Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
29 DECEMBER 2010. - Wet houdende diverse bepalingen (II)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2010 en tekstbijwerking tot 30-04-2019)
Titre
29 DECEMBRE 2010. - Loi portant des dispositions diverses (II)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2010 et mise à jour au 30-04-2019)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITEL 2. - Justitie
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wetgeving bet...
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 29 nov...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 14 dec...
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 10 aug...
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 20 decem...
Afdeling 5. - Wijzigingen van de wet van 12 maa...
Afdeling 6. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 13 juni...
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 5 augus...
HOOFDSTUK 4. - Gerechtelijke stagiairs
HOOFDSTUK 5. - Opheffing van de aanvullende kam...
Afdeling 1. - Tijdelijke verlenging van de aanv...
Afdeling 2. - Opheffing van de aanvullende kamers
Afdeling 3. - Overgangsmaatregel en inwerkingtr...
HOOFDSTUK 6. - Vergelijkende selectie van de le...
TITEL 3. - Migratie en asiel
HOOFDSTUK 1. - Harmonisering en uniformisering ...
HOOFDSTUK 2. - Raad voor vreemdelingenbetwistin...
TITEL 4. - Mobiliteit
ENIG HOOFDSTUK. - Milieu en Mobiliteit - Wijzig...
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 18 febru...
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 21 juni ...
Inhoud
TITRE 1er. - Disposition générale
TITRE 2. - Justice
CHAPITRE 1er. - Modifications de la législation...
Section 1re. - Modifications de la loi du 29 no...
Section 2. - Modifications de la loi du 14 déce...
Section 3. - Modifications de la loi du 10 août...
Section 4. - Modification de la loi du 20 décem...
Section 5. - Modifications de la loi du 12 mars...
Section 6. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 13 juin...
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 5 août ...
CHAPITRE 4. - Stagiaires judiciaires
CHAPITRE 5. - Abrogation des chambres supplémen...
Section 1re. - Prolongation temporaire des cham...
Section 2. - Abrogation des chambres supplément...
Section 3. - Mesure transitoire et entrée en vi...
CHAPITRE 6. - Sélection comparative des membres...
TITRE 3. - Migration et asile
CHAPITRE 1er. - Harmonisation et uniformisation...
CHAPITRE 2. - Conseil du contentieux des étrang...
TITRE 4. - Mobilité
CHAPITRE UNIQUE. - Environnement et Mobilité - ...
Section 1re. - Disposition générale
Section 2. - Modification de la loi du 18 févri...
Section 3. - Modification de la loi du 21 juin ...
Tekst (73)
Texte (73)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
TITEL 2. - Justitie
TITRE 2. - Justice
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wetgeving betreffende de tijdelijke personeelsformaties bij de hoven van beroep en de parketten-generaal
CHAPITRE 1er. - Modifications de la législation relative aux cadres temporaires dans les cours d'appel et les parquets généraux
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 29 november 2001 tot vaststelling van een tijdelijke personeelsformatie van raadsheren teneinde de gerechtelijke achterstand bij de hoven van beroep weg te werken
Section 1re. - Modifications de la loi du 29 novembre 2001 fixant un cadre temporaire de conseillers en vue de résorber l'arriéré judiciaire dans les cours d'appel
Art. 2. In artikel 2 van de wet van 29 november 2001 tot vaststelling van een tijdelijke personeelsformatie van raadsheren teneinde de gerechtelijke achterstand bij de hoven van beroep weg te werken, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden " van negen jaar " vervangen door de woorden " van tien jaar ".
Art. 2. Dans l'article 2 de la loi du 29 novembre 2001 fixant un cadre temporaire de conseillers en vue de résorber l'arriéré judiciaire dans les cours d'appel, modifié par la loi du 22 décembre 2008, les mots " de neuf ans " sont remplacés par les mots " de dix ans ".
Art. 3. In artikel 3, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden " van negen jaar " vervangen door de woorden " van tien jaar ".
Art. 3. Dans l'article 3, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2008, les mots " de neuf ans " sont remplacés par les mots " de dix ans ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 14 december 2004 tot wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, van de wet van 2 juli 1975 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van eerste aanleg en van artikel 211 van het Gerechtelijk Wetboek
Section 2. - Modifications de la loi du 14 décembre 2004 modifiant la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, la loi du 2 juillet 1975 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de première instance et l'article 211 du Code judiciaire
Art. 4. In artikel 8, eerste lid, van de wet van 14 december 2004 tot wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, van de wet van 2 juli 1975 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van eerste aanleg en van artikel 211 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt het woord " 2010 " vervangen door het woord " 2011 ".
Art. 4. Dans l'article 8, alinéa 1er, de la loi du 14 décembre 2004 modifiant la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, la loi du 2 juillet 1975 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de première instance et l'article 211 du Code judiciaire, modifié par la loi du 22 décembre 2008, le mot " 2010 " est remplacé par le mot " 2011 ".
Art. 5. In artikel 9, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt het woord " 2010 " vervangen door het woord " 2011 ".
Art. 5. Dans l'article 9, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2008, le mot " 2010 " est remplacé par le mot " 2011 ".
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting en tot tijdelijke toelating tot overtallige benoemingen van magistraten, wat het hof van beroep te Gent betreft
Section 3. - Modifications de la loi du 10 août 2005 modifiant la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire et autorisant temporairement la nomination de magistrats en surnombre, en ce qui concerne la cour d'appel de Gand
Art. 6. In artikel 3, eerste lid, van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting en tot tijdelijke toelating tot overtallige benoemingen van magistraten, wat het hof van beroep te Gent betreft, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt het woord " 2010 " vervangen door het woord " 2011 ".
Art. 6. Dans l'article 3, alinéa 1er, de la loi du 10 août 2005 modifiant la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire et autorisant temporairement la nomination de magistrats en surnombre, en ce qui concerne la cour d'appel de Gand, modifié par la loi du 22 décembre 2008, le mot " 2010 " est remplacé par le mot " 2011 ".
Art. 7. In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt het woord " 2010 " vervangen door het woord " 2011 ".
Art. 7. Dans l'article 4 de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2008, le mot " 2010 " est remplacé par le mot " 2011 ".
Art. 8. In artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt het woord " 2010 " vervangen door het woord " 2011 ".
Art. 8. Dans l'article 5, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2008, le mot " 2010 " est remplacé par le mot " 2011 ".
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 20 december 2005 houdende diverse bepalingen betreffende justitie
Section 4. - Modification de la loi du 20 décembre 2005 portant des dispositions diverses en matière de justice
Art. 9. In artikel 8 van de wet van 20 december 2005 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt het woord " 2010 " telkens vervangen door het woord " 2011 ".
Art. 9. Dans l'article 8 de la loi du 20 décembre 2005 portant des dispositions diverses en matière de justice, modifié par la loi du 22 décembre 2008, le mot " 2010 " est chaque fois remplacé par le mot " 2011 ".
Afdeling 5. - Wijzigingen van de wet van 12 maart 2007 tot wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting voor wat het hof van beroep te Bergen en de rechtbank van eerste aanleg te Gent betreft en tot tijdelijke toelating tot overtallige benoeming van magistraten, wat het hof van beroep te Bergen betreft
Section 5. - Modifications de la loi du 12 mars 2007 modifiant la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire en ce qui concerne la cour d'appel de Mons et le tribunal de première instance de Gand et autorisant temporairement la nomination de magistrats en surnombre, en ce qui concerne la cour d'appel de Mons
Art. 10. In artikel 4 van de wet van 12 maart 2007 tot wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting voor wat het hof van beroep te Bergen en de rechtbank van eerste aanleg te Gent betreft en tot tijdelijke toelating tot overtallige benoeming van magistraten, wat het hof van beroep te Bergen betreft, wordt het woord " 2010 " vervangen door het woord " 2011 ".
Art. 10. Dans l'article 4 de la loi du 12 mars 2007 modifiant la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire en ce qui concerne la cour d'appel de Mons et le tribunal de première instance de Gand et autorisant temporairement la nomination de magistrats en surnombre, en ce qui concerne la cour d'appel de Mons, le mot " 2010 " est remplacé par le mot " 2011 ".
Art. 11. In artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet, wordt het woord " 2010 " vervangen door het woord " 2011 ".
Art. 11. Dans l'article 5, alinéa 1er, de la même loi, le mot " 2010 " est remplacé par le mot " 2011 ".
Afdeling 6. - Inwerkingtreding
Section 6. - Entrée en vigueur
Art. 12. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2011, met uitzondering van de artikelen 2 en 3 die uitwerking hebben met ingang van 18 december 2010.
Art. 12. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2011, à l'exception des articles 2 et 3 qui produisent leurs effets le 18 décembre 2010.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction
Art. 13. In artikel 65, eerste lid, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, gewijzigd bij de wet van 24 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " op 1 januari 2011 " worden vervangen door de woorden " op 1 januari 2013 ";
2° het lid wordt aangevuld met de woorden " met uitzondering van artikel 7, 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, dat in werking treedt op 1 januari 2011. ".
1° de woorden " op 1 januari 2011 " worden vervangen door de woorden " op 1 januari 2013 ";
2° het lid wordt aangevuld met de woorden " met uitzondering van artikel 7, 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, dat in werking treedt op 1 januari 2011. ".
Art. 13. Dans l'article 65, alinéa 1er, de la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, modifié par la loi du 24 juillet 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " le 1er janvier 2011 " sont remplacés par les mots " le 1er janvier 2013 ";
2° l'alinéa est complété par les mots " à l'exception de l'article 7, 2°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi de 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, qui entre en vigueur le 1er janvier 2011. ".
1° les mots " le 1er janvier 2011 " sont remplacés par les mots " le 1er janvier 2013 ";
2° l'alinéa est complété par les mots " à l'exception de l'article 7, 2°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi de 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, qui entre en vigueur le 1er janvier 2011. ".
Art. 14. Artikel 13 treedt in werking op 1 januari 2011.
Art. 14. L'article 13 entre en vigueur le 1er janvier 2011.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de elektronische procesvoering
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 5 août 2006 modifiant certaines dispositions du Code judiciaire en vue de la procédure par voie électronique
Art. 15. In artikel 16, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de elektronische procesvoering, vervangen bij de wet van 24 juli 2008, worden de woorden " op 1 januari 2011 " vervangen door de woorden " op 1 januari 2013 ".
Art. 15. Dans l'article 16, alinéa 2, de la loi du 5 août 2006 modifiant certaines dispositions du Code judiciaire en vue de la procédure par voie électronique, remplacé par la loi du 24 juillet 2008, les mots " le 1er janvier 2011 " sont remplacés par les mots " le 1er janvier 2013 ".
Art. 16. Artikel 15 treedt in werking op 1 januari 2011.
Art. 16. L'article 15 entre en vigueur le 1er janvier 2011.
HOOFDSTUK 4. - Gerechtelijke stagiairs
CHAPITRE 4. - Stagiaires judiciaires
Art. 17. In artikel 259octies , § 8, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 31 januari 2007, wordt in de plaats van 3°, vernietigd bij arrest nr. 123/2008 van het Grondwettelijk Hof, de bepalingen onder 3° en 4° ingevoegd, luidende :
" 3° de bijslagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen die aan het personeel van de federale overheidsdiensten worden toegekend, in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor voornoemd personeel;
4° een forfaitaire premie van 138 euro per daadwerkelijk in een parket van de procureur des Konings geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat. Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats. Het maximumbedrag van de premies voor de wettelijke stageperiode in het parket mag niet hoger zijn dan 1 794 euro. In geval van verlenging van de stage in een parket van de procureur des Konings mag het bedrag niet hoger zijn dan 1 196 euro per periode van zes maanden. ".
" 3° de bijslagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen die aan het personeel van de federale overheidsdiensten worden toegekend, in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor voornoemd personeel;
4° een forfaitaire premie van 138 euro per daadwerkelijk in een parket van de procureur des Konings geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat. Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats. Het maximumbedrag van de premies voor de wettelijke stageperiode in het parket mag niet hoger zijn dan 1 794 euro. In geval van verlenging van de stage in een parket van de procureur des Konings mag het bedrag niet hoger zijn dan 1 196 euro per periode van zes maanden. ".
Art. 17. Dans l'article 259octies, § 8, alinéa 1er, du Code judiciaire, remplacé par la loi du 31 janvier 2007, à la place du 3°, annulé par l'arrêt n° 123/2008 de la Cour constitutionnelle, sont insérés les 3° et 4° rédigés comme suit :
" 3° les allocations, indemnités et rétributions complémentaires de traitement attribuées au personnel des services publics fédéraux, dans la même mesure et aux mêmes conditions que celles imposées à celui-ci;
4° une prime forfaitaire de 138 euros par service de garde de nuit, ou pendant les week-ends ou les jours fériés, réellement assumé au sein d'un parquet du procureur du Roi, pour autant qu'il soit inscrit au rôle de garde. Par service de garde, on entend un service continu de douze heures pendant lequel les intéressés sont joignables et disponibles mais peuvent également se déplacer afin d'assurer des prestations sur un lieu de travail. Le montant maximum des primes pour la période de stage légale au parquet ne peut être supérieur à 1 794 euros. En cas de prolongement du stage dans un parquet du procureur du Roi, le montant ne peut être supérieur à 1 196 euros par période de six mois. ".
" 3° les allocations, indemnités et rétributions complémentaires de traitement attribuées au personnel des services publics fédéraux, dans la même mesure et aux mêmes conditions que celles imposées à celui-ci;
4° une prime forfaitaire de 138 euros par service de garde de nuit, ou pendant les week-ends ou les jours fériés, réellement assumé au sein d'un parquet du procureur du Roi, pour autant qu'il soit inscrit au rôle de garde. Par service de garde, on entend un service continu de douze heures pendant lequel les intéressés sont joignables et disponibles mais peuvent également se déplacer afin d'assurer des prestations sur un lieu de travail. Le montant maximum des primes pour la période de stage légale au parquet ne peut être supérieur à 1 794 euros. En cas de prolongement du stage dans un parquet du procureur du Roi, le montant ne peut être supérieur à 1 196 euros par période de six mois. ".
Art. 18. In artikel 357, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 1999 en gewijzigd bij de wetten van 15 juni 2001 en 27 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de eerste zin van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Aan de substituut-procureurs des Konings en aan de toegevoegde substituut-procureurs des Konings wordt per daadwerkelijk geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat, een forfaitaire premie toegekend van 235,50 euro. ";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats. ".
1° de eerste zin van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Aan de substituut-procureurs des Konings en aan de toegevoegde substituut-procureurs des Konings wordt per daadwerkelijk geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat, een forfaitaire premie toegekend van 235,50 euro. ";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats. ".
Art. 18. A l'article 357, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 29 avril 1999 et modifié par les lois des 15 juin 2001 et 27 décembre 2002, les modifications suivantes sont apportées :
1° la première phrase de l'alinéa 1er est remplacée par ce qui suit :
" Une prime forfaitaire de 235,50 euros par service de garde de nuit, ou pendant les week-ends ou les jours fériés, réellement assumé, est accordée aux substituts du procureur du Roi et aux substituts du procureur du Roi de complément, pour autant qu'ils soient inscrits au rôle de garde. ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Par service de garde, on entend un service continu de douze heures pendant lequel les intéressés sont joignables et disponibles mais peuvent également se déplacer afin d'assurer des prestations sur un lieu de travail. ".
1° la première phrase de l'alinéa 1er est remplacée par ce qui suit :
" Une prime forfaitaire de 235,50 euros par service de garde de nuit, ou pendant les week-ends ou les jours fériés, réellement assumé, est accordée aux substituts du procureur du Roi et aux substituts du procureur du Roi de complément, pour autant qu'ils soient inscrits au rôle de garde. ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Par service de garde, on entend un service continu de douze heures pendant lequel les intéressés sont joignables et disponibles mais peuvent également se déplacer afin d'assurer des prestations sur un lieu de travail. ".
HOOFDSTUK 5. - Opheffing van de aanvullende kamers in de hoven van beroep
CHAPITRE 5. - Abrogation des chambres supplémentaires dans les cours d'appel
Afdeling 1. - Tijdelijke verlenging van de aanvullende kamers
Section 1re. - Prolongation temporaire des chambres supplémentaires
Art. 19. In artikel 106bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" Teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken zijn er aanvullende kamers tot 30 juni 2011. ".
" Teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken zijn er aanvullende kamers tot 30 juni 2011. ".
Art. 19. Dans l'article 106bis, § 1er, du Code judiciaire inséré par la loi du 9 juillet 1997 et modifié par la loi du 22 décembre 1998, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
" Il y a des chambres supplémentaires jusqu'au 30 juin 2011 pour résorber l'arriéré judiciaire. ".
" Il y a des chambres supplémentaires jusqu'au 30 juin 2011 pour résorber l'arriéré judiciaire. ".
Afdeling 2. - Opheffing van de aanvullende kamers
Section 2. - Abrogation des chambres supplémentaires
Art. 20. In artikel 102 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 9 juli 1997, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 20. Dans l'article 102 du même Code, rétabli par la loi du 9 juillet 1997, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 21. Artikel 106bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet 9 juli 1997 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998 en 3 mei 2003, wordt opgeheven.
Art. 21. L'article 106bis du même Code, inséré par la loi du 9 juillet 1997 et modifié par les lois des 22 décembre 1998 et 3 mai 2003, est abrogé.
Art. 22. Artikel 109ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet 9 juli 1997 en gewijzigd bij de wet van 29 november 2001, wordt opgeheven.
Art. 22. L'article 109ter du même Code, inséré par la loi du 9 juillet 1997 et modifié par la loi du 29 novembre 2001, est abrogé.
Art. 23. Artikel 109quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 november 2001, wordt opgeheven.
Art. 23. L'article 109quater du même Code, inséré par la loi du 29 novembre 2001, est abrogé.
Art. 24. In artikel 340, § 3, van hetzelfde Wetboek vervangen bij de wet van 3 mei 2003, en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2003 en 9 mei 2007, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 24. Dans l'article 340, § 3, du même Code remplacé par la loi du 3 mai 2003, et modifié par les lois des 22 décembre 2003 et 9 mai 2007, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 25. In artikel 379ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 25. Dans l'article 379ter du même Code, inséré par la loi du 9 juillet 1997, le paragraphe 2 est abrogé.
Afdeling 3. - Overgangsmaatregel en inwerkingtreding
Section 3. - Mesure transitoire et entrée en vigueur
Art. 26. Zaken die op de dag van de inwerkingtreding van dit artikel aan een aanvullende kamer van een hof van beroep zijn toegewezen of waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, kunnen verder door deze aanvullende kamer worden behandeld tot het eindarrest volgens de regels die gelden op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel. De werking van deze aanvullende kamer wordt zolang verlengd. Er kunnen geen nieuwe zaken worden toegekend aan de aanvullende kamers.
Art. 26. L'examen des causes attribuées à une chambre supplémentaire d'une cour d'appel ou dont les débats sont toujours en cours ou qui sont en délibéré à la date d'entrée en vigueur du présent article peut se poursuivre devant cette chambre supplémentaire jusqu'à l'arrêt définitif selon les dispositions applicables au moment de l'entrée en vigueur du présent article. L'activité de la chambre supplémentaire sera prolongée le temps nécessaire. Aucune nouvelle cause ne pourra être attribuée aux chambres supplémentaires.
Art. 27. In de in artikel 26 bedoelde aanvullende kamer hebben minstens twee plaatsvervangende raadsheren zitting.
De aanvullende kamer mag niet worden voorgezeten door een advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten.
De aanvullende kamer mag niet worden voorgezeten door een advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten.
Art. 27. La chambre supplémentaire, visée à l'article 26, est composée d'au moins deux conseillers suppléants.
Elle ne peut être présidée par un avocat inscrit au tableau de l'Ordre des avocats.
Elle ne peut être présidée par un avocat inscrit au tableau de l'Ordre des avocats.
Art. 28. De plaatsvervangend raadsheer-voorzitter en de plaatsvervangend raadsheer die geroepen worden om zitting te nemen in een aanvullende kamer zoals bedoeld in artikel 26 hebben per zitting recht op een vergoeding als voorzitter of als plaatsvervangend raadsheer, waarvan de nadere regels zijn vastgesteld door de Minister van Justitie.
Art. 28. Le conseiller suppléant-président et le conseiller suppléant qui sont appelés à siéger dans une chambre supplémentaire visée à l'article 26, ont droit, en leur qualité de président ou de conseiller suppléant, à une indemnité par audience dont les modalités d'application sont fixées par le Ministre de la Justice.
Art. 29. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2011, met uitzondering van artikel 19, dat in werking treedt op 13 februari 2011.
Art. 29. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2011, à l'exception de l'article 19 qui entre en vigueur le 13 février 2011.
HOOFDSTUK 6. - Vergelijkende selectie van de leden van de griffie en het parketsecretariaat
CHAPITRE 6. - Sélection comparative des membres du greffe et du secrétariat de parquet
Art. 30. In artikel 262, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden " een praktijkgeval dat verband houdt met de functie " vervangen door de woorden " een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie ".
Art. 30. Dans l'article 262, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, remplacé par la loi du 25 avril 2007, les mots " un cas pratique lié la fonction " sont remplacés par les mots " un cas pratique lié au contexte judiciaire de la fonction ".
Art. 31. In artikel 263, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden " een praktijkgeval dat verband houdt met de functie " vervangen door de woorden " een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie ".
Art. 31. Dans l'article 263, § 2, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2007, les mots " un cas pratique lié à la fonction " sont remplacés par les mots " un cas pratique lié au contexte judiciaire de la fonction ".
Art. 32. In artikel 265, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden " een praktijkgeval dat verband houdt met de functie " vervangen door de woorden " een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie ".
Art. 32. Dans l'article 265, § 2, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2007, les mots " un cas pratique lié à la fonction " sont remplacés par les mots " un cas pratique lié au contexte judiciaire de la fonction ".
Art. 33. In artikel 266, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden " een praktijkgeval dat verband houdt met de functie " vervangen door de woorden " een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie ".
Art. 33. Dans l'article 266, § 2, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2007, les mots " un cas pratique lié à la fonction " sont remplacés par les mots " un cas pratique lié au contexte judiciaire de la fonction ".
Art. 34. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 25 oktober 2010.
Art. 34. Le présent chapitre produit ses effets le 25 octobre 2010.
TITEL 3. - Migratie en asiel
TITRE 3. - Migration et asile
HOOFDSTUK 1. - Harmonisering en uniformisering van de beroepstermijn
CHAPITRE 1er. - Harmonisation et uniformisation du délai de recours
Art. 35. Artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. De in paragraaf 1 bepaalde beroepstermijnen beginnen te lopen :
1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of op zijn gekozen woonplaats;
2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
3° wanneer de kennisgeving is gebeurd door afgifte tegen ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op de afgifte of de weigering tot ontvangst;
4° wanneer de kennisgeving is gebeurd per fax, vanaf de eerste dag die volgt op die van de verzending.
De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt als werkdag beschouwd, elke dag niet zijnde een zaterdag, zon- of feestdag. ".
" § 2. De in paragraaf 1 bepaalde beroepstermijnen beginnen te lopen :
1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of op zijn gekozen woonplaats;
2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
3° wanneer de kennisgeving is gebeurd door afgifte tegen ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op de afgifte of de weigering tot ontvangst;
4° wanneer de kennisgeving is gebeurd per fax, vanaf de eerste dag die volgt op die van de verzending.
De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt als werkdag beschouwd, elke dag niet zijnde een zaterdag, zon- of feestdag. ".
Art. 35. L'article 39/57 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 6 mai 2009, dont le texte actuel formera le § 1er, est complété par un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les délais de recours visés au § 1er commencent à courir :
1° lorsque la notification est effectuée par pli recommandé contre accusé de réception, le premier jour qui suit celui où le courrier a été présenté au domicile du destinataire, ou, le cas échéant, à sa résidence ou à son domicile élu;
2° lorsque la notification est effectuée par pli recommandé ou par courrier ordinaire, le troisième jour ouvrable qui suit celui où le courrier a été remis aux services de la poste, sauf preuve contraire du destinataire;
3° lorsque la notification est effectuée contre accusé de réception, le premier jour qui suit la délivrance ou le refus de réception;
4° lorsque la notification est effectuée par télécopieur, le premier jour qui suit celui de l'envoi.
Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour l'application de la présente disposition, sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours, excepté le samedi, le dimanche ou les jours fériés. ".
" § 2. Les délais de recours visés au § 1er commencent à courir :
1° lorsque la notification est effectuée par pli recommandé contre accusé de réception, le premier jour qui suit celui où le courrier a été présenté au domicile du destinataire, ou, le cas échéant, à sa résidence ou à son domicile élu;
2° lorsque la notification est effectuée par pli recommandé ou par courrier ordinaire, le troisième jour ouvrable qui suit celui où le courrier a été remis aux services de la poste, sauf preuve contraire du destinataire;
3° lorsque la notification est effectuée contre accusé de réception, le premier jour qui suit la délivrance ou le refus de réception;
4° lorsque la notification est effectuée par télécopieur, le premier jour qui suit celui de l'envoi.
Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour l'application de la présente disposition, sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours, excepté le samedi, le dimanche ou les jours fériés. ".
HOOFDSTUK 2. - Raad voor vreemdelingenbetwistingen Vereenvoudiging van de procedure
CHAPITRE 2. - Conseil du contentieux des étrangers Simplification de la procédure
Art. 36. In dezelfde wet wordt een artikel 39/57-1 ingevoegd, luidende :
" Art. 39/57-1. De processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen worden door de Raad verzonden bij ter post aangetekende brief, per bode met ontvangstbewijs of via elke andere bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
Op voorwaarde dat het geen oproeping betreft, mogen de verzendingen echter bij gewone brief of bij fax worden gedaan wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid zoals bepaald in de artikelen 39/82 en 39/84, of wanneer toepassing moet worden gemaakt van de versnelde procedure zoals bepaald in artikel 39/77, of wanneer een partij woonplaats heeft gekozen bij een advocaat kunnen de in het eerste lid bedoelde processtukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen rechtsgeldig geschieden per fax. De partijen vermelden hiertoe in hun processtukken hun faxnummer.
In afwijking van het eerste lid, kan de kennisgeving bedoeld in artikel 39/69 geschieden per bode tegen ontvangstbewijs of per fax. ".
" Art. 39/57-1. De processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen worden door de Raad verzonden bij ter post aangetekende brief, per bode met ontvangstbewijs of via elke andere bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
Op voorwaarde dat het geen oproeping betreft, mogen de verzendingen echter bij gewone brief of bij fax worden gedaan wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid zoals bepaald in de artikelen 39/82 en 39/84, of wanneer toepassing moet worden gemaakt van de versnelde procedure zoals bepaald in artikel 39/77, of wanneer een partij woonplaats heeft gekozen bij een advocaat kunnen de in het eerste lid bedoelde processtukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen rechtsgeldig geschieden per fax. De partijen vermelden hiertoe in hun processtukken hun faxnummer.
In afwijking van het eerste lid, kan de kennisgeving bedoeld in artikel 39/69 geschieden per bode tegen ontvangstbewijs of per fax. ".
Art. 36. Dans la même loi, il est inséré un article 39/57-1 rédigé comme suit :
" Art. 39/57-1. Les pièces de procédure, ainsi que les notifications, avis et convocations sont envoyés par le Conseil sous pli recommandé à la poste, par porteur contre accusé de réception ou par tout autre mode de signification admis par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres par lequel la date de la notification peut être constatée de manière certaine.
Pour autant qu'il ne s'agisse pas d'une convocation, les envois peuvent néanmoins se faire par pli ordinaire ou par télécopie lorsque leur réception ne fait courir aucun délai.
En cas d'extrême urgence visée aux articles 39/82 et 39/84, ou lorsqu'il convient d'appliquer la procédure accélérée visée à l'article 39/77, ou lorsqu'une partie a élu domicile chez un avocat, les pièces de procédure, notifications, avis et convocations visées à l'alinéa 1er peuvent être valablement envoyés par télécopie. A cet effet, les parties mentionnent leur numéro de télécopie dans leurs pièces de procédure.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la notification visée à l'article 39/69 peut avoir lieu par porteur contre accusé de réception ou par télécopie. ".
" Art. 39/57-1. Les pièces de procédure, ainsi que les notifications, avis et convocations sont envoyés par le Conseil sous pli recommandé à la poste, par porteur contre accusé de réception ou par tout autre mode de signification admis par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres par lequel la date de la notification peut être constatée de manière certaine.
Pour autant qu'il ne s'agisse pas d'une convocation, les envois peuvent néanmoins se faire par pli ordinaire ou par télécopie lorsque leur réception ne fait courir aucun délai.
En cas d'extrême urgence visée aux articles 39/82 et 39/84, ou lorsqu'il convient d'appliquer la procédure accélérée visée à l'article 39/77, ou lorsqu'une partie a élu domicile chez un avocat, les pièces de procédure, notifications, avis et convocations visées à l'alinéa 1er peuvent être valablement envoyés par télécopie. A cet effet, les parties mentionnent leur numéro de télécopie dans leurs pièces de procédure.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la notification visée à l'article 39/69 peut avoir lieu par porteur contre accusé de réception ou par télécopie. ".
Art. 37. In artikel 39/68, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, worden de woorden " het tarief der kosten en uitgaven alsook de modaliteiten om deze te voldoen " geschrapt.
Art. 37. A l'article 39/68, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, les mots " le montant des frais et dépens ainsi que les modalités pour s'en acquitter; " sont supprimés.
Art. 38. Na artikel 39/68 van dezelfde wet wordt een artikel 39/68-1 ingevoegd, luidende :
" Art. 39/68-1. § 1. Een rolrecht van 175 euro is verschuldigd indien voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° de verzoekende partij geniet niet van het voordeel van de pro deo;
2° het betreft :
- hetzij een beroep dat is ingeleid tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van één van zijn adjuncten,
- hetzij een beroep tot nietigverklaring tegen een individuele beslissing genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging, onder de in het tweede lid bepaalde voorwaarden.
Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing wordt gevorderd, wordt het recht, vastgesteld in het eerste lid, slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing. In dit geval is het recht van het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure, bedoeld bij artikel 39/82, § 6, en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 3.
De verzoekschriften tot tussenkomst bedoeld in artikel 39/72, § 2, geven aanleiding tot de betaling van een rolrecht van 125 euro.
§ 2. Indien de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier vaststelt dat de verzoekende partij in het verzoekschrift de toepassing van het voordeel van de pro deo vraagt, zonder dat die bij het verzoekschrift de in artikel 39/69, § 1, tweede lid, 8°, bepaalde stukken heeft gevoegd, dan richt hij aan de verzoekende partij een brief waarbij wordt meegedeeld welke stukken ontbreken en waarbij die partij wordt verzocht binnen acht dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen acht dagen na de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek, wordt geacht de vereiste stukken te hebben gevoegd bij het verzoekschrift op de datum van de verzending van het verzoekschrift.
Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt onverminderd de toepassing van artikel 39/69, § 1, derde lid, geacht in te houden dat de verzoekende partij afstand doet van zijn verzoek van de pro deo te genieten.
§ 3. De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter beslist bij beschikking tot het verschuldigd zijn van het rolrecht en bepaalt het bedrag ervan.
De beoordeling van de in § 1, eerste lid, bepaalde voorwaarden geschiedt op basis van het verzoekschrift en de er op grond van artikel 39/69, § 1, eerste lid, bijgevoegde stukken.
De uitspraak over het rolrecht geschiedt zonder rechtspleging en is niet vatbaar voor enig beroep.
§ 4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekers en bestreden beslissingen zijn.
§ 5. Het rolrecht wordt door de verzoekende partij voorgeschoten. De betaling wordt verricht binnen een termijn van acht dagen, die ingaat op de dag dat de hoofdgriffier de betrokkene ter kennis brengt dat het rolrecht verschuldigd is en waarbij hij tevens op de hoogte wordt gesteld van het verschuldigde bedrag.
Indien het bedrag niet binnen de in het eerste lid bepaalde termijn is gestort, wordt het beroep niet op de rol geplaatst. De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. Bij tijdige kwijting wordt het beroep op de rol geplaatst en gaat de termijn bedoeld in artikel 39/76, § 3, in.
In afwijking van het tweede lid, moet, wanneer in de vordering tot schorsing, die gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring, de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, het verschuldigde rolrecht betaald worden op het ogenblik dat de voortzetting van de procedure wordt gevraagd, met dien verstande dat de vordering tot schorsing op zich geen aanleiding geeft tot de kwijting van het recht indien de schorsing wordt toegestaan.
Als met toepassing van artikel 39/82, § 3, eerste lid, de vordering tot schorsing zich uitsluitend beperkt tot een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en indien de vordering tot schorsing niet werd toegestaan, dan is het rolrecht voor deze vordering tot schorsing verschuldigd bij het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring.
§ 6. De Raad begroot het rolrecht en doet uitspraak over de bijdrage in de betaling ervan. Gaat het beroep tot nietigverklaring samen met of is het voorafgegaan door een vordering tot schorsing, dan wordt het recht verschuldigd voor het verzoekschrift tot nietigverklaring ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld.
§ 7. De Koning past de in § 1 bepaalde bedragen aan aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
§ 8. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van inning van de in deze bepaling bepaalde rechten.
" Art. 39/68-1. § 1. Een rolrecht van 175 euro is verschuldigd indien voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° de verzoekende partij geniet niet van het voordeel van de pro deo;
2° het betreft :
- hetzij een beroep dat is ingeleid tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van één van zijn adjuncten,
- hetzij een beroep tot nietigverklaring tegen een individuele beslissing genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging, onder de in het tweede lid bepaalde voorwaarden.
Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing wordt gevorderd, wordt het recht, vastgesteld in het eerste lid, slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing. In dit geval is het recht van het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure, bedoeld bij artikel 39/82, § 6, en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 3.
De verzoekschriften tot tussenkomst bedoeld in artikel 39/72, § 2, geven aanleiding tot de betaling van een rolrecht van 125 euro.
§ 2. Indien de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier vaststelt dat de verzoekende partij in het verzoekschrift de toepassing van het voordeel van de pro deo vraagt, zonder dat die bij het verzoekschrift de in artikel 39/69, § 1, tweede lid, 8°, bepaalde stukken heeft gevoegd, dan richt hij aan de verzoekende partij een brief waarbij wordt meegedeeld welke stukken ontbreken en waarbij die partij wordt verzocht binnen acht dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen acht dagen na de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek, wordt geacht de vereiste stukken te hebben gevoegd bij het verzoekschrift op de datum van de verzending van het verzoekschrift.
Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt onverminderd de toepassing van artikel 39/69, § 1, derde lid, geacht in te houden dat de verzoekende partij afstand doet van zijn verzoek van de pro deo te genieten.
§ 3. De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter beslist bij beschikking tot het verschuldigd zijn van het rolrecht en bepaalt het bedrag ervan.
De beoordeling van de in § 1, eerste lid, bepaalde voorwaarden geschiedt op basis van het verzoekschrift en de er op grond van artikel 39/69, § 1, eerste lid, bijgevoegde stukken.
De uitspraak over het rolrecht geschiedt zonder rechtspleging en is niet vatbaar voor enig beroep.
§ 4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekers en bestreden beslissingen zijn.
§ 5. Het rolrecht wordt door de verzoekende partij voorgeschoten. De betaling wordt verricht binnen een termijn van acht dagen, die ingaat op de dag dat de hoofdgriffier de betrokkene ter kennis brengt dat het rolrecht verschuldigd is en waarbij hij tevens op de hoogte wordt gesteld van het verschuldigde bedrag.
Indien het bedrag niet binnen de in het eerste lid bepaalde termijn is gestort, wordt het beroep niet op de rol geplaatst. De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. Bij tijdige kwijting wordt het beroep op de rol geplaatst en gaat de termijn bedoeld in artikel 39/76, § 3, in.
In afwijking van het tweede lid, moet, wanneer in de vordering tot schorsing, die gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring, de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, het verschuldigde rolrecht betaald worden op het ogenblik dat de voortzetting van de procedure wordt gevraagd, met dien verstande dat de vordering tot schorsing op zich geen aanleiding geeft tot de kwijting van het recht indien de schorsing wordt toegestaan.
Als met toepassing van artikel 39/82, § 3, eerste lid, de vordering tot schorsing zich uitsluitend beperkt tot een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en indien de vordering tot schorsing niet werd toegestaan, dan is het rolrecht voor deze vordering tot schorsing verschuldigd bij het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring.
§ 6. De Raad begroot het rolrecht en doet uitspraak over de bijdrage in de betaling ervan. Gaat het beroep tot nietigverklaring samen met of is het voorafgegaan door een vordering tot schorsing, dan wordt het recht verschuldigd voor het verzoekschrift tot nietigverklaring ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld.
§ 7. De Koning past de in § 1 bepaalde bedragen aan aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
§ 8. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van inning van de in deze bepaling bepaalde rechten.
Art. 38. Après l'article 39/68 de la même loi, il est inséré un article 39/68-1, rédigé comme suit :
" Art. 39/68-1. § 1er. Un droit de rôle de 175 euros est dû lorsque les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
1° la partie requérante ne jouit pas du bénéfice du pro deo;
2° il s'agit :
-soit, d'un recours introduit à l'encontre d'une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou de l'un de ses adjoints,
- soit, d'un recours en annulation introduit à l'encontre d'une décision individuelle prise en application des lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ainsi que des demandes de suspension de l'exécution d'une telle décision, dans les conditions fixées par l'alinéa 2.
Lorsque la suspension de l'exécution d'une décision est demandée, le droit, fixé à l'alinéa 1er, n'est dû immédiatement que pour la demande de suspension. Dans ce cas, le droit n'est dû pour la requête en annulation que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure, visée à l'article 39/82, § 6, et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du § 3.
Les requêtes en intervention visées à l'article 39/72, § 2, donnent lieu au paiement d'un droit de rôle de 125 euros.
§ 2. Si le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne constate que la partie requérante demande dans la requête l'application du bénéfice du pro deo, sans qu'elle ait joint à la requête les pièces prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 8°, il adresse à la partie requérante une lettre qui indique les pièces qui manquent et qui demande à cette partie de régulariser sa requête dans les huit jours.
La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours après la réception de la demande visée à l'alinéa 1er, est censée avoir joint les pièces requises à la requête à la date de l'envoi de la requête.
Une requête qui n'est pas régularisée ou qui est régularisée de manière incomplète ou tardive, est censée impliquer que, sans préjudice de l'application de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3, la partie requérante renonce à sa demande de bénéficier du pro deo.
§ 3. Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné décide par ordonnance que le droit de rôle est dû et en détermine le montant.
L'appréciation des conditions déterminées au § 1er, alinéa 1er, s'effectue sur la base de la requête et des pièces y jointes en vertu de l'article 39/69, § 1er, alinéa 1er.
La décision relative au droit de rôle est prise sans procédure et n'est pas susceptible d'aucun recours.
§ 4. Les requêtes collectives donnent lieu au paiement du droit autant de fois qu'il y a de requérants et de décisions attaquées.
§ 5. Le droit de rôle est avancé par la partie requérante. Le paiement est effectué dans un délai de huit jours, qui prend cours le jour où le greffier en chef informe la personne concernée que le droit de rôle est dû et où cette personne est également informée du montant dû.
Si le montant n'est pas versé dans le délai fixé à l'alinéa 1er, le recours n'est pas inscrit au rôle. Le paiement tardif ne peut être régularisé. Si le paiement est effectué à temps, le recours est inscrit au rôle et le délai visé à l'article 39/76, § 3, prend cours.
Par dérogation à l'alinéa 2, le droit de rôle dû doit, lorsque l'extrême urgence est invoquée dans la demande de suspension, accompagnée d'un recours en annulation, être payé au moment où la poursuite de la procédure est demandée, étant bien entendu que la demande de suspension en soi ne donne pas lieu à la quittance du droit au cas où la suspension est accordée.
Si, en application de l'article 39/82, § 3, alinéa 1er, la demande de suspension se limite uniquement à une demande de suspension d'extrême urgence et si la demande de suspension n'est pas accordée, le droit de rôle pour cette demande de suspension est dû lors de l'introduction d'une requête en annulation.
§ 6. Le Conseil détermine le droit de rôle et se prononce sur la contribution au paiement de celui-ci. Si le recours en annulation est accompagné ou précédé d'une demande de suspension, le droit dû pour la requête en annulation est mis à charge de la partie qui succombe au fond.
§ 7. Le Roi adapte les montants visés au § 1er en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
§ 8. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le mode de recouvrement des droits fixés par la présente disposition. ".
" Art. 39/68-1. § 1er. Un droit de rôle de 175 euros est dû lorsque les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
1° la partie requérante ne jouit pas du bénéfice du pro deo;
2° il s'agit :
-soit, d'un recours introduit à l'encontre d'une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou de l'un de ses adjoints,
- soit, d'un recours en annulation introduit à l'encontre d'une décision individuelle prise en application des lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ainsi que des demandes de suspension de l'exécution d'une telle décision, dans les conditions fixées par l'alinéa 2.
Lorsque la suspension de l'exécution d'une décision est demandée, le droit, fixé à l'alinéa 1er, n'est dû immédiatement que pour la demande de suspension. Dans ce cas, le droit n'est dû pour la requête en annulation que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure, visée à l'article 39/82, § 6, et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du § 3.
Les requêtes en intervention visées à l'article 39/72, § 2, donnent lieu au paiement d'un droit de rôle de 125 euros.
§ 2. Si le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne constate que la partie requérante demande dans la requête l'application du bénéfice du pro deo, sans qu'elle ait joint à la requête les pièces prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 8°, il adresse à la partie requérante une lettre qui indique les pièces qui manquent et qui demande à cette partie de régulariser sa requête dans les huit jours.
La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours après la réception de la demande visée à l'alinéa 1er, est censée avoir joint les pièces requises à la requête à la date de l'envoi de la requête.
Une requête qui n'est pas régularisée ou qui est régularisée de manière incomplète ou tardive, est censée impliquer que, sans préjudice de l'application de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3, la partie requérante renonce à sa demande de bénéficier du pro deo.
§ 3. Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné décide par ordonnance que le droit de rôle est dû et en détermine le montant.
L'appréciation des conditions déterminées au § 1er, alinéa 1er, s'effectue sur la base de la requête et des pièces y jointes en vertu de l'article 39/69, § 1er, alinéa 1er.
La décision relative au droit de rôle est prise sans procédure et n'est pas susceptible d'aucun recours.
§ 4. Les requêtes collectives donnent lieu au paiement du droit autant de fois qu'il y a de requérants et de décisions attaquées.
§ 5. Le droit de rôle est avancé par la partie requérante. Le paiement est effectué dans un délai de huit jours, qui prend cours le jour où le greffier en chef informe la personne concernée que le droit de rôle est dû et où cette personne est également informée du montant dû.
Si le montant n'est pas versé dans le délai fixé à l'alinéa 1er, le recours n'est pas inscrit au rôle. Le paiement tardif ne peut être régularisé. Si le paiement est effectué à temps, le recours est inscrit au rôle et le délai visé à l'article 39/76, § 3, prend cours.
Par dérogation à l'alinéa 2, le droit de rôle dû doit, lorsque l'extrême urgence est invoquée dans la demande de suspension, accompagnée d'un recours en annulation, être payé au moment où la poursuite de la procédure est demandée, étant bien entendu que la demande de suspension en soi ne donne pas lieu à la quittance du droit au cas où la suspension est accordée.
Si, en application de l'article 39/82, § 3, alinéa 1er, la demande de suspension se limite uniquement à une demande de suspension d'extrême urgence et si la demande de suspension n'est pas accordée, le droit de rôle pour cette demande de suspension est dû lors de l'introduction d'une requête en annulation.
§ 6. Le Conseil détermine le droit de rôle et se prononce sur la contribution au paiement de celui-ci. Si le recours en annulation est accompagné ou précédé d'une demande de suspension, le droit dû pour la requête en annulation est mis à charge de la partie qui succombe au fond.
§ 7. Le Roi adapte les montants visés au § 1er en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
§ 8. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le mode de recouvrement des droits fixés par la présente disposition. ".
Art. 39. In artikel 39/69, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en vervangen door de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld met een 8°, luidende :
" 8° in voorkomend geval, het verzoek te genieten van de pro deo en de stukken waaruit die aanspraak blijkt. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, de stukken die de verzoeker moet overleggen ter ondersteuning van zijn verzoek tot pro deo. ".
2° in § 1, vierde lid, worden de woorden " het derde lid " vervangen door de woorden " het derde lid, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° ".
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. De hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier geeft onmiddellijk na ontvangst van de beroepen die op de rol worden ingeschreven, of indien er een rolrecht verschuldigd is vanaf de datum waarop het beroep op de rol wordt geplaatst, kennis ervan aan de minister of zijn gemachtigde, behalve wanneer het beroep is afgegeven aan de gemachtigde van de minister met toepassing van § 2. ".
1° paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld met een 8°, luidende :
" 8° in voorkomend geval, het verzoek te genieten van de pro deo en de stukken waaruit die aanspraak blijkt. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, de stukken die de verzoeker moet overleggen ter ondersteuning van zijn verzoek tot pro deo. ".
2° in § 1, vierde lid, worden de woorden " het derde lid " vervangen door de woorden " het derde lid, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° ".
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. De hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier geeft onmiddellijk na ontvangst van de beroepen die op de rol worden ingeschreven, of indien er een rolrecht verschuldigd is vanaf de datum waarop het beroep op de rol wordt geplaatst, kennis ervan aan de minister of zijn gemachtigde, behalve wanneer het beroep is afgegeven aan de gemachtigde van de minister met toepassing van § 2. ".
Art. 39. A l'article 39/69, de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, et modifié par la loi du 6 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1er, alinéa 2 est complété par un 8°, rédigé comme suit :
" 8° le cas échéant, la demande de bénéficier du pro deo et les pièces qui font apparaître ce droit. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les pièces que le demandeur doit déposer à l'appui de sa demande de pro deo. ".
2° dans le § 1er, alinéa 4, les mots " l'alinéa 3 " sont remplacés par les mots " l'alinéa 3, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° ".
3° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Après réception des recours inscrits au rôle ou, si un droit de rôle est dû, à partir de la date où le recours est inscrit au rôle, le greffier en chef ou le greffier désigné par celui-ci les porte immédiatement à la connaissance du ministre ou de son délégué, sauf lorsque le recours a été remis au délégué du ministre en application du § 2. ".
1° le § 1er, alinéa 2 est complété par un 8°, rédigé comme suit :
" 8° le cas échéant, la demande de bénéficier du pro deo et les pièces qui font apparaître ce droit. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les pièces que le demandeur doit déposer à l'appui de sa demande de pro deo. ".
2° dans le § 1er, alinéa 4, les mots " l'alinéa 3 " sont remplacés par les mots " l'alinéa 3, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° ".
3° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Après réception des recours inscrits au rôle ou, si un droit de rôle est dû, à partir de la date où le recours est inscrit au rôle, le greffier en chef ou le greffier désigné par celui-ci les porte immédiatement à la connaissance du ministre ou de son délégué, sauf lorsque le recours a été remis au délégué du ministre en application du § 2. ".
Art. 40. In artikel 39/71 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt de zin " De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld in overleg in de Ministerraad de wijze van kennisgeving. " geschrapt.
Art. 40. A l'article 39/71 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, la phrase " Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le mode de notification. " est supprimée.
Art. 41. Artikel 39/73 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
" Art. 39/73. § 1. De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onderzoekt bij voorrang de beroepen met betrekking tot dewelke hij van oordeel is dat het niet vereist is dat de partijen nog mondelinge opmerkingen voordragen.
§ 2. Bij beschikking stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partijen in kennis dat de kamer zonder een terechtzitting uitspraak zal doen tenzij één van de partijen, binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking, vraagt om gehoord te worden. In de beschikking wordt de grond meegedeeld waarop de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter zich steunt om te oordelen dat het beroep door middel van een louter schriftelijke procedure kan ingewilligd of verworpen worden. Indien een nota met opmerkingen is ingediend, wordt deze samen met de beschikking medegedeeld.
§ 3. Indien geen der partijen vraagt om te worden gehoord dan worden deze geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond en wordt naargelang het geval de afstand van het geding of de gegrondheid van het beroep vastgesteld.
§ 4. Indien één der partijen tijdig heeft gevraagd om gehoord te worden, dan bepaalt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onverwijld bij beschikking de dag en het uur van de terechtzitting.
§ 5. Na de partijen gehoord te hebben in hun replieken doet de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onverwijld uitspraak. ".
" Art. 39/73. § 1. De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onderzoekt bij voorrang de beroepen met betrekking tot dewelke hij van oordeel is dat het niet vereist is dat de partijen nog mondelinge opmerkingen voordragen.
§ 2. Bij beschikking stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partijen in kennis dat de kamer zonder een terechtzitting uitspraak zal doen tenzij één van de partijen, binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking, vraagt om gehoord te worden. In de beschikking wordt de grond meegedeeld waarop de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter zich steunt om te oordelen dat het beroep door middel van een louter schriftelijke procedure kan ingewilligd of verworpen worden. Indien een nota met opmerkingen is ingediend, wordt deze samen met de beschikking medegedeeld.
§ 3. Indien geen der partijen vraagt om te worden gehoord dan worden deze geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond en wordt naargelang het geval de afstand van het geding of de gegrondheid van het beroep vastgesteld.
§ 4. Indien één der partijen tijdig heeft gevraagd om gehoord te worden, dan bepaalt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onverwijld bij beschikking de dag en het uur van de terechtzitting.
§ 5. Na de partijen gehoord te hebben in hun replieken doet de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onverwijld uitspraak. ".
Art. 41. L'article 39/73 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 39/73. § 1er. Le président de chambre ou le juge qu'il désigne examine en priorité les recours pour lesquels il considère qu'il n'est pas nécessaire que les parties exposent encore oralement leurs remarques.
§ 2. Par ordonnance, le président de chambre ou le juge qu'il désigne notifie aux parties que la chambre statuera sans audience, à moins que, dans un délai de quinze jours après l'envoi de l'ordonnance, une des parties demande à être entendue. L'ordonnance communique le motif sur lequel le président de chambre ou le juge qu'il désigne se fonde pour juger que le recours peut être suivi ou rejeté selon une procédure purement écrite. Si une note d'observation a été déposée, cette note est communiquée en même temps que l'ordonnance.
§ 3. Si aucune des parties ne demande à être entendue, celles-ci sont censées donner leur consentement au motif indiqué dans l'ordonnance et, selon le cas, le désistement d'instance ou le bien fondé du recours est constaté.
§ 4. Si une des parties a demandé à être entendue dans le délai, le président de chambre ou le juge qu'il désigne fixe, par ordonnance et sans délai, le jour et l'heure de l'audience.
§ 5. Après avoir entendu les répliques des parties, le président de chambre ou le juge qu'il désigne statue sans délai. ".
" Art. 39/73. § 1er. Le président de chambre ou le juge qu'il désigne examine en priorité les recours pour lesquels il considère qu'il n'est pas nécessaire que les parties exposent encore oralement leurs remarques.
§ 2. Par ordonnance, le président de chambre ou le juge qu'il désigne notifie aux parties que la chambre statuera sans audience, à moins que, dans un délai de quinze jours après l'envoi de l'ordonnance, une des parties demande à être entendue. L'ordonnance communique le motif sur lequel le président de chambre ou le juge qu'il désigne se fonde pour juger que le recours peut être suivi ou rejeté selon une procédure purement écrite. Si une note d'observation a été déposée, cette note est communiquée en même temps que l'ordonnance.
§ 3. Si aucune des parties ne demande à être entendue, celles-ci sont censées donner leur consentement au motif indiqué dans l'ordonnance et, selon le cas, le désistement d'instance ou le bien fondé du recours est constaté.
§ 4. Si une des parties a demandé à être entendue dans le délai, le président de chambre ou le juge qu'il désigne fixe, par ordonnance et sans délai, le jour et l'heure de l'audience.
§ 5. Après avoir entendu les répliques des parties, le président de chambre ou le juge qu'il désigne statue sans délai. ".
Art. 42. In dezelfde wet wordt na artikel 39/73 een artikel 39/73-1 ingevoegd, luidende :
" Art. 39/73-1. Als de Raad vindt dat een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep verantwoord kan zijn, bepaalt het arrest daartoe een terechtzitting op een nabije datum.
Het arrest wordt betekend aan de partijen.
Het arrest dat de geldboete uitspreekt, geldt in elk geval als op tegenspraak gewezen.
De geldboete gaat van 125 tot 2 500 euro. De Koning past elk jaar deze bedragen aan ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere modaliteiten inzake de inning van de geldboete. ".
" Art. 39/73-1. Als de Raad vindt dat een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep verantwoord kan zijn, bepaalt het arrest daartoe een terechtzitting op een nabije datum.
Het arrest wordt betekend aan de partijen.
Het arrest dat de geldboete uitspreekt, geldt in elk geval als op tegenspraak gewezen.
De geldboete gaat van 125 tot 2 500 euro. De Koning past elk jaar deze bedragen aan ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere modaliteiten inzake de inning van de geldboete. ".
Art. 42. Après l'article 39/73 de la même loi, il est inséré un article 39/73-1, rédigé comme suit :
" Art. 39/73-1. Si le Conseil estime qu'une amende pour recours manifestement abusif peut être justifiée, l'arrêt qu'il prononce en ce sens fixe une audience à une date rapprochée.
L'arrêt est notifié aux parties.
L'arrêt qui prononce l'amende est en tout cas réputé contradictoire.
L'amende peut être de 125 à 2.500 euros. Chaque année, le Roi adapte ces montants en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités relatives au recouvrement de l'amende. ".
" Art. 39/73-1. Si le Conseil estime qu'une amende pour recours manifestement abusif peut être justifiée, l'arrêt qu'il prononce en ce sens fixe une audience à une date rapprochée.
L'arrêt est notifié aux parties.
L'arrêt qui prononce l'amende est en tout cas réputé contradictoire.
L'amende peut être de 125 à 2.500 euros. Chaque année, le Roi adapte ces montants en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités relatives au recouvrement de l'amende. ".
Art. 43. In artikel 39/76, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, wordt het eerste lid aangevuld met de worden :
" , of indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol. ".
" , of indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol. ".
Art. 43. Dans l'article 39/76, § 3, de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 6 mai 2009, l'alinéa 1er est complété par les mots :
" , ou si un droit de rôle doit être acquitté, à partir de l'inscription au rôle. ".
" , ou si un droit de rôle doit être acquitté, à partir de l'inscription au rôle. ".
Art. 44. In artikel 39/81 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2007 en 23 decembre 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, tweede streepje, worden na de woorden " - 39/73, § 1 " de woorden " , eerste en tweede lid en § 2 " opgeheven;
2° in het eerste lid, tussen het tweede en het derde streepje wordt het volgende streepje ingevoegd :
" - 39/73-1; ";
3° het derde, vierde en vijfde lid worden vervangen als volgt;
" Indien na ontvangst van de nota met opmerkingen de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter van oordeel is dat de juridische complexiteit van de zaak de neerlegging vereist van een synthesememorie zijnde een memorie waarin de verzoekende partij al haar argumenten op een rij zet, beveelt hij de neerlegging ervan bij beschikking. De griffie brengt deze beschikking, samen met de nota met opmerkingen, ter kennis aan de verzoekende partij. De verzoekende partij beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, om deze synthesememorie neer te leggen. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft en zonder afbreuk te doen aan artikel 39/60, doet de Raad uitspraak op basis van de synthesememorie.
Indien de verzoekende partij binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen synthesememorie heeft ingediend, doet de Raad nadat de partijen die daarom verzocht hebben gehoord zijn, zonder verwijl uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld.
Indien de verzoekende partij tijdig een synthesememorie heeft ingediend, wordt de procedure verder gezet overeenkomstig het eerste lid. ". (NOTA : bij arrest nr 88/2012 van 12-07-2012 (nog niet gepubliceerd in het B.St.), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 44,3° vernietigd)
1° in het eerste lid, tweede streepje, worden na de woorden " - 39/73, § 1 " de woorden " , eerste en tweede lid en § 2 " opgeheven;
2° in het eerste lid, tussen het tweede en het derde streepje wordt het volgende streepje ingevoegd :
" - 39/73-1; ";
3° het derde, vierde en vijfde lid worden vervangen als volgt;
" Indien na ontvangst van de nota met opmerkingen de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter van oordeel is dat de juridische complexiteit van de zaak de neerlegging vereist van een synthesememorie zijnde een memorie waarin de verzoekende partij al haar argumenten op een rij zet, beveelt hij de neerlegging ervan bij beschikking. De griffie brengt deze beschikking, samen met de nota met opmerkingen, ter kennis aan de verzoekende partij. De verzoekende partij beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, om deze synthesememorie neer te leggen. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft en zonder afbreuk te doen aan artikel 39/60, doet de Raad uitspraak op basis van de synthesememorie.
Indien de verzoekende partij binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen synthesememorie heeft ingediend, doet de Raad nadat de partijen die daarom verzocht hebben gehoord zijn, zonder verwijl uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld.
Indien de verzoekende partij tijdig een synthesememorie heeft ingediend, wordt de procedure verder gezet overeenkomstig het eerste lid. ". (NOTA : bij arrest nr 88/2012 van 12-07-2012 (nog niet gepubliceerd in het B.St.), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 44,3° vernietigd)
Art. 44. A l'article 39/81 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par les lois des 4 mai 2007 et 23 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, deuxième tiret, après les mots " -39/73, § 1er " les mots " , alinéas 1er et 2, et § 2 " sont abrogés;
2° à l'alinéa 1er, le tiret suivant est inséré entre les tirets 2 et 3 :
" - 39/73-1; ";
3° les alinéas 3, 4 et 5 sont remplacés comme suit :
" Si, après réception de la note d'observation, le président de chambre ou le juge qu'il désigne considère que la complexité juridique de l'affaire requiert le dépôt d'un mémoire de synthèse, à savoir, un mémoire où la partie requérante expose tous ses arguments, il ordonne le dépôt de celui-ci par ordonnance. Le greffe notifie cette ordonnance, accompagnée de la note d'observation, à la partie requérante. La partie requérante dispose d'un délai de quinze jours, à compter de sa notification, pour déposer ce mémoire de synthèse. Sauf en ce qui concerne la recevabilité du recours et des moyens et sans préjudice de l'article 39/60, le Conseil statue sur la base du mémoire de synthèse.
Si la partie requérante n'a pas introduit de mémoire de synthèse dans le délai déterminé à l'alinéa 3, le Conseil statue sans délai après avoir entendu les parties qui en ont fait la demande, tout en constatant l'absence de l'intérêt requis.
Si la partie requérante a introduit un mémoire de synthèse dans le délai, la procédure est poursuivie conformément à l'alinéa 1er. ". (NOTE : par arrêt N° 88/2012 van 12-07-2012 (non encore publié au M.B.), la Cour constitutionnelle a annulé ce 3°)
1° dans l'alinéa 1er, deuxième tiret, après les mots " -39/73, § 1er " les mots " , alinéas 1er et 2, et § 2 " sont abrogés;
2° à l'alinéa 1er, le tiret suivant est inséré entre les tirets 2 et 3 :
" - 39/73-1; ";
3° les alinéas 3, 4 et 5 sont remplacés comme suit :
" Si, après réception de la note d'observation, le président de chambre ou le juge qu'il désigne considère que la complexité juridique de l'affaire requiert le dépôt d'un mémoire de synthèse, à savoir, un mémoire où la partie requérante expose tous ses arguments, il ordonne le dépôt de celui-ci par ordonnance. Le greffe notifie cette ordonnance, accompagnée de la note d'observation, à la partie requérante. La partie requérante dispose d'un délai de quinze jours, à compter de sa notification, pour déposer ce mémoire de synthèse. Sauf en ce qui concerne la recevabilité du recours et des moyens et sans préjudice de l'article 39/60, le Conseil statue sur la base du mémoire de synthèse.
Si la partie requérante n'a pas introduit de mémoire de synthèse dans le délai déterminé à l'alinéa 3, le Conseil statue sans délai après avoir entendu les parties qui en ont fait la demande, tout en constatant l'absence de l'intérêt requis.
Si la partie requérante a introduit un mémoire de synthèse dans le délai, la procédure est poursuivie conformément à l'alinéa 1er. ". (NOTE : par arrêt N° 88/2012 van 12-07-2012 (non encore publié au M.B.), la Cour constitutionnelle a annulé ce 3°)
Art. 45. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum waarop de artikelen 38 tot 40 en 43 in werking treden.
De artikelen 42 en 44 zijn van toepassing op de beroepen die bij de Raad worden ingesteld na de inwerkingtreding van deze wet.
De artikelen 42 en 44 zijn van toepassing op de beroepen die bij de Raad worden ingesteld na de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 45. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la date d'entrée en vigueur des articles 38 à 40 et 43.
Les articles 42 et 44 sont applicables à tous les recours introduits devant le Conseil après l'entrée en vigueur de la présente loi.
Les articles 42 et 44 sont applicables à tous les recours introduits devant le Conseil après l'entrée en vigueur de la présente loi.
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 38 à 40 et 43 fixée au 01-04-2011 par
AR 2011-03-16/01, art. 3, 1°)
AR 2011-03-16/01, art. 3, 1°)
TITEL 4. - Mobiliteit
TITRE 4. - Mobilité
ENIG HOOFDSTUK. - Milieu en Mobiliteit - Wijziging van de wet van 18 februari 1969 en van de wet van 21 juni 1985 met het oog op de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht
CHAPITRE UNIQUE. - Environnement et Mobilité - Modification de la loi du 18 février 1969 et de la loi du 21 juin 1985 afin de transposer partiellement la Directive 2008/99/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative à la protection de l'environnement par le droit pénal
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Section 1re. - Disposition générale
Art. 46. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.
Art. 46. Le présent chapitre transpose partiellement la Directive 2008/99/CE du Parlement Européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative à la protection de l'environnement par le droit pénal.
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg
Section 2. - Modification de la loi du 18 février 1969 relative aux mesures d'exécution des traités et actes internationaux en matière de transport par mer, par route, par chemin de fer ou par voie navigable
Art. 47. In artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, gewijzigd bij de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I), wordt het laatste lid vervangen als volgt :
" Met uitzondering van de inbreuken bedoeld in het tweede tot vierde lid, neemt de politierechtbank kennis van de inbreuken bepaald in dit artikel. "
" Met uitzondering van de inbreuken bedoeld in het tweede tot vierde lid, neemt de politierechtbank kennis van de inbreuken bepaald in dit artikel. "
Art. 47. Dans l'article 2, § 1er, de la loi du 18 février 1969 relative aux mesures d'exécution des traités et actes internationaux en matière de transport par mer, par route, par chemin de fer ou par voie navigable, modifié par la loi du 29 décembre 2010 portant des dispositions diverses (I), le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" A l'exception des infractions visées aux alinéas 2 à 4, le tribunal de police connaît des infractions prévues par le présent article. "
" A l'exception des infractions visées aux alinéas 2 à 4, le tribunal de police connaît des infractions prévues par le présent article. "
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen
Section 3. - Modification de la loi du 21 juin 1985 relative aux conditions techniques auxquelles doivent répondre tout véhicule de transport par terre, ses éléments ainsi que les accessoires de sécurité
Art. 48. In artikel 4, § 1, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, gewijzigd bij de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I), wordt het laatste lid vervangen als volgt :
" Met uitzondering van de inbreuken bedoeld in het tweede tot vierde lid, neemt de politierechtbank kennis van de inbreuken bepaald in dit artikel. ".
" Met uitzondering van de inbreuken bedoeld in het tweede tot vierde lid, neemt de politierechtbank kennis van de inbreuken bepaald in dit artikel. ".
Art. 48. Dans l'article 4, § 1er, de la loi du 21 juin 1985 relative aux conditions techniques auxquelles doivent répondre tout véhicule de transport par terre, ses éléments ainsi que les accessoires de sécurité, modifié par la loi du 29 décembre 2010 portant des dispositions diverses (I) le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" A l'exception des infractions visées aux alinéas 2 à 4, le tribunal de police connaît des infractions prévues par le présent article. ".
" A l'exception des infractions visées aux alinéas 2 à 4, le tribunal de police connaît des infractions prévues par le présent article. ".
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du Sceau de l'Etat et publiée au Moniteur belge.
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 29 décembre 2010.
ALBERT
Par le Roi :
Le Premier Ministre,
Y. LETERME
La Ministre chargée de la Politique de migration et d'asile,
Mme J. MILQUET
Le Ministre de la Justice,
S. DE CLERCK
Le Secrétaire d'Etat à la Mobilité,
E. SCHOUPPE
Le Secrétaire d'Etat à la Politique de migration et d'asile,
M. WATHELET
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
S. DE CLERCK
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 29 décembre 2010.
ALBERT
Par le Roi :
Le Premier Ministre,
Y. LETERME
La Ministre chargée de la Politique de migration et d'asile,
Mme J. MILQUET
Le Ministre de la Justice,
S. DE CLERCK
Le Secrétaire d'Etat à la Mobilité,
E. SCHOUPPE
Le Secrétaire d'Etat à la Politique de migration et d'asile,
M. WATHELET
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
S. DE CLERCK
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 29 december 2010.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Y. LETERME
De Minister belast met het Migratie- en asielbeleid,
Mevr. J. MILQUET
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
E. SCHOUPPE
De Staatssecretaris voor het Migratie- en asielbeleid,
M. WATHELET
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Y. LETERME
De Minister belast met het Migratie- en asielbeleid,
Mevr. J. MILQUET
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
E. SCHOUPPE
De Staatssecretaris voor het Migratie- en asielbeleid,
M. WATHELET
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
-