Artikel 1. Artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 wordt gewijzigd als volgt :
1° onder punt 2.4 vervallen de woorden " gewijzigd bij de decreten van de Waalse Gewestraad van 11 april 1984, 16 juli 1985, 7 oktober 1985, 7 september 1989, 21 april 1994, 6 april 1995, 22 januari 1998 en 6 december 2001, ";
2° onder punt 2.12 worden de woorden " 2, 25° " vervangen door de woorden " 2,24° ";
3° punt 2.13 wordt vervangen als volgt :
" 2.13) Gassen : alle gassen voortgebracht door de afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum gestort worden ";
4° volgende definities worden toegevoegd :
" 2.18) Aanvaardingscriteria : criteria waaraan de afvalstoffen moeten voldoen om aanvaard te kunnen worden in een technisch ingravingscentrum van de betrokken (sub)categorie;
2.19) Traceerparameters : parameters die ertoe strekken, snel elke significante verandering in de waterkwaliteit ter hoogte of in de omgeving van een technisch ingravingscentrum op te sporen;
2.20) Toezichtsparameters : parameters die erop kunnen wijzen dat grondwaterlagen door een technisch ingravingscentrum verontreinigd worden;
2.21) Waakzaamheidsdrempel : drempel die, indien overschreden, de noodzaak inhoudt om nazichtsonderzoeken te verrichten en/of voor de afwijkende parameters een verhoogd toezicht uit te oefenen;
2.22) persistente endogene vervuiling : blijvende aanwezigheid in het water van een vervuilende stof die te wijten is aan het ingraven van afvalstoffen met een hogere concentratie dan de waakzaamheidsdrempel, waardoor risico's kunnen ontstaan voor mens en/of milieu;
2.23) Actiedrempel : drempel die, indien overschreden, de verplichting inhoudt om bewarende maatregelen te treffen en/of rechstreeks een procedure in te schakelen om correctiemaatregelen voor het water te treffen;
2.24) Intern interventie- en beschermingsplan voor het grondwater : plan waarvan sprake in artikel 57 en vereist bij bijlage VI, punt 1.18, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 4 maart 2002 betreffende de milieuvergunning;
2.25) Interventieplan : plan waarvan sprake in artikel 1, 25°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
2.26) Ondergrondse opslag : permanente plaats voor de opslag van afvalstoffen zoals in een diepe geologische holte zoals een zout- of kaliummijn;
2.27) Eluaat : oplossing verkregen bij uitlogingsproeven, gesimuleerd in een laboratorium; ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 OKTOBER 2010. - Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving, het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten
Titre
7 OCTOBRE 2010. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 portant conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets, l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă la procĂ©dure et Ă diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement et l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (81)
Texte (81)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving
CHAPITRE Ier. - Modifications Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique
Article 1er. A l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au point 2.4, les mots " modifiées par les décrets du Conseil régional wallon des 11 avril 1984, 16 juillet 1985, 7 octobre 1985, 7 septembre 1989, 21 avril 1994, 6 avril 1995, 22 janvier 1998 et 6 décembre 2001 " sont supprimés;
2° au point 2.12, les mots " 2, 25° " sont remplacés par les mots " 2, 24° ";
3° le point 2.13 est remplacé par ce qui suit :
" 2.13) Gaz : tous les gaz produits par les déchets mis en CET ";
4° les définitions suivantes sont ajoutées :
" 2.18) CritĂšres d'admission : critĂšres auxquels les dĂ©chets doivent satisfaire pour ĂȘtre admissibles en CET de catĂ©gorie ou sous-catĂ©gorie concernĂ©e;
2.19) ParamÚtres traceurs : paramÚtres ayant pour but de détecter rapidement tout changement significatif de la qualité des eaux au droit ou aux alentours d'un CET;
2.20) ParamĂštres de surveillance : paramĂštres pouvant indiquer une pollution des nappes par un CET;
2.21) Seuil de vigilance : seuil dont le dépassement entraßne la nécessité de réaliser des analyses de vérifications et/ou d'exercer une surveillance accrue pour le ou les paramÚtres incriminés;
2.22) contamination endogÚne persistante : présence durable, dans les eaux, d'un contaminant généré par l'activité d'enfouissement des déchets à une concentration supérieure au seuil de vigilance, et pouvant engendrer des risques pour l'homme et/ou l'environnement;
2.23) Seuil de déclenchement : seuil dont le dépassement entraßne l'obligation de prendre des mesures conservatoires et/ou d'enclencher directement une procédure d'actions correctives sur les eaux;
2.24) Plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines : plan visĂ© Ă l'article 57 et requis par l'annexe VI, point 1.18 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă la procĂ©dure et Ă diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2.25) Plan d'intervention : plan visé à l'article 1er, 25°, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2.26) Stockage souterrain : site permanent de stockage des déchets dans une cavité géologique profonde telle qu'une mine de sel ou de potassium;
2.27) Eluat : solution obtenue lors de tests de lixiviation simulés en laboratoire; ".
1° au point 2.4, les mots " modifiées par les décrets du Conseil régional wallon des 11 avril 1984, 16 juillet 1985, 7 octobre 1985, 7 septembre 1989, 21 avril 1994, 6 avril 1995, 22 janvier 1998 et 6 décembre 2001 " sont supprimés;
2° au point 2.12, les mots " 2, 25° " sont remplacés par les mots " 2, 24° ";
3° le point 2.13 est remplacé par ce qui suit :
" 2.13) Gaz : tous les gaz produits par les déchets mis en CET ";
4° les définitions suivantes sont ajoutées :
" 2.18) CritĂšres d'admission : critĂšres auxquels les dĂ©chets doivent satisfaire pour ĂȘtre admissibles en CET de catĂ©gorie ou sous-catĂ©gorie concernĂ©e;
2.19) ParamÚtres traceurs : paramÚtres ayant pour but de détecter rapidement tout changement significatif de la qualité des eaux au droit ou aux alentours d'un CET;
2.20) ParamĂštres de surveillance : paramĂštres pouvant indiquer une pollution des nappes par un CET;
2.21) Seuil de vigilance : seuil dont le dépassement entraßne la nécessité de réaliser des analyses de vérifications et/ou d'exercer une surveillance accrue pour le ou les paramÚtres incriminés;
2.22) contamination endogÚne persistante : présence durable, dans les eaux, d'un contaminant généré par l'activité d'enfouissement des déchets à une concentration supérieure au seuil de vigilance, et pouvant engendrer des risques pour l'homme et/ou l'environnement;
2.23) Seuil de déclenchement : seuil dont le dépassement entraßne l'obligation de prendre des mesures conservatoires et/ou d'enclencher directement une procédure d'actions correctives sur les eaux;
2.24) Plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines : plan visĂ© Ă l'article 57 et requis par l'annexe VI, point 1.18 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă la procĂ©dure et Ă diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2.25) Plan d'intervention : plan visé à l'article 1er, 25°, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
2.26) Stockage souterrain : site permanent de stockage des déchets dans une cavité géologique profonde telle qu'une mine de sel ou de potassium;
2.27) Eluat : solution obtenue lors de tests de lixiviation simulés en laboratoire; ".
Art. 2. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden " de centra " vervangen door de woorden " de centra en de cellen ";
2° het tweede item wordt vervangen als volgt :
" - klasse 2 : de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02 van het nomenclatuur-besluit, namelijk :
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.1.a ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.1.b ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.2; ";
3° het vijfde item wordt vervangen als volgt :
" - de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02 van het nomenclatuur-besluit, namelijk :
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.1.a ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.1.b ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.2 ".
1° in de inleidende zin worden de woorden " de centra " vervangen door de woorden " de centra en de cellen ";
2° het tweede item wordt vervangen als volgt :
" - klasse 2 : de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02 van het nomenclatuur-besluit, namelijk :
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.1.a ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.1.b ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.02.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 2.2; ";
3° het vijfde item wordt vervangen als volgt :
" - de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02 van het nomenclatuur-besluit, namelijk :
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.1.a ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.1.b ;
- de centra en de cellen bedoeld in rubriek 90.25.05.02.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2.2 ".
Art. 2. A l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° dans la phrase introductive, les mots " les CET " sont remplacés par les mots " les CET et cellules ";
2° le 2e item est remplacé par ce qui suit :
" - classe 2 : les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.02 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature, soit :
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.02.01 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 2.1.a ;
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.02.02 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 2.1.b ;
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.02.03 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 2.2; ";
3° le 5e item, 2e tiret est remplacé par ce qui suit :
" - les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.05.02 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature, soit :
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.05.02.01 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 5.2.1.a ;
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.05.02.02 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 5.2.1.b ;
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.05.02.03 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 5.2.2. "
1° dans la phrase introductive, les mots " les CET " sont remplacés par les mots " les CET et cellules ";
2° le 2e item est remplacé par ce qui suit :
" - classe 2 : les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.02 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature, soit :
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.02.01 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 2.1.a ;
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.02.02 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 2.1.b ;
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.02.03 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 2.2; ";
3° le 5e item, 2e tiret est remplacé par ce qui suit :
" - les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.05.02 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature, soit :
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.05.02.01 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 5.2.1.a ;
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.05.02.02 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 5.2.1.b ;
- les CET et cellules visĂ©s par la rubrique 90.25.05.02.03 de l'arrĂȘtĂ© nomenclature - classe 5.2.2. "
Art. 3. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden " als ze aan de criteria van dit besluit voldoen, " vervangen door de woorden " als ze aan de aanvaardingscriteria voldoen, omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra, onverminderd bijlage 3 van dit besluit wat betreft de vrijstelling van de proeven, ";
2° in § 3 worden de woorden " CET van klasse 2 " vervangen door de woorden " CET van klasse 2.1.a of 2.1.b ".
1° in § 1 worden de woorden " als ze aan de criteria van dit besluit voldoen, " vervangen door de woorden " als ze aan de aanvaardingscriteria voldoen, omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra, onverminderd bijlage 3 van dit besluit wat betreft de vrijstelling van de proeven, ";
2° in § 3 worden de woorden " CET van klasse 2 " vervangen door de woorden " CET van klasse 2.1.a of 2.1.b ".
Art. 3. A l'article 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 1er, les mots " s'il rĂ©pond aux critĂšres du prĂ©sent arrĂȘtĂ© " sont remplacĂ©s par les mots " s'il rĂ©pond aux critĂšres d'admission dĂ©finis Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique, sans prĂ©judice Ă l'annexe 3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© en ce qu'elle concerne la dispense des essais ";
2° au § 3, les mots " CET de classe 2 " sont remplacés par les mots " CET de classe 2.1.a ou 2.1.b. "
1° au § 1er, les mots " s'il rĂ©pond aux critĂšres du prĂ©sent arrĂȘtĂ© " sont remplacĂ©s par les mots " s'il rĂ©pond aux critĂšres d'admission dĂ©finis Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique, sans prĂ©judice Ă l'annexe 3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© en ce qu'elle concerne la dispense des essais ";
2° au § 3, les mots " CET de classe 2 " sont remplacés par les mots " CET de classe 2.1.a ou 2.1.b. "
Art. 4. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 5. De bijzondere voorwaarden kunnen bepalen dat kleine hoeveelheden stabiele en niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen, die bijvoorbeeld verhard of verglaasd zijn, met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van ongevaarlijke afvalstoffen en die voldoen aan de relevante ingravingscriteria, ingegraven mogen worden in een technisch ingravingscentrum of in een cel van klasse 2.1.b of 5.2.1.b.
Bij de aanvraag tot ingraving wordt een milieu-evaluatie gevoegd, uitgevoerd door een effectenonderzoeker erkend voor de categorie " afvalstoffenbeheer ", die aantoont :
1° dat er geen significante risico's zijn voor het leefmilieu;
2° dat de ingraving betrekking heeft op kleine hoeveelheden gevaarlijke industriële afvalstoffen en dat die samen ingegraven mogen worden met de andere afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum terechtkomen;
3° dat het buitengewone omstandigheden betreft.
De bijzondere voorwaarden bepalen de hoeveelheden die in het technisch ingravingscentrum aanvaardbaar zijn en de specifieke voorwaarden voor de ingraving van de gevaarlijke afvalstoffen waarvan sprake in lid 1. "
" Art. 5. De bijzondere voorwaarden kunnen bepalen dat kleine hoeveelheden stabiele en niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen, die bijvoorbeeld verhard of verglaasd zijn, met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van ongevaarlijke afvalstoffen en die voldoen aan de relevante ingravingscriteria, ingegraven mogen worden in een technisch ingravingscentrum of in een cel van klasse 2.1.b of 5.2.1.b.
Bij de aanvraag tot ingraving wordt een milieu-evaluatie gevoegd, uitgevoerd door een effectenonderzoeker erkend voor de categorie " afvalstoffenbeheer ", die aantoont :
1° dat er geen significante risico's zijn voor het leefmilieu;
2° dat de ingraving betrekking heeft op kleine hoeveelheden gevaarlijke industriële afvalstoffen en dat die samen ingegraven mogen worden met de andere afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum terechtkomen;
3° dat het buitengewone omstandigheden betreft.
De bijzondere voorwaarden bepalen de hoeveelheden die in het technisch ingravingscentrum aanvaardbaar zijn en de specifieke voorwaarden voor de ingraving van de gevaarlijke afvalstoffen waarvan sprake in lid 1. "
Art. 4. L'article 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 5. Les conditions particuliĂšres peuvent prĂ©voir que de petites quantitĂ©s de dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs, par exemple solidifiĂ©s ou vitrifiĂ©s, dont le comportement en matiĂšre de production de lixiviats est Ă©quivalent Ă celui des dĂ©chets non dangereux et qui satisfont aux critĂšres d'admission pertinents, peuvent ĂȘtre enfouis dans un CET ou une cellule de classe 2.1.b ou 5.2.1.b.
La demande d'enfouissement est accompagnée d'une évaluation environnementale, réalisée par un auteur d'études d'incidences sur l'environnement agréé pour la catégorie " gestion des déchets ", démontrant :
1° l'absence de risques significatifs pour l'environnement;
2° le fait que l'enfouissement concerne de petites quantités de déchets industriels dangereux et que ceux-ci sont compatibles avec les déchets mis en CET;
3° le fait que les circonstances sont exceptionnelles.
Les conditions particuliÚres déterminent les quantités admissibles dans le CET et les conditions spécifiques d'enfouissement des déchets dangereux visés à l'alinéa 1er. "
" Art. 5. Les conditions particuliĂšres peuvent prĂ©voir que de petites quantitĂ©s de dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs, par exemple solidifiĂ©s ou vitrifiĂ©s, dont le comportement en matiĂšre de production de lixiviats est Ă©quivalent Ă celui des dĂ©chets non dangereux et qui satisfont aux critĂšres d'admission pertinents, peuvent ĂȘtre enfouis dans un CET ou une cellule de classe 2.1.b ou 5.2.1.b.
La demande d'enfouissement est accompagnée d'une évaluation environnementale, réalisée par un auteur d'études d'incidences sur l'environnement agréé pour la catégorie " gestion des déchets ", démontrant :
1° l'absence de risques significatifs pour l'environnement;
2° le fait que l'enfouissement concerne de petites quantités de déchets industriels dangereux et que ceux-ci sont compatibles avec les déchets mis en CET;
3° le fait que les circonstances sont exceptionnelles.
Les conditions particuliÚres déterminent les quantités admissibles dans le CET et les conditions spécifiques d'enfouissement des déchets dangereux visés à l'alinéa 1er. "
Art. 5. In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, lid 1, worden de woorden " het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen " vervangen door de woorden " de artikelen R.153 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt ";
2° in § 2, lid 2, worden de woorden " het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen " vervangen door de woorden " de artikelen R.153 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt ".
1° in § 2, lid 1, worden de woorden " het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen " vervangen door de woorden " de artikelen R.153 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt ";
2° in § 2, lid 2, worden de woorden " het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen " vervangen door de woorden " de artikelen R.153 en volgende van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt ".
Art. 5. A l'article 9 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 2, alinĂ©a 1er, les mots " l'arrĂȘtĂ© du 14 novembre 1991 relatif aux prises d'eau souterraine, aux zones de prise d'eau, de prĂ©vention et de surveillance et Ă la recharge artificielle des nappes d'eaux souterraines " sont remplacĂ©s par les mots " les articles R. 153 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau ";
2° au § 2, alinĂ©a 2, les mots " Ă l'arrĂȘtĂ© du 14 novembre 1991 relatif aux prises d'eau souterraine, aux zones de prise d'eau, de prĂ©vention et de surveillance et Ă la recharge artificielle des nappes d'eaux souterraines " sont remplacĂ©s par les mots " par les articles R. 153 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau. "
1° au § 2, alinĂ©a 1er, les mots " l'arrĂȘtĂ© du 14 novembre 1991 relatif aux prises d'eau souterraine, aux zones de prise d'eau, de prĂ©vention et de surveillance et Ă la recharge artificielle des nappes d'eaux souterraines " sont remplacĂ©s par les mots " les articles R. 153 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau ";
2° au § 2, alinĂ©a 2, les mots " Ă l'arrĂȘtĂ© du 14 novembre 1991 relatif aux prises d'eau souterraine, aux zones de prise d'eau, de prĂ©vention et de surveillance et Ă la recharge artificielle des nappes d'eaux souterraines " sont remplacĂ©s par les mots " par les articles R. 153 et suivants du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau. "
Art. 6. Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 13. Als op grond van een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen R.178 tot en met R.180 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, aangetoond wordt dat het technisch ingravingscentrum geen potentieel gevaar oplevert voor bodem, grondwater of oppervlaktewater, mogen de bijzondere voorwaarden van de artikelen 10, 11 en 12 dienovereenkomstig aangepast worden. "
" Art. 13. Als op grond van een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen R.178 tot en met R.180 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, aangetoond wordt dat het technisch ingravingscentrum geen potentieel gevaar oplevert voor bodem, grondwater of oppervlaktewater, mogen de bijzondere voorwaarden van de artikelen 10, 11 en 12 dienovereenkomstig aangepast worden. "
Art. 6. L'article 13 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 13. Si, sur la base d'une étude réalisée conformément aux articles R. 178 à R. 180 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, il est établi que le CET n'entraßne aucun risque potentiel pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface, les conditions particuliÚres peuvent adapter en conséquence les exigences des articles 10, 11 et 12. "
" Art. 13. Si, sur la base d'une étude réalisée conformément aux articles R. 178 à R. 180 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, il est établi que le CET n'entraßne aucun risque potentiel pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface, les conditions particuliÚres peuvent adapter en conséquence les exigences des articles 10, 11 et 12. "
Art. 7. Artikel 14, § 1, item 1, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de woorden " met in begrip van de systemen voor een afgedichte scheiding tussen biologisch afbreekbare afvalstoffen en biologisch niet-afbreekbare waterstoffen op het grensvlak tussen de cellen. "
Art. 7. L'article 14, § 1er, 1er item, du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par les mots " en ce compris les dispositifs assurant la sĂ©paration Ă©tanche entre dĂ©chets organiques biodĂ©gradables et dĂ©chets non biodĂ©gradables Ă l'interface entre les cellules. ".
Art. 8. Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 16. De exploitant is verplicht :
1° de hinder en de gevaren zoals geur- en stofhinder, zwerfvuil dat door de wind rondgeblazen wordt, geluidshinder en voertuigbewegingen, aërosolvorming en eventuele brand door de uitbating van de technische ingravingscentra te beperken;
2° te zorgen voor de optimale instandhouding en het optimale onderhoud van alle apparaten, installaties en inrichtingen;
3° de stabiliteit van de werken en installaties te vrijwaren;
4° de afzondering van het technisch ingravingscentrum te garanderen om hydraulische, esthetische en veiligheidsredenen;
5° onverminderd artikel 46, § 2, vlak na afloop van de lozingen in een sector of in geval van non-activiteit van een sector voor meer dan één jaar, de in bijlage 1, punt 3, bedoelde afdekking aan te brengen, behalve als op grond van een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig de artikelen R.178 tot en met R.180 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de bijzondere voorwaarden nader bepalen dat het onnodig is het percolaat op te vangen en te behandelen of als is aangetoond dat het technisch ingravingscentrum geen potentieel risico inhoudt voor de bodem, het grondwater of de oppervlaktewateren. Minstens houdt de afdekking van het technisch ingravingscentrum één laag afdekkende aarde in die 1 meter dik is of meer, waarop dan planten aangebracht worden;
6° vlak na afloop van de lozingen in één sector of bij non-activiteit van één sector voor meer dan één jaar, het topografisch toezicht vereist volgens de artikelen 38 en 39 in te voeren en te verrichten. Als op grond van een relevante risico-evaluatie door de uitbater aangetoond wordt dat het technisch ingravingscentrum wegens de aard van de aanvaarde afvalstoffen niet (meer) aan de basis zou kunnen liggen van significante grondverzakkingen, kunnen de bijzondere voorwaarden de vereisten van de artikelen 38 en 39 dienovereenkomstig aanpassen. Minstens is de uitbater ertoe verplicht jaarlijks een verslag over te maken met zijn visuele waarnemingen tijdens de uitbatings- en de nabeheerperiode. Dat verslag wordt bewaard als bijlage bij het register waarvan sprake in artikel 25, lid 6. "
" Art. 16. De exploitant is verplicht :
1° de hinder en de gevaren zoals geur- en stofhinder, zwerfvuil dat door de wind rondgeblazen wordt, geluidshinder en voertuigbewegingen, aërosolvorming en eventuele brand door de uitbating van de technische ingravingscentra te beperken;
2° te zorgen voor de optimale instandhouding en het optimale onderhoud van alle apparaten, installaties en inrichtingen;
3° de stabiliteit van de werken en installaties te vrijwaren;
4° de afzondering van het technisch ingravingscentrum te garanderen om hydraulische, esthetische en veiligheidsredenen;
5° onverminderd artikel 46, § 2, vlak na afloop van de lozingen in een sector of in geval van non-activiteit van een sector voor meer dan één jaar, de in bijlage 1, punt 3, bedoelde afdekking aan te brengen, behalve als op grond van een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig de artikelen R.178 tot en met R.180 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de bijzondere voorwaarden nader bepalen dat het onnodig is het percolaat op te vangen en te behandelen of als is aangetoond dat het technisch ingravingscentrum geen potentieel risico inhoudt voor de bodem, het grondwater of de oppervlaktewateren. Minstens houdt de afdekking van het technisch ingravingscentrum één laag afdekkende aarde in die 1 meter dik is of meer, waarop dan planten aangebracht worden;
6° vlak na afloop van de lozingen in één sector of bij non-activiteit van één sector voor meer dan één jaar, het topografisch toezicht vereist volgens de artikelen 38 en 39 in te voeren en te verrichten. Als op grond van een relevante risico-evaluatie door de uitbater aangetoond wordt dat het technisch ingravingscentrum wegens de aard van de aanvaarde afvalstoffen niet (meer) aan de basis zou kunnen liggen van significante grondverzakkingen, kunnen de bijzondere voorwaarden de vereisten van de artikelen 38 en 39 dienovereenkomstig aanpassen. Minstens is de uitbater ertoe verplicht jaarlijks een verslag over te maken met zijn visuele waarnemingen tijdens de uitbatings- en de nabeheerperiode. Dat verslag wordt bewaard als bijlage bij het register waarvan sprake in artikel 25, lid 6. "
Art. 8. L'article 16 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 16. L'exploitant est tenu :
1° de réduire les nuisances et les dangers, tels que les émissions d'odeurs et de poussiÚres, des matériaux emportés par le vent, le bruit et les mouvements des véhicules, la formation d'aérosols, les incendies pouvant résulter de l'exploitation du CET;
2° d'assurer la maintenance et l'entretien optimal de tous les appareillages, installations et aménagements;
3° de garantir la stabilité des ouvrages et des installations;
4° d'assurer l'isolement, notamment hydraulique, esthétique et sécuritaire du CET;
5° sans prĂ©judice de l'article 46, § 2, dĂšs l'achĂšvement des dĂ©versements dans un secteur ou en cas d'inactivitĂ© d'un secteur d'une durĂ©e supĂ©rieure Ă un an sur, de procĂ©der Ă la mise en place de la couverture visĂ©e Ă l'annexe 1re, point 3, sauf si, sur la base d'une Ă©tude rĂ©alisĂ©e conformĂ©ment aux articles R. 178 Ă R. 180 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, les conditions particuliĂšres prĂ©cisent qu'il n'est pas nĂ©cessaire de recueillir et de traiter les lixiviats ou s'il a Ă©tĂ© Ă©tabli que le CET n'entraĂźne aucun risque potentiel pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface. A tout le moins, la couverture du CET se limite Ă une couche de terre de revĂȘtement d'Ă©paisseur Ă©gale ou supĂ©rieure Ă 1m sur laquelle il est procĂ©dĂ© au rĂ©amĂ©nagement vĂ©gĂ©tal;
6° dĂšs l'achĂšvement des dĂ©versements dans un secteur ou en cas d'inactivitĂ© d'un secteur d'une durĂ©e supĂ©rieure Ă un an sur, de mettre en place et d'exĂ©cuter la surveillance topographique requise en vertu des articles 38 et 39. Si, sur base d'une Ă©valuation des risques pertinents produite par l'exploitant, il est Ă©tabli que le CET n'est pas ou plus, par la nature des dĂ©chets admis, susceptible d'ĂȘtre le siĂšge de tassements significatifs, les conditions particuliĂšres peuvent adapter en consĂ©quence les exigences des articles 38 et 39. A tout le moins, l'exploitant est tenu de transmettre annuellement un rapport d'observations visuelles durant les pĂ©riodes d'exploitation et de post-gestion. Ce rapport est conservĂ© en annexe du registre visĂ© Ă l'article 25, alinĂ©a 6. "
" Art. 16. L'exploitant est tenu :
1° de réduire les nuisances et les dangers, tels que les émissions d'odeurs et de poussiÚres, des matériaux emportés par le vent, le bruit et les mouvements des véhicules, la formation d'aérosols, les incendies pouvant résulter de l'exploitation du CET;
2° d'assurer la maintenance et l'entretien optimal de tous les appareillages, installations et aménagements;
3° de garantir la stabilité des ouvrages et des installations;
4° d'assurer l'isolement, notamment hydraulique, esthétique et sécuritaire du CET;
5° sans prĂ©judice de l'article 46, § 2, dĂšs l'achĂšvement des dĂ©versements dans un secteur ou en cas d'inactivitĂ© d'un secteur d'une durĂ©e supĂ©rieure Ă un an sur, de procĂ©der Ă la mise en place de la couverture visĂ©e Ă l'annexe 1re, point 3, sauf si, sur la base d'une Ă©tude rĂ©alisĂ©e conformĂ©ment aux articles R. 178 Ă R. 180 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, les conditions particuliĂšres prĂ©cisent qu'il n'est pas nĂ©cessaire de recueillir et de traiter les lixiviats ou s'il a Ă©tĂ© Ă©tabli que le CET n'entraĂźne aucun risque potentiel pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface. A tout le moins, la couverture du CET se limite Ă une couche de terre de revĂȘtement d'Ă©paisseur Ă©gale ou supĂ©rieure Ă 1m sur laquelle il est procĂ©dĂ© au rĂ©amĂ©nagement vĂ©gĂ©tal;
6° dĂšs l'achĂšvement des dĂ©versements dans un secteur ou en cas d'inactivitĂ© d'un secteur d'une durĂ©e supĂ©rieure Ă un an sur, de mettre en place et d'exĂ©cuter la surveillance topographique requise en vertu des articles 38 et 39. Si, sur base d'une Ă©valuation des risques pertinents produite par l'exploitant, il est Ă©tabli que le CET n'est pas ou plus, par la nature des dĂ©chets admis, susceptible d'ĂȘtre le siĂšge de tassements significatifs, les conditions particuliĂšres peuvent adapter en consĂ©quence les exigences des articles 38 et 39. A tout le moins, l'exploitant est tenu de transmettre annuellement un rapport d'observations visuelles durant les pĂ©riodes d'exploitation et de post-gestion. Ce rapport est conservĂ© en annexe du registre visĂ© Ă l'article 25, alinĂ©a 6. "
Art. 9. In artikel 19 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in lid 1 wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
2° in lid 2 worden de woorden " Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar legt de bevoegde overheid de verdelging van ongedierte op " vervangen door de woorden " De bijzondere voorwaarden kunnen de verdelging van ongedierte opleggen ".
1° in lid 1 wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
2° in lid 2 worden de woorden " Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar legt de bevoegde overheid de verdelging van ongedierte op " vervangen door de woorden " De bijzondere voorwaarden kunnen de verdelging van ongedierte opleggen ".
Art. 9. A l'article 19 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au 1er alinéa, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
2° à l'alinéa 2, les mots " L'autorité compétente, à la demande du fonctionnaire chargé de la surveillance, impose " sont remplacés par les mots " Les conditions particuliÚres peuvent imposer ".
1° au 1er alinéa, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
2° à l'alinéa 2, les mots " L'autorité compétente, à la demande du fonctionnaire chargé de la surveillance, impose " sont remplacés par les mots " Les conditions particuliÚres peuvent imposer ".
Art. 10. In artikel 22 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de streepjes 1 tot en met 7 vervangen door volgende punten " 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7° ";
2° in § 1worden de woorden " van klasse 1, 2.1.a of 2.2 " toegevoegd aan de woorden " CET ";
3° in plaats van § 2, nietig verklaard bij arrest nr. 185.629 van de Raad van State, worden de paragrafen 2 tot en met 5 ingevoegd, luidend als volgt :
" § 2. Het technisch ingravingscentrum van klasse 3 wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1°, 3°, 4° en 7°, uitgerust is.
§ 3. Het technisch ingravingscentrum van klasse 4A wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1° en 7°, uitgerust is.
§ 4. Het technisch ingravingscentrum van klasse 4B wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1°, 2° en 7°, uitgerust is.
§ 5. Het technisch ingravingscentrum van klasse 5 wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie vastgesteld bij de bijzondere voorwaarden en waarvan de doeltreffendheid niet lager mag zijn dan die welke verkregen wordt door de invoering van de voorzieningen van § 1, 1°, 3° en 4°. ";
4° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
1° in § 1 worden de streepjes 1 tot en met 7 vervangen door volgende punten " 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7° ";
2° in § 1worden de woorden " van klasse 1, 2.1.a of 2.2 " toegevoegd aan de woorden " CET ";
3° in plaats van § 2, nietig verklaard bij arrest nr. 185.629 van de Raad van State, worden de paragrafen 2 tot en met 5 ingevoegd, luidend als volgt :
" § 2. Het technisch ingravingscentrum van klasse 3 wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1°, 3°, 4° en 7°, uitgerust is.
§ 3. Het technisch ingravingscentrum van klasse 4A wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1° en 7°, uitgerust is.
§ 4. Het technisch ingravingscentrum van klasse 4B wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie die minstens met de voorzieningen van § 1, 1°, 2° en 7°, uitgerust is.
§ 5. Het technisch ingravingscentrum van klasse 5 wordt voorzien van een dienst- en controle-installatie vastgesteld bij de bijzondere voorwaarden en waarvan de doeltreffendheid niet lager mag zijn dan die welke verkregen wordt door de invoering van de voorzieningen van § 1, 1°, 3° en 4°. ";
4° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
Art. 10. A l'article 22 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 1er, les tirets 1 à 7 sont remplacés par les points suivants " 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 7° ";
2° au § 1er, les mots " de classe 1, 2.1.a, 2.1.b ou 2.2 " sont ajoutés aprÚs le mot " CET ";
3° Ă la place du § 2 annulĂ© par l'arrĂȘt n° 185.629 du Conseil d'Etat, sont insĂ©rĂ©s les paragraphes 2 Ă 5 rĂ©digĂ©s comme suit :
" § 2. Le CET de classe 3 est doté d'une installation de service et de contrÎle comprenant au moins les dispositifs du § 1er, 1°, 3°, 4° et 7°.
§ 3. Le CET de classe 4A est doté d'une installation de service et de contrÎle comprenant au moins les dispositifs du § 1er, 1° et 7°.
§ 4. Le CET de classe 4B est doté d'une installation de service et de contrÎle comprenant au moins les dispositifs du § 1, 1°, 2° et 7°.
§ 5. Le CET de classe 5 est dotĂ© d'une installation de service et de contrĂŽle fixĂ©e par les conditions particuliĂšres et dont l'efficacitĂ© ne peut ĂȘtre infĂ©rieure Ă celle obtenue par la mise en place des dispositifs du § 1er, 1°, 3° et 4°. ";
4° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
1° au § 1er, les tirets 1 à 7 sont remplacés par les points suivants " 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 7° ";
2° au § 1er, les mots " de classe 1, 2.1.a, 2.1.b ou 2.2 " sont ajoutés aprÚs le mot " CET ";
3° Ă la place du § 2 annulĂ© par l'arrĂȘt n° 185.629 du Conseil d'Etat, sont insĂ©rĂ©s les paragraphes 2 Ă 5 rĂ©digĂ©s comme suit :
" § 2. Le CET de classe 3 est doté d'une installation de service et de contrÎle comprenant au moins les dispositifs du § 1er, 1°, 3°, 4° et 7°.
§ 3. Le CET de classe 4A est doté d'une installation de service et de contrÎle comprenant au moins les dispositifs du § 1er, 1° et 7°.
§ 4. Le CET de classe 4B est doté d'une installation de service et de contrÎle comprenant au moins les dispositifs du § 1, 1°, 2° et 7°.
§ 5. Le CET de classe 5 est dotĂ© d'une installation de service et de contrĂŽle fixĂ©e par les conditions particuliĂšres et dont l'efficacitĂ© ne peut ĂȘtre infĂ©rieure Ă celle obtenue par la mise en place des dispositifs du § 1er, 1°, 3° et 4°. ";
4° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
Art. 11. In artikel 23 van hetzelfde besluit wordt lid 1, gedeeltelijk nietig verklaard bij arrest van de Raad van State, vervangen door hetgeen volgt :
" De dagen en uren waarin afvalstoffen aanvaard mogen worden, worden in de bijzondere voorwaarden vastgelegd. ".
" De dagen en uren waarin afvalstoffen aanvaard mogen worden, worden in de bijzondere voorwaarden vastgelegd. ".
Art. 11. A l'article 23 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le 1er alinĂ©a partiellement annulĂ© par l'arrĂȘt du Conseil d'Etat, est remplacĂ© par ce qui suit :
" Les conditions particuliÚres fixent les jours et plages horaires durant lesquels peut avoir lieu l'acceptation des déchets. "
" Les conditions particuliÚres fixent les jours et plages horaires durant lesquels peut avoir lieu l'acceptation des déchets. "
Art. 12. In artikel 24 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
2° in § 1 worden in lid 1 de woorden " anders dan van klasse 4 of 5 " toegevoegd na het woord " CET ";
2° in § 2 worden de woorden " van een ander CET dan van klasse 4 of 5 " toegevoegd na het woord " exploitant ".
2° in § 1 worden in lid 1 de woorden " anders dan van klasse 4 of 5 " toegevoegd na het woord " CET ";
2° in § 2 worden de woorden " van een ander CET dan van klasse 4 of 5 " toegevoegd na het woord " exploitant ".
Art. 12. A l'article 24 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 1er, 1er alinéa, les mots " autre que de classe 4 ou 5 " sont ajoutés aprÚs le mot " CET ";
2° au § 2, les mots " d'un CET autre que de classe 4 ou 5 " sont ajoutés aprÚs les mots " L'exploitant ".
1° au § 1er, 1er alinéa, les mots " autre que de classe 4 ou 5 " sont ajoutés aprÚs le mot " CET ";
2° au § 2, les mots " d'un CET autre que de classe 4 ou 5 " sont ajoutés aprÚs les mots " L'exploitant ".
Art. 13. In artikel 25 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in lid 3 worden de woorden " van een CET van klasse 1, 2 of 3 " toegevoegd na het woord " exploitant ".
2° volgende leden worden toegevoegd :
" De exploitant van een CET' van klasse 4 of 5 tekent voor elke exploitatie in dat register op :
- het nemen van monsters en het in ontvangst nemen van protocollen betreffende de door de milieuvergunning opgelegde analyses;
- een beschrijvend verslag over elk voorval dat ongewoon is of dat de milieubescherming in gevaar zou kunnen brengen;
- een beschrijvend verslag over elk onderhoud, voorval, herstel i.v.m. het CET' en zijn bijgebouwen.
De informatie waaruit evenwel blijkt dat de fundamentele vereisten met het oog op een basisomschrijving van afvalstoffen ingevuld zijn, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage 3, evenals de uitslagen van proeven doorgevoerd voor het conformiteitsnazicht overeenkomstig punt 1.2 van bijlage 3 kunnen in een afzonderlijk register vermeld worden. Die informatie wordt door de exploitant bewaard tot na afloop van het nabeheer van het technisch ingravingscentrum en wordt tot dan op een in de bijzondere voorwaarden aangeduide vlot toegankelijke plaats ter beschikking gehouden van de ambtenaren belast met het nazicht. "
1° in lid 3 worden de woorden " van een CET van klasse 1, 2 of 3 " toegevoegd na het woord " exploitant ".
2° volgende leden worden toegevoegd :
" De exploitant van een CET' van klasse 4 of 5 tekent voor elke exploitatie in dat register op :
- het nemen van monsters en het in ontvangst nemen van protocollen betreffende de door de milieuvergunning opgelegde analyses;
- een beschrijvend verslag over elk voorval dat ongewoon is of dat de milieubescherming in gevaar zou kunnen brengen;
- een beschrijvend verslag over elk onderhoud, voorval, herstel i.v.m. het CET' en zijn bijgebouwen.
De informatie waaruit evenwel blijkt dat de fundamentele vereisten met het oog op een basisomschrijving van afvalstoffen ingevuld zijn, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage 3, evenals de uitslagen van proeven doorgevoerd voor het conformiteitsnazicht overeenkomstig punt 1.2 van bijlage 3 kunnen in een afzonderlijk register vermeld worden. Die informatie wordt door de exploitant bewaard tot na afloop van het nabeheer van het technisch ingravingscentrum en wordt tot dan op een in de bijzondere voorwaarden aangeduide vlot toegankelijke plaats ter beschikking gehouden van de ambtenaren belast met het nazicht. "
Art. 13. A l'article 25 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° à l'alinéa 3, les mots " d'un CET de classes 1, 2, ou 3 " sont ajoutés aprÚs les mots " L'exploitant ";
2° les alinéas suivants sont ajoutés :
" L'exploitant d'un CET de classes 4 ou 5 consigne dans ce registre, pour chaque jour d'exploitation :
- la prise d'échantillons et la réception des protocoles relatifs aux analyses imposées par le permis d'environnement;
- un rapport descriptif de tout événement inhabituel et ou susceptible de mettre en cause la protection de l'environnement;
- un rapport descriptif de tous les entretiens, incidents, réparations, 1/4c en rapport avec le CET et ses dépendances.
Toutefois, les informations Ă©tablissant que les exigences fondamentales en vue de la caractĂ©risation de base d'un dĂ©chet sont remplies, conformĂ©ment au point 1.1. de l'annexe 3 ainsi que les rĂ©sultats des essais rĂ©alisĂ©s pour la vĂ©rification de la conformitĂ© conformĂ©ment au point 1.2 de l'annexe 3 peuvent ĂȘtre repris dans un registre distinct. Ces informations sont conservĂ©es par l'exploitant jusqu'au terme de la post-gestion du CET et maintenues jusqu'Ă ce terme Ă la disposition du fonctionnaire chargĂ© de la surveillance en un endroit facilement accessible Ă ce dernier, dĂ©signĂ© par les conditions particuliĂšres. "
1° à l'alinéa 3, les mots " d'un CET de classes 1, 2, ou 3 " sont ajoutés aprÚs les mots " L'exploitant ";
2° les alinéas suivants sont ajoutés :
" L'exploitant d'un CET de classes 4 ou 5 consigne dans ce registre, pour chaque jour d'exploitation :
- la prise d'échantillons et la réception des protocoles relatifs aux analyses imposées par le permis d'environnement;
- un rapport descriptif de tout événement inhabituel et ou susceptible de mettre en cause la protection de l'environnement;
- un rapport descriptif de tous les entretiens, incidents, réparations, 1/4c en rapport avec le CET et ses dépendances.
Toutefois, les informations Ă©tablissant que les exigences fondamentales en vue de la caractĂ©risation de base d'un dĂ©chet sont remplies, conformĂ©ment au point 1.1. de l'annexe 3 ainsi que les rĂ©sultats des essais rĂ©alisĂ©s pour la vĂ©rification de la conformitĂ© conformĂ©ment au point 1.2 de l'annexe 3 peuvent ĂȘtre repris dans un registre distinct. Ces informations sont conservĂ©es par l'exploitant jusqu'au terme de la post-gestion du CET et maintenues jusqu'Ă ce terme Ă la disposition du fonctionnaire chargĂ© de la surveillance en un endroit facilement accessible Ă ce dernier, dĂ©signĂ© par les conditions particuliĂšres. "
Art. 14. Artikel 26 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 26. Als de afvalstoffen geweigerd worden, met name door de toepassing van de procedure voor de aanvaarding van de afvalstoffen omschreven in bijlage 3 of ten opzichte van de voorwaarden voor de milieuvergunning :
- noteert de exploitant op het vervoerformulier waarvan sprake in artikel 24 van dit besluit het inschrijvingsnummer van het voertuig en diens aangekondigde bestemming;
- licht er onverwijld per fax de burgemeesters over in van de gemeenten waar het technisch ingravingscentrum gevestigd is, de Dienst en de ambtenaar belast met het toezicht. "
" Art. 26. Als de afvalstoffen geweigerd worden, met name door de toepassing van de procedure voor de aanvaarding van de afvalstoffen omschreven in bijlage 3 of ten opzichte van de voorwaarden voor de milieuvergunning :
- noteert de exploitant op het vervoerformulier waarvan sprake in artikel 24 van dit besluit het inschrijvingsnummer van het voertuig en diens aangekondigde bestemming;
- licht er onverwijld per fax de burgemeesters over in van de gemeenten waar het technisch ingravingscentrum gevestigd is, de Dienst en de ambtenaar belast met het toezicht. "
Art. 14. L'article 26 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 26. En cas de refus du déchet, notamment suite à l'application de la procédure d'admission des déchets décrite à l'annexe 3 ou au regard des conditions afférentes au permis d'environnement, l'exploitant :
- note sur le bordereau, visĂ© Ă l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le numĂ©ro d'immatriculation du vĂ©hicule et sa destination annoncĂ©e;
- en informe sans délai par message télécopié les bourgmestres des communes d'implantation du CET, l'Office et le fonctionnaire chargé de la surveillance. "
" Art. 26. En cas de refus du déchet, notamment suite à l'application de la procédure d'admission des déchets décrite à l'annexe 3 ou au regard des conditions afférentes au permis d'environnement, l'exploitant :
- note sur le bordereau, visĂ© Ă l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le numĂ©ro d'immatriculation du vĂ©hicule et sa destination annoncĂ©e;
- en informe sans délai par message télécopié les bourgmestres des communes d'implantation du CET, l'Office et le fonctionnaire chargé de la surveillance. "
Art. 15. Artikel 28 van hetzelfde besluit, gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" Art. 28. Op grond van de gegevens verstrekt door de exploitant in zijn vergunningsaanvraag bepalen de bijzondere voorwaarden het materieel waarmee het technisch ingravingscentrum minstens uitgerust moet zijn, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het materieel dat permanent op de site aanwezig moet zijn en het materieel dat in een kort tijdsbestek beschikbaar gemaakt kan worden. "
" Art. 28. Op grond van de gegevens verstrekt door de exploitant in zijn vergunningsaanvraag bepalen de bijzondere voorwaarden het materieel waarmee het technisch ingravingscentrum minstens uitgerust moet zijn, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het materieel dat permanent op de site aanwezig moet zijn en het materieel dat in een kort tijdsbestek beschikbaar gemaakt kan worden. "
Art. 15. L'article 28 du mĂȘme arrĂȘtĂ© partiellement annulĂ© par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 28. Les conditions particuliĂšres, sur base des donnĂ©es fournies par l'exploitant dans sa demande de permis, dĂ©terminent le matĂ©riel dont le CET doit au moins ĂȘtre Ă©quipĂ© en distinguant le matĂ©riel qui doit ĂȘtre prĂ©sent en permanence sur le site et celui qui peut ĂȘtre mis Ă disposition dans un dĂ©lai rapprochĂ©. "
" Art. 28. Les conditions particuliĂšres, sur base des donnĂ©es fournies par l'exploitant dans sa demande de permis, dĂ©terminent le matĂ©riel dont le CET doit au moins ĂȘtre Ă©quipĂ© en distinguant le matĂ©riel qui doit ĂȘtre prĂ©sent en permanence sur le site et celui qui peut ĂȘtre mis Ă disposition dans un dĂ©lai rapprochĂ©. "
Art. 16. In artikel 31 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, lid 2, wordt de eerste volzin vervangen door de volgende :
" De exploitant deelt het omstandige opleidingsprogramma aan de technisch ambtenaar mee, evenals de lijst van de lesgevers en van het personeel dat de opleiding volgt ";
2° in § 3 worden de woorden " door de technische ambtenaar als gelijkwaardig beschouwd " vervangen door het woord " gelijkwaardig ".
1° in § 1, lid 2, wordt de eerste volzin vervangen door de volgende :
" De exploitant deelt het omstandige opleidingsprogramma aan de technisch ambtenaar mee, evenals de lijst van de lesgevers en van het personeel dat de opleiding volgt ";
2° in § 3 worden de woorden " door de technische ambtenaar als gelijkwaardig beschouwd " vervangen door het woord " gelijkwaardig ".
Art. 16. A l'article 31 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 1er, alinéa 2, la 1re phrase est remplacée par la phrase suivante :
" L'exploitant communique le programme détaillé de la formation ainsi que la liste des enseignants et du personnel qui la suit, au fonctionnaire technique ";
2° au § 3, le mot " jugé " est supprimé.
1° au § 1er, alinéa 2, la 1re phrase est remplacée par la phrase suivante :
" L'exploitant communique le programme détaillé de la formation ainsi que la liste des enseignants et du personnel qui la suit, au fonctionnaire technique ";
2° au § 3, le mot " jugé " est supprimé.
Art. 17. In artikel 33 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in lid 1 worden de items 1 en 2 vervangen door hetgeen volgt :
- de opdeling en de organisatie van het technisch ingravingscentrum in cellen en de klasse waarin elke cel is ondergebracht volgens de klassificering vermeld in artikel 3 van dit besluit;
- de lijst - codes en verwoordingen volgens de nomenclatuur van de catalogus - van de afvalstoffen die in elke soort cel verwerkt werden;
- de onderverdeling van de cellen in sectoren;
- de lokalisering van sectoren waarin abesthoudende afvalstoffen opgeslagen worden; ";
2° lid 2 wordt vervangen als volgt :
" Het exploitatieplan wordt om de twee jaar bijgehouden volgens dezelfde vereisten. Gelet op het specifiek karakter van de inrichting kunnen de bijzondere voorwaarden de frequentie aanpassen waarmee het exploitatieplan wordt bijgewerkt, zonder evenwel langer te mogen duren dan vijf jaar. "
1° in lid 1 worden de items 1 en 2 vervangen door hetgeen volgt :
- de opdeling en de organisatie van het technisch ingravingscentrum in cellen en de klasse waarin elke cel is ondergebracht volgens de klassificering vermeld in artikel 3 van dit besluit;
- de lijst - codes en verwoordingen volgens de nomenclatuur van de catalogus - van de afvalstoffen die in elke soort cel verwerkt werden;
- de onderverdeling van de cellen in sectoren;
- de lokalisering van sectoren waarin abesthoudende afvalstoffen opgeslagen worden; ";
2° lid 2 wordt vervangen als volgt :
" Het exploitatieplan wordt om de twee jaar bijgehouden volgens dezelfde vereisten. Gelet op het specifiek karakter van de inrichting kunnen de bijzondere voorwaarden de frequentie aanpassen waarmee het exploitatieplan wordt bijgewerkt, zonder evenwel langer te mogen duren dan vijf jaar. "
Art. 17. A l'article 33 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au 1er alinéa, les items 1 et 2 sont remplacés par ce qui suit :
" - le dĂ©coupage et l'organisation du CET en cellules et la classe de chacune d'elles selon la classification reprise Ă l'article 3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
- la liste - codes et libellés selon la nomenclature du catalogue - des déchets éliminés dans chaque type de cellules;
- le sous-découpage des cellules en secteurs;
- la localisation des secteurs destinés à accueillir les déchets contenant de l'amiante; ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le plan d'exploitation est actualisĂ© selon les mĂȘmes exigences tous les deux ans. Au vu de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement, les conditions particuliĂšres peuvent adapter la frĂ©quence d'actualisation du plan d'exploitation sans toutefois dĂ©passer cinq ans. "
1° au 1er alinéa, les items 1 et 2 sont remplacés par ce qui suit :
" - le dĂ©coupage et l'organisation du CET en cellules et la classe de chacune d'elles selon la classification reprise Ă l'article 3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
- la liste - codes et libellés selon la nomenclature du catalogue - des déchets éliminés dans chaque type de cellules;
- le sous-découpage des cellules en secteurs;
- la localisation des secteurs destinés à accueillir les déchets contenant de l'amiante; ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le plan d'exploitation est actualisĂ© selon les mĂȘmes exigences tous les deux ans. Au vu de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement, les conditions particuliĂšres peuvent adapter la frĂ©quence d'actualisation du plan d'exploitation sans toutefois dĂ©passer cinq ans. "
Art. 18. In artikel 35 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, lid 3, worden de woorden " kan de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar instemmen met " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden voorzien in ".
2° in § 3, lid 1, worden de woorden " kan de bevoegde overheid na advies van de toezichthoudende ambtenaar " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden ";
3° in § 3 wordt lid 2 gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, vervangen door hetgeen volgt :
" In dezelfde omstandigheden kunnen de bijzondere voorwaarden de invoering opleggen van een regeling voor geurvermindering of -absorptie d.m.v. gepaste producten en technieken.
Ze kunnen van de exploitant onderzoek en informatie vereisen. "
1° in § 2, lid 3, worden de woorden " kan de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar instemmen met " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden voorzien in ".
2° in § 3, lid 1, worden de woorden " kan de bevoegde overheid na advies van de toezichthoudende ambtenaar " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden ";
3° in § 3 wordt lid 2 gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, vervangen door hetgeen volgt :
" In dezelfde omstandigheden kunnen de bijzondere voorwaarden de invoering opleggen van een regeling voor geurvermindering of -absorptie d.m.v. gepaste producten en technieken.
Ze kunnen van de exploitant onderzoek en informatie vereisen. "
Art. 18. A l'article 35 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 2, alinéa 3, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique peut accepter " sont remplacés par les mots " les conditions particuliÚres peuvent prévoir ";
2° au § 3, 1er alinéa, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire chargé de la surveillance peut " sont remplacés par les mots " les conditions particuliÚres peuvent " et les mots " qu'il détermine " sont remplacés par les mots " qu'elles déterminent ";
3° au § 3, l'alinéa 2 partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Dans les mĂȘmes circonstances, les conditions particuliĂšres peuvent imposer la mise en place d'un dispositif d'abattement ou d'absorption des odeurs Ă l'aide de produits et de techniques appropriĂ©es.
Elles peuvent requérir toute étude et information de la part de l'exploitant. "
1° au § 2, alinéa 3, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique peut accepter " sont remplacés par les mots " les conditions particuliÚres peuvent prévoir ";
2° au § 3, 1er alinéa, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire chargé de la surveillance peut " sont remplacés par les mots " les conditions particuliÚres peuvent " et les mots " qu'il détermine " sont remplacés par les mots " qu'elles déterminent ";
3° au § 3, l'alinéa 2 partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Dans les mĂȘmes circonstances, les conditions particuliĂšres peuvent imposer la mise en place d'un dispositif d'abattement ou d'absorption des odeurs Ă l'aide de produits et de techniques appropriĂ©es.
Elles peuvent requérir toute étude et information de la part de l'exploitant. "
Art. 19. Artikel 36 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
" In voorkomend geval bepalen de bijzondere voorwaarden de voorwaarden voor de interne of externe benutting van de ingegraven afvalstoffen voor zover het milieubelang van die benutting door de exploitant wordt aangetoond. "
" In voorkomend geval bepalen de bijzondere voorwaarden de voorwaarden voor de interne of externe benutting van de ingegraven afvalstoffen voor zover het milieubelang van die benutting door de exploitant wordt aangetoond. "
Art. 19. A l'article 36 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le 1er alinĂ©a est complĂ©tĂ© comme suit :
" Le cas Ă©chĂ©ant, les conditions particuliĂšres fixent les conditions de valorisation interne ou externe des dĂ©chets enfouis pour autant que l'intĂ©rĂȘt environnemental de la valorisation soit dĂ©montrĂ© par l'exploitant. "
" Le cas Ă©chĂ©ant, les conditions particuliĂšres fixent les conditions de valorisation interne ou externe des dĂ©chets enfouis pour autant que l'intĂ©rĂȘt environnemental de la valorisation soit dĂ©montrĂ© par l'exploitant. "
Art. 20. Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk V van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Algemeen ".
Art. 20. L'intitulĂ© de la section 1re du chapitre V du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit : " GĂ©nĂ©ralitĂ©s ".
Art. 21. In artikel 44, lid 3, van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 56 " vervangen door de woorden " artikel 53, § 3 ".
Art. 21. A l'article 44, alinĂ©a 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " article 56 " sont remplacĂ©s par les mots " article 53, § 3 ".
Art. 22. In artikel 45, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° volgend lid wordt ingevoegd na lid 3 :
" De bronnen die vanuit hyrdogeologisch standpunt stroomafwaarts gelegen zijn van het technisch ingravingscentrum en die aangetast zouden kunnen worden, worden opgenomen in de regeling voor het toezicht op de waterlagen. ";
2° in lid 4, dat lid 5 wordt, worden de woorden " beveelt de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar de installatie van bijkomende piëzometers " vervangen door de woorden " of op grond van een intern interventieplan en plan voor de bescherming van het grondwater omschreven in de artikelen 56 en 57 leggen de bijzondere voorwaarden de installatie van bijkomende piëzometers op " en worden de woorden " waarvan laatstgenoemde de kenmerken bepaalt " vervangen door de woorden " waarvan zij de kenmerken bepalen ";
3° de laatste volzin wordt opgeheven.
1° volgend lid wordt ingevoegd na lid 3 :
" De bronnen die vanuit hyrdogeologisch standpunt stroomafwaarts gelegen zijn van het technisch ingravingscentrum en die aangetast zouden kunnen worden, worden opgenomen in de regeling voor het toezicht op de waterlagen. ";
2° in lid 4, dat lid 5 wordt, worden de woorden " beveelt de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar de installatie van bijkomende piëzometers " vervangen door de woorden " of op grond van een intern interventieplan en plan voor de bescherming van het grondwater omschreven in de artikelen 56 en 57 leggen de bijzondere voorwaarden de installatie van bijkomende piëzometers op " en worden de woorden " waarvan laatstgenoemde de kenmerken bepaalt " vervangen door de woorden " waarvan zij de kenmerken bepalen ";
3° de laatste volzin wordt opgeheven.
Art. 22. A l'article 45, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° l'alinéa suivant est inséré aprÚs l'alinéa 3 :
" Les sources situĂ©es en aval hydrogĂ©ologique direct du CET et susceptibles d'ĂȘtre affectĂ©es sont intĂ©grĂ©es au dispositif de surveillance des nappes. ";
2° à l'alinéa 4 qui devient l'alinéa 5, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique impose " sont remplacés par les mots " ou sur base du plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines défini aux articles 56 et 57, les conditions particuliÚres imposent " et les mots " il définit " sont remplacés par les mots " elles définissent ";
3° la derniÚre phrase est abrogée.
1° l'alinéa suivant est inséré aprÚs l'alinéa 3 :
" Les sources situĂ©es en aval hydrogĂ©ologique direct du CET et susceptibles d'ĂȘtre affectĂ©es sont intĂ©grĂ©es au dispositif de surveillance des nappes. ";
2° à l'alinéa 4 qui devient l'alinéa 5, les mots " l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique impose " sont remplacés par les mots " ou sur base du plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines défini aux articles 56 et 57, les conditions particuliÚres imposent " et les mots " il définit " sont remplacés par les mots " elles définissent ";
3° la derniÚre phrase est abrogée.
Art. 23. In artikel 46 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, lid 1, wordt vervangen als volgt :
" Het besmette water en de percolaten mogen niet als dusdanig buiten de site geloosd worden. Die vloeistoffen worden integraal opgevangen en zo spoedig mogelijk naar een behoorlijk vergund zuiveringsstation afgevoerd om er behandeld te worden. ";
2° in § 2 worden het tweede, derde en vierde lid opgeheven;
3° in § 2 wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
4° in § 2 worden de woorden " door de bevoegde overheid " vervangen door de woorden " door de bijzondere voorwaarden ";
5° in § 2 worden de woorden " na advies van de technisch ambtenaar " opgeheven;
6° in § 2 worden de woorden " de toezichthoudende ambtenaar waterbesproeiing toelaat of oplegt " vervangen door de woorden " de bijzondere voorwaarden waterbesproeiing toelaten of opleggen ";
7° § 6, gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" Alle kunstwerken uit cement, beton en gelijkgestelde stoffen die in contact kunnen komen met agressieve percolaten worden permanent afgedekt met een slijtvaste afdekking. ";
8° § 7, nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" § 7. Bovenvermelde bepalingen zijn niet van toepassing op de technische ingravingscentra en de cellen van klasse 3, 4A en 5.3. "
1° § 1, lid 1, wordt vervangen als volgt :
" Het besmette water en de percolaten mogen niet als dusdanig buiten de site geloosd worden. Die vloeistoffen worden integraal opgevangen en zo spoedig mogelijk naar een behoorlijk vergund zuiveringsstation afgevoerd om er behandeld te worden. ";
2° in § 2 worden het tweede, derde en vierde lid opgeheven;
3° in § 2 wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
4° in § 2 worden de woorden " door de bevoegde overheid " vervangen door de woorden " door de bijzondere voorwaarden ";
5° in § 2 worden de woorden " na advies van de technisch ambtenaar " opgeheven;
6° in § 2 worden de woorden " de toezichthoudende ambtenaar waterbesproeiing toelaat of oplegt " vervangen door de woorden " de bijzondere voorwaarden waterbesproeiing toelaten of opleggen ";
7° § 6, gedeeltelijk nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" Alle kunstwerken uit cement, beton en gelijkgestelde stoffen die in contact kunnen komen met agressieve percolaten worden permanent afgedekt met een slijtvaste afdekking. ";
8° § 7, nietig verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, wordt vervangen door hetgeen volgt :
" § 7. Bovenvermelde bepalingen zijn niet van toepassing op de technische ingravingscentra en de cellen van klasse 3, 4A en 5.3. "
Art. 23. A l'article 46 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° le § 1er, 1er alinéa, est remplacé par ce qui suit :
" Les eaux contaminĂ©es et les lixiviats ne peuvent pas ĂȘtre rejetĂ©s tels quels hors du site. Ces liquides sont intĂ©gralement collectĂ©s et conduits, dans les meilleurs dĂ©lais, vers une station d'Ă©puration dĂ»ment autorisĂ©e pour y ĂȘtre traitĂ©s. ";
2° au § 1er, les alinéas 2, 3 et 4 sont abrogés;
3° au § 2, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
4° au § 2, les mots " l'autorité compétente autorise " sont remplacés par les mots " les conditions particuliÚres autorisent ";
5° au § 2, les mots " aprÚs avoir recueilli l'avis du fonctionnaire technique " sont abrogés;
6° au § 2, les mots " le fonctionnaire chargé de la surveillance autorise ou impose " sont remplacés par les mots " les conditions particuliÚres autorisent ou imposent ";
7° le § 6 partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Tous les ouvrages en ciment, bĂ©ton et matiĂšres assimilĂ©es susceptibles d'entrer en contact avec des lixiviats agressifs sont recouverts de maniĂšre continue par un revĂȘtement inaltĂ©rable. ";
8° le § 7 annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" § 7. Les dispositions ci-dessus ne s'appliquent pas aux CET et cellules de classe 3, 4A et 5.3. "
1° le § 1er, 1er alinéa, est remplacé par ce qui suit :
" Les eaux contaminĂ©es et les lixiviats ne peuvent pas ĂȘtre rejetĂ©s tels quels hors du site. Ces liquides sont intĂ©gralement collectĂ©s et conduits, dans les meilleurs dĂ©lais, vers une station d'Ă©puration dĂ»ment autorisĂ©e pour y ĂȘtre traitĂ©s. ";
2° au § 1er, les alinéas 2, 3 et 4 sont abrogés;
3° au § 2, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
4° au § 2, les mots " l'autorité compétente autorise " sont remplacés par les mots " les conditions particuliÚres autorisent ";
5° au § 2, les mots " aprÚs avoir recueilli l'avis du fonctionnaire technique " sont abrogés;
6° au § 2, les mots " le fonctionnaire chargé de la surveillance autorise ou impose " sont remplacés par les mots " les conditions particuliÚres autorisent ou imposent ";
7° le § 6 partiellement annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" Tous les ouvrages en ciment, bĂ©ton et matiĂšres assimilĂ©es susceptibles d'entrer en contact avec des lixiviats agressifs sont recouverts de maniĂšre continue par un revĂȘtement inaltĂ©rable. ";
8° le § 7 annulé par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, est remplacé par ce qui suit :
" § 7. Les dispositions ci-dessus ne s'appliquent pas aux CET et cellules de classe 3, 4A et 5.3. "
Art. 24. De afdelingen 2, 3 en 4 van hoofdstuk V van hetzelfde besluit, waarvan de artikelen 57 en 58 gedeeltelijk nietig zijn verklaard bij advies nr. 185.629 van de Raad van State, worden vervangen door hetgeen volgt :
" Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden
Onderafdeling 1. - Voorwaarden voor het lozen in gewone oppervlaktewateren en kunstmatige afwateringskanalen
Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater of in kunstmatige afvloeiingswegen wordt geloosd voldoet aan de volgende voorwaarden : ",
1. de pH is niet hoger dan 10,5 of niet lager dan 6,5;
2. de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;
3. de biochemische zuurstofvraag in vijf dagen op 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 90 mg zuurstof per liter;
4. de zuurstofbehoefte in het geloosde water is niet hoger dan 300 mg/l;
5. het gehalte aan zwevende stoffen in het geloosde water is niet hoger dan 60 mg per liter;
6. het gehalte aan bezinkbare stoffen in het geloosde water bedraagt hoogstens 0.5 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);
7. het gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40 in het geloosde water is niet hoger dan 5 mg per liter;
8. het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 20 mg N/l tussen 1 mei en 31 oktober;
9. het gehalte aan ammoniumstikstof in het geloosde water is niet hoger dan 50 mg N/l tussen 1 november en 30 april;
10. het gehalte aan fenolen in het geloosde water is niet hoger dan 15 mg per liter;
11. het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden in het geloosde water is niet hoger dan 0.5 mg CN per liter;
12. het gehalte aan sulfuren en mercaptans in het geloosde water is niet hoger dan 5 mg S per liter;
13. het gehalte aan totaal chroom in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cr per liter;
14. het gehalte aan totaal zink in het geloosde water is niet hoger dan 4 mg Zn per liter;
15. het gehalte aan totaal lood in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Pb per liter;
16. het gehalte aan totaal nikkel in het geloosde water is niet hoger dan 2mg Ni per liter;
17. het gehalte aan totaal arseen in het geloosde water is niet hoger dan 0,15 mg As per liter;
18. het gehalte aan totaal koper in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cu per liter;
19. het gehalte aan totaal cadmium in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg Cd per liter;
20. het gehalte aan totaal kwik in het geloosde water is niet hoger dan 0,05 mg Hg per liter;
21. het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in het geloosde water is niet hoger dan 3 mg Cl per liter;
22. het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
23. het geloosde water is vrij van de stoffen bedoeld in de artikelen R. 131 tot R. 141 en de bijlagen I en VII van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en niet besproken in deze voorwaarden.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor het lozen in openbare rioleringen
Art. 48. Industrieel afvalwater dat in openbare rioleringen geloosd wordt voldoet aan de volgende voorwaarden :
1. de pH is niet hoger dan 10,5 of niet lager dan 6;
2. de temperatuur van het geloosde water bedraagt hoogstens 45 °C;
3. het gehalte aan zwevende stoffen in het geloosde water is niet hoger dan 1 000 mg per liter;
4. vanwege hun structuur mogen de zwevende deeltjes de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden;
5. de zwevende deeltjes mogen niet meer meten dan 10 mm;
6. het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 200 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);
7. het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg CN per liter;
8. het gehalte aan totaal chroom in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cr per liter;
9. het gehalte aan totaal zink in het geloosde water is niet hoger dan 4 mg Zn per liter;
10. het gehalte aan totaal lood in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Pb per liter;
11. het gehalte aan totaal nikkel in het geloosde water is niet hoger dan 2 mg Ni per liter;
12. het gehalte aan totaal arseen in het geloosde water is niet hoger dan 0,15 mg As per liter;
13. het gehalte aan totaal koper in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cu per liter;
14. het gehalte aan totaal cadmium in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg Cd per liter;
15. het gehalte aan totaal kwik in het geloosde water is niet hoger dan 0,05 mg Hg per liter;
16. het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in het geloosde water is niet hoger dan 3 mg Cl per liter;
17. het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;
18. het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;
19. het is verboden mechanisch vermaalde vaste stoffen te storten of water te lozen dat zulke stoffen bevat;
20. het gehalte aan fenolen in het geloosde water is niet hoger dan 2000 mg per liter;
21. het geloosde water is behoudens uitdrukkelijke machtiging vrij van de gevaarlijke stoffen bedoeld in de artikelen R.131 tot R.141 en in de bijlagen I en VII bij Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en niet besproken in deze voorwaarden.
Art. 49. § 1. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden afwijken van de chloridenormen (lozing in de rioleringen), afhankelijk van de buitengewone weersomstandigheden zoals vastgesteld door het Koninklijk Meteorolgisch Instituut van België.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden op grond van de voorgeschiedenis van de resultaten van de meetcampagnes en gelet op de specificiteit van de vaststelling op grond van criteria zoals het ontvangende watermilieu, het type behandeling van de percolaten of de geloosde watervolumes, de lijst wijzigen van de parameters bedoeld in de artikelen 47 en 48 als twee controles uitgevoerd met een tussentijd van zes maanden lagere resultaten opleveren dan de relevantiedrempels omschreven in bijlage 4C.
Afdeling 3. - Controles, zelfcontrole en toezicht
Onderafdeling 1. - Monsternemings- en analysemethodes
Art. 50. De uitbater en de toezichthoudend ambtenaar gebruiken referentiemethodes voor de monsterneming en de analyse van alle parameters bedoeld in de artikelen 47 tot en met 49 zoals vastgesteld door de Minister.
Art. 51. De meting van een " totaal metaal ", bedoeld in de artikelen 47 en 48, wordt uitgevoerd op grond van een niet-gefiltreerde staal met een zuurtegraad van pH2.
De kwantificatielimieten die bij die analyses toegepast worden, worden nader omschreven in de tabellen opgenomen in de bijlagen 4B en 4C.
Onderafdeling 2. - Gerichte monsternemingen
Art. 52. § 1. De data en de uren van de monsternemingen, vereist krachtens de artikelen 53 en 56, worden door de uitbater minstens vijf dagen op voorhand per faxbericht medegedeeld aan :
- de technisch ambtenaar;
- de toezichthoudend ambtenaar.
§ 2. Voor de monsterneming voor grondwater wordt, voor zover de doorlaatbaarheid van de grondwaterlaag dat mogelijk maakt, tijdens minstens één uur en hoedanook tot aan de stabilisering van het piëzometrisch niveau en de gemeten geleidbaarheid, water uit de grondwaterlaag gepompt met een gepast debiet.
§ 3. Op elk document waarin melding wordt gemaakt van de monsterneming wordt gewag gemaakt van :
- de datum, het uur van de monsterneming, evenals van de naam van degene die de monsterneming verricht heeft;
- de referentie en de juiste coördinaten van het monsternemingspunt (X, Y in Lambertcoördinaten en Z nationale hoogtemeting);
- iedere eventuele bijzondere waarneming.
Voor de monsternemingen in grondwater worden volgende gegevens eveneens medegedeeld :
- het piëzometrisch niveau;
- de diepte waarin de monsterneming is verricht;
- de variaties van het relatieve niveau, van de pH, van de temperatuur en de geleidbaarheid tijdens het oppompen van water.
Onderafdeling 3. - Controle en autocontrole van industrieel afvalwater, oppervlaktewater en percolaten
Art. 53. § 1. Tijdens de exploitatiefase worden driemaandelijks en tijdens de nabeheerfase worden zesmaandelijks op last van de exploitant door een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verricht van de niet-behandelde percolaten in het inzamelbekken of onmiddellijk stroomopwaarts ervan.
De analyses hebben betrekking op de terreinparameters vermeld in bijlage 4B.
Om de twee jaar worden de analyses uitgebreid naar de gezamenlijke toezichtparameters die overeenstemmen met de rubriek van het technisch ingravingscentrum vermeld in bijlage 4B. Er wordt eveneens een kwalitatieve evaluatie verricht van de aanwezige organische verbindingen met behulp van een chromatograaf in de gasfase, gekoppeld aan een massaspectrometer of een gelijkwaardig systeem, evenals een screening van de metalen per ICP.
§ 2. De uitbater laat een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verrichten van industrieel afvalwater op grond van de volgende parameters en frequenties :
- driemaandelijks voor de geleidbaarheidsparameters, de zwevende stoffen, de zuurstofbehoefte, DBO5, ammonium, nitraten, totale stikstof, fosfaten;
- zesmaandelijks voor de parameters chloride, sulfaten, arseen, chroom, koper, nikkel, lood, zink, ijzer, manganesium, gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40;
- jaarlijks voor de parameters cadmium, kwik, fenolgehalte, cyaniden, benzeen, naftaleen en EOX;
- jaarlijkse bepaling van de toxiciteit na 48u van Pseudokirchneriella subcapitata volgens ISO-norm 8692 - Waterkwaliteit Fresh water algal growth inhibition test with Scenedesmus subspicatus and Selenastrum capricornutum;
- jaarlijks : bepaling van de toxiciteit op lange termijn ten opzichte van Daphnia magna, gebaseerd op ISO norm 10706 (effect op de reproductie en mortaliteit in 21 d. of vereenvoudigde methode in 14 d); of bepaling van de remming van de mobiliteit van Daphnia magna Straus (Cladocera, Crustacea) - testmethode acute toxiciteit gegrond op ISO - norm 6341.
De bijzondere voorwaarden bepalen de nadere regels voor de tests die van toepassing zijn op de inrichting.
§ 3. De uitbater laat een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verrichten van industrieel oppervlaktewater stroomopwaarts en stroomafwaarts van de lozing van industrieel afvalwater op grond van de volgende parameters en frequenties :
- driemaandelijks voor de geleidbaarheidsparameters, de zwevende stoffen, de zuurstofbehoefte, DBO5, ammonium, nitraten, totale stikstof, fosfaten;
- zesmaandelijks voor de parameters chloride, sulfaten, arseen, chroom, koper, nikkel, lood, zink, ijzer, manganesium, gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40;
- jaarlijks voor de parameters cadmium, kwik, fenolgehalte, cyaniden, benzeen, naftaleen en EOX;
- zesmaandelijks, namelijk in maart en september : IDL test of diatomisch gehalte LECLERQ.
§ 4. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden, gelet op de voorgeschiedenis van de resultaten of wegens de specificiteit van de inrichting op grond van criteria zoals het ontvangende watermilieu, het soort behandeling van de percolaten of het volume geloosde water, de lijst wijzigen van de parameters die geanalyseerd moeten worden, evenals de frequentie van de monsternemingen en de analyse bepaald in de §§ 1 tot en met 3.
Art. 54. § 1. Behalve de inrichtingen van klasse 3 en klasse 5.3. voert de exploitant wekelijks monsternemingen en analyses uit om na te gaan of de voorwaarden voor de lozing van afvalwater zoals bedoeld in de artikelen 47 en 48 nageleefd worden en of de zuiveringsinstallaties correct functioneren. De analyses hebben betrekking op de parameters van de zuurstofbehoefte en de ammoniumstikstof.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden wegens de specificiteit van de inrichting, op grond van criteria zoals het ontvangend watermilieu, de soort behandeling van percolaten of het volume geloosde water, de lijst wijzigen van de parameters die geanalyseerd moeten worden, alsook de frequentie van de monsternemingen en analyses.
Art. 55. § 1. Het geloosde industrieel afvalwater wordt afgevoerd via een controlevoorziening die aan de volgende vereisten voldoet :
Voor de inrichtingen van klasse 3 en klasse 5.3 :
1. ervoor zorgen dat de stalen in verhouding tot het debiet van het geloosde water vlot genomen kunnen worden;
2. op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar het nemen van monsters mogelijk maken;
3. vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;
4. geĂŻnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit;
Voor de overige inrichtingen :
1. ervoor zorgen dat de stalen in verhouding tot het debiet van het geloosde water vlot genomen kunnen worden;
2. op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar het nemen van monsters mogelijk maken;
3. vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;
4. geĂŻnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit;
5. de waarde van de afvoerstroom, uitgedrukt in l/sec en/of m3/u, van de pH, van de geleidbaarheid, van de temperatuur en van de zuurstofbehoefte onmiddellijk aangeven;
6. permanent de waarde van het dagvolume, uitgedrukt in m3/d, van de pH, van de temperatuur, van de zuurstofbehoefte en van de geleidbaarheid registreren, en dit in een minimumtijdsbestek van uur per uur;
7. het automatisch nemen van stalen die in verhouding zijn tot het gemeten debiet van het tijdens 24 uur geloosde water en de bewaring ervan gedurende 48 uur.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden wegens de specificiteit van de inrichting, op grond van criteria zoals het ontvangend watermilieu, de soort behandeling van percolaten of het volume geloosde water, de controlevoorziening wijzigen.
Onderafdeling 4. - Controle van het grondwater
Art. 56. § 1. Het toezicht op het grondwater wordt gevoerd volgens de procedure omschreven in bijlage 4A.
De traceer- en toezichtparameters zijn vermeld in de tabel opgenomen in bijlage 4B.
Voor de technische ingravingscentra van klasse 5.1, 5.2 en 5.3 worden de te analyseren parameters door de bijzondere voorwaarden onder de parameters opgelijst voor de technische ingravinsgcentra van klasse 1 of 2 vastgesteld in functie van de specificiteit van het betrokken ingravingscentrum.
§ 2. Op de traceerparameters wordt een routinemonitoring uitgevoerd met een zesmaandelijkse frequentie tijdens de maanden maart en september voor het grondwater van de piëzometers en de bronnen.
Om de twee jaar en voor het eerst tijdens de eerste toezichtscampagne worden de analyses uitgebreid naar de gezamenlijke toezichtsparameters om de eventuele evolutie van de kenmerken bij de emissie van het technisch ingravingscentrum op te sporen.
De stalen en de analyses worden door een erkend laboratorium uitgevoerd overeenkomstig het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer.
De bijzondere voorwaarden kunnen, gelet op de specificiteit van bepaalde sites wat betreft de snelheid van de afvoer van het grondwater, de frequentie van de monsternemingen en de analyses wijzigen, met inachtneming evenwel van het minimum van één monsterneming en één analyse per jaar.
De bijzondere voorwaarden kunnen, gelet op de voorgeschiedenis van de resultaten en de kenmerken van de afvalstoffen, de lijst van de te analyseren parameters wijzigen met uitzondering van de traceerparameters en de terreinparameters. Van de meting van een bepaalde parameter kan evenwel enkel afgezien worden tijdens een periode van hoogstens zes jaar op voorwaarde dat twee controles, uitgevoerd met een tussentijd van zes maanden, lagere resultaten opleveren dan de VR referentiewaarden voor het grondwater van bijlage 1 bij het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer of, bij ontstentenis van de referentiewaarden :
- voor de parameters mineraalvorming en zoutgehalte : dan P65 van de grondwaterlagen, vermeld in de tabel van bijlage 4B;
- voor de overige parameters : dan de kwantificatiegrens LOQ, vermeld in de tabel van bijlage 4B.
§ 3. Tijdens die monitoring wordt bij overschrijding van een waakzaamheidsdrempel zoals door het erkende laboratorium gemeten en, bij betwisting door de exploitant, bevestigd door een tegensprekelijke analyse uitgevoerd in twee andere erkende laboratoria, een verhoogde controle ingevoerd die het opgespoorde probleem beoogt als de verhouding tussen de concentraties stroomafwaarts en stroomopwaarts hoger is dan drie.
De nadere regels voor die controle (afnamepunten, duur, frequentie, parameters) worden in overleg vastgesteld met de toezichthoudend ambtenaar binnen de dertig dagen volgend op de bevestiging van die overschrijding.
§ 4. Als de verhoogde controle aantoont dat de opgespoorde overschrijding niet toe te schrijven is aan een persistente endogene besmetting en besluit dat het risico afwezig is, wordt weer overgeschakeld op de routinemonitoring zoals aangepast aan het opgespoorde probleem.
Als de verhoogde controle aantoont dat er een persistente endogene besmetting bestaat of als die controle onvoldoende is om tot het niet-bestaan van het risico te besluiten, wordt het interventieplan onmiddellijk in werking gesteld en de uitbater legt de bevoegde overheid een intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan voor binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de aanvraag uitgedrukt door de technisch ambtenaar.
Art. 57. § 1. Het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan bevat een onderzoek naar de kenmerken en de afbakening van de vervuilende laag, uitgevoerd door een erkend deskundige overeenkomstig het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer. Het beoogt eveneens rekening te houden met de plaatselijke geochemische ondergrond en de eventuele exogene of historische besmettingen.
§ 2. Het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan beoordeelt de onderkende risico's voor de recipiënten en stelt, rekening houdend met alle specifieke plaatselijke, aldus omschreven kenmerken, uitbreidingen voor van het toezichtsnet, evenals met de bijzondere waarden voor het in actie treden van de parameters opgegeven in de tabel in bijlage 4B, rekening houdend met de specifieke hydrogeologische formaties op de site van het technisch ingravingscentrum. Het geeft ten slote de correctiemaatregelen aan die de uitbater beoogt te treffen bij overschrijding van die drempels.
§ 3. De bevoegde overheid beslist na advies van de technisch ambtenaar over de geledigheid van het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan uiterlijk zestig dagen na ontvangst van dat advies. Ze bekrachtigt de bijzondere waarden van de actiedrempels voor elke piëzometer van het toezichtsnetwerk en stelt het programma van correctiemaatregelen vast.
§ 4. Als de waarde van een actiedrempel overschreden wordt, voert de uitbater het programma van de correctiemaatregelen uit om de concentraties in het grondwater op duurzame wijze terug te brengen naar waarden onder de actiedrempels.
Onderafdeling 5. - Analyseverslagen
Art. 58. § 1. De resultaten van de controle- en zelfcontroleanalyses worden op papieren en elektronische informatiedragers opgeslaan en gedurende vijf jaar bewaard op de exploitatiezetel. De toezichthoudend ambtenaar krijgt ze binnen 24 uur nadat hij erom verzocht heeft, ter beschikking.
§ 2. De krachtens dit hoofdstuk vereiste analysecertificaten worden bij het register gevoegd bedoeld in artikel 25 van dit besluit. Ze worden door de verantwoordelijke van het erkende laboratorium ondertekend.
§ 3. Op elk analysecertificaat worden voor elke gemeten parameter vermeld :
- de waakzaamheids- en actiedrempels van de parameters vermeld in bijlage 4B voor wat betreft het grondwater;
- de parameters voor de lozingsvoorwaarden vastgesteld in de vergunning voor wat betreft het industrieel afvalwater;
- de milieukwaliteitsnormen voor wat betreft de oppervlaktewateren.
Art. 58bis. Jaarlijks wordt er door de uitbater een verslag overgemaakt aan de technisch ambtenaar, de toezichthoudend ambtenaar, de bevoegde ambtenaar van het Departement Leefmilieu en Water, evenals aan de burgemeesters van de gemeenten waar er technische ingravingscentra gevestigd zijn.
Dat verslag bevat minstens :
1. de analysecertificaten bedoeld in de artikelen 53 en 56 van dit besluit;
2. de resultaten van de analyses, die verzameld zijn in vorm van;
- een cijfertabel waarin de plaatsen en de data van de monsternemingen, de parameters en, in voorkomend geval, de codes van de parameters van bijlage 4B vermeld zijn, evenals de waakzaamheids- en de actiedrempels;
- grafieken waarin de tijdens de laatste vijf jaar waargenomen resultaten systematisch vermeld worden.
Om de zes maanden wordt de informaticaversie van die tabel eveneens elektronisch overgemaakt aan de bevoegde ambtenaar van het Departement Leefmilieu en Water;
3. de protocollen van de monsternemingen van grondwater, evenals de geregistreerde waarden voor de schommeling van de grondwaterlagen, vastgesteld in functie van de bepalingen van artikel 45, § 1, van dit besluit;
4. de gegevens geregistreerd voor de werking van het zuiveringsstation, vastgesteld in functie van de bepalingen van artikel 55 van dit besluit, met name de maandelijkse vastgestelde percolaatvolumes op grond van de voorzieningen die de uitbater opgesteld heeft. Die maandelijkse volumes worden cumulatief voorgesteld op grafieken op de gepaste schaal. ".
" Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden
Onderafdeling 1. - Voorwaarden voor het lozen in gewone oppervlaktewateren en kunstmatige afwateringskanalen
Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater of in kunstmatige afvloeiingswegen wordt geloosd voldoet aan de volgende voorwaarden : ",
1. de pH is niet hoger dan 10,5 of niet lager dan 6,5;
2. de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;
3. de biochemische zuurstofvraag in vijf dagen op 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 90 mg zuurstof per liter;
4. de zuurstofbehoefte in het geloosde water is niet hoger dan 300 mg/l;
5. het gehalte aan zwevende stoffen in het geloosde water is niet hoger dan 60 mg per liter;
6. het gehalte aan bezinkbare stoffen in het geloosde water bedraagt hoogstens 0.5 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);
7. het gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40 in het geloosde water is niet hoger dan 5 mg per liter;
8. het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 20 mg N/l tussen 1 mei en 31 oktober;
9. het gehalte aan ammoniumstikstof in het geloosde water is niet hoger dan 50 mg N/l tussen 1 november en 30 april;
10. het gehalte aan fenolen in het geloosde water is niet hoger dan 15 mg per liter;
11. het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden in het geloosde water is niet hoger dan 0.5 mg CN per liter;
12. het gehalte aan sulfuren en mercaptans in het geloosde water is niet hoger dan 5 mg S per liter;
13. het gehalte aan totaal chroom in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cr per liter;
14. het gehalte aan totaal zink in het geloosde water is niet hoger dan 4 mg Zn per liter;
15. het gehalte aan totaal lood in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Pb per liter;
16. het gehalte aan totaal nikkel in het geloosde water is niet hoger dan 2mg Ni per liter;
17. het gehalte aan totaal arseen in het geloosde water is niet hoger dan 0,15 mg As per liter;
18. het gehalte aan totaal koper in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cu per liter;
19. het gehalte aan totaal cadmium in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg Cd per liter;
20. het gehalte aan totaal kwik in het geloosde water is niet hoger dan 0,05 mg Hg per liter;
21. het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in het geloosde water is niet hoger dan 3 mg Cl per liter;
22. het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen;
23. het geloosde water is vrij van de stoffen bedoeld in de artikelen R. 131 tot R. 141 en de bijlagen I en VII van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en niet besproken in deze voorwaarden.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor het lozen in openbare rioleringen
Art. 48. Industrieel afvalwater dat in openbare rioleringen geloosd wordt voldoet aan de volgende voorwaarden :
1. de pH is niet hoger dan 10,5 of niet lager dan 6;
2. de temperatuur van het geloosde water bedraagt hoogstens 45 °C;
3. het gehalte aan zwevende stoffen in het geloosde water is niet hoger dan 1 000 mg per liter;
4. vanwege hun structuur mogen de zwevende deeltjes de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden;
5. de zwevende deeltjes mogen niet meer meten dan 10 mm;
6. het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 200 ml per liter (tijdens een statische bezinking van 2 uren);
7. het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg CN per liter;
8. het gehalte aan totaal chroom in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cr per liter;
9. het gehalte aan totaal zink in het geloosde water is niet hoger dan 4 mg Zn per liter;
10. het gehalte aan totaal lood in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Pb per liter;
11. het gehalte aan totaal nikkel in het geloosde water is niet hoger dan 2 mg Ni per liter;
12. het gehalte aan totaal arseen in het geloosde water is niet hoger dan 0,15 mg As per liter;
13. het gehalte aan totaal koper in het geloosde water is niet hoger dan 1 mg Cu per liter;
14. het gehalte aan totaal cadmium in het geloosde water is niet hoger dan 0,5 mg Cd per liter;
15. het gehalte aan totaal kwik in het geloosde water is niet hoger dan 0,05 mg Hg per liter;
16. het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in het geloosde water is niet hoger dan 3 mg Cl per liter;
17. het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;
18. het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;
19. het is verboden mechanisch vermaalde vaste stoffen te storten of water te lozen dat zulke stoffen bevat;
20. het gehalte aan fenolen in het geloosde water is niet hoger dan 2000 mg per liter;
21. het geloosde water is behoudens uitdrukkelijke machtiging vrij van de gevaarlijke stoffen bedoeld in de artikelen R.131 tot R.141 en in de bijlagen I en VII bij Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en niet besproken in deze voorwaarden.
Art. 49. § 1. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden afwijken van de chloridenormen (lozing in de rioleringen), afhankelijk van de buitengewone weersomstandigheden zoals vastgesteld door het Koninklijk Meteorolgisch Instituut van België.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden op grond van de voorgeschiedenis van de resultaten van de meetcampagnes en gelet op de specificiteit van de vaststelling op grond van criteria zoals het ontvangende watermilieu, het type behandeling van de percolaten of de geloosde watervolumes, de lijst wijzigen van de parameters bedoeld in de artikelen 47 en 48 als twee controles uitgevoerd met een tussentijd van zes maanden lagere resultaten opleveren dan de relevantiedrempels omschreven in bijlage 4C.
Afdeling 3. - Controles, zelfcontrole en toezicht
Onderafdeling 1. - Monsternemings- en analysemethodes
Art. 50. De uitbater en de toezichthoudend ambtenaar gebruiken referentiemethodes voor de monsterneming en de analyse van alle parameters bedoeld in de artikelen 47 tot en met 49 zoals vastgesteld door de Minister.
Art. 51. De meting van een " totaal metaal ", bedoeld in de artikelen 47 en 48, wordt uitgevoerd op grond van een niet-gefiltreerde staal met een zuurtegraad van pH2.
De kwantificatielimieten die bij die analyses toegepast worden, worden nader omschreven in de tabellen opgenomen in de bijlagen 4B en 4C.
Onderafdeling 2. - Gerichte monsternemingen
Art. 52. § 1. De data en de uren van de monsternemingen, vereist krachtens de artikelen 53 en 56, worden door de uitbater minstens vijf dagen op voorhand per faxbericht medegedeeld aan :
- de technisch ambtenaar;
- de toezichthoudend ambtenaar.
§ 2. Voor de monsterneming voor grondwater wordt, voor zover de doorlaatbaarheid van de grondwaterlaag dat mogelijk maakt, tijdens minstens één uur en hoedanook tot aan de stabilisering van het piëzometrisch niveau en de gemeten geleidbaarheid, water uit de grondwaterlaag gepompt met een gepast debiet.
§ 3. Op elk document waarin melding wordt gemaakt van de monsterneming wordt gewag gemaakt van :
- de datum, het uur van de monsterneming, evenals van de naam van degene die de monsterneming verricht heeft;
- de referentie en de juiste coördinaten van het monsternemingspunt (X, Y in Lambertcoördinaten en Z nationale hoogtemeting);
- iedere eventuele bijzondere waarneming.
Voor de monsternemingen in grondwater worden volgende gegevens eveneens medegedeeld :
- het piëzometrisch niveau;
- de diepte waarin de monsterneming is verricht;
- de variaties van het relatieve niveau, van de pH, van de temperatuur en de geleidbaarheid tijdens het oppompen van water.
Onderafdeling 3. - Controle en autocontrole van industrieel afvalwater, oppervlaktewater en percolaten
Art. 53. § 1. Tijdens de exploitatiefase worden driemaandelijks en tijdens de nabeheerfase worden zesmaandelijks op last van de exploitant door een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verricht van de niet-behandelde percolaten in het inzamelbekken of onmiddellijk stroomopwaarts ervan.
De analyses hebben betrekking op de terreinparameters vermeld in bijlage 4B.
Om de twee jaar worden de analyses uitgebreid naar de gezamenlijke toezichtparameters die overeenstemmen met de rubriek van het technisch ingravingscentrum vermeld in bijlage 4B. Er wordt eveneens een kwalitatieve evaluatie verricht van de aanwezige organische verbindingen met behulp van een chromatograaf in de gasfase, gekoppeld aan een massaspectrometer of een gelijkwaardig systeem, evenals een screening van de metalen per ICP.
§ 2. De uitbater laat een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verrichten van industrieel afvalwater op grond van de volgende parameters en frequenties :
- driemaandelijks voor de geleidbaarheidsparameters, de zwevende stoffen, de zuurstofbehoefte, DBO5, ammonium, nitraten, totale stikstof, fosfaten;
- zesmaandelijks voor de parameters chloride, sulfaten, arseen, chroom, koper, nikkel, lood, zink, ijzer, manganesium, gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40;
- jaarlijks voor de parameters cadmium, kwik, fenolgehalte, cyaniden, benzeen, naftaleen en EOX;
- jaarlijkse bepaling van de toxiciteit na 48u van Pseudokirchneriella subcapitata volgens ISO-norm 8692 - Waterkwaliteit Fresh water algal growth inhibition test with Scenedesmus subspicatus and Selenastrum capricornutum;
- jaarlijks : bepaling van de toxiciteit op lange termijn ten opzichte van Daphnia magna, gebaseerd op ISO norm 10706 (effect op de reproductie en mortaliteit in 21 d. of vereenvoudigde methode in 14 d); of bepaling van de remming van de mobiliteit van Daphnia magna Straus (Cladocera, Crustacea) - testmethode acute toxiciteit gegrond op ISO - norm 6341.
De bijzondere voorwaarden bepalen de nadere regels voor de tests die van toepassing zijn op de inrichting.
§ 3. De uitbater laat een erkend laboratorium monsternemingen en analyses verrichten van industrieel oppervlaktewater stroomopwaarts en stroomafwaarts van de lozing van industrieel afvalwater op grond van de volgende parameters en frequenties :
- driemaandelijks voor de geleidbaarheidsparameters, de zwevende stoffen, de zuurstofbehoefte, DBO5, ammonium, nitraten, totale stikstof, fosfaten;
- zesmaandelijks voor de parameters chloride, sulfaten, arseen, chroom, koper, nikkel, lood, zink, ijzer, manganesium, gehalte aan koolwaterstoffen C10-C40;
- jaarlijks voor de parameters cadmium, kwik, fenolgehalte, cyaniden, benzeen, naftaleen en EOX;
- zesmaandelijks, namelijk in maart en september : IDL test of diatomisch gehalte LECLERQ.
§ 4. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden, gelet op de voorgeschiedenis van de resultaten of wegens de specificiteit van de inrichting op grond van criteria zoals het ontvangende watermilieu, het soort behandeling van de percolaten of het volume geloosde water, de lijst wijzigen van de parameters die geanalyseerd moeten worden, evenals de frequentie van de monsternemingen en de analyse bepaald in de §§ 1 tot en met 3.
Art. 54. § 1. Behalve de inrichtingen van klasse 3 en klasse 5.3. voert de exploitant wekelijks monsternemingen en analyses uit om na te gaan of de voorwaarden voor de lozing van afvalwater zoals bedoeld in de artikelen 47 en 48 nageleefd worden en of de zuiveringsinstallaties correct functioneren. De analyses hebben betrekking op de parameters van de zuurstofbehoefte en de ammoniumstikstof.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden wegens de specificiteit van de inrichting, op grond van criteria zoals het ontvangend watermilieu, de soort behandeling van percolaten of het volume geloosde water, de lijst wijzigen van de parameters die geanalyseerd moeten worden, alsook de frequentie van de monsternemingen en analyses.
Art. 55. § 1. Het geloosde industrieel afvalwater wordt afgevoerd via een controlevoorziening die aan de volgende vereisten voldoet :
Voor de inrichtingen van klasse 3 en klasse 5.3 :
1. ervoor zorgen dat de stalen in verhouding tot het debiet van het geloosde water vlot genomen kunnen worden;
2. op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar het nemen van monsters mogelijk maken;
3. vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;
4. geĂŻnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit;
Voor de overige inrichtingen :
1. ervoor zorgen dat de stalen in verhouding tot het debiet van het geloosde water vlot genomen kunnen worden;
2. op verzoek of op initiatief van de toezichthoudende ambtenaar het nemen van monsters mogelijk maken;
3. vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;
4. geĂŻnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit;
5. de waarde van de afvoerstroom, uitgedrukt in l/sec en/of m3/u, van de pH, van de geleidbaarheid, van de temperatuur en van de zuurstofbehoefte onmiddellijk aangeven;
6. permanent de waarde van het dagvolume, uitgedrukt in m3/d, van de pH, van de temperatuur, van de zuurstofbehoefte en van de geleidbaarheid registreren, en dit in een minimumtijdsbestek van uur per uur;
7. het automatisch nemen van stalen die in verhouding zijn tot het gemeten debiet van het tijdens 24 uur geloosde water en de bewaring ervan gedurende 48 uur.
§ 2. Onverminderd artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen de bijzondere voorwaarden wegens de specificiteit van de inrichting, op grond van criteria zoals het ontvangend watermilieu, de soort behandeling van percolaten of het volume geloosde water, de controlevoorziening wijzigen.
Onderafdeling 4. - Controle van het grondwater
Art. 56. § 1. Het toezicht op het grondwater wordt gevoerd volgens de procedure omschreven in bijlage 4A.
De traceer- en toezichtparameters zijn vermeld in de tabel opgenomen in bijlage 4B.
Voor de technische ingravingscentra van klasse 5.1, 5.2 en 5.3 worden de te analyseren parameters door de bijzondere voorwaarden onder de parameters opgelijst voor de technische ingravinsgcentra van klasse 1 of 2 vastgesteld in functie van de specificiteit van het betrokken ingravingscentrum.
§ 2. Op de traceerparameters wordt een routinemonitoring uitgevoerd met een zesmaandelijkse frequentie tijdens de maanden maart en september voor het grondwater van de piëzometers en de bronnen.
Om de twee jaar en voor het eerst tijdens de eerste toezichtscampagne worden de analyses uitgebreid naar de gezamenlijke toezichtsparameters om de eventuele evolutie van de kenmerken bij de emissie van het technisch ingravingscentrum op te sporen.
De stalen en de analyses worden door een erkend laboratorium uitgevoerd overeenkomstig het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer.
De bijzondere voorwaarden kunnen, gelet op de specificiteit van bepaalde sites wat betreft de snelheid van de afvoer van het grondwater, de frequentie van de monsternemingen en de analyses wijzigen, met inachtneming evenwel van het minimum van één monsterneming en één analyse per jaar.
De bijzondere voorwaarden kunnen, gelet op de voorgeschiedenis van de resultaten en de kenmerken van de afvalstoffen, de lijst van de te analyseren parameters wijzigen met uitzondering van de traceerparameters en de terreinparameters. Van de meting van een bepaalde parameter kan evenwel enkel afgezien worden tijdens een periode van hoogstens zes jaar op voorwaarde dat twee controles, uitgevoerd met een tussentijd van zes maanden, lagere resultaten opleveren dan de VR referentiewaarden voor het grondwater van bijlage 1 bij het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer of, bij ontstentenis van de referentiewaarden :
- voor de parameters mineraalvorming en zoutgehalte : dan P65 van de grondwaterlagen, vermeld in de tabel van bijlage 4B;
- voor de overige parameters : dan de kwantificatiegrens LOQ, vermeld in de tabel van bijlage 4B.
§ 3. Tijdens die monitoring wordt bij overschrijding van een waakzaamheidsdrempel zoals door het erkende laboratorium gemeten en, bij betwisting door de exploitant, bevestigd door een tegensprekelijke analyse uitgevoerd in twee andere erkende laboratoria, een verhoogde controle ingevoerd die het opgespoorde probleem beoogt als de verhouding tussen de concentraties stroomafwaarts en stroomopwaarts hoger is dan drie.
De nadere regels voor die controle (afnamepunten, duur, frequentie, parameters) worden in overleg vastgesteld met de toezichthoudend ambtenaar binnen de dertig dagen volgend op de bevestiging van die overschrijding.
§ 4. Als de verhoogde controle aantoont dat de opgespoorde overschrijding niet toe te schrijven is aan een persistente endogene besmetting en besluit dat het risico afwezig is, wordt weer overgeschakeld op de routinemonitoring zoals aangepast aan het opgespoorde probleem.
Als de verhoogde controle aantoont dat er een persistente endogene besmetting bestaat of als die controle onvoldoende is om tot het niet-bestaan van het risico te besluiten, wordt het interventieplan onmiddellijk in werking gesteld en de uitbater legt de bevoegde overheid een intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan voor binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de aanvraag uitgedrukt door de technisch ambtenaar.
Art. 57. § 1. Het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan bevat een onderzoek naar de kenmerken en de afbakening van de vervuilende laag, uitgevoerd door een erkend deskundige overeenkomstig het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer. Het beoogt eveneens rekening te houden met de plaatselijke geochemische ondergrond en de eventuele exogene of historische besmettingen.
§ 2. Het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan beoordeelt de onderkende risico's voor de recipiënten en stelt, rekening houdend met alle specifieke plaatselijke, aldus omschreven kenmerken, uitbreidingen voor van het toezichtsnet, evenals met de bijzondere waarden voor het in actie treden van de parameters opgegeven in de tabel in bijlage 4B, rekening houdend met de specifieke hydrogeologische formaties op de site van het technisch ingravingscentrum. Het geeft ten slote de correctiemaatregelen aan die de uitbater beoogt te treffen bij overschrijding van die drempels.
§ 3. De bevoegde overheid beslist na advies van de technisch ambtenaar over de geledigheid van het intern interventie- en grondwaterbeschermingsplan uiterlijk zestig dagen na ontvangst van dat advies. Ze bekrachtigt de bijzondere waarden van de actiedrempels voor elke piëzometer van het toezichtsnetwerk en stelt het programma van correctiemaatregelen vast.
§ 4. Als de waarde van een actiedrempel overschreden wordt, voert de uitbater het programma van de correctiemaatregelen uit om de concentraties in het grondwater op duurzame wijze terug te brengen naar waarden onder de actiedrempels.
Onderafdeling 5. - Analyseverslagen
Art. 58. § 1. De resultaten van de controle- en zelfcontroleanalyses worden op papieren en elektronische informatiedragers opgeslaan en gedurende vijf jaar bewaard op de exploitatiezetel. De toezichthoudend ambtenaar krijgt ze binnen 24 uur nadat hij erom verzocht heeft, ter beschikking.
§ 2. De krachtens dit hoofdstuk vereiste analysecertificaten worden bij het register gevoegd bedoeld in artikel 25 van dit besluit. Ze worden door de verantwoordelijke van het erkende laboratorium ondertekend.
§ 3. Op elk analysecertificaat worden voor elke gemeten parameter vermeld :
- de waakzaamheids- en actiedrempels van de parameters vermeld in bijlage 4B voor wat betreft het grondwater;
- de parameters voor de lozingsvoorwaarden vastgesteld in de vergunning voor wat betreft het industrieel afvalwater;
- de milieukwaliteitsnormen voor wat betreft de oppervlaktewateren.
Art. 58bis. Jaarlijks wordt er door de uitbater een verslag overgemaakt aan de technisch ambtenaar, de toezichthoudend ambtenaar, de bevoegde ambtenaar van het Departement Leefmilieu en Water, evenals aan de burgemeesters van de gemeenten waar er technische ingravingscentra gevestigd zijn.
Dat verslag bevat minstens :
1. de analysecertificaten bedoeld in de artikelen 53 en 56 van dit besluit;
2. de resultaten van de analyses, die verzameld zijn in vorm van;
- een cijfertabel waarin de plaatsen en de data van de monsternemingen, de parameters en, in voorkomend geval, de codes van de parameters van bijlage 4B vermeld zijn, evenals de waakzaamheids- en de actiedrempels;
- grafieken waarin de tijdens de laatste vijf jaar waargenomen resultaten systematisch vermeld worden.
Om de zes maanden wordt de informaticaversie van die tabel eveneens elektronisch overgemaakt aan de bevoegde ambtenaar van het Departement Leefmilieu en Water;
3. de protocollen van de monsternemingen van grondwater, evenals de geregistreerde waarden voor de schommeling van de grondwaterlagen, vastgesteld in functie van de bepalingen van artikel 45, § 1, van dit besluit;
4. de gegevens geregistreerd voor de werking van het zuiveringsstation, vastgesteld in functie van de bepalingen van artikel 55 van dit besluit, met name de maandelijkse vastgestelde percolaatvolumes op grond van de voorzieningen die de uitbater opgesteld heeft. Die maandelijkse volumes worden cumulatief voorgesteld op grafieken op de gepaste schaal. ".
Art. 24. Les sections 2, 3 et 4 du chapitre V du mĂȘme arrĂȘtĂ©, dont les articles 57 et 58 sont partiellement annulĂ©s par l'avis n° 185.629 du Conseil d'Etat, sont remplacĂ©es par ce qui suit :
" Section 2. - Conditions de déversement
Sous-section 1re. - Conditions de déversement en eaux de surface ordinaires et voies artificielles d'écoulement
Art. 47. Les eaux usées industrielles rejetées en eaux de surface ordinaires ou en voies artificielles d'écoulement respectent les conditions suivantes :
1. le pH des eaux dĂ©versĂ©es ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 10,5 ou infĂ©rieur Ă 6,5;
2. la température des eaux déversées ne peut dépasser 30 °C;
3. la demande biochimique en oxygÚne en 5 jours à 20 °C et en présence d'allyle thio-urée des eaux déversées ne peut dépasser 90 mg d'oxygÚne par litre;
4. la demande chimique en oxygÚne (DCO) des eaux déversées ne peut excéder 300 mg par litre;
5. la teneur en matiÚres en suspension des eaux déversées ne peut dépasser 60 mg par litre;
6. la teneur en matiÚres sédimentables des eaux déversées ne peut dépasser 0.5 ml par litre (au cours d'une sédimentation statique de 2 heures);
7. la teneur en indice hydrocarbures C10-C40 des eaux déversées ne peut dépasser 5 mg par litre;
8. la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut dépasser 20 mg N/l du 1er mai au 31 octobre;
9. la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut dépasser 50 mg N/l du 1er novembre au 30 avril;
10. la teneur en phénol des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg par litre;
11. la teneur en cyanures dit facilement décomposables ou cyanures aisément libérables des eaux déversées ne peut dépasser 0.5 mg CN par litre;
12. la teneur en sulfures et mercaptans des eaux déversées ne peut dépasser 5 mg S par litre;
13. la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cr par litre;
14. la teneur en zinc total des eaux déversées ne peut dépasser 4 mg Zn par litre;
15. la teneur en plomb total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Pb par litre;
16. la teneur en nickel total des eaux déversées ne peut dépasser 2mg Ni par litre;
17. la teneur en arsenic total des eaux déversées ne peut dépasser 0,15 mg As par litre;
18. la teneur en cuivre total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cu par litre;
19. la teneur en cadmium total des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg Cd par litre;
20. la teneur en mercure total des eaux déversées ne peut dépasser 0,05 mg Hg par litre;
21. la teneur en composés organohalogénés absorbables (AOX) des eaux déversées ne peut dépasser 3 mg Cl par litre;
22. les eaux dĂ©versĂ©es ne peuvent contenir des huiles, des graisses ou autres matiĂšres flottantes en quantitĂ©s telles qu'une couche flottante puisse ĂȘtre constatĂ©e de maniĂšre non Ă©quivoque;
23. les eaux déversées ne peuvent contenir les substances visées aux articles R. 131 à R. 141 et annexes Ire et VII du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et non visées dans les présentes conditions.
Sous-section 2. - Conditions de déversement en égouts publics
Art. 48. Les eaux usées industrielles rejetées en égouts publics respectent les conditions suivantes :
1. le pH des eaux dĂ©versĂ©es ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 10,5 ou infĂ©rieur Ă 6;
2. la température des eaux déversées ne peut dépasser 45 °C;
3. la teneur en matiÚres en suspension des eaux déversées ne peut dépasser 1 000 mg par litre;
4. les matiÚres en suspension déversées ne peuvent, de par leur structure, nuire au fonctionnement des stations de relÚvement du réseau de collecte;
5. la dimension des matiÚres en suspension ne peut excéder 10 mm;
6. la teneur en matiÚres sédimentables des eaux déversées ne peut dépasser 200 ml par litre (au cours d'une sédimentation statique de 2 heures);
7. la teneur en cyanures dit facilement décomposables ou cyanures aisément libérables des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg CN par litre;
8. la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cr par litre;
9. la teneur en zinc total des eaux déversées ne peut dépasser 4 mg Zn par litre;
10. la teneur en plomb total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Pb par litre;
11. la teneur en nickel total des eaux déversées ne peut dépasser 2 mg Ni par litre;
12. la teneur en arsenic total des eaux déversées ne peut dépasser 0,15 mg As par litre;
13. la teneur en cuivre total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cu par litre;
14. la teneur en cadmium total des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg Cd par litre;
15. la teneur en mercure total des eaux déversées ne peut dépasser 0,05 mg Hg par litre;
16. la teneur en composés organohalogénés absorbables (AOX) des eaux déversées ne peut dépasser 3 mg Cl par litre;
17. la teneur en matiÚres extractibles à l'éther de pétrole des eaux déversées ne peut dépasser 500 mg par litre;
18. les eaux déversées ne peuvent contenir des gaz dissous inflammables ou explosifs ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz;
19. il est interdit de jeter ou déverser des déchets solides qui ont été préalablement soumis à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matiÚres;
20. la teneur en chlorures des eaux déversées ne peut excéder 2 000 mg par litre;
21. les eaux déversées ne peuvent, sans autorisation expresse, contenir les substances visées aux articles R. 131 à R. 141 et annexes I et VII du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et non visées dans les présentes conditions.
Art. 49. § 1er. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particuliĂšres peuvent dĂ©roger Ă la norme sur les chlorures (rejet en Ă©gouts) en fonction de conditions mĂ©tĂ©orologiques exceptionnelles Ă©tablies par l'Institut royal mĂ©tĂ©orologique de Belgique.
§ 2. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particuliĂšres peuvent, sur base de l'historique des rĂ©sultats des campagnes de mesures et au vu de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement sur base de critĂšres tels que le milieu rĂ©cepteur des eaux, le type de traitement des lixiviats ou le volumes des eaux dĂ©versĂ©es, modifier la liste des paramĂštres visĂ©s aux articles 47 et 48 si deux contrĂŽles effectuĂ©s Ă six mois d'intervalle donnent des rĂ©sultats infĂ©rieurs aux seuils de pertinence dĂ©finis Ă l'annexe 4C.
Section 3. - ContrĂŽles, autocontrĂŽle et surveillance
Sous-section 1re. - Méthodes d'analyse et d'échantillonnage
Art. 50. L'exploitant et le fonctionnaire chargé de la surveillance utilisent les méthodes de référence pour l'échantillonnage et l'analyse de tous les paramÚtres visés aux articles 47 à 49 établies par le Ministre.
Art. 51. La mesure d'un " métal total ", visée aux articles 47 et 48, se fait sur échantillon non filtré, acidifié à pH 2.
Les limites de quantification applicables lors des analyses sont précisées dans les tableaux figurant en annexes 4B et 4C.
Sous-section 2. - PrélÚvements ponctuels
Art. 52. § 1er. Les dates et heures des prélÚvements, requis en vertu des articles 53 et 56, sont communiquées par l'exploitant au moins cinq jours ouvrables à l'avance par message télécopié au :
- fonctionnaire technique;
- fonctionnaire chargé de la surveillance.
§ 2. Préalablement à la prise d'un échantillon d'eau souterraine, il est procédé, pour autant que la perméabilité de l'aquifÚre le permette, pendant au moins une heure et en tout cas jusqu'à stabilisation du niveau piézométrique et de la conductivité mesurée, à un pompage de la nappe à un débit adéquat.
§ 3. Sont repris sur chaque document faisant mention du prélÚvement :
- la date, l'heure du prélÚvement ainsi que le nom du préleveur;
- la référence et les coordonnées précises du point de prélÚvement (X, Y en Lambert et Z nivellement national);
- toute observation particuliÚre éventuelle.
Pour les prélÚvements d'eaux souterraines, les éléments suivants sont également fournis :
- le niveau piézométrique;
- la profondeur à laquelle le prélÚvement a été effectué;
- les variations du niveau relatif, du pH, de la température et de la conductivité au cours du pompage.
Sous-section 3. - ContrÎle et autocontrÎle des eaux usées industrielles, des eaux de surface et des lixiviats
Art. 53. § 1er. L'exploitant fait réaliser trimestriellement en phase d'exploitation et tous les six mois en phase de post-gestion, par un laboratoire agréé, des prélÚvements d'échantillons et des analyses sur les lixiviats non traités, dans le bassin de collecte ou en amont immédiat de celui-ci.
Les analyses portent sur les paramĂštres de terrain repris Ă l'annexe 4B.
Tous les deux ans, les analyses sont étendues à l'ensemble des paramÚtres de surveillance correspondant à la rubrique du CET repris à l'annexe 4B. Il est également procédé à une évaluation qualitative des composés organiques présents à l'aide d'un chromatographe en phase gazeuse couplé à un spectromÚtre de masse ou d'un dispositif équivalent ainsi qu'un screening des métaux par ICP.
§ 2. L'exploitant fait réaliser par un laboratoire agréé des prélÚvements d'échantillons et des analyses des eaux usées industrielles sur les paramÚtres et aux fréquences suivants :
- trimestriellement sur les paramÚtres de la conductivité, des matiÚres en suspension, de la DCO, de la DBO5, de l'ammonium, des nitrates, de l'azote total, des phosphates;
- semestriellement sur les paramĂštres des chlorures, des sulfates, de l'arsenic, du chrome, du cuivre, du nickel, du plomb, du zinc, du fer, du manganĂšse, de l'indice hydrocarbures C10-C40;
- annuellement sur les paramÚtres du cadmium, du mercure, de l'indice phénols, des cyanures, du benzÚne, du naphtalÚne et des AOX;
- annuellement détermination de la toxicité aprÚs 48 h sur Pseudokirchneriella subcapitata, suivant la norme ISO 8692 Qualité de l'eau - Essai d'inhibition de la croissance des algues d'eau douce avec des algues vertes unicellulaires;
- annuellement : détermination de la toxicité à long terme vis-à -vis de Daphnia magna, basée sur la norme ISO 10706 (effet sur la reproduction et la mortalité en 21 j. ou méthode simplifiée en 14 j); ou détermination de l'inhibition de la mobilité de Daphnia magna Straus (Cladocera, Crustacea) - Essai de toxicité aiguë, basée sur la norme ISO 6341.
Les conditions particuliÚres précisent les tests applicables à l'établissement.
§ 3. L'exploitant fait réaliser par un laboratoire agréé des prélÚvements d'échantillons et analyses des eaux de surface en amont et en aval du rejet des eaux usées industrielles sur les paramÚtres et aux fréquences suivants :
- trimestriellement sur les paramÚtres de la conductivité, des MES, de la DCO, de la DBO5, de l'ammonium, des nitrates, de l'azote total, des phosphates;
- semestriellement sur les paramĂštres des chlorures, des sulfates, de l'arsenic, du chrome, du cuivre, du nickel, du plomb, du zinc, du fer, du manganĂšse, de l'indice hydrocarbures C10-C40;
- annuellement sur les paramÚtres du cadmium, du mercure, de l'indice phénols, des cyanures, du benzÚne, du naphtalÚne et des AOX;
- semestriellement, au mois de mars et septembre : Test IDL ou Indice Diatomique LECLERCQ.
§ 4. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, au vu de l'historique des rĂ©sultats ou en raison de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement sur base de critĂšres tels que le milieu rĂ©cepteur des eaux, le type de traitement des lixiviats ou le volumes des eaux dĂ©versĂ©es, les conditions particuliĂšres peuvent modifier la liste des paramĂštres Ă analyser et la frĂ©quence des prĂ©lĂšvements et analyses prĂ©vues aux §§ 1er Ă 3.
Art. 54. § 1er. A l'exception des établissements de classe 3 et de classe 5.3, l'exploitant réalise hebdomadairement des prélÚvements d'échantillons et des analyses afin de s'assurer du respect des conditions de déversement des eaux usées visées aux articles 47 et 48 et du fonctionnement correct des installations d'épuration. Les analyses portent sur les paramÚtres de la DCO et de l'azote ammoniacal.
§ 2. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particuliĂšres peuvent, en raison de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement, sur base de critĂšres tels que le milieu rĂ©cepteur des eaux, le type de traitement de lixiviats ou le volume des eaux dĂ©versĂ©es, modifier la liste des paramĂštres Ă analyser et la frĂ©quence des prĂ©lĂšvements et analyses.
Art. 55. § 1er. Les eaux usées industrielles déversées sont évacuées par un dispositif de contrÎle répondant aux exigences suivantes :
Pour les établissements de classe 3 et de classe 5.3 :
1. permettre le prélÚvement aisé d'échantillons proportionnels au débit des eaux déversées;
2. permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélÚvement d'échantillons des eaux déversées;
3. ĂȘtre facilement accessible sans formalitĂ© prĂ©alable;
4. ĂȘtre placĂ© Ă un endroit offrant toute garantie quant Ă la quantitĂ© et la qualitĂ© des eaux;
Pour les autres établissements :
1. permettre le prélÚvement aisé d'échantillons proportionnels au débit des eaux déversées;
2. permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélÚvement d'échantillons des eaux déversées;
3. ĂȘtre facilement accessible sans formalitĂ© prĂ©alable;
4. ĂȘtre placĂ© Ă un endroit offrant toute garantie quant Ă la quantitĂ© et la qualitĂ© des eaux;
5. indiquer en lecture directe, lors du contrÎle des eaux déversées, la valeur du débit instantané exprimé en l/sec et/ou m3/h, du pH, de la conductivité, de la Température et de la DCO;
6. enregistrer de façon permanente la valeur du volume journalier exprimée en m3/j, du pH, de la température, de la DCO et de la conductivité et ceci à un pas de temps minimum d'heure par heure;
7. assurer le prélÚvement automatique d'échantillons proportionnels au débit mesuré des eaux déversées pendant 24 heures et la conservation de ceux-ci pendant 48 heures.
§ 2. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particuliĂšres peuvent en raison de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement, sur base de critĂšres tels que le milieu rĂ©cepteur des eaux, le type de traitement de lixiviats ou le volume des eaux dĂ©versĂ©es, modifier le dispositif de contrĂŽle.
Sous-section 4. - ContrĂŽle des eaux souterraines
Art. 56. § 1er. La surveillance des eaux souterraines est menée selon la procédure définie en annexe 4A.
Les paramĂštres traceurs et de surveillance sont repris dans le tableau figurant en annexe 4B.
Pour les CET de classes 5.1, 5.2 et 5.3, les paramÚtres à analyser sont fixés, en fonction de la spécificité du CET concerné, par les conditions particuliÚres parmi les paramÚtres listés pour les CET de classe 1 ou 2.
§ 2. Un monitoring de routine sur les paramÚtres traceurs est mis en oeuvre avec une fréquence semestrielle, durant les mois de mars et de septembre, pour les eaux souterraines des piézomÚtres et les sources.
Tous les deux ans et pour la premiÚre fois lors de la 1Úre campagne de surveillance, les analyses sont étendues à l'ensemble des paramÚtres de surveillance afin de détecter l'évolution éventuelle des caractéristiques à l'émission du CET.
Les prélÚvements et analyses sont réalisés par un laboratoire agréé conformément au décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols.
Les conditions particuliÚres peuvent, au vu de la spécificité de certains sites quant à la vitesse d'écoulement des eaux souterraines, modifier la fréquence des prélÚvements et analyses, en respectant toutefois le minimum d'un prélÚvement et d'une analyse par an.
Les conditions particuliĂšres peuvent, au vu de l'historique des rĂ©sultats et de la caractĂ©risation des dĂ©chets, modifier la liste des paramĂštres Ă analyser Ă l'exception des paramĂštres traceurs et des paramĂštres de terrain. Toutefois, la mesure d'un paramĂštre donnĂ© ne peut ĂȘtre abandonnĂ©e pendant une pĂ©riode de maximum six ans qu'Ă la condition que deux contrĂŽles effectuĂ©s Ă 6 mois d'intervalle donnent des rĂ©sultats infĂ©rieurs aux valeurs de rĂ©fĂ©rence VR pour les eaux souterraines de l'annexe 1re du dĂ©cret du 5 dĂ©cembre 2008 relatif Ă la gestion des sols ou, Ă dĂ©faut de valeurs de rĂ©fĂ©rence, :
- pour les paramÚtres de minéralisation et salinité : au P95 des aquifÚres mentionné au tableau de l'annexe 4B ;
- pour les autres paramÚtres : à la limite de quantification LOQ mentionnée au tableau de l'annexe 4B.
§ 3. Au cours de ce monitoring le dépassement d'un seuil de vigilance, tel que mesuré par le laboratoire agréé et confirmé, en cas de contestation de l'exploitant, par une analyse contradictoire effectuée dans deux autres laboratoires agréés, déclenche le démarrage d'un contrÎle accru ciblé sur le problÚme détecté si le rapport entre les concentrations en aval et en amont est supérieur à trois.
Les modalités de ce contrÎle (points de prélÚvement, durée, fréquence, paramÚtres) sont établies en concertation avec le fonctionnaire chargé de la surveillance dans les 30 jours qui suivent la confirmation du dépassement.
§ 4. Si le contrÎle accru démontre que le dépassement détecté n'est pas dû à une contamination endogÚne persistante et conclut à l'absence de risque, le monitoring de routine reprend tel qu'adapté au problÚme détecté.
Si le contrÎle accru démontre l'existence d'une contamination endogÚne persistante ou est insuffisant pour conclure à l'absence de risque, le plan d'intervention est mis en oeuvre immédiatement et l'exploitant soumet à l'autorité compétente un plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines, dans un délai de trois mois à dater de la demande formulée par le fonctionnaire technique.
Art. 57. § 1er. Le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines comprend une étude de caractérisation et de délimitation du panache de contamination réalisée par un expert agréé conformément au décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols. Il vise également à tenir compte du fond géochimique local et des éventuelles contaminations exogÚnes ou historiques.
§ 2. Le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines évalue les risques identifiés pour les récepteurs et, tenant compte de l'ensemble des spécificités locales ainsi caractérisées, il propose des extensions du réseau de surveillance, ainsi que les valeurs particuliÚres de déclenchement pour les paramÚtres indiqués au tableau de l'annexe 4B, en tenant compte des formations hydrogéologiques spécifiques sur le site du CET. Il indique enfin les mesures correctives envisagées par l'exploitant en cas de franchissement de ces seuils.
§ 3. L'autorité compétente, sur avis du fonctionnaire technique, statue sur la validité du plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines au plus tard 60 jours aprÚs réception de cet avis. Elle entérine les valeurs particuliÚres de déclenchement, pour chaque piézomÚtre du réseau de surveillance et fixe le programme de mesures correctives.
§ 4. Si la valeur d'un seuil de déclenchement est dépassée, le programme des mesures correctives visant à ramener durablement les concentrations dans les eaux souterraines à des valeurs inférieures aux seuils de déclenchement est exécuté par l'exploitant.
Sous-section 5. - Rapport d'analyses
Art. 58. § 1er. Les résultats des analyses de contrÎles et d'autocontrÎles sont enregistrés sur support papier et informatisé et conservés au siÚge d'exploitation pendant cinq ans. Le fonctionnaire chargé de la surveillance en dispose dans les 24 heures de sa demande.
§ 2. Les certificats d'analyses requis en vertu du prĂ©sent chapitre sont annexĂ©s au registre visĂ© Ă l'article 25 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Ils sont signĂ©s par le responsable du laboratoire agréé.
§ 3. Sur chaque certificat d'analyses, sont repris, pour chaque paramÚtre mesuré :
- les seuils de vigilance et de déclenchement des paramÚtres mentionnés à l'annexe 4B en ce qui concerne les eaux souterraines;
- les paramÚtres relatifs aux conditions de déversement fixées dans le permis en ce qui concerne les eaux usées industrielles;
- les normes de qualité environnementales en ce qui concerne les eaux de surface.
Art. 58bis. Tous les ans, un rapport est transmis par l'exploitant au fonctionnaire technique, au fonctionnaire chargé de la surveillance, au fonctionnaire compétent du Département de l'Environnement et de l'Eau ainsi qu'aux bourgmestres des communes d'implantation du CET.
Ce rapport comporte Ă tout le moins :
1. les certificats des analyses visĂ©es aux articles 53 et 56 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
2. les résultats des analyses regroupés sous la forme :
- d'un tableau de chiffres, reprenant les lieux et dates de prélÚvement, les paramÚtres et, le cas échéant, les codes des paramÚtres de l'annexe 4B ainsi que les seuils de vigilance et de déclenchement;
- de graphiques reprenant systématiquement les résultats observés au cours des cinq derniÚres années.
Tous les six mois, la version informatisée de ce tableau est également transmise par voie électronique au fonctionnaire compétent du Département de l'Environnement et de l'Eau;
3. les protocoles de prĂ©lĂšvement d'eau souterraine ainsi que les donnĂ©es enregistrĂ©es relatives Ă la fluctuation de la (des) nappe(s) phrĂ©atique(s), recueillies en fonction des prescriptions de l'article 45, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
4. les donnĂ©es enregistrĂ©es relatives au fonctionnement de la station d'Ă©puration recueillies en fonction des prescriptions de l'article 55 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, notamment les volumes mensuels de lixiviats recueillis, sur la base des dispositifs mis en place par l'exploitant. Ces volumes mensuels sont reprĂ©sentĂ©s de maniĂšre cumulative sur des graphiques Ă l'Ă©chelle adĂ©quate. ".
" Section 2. - Conditions de déversement
Sous-section 1re. - Conditions de déversement en eaux de surface ordinaires et voies artificielles d'écoulement
Art. 47. Les eaux usées industrielles rejetées en eaux de surface ordinaires ou en voies artificielles d'écoulement respectent les conditions suivantes :
1. le pH des eaux dĂ©versĂ©es ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 10,5 ou infĂ©rieur Ă 6,5;
2. la température des eaux déversées ne peut dépasser 30 °C;
3. la demande biochimique en oxygÚne en 5 jours à 20 °C et en présence d'allyle thio-urée des eaux déversées ne peut dépasser 90 mg d'oxygÚne par litre;
4. la demande chimique en oxygÚne (DCO) des eaux déversées ne peut excéder 300 mg par litre;
5. la teneur en matiÚres en suspension des eaux déversées ne peut dépasser 60 mg par litre;
6. la teneur en matiÚres sédimentables des eaux déversées ne peut dépasser 0.5 ml par litre (au cours d'une sédimentation statique de 2 heures);
7. la teneur en indice hydrocarbures C10-C40 des eaux déversées ne peut dépasser 5 mg par litre;
8. la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut dépasser 20 mg N/l du 1er mai au 31 octobre;
9. la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut dépasser 50 mg N/l du 1er novembre au 30 avril;
10. la teneur en phénol des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg par litre;
11. la teneur en cyanures dit facilement décomposables ou cyanures aisément libérables des eaux déversées ne peut dépasser 0.5 mg CN par litre;
12. la teneur en sulfures et mercaptans des eaux déversées ne peut dépasser 5 mg S par litre;
13. la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cr par litre;
14. la teneur en zinc total des eaux déversées ne peut dépasser 4 mg Zn par litre;
15. la teneur en plomb total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Pb par litre;
16. la teneur en nickel total des eaux déversées ne peut dépasser 2mg Ni par litre;
17. la teneur en arsenic total des eaux déversées ne peut dépasser 0,15 mg As par litre;
18. la teneur en cuivre total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cu par litre;
19. la teneur en cadmium total des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg Cd par litre;
20. la teneur en mercure total des eaux déversées ne peut dépasser 0,05 mg Hg par litre;
21. la teneur en composés organohalogénés absorbables (AOX) des eaux déversées ne peut dépasser 3 mg Cl par litre;
22. les eaux dĂ©versĂ©es ne peuvent contenir des huiles, des graisses ou autres matiĂšres flottantes en quantitĂ©s telles qu'une couche flottante puisse ĂȘtre constatĂ©e de maniĂšre non Ă©quivoque;
23. les eaux déversées ne peuvent contenir les substances visées aux articles R. 131 à R. 141 et annexes Ire et VII du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et non visées dans les présentes conditions.
Sous-section 2. - Conditions de déversement en égouts publics
Art. 48. Les eaux usées industrielles rejetées en égouts publics respectent les conditions suivantes :
1. le pH des eaux dĂ©versĂ©es ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 10,5 ou infĂ©rieur Ă 6;
2. la température des eaux déversées ne peut dépasser 45 °C;
3. la teneur en matiÚres en suspension des eaux déversées ne peut dépasser 1 000 mg par litre;
4. les matiÚres en suspension déversées ne peuvent, de par leur structure, nuire au fonctionnement des stations de relÚvement du réseau de collecte;
5. la dimension des matiÚres en suspension ne peut excéder 10 mm;
6. la teneur en matiÚres sédimentables des eaux déversées ne peut dépasser 200 ml par litre (au cours d'une sédimentation statique de 2 heures);
7. la teneur en cyanures dit facilement décomposables ou cyanures aisément libérables des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg CN par litre;
8. la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cr par litre;
9. la teneur en zinc total des eaux déversées ne peut dépasser 4 mg Zn par litre;
10. la teneur en plomb total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Pb par litre;
11. la teneur en nickel total des eaux déversées ne peut dépasser 2 mg Ni par litre;
12. la teneur en arsenic total des eaux déversées ne peut dépasser 0,15 mg As par litre;
13. la teneur en cuivre total des eaux déversées ne peut dépasser 1 mg Cu par litre;
14. la teneur en cadmium total des eaux déversées ne peut dépasser 0,5 mg Cd par litre;
15. la teneur en mercure total des eaux déversées ne peut dépasser 0,05 mg Hg par litre;
16. la teneur en composés organohalogénés absorbables (AOX) des eaux déversées ne peut dépasser 3 mg Cl par litre;
17. la teneur en matiÚres extractibles à l'éther de pétrole des eaux déversées ne peut dépasser 500 mg par litre;
18. les eaux déversées ne peuvent contenir des gaz dissous inflammables ou explosifs ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz;
19. il est interdit de jeter ou déverser des déchets solides qui ont été préalablement soumis à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matiÚres;
20. la teneur en chlorures des eaux déversées ne peut excéder 2 000 mg par litre;
21. les eaux déversées ne peuvent, sans autorisation expresse, contenir les substances visées aux articles R. 131 à R. 141 et annexes I et VII du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et non visées dans les présentes conditions.
Art. 49. § 1er. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particuliĂšres peuvent dĂ©roger Ă la norme sur les chlorures (rejet en Ă©gouts) en fonction de conditions mĂ©tĂ©orologiques exceptionnelles Ă©tablies par l'Institut royal mĂ©tĂ©orologique de Belgique.
§ 2. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particuliĂšres peuvent, sur base de l'historique des rĂ©sultats des campagnes de mesures et au vu de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement sur base de critĂšres tels que le milieu rĂ©cepteur des eaux, le type de traitement des lixiviats ou le volumes des eaux dĂ©versĂ©es, modifier la liste des paramĂštres visĂ©s aux articles 47 et 48 si deux contrĂŽles effectuĂ©s Ă six mois d'intervalle donnent des rĂ©sultats infĂ©rieurs aux seuils de pertinence dĂ©finis Ă l'annexe 4C.
Section 3. - ContrĂŽles, autocontrĂŽle et surveillance
Sous-section 1re. - Méthodes d'analyse et d'échantillonnage
Art. 50. L'exploitant et le fonctionnaire chargé de la surveillance utilisent les méthodes de référence pour l'échantillonnage et l'analyse de tous les paramÚtres visés aux articles 47 à 49 établies par le Ministre.
Art. 51. La mesure d'un " métal total ", visée aux articles 47 et 48, se fait sur échantillon non filtré, acidifié à pH 2.
Les limites de quantification applicables lors des analyses sont précisées dans les tableaux figurant en annexes 4B et 4C.
Sous-section 2. - PrélÚvements ponctuels
Art. 52. § 1er. Les dates et heures des prélÚvements, requis en vertu des articles 53 et 56, sont communiquées par l'exploitant au moins cinq jours ouvrables à l'avance par message télécopié au :
- fonctionnaire technique;
- fonctionnaire chargé de la surveillance.
§ 2. Préalablement à la prise d'un échantillon d'eau souterraine, il est procédé, pour autant que la perméabilité de l'aquifÚre le permette, pendant au moins une heure et en tout cas jusqu'à stabilisation du niveau piézométrique et de la conductivité mesurée, à un pompage de la nappe à un débit adéquat.
§ 3. Sont repris sur chaque document faisant mention du prélÚvement :
- la date, l'heure du prélÚvement ainsi que le nom du préleveur;
- la référence et les coordonnées précises du point de prélÚvement (X, Y en Lambert et Z nivellement national);
- toute observation particuliÚre éventuelle.
Pour les prélÚvements d'eaux souterraines, les éléments suivants sont également fournis :
- le niveau piézométrique;
- la profondeur à laquelle le prélÚvement a été effectué;
- les variations du niveau relatif, du pH, de la température et de la conductivité au cours du pompage.
Sous-section 3. - ContrÎle et autocontrÎle des eaux usées industrielles, des eaux de surface et des lixiviats
Art. 53. § 1er. L'exploitant fait réaliser trimestriellement en phase d'exploitation et tous les six mois en phase de post-gestion, par un laboratoire agréé, des prélÚvements d'échantillons et des analyses sur les lixiviats non traités, dans le bassin de collecte ou en amont immédiat de celui-ci.
Les analyses portent sur les paramĂštres de terrain repris Ă l'annexe 4B.
Tous les deux ans, les analyses sont étendues à l'ensemble des paramÚtres de surveillance correspondant à la rubrique du CET repris à l'annexe 4B. Il est également procédé à une évaluation qualitative des composés organiques présents à l'aide d'un chromatographe en phase gazeuse couplé à un spectromÚtre de masse ou d'un dispositif équivalent ainsi qu'un screening des métaux par ICP.
§ 2. L'exploitant fait réaliser par un laboratoire agréé des prélÚvements d'échantillons et des analyses des eaux usées industrielles sur les paramÚtres et aux fréquences suivants :
- trimestriellement sur les paramÚtres de la conductivité, des matiÚres en suspension, de la DCO, de la DBO5, de l'ammonium, des nitrates, de l'azote total, des phosphates;
- semestriellement sur les paramĂštres des chlorures, des sulfates, de l'arsenic, du chrome, du cuivre, du nickel, du plomb, du zinc, du fer, du manganĂšse, de l'indice hydrocarbures C10-C40;
- annuellement sur les paramÚtres du cadmium, du mercure, de l'indice phénols, des cyanures, du benzÚne, du naphtalÚne et des AOX;
- annuellement détermination de la toxicité aprÚs 48 h sur Pseudokirchneriella subcapitata, suivant la norme ISO 8692 Qualité de l'eau - Essai d'inhibition de la croissance des algues d'eau douce avec des algues vertes unicellulaires;
- annuellement : détermination de la toxicité à long terme vis-à -vis de Daphnia magna, basée sur la norme ISO 10706 (effet sur la reproduction et la mortalité en 21 j. ou méthode simplifiée en 14 j); ou détermination de l'inhibition de la mobilité de Daphnia magna Straus (Cladocera, Crustacea) - Essai de toxicité aiguë, basée sur la norme ISO 6341.
Les conditions particuliÚres précisent les tests applicables à l'établissement.
§ 3. L'exploitant fait réaliser par un laboratoire agréé des prélÚvements d'échantillons et analyses des eaux de surface en amont et en aval du rejet des eaux usées industrielles sur les paramÚtres et aux fréquences suivants :
- trimestriellement sur les paramÚtres de la conductivité, des MES, de la DCO, de la DBO5, de l'ammonium, des nitrates, de l'azote total, des phosphates;
- semestriellement sur les paramĂštres des chlorures, des sulfates, de l'arsenic, du chrome, du cuivre, du nickel, du plomb, du zinc, du fer, du manganĂšse, de l'indice hydrocarbures C10-C40;
- annuellement sur les paramÚtres du cadmium, du mercure, de l'indice phénols, des cyanures, du benzÚne, du naphtalÚne et des AOX;
- semestriellement, au mois de mars et septembre : Test IDL ou Indice Diatomique LECLERCQ.
§ 4. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, au vu de l'historique des rĂ©sultats ou en raison de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement sur base de critĂšres tels que le milieu rĂ©cepteur des eaux, le type de traitement des lixiviats ou le volumes des eaux dĂ©versĂ©es, les conditions particuliĂšres peuvent modifier la liste des paramĂštres Ă analyser et la frĂ©quence des prĂ©lĂšvements et analyses prĂ©vues aux §§ 1er Ă 3.
Art. 54. § 1er. A l'exception des établissements de classe 3 et de classe 5.3, l'exploitant réalise hebdomadairement des prélÚvements d'échantillons et des analyses afin de s'assurer du respect des conditions de déversement des eaux usées visées aux articles 47 et 48 et du fonctionnement correct des installations d'épuration. Les analyses portent sur les paramÚtres de la DCO et de l'azote ammoniacal.
§ 2. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particuliĂšres peuvent, en raison de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement, sur base de critĂšres tels que le milieu rĂ©cepteur des eaux, le type de traitement de lixiviats ou le volume des eaux dĂ©versĂ©es, modifier la liste des paramĂštres Ă analyser et la frĂ©quence des prĂ©lĂšvements et analyses.
Art. 55. § 1er. Les eaux usées industrielles déversées sont évacuées par un dispositif de contrÎle répondant aux exigences suivantes :
Pour les établissements de classe 3 et de classe 5.3 :
1. permettre le prélÚvement aisé d'échantillons proportionnels au débit des eaux déversées;
2. permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélÚvement d'échantillons des eaux déversées;
3. ĂȘtre facilement accessible sans formalitĂ© prĂ©alable;
4. ĂȘtre placĂ© Ă un endroit offrant toute garantie quant Ă la quantitĂ© et la qualitĂ© des eaux;
Pour les autres établissements :
1. permettre le prélÚvement aisé d'échantillons proportionnels au débit des eaux déversées;
2. permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélÚvement d'échantillons des eaux déversées;
3. ĂȘtre facilement accessible sans formalitĂ© prĂ©alable;
4. ĂȘtre placĂ© Ă un endroit offrant toute garantie quant Ă la quantitĂ© et la qualitĂ© des eaux;
5. indiquer en lecture directe, lors du contrÎle des eaux déversées, la valeur du débit instantané exprimé en l/sec et/ou m3/h, du pH, de la conductivité, de la Température et de la DCO;
6. enregistrer de façon permanente la valeur du volume journalier exprimée en m3/j, du pH, de la température, de la DCO et de la conductivité et ceci à un pas de temps minimum d'heure par heure;
7. assurer le prélÚvement automatique d'échantillons proportionnels au débit mesuré des eaux déversées pendant 24 heures et la conservation de ceux-ci pendant 48 heures.
§ 2. Sans prĂ©judice de l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les conditions particuliĂšres peuvent en raison de la spĂ©cificitĂ© de l'Ă©tablissement, sur base de critĂšres tels que le milieu rĂ©cepteur des eaux, le type de traitement de lixiviats ou le volume des eaux dĂ©versĂ©es, modifier le dispositif de contrĂŽle.
Sous-section 4. - ContrĂŽle des eaux souterraines
Art. 56. § 1er. La surveillance des eaux souterraines est menée selon la procédure définie en annexe 4A.
Les paramĂštres traceurs et de surveillance sont repris dans le tableau figurant en annexe 4B.
Pour les CET de classes 5.1, 5.2 et 5.3, les paramÚtres à analyser sont fixés, en fonction de la spécificité du CET concerné, par les conditions particuliÚres parmi les paramÚtres listés pour les CET de classe 1 ou 2.
§ 2. Un monitoring de routine sur les paramÚtres traceurs est mis en oeuvre avec une fréquence semestrielle, durant les mois de mars et de septembre, pour les eaux souterraines des piézomÚtres et les sources.
Tous les deux ans et pour la premiÚre fois lors de la 1Úre campagne de surveillance, les analyses sont étendues à l'ensemble des paramÚtres de surveillance afin de détecter l'évolution éventuelle des caractéristiques à l'émission du CET.
Les prélÚvements et analyses sont réalisés par un laboratoire agréé conformément au décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols.
Les conditions particuliÚres peuvent, au vu de la spécificité de certains sites quant à la vitesse d'écoulement des eaux souterraines, modifier la fréquence des prélÚvements et analyses, en respectant toutefois le minimum d'un prélÚvement et d'une analyse par an.
Les conditions particuliĂšres peuvent, au vu de l'historique des rĂ©sultats et de la caractĂ©risation des dĂ©chets, modifier la liste des paramĂštres Ă analyser Ă l'exception des paramĂštres traceurs et des paramĂštres de terrain. Toutefois, la mesure d'un paramĂštre donnĂ© ne peut ĂȘtre abandonnĂ©e pendant une pĂ©riode de maximum six ans qu'Ă la condition que deux contrĂŽles effectuĂ©s Ă 6 mois d'intervalle donnent des rĂ©sultats infĂ©rieurs aux valeurs de rĂ©fĂ©rence VR pour les eaux souterraines de l'annexe 1re du dĂ©cret du 5 dĂ©cembre 2008 relatif Ă la gestion des sols ou, Ă dĂ©faut de valeurs de rĂ©fĂ©rence, :
- pour les paramÚtres de minéralisation et salinité : au P95 des aquifÚres mentionné au tableau de l'annexe 4B ;
- pour les autres paramÚtres : à la limite de quantification LOQ mentionnée au tableau de l'annexe 4B.
§ 3. Au cours de ce monitoring le dépassement d'un seuil de vigilance, tel que mesuré par le laboratoire agréé et confirmé, en cas de contestation de l'exploitant, par une analyse contradictoire effectuée dans deux autres laboratoires agréés, déclenche le démarrage d'un contrÎle accru ciblé sur le problÚme détecté si le rapport entre les concentrations en aval et en amont est supérieur à trois.
Les modalités de ce contrÎle (points de prélÚvement, durée, fréquence, paramÚtres) sont établies en concertation avec le fonctionnaire chargé de la surveillance dans les 30 jours qui suivent la confirmation du dépassement.
§ 4. Si le contrÎle accru démontre que le dépassement détecté n'est pas dû à une contamination endogÚne persistante et conclut à l'absence de risque, le monitoring de routine reprend tel qu'adapté au problÚme détecté.
Si le contrÎle accru démontre l'existence d'une contamination endogÚne persistante ou est insuffisant pour conclure à l'absence de risque, le plan d'intervention est mis en oeuvre immédiatement et l'exploitant soumet à l'autorité compétente un plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines, dans un délai de trois mois à dater de la demande formulée par le fonctionnaire technique.
Art. 57. § 1er. Le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines comprend une étude de caractérisation et de délimitation du panache de contamination réalisée par un expert agréé conformément au décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols. Il vise également à tenir compte du fond géochimique local et des éventuelles contaminations exogÚnes ou historiques.
§ 2. Le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines évalue les risques identifiés pour les récepteurs et, tenant compte de l'ensemble des spécificités locales ainsi caractérisées, il propose des extensions du réseau de surveillance, ainsi que les valeurs particuliÚres de déclenchement pour les paramÚtres indiqués au tableau de l'annexe 4B, en tenant compte des formations hydrogéologiques spécifiques sur le site du CET. Il indique enfin les mesures correctives envisagées par l'exploitant en cas de franchissement de ces seuils.
§ 3. L'autorité compétente, sur avis du fonctionnaire technique, statue sur la validité du plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines au plus tard 60 jours aprÚs réception de cet avis. Elle entérine les valeurs particuliÚres de déclenchement, pour chaque piézomÚtre du réseau de surveillance et fixe le programme de mesures correctives.
§ 4. Si la valeur d'un seuil de déclenchement est dépassée, le programme des mesures correctives visant à ramener durablement les concentrations dans les eaux souterraines à des valeurs inférieures aux seuils de déclenchement est exécuté par l'exploitant.
Sous-section 5. - Rapport d'analyses
Art. 58. § 1er. Les résultats des analyses de contrÎles et d'autocontrÎles sont enregistrés sur support papier et informatisé et conservés au siÚge d'exploitation pendant cinq ans. Le fonctionnaire chargé de la surveillance en dispose dans les 24 heures de sa demande.
§ 2. Les certificats d'analyses requis en vertu du prĂ©sent chapitre sont annexĂ©s au registre visĂ© Ă l'article 25 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Ils sont signĂ©s par le responsable du laboratoire agréé.
§ 3. Sur chaque certificat d'analyses, sont repris, pour chaque paramÚtre mesuré :
- les seuils de vigilance et de déclenchement des paramÚtres mentionnés à l'annexe 4B en ce qui concerne les eaux souterraines;
- les paramÚtres relatifs aux conditions de déversement fixées dans le permis en ce qui concerne les eaux usées industrielles;
- les normes de qualité environnementales en ce qui concerne les eaux de surface.
Art. 58bis. Tous les ans, un rapport est transmis par l'exploitant au fonctionnaire technique, au fonctionnaire chargé de la surveillance, au fonctionnaire compétent du Département de l'Environnement et de l'Eau ainsi qu'aux bourgmestres des communes d'implantation du CET.
Ce rapport comporte Ă tout le moins :
1. les certificats des analyses visĂ©es aux articles 53 et 56 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
2. les résultats des analyses regroupés sous la forme :
- d'un tableau de chiffres, reprenant les lieux et dates de prélÚvement, les paramÚtres et, le cas échéant, les codes des paramÚtres de l'annexe 4B ainsi que les seuils de vigilance et de déclenchement;
- de graphiques reprenant systématiquement les résultats observés au cours des cinq derniÚres années.
Tous les six mois, la version informatisée de ce tableau est également transmise par voie électronique au fonctionnaire compétent du Département de l'Environnement et de l'Eau;
3. les protocoles de prĂ©lĂšvement d'eau souterraine ainsi que les donnĂ©es enregistrĂ©es relatives Ă la fluctuation de la (des) nappe(s) phrĂ©atique(s), recueillies en fonction des prescriptions de l'article 45, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
4. les donnĂ©es enregistrĂ©es relatives au fonctionnement de la station d'Ă©puration recueillies en fonction des prescriptions de l'article 55 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, notamment les volumes mensuels de lixiviats recueillis, sur la base des dispositifs mis en place par l'exploitant. Ces volumes mensuels sont reprĂ©sentĂ©s de maniĂšre cumulative sur des graphiques Ă l'Ă©chelle adĂ©quate. ".
Art. 25. Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Gasbeheersing ".
Art. 25. L'intitulĂ© de la section 1re du chapitre VI du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit : " MaĂźtrise des gaz ".
Art. 26. Het opschrift van onderafdeling 1 van afdeling 1 van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Gasopvang ".
Art. 26. L'intitulĂ© de la sous-section 1re de la section 1re du chapitre VI du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit : " RĂ©colte des gaz ".
Art. 27. In artikel 59 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de eerste zin van het eerste lid van § 1wordt aangevuld met de woorden " en zorgt voor de behandeling ervan ";
2° in § 1, lid 1, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
3° in § 1, lid 2, wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas ";
4° in § 1, lid 3, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen " en wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ";
5° in § 2, leden 1, 2 en 3, wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ";
6° in § 3, lid 1, wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ".
1° de eerste zin van het eerste lid van § 1wordt aangevuld met de woorden " en zorgt voor de behandeling ervan ";
2° in § 1, lid 1, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
3° in § 1, lid 2, wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas ";
4° in § 1, lid 3, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen " en wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ";
5° in § 2, leden 1, 2 en 3, wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ";
6° in § 3, lid 1, wordt het woord " biogassen " vervangen door het woord " gassen ".
Art. 27. A l'article 59 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 1er, 1er alinéa, la premiÚre phrase est complétée par les mots " et assure le traitement de ceux-ci ";
2° au § 1er, 1er alinéa, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
3° au § 1er, alinéa 2, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
4° au § 1er, alinéa 3, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables " et le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
5° au § 2, alinéas 1er, 2 et 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
6° au § 3, alinéa 1er, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ".
1° au § 1er, 1er alinéa, la premiÚre phrase est complétée par les mots " et assure le traitement de ceux-ci ";
2° au § 1er, 1er alinéa, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ";
3° au § 1er, alinéa 2, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
4° au § 1er, alinéa 3, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables " et le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
5° au § 2, alinéas 1er, 2 et 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
6° au § 3, alinéa 1er, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ".
Art. 28. Het opschrift van onderafdeling 2 van afdeling 1 van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Karakterisering en beheersing van de gassen ".
Art. 28. L'intitulĂ© de la sous-section 2 de la section 1re du chapitre VI du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit : " CaractĂ©risation et gestion des gaz ".
Art. 29. In artikel 60 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord " biogas " wordt vervangen door het woord " gas ";
2° in § 2, lid 3, wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas ";
3° in § 4 wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas " en wordt de laatste volzin opgeheven;
4° in § 5, leden 1, 2 en 3, wordt het woorddeel " biogas " vervangen door het woorddeel " gas ".
1° het woord " biogas " wordt vervangen door het woord " gas ";
2° in § 2, lid 3, wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas ";
3° in § 4 wordt het woord " biogas " vervangen door het woord " gas " en wordt de laatste volzin opgeheven;
4° in § 5, leden 1, 2 en 3, wordt het woorddeel " biogas " vervangen door het woorddeel " gas ".
Art. 29. A l'article 60 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 1er, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
2° au § 2, alinéa 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
3° au § 4, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz " et la derniÚre phrase est abrogée;
4° au § 5, alinéas 1er, 2 et 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ".
1° au § 1er, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
2° au § 2, alinéa 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ";
3° au § 4, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz " et la derniÚre phrase est abrogée;
4° au § 5, alinéas 1er, 2 et 3, le mot " biogaz " est remplacé par le mot " gaz ".
Art. 30. In artikel 61 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden " van biogasopvang " vervangen door de woorden " voor de opvang en de behandeling van de gassen ";
2° in §§ 2 en 3, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
1° in § 1 worden de woorden " van biogasopvang " vervangen door de woorden " voor de opvang en de behandeling van de gassen ";
2° in §§ 2 en 3, wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
Art. 30. A l'article 61 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 1er, les mots " de collecte du biogaz " sont remplacés par les mots " de collecte et de traitement des gaz ";
2° aux §§ 2 et 3, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ".
1° au § 1er, les mots " de collecte du biogaz " sont remplacés par les mots " de collecte et de traitement des gaz ";
2° aux §§ 2 et 3, le mot " organiques " est inséré entre les mots " déchets " et " biodégradables ".
Art. 31. Artikel 68 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 31. L'article 68 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est abrogĂ©.
Art. 32. Het opschrift van hoofdstuk VII van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : " Zekerheden, verzekeringen en tariefregels ".
Art. 32. L'intitulĂ© du chapitre VII du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit : " SĂ»retĂ©s, assurances et rĂšgles tarifaires ".
Art. 33. In artikel 69 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2 wordt opgeheven;
2° in § 3, die § 2 wordt, worden de woorden " met name die bedoeld in § 4 " aangevuld met woorden " van artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning ";
3° volgende paragrafen worden toegevoegd :
" § 3. De berekeningswijze van de zekerheid wordt omstandig omschreven in de tabellen opgenomen in bijlage 5 bij dit besluit.
In functie van de specifieke kenmerken van het overwogen technisch ingravingscentrum legt de exploitant zijn berekening voor aan de technisch ambtenaar in het kader van zijn aanvraag voor een milieuvergunning.
De exploitant mag voorstellen om af te wijken van het gebruik van de bedragen vermeld in de tabellen afgebeeld in bijlage 5 als hij de technisch ambtenaar een bestek voorlegt voor de werkzaamheden die in dat verband vereist zijn :
a) interventies bij ongevallen of verontreiniging;
b) herstel van de site in oorspronkelijke staat na uitbating ervan;
c) nabeheer.
Om dat bestek te bekomen wordt er een beroep gedaan op aannemers of maatschappijen die voldoende ervaring kunnen voorleggen in het overwogen activiteitsdomein. Daarvan worden bewijzen overgemaakt aan de technisch ambtenaar.
§ 4. De eenheidsprijs vermeld in de tabellen in bijlage 5 bij dit besluit zijn de prijzen voor het jaar 2007. Bijgevolg wordt het bedrag van de zekerheid (S) aangepast op de verjaardag (spildatum) van de milieuvergunning, met volgende formule :
1° § 2 wordt opgeheven;
2° in § 3, die § 2 wordt, worden de woorden " met name die bedoeld in § 4 " aangevuld met woorden " van artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning ";
3° volgende paragrafen worden toegevoegd :
" § 3. De berekeningswijze van de zekerheid wordt omstandig omschreven in de tabellen opgenomen in bijlage 5 bij dit besluit.
In functie van de specifieke kenmerken van het overwogen technisch ingravingscentrum legt de exploitant zijn berekening voor aan de technisch ambtenaar in het kader van zijn aanvraag voor een milieuvergunning.
De exploitant mag voorstellen om af te wijken van het gebruik van de bedragen vermeld in de tabellen afgebeeld in bijlage 5 als hij de technisch ambtenaar een bestek voorlegt voor de werkzaamheden die in dat verband vereist zijn :
a) interventies bij ongevallen of verontreiniging;
b) herstel van de site in oorspronkelijke staat na uitbating ervan;
c) nabeheer.
Om dat bestek te bekomen wordt er een beroep gedaan op aannemers of maatschappijen die voldoende ervaring kunnen voorleggen in het overwogen activiteitsdomein. Daarvan worden bewijzen overgemaakt aan de technisch ambtenaar.
§ 4. De eenheidsprijs vermeld in de tabellen in bijlage 5 bij dit besluit zijn de prijzen voor het jaar 2007. Bijgevolg wordt het bedrag van de zekerheid (S) aangepast op de verjaardag (spildatum) van de milieuvergunning, met volgende formule :
Art. 33. A l'article 69 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° le § 2 est abrogé;
2° au § 3, qui devient le § 2, les mots " notamment ceux prévus au § 4 ", sont complétés par les mots " de l'article 55 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ";
3° les paragraphes suivants sont ajoutés :
" § 3. Le mode de calcul de la sĂ»retĂ© est dĂ©taillĂ© dans les tableaux figurant en annexe 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
En fonction des spécificités du CET considéré, l'exploitant soumet son calcul au fonctionnaire technique dans le cadre de sa demande de permis d'environnement.
L'exploitant peut proposer de déroger à l'utilisation des montants mentionnés dans les tableaux présentés en annexe 5 s'il fournit au fonctionnaire technique un devis des travaux requis dans le cadre :
a) des interventions en cas d'accident ou de pollution;
b) de la remise en état du site aprÚs exploitation;
c) de la post-gestion.
Pour obtenir ce devis, il fait appel à des entrepreneurs ou sociétés pouvant se prévaloir d'une expérience suffisante dans le domaine d'activités considéré. Il en fournit les preuves au fonctionnaire technique.
§ 4.Les prix unitaires repris dans les tableaux en annexe 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont les prix de l'annĂ©e 2007. DĂšs lors, le montant de la sĂ»retĂ© (S) est ajustĂ© Ă la date anniversaire (date pivot) du permis d'environnement selon la formule suivante :
1° le § 2 est abrogé;
2° au § 3, qui devient le § 2, les mots " notamment ceux prévus au § 4 ", sont complétés par les mots " de l'article 55 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ";
3° les paragraphes suivants sont ajoutés :
" § 3. Le mode de calcul de la sĂ»retĂ© est dĂ©taillĂ© dans les tableaux figurant en annexe 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
En fonction des spécificités du CET considéré, l'exploitant soumet son calcul au fonctionnaire technique dans le cadre de sa demande de permis d'environnement.
L'exploitant peut proposer de déroger à l'utilisation des montants mentionnés dans les tableaux présentés en annexe 5 s'il fournit au fonctionnaire technique un devis des travaux requis dans le cadre :
a) des interventions en cas d'accident ou de pollution;
b) de la remise en état du site aprÚs exploitation;
c) de la post-gestion.
Pour obtenir ce devis, il fait appel à des entrepreneurs ou sociétés pouvant se prévaloir d'une expérience suffisante dans le domaine d'activités considéré. Il en fournit les preuves au fonctionnaire technique.
§ 4.Les prix unitaires repris dans les tableaux en annexe 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont les prix de l'annĂ©e 2007. DĂšs lors, le montant de la sĂ»retĂ© (S) est ajustĂ© Ă la date anniversaire (date pivot) du permis d'environnement selon la formule suivante :
| Indice des prix Ă la consommation Ă la date pivot | |
| S (aangepast) = S X |
Wijzigingen
</td></tr><tr><td valign="top">Â </td><td valign="top">Indice des prix Ă la consommation au 1er janvier 2007</td></tr></table>Indice des prix Ă la consommation Ă la date pivotS (aangepast) = S X-------------------------------------------------------------------------------------Indice des prix Ă la consommation au 1er janvier 2007
| Indice des prix Ă la consommation Ă la date pivot | |
| S (ajusté) = S X |
Wijzigingen
</td></tr><tr><td valign="top"> </td><td valign="top">Indice des prix à la consommation au 1er janvier 2007</td></tr></table>Indice des prix à la consommation à la date pivotS (ajusté) = S X------------------------------------------------------------------------------Indice des prix à la consommation au 1er janvier 2007
De index der consumptieprijzen op 1 januari 2007 bedroeg 105,2 (basis 2004 = 100). "
L'indice des prix à la consommation au 1er janvier 2007 s'élevait à 105,2 (base 2004 = 100). "
Art. 34. § 1. Het opschrift van bijlage I bij hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Waterdichtheid van de bodem, de zijwanden en de oppervlakte ".
§ 2. Het opschrift " Kenmerken van de materialen " opgenomen in diezelfde bijlage wordt voorafgegaan door het cijfer " 1 ".
§ 3. Het opschrift " Waterdichtheid op mineraal vlak (aangevoerde of hergebruikte kleiïge materialen) " wordt voorafgegaan door cijfer " 1.1 ".
§ 4. De paragraaf opgenomen onder punt 2 van dezelfde bijlage na de woorden " Op het grensvlak tussen de cellen " wordt vervangen door volgende paragraaf :
" De cellen van klasse 2.1.a., 2.1.b. of 2.2. moeten fysiek van elkaar afgescheiden worden voor zover de klasse van de aan elkaar grenzende cellen verschilt, door een systeem waarmee de scheiding mogelijk wordt gemaakt tussen bioafbreekbare organische stoffen en niet-bioafbreekbare organische stoffen, zodanig dat :
- het percolaat dat ontstaat door de inwerking van het water op de gestorte afvalstoffen in een cel van een bepaalde klasse niet in contact kunnen komen met de afvalstoffen gestort in de cellen van een verschillende klasse;
- de gassen optimaal beheerd worden.
Het percolaat van de cellen van verschillende klassen 2.1.a., 2.1.b. of 2.2) mag gemeenschappelijk behandeld worden als die methode de doeltreffendheid van de behandeling niet in de weg staat. "
§ 5. In lid 1 van punt 3.1. van dezelfde bijlage wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
§ 6. In het laatste lid van punt 3.1 van dezelfde bijlage worden de woorden " kan de bevoegde overheid de exploitant, na advies van de technisch ambtenaar, " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden ".
§ 7. In de titels van de tabel van punt 3.2. van dezelfde bijlage wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ".
" Waterdichtheid van de bodem, de zijwanden en de oppervlakte ".
§ 2. Het opschrift " Kenmerken van de materialen " opgenomen in diezelfde bijlage wordt voorafgegaan door het cijfer " 1 ".
§ 3. Het opschrift " Waterdichtheid op mineraal vlak (aangevoerde of hergebruikte kleiïge materialen) " wordt voorafgegaan door cijfer " 1.1 ".
§ 4. De paragraaf opgenomen onder punt 2 van dezelfde bijlage na de woorden " Op het grensvlak tussen de cellen " wordt vervangen door volgende paragraaf :
" De cellen van klasse 2.1.a., 2.1.b. of 2.2. moeten fysiek van elkaar afgescheiden worden voor zover de klasse van de aan elkaar grenzende cellen verschilt, door een systeem waarmee de scheiding mogelijk wordt gemaakt tussen bioafbreekbare organische stoffen en niet-bioafbreekbare organische stoffen, zodanig dat :
- het percolaat dat ontstaat door de inwerking van het water op de gestorte afvalstoffen in een cel van een bepaalde klasse niet in contact kunnen komen met de afvalstoffen gestort in de cellen van een verschillende klasse;
- de gassen optimaal beheerd worden.
Het percolaat van de cellen van verschillende klassen 2.1.a., 2.1.b. of 2.2) mag gemeenschappelijk behandeld worden als die methode de doeltreffendheid van de behandeling niet in de weg staat. "
§ 5. In lid 1 van punt 3.1. van dezelfde bijlage wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ";
§ 6. In het laatste lid van punt 3.1 van dezelfde bijlage worden de woorden " kan de bevoegde overheid de exploitant, na advies van de technisch ambtenaar, " vervangen door de woorden " kunnen de bijzondere voorwaarden ".
§ 7. In de titels van de tabel van punt 3.2. van dezelfde bijlage wordt het woord " organische " ingevoegd tussen de woorden " biologisch afbreekbare " en " afvalstoffen ".
Art. 34. § 1er. L'intitulĂ© de l'annexe Ire du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Etanchéités de fond, de flanc et de surface ".
§ 2. L'intitulĂ© " CaractĂ©ristiques des matĂ©riaux " figurant dans la mĂȘme annexe est prĂ©cĂ©dĂ© du chiffre " 1 ".
§ 3. L'intitulé " L'étanchéité minérale (matériaux argileux rapportés ou remaniés) " est précédé du chiffre " 1.1. ".
§ 4. Le paragraphe figurant dans le point 2 de la mĂȘme annexe aprĂšs les mots " A l'interface entre les cellules " est remplacĂ© par le paragraphe suivant :
" Les cellules de classes 2.1.a, 2.1.b ou 2.2 doivent ĂȘtre sĂ©parĂ©es physiquement les unes des autres pour autant que la classe des cellules contiguĂ«s diffĂšre par un dispositif assurant la sĂ©paration Ă©tanche entre dĂ©chets organiques biodĂ©gradables et dĂ©chets non biodĂ©gradables, de telle maniĂšre :
- que les lixiviats générés par l'action des eaux sur les déchets déversés dans une cellule d'une classe donnée ne puissent entrer en contact avec les déchets déversés dans les cellules de classe différente;
- que les gaz soient gérés de maniÚre optimale.
Les lixiviats des cellules de diffĂ©rentes classes (2.1.a, 2.1.b ou 2.2) peuvent ĂȘtre traitĂ©s de maniĂšre commune si cette mĂ©thode ne compromet pas l'efficacitĂ© du traitement. "
§ 5. Au 1er alinĂ©a du point 3.1 de la mĂȘme annexe, le mot " organiques " est insĂ©rĂ© entre les mots " dĂ©chets " et " biodĂ©gradables ".
§ 6. Au dernier alinĂ©a du point 3.1 de la mĂȘme annexe, les mots " l'autoritĂ© compĂ©tente sur avis du fonctionnaire technique peut " sont remplacĂ©s par les mots " les conditions particuliĂšres peuvent ".
§ 7. Dans les titres du tableau du point 3.2 de la mĂȘme annexe, le mot " organiques " est insĂ©rĂ© entre les mots " dĂ©chets " et " biodĂ©gradables ".
" Etanchéités de fond, de flanc et de surface ".
§ 2. L'intitulĂ© " CaractĂ©ristiques des matĂ©riaux " figurant dans la mĂȘme annexe est prĂ©cĂ©dĂ© du chiffre " 1 ".
§ 3. L'intitulé " L'étanchéité minérale (matériaux argileux rapportés ou remaniés) " est précédé du chiffre " 1.1. ".
§ 4. Le paragraphe figurant dans le point 2 de la mĂȘme annexe aprĂšs les mots " A l'interface entre les cellules " est remplacĂ© par le paragraphe suivant :
" Les cellules de classes 2.1.a, 2.1.b ou 2.2 doivent ĂȘtre sĂ©parĂ©es physiquement les unes des autres pour autant que la classe des cellules contiguĂ«s diffĂšre par un dispositif assurant la sĂ©paration Ă©tanche entre dĂ©chets organiques biodĂ©gradables et dĂ©chets non biodĂ©gradables, de telle maniĂšre :
- que les lixiviats générés par l'action des eaux sur les déchets déversés dans une cellule d'une classe donnée ne puissent entrer en contact avec les déchets déversés dans les cellules de classe différente;
- que les gaz soient gérés de maniÚre optimale.
Les lixiviats des cellules de diffĂ©rentes classes (2.1.a, 2.1.b ou 2.2) peuvent ĂȘtre traitĂ©s de maniĂšre commune si cette mĂ©thode ne compromet pas l'efficacitĂ© du traitement. "
§ 5. Au 1er alinĂ©a du point 3.1 de la mĂȘme annexe, le mot " organiques " est insĂ©rĂ© entre les mots " dĂ©chets " et " biodĂ©gradables ".
§ 6. Au dernier alinĂ©a du point 3.1 de la mĂȘme annexe, les mots " l'autoritĂ© compĂ©tente sur avis du fonctionnaire technique peut " sont remplacĂ©s par les mots " les conditions particuliĂšres peuvent ".
§ 7. Dans les titres du tableau du point 3.2 de la mĂȘme annexe, le mot " organiques " est insĂ©rĂ© entre les mots " dĂ©chets " et " biodĂ©gradables ".
Art. 35. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 3 zoals opgenomen in bijlage I bij dit besluit, met volgend opschrift :
" Bijlage 3 - Procedure voor de klassificatie en de aanvaarding van de afvalstoffen ".
" Bijlage 3 - Procedure voor de klassificatie en de aanvaarding van de afvalstoffen ".
Art. 35. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 3, telle que figurant en annexe Ire du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, intitulĂ©e comme suit :
" Annexe 3. - Procédure de classification et d'admission des déchets ".
" Annexe 3. - Procédure de classification et d'admission des déchets ".
Art. 36. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 4 zoals opgenomen in bijlage Ii bij dit besluit, met volgend opschrift :
" Bijlage 4 - Procedure voor het toezicht op en de controle van het grondwater. "
" Bijlage 4 - Procedure voor het toezicht op en de controle van het grondwater. "
Art. 36. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 4, telle que figurant en annexe II du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, intitulĂ©e comme suit :
" Annexe 4. - Procédure de surveillance et de contrÎle des eaux souterraines ".
" Annexe 4. - Procédure de surveillance et de contrÎle des eaux souterraines ".
Art. 37. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 5 zoals opgenomen in bijlage III bij dit besluit, met volgend opschrift :
" Bijlage 5 - Wijze van berekening van de zekerheid. "
" Bijlage 5 - Wijze van berekening van de zekerheid. "
Art. 37. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 5, telle que figurant en annexe III du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, intitulĂ©e comme suit :
" Annexe 5. - Mode de calcul de la sûreté ".
" Annexe 5. - Mode de calcul de la sûreté ".
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving
CHAPITRE II. - Modifications Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets
Art. 38. In het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving wordt het opschrift aangevuld als volgt :
" en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving ".
" en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving ".
Art. 38. A l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets, l'intitulĂ© est complĂ©tĂ© par ce qui suit :
" et fixant les critÚres d'admission des déchets en centre d'enfouissement technique ".
" et fixant les critÚres d'admission des déchets en centre d'enfouissement technique ".
Art. 39. Hetzelfde besluit wordt met een artikel 1bis aangevuld, luidend als volgt :
" Art. 1bis. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :
1) Aanvaardingscriteria : criteria waaraan de afvalstoffen moeten voldoen om aanvaard te kunnen worden in een centrum voor technische ingraving van de betrokken (sub)categorie;
2) Asbestafval : afvalstoffen van de werken omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden i.v.m. de werven voor de verwijdering van asbest in gebouwen en kunstwerken en op de werven voor de isolatie van asbest;
3) Bouwafval die asbest bevat : afval vermeld onder de rubriek 17.06.05 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus;
4) Geschikt asbestafval : afvalstoffen die overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden i.v.m. de werven voor de verwijdering van asbest in gebouwen en kunstwerken en op de werven voor de isolatie van asbest, worden gelijkgesteld met asbestafval, namelijk :
* asbesthoudende materialen;
* materialen die in contact zijn gekomen met of besmet zijn door asbestvezels en die niet ter plaatse kunnen worden ontsmet met behulp van een stofzuiger en/of water.
Deze omschrijving heeft echter geen betrekking op de asbesthoudende afval die ook gevaarlijk is krachtens andere stoffen of eigenschappen;
5) Gebonden asbest : asbest in een niet-broze inerte drager en in plastic verpakt;
6) In plastic verpakt : verpakt in een verpakking die t.o.v. het milieu dezelfde garanties inhoudt dan die voorzien in artikel 7 van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden i.v.m. de werven voor de verwijdering van asbest in gebouwen en kunstwerken en op de werven voor de isolatie van asbest;
Bovendien moeten deze verpakkingen hermetisch afgesloten worden en tegen scheuren en stoten voldoende bestand zijn;
7) Voldoende hermetisch afgesloten : apart om ervoor te zorgen dat de asbesthoudende afval fysisch gescheiden blijft van de overige afval;
8) Geschikte materialen : korrelvormige brandvrije materialen die geen enkel element bevatten dat de afval of de verpakking zou kunnen verstoren;
9) Geschikte maatregelen : maatregelen die ervoor moeten zorgen dat het centrum voor technische ingraving of de cel niet het voorwerp kan uitmaken van een verrichting die vezels zou kunnen laten vrijkomen (bijvoorbeeld het boren van putten), die tenminste een herkenningsteken inhouden om de ligging van de cellen met asbestafval duidelijk te kunnen identificeren;
10) Gipshoudende afval (gips) : afval vermeld onder de rubriek 17.08.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus;
11) Stabiel en niet-reactief afval : afval waarvan het uitlooggedrag op lange termijn onder de ontwerpomstandigheden van het centrum voor technische ingraving of bij voorzienbare calamiteiten niet in ongunstige zin verandert :
* in de afval zelf (bijvoorbeeld door biologische afbraak);
* onder invloed van omgevingsomstandigheden op lange termijn (bijvoorbeeld water, lucht, temperatuur, mechanische invloeden);
* onder invloed van andere afvalstoffen (met inbegrip van afvalproducten zoals percolaat en gas).
12) Eluaat : de oplossing die wordt verkregen door een percolatietest in het laboratorium.
" Art. 1bis. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :
1) Aanvaardingscriteria : criteria waaraan de afvalstoffen moeten voldoen om aanvaard te kunnen worden in een centrum voor technische ingraving van de betrokken (sub)categorie;
2) Asbestafval : afvalstoffen van de werken omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden i.v.m. de werven voor de verwijdering van asbest in gebouwen en kunstwerken en op de werven voor de isolatie van asbest;
3) Bouwafval die asbest bevat : afval vermeld onder de rubriek 17.06.05 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus;
4) Geschikt asbestafval : afvalstoffen die overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden i.v.m. de werven voor de verwijdering van asbest in gebouwen en kunstwerken en op de werven voor de isolatie van asbest, worden gelijkgesteld met asbestafval, namelijk :
* asbesthoudende materialen;
* materialen die in contact zijn gekomen met of besmet zijn door asbestvezels en die niet ter plaatse kunnen worden ontsmet met behulp van een stofzuiger en/of water.
Deze omschrijving heeft echter geen betrekking op de asbesthoudende afval die ook gevaarlijk is krachtens andere stoffen of eigenschappen;
5) Gebonden asbest : asbest in een niet-broze inerte drager en in plastic verpakt;
6) In plastic verpakt : verpakt in een verpakking die t.o.v. het milieu dezelfde garanties inhoudt dan die voorzien in artikel 7 van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden i.v.m. de werven voor de verwijdering van asbest in gebouwen en kunstwerken en op de werven voor de isolatie van asbest;
Bovendien moeten deze verpakkingen hermetisch afgesloten worden en tegen scheuren en stoten voldoende bestand zijn;
7) Voldoende hermetisch afgesloten : apart om ervoor te zorgen dat de asbesthoudende afval fysisch gescheiden blijft van de overige afval;
8) Geschikte materialen : korrelvormige brandvrije materialen die geen enkel element bevatten dat de afval of de verpakking zou kunnen verstoren;
9) Geschikte maatregelen : maatregelen die ervoor moeten zorgen dat het centrum voor technische ingraving of de cel niet het voorwerp kan uitmaken van een verrichting die vezels zou kunnen laten vrijkomen (bijvoorbeeld het boren van putten), die tenminste een herkenningsteken inhouden om de ligging van de cellen met asbestafval duidelijk te kunnen identificeren;
10) Gipshoudende afval (gips) : afval vermeld onder de rubriek 17.08.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus;
11) Stabiel en niet-reactief afval : afval waarvan het uitlooggedrag op lange termijn onder de ontwerpomstandigheden van het centrum voor technische ingraving of bij voorzienbare calamiteiten niet in ongunstige zin verandert :
* in de afval zelf (bijvoorbeeld door biologische afbraak);
* onder invloed van omgevingsomstandigheden op lange termijn (bijvoorbeeld water, lucht, temperatuur, mechanische invloeden);
* onder invloed van andere afvalstoffen (met inbegrip van afvalproducten zoals percolaat en gas).
12) Eluaat : de oplossing die wordt verkregen door een percolatietest in het laboratorium.
Art. 39. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est ajoutĂ© un article 1erbis rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 1erbis. Au sens du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1) CritĂšres d'admission : les critĂšres auxquels les dĂ©chets doivent satisfaire pour ĂȘtre admissibles en CET de catĂ©gorie ou sous-catĂ©gorie concernĂ©e;
2) DĂ©chets d'amiante : dĂ©chets provenant des travaux dĂ©crits dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux chantiers d'enlĂšvement et de dĂ©contamination de bĂątiments ou d'ouvrages d'art contenant de l'amiante et aux chantiers d'encapsulation de l'amiante;
3) DĂ©chets de construction contenant de l'amiante : dĂ©chets repris sous la rubrique 17.06.05 de l'annexe Ire Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets;
4) DĂ©chets d'amiante appropriĂ©s : dĂ©chets qui, conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux chantiers d'enlĂšvement et de dĂ©contamination de bĂątiments ou d'ouvrages d'art contenant de l'amiante et aux chantiers d'encapsulation de l'amiante, sont assimilĂ©s aux dĂ©chets d'amiante, Ă savoir :
* les matériaux contenant de l'amiante;
* les matĂ©riaux qui ont Ă©tĂ© en contact ou ont Ă©tĂ© contaminĂ©s par des fibres d'amiante et qui ne peuvent ĂȘtre dĂ©contaminĂ©s sur place Ă l'aide d'un aspirateur et/ou Ă l'eau.
Cependant, cette définition ne concerne pas les déchets contenant de l'amiante mais qui sont également dangereux en vertu d'autres constituants ou propriétés;
5) Amiante liée : amiante liée à un support inerte non friable et emballée dans du plastique;
6) EmballĂ©s dans du plastique : conditionnĂ©s dans un emballage prĂ©sentant des garanties similaires vis-Ă -vis de l'environnement que celles prĂ©vues dans l'article 7 l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux chantiers d'enlĂšvement et de dĂ©contamination de bĂątiments ou d'ouvrages d'art contenant de l'amiante et aux chantiers d'encapsulation de l'amiante.
En outre, ces emballages doivent ĂȘtre fermĂ©s hermĂ©tiquement et garantir une rĂ©sistance suffisante aux chocs et aux dĂ©chirures;
7) Suffisamment confinée : distincte pour assurer que les déchets contenant de l'amiante demeurent physiquement séparés du reste des autres déchets;
8) Matériaux appropriés : matériaux granulaires incombustibles ne contenant aucun élément susceptible de perturber les déchets ou l'emballage;
9) Mesures appropriĂ©es : mesures destinĂ©es Ă assurer que le CET ou la cellule ne puisse faire l'objet d'aucune opĂ©ration susceptible d'entraĂźner une libĂ©ration des fibres (comme par exemple le forage de trous), incluant au moins une signalĂ©tique pour identifier sans ambigĂŒitĂ© les emplacements des cellules contenant des dĂ©chets d'amiante;
10) DĂ©chets Ă base de plĂątre (gypse) : dĂ©chets repris sous la rubrique 17.08.02 de l'annexe Ire Ă l'arrĂȘtĂ© de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets;
11) Déchets stables et non réactifs : déchets dont le comportement à la lixiviation n'évolue pas de maniÚre défavorable à long terme, dans des conditions de mise en CET données ou en cas d'accidents prévisibles, que ce soit :
* par l'évolution du déchet en tant que tel (par exemple, biodégradation);
* sous l'effet des conditions ambiantes à long terme (par exemple, eau, air, température, contraintes mécaniques);
* sous l'effet d'autres déchets (notamment de produits de déchets tels que les lixiviats et les gaz).
12) Eluat : solution obtenue lors de tests de lixiviation simulés en laboratoire.
" Art. 1erbis. Au sens du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1) CritĂšres d'admission : les critĂšres auxquels les dĂ©chets doivent satisfaire pour ĂȘtre admissibles en CET de catĂ©gorie ou sous-catĂ©gorie concernĂ©e;
2) DĂ©chets d'amiante : dĂ©chets provenant des travaux dĂ©crits dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux chantiers d'enlĂšvement et de dĂ©contamination de bĂątiments ou d'ouvrages d'art contenant de l'amiante et aux chantiers d'encapsulation de l'amiante;
3) DĂ©chets de construction contenant de l'amiante : dĂ©chets repris sous la rubrique 17.06.05 de l'annexe Ire Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets;
4) DĂ©chets d'amiante appropriĂ©s : dĂ©chets qui, conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux chantiers d'enlĂšvement et de dĂ©contamination de bĂątiments ou d'ouvrages d'art contenant de l'amiante et aux chantiers d'encapsulation de l'amiante, sont assimilĂ©s aux dĂ©chets d'amiante, Ă savoir :
* les matériaux contenant de l'amiante;
* les matĂ©riaux qui ont Ă©tĂ© en contact ou ont Ă©tĂ© contaminĂ©s par des fibres d'amiante et qui ne peuvent ĂȘtre dĂ©contaminĂ©s sur place Ă l'aide d'un aspirateur et/ou Ă l'eau.
Cependant, cette définition ne concerne pas les déchets contenant de l'amiante mais qui sont également dangereux en vertu d'autres constituants ou propriétés;
5) Amiante liée : amiante liée à un support inerte non friable et emballée dans du plastique;
6) EmballĂ©s dans du plastique : conditionnĂ©s dans un emballage prĂ©sentant des garanties similaires vis-Ă -vis de l'environnement que celles prĂ©vues dans l'article 7 l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux chantiers d'enlĂšvement et de dĂ©contamination de bĂątiments ou d'ouvrages d'art contenant de l'amiante et aux chantiers d'encapsulation de l'amiante.
En outre, ces emballages doivent ĂȘtre fermĂ©s hermĂ©tiquement et garantir une rĂ©sistance suffisante aux chocs et aux dĂ©chirures;
7) Suffisamment confinée : distincte pour assurer que les déchets contenant de l'amiante demeurent physiquement séparés du reste des autres déchets;
8) Matériaux appropriés : matériaux granulaires incombustibles ne contenant aucun élément susceptible de perturber les déchets ou l'emballage;
9) Mesures appropriĂ©es : mesures destinĂ©es Ă assurer que le CET ou la cellule ne puisse faire l'objet d'aucune opĂ©ration susceptible d'entraĂźner une libĂ©ration des fibres (comme par exemple le forage de trous), incluant au moins une signalĂ©tique pour identifier sans ambigĂŒitĂ© les emplacements des cellules contenant des dĂ©chets d'amiante;
10) DĂ©chets Ă base de plĂątre (gypse) : dĂ©chets repris sous la rubrique 17.08.02 de l'annexe Ire Ă l'arrĂȘtĂ© de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets;
11) Déchets stables et non réactifs : déchets dont le comportement à la lixiviation n'évolue pas de maniÚre défavorable à long terme, dans des conditions de mise en CET données ou en cas d'accidents prévisibles, que ce soit :
* par l'évolution du déchet en tant que tel (par exemple, biodégradation);
* sous l'effet des conditions ambiantes à long terme (par exemple, eau, air, température, contraintes mécaniques);
* sous l'effet d'autres déchets (notamment de produits de déchets tels que les lixiviats et les gaz).
12) Eluat : solution obtenue lors de tests de lixiviation simulés en laboratoire.
Art. 40. Hetzelfde besluit wordt met een artikel 1ter aangevuld, luidend als volgt :
" Art. 1ter. Voor de toepassing van dit besluit en in het kader van de aanvaarding van de afvalstoffen in het centrum voor technische ingraving, is de indeling van de centra voor technische ingraving zoals omschreven in artikel 3 van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving van toepassing. "
" Art. 1ter. Voor de toepassing van dit besluit en in het kader van de aanvaarding van de afvalstoffen in het centrum voor technische ingraving, is de indeling van de centra voor technische ingraving zoals omschreven in artikel 3 van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving van toepassing. "
Art. 40. Au mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est ajoutĂ© un article 1erter rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 1erter. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et dans le cadre de l'admission des dĂ©chets en CET, la classification des CET comme dĂ©finie Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique est applicable. "
" Art. 1erter. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et dans le cadre de l'admission des dĂ©chets en CET, la classification des CET comme dĂ©finie Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique est applicable. "
Art. 41. Artikel 2, § 7, b) van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" b) Onverminderd de bepalingen van de §§ 1 tot 6, de biologisch afbreekbare organische afvalstoffen opgenomen onder kolom 6 van de tabel in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus. "
" b) Onverminderd de bepalingen van de §§ 1 tot 6, de biologisch afbreekbare organische afvalstoffen opgenomen onder kolom 6 van de tabel in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus. "
Art. 41. Au mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'article 2, § 7, b), est remplacĂ© par ce qui suit :
" b) sans prĂ©judice des dispositions des §§ 1er Ă 6, les dĂ©chets organiques biodĂ©gradables repris Ă la colonne 6 du tableau figurant Ă l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets. "
" b) sans prĂ©judice des dispositions des §§ 1er Ă 6, les dĂ©chets organiques biodĂ©gradables repris Ă la colonne 6 du tableau figurant Ă l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets. "
Art. 42. Hetzelfde besluit wordt met een artikel 2bis aangevuld, luidend als volgt :
" Art. 2bis. Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in bijlage 1 of die geen proefnemingen vereisen overeenkomstig bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, in een centrum voor technische ingraving van klasse 3 of klasse 5.3. gestort worden.
Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in één van de bijlagen 2, 3, 3bis of 4 of die geen proefnemingen vereisen overeenkomstig bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, in een centrum voor technische ingraving van klasse 2 of klasse 5.2. gestort worden.
Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in bijlage 5 of die geen proefnemingen vereisen overeenkomstig bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, in een centrum voor technische ingraving van klasse 1 of klasse 5.1. gestort worden.
Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in bijlage 6 of die geen proefnemingen vereisen overeenkomstig bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, in een centrum voor technische ingraving van klasse 4 gestort worden.
Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in bijlage 7 in een ondergrondse opslag worden gestort. "
" Art. 2bis. Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in bijlage 1 of die geen proefnemingen vereisen overeenkomstig bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, in een centrum voor technische ingraving van klasse 3 of klasse 5.3. gestort worden.
Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in één van de bijlagen 2, 3, 3bis of 4 of die geen proefnemingen vereisen overeenkomstig bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, in een centrum voor technische ingraving van klasse 2 of klasse 5.2. gestort worden.
Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in bijlage 5 of die geen proefnemingen vereisen overeenkomstig bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, in een centrum voor technische ingraving van klasse 1 of klasse 5.1. gestort worden.
Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in bijlage 6 of die geen proefnemingen vereisen overeenkomstig bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, in een centrum voor technische ingraving van klasse 4 gestort worden.
Voor de afvalstoffen die krachtens artikel 2 niet vallen onder het stortverbod in een centrum voor technische ingraving, kunnen alleen de afvalstoffen die voldoen aan de aanvaardingscriteria opgenomen in bijlage 7 in een ondergrondse opslag worden gestort. "
Art. 42. Au mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est ajoutĂ© un article 2bis rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 2bis. Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission qui figurent dans l'annexe 1re ou qui ne nĂ©cessitent pas d'essais, conformĂ©ment Ă l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des CET, peuvent ĂȘtre mis en CET de classe 3 ou de classe 5.3.
Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission qui figurent dans une des annexes 2, 3, 3bis ou 4 ou qui ne nĂ©cessitent pas d'essais, conformĂ©ment Ă l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des CET, peuvent ĂȘtre mis en CET de classe 2 ou de classe 5.2.
Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission qui figurent dans l'annexe 5 ou qui ne nĂ©cessitent pas d'essais, conformĂ©ment Ă l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des CET, peuvent ĂȘtre mis en CET de classe 1 ou de classe 5.1.
Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission qui figurent dans l'annexe 6 ou qui ne nĂ©cessitent pas d'essais, conformĂ©ment Ă l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des CET, peuvent ĂȘtre admis dans un CET de classe 4.
Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission prĂ©cisĂ©s dans l'annexe 7 peuvent ĂȘtre mis dans les stockages souterrains. "
" Art. 2bis. Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission qui figurent dans l'annexe 1re ou qui ne nĂ©cessitent pas d'essais, conformĂ©ment Ă l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des CET, peuvent ĂȘtre mis en CET de classe 3 ou de classe 5.3.
Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission qui figurent dans une des annexes 2, 3, 3bis ou 4 ou qui ne nĂ©cessitent pas d'essais, conformĂ©ment Ă l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des CET, peuvent ĂȘtre mis en CET de classe 2 ou de classe 5.2.
Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission qui figurent dans l'annexe 5 ou qui ne nĂ©cessitent pas d'essais, conformĂ©ment Ă l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des CET, peuvent ĂȘtre mis en CET de classe 1 ou de classe 5.1.
Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission qui figurent dans l'annexe 6 ou qui ne nĂ©cessitent pas d'essais, conformĂ©ment Ă l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des CET, peuvent ĂȘtre admis dans un CET de classe 4.
Pour les dĂ©chets autres que ceux qui sont interdits de mise en CET en vertu de l'article 2, seuls ceux qui satisfont aux critĂšres d'admission prĂ©cisĂ©s dans l'annexe 7 peuvent ĂȘtre mis dans les stockages souterrains. "
Art. 43. Hetzelfde besluit wordt met een artikel 2ter aangevuld, luidend als volgt :
" De Minister bepaalt de technische voorwaarden voor de uitvoering van de percolatietest. "
" De Minister bepaalt de technische voorwaarden voor de uitvoering van de percolatietest. "
Art. 43. Au mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est ajoutĂ© un article 2ter rĂ©digĂ© comme suit :
" Le Ministre précise les conditions techniques de réalisation des tests de lixiviation. "
" Le Ministre précise les conditions techniques de réalisation des tests de lixiviation. "
Art. 44. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 1 zoals opgenomen in bijlage IV bij dit besluit :
" Bijlage 1. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen - klasse 3 en 5.3 "
" Bijlage 1. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen - klasse 3 en 5.3 "
Art. 44. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 1re, telle que figurant en annexe IV du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
" Annexe 1re. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets inertes - classes 3 et 5.3 ".
" Annexe 1re. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets inertes - classes 3 et 5.3 ".
Art. 45. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 2 zoals opgenomen in bijlage V bij dit besluit :
" Bijlage 2. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die niet voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden - klasse 2.1.a en 5.2.1.a. "
" Bijlage 2. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die niet voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden - klasse 2.1.a en 5.2.1.a. "
Art. 45. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 2, telle que figurant en annexe V du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
" Annexe 2. - CritĂšres d'admission des dĂ©chets en CET pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui ne remplissent pas les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs - classes 2.1.a et 5.2.1.a ".
" Annexe 2. - CritĂšres d'admission des dĂ©chets en CET pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui ne remplissent pas les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs - classes 2.1.a et 5.2.1.a ".
Art. 46. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 3 zoals opgenomen in bijlage VI bij dit besluit :
" Bijlage 3. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden - klasse 2.1.b en 5.2.1.b. "
" Bijlage 3. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden - klasse 2.1.b en 5.2.1.b. "
Art. 46. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 3, telle que figurant en annexe VI du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
" Annexe 3. - CritĂšres d'admission des dĂ©chets en CET pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui remplissent les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs - classes 2.1.b et 5.2.1.b ".
" Annexe 3. - CritĂšres d'admission des dĂ©chets en CET pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui remplissent les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs - classes 2.1.b et 5.2.1.b ".
Art. 47. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 3bis zoals opgenomen in bijlage VII bij dit besluit :
" Bijlage 3bis. Bijzondere voorwaarden inzake bepaalde afvalstoffen ".
" Bijlage 3bis. Bijzondere voorwaarden inzake bepaalde afvalstoffen ".
Art. 47. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 3bis, telle que figurant en annexe VII du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
" Annexe 3bis. - Conditions particuliÚres relatives à certains déchets ".
" Annexe 3bis. - Conditions particuliÚres relatives à certains déchets ".
Art. 48. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 4 zoals opgenomen in bijlage VIII bij dit besluit :
" Bijlage 4. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de centra voor technische ingraving voor ongevaarlijke biologisch afbreekbare organische afvalstoffen en verenigbare niet biologisch afbreekbare afvalstoffen - klasse 2.2 en 5.2.2. "
" Bijlage 4. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de centra voor technische ingraving voor ongevaarlijke biologisch afbreekbare organische afvalstoffen en verenigbare niet biologisch afbreekbare afvalstoffen - klasse 2.2 en 5.2.2. "
Art. 48. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 4, telle que figurant en annexe VIII du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
" Annexe 4. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets non dangereux, organiques biodégradables et déchets non biodégradables compatibles - classes 2.2 et 5.2.2 ".
" Annexe 4. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets non dangereux, organiques biodégradables et déchets non biodégradables compatibles - classes 2.2 et 5.2.2 ".
Art. 49. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 5 zoals opgenomen in bijlage IX bij dit besluit :
" Bijlage 5. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de centra voor technische ingraving voor gevaarlijke afvalstoffen - klasse 1 en 5.1. "
" Bijlage 5. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de centra voor technische ingraving voor gevaarlijke afvalstoffen - klasse 1 en 5.1. "
Art. 49. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 5, telle que figurant en annexe IX du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
" Annexe 5. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets dangereux - classes 1 et 5.1 ".
" Annexe 5. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets dangereux - classes 1 et 5.1 ".
Art. 50. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 6 zoals opgenomen in bijlage X bij dit besluit :
" Bijlage 6. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de centra voor technische ingraving van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden - Centrum voor technische ingraving van klasse 4. "
" Bijlage 6. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de centra voor technische ingraving van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden - Centrum voor technische ingraving van klasse 4. "
Art. 50. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 6, telle que figurant en annexe X du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
" Annexe 6. - CritÚres d'admission des déchets en CET de matiÚres enlevées du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage ou de curage - CET de classe 4 ".
" Annexe 6. - CritÚres d'admission des déchets en CET de matiÚres enlevées du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage ou de curage - CET de classe 4 ".
Art. 51. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage 7 zoals opgenomen in bijlage XI bij dit besluit :
" Bijlage 7. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de ondergrondse opslagplaatsen. "
" Bijlage 7. Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de ondergrondse opslagplaatsen. "
Art. 51. Le mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© d'une annexe 7, telle que figurant en annexe XI du prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
" Annexe 7. - CritÚres d'admission des déchets dans les stockages souterrains ".
" Annexe 7. - CritÚres d'admission des déchets dans les stockages souterrains ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
CHAPITRE III. - Modifications Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă la procĂ©dure et Ă diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement
Art. 52. Artikel 79 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, wordt vervangen als volgt :
" Art. 79. De zekerheid voor de exploitatie van een centrum voor technische ingraving dekt de kosten voor het herstel en de onderhoudsfases, het toezicht en de controle op de installatie gedurende de nabeheersperiode.
Het bedrag van de zekerheid voor het centrum voor technische ingraving wordt overeenkomstig artikel 82 door de bevoegde overheid bepaald na advies van de technisch ambtenaar. "
" Art. 79. De zekerheid voor de exploitatie van een centrum voor technische ingraving dekt de kosten voor het herstel en de onderhoudsfases, het toezicht en de controle op de installatie gedurende de nabeheersperiode.
Het bedrag van de zekerheid voor het centrum voor technische ingraving wordt overeenkomstig artikel 82 door de bevoegde overheid bepaald na advies van de technisch ambtenaar. "
Art. 52. L'article 79 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă la procĂ©dure et Ă diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis denvironnement est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 79. La sûreté pour l'exploitation d'un centre d'enfouissement technique couvre les frais afférents à la remise en état et aux phases de maintenance, de surveillance et de contrÎle de l'installation durant la période de post-gestion.
Le montant de la sûreté pour le centre d'enfouissement technique est fixé par l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique, conformément à l'article 82. "
" Art. 79. La sûreté pour l'exploitation d'un centre d'enfouissement technique couvre les frais afférents à la remise en état et aux phases de maintenance, de surveillance et de contrÎle de l'installation durant la période de post-gestion.
Le montant de la sûreté pour le centre d'enfouissement technique est fixé par l'autorité compétente sur avis du fonctionnaire technique, conformément à l'article 82. "
Art. 53. In artikel 80 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2 wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt :
" Wanneer de zekerheid voor een centrum voor technische ingraving wordt samengesteld in de vorm van één of meerdere bankgaranties, moet(en) ze aan de volgende voorwaarden voldoen :
- het gaat om een bankwaarborg op eerste verzoek ten gunste van de Waalse Regering waarbij de garant zich ertoe verbindt het gewaarborgde bedrag te volstorten binnen één maand na de aangetekende verzending per post van de aanvraag om volstorting van de waarborg door de Waalse Regering wegens gebrek aan uitvoering van de verplichtingen van de schuldenaar binnen één maand, met ingang van het vonnis van zijn faillietverklaring;
- de garant verklaart uitdrukkelijk afstand te doen van het voorrecht van uitwinning en verdeling, van de artikelen 2036, 2037 en 2039 van het Burgerlijk Wetboek en, in het algemeen, van elk voordeel en uitzondering die gerechtelijk voorzien zijn ten gunste van de garant, zowel tegen de schuldenaar als tegen de Waalse Regering;
- de uitvoering van de verplichtingen van de exploitant van het centrum voor technische ingraving inzake herstel en nabeheer overeenkomstig het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en de algemene en sectorale voorwaarden worden er onvoorwaardelijk in gewaarborgd. ";
2° § 3 wordt aangevuld met de volgende zin " Deze bepaling is niet van toepassing op de zekerheden betreffende de centra voor technische ingraving. "
1° § 2 wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt :
" Wanneer de zekerheid voor een centrum voor technische ingraving wordt samengesteld in de vorm van één of meerdere bankgaranties, moet(en) ze aan de volgende voorwaarden voldoen :
- het gaat om een bankwaarborg op eerste verzoek ten gunste van de Waalse Regering waarbij de garant zich ertoe verbindt het gewaarborgde bedrag te volstorten binnen één maand na de aangetekende verzending per post van de aanvraag om volstorting van de waarborg door de Waalse Regering wegens gebrek aan uitvoering van de verplichtingen van de schuldenaar binnen één maand, met ingang van het vonnis van zijn faillietverklaring;
- de garant verklaart uitdrukkelijk afstand te doen van het voorrecht van uitwinning en verdeling, van de artikelen 2036, 2037 en 2039 van het Burgerlijk Wetboek en, in het algemeen, van elk voordeel en uitzondering die gerechtelijk voorzien zijn ten gunste van de garant, zowel tegen de schuldenaar als tegen de Waalse Regering;
- de uitvoering van de verplichtingen van de exploitant van het centrum voor technische ingraving inzake herstel en nabeheer overeenkomstig het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en de algemene en sectorale voorwaarden worden er onvoorwaardelijk in gewaarborgd. ";
2° § 3 wordt aangevuld met de volgende zin " Deze bepaling is niet van toepassing op de zekerheden betreffende de centra voor technische ingraving. "
Art. 53. A l'article 80 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° le § 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Lorsque la sûreté pour un centre d'enfouissement technique est constituée sous la forme d'une ou de plusieurs garanties bancaires, elle(s) répond(ent) aux conditions suivantes :
- il s'agit d'une garantie bancaire à premiÚre demande au bénéfice du Gouvernement wallon, le garant s'engageant à libérer le montant garanti dans un délai d'un mois à dater de l'envoi par courrier recommandé à la poste de la demande de libération de la garantie par le Gouvernement wallon pour défaut d'exécution des obligations du débiteur dans un délai d'un mois à dater du jugement déclaratif de faillite du débiteur;
- le garant y déclare expressément renoncer au bénéfice de discussion et de division, au bénéfice des articles 2036, 2037 et 2039 du code civil et, en général, au bénéfice de tout avantage et exception juridiquement prévus en faveur du garant à l'encontre tant du débiteur que du Gouvernement wallon;
- l'exécution des obligations de l'exploitant du centre d'enfouissement technique en matiÚre de remise en état et de post-gestion découlant du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement et des conditions générales et sectorielles, y sont garanties de façon inconditionnelle. ";
2° le § 3 est complété par la phrase " Cette disposition ne s'applique pas aux sûretés concernant les centres d'enfouissement technique. "
1° le § 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Lorsque la sûreté pour un centre d'enfouissement technique est constituée sous la forme d'une ou de plusieurs garanties bancaires, elle(s) répond(ent) aux conditions suivantes :
- il s'agit d'une garantie bancaire à premiÚre demande au bénéfice du Gouvernement wallon, le garant s'engageant à libérer le montant garanti dans un délai d'un mois à dater de l'envoi par courrier recommandé à la poste de la demande de libération de la garantie par le Gouvernement wallon pour défaut d'exécution des obligations du débiteur dans un délai d'un mois à dater du jugement déclaratif de faillite du débiteur;
- le garant y déclare expressément renoncer au bénéfice de discussion et de division, au bénéfice des articles 2036, 2037 et 2039 du code civil et, en général, au bénéfice de tout avantage et exception juridiquement prévus en faveur du garant à l'encontre tant du débiteur que du Gouvernement wallon;
- l'exécution des obligations de l'exploitant du centre d'enfouissement technique en matiÚre de remise en état et de post-gestion découlant du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement et des conditions générales et sectorielles, y sont garanties de façon inconditionnelle. ";
2° le § 3 est complété par la phrase " Cette disposition ne s'applique pas aux sûretés concernant les centres d'enfouissement technique. "
Art. 54. In artikel 83 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden na de woorden " artikel 55, § 5° " de volgende woorden toegevoegd : " en in geval van een centrum voor technische ingraving, artikel 55, § 6bis, tweede en derde lid ";
2° in § 2 worden de woorden " ingediend door de exploitant " na de woorden " De aanvraag om vrijgave " toegevoegd en worden de woorden " of in artikel 55, § 6bis, tweede en derde lid " na de woorden " artikel 55, § 5° " toegevoegd;
3° in § 4 worden de woorden " ingediend door de exploitant en " na de woorden " De aanvraag om vrijgave van de zekerheid " toegevoegd, worden de woorden " overeenkomstig artikel 55, § 6bis, vierde en vijfde lid, van het decreet " na de woorden " het nabeheer van het centrum voor technische ondergraving " toegevoegd, en worden de woorden " door de exploitant " na de woorden " De aanvraag wordt " toegevoegd;
1° in § 1 worden na de woorden " artikel 55, § 5° " de volgende woorden toegevoegd : " en in geval van een centrum voor technische ingraving, artikel 55, § 6bis, tweede en derde lid ";
2° in § 2 worden de woorden " ingediend door de exploitant " na de woorden " De aanvraag om vrijgave " toegevoegd en worden de woorden " of in artikel 55, § 6bis, tweede en derde lid " na de woorden " artikel 55, § 5° " toegevoegd;
3° in § 4 worden de woorden " ingediend door de exploitant en " na de woorden " De aanvraag om vrijgave van de zekerheid " toegevoegd, worden de woorden " overeenkomstig artikel 55, § 6bis, vierde en vijfde lid, van het decreet " na de woorden " het nabeheer van het centrum voor technische ondergraving " toegevoegd, en worden de woorden " door de exploitant " na de woorden " De aanvraag wordt " toegevoegd;
Art. 54. A l'article 83 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au § 1er, aprÚs les mots " l'article 55, § 5 ", les mots suivants sont ajoutés : " et en cas de centre d'enfouissement technique, l'article 55, § 6bis, alinéa 2 et alinéa 3 ";
2° au § 2, les mots " , introduite par l'exploitant, " sont ajoutés aprÚs les mots " La demande de libération " et les mots " ou l'article 55, § 6 bis, alinéa 2 et alinéa 3 " sont ajoutés aprÚs les mots " l'article 55, § 5 ";
3° au § 4, les mots " , introduite par l'exploitant et " sont ajoutés aprÚs les mots " la demande de libération de la sûreté ", les mots " conformément à l'article 55, § 6bis, alinéa 4 et alinéa 5, du décret " sont ajoutés aprÚs les mots " post-gestion du centre d'enfouissement technique " et les mots " par l'exploitant " sont ajoutés aprÚs les mots " elle est adressée ".
1° au § 1er, aprÚs les mots " l'article 55, § 5 ", les mots suivants sont ajoutés : " et en cas de centre d'enfouissement technique, l'article 55, § 6bis, alinéa 2 et alinéa 3 ";
2° au § 2, les mots " , introduite par l'exploitant, " sont ajoutés aprÚs les mots " La demande de libération " et les mots " ou l'article 55, § 6 bis, alinéa 2 et alinéa 3 " sont ajoutés aprÚs les mots " l'article 55, § 5 ";
3° au § 4, les mots " , introduite par l'exploitant et " sont ajoutés aprÚs les mots " la demande de libération de la sûreté ", les mots " conformément à l'article 55, § 6bis, alinéa 4 et alinéa 5, du décret " sont ajoutés aprÚs les mots " post-gestion du centre d'enfouissement technique " et les mots " par l'exploitant " sont ajoutés aprÚs les mots " elle est adressée ".
Art. 55. In artikel 84 van hetzelfde besluit, in de eerste zin, worden de woorden " of zijn verplichtingen inzake nabeheer van het centrum voor technische ingraving " na de woorden " zijn herstelplicht " toegevoegd en worden de woorden " of het nabeheer van het centrum voor technische ingraving " na de woorden " de herstelwerken " toegevoegd.
Art. 55. A l'article 84 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, Ă la premiĂšre phrase, les mots " ou ses obligations de post-gestion du centre d'enfouissement technique " sont ajoutĂ©s aprĂšs les mots " ses obligations de remise en Ă©tat des lieux " et les mots " ou la post-gestion du centre d'enfouissement technique " sont ajoutĂ©s aprĂšs les mots " les travaux de remise en Ă©tat ".
Art. 56. In artikel 115 van hetzelfde besluit wordt het woord " bis " na de woorden " artikel 55, §§ 4 tot 6° " toegevoegd "
Art. 56. A l'article 115 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le mot " bis " est ajoutĂ© aprĂšs les mots " l'article 55, §§ 4 Ă 6 "
Art. 57. § 1. In bijlage VI van hetzelfde besluit, met als opschrift " Formulier betreffende de centra voor technische ondergraving ", wordt punt 4 van deel I gewijzigd als volgt :
" De voorgestelde tarieven voor het storten van elk soort afval in een centrum voor technische ingraving, alsmede de structuur van die tarieven, die hoe dan ook de kosten van de volgende elementen moeten dekken :
1. Inrichting van de installaties van de site en van het centrum voor technische ingraving (administratief gebouw, opslagplaats, weegbalans, een portaal voor het opsporen van radioactieve stoffen, zuiveringsstation, systeem voor gasbeheer, systeem voor het beheer van het afvloeiend hemelwater, grondige capping en aan de zijkant,...);
2. Werking en onderhoud van de werfvoertuigen tijdens de exploitatiejaren;
3. Werking van het systeem voor het beheer van de percolaten tijdens de exploitatiejaren;
4. Werking van het systeem voor het gasbeheer in de centra voor technische ingraving tijdens de exploitatiejaren;
5. Personeelskosten tijdens de exploitatiejaren;
6. Kosten van de campagnes i.v.m. de controles en de analyses van water en lucht tijdens de exploitatiejaren;
7. Administratieve kosten tijdens de exploitatiejaren;
8. Aflossing in kapitaal en interesten van de voorschotten gedaan tijdens de exploitatiejaren;
9. Kosten van het herstel na de exploitatie;
10. Kosten van het nabeheer na herstel over een periode van 30 jaar;
11. Verzekeringen en bankkosten i.v.m. de zekerheden o.a. "
§ 2. Deel I van dezelfde bijlage wordt aangevuld met een punt 24, luidend als volgt :
" 24. Een technische beschrijving en een overzicht van het vermogen van de aangewende middelen, en in het bijzonder het aantal en het type vrachtwagens, het aantal en het type verdichters, het aantal en het type bulldozers, het aantal en het type hydraulische graafmachines, ...enz. waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen het materiaal dat permanent op de site moet beschikbaar zijn en het materiaal dat op korte termijn ter beschikking kan worden gesteld. "
§ 3. Deel I van dezelfde bijlage wordt aangevuld met een punt 18, luidend als volgt :
" 18. de overwogen maatregelen voor de efficiënte beperking van elk risico voor het oppervlaktewater en het grondwater dat door het centrum voor technische ingraving kan worden besmet, namelijk het intern interventie- en beschermingsplan voor het grondwater dat moet worden aangewend bij overschrijding van de alarmdrempels inzake het grondwater; "
" De voorgestelde tarieven voor het storten van elk soort afval in een centrum voor technische ingraving, alsmede de structuur van die tarieven, die hoe dan ook de kosten van de volgende elementen moeten dekken :
1. Inrichting van de installaties van de site en van het centrum voor technische ingraving (administratief gebouw, opslagplaats, weegbalans, een portaal voor het opsporen van radioactieve stoffen, zuiveringsstation, systeem voor gasbeheer, systeem voor het beheer van het afvloeiend hemelwater, grondige capping en aan de zijkant,...);
2. Werking en onderhoud van de werfvoertuigen tijdens de exploitatiejaren;
3. Werking van het systeem voor het beheer van de percolaten tijdens de exploitatiejaren;
4. Werking van het systeem voor het gasbeheer in de centra voor technische ingraving tijdens de exploitatiejaren;
5. Personeelskosten tijdens de exploitatiejaren;
6. Kosten van de campagnes i.v.m. de controles en de analyses van water en lucht tijdens de exploitatiejaren;
7. Administratieve kosten tijdens de exploitatiejaren;
8. Aflossing in kapitaal en interesten van de voorschotten gedaan tijdens de exploitatiejaren;
9. Kosten van het herstel na de exploitatie;
10. Kosten van het nabeheer na herstel over een periode van 30 jaar;
11. Verzekeringen en bankkosten i.v.m. de zekerheden o.a. "
§ 2. Deel I van dezelfde bijlage wordt aangevuld met een punt 24, luidend als volgt :
" 24. Een technische beschrijving en een overzicht van het vermogen van de aangewende middelen, en in het bijzonder het aantal en het type vrachtwagens, het aantal en het type verdichters, het aantal en het type bulldozers, het aantal en het type hydraulische graafmachines, ...enz. waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen het materiaal dat permanent op de site moet beschikbaar zijn en het materiaal dat op korte termijn ter beschikking kan worden gesteld. "
§ 3. Deel I van dezelfde bijlage wordt aangevuld met een punt 18, luidend als volgt :
" 18. de overwogen maatregelen voor de efficiënte beperking van elk risico voor het oppervlaktewater en het grondwater dat door het centrum voor technische ingraving kan worden besmet, namelijk het intern interventie- en beschermingsplan voor het grondwater dat moet worden aangewend bij overschrijding van de alarmdrempels inzake het grondwater; "
Art. 57. § 1er. A l'annexe VI du mĂȘme arrĂȘtĂ©, intitulĂ©e " Formulaire relatif aux centres d'enfouissement technique ", le point 4 de la partie I est modifiĂ© comme suit :
" Les tarifs proposés pour la mise en CET de chaque type de déchet ainsi que la structure de ces tarifs, ceux-ci devant couvrir au moins les coûts des éléments suivants :
1. Aménagements des installations du site et du CET (bùtiment administratif, entrepÎt de stockage, bascule, portique de détection des matiÚres radioactives, station d'épuration, systÚme de gestion des gaz, systÚme de gestion des eaux de ruissellement, capping de fond et de flanc,...);
2. Fonctionnement et maintenance des engins de chantier pendant les années d'exploitation;
3. Fonctionnement du systÚme de gestion des lixiviats pendant les années d'exploitation;
4. Fonctionnement du systÚme de gestion des gaz de CET pendant les années d'exploitation;
5. Coût du personnel pendant les années d'exploitation;
6. Coût des campagnes de contrÎles et d'analyses sur les eaux et sur l'air pendant les années d'exploitation;
7. Frais administratifs pendant les années d'exploitation;
8. Amortissement en capital et en intĂ©rĂȘts des sommes avancĂ©es pendant les annĂ©es d'exploitation;
9. Coût de la remise en état aprÚs exploitation;
10. Coût de la post-gestion aprÚs remise en état sur une période de 30 ans;
11. Assurances et frais bancaires notamment ceux liés aux sûretés. "
§ 2. A la partie I de la mĂȘme annexe, le point 24 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
" 24. Une description technique et un relevĂ© de la capacitĂ© des moyens mis en oeuvre, et plus spĂ©cifiquement le nombre et le type de camions, le nombre et le type de compacteurs, le nombre et le type de bulldozers, le nombre et le type de pelles hydrauliques, etc. en distinguant le matĂ©riel qui doit ĂȘtre prĂ©sent en permanence sur le site et celui qui peut ĂȘtre mis Ă disposition dans un dĂ©lai rapprochĂ©. "
§ 3. A la partie I de la mĂȘme annexe, le point 18 est remplacĂ© par ce qui suit :
" 18. les mesures envisagĂ©es en vue de limiter efficacement tout risque pour les eaux de surface et les eaux souterraines susceptibles d'ĂȘtre affectĂ©es par le CET, notamment le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines Ă mettre en oeuvre en cas de dĂ©passement des seuils de dĂ©clenchement relatifs aux eaux souterraines; ".
" Les tarifs proposés pour la mise en CET de chaque type de déchet ainsi que la structure de ces tarifs, ceux-ci devant couvrir au moins les coûts des éléments suivants :
1. Aménagements des installations du site et du CET (bùtiment administratif, entrepÎt de stockage, bascule, portique de détection des matiÚres radioactives, station d'épuration, systÚme de gestion des gaz, systÚme de gestion des eaux de ruissellement, capping de fond et de flanc,...);
2. Fonctionnement et maintenance des engins de chantier pendant les années d'exploitation;
3. Fonctionnement du systÚme de gestion des lixiviats pendant les années d'exploitation;
4. Fonctionnement du systÚme de gestion des gaz de CET pendant les années d'exploitation;
5. Coût du personnel pendant les années d'exploitation;
6. Coût des campagnes de contrÎles et d'analyses sur les eaux et sur l'air pendant les années d'exploitation;
7. Frais administratifs pendant les années d'exploitation;
8. Amortissement en capital et en intĂ©rĂȘts des sommes avancĂ©es pendant les annĂ©es d'exploitation;
9. Coût de la remise en état aprÚs exploitation;
10. Coût de la post-gestion aprÚs remise en état sur une période de 30 ans;
11. Assurances et frais bancaires notamment ceux liés aux sûretés. "
§ 2. A la partie I de la mĂȘme annexe, le point 24 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
" 24. Une description technique et un relevĂ© de la capacitĂ© des moyens mis en oeuvre, et plus spĂ©cifiquement le nombre et le type de camions, le nombre et le type de compacteurs, le nombre et le type de bulldozers, le nombre et le type de pelles hydrauliques, etc. en distinguant le matĂ©riel qui doit ĂȘtre prĂ©sent en permanence sur le site et celui qui peut ĂȘtre mis Ă disposition dans un dĂ©lai rapprochĂ©. "
§ 3. A la partie I de la mĂȘme annexe, le point 18 est remplacĂ© par ce qui suit :
" 18. les mesures envisagĂ©es en vue de limiter efficacement tout risque pour les eaux de surface et les eaux souterraines susceptibles d'ĂȘtre affectĂ©es par le CET, notamment le plan interne d'intervention et de protection des eaux souterraines Ă mettre en oeuvre en cas de dĂ©passement des seuils de dĂ©clenchement relatifs aux eaux souterraines; ".
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen in het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten
CHAPITRE IV. - Modifications Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es
Art. 58. Rubriek 90.25.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten wordt vervangen als volgt :
Art. 58. La rubrique 90.25.02 de l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es est remplacĂ©e par ce qui suit :
| Nummer-Installatie of activiteit | Klasse | EIE | Te raadplegen orgaan | Deelfactoren | |||
| 90.25.02 | Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving van ongevaarlijke industriële en huishoudelijke afvalstoffen, zoals bedoeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen | ZH | ZHR | ZI | |||
| 90.25.02.01 | Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die niet voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden (klasse CET 2.1.a) | 1 | X | OWD, DE | |||
| 90.25.02.02 | Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden (klasse CET 2.1.b) | 1 | X | OWD, DE | |||
| 90.25.02.03 | Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke biologisch afbreekbare organische afvalstoffen en verenigbare niet biologisch afbreekbare afvalstoffen - onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen - (klasse CET 2.2) | 1 | X | OWD, DE | |||
90.25.02Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving van ongevaarlijke industriële en huishoudelijke afvalstoffen, zoals bedoeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen ZHZHRZI
90.25.02.01Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die niet voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden (klasse CET 2.1.a) 1XOWD, DE
90.25.02.02Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden (klasse CET 2.1.b) 1XOWD, DE
90.25.02.03Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke biologisch afbreekbare organische afvalstoffen en verenigbare niet biologisch afbreekbare afvalstoffen - onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen - (klasse CET 2.2)1XOWD, DE
| Numéro-Installation ou activité | Classe | EIE | Organisme à consulter | Facteurs de division | |||
| 90.25.02 | Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique de déchets non dangereux, industriels et ménagers, ces derniers tels que définis par l'article 2, 2°, du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets | ZH | ZHR | ZI | |||
| 90.25.02.01 | Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui ne remplissent pas les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs (classe CET 2.1.a) | 1 | X | OWD, DE | |||
| 90.25.02.02 | Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui remplissent les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs (classe CET 2.1.b) | 1 | X | OWD, DE | |||
| 90.25.02.03 | Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour déchets non dangereux, organiques biodégradables et déchets non biodégradables compatibles - sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 3 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets - (classe CET 2.2) | 1 | X | OWD, DE | |||
90.25.02Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique de déchets non dangereux, industriels et ménagers, ces derniers tels que définis par l'article 2, 2°, du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets ZHZHRZI
90.25.02.01Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui ne remplissent pas les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs (classe CET 2.1.a) 1XOWD, DE
90.25.02.02Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui remplissent les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs (classe CET 2.1.b) 1XOWD, DE
90.25.02.03Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour déchets non dangereux, organiques biodégradables et déchets non biodégradables compatibles - sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 3 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets - (classe CET 2.2)1XOWD, DE
Art. 59. Rubriek 90.25.05.02 van bijlage I van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
Art. 59. La rubrique 90.25.05.02 de l'annexe I du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ©e par ce qui suit :
| Nummer-Installatie of activiteit | Klasse | EIE | Te raadplegen orgaan | Deelfactoren | |||
| 90.25.05.02 | Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving van ongevaarlijke industriële afvalstoffen (klasse CET 5.2) | ZH | ZHR | ZI | |||
| 90.25.05.02.01 | Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die niet voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden (klasse CET 5.2.1.a) | 1 | X | OWD, DE | |||
| 90.25.05.02.02 | Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ondergraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden (klasse CET 5.2.1.b) | 1 | X | OWD, DE | |||
| 90.25.05.02.03 | Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke biologisch afbreekbare organische afvalstoffen en verenigbare niet biologisch afbreekbare afvalstoffen - onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen - (klasse CET 5.2.2) | 1 | X | OWD, DE | |||
90.25.05.02Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving van ongevaarlijke industriële afvalstoffen (klasse CET 5.2)ZHZHRZI
90.25.05.02.01Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die niet voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden (klasse CET 5.2.1.a) 1XOWD, DE
90.25.05.02.02Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ondergraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden (klasse CET 5.2.1.b) 1XOWD, DE
90.25.05.02.03Centrum voor technische ingraving en cellen van een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke biologisch afbreekbare organische afvalstoffen en verenigbare niet biologisch afbreekbare afvalstoffen - onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen - (klasse CET 5.2.2)1XOWD, DE
| Numéro-Installation ou activité | Classe | EIE | Organisme à consulter | Facteurs de division | |||
| 90.25.05.02 | Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour déchets industriels non dangereux (classe CET 5.2) | ZH | ZHR | ZI | |||
| 90.25.05.02.01 | Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui ne remplissent pas les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs (classe CET 5.2.1.a) | 1 | X | OWD, DE | |||
| 90.25.05.02.02 | Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui remplissent les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs (classe CET 5.2.1.b) | 1 | X | OWD, DE | |||
| 90.25.05.02.03 | Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour déchets non dangereux, organiques biodégradables et déchets non biodégradables compatibles - sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 3 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets - (classe CET 5.2.2) | 1 | X | OWD, DE | |||
90.25.05.02Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour déchets industriels non dangereux (classe CET 5.2)ZHZHRZI
90.25.05.02.01Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui ne remplissent pas les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs (classe CET 5.2.1.a) 1XOWD, DE
90.25.05.02.02Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux qui remplissent les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs (classe CET 5.2.1.b) 1XOWD, DE
90.25.05.02.03Centre d'enfouissement technique et cellules de centre d'enfouissement technique pour déchets non dangereux, organiques biodégradables et déchets non biodégradables compatibles - sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 3 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets - (classe CET 5.2.2)1XOWD, DE
HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE V. - Dispositions transitoires et finales
Art. 60. § 1. De bepalingen van de hoofdstukken I en II zijn van toepassing op de centra voor technische ingraving die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit bestaan zodra dit besluit in werking treedt, behalve voor :
1° de gestelde zekerheden die binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen van de datum van inwerkingtreding van dit besluit zullen moeten worden aangepast. De jaarlijkse aanpassing opgelegd bij artikel 82, § 1, tweede lid, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning zoals bepaald in artikel 69, § 4 van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving geldt evenwel vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
2° de watermonitoring waarvoor het in overeenstemming brengen moet worden uitgevoerd binnen de zes maanden die volgen op deze datum;
3° het exploitatieplan bedoeld in artikel 33 van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving wordt aan de technisch ambtenaar overgemaakt binnen de maand na de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. Voor de centra voor technische ingraving van klasse 5 vergund vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven de bijzondere voorwaarden inzake watermonitoring geldig voor de vastgelegde termijn.
1° de gestelde zekerheden die binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen van de datum van inwerkingtreding van dit besluit zullen moeten worden aangepast. De jaarlijkse aanpassing opgelegd bij artikel 82, § 1, tweede lid, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning zoals bepaald in artikel 69, § 4 van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving geldt evenwel vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
2° de watermonitoring waarvoor het in overeenstemming brengen moet worden uitgevoerd binnen de zes maanden die volgen op deze datum;
3° het exploitatieplan bedoeld in artikel 33 van het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving wordt aan de technisch ambtenaar overgemaakt binnen de maand na de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. Voor de centra voor technische ingraving van klasse 5 vergund vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven de bijzondere voorwaarden inzake watermonitoring geldig voor de vastgelegde termijn.
Art. 60. § 1er Les dispositions des chapitres I et II s'appliquent aux centres d'enfouissement technique existants Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© dĂšs l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sauf en ce qui concerne :
1° les sĂ»retĂ©s constituĂ©es qui devront ĂȘtre ajustĂ©es dans un dĂ©lai de cinq annĂ©es Ă dater de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. L'ajustement annuel, imposĂ© Ă l'article 82, § 1er, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2001 relatif Ă la procĂ©dure et Ă diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement tel que concrĂ©tisĂ© par l'article 69, § 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique s'applique toutefois dĂšs la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
2° le contrĂŽle des eaux pour lequel la mise en conformitĂ© doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© dans les six mois qui suivent cette date;
3° le plan d'exploitation visĂ© Ă l'article 33 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, est transmis au fonctionnaire technique dans le mois qui suit l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 2. Pour les centres d'enfouissement technique de classe 5 autorisĂ©s avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les conditions particuliĂšres relatives au contrĂŽle des eaux restent valables pour le terme fixĂ©.
1° les sĂ»retĂ©s constituĂ©es qui devront ĂȘtre ajustĂ©es dans un dĂ©lai de cinq annĂ©es Ă dater de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. L'ajustement annuel, imposĂ© Ă l'article 82, § 1er, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2001 relatif Ă la procĂ©dure et Ă diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement tel que concrĂ©tisĂ© par l'article 69, § 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique s'applique toutefois dĂšs la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
2° le contrĂŽle des eaux pour lequel la mise en conformitĂ© doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© dans les six mois qui suivent cette date;
3° le plan d'exploitation visĂ© Ă l'article 33 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, est transmis au fonctionnaire technique dans le mois qui suit l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
§ 2. Pour les centres d'enfouissement technique de classe 5 autorisĂ©s avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les conditions particuliĂšres relatives au contrĂŽle des eaux restent valables pour le terme fixĂ©.
Art. 61. § 1. De milieuvergunningsaanvragen betreffende een centrum voor technische ingraving gerangschikt in rubriek 90.25.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en de centra voor technische ingraving gerangschikt in rubriek 90.25.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit bestaan, worden gelijkgesteld met aanvragen of centra voor technische ingraving bedoeld in de subrubriek(en) 90.25.02.01 tot 90.25.02.03 en dit, op basis van de gegevens opgenomen in de milieuvergunningsaanvraag.
§ 2. De milieuvergunningsaanvragen betreffende een centrum voor technische ingraving gerangschikt in rubriek 90.25.05.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en de centra voor technische ingraving gerangschikt in rubriek 90.25.05.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit bestaan, worden gelijkgesteld met aanvragen of centra voor technische ingraving bedoeld in de subrubriek(en) 90.25.05.02.01 tot 90.25.05.02.03 en dit, op basis van de gegevens opgenomen in de milieuvergunningsaanvraag.
§ 2. De milieuvergunningsaanvragen betreffende een centrum voor technische ingraving gerangschikt in rubriek 90.25.05.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en de centra voor technische ingraving gerangschikt in rubriek 90.25.05.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit bestaan, worden gelijkgesteld met aanvragen of centra voor technische ingraving bedoeld in de subrubriek(en) 90.25.05.02.01 tot 90.25.05.02.03 en dit, op basis van de gegevens opgenomen in de milieuvergunningsaanvraag.
Art. 61. § 1er. Les demandes de permis d'environnement relatif Ă un centre d'enfouissement technique classĂ© dans la rubrique 90.25.02 de l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es introduites avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les centres d'enfouissement technique classĂ©s dans la rubrique 90.25.02 de l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es existant Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont assimilĂ©s Ă des demandes ou Ă des centres d'enfouissement technique visĂ©s par la ou les sous-rubrique(s) 90.25.02.01 Ă 90.25.02.03 et ce, sur la base des donnĂ©es reprises dans la demande de permis d'environnement.
§ 2. Les demandes de permis d'environnement relatif Ă un centre d'enfouissement technique classĂ© dans la rubrique 90.25.05.02 de l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es introduites avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les centres d'enfouissement technique classĂ©s dans la rubrique 90.25.05.02 de l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es existant Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont assimilĂ©s Ă des demandes ou Ă des centres d'enfouissement technique visĂ©s par la ou les sous-rubrique(s) 90.25.05.02.01 Ă 90.25.05.02.03 et ce, sur la base des donnĂ©es reprises dans la demande de permis d'environnement.
§ 2. Les demandes de permis d'environnement relatif Ă un centre d'enfouissement technique classĂ© dans la rubrique 90.25.05.02 de l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es introduites avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les centres d'enfouissement technique classĂ©s dans la rubrique 90.25.05.02 de l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es existant Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont assimilĂ©s Ă des demandes ou Ă des centres d'enfouissement technique visĂ©s par la ou les sous-rubrique(s) 90.25.05.02.01 Ă 90.25.05.02.03 et ce, sur la base des donnĂ©es reprises dans la demande de permis d'environnement.
Art. 62. Onverminderd de artikelen 59 en 60, worden de vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit ingediende milieuvergunningsaanvragen voor een centrum voor technische ingraving behandeld volgens de regels van kracht op het tijdstip van indiening van de aanvraag.
Art. 62. Sans prĂ©judice des articles 59 et 60, les demandes de permis d'environnement pour un centre d'enfouissement technique introduites avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont traitĂ©es selon les rĂšgles en vigueur au moment de l'introduction de la demande.
Art. 63. Het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater wordt opgeheven wat betreft de inrichtingen bedoeld in dit besluit.
Art. 63. L'arrĂȘtĂ© royal du 3 aoĂ»t 1976 portant le rĂšglement gĂ©nĂ©ral relatif aux dĂ©versements des eaux usĂ©es dans les eaux de surface ordinaires, dans les Ă©gouts publics et dans les voies artificielles d'Ă©coulement des eaux pluviales est abrogĂ© pour ce qui concerne les Ă©tablissements visĂ©s par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 64. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 64. Le Ministre de l'Environnement est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Namur, le 7 octobre 2010.
Namur, le 7 octobre 2010.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. - " Bijlage 3. - Indeling en aanvaardingsprocedure voor afvalstoffen "
Deze bijlage schrijft de uniforme indeling en de aanvaardingsprocedure voor afvalstoffen voor.
Punt 1 van deze bijlage schrijft de procedure voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van afvalstoffen in centra voor technische ingraving voor. Deze procedure bestaat uit de basiskarakterisering, een controletest en de verificatie ter plaatse, zoals hieronder omschreven.
Punt 2 van deze bijlage geeft een overzicht van de te gebruiken methoden voor het bemonsteren en testen van afvalstoffen.
Punt 3 van deze bijlage beschrijft de voor ondergrondse opslagplaatsen uit te voeren veiligheidsbeoordeling.
1. PROCEDURE VOOR DE AANVAARDING VAN DE AFVALSTOFFEN IN DE CENTRA VOOR TECHNISCHE INGRAVING
1.1. Basiskarakterisering
Basiskarakterisering is de eerste stap in de aanvaardingsprocedure en houdt een volledige karakterisering van de afvalstoffen in door het verzamelen van alle benodigde informatie voor het veilig verwijderen van de afvalstoffen op lange termijn. Voor elk type afvalstof is basiskarakterisering vereist.
1.1.1. Basiskarakterisering heeft de volgende functies :
a) basisinformatie over de afvalstoffen (type en herkomst, samenstelling, consistentie, uitloogbaarheid en - zo nodig en beschikbaar - andere karakteristieke eigenschappen);
b) basisinformatie voor het verwerven van inzicht in het gedrag van afvalstoffen in de centra voor technische ingraving en opties voor behandeling zoals vastgesteld in artikel 2, 13° van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
c) beoordeling van afvalstoffen aan de hand van grenswaarden bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving;
d) vaststelling van de belangrijkste variabelen (kritische parameters) voor het uitvoeren van de controletest en opties voor de vereenvoudiging van deze test (wat moet leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal te meten bestanddelen, maar uitsluitend na overlegging van de relevante informatie). Karakterisering kan verhoudingen tussen basiskarakterisering en resultaten van vereenvoudigde testprocedures opleveren alsmede frequentie van controletests.
Als de basiskarakterisering van een afvalstof laat zien dat de afvalstof voldoet aan de aanvaardingscriteria van een klasse van centra voor technische ingraving zoals bepaald in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving wordt de afvalstof geacht aanvaardbaar te zijn voor deze klasse van centra voor technische ingraving. Indien de afvalstof niet aan de criteria voldoet, is deze niet aanvaardbaar voor deze klasse van centra voor technische ingraving.
De exploitant zorgt ervoor dat de informatie aangaande de karakterisering en die verstrekt wordt door de producent van de afvalstoffen of, bij gebrek, door de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer ervan, correct is.
De uitbater vermeldt in een register opgelegd bij artikel 25 van dit besluit de informatie waaruit blijkt dat de elementaire eisen met het oog op de basiskarakterisering van een afvalstof vervuld zijn.
1.1.2. De essentiële eisen voor basiskarakterisering van de afvalstoffen zijn de volgende :
a) bron en oorsprong van de afvalstoffen;
b) informatie over het proces waarbij de afvalstoffen zijn geproduceerd (beschrijving en kenmerken van grondstoffen en producten);
c) beschrijving van de afvalvoorbehandeling die is toegepast zoals omschreven in artikel 2, 13° van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen of een verklaring van redenen waarom zulk een voorbehandeling niet noodzakelijk wordt geacht;
d) gegevens over de samenstelling van de afvalstoffen en het uitlooggedrag indien van toepassing;
e) uiterlijk van de afvalstoffen (geur, kleur, fysische vorm);
f) code van de afvalstoffen volgens de nomenclatuur opgenomen in het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus;
g ) voor gevaarlijke afvalstoffen ingeval van spiegelcategorieën : de desbetreffende gevaarlijke eigenschappen overeenkomstig bijlage III bij besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus;
h) informatie waaruit blijkt dat de afvalstoffen niet onder de uitsluitingen van artikel 19° § 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen vallen;
i) de klasse van centra voor technische ingraving waarin de afvalstoffen kunnen worden aanvaard;
j) zo nodig, aanvullende voorzorgsmaatregelen op het centrum voor technische ingraving;
k) nagaan of recycling of nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk is.
1.1.3. Testen
Behalve in de gevallen bedoeld in punt 1.1.4, dient een afvalstof te worden getest om bovenbedoelde informatie te verkrijgen. Behalve het uitlooggedrag dient de samenstelling van de afval bekend te zijn of door uitvoering van tests te worden vastgesteld. De voor de basiskarakterisering gebruikte tests dienen ook die voor het uitvoeren van de controle te omvatten.
De inhoud van de karakterisering, de mate waarin laboratoriumproeven nodig zijn en de relatie tussen basiskarakterisering en controletest hangen af van het type afval. Er valt een onderscheid te maken tussen :
a) afval dat regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat;
b) afval dat niet regelmatig ontstaat.
De onder a) en b) genoemde karakteriseringen zullen informatie verschaffen die rechtstreeks kan worden vergeleken met aanvaardingscriteria voor de desbetreffende centra voor technische ingraving; en bovendien kan beschrijvende informatie worden verstrekt (bijvoorbeeld de gevolgen van het storten van dit afval samen met huishoudelijk afval).
a) Afval dat regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat
Hierbij gaat het om specifieke afvalstoffen met een constante samenstelling die regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat, waarbij :
- de installatie en het proces die de afvalstoffen doen ontstaan, genoegzaam bekend zijn en het ingezette materiaal voor het proces en het proces zelf nauwkeurig zijn omschreven;
- de exploitant van de installatie alle benodigde informatie verstrekt en de exploitant van het centrum voor technische ingraving informeert over veranderingen in het proces (met name veranderingen in het ingezette materiaal).
Het proces zal veelal in dezelfde installatie plaatsvinden. De afvalstoffen kunnen ook van verschillende installaties afkomstig zijn, als kan worden vastgesteld dat het één enkele afvalstroom met gemeenschappelijke kenmerken binnen bekende grenzen betreft (bijvoorbeeld bodemas afkomstig van de verbranding van huishoudelijk afval).
Voor deze afvalstoffen zal de basiskarakterisering bestaan uit de in punt 1.1.2 opgenomen essentiële eisen en met name uit het volgende :
- spreiding in de samenstelling van de afzonderlijke afvalstoffen,
- spreiding en variabiliteit van karakteristieke eigenschappen,
- indien nodig, de uitloogbaarheid van de afvalstoffen zoals bepaald door middel van een schudproef en/of een kolomproef en/of een pH-afhankelijkheidsproef,
- belangrijkste variabelen die regelmatig moeten worden getest.
Als de afvalproductie tijdens hetzelfde proces in verschillende installaties plaatsheeft, dient informatie te worden verstrekt over de omvang van de evaluatie. Het aantal metingen om een statistisch representatief resultaat te halen, moet derhalve groot genoeg zijn om de spreiding en variabiliteit van de karakteristieke eigenschappen van de afvalstoffen in beeld te brengen. De afval kan dan als gekarakteriseerd worden aangemerkt en wordt daarna slechts ter controle getest, tenzij er zich in de ontstaansprocessen belangrijke veranderingen voordoen.
Voor afvalstoffen, afkomstig van hetzelfde proces in dezelfde installatie, mogen de resultaten van de metingen slechts geringe variaties in de eigenschappen van de afvalstoffen vertonen in vergelijking met de toepasselijke grenswaarden. De afval kan dan als gekarakteriseerd worden aangemerkt en wordt daarna slechts ter controle getest, tenzij er zich in het ontstaansproces belangrijke veranderingen voordoen.
De eigenschappen van afval, afkomstig van installaties voor het opbulken of mengen van afval, afvaloverslagstations of gemengde afvalstromen afkomstig van afvalinzamelingspunten kunnen aanzienlijke variaties vertonen. Bij de basiskarakterisering dient hiermee rekening te worden gehouden. Dit afval kan onder geval b) vallen.
b) Afval dat niet regelmatig ontstaat.
Het betreft hier afvalstoffen die niet regelmatig tijdens hetzelfde proces in dezelfde installatie ontstaan en die geen deel uitmaken van een gekarakteriseerde afvalstroom. Voor elke partij van dergelijk afval is karakterisering vereist. De basiskarakterisering dient de essentiële eisen voor deze karakterisering te omvatten. Aangezien elke partij afval moet worden gekarakteriseerd, is uitvoering van controletests niet noodzakelijk.
1.1.4. Gevallen waarin tests niet vereist zijn
In de volgende gevallen zijn tests voor de basiskarakterisering niet nodig :
a) de afvalstoffen staan op de hiernavermelde lijst van afvalstoffen waarvoor geen tests vereist zijn;
b) alle benodigde informatie voor de basiskarakterisering is bekend, naar behoren gemotiveerd en door de bevoegde instantie goedgekeurd;
c) bepaalde typen afval waarvoor het testen niet uitvoerbaar is of passende testprocedures en aanvaardingscriteria ontbreken. Dit dient te worden gemotiveerd en gedocumenteerd, met omschrijving van de redenen waarom de afval aanvaardbaar wordt geacht voor deze klasse van centrum voor technische ingraving.
Lijst van afvalstoffen die zonder tests aanvaardbaar zijn in centra voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen
De afvalstoffen in de volgende beknopte lijst worden geacht te voldoen aan de criteria, vermeld in de definitie van inerte afvalstoffen in artikel 2, 6°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, alsook aan de grenswaarden die van toepassing zijn op de afvalstoffen die aanvaardbaar zijn in de centra voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen. Die afvalstoffen mogen zonder tests in een centrum voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen worden toegelaten.
De afval dient uit één enkele stroom (slechts één bron) van één afvaltype te bestaan. Verschillende afvalstoffen op de lijst kunnen tezamen worden aanvaard, mits ze van dezelfde bron afkomstig zijn.
In geval van een vermoeden van vervuiling (op grond van ofwel visuele inspectie ofwel kennis van de oorsprong van de afvalstoffen) dienen tests plaats te vinden of dienen de afvalstoffen te worden geweigerd. Als de in de lijst voorkomende afvalstoffen zo sterk vervuild zijn of zoveel ander materiaal of andere stoffen, zoals metalen, asbest, kunststoffen of chemische stoffen, bevatten dat het risico van de afvalstoffen dermate wordt verhoogd dat ze op stortplaatsen van andere klassen dienen te worden gestort, is aanvaarding ervan in een centrum voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen niet toegestaan.
Als niet met zekerheid is vast te stellen dat de afvalstoffen in overeenstemming zijn met de definitie van inerte afvalstoffen in artikel 2, 6°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en met de grenswaarden die van toepassing zijn op de afvalstoffen die aanvaardbaar zijn in de centra voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen, moeten tests plaatsvinden. Daarbij moeten de in punt 2 van deze bijlage vermelde methoden worden gebruikt.
Deze bijlage schrijft de uniforme indeling en de aanvaardingsprocedure voor afvalstoffen voor.
Punt 1 van deze bijlage schrijft de procedure voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van afvalstoffen in centra voor technische ingraving voor. Deze procedure bestaat uit de basiskarakterisering, een controletest en de verificatie ter plaatse, zoals hieronder omschreven.
Punt 2 van deze bijlage geeft een overzicht van de te gebruiken methoden voor het bemonsteren en testen van afvalstoffen.
Punt 3 van deze bijlage beschrijft de voor ondergrondse opslagplaatsen uit te voeren veiligheidsbeoordeling.
1. PROCEDURE VOOR DE AANVAARDING VAN DE AFVALSTOFFEN IN DE CENTRA VOOR TECHNISCHE INGRAVING
1.1. Basiskarakterisering
Basiskarakterisering is de eerste stap in de aanvaardingsprocedure en houdt een volledige karakterisering van de afvalstoffen in door het verzamelen van alle benodigde informatie voor het veilig verwijderen van de afvalstoffen op lange termijn. Voor elk type afvalstof is basiskarakterisering vereist.
1.1.1. Basiskarakterisering heeft de volgende functies :
a) basisinformatie over de afvalstoffen (type en herkomst, samenstelling, consistentie, uitloogbaarheid en - zo nodig en beschikbaar - andere karakteristieke eigenschappen);
b) basisinformatie voor het verwerven van inzicht in het gedrag van afvalstoffen in de centra voor technische ingraving en opties voor behandeling zoals vastgesteld in artikel 2, 13° van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
c) beoordeling van afvalstoffen aan de hand van grenswaarden bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving;
d) vaststelling van de belangrijkste variabelen (kritische parameters) voor het uitvoeren van de controletest en opties voor de vereenvoudiging van deze test (wat moet leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal te meten bestanddelen, maar uitsluitend na overlegging van de relevante informatie). Karakterisering kan verhoudingen tussen basiskarakterisering en resultaten van vereenvoudigde testprocedures opleveren alsmede frequentie van controletests.
Als de basiskarakterisering van een afvalstof laat zien dat de afvalstof voldoet aan de aanvaardingscriteria van een klasse van centra voor technische ingraving zoals bepaald in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving wordt de afvalstof geacht aanvaardbaar te zijn voor deze klasse van centra voor technische ingraving. Indien de afvalstof niet aan de criteria voldoet, is deze niet aanvaardbaar voor deze klasse van centra voor technische ingraving.
De exploitant zorgt ervoor dat de informatie aangaande de karakterisering en die verstrekt wordt door de producent van de afvalstoffen of, bij gebrek, door de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer ervan, correct is.
De uitbater vermeldt in een register opgelegd bij artikel 25 van dit besluit de informatie waaruit blijkt dat de elementaire eisen met het oog op de basiskarakterisering van een afvalstof vervuld zijn.
1.1.2. De essentiële eisen voor basiskarakterisering van de afvalstoffen zijn de volgende :
a) bron en oorsprong van de afvalstoffen;
b) informatie over het proces waarbij de afvalstoffen zijn geproduceerd (beschrijving en kenmerken van grondstoffen en producten);
c) beschrijving van de afvalvoorbehandeling die is toegepast zoals omschreven in artikel 2, 13° van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen of een verklaring van redenen waarom zulk een voorbehandeling niet noodzakelijk wordt geacht;
d) gegevens over de samenstelling van de afvalstoffen en het uitlooggedrag indien van toepassing;
e) uiterlijk van de afvalstoffen (geur, kleur, fysische vorm);
f) code van de afvalstoffen volgens de nomenclatuur opgenomen in het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus;
g ) voor gevaarlijke afvalstoffen ingeval van spiegelcategorieën : de desbetreffende gevaarlijke eigenschappen overeenkomstig bijlage III bij besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus;
h) informatie waaruit blijkt dat de afvalstoffen niet onder de uitsluitingen van artikel 19° § 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen vallen;
i) de klasse van centra voor technische ingraving waarin de afvalstoffen kunnen worden aanvaard;
j) zo nodig, aanvullende voorzorgsmaatregelen op het centrum voor technische ingraving;
k) nagaan of recycling of nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk is.
1.1.3. Testen
Behalve in de gevallen bedoeld in punt 1.1.4, dient een afvalstof te worden getest om bovenbedoelde informatie te verkrijgen. Behalve het uitlooggedrag dient de samenstelling van de afval bekend te zijn of door uitvoering van tests te worden vastgesteld. De voor de basiskarakterisering gebruikte tests dienen ook die voor het uitvoeren van de controle te omvatten.
De inhoud van de karakterisering, de mate waarin laboratoriumproeven nodig zijn en de relatie tussen basiskarakterisering en controletest hangen af van het type afval. Er valt een onderscheid te maken tussen :
a) afval dat regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat;
b) afval dat niet regelmatig ontstaat.
De onder a) en b) genoemde karakteriseringen zullen informatie verschaffen die rechtstreeks kan worden vergeleken met aanvaardingscriteria voor de desbetreffende centra voor technische ingraving; en bovendien kan beschrijvende informatie worden verstrekt (bijvoorbeeld de gevolgen van het storten van dit afval samen met huishoudelijk afval).
a) Afval dat regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat
Hierbij gaat het om specifieke afvalstoffen met een constante samenstelling die regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat, waarbij :
- de installatie en het proces die de afvalstoffen doen ontstaan, genoegzaam bekend zijn en het ingezette materiaal voor het proces en het proces zelf nauwkeurig zijn omschreven;
- de exploitant van de installatie alle benodigde informatie verstrekt en de exploitant van het centrum voor technische ingraving informeert over veranderingen in het proces (met name veranderingen in het ingezette materiaal).
Het proces zal veelal in dezelfde installatie plaatsvinden. De afvalstoffen kunnen ook van verschillende installaties afkomstig zijn, als kan worden vastgesteld dat het één enkele afvalstroom met gemeenschappelijke kenmerken binnen bekende grenzen betreft (bijvoorbeeld bodemas afkomstig van de verbranding van huishoudelijk afval).
Voor deze afvalstoffen zal de basiskarakterisering bestaan uit de in punt 1.1.2 opgenomen essentiële eisen en met name uit het volgende :
- spreiding in de samenstelling van de afzonderlijke afvalstoffen,
- spreiding en variabiliteit van karakteristieke eigenschappen,
- indien nodig, de uitloogbaarheid van de afvalstoffen zoals bepaald door middel van een schudproef en/of een kolomproef en/of een pH-afhankelijkheidsproef,
- belangrijkste variabelen die regelmatig moeten worden getest.
Als de afvalproductie tijdens hetzelfde proces in verschillende installaties plaatsheeft, dient informatie te worden verstrekt over de omvang van de evaluatie. Het aantal metingen om een statistisch representatief resultaat te halen, moet derhalve groot genoeg zijn om de spreiding en variabiliteit van de karakteristieke eigenschappen van de afvalstoffen in beeld te brengen. De afval kan dan als gekarakteriseerd worden aangemerkt en wordt daarna slechts ter controle getest, tenzij er zich in de ontstaansprocessen belangrijke veranderingen voordoen.
Voor afvalstoffen, afkomstig van hetzelfde proces in dezelfde installatie, mogen de resultaten van de metingen slechts geringe variaties in de eigenschappen van de afvalstoffen vertonen in vergelijking met de toepasselijke grenswaarden. De afval kan dan als gekarakteriseerd worden aangemerkt en wordt daarna slechts ter controle getest, tenzij er zich in het ontstaansproces belangrijke veranderingen voordoen.
De eigenschappen van afval, afkomstig van installaties voor het opbulken of mengen van afval, afvaloverslagstations of gemengde afvalstromen afkomstig van afvalinzamelingspunten kunnen aanzienlijke variaties vertonen. Bij de basiskarakterisering dient hiermee rekening te worden gehouden. Dit afval kan onder geval b) vallen.
b) Afval dat niet regelmatig ontstaat.
Het betreft hier afvalstoffen die niet regelmatig tijdens hetzelfde proces in dezelfde installatie ontstaan en die geen deel uitmaken van een gekarakteriseerde afvalstroom. Voor elke partij van dergelijk afval is karakterisering vereist. De basiskarakterisering dient de essentiële eisen voor deze karakterisering te omvatten. Aangezien elke partij afval moet worden gekarakteriseerd, is uitvoering van controletests niet noodzakelijk.
1.1.4. Gevallen waarin tests niet vereist zijn
In de volgende gevallen zijn tests voor de basiskarakterisering niet nodig :
a) de afvalstoffen staan op de hiernavermelde lijst van afvalstoffen waarvoor geen tests vereist zijn;
b) alle benodigde informatie voor de basiskarakterisering is bekend, naar behoren gemotiveerd en door de bevoegde instantie goedgekeurd;
c) bepaalde typen afval waarvoor het testen niet uitvoerbaar is of passende testprocedures en aanvaardingscriteria ontbreken. Dit dient te worden gemotiveerd en gedocumenteerd, met omschrijving van de redenen waarom de afval aanvaardbaar wordt geacht voor deze klasse van centrum voor technische ingraving.
Lijst van afvalstoffen die zonder tests aanvaardbaar zijn in centra voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen
De afvalstoffen in de volgende beknopte lijst worden geacht te voldoen aan de criteria, vermeld in de definitie van inerte afvalstoffen in artikel 2, 6°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, alsook aan de grenswaarden die van toepassing zijn op de afvalstoffen die aanvaardbaar zijn in de centra voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen. Die afvalstoffen mogen zonder tests in een centrum voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen worden toegelaten.
De afval dient uit één enkele stroom (slechts één bron) van één afvaltype te bestaan. Verschillende afvalstoffen op de lijst kunnen tezamen worden aanvaard, mits ze van dezelfde bron afkomstig zijn.
In geval van een vermoeden van vervuiling (op grond van ofwel visuele inspectie ofwel kennis van de oorsprong van de afvalstoffen) dienen tests plaats te vinden of dienen de afvalstoffen te worden geweigerd. Als de in de lijst voorkomende afvalstoffen zo sterk vervuild zijn of zoveel ander materiaal of andere stoffen, zoals metalen, asbest, kunststoffen of chemische stoffen, bevatten dat het risico van de afvalstoffen dermate wordt verhoogd dat ze op stortplaatsen van andere klassen dienen te worden gestort, is aanvaarding ervan in een centrum voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen niet toegestaan.
Als niet met zekerheid is vast te stellen dat de afvalstoffen in overeenstemming zijn met de definitie van inerte afvalstoffen in artikel 2, 6°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en met de grenswaarden die van toepassing zijn op de afvalstoffen die aanvaardbaar zijn in de centra voor technische ingraving voor inerte afvalstoffen, moeten tests plaatsvinden. Daarbij moeten de in punt 2 van deze bijlage vermelde methoden worden gebruikt.
Art. N1. Annexe 1er. - " Annexe 3. - Procédure de classification et d'admission des déchets "
La présente annexe définit la procédure uniforme de classification et d'admission des déchets.
Le point 1 de la présente annexe définit la procédure visant à déterminer l'admissibilité des déchets dans les centres d'enfouissement technique. Cette procédure comprend la caractérisation de base, la vérification de la conformité et la vérification sur place, telles que définies ci-aprÚs.
Le point 2 de la présente annexe énumÚre les méthodes à utiliser pour l'échantillonnage et l'analyse des déchets.
Le point 3 de la prĂ©sente annexe dĂ©finit l'Ă©valuation de la sĂ©curitĂ© qui doit ĂȘtre menĂ©e pour le stockage souterrain.
1. PROCEDURE D'ADMISSION DES DECHETS DANS LES CENTRES D'ENFOUISSEMENT TECHNIQUE
1.1. Caractérisation de base
La caractérisation de base est la premiÚre étape de la procédure d'admission; elle consiste à caractériser globalement les déchets en rassemblant toutes les informations nécessaires à une élimination sûre des déchets à long terme. La caractérisation de base est requise pour chaque type de déchets.
1.1.1. Les fonctions de la caractérisation de base sont les suivantes :
a) informations de base concernant le déchet (type et origine, composition, consistance, lixiviation et - si nécessaires et disponibles - autres propriétés caractéristiques);
b) informations de base permettant de comprendre le comportement du déchet en CET et les possibilités de prétraitement tel que défini à l'article 2, 13° du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
c) Ă©valuation du dĂ©chet par rapport aux valeurs limites fixĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique;
d) détermination de variables clés (paramÚtres critiques) pour la vérification de la conformité ainsi que des possibilités de simplification des essais correspondants (en vue d'une réduction sensible du nombre de paramÚtres à mesurer, mais uniquement aprÚs la fourniture des informations appropriées). La caractérisation peut permettre d'établir des corrélations entre la caractérisation de base et les résultats des méthodes d'essai simplifiées et de déterminer la fréquence des essais de vérification de la conformité.
Si la caractĂ©risation de base d'un dĂ©chet montre qu'il remplit les critĂšres d'admission correspondant Ă une classe de CET, tels que dĂ©finis par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique, ce dĂ©chet est jugĂ© admissible dans cette classe de CET. Dans le cas contraire, le dĂ©chet ne peut ĂȘtre admis dans cette classe de CET.
L'exploitant s'assure que les informations fournies au titre de leur caractérisation par le producteur des déchets concernés ou, à défaut, la personne responsable de leur gestion sont exactes.
L'exploitant consigne dans le registre imposĂ© par l'article 25 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© les informations Ă©tablissant que les exigences fondamentales en vue de la caractĂ©risation de base d'un dĂ©chet sont remplies.
1.1.2. Les exigences fondamentales en vue de la caractérisation de base d'un déchet sont les suivantes :
a) source et origine du déchet;
b) informations concernant le processus de production du déchet (description et caractéristiques des matiÚres premiÚres et des produits);
c) description du prétraitement appliqué au déchet, tel que défini à l'article 2, 13° du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets ou présentation des motifs expliquant pourquoi ce prétraitement n'est pas jugé nécessaire;
d) données concernant la composition du déchet et son comportement à la lixiviation, le cas échéant;
e) apparence du déchet (odeur, couleur, apparence physique);
f) code des dĂ©chets selon la nomenclature reprise dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets;
g) pour les dĂ©chets dangereux, en cas d'entrĂ©es miroirs : propriĂ©tĂ©s qui rendent ce dĂ©chet dangereux, conformĂ©ment Ă l'annexe III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets;
h) informations prouvant que le déchet n'est pas couvert par les exclusions visées à l'article 19, § 3 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
i) classe de CET dans laquelle le dĂ©chet peut ĂȘtre admis;
j) au besoin, précautions supplémentaires à prendre au niveau du CET;
k) vĂ©rification visant Ă dĂ©terminer si le dĂ©chet peut ĂȘtre recyclĂ© ou valorisĂ©.
1.1.3. Essais
Sauf dans les cas visĂ©s au point 1.1.4, tout dĂ©chet doit faire l'objet d'essais visant Ă obtenir les informations susmentionnĂ©es. Outre son comportement Ă la lixiviation, la composition du dĂ©chet doit ĂȘtre connue ou prĂ©cisĂ©e par des essais. Les essais utilisĂ©s pour la caractĂ©risation de base doivent toujours inclure les essais relatifs Ă la vĂ©rification de la conformitĂ©.
Le contenu de la caractĂ©risation, l'ampleur des essais en laboratoire requis et les relations entre la caractĂ©risation de base et la vĂ©rification de la conformitĂ© dĂ©pendent du type de dĂ©chets. Une distinction peut ĂȘtre Ă©tablie entre :
a) les dĂ©chets rĂ©guliĂšrement produits dans le cadre d'un mĂȘme procĂ©dĂ©;
b) les déchets dont la production n'est pas réguliÚre.
Les caractĂ©risations mentionnĂ©es aux points a) et b) fournissent des informations qui peuvent ĂȘtre directement comparĂ©es aux critĂšres d'admission dans la classe de CET correspondante; des informations descriptives peuvent Ă©galement ĂȘtre fournies (en ce qui concerne par exemple les consĂ©quences de leur stockage avec des dĂ©chets mĂ©nagers).
a) DĂ©chets rĂ©guliĂšrement produits dans le cadre d'un mĂȘme procĂ©dĂ©
Il s'agit de dĂ©chets spĂ©cifiques et constants rĂ©guliĂšrement produits dans le cadre du mĂȘme procĂ©dĂ©, dans lequel :
- l'installation et le procĂ©dĂ© Ă l'origine des dĂ©chets sont bien connus et les matĂ©riaux entrant dans le procĂ©dĂ© ainsi que le procĂ©dĂ© lui-mĂȘme sont bien dĂ©finis;
- l'exploitant de l'installation fournit toutes les informations nécessaires et informe l'exploitant du CET des modifications apportées au procédé (en particulier en ce qui concerne les matériaux qui y entrent).
Le procĂ©dĂ© est mis en oeuvre souvent dans une seule installation. Mais les dĂ©chets peuvent aussi provenir d'installations diffĂ©rentes, s'ils peuvent ĂȘtre identifiĂ©s comme un flux unique prĂ©sentant des caractĂ©ristiques communes, Ă l'intĂ©rieur de limites connues (par exemple, les mĂąchefers rĂ©sultant de l'incinĂ©ration des dĂ©chets mĂ©nagers).
Pour ce type de déchets, la caractérisation de base comprend les exigences fondamentales énumérées au point 1.1.2, et plus particuliÚrement les points suivants :
- plage de composition de chaque type de déchets;
- plage et variabilité des propriétés caractéristiques;
- le cas échéant, les propriétés de lixiviation des déchets, déterminée par un essai de lixiviation en bachée et/ou un essai de percolation et/ou un essai de dépendance au pH;
- les variables clés devant faire l'objet d'essais réguliers.
Si des dĂ©chets issus du mĂȘme procĂ©dĂ© sont produits dans diffĂ©rentes installations, des informations doivent ĂȘtre fournies en ce qui concerne le champ de l'Ă©valuation. Par consĂ©quent, un nombre suffisant de mesures, permettant d'atteindre un rĂ©sultat statistiquement reprĂ©sentatif, doit ĂȘtre effectuĂ© pour montrer la plage et la variabilitĂ© des propriĂ©tĂ©s caractĂ©ristiques du dĂ©chet. On peut alors considĂ©rer que le dĂ©chet en question est caractĂ©risĂ© et il ne sera plus ensuite soumis qu'Ă une vĂ©rification de conformitĂ©, Ă moins que des modifications significatives n'interviennent dans les processus de production des dĂ©chets.
Pour les dĂ©chets issus du mĂȘme procĂ©dĂ© et produits dans une mĂȘme installation, les rĂ©sultats des mesures ne peuvent montrer que des variations mineures des propriĂ©tĂ©s des dĂ©chets par rapport aux valeurs limites correspondantes. On peut alors considĂ©rer que le dĂ©chet en question est caractĂ©risĂ© et il ne sera plus ensuite soumis qu'Ă une vĂ©rification de la conformitĂ©, Ă moins que des modifications significatives n'interviennent dans le processus de production des dĂ©chets.
Les propriĂ©tĂ©s des dĂ©chets issus d'installations de regroupement ou de mĂ©lange des dĂ©chets, des dĂ©chets issus de centres de transfert ou des flux de dĂ©chets collectĂ©s en mĂ©lange peuvent varier considĂ©rablement. Ce facteur doit ĂȘtre pris en compte lors de la caractĂ©risation de base. Ce type de dĂ©chets peut relever du point b).
b) Déchets dont la production n'est pas réguliÚre
Il s'agit de dĂ©chets qui ne sont pas rĂ©guliĂšrement produits dans le cadre d'un mĂȘme procĂ©dĂ© Ă l'intĂ©rieur d'une mĂȘme installation et qui ne font pas partie d'un flux de dĂ©chets bien caractĂ©risĂ©. Chaque lot issu de ce type de dĂ©chets devra faire l'objet d'une caractĂ©risation. Cette caractĂ©risation de base comprend les exigences fondamentales d'une caractĂ©risation de base. Comme chaque lot produit doit ĂȘtre caractĂ©risĂ©, aucune vĂ©rification de la conformitĂ© n'est requise.
1.1.4. Cas dans lesquels les essais ne sont pas requis
Les essais correspondant Ă la caractĂ©risation de base ne doivent pas ĂȘtre effectuĂ©s dans les cas suivants :
a) le déchet concerné figure sur la liste de déchets ci-dessous pour lesquels des essais ne sont pas requis;
b) toutes les informations nécessaires à la caractérisation de base sont connues, dûment justifiées et approuvées par l'autorité compétente;
c) le dĂ©chet fait partie d'un type de dĂ©chets pour lesquels il est difficile dans la pratique de rĂ©aliser des essais ou pour lequel on ne dispose pas de procĂ©dures d'essai ni de critĂšres d'admission appropriĂ©s. Ce cas doit ĂȘtre justifiĂ© et Ă©tayĂ© par des documents, qui prĂ©cisent notamment les motifs pour lesquels les dĂ©chets sont jugĂ©s admissibles dans cette classe de CET.
Liste des déchets admissibles sans essai dans des CET pour déchets inertes
Les dĂ©chets figurant sur la liste succincte suivante sont censĂ©s remplir les critĂšres Ă©noncĂ©s dans la dĂ©finition des dĂ©chets inertes, Ă l'article 2, 6° du dĂ©cret du 27 juin 1996 relatif aux dĂ©chets, ainsi qu'aux valeurs limites applicables aux dĂ©chets admissibles dans les CET pour dĂ©chets inertes. Ces dĂ©chets peuvent ĂȘtre admis sans essai dans un CET pour dĂ©chets inertes.
Il doit s'agir d'un mĂȘme flux (une seule source) d'un mĂȘme type de dĂ©chets. DiffĂ©rents dĂ©chets figurant sur cette liste peuvent ĂȘtre admis ensemble, Ă condition qu'ils proviennent de la mĂȘme source.
En cas de prĂ©somption de contamination (rĂ©sultant de l'inspection visuelle ou de la connaissance de l'origine des dĂ©chets), il convient de rĂ©aliser des essais ou de refuser les dĂ©chets concernĂ©s. Si un dĂ©chet appartenant Ă une catĂ©gorie figurant sur la liste est contaminĂ© ou contient d'autres matiĂšres ou substances telles que des mĂ©taux, de l'amiante, des matiĂšres plastiques, des substances chimiques, etc., dans une proportion qui augmente le risque liĂ© Ă ce dĂ©chet au point de justifier son Ă©limination dans une autre catĂ©gorie de dĂ©charge, il ne peut ĂȘtre admis dans un CET pour dĂ©chets inertes.
En cas de doute concernant la conformitĂ© du dĂ©chet avec la dĂ©finition des dĂ©chets inertes donnĂ©e Ă l'article 2, 6° du dĂ©cret du 27 juin 1996 relatif aux dĂ©chets et avec les valeurs limites applicables aux dĂ©chets admissibles dans les CET pour dĂ©chets inertes ou concernant une Ă©ventuelle contamination du dĂ©chet, des essais doivent ĂȘtre rĂ©alisĂ©s. A cet effet, les mĂ©thodes visĂ©es au point 2 de la prĂ©sente annexe seront utilisĂ©es.
La présente annexe définit la procédure uniforme de classification et d'admission des déchets.
Le point 1 de la présente annexe définit la procédure visant à déterminer l'admissibilité des déchets dans les centres d'enfouissement technique. Cette procédure comprend la caractérisation de base, la vérification de la conformité et la vérification sur place, telles que définies ci-aprÚs.
Le point 2 de la présente annexe énumÚre les méthodes à utiliser pour l'échantillonnage et l'analyse des déchets.
Le point 3 de la prĂ©sente annexe dĂ©finit l'Ă©valuation de la sĂ©curitĂ© qui doit ĂȘtre menĂ©e pour le stockage souterrain.
1. PROCEDURE D'ADMISSION DES DECHETS DANS LES CENTRES D'ENFOUISSEMENT TECHNIQUE
1.1. Caractérisation de base
La caractérisation de base est la premiÚre étape de la procédure d'admission; elle consiste à caractériser globalement les déchets en rassemblant toutes les informations nécessaires à une élimination sûre des déchets à long terme. La caractérisation de base est requise pour chaque type de déchets.
1.1.1. Les fonctions de la caractérisation de base sont les suivantes :
a) informations de base concernant le déchet (type et origine, composition, consistance, lixiviation et - si nécessaires et disponibles - autres propriétés caractéristiques);
b) informations de base permettant de comprendre le comportement du déchet en CET et les possibilités de prétraitement tel que défini à l'article 2, 13° du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
c) Ă©valuation du dĂ©chet par rapport aux valeurs limites fixĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique;
d) détermination de variables clés (paramÚtres critiques) pour la vérification de la conformité ainsi que des possibilités de simplification des essais correspondants (en vue d'une réduction sensible du nombre de paramÚtres à mesurer, mais uniquement aprÚs la fourniture des informations appropriées). La caractérisation peut permettre d'établir des corrélations entre la caractérisation de base et les résultats des méthodes d'essai simplifiées et de déterminer la fréquence des essais de vérification de la conformité.
Si la caractĂ©risation de base d'un dĂ©chet montre qu'il remplit les critĂšres d'admission correspondant Ă une classe de CET, tels que dĂ©finis par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique, ce dĂ©chet est jugĂ© admissible dans cette classe de CET. Dans le cas contraire, le dĂ©chet ne peut ĂȘtre admis dans cette classe de CET.
L'exploitant s'assure que les informations fournies au titre de leur caractérisation par le producteur des déchets concernés ou, à défaut, la personne responsable de leur gestion sont exactes.
L'exploitant consigne dans le registre imposĂ© par l'article 25 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© les informations Ă©tablissant que les exigences fondamentales en vue de la caractĂ©risation de base d'un dĂ©chet sont remplies.
1.1.2. Les exigences fondamentales en vue de la caractérisation de base d'un déchet sont les suivantes :
a) source et origine du déchet;
b) informations concernant le processus de production du déchet (description et caractéristiques des matiÚres premiÚres et des produits);
c) description du prétraitement appliqué au déchet, tel que défini à l'article 2, 13° du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets ou présentation des motifs expliquant pourquoi ce prétraitement n'est pas jugé nécessaire;
d) données concernant la composition du déchet et son comportement à la lixiviation, le cas échéant;
e) apparence du déchet (odeur, couleur, apparence physique);
f) code des dĂ©chets selon la nomenclature reprise dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets;
g) pour les dĂ©chets dangereux, en cas d'entrĂ©es miroirs : propriĂ©tĂ©s qui rendent ce dĂ©chet dangereux, conformĂ©ment Ă l'annexe III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets;
h) informations prouvant que le déchet n'est pas couvert par les exclusions visées à l'article 19, § 3 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
i) classe de CET dans laquelle le dĂ©chet peut ĂȘtre admis;
j) au besoin, précautions supplémentaires à prendre au niveau du CET;
k) vĂ©rification visant Ă dĂ©terminer si le dĂ©chet peut ĂȘtre recyclĂ© ou valorisĂ©.
1.1.3. Essais
Sauf dans les cas visĂ©s au point 1.1.4, tout dĂ©chet doit faire l'objet d'essais visant Ă obtenir les informations susmentionnĂ©es. Outre son comportement Ă la lixiviation, la composition du dĂ©chet doit ĂȘtre connue ou prĂ©cisĂ©e par des essais. Les essais utilisĂ©s pour la caractĂ©risation de base doivent toujours inclure les essais relatifs Ă la vĂ©rification de la conformitĂ©.
Le contenu de la caractĂ©risation, l'ampleur des essais en laboratoire requis et les relations entre la caractĂ©risation de base et la vĂ©rification de la conformitĂ© dĂ©pendent du type de dĂ©chets. Une distinction peut ĂȘtre Ă©tablie entre :
a) les dĂ©chets rĂ©guliĂšrement produits dans le cadre d'un mĂȘme procĂ©dĂ©;
b) les déchets dont la production n'est pas réguliÚre.
Les caractĂ©risations mentionnĂ©es aux points a) et b) fournissent des informations qui peuvent ĂȘtre directement comparĂ©es aux critĂšres d'admission dans la classe de CET correspondante; des informations descriptives peuvent Ă©galement ĂȘtre fournies (en ce qui concerne par exemple les consĂ©quences de leur stockage avec des dĂ©chets mĂ©nagers).
a) DĂ©chets rĂ©guliĂšrement produits dans le cadre d'un mĂȘme procĂ©dĂ©
Il s'agit de dĂ©chets spĂ©cifiques et constants rĂ©guliĂšrement produits dans le cadre du mĂȘme procĂ©dĂ©, dans lequel :
- l'installation et le procĂ©dĂ© Ă l'origine des dĂ©chets sont bien connus et les matĂ©riaux entrant dans le procĂ©dĂ© ainsi que le procĂ©dĂ© lui-mĂȘme sont bien dĂ©finis;
- l'exploitant de l'installation fournit toutes les informations nécessaires et informe l'exploitant du CET des modifications apportées au procédé (en particulier en ce qui concerne les matériaux qui y entrent).
Le procĂ©dĂ© est mis en oeuvre souvent dans une seule installation. Mais les dĂ©chets peuvent aussi provenir d'installations diffĂ©rentes, s'ils peuvent ĂȘtre identifiĂ©s comme un flux unique prĂ©sentant des caractĂ©ristiques communes, Ă l'intĂ©rieur de limites connues (par exemple, les mĂąchefers rĂ©sultant de l'incinĂ©ration des dĂ©chets mĂ©nagers).
Pour ce type de déchets, la caractérisation de base comprend les exigences fondamentales énumérées au point 1.1.2, et plus particuliÚrement les points suivants :
- plage de composition de chaque type de déchets;
- plage et variabilité des propriétés caractéristiques;
- le cas échéant, les propriétés de lixiviation des déchets, déterminée par un essai de lixiviation en bachée et/ou un essai de percolation et/ou un essai de dépendance au pH;
- les variables clés devant faire l'objet d'essais réguliers.
Si des dĂ©chets issus du mĂȘme procĂ©dĂ© sont produits dans diffĂ©rentes installations, des informations doivent ĂȘtre fournies en ce qui concerne le champ de l'Ă©valuation. Par consĂ©quent, un nombre suffisant de mesures, permettant d'atteindre un rĂ©sultat statistiquement reprĂ©sentatif, doit ĂȘtre effectuĂ© pour montrer la plage et la variabilitĂ© des propriĂ©tĂ©s caractĂ©ristiques du dĂ©chet. On peut alors considĂ©rer que le dĂ©chet en question est caractĂ©risĂ© et il ne sera plus ensuite soumis qu'Ă une vĂ©rification de conformitĂ©, Ă moins que des modifications significatives n'interviennent dans les processus de production des dĂ©chets.
Pour les dĂ©chets issus du mĂȘme procĂ©dĂ© et produits dans une mĂȘme installation, les rĂ©sultats des mesures ne peuvent montrer que des variations mineures des propriĂ©tĂ©s des dĂ©chets par rapport aux valeurs limites correspondantes. On peut alors considĂ©rer que le dĂ©chet en question est caractĂ©risĂ© et il ne sera plus ensuite soumis qu'Ă une vĂ©rification de la conformitĂ©, Ă moins que des modifications significatives n'interviennent dans le processus de production des dĂ©chets.
Les propriĂ©tĂ©s des dĂ©chets issus d'installations de regroupement ou de mĂ©lange des dĂ©chets, des dĂ©chets issus de centres de transfert ou des flux de dĂ©chets collectĂ©s en mĂ©lange peuvent varier considĂ©rablement. Ce facteur doit ĂȘtre pris en compte lors de la caractĂ©risation de base. Ce type de dĂ©chets peut relever du point b).
b) Déchets dont la production n'est pas réguliÚre
Il s'agit de dĂ©chets qui ne sont pas rĂ©guliĂšrement produits dans le cadre d'un mĂȘme procĂ©dĂ© Ă l'intĂ©rieur d'une mĂȘme installation et qui ne font pas partie d'un flux de dĂ©chets bien caractĂ©risĂ©. Chaque lot issu de ce type de dĂ©chets devra faire l'objet d'une caractĂ©risation. Cette caractĂ©risation de base comprend les exigences fondamentales d'une caractĂ©risation de base. Comme chaque lot produit doit ĂȘtre caractĂ©risĂ©, aucune vĂ©rification de la conformitĂ© n'est requise.
1.1.4. Cas dans lesquels les essais ne sont pas requis
Les essais correspondant Ă la caractĂ©risation de base ne doivent pas ĂȘtre effectuĂ©s dans les cas suivants :
a) le déchet concerné figure sur la liste de déchets ci-dessous pour lesquels des essais ne sont pas requis;
b) toutes les informations nécessaires à la caractérisation de base sont connues, dûment justifiées et approuvées par l'autorité compétente;
c) le dĂ©chet fait partie d'un type de dĂ©chets pour lesquels il est difficile dans la pratique de rĂ©aliser des essais ou pour lequel on ne dispose pas de procĂ©dures d'essai ni de critĂšres d'admission appropriĂ©s. Ce cas doit ĂȘtre justifiĂ© et Ă©tayĂ© par des documents, qui prĂ©cisent notamment les motifs pour lesquels les dĂ©chets sont jugĂ©s admissibles dans cette classe de CET.
Liste des déchets admissibles sans essai dans des CET pour déchets inertes
Les dĂ©chets figurant sur la liste succincte suivante sont censĂ©s remplir les critĂšres Ă©noncĂ©s dans la dĂ©finition des dĂ©chets inertes, Ă l'article 2, 6° du dĂ©cret du 27 juin 1996 relatif aux dĂ©chets, ainsi qu'aux valeurs limites applicables aux dĂ©chets admissibles dans les CET pour dĂ©chets inertes. Ces dĂ©chets peuvent ĂȘtre admis sans essai dans un CET pour dĂ©chets inertes.
Il doit s'agir d'un mĂȘme flux (une seule source) d'un mĂȘme type de dĂ©chets. DiffĂ©rents dĂ©chets figurant sur cette liste peuvent ĂȘtre admis ensemble, Ă condition qu'ils proviennent de la mĂȘme source.
En cas de prĂ©somption de contamination (rĂ©sultant de l'inspection visuelle ou de la connaissance de l'origine des dĂ©chets), il convient de rĂ©aliser des essais ou de refuser les dĂ©chets concernĂ©s. Si un dĂ©chet appartenant Ă une catĂ©gorie figurant sur la liste est contaminĂ© ou contient d'autres matiĂšres ou substances telles que des mĂ©taux, de l'amiante, des matiĂšres plastiques, des substances chimiques, etc., dans une proportion qui augmente le risque liĂ© Ă ce dĂ©chet au point de justifier son Ă©limination dans une autre catĂ©gorie de dĂ©charge, il ne peut ĂȘtre admis dans un CET pour dĂ©chets inertes.
En cas de doute concernant la conformitĂ© du dĂ©chet avec la dĂ©finition des dĂ©chets inertes donnĂ©e Ă l'article 2, 6° du dĂ©cret du 27 juin 1996 relatif aux dĂ©chets et avec les valeurs limites applicables aux dĂ©chets admissibles dans les CET pour dĂ©chets inertes ou concernant une Ă©ventuelle contamination du dĂ©chet, des essais doivent ĂȘtre rĂ©alisĂ©s. A cet effet, les mĂ©thodes visĂ©es au point 2 de la prĂ©sente annexe seront utilisĂ©es.
| Codes volgens het BWR van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus | Beschrijving | Beperkingen |
| 10 11 03 | Vezelmateriaal op basis van afvalglas | Alleen zonder organische afvalglas bindmiddelen |
| 15 01 07 | Glasverpakking | |
| 17 01 01 | Beton | Alleen geselecteerd afval (*) |
| 17 01 02 | Bakstenen | Alleen geselecteerd afval (*) |
| 17 01 03 | Tegels en keramiek | Alleen geselecteerd afval (*) |
| 17 01 07 | Mengsels van beton, bakstenen,tegels en keramiek ander dan die bedoeld onder rubriek 17.01.06 | Alleen geselecteerd afval (*) |
| 17 02 02 | Glas | |
| 17 05 04 | Andere grond en stenen dan die bedoeld in rubriek 17.05.03 | Uitgezonderd teelaarde, turf; alsook grond en stenen afkomstig van vervuilde locaties |
| 19 12 05 | Glas | |
| 20 01 02 | Glas | Alleen gescheiden ingezameld glas |
| 20 02 02 | Grond en stenen | Alleen afkomstig van tuin- en parkafval, teelaarde en turf uitgezonderd |
| (*) Geselecteerd bouw- en sloopafval met minder dan 0,5 % aan gewicht van andere typen materialen (zoals metalen, kunststof, organische stoffen, hout of rubber). De oorsprong van de afval moet bekend zijn. - Geen bouw- of sloopafval afkomstig van gebouwen vervuild met anorganische of organische gevaarlijke stoffen, bijvoorbeeld vanwege productieprocessen in het gebouw, bodemvervuiling of opslag en gebruik van pesticiden of andere gevaarlijke stoffen, ...enz., tenzij uitdrukkelijk is aangetoond dat het gesloopte gebouw niet ernstig was vervuild. - Geen bouw- of sloopafval afkomstig van gebouwen die zijn behandeld, bedekt of beschilderd met materialen die aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten. | ||
| Codes selon l'A.G.W. du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets | Description | Restrictions |
| 10 11 03 | Déchets de matériaux à base de fibre de verre | Seulement en l'absence de liant organique |
| 15 01 07 | Emballage en verre | |
| 17 01 01 | Béton | Uniquement déchets triés (*) |
| 17 01 02 | Briques | Uniquement déchets triés (*) |
| 17 01 03 | Tuiles et céramiques | Uniquement déchets triés (*) |
| 17 01 07 | Mélanges de béton, briques, tuiles et céramiques autres que ceux visés à la rubrique 17 01 06 | Uniquement déchets triés (*) |
| 17 02 02 | Verre | |
| 17 05 04 | Terre et cailloux autres que ceux visés à la rubrique 17 05 03 | A l'exclusion de la terre végétale et de la tourbe, ainsi que de la terre et des cailloux provenant de sites contaminés |
| 19 12 05 | Verre | |
| 20 01 02 | Verre | Uniquement verre collecté séparément |
| 20 02 02 | Terre et cailloux | Provenant uniquement de déchets de jardins et de parcs, à l'exclusion de la terre végétale et de la tourbe |
| (*) DĂ©chets de construction et de dĂ©molition triĂ©s contenant moins de 0,5 % en poids d'autres types de matĂ©riaux (tels que des mĂ©taux, des matiĂšres plastiques, des substances organiques, du bois, du caoutchouc, etc.). L'origine de ces dĂ©chets doit ĂȘtre connue. - Aucun dĂ©chet provenant de bĂątiments contaminĂ©s par des substances dangereuses inorganiques ou organiques, par exemple du fait de procĂ©dĂ©s de fabrication utilisĂ©s dans les bĂątiments, de la pollution du sol, du stockage et de l'utilisation de pesticides ou d'autres substances dangereuses, etc., Ă moins qu'il apparaisse clairement que le bĂątiment dĂ©moli n'Ă©tait pas polluĂ© de maniĂšre significative. - Aucun dĂ©chet provenant de bĂątiments traitĂ©s, couverts ou peints avec des matĂ©riaux contenant des substances dangereuses en quantitĂ© significative. | ||
Codes volgens het BWR van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogusBeschrijvingBeperkingen
10 11 03Vezelmateriaal op basis van afvalglasAlleen zonder organische afvalglas bindmiddelen
15 01 07Glasverpakking
17 01 01BetonAlleen geselecteerd afval (*)
17 01 02BakstenenAlleen geselecteerd afval (*)
17 01 03Tegels en keramiekAlleen geselecteerd afval (*)
17 01 07Mengsels van beton, bakstenen,tegels en keramiek ander dan die bedoeld onder rubriek 17.01.06Alleen geselecteerd afval (*)
17 02 02Glas
17 05 04Andere grond en stenen dan die bedoeld in rubriek 17.05.03Uitgezonderd teelaarde, turf; alsook grond en stenen afkomstig van vervuilde locaties
19 12 05Glas
20 01 02GlasAlleen gescheiden ingezameld glas
20 02 02Grond en stenenAlleen afkomstig van tuin- en parkafval, teelaarde en turf uitgezonderd(*) Geselecteerd bouw- en sloopafval met minder dan 0,5 % aan gewicht van andere typen materialen (zoals metalen, kunststof, organische stoffen, hout of rubber). De oorsprong van de afval moet bekend zijn.
- Geen bouw- of sloopafval afkomstig van gebouwen vervuild met anorganische of organische gevaarlijke stoffen, bijvoorbeeld vanwege productieprocessen in het gebouw, bodemvervuiling of opslag en gebruik van pesticiden of andere gevaarlijke stoffen, ...enz., tenzij uitdrukkelijk is aangetoond dat het gesloopte gebouw niet ernstig was vervuild.
- Geen bouw- of sloopafval afkomstig van gebouwen die zijn behandeld, bedekt of beschilderd met materialen die aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten.
10 11 03Vezelmateriaal op basis van afvalglasAlleen zonder organische afvalglas bindmiddelen
15 01 07Glasverpakking
17 01 01BetonAlleen geselecteerd afval (*)
17 01 02BakstenenAlleen geselecteerd afval (*)
17 01 03Tegels en keramiekAlleen geselecteerd afval (*)
17 01 07Mengsels van beton, bakstenen,tegels en keramiek ander dan die bedoeld onder rubriek 17.01.06Alleen geselecteerd afval (*)
17 02 02Glas
17 05 04Andere grond en stenen dan die bedoeld in rubriek 17.05.03Uitgezonderd teelaarde, turf; alsook grond en stenen afkomstig van vervuilde locaties
19 12 05Glas
20 01 02GlasAlleen gescheiden ingezameld glas
20 02 02Grond en stenenAlleen afkomstig van tuin- en parkafval, teelaarde en turf uitgezonderd(*) Geselecteerd bouw- en sloopafval met minder dan 0,5 % aan gewicht van andere typen materialen (zoals metalen, kunststof, organische stoffen, hout of rubber). De oorsprong van de afval moet bekend zijn.
- Geen bouw- of sloopafval afkomstig van gebouwen vervuild met anorganische of organische gevaarlijke stoffen, bijvoorbeeld vanwege productieprocessen in het gebouw, bodemvervuiling of opslag en gebruik van pesticiden of andere gevaarlijke stoffen, ...enz., tenzij uitdrukkelijk is aangetoond dat het gesloopte gebouw niet ernstig was vervuild.
- Geen bouw- of sloopafval afkomstig van gebouwen die zijn behandeld, bedekt of beschilderd met materialen die aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten.
Codes selon l'A.G.W. du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchetsDescriptionRestrictions
10 11 03Déchets de matériaux à base de fibre de verreSeulement en l'absence de liant organique
15 01 07Emballage en verre
17 01 01BétonUniquement déchets triés (*)
17 01 02BriquesUniquement déchets triés (*)
17 01 03Tuiles et céramiquesUniquement déchets triés (*)
17 01 07Mélanges de béton, briques, tuiles et céramiques autres que ceux visés à la rubrique 17 01 06Uniquement déchets triés (*)
17 02 02Verre
17 05 04Terre et cailloux autres que ceux visés à la rubrique 17 05 03A l'exclusion de la terre végétale et de la tourbe, ainsi que de la terre et des cailloux provenant de sites contaminés
19 12 05Verre
20 01 02VerreUniquement verre collecté séparément
20 02 02Terre et caillouxProvenant uniquement de dĂ©chets de jardins et de parcs, Ă l'exclusion de la terre vĂ©gĂ©tale et de la tourbe(*) DĂ©chets de construction et de dĂ©molition triĂ©s contenant moins de 0,5 % en poids d'autres types de matĂ©riaux (tels que des mĂ©taux, des matiĂšres plastiques, des substances organiques, du bois, du caoutchouc, etc.). L'origine de ces dĂ©chets doit ĂȘtre connue.
- Aucun déchet provenant de bùtiments contaminés par des substances dangereuses inorganiques ou organiques, par exemple du fait de procédés de fabrication utilisés dans les bùtiments, de la pollution du sol, du stockage et de l'utilisation de pesticides ou d'autres substances dangereuses, etc., à moins qu'il apparaisse clairement que le bùtiment démoli n'était pas pollué de maniÚre significative.
- Aucun déchet provenant de bùtiments traités, couverts ou peints avec des matériaux contenant des substances dangereuses en quantité significative.
10 11 03Déchets de matériaux à base de fibre de verreSeulement en l'absence de liant organique
15 01 07Emballage en verre
17 01 01BétonUniquement déchets triés (*)
17 01 02BriquesUniquement déchets triés (*)
17 01 03Tuiles et céramiquesUniquement déchets triés (*)
17 01 07Mélanges de béton, briques, tuiles et céramiques autres que ceux visés à la rubrique 17 01 06Uniquement déchets triés (*)
17 02 02Verre
17 05 04Terre et cailloux autres que ceux visés à la rubrique 17 05 03A l'exclusion de la terre végétale et de la tourbe, ainsi que de la terre et des cailloux provenant de sites contaminés
19 12 05Verre
20 01 02VerreUniquement verre collecté séparément
20 02 02Terre et caillouxProvenant uniquement de dĂ©chets de jardins et de parcs, Ă l'exclusion de la terre vĂ©gĂ©tale et de la tourbe(*) DĂ©chets de construction et de dĂ©molition triĂ©s contenant moins de 0,5 % en poids d'autres types de matĂ©riaux (tels que des mĂ©taux, des matiĂšres plastiques, des substances organiques, du bois, du caoutchouc, etc.). L'origine de ces dĂ©chets doit ĂȘtre connue.
- Aucun déchet provenant de bùtiments contaminés par des substances dangereuses inorganiques ou organiques, par exemple du fait de procédés de fabrication utilisés dans les bùtiments, de la pollution du sol, du stockage et de l'utilisation de pesticides ou d'autres substances dangereuses, etc., à moins qu'il apparaisse clairement que le bùtiment démoli n'était pas pollué de maniÚre significative.
- Aucun déchet provenant de bùtiments traités, couverts ou peints avec des matériaux contenant des substances dangereuses en quantité significative.
Afvalstoffen die niet in deze lijst voorkomen, moeten aan de tests worden onderworpen die zijn vastgesteld in punt I van dit document om te bepalen of ze voldoen aan de criteria die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.
Afvalstoffen die zonder tests aanvaardbaar zijn in centra voor technische ingraving voor ongevaarlijke afvalstoffen.
Afval dat is ingedeeld als ongevaarlijk in rubriek 20 van de afvalcatalogus bedoeld in de tabel in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus, de gescheiden ingezamelde ongevaarlijke fracties van huishoudelijk afval en dezelfde ongevaarlijke materialen van andere oorsprong kunnen zonder tests worden aanvaard in de centra voor technische ingraving voor ongevaarlijke afvalstoffen.
De afvalstoffen mogen niet worden toegelaten als ze niet vooraf zijn behandeld overeenkomstig artikel 3 van het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving of als ze zo sterk zijn vervuild dat het risico van de afvalstoffen zodanig wordt verhoogd dat ze in andere centra voor technische ingraving dienen te worden gestort.
De afvalstoffen mogen mag niet worden aanvaard in cellen waar stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen worden aanvaard overeenkomstig artikel 5 van dit besluit.
1.2. Controletest
Wanneer afval op grond van een basiskarakterisering overeenkomstig punt 1 van dit document als aanvaardbaar voor een centrum voor technische ingraving is aangemerkt, dient de afval vervolgens aan controletests te worden onderworpen om te bepalen of de afval in overeenstemming is met de resultaten van de basiskarakterisering en de toepasselijke aanvaardingscriteria zoals bepaald in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
Controletests hebben tot doel het periodiek testen van regelmatig ontstane afvalstromen.
De te testen toepasselijke parameters worden tijdens de basiskarakterisering bepaald. De parameters dienen te worden gerelateerd aan de uit deze karakterisering verkregen informatie; er is alleen een controle van kritische parameters (belangrijkste variabelen) nodig, zoals die tijdens de basiskarakterisering zijn vastgesteld.
De controle moet laten zien dat de afval voor de kritische parameters aan de grenswaarden voldoet die bepaald worden bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
De voor uitvoering van de controletest gebruikte tests dienen deel uit te maken van de tests van de basiskarakterisering. Bij de controletests moet ten minste een schudproef worden uitgevoerd. Daarbij moeten de in punt 2 vermelde methoden worden gebruikt.
Afvalstoffen die overeenkomstig punt 1.1.4 a) en c) vrijgesteld zijn van de tests voor basiskarakterisering, zijn ook vrijgesteld van controletests. Wel dient te worden nagegaan of deze afvalstoffen in overeenstemming zijn met de informatie voor de basiskarakterisering die geen verband houdt met het testen.
Controletests dienen ten minste eenmaal per jaar te worden uitgevoerd en de exploitant dient er in ieder geval voor te zorgen dat uitvoering van deze tests gebeurt in een omvang en frequentie die zijn bepaald op grond van de basiskarakterisering.
De testresultaten dienen te worden bewaard in het register opgelegd bij artikel 25 van dit besluit.
1.3. Verificatie ter plaatse
Voor elke in een centrum voor technische ingraving afgeleverde lading afval vindt voor en na het lossen visuele inspectie plaats. Tevens vindt controle van de vereiste documenten plaats.
Voor afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving worden gestort, kunnen de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning voorzien dat deze verificatie op het punt van verzending plaatsvindt.
De afvalstoffen mogen in een centrum voor technische ingraving worden aanvaard, als ze dezelfde zijn als de afvalstoffen die aan de basiskarakterisering en controletests zijn onderworpen en in de bijbehorende documenten worden beschreven. Is aan deze voorwaarde niet voldaan, dan mogen de afvalstoffen niet worden aanvaard.
Bij de aflevering worden regelmatig monsters genomen zodat er altijd een representatief monster op de locatie aanwezig is. De genomen monsters worden na aanvaarding van de afvalstoffen gedurende minstens een maand optimaal bewaard.
De Minister dient de testvereisten voor verificatie ter plaatse vast te stellen, waaronder indien nodig snelle testmethoden.
2. Bemonsterings- en testmethoden
De bemonsterings- en testwerkzaamheden voor basiskarakterisering en de controletest worden verricht door een laboratorium dat erkend wordt krachtens artikel 14, 2° d) van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen. De exploitanten van de centra voor technische ingraving die evenwel over een EMAS registratie beschikken overeenkomstig artikel 32 van dit besluit, kunnen de bemonstering zelf verrichten of door een bevoegde onderaannemer die onder hun rechtstreekse gezag staat, laten uitvoeren.
Zolang de CEN-norm niet als formele Europese Norm (EN) beschikbaar is, worden regionale normen of procedures dan wel de ontwerpnorm van de CEN, wanneer deze het prEN-stadium heeft bereikt, toegepast.
De volgende methoden worden gebruikt :
Bemonstering
Voor de bemonstering van afvalstoffen - voor basiskarakterisering, controletests en verificatie ter plaatse - wordt een bemonsteringsplan ontwikkeld overeenkomstig deel 1 van de bemonsteringsnorm die momenteel door de CEN wordt opgesteld.
Algemene eigenschappen van afvalstoffen.
EN 13137 : Bepaling van het gehalte aan TOC in afval, slib en sediment
prEN 14346 : Berekening van het drogestofgehalte door bepaling van de droge rest of het watergehalte
Uitloogproeven
PrEN 14405 Uitloogproef ter karakterisering - Opwaartse kolomproef (opwaartse kolomproef voor anorganische stoffen)
EN 12457/1-4 : Uitloging - Verkorte uitloogproef van korrelvormige afvalstoffen en slib
Deel 2 : bij L/S = 10 l/kg, korrelgrootte < 4 mm.
Deel 4 : bij L/S = 10 l/kg, korrelgrootte < 10 mm
De modaliteiten inzake uitvoering van deze norm kunnen door de Minister worden bepaald
Ontsluiting van ruwe afvalstoffen
EN 13657 : Ontsluiting voor de bepaling van in koningswater oplosbare elementen in afval (gedeeltelijke ontsluiting van de vaste afvalstoffen vóór elementaire analyse, waarbij de silicaatmatrix intact blijft)
EN 13656 : Microgolfontsluiting met waterstoffluoride- (HF), salpeterzuur- (HNO3) en zoutzuur- (HCl)-mengsels voor de bepaling van elementen in afval (totale ontsluiting van de vaste afvalstoffen vóór elementaire analyse)
Analyse
EN 12506 : Analyse van eluaten - Bepaling van pH, As, Ba, Cd, Cl, Co, Cr, Cr(VI), Cu, Mo, Ni, NO2, Pb, S SO4, V en Zn (analyse van anorganische bestanddelen van vaste afvalstoffen en/of het eluaat ervan; macro-, micro- en spoorelementen)
EN 13370 : Analyse van eluaten - Bepaling van : het gehalte aan ammonium-N, AOX, geleidbaarheid, Hg, fenolindex, TOC, vrij CN, F (analyse van anorganische bestanddelen van vaste afvalstoffen en/of het eluaat ervan (anionen))
prEN 14039 : Bepaling van het gehalte aan minerale olie C10-C40 met gaschromatografie
Voor tests en analyses waarvoor (nog) geen CEN-methoden beschikbaar zijn, dienen de gebruikte methoden door de Dienst te worden goedgekeurd.
3. Veiligheidsbeoordeling voor het aanvaarden van afvalstoffen in ondergrondse opslagplaatsen
3.1. Veiligheidsfilosofie voor ondergrondse opslagplaatsen - alle typen
De specifieke veiligheidsbeoordeling van de locatie moet rekening houden met de hiernavermelde elementen met het oog op de aanvaarding van afvalstoffen in in ondergrondse opslagplaatsen. De exploitant moet deze specifieke beoordeling uitvoeren.
3.1.1. Het belang van de geologische barriĂšre
Isolering van afvalstoffen van de biosfeer is het einddoel voor de definitieve verwijdering van afvalstoffen in ondergrondse opslagplaatsen. De afvalstoffen, de geologische barriĂšre en de onderaardse ruimten, met inbegrip van aangelegde structuren, vormen een systeem dat samen met alle andere technische aspecten aan de desbetreffende eisen moet voldoen.
Er moet worden aangetoond dat de installatie op lange termijn veilig is (zie punt 3.1.2.7) om te voldoen aan het algemeen verbod op rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater en om de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen.
3.1.2. Risicobeoordeling voor elke specifieke opslagplaats
De risicobeoordeling vereist de vaststelling van :
- het gevaar (in dit geval de gestorte afvalstoffen),
- de receptoren (in dit geval de biosfeer en mogelijk het grondwater),
- de wegen waarlangs uit de afval afkomstige stoffen de biosfeer kunnen bereiken, en
- de beoordeling van het effect van stoffen die de biosfeer kunnen bereiken.
Aanvaardingscriteria voor ondergrondse opslagplaatsen dienen te worden afgeleid van onder meer een analyse van het opberggesteente, dus er dient te worden aangetoond dat geen van de in de artikelen 8, 9, 16, 18, 20 en 21 van dit besluit genoemde voorwaarden van toepassing zijn.
De aanvaardingscriteria voor ondergrondse opslagplaatsen kunnen alleen met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden worden bepaald. Daartoe is het nodig de geschiktheid van de lagen voor de aanleg van een opslagplaats aan te tonen, dwz te beoordelen wat de risico's voor insluiting zijn, rekening houdend met het totaalsysteem van de afvalstoffen, de aangelegde structuren en onderaardse ruimten en het opberggesteente.
Uitvoering van de risicobeoordeling van de installatie dient te geschieden voor zowel de operationele als de postoperationele fase. Op grond van deze beoordelingen is het mogelijk de vereiste beheersings- en veiligheidsmaatregelen vast te stellen en de aanvaardingscriteria te formuleren.
Er wordt een geĂŻntegreerde prestatiebeoordelingsanalyse gemaakt, bestaande uit de volgende onderdelen :
1) een geologische beoordeling;
2) een geomechanische beoordeling;
3) een hydrogeologische beoordeling;
4) een geochemische beoordeling;
5) een beoordeling van het effect op de biosfeer;
6) een beoordeling van de operationele fase;
7) een langetermijnbeoordeling;
8) een beoordeling van het effect van alle oppervlaktevoorzieningen ter plaatse.
3.1.2.1. Geologische beoordeling
Een diepgaand onderzoek naar of grondige kennis van de geologische gesteldheid van een stortplaats is vereist. Dit houdt in onderzoek naar en analyse van de soorten gesteenten, de bodem en de topografie. De geologische beoordeling dient aan te tonen of de stortplaats geschikt is voor ondergrondse opslag. De beoordeling dient ook de locatie, frequentie en structuur van breuken of scheuren in omringende geologische lagen en het mogelijke effect van seismische activiteit op deze structuren te betreffen. Ook dient onderzoek te worden gedaan naar alternatieve locaties voor ondergrondse opslag.
3.1.2.2. Geomechanische beoordeling
De stabiliteit van de onderaardse ruimten moet worden aangetoond door middel van passende onderzoeken en prognoses. De gestorte afval dient deel uit te maken van deze beoordeling. De processen dienen op systematische wijze te worden geanalyseerd en gedocumenteerd.
Aangetoond dient te worden :
1) dat tijdens en na de vorming van de onderaardse ruimten geen belangrijke vervorming in de ruimte zelf of aan het aardoppervlak is te verwachten die afbreuk kan doen aan de exploitatie van de ondergrondse opslagplaats of een weg naar de biosfeer kan verschaffen;
2) dat het draagvermogen van de onderaardse ruimte voldoende is om instorting ervan tijdens de exploitatie te voorkomen;
3) dat het gestorte materiaal de noodzakelijke stabiliteit moet hebben die verenigbaar is met de geomechanische eigenschappen van het opberggesteente.
3.1.2.3. Hydrogeologische beoordeling
Er is een diepgaand onderzoek naar de hydrogeologische eigenschappen nodig om het stroompatroon van het grondwater in de omringende lagen te beoordelen op basis van informatie over de hydraulische geleidbaarheid van de gesteentemassa, scheuren en de hydraulische gradiënten.
3.1.2.4. Geochemische beoordeling
Er is diepgaand onderzoek naar de samenstelling van het gesteente en het grondwater nodig voor een beoordeling van de huidige samenstelling van het grondwater en de mogelijke ontwikkeling daarvan in de tijd, de aard en hoeveelheid van scheuren opvullende mineralen, alsmede een kwantitatieve mineralogische beschrijving van het opberggesteente. Het effect van variabiliteit op het geochemische systeem dient te worden beoordeeld.
3.1.2.5. Beoordeling van het effect op de biosfeer
Er is onderzoek nodig naar de biosfeer waarop de ondergrondse opslagplaats effect zou kunnen hebben. Er zijn referentiestudies nodig om plaatselijke natuurlijke achtergrondniveaus van relevante stoffen te definiëren.
3.1.2.6. Beoordeling van de operationele fase
Voor de operationele fase dient de analyse het volgende aan te tonen :
1) de stabiliteit van de onderaardse ruimten overeenkomstig punt 3.1.2.2;
2) er is geen onaanvaardbaar risico dat er een route ontstaat van de afvalstoffen naar de biosfeer;
3) er zijn geen onaanvaardbare risico's die van invloed zijn op de exploitatie van de opslagplaats.
Tegelijk met het aantonen van de veiligheid tijdens de operationele fase moet een systematische analyse van de exploitatie van de opslagplaats worden gemaakt op basis van specifieke gegevens over de afvalboekhouding, het beheer van de voorziening en het exploitatieplan. Aangetoond dient te worden dat de afvalstoffen niet op een zodanige chemische of fysische wijze met het gesteente zullen reageren dat de sterkte en dichtheid van het gesteente kunnen worden aangetast en de opslagplaats zelf in gevaar kan worden gebracht. Om deze redenen mogen, naast de afvalstoffen uitgesloten krachtens artikel 19, § 3, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, afvalstoffen die onder de opslagomstandigheden (temperatuur, vochtigheid) spontaan kunnen ontbranden, gasvormige producten, vluchtige afvalstoffen en afvalstoffen die afkomstig zijn van inzameling in de vorm van ongeïdentificeerde mengsels niet worden aanvaard.
Nagegaan dient te worden welke specifieke incidenten in de operationele fase kunnen leiden tot het ontstaan van een route tussen de afvalstoffen en de biosfeer. De verschillende typen potentiële operationele risico's dienen in specifieke categorieën te worden samengevat en ondergebracht. De mogelijke effecten ervan dienen te worden beoordeeld. Aangetoond dient te worden dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat de opslagplaats zodanig deformeert dat er een verbinding met de biosfeer kan ontstaan. Er dient te worden gezorgd voor maatregelen voor noodsituaties.
3.1.2.7. Langetermijnbeoordeling
Teneinde aan de doelstellingen van duurzaam storten in ee centrum voor technische ingraving te voldoen, moet de risicobeoordeling ook betrekking hebben op de lange termijn. Er dient met zekerheid te worden vastgesteld dat er na beëindiging van de actieve exploitatie van de ondergrondse opslagplaats ook op lange termijn geen routes naar de biosfeer ontstaan.
Ten aanzien van de barriĂšres van de ondergrondse opslaglocatie (bijvoorbeeld de kwaliteit van de afvalstoffen, aangelegde structuren, aanaarding en afdichting van schachten en boorgaten), het gedrag van het opberggesteente, de omringende lagen en de deklaag is een kwantitatieve langetermijnbeoordeling nodig op basis van voor de opslagplaats specifieke gegevens of voldoende voorzichtige veronderstellingen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de geochemische en hydrogeologische omstandigheden zoals de grondwaterstroom (zie de punten 3.1.2.3 en 3.1.2.4), de doeltreffendheid van de barriĂšre, de natuurlijke binding aan de grond alsmede de uitloging van de gestorte afvalstoffen.
De veiligheid op lange termijn van een ondergrondse opslagplaats dient te worden aangetoond door middel van een veiligheidsbeoordeling. Deze dient een beschrijving te omvatten van de begintoestand op een nauwkeurig omschreven tijdstip (bijvoorbeeld het tijdstip van sluiting) gevolgd door een scenario van belangrijke veranderingen die in de loop van de geologische tijd zijn te verwachten. Tenslotte moeten de gevolgen van het vrijkomen van relevante stoffen uit de ondergrondse opslagplaats worden beoordeeld voor verschillende scenario's waarin rekening wordt gehouden met de mogelijke langetermijnontwikkeling van de biosfeer, de geosfeer en de ondergrondse opslagplaats.
Bij de beoordeling van de langetermijnrisico's van afvalstortplaatsen dient geen rekening te worden gehouden met stutten en de bekleding van de onderaardse ruimten vanwege de beperkte levensduur ervan.
3.1.2.8. Milieueffectbeoordeling van de oppervlakte-ontvangstfaciliteiten
Hoewel de op de opslaglocatie aanvaarde afvalstoffen wellicht bestemd zijn voor ondergrondse opslag, dienen ze alvorens hun eindbestemming te bereiken aan het oppervlak te worden gelost, getest en mogelijk opgeslagen. De ontvangstfaciliteiten dienen zodanig te worden ontworpen en geëxploiteerd dat schade aan de gezondheid van de mens en het plaatselijke milieu wordt voorkomen. Ze moeten aan dezelfde eisen voldoen als alle andere ontvangstfaciliteiten voor afvalstoffen.
3.1.2.9. Beoordeling van overige risico's
Ter bescherming van werknemers mogen afvalstoffen alleen in een ondergrondse opslagplaats worden opgeborgen die volledig is gescheiden van mijnbouwactiviteiten.
Aanvaarding van afvalstoffen is niet toegestaan als deze gevaarlijke stoffen bevatten of kunnen doen ontstaan die de gezondheid van de mens kunnen schaden, zoals ziektekiemen van besmettelijke ziekten.
3.2. Aanvullende overwegingen : zoutmijnen.
3.2.1. Belang van de geologische barriĂšre
In de veiligheidsfilosofie voor zoutmijnen vervult het gesteente dat de afvalstoffen omgeeft, een dubbele rol :
- het fungeert als opberggesteente waarin de afvalstoffen worden ingekapseld,
- samen met de boven- en onderliggende ondoordringbare gesteentelagen (bijvoorbeeld anhydriet) werkt het gesteente als een geologische barriÚre, die is bedoeld om te voorkomen dat grondwater in het centrum voor technische ingraving binnendringt en om waar nodig te voorkomen dat vloeistoffen of gassen uit de locatie van het centrum voor technische ingraving ontsnappen. Schachten of boorgaten die door de geologische barriÚre heen gaan, moeten tijdens de exploitatie zijn afgedicht om binnendringing van water te voorkomen en moeten na beëindiging van de exploitatie van het centrum voor technische ingraving hermetisch worden afgesloten. Als de winning van mineralen langer doorgaat dan de exploitatie van het centrum voor technische ingraving, moet het gebied van het centrum voor technische ingraving na beëindiging van de exploitatie worden afgedicht met een hydraulisch ondoordringbare dam die dient te worden gebouwd aan de hand van de berekende hydraulische bedrijfsdruk die met de diepte overeenkomt, zodat water dat in de nog geëxploiteerde mijn sijpelt, niet in het gebied van het centrum voor technische ingraving kan doordringen,
- bij opslag in zoutmijnen wordt ervan uitgegaan dat het zout volledige insluiting biedt. De afvalstoffen zullen alleen met de biosfeer in contact komen bij een calamiteit of een gebeurtenis in de geologische tijd, zoals een aardverschuiving of erosie (bijvoorbeeld ten gevolge van het stijgen van de zeespiegel). De kans dat de afvalstoffen tijdens de opslag veranderen, moet gering zijn. De gevolgen van dergelijke rampscenario's moeten in aanmerking worden genomen.
3.2.2. Langetermijnbeoordeling
Het aantonen van de veiligheid op lange termijn van de ondergrondse opslag in zoutgesteente dient voornamelijk te geschieden door het aanwijzen van zoutgesteente als de barriĂšre. Zoutgesteente voldoet aan de eis dat het ondoordringbaar is voor gassen en vloeistoffen, dat het in staat is de afvalstoffen vanwege zijn convergente gedrag te omsluiten en dat het de afvalstoffen aan het einde van het transformatieproces geheel afsluit.
Het convergente gedrag van het zoutgesteente is derhalve niet in tegenspraak met de eis dat de onderaardse ruimten tijdens de exploitatiefase stabiel moeten zijn. De stabiliteit is van belang om de operationele veiligheid van de voorzieningen te waarborgen en de integriteit van de geologische barriĂšre voor onbepaalde tijd te handhaven, zodat de biosfeer blijvend wordt beschermd. De afvalstoffen moeten permanent van de biosfeer worden geĂŻsoleerd. Gecontroleerde verzakking van de deklaag of andere defecten die na verloop van lange tijd optreden, zijn alleen aanvaardbaar als kan worden aangetoond dat zich uitsluitend breukvrije transformaties zullen voordoen, dat de integriteit van de geologische barriĂšre gehandhaafd blijft en dat er geen routes ontstaan waarlangs water in contact kan komen met de afvalstoffen of waarlangs afvalstoffen of bestanddelen ervan naar de biosfeer kunnen migreren.
3.3. Aanvullende overwegingen - hard gesteente
Diepe opslag in hard gesteente wordt hier gedefinieerd als ondergrondse opslag op een diepte van enkele honderden meters, waarbij hard gesteente verschillende soorten stollingsgesteenten omvat zoals graniet of gneis, en ook sedimentgesteente zoals kalksteen en zandsteen kan omvatten.
3.3.1. Veiligheidsfilosofie
Diepe opslag in hard gesteente is een geschikte manier om te voorkomen dat toekomstige generaties met de verantwoordelijkheid voor de afvalstoffen worden belast, aangezien de opslagplaats een zodanige constructie dient te hebben dat deze passief is en geen onderhoud behoeft. Bovendien mag de constructie terugwinning van de afvalstoffen of de mogelijkheid tot het nemen van corrigerende maatregelen in de toekomst niet in de weg staan. Voorts dient de opslagplaats zo te zijn ontworpen, dat negatieve milieueffecten of mogelijke problemen die het resultaat zijn van de activiteiten van de huidige generatie, niet op toekomstige generaties worden afgewenteld.
Het hoofduitgangspunt van de veiligheidsfilosofie ten aanzien van de ondergrondse opslag van afvalstoffen is isolatie van de afvalstoffen van de biosfeer, alsmede natuurlijke binding aan de grond van verontreinigende stoffen die uit de afval weglekken. Voor sommige typen gevaarlijke stoffen en afvalstoffen is de noodzaak gebleken om de samenleving en het milieu te beschermen tegen voortdurende blootstelling gedurende lange perioden. Een lange periode betekent enkele duizenden jaren. Diepe opslag van afvalstoffen in hard gesteente kan inderdaad zulk een beschermingsniveau bieden. Diepe opslag van afvalstoffen in hard gesteente kan plaatsvinden in een voormalige mijn, waar de mijnbouwactiviteiten zijn beëindigd, of in een nieuwe opslaginstallatie.
In geval van opslag in hard gesteente is totale insluiting niet mogelijk. In dat geval moet een ondergrondse opslagplaats zodanig worden geconstrueerd, dat natuurlijke binding aan de grond in de omringende lagen de effecten van verontreinigende stoffen dermate opvangt, dat deze geen onomkeerbare negatieve effecten hebben op het milieu. Dit betekent dat het vermogen van de directe omgeving om verontreinigende stoffen af te zwakken en af te breken de aanvaardbaarheid van het vrijkomen van stoffen uit een dergelijke installatie zal bepalen.
Er moet worden aangetoond dat de installatie op lange termijn veilig is (zie punt 3.1.2.7) om te voldoen aan het algemeen verbod op rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater en om de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen. De beoordeling van een systeem voor diepe opslag dient op holistische wijze te geschieden, rekening houdend met de coherente functie van verschillende onderdelen van het systeem. Bij diepe opslag in hard gesteente zullen de afvalstoffen onder de grondwaterspiegel liggen. Bij diepe opslag in hard gesteente moet worden voorkomen dat lozingen van gevaarlijke stoffen uit de opslagplaats de biosfeer en de voor de biosfeer toegankelijke bovenste delen van het grondwatersysteem bereiken in hoeveelheden of concentraties die schadelijke effecten zullen hebben. Daarom is een beoordeling van de waterstroombanen naar en in de biosfeer nodig. Het effect van de variabiliteit op het hydrogeologische systeem dient te worden beoordeeld.
Bij diepe opslag in hard gesteente kan gasvorming optreden ten gevolge van aantasting van afvalstoffen, verpakking en aangelegde structuren op lange termijn. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het ontwerpen van locaties voor diepe opslag in hard gesteente.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Afvalstoffen die zonder tests aanvaardbaar zijn in centra voor technische ingraving voor ongevaarlijke afvalstoffen.
Afval dat is ingedeeld als ongevaarlijk in rubriek 20 van de afvalcatalogus bedoeld in de tabel in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus, de gescheiden ingezamelde ongevaarlijke fracties van huishoudelijk afval en dezelfde ongevaarlijke materialen van andere oorsprong kunnen zonder tests worden aanvaard in de centra voor technische ingraving voor ongevaarlijke afvalstoffen.
De afvalstoffen mogen niet worden toegelaten als ze niet vooraf zijn behandeld overeenkomstig artikel 3 van het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving of als ze zo sterk zijn vervuild dat het risico van de afvalstoffen zodanig wordt verhoogd dat ze in andere centra voor technische ingraving dienen te worden gestort.
De afvalstoffen mogen mag niet worden aanvaard in cellen waar stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen worden aanvaard overeenkomstig artikel 5 van dit besluit.
1.2. Controletest
Wanneer afval op grond van een basiskarakterisering overeenkomstig punt 1 van dit document als aanvaardbaar voor een centrum voor technische ingraving is aangemerkt, dient de afval vervolgens aan controletests te worden onderworpen om te bepalen of de afval in overeenstemming is met de resultaten van de basiskarakterisering en de toepasselijke aanvaardingscriteria zoals bepaald in het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
Controletests hebben tot doel het periodiek testen van regelmatig ontstane afvalstromen.
De te testen toepasselijke parameters worden tijdens de basiskarakterisering bepaald. De parameters dienen te worden gerelateerd aan de uit deze karakterisering verkregen informatie; er is alleen een controle van kritische parameters (belangrijkste variabelen) nodig, zoals die tijdens de basiskarakterisering zijn vastgesteld.
De controle moet laten zien dat de afval voor de kritische parameters aan de grenswaarden voldoet die bepaald worden bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
De voor uitvoering van de controletest gebruikte tests dienen deel uit te maken van de tests van de basiskarakterisering. Bij de controletests moet ten minste een schudproef worden uitgevoerd. Daarbij moeten de in punt 2 vermelde methoden worden gebruikt.
Afvalstoffen die overeenkomstig punt 1.1.4 a) en c) vrijgesteld zijn van de tests voor basiskarakterisering, zijn ook vrijgesteld van controletests. Wel dient te worden nagegaan of deze afvalstoffen in overeenstemming zijn met de informatie voor de basiskarakterisering die geen verband houdt met het testen.
Controletests dienen ten minste eenmaal per jaar te worden uitgevoerd en de exploitant dient er in ieder geval voor te zorgen dat uitvoering van deze tests gebeurt in een omvang en frequentie die zijn bepaald op grond van de basiskarakterisering.
De testresultaten dienen te worden bewaard in het register opgelegd bij artikel 25 van dit besluit.
1.3. Verificatie ter plaatse
Voor elke in een centrum voor technische ingraving afgeleverde lading afval vindt voor en na het lossen visuele inspectie plaats. Tevens vindt controle van de vereiste documenten plaats.
Voor afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving worden gestort, kunnen de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning voorzien dat deze verificatie op het punt van verzending plaatsvindt.
De afvalstoffen mogen in een centrum voor technische ingraving worden aanvaard, als ze dezelfde zijn als de afvalstoffen die aan de basiskarakterisering en controletests zijn onderworpen en in de bijbehorende documenten worden beschreven. Is aan deze voorwaarde niet voldaan, dan mogen de afvalstoffen niet worden aanvaard.
Bij de aflevering worden regelmatig monsters genomen zodat er altijd een representatief monster op de locatie aanwezig is. De genomen monsters worden na aanvaarding van de afvalstoffen gedurende minstens een maand optimaal bewaard.
De Minister dient de testvereisten voor verificatie ter plaatse vast te stellen, waaronder indien nodig snelle testmethoden.
2. Bemonsterings- en testmethoden
De bemonsterings- en testwerkzaamheden voor basiskarakterisering en de controletest worden verricht door een laboratorium dat erkend wordt krachtens artikel 14, 2° d) van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen. De exploitanten van de centra voor technische ingraving die evenwel over een EMAS registratie beschikken overeenkomstig artikel 32 van dit besluit, kunnen de bemonstering zelf verrichten of door een bevoegde onderaannemer die onder hun rechtstreekse gezag staat, laten uitvoeren.
Zolang de CEN-norm niet als formele Europese Norm (EN) beschikbaar is, worden regionale normen of procedures dan wel de ontwerpnorm van de CEN, wanneer deze het prEN-stadium heeft bereikt, toegepast.
De volgende methoden worden gebruikt :
Bemonstering
Voor de bemonstering van afvalstoffen - voor basiskarakterisering, controletests en verificatie ter plaatse - wordt een bemonsteringsplan ontwikkeld overeenkomstig deel 1 van de bemonsteringsnorm die momenteel door de CEN wordt opgesteld.
Algemene eigenschappen van afvalstoffen.
EN 13137 : Bepaling van het gehalte aan TOC in afval, slib en sediment
prEN 14346 : Berekening van het drogestofgehalte door bepaling van de droge rest of het watergehalte
Uitloogproeven
PrEN 14405 Uitloogproef ter karakterisering - Opwaartse kolomproef (opwaartse kolomproef voor anorganische stoffen)
EN 12457/1-4 : Uitloging - Verkorte uitloogproef van korrelvormige afvalstoffen en slib
Deel 2 : bij L/S = 10 l/kg, korrelgrootte < 4 mm.
Deel 4 : bij L/S = 10 l/kg, korrelgrootte < 10 mm
De modaliteiten inzake uitvoering van deze norm kunnen door de Minister worden bepaald
Ontsluiting van ruwe afvalstoffen
EN 13657 : Ontsluiting voor de bepaling van in koningswater oplosbare elementen in afval (gedeeltelijke ontsluiting van de vaste afvalstoffen vóór elementaire analyse, waarbij de silicaatmatrix intact blijft)
EN 13656 : Microgolfontsluiting met waterstoffluoride- (HF), salpeterzuur- (HNO3) en zoutzuur- (HCl)-mengsels voor de bepaling van elementen in afval (totale ontsluiting van de vaste afvalstoffen vóór elementaire analyse)
Analyse
EN 12506 : Analyse van eluaten - Bepaling van pH, As, Ba, Cd, Cl, Co, Cr, Cr(VI), Cu, Mo, Ni, NO2, Pb, S SO4, V en Zn (analyse van anorganische bestanddelen van vaste afvalstoffen en/of het eluaat ervan; macro-, micro- en spoorelementen)
EN 13370 : Analyse van eluaten - Bepaling van : het gehalte aan ammonium-N, AOX, geleidbaarheid, Hg, fenolindex, TOC, vrij CN, F (analyse van anorganische bestanddelen van vaste afvalstoffen en/of het eluaat ervan (anionen))
prEN 14039 : Bepaling van het gehalte aan minerale olie C10-C40 met gaschromatografie
Voor tests en analyses waarvoor (nog) geen CEN-methoden beschikbaar zijn, dienen de gebruikte methoden door de Dienst te worden goedgekeurd.
3. Veiligheidsbeoordeling voor het aanvaarden van afvalstoffen in ondergrondse opslagplaatsen
3.1. Veiligheidsfilosofie voor ondergrondse opslagplaatsen - alle typen
De specifieke veiligheidsbeoordeling van de locatie moet rekening houden met de hiernavermelde elementen met het oog op de aanvaarding van afvalstoffen in in ondergrondse opslagplaatsen. De exploitant moet deze specifieke beoordeling uitvoeren.
3.1.1. Het belang van de geologische barriĂšre
Isolering van afvalstoffen van de biosfeer is het einddoel voor de definitieve verwijdering van afvalstoffen in ondergrondse opslagplaatsen. De afvalstoffen, de geologische barriĂšre en de onderaardse ruimten, met inbegrip van aangelegde structuren, vormen een systeem dat samen met alle andere technische aspecten aan de desbetreffende eisen moet voldoen.
Er moet worden aangetoond dat de installatie op lange termijn veilig is (zie punt 3.1.2.7) om te voldoen aan het algemeen verbod op rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater en om de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen.
3.1.2. Risicobeoordeling voor elke specifieke opslagplaats
De risicobeoordeling vereist de vaststelling van :
- het gevaar (in dit geval de gestorte afvalstoffen),
- de receptoren (in dit geval de biosfeer en mogelijk het grondwater),
- de wegen waarlangs uit de afval afkomstige stoffen de biosfeer kunnen bereiken, en
- de beoordeling van het effect van stoffen die de biosfeer kunnen bereiken.
Aanvaardingscriteria voor ondergrondse opslagplaatsen dienen te worden afgeleid van onder meer een analyse van het opberggesteente, dus er dient te worden aangetoond dat geen van de in de artikelen 8, 9, 16, 18, 20 en 21 van dit besluit genoemde voorwaarden van toepassing zijn.
De aanvaardingscriteria voor ondergrondse opslagplaatsen kunnen alleen met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden worden bepaald. Daartoe is het nodig de geschiktheid van de lagen voor de aanleg van een opslagplaats aan te tonen, dwz te beoordelen wat de risico's voor insluiting zijn, rekening houdend met het totaalsysteem van de afvalstoffen, de aangelegde structuren en onderaardse ruimten en het opberggesteente.
Uitvoering van de risicobeoordeling van de installatie dient te geschieden voor zowel de operationele als de postoperationele fase. Op grond van deze beoordelingen is het mogelijk de vereiste beheersings- en veiligheidsmaatregelen vast te stellen en de aanvaardingscriteria te formuleren.
Er wordt een geĂŻntegreerde prestatiebeoordelingsanalyse gemaakt, bestaande uit de volgende onderdelen :
1) een geologische beoordeling;
2) een geomechanische beoordeling;
3) een hydrogeologische beoordeling;
4) een geochemische beoordeling;
5) een beoordeling van het effect op de biosfeer;
6) een beoordeling van de operationele fase;
7) een langetermijnbeoordeling;
8) een beoordeling van het effect van alle oppervlaktevoorzieningen ter plaatse.
3.1.2.1. Geologische beoordeling
Een diepgaand onderzoek naar of grondige kennis van de geologische gesteldheid van een stortplaats is vereist. Dit houdt in onderzoek naar en analyse van de soorten gesteenten, de bodem en de topografie. De geologische beoordeling dient aan te tonen of de stortplaats geschikt is voor ondergrondse opslag. De beoordeling dient ook de locatie, frequentie en structuur van breuken of scheuren in omringende geologische lagen en het mogelijke effect van seismische activiteit op deze structuren te betreffen. Ook dient onderzoek te worden gedaan naar alternatieve locaties voor ondergrondse opslag.
3.1.2.2. Geomechanische beoordeling
De stabiliteit van de onderaardse ruimten moet worden aangetoond door middel van passende onderzoeken en prognoses. De gestorte afval dient deel uit te maken van deze beoordeling. De processen dienen op systematische wijze te worden geanalyseerd en gedocumenteerd.
Aangetoond dient te worden :
1) dat tijdens en na de vorming van de onderaardse ruimten geen belangrijke vervorming in de ruimte zelf of aan het aardoppervlak is te verwachten die afbreuk kan doen aan de exploitatie van de ondergrondse opslagplaats of een weg naar de biosfeer kan verschaffen;
2) dat het draagvermogen van de onderaardse ruimte voldoende is om instorting ervan tijdens de exploitatie te voorkomen;
3) dat het gestorte materiaal de noodzakelijke stabiliteit moet hebben die verenigbaar is met de geomechanische eigenschappen van het opberggesteente.
3.1.2.3. Hydrogeologische beoordeling
Er is een diepgaand onderzoek naar de hydrogeologische eigenschappen nodig om het stroompatroon van het grondwater in de omringende lagen te beoordelen op basis van informatie over de hydraulische geleidbaarheid van de gesteentemassa, scheuren en de hydraulische gradiënten.
3.1.2.4. Geochemische beoordeling
Er is diepgaand onderzoek naar de samenstelling van het gesteente en het grondwater nodig voor een beoordeling van de huidige samenstelling van het grondwater en de mogelijke ontwikkeling daarvan in de tijd, de aard en hoeveelheid van scheuren opvullende mineralen, alsmede een kwantitatieve mineralogische beschrijving van het opberggesteente. Het effect van variabiliteit op het geochemische systeem dient te worden beoordeeld.
3.1.2.5. Beoordeling van het effect op de biosfeer
Er is onderzoek nodig naar de biosfeer waarop de ondergrondse opslagplaats effect zou kunnen hebben. Er zijn referentiestudies nodig om plaatselijke natuurlijke achtergrondniveaus van relevante stoffen te definiëren.
3.1.2.6. Beoordeling van de operationele fase
Voor de operationele fase dient de analyse het volgende aan te tonen :
1) de stabiliteit van de onderaardse ruimten overeenkomstig punt 3.1.2.2;
2) er is geen onaanvaardbaar risico dat er een route ontstaat van de afvalstoffen naar de biosfeer;
3) er zijn geen onaanvaardbare risico's die van invloed zijn op de exploitatie van de opslagplaats.
Tegelijk met het aantonen van de veiligheid tijdens de operationele fase moet een systematische analyse van de exploitatie van de opslagplaats worden gemaakt op basis van specifieke gegevens over de afvalboekhouding, het beheer van de voorziening en het exploitatieplan. Aangetoond dient te worden dat de afvalstoffen niet op een zodanige chemische of fysische wijze met het gesteente zullen reageren dat de sterkte en dichtheid van het gesteente kunnen worden aangetast en de opslagplaats zelf in gevaar kan worden gebracht. Om deze redenen mogen, naast de afvalstoffen uitgesloten krachtens artikel 19, § 3, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, afvalstoffen die onder de opslagomstandigheden (temperatuur, vochtigheid) spontaan kunnen ontbranden, gasvormige producten, vluchtige afvalstoffen en afvalstoffen die afkomstig zijn van inzameling in de vorm van ongeïdentificeerde mengsels niet worden aanvaard.
Nagegaan dient te worden welke specifieke incidenten in de operationele fase kunnen leiden tot het ontstaan van een route tussen de afvalstoffen en de biosfeer. De verschillende typen potentiële operationele risico's dienen in specifieke categorieën te worden samengevat en ondergebracht. De mogelijke effecten ervan dienen te worden beoordeeld. Aangetoond dient te worden dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat de opslagplaats zodanig deformeert dat er een verbinding met de biosfeer kan ontstaan. Er dient te worden gezorgd voor maatregelen voor noodsituaties.
3.1.2.7. Langetermijnbeoordeling
Teneinde aan de doelstellingen van duurzaam storten in ee centrum voor technische ingraving te voldoen, moet de risicobeoordeling ook betrekking hebben op de lange termijn. Er dient met zekerheid te worden vastgesteld dat er na beëindiging van de actieve exploitatie van de ondergrondse opslagplaats ook op lange termijn geen routes naar de biosfeer ontstaan.
Ten aanzien van de barriĂšres van de ondergrondse opslaglocatie (bijvoorbeeld de kwaliteit van de afvalstoffen, aangelegde structuren, aanaarding en afdichting van schachten en boorgaten), het gedrag van het opberggesteente, de omringende lagen en de deklaag is een kwantitatieve langetermijnbeoordeling nodig op basis van voor de opslagplaats specifieke gegevens of voldoende voorzichtige veronderstellingen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de geochemische en hydrogeologische omstandigheden zoals de grondwaterstroom (zie de punten 3.1.2.3 en 3.1.2.4), de doeltreffendheid van de barriĂšre, de natuurlijke binding aan de grond alsmede de uitloging van de gestorte afvalstoffen.
De veiligheid op lange termijn van een ondergrondse opslagplaats dient te worden aangetoond door middel van een veiligheidsbeoordeling. Deze dient een beschrijving te omvatten van de begintoestand op een nauwkeurig omschreven tijdstip (bijvoorbeeld het tijdstip van sluiting) gevolgd door een scenario van belangrijke veranderingen die in de loop van de geologische tijd zijn te verwachten. Tenslotte moeten de gevolgen van het vrijkomen van relevante stoffen uit de ondergrondse opslagplaats worden beoordeeld voor verschillende scenario's waarin rekening wordt gehouden met de mogelijke langetermijnontwikkeling van de biosfeer, de geosfeer en de ondergrondse opslagplaats.
Bij de beoordeling van de langetermijnrisico's van afvalstortplaatsen dient geen rekening te worden gehouden met stutten en de bekleding van de onderaardse ruimten vanwege de beperkte levensduur ervan.
3.1.2.8. Milieueffectbeoordeling van de oppervlakte-ontvangstfaciliteiten
Hoewel de op de opslaglocatie aanvaarde afvalstoffen wellicht bestemd zijn voor ondergrondse opslag, dienen ze alvorens hun eindbestemming te bereiken aan het oppervlak te worden gelost, getest en mogelijk opgeslagen. De ontvangstfaciliteiten dienen zodanig te worden ontworpen en geëxploiteerd dat schade aan de gezondheid van de mens en het plaatselijke milieu wordt voorkomen. Ze moeten aan dezelfde eisen voldoen als alle andere ontvangstfaciliteiten voor afvalstoffen.
3.1.2.9. Beoordeling van overige risico's
Ter bescherming van werknemers mogen afvalstoffen alleen in een ondergrondse opslagplaats worden opgeborgen die volledig is gescheiden van mijnbouwactiviteiten.
Aanvaarding van afvalstoffen is niet toegestaan als deze gevaarlijke stoffen bevatten of kunnen doen ontstaan die de gezondheid van de mens kunnen schaden, zoals ziektekiemen van besmettelijke ziekten.
3.2. Aanvullende overwegingen : zoutmijnen.
3.2.1. Belang van de geologische barriĂšre
In de veiligheidsfilosofie voor zoutmijnen vervult het gesteente dat de afvalstoffen omgeeft, een dubbele rol :
- het fungeert als opberggesteente waarin de afvalstoffen worden ingekapseld,
- samen met de boven- en onderliggende ondoordringbare gesteentelagen (bijvoorbeeld anhydriet) werkt het gesteente als een geologische barriÚre, die is bedoeld om te voorkomen dat grondwater in het centrum voor technische ingraving binnendringt en om waar nodig te voorkomen dat vloeistoffen of gassen uit de locatie van het centrum voor technische ingraving ontsnappen. Schachten of boorgaten die door de geologische barriÚre heen gaan, moeten tijdens de exploitatie zijn afgedicht om binnendringing van water te voorkomen en moeten na beëindiging van de exploitatie van het centrum voor technische ingraving hermetisch worden afgesloten. Als de winning van mineralen langer doorgaat dan de exploitatie van het centrum voor technische ingraving, moet het gebied van het centrum voor technische ingraving na beëindiging van de exploitatie worden afgedicht met een hydraulisch ondoordringbare dam die dient te worden gebouwd aan de hand van de berekende hydraulische bedrijfsdruk die met de diepte overeenkomt, zodat water dat in de nog geëxploiteerde mijn sijpelt, niet in het gebied van het centrum voor technische ingraving kan doordringen,
- bij opslag in zoutmijnen wordt ervan uitgegaan dat het zout volledige insluiting biedt. De afvalstoffen zullen alleen met de biosfeer in contact komen bij een calamiteit of een gebeurtenis in de geologische tijd, zoals een aardverschuiving of erosie (bijvoorbeeld ten gevolge van het stijgen van de zeespiegel). De kans dat de afvalstoffen tijdens de opslag veranderen, moet gering zijn. De gevolgen van dergelijke rampscenario's moeten in aanmerking worden genomen.
3.2.2. Langetermijnbeoordeling
Het aantonen van de veiligheid op lange termijn van de ondergrondse opslag in zoutgesteente dient voornamelijk te geschieden door het aanwijzen van zoutgesteente als de barriĂšre. Zoutgesteente voldoet aan de eis dat het ondoordringbaar is voor gassen en vloeistoffen, dat het in staat is de afvalstoffen vanwege zijn convergente gedrag te omsluiten en dat het de afvalstoffen aan het einde van het transformatieproces geheel afsluit.
Het convergente gedrag van het zoutgesteente is derhalve niet in tegenspraak met de eis dat de onderaardse ruimten tijdens de exploitatiefase stabiel moeten zijn. De stabiliteit is van belang om de operationele veiligheid van de voorzieningen te waarborgen en de integriteit van de geologische barriĂšre voor onbepaalde tijd te handhaven, zodat de biosfeer blijvend wordt beschermd. De afvalstoffen moeten permanent van de biosfeer worden geĂŻsoleerd. Gecontroleerde verzakking van de deklaag of andere defecten die na verloop van lange tijd optreden, zijn alleen aanvaardbaar als kan worden aangetoond dat zich uitsluitend breukvrije transformaties zullen voordoen, dat de integriteit van de geologische barriĂšre gehandhaafd blijft en dat er geen routes ontstaan waarlangs water in contact kan komen met de afvalstoffen of waarlangs afvalstoffen of bestanddelen ervan naar de biosfeer kunnen migreren.
3.3. Aanvullende overwegingen - hard gesteente
Diepe opslag in hard gesteente wordt hier gedefinieerd als ondergrondse opslag op een diepte van enkele honderden meters, waarbij hard gesteente verschillende soorten stollingsgesteenten omvat zoals graniet of gneis, en ook sedimentgesteente zoals kalksteen en zandsteen kan omvatten.
3.3.1. Veiligheidsfilosofie
Diepe opslag in hard gesteente is een geschikte manier om te voorkomen dat toekomstige generaties met de verantwoordelijkheid voor de afvalstoffen worden belast, aangezien de opslagplaats een zodanige constructie dient te hebben dat deze passief is en geen onderhoud behoeft. Bovendien mag de constructie terugwinning van de afvalstoffen of de mogelijkheid tot het nemen van corrigerende maatregelen in de toekomst niet in de weg staan. Voorts dient de opslagplaats zo te zijn ontworpen, dat negatieve milieueffecten of mogelijke problemen die het resultaat zijn van de activiteiten van de huidige generatie, niet op toekomstige generaties worden afgewenteld.
Het hoofduitgangspunt van de veiligheidsfilosofie ten aanzien van de ondergrondse opslag van afvalstoffen is isolatie van de afvalstoffen van de biosfeer, alsmede natuurlijke binding aan de grond van verontreinigende stoffen die uit de afval weglekken. Voor sommige typen gevaarlijke stoffen en afvalstoffen is de noodzaak gebleken om de samenleving en het milieu te beschermen tegen voortdurende blootstelling gedurende lange perioden. Een lange periode betekent enkele duizenden jaren. Diepe opslag van afvalstoffen in hard gesteente kan inderdaad zulk een beschermingsniveau bieden. Diepe opslag van afvalstoffen in hard gesteente kan plaatsvinden in een voormalige mijn, waar de mijnbouwactiviteiten zijn beëindigd, of in een nieuwe opslaginstallatie.
In geval van opslag in hard gesteente is totale insluiting niet mogelijk. In dat geval moet een ondergrondse opslagplaats zodanig worden geconstrueerd, dat natuurlijke binding aan de grond in de omringende lagen de effecten van verontreinigende stoffen dermate opvangt, dat deze geen onomkeerbare negatieve effecten hebben op het milieu. Dit betekent dat het vermogen van de directe omgeving om verontreinigende stoffen af te zwakken en af te breken de aanvaardbaarheid van het vrijkomen van stoffen uit een dergelijke installatie zal bepalen.
Er moet worden aangetoond dat de installatie op lange termijn veilig is (zie punt 3.1.2.7) om te voldoen aan het algemeen verbod op rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater en om de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen. De beoordeling van een systeem voor diepe opslag dient op holistische wijze te geschieden, rekening houdend met de coherente functie van verschillende onderdelen van het systeem. Bij diepe opslag in hard gesteente zullen de afvalstoffen onder de grondwaterspiegel liggen. Bij diepe opslag in hard gesteente moet worden voorkomen dat lozingen van gevaarlijke stoffen uit de opslagplaats de biosfeer en de voor de biosfeer toegankelijke bovenste delen van het grondwatersysteem bereiken in hoeveelheden of concentraties die schadelijke effecten zullen hebben. Daarom is een beoordeling van de waterstroombanen naar en in de biosfeer nodig. Het effect van de variabiliteit op het hydrogeologische systeem dient te worden beoordeeld.
Bij diepe opslag in hard gesteente kan gasvorming optreden ten gevolge van aantasting van afvalstoffen, verpakking en aangelegde structuren op lange termijn. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het ontwerpen van locaties voor diepe opslag in hard gesteente.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Les déchets ne figurant pas sur cette liste doivent faire l'objet d'essais, conformément au point 1, en vue de déterminer s'ils remplissent les critÚres d'admission dans les décharges pour déchets inertes.
Déchets admissibles sans essai dans des CET pour déchets non dangereux
Les dĂ©chets qui sont classĂ©s comme non dangereux Ă la rubrique 20 du catalogue des dĂ©chets visĂ© dans le tableau figurant en annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets, les fractions non dangereuses collectĂ©es sĂ©parĂ©ment des dĂ©chets mĂ©nagers et les matĂ©riaux non dangereux de mĂȘme nature provenant d'autres origines peuvent ĂȘtre admis sans essai dans les CET pour dĂ©chets non dangereux.
Les dĂ©chets ne peuvent ĂȘtre admis s'ils n'ont pas Ă©tĂ© soumis au prĂ©alable Ă un traitement conforme Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique, ou s'ils sont contaminĂ©s dans une proportion susceptible d'accroĂźtre le risque liĂ© aux dĂ©chets au point de justifier leur Ă©limination dans d'autres CET.
Ils ne peuvent pas ĂȘtre admis dans les mĂȘmes cellules que celles dans lesquelles les dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs sont acceptĂ©s, conformĂ©ment Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
1.2. Vérification de la conformité
Quand un dĂ©chet a Ă©tĂ© jugĂ© admissible dans une classe de CET Ă l'issue de la caractĂ©risation de base, conformĂ©ment au point 1, ce dĂ©chet est ensuite soumis Ă une vĂ©rification de sa conformitĂ© visant Ă dĂ©terminer s'il est conforme aux rĂ©sultats de la caractĂ©risation de base et aux critĂšres appropriĂ©s d'admission tels que dĂ©finis par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
La vérification de la conformité vise à réaliser des contrÎles périodiques des flux de déchets réguliers.
Les paramÚtres appropriés qui doivent faire l'objet d'essais sont déterminés dans la caractérisation de base. Ces paramÚtres doivent correspondre aux informations comprises dans la caractérisation de base; seul un contrÎle portant sur les variables clés (paramÚtres critiques), défini dans la caractérisation de base, est nécessaire.
Le contrĂŽle doit montrer que le dĂ©chet satisfait, pour les paramĂštres critiques, aux valeurs limites fixĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Les essais utilisés pour la vérification de la conformité sont choisis parmi ceux utilisés pour la caractérisation de base. Ces essais comprennent au moins un essai de lixiviation en bùchée. A cet effet, les méthodes visées au point 2 seront utilisées.
Les déchets exemptés des obligations d'essai pour la caractérisation de base, visés au point 1.1.4 a) et c), sont également exemptés des essais de vérification de la conformité. Ils doivent néanmoins faire l'objet d'une vérification de leur conformité avec les informations sur la caractérisation de base autres que les essais.
La vérification de la conformité est effectuée au moins une fois par an et l'exploitant doit, dans tous les cas, veiller à ce que sa portée et sa fréquence soient conformes à celles déterminées par la caractérisation de base.
Les rĂ©sultats des essais sont inscrits dans le registre imposĂ© par l'article 25 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
1.3. Vérification sur place
Chaque chargement de dĂ©chets admis dans un CET fait l'objet d'une inspection visuelle avant et aprĂšs le dĂ©chargement. Les documents requis doivent ĂȘtre vĂ©rifiĂ©s.
Pour les déchets éliminés dans un CET de classe 5, les conditions particuliÚres du permis d'environnement peuvent prévoir que cette vérification s'effectue au point de départ des déchets.
Les dĂ©chets peuvent ĂȘtre admis dans un CET s'ils sont les mĂȘmes que ceux ayant dĂ©jĂ fait l'objet d'une caractĂ©risation de base et d'une vĂ©rification de conformitĂ© et dont la description figure dans les documents d'accompagnement. Dans le cas contraire, les dĂ©chets ne doivent pas ĂȘtre admis.
Lors de la livraison, des échantillons sont prélevés réguliÚrement, de maniÚre à ce qu'il y ait toujours un échantillon représentatif sur le site. Les échantillons prélevés sont conservés de façon optimale aprÚs l'admission des déchets pendant au moins un mois.
Le Ministre précise les exigences techniques relatives aux essais de vérification sur place et, lorsque c'est pertinent, des méthodes d'essai rapides.
2. METHODES D'ECHANTILLONNAGE ET D'ESSAI
Les Ă©chantillonnages et les essais pour la caractĂ©risation de base et la vĂ©rification de la conformitĂ© sont effectuĂ©s par un laboratoire agréé en vertu de l'article 14, 2° d) du dĂ©cret du 27 juin 1996 relatif aux dĂ©chets. Toutefois, les exploitants des CET disposant de l'enregistrement EMAS conformĂ©ment Ă l'article 32 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© peuvent effectuer les Ă©chantillonnages eux-mĂȘmes ou les faire effectuer par un sous traitant compĂ©tent placĂ© sous leur autoritĂ© directe.
Aussi longtemps qu'une norme du CEN n'a pas été établie en tant que norme européenne (NE) officielle, des normes ou des procédures régionales ou le projet de norme du CEN, quand il aura atteint le stade prEN, sont appliqués.
Les méthodes suivantes seront utilisées.
Echantillonnage
Pour l'échantillonnage des déchets réalisé pour la caractérisation de base, la vérification de la conformité et la vérification sur place, un plan d'échantillonnage sera élaboré conformément à la premiÚre partie de la norme sur l'échantillonnage actuellement développée par le CEN.
Propriétés générales des déchets
EN 13137 : Dosage du COT dans les déchets, boues et sédiments
prEN 14346 : Calcul de la teneur en matiÚre sÚche à partir de la détermination du résidu sec ou de la teneur en eau
Essais de lixiviation
PrEN 14405 Essai de comportement à la lixiviation - Essai de percolation à écoulement ascendant (on utilise ce dernier pour les constituants inorganiques)
EN 12457/1-4 : Lixiviation - Essai de conformité pour la lixiviation des déchets fragmentés et des boues
Partie 2 : L/S = 10 l/kg et granulométrie < 4 mm
Partie 4 : L/S = 10 l/kg et granulométrie < 10 mm
Les modalitĂ©s de mise en oeuvre de cette norme peuvent ĂȘtre prĂ©cisĂ©es par le Ministre
Digestion des déchets non traités
EN 13657 : Digestion en vue de la détermination ultérieure de la part des éléments solubles dans l'eau régale contenus dans les déchets (cette digestion partielle des déchets solides est réalisée avant l'analyse élémentaire, ce qui laisse la matrice de silicate intacte)
EN 13656 : Digestion assistée par micro-ondes avec un mélange d'acides fluorhydrique (HF), nitrique (HNO3) et chlorhydrique (HCl) pour la détermination ultérieure d'éléments contenus dans les déchets (digestion totale des déchets solides réalisée avant l'analyse élémentaire)
Analyse
EN 12506 : Analyse des éluats - Détermination du pH et dosage de As, Ba, Cd, Co, Cr VI, Cu, Mo, Ni, NO2, Pb, S total, SO4, V et Zn (analyse des constituants inorganiques des déchets solides et/ou de leurs éluats et éléments majeurs, mineurs et en trace)
EN 13370 : Analyse chimique des éluats - Détermination de : ammonium, AOX, conductivité, Hg, " indice phénol ", COT, CN aisément libérables, F [analyse des constituants inorganiques des déchets solides et/ou de leurs éluats (anions)]
prEN 14039 : Détermination de la teneur en hydrocarbures par chromatographie en phase gazeuse dans la plage C10-C40
Les mĂ©thodes appliquĂ©es aux essais et aux analyses pour lesquels les mĂ©thodes du CEN ne sont pas (encore) disponibles doivent ĂȘtre approuvĂ©es par l'Office.
3. EVALUATION DE LA SECURITE POUR L'ADMISSION DES DECHETS EN STOCKAGE SOUTERRAIN
3.1. Principes de sécurité pour le stockage souterrain - tous types de stockage
L'évaluation spécifique de la sécurité du site doit prendre en compte les éléments ci-dessous en vue de l'admission de déchets en stockage souterrain. La réalisation de cette évaluation spécifique incombe à l'exploitant.
3.1.1. Importance de la barriÚre géologique
L'isolement des déchets par rapport à la biosphÚre est l'objectif ultime de l'élimination finale des déchets en stockage souterrain. Les déchets, la barriÚre géologique et les cavités, y compris toute structure artificielle, constituent un systÚme qui, ajouté à tous les autres aspects techniques, doit satisfaire aux exigences correspondantes.
Il convient de démontrer la sécurité à long terme de l'installation (point 3.1.2.7) pour satisfaire à l'interdiction générale du rejet direct de polluants dans les eaux souterraines et pour prévenir la détérioration de l'état de toutes les masses d'eau souterraines
3.1.2. Evaluation des risques spécifiques à un site
L'évaluation des risques suppose d'identifier :
- le danger (en l'espÚce, les déchets déposés);
- les cibles (en l'espÚce, la biosphÚre et éventuellement les eaux souterraines);
- les voies par lesquelles les substances provenant des déchets peuvent atteindre la biosphÚre;
- l'évaluation de l'impact des substances susceptibles d'atteindre la biosphÚre.
Les critĂšres d'admission en stockage souterrain doivent notamment ĂȘtre liĂ©s Ă l'analyse de la roche hĂŽte, c'est pourquoi il est confirmĂ© que les conditions fixĂ©es aux articles 8, 9, 16, 18, 20 et 21 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas d'application.
Les critĂšres d'admission en stockage souterrain ne peuvent ĂȘtre dĂ©finis qu'Ă partir des conditions locales. Il faut donc dĂ©montrer que l'horizon gĂ©ologique est de nature Ă permettre un stockage, c'est-Ă -dire Ă©valuer les risques liĂ©s au confinement, en tenant compte du systĂšme global comprenant les dĂ©chets, les structures et les cavitĂ©s artificielles et la formation gĂ©ologique encaissante.
L'Ă©valuation spĂ©cifique des risques liĂ©s au site de l'installation doit ĂȘtre effectuĂ©e Ă la fois pour les phases d'exploitation et de post exploitation. Sur la base de ces Ă©valuations, les mesures de contrĂŽle et de sĂ©curitĂ© qui s'imposent ainsi que les critĂšres d'admission sont dĂ©finis.
Une analyse intégrée de l'évaluation de la performance est préparée; cette analyse comprend notamment :
1) une évaluation géologique;
2) une évaluation géomécanique;
3) une évaluation hydrogéologique;
4) une évaluation géochimique;
5) une évaluation des incidences sur la biosphÚre;
6) une évaluation de la phase d'exploitation;
7) une évaluation à long terme;
8) une évaluation de l'incidence de toutes les installations situées à la surface du site.
3.1.2.1. Evaluation géologique
Des recherches ou une connaissance approfondies des donnĂ©es gĂ©ologiques du site sont nĂ©cessaires. Ce travail comprend des Ă©tudes et des analyses portant sur les types de roches, les sols et la topographie. L'Ă©valuation gĂ©ologique devrait dĂ©montrer l'adĂ©quation du site Ă un stockage souterrain. L'emplacement, la frĂ©quence et la structure de toute faille ou fracture observĂ©e dans les couches gĂ©ologiques environnantes et l'incidence Ă©ventuelle d'une activitĂ© sismique sur ces structures doivent notamment ĂȘtre Ă©tudiĂ©s. Les autres emplacements envisageables pour le site doivent aussi ĂȘtre pris en compte.
3.1.2.2. Evaluation géomécanique
La stabilitĂ© des cavitĂ©s doit ĂȘtre dĂ©montrĂ©e par des Ă©tudes et des Ă©valuations appropriĂ©es. Les dĂ©chets stockĂ©s sont pris en compte dans cette Ă©valuation. Il convient systĂ©matiquement d'analyser les processus et d'Ă©tayer cette analyse par une documentation.
La démonstration devrait porter sur les points suivants :
1) pendant et aprĂšs la formation des cavitĂ©s, aucune dĂ©formation importante susceptible d'altĂ©rer la mise en oeuvre du stockage souterrain ou d'ouvrir une voie vers la biosphĂšre ne devrait se produire dans la cavitĂ© elle-mĂȘme ou Ă la surface de la terre;
2) la rĂ©sistance Ă la dĂ©formation de la cavitĂ© est suffisante pour empĂȘcher son effondrement pendant l'exploitation;
3) les matériaux entreposés doivent avoir la stabilité nécessaire compatible avec les propriétés géomécaniques de la roche hÎte.
3.1.2.3. Evaluation hydrogéologique
Une étude approfondie des propriétés hydrogéologiques est nécessaire pour évaluer la configuration de l'écoulement des eaux souterraines dans les strates environnantes, sur la base d'informations relatives à la conductivité hydraulique de la formation géologique encaissante, de ses fractures et des gradients hydrauliques.
3.1.2.4. Evaluation géochimique
Une étude approfondie de la roche et de la composition des eaux souterraines est nécessaire pour évaluer la composition actuelle des eaux souterraines et leur évolution possible dans le temps, la nature et la quantité des minéraux comblant les fractures, ainsi qu'une description minéralogique quantitative de la roche hÎte. Il convient d'évaluer l'incidence de la variabilité sur le systÚme géochimique.
3.1.2.5. Evaluation des incidences sur la biosphĂšre
Il convient de rĂ©aliser une Ă©tude concernant les incidences Ă©ventuelles du stockage souterrain sur la biosphĂšre. Des Ă©tudes de rĂ©fĂ©rence doivent ĂȘtre menĂ©es pour dĂ©finir le niveau des substances concernĂ©es dans le milieu naturel local.
3.1.2.6. Evaluation de la phase d'exploitation
Pour la phase d'exploitation, l'analyse doit démontrer les points suivants :
1) la stabilité des cavités, déjà visée au point 3.1.2.2;
2) l'absence de risque inacceptable d'ouverture d'une voie de transfert entre les déchets et la biosphÚre;
3) l'absence de risque inacceptable susceptible d'affecter le fonctionnement de l'installation.
Lors de la dĂ©monstration de la sĂ©curitĂ© pendant la phase d'exploitation, une analyse systĂ©matique du fonctionnement de l'installation doit ĂȘtre menĂ©e sur la base de donnĂ©es spĂ©cifiques relative Ă l'inventaire des dĂ©chets, Ă la gestion de l'installation et au programme d'activitĂ©s. Il convient de dĂ©montrer que les dĂ©chets ne provoqueront dans la roche aucune rĂ©action chimique ou physique susceptible d'altĂ©rer sa rĂ©sistance et son Ă©tanchĂ©itĂ© et de reprĂ©senter un danger pour le stockage lui-mĂȘme. Pour ces raisons, outre les dĂ©chets interdits par l'article 19, § 3, du dĂ©cret du 27 juin 1996 relatif aux dĂ©chets, les dĂ©chets spontanĂ©ment inflammables dans les conditions de stockage prĂ©vues (tempĂ©rature, humiditĂ©), les produits gazeux, les dĂ©chets volatils, les dĂ©chets collectĂ©s sous forme de mĂ©langes indĂ©finissables ne doivent pas ĂȘtre acceptĂ©s.
Les incidents particuliers susceptibles de crĂ©er une voie de transfert entre les dĂ©chets et la biosphĂšre pendant la phase d'exploitation doivent ĂȘtre identifiĂ©s. Il convient de rĂ©sumer et de classer les diffĂ©rents types de risques opĂ©rationnels envisageables dans des catĂ©gories spĂ©cifiques. Leurs incidences Ă©ventuelles doivent faire l'objet d'une Ă©valuation. Il convient de dĂ©montrer l'absence de risque inacceptable liĂ© Ă la rupture du confinement. Des mesures d'urgence doivent ĂȘtre prĂ©vues.
3.1.2.7. Evaluation Ă long terme
En vue d'atteindre les objectifs de la mise en CET durable, l'évaluation des risques doit porter sur le long terme. Il convient de s'assurer qu'aucune voie de transfert ne sera créée vers la biosphÚre à long terme aprÚs l'exploitation du site de stockage souterrain.
Les protections du dĂ©pĂŽt souterrain (par exemple la qualitĂ© des dĂ©chets, les structures artificielles, les ouvrages de consolidation et d'obturation des puits et des forages), la performance de la roche hĂŽte, les strates environnantes et les roches de recouvrement doivent faire l'objet d'une Ă©valuation quantitative sur le long terme et d'une Ă©valuation fondĂ©e sur des donnĂ©es spĂ©cifiques au site ou sur des hypothĂšses suffisamment larges. Les conditions gĂ©ochimiques et hydrogĂ©ologiques telles que l'Ă©coulement des eaux souterraines (points 3.1.2.3 et 3.1.2.4), l'efficacitĂ© des barriĂšres, l'attĂ©nuation naturelle ainsi que la lixiviation des dĂ©chets stockĂ©s doivent ĂȘtre prises en considĂ©ration.
Il convient de démontrer la sécurité à long terme du site de stockage souterrain par une évaluation de la sécurité, qui comprend une description de l'état initial du site à un moment déterminé (par exemple, à sa fermeture) puis un scénario décrivant les évolutions majeures prévues dans le temps géologique. Enfin, il faut évaluer les conséquences de la libération des substances concernées hors du stockage souterrain, dans le cadre de différents scénarios reflétant l'évolution à long terme envisageable pour la biosphÚre, la géosphÚre et le site de stockage souterrain.
Le revĂȘtement des conteneurs et des cavitĂ©s ne doit pas ĂȘtre pris en compte lors de l'Ă©valuation des risques Ă long terme liĂ©s au dĂ©pĂŽt de dĂ©chets, en raison de leur durĂ©e de vie limitĂ©e.
3.1.2.8. Evaluation de l'incidence des installations de réception en surface
MĂȘme si les dĂ©chets amenĂ©s au site sont destinĂ©s Ă ĂȘtre mis en stockage souterrain, ils sont dĂ©chargĂ©s, contrĂŽlĂ©s et Ă©ventuellement stockĂ©s en surface avant d'atteindre leur destination finale. Les installations de rĂ©ception doivent ĂȘtre conçues et exploitĂ©es de maniĂšre Ă prĂ©venir toute atteinte Ă la santĂ© des personnes et Ă l'environnement local. Elles doivent remplir les mĂȘmes conditions que toute autre installation de rĂ©ception de dĂ©chets.
3.1.2.9. Evaluation des autres risques
En vue d'assurer la protection des travailleurs, les dĂ©chets ne doivent ĂȘtre dĂ©posĂ©s en stockage souterrain que si ce site est sĂ©parĂ© de maniĂšre sĂ»re des activitĂ©s miniĂšres.
Les dĂ©chets ne doivent pas ĂȘtre acceptĂ©s s'ils contiennent ou risquent de produire des substances dangereuses susceptibles de porter atteinte Ă la santĂ© des personnes, par exemple des germes pathogĂšnes de maladies transmissibles.
3.2. Remarques complémentaires - Mines de sel
3.2.1. Importance de la barriÚre géologique
Les principes de sécurité relatifs aux mines de sel accordent un double rÎle à la roche qui entoure les déchets :
- elle joue le rÎle de roche hÎte dans laquelle les déchets sont encapsulés,
- Ă l'instar des strates de roche impermĂ©ables sus-jacentes et sous-jacentes (anhydrite, par exemple), elle joue le rĂŽle de barriĂšre gĂ©ologique destinĂ©e Ă empĂȘcher les eaux souterraines de pĂ©nĂ©trer dans le CET et, le cas Ă©chĂ©ant, Ă contenir efficacement les liquides ou les gaz susceptibles de s'Ă©chapper du site du CET. Lorsque cette barriĂšre gĂ©ologique est percĂ©e de puits et de forages, ces derniers doivent ĂȘtre scellĂ©s pendant le fonctionnement des installations pour prĂ©venir la pĂ©nĂ©tration d'eau et ils doivent ĂȘtre hermĂ©tiquement fermĂ©s lorsque le CET souterrain n'est plus exploitĂ©. Si l'extraction minĂ©rale se poursuit aprĂšs la fermeture du CET, la zone du CET doit alors ĂȘtre scellĂ©e par un barrage hydrauliquement impermĂ©able, construit en tenant compte de la pression hydraulique effective calculĂ©e en fonction de la profondeur, afin que l'eau susceptible de s'infiltrer dans la mine encore exploitĂ©e ne puisse pas pĂ©nĂ©trer dans la zone du CET;
- dans les mines de sel, on estime que le sel permet un confinement total. Les déchets ne peuvent alors entrer au contact de la biosphÚre que si un accident ou un événement géologique, tel qu'un mouvement de l'écorce terrestre ou un phénomÚne d'érosion (lié par exemple à la hausse du niveau de la mer), se produit. Les déchets sont peu susceptibles d'évoluer en cours de stockage, et il convient d'envisager les conséquences de ce type de scénarios.
3.2.2. Evaluation Ă long terme
La sĂ©curitĂ© Ă long terme d'un stockage souterrain Ă©tabli dans une roche saline doit ĂȘtre principalement dĂ©montrĂ©e par la dĂ©signation de cette roche comme roche barriĂšre. La roche saline rĂ©pond Ă l'exigence d'impermĂ©abilitĂ© aux gaz et aux liquides, d'encapsulage des dĂ©chets en raison de son comportement convergent et de confinement total des dĂ©chets Ă la fin du processus de transformation.
Le comportement convergent de la roche n'est donc pas incompatible avec l'exigence de stabilitĂ© des cavitĂ©s pendant la phase opĂ©rationnelle. La stabilitĂ© est importante pour garantir la sĂ©curitĂ© de fonctionnement des installations et pour maintenir l'intĂ©gritĂ© de la barriĂšre gĂ©ologique sans limite temporelle, afin d'assurer une protection constante de la biosphĂšre. Les dĂ©chets doivent ĂȘtre isolĂ©s en permanence de la biosphĂšre. L'affaissement contrĂŽlĂ© des roches de recouvrement ou les autres dĂ©fauts envisageables Ă long terme ne sont acceptables que s'il peut ĂȘtre dĂ©montrĂ© que ces transformations n'entraĂźneront pas de failles, que l'intĂ©gritĂ© de la barriĂšre sera maintenue et qu'aucune voie susceptible d'entraĂźner un contact entre l'eau et les dĂ©chets ou une migration des dĂ©chets ou de leurs composants vers la biosphĂšre ne se formera.
3.3. Remarques complémentaires - Roches dures
Par "stockage profond dans des roches dures", on entend un stockage souterrain à plusieurs centaines de mÚtres de profondeur, les "roches dures" recouvrant différentes roches ignées (par exemple le granit ou le gneiss), ainsi que des roches sédimentaires telles que le calcaire et le grÚs.
3.3.1. Principes de sécurité
Un stockage profond en roche dure est envisageable pour Ă©viter d'imposer aux gĂ©nĂ©rations futures la responsabilitĂ© des dĂ©chets en question, puisque les structures de ce type doivent ĂȘtre passives et ne nĂ©cessitent pas de maintenance. En outre, ces structures ne doivent pas faire obstacle Ă la valorisation des dĂ©chets ou Ă la mise en oeuvre ultĂ©rieure de mesures correctives. Elles doivent Ă©galement ĂȘtre conçues de maniĂšre Ă assurer que les atteintes ou la responsabilitĂ© environnementales liĂ©es aux activitĂ©s des gĂ©nĂ©rations actuelles ne retomberont pas sur les gĂ©nĂ©rations futures.
Les principes de sĂ©curitĂ© du stockage souterrain des dĂ©chets accordent une place essentielle au concept de l'isolement des dĂ©chets par rapport Ă la biosphĂšre, ainsi qu'Ă l'attĂ©nuation naturelle de tout polluant Ă©mis par les dĂ©chets. Pour certains types de substances et de dĂ©chets dangereux, il est apparu nĂ©cessaire de protĂ©ger la sociĂ©tĂ© et l'environnement contre un risque d'exposition importante sur de longues pĂ©riodes. Une longue pĂ©riode recouvre plusieurs milliers d'annĂ©es. Ces niveaux de protection peuvent ĂȘtre atteints par un stockage profond en roche dure. Le stockage profond de dĂ©chets dans des roches dures peut se faire dans des mines dĂ©saffectĂ©es, dans lesquelles les activitĂ©s miniĂšres ont cessĂ©, ou dans de nouvelles installations de stockage.
En cas de stockage en roche dure, un confinement total n'est pas envisageable. Le stockage souterrain doit donc ĂȘtre conçu de maniĂšre Ă ce que l'attĂ©nuation naturelle des strates environnantes limite l'effet des polluants de sorte qu'ils n'exercent aucun effet nĂ©gatif irrĂ©versible sur l'environnement. En d'autres termes, la capacitĂ© de l'environnement proche d'attĂ©nuer et de dĂ©grader les polluants dĂ©terminera l'acceptabilitĂ© d'une fuite provenant d'une installation de ce type.
Il convient de dĂ©montrer la sĂ©curitĂ© Ă long terme de l'installation (point 3.1.2.7) pour satisfaire Ă l'interdiction gĂ©nĂ©rale du rejet direct de polluants dans les eaux souterraines et pour prĂ©venir la dĂ©tĂ©rioration de l'Ă©tat de toutes les masses d'eau souterraines. Les caractĂ©ristiques d'un systĂšme de stockage profond doivent ĂȘtre Ă©valuĂ©es de maniĂšre globale, en tenant compte du fonctionnement cohĂ©rent des diffĂ©rentes composantes du systĂšme. Le stockage profond en roche dure se situe sous la surface de la nappe phrĂ©atique. Le stockage profond en roche dure assure qu'aucun rejet de substance dangereuse provenant du stockage n'atteigne la biosphĂšre, pas plus que la partie supĂ©rieure de la nappe phrĂ©atique ouverte sur la biosphĂšre, en quantitĂ© ou dans des concentrations susceptibles d'avoir des consĂ©quences dommageables. Par consĂ©quent, les voies d'Ă©coulement d'eau vers la biosphĂšre et Ă l'intĂ©rieur de la biosphĂšre doivent faire l'objet d'une Ă©valuation. Il convient d'Ă©valuer les incidences de la variabilitĂ© des conditions sur le systĂšme hydrogĂ©ologique.
Du gaz peut se former dans un stockage profond en roche dure en raison de la dĂ©tĂ©rioration Ă long terme des dĂ©chets, des emballages et des structures artificielles. Ce facteur doit donc ĂȘtre pris en compte lors de la conception d'installations de stockage profond en roche dure.
Déchets admissibles sans essai dans des CET pour déchets non dangereux
Les dĂ©chets qui sont classĂ©s comme non dangereux Ă la rubrique 20 du catalogue des dĂ©chets visĂ© dans le tableau figurant en annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets, les fractions non dangereuses collectĂ©es sĂ©parĂ©ment des dĂ©chets mĂ©nagers et les matĂ©riaux non dangereux de mĂȘme nature provenant d'autres origines peuvent ĂȘtre admis sans essai dans les CET pour dĂ©chets non dangereux.
Les dĂ©chets ne peuvent ĂȘtre admis s'ils n'ont pas Ă©tĂ© soumis au prĂ©alable Ă un traitement conforme Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique, ou s'ils sont contaminĂ©s dans une proportion susceptible d'accroĂźtre le risque liĂ© aux dĂ©chets au point de justifier leur Ă©limination dans d'autres CET.
Ils ne peuvent pas ĂȘtre admis dans les mĂȘmes cellules que celles dans lesquelles les dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs sont acceptĂ©s, conformĂ©ment Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
1.2. Vérification de la conformité
Quand un dĂ©chet a Ă©tĂ© jugĂ© admissible dans une classe de CET Ă l'issue de la caractĂ©risation de base, conformĂ©ment au point 1, ce dĂ©chet est ensuite soumis Ă une vĂ©rification de sa conformitĂ© visant Ă dĂ©terminer s'il est conforme aux rĂ©sultats de la caractĂ©risation de base et aux critĂšres appropriĂ©s d'admission tels que dĂ©finis par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
La vérification de la conformité vise à réaliser des contrÎles périodiques des flux de déchets réguliers.
Les paramÚtres appropriés qui doivent faire l'objet d'essais sont déterminés dans la caractérisation de base. Ces paramÚtres doivent correspondre aux informations comprises dans la caractérisation de base; seul un contrÎle portant sur les variables clés (paramÚtres critiques), défini dans la caractérisation de base, est nécessaire.
Le contrĂŽle doit montrer que le dĂ©chet satisfait, pour les paramĂštres critiques, aux valeurs limites fixĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Les essais utilisés pour la vérification de la conformité sont choisis parmi ceux utilisés pour la caractérisation de base. Ces essais comprennent au moins un essai de lixiviation en bùchée. A cet effet, les méthodes visées au point 2 seront utilisées.
Les déchets exemptés des obligations d'essai pour la caractérisation de base, visés au point 1.1.4 a) et c), sont également exemptés des essais de vérification de la conformité. Ils doivent néanmoins faire l'objet d'une vérification de leur conformité avec les informations sur la caractérisation de base autres que les essais.
La vérification de la conformité est effectuée au moins une fois par an et l'exploitant doit, dans tous les cas, veiller à ce que sa portée et sa fréquence soient conformes à celles déterminées par la caractérisation de base.
Les rĂ©sultats des essais sont inscrits dans le registre imposĂ© par l'article 25 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
1.3. Vérification sur place
Chaque chargement de dĂ©chets admis dans un CET fait l'objet d'une inspection visuelle avant et aprĂšs le dĂ©chargement. Les documents requis doivent ĂȘtre vĂ©rifiĂ©s.
Pour les déchets éliminés dans un CET de classe 5, les conditions particuliÚres du permis d'environnement peuvent prévoir que cette vérification s'effectue au point de départ des déchets.
Les dĂ©chets peuvent ĂȘtre admis dans un CET s'ils sont les mĂȘmes que ceux ayant dĂ©jĂ fait l'objet d'une caractĂ©risation de base et d'une vĂ©rification de conformitĂ© et dont la description figure dans les documents d'accompagnement. Dans le cas contraire, les dĂ©chets ne doivent pas ĂȘtre admis.
Lors de la livraison, des échantillons sont prélevés réguliÚrement, de maniÚre à ce qu'il y ait toujours un échantillon représentatif sur le site. Les échantillons prélevés sont conservés de façon optimale aprÚs l'admission des déchets pendant au moins un mois.
Le Ministre précise les exigences techniques relatives aux essais de vérification sur place et, lorsque c'est pertinent, des méthodes d'essai rapides.
2. METHODES D'ECHANTILLONNAGE ET D'ESSAI
Les Ă©chantillonnages et les essais pour la caractĂ©risation de base et la vĂ©rification de la conformitĂ© sont effectuĂ©s par un laboratoire agréé en vertu de l'article 14, 2° d) du dĂ©cret du 27 juin 1996 relatif aux dĂ©chets. Toutefois, les exploitants des CET disposant de l'enregistrement EMAS conformĂ©ment Ă l'article 32 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© peuvent effectuer les Ă©chantillonnages eux-mĂȘmes ou les faire effectuer par un sous traitant compĂ©tent placĂ© sous leur autoritĂ© directe.
Aussi longtemps qu'une norme du CEN n'a pas été établie en tant que norme européenne (NE) officielle, des normes ou des procédures régionales ou le projet de norme du CEN, quand il aura atteint le stade prEN, sont appliqués.
Les méthodes suivantes seront utilisées.
Echantillonnage
Pour l'échantillonnage des déchets réalisé pour la caractérisation de base, la vérification de la conformité et la vérification sur place, un plan d'échantillonnage sera élaboré conformément à la premiÚre partie de la norme sur l'échantillonnage actuellement développée par le CEN.
Propriétés générales des déchets
EN 13137 : Dosage du COT dans les déchets, boues et sédiments
prEN 14346 : Calcul de la teneur en matiÚre sÚche à partir de la détermination du résidu sec ou de la teneur en eau
Essais de lixiviation
PrEN 14405 Essai de comportement à la lixiviation - Essai de percolation à écoulement ascendant (on utilise ce dernier pour les constituants inorganiques)
EN 12457/1-4 : Lixiviation - Essai de conformité pour la lixiviation des déchets fragmentés et des boues
Partie 2 : L/S = 10 l/kg et granulométrie < 4 mm
Partie 4 : L/S = 10 l/kg et granulométrie < 10 mm
Les modalitĂ©s de mise en oeuvre de cette norme peuvent ĂȘtre prĂ©cisĂ©es par le Ministre
Digestion des déchets non traités
EN 13657 : Digestion en vue de la détermination ultérieure de la part des éléments solubles dans l'eau régale contenus dans les déchets (cette digestion partielle des déchets solides est réalisée avant l'analyse élémentaire, ce qui laisse la matrice de silicate intacte)
EN 13656 : Digestion assistée par micro-ondes avec un mélange d'acides fluorhydrique (HF), nitrique (HNO3) et chlorhydrique (HCl) pour la détermination ultérieure d'éléments contenus dans les déchets (digestion totale des déchets solides réalisée avant l'analyse élémentaire)
Analyse
EN 12506 : Analyse des éluats - Détermination du pH et dosage de As, Ba, Cd, Co, Cr VI, Cu, Mo, Ni, NO2, Pb, S total, SO4, V et Zn (analyse des constituants inorganiques des déchets solides et/ou de leurs éluats et éléments majeurs, mineurs et en trace)
EN 13370 : Analyse chimique des éluats - Détermination de : ammonium, AOX, conductivité, Hg, " indice phénol ", COT, CN aisément libérables, F [analyse des constituants inorganiques des déchets solides et/ou de leurs éluats (anions)]
prEN 14039 : Détermination de la teneur en hydrocarbures par chromatographie en phase gazeuse dans la plage C10-C40
Les mĂ©thodes appliquĂ©es aux essais et aux analyses pour lesquels les mĂ©thodes du CEN ne sont pas (encore) disponibles doivent ĂȘtre approuvĂ©es par l'Office.
3. EVALUATION DE LA SECURITE POUR L'ADMISSION DES DECHETS EN STOCKAGE SOUTERRAIN
3.1. Principes de sécurité pour le stockage souterrain - tous types de stockage
L'évaluation spécifique de la sécurité du site doit prendre en compte les éléments ci-dessous en vue de l'admission de déchets en stockage souterrain. La réalisation de cette évaluation spécifique incombe à l'exploitant.
3.1.1. Importance de la barriÚre géologique
L'isolement des déchets par rapport à la biosphÚre est l'objectif ultime de l'élimination finale des déchets en stockage souterrain. Les déchets, la barriÚre géologique et les cavités, y compris toute structure artificielle, constituent un systÚme qui, ajouté à tous les autres aspects techniques, doit satisfaire aux exigences correspondantes.
Il convient de démontrer la sécurité à long terme de l'installation (point 3.1.2.7) pour satisfaire à l'interdiction générale du rejet direct de polluants dans les eaux souterraines et pour prévenir la détérioration de l'état de toutes les masses d'eau souterraines
3.1.2. Evaluation des risques spécifiques à un site
L'évaluation des risques suppose d'identifier :
- le danger (en l'espÚce, les déchets déposés);
- les cibles (en l'espÚce, la biosphÚre et éventuellement les eaux souterraines);
- les voies par lesquelles les substances provenant des déchets peuvent atteindre la biosphÚre;
- l'évaluation de l'impact des substances susceptibles d'atteindre la biosphÚre.
Les critĂšres d'admission en stockage souterrain doivent notamment ĂȘtre liĂ©s Ă l'analyse de la roche hĂŽte, c'est pourquoi il est confirmĂ© que les conditions fixĂ©es aux articles 8, 9, 16, 18, 20 et 21 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas d'application.
Les critĂšres d'admission en stockage souterrain ne peuvent ĂȘtre dĂ©finis qu'Ă partir des conditions locales. Il faut donc dĂ©montrer que l'horizon gĂ©ologique est de nature Ă permettre un stockage, c'est-Ă -dire Ă©valuer les risques liĂ©s au confinement, en tenant compte du systĂšme global comprenant les dĂ©chets, les structures et les cavitĂ©s artificielles et la formation gĂ©ologique encaissante.
L'Ă©valuation spĂ©cifique des risques liĂ©s au site de l'installation doit ĂȘtre effectuĂ©e Ă la fois pour les phases d'exploitation et de post exploitation. Sur la base de ces Ă©valuations, les mesures de contrĂŽle et de sĂ©curitĂ© qui s'imposent ainsi que les critĂšres d'admission sont dĂ©finis.
Une analyse intégrée de l'évaluation de la performance est préparée; cette analyse comprend notamment :
1) une évaluation géologique;
2) une évaluation géomécanique;
3) une évaluation hydrogéologique;
4) une évaluation géochimique;
5) une évaluation des incidences sur la biosphÚre;
6) une évaluation de la phase d'exploitation;
7) une évaluation à long terme;
8) une évaluation de l'incidence de toutes les installations situées à la surface du site.
3.1.2.1. Evaluation géologique
Des recherches ou une connaissance approfondies des donnĂ©es gĂ©ologiques du site sont nĂ©cessaires. Ce travail comprend des Ă©tudes et des analyses portant sur les types de roches, les sols et la topographie. L'Ă©valuation gĂ©ologique devrait dĂ©montrer l'adĂ©quation du site Ă un stockage souterrain. L'emplacement, la frĂ©quence et la structure de toute faille ou fracture observĂ©e dans les couches gĂ©ologiques environnantes et l'incidence Ă©ventuelle d'une activitĂ© sismique sur ces structures doivent notamment ĂȘtre Ă©tudiĂ©s. Les autres emplacements envisageables pour le site doivent aussi ĂȘtre pris en compte.
3.1.2.2. Evaluation géomécanique
La stabilitĂ© des cavitĂ©s doit ĂȘtre dĂ©montrĂ©e par des Ă©tudes et des Ă©valuations appropriĂ©es. Les dĂ©chets stockĂ©s sont pris en compte dans cette Ă©valuation. Il convient systĂ©matiquement d'analyser les processus et d'Ă©tayer cette analyse par une documentation.
La démonstration devrait porter sur les points suivants :
1) pendant et aprĂšs la formation des cavitĂ©s, aucune dĂ©formation importante susceptible d'altĂ©rer la mise en oeuvre du stockage souterrain ou d'ouvrir une voie vers la biosphĂšre ne devrait se produire dans la cavitĂ© elle-mĂȘme ou Ă la surface de la terre;
2) la rĂ©sistance Ă la dĂ©formation de la cavitĂ© est suffisante pour empĂȘcher son effondrement pendant l'exploitation;
3) les matériaux entreposés doivent avoir la stabilité nécessaire compatible avec les propriétés géomécaniques de la roche hÎte.
3.1.2.3. Evaluation hydrogéologique
Une étude approfondie des propriétés hydrogéologiques est nécessaire pour évaluer la configuration de l'écoulement des eaux souterraines dans les strates environnantes, sur la base d'informations relatives à la conductivité hydraulique de la formation géologique encaissante, de ses fractures et des gradients hydrauliques.
3.1.2.4. Evaluation géochimique
Une étude approfondie de la roche et de la composition des eaux souterraines est nécessaire pour évaluer la composition actuelle des eaux souterraines et leur évolution possible dans le temps, la nature et la quantité des minéraux comblant les fractures, ainsi qu'une description minéralogique quantitative de la roche hÎte. Il convient d'évaluer l'incidence de la variabilité sur le systÚme géochimique.
3.1.2.5. Evaluation des incidences sur la biosphĂšre
Il convient de rĂ©aliser une Ă©tude concernant les incidences Ă©ventuelles du stockage souterrain sur la biosphĂšre. Des Ă©tudes de rĂ©fĂ©rence doivent ĂȘtre menĂ©es pour dĂ©finir le niveau des substances concernĂ©es dans le milieu naturel local.
3.1.2.6. Evaluation de la phase d'exploitation
Pour la phase d'exploitation, l'analyse doit démontrer les points suivants :
1) la stabilité des cavités, déjà visée au point 3.1.2.2;
2) l'absence de risque inacceptable d'ouverture d'une voie de transfert entre les déchets et la biosphÚre;
3) l'absence de risque inacceptable susceptible d'affecter le fonctionnement de l'installation.
Lors de la dĂ©monstration de la sĂ©curitĂ© pendant la phase d'exploitation, une analyse systĂ©matique du fonctionnement de l'installation doit ĂȘtre menĂ©e sur la base de donnĂ©es spĂ©cifiques relative Ă l'inventaire des dĂ©chets, Ă la gestion de l'installation et au programme d'activitĂ©s. Il convient de dĂ©montrer que les dĂ©chets ne provoqueront dans la roche aucune rĂ©action chimique ou physique susceptible d'altĂ©rer sa rĂ©sistance et son Ă©tanchĂ©itĂ© et de reprĂ©senter un danger pour le stockage lui-mĂȘme. Pour ces raisons, outre les dĂ©chets interdits par l'article 19, § 3, du dĂ©cret du 27 juin 1996 relatif aux dĂ©chets, les dĂ©chets spontanĂ©ment inflammables dans les conditions de stockage prĂ©vues (tempĂ©rature, humiditĂ©), les produits gazeux, les dĂ©chets volatils, les dĂ©chets collectĂ©s sous forme de mĂ©langes indĂ©finissables ne doivent pas ĂȘtre acceptĂ©s.
Les incidents particuliers susceptibles de crĂ©er une voie de transfert entre les dĂ©chets et la biosphĂšre pendant la phase d'exploitation doivent ĂȘtre identifiĂ©s. Il convient de rĂ©sumer et de classer les diffĂ©rents types de risques opĂ©rationnels envisageables dans des catĂ©gories spĂ©cifiques. Leurs incidences Ă©ventuelles doivent faire l'objet d'une Ă©valuation. Il convient de dĂ©montrer l'absence de risque inacceptable liĂ© Ă la rupture du confinement. Des mesures d'urgence doivent ĂȘtre prĂ©vues.
3.1.2.7. Evaluation Ă long terme
En vue d'atteindre les objectifs de la mise en CET durable, l'évaluation des risques doit porter sur le long terme. Il convient de s'assurer qu'aucune voie de transfert ne sera créée vers la biosphÚre à long terme aprÚs l'exploitation du site de stockage souterrain.
Les protections du dĂ©pĂŽt souterrain (par exemple la qualitĂ© des dĂ©chets, les structures artificielles, les ouvrages de consolidation et d'obturation des puits et des forages), la performance de la roche hĂŽte, les strates environnantes et les roches de recouvrement doivent faire l'objet d'une Ă©valuation quantitative sur le long terme et d'une Ă©valuation fondĂ©e sur des donnĂ©es spĂ©cifiques au site ou sur des hypothĂšses suffisamment larges. Les conditions gĂ©ochimiques et hydrogĂ©ologiques telles que l'Ă©coulement des eaux souterraines (points 3.1.2.3 et 3.1.2.4), l'efficacitĂ© des barriĂšres, l'attĂ©nuation naturelle ainsi que la lixiviation des dĂ©chets stockĂ©s doivent ĂȘtre prises en considĂ©ration.
Il convient de démontrer la sécurité à long terme du site de stockage souterrain par une évaluation de la sécurité, qui comprend une description de l'état initial du site à un moment déterminé (par exemple, à sa fermeture) puis un scénario décrivant les évolutions majeures prévues dans le temps géologique. Enfin, il faut évaluer les conséquences de la libération des substances concernées hors du stockage souterrain, dans le cadre de différents scénarios reflétant l'évolution à long terme envisageable pour la biosphÚre, la géosphÚre et le site de stockage souterrain.
Le revĂȘtement des conteneurs et des cavitĂ©s ne doit pas ĂȘtre pris en compte lors de l'Ă©valuation des risques Ă long terme liĂ©s au dĂ©pĂŽt de dĂ©chets, en raison de leur durĂ©e de vie limitĂ©e.
3.1.2.8. Evaluation de l'incidence des installations de réception en surface
MĂȘme si les dĂ©chets amenĂ©s au site sont destinĂ©s Ă ĂȘtre mis en stockage souterrain, ils sont dĂ©chargĂ©s, contrĂŽlĂ©s et Ă©ventuellement stockĂ©s en surface avant d'atteindre leur destination finale. Les installations de rĂ©ception doivent ĂȘtre conçues et exploitĂ©es de maniĂšre Ă prĂ©venir toute atteinte Ă la santĂ© des personnes et Ă l'environnement local. Elles doivent remplir les mĂȘmes conditions que toute autre installation de rĂ©ception de dĂ©chets.
3.1.2.9. Evaluation des autres risques
En vue d'assurer la protection des travailleurs, les dĂ©chets ne doivent ĂȘtre dĂ©posĂ©s en stockage souterrain que si ce site est sĂ©parĂ© de maniĂšre sĂ»re des activitĂ©s miniĂšres.
Les dĂ©chets ne doivent pas ĂȘtre acceptĂ©s s'ils contiennent ou risquent de produire des substances dangereuses susceptibles de porter atteinte Ă la santĂ© des personnes, par exemple des germes pathogĂšnes de maladies transmissibles.
3.2. Remarques complémentaires - Mines de sel
3.2.1. Importance de la barriÚre géologique
Les principes de sécurité relatifs aux mines de sel accordent un double rÎle à la roche qui entoure les déchets :
- elle joue le rÎle de roche hÎte dans laquelle les déchets sont encapsulés,
- Ă l'instar des strates de roche impermĂ©ables sus-jacentes et sous-jacentes (anhydrite, par exemple), elle joue le rĂŽle de barriĂšre gĂ©ologique destinĂ©e Ă empĂȘcher les eaux souterraines de pĂ©nĂ©trer dans le CET et, le cas Ă©chĂ©ant, Ă contenir efficacement les liquides ou les gaz susceptibles de s'Ă©chapper du site du CET. Lorsque cette barriĂšre gĂ©ologique est percĂ©e de puits et de forages, ces derniers doivent ĂȘtre scellĂ©s pendant le fonctionnement des installations pour prĂ©venir la pĂ©nĂ©tration d'eau et ils doivent ĂȘtre hermĂ©tiquement fermĂ©s lorsque le CET souterrain n'est plus exploitĂ©. Si l'extraction minĂ©rale se poursuit aprĂšs la fermeture du CET, la zone du CET doit alors ĂȘtre scellĂ©e par un barrage hydrauliquement impermĂ©able, construit en tenant compte de la pression hydraulique effective calculĂ©e en fonction de la profondeur, afin que l'eau susceptible de s'infiltrer dans la mine encore exploitĂ©e ne puisse pas pĂ©nĂ©trer dans la zone du CET;
- dans les mines de sel, on estime que le sel permet un confinement total. Les déchets ne peuvent alors entrer au contact de la biosphÚre que si un accident ou un événement géologique, tel qu'un mouvement de l'écorce terrestre ou un phénomÚne d'érosion (lié par exemple à la hausse du niveau de la mer), se produit. Les déchets sont peu susceptibles d'évoluer en cours de stockage, et il convient d'envisager les conséquences de ce type de scénarios.
3.2.2. Evaluation Ă long terme
La sĂ©curitĂ© Ă long terme d'un stockage souterrain Ă©tabli dans une roche saline doit ĂȘtre principalement dĂ©montrĂ©e par la dĂ©signation de cette roche comme roche barriĂšre. La roche saline rĂ©pond Ă l'exigence d'impermĂ©abilitĂ© aux gaz et aux liquides, d'encapsulage des dĂ©chets en raison de son comportement convergent et de confinement total des dĂ©chets Ă la fin du processus de transformation.
Le comportement convergent de la roche n'est donc pas incompatible avec l'exigence de stabilitĂ© des cavitĂ©s pendant la phase opĂ©rationnelle. La stabilitĂ© est importante pour garantir la sĂ©curitĂ© de fonctionnement des installations et pour maintenir l'intĂ©gritĂ© de la barriĂšre gĂ©ologique sans limite temporelle, afin d'assurer une protection constante de la biosphĂšre. Les dĂ©chets doivent ĂȘtre isolĂ©s en permanence de la biosphĂšre. L'affaissement contrĂŽlĂ© des roches de recouvrement ou les autres dĂ©fauts envisageables Ă long terme ne sont acceptables que s'il peut ĂȘtre dĂ©montrĂ© que ces transformations n'entraĂźneront pas de failles, que l'intĂ©gritĂ© de la barriĂšre sera maintenue et qu'aucune voie susceptible d'entraĂźner un contact entre l'eau et les dĂ©chets ou une migration des dĂ©chets ou de leurs composants vers la biosphĂšre ne se formera.
3.3. Remarques complémentaires - Roches dures
Par "stockage profond dans des roches dures", on entend un stockage souterrain à plusieurs centaines de mÚtres de profondeur, les "roches dures" recouvrant différentes roches ignées (par exemple le granit ou le gneiss), ainsi que des roches sédimentaires telles que le calcaire et le grÚs.
3.3.1. Principes de sécurité
Un stockage profond en roche dure est envisageable pour Ă©viter d'imposer aux gĂ©nĂ©rations futures la responsabilitĂ© des dĂ©chets en question, puisque les structures de ce type doivent ĂȘtre passives et ne nĂ©cessitent pas de maintenance. En outre, ces structures ne doivent pas faire obstacle Ă la valorisation des dĂ©chets ou Ă la mise en oeuvre ultĂ©rieure de mesures correctives. Elles doivent Ă©galement ĂȘtre conçues de maniĂšre Ă assurer que les atteintes ou la responsabilitĂ© environnementales liĂ©es aux activitĂ©s des gĂ©nĂ©rations actuelles ne retomberont pas sur les gĂ©nĂ©rations futures.
Les principes de sĂ©curitĂ© du stockage souterrain des dĂ©chets accordent une place essentielle au concept de l'isolement des dĂ©chets par rapport Ă la biosphĂšre, ainsi qu'Ă l'attĂ©nuation naturelle de tout polluant Ă©mis par les dĂ©chets. Pour certains types de substances et de dĂ©chets dangereux, il est apparu nĂ©cessaire de protĂ©ger la sociĂ©tĂ© et l'environnement contre un risque d'exposition importante sur de longues pĂ©riodes. Une longue pĂ©riode recouvre plusieurs milliers d'annĂ©es. Ces niveaux de protection peuvent ĂȘtre atteints par un stockage profond en roche dure. Le stockage profond de dĂ©chets dans des roches dures peut se faire dans des mines dĂ©saffectĂ©es, dans lesquelles les activitĂ©s miniĂšres ont cessĂ©, ou dans de nouvelles installations de stockage.
En cas de stockage en roche dure, un confinement total n'est pas envisageable. Le stockage souterrain doit donc ĂȘtre conçu de maniĂšre Ă ce que l'attĂ©nuation naturelle des strates environnantes limite l'effet des polluants de sorte qu'ils n'exercent aucun effet nĂ©gatif irrĂ©versible sur l'environnement. En d'autres termes, la capacitĂ© de l'environnement proche d'attĂ©nuer et de dĂ©grader les polluants dĂ©terminera l'acceptabilitĂ© d'une fuite provenant d'une installation de ce type.
Il convient de dĂ©montrer la sĂ©curitĂ© Ă long terme de l'installation (point 3.1.2.7) pour satisfaire Ă l'interdiction gĂ©nĂ©rale du rejet direct de polluants dans les eaux souterraines et pour prĂ©venir la dĂ©tĂ©rioration de l'Ă©tat de toutes les masses d'eau souterraines. Les caractĂ©ristiques d'un systĂšme de stockage profond doivent ĂȘtre Ă©valuĂ©es de maniĂšre globale, en tenant compte du fonctionnement cohĂ©rent des diffĂ©rentes composantes du systĂšme. Le stockage profond en roche dure se situe sous la surface de la nappe phrĂ©atique. Le stockage profond en roche dure assure qu'aucun rejet de substance dangereuse provenant du stockage n'atteigne la biosphĂšre, pas plus que la partie supĂ©rieure de la nappe phrĂ©atique ouverte sur la biosphĂšre, en quantitĂ© ou dans des concentrations susceptibles d'avoir des consĂ©quences dommageables. Par consĂ©quent, les voies d'Ă©coulement d'eau vers la biosphĂšre et Ă l'intĂ©rieur de la biosphĂšre doivent faire l'objet d'une Ă©valuation. Il convient d'Ă©valuer les incidences de la variabilitĂ© des conditions sur le systĂšme hydrogĂ©ologique.
Du gaz peut se former dans un stockage profond en roche dure en raison de la dĂ©tĂ©rioration Ă long terme des dĂ©chets, des emballages et des structures artificielles. Ce facteur doit donc ĂȘtre pris en compte lors de la conception d'installations de stockage profond en roche dure.
-
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N2. Bijlage II. - " Bijlage 4. - Procedure voor de bewaking van en de controle op het grondwater "
Bijlage 4A. - Procedure voor de bewaking van het grondwater
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-11-2010, p. 72332)
Bijlage 4B. - Te controleren parameters en actiedrempels
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-11-2010, p. 72333-72336)
Bijlage 4C. - Relevantiedrempels
Bijlage 4A. - Procedure voor de bewaking van het grondwater
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-11-2010, p. 72332)
Bijlage 4B. - Te controleren parameters en actiedrempels
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-11-2010, p. 72333-72336)
Bijlage 4C. - Relevantiedrempels
Art. N2. Annexe II. - " Annexe 4. - Procédure de surveillance et de contrÎle des eaux souterraines "
Annexe 4A. - Procédure de surveillance des eaux souterraines
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 23-11-2010, p. 72244)
Annexe 4B. - ParamÚtres à contrÎler et seuils de déclenchement
Annexe 4A. - Procédure de surveillance des eaux souterraines
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 23-11-2010, p. 72244)
Annexe 4B. - ParamÚtres à contrÎler et seuils de déclenchement
| Tekst | Eenheden | Kwantifi- catiegrens ĂŠg/l | Controle op percolaat | Relevantie- drempel ĂŠg/l |
| Terreinparameters | ||||
| Temperatuur | °C | X | ||
| pH | X | |||
| Geleidbaarheid | ĂŠS/cm | X | ||
| Troebelheid | NTU | X | ||
| MES | mg/l | 5 | ||
| Mineralisatie en zoutgehalte | ||||
| Chloriden | mg/l | 5 | X | |
| Sulfaten [00e8 | mg/l | 15 | X | |
| Metalen | ||||
| Arseen | ĂŠg/l | 1 | 500 | |
| Cadmium | ĂŠg/l | 0,05 | 1,5 | |
| Chroom | ĂŠg/l | 2 | 50 | |
| Koper | ĂŠg/l | 2 | 400 | |
| Kwik | ĂŠg/l | 0,1 | 0,5 | |
| Nikkel | ĂŠg/l | 2 | 200 | |
| Lood | ĂŠg/l | 1 | 70 | |
| Zink | ĂŠg/l | 20 | 3000 | |
| Ijzer | ĂŠg/l | 20 | ||
| Mangaan | ĂŠg/l | 5 | ||
| Oxideerbare stoffen en eutrofiërende stoffen | ||||
| TOC | mg/l C | 0,3 | ||
| DCO | mg/l O2 | 10 | ||
| DBO5 | mg/l O2 | 3 | ||
| Ammonium | mg/l NH4 | 0,05 | ||
| Nitraat | mg/l NO3 | 2 | ||
| Fosfor | mg/l P | 0,1 | ||
| Organische micro-verontreinigende stoffen | ||||
| Met petroleumether extraheerbare stoffen | mg/l | 5 | ||
| Fenolindex | ĂŠg/l | 2 | 10 | |
| Cyaniden | ĂŠg/l | 3 | 50 | |
| Minerale oliën (koolwaterstofindex C10-C40) | Êg/l | 50 | 100 | |
| Benzeen | ĂŠg/l | 0,25 | ||
| Tolueen | ĂŠg/l | 1 | ||
| Ethylbenzeen | ĂŠg/l | 0,5 | ||
| Xyleen | ĂŠg/l | 0,5 | ||
| Naftaleen | ĂŠg/l | 0,5 | 24 | |
| Andere PAK's | ĂŠg/l | 0,005 | ||
| A.O.X. | ĂŠg Cl/l | 10 | 100 | |
| PCB's (7 Ballschmiter) | ĂŠg/l | 0,01 | ||
| ParamĂštres | Statistiques des aquifĂšres | Classe 1 (et 5.1) Classe 2 (et 5.2) | Classe 3 (et 5.3) | Classe 4 | Seuils (1) | ||||||||
| Code | Libellé | Unités | LOQ (2) | Médiane | P95 | Traceur | Etendu | Traceur | Etendu | Traceur | Etendu | Vigilance | Déclen- chement |
| ParamĂštres de terrain | |||||||||||||
| 2005 | Température | °C | X | X | X | X | X | X | - | ||||
| 2101 | pH | X | X | X | X | X | X | - | |||||
| 2102 | Conductivité | ÊS/cm | 646 | 1009 | X | X | X | X | X | X | 2100 | - | |
| 2008 | Eh | mV | X | X | X | X | X | X | - | ||||
| 2106 | ou O2 dissous | mg/l | - | ||||||||||
| 2002 | Turbidité | NTU | X | X | X | X | X | X | - | ||||
| 2006 | ou MES | mg/l | - | ||||||||||
| Minéralisation et salinité | |||||||||||||
| 2201 | Chlorures | mg/l | 1 | Valeurs moyennes disponibles par aquifĂšre Consulter l'Etat des nappes de Wallonie (3) | 72 | X | X | X | X | X | X | 150 | X |
| 2202 | Sulfates (4) | mg/l | 5 | 159 | X | X | X | X | X | X | 250 | X | |
| 3001 | Nitrates | mg/l NO3 | 2 | 50 | X | X | - | ||||||
| 2204 | Calcium | mg/l | 5 | 187 | X | - | |||||||
| 2205 | Magnésium | mg/l | 1 | 34 | X | - | |||||||
| 2206 | Sodium | mg/l | 1 | 44 | X | 150 | - | ||||||
| 2207 | Potassium | mg/l | 1 | 12 | X | - | |||||||
| 3203 | Fluorures | mg/l | 0,05 | 0,5 | X | X | X | X | 1,5 | X | |||
| 2107 | Alcalinité (TAC) | °F | 1 | 35 | X | - | |||||||
| Métaux (5) | |||||||||||||
| 3601 | Arsenic | ĂŠg/l | 1 | 0,3 | 1,7 | X | X | X | X | 10 | X | ||
| 3602 | Cadmium | ĂŠg/l | 0,05 | 0,1 | 0,4 | X | X | X | X | 5 | X | ||
| 3603 | Chrome | ĂŠg/l | 2 | 0,7 | 3,4 | X | X | X | X | 50 | X | ||
| 3503 | Cuivre | ĂŠg/l | 2 | 1,7 | 39 | X | X | X | X | X | X | 100 | X |
| 3604 | Mercure | ĂŠg/l | 0,1 | 0 | 0,1 | X | X | 1 | X | ||||
| 3605 | Nickel | ĂŠg/l | 2 | 1 | 8,2 | X | X | X | X | X | X | 20 | X |
| 3606 | Plomb | ĂŠg/l | 1 | 0,3 | 3,0 | X | X | X | X | X | 10 | X | |
| 3607 | Antimoine | ĂŠg/l | 1 | 0 | 0,3 | X | 5 | X | |||||
| 3608 | Sélénium4 | Êg/l | 1 | 0,7 | 3,2 | X | 10 | X | |||||
| 3504 | Zinc | ĂŠg/l | 20 | 15 | 130 | X | X | X | X | X | X | 200 | X |
| 3501 | Fer (sur filtré 0,45 Ê) (6) | Êg/l | 20 | 6 | 988 | X | X | X | X | 1000 | - | ||
| 3502 | ManganĂšse (7) | ĂŠg/l | 5 | 2,5 | 315 | X | X | X | X | 250 | - | ||
| Autres métaux8 | Êg/l | X | X | X | |||||||||
| MatiĂšres oxydables et substances eutrophisantes | |||||||||||||
| 4002 | COT | mg/l C | 0,3 | 0,7 | 2,5 | X | X | X | X | X | X | 5 | - |
| 4012 | DCO | mg/l O2 | 5 | X | X | - | - | ||||||
| 4013 | DBO5 | mg/l O2 | 3 | X | X | - | - | ||||||
| 3003 | Ammonium | mg/l NH4 | 0,05 | 0,3 | X | X | X | X | 0,5 | - | |||
| 3005 | Phosphore | mg/l P205 | 0,1 | 0,9 | X | X | X | 1,15 | - | ||||
| Micro-polluants organiques | |||||||||||||
| 4004 | Indice phénols | Êg/l | 2 | X | X | 5 | - | ||||||
| 3205 | Cyanures (totaux) | ĂŠg/l | 3 | 1,5 | 2 ,8 | X | 50 | X | |||||
| 4003 | Huiles minérales (indice hydrocarbures C10-C40) | Êg/l | 50 | X | X | X | X | 100 | X | ||||
| 4020 | Indice hydrocarbures volatils (C5-C11) | ĂŠg/l | 30 | X | X | 100 | - | ||||||
| 4201 | BenzĂšne | ĂŠg/l | 0,25 | X | 1 | X | |||||||
| 4202 | ToluĂšne | ĂŠg/l | 1 | X | 70 | X | |||||||
| 4203 | EthylbenzĂšne | ĂŠg/l | 0,5 | X | 30 | X | |||||||
| 4204 | XylĂšnes | ĂŠg/l | 0,5 | X | 50 | X | |||||||
| 4511 | NaphtalĂšne | ĂŠg/l | 0,5 | X | 6 | X | |||||||
| Autres HAP 8 | Êg/l | 0,005 | X | X | cf. annexe I du décret sols | ||||||||
| 4007 | A.O.X. | ĂŠg Cl/l | 10 | X | X | X | X | 100 | - | ||||
| 4307 | TétrachloréthylÚne (PCE) | Êg/l | 0,5 | X | 20 au total | X | |||||||
| 4306 | TrichloréthylÚne (TCE) | Êg/l | 0,5 | X | X | ||||||||
| 4325 | (Cis+trans)1,2-dichloroéthÚnes | Êg/l | 0,5 | X | X | ||||||||
| 4318 | Chlorure de vinyle | ĂŠg/l | 1 | X | X | ||||||||
| Autres solvants chlorés (8) | Êg/l | 1 | X | cf. annexe I du décret sols | |||||||||
| 4700 | PCB's (7 Ballschmiter) | ĂŠg/l | 0,01 | X | X | 0,01 | X | ||||||
| Autres composés suivant percolats8 | Êg/l | X | |||||||||||
Classe 2 (et 5.2)Classe 3 (et 5.3)Classe 4Seuils (1)
Code LibelléUnitésLOQ (2) MédianeP95TraceurEtenduTraceurEtenduTraceurEtenduVigilanceDéclen-
chementParamĂštres de terrain
2005Température°CXXXXXX-
2101pHXXXXXX-
2102ConductivitéÊS/cm6461009XXXXXX2100-
2008EhmVXXXXXX-
2106ou O2 dissousmg/l-
2002TurbiditéNTUXXXXXX-
2006ou MESmg/l-Minéralisation et salinité
2201Chloruresmg/l1Valeurs moyennes disponibles par aquifĂšre
Consulter l'Etat des nappes de Wallonie (3) 72XXXXXX150X
2202Sulfates (4) mg/l5159XXXXXX250X
3001Nitratesmg/l NO3250XX-
2204Calciummg/l5187X-
2205Magnésiummg/l134X-
2206Sodiummg/l144X150-
2207Potassiummg/l112X-
3203Fluoruresmg/l0,050,5XXXX1,5X
2107Alcalinité (TAC)°F135X- Métaux (5)
3601ArsenicĂŠg/l10,31,7XXXX10X
3602CadmiumĂŠg/l0,050,10,4XXXX5X
3603ChromeĂŠg/l20,73,4XXXX50X
3503CuivreĂŠg/l21,739XXXXXX100X
3604MercureĂŠg/l0,100,1XX1X
3605NickelĂŠg/l218,2XXXXXX20X
3606PlombĂŠg/l10,33,0XXXXX10X
3607AntimoineĂŠg/l100,3X5X
3608Sélénium4Êg/l10,73,2X10X
3504ZincĂŠg/l2015130XXXXXX200X
3501Fer (sur filtré 0,45 Ê) (6) Êg/l206988XXXX1000-
3502ManganĂšse (7) ĂŠg/l52,5315XXXX250-
Autres métaux8Êg/lXXXMatiÚres oxydables et substances eutrophisantes
4002COTmg/l C0,30,72,5XXXXXX5-
4012DCOmg/l O25XX--
4013DBO5mg/l O23XX--
3003Ammoniummg/l NH40,050,3XXXX0,5-
3005Phosphoremg/l P2050,10,9XXX1,15-Micro-polluants organiques
4004Indice phénolsÊg/l2XX5-
3205Cyanures (totaux)ĂŠg/l31,52 ,8X50X
4003Huiles minérales (indice hydrocarbures C10-C40)Êg/l50XXXX100X
4020Indice hydrocarbures volatils (C5-C11)ĂŠg/l30XX100-
4201BenzĂšneĂŠg/l0,25X1X
4202ToluĂšneĂŠg/l1X70X
4203EthylbenzĂšneĂŠg/l0,5X30X
4204XylĂšnesĂŠg/l0,5X50X
4511NaphtalĂšneĂŠg/l0,5X6X
Autres HAP 8Êg/l0,005XXcf. annexe I du décret sols
4007A.O.X.ĂŠg Cl/l10XXXX100-
4307TétrachloréthylÚne (PCE)Êg/l0,5X20 au
totalX
4306TrichloréthylÚne (TCE)Êg/l0,5XX
4325(Cis+trans)1,2-dichloroéthÚnesÊg/l0,5XX
4318Chlorure de vinyleĂŠg/l1XX
Autres solvants chlorés (8) Êg/l1Xcf. annexe I du décret sols
4700PCB's (7 Ballschmiter)ĂŠg/l0,01XX0,01X
Autres composés suivant percolats8Êg/lX
TekstEenhedenKwantifi-
catiegrens ĂŠg/l Controle op percolaat Relevantie-
drempel ĂŠg/lTerreinparameters
Temperatuur°CX
pHX
GeleidbaarheidĂŠS/cmX
TroebelheidNTUX
MESmg/l5Mineralisatie en zoutgehalte
Chloridenmg/l5X
Sulfaten [00e8mg/l15XMetalen
ArseenĂŠg/l1500
CadmiumĂŠg/l0,051,5
ChroomĂŠg/l250
KoperĂŠg/l2400
KwikĂŠg/l0,10,5
NikkelĂŠg/l2200
LoodĂŠg/l170
ZinkĂŠg/l203000
IjzerĂŠg/l20
MangaanÊg/l5Oxideerbare stoffen en eutrofiërende stoffen
TOCmg/l C0,3
DCOmg/l O210
DBO5mg/l O23
Ammoniummg/l NH40,05
Nitraatmg/l NO32
Fosformg/l P0,1Organische micro-verontreinigende stoffen
Met petroleumether extraheerbare stoffenmg/l5
FenolindexĂŠg/l210
CyanidenĂŠg/l350
Minerale oliën (koolwaterstofindex C10-C40)Êg/l50100
BenzeenĂŠg/l0,25
TolueenĂŠg/l1
EthylbenzeenĂŠg/l0,5
XyleenĂŠg/l0,5
NaftaleenĂŠg/l0,524
Andere PAK'sĂŠg/l0,005
A.O.X.ĂŠg Cl/l10100
PCB's (7 Ballschmiter)ĂŠg/l0,01
catiegrens ĂŠg/l Controle op percolaat Relevantie-
drempel ĂŠg/lTerreinparameters
Temperatuur°CX
pHX
GeleidbaarheidĂŠS/cmX
TroebelheidNTUX
MESmg/l5Mineralisatie en zoutgehalte
Chloridenmg/l5X
Sulfaten [00e8mg/l15XMetalen
ArseenĂŠg/l1500
CadmiumĂŠg/l0,051,5
ChroomĂŠg/l250
KoperĂŠg/l2400
KwikĂŠg/l0,10,5
NikkelĂŠg/l2200
LoodĂŠg/l170
ZinkĂŠg/l203000
IjzerĂŠg/l20
MangaanÊg/l5Oxideerbare stoffen en eutrofiërende stoffen
TOCmg/l C0,3
DCOmg/l O210
DBO5mg/l O23
Ammoniummg/l NH40,05
Nitraatmg/l NO32
Fosformg/l P0,1Organische micro-verontreinigende stoffen
Met petroleumether extraheerbare stoffenmg/l5
FenolindexĂŠg/l210
CyanidenĂŠg/l350
Minerale oliën (koolwaterstofindex C10-C40)Êg/l50100
BenzeenĂŠg/l0,25
TolueenĂŠg/l1
EthylbenzeenĂŠg/l0,5
XyleenĂŠg/l0,5
NaftaleenĂŠg/l0,524
Andere PAK'sĂŠg/l0,005
A.O.X.ĂŠg Cl/l10100
PCB's (7 Ballschmiter)ĂŠg/l0,01
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Wijzigingen
[1]Les croix dĂ©signent les paramĂštres pour lesquels un seuil de dĂ©clenchement doit ĂȘtre fixĂ© dans le plan d'intervention en cas de dĂ©passement du seuil de vigilance.
[2]Limite de quantification maximale exigée des laboratoires agréés.
[3]http://environnement.wallonie.be/de/eso/atlas/
[4]Les seuils pour ce paramÚtre ne s'appliquent pas formations géologiques du Houiller (codes M015, M016 et E017) ni aux masses d'eau souterraine en contact avec celui-ci (E030 et M073).
[5]Sauf mention contraire, il s'agit de la mesure du métal extractible, sur échantillon non filtré et acidifié à pH2.
[6]Les seuils pour ce paramĂštre ne s'appliquent pas aux aquifĂšres locaux du Houiller (codes M015, M016 et E017) ni Ă l'aquifĂšre du calcaire carbonifĂšre (masses d'eau E013 et E060).
[7]Les seuils pour ce paramÚtre ne s'appliquent pas aux aquifÚres locaux du Houiller (codes M015, M016 et E017), aux masses d'eau en contact avec le socle Houiller (E030 et M073) ainsi qu'au massif schisto-gréseux de l'Ardenne (masses d'eau M100, R101, M102 et M103).
[8]Liste de paramĂštres Ă fixer au cas par cas.
Annexe 4C. - Seuils de pertinence
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
| Libellé | Unités | Limites de quantification Êg/l | ContrÎle lixiviats | Seuil de pertinence Êg/l |
| ParamĂštres de terrain | ||||
| Température | °C | X | ||
| pH | X | |||
| Conductivité | ÊS/cm | X | ||
| Turbidité | NTU | X | ||
| MES | mg/l | 5 | ||
| Minéralisation et salinité | ||||
| Chlorures | mg/l | 5 | X | |
| Sulfates (1) | mg/l | 15 | X | |
| Métaux | ||||
| Arsenic | ĂŠg/l | 1 | 500 | |
| Cadmium | ĂŠg/l | 0,05 | 1,5 | |
| Chrome | ĂŠg/l | 2 | 50 | |
| Cuivre | ĂŠg/l | 2 | 400 | |
| Mercure | ĂŠg/l | 0,1 | 0,5 | |
| Nickel | ĂŠg/l | 2 | 200 | |
| Plomb | ĂŠg/l | 1 | 70 | |
| Zinc | ĂŠg/l | 20 | 3000 | |
| Fer | ĂŠg/l | 20 | ||
| ManganĂšse | ĂŠg/l | 5 | ||
| MatiĂšres oxydables et substances eutrophisantes | ||||
| COT | mg/l C | 0,3 | ||
| DCO | mg/l O2 | 10 | ||
| DBO5 | mg/l O2 | 3 | ||
| Ammonium | mg/l NH4 | 0,05 | ||
| Nitrates | mg/l NO3 | 2 | ||
| Phosphore | mg/l P | 0,1 | ||
| Micro-polluants organiques | ||||
| MatiÚres extractibles à l'éther de pétrole. | mg/l | 5 | ||
| Indice phénols | Êg/l | 2 | 10 | |
| Cyanures | ĂŠg/l | 3 | 50 | |
| Huiles minérales (indice hydrocarbures C10-C40) | Êg/l | 50 | 100 | |
| BenzĂšne | ĂŠg/l | 0,25 | ||
| ToluĂšne | ĂŠg/l | 1 | ||
| EthylbenzĂšne | ĂŠg/l | 0,5 | ||
| XylĂšnes | ĂŠg/l | 0,5 | ||
| NaphtalĂšne | ĂŠg/l | 0,5 | 24 | |
| Autres HAP | ĂŠg/l | 0,005 | ||
| A.O.X. | ĂŠg Cl/l | 10 | 100 | |
| PCB's (7 Ballschmiter) | ĂŠg/l | 0,01 | ||
-
LibelléUnitésLimites de quantification Êg/l ContrÎle lixiviatsSeuil de pertinence Êg/lParamÚtres de terrain
Température°CX
pHX
ConductivitéÊS/cmX
TurbiditéNTUX
MESmg/l5Minéralisation et salinité
Chloruresmg/l5X
Sulfates (1) mg/l15XMétaux
ArsenicĂŠg/l1500
CadmiumĂŠg/l0,051,5
ChromeĂŠg/l250
CuivreĂŠg/l2400
MercureĂŠg/l0,10,5
NickelĂŠg/l2200
PlombĂŠg/l170
ZincĂŠg/l203000
FerĂŠg/l20
ManganĂšseĂŠg/l5MatiĂšres oxydables et substances eutrophisantes
COTmg/l C0,3
DCOmg/l O210
DBO5mg/l O23
Ammoniummg/l NH40,05
Nitratesmg/l NO32
Phosphoremg/l P0,1Micro-polluants organiques
MatiÚres extractibles à l'éther de pétrole.mg/l5
Indice phénolsÊg/l210
CyanuresĂŠg/l350
Huiles minérales (indice hydrocarbures C10-C40)Êg/l50100
BenzĂšneĂŠg/l0,25
ToluĂšneĂŠg/l1
EthylbenzĂšneĂŠg/l0,5
XylĂšnesĂŠg/l0,5
NaphtalĂšneĂŠg/l0,524
Autres HAPĂŠg/l0,005
A.O.X.ĂŠg Cl/l10100
PCB's (7 Ballschmiter)ĂŠg/l0,01
Température°CX
pHX
ConductivitéÊS/cmX
TurbiditéNTUX
MESmg/l5Minéralisation et salinité
Chloruresmg/l5X
Sulfates (1) mg/l15XMétaux
ArsenicĂŠg/l1500
CadmiumĂŠg/l0,051,5
ChromeĂŠg/l250
CuivreĂŠg/l2400
MercureĂŠg/l0,10,5
NickelĂŠg/l2200
PlombĂŠg/l170
ZincĂŠg/l203000
FerĂŠg/l20
ManganĂšseĂŠg/l5MatiĂšres oxydables et substances eutrophisantes
COTmg/l C0,3
DCOmg/l O210
DBO5mg/l O23
Ammoniummg/l NH40,05
Nitratesmg/l NO32
Phosphoremg/l P0,1Micro-polluants organiques
MatiÚres extractibles à l'éther de pétrole.mg/l5
Indice phénolsÊg/l210
CyanuresĂŠg/l350
Huiles minérales (indice hydrocarbures C10-C40)Êg/l50100
BenzĂšneĂŠg/l0,25
ToluĂšneĂŠg/l1
EthylbenzĂšneĂŠg/l0,5
XylĂšnesĂŠg/l0,5
NaphtalĂšneĂŠg/l0,524
Autres HAPĂŠg/l0,005
A.O.X.ĂŠg Cl/l10100
PCB's (7 Ballschmiter)ĂŠg/l0,01
-
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N3. Bijlage III. - " Bijlage 5. - Wijze van berekening van de zekerheid.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-11-2010, p. 72337-72344)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-11-2010, p. 72337-72344)
Art. N3. Annexe III. - " Annexe 5. - Mode de calcul de la sûreté "
1. Remise en état provisoire du site aprÚs exploitation du CET
1. Remise en état provisoire du site aprÚs exploitation du CET
-
| Poste | Commentaires | Unités | Quantité | Prix unitaires ( euro HTVA) | Prix total | |
| A. Couverture provisoire | Au niveau des cellules qui ont été en exploitation (1) | |||||
| A1. Couverture intermédiaire | Alternative 1 : mise en oeuvre avec fourniture des matériaux | S x 0,15 m | m3 | 8,75 | ||
| Alternative 2 : mise en oeuvre sans fourniture des matériaux (2) | S x 0,15 m | m3 | 4,00 | |||
| A2. Couche drainante gaz | Alternative 1 : nappe drainante naturelle | |||||
| - Géotextile de protection + matériaux drainants (15 cm de sable grossier) | m2 | 6,30 | ||||
| - Drains de dégazage en PEHD | 250 m/ha | m | 27,50 | |||
| Alternative 2 : nappe drainante synthétique | S x 1,1 (3) | m2 | 4,00 | |||
| A3. Couverture provisoire Alternative 1 : avec des terres de 2nd catégorie Couverture provisoire Alternative 2 : avec des limons argileux/boues de dragage | Alternative 1 : mise en oeuvre avec fourniture des matériaux | S x 0,7 m | m3 | 8,75 | ||
| Alternative 2 : mise en oeuvre sans fourniture des matériaux2 | S x 0,7 m | m3 | 4,00 | |||
| Alternative 1 : mise en oeuvre avec fourniture des matériaux | S x 0,7 m | m3 | 16,00 | |||
| Alternative 2 : mise en oeuvre sans fourniture des matériaux2 | S x 0,7 m | m3 | 4,00 | |||
| A4. Engazonnement | - | m2 | 0,60 | |||
| A5. Pose de bornes pour le nivellement topographique | - | 16/ha | piĂšce | 75,00 | ||
| A6. Réseau de dégazage (4) | Raccord des puits à gaz à la torchÚre (tuyauteries et accessoires) | 200 m/ha | m | 50,00 | ||
| A7. Récupération des eaux de ruissellement | Fossés périphériques | 120 m/ha | m | 45,00 |
A. Couverture provisoire Au niveau des cellules qui ont été en exploitation (1) A1. Couverture intermédiaireAlternative 1 : mise en oeuvre avec fourniture des matériauxS x 0,15 mm38,75
Alternative 2 : mise en oeuvre sans fourniture des matériaux (2) S x 0,15 mm34,00A2. Couche drainante gazAlternative 1 : nappe drainante naturelle
- Géotextile de protection + matériaux drainants (15 cm de sable grossier)m26,30
- Drains de dégazage en PEHD250 m/ham27,50
Alternative 2 : nappe drainante synthétiqueS x 1,1 (3)m24,00A3. Couverture provisoire
Alternative 1 : avec des terres de 2nd catégorie Couverture provisoire Alternative 2 : avec des limons argileux/boues de dragageAlternative 1 : mise en oeuvre avec fourniture des matériauxS x 0,7 mm38,75
Alternative 2 : mise en oeuvre sans fourniture des matériaux2S x 0,7 mm34,00
Alternative 1 : mise en oeuvre avec fourniture des matériauxS x 0,7 mm316,00
Alternative 2 : mise en oeuvre sans fourniture des matériaux2S x 0,7 mm34,00
A4. Engazonnement-m20,60
A5. Pose de bornes pour le nivellement topographique-16/hapiĂšce75,00
A6. Réseau de dégazage (4) Raccord des puits à gaz à la torchÚre (tuyauteries et accessoires)200 m/ham50,00
A7. Récupération des eaux de ruissellementFossés périphériques120 m/ham45,00
-
2. Remise en état définitive.
-
| B. Couverture définitive (5) | Quand le taux annuel de tassement relatif est inférieur à 1,5 % sur l'ensemble du site aprÚs la fin définitive des déversements et la pose de la couverture provisoire | |||||
| B1. Travaux préparatoires (6) | Adaptation provisoire du réseau de dégazage | - | ha | 6200,00 | ||
| EnlÚvement et stockage de la couche provisoire de terres de 2nd catégorie | S x 0,6 m | m3 | 5,00 | |||
| Reprofilage général | - | m2 | 0,50 | |||
| Comblement et mise à niveau définitif (avec du limon) | S x 1,5 m | m3 | 7,5 | |||
| B2. Couche drainante gaz | Alternative 1 : nappe drainante naturelle | |||||
| - Matériaux drainants (sable grossier) | S x 0,15 m | m3 | 25,00 | |||
| - Drains de dégazage en PEHD | 250 m/ha | m | 27,50 | |||
| Alternative 2 : nappe drainante synthétique | S x 1,1 3 | m2 | 4,00 | |||
| B3. Couche d'étanchéité | Géotextile de protection | S x 1,1 3 | m2 | 2,50 | ||
| Etanchéité non minérale | ||||||
| Alternative 1 : géomembrane PEHD 2 mm | S x 1,1 3 | m2 | 7,50 | |||
| Alternative 2 : géocomposite (bentonite) | épaisseur = 0,05 m | m2 | 6,00 | |||
| Etanchéité minérale (argile) (7) | épaisseur = 0,6 - 0,8 m | m3 | 25,00 | |||
| B4. Couche drainante pour les eaux | Nappe drainante | |||||
| Alternative 1 : naturelle | ||||||
| Géotextile de séparation sous les matériaux drainants + géotextile de protection sur les matériaux drainants | S x 1,1 3 | m2 | 5,00 | |||
| Matériaux drainants (sable) | S x 0,15 m | m3 | 21,00 | |||
| Alternative 2 : géosynthétique | S x 1,1 3 | m2 | 6,00 | |||
| Tuyauteries de drainage des eaux | 200 m/ha | m | 25,00 | |||
| B5. Terres végétales | Remise en place des terres de 2nd catégorie récupérées | S x 0,6 m | m3 | 4,00 | ||
| Terres végétales | ||||||
| Alternative 1 : mise en oeuvre avec fourniture des matériaux | épaisseur = 0,3 - 0,5 m | m3 | 12,50 | |||
| Alternative 2 : mise en oeuvre sans fourniture des matériaux2 | épaisseur = 0,3 - 0,5 m | m3 | 4,00 | |||
| B6. Couverture végétale | Engazonnement | - | m2 | 0,60 | ||
| Plantations | - | m2 | 2,00 | |||
| B7. Réseau de dégazage | Raccord des puits à gaz à la torchÚre (tuyauteries et accessoires) | 200 m/ha | m | 50,00 | ||
| B8. Finition | Pose de bornes pour le nivellement topographique | 12/ha | piĂšce | 75,00 | ||
| Récupération des eaux de ruissellement (fossés) | 100 m/ha | m | 45,00 | |||
| Elimination des installations obsolĂštes (8) | - | ha | 75000,00 | |||
| Sous -total | ||||||
| Etudes, contrÎles, surveillances, frais généraux | 15 % | |||||
| TOTAL | ||||||
EnlÚvement et stockage de la couche provisoire de terres de 2nd catégorieS x 0,6 mm35,00
Reprofilage général-m20,50
Comblement et mise à niveau définitif (avec du limon)S x 1,5 mm37,5B2. Couche drainante gazAlternative 1 : nappe drainante naturelle
- Matériaux drainants (sable grossier)S x 0,15 mm325,00
- Drains de dégazage en PEHD250 m/ham27,50
Alternative 2 : nappe drainante synthétiqueS x 1,1 3m24,00B3. Couche d'étanchéitéGéotextile de protectionS x 1,1 3m22,50
Etanchéité non minérale
Alternative 1 : géomembrane PEHD 2 mmS x 1,1 3m27,50
Alternative 2 : géocomposite (bentonite)épaisseur = 0,05 mm26,00
Etanchéité minérale (argile) (7)épaisseur = 0,6 - 0,8 mm325,00B4. Couche drainante pour les eauxNappe drainante
Alternative 1 : naturelle
Géotextile de séparation sous les matériaux drainants + géotextile de protection sur les matériaux drainantsS x 1,1 3m25,00
Matériaux drainants (sable)S x 0,15 mm321,00
Alternative 2 : géosynthétiqueS x 1,1 3m26,00
Tuyauteries de drainage des eaux200 m/ham25,00B5. Terres végétalesRemise en place des terres de 2nd catégorie récupéréesS x 0,6 mm34,00
Terres végétales
Alternative 1 : mise en oeuvre avec fourniture des matériauxépaisseur = 0,3 - 0,5 mm312,50
Alternative 2 : mise en oeuvre sans fourniture des matériaux2épaisseur = 0,3 - 0,5 mm34,00B6. Couverture végétaleEngazonnement-m20,60
Plantations-m22,00
B7. Réseau de dégazageRaccord des puits à gaz à la torchÚre (tuyauteries et accessoires)200 m/ham50,00B8. FinitionPose de bornes pour le nivellement topographique12/hapiÚce75,00
Récupération des eaux de ruissellement (fossés)100 m/ham45,00
Elimination des installations obsolĂštes (8)-ha75000,00
Sous -total
Etudes, contrÎles, surveillances, frais généraux15 %
TOTAL
-
3. Post-gestion du CET
Pour le calcul de la sûreté, la post-gestion est scindée en deux périodes :
Phase I : en attendant la réduction des tassements de la couverture provisoire - période estimée à 7 ans aprÚs la pose de la couverture provisoire.
Phase II : période estimée à 23 ans aprÚs la pose de la couverture définitive.
En ce qui concerne les lixiviats, on considÚre que la récolte et le traitement des lixiviats se limite à une période de 15 ans aprÚs la pose de la couverture définitive.
Pour le calcul de la sûreté, la post-gestion est scindée en deux périodes :
Phase I : en attendant la réduction des tassements de la couverture provisoire - période estimée à 7 ans aprÚs la pose de la couverture provisoire.
Phase II : période estimée à 23 ans aprÚs la pose de la couverture définitive.
En ce qui concerne les lixiviats, on considÚre que la récolte et le traitement des lixiviats se limite à une période de 15 ans aprÚs la pose de la couverture définitive.
-
| Poste | Commentaires | Durée | Unités | Quantité | Prix unitaires ( euro H.T.V.A.) | Prix total |
| C1. Gestion du suivi (administratif) | ContrÎles, traitement de données, | 30 ans | an | 20000,00 | ||
| C2. Entretien esthétique (végétation) | Tontes | 2x/an pendant 30 ans | ha.an | 1250,00 | ||
| Entretien des arbustes | 23 ans | ha.an | 25,00 | |||
| Entretien des pistes et voiries | 1x/an pendant 30 ans | piĂšce | 2500,00 | |||
| Entretien des fossés | 2x/an pendant 30 ans | ha.an | 500,00 | |||
| C3. Maintien de l'inaccessibilité au site | Entretien clÎture (renouvellement 1/5 tous les 3 ans) | 30 ans | m | 35,00 | ||
| Suppression clĂŽture en fin de vie | - | m | 25,00 | |||
| Gardiennage | 1j/sem pendant 30 ans | j | 200,00 | |||
| C4. Maintien de la stabilité mécanique | Mise en place inclinomÚtres (9) (1/ha) | - | m | 200,00 | ||
| Mesures de stabilité au niveau des inclinomÚtres (1/incl.) | - | mesure | 150,00 | |||
| Relevés topographiques | 2x/an/ha pendant 7 ans 1x/an/ha pendant 23 ans | relevé | 500,00 | |||
| C5. Entretien du systĂšme de drainage et traitement des eaux | Entretien de la station de traitement des lixiviats | 22 ans | an | 65000,00 | ||
| Entretien du réseau de reprise des lixiviats/pompes, | 6x/an pendant 15 ans | ha.an | 3500,00 | |||
| Traitement des lixiviats(10) | 15 ans | m3 | 15,00 (11) | |||
| PrélÚvement et analyses sur rejets d'eaux | 2x/an pendant 15 ans 1x/an pendant 15 ans | prélÚv. | 3000,00 | |||
| C6. Maintien du drainage et brûlage des gaz | Maintenance du réseau de dégazage | 2x/an pendant 30 ans | ha.an | 1500,00 | ||
| Maintenance de la torchĂšre | 30 ans | an | 45000,00 | |||
| Analyse des gaz en amont et aval de la torchĂšre | In : 2x/an pendant 30 ans | point | 1400,00 | |||
| Out : 1x/an pendant 30 ans | point | 1500,00 | ||||
| C7. Suivi des eaux souterraines | Entretien des piézomÚtres | 30 ans | piézo.an | 300,00 | ||
| Suivi des piézomÚtres | 2x/an pendant 30 ans | piézo.an | 1750,00 | |||
| C8. Réseau de surveillance des gaz à l'extérieur du site | Entretien des puits de contrÎle | 30 ans | puits.an | 500,00 | ||
| Suivi des puits de contrĂŽle | 2x/an pendant 30 ans | puits.an | 2500,00 | |||
| C9. Suivi des eaux de surface | ContrÎle (prélÚvement et analyse) en amont et aval du site | 2x/an pendant 30 ans | point.an | 1500,00 | ||
| C10. Autres | Gestion de l'air ambiant (maintenance d'une station d'échantillonnage et d'une station météo) | 30 ans | station.an | 1500,00 | ||
| ContrĂŽle de l'air ambiant (immission) | 2x/an pendant 30 ans | point.an | 1750,00 | |||
| Elimination des installations obsolÚtes (bureau, torchÚre, réseau, ) | - | site | 50000,00 | |||
| TOTAL | ||||||
C1. Gestion du suivi (administratif)ContrÎles, traitement de données, 30 ansan20000,00C2. Entretien esthétique (végétation)Tontes 2x/an pendant 30 ansha.an1250,00
Entretien des arbustes23 ansha.an25,00
Entretien des pistes et voiries1x/an pendant 30 anspiĂšce2500,00
Entretien des fossés2x/an pendant 30 ansha.an500,00C3. Maintien de l'inaccessibilité au siteEntretien clÎture (renouvellement 1/5 tous les 3 ans)30 ansm35,00
Suppression clĂŽture en fin de vie-m25,00
Gardiennage1j/sem pendant 30 ansj200,00C4. Maintien de la stabilité mécaniqueMise en place inclinomÚtres (9) (1/ha)-m200,00
Mesures de stabilité au niveau des inclinomÚtres (1/incl.)-mesure150,00
Relevés topographiques2x/an/ha pendant 7 ans 1x/an/ha pendant 23 ansrelevé500,00C5. Entretien du systÚme de drainage et traitement des eaux Entretien de la station de traitement des lixiviats22 ansan65000,00
Entretien du réseau de reprise des lixiviats/pompes, 6x/an pendant 15 ansha.an3500,00
Traitement des lixiviats(10)15 ansm315,00 (11)
PrélÚvement et analyses sur rejets d'eaux2x/an pendant 15 ans
1x/an pendant 15 ansprélÚv.3000,00C6. Maintien du drainage et brûlage des gazMaintenance du réseau de dégazage2x/an pendant 30 ansha.an1500,00
Maintenance de la torchĂšre30 ansan45000,00Analyse des gaz en amont et aval de la torchĂšreIn : 2x/an pendant 30 anspoint1400,00
Out : 1x/an pendant 30 anspoint1500,00C7. Suivi des eaux souterrainesEntretien des piézomÚtres30 anspiézo.an300,00
Suivi des piézomÚtres2x/an pendant 30 anspiézo.an1750,00C8. Réseau de surveillance des gaz à l'extérieur du siteEntretien des puits de contrÎle30 anspuits.an500,00
Suivi des puits de contrĂŽle2x/an pendant 30 anspuits.an2500,00
C9. Suivi des eaux de surfaceContrÎle (prélÚvement et analyse) en amont et aval du site2x/an pendant 30 anspoint.an1500,00C10. AutresGestion de l'air ambiant (maintenance d'une station d'échantillonnage et d'une station météo)30 ansstation.an1500,00
ContrĂŽle de l'air ambiant (immission)2x/an pendant 30 anspoint.an1750,00
Elimination des installations obsolÚtes (bureau, torchÚre, réseau, )-site50000,00
TOTAL
-
4. Interventions en cas d'accident ou de pollution
-
| Poste | Prix unitaires ( euro H.T.V.A.) | Prix total |
| D1. Refaire une partie de digue endommagée | 5 euro /m3 x 20 % du tonnage annuel | |
| D2. Refaire une partie de la couverture | 15 euro /m2 x (20 % du tonnage annuel/hauteur) | |
| D3. Débordement du bassin de lixiviat | 20 euro /m3 x (20 % du tonnage annuel plafonné à 20 % du montant total des garanties) | |
| TOTAL | ||
-
PostePrix unitaires
( euro H.T.V.A.)Prix total
D1. Refaire une partie de digue endommagée5 euro /m3 x 20 % du tonnage annuel
D2. Refaire une partie de la couverture15 euro /m2 x (20 % du tonnage annuel/hauteur)
D3. Débordement du bassin de lixiviat20 euro /m3 x (20 % du tonnage annuel plafonné à 20 % du montant total des garanties)
TOTAL
( euro H.T.V.A.)Prix total
D1. Refaire une partie de digue endommagée5 euro /m3 x 20 % du tonnage annuel
D2. Refaire une partie de la couverture15 euro /m2 x (20 % du tonnage annuel/hauteur)
D3. Débordement du bassin de lixiviat20 euro /m3 x (20 % du tonnage annuel plafonné à 20 % du montant total des garanties)
TOTAL
-
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Wijzigingen
[1]En cas de renouvellement de permis, pour des CET de grande taille, toutes les cellules d'un CET ne seront pas exploitĂ©es en mĂȘme temps : dans ce cas, la surface Ă considĂ©rer pour la couverture provisoire correspond Ă la surface des cellules qui seront exploitĂ©es simultanĂ©ment sur le CET. Dans le cas du dĂ©but d'exploitation d'un CET, la surface Ă considĂ©rer est la surface totale du CET.
[2]On suppose que les matériaux sont disponibles sur le site du CET.
[3]On utilisera la surface augmentée de 10 % pour tenir compte des pertes de découpe et de recouvrement de la membrane.
[4]Il est supposĂ© que les puits de dĂ©gazage sont placĂ©s au fur et Ă mesure du comblement d'une cellule Ă l'aide de tube tĂ©lescopique. De mĂȘme, l'investissement de la torchĂšre est supposĂ© ĂȘtre rĂ©alisĂ© en cours d'exploitation.
[5]On suppose qu'aucune partie du site n'a encore fait l'objet d'une couverture définitive. La surface à considérer est donc la surface totale du CET.
[6]Certains de ces travaux prĂ©paratoires peuvent ne pas ĂȘtre requis suivant le type de CET et d'amĂ©nagement existant.
[7]La valeur de l'argile tient une part importante dans le coĂ»t total de capping. Lors du calcul de la sĂ»retĂ©, il est conseillĂ© de connaĂźtre avec plus de prĂ©cisions quel va ĂȘtre le lieu d'approvisionnement de l'argile pour dĂ©finir l'importance du coĂ»t de transport.
[8]Localisé sur le site. La surface à considérer ne reprend pas la surface globale du CET.
[9]Si la hauteur du CET est supérieure à 5 m.
[10]Volume Ă traiter au cours de la phase de post-exploitation :
Si P0 (m3/an) reprĂ©sente la production annuelle de lixiviats au cours de la derniĂšre annĂ©e d'exploitation, soit P0 = S x 0,5 P oĂč S = surface d'infiltration (m2) et P = normale annuelle des prĂ©cipitations exprimĂ©es en m
alors
-
| * | PO | En présence d'une couverture provisoire, on observe une décroissance exponentielle de la production de lixiviats de type P0 (exp -2/3 t) jusqu'à atteindre un débit de fuite égal à 10 % de P0 |
| * | En présence d'une couverture définitive, on observe une décroissance exponentielle de la production de lixiviats de type P0 (exp -t) jusqu'à atteindre un débit de fuite égal à 1 % de P0 |
*En présence d'une couverture définitive, on observe une décroissance exponentielle de la production de lixiviats de type P0 (exp -t) jusqu'à atteindre un débit de fuite égal à 1 % de P0
-
(11) Pour un traitement sur site. Dans le cas d'un traitement hors site, il faut considérer un coût de 52 euro /m3.
Art. N4. Bijlage IV. - " Bijlage 1. - Criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra voor inerte afvalstoffen - klasse 3 en 5.3. "
De afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum van klasse 3 of 5.3. aanvaard worden, stemmen overeen met de inerte afvalstoffen die aangekruist zijn in de vierde kolom van tabel vermeld in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus.
De volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing op de afvalstoffen die aanvaard worden in de technische ingravingscentra voor inerte afvalstoffen; ze worden berekend bij een verhouding vloeistof/vaste stof (L/S) van 10 l/kg voor totale afgifte. De uitlogingtest die op de afvalstoffen toegepast moet worden, wordt verricht volgens Europese norm EN-12457-2 of 4°.
Maximaal driemaal zo hoge grenswaarden kunnen aanvaard worden voor de in dit punt vermelde specifieke parameters, behalve opgeloste organische koolstof, BTEX, PCB's en koolwaterstoffen, en met beperking van de mogelijke verhoging van de grenswaarde voor TOC tot twee maal de grenswaarde, indien
- de bevoegde instantie per geval een milieuvergunning afgeeft voor bepaalde afvalstoffen die in het betrokken technisch ingravingscentrum aanvaard worden, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van het technisch ingvravingscentrum en zijn omgeving, en
- de emissies (inclusief percolaat) van het technisch ingravingscentrum, rekening houdend met de in dit deel voor die specifieke parameters genoemde grenswaarden, op basis van een risicoanalyse geen extra risico voor het milieu zullen opleveren.
De afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum van klasse 3 of 5.3. aanvaard worden, stemmen overeen met de inerte afvalstoffen die aangekruist zijn in de vierde kolom van tabel vermeld in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus.
De volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing op de afvalstoffen die aanvaard worden in de technische ingravingscentra voor inerte afvalstoffen; ze worden berekend bij een verhouding vloeistof/vaste stof (L/S) van 10 l/kg voor totale afgifte. De uitlogingtest die op de afvalstoffen toegepast moet worden, wordt verricht volgens Europese norm EN-12457-2 of 4°.
Maximaal driemaal zo hoge grenswaarden kunnen aanvaard worden voor de in dit punt vermelde specifieke parameters, behalve opgeloste organische koolstof, BTEX, PCB's en koolwaterstoffen, en met beperking van de mogelijke verhoging van de grenswaarde voor TOC tot twee maal de grenswaarde, indien
- de bevoegde instantie per geval een milieuvergunning afgeeft voor bepaalde afvalstoffen die in het betrokken technisch ingravingscentrum aanvaard worden, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van het technisch ingvravingscentrum en zijn omgeving, en
- de emissies (inclusief percolaat) van het technisch ingravingscentrum, rekening houdend met de in dit deel voor die specifieke parameters genoemde grenswaarden, op basis van een risicoanalyse geen extra risico voor het milieu zullen opleveren.
Art. N4. Annexe IV. - " Annexe Ire. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets inertes - classes 3 et 5.3 "
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 3 ou 5.3 correspondent aux dĂ©chets inertes visĂ©s par une croix dans la 4e colonne du tableau figurant Ă l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets.
Les valeurs limites de lixiviation suivantes s'appliquent aux déchets admissibles dans les CET pour déchets inertes; elles sont calculées, en termes de relargage, sur la base d'un ratio liquide-solide (L/S) de 10 l/kg. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4.
Des valeurs limites jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©es peuvent ĂȘtre admises pour les paramĂštres spĂ©cifiques visĂ©s au prĂ©sent point, autres que le carbone organique total sur Ă©luat, les BTEX, les PCB et les hydrocarbures, et en limitant l'accroissement possible de la valeur limite pour le COT Ă un maximum de deux fois la valeur limite, si :
- l'autorité compétente délivre, au cas par cas, un permis d'environnement pour certains déchets spécifiques admis dans le CET concerné, compte tenu des caractéristiques du CET et de ses environs, et
- les émissions (y compris les lixiviats) du CET, en tenant compte des limites fixées pour les paramÚtres spécifiques correspondants visés au présent point, ne présentent aucun risque supplémentaire pour l'environnement, selon ce qui ressort d'une évaluation des risques.
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 3 ou 5.3 correspondent aux dĂ©chets inertes visĂ©s par une croix dans la 4e colonne du tableau figurant Ă l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets.
Les valeurs limites de lixiviation suivantes s'appliquent aux déchets admissibles dans les CET pour déchets inertes; elles sont calculées, en termes de relargage, sur la base d'un ratio liquide-solide (L/S) de 10 l/kg. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4.
Des valeurs limites jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©es peuvent ĂȘtre admises pour les paramĂštres spĂ©cifiques visĂ©s au prĂ©sent point, autres que le carbone organique total sur Ă©luat, les BTEX, les PCB et les hydrocarbures, et en limitant l'accroissement possible de la valeur limite pour le COT Ă un maximum de deux fois la valeur limite, si :
- l'autorité compétente délivre, au cas par cas, un permis d'environnement pour certains déchets spécifiques admis dans le CET concerné, compte tenu des caractéristiques du CET et de ses environs, et
- les émissions (y compris les lixiviats) du CET, en tenant compte des limites fixées pour les paramÚtres spécifiques correspondants visés au présent point, ne présentent aucun risque supplémentaire pour l'environnement, selon ce qui ressort d'une évaluation des risques.
| Grenswaarden voor uitloging | |
| Parameters | Uitlogingsvoorwaarden : L/S = 10 l/kg |
| Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (niet-dimensionaal) | |
| pH | 4-13 |
| As | 0,5 |
| Ba | 20 |
| Cd | 0,04 |
| Cr totaal | 0,5 |
| Cu | 2 |
| Hg | 0,01 |
| Mo | 0,5 |
| Ni | 0,4 |
| Pb | 0,5 |
| Sb | 0,06 |
| Se | 0,1 |
| Zn | 4 |
| Chloriden | 800 |
| Fluoriden | 10 |
| Sulfaten | 1 000 (*) |
| Fenolindex | 1 |
| DOC | 500 (**) |
| TDS | 4 000 (* * *) |
| (*) Als de afvalstoffen niet aan deze waarden voor sulfaat voldoen, kunnen ze toch als in overeenstemming zijnde met de aanvaardingscriteria worden beschouwd als de uitloging de volgende waarde niet overschrijdt : 6 000 mg/kg bij L/S = 10 l/kg. De waarde bij L/S = 10 l/kg kan worden bepaald door ofwel een schudproef ofwel een kolomproef onder omstandigheden die lokaal evenwicht benaderen. | |
| (**) Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 500 mg/kg (volgens de methode gegrond op technische bijzonderheden CEN/TS 14429). | |
| (* * *) De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen (" Total Dissolved Solids " of TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt. | |
Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (niet-dimensionaal)
pH4-13
As0,5
Ba20
Cd0,04
Cr totaal0,5
Cu2
Hg0,01
Mo0,5
Ni0,4
Pb0,5
Sb0,06
Se0,1
Zn4
Chloriden800
Fluoriden10
Sulfaten1 000 (*)
Fenolindex1
DOC 500 (**)
TDS 4 000 (* * *)
(*) Als de afvalstoffen niet aan deze waarden voor sulfaat voldoen, kunnen ze toch als in overeenstemming zijnde met de aanvaardingscriteria worden beschouwd als de uitloging de volgende waarde niet overschrijdt : 6 000 mg/kg bij L/S = 10 l/kg. De waarde bij L/S = 10 l/kg kan worden bepaald door ofwel een schudproef ofwel een kolomproef onder omstandigheden die lokaal evenwicht benaderen.
(**) Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 500 mg/kg (volgens de methode gegrond op technische bijzonderheden CEN/TS 14429).
(* * *) De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen (" Total Dissolved Solids " of TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.
| Valeurs limites en matiĂšre de lixiviation | |
| ParamĂštres | Condition de lixiviation : L/S = 10 l/kg |
| Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel) | |
| PH | 4-13 |
| As | 0,5 |
| Ba | 20 |
| Cd | 0,04 |
| Cr total | 0,5 |
| Cu | 2 |
| Hg | 0,01 |
| Mo | 0,5 |
| Ni | 0,4 |
| Pb | 0,5 |
| Sb | 0,06 |
| Se | 0,1 |
| Zn | 4 |
| Chlorures | 800 |
| Fluorures | 10 |
| Sulfates | 1000 (*) |
| Indice phénol | 1 |
| COT sur éluat | 500 (**) |
| FS (Fraction soluble) | 4 000 (* * *) |
| (*) Si le dĂ©chet ne respecte pas ces valeurs pour le sulfate, il peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission si la lixiviation ne dĂ©passe pas la valeur de 6000 mg/kg Ă un ratio L/S = 10 l/kg. La valeur correspondant au ratio L/S = 10 l/kg peut ĂȘtre dĂ©terminĂ©e par un essai de lixiviation en bĂąchĂ©e ou par un essai de percolation dans des conditions approchant l'Ă©quilibre local. | |
| (**) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le carbone organique total sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S =10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 500 mg/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN / TS 14429). | |
| (* * *) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure. | |
Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel)
PH4-13
As0,5
Ba20
Cd0,04
Cr total0,5
Cu2
Hg0,01
Mo0,5
Ni0,4
Pb0,5
Sb0,06
Se0,1
Zn4
Chlorures800
Fluorures10
Sulfates1000 (*)
Indice phénol1
COT sur éluat 500 (**)
FS (Fraction soluble) 4 000 (* * *)
(*) Si le dĂ©chet ne respecte pas ces valeurs pour le sulfate, il peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission si la lixiviation ne dĂ©passe pas la valeur de 6000 mg/kg Ă un ratio L/S = 10 l/kg. La valeur correspondant au ratio L/S = 10 l/kg peut ĂȘtre dĂ©terminĂ©e par un essai de lixiviation en bĂąchĂ©e ou par un essai de percolation dans des conditions approchant l'Ă©quilibre local.
(**) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le carbone organique total sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S =10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 500 mg/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN / TS 14429).
(* * *) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure.
Naast de hierbovenvermelde grenswaarden voor uitloging voldoen de afvalstoffen aan de volgende criteria :
Outre les valeurs limites en matiÚre de lixiviation fixées ci-dessus, les déchets satisfont aux critÚres supplémentaires suivants :
| Grenswaarden voor het totaalgehalte van organische parameters | |
| Parameters | Eenheid : mg/kg ms |
| TOC | 30 000 (*) |
| BTEX | 6 |
| Benzeen | 0,5 |
| Tolueen | 6 |
| Ethylbenzeen | 5 |
| Xyleen | 6 |
| Styreen | 1,5 |
| PCB | 1 |
| Koolwaterstoffen (C10 tot C40) | 500 |
| PAK'S | |
| Benzo(a)antraceen | 35 |
| Benzo(a)pyreen | 8,5 |
| Benzo(ghi)peryleen | 35 |
| benzo(k)fluorantheen | 55 |
| benzo(k)fluorantheen | 55 |
| Chryseen | 400 |
| Fenantreen | 30 |
| Fluorantheen | 40 |
| Indeno(123cd)pyreen | 35 |
| Naftaleen | 20 |
| (*) In het geval van grond mag de bevoegde instantie een hogere grenswaarde toestaan, mits voor DOC een waarde van 500 mg/kg niet overschreden wordt bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van de grond zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8,0. | |
ParametersEenheid : mg/kg ms
TOC 30 000 (*)
BTEX6
Benzeen0,5
Tolueen6
Ethylbenzeen5
Xyleen6
Styreen1,5
PCB1
Koolwaterstoffen (C10 tot C40)500
PAK'S
Benzo(a)antraceen35
Benzo(a)pyreen8,5
Benzo(ghi)peryleen35
benzo(k)fluorantheen55
benzo(k)fluorantheen55
Chryseen400
Fenantreen30
Fluorantheen40
Indeno(123cd)pyreen35
Naftaleen20
(*) In het geval van grond mag de bevoegde instantie een hogere grenswaarde toestaan, mits voor DOC een waarde van 500 mg/kg niet overschreden wordt bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van de grond zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8,0.
| Valeurs limites pour le contenu total de paramĂštres organiques | |
| ParamÚtres | Unité : mg/kg ms |
| COT | 30 000 (*) |
| BTEX | 6 |
| BenzĂšne | 0,5 |
| ToluĂšne | 6 |
| EthylbenzĂšne | 5 |
| XylĂšnes | 6 |
| StyrĂšne | 1,5 |
| PCB | 1 |
| Hydrocarbures (C10 Ă C40) | 500 |
| HAP | |
| Benzo(a)anthracĂšne | 35 |
| Benzo(a)pyrĂšne | 8,5 |
| Benzo(ghi)pérylÚne | 35 |
| Benzo(b)fluoranthĂšne | 55 |
| Benzo(k)fluoranthĂšne | 55 |
| ChrysĂšne | 400 |
| PhénanthrÚne | 30 |
| FluoranthĂšne | 40 |
| Indéno(123cd)pyrÚne | 35 |
| NaphtalĂšne | 20 |
| (*) Pour les sols, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 500 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du sol, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0. | |
ParamÚtresUnité : mg/kg ms
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een technisch ingravingscentrum en tot vaststelling van de criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra.
COT 30 000 (*)
BTEX6
BenzĂšne0,5
ToluĂšne6
EthylbenzĂšne5
XylĂšnes6
StyrĂšne1,5
PCB1
Hydrocarbures (C10 Ă C40)500
HAP
Benzo(a)anthracĂšne35
Benzo(a)pyrĂšne8,5
Benzo(ghi)pérylÚne35
Benzo(b)fluoranthĂšne55
Benzo(k)fluoranthĂšne55
ChrysĂšne400
PhénanthrÚne30
FluoranthĂšne40
Indéno(123cd)pyrÚne35
NaphtalĂšne20
(*) Pour les sols, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 500 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du sol, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0.
BTEX6
BenzĂšne0,5
ToluĂšne6
EthylbenzĂšne5
XylĂšnes6
StyrĂšne1,5
PCB1
Hydrocarbures (C10 Ă C40)500
HAP
Benzo(a)anthracĂšne35
Benzo(a)pyrĂšne8,5
Benzo(ghi)pérylÚne35
Benzo(b)fluoranthĂšne55
Benzo(k)fluoranthĂšne55
ChrysĂšne400
PhénanthrÚne30
FluoranthĂšne40
Indéno(123cd)pyrÚne35
NaphtalĂšne20
(*) Pour les sols, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 500 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du sol, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N5. Bijlage V. - " Bijlage 2. - Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die niet voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden - klasse 2.1.a en 5.2.1.a ".
De afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving van klasse 2.1.a of 5.2.1 a worden aanvaard, stemmen overeen met ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen aangeduid met de letters " NB " of met de letter " C " in kolom 6 van de tabel in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus voor zover zij niet als gevaarlijke afvalstoffen worden opgenomen in diezelfde catalogus, behalve wat betreft de afvalstoffen bedoeld in bijlage 3 punt A (asbest) bij dit besluit.
In bepaalde omstandigheden kan een grenswaarde die driemaal hoger is, worden aanvaard voor de parameter " TDS " (totaal opgeloste vaste stoffen) als :
- de bevoegde overheid al naargelang het geval een milieuvergunning verleent voor de gestabiliseerde fractie afkomstig van de zuivering van rook van de verbrandingsovens van huisafval gestort in het betrokken centrum voor technische ingraving, rekening houdend met de kenmerken van het genoemde centrum voor technische ingraving en zijn omgeving, en
- de emissies (inclusief percolaat) van het centrum voor technische ingraving, rekening houdend met de in dit deel voor die specifieke parameters genoemde grenswaarden, op basis van een risicoanalyse geen extra risico voor het milieu opleveren
A. Korrelvormige afvalstoffen
De volgende grenswaarden voor uitloging worden voor totale afgifte berekend bij een verhouding vloeistof/vaste stof (L/S) van 10 l/kg.
Korrelvormige afval omvat alle afvalstoffen die niet monolithisch zijn. De uitlogingstest op korrelvormige afval gebeurt volgens de Europese norm EN-12457-2 of 4.
De afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving van klasse 2.1.a of 5.2.1 a worden aanvaard, stemmen overeen met ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen aangeduid met de letters " NB " of met de letter " C " in kolom 6 van de tabel in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus voor zover zij niet als gevaarlijke afvalstoffen worden opgenomen in diezelfde catalogus, behalve wat betreft de afvalstoffen bedoeld in bijlage 3 punt A (asbest) bij dit besluit.
In bepaalde omstandigheden kan een grenswaarde die driemaal hoger is, worden aanvaard voor de parameter " TDS " (totaal opgeloste vaste stoffen) als :
- de bevoegde overheid al naargelang het geval een milieuvergunning verleent voor de gestabiliseerde fractie afkomstig van de zuivering van rook van de verbrandingsovens van huisafval gestort in het betrokken centrum voor technische ingraving, rekening houdend met de kenmerken van het genoemde centrum voor technische ingraving en zijn omgeving, en
- de emissies (inclusief percolaat) van het centrum voor technische ingraving, rekening houdend met de in dit deel voor die specifieke parameters genoemde grenswaarden, op basis van een risicoanalyse geen extra risico voor het milieu opleveren
A. Korrelvormige afvalstoffen
De volgende grenswaarden voor uitloging worden voor totale afgifte berekend bij een verhouding vloeistof/vaste stof (L/S) van 10 l/kg.
Korrelvormige afval omvat alle afvalstoffen die niet monolithisch zijn. De uitlogingstest op korrelvormige afval gebeurt volgens de Europese norm EN-12457-2 of 4.
Art. N5. Annexe V. - " Annexe 2. - CritĂšres d'admission des dĂ©chets en CET pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux, qui ne remplissent pas les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs - classes 2.1.a et 5.2.1.a "
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 2.1.a ou 5.2.1.a correspondent aux dĂ©chets non biodĂ©gradables non dangereux repĂ©rĂ©s par les lettres " NB " ou par la lettre " C " dans la 6e colonne du tableau figurant Ă l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets, pour autant qu'ils ne soient pas identifiĂ©s comme dĂ©chets dangereux dans le mĂȘme catalogue, sauf en ce qui concerne les dĂ©chets visĂ©s Ă l'annexe 3bis point A (amiante) du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Dans certaines circonstances, une valeur limite jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise pour le paramĂštre " fraction soluble ", si :
- l'autorité compétente délivre, au cas par cas, un permis d'environnement pour la fraction stabilisée provenant de l'épuration des fumées des incinérateurs des ordures ménagÚres admis dans le CET concerné, compte tenu des caractéristiques dudit CET et de ses environs, et
- les émissions (y compris les lixiviats) du CET, en tenant compte des limites fixées pour les paramÚtres spécifiques correspondants visés au présent point, ne présentent aucun risque supplémentaire pour l'environnement, selon ce qui ressort d'une évaluation des risques
A. Les déchets granulaires
Les valeurs limites de lixiviation suivantes sont calculées, en termes de relargage, sur la base d'un ratio liquide-solide (L/S) de 10 l/kg.
Les déchets granulaires comprennent tous les déchets non monolithiques. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets granulaires se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4.
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 2.1.a ou 5.2.1.a correspondent aux dĂ©chets non biodĂ©gradables non dangereux repĂ©rĂ©s par les lettres " NB " ou par la lettre " C " dans la 6e colonne du tableau figurant Ă l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets, pour autant qu'ils ne soient pas identifiĂ©s comme dĂ©chets dangereux dans le mĂȘme catalogue, sauf en ce qui concerne les dĂ©chets visĂ©s Ă l'annexe 3bis point A (amiante) du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Dans certaines circonstances, une valeur limite jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise pour le paramĂštre " fraction soluble ", si :
- l'autorité compétente délivre, au cas par cas, un permis d'environnement pour la fraction stabilisée provenant de l'épuration des fumées des incinérateurs des ordures ménagÚres admis dans le CET concerné, compte tenu des caractéristiques dudit CET et de ses environs, et
- les émissions (y compris les lixiviats) du CET, en tenant compte des limites fixées pour les paramÚtres spécifiques correspondants visés au présent point, ne présentent aucun risque supplémentaire pour l'environnement, selon ce qui ressort d'une évaluation des risques
A. Les déchets granulaires
Les valeurs limites de lixiviation suivantes sont calculées, en termes de relargage, sur la base d'un ratio liquide-solide (L/S) de 10 l/kg.
Les déchets granulaires comprennent tous les déchets non monolithiques. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets granulaires se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4.
| Grenswaarden voor uitloging | |
| Parameters | Uitloogvoorwaarde : L/S = 10 l/kg |
| Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (dimensieloos) | |
| PH | 4-13 |
| As | 4 |
| Ba | 200 |
| Cd | 2 |
| Cr totaal | 20 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,4 |
| Mo | 30 |
| Ni | 20 |
| Pb | 30 |
| Sb | 2,1 |
| Se | 1,5 |
| Zn | 100 |
| Chloriden | 15 000 |
| Fluoriden | 150 |
| Sulfaat | 30 000 |
| Fenolen | 1000 |
| TDS | 60 000 (*) |
| (*) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt | |
Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (dimensieloos)
PH4-13
As4
Ba200
Cd2
Cr totaal20
Cu50
Hg0,4
Mo30
Ni20
Pb30
Sb2,1
Se1,5
Zn100
Chloriden15 000
Fluoriden150
Sulfaat30 000
Fenolen1000
TDS 60 000 (*)
(*) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt
| Valeurs limites en matiĂšre de lixiviation | |
| ParamĂštres | Condition de lixiviation : L/S = 10 l/kg |
| Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel) | |
| PH | 4-13 |
| As | 4 |
| Ba | 200 |
| Cd | 2 |
| Cr total | 20 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,4 |
| Mo | 30 |
| Ni | 20 |
| Pb | 30 |
| Sb | 2,1 |
| Se | 1,5 |
| Zn | 100 |
| Chlorures | 15 000 |
| Fluorures | 150 |
| Sulfates | 30 000 |
| Phénols | 1 000 |
| FS (Fraction soluble) | 60 000 (*) |
| (*) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure. | |
Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel)
PH4-13
As4
Ba200
Cd2
Cr total20
Cu50
Hg0,4
Mo30
Ni20
Pb30
Sb2,1
Se1,5
Zn100
Chlorures15 000
Fluorures150
Sulfates30 000
Phénols1 000
FS (Fraction soluble) 60 000 (*)
(*) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure.
Behalve aan de bovenvermelde grenswaarden voor uitloging dienen de afvalstoffen aan de volgende aanvullende criteria te voldoen :
Outre les valeurs limites en matiÚre de lixiviation fixées ci-dessus, les déchets satisfont aux critÚres supplémentaires suivants :
| Grenswaarden voor het totaalgehalte van organische parameters | |
| Parameters | Eenheid : mg/kg ms |
| TOC | 6 % (*) |
| Styreen | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Minerale olie (C10 t/m C40) | 50 000 |
| (*) uitgezonderd de koolstof vervat in polymeren - voor de toepassing van deze bepalingen wordt met vaste polymeren bedoeld de kunststoffen in vaste vorm zoals folies, granulaten, voorwerpen, vaste brokken | |
ParametersEenheid : mg/kg ms
TOC 6 % (*)
Styreen2,5
PCB50
Minerale olie (C10 t/m C40)50 000
(*) uitgezonderd de koolstof vervat in polymeren - voor de toepassing van deze bepalingen wordt met vaste polymeren bedoeld de kunststoffen in vaste vorm zoals folies, granulaten, voorwerpen, vaste brokken
| Valeurs limites pour le contenu total de paramĂštres organiques | |
| ParamÚtres | Unité : mg/kg ms |
| COT | 6 % (*) |
| StyrĂšne | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Hydrocarbures (C10 Ă C40) | 50 000 |
| (*) à l'exclusion du carbone contenu dans les polymÚres - pour l'application de la présente disposition, on entend par polymÚres, les matiÚres plastiques solides telles que feuilles, granulats, objets, morceaux solide. | |
ParamÚtresUnité : mg/kg ms
B. Monolithische afvalstoffen
Afval wordt als monolithisch beschouwd indien :
- het nemen van bodemmonsters in deze afval mogelijk is op basis van het protocol omschreven in de punten 4.2 tot 4.4 van de Franse norm XP-X31-212 (versie juli 1995);
- op basis van de mechanische proeven zoals omschreven in de punten 5.1. (drukproef op monster die klaar is om beproefd te worden), 5.2 (trekproef op monster die klaar is om beproefd te worden) 5.4. (drukproef op monster na storten) en 5.5. (trekproef op monster na storten) van dezelfde Franse norm XP-X31-212, het monster aan de volgende druk- (Rc) en trekgrenzen (Rt) voldoet :
o vóór het storten Rc > 1 MPa en Rt > 0,1 MPa;
o na het storten R'c > 1 MPa en R't > 0,1 MPa.
De monsters van monolithisch afval worden dan tot brokstukken van minder dan 10 mm herleid vóór ze aan een uitlogingstest volgens de norm EN-12457-4 worden onderworpen. De korrelvormige fractie van de monsters van minder dan 4 mm (fijne fractie) wordt eerst verwijderd met het zeven van droog materiaal.
De volgende grenswaarden zijn van toepassing op de ongevaarlijke monolithische afvalstoffen De waarden worden berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.
Afval wordt als monolithisch beschouwd indien :
- het nemen van bodemmonsters in deze afval mogelijk is op basis van het protocol omschreven in de punten 4.2 tot 4.4 van de Franse norm XP-X31-212 (versie juli 1995);
- op basis van de mechanische proeven zoals omschreven in de punten 5.1. (drukproef op monster die klaar is om beproefd te worden), 5.2 (trekproef op monster die klaar is om beproefd te worden) 5.4. (drukproef op monster na storten) en 5.5. (trekproef op monster na storten) van dezelfde Franse norm XP-X31-212, het monster aan de volgende druk- (Rc) en trekgrenzen (Rt) voldoet :
o vóór het storten Rc > 1 MPa en Rt > 0,1 MPa;
o na het storten R'c > 1 MPa en R't > 0,1 MPa.
De monsters van monolithisch afval worden dan tot brokstukken van minder dan 10 mm herleid vóór ze aan een uitlogingstest volgens de norm EN-12457-4 worden onderworpen. De korrelvormige fractie van de monsters van minder dan 4 mm (fijne fractie) wordt eerst verwijderd met het zeven van droog materiaal.
De volgende grenswaarden zijn van toepassing op de ongevaarlijke monolithische afvalstoffen De waarden worden berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.
COT 6 % (*)
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
(*) à l'exclusion du carbone contenu dans les polymÚres - pour l'application de la présente disposition, on entend par polymÚres, les matiÚres plastiques solides telles que feuilles, granulats, objets, morceaux solide.
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
(*) à l'exclusion du carbone contenu dans les polymÚres - pour l'application de la présente disposition, on entend par polymÚres, les matiÚres plastiques solides telles que feuilles, granulats, objets, morceaux solide.
| Grenswaarden voor uitloging | |
| Parameters | Uitloogvoorwaarde : L/S = 10 l/kg |
| Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (dimensieloos) | |
| pH | 4-13 |
| As | 4 |
| Ba | 200 |
| Cd | 2 |
| Cr totaal | 20 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,4 |
| Mo | 30 |
| Ni | 20 |
| Pb | 30 |
| Sb | 2,1 |
| Se | 1,5 |
| Zn | 100 |
| Chloriden | 15 000 |
| Fluoriden | 150 |
| Sulfaat | 30 000 |
| Fenolen | 1000 |
| TDS | 60 000 (*) |
| (*) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt | |
Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (dimensieloos)
pH4-13
As4
Ba200
Cd2
Cr totaal20
Cu50
Hg0,4
Mo30
Ni20
Pb30
Sb2,1
Se1,5
Zn100
Chloriden15 000
Fluoriden150
Sulfaat30 000
Fenolen1000
TDS 60 000 (*)
(*) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt
B. Les déchets monolithiques
Un déchet est considéré comme monolithique si :
- un échantillonnage par carottage est possible dans ce déchet sur base du protocole décrit aux points 4.2 à 4.4 dans la norme française XP-X31-212 (version de juillet 1995);
- sur base des essais mĂ©caniques tels que dĂ©crits aux points 5.1 (essai de compression sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.2 (essai de traction sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.4 (essai de compression sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) et 5.5 (essai de traction sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) de la mĂȘme norme française XP-X31-212, l'Ă©chantillon respecte les seuils de compression (Rc) et de traction (Rt) suivants :
o avant immersion Rc > 1 MPa et Rt > 0,1 MPa;
o aprĂšs immersion R'c > 1 MPa et R't > 0,1 MPa.
Les Ă©chantillons de dĂ©chets monolithiques sont alors rĂ©duits en fragments de taille infĂ©rieure Ă 10 mm avant d'ĂȘtre soumis Ă un test de lixiviation selon la norme EN-12457-4. La fraction granulomĂ©trique des Ă©chantillons infĂ©rieure Ă 4 mm (fraction fine) est prĂ©alablement Ă©liminĂ©e par tamisage Ă sec.
Les valeurs limites suivantes s'appliquent aux déchets non dangereux monolithiques. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Un déchet est considéré comme monolithique si :
- un échantillonnage par carottage est possible dans ce déchet sur base du protocole décrit aux points 4.2 à 4.4 dans la norme française XP-X31-212 (version de juillet 1995);
- sur base des essais mĂ©caniques tels que dĂ©crits aux points 5.1 (essai de compression sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.2 (essai de traction sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.4 (essai de compression sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) et 5.5 (essai de traction sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) de la mĂȘme norme française XP-X31-212, l'Ă©chantillon respecte les seuils de compression (Rc) et de traction (Rt) suivants :
o avant immersion Rc > 1 MPa et Rt > 0,1 MPa;
o aprĂšs immersion R'c > 1 MPa et R't > 0,1 MPa.
Les Ă©chantillons de dĂ©chets monolithiques sont alors rĂ©duits en fragments de taille infĂ©rieure Ă 10 mm avant d'ĂȘtre soumis Ă un test de lixiviation selon la norme EN-12457-4. La fraction granulomĂ©trique des Ă©chantillons infĂ©rieure Ă 4 mm (fraction fine) est prĂ©alablement Ă©liminĂ©e par tamisage Ă sec.
Les valeurs limites suivantes s'appliquent aux déchets non dangereux monolithiques. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Behalve aan de bovenvermelde grenswaarden voor uitloging dienen de monolithische afvalstoffen aan de volgende aanvullende criteria te voldoen :
| Valeurs limites en matiĂšre de lixiviation | |
| ParamĂštres | Condition de lixiviation : L/S = 10 l/kg |
| Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel) | |
| pH | 4-13 |
| As | 4 |
| Ba | 200 |
| Cd | 2 |
| Cr total | 20 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,4 |
| Mo | 30 |
| Ni | 20 |
| Pb | 30 |
| Sb | 2,1 |
| Se | 1,5 |
| Zn | 100 |
| Chlorures | 15 000 |
| Fluorures | 150 |
| Sulfates | 30 000 |
| Phénols | 1 000 |
| FS (Fraction soluble) | 60 000 (*) |
| (*) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure. | |
Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel)
pH4-13
As4
Ba200
Cd2
Cr total20
Cu50
Hg0,4
Mo30
Ni20
Pb30
Sb2,1
Se1,5
Zn100
Chlorures15 000
Fluorures150
Sulfates30 000
Phénols1 000
FS (Fraction soluble) 60 000 (*)
(*) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure.
| Grenswaarden | |
| Parameters | Eenheid : mg/kg ms |
| TOC | 6 % (*) |
| Styreen | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Minerale olie (C10 t/m C40) | 50 000 |
| Als deze waarde wordt overschreden kan door de bevoegde overheid een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits de grenswaarde van 800 mg/kg voor een DOC op de eigen pH-waarde van het materiaal of een pH tussen 7,5 en 8,0 wordt nageleefd. | |
Grenswaarden
ParametersEenheid : mg/kg ms
TOC 6 % (*)
Styreen2,5
PCB50
Minerale olie (C10 t/m C40)50 000
Als deze waarde wordt overschreden kan door de bevoegde overheid een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits de grenswaarde van 800 mg/kg voor een DOC op de eigen pH-waarde van het materiaal of een pH tussen 7,5 en 8,0 wordt nageleefd.
Outre les valeurs limites en matiÚre de lixiviation fixées ci-dessus, les déchets monolithiques satisfont aux critÚres supplémentaires suivants :
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
| Valeurs limites | |
| ParamÚtres | Unité : mg/kg ms |
| COT | 6 % (*) |
| StyrĂšne | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Hydrocarbures (C10 Ă C40) | 50 000 |
| (*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0. | |
ParamÚtresUnité : mg/kg ms
-
COT 6 % (*)
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
(*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0.
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
(*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0.
-
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N6. Bijlage VI. - " Bijlage 3. - Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving voor ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen, al dan niet verenigbaar, die voldoen aan de criteria inzake ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving met gevaarlijke stabiele en niet reactieve afvalstoffen kunnen gestort worden - klasse 2.1.b en 5.2.1.b "
De afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving van klasse 2.1.b of 5.2.1 b worden aanvaard, stemmen overeen met ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen en gevaarlijke, maar stabiele en niet reactieve, niet biologisch afbreekbare afvalstoffen aangeduid met de letters " NB " of met de letter " C " in kolom 6 van de tabel in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus.
In bepaalde gevallen zijn maximaal driemaal zo hoge grenswaarden voor in dit deel vermelde specifieke parameters (behalve opgeloste organische koolstof (" Dissolved Organic Carbon " of " DOC ") totaal organische koolstof (" Total Organic Carbon " of " TOC ") en pH) aanvaardbaar, indien :
- de bevoegde overheid naargelang het geval een milieuvergunning afgeeft voor bepaalde specifieke afvalstoffen die worden gestort in het betrokken centrum voor technische ingraving, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van het centrum voor technische ingraving, en
- de emissies (inclusief percolaat) van het centrum voor technische ingraving, rekening houdend met de in dit deel voor die specifieke parameters genoemde grenswaarden, op basis van een risicoanalyse geen extra risico voor het milieu opleveren.
A. Korrelvormige afvalstoffen
De volgende grenswaarden zijn van toepassing op korrelvormige ongevaarlijke afvalstoffen, alsook op stabiele, niet-reactieve gevaarlijke korrelvormige afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving worden aanvaard. De waarden worden berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.
Korrelvormige afval omvat alle afvalstoffen die niet monolithisch zijn. De uitlogingstest op korrelvormige afval gebeurt volgens de Europese norm EN-12457-2 of 4.
De afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving van klasse 2.1.b of 5.2.1 b worden aanvaard, stemmen overeen met ongevaarlijke niet biologisch afbreekbare afvalstoffen en gevaarlijke, maar stabiele en niet reactieve, niet biologisch afbreekbare afvalstoffen aangeduid met de letters " NB " of met de letter " C " in kolom 6 van de tabel in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus.
In bepaalde gevallen zijn maximaal driemaal zo hoge grenswaarden voor in dit deel vermelde specifieke parameters (behalve opgeloste organische koolstof (" Dissolved Organic Carbon " of " DOC ") totaal organische koolstof (" Total Organic Carbon " of " TOC ") en pH) aanvaardbaar, indien :
- de bevoegde overheid naargelang het geval een milieuvergunning afgeeft voor bepaalde specifieke afvalstoffen die worden gestort in het betrokken centrum voor technische ingraving, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van het centrum voor technische ingraving, en
- de emissies (inclusief percolaat) van het centrum voor technische ingraving, rekening houdend met de in dit deel voor die specifieke parameters genoemde grenswaarden, op basis van een risicoanalyse geen extra risico voor het milieu opleveren.
A. Korrelvormige afvalstoffen
De volgende grenswaarden zijn van toepassing op korrelvormige ongevaarlijke afvalstoffen, alsook op stabiele, niet-reactieve gevaarlijke korrelvormige afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving worden aanvaard. De waarden worden berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.
Korrelvormige afval omvat alle afvalstoffen die niet monolithisch zijn. De uitlogingstest op korrelvormige afval gebeurt volgens de Europese norm EN-12457-2 of 4.
Art. N6. Annexe VI. - " Annexe 3. - CritĂšres d'admission des dĂ©chets en CET pour dĂ©chets non biodĂ©gradables, compatibles ou non, non dangereux, qui remplissent les critĂšres concernant les dĂ©chets non biodĂ©gradables, non dangereux qui peuvent ĂȘtre mis en CET avec des dĂ©chets dangereux stables et non rĂ©actifs - classes 2.1.b et 5.2.1.b "
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 2.1.b ou 5.2.1.b correspondent aux dĂ©chets non biodĂ©gradables non dangereux et aux dĂ©chets non biodĂ©gradables dangereux mais stables et non rĂ©actifs repĂ©rĂ©s par les lettres " NB " ou par la lettre " C " dans la 6e colonne du tableau figurant Ă l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets.
Dans certaines circonstances, des valeurs limites jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©es peuvent ĂȘtre admises pour les paramĂštres spĂ©cifiques visĂ©s au prĂ©sent point, autres que le carbone organique total sur Ă©luat, le carbone organique total (COT) et le pH, si :
- l'autorité compétente délivre, au cas par cas, un permis d'environnement pour certains déchets spécifiques admis dans le CET concerné, compte tenu des caractéristiques du CET et de ses environs, et
- les émissions (y compris les lixiviats) du CET, en tenant compte des limites fixées pour les paramÚtres spécifiques correspondants visés au présent point, ne présentent aucun risque supplémentaire pour l'environnement, selon ce qui ressort d'une évaluation des risques.
A. Les déchets granulaires
Les valeurs limites suivantes s'appliquent aux déchets non dangereux granulaires ainsi qu'aux déchets dangereux granulaires stables et non réactifs, admis dans le CET pour déchets non dangereux. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Les déchets granulaires comprennent tous les déchets non monolithiques. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets granulaires se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4.
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 2.1.b ou 5.2.1.b correspondent aux dĂ©chets non biodĂ©gradables non dangereux et aux dĂ©chets non biodĂ©gradables dangereux mais stables et non rĂ©actifs repĂ©rĂ©s par les lettres " NB " ou par la lettre " C " dans la 6e colonne du tableau figurant Ă l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets.
Dans certaines circonstances, des valeurs limites jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©es peuvent ĂȘtre admises pour les paramĂštres spĂ©cifiques visĂ©s au prĂ©sent point, autres que le carbone organique total sur Ă©luat, le carbone organique total (COT) et le pH, si :
- l'autorité compétente délivre, au cas par cas, un permis d'environnement pour certains déchets spécifiques admis dans le CET concerné, compte tenu des caractéristiques du CET et de ses environs, et
- les émissions (y compris les lixiviats) du CET, en tenant compte des limites fixées pour les paramÚtres spécifiques correspondants visés au présent point, ne présentent aucun risque supplémentaire pour l'environnement, selon ce qui ressort d'une évaluation des risques.
A. Les déchets granulaires
Les valeurs limites suivantes s'appliquent aux déchets non dangereux granulaires ainsi qu'aux déchets dangereux granulaires stables et non réactifs, admis dans le CET pour déchets non dangereux. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Les déchets granulaires comprennent tous les déchets non monolithiques. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets granulaires se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4.
| Grenswaarden voor uitloging | |
| Parameters | Uitloogvoorwaarde : L/S = 10 l/kg |
| Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (dimensieloos) | |
| pH | 6 min |
| As | 2 |
| Ba | 100 |
| Cd | 1 |
| Cr totaal | 10 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,2 |
| Mo | 10 |
| Ni | 10 |
| Pb | 10 |
| Sb | 0,7 |
| Se | 0,5 |
| Zn | 50 |
| Chloriden | 15 000 |
| Fluoriden | 150 |
| Sulfaat | 20 000 |
| Fenolen | 1000 |
| DOC | 800 (*) |
| TDS | 60 000 (**) |
| (*) Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 mg/kg. (volgens de methode op basis van de technische specificiteiten CEN /TS 14429). | |
| (**) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt. | |
Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (dimensieloos)
pH6 min
As2
Ba100
Cd1
Cr totaal10
Cu50
Hg0,2
Mo10
Ni10
Pb10
Sb0,7
Se0,5
Zn50
Chloriden15 000
Fluoriden150
Sulfaat20 000
Fenolen1000
DOC 800 (*)
TDS 60 000 (**)
(*) Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 mg/kg. (volgens de methode op basis van de technische specificiteiten CEN /TS 14429).
(**) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.
| Valeurs limites en matiĂšre de lixiviation | |
| ParamĂštres | Condition de lixiviation : L/S = 10 l/kg |
| Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel) | |
| pH | 6 min |
| As | 2 |
| Ba | 100 |
| Cd | 1 |
| Cr total | 10 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,2 |
| Mo | 10 |
| Ni | 10 |
| Pb | 10 |
| Sb | 0,7 |
| Se | 0,5 |
| Zn | 50 |
| Chlorures | 15 000 |
| Fluorures | 150 |
| Sulfates | 20 000 |
| Phénols | 1 000 |
| COT sur éluat | 800 (*) |
| FS (Fraction soluble) | 60 000 (**) |
| (*) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le carbone organique total sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S =10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 800 mg/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN /TS 14429). | |
| (**) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure. | |
Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel)
pH6 min
As2
Ba100
Cd1
Cr total10
Cu50
Hg0,2
Mo10
Ni10
Pb10
Sb0,7
Se0,5
Zn50
Chlorures15 000
Fluorures150
Sulfates20 000
Phénols1 000
COT sur éluat 800 (*)
FS (Fraction soluble) 60 000 (**)
(*) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le carbone organique total sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S =10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 800 mg/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN /TS 14429).
(**) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure.
Behalve aan de bovenvermelde grenswaarden voor uitloging dienen de korrelvormige afvalstoffen aan de volgende aanvullende criteria te voldoen :
Outre les valeurs limites en matiÚre de lixiviation fixées ci-dessus, les déchets granulaires satisfont aux critÚres supplémentaires suivants :
| Grenswaarden voor het totaalgehalte van organische parameters | |
| Parameters | Eenheid : mg/kg ms |
| TOC | 5 % (*) |
| Styreen | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Minerale olie (C10 t/m C40) | 50 000 |
| ZBV (zuurbindend vermogen) | te bepalen door de bevoegde overheid |
| Als deze waarde wordt overschreden kan door de bevoegde overheid een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits de grenswaarde van 800 mg/kg voor een DOC op de eigen pH-waarde van het materiaal of een pH tussen 7,5 en 8,0 wordt nageleefd | |
ParametersEenheid : mg/kg ms
TOC 5 % (*)
Styreen2,5
PCB50
Minerale olie (C10 t/m C40)50 000
ZBV (zuurbindend vermogen)te bepalen door de bevoegde overheid
Als deze waarde wordt overschreden kan door de bevoegde overheid een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits de grenswaarde van 800 mg/kg voor een DOC op de eigen pH-waarde van het materiaal of een pH tussen 7,5 en 8,0 wordt nageleefd
| Valeurs limites pour le contenu total de paramĂštres organiques | |
| ParamÚtres | Unité : mg/kg ms |
| COT | 5 % (*) |
| StyrĂšne | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Hydrocarbures (C10 Ă C40) | 50 000 |
| CNA (capacité de neutralisation acide) | à fixer par l'autorité compétente |
| (*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0. | |
ParamÚtresUnité : mg/kg ms
De afvalstoffen moeten een voldoende fysieke stabiliteit en draagvermogen hebben; in de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning kunnen ter zake nadere criteria worden vastgesteld.
B. Monolithische afvalstoffen
Afval wordt als monolithische beschouwd indien :
- het nemen van bodemmonsters in deze afval mogelijk is op basis van het protocol omschreven in de punten 4.2 tot 4.4 van de Franse norm XP-X31-212 (versie juli 1995);
- op basis van de mechanische proeven zoals omschreven in de punten 5.1. (drukproef op monster die klaar is om beproefd te worden), 5.2 (trekproef op monster die klaar is om beproefd te worden) 5.4. (drukproef op monster na storten) en 5.5. (trekproef op monster na storten) van dezelfde Franse norm XP-X31-212, het monster aan de volgende druk- (Rc) en trekgrenzen (Rt) voldoet :
o vóór het storten Rc > 1 MPa en Rt > 0,1 MPa;
o na het storten R'c > 1 MPa en R't > 0,1 MPa.
De monsters van monolithisch afval worden dan tot brokstukken van minder dan 10 mm herleid vóór ze aan een uitlogingstest volgens de norm EN-12457-4 worden onderworpen. De korrelvormige fractie van de monsters van minder dan 4 mm (fijne fractie) wordt eerst verwijderd met het zeven van droog materiaal.
De volgende grenswaarden zijn van toepassing op monolithische ongevaarlijke afvalstoffen, alsook op stabiele, niet-reactieve gevaarlijke monolithische afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving worden aanvaard. De waarden worden berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.
B. Monolithische afvalstoffen
Afval wordt als monolithische beschouwd indien :
- het nemen van bodemmonsters in deze afval mogelijk is op basis van het protocol omschreven in de punten 4.2 tot 4.4 van de Franse norm XP-X31-212 (versie juli 1995);
- op basis van de mechanische proeven zoals omschreven in de punten 5.1. (drukproef op monster die klaar is om beproefd te worden), 5.2 (trekproef op monster die klaar is om beproefd te worden) 5.4. (drukproef op monster na storten) en 5.5. (trekproef op monster na storten) van dezelfde Franse norm XP-X31-212, het monster aan de volgende druk- (Rc) en trekgrenzen (Rt) voldoet :
o vóór het storten Rc > 1 MPa en Rt > 0,1 MPa;
o na het storten R'c > 1 MPa en R't > 0,1 MPa.
De monsters van monolithisch afval worden dan tot brokstukken van minder dan 10 mm herleid vóór ze aan een uitlogingstest volgens de norm EN-12457-4 worden onderworpen. De korrelvormige fractie van de monsters van minder dan 4 mm (fijne fractie) wordt eerst verwijderd met het zeven van droog materiaal.
De volgende grenswaarden zijn van toepassing op monolithische ongevaarlijke afvalstoffen, alsook op stabiele, niet-reactieve gevaarlijke monolithische afvalstoffen die in een centrum voor technische ingraving worden aanvaard. De waarden worden berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte.
COT 5 % (*)
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
CNA (capacité de neutralisation acide)à fixer par l'autorité compétente
(*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0.
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
CNA (capacité de neutralisation acide)à fixer par l'autorité compétente
(*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0.
| Grenswaarden voor uitloging | |
| Parameters | Uitloogvoorwaarde : L/S = 10 l/kg |
| Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (dimensieloos) | |
| PH | 6 min |
| As | 2 |
| Ba | 100 |
| Cd | 1 |
| Cr totaal | 10 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,2 |
| Mo | 10 |
| Ni | 10 |
| Pb | 10 |
| Sb | 0,7 |
| Se | 0,5 |
| Zn | 50 |
| Chloriden | 15 000 |
| Fluoriden | 150 |
| Sulfaat | 20 000 |
| Fenolen | 1000 |
| DOC | 800 (*) |
| TDS | 60 000 (**) |
| (*) Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 g/kg. (volgens de methode op basis van de technische specificiteiten CEN /TS 14429). | |
| (*) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt | |
Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (dimensieloos)
PH6 min
As2
Ba100
Cd1
Cr totaal10
Cu50
Hg0,2
Mo10
Ni10
Pb10
Sb0,7
Se0,5
Zn50
Chloriden15 000
Fluoriden150
Sulfaat20 000
Fenolen1000
DOC 800 (*)
TDS 60 000 (**)
(*) Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 g/kg. (volgens de methode op basis van de technische specificiteiten CEN /TS 14429).
(*) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt
La stabilitĂ© physique et la capacitĂ© portante des dĂ©chets doivent ĂȘtre suffisantes; les conditions particuliĂšres du permis d'environnement peuvent prĂ©voir des critĂšres supplĂ©mentaires en la matiĂšre.
B. Les déchets monolithiques
Un déchet est considéré comme monolithique si :
- un échantillonnage par carottage est possible dans ce déchet sur base du protocole décrit aux points 4.2 à 4.4 dans la norme française XP-X31-212 (version de juillet 1995);
- sur base des essais mĂ©caniques tels que dĂ©crits aux points 5.1 (essai de compression sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.2 (essai de traction sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.4 (essai de compression sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) et 5.5 (essai de traction sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) de la mĂȘme norme française XP-X31-212, l'Ă©chantillon respecte les seuils de compression (Rc) et de traction (Rt) suivants :
o avant immersion Rc > 1 MPa et Rt > 0,1 MPa;
o aprĂšs immersion R'c > 1 MPa et R't > 0,1 MPa.
Les Ă©chantillons de dĂ©chets monolithiques sont alors rĂ©duits en fragments de taille infĂ©rieure Ă 10 mm avant d'ĂȘtre soumis Ă un test de lixiviation selon la norme EN-12457-4. La fraction granulomĂ©trique des Ă©chantillons infĂ©rieure Ă 4 mm (fraction fine) est prĂ©alablement Ă©liminĂ©e par tamisage Ă sec.
Les valeurs limites suivantes s'appliquent aux déchets non dangereux monolithiques ainsi qu'aux déchets dangereux monolithiques stables et non réactifs, admis dans le CET pour déchets non dangereux. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
B. Les déchets monolithiques
Un déchet est considéré comme monolithique si :
- un échantillonnage par carottage est possible dans ce déchet sur base du protocole décrit aux points 4.2 à 4.4 dans la norme française XP-X31-212 (version de juillet 1995);
- sur base des essais mĂ©caniques tels que dĂ©crits aux points 5.1 (essai de compression sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.2 (essai de traction sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.4 (essai de compression sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) et 5.5 (essai de traction sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) de la mĂȘme norme française XP-X31-212, l'Ă©chantillon respecte les seuils de compression (Rc) et de traction (Rt) suivants :
o avant immersion Rc > 1 MPa et Rt > 0,1 MPa;
o aprĂšs immersion R'c > 1 MPa et R't > 0,1 MPa.
Les Ă©chantillons de dĂ©chets monolithiques sont alors rĂ©duits en fragments de taille infĂ©rieure Ă 10 mm avant d'ĂȘtre soumis Ă un test de lixiviation selon la norme EN-12457-4. La fraction granulomĂ©trique des Ă©chantillons infĂ©rieure Ă 4 mm (fraction fine) est prĂ©alablement Ă©liminĂ©e par tamisage Ă sec.
Les valeurs limites suivantes s'appliquent aux déchets non dangereux monolithiques ainsi qu'aux déchets dangereux monolithiques stables et non réactifs, admis dans le CET pour déchets non dangereux. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Behalve aan de bovenvermelde grenswaarden voor uitloging dienen de monolithische afvalstoffen aan de volgende aanvullende criteria te voldoen :
| Valeurs limites en matiĂšre de lixiviation | |
| ParamĂštres | Condition de lixiviation : L/S = 10 l/kg |
| Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel) | |
| pH | 6 min |
| As | 2 |
| Ba | 100 |
| Cd | 1 |
| Cr total | 10 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,2 |
| Mo | 10 |
| Ni | 10 |
| Pb | 10 |
| Sb | 0,7 |
| Se | 0,5 |
| Zn | 50 |
| Chlorures | 15 000 |
| Fluorures | 150 |
| Sulfates | 20 000 |
| Phénols | 1 000 |
| COT sur éluat | 800 (*) |
| FS (Fraction soluble) | 60 000 (**) |
| (*) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le carbone organique total sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S =10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 800 g/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN /TS 14429). | |
| (**) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure | |
Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel)
pH6 min
As2
Ba100
Cd1
Cr total10
Cu50
Hg0,2
Mo10
Ni10
Pb10
Sb0,7
Se0,5
Zn50
Chlorures15 000
Fluorures150
Sulfates20 000
Phénols1 000
COT sur éluat 800 (*)
FS (Fraction soluble) 60 000 (**)
(*) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le carbone organique total sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S =10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 800 g/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN /TS 14429).
(**) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure
| Grenswaarden | |
| Parameters | Eenheid : mg/kg ms |
| TOC | 5 % (*) |
| Styreen | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Minerale olie (C10 t/m C40) | 50 000 |
| ZBV (zuurbindend vermogen) | te bepalen door de bevoegde overheid |
| Als deze waarde wordt overschreden kan door de bevoegde overheid een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits de grenswaarde van 800 mg/kg voor een DOC op de eigen pH-waarde van het materiaal of een pH tussen 7,5 en 8,0 wordt nageleefd. | |
Grenswaarden
ParametersEenheid : mg/kg ms
TOC 5 % (*)
Styreen2,5
PCB50
Minerale olie (C10 t/m C40)50 000
ZBV (zuurbindend vermogen)te bepalen door de bevoegde overheid
Als deze waarde wordt overschreden kan door de bevoegde overheid een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits de grenswaarde van 800 mg/kg voor een DOC op de eigen pH-waarde van het materiaal of een pH tussen 7,5 en 8,0 wordt nageleefd.
Outre les valeurs limites en matiÚre de lixiviation fixées ci-dessus, les déchets monolithiques satisfont aux critÚres supplémentaires suivants :
De exploitant waakt er over dat gevaarlijke monolithische afvalstoffen stabiel en niet-reactief zijn voordat ze in de centra voor technische ingraving voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden aanvaard. De bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning kunnen nadere criteria bepalen om de stabiliteit en niet reactiviteit van de gevaarlijke stabiele en niet-reactieve monolithische afvalstoffen die in de centra voor technische ingraving worden aanvaard, te waarborgen.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
| Valeurs limites | |
| ParamÚtres | Unité : mg/kg ms |
| COT | 5 % (*) |
| StyrĂšne | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Hydrocarbures (C10 Ă C40) | 50 000 |
| CNA (capacité de neutralisation acide) | à fixer par l'autorité compétente |
| (*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0. | |
ParamÚtresUnité : mg/kg ms
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
COT 5 % (*)
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
CNA (capacité de neutralisation acide)à fixer par l'autorité compétente
(*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0.
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
CNA (capacité de neutralisation acide)à fixer par l'autorité compétente
(*) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente, Ă condition que la valeur limite de 800 mg/kg soit respectĂ©e pour le COT sur Ă©luat Ă la propre valeur de pH du matĂ©riau ou pour un pH compris entre 7,5 et 8,0.
-
L'exploitant veille à ce que les déchets monolithiques dangereux soient stables et non réactifs avant leur admission dans les CET pour déchets non dangereux. Les conditions particuliÚres du permis d'environnement peuvent définir des critÚres supplémentaires pour garantir la stabilité et la non-réactivité des déchets monolithiques dangereux stables et non réactifs admis dans les CET pour déchets non dangereux.
-
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N7. Bijlage VII. - " Bijlage 3bis. - Bijzondere voorwaarden betreffende sommige afvalstoffen "
A. Absesthoudende afvalstoffen
Bouwafval dat asbest bevat, asbestafval en ander geschikt asbestafval mogen zonder tests in technische ingravingscentra van klasse 2.1.a. of 2.1.b., 5.2.1.a of 5.2.1.b. aanvaard worden.
Die afvalstoffen alsmede de technische ingravingscentra of de cellen van technische ingravingscentra die ze ontvangen, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
* worden enkel aanvaard, de afvalstoffen die gebonden asbest bevatten en die geen ander soort gevaar hebben dan het gevaar gebonden aan de aanwezigheid van asbest,
* om verspreiding van vezels te voorkomen, wordt het stortgebied dagelijks en voorafgaand aan elke verdichtingsbewerking met daartoe geëigend materiaal afgedekt en wordt het, als het afval niet is verpakt, regelmatig besprenkeld;
* uiteindelijk wordt het technisch ingravingscentrum/cel geheel afgedekt om verspreiding van vezels te voorkomen;
* de cellen die asbesthoudende afvalstoffen ontvangen, worden voldoende afgezonderd,
* op het technisch ingravingscentrum/cel worden geen werkzaamheden uitgevoerd die het vrijkomen van vezels tot gevolg kunnen hebben (bv. het boren van gaten of de verplettering van de verwijderde afvalstoffen),
* na sluiting van het technisch ingravingscentrum/cel wordt een plan, waarop de ingravingsplaatsen van de asbesthoudende afvalstoffen aangegeven worden, door de bevoegde overheid aan de exploitant overgemaakt,
* er worden passende maatregelen genomen om de mogelijkheden tot gebruik van de bodem na sluiting van het technisch ingravingscentrum te beperken teneinde te voorkomen dat mensen in contact met het afval komen,
* een eigen en gedetailleerde boekhouding ligt ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar. De bijzondere voorwaarden kunnen de modaliteiten van die boekhouding in de milieuvergunning van het technisch ingravingscentrum bepalen.
B. Gipsafval
Afvalstoffen op gipsbasis mogen alleen in technische ingravingscentra van klasse 2.1.a. of 2.1.b. 5.2.1.a of 5.2.1.b worden verwijderd. De grenswaarden voor TOC van 5 % en DOC van 800 mg/kg, gelden voor afvalstoffen die samen met dergelijke afvalstoffen in technische ingravingscentra wordt gestort.
A. Absesthoudende afvalstoffen
Bouwafval dat asbest bevat, asbestafval en ander geschikt asbestafval mogen zonder tests in technische ingravingscentra van klasse 2.1.a. of 2.1.b., 5.2.1.a of 5.2.1.b. aanvaard worden.
Die afvalstoffen alsmede de technische ingravingscentra of de cellen van technische ingravingscentra die ze ontvangen, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
* worden enkel aanvaard, de afvalstoffen die gebonden asbest bevatten en die geen ander soort gevaar hebben dan het gevaar gebonden aan de aanwezigheid van asbest,
* om verspreiding van vezels te voorkomen, wordt het stortgebied dagelijks en voorafgaand aan elke verdichtingsbewerking met daartoe geëigend materiaal afgedekt en wordt het, als het afval niet is verpakt, regelmatig besprenkeld;
* uiteindelijk wordt het technisch ingravingscentrum/cel geheel afgedekt om verspreiding van vezels te voorkomen;
* de cellen die asbesthoudende afvalstoffen ontvangen, worden voldoende afgezonderd,
* op het technisch ingravingscentrum/cel worden geen werkzaamheden uitgevoerd die het vrijkomen van vezels tot gevolg kunnen hebben (bv. het boren van gaten of de verplettering van de verwijderde afvalstoffen),
* na sluiting van het technisch ingravingscentrum/cel wordt een plan, waarop de ingravingsplaatsen van de asbesthoudende afvalstoffen aangegeven worden, door de bevoegde overheid aan de exploitant overgemaakt,
* er worden passende maatregelen genomen om de mogelijkheden tot gebruik van de bodem na sluiting van het technisch ingravingscentrum te beperken teneinde te voorkomen dat mensen in contact met het afval komen,
* een eigen en gedetailleerde boekhouding ligt ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar. De bijzondere voorwaarden kunnen de modaliteiten van die boekhouding in de milieuvergunning van het technisch ingravingscentrum bepalen.
B. Gipsafval
Afvalstoffen op gipsbasis mogen alleen in technische ingravingscentra van klasse 2.1.a. of 2.1.b. 5.2.1.a of 5.2.1.b worden verwijderd. De grenswaarden voor TOC van 5 % en DOC van 800 mg/kg, gelden voor afvalstoffen die samen met dergelijke afvalstoffen in technische ingravingscentra wordt gestort.
Art. N7. Annexe VII. - " Annexe 3bis. - Conditions particuliÚres relatives à certains déchets "
A. Déchets contenant de l'amiante
Les dĂ©chets de construction contenant de l'amiante, les dĂ©chets d'amiante et les dĂ©chets d'amiante appropriĂ©s peuvent ĂȘtre admis sans essai dans les CET de classe 2.1.a. ou 2.1.b., 5.2.1.a ou 5.2.1.b.
Ces déchets ainsi que les CET ou cellules de CET qui les reçoivent satisfont aux exigences suivantes :
* seuls sont admis les déchets contenant de l'amiante liée qui ne présentent d'autre caractÚre de danger que celui lié à la présence d'amiante,
* afin d'éviter la dispersion des fibres, la zone de stockage est recouverte chaque jour et avant chaque opération de compactage par des matériaux appropriés et, si les déchets ne sont pas emballés, elle est réguliÚrement arrosée,
* le CET ou la cellule est recouverte d'une couche finale afin d'éviter la dispersion des fibres,
* les cellules accueillant les déchets contenant de l'amiante sont suffisamment confinées,
* le CET ou la cellule ne fait l'objet d'aucune opération susceptible d'entraßner une libération des fibres (par exemple par le perçage des trous ou l'écrasement des déchets éliminés),
* aprÚs la fermeture du CET ou de la cellule, un plan indiquant les lieux d'enfouissement des déchets contenant de l'amiante est transmis par l'exploitant à l'autorité compétente,
* des mesures appropriées sont prises aprÚs la fermeture du CET pour limiter les éventuelles utilisations du sol, afin d'éviter tout contact humain avec les déchets,
* une comptabilité propre et détaillée des déchets visés ci-dessus est tenue à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance. Les conditions particuliÚres peuvent préciser les modalités de cette comptabilité dans le permis d'environnement du CET.
B. Les déchets de plùtre (gypse)
Les déchets à base de plùtre (gypse) sont uniquement éliminés dans des CET de classe 2.1.a. ou 2.1.b. 5.2.1.a ou 5.2.1.b. Les valeurs limites pour le COT de 5 % et pour le COT sur éluat de 800 mg/kg s'appliquent aux déchets mis en CET avec de tels déchets.
A. Déchets contenant de l'amiante
Les dĂ©chets de construction contenant de l'amiante, les dĂ©chets d'amiante et les dĂ©chets d'amiante appropriĂ©s peuvent ĂȘtre admis sans essai dans les CET de classe 2.1.a. ou 2.1.b., 5.2.1.a ou 5.2.1.b.
Ces déchets ainsi que les CET ou cellules de CET qui les reçoivent satisfont aux exigences suivantes :
* seuls sont admis les déchets contenant de l'amiante liée qui ne présentent d'autre caractÚre de danger que celui lié à la présence d'amiante,
* afin d'éviter la dispersion des fibres, la zone de stockage est recouverte chaque jour et avant chaque opération de compactage par des matériaux appropriés et, si les déchets ne sont pas emballés, elle est réguliÚrement arrosée,
* le CET ou la cellule est recouverte d'une couche finale afin d'éviter la dispersion des fibres,
* les cellules accueillant les déchets contenant de l'amiante sont suffisamment confinées,
* le CET ou la cellule ne fait l'objet d'aucune opération susceptible d'entraßner une libération des fibres (par exemple par le perçage des trous ou l'écrasement des déchets éliminés),
* aprÚs la fermeture du CET ou de la cellule, un plan indiquant les lieux d'enfouissement des déchets contenant de l'amiante est transmis par l'exploitant à l'autorité compétente,
* des mesures appropriées sont prises aprÚs la fermeture du CET pour limiter les éventuelles utilisations du sol, afin d'éviter tout contact humain avec les déchets,
* une comptabilité propre et détaillée des déchets visés ci-dessus est tenue à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance. Les conditions particuliÚres peuvent préciser les modalités de cette comptabilité dans le permis d'environnement du CET.
B. Les déchets de plùtre (gypse)
Les déchets à base de plùtre (gypse) sont uniquement éliminés dans des CET de classe 2.1.a. ou 2.1.b. 5.2.1.a ou 5.2.1.b. Les valeurs limites pour le COT de 5 % et pour le COT sur éluat de 800 mg/kg s'appliquent aux déchets mis en CET avec de tels déchets.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N8. Bijlage VIII. - " Bijlage 4. - Criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra voor ongevaarlijke, bioafbreekbare organische afvalstoffen en niet-bioafbreekbare organische en verenigbare afvalstoffen - klasse 2.2. en 5.2.2. "
De afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum van klasse 2.2 of 5.2.2. aanvaard worden, stemmen overeen met de ongevaarlijke en bioafbreekbare organische afvalstoffen en met de ongevaarlijke en niet-bioafbreekbare verenigbare afvalstoffen die met letter " B " of letter " C " aangeduid worden in de 6de kolom van tabel vermeld in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus.
De volgende grenswaarden voor uitloging worden berekend bij een verhouding vloeistof/vaste stof (L/S) van 10 l/kg voor totale afgifte. De uitlogingtest die op de afvalstoffen toegepast moet worden, wordt verricht volgens Europese norm EN-12457-2 of 4°
De afvalstoffen die in een technisch ingravingscentrum van klasse 2.2 of 5.2.2. aanvaard worden, stemmen overeen met de ongevaarlijke en bioafbreekbare organische afvalstoffen en met de ongevaarlijke en niet-bioafbreekbare verenigbare afvalstoffen die met letter " B " of letter " C " aangeduid worden in de 6de kolom van tabel vermeld in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus.
De volgende grenswaarden voor uitloging worden berekend bij een verhouding vloeistof/vaste stof (L/S) van 10 l/kg voor totale afgifte. De uitlogingtest die op de afvalstoffen toegepast moet worden, wordt verricht volgens Europese norm EN-12457-2 of 4°
Art. N8. Annexe VIII. - " Annexe 4. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets non dangereux, organiques biodégradables et déchets non biodégradables compatibles - classes 2.2 et 5.2.2 "
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 2.2 ou 5.2.2 correspondent aux dĂ©chets non dangereux organiques biodĂ©gradables et aux dĂ©chets non biodĂ©gradables non dangereux compatibles repĂ©rĂ©s par la lettre " B " ou par la lettre " C " dans la 6e colonne du tableau figurant Ă l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets.
Les valeurs limites de lixiviation suivantes sont calculées, en termes de relargage, sur la base d'un ratio liquide-solide (L/S) de 10 l/kg. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4 .
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 2.2 ou 5.2.2 correspondent aux dĂ©chets non dangereux organiques biodĂ©gradables et aux dĂ©chets non biodĂ©gradables non dangereux compatibles repĂ©rĂ©s par la lettre " B " ou par la lettre " C " dans la 6e colonne du tableau figurant Ă l'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets.
Les valeurs limites de lixiviation suivantes sont calculées, en termes de relargage, sur la base d'un ratio liquide-solide (L/S) de 10 l/kg. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4 .
| Grenswaarden voor uitloging | |
| Parameters | Uitlogingsvoorwaarden : L/S = 10 l/kg |
| Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (niet-dimensionaal) | |
| pH | 4-13 |
| As | 4 |
| Ba | 200 |
| Cd | 2 |
| Cr totaal | 20 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,4 |
| Mo | 30 |
| Ni | 20 |
| Pb | 30 |
| Sb | 2,1 |
| Se | 1,5 |
| Zn | 100 |
| Chloriden | 15 000 |
| Fluoriden | 150 |
| Sulfaten | 30 000 |
| Fenolen | 1000 |
| TDS | 60 000 (*) |
| (*) De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen ("Total Dissolved Solids" of TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt. | |
Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (niet-dimensionaal)
pH4-13
As4
Ba200
Cd2
Cr totaal 20
Cu50
Hg0,4
Mo30
Ni20
Pb30
Sb2,1
Se1,5
Zn100
Chloriden15 000
Fluoriden150
Sulfaten30 000
Fenolen1000
TDS 60 000 (*)
(*) De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen ("Total Dissolved Solids" of TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.
| Valeurs limites en matiĂšre de lixiviation | |
| ParamĂštres | Condition de lixiviation : L/S = 10 l/kg |
| Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel) | |
| pH | 4-13 |
| As | 4 |
| Ba | 200 |
| Cd | 2 |
| Cr total | 20 |
| Cu | 50 |
| Hg | 0,4 |
| Mo | 30 |
| Ni | 20 |
| Pb | 30 |
| Sb | 2,1 |
| Se | 1,5 |
| Zn | 100 |
| Chlorures | 15 000 |
| Fluorures | 150 |
| Sulfates | 30 000 |
| Phénols | 1 000 |
| FS (Fraction soluble) | 60 000 (*) |
| (*) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure. | |
Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel)
pH4-13
As4
Ba200
Cd2
Cr total20
Cu50
Hg0,4
Mo30
Ni20
Pb30
Sb2,1
Se1,5
Zn100
Chlorures15 000
Fluorures150
Sulfates30 000
Phénols1 000
FS (Fraction soluble) 60 000 (*)
(*) Les valeurs correspondant Ă la fraction soluble (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure.
Naast de hierbovenvermelde grenswaarden voor uitloging voldoen de afvalstoffen aan de volgende criteria :
Outre les valeurs limites en matiÚre de lixiviation fixées ci-dessus, les déchets satisfont aux critÚres supplémentaires suivants :
| Grenswaarden voor het totaalgehalte van organische parameters | |
| Parameters | Eenheid : mg/kg ms |
| Styreen | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Koolwaterstoffen (C10 tot C40) | 50 000 |
Grenswaarden voor het totaalgehalte van organische parameters
ParametersEenheid : mg/kg ms
Styreen2,5
PCB50
Koolwaterstoffen (C10 tot C40)50 000
| Valeurs limites pour le contenu total de paramĂštres organiques | |
| ParamÚtres | Unité : mg/kg ms |
| StyrĂšne | 2,5 |
| PCB | 50 |
| Hydrocarbures (C10 Ă C40) | 50 000 |
ParamÚtresUnité : mg/kg ms
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving en tot vaststelling van de criteria voor de aanvaarding van de afvalstoffen in technische ingravingscentra.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
StyrĂšne2,5
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
-
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N9. Bijlage IX. - " Bijlage 5. - Criteria voor de aanvaarding van afvaltstoffen in de centra voor technische ingraving, gevaarlijke afvalstoffen - klasse 1 en 5.1 "
De afvalstoffen die aanvaard worden in een centrum voor technische ingraving van klasse 1 of 5.1 stemmen overeen met de gevaarlijke afvalstoffen aangeduid met een kruisje in de derde kolom van de tabel opgenomen in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus.
In sommige omstandigheden kunnen tot driemaal hogere grenswaarden toegelaten worden voor de specifieke parameters bedoeld onder dit punt, andere dan totale organische koolstof op eluaat en het afbrandverlies en/of COT, als :
- de bevoegde overheid geval per geval een milieuvergunning verstrekt voor sommige specifieke afvalstoffen die in het betrokken technisch ingravingscentrum aanvaard worden, rekening houdend met de kenmerken van bedoeld centrum en diens omgeving, en
- als de emissies (met inbegrip van de percolaten) van het technisch ingravingscentrum, rekening houdend met de limieten vastgesteld voor de overeenstemmende specifieke parameters, bedoeld onder dit punr, geen enkel bijkomend risico vertonen voor het milieu, wat blijkt uit een risico-evaluatie.
A. Korrelvormige afvalstoffen
De percolatiegrenswaarden, hieronder vastgesteld, zijn van toepassing op de koorelvormige gevaarlijke afvalstoffen die aanvaard kunnen worden in de technische ingravingscentra voor gevaarlijke afvalstoffen. De uitzoutwaarden worden berekend voor L/S = 10 l/kg.
De korrelvormige afvalstoffen omvatten alle niet-monolithische afvalstoffen. De percolaattest die toegepast dient te worden op de korrelvormige afvalstoffen wordt uitgevoerd volgens Europese,orm EN-12457-2 of 4.
De afvalstoffen die aanvaard worden in een centrum voor technische ingraving van klasse 1 of 5.1 stemmen overeen met de gevaarlijke afvalstoffen aangeduid met een kruisje in de derde kolom van de tabel opgenomen in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus.
In sommige omstandigheden kunnen tot driemaal hogere grenswaarden toegelaten worden voor de specifieke parameters bedoeld onder dit punt, andere dan totale organische koolstof op eluaat en het afbrandverlies en/of COT, als :
- de bevoegde overheid geval per geval een milieuvergunning verstrekt voor sommige specifieke afvalstoffen die in het betrokken technisch ingravingscentrum aanvaard worden, rekening houdend met de kenmerken van bedoeld centrum en diens omgeving, en
- als de emissies (met inbegrip van de percolaten) van het technisch ingravingscentrum, rekening houdend met de limieten vastgesteld voor de overeenstemmende specifieke parameters, bedoeld onder dit punr, geen enkel bijkomend risico vertonen voor het milieu, wat blijkt uit een risico-evaluatie.
A. Korrelvormige afvalstoffen
De percolatiegrenswaarden, hieronder vastgesteld, zijn van toepassing op de koorelvormige gevaarlijke afvalstoffen die aanvaard kunnen worden in de technische ingravingscentra voor gevaarlijke afvalstoffen. De uitzoutwaarden worden berekend voor L/S = 10 l/kg.
De korrelvormige afvalstoffen omvatten alle niet-monolithische afvalstoffen. De percolaattest die toegepast dient te worden op de korrelvormige afvalstoffen wordt uitgevoerd volgens Europese,orm EN-12457-2 of 4.
Art. N9. Annexe IX. - " Annexe 5. - CritÚres d'admission des déchets en CET pour déchets dangereux - classes 1 et 5.1 "
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 1 ou 5.1 correspondent aux dĂ©chets dangereux visĂ©s par une croix dans la 3Ăšme colonne du tableau figurant Ă l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets.
Dans certaines circonstances, des valeurs limites jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©es peuvent ĂȘtre admises pour les paramĂštres spĂ©cifiques visĂ©s au prĂ©sent point, autres que le carbone organique total sur Ă©luat et la perte au feu et/ou COT, si :
- l'autorité compétente délivre, au cas par cas, un permis d'environnement pour certains déchets spécifiques admis dans le CET concerné, compte tenu des caractéristiques dudit CET et de ses environs, et
- les émissions (y compris les lixiviats) du CET, en tenant compte des limites fixées pour les paramÚtres spécifiques correspondants visés au présent point, ne présentent aucun risque supplémentaire pour l'environnement, selon ce qui ressort d'une évaluation des risques.
A. Les déchets granulaires
Les valeurs limites de lixiviation fixées ci-dessous s'appliquent aux déchets dangereux granulaires admissibles dans les CET pour déchets dangereux. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Les déchets granulaires comprennent tous les déchets non monolithiques. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets granulaires se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4.
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 1 ou 5.1 correspondent aux dĂ©chets dangereux visĂ©s par une croix dans la 3Ăšme colonne du tableau figurant Ă l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 Ă©tablissant un catalogue des dĂ©chets.
Dans certaines circonstances, des valeurs limites jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©es peuvent ĂȘtre admises pour les paramĂštres spĂ©cifiques visĂ©s au prĂ©sent point, autres que le carbone organique total sur Ă©luat et la perte au feu et/ou COT, si :
- l'autorité compétente délivre, au cas par cas, un permis d'environnement pour certains déchets spécifiques admis dans le CET concerné, compte tenu des caractéristiques dudit CET et de ses environs, et
- les émissions (y compris les lixiviats) du CET, en tenant compte des limites fixées pour les paramÚtres spécifiques correspondants visés au présent point, ne présentent aucun risque supplémentaire pour l'environnement, selon ce qui ressort d'une évaluation des risques.
A. Les déchets granulaires
Les valeurs limites de lixiviation fixées ci-dessous s'appliquent aux déchets dangereux granulaires admissibles dans les CET pour déchets dangereux. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Les déchets granulaires comprennent tous les déchets non monolithiques. Le test de lixiviation à appliquer sur les déchets granulaires se fait selon la norme européenne EN-12457-2 ou 4.
| Grenswaarden inzake percolaten | |
| Parameters | Percolatievoorwaarde : L/S = 10 l/kg |
| Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (adimensioneel) | |
| PH | 6 min |
| As | 25 |
| Ba | 300 |
| Cd | 5 |
| Cr total | 70 |
| Cu | 100 |
| Hg | 2 |
| Mo | 30 |
| Ni | 40 |
| Pb | 50 |
| Sb | 5 |
| Se | 7 |
| Zn | 200 |
| Chloriden | 25 000 |
| Fluoriden | 500 |
| Sulfaten | 50 000 |
| Fenolen | 1 000 |
| COT op eluaat | 1 000 (*) |
| FS (Oplosbaar deel) | 100 000 (**) |
| (*) Als de afvalstof niet voldoet aan de waarden aangegeven door COT na eluaat op eigen pH-waarde, kan hij ook getest worden met een verhouding L/S = 10 l/kg en een pH vervat tussen 7,5 en 8. De afvalstof kan ook beoordeeld worden als voldoend aan de aanvaardingscriteria voor COT na eluaat als het resultaat van die berekening 1000 mg/kg niet overschrijdt (volgens methode gegrond op technische specificiteiten CEN/TS 14429). | |
| (**) De waarden die overeenstemmen met FS kunnen gebruikt worden ipv de waarden vastgesteld voor sulfaten en chloriden. | |
Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (adimensioneel)
PH6 min
As25
Ba300
Cd5
Cr total70
Cu100
Hg2
Mo30
Ni40
Pb50
Sb5
Se7
Zn200
Chloriden25 000
Fluoriden500
Sulfaten50 000
Fenolen1 000
COT op eluaat 1 000 (*)
FS (Oplosbaar deel) 100 000 (**)
(*) Als de afvalstof niet voldoet aan de waarden aangegeven door COT na eluaat op eigen pH-waarde, kan hij ook getest worden met een verhouding L/S = 10 l/kg en een pH vervat tussen 7,5 en 8. De afvalstof kan ook beoordeeld worden als voldoend aan de aanvaardingscriteria voor COT na eluaat als het resultaat van die berekening 1000 mg/kg niet overschrijdt (volgens methode gegrond op technische specificiteiten CEN/TS 14429).
(**) De waarden die overeenstemmen met FS kunnen gebruikt worden ipv de waarden vastgesteld voor sulfaten en chloriden.
| Valeurs limites en matiĂšre de lixiviation | |
| ParamĂštres | Condition de lixiviation : L/S = 10 l/kg |
| Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel) | |
| PH | 6 min |
| As | 25 |
| Ba | 300 |
| Cd | 5 |
| Cr total | 70 |
| Cu | 100 |
| Hg | 2 |
| Mo | 30 |
| Ni | 40 |
| Pb | 50 |
| Sb | 5 |
| Se | 7 |
| Zn | 200 |
| Chlorures | 25 000 |
| Fluorures | 500 |
| Sulfates | 50 000 |
| Phénols | 1 000 |
| COT sur éluat | 1 000 (*) |
| FS (Fraction soluble) | 100 000 (**) |
| (*) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le COT sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S = 10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 1 000 mg/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN /TS 14429). | |
| (**) Les valeurs correspondant Ă la (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure. | |
Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel)
PH6 min
As25
Ba300
Cd5
Cr total70
Cu100
Hg2
Mo30
Ni40
Pb50
Sb5
Se7
Zn200
Chlorures25 000
Fluorures500
Sulfates50 000
Phénols1 000
COT sur éluat 1 000 (*)
FS (Fraction soluble) 100 000 (**)
(*) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le COT sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S = 10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 1 000 mg/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN /TS 14429).
(**) Les valeurs correspondant Ă la (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure.
Naast de grenswaarden voor percolatie, zoals hierboven vastgesteld, voldoen de korrelvormige afvalstoffen aan volgende bijkomende criteria :
Outre les valeurs limites en matiÚre de lixiviation fixées ci-dessus, les déchets granulaires satisfont aux critÚres supplémentaires suivants :
| Grenswaarden voor de totale inhoud van organische parameters | |
| Parameters | Eenheid : mg/kg ms |
| COT | 6 % (*) (**) |
| Styreen | 3 |
| PCBs | 50 |
| Oliehoudende stoffen C10 tot C40 | 50 000 |
| Afbrandverlies | 10 % (*) |
| zuurbindend vermogen | wordt vastgesteld door bevoegde overheid |
| (*) Ofwel afbrandverlies ofwel COT gebruiken. | |
| (**) Als die waarde overschreden wordt, kan een hogere grenswaarde door de bevoegde overheid aanvaard worden als de grenswaarde van 1000 mg/kg voor totale organische koolwaterstof op eluaat nageleefd wordt voor L/S = 10 l/kg, namelijk de de pH van de afvalstof, namelijk voor een pH schommelend tussen 7,5 en 8,0. | |
Grenswaarden voor de totale inhoud van organische parameters
ParametersEenheid : mg/kg ms
COT 6 % (*) (**)
Styreen3
PCBs50
Oliehoudende stoffen C10 tot C4050 000
Afbrandverlies10 % (*)
zuurbindend vermogenwordt vastgesteld door bevoegde overheid
(*) Ofwel afbrandverlies ofwel COT gebruiken.
(**) Als die waarde overschreden wordt, kan een hogere grenswaarde door de bevoegde overheid aanvaard worden als de grenswaarde van 1000 mg/kg voor totale organische koolwaterstof op eluaat nageleefd wordt voor L/S = 10 l/kg, namelijk de de pH van de afvalstof, namelijk voor een pH schommelend tussen 7,5 en 8,0.
| Valeurs limites pour le contenu total de paramĂštres organiques | |
| ParamÚtres | Unité : mg/kg ms |
| COT | 6 % (*) (**) |
| StyrĂšne | 3 |
| PCB | 50 |
| Hydrocarbures (C10 Ă C40) | 50 000 |
| Perte au feu | 10 % (*) |
| CNA (capacité de neutralisation acide) | à fixer par l'autorité compétente |
| (*) Il convient d'utiliser soit la perte au feu, soit le COT | |
| (**) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente Ă condition que la valeur limite de 1 000 mg/kg pour le carbone organique total sur Ă©luat soit respectĂ©e pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du dĂ©chet, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0. | |
ParamÚtresUnité : mg/kg ms
B. De monolithische afvalstoffen
Een afvalstof wordt als monolithisch beschouwd als :
- als het nemen van een bodemmonster mogelijk is in die afvalstof op grond van het protocol omschreven in de punten 4.2 tot en met 4.4 in de Franse norm XP-X31-212 (versie juli 1995);
- op grond van mechanische proeven zoals omschreven in de punten 5.1. (compressietest op een staal als dusdanig), 5.2 (trektest op staal als dusdanig), 5.4 (compressietest op staal na onderdompeling) en 5.5 (trektest op staal na onderdompeling) van dezelfde Franse norm XP-X31-212, voldoet het monster aan de Rc-compressie- en Rt-trekdrempels hierna omschreven :
o voor onderdompeling Rc > 1Mpa en Rt > 0,1 Mpa;
o na onderdompeling R'c > 1 MPa en R't > 0,1 MPa.
De stalen van monolithische afvalstoffen worden dan in stukjes gebroken kleiner dan 10 mm voor ze een percolatietest ondergaan volgens norm EN-12457-4. De zeeffractie van de stalen kleiner dan 4 mm (fijnste delen) wordt vooraf per droogzeving weggezeefd.
Volgende grenswaarden, hieronder vastgesteld, zijn van toepassing op de monolithische gevaarlijke afvalstoffen die aanvaard kunnen in de technische ingravingscentra voor gevaarlijke afvalstoffen. De uitzoutwaarden worden berekend voor L/S = 10 l/kg.
Een afvalstof wordt als monolithisch beschouwd als :
- als het nemen van een bodemmonster mogelijk is in die afvalstof op grond van het protocol omschreven in de punten 4.2 tot en met 4.4 in de Franse norm XP-X31-212 (versie juli 1995);
- op grond van mechanische proeven zoals omschreven in de punten 5.1. (compressietest op een staal als dusdanig), 5.2 (trektest op staal als dusdanig), 5.4 (compressietest op staal na onderdompeling) en 5.5 (trektest op staal na onderdompeling) van dezelfde Franse norm XP-X31-212, voldoet het monster aan de Rc-compressie- en Rt-trekdrempels hierna omschreven :
o voor onderdompeling Rc > 1Mpa en Rt > 0,1 Mpa;
o na onderdompeling R'c > 1 MPa en R't > 0,1 MPa.
De stalen van monolithische afvalstoffen worden dan in stukjes gebroken kleiner dan 10 mm voor ze een percolatietest ondergaan volgens norm EN-12457-4. De zeeffractie van de stalen kleiner dan 4 mm (fijnste delen) wordt vooraf per droogzeving weggezeefd.
Volgende grenswaarden, hieronder vastgesteld, zijn van toepassing op de monolithische gevaarlijke afvalstoffen die aanvaard kunnen in de technische ingravingscentra voor gevaarlijke afvalstoffen. De uitzoutwaarden worden berekend voor L/S = 10 l/kg.
COT 6 % (*) (**)
StyrĂšne3
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
Perte au feu10 % (*)
CNA (capacité de neutralisation acide)à fixer par l'autorité compétente
(*) Il convient d'utiliser soit la perte au feu, soit le COT
(**) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente Ă condition que la valeur limite de 1 000 mg/kg pour le carbone organique total sur Ă©luat soit respectĂ©e pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du dĂ©chet, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0.
StyrĂšne3
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
Perte au feu10 % (*)
CNA (capacité de neutralisation acide)à fixer par l'autorité compétente
(*) Il convient d'utiliser soit la perte au feu, soit le COT
(**) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente Ă condition que la valeur limite de 1 000 mg/kg pour le carbone organique total sur Ă©luat soit respectĂ©e pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du dĂ©chet, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0.
| Grenswaarden inzake percolaten | |
| Parameters | Percolatievoorwaarde : L/S = 10 l/kg |
| Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (adimensioneel) | |
| PH | 6 min |
| As | 25 |
| Ba | 300 |
| Cd | 5 |
| Cr total | 70 |
| Cu | 100 |
| Hg | 2 |
| Mo | 30 |
| Ni | 40 |
| Pb | 50 |
| Sb | 5 |
| Se | 7 |
| Zn | 200 |
| Chloriden | 25 000 |
| Fluoriden | 500 |
| Sulfaten | 50 000 |
| Fenolen | 1 000 |
| COT op eluaat | 1 000 (*) |
| FS (Oplosbaar deel) | 100 000 (**) |
| (*) Als de afvalstof niet voldoet aan de waarden aangegeven door COT na eluaat op eigen pH-waarde, kan hij ook getest worden met een verhouding L/S = 10 l/kg en een pH vervat tussen 7,5 en 8. De afvalstof kan ook beoordeeld worden als voldoend aan de aanvaardingscriteria voor COT na eluaat als het resultaat van die berekening 1000 mg/kg niet overschrijdt (volgens methode gegrond op technische specificiteiten CEN/TS 14429). | |
| (**) De waarden die overeenstemmen met FS kunnen gebruikt worden ipv de waarden vastgesteld voor sulfaten en chloriden. | |
Eenheid : mg/kg ms, behalve pH (adimensioneel)
PH6 min
As25
Ba300
Cd5
Cr total70
Cu100
Hg2
Mo30
Ni40
Pb50
Sb5
Se7
Zn200
Chloriden25 000
Fluoriden500
Sulfaten50 000
Fenolen1 000
COT op eluaat 1 000 (*)
FS (Oplosbaar deel) 100 000 (**)
(*) Als de afvalstof niet voldoet aan de waarden aangegeven door COT na eluaat op eigen pH-waarde, kan hij ook getest worden met een verhouding L/S = 10 l/kg en een pH vervat tussen 7,5 en 8. De afvalstof kan ook beoordeeld worden als voldoend aan de aanvaardingscriteria voor COT na eluaat als het resultaat van die berekening 1000 mg/kg niet overschrijdt (volgens methode gegrond op technische specificiteiten CEN/TS 14429).
(**) De waarden die overeenstemmen met FS kunnen gebruikt worden ipv de waarden vastgesteld voor sulfaten en chloriden.
B. Les déchets monolithiques
Un déchet est considéré comme monolithique si :
- un échantillonnage par carottage est possible dans ce déchet sur base du protocole décrit aux points 4.2 à 4.4 dans la norme française XP-X31-212 (version de juillet 1995);
- sur base des essais mĂ©caniques tels que dĂ©crits aux points 5.1 (essai de compression sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.2 (essai de traction sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.4 (essai de compression sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) et 5.5 (essai de traction sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) de la mĂȘme norme française XP-X31-212, l'Ă©chantillon respecte les seuils de compression (Rc) et de traction (Rt) suivants :
o avant immersion Rc > 1 MPa et Rt > 0,1 MPa;
o aprĂšs immersion R'c > 1 MPa et R't > 0,1 MPa.
Les Ă©chantillons de dĂ©chets monolithiques sont alors rĂ©duits en fragments de taille infĂ©rieure Ă 10 mm avant d'ĂȘtre soumis Ă un test de lixiviation selon la norme EN-12457-4. La fraction granulomĂ©trique des Ă©chantillons infĂ©rieure Ă 4 mm (fraction fine) est prĂ©alablement Ă©liminĂ©e par tamisage Ă sec.
Les valeurs limites suivantes s'appliquent aux déchets dangereux monolithiques admis dans les CET pour déchets dangereux. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Un déchet est considéré comme monolithique si :
- un échantillonnage par carottage est possible dans ce déchet sur base du protocole décrit aux points 4.2 à 4.4 dans la norme française XP-X31-212 (version de juillet 1995);
- sur base des essais mĂ©caniques tels que dĂ©crits aux points 5.1 (essai de compression sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.2 (essai de traction sur Ă©chantillon en Ă©tat), 5.4 (essai de compression sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) et 5.5 (essai de traction sur Ă©chantillon aprĂšs immersion) de la mĂȘme norme française XP-X31-212, l'Ă©chantillon respecte les seuils de compression (Rc) et de traction (Rt) suivants :
o avant immersion Rc > 1 MPa et Rt > 0,1 MPa;
o aprĂšs immersion R'c > 1 MPa et R't > 0,1 MPa.
Les Ă©chantillons de dĂ©chets monolithiques sont alors rĂ©duits en fragments de taille infĂ©rieure Ă 10 mm avant d'ĂȘtre soumis Ă un test de lixiviation selon la norme EN-12457-4. La fraction granulomĂ©trique des Ă©chantillons infĂ©rieure Ă 4 mm (fraction fine) est prĂ©alablement Ă©liminĂ©e par tamisage Ă sec.
Les valeurs limites suivantes s'appliquent aux déchets dangereux monolithiques admis dans les CET pour déchets dangereux. Les valeurs de relargage sont calculées pour L/S = 10 l/kg.
Naast de grenswaarden voor percolatie, zoals hierboven vastgesteld, voldoen de monolithische afvalstoffen aan volgende bijkomende criteria :
| Valeurs limites en matiĂšre de lixiviation | |
| ParamĂštres | Condition de lixiviation : L/S = 10 l/kg |
| Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel) | |
| pH | 6 min |
| As | 25 |
| Ba | 300 |
| Cd | 5 |
| Cr total | 70 |
| Cu | 100 |
| Hg | 2 |
| Mo | 30 |
| Ni | 40 |
| Pb | 50 |
| Sb | 5 |
| Se | 7 |
| Zn | 200 |
| Chlorures | 25 000 |
| Fluorures | 500 |
| Sulfates | 50 000 |
| Phénols | 1 000 |
| COT sur éluat | 1 000 (*) |
| FS (Fraction soluble) | 100 000 (**) |
| (*) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le COT sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S = 10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 1 000 mg/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN/TS 14429). | |
| (**) Les valeurs correspondant Ă la (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure. | |
Unité : mg/kg ms, sauf pH (adimensionnel)
pH6 min
As25
Ba300
Cd5
Cr total70
Cu100
Hg2
Mo30
Ni40
Pb50
Sb5
Se7
Zn200
Chlorures25 000
Fluorures500
Sulfates50 000
Phénols1 000
COT sur éluat 1 000 (*)
FS (Fraction soluble) 100 000 (**)
(*) Si le dĂ©chet ne satisfait pas aux valeurs indiquĂ©es pour le COT sur Ă©luat Ă sa propre valeur de pH, il peut aussi faire l'objet d'un essai avec un rapport L/S = 10 l/kg et un pH compris entre 7,5 et 8. Le dĂ©chet peut ĂȘtre jugĂ© conforme aux critĂšres d'admission pour le COT sur Ă©luat si le rĂ©sultat de cette dĂ©termination ne dĂ©passe pas 1 000 mg/kg (suivant la mĂ©thode fondĂ©e sur des spĂ©cificitĂ©s techniques CEN/TS 14429).
(**) Les valeurs correspondant Ă la (FS) peuvent ĂȘtre utilisĂ©es Ă la place des valeurs fixĂ©es pour le sulfate et le chlorure.
| Grenswaarden | |
| Parameters | Eenheid : mg/kg ms |
| COT | 6 % (*) (**) |
| Styreen | 3 |
| PCBS | 50 |
| Oliehoudende stoffen C10 tot C40 | 50 000 |
| Afbrandverlies | 10 % (*) |
| zuurbindend vermogen | wordt vastgesteld door bevoegde overheid |
| (*) Ofwel afbrandverlies ofwel COT gebruiken. | |
| (**) Als die waarde overschreden wordt, kan een hogere grenswaarde door de bevoegde overheid aanvaard worden als de grenswaarde van 1000 mg/kg voor totale organische koolwaterstof op eluaat nageleefd wordt voor L/S = 10 l/kg, namelijk de de pH van de afvalstof, namelijk voor een pH schommelend tussen 7,5 en 8,0. | |
Grenswaarden
ParametersEenheid : mg/kg ms
COT 6 % (*) (**)
Styreen3
PCBS50
Oliehoudende stoffen C10 tot C4050 000
Afbrandverlies10 % (*)
zuurbindend vermogenwordt vastgesteld door bevoegde overheid
(*) Ofwel afbrandverlies ofwel COT gebruiken.
(**) Als die waarde overschreden wordt, kan een hogere grenswaarde door de bevoegde overheid aanvaard worden als de grenswaarde van 1000 mg/kg voor totale organische koolwaterstof op eluaat nageleefd wordt voor L/S = 10 l/kg, namelijk de de pH van de afvalstof, namelijk voor een pH schommelend tussen 7,5 en 8,0.
Outre les valeurs limites en matiÚre de lixiviation fixées ci-dessus, les déchets monolithiques satisfont aux critÚres supplémentaires suivants :
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
| Valeurs limites | |
| ParamÚtres | Unité : mg/kg ms |
| COT | 6 % (*) (**) |
| StyrĂšne | 3 |
| PCB | 50 |
| Hydrocarbures (C10 Ă C40) | 50 000 |
| Perte au feu | 10% (*) |
| CNA (capacité de neutralisation acide) | à fixer par l'autorité compétente |
| (*) Il convient d'utiliser soit la perte au feu, soit le COT | |
| (**) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente Ă condition que la valeur limite de 1000 mg/kg pour le carbone organique total sur Ă©luat soit respectĂ©e pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du dĂ©chet, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0. | |
ParamÚtresUnité : mg/kg ms
-
COT 6 % (*) (**)
StyrĂšne3
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
Perte au feu10% (*)
CNA (capacité de neutralisation acide)à fixer par l'autorité compétente
(*) Il convient d'utiliser soit la perte au feu, soit le COT
(**) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente Ă condition que la valeur limite de 1000 mg/kg pour le carbone organique total sur Ă©luat soit respectĂ©e pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du dĂ©chet, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0.
StyrĂšne3
PCB50
Hydrocarbures (C10 Ă C40)50 000
Perte au feu10% (*)
CNA (capacité de neutralisation acide)à fixer par l'autorité compétente
(*) Il convient d'utiliser soit la perte au feu, soit le COT
(**) Si cette valeur est dĂ©passĂ©e, une valeur limite plus Ă©levĂ©e peut ĂȘtre admise par l'autoritĂ© compĂ©tente Ă condition que la valeur limite de 1000 mg/kg pour le carbone organique total sur Ă©luat soit respectĂ©e pour L/S = 10 l/kg, soit au pH du dĂ©chet, soit pour un pH situĂ© entre 7,5 et 8,0.
-
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N10. Bijlage X. - " Bijlage 6. - Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de centra voor technische ingraving van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden - Centrum voor technische ingraving van klasse 4A en 4B ".
De afvalstoffen aanvaard in een technisch ingravingscentrum van klasse 4A zijn stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden van catgeorie A zoals omschreven in artikel 4 van het bestuit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden.
De afvalstoffen aanvaard in een technisch ingravingscentrum van klasse 4B zijn stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden van catgeorie B zoals omschreven in artikel 4 van het bestuit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden.
De afvalstoffen aanvaard in een technisch ingravingscentrum van klasse 4A zijn stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden van catgeorie A zoals omschreven in artikel 4 van het bestuit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden.
De afvalstoffen aanvaard in een technisch ingravingscentrum van klasse 4B zijn stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden van catgeorie B zoals omschreven in artikel 4 van het bestuit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden.
Art. N10. Annexe X. - " Annexe 6. - CritÚres d'admission des déchets en CET de matiÚres enlevées du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage ou de curage - classes 4A et 4B. "
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 4A correspondent aux matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage et de curage appartenant Ă la catĂ©gorie A, telle que dĂ©finie Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 30 novembre 1995 relatif Ă la gestion des matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage et de curage.
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 4B correspondent aux matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage et de curage appartenant Ă la catĂ©gorie B, telle que dĂ©finie Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 30 novembre 1995 relatif Ă la gestion des matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage et de curage.
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 4A correspondent aux matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage et de curage appartenant Ă la catĂ©gorie A, telle que dĂ©finie Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 30 novembre 1995 relatif Ă la gestion des matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage et de curage.
Les dĂ©chets admis dans un CET de classe 4B correspondent aux matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage et de curage appartenant Ă la catĂ©gorie B, telle que dĂ©finie Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 30 novembre 1995 relatif Ă la gestion des matiĂšres enlevĂ©es du lit et des berges des cours et plans d'eau du fait de travaux de dragage et de curage.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Art. N11. Bijlage XI. - " Bijlage 7. - Aanvaardingscriteria van de afvalstoffen in de ondergrondse opslagplaatsen "
1. Uitgesloten afvalstoffen
Overeenkomstig punt 3.1.2. van bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving moeten de afvalstoffen die ongewenste fysische, chemische of biologische wijzigingen zouden kunnen ondergaan na hun opslag niet verwijderd worden bij een ondergrondse opslag. Het betreft volgende afvalstoffen :
a) de afvalstoffen bedoeld in artikel 19, § 3, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
b) de afvalstoffen en hun recipiënten die in reactie zouden kunnen treden met het water of het ontvangende rotsgesteente in de gegeven opslagomstandigheden met volgende mogelijke gevolgen :
- een variërend volume;
- het voortbrengen van auto-ontvlambare, toxische of ontplofbare stoffen of gassen of
- elke andere reactie die potentieel gevaar zou kunnen opleveren voor de operationele veiligheid en/of integriteit van het hek.
De afvalstoffen die met elkaar in reactie zouden kunnen treden moeten omschreven en ondergebracht worden in compatibiliteitsgroepen, de verschillende compatibiliteitsgroepen moeten fysiek van elkaar gescheiden worden op het ogenblik van de opslag;
c) de afvalstoffen met een scherpe geur;
d) de afvalstoffen die een giftig of ontplofbaar mengsel lucht-gas zouden kunnen voortbrengen. Het betreft in het bijzonder de afvalstoffen die aanleiding geven tot :
- concentraties van gifgas wegens partiële druk van hun verbindingen;
- concentraties van meer dan 10 % hoger dan de concentratie die overeenstemt met de laagste grens voor ontploffingsgevaar wanneer ze in een recipiënt verzadigd zijn;
e) de afvalstoffen met een onvoldoende stabiliteit wegens de geomechanische omstandigheden;
f) de afvalstoffen die uit zichzelf ontvlambaar of spontaan ontvlambaar zijn in de gegeven opslagomstandigheden, de gasproducten, de volatiele afvalstoffen, de afvalstoffen die ingezameld zijn in moeilijk te omschrijven mengsels :
g) de afvalstoffen die pathogene kiemen van overdraaglijke ziektes inhouden of zouden kunnen afgeven.
2. Lijst van de afvalstoffen die aanvaardbaar zijn in ondergrondse opslag
De inerte afvalstoffen en de gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen die niet onder punt 1 vallen zijn aanvaardbaar in ondergrondse opslagplaatsen.
3. Specifieke evaluatie van plaatsgebonden risico's
De aanvaarding van de afvalstoffen op een specifieke plaats moet onderworpen worden aan een evaluatie van de risico's die specifiek is voor die site.
Die specifieke evaluatie omschreven in punt 3.1.2. van bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende de sectorale voorwaarden voor de uitbating van de technische ingravingscentra voor de afvalstoffen die aanvaardbaar zijn in ondergrondse opslagplaatsen moet aantonen dat het inperkingsniveau ten opzichte van de biosfeer aanvaardbaar is. Aan die criteria moet voldaan worden rekening houdend met de opslagvoorwaarden.
Een afvalstof kan pas aanvaard worden als hij verenigbaar is met de specifieke veiligheidsevaluatie van de site.
De Minister geeft een nadere omschrijving van de beslissingsprocedure waarmee beslist kan worden of een afvalstof verenigbaar is met de veiligheidsevaluatie van de site.
4. Aanvaardingsvoorwaarden
De afvalstoffen mogen niet onder de grond opgeslagen worden behoudens als die site veilig afgezonderd is van de mijnbouwactiviteiten.
De afvalstoffen die met elkaar in reactie zouden kunnen treden moeten omschreven en ondergebracht worden in compatibiliteitsgroepen, de verschillende compatibiliteitsgroepen moeten fysiek van elkaar gescheiden worden op het ogenblik van de opslag;
Enkel de afvalstoffen die tegemoet komen aan de criteria waarvan sprake in bijlage 1 mogen aanvaard worden in ondergrondse opslagplaatsen voor inerte afvalstoffen.
Enkel de afvalstoffen die tegemoet komen aan de criteria waarvan sprake in bijlage 2, 3 of 4 mogen aanvaard worden in ondergrondse opslagplaatsen voor ongevaarlijke afvalstoffen.
Enkel de afvalstoffen die verenigbaar zijn met de specifieke evaluatie van de betrokken site zoals bepaald in punt 3 van bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving van toepassing mogen aanvaard worden in ondergrondse opslagplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen. In dat geval gelden de criteria van bijlage 5 niet. De afvalstoffen worden evenwel onderworpen aan de aanvaardingsprocedure omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving
In sommige omstandigheden kunnen tot driemaal hogere grenswaarden toegelaten worden voor de specifieke parameters bedoeld onder dit punt, in de voorwaarden en de gevallen nader omschreven in de bijlagen 1 of 3.
1. Uitgesloten afvalstoffen
Overeenkomstig punt 3.1.2. van bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving moeten de afvalstoffen die ongewenste fysische, chemische of biologische wijzigingen zouden kunnen ondergaan na hun opslag niet verwijderd worden bij een ondergrondse opslag. Het betreft volgende afvalstoffen :
a) de afvalstoffen bedoeld in artikel 19, § 3, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
b) de afvalstoffen en hun recipiënten die in reactie zouden kunnen treden met het water of het ontvangende rotsgesteente in de gegeven opslagomstandigheden met volgende mogelijke gevolgen :
- een variërend volume;
- het voortbrengen van auto-ontvlambare, toxische of ontplofbare stoffen of gassen of
- elke andere reactie die potentieel gevaar zou kunnen opleveren voor de operationele veiligheid en/of integriteit van het hek.
De afvalstoffen die met elkaar in reactie zouden kunnen treden moeten omschreven en ondergebracht worden in compatibiliteitsgroepen, de verschillende compatibiliteitsgroepen moeten fysiek van elkaar gescheiden worden op het ogenblik van de opslag;
c) de afvalstoffen met een scherpe geur;
d) de afvalstoffen die een giftig of ontplofbaar mengsel lucht-gas zouden kunnen voortbrengen. Het betreft in het bijzonder de afvalstoffen die aanleiding geven tot :
- concentraties van gifgas wegens partiële druk van hun verbindingen;
- concentraties van meer dan 10 % hoger dan de concentratie die overeenstemt met de laagste grens voor ontploffingsgevaar wanneer ze in een recipiënt verzadigd zijn;
e) de afvalstoffen met een onvoldoende stabiliteit wegens de geomechanische omstandigheden;
f) de afvalstoffen die uit zichzelf ontvlambaar of spontaan ontvlambaar zijn in de gegeven opslagomstandigheden, de gasproducten, de volatiele afvalstoffen, de afvalstoffen die ingezameld zijn in moeilijk te omschrijven mengsels :
g) de afvalstoffen die pathogene kiemen van overdraaglijke ziektes inhouden of zouden kunnen afgeven.
2. Lijst van de afvalstoffen die aanvaardbaar zijn in ondergrondse opslag
De inerte afvalstoffen en de gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen die niet onder punt 1 vallen zijn aanvaardbaar in ondergrondse opslagplaatsen.
3. Specifieke evaluatie van plaatsgebonden risico's
De aanvaarding van de afvalstoffen op een specifieke plaats moet onderworpen worden aan een evaluatie van de risico's die specifiek is voor die site.
Die specifieke evaluatie omschreven in punt 3.1.2. van bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende de sectorale voorwaarden voor de uitbating van de technische ingravingscentra voor de afvalstoffen die aanvaardbaar zijn in ondergrondse opslagplaatsen moet aantonen dat het inperkingsniveau ten opzichte van de biosfeer aanvaardbaar is. Aan die criteria moet voldaan worden rekening houdend met de opslagvoorwaarden.
Een afvalstof kan pas aanvaard worden als hij verenigbaar is met de specifieke veiligheidsevaluatie van de site.
De Minister geeft een nadere omschrijving van de beslissingsprocedure waarmee beslist kan worden of een afvalstof verenigbaar is met de veiligheidsevaluatie van de site.
4. Aanvaardingsvoorwaarden
De afvalstoffen mogen niet onder de grond opgeslagen worden behoudens als die site veilig afgezonderd is van de mijnbouwactiviteiten.
De afvalstoffen die met elkaar in reactie zouden kunnen treden moeten omschreven en ondergebracht worden in compatibiliteitsgroepen, de verschillende compatibiliteitsgroepen moeten fysiek van elkaar gescheiden worden op het ogenblik van de opslag;
Enkel de afvalstoffen die tegemoet komen aan de criteria waarvan sprake in bijlage 1 mogen aanvaard worden in ondergrondse opslagplaatsen voor inerte afvalstoffen.
Enkel de afvalstoffen die tegemoet komen aan de criteria waarvan sprake in bijlage 2, 3 of 4 mogen aanvaard worden in ondergrondse opslagplaatsen voor ongevaarlijke afvalstoffen.
Enkel de afvalstoffen die verenigbaar zijn met de specifieke evaluatie van de betrokken site zoals bepaald in punt 3 van bijlage 3 bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving van toepassing mogen aanvaard worden in ondergrondse opslagplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen. In dat geval gelden de criteria van bijlage 5 niet. De afvalstoffen worden evenwel onderworpen aan de aanvaardingsprocedure omschreven in het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving
In sommige omstandigheden kunnen tot driemaal hogere grenswaarden toegelaten worden voor de specifieke parameters bedoeld onder dit punt, in de voorwaarden en de gevallen nader omschreven in de bijlagen 1 of 3.
Art. N11. Annexe XI. - " Annexe 7. - CritÚres d'admission des déchets dans les stockages souterrains "
1. Déchets exclus
ConformĂ©ment au point 3.1.2. de l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, les dĂ©chets susceptibles de subir des transformations physiques, chimiques ou biologiques indĂ©sirables aprĂšs leur dĂ©pĂŽt ne doivent pas ĂȘtre Ă©liminĂ©s en stockage souterrain. Les dĂ©chets concernĂ©s sont les suivants:
a) les déchets visés à l'article 19, § 3, du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
b) les déchets et leurs conteneurs susceptibles de réagir au contact de l'eau ou de la roche hÎte, dans les conditions de stockage données, et d'entraßner :
- une variation de volume;
- la production de substances ou de gaz auto-inflammables, toxiques ou explosifs, ou
- toute autre réaction susceptible de mettre en danger la sécurité opérationnelle et/ou l'intégrité de la barriÚre.
Les dĂ©chets qui risquent de rĂ©agir les uns au contact des autres doivent ĂȘtre dĂ©finis et classĂ©s dans des groupes de compatibilitĂ©; les diffĂ©rents groupes de compatibilitĂ© doivent ĂȘtre physiquement sĂ©parĂ©s au moment du stockage;
c) les déchets ayant une odeur ùcre;
d) les déchets susceptibles de produire un mélange air-gaz toxique ou explosif. Il s'agit en particulier des déchets qui donnent lieu à :
- des concentrations de gaz toxique, du fait des pressions partielles de leurs composants;
- des concentrations supérieures de plus de 10 % à la concentration correspondant à la limite inférieure d'explosibilité, lorsqu'ils sont saturés à l'intérieur d'un conteneur;
e) les déchets ayant une stabilité insuffisante compte tenu des conditions géomécaniques;
f) les déchets auto-inflammables ou spontanément inflammables dans les conditions de stockage données, les produits gazeux, les déchets volatils, les déchets collectés sous forme de mélanges indéfinissables;
g) les déchets contenant ou susceptibles de libérer des germes pathogÚnes de maladies transmissibles.
2. Liste des déchets admissibles en stockage souterrain
Les déchets inertes ainsi que les déchets dangereux et non dangereux qui ne relÚvent pas du point 1 sont admissibles en stockage souterrain.
3. Evaluation spécifique des risques liés au site
L'admission des dĂ©chets sur un site spĂ©cifique doit ĂȘtre soumise Ă une Ă©valuation des risques spĂ©cifique de ce site.
Cette Ă©valuation spĂ©cifique dĂ©crite au point 3.1.2 de l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, pour les dĂ©chets admissibles en stockage souterrain doit dĂ©montrer que le niveau de confinement par rapport Ă la biosphĂšre est acceptable. Les critĂšres doivent ĂȘtre remplis compte tenu des conditions de stockage.
Un dĂ©chet ne peut ĂȘtre admis que s'il est compatible avec l'Ă©valuation spĂ©cifique de la sĂ©curitĂ© du site.
Le Ministre précise la procédure de décision permettant de déterminer si un déchet est compatible avec l'évaluation de la sécurité du site.
4. Conditions d'admission
Les dĂ©chets ne peuvent ĂȘtre entreposĂ©s en stockage souterrain que si ce site est sĂ©parĂ© de maniĂšre sĂ»re des activitĂ©s miniĂšres.
Les dĂ©chets qui risquent de rĂ©agir les uns au contact des autres doivent ĂȘtre dĂ©finis et classĂ©s dans des groupes de compatibilitĂ©; les diffĂ©rents groupes de compatibilitĂ© doivent ĂȘtre physiquement sĂ©parĂ©s au moment du stockage.
Seuls les dĂ©chets qui remplissent les critĂšres visĂ©s Ă l'annexe 1re peuvent ĂȘtre admis dans les stockages souterrains pour dĂ©chets inertes.
Seuls les dĂ©chets qui remplissent les critĂšres visĂ©s Ă l'annexe 2, 3 ou 4 peuvent ĂȘtre admis dans les stockages souterrains pour dĂ©chets non dangereux.
Seuls les dĂ©chets compatibles avec l'Ă©valuation spĂ©cifique de la sĂ©curitĂ© du site concernĂ©, comme prĂ©vue au point 3 de l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, peuvent ĂȘtre admis dans un stockage souterrain pour dĂ©chets dangereux. Dans ce cas, les critĂšres de l'annexe 5 ne s'appliquent pas. Les dĂ©chets sont toutefois soumis Ă la procĂ©dure d'admission dĂ©finie par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique.
Dans certaines circonstances, des valeurs limites jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©es peuvent ĂȘtre admises pour des paramĂštres spĂ©cifiques, dans les conditions et les cas spĂ©cifiĂ©s dans les annexes 1re ou 3.
1. Déchets exclus
ConformĂ©ment au point 3.1.2. de l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, les dĂ©chets susceptibles de subir des transformations physiques, chimiques ou biologiques indĂ©sirables aprĂšs leur dĂ©pĂŽt ne doivent pas ĂȘtre Ă©liminĂ©s en stockage souterrain. Les dĂ©chets concernĂ©s sont les suivants:
a) les déchets visés à l'article 19, § 3, du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
b) les déchets et leurs conteneurs susceptibles de réagir au contact de l'eau ou de la roche hÎte, dans les conditions de stockage données, et d'entraßner :
- une variation de volume;
- la production de substances ou de gaz auto-inflammables, toxiques ou explosifs, ou
- toute autre réaction susceptible de mettre en danger la sécurité opérationnelle et/ou l'intégrité de la barriÚre.
Les dĂ©chets qui risquent de rĂ©agir les uns au contact des autres doivent ĂȘtre dĂ©finis et classĂ©s dans des groupes de compatibilitĂ©; les diffĂ©rents groupes de compatibilitĂ© doivent ĂȘtre physiquement sĂ©parĂ©s au moment du stockage;
c) les déchets ayant une odeur ùcre;
d) les déchets susceptibles de produire un mélange air-gaz toxique ou explosif. Il s'agit en particulier des déchets qui donnent lieu à :
- des concentrations de gaz toxique, du fait des pressions partielles de leurs composants;
- des concentrations supérieures de plus de 10 % à la concentration correspondant à la limite inférieure d'explosibilité, lorsqu'ils sont saturés à l'intérieur d'un conteneur;
e) les déchets ayant une stabilité insuffisante compte tenu des conditions géomécaniques;
f) les déchets auto-inflammables ou spontanément inflammables dans les conditions de stockage données, les produits gazeux, les déchets volatils, les déchets collectés sous forme de mélanges indéfinissables;
g) les déchets contenant ou susceptibles de libérer des germes pathogÚnes de maladies transmissibles.
2. Liste des déchets admissibles en stockage souterrain
Les déchets inertes ainsi que les déchets dangereux et non dangereux qui ne relÚvent pas du point 1 sont admissibles en stockage souterrain.
3. Evaluation spécifique des risques liés au site
L'admission des dĂ©chets sur un site spĂ©cifique doit ĂȘtre soumise Ă une Ă©valuation des risques spĂ©cifique de ce site.
Cette Ă©valuation spĂ©cifique dĂ©crite au point 3.1.2 de l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, pour les dĂ©chets admissibles en stockage souterrain doit dĂ©montrer que le niveau de confinement par rapport Ă la biosphĂšre est acceptable. Les critĂšres doivent ĂȘtre remplis compte tenu des conditions de stockage.
Un dĂ©chet ne peut ĂȘtre admis que s'il est compatible avec l'Ă©valuation spĂ©cifique de la sĂ©curitĂ© du site.
Le Ministre précise la procédure de décision permettant de déterminer si un déchet est compatible avec l'évaluation de la sécurité du site.
4. Conditions d'admission
Les dĂ©chets ne peuvent ĂȘtre entreposĂ©s en stockage souterrain que si ce site est sĂ©parĂ© de maniĂšre sĂ»re des activitĂ©s miniĂšres.
Les dĂ©chets qui risquent de rĂ©agir les uns au contact des autres doivent ĂȘtre dĂ©finis et classĂ©s dans des groupes de compatibilitĂ©; les diffĂ©rents groupes de compatibilitĂ© doivent ĂȘtre physiquement sĂ©parĂ©s au moment du stockage.
Seuls les dĂ©chets qui remplissent les critĂšres visĂ©s Ă l'annexe 1re peuvent ĂȘtre admis dans les stockages souterrains pour dĂ©chets inertes.
Seuls les dĂ©chets qui remplissent les critĂšres visĂ©s Ă l'annexe 2, 3 ou 4 peuvent ĂȘtre admis dans les stockages souterrains pour dĂ©chets non dangereux.
Seuls les dĂ©chets compatibles avec l'Ă©valuation spĂ©cifique de la sĂ©curitĂ© du site concernĂ©, comme prĂ©vue au point 3 de l'annexe 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique, peuvent ĂȘtre admis dans un stockage souterrain pour dĂ©chets dangereux. Dans ce cas, les critĂšres de l'annexe 5 ne s'appliquent pas. Les dĂ©chets sont toutefois soumis Ă la procĂ©dure d'admission dĂ©finie par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 27 fĂ©vrier 2003 fixant les conditions sectorielles d'exploitation des centres d'enfouissement technique.
Dans certaines circonstances, des valeurs limites jusqu'Ă trois fois plus Ă©levĂ©es peuvent ĂȘtre admises pour des paramĂštres spĂ©cifiques, dans les conditions et les cas spĂ©cifiĂ©s dans les annexes 1re ou 3.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 maart 2004 tot verbod van het storten van sommige afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving.
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Namen, 7 oktober 2010.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Vu pour ĂȘtre annexĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 18 mars 2004 interdisant la mise en centre d'enfouissement technique de certains dĂ©chets et fixant les critĂšres d'admission des dĂ©chets en centre d'enfouissement technique.
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
Namur, le 7 octobre 2010.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY