § 2. De vergoeding voor werkingskosten wordt in maandelijkse schijven uitbetaald. De vergoeding wordt met 1/12 ingehouden voor elke onderbreking van de ambtsuitoefening gedurende een periode van dertig aaneensluitende kalenderdagen.
  § 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, volgt de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.
Art. 67. § 1er. Les membres de l'inspection ne disposant pas d'un bureau permanent dans les immeubles des services du Gouvernement flamand, ont droit à une indemnité forfaitaire pour frais de fonctionnement. Cette indemnité est prévue pour les frais de fonctionnement liés à l'exercice de leur fonction et est fixée à 476 euros par an.
  § 2. L'indemnité pour frais de fonctionnement est payée en tranches mensuelles. De l'indemnité est déduite une retenue d'1/12e pour chaque interruption de l'exercice de la fonction pendant une période de trente jours calendaires consécutifs.
  § 3. Le montant, visĂ© au § 1er, suit l'Ă©volution de l'indice des prix calculĂ© et dĂ©nommĂ© pour l'application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 dĂ©cembre 1993 portant exĂ©cution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compĂ©titivitĂ© du pays, confirmĂ© par la loi du 30 mars 1994. Le montant est liĂ© Ă  l'indice-pivot 138.01.
HOOFDSTUK X. - Vakantie- en prestatieregeling
CHAPITRE X. - Régime de vacances et de prestations
Art. 68. § 1. De prestatieregeling van de inspecteurs bedraagt 38 uur per week voor een voltijds ambt.
  § 2. De inspecteurs genieten een jaarlijkse vakantie die als volgt wordt vastgesteld :
  1° de kerstvakantie begint op de maandag van de week waarin 25 december valt en duurt twee weken. Als 25 december op een zaterdag of een zondag valt, begint de kerstvakantie op de maandag na 25 december;
  2° de paasvakantie begint op de eerste maandag van april en duurt twee weken. Als Pasen in de maand maart valt, begint de paasvakantie op de maandag na Pasen. Als Pasen na 15 april valt, begint de paasvakantie op de tweede maandag voor Pasen;
  3° de zomervakantie begint op 6 juli en duurt tot en met 15 augustus.
  In afwijking van het eerste lid kan een inspecteur, na goedkeuring door de inspecteur-generaal, één week vakantie van de zomervakantie verplaatsen naar een ander tijdstip.
  § 3. De vakantie- en prestatieregeling van de coördinerend inspecteurs en van de inspecteur-generaal is dezelfde als de vakantie- en prestatieregeling van de ambtenaren van de Vlaamse overheid.
Art. 68. § 1er. Le régime de prestations des inspecteurs est de 38 heures par semaine pour une fonction à temps plein.
  § 2. Les inspecteurs jouissent de vacances annuelles fixées comme suit :
  1° les vacances de Noël commencent le lundi de la semaine dans laquelle tombe le 25 décembre et durent deux semaines. Si le 25 décembre tombe un samedi ou un dimanche, les vacances de Noël commencent le lundi aprÚs le 25 décembre;
  2° les vacances de Pùques débutent le premier lundi d'avril et durent deux semaines. Si Pùques tombe au mois de mars, les vacances de Pùques commencent le lundi de Pùques. Si Pùques tombe aprÚs le 15 avril, les vacances de Pùques commencent le 2e lundi avant Pùques.
  3° les vacances d'été commencent le 6 juillet et durent jusqu'au 15 août inclus.
  Par dérogation au premier alinéa, il est loisible à l'inspecteur, aprÚs approbation par l'inspecteur général, de prendre une semaine des vacances d'été à un autre moment.
  § 3. Le rĂ©gime de vacances et de prestations des inspecteurs coordinateurs et de l'inspecteur gĂ©nĂ©ral est le mĂȘme que le rĂ©gime de vacances et de prestations des fonctionnaires de l'AutoritĂ© flamande.
HOOFDSTUK XI. - Verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen
CHAPITRE XI. - Congé pour exercer temporairement une autre charge
Art. 69. Het vastbenoemde personeelslid van de inspectie dat tijdelijk wordt aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal, krijgt een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  Het verlof wordt verleend door de inspecteur-generaal voor de inspecteur en door de Vlaamse Regering voor de coördinerend inspecteur voor de volledige opdracht waarvoor het personeelslid vastbenoemd is.
  Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het wordt toegekend voor de duur van de tijdelijke aanstelling.
  Met behoud van de bepalingen in artikel 70 en artikel 71 heeft het personeelslid tijdens het verlof geen recht op salaris voor de prestaties waarvoor het verlof werd toegekend.
Art. 69. Le membre du personnel nommé à titre définitif de l'inspection qui est désigné temporairement à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général obtient un congé pour exercer temporairement une autre charge.
  Le congé est accordé à l'inspecteur par l'inspecteur général et à l'inspecteur coordinateur par le Gouvernement flamand pour la charge complÚte à laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif.
  Le congé est assimilé à une période d'activité de service. Le congé est accordé pour la durée de la désignation temporaire.
  Sans préjudice de l'application des dispositions des articles 70 et 71, le membre du personnel n'a pas droit, pendant ce congé, à un traitement pour les prestations pour lesquelles le congé a été accordé.
Art. 70. Het personeelslid, vermeld in artikel 69, heeft recht op het brutojaarsalaris vastbenoemde dat hem als vastbenoemd personeelslid uitgekeerd wordt, verhoogd met de toelage, vermeld in artikel 71.
  Het brutojaarsalaris vastbenoemde is het brutojaarsalaris waarop het personeelslid aanspraak kan maken voor het geheel van de opdracht waarvoor het vastbenoemd is.
  Het brutojaarsalaris is het salaris tegen 100 %, vastgesteld in de salarisschaal die verbonden is aan het ambt waarin het personeelslid zijn opdracht uitoefent of waarvoor het vastbenoemd is, rekening houdend met het bekwaamheidsbewijs dat het personeelslid bezit. Dat salaris schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.
Art. 70. Le membre du personnel, visé à l'article 69, a droit au traitement annuel brut du membre définitif dont il bénéficie comme membre nommé à titre définitif, majoré de l'allocation, visée à l'article 71.
  Le traitement annuel brut du membre définitif est le traitement annuel brut auquel le membre du personnel peut prétendre pour la totalité de la charge à laquelle il est nommé à titre définitif.
  Le traitement annuel brut est le traitement à 100 %, fixé dans l'échelle de traitement attachée à la fonction dans laquelle le membre du personnel exerce sa charge ou pour laquelle il est nommé à titre définitif, tenant compte du titre d'aptitude que le membre du personnel possÚde. Ce traitement est lié aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Le montant est lié à l'indice-pivot 138.01.
Art. 71. Het personeelslid heeft recht op een toelage voor de uitoefening van een beter bezoldigde opdracht.
  De toelage wordt aan het personeelslid verleend vanaf de dag waarop het de andere opdracht die de toekenning van de toelage wettigt, daadwerkelijk uitoefent.
  Met uitzondering van de jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 68, is de toelage bij een onderbreking van de opdracht die de toekenning van de toelage wettigt, alleen verschuldigd als de onderbreking niet langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt.
  Het jaarbedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen het brutojaarsalaris werkelijke opdracht en het brutojaarsalaris vastbenoemde. Het brutojaarsalaris werkelijke opdracht is het brutojaarsalaris waarop het personeelslid aanspraak kan maken in het ambt dat hij werkelijk uitoefent.
  Het maandbedrag van de toelage is gelijk aan een twaalfde van het jaarbedrag. Als de toelage niet voor de volledige maand verschuldigd is, wordt ze in dertigsten verdeeld, overeenkomstig de regels voor de uitbetaling van het salaris.
  De toelage wordt maandelijks betaald nadat de termijn vervallen is.
Art. 71. Le membre du personnel a droit à une allocation pour l'exercice d'un charge mieux rémunérée.
  L'allocation est octroyĂ©e au membre du personnel dĂšs le jour oĂč il exerce rĂ©ellement l'autre charge justifiant l'octroi de l'allocation.
  A l'exception des vacances annuelles, visées à l'article 68, l'allocation n'est due, lors d'une interruption de la charge justifiant l'octroi de l'allocation, que lorsque l'interruption n'excÚde pas quatorze jours calendaires consécutifs.
  Le montant annuel de l'allocation est égal à la différence entre le traitement annuel brut charge réelle et le traitement annuel brut membre du personnel définitif. Le traitement annuel brut charge réelle est le traitement annuel brut auquel peut prétendre le membre du personnel dans la fonction qu'il exerce réellement.
  Le montant mensuel de l'allocation est égal à 1/12e du traitement annuel. Si l'allocation n'est pas due pour le mois entier, elle est divisée en trentiÚmes, conformément à la réglementation sur le paiement du traitement.
  L'allocation est payée mensuellement à terme échu.
HOOFDSTUK XII. - Verlof om een mandaat uit te oefenen
CHAPITRE XII. - Congé pour l'exercice d'un mandat
Art. 72. § 1.Het vastbenoemde personeelslid bij de inspectie krijgt een verlof om het mandaat van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal uit te oefenen.
  § 2. Het verlof, vermeld in paragraaf 1, wordt voor de inspecteur toegekend door de inspecteur-generaal en voor de coördinerend inspecteur door de Vlaamse Regering.
  Het verlof wordt verleend voor de volledige opdracht waarvoor het personeelslid vastbenoemd is.
  Het verlof eindigt op het ogenblik dat het mandaat eindigt.
  § 3. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  Met behoud van de bepalingen in artikel 74 heeft het personeelslid tijdens het verlof geen recht op salaris voor de prestaties waarvoor het verlof wordt toegekend.
Art. 72. § 1er. Le membre du personnel nommé à titre définitif auprÚs de l'inspection obtient un congé pour exercer le mandat d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général.
  § 2. Le congé, visé au paragraphe 1er, est accordé à l'inspecteur par l'inspecteur général et à l'inspecteur coordinateur par le Gouvernement flamand.
  Le congé est attribué pour la charge complÚte à laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif.
  Le congĂ© se termine au moment oĂč le mandat prend fin.
  § 3. Le congé est assimilé à une période d'activité de service.
  Sans préjudice de l'application des dispositions de l'article 74, le membre du personnel n'a pas droit, pendant ce congé, à un traitement pour les prestations pour lesquelles le congé a été accordé.
Art. 73. De houder van een mandaat in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal kan elke vorm van verlof, terbeschikkingstelling, afwezigheid of non-activiteit verkrijgen als hij voldoet aan alle voorwaarden die ter zake gelden.
Art. 73. Le titulaire d'un mandat dans la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général peut obtenir toute forme de congé, de mise en disponibilité, d'absence ou de non-activité s'il satisfait à toutes les conditions applicables en la matiÚre.
Art. 74. § 1. Het jaarsalaris tegen 100 % van de houder van een mandaat in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal is het jaarsalaris tegen 100 %, vastgesteld in een van de salarisschalen voor het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal, vermeld in artikel 58 en artikel 61.
  § 2. De mandaathouder die vastbenoemd is in een ambt bij de inspectie, ontvangt een salaris dat als vastbenoemde wordt uitgekeerd. De andere mandaathouders ontvangen het salaris dat aan een tijdelijk personeelslid wordt uitgekeerd.
  § 3. Het personeelslid ontvangt het salaris vanaf de dag waarop hij het mandaat effectief opneemt.
  Het personeelslid behoudt het salaris gedurende de jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 68.
  § 4. De geldelijke toestand van de mandaathouder, vermeld in artikel 73, wordt geregeld overeenkomstig de specifieke voorschriften van het verlof, de terbeschikkingstelling, de afwezigheid of de non-activiteit.
Art. 74. § 1er. Le traitement annuel à 100 % du titulaire d'un mandat dans la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général est le traitement annuel à 100 %, fixé dans une des échelles de traitement pour la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général, visées aux articles 58 et 61.
  § 2. Le mandataire qui est nommé à titre définitif dans une fonction auprÚs de l'inspection, perçoit un traitement qui est attribué au statutaire. Les autres mandataires perçoivent le traitement qui est attribué à un membre du personnel temporaire.
  § 3. Le membre du personnel perçoit le traitement à partir du jour auquel il assume effectivement le mandat.
  Le membre du personnel maintient le traitement pendant les vacances annuelles, visées à l'article 68.
  § 4. Le statut pécuniaire du mandataire, visé à l'article 73, est réglé conformément aux prescriptions spécifiques du congé, de la mise en disponibilité, de l'absence ou de la non-activité.
TITEL III. - De pedagogische begeleidingsdiensten
TITRE III. - Les services d'encadrement pédagogique
HOOFDSTUK I. - Vaststelling van ambten
CHAPITRE Ier. - Fixation des fonctions
Art. 75. De ambten die de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten kunnen uitoefenen, worden als volgt vastgesteld :
  1° pedagogisch adviseur;
  2° adviseur-coördinator.
  Die ambten worden beschouwd als bevorderingsambten.
Art. 75. Les fonctions que peuvent exercer les membres des services d'encadrement pédagogique sont déterminées comme suit :
  1° conseiller pédagogique;
  2° conseiller coordinateur.
  Ces fonctions sont considérées comme des fonctions de promotion.
HOOFDSTUK II. - Bezoldiging
CHAPITRE II. - Rémunération
Art. 76. § 1. De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van pedagogisch adviseur, worden als volgt bepaald :
  1° de pedagogisch adviseur die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 541;
  2° de pedagogisch adviseur die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 544;
  3° de pedagogisch adviseur die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 354.
  Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, 1° tot en met 11° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.
  § 2. De pedagogisch adviseur die een bekwaamheidsbewijs als vermeld in paragraaf 1, 1° of 2° behaalt na de aanstelling in het ambt van pedagogisch adviseur, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.
Art. 76. § 1er. Les échelles de traitement liées à l'exercice de la fonction de conseiller pédagogique sont fixées comme suit :
  1° le conseiller pédagogique qui possÚde un titre du niveau de master, à l'exception du grade de docteur, a droit à l'échelle de traitement 541;
  2° le conseiller pédagogique qui possÚde le grade de docteur, a droit à l'échelle de traitement 544;
  3° le conseiller pédagogique qui ne satisfait pas aux conditions, visées aux points 1° et 2°, a droit à l'échelle de traitement 354.
  Par titre du niveau de master, on entend : un des diplĂŽmes de base, visĂ©s Ă  l'article 6, 1° Ă  11°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire.
  § 2. Le conseiller pédagogique qui obtient un titre tel que visé au paragraphe 1er, 1° ou 2°, aprÚs désignation dans la fonction de conseiller pédagogique, peut faire valoir ses droits à une échelle de traitement supérieure à la date de l'obtention du diplÎme ou du grade.
Art. 77. § 1. De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van adviseur-coördinator, worden als volgt bepaald :
  1° de adviseur-coördinator die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 859;
  2° de adviseur-coördinator die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 862;
  3° de adviseur-coördinator die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 854.
  Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6 1° tot en met 11° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.
  § 2. De adviseur-coördinator die een diploma als vermeld in paragraaf 1, 1° of 2° behaalt na de aanstelling in het ambt van adviseur-coördinator, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.
Art. 77. § 1er. Les échelles de traitement liées à l'exercice de la fonction de conseiller coordinateur sont fixées comme suit :
  1° le conseiller coordinateur qui possÚde un titre du niveau de master, à l'exception du grade de docteur, a droit à l'échelle de traitement 859;
  2° le conseiller coordinateur qui possÚde le grade de docteur a droit à l'échelle de traitement 862;
  3° le conseiller coordinateur qui ne satisfait pas aux conditions, visées aux points 1° et 2°, a droit à l'échelle de traitement 854.
  Par titre du niveau de master, on entend : un des diplĂŽmes de base, visĂ©s Ă  l'article 6, aux points 1° Ă  11°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire.
  § 2. Le conseiller coordinateur qui obtient un diplÎme, tel que visé au paragraphe 1er, 1° ou 2°, aprÚs désignation dans la fonction de conseiller coordinateur, peut faire valoir ses droits à une échelle de traitement supérieure à la date de l'obtention du diplÎme ou du grade.
Art. 78. De salarisschalen vermeld in artikel 76 en 77, worden vastgesteld bij [1 het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018]1 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.
  
Art. 78. Les Ă©chelles de traitement, visĂ©es aux articles 76 et 77, sont fixĂ©es par [1 l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018]1 portant les Ă©chelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement.
  
HOOFDSTUK III. - Vakantie- en prestatieregeling
CHAPITRE III. - Régime de vacances et de prestations
Art. 79. De leden van de pedagogische begeleidingsdiensten genieten een jaarlijkse vakantie, die als volgt wordt vastgesteld :
  1° de kerstvakantie begint op de maandag van de week waarin 25 december valt en duurt twee weken. Als 25 december op een zaterdag of een zondag valt, begint de kerstvakantie op de maandag na 25 december;
  2° de paasvakantie begint op de eerste maandag van april en duurt twee weken. Als Pasen in de maand maart valt, begint de paasvakantie op de maandag na Pasen. Als Pasen na 15 april valt, begint de paasvakantie op de tweede maandag voor Pasen;
  3° de zomervakantie bestaat uit zes weken te nemen tussen 1 juli en 31 augustus, waarvan minstens vier opeenvolgende weken.
Art. 79. Les membres des services d'encadrement pédagogique jouissent de vacances annuelles fixées comme suit :
  1° les vacances de Noël commencent le lundi de la semaine dans laquelle tombe le 25 décembre et durent deux semaines. Si le 25 décembre tombe un samedi ou un dimanche, les vacances de Noël commencent le lundi aprÚs le 25 décembre;
  2° les vacances de Pùques débutent le premier lundi d'avril et durent deux semaines. Si Pùques tombe au mois de mars, les vacances de Pùques commencent le lundi de Pùques. Si Pùques tombe aprÚs le 15 avril, les vacances de Pùques commencent le 2e lundi avant Pùques.
  3° les vacances d'Ă©tĂ© consistent de six semaines Ă  prendre entre le 1er juillet et le 31 aoĂ»t, dont au moins quatre semaines doivent ĂȘtre prises consĂ©cutivement.
Art. 80. De prestatieregeling van de pedagogische adviseurs en de adviseur-coördinatoren bedraagt 38 uur per week voor een voltijds ambt.
Art. 80. Le régime de prestations des conseillers pédagogiques et des conseillers coordinateurs est de 38 heures par semaine pour une fonction à temps plein.
TITEL IV. - Wijzigingsbepalingen
TITRE IV. - Dispositions modificatives
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken
CHAPITRE Ier. - Modifications Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 1993 pris en exĂ©cution du dĂ©cret du 1er dĂ©cembre 1993 relatif Ă  l'inspection et Ă  l'encadrement des cours philosophiques
Art. 81. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 1999, worden de woorden "coördinerend inspecteur-generaal" telkens vervangen door de woorden "inspecteur-generaal".
Art. 81. Dans l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 1993 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 1er dĂ©cembre 1993 relatif Ă  l'inspection et Ă  l'encadrement des cours philosophiques, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 dĂ©cembre 1999, les mots " inspecteur gĂ©nĂ©ral coordinateur" sont chaque fois remplacĂ©s par les mots "inspecteur gĂ©nĂ©ral".
Art. 82. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 3. De bepalingen van artikel 27, eerste lid, en de artikelen 28 tot en met 31 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs met betrekking tot de rechtspositie zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."
Art. 82. L'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  "Art. 3. Les dispositions de l'article 27, premier alinĂ©a, et les articles 28 Ă  31 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 fĂ©vrier 2010 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 8 mai 2009 relatif Ă  la qualitĂ© de l'enseignement pour ce qui est du statut du personnel sont d'application aux membres du personnel de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques."
Art. 83. Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 4. De bepalingen van titel II, hoofdstuk VII, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."
Art. 83. L'article 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  "Art. 4. Les dispositions du Titre II, chapitre VII, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 fĂ©vrier 2010 sont d'application aux membres du personnel de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques."
Art. 84. In artikel 5 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  "§ 1. De bepalingen van titel II, hoofdstuk VIII, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."
Art. 84. A l'article 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le paragraphe 1er est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " § 1. Les dispositions du Titre II, chapitre VIII, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 fĂ©vrier 2010 sont d'application aux membres du personnel de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques."
Art. 85. In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "in artikel 77 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten" vervangen door de woorden "in artikel 21, § 3 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
  "§ 3. De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking gaat in op 1 september.";
  3° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
  "§ 4. Het wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelslid geniet een wachtgeld dat de eerste twee jaar gelijk is aan zijn laatste activiteitswedde.
  Vanaf het derde jaar wordt dat wachtgeld elk jaar met 20 % verminderd. Het mag evenwel niet lager zijn dan zoveel keer een dertigste van de laatste activiteitswedde als het personeelslid op de datum van zijn terbeschikkingstelling dienstjaren telt. De opeenvolgende verminderingen worden berekend met de laatste activiteitswedde als basis.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder dienstjaren verstaan : de jaren die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen. De bonificaties wegens diploma's tellen niet mee. De militaire dienst, verricht voor de indiensttreding, wordt echter niet in aanmerking genomen, en de in aanmerking komende militaire dienst wordt alleen meegerekend voor zijn gewone duur."
Art. 85. A l'article 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, les mots "l'article 77 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection et aux services d'encadrement pédagogique" sont remplacés par les mots "l'article 21, § 3 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques";
  2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. La mise en disponibilité par défaut d'emploi prend cours le 1er septembre.";
  3° il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Le membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi jouit d'un traitement d'attente qui est égal pendant les deux premiÚres années à son dernier traitement d'activité.
  A partir de la troisiĂšme annĂ©e, ce traitement d'attente est rĂ©duit chaque annĂ©e de 20 % . Il ne peut toutefois pas ĂȘtre infĂ©rieur Ă  autant de fois un trentiĂšme du dernier traitement d'activitĂ© que le membre du personnel compte d'annĂ©es de service Ă  la date de sa mise en disponibilitĂ©. Les rĂ©ductions successives sont calculĂ©es en prenant comme base le dernier traitement d'activitĂ©.
  Pour l'application du prĂ©sent article, il faut entendre par annĂ©es de service : les annĂ©es qui peuvent ĂȘtre valorisĂ©es pour le calcul de la pension de retraite. Les bonifications pour diplĂŽmes ne sont pas prises en compte. Le service militaire, effectuĂ© avant son entrĂ©e en service, n'est pourtant pas pris en compte, et le service militaire entrant en ligne de compte n'est calculĂ© que pour sa durĂ©e normale.
Art. 86. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 10. De bepalingen van titel II, hoofdstuk X, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."
Art. 86. L'article 10 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  "Art. 10. Les dispositions du Titre II, chapitre X, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 fĂ©vrier 2010 sont d'application aux membres du personnel de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques."
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn
CHAPITRE II. - Modifications Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 avril 1998 fixant le statut administratif et pĂ©cuniaire de certains personnels nommĂ©s Ă  titre dĂ©finitif de l'enseignement, des centres psycho-mĂ©dico-sociaux, des services d'encadrement pĂ©dagogique, de l'inspection et du service d'Ă©tudes, dĂ©signĂ©s temporairement pour ou chargĂ©s temporairement d'une mission pour laquelle ils ne sont pas nommĂ©s Ă  titre dĂ©finitif
Art. 87. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
  "§ 1. Dit besluit is van toepassing op de volgende personeelsleden als ze vastbenoemd zijn en hun ambt uitoefenen als hoofdambt :
  1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
  2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
  3° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.";
  2° In paragraaf 2 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
  "3° tijdelijk een ambt uitoefenen ter uitvoering van :
  a) artikel 50 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
  b) artikel 42 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;
  c) artikel 11, § 2, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."
Art. 87. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 avril 1998 fixant le statut administratif et pĂ©cuniaire de certains personnels nommĂ©s Ă  titre dĂ©finitif de l'enseignement, des centres psycho-mĂ©dico-sociaux, des services d'encadrement pĂ©dagogique, de l'inspection et du service d'Ă©tudes, dĂ©signĂ©s temporairement pour ou chargĂ©s temporairement d'une mission pour laquelle ils ne sont pas nommĂ©s Ă  titre dĂ©finitif, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est d'application aux personnels suivants lorsqu'ils sont nommĂ©s Ă  titre dĂ©finitif et exercent leur fonction comme fonction principale :
  1° aux membres du personnel, visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
  2° aux membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élÚves;
  3° aux membres du personnel, visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques.";
  2° Dans le paragraphe 2, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
  "3° exercent temporairement une fonction en exécution de :
  a) l'article 50 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;
  b) l'article 42, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés;
  c) l'article 11, § 2, du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques."
Art. 88. In artikel 4 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. In afwijking van artikel 2, § 1 kunnen de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1 het verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, ook krijgen om :
  1° tijdelijk een ambt uit te oefenen in een hogeschool als vermeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  2° tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs onder de voorwaarden vermeld in artikel 98 tot en met 105 van hetzelfde decreet."
Art. 88. A l'article 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le paragraphe 1er est remplacĂ© par la disposition suivante :
  "§ 1er. Par dérogation à l'article 2, § 1er, les membres du personnel, visés à l'article 1er, § 1er, peuvent également obtenir le congé pour exercer temporairement une autre charge, pour :
  1° exercer temporairement une fonction dans un institut supérieur tel que visé à l'article 4 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
  2° exercer temporairement une fonction telle que visĂ©e Ă  l'article 61 du dĂ©cret du 8 mai 2009 relatif Ă  la qualitĂ© de l'enseignement aux conditions visĂ©es aux articles 98 Ă  105 du mĂȘme dĂ©cret."
Art. 89. Artikel 5 van het hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op :
  1° de personeelsleden aan wie een verlof wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen in een hogeschool als vermeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  2° de personeelsleden aan wie een verlof wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs."
Art. 89. L'article 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  "Art. 5. Les dispositions du présent chapitre ne sont pas d'application aux :
  1° personnels auxquels un congé est accordé pour exercer temporairement une fonction dans un institut supérieur tel que visé à l'article 4 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
  2° personnels auxquels un congé est accordé pour exercer temporairement une fonction telle que visée à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement."
TITEL V. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
TITRE V. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
Art. 90. Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007, wordt opgeheven.
Art. 90. L'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 juillet 1991 pris en exĂ©cution du dĂ©cret du 17 juillet 1991 relatif Ă  l'inspection, au DVO (Dienst voor Onderwijsontwikkeling - Service d'Etudes) et aux services d'encadrement pĂ©dagogique, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 2007, est abrogĂ©.
Art. 91. Het personeelslid van de pedagogische begeleidingsdiensten dat op 31 augustus 2009 tijdelijk is aangesteld of vast benoemd is in het ambt van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator behoudt zijn salarisschaal, tenzij hij recht heeft op een hogere salarisschaal.
Art. 91. Le membre du personnel des services d'encadrement pédagogique qui, au 31 août 2009, est désigné temporairement ou nommé à titre définitif dans la fonction de conseiller pédagogique ou de conseiller coordinateur conserve l'échelle de traitement à moins qu'il n'ait droit à une échelle de traitement supérieure.
Art. 92. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2009.
Art. 92. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er septembre 2009.
Art. 93. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 93. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.