Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 AUGUSTUS 2010. - Koninklijk besluit tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het statuut van de militairen
Titre
26 AOUT 2010. - Arrêté royal modifiant diverses dispositions relatives au statut des militaires
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives Section 1re. - Modification de l'arrêté royal d... Section 2. - Modification de l'arrêté royal du ... Section 3. - Modification de l'arrêté royal du ... Section 4. - Modification de l'arrêté royal du ... Section 5. - Modification de l'arrêté royal du ... Section 6. - Modification de l'arrêté royal du ... Section 7. - Modification de l'arrêté royal du ... Section 8. - Modification de l'arrêté royal du ... Section 9. - Modification de l'arrêté royal du ... Section 10. - Modification de l'arrêté royal du... Section 11. - Modification de l'arrêté royal du... Section 12. - Modification de l'arrêté royal du... Section 13. - Modification de l'arrêté royal du... Section 14. - Modification de l'arrêté royal du... Section 15. - Modification de l'arrêté royal du... Section 16. - Modification de l'arrêté royal du... Section 17. - Modification de l'arrêté royal du... Section 18. - Modification de l'arrêté royal du... Section 19. - Modification de l'arrêté royal du... Section 20. - Modification de l'arrêté royal du... Section 21. - Modification de l'arrêté royal du... Section 22. - Modification de l'arrêté royal du... Section 23. - Modification de l'arrêté royal du... Section 24. - Modification de l'arrêté royal du... Section 25. - Modification de l'arrêté royal du... Section 26. - Modification de l'arrêté royal du... Section 27. - Modification de l'arrêté royal du... CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires et finales
Tekst (98)
Texte (98)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren
Section 1re. - Modification de l'arrêté royal du 7 avril 1959 relatif à la position et à l'avancement des officiers de carrière
Artikel 1. In het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren wordt een artikel 27bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 27bis. De commissie bedoeld in artikel 27 wordt eveneens samengesteld wanneer een officier bij ordemaatregel geschorst is voor zover er geen procedure ingesteld werd die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben. Deze informatiecommissie kan aan de minister van Landsverdediging voorstellen :
  1°de schorsing bij ordemaatregel te verlengen;
  2° de betrokken officier naar een onderzoeksraad te verwijzen wanneer ze oordeelt dat de feiten voldoende ernstig zijn om een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege ten gevolge te hebben;
  3° wanneer ze oordeelt dat de feiten niet voldoende ernstig zijn om een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege ten gevolge te hebben :
  a) de betrokken officier tijdelijk van zijn ambt bij tuchtmaatregel te ontheffen;
  b) het dossier te verwijzen naar de korpstucht;
  c) de zaak zonder gevolg te klasseren;
  4° een einde te stellen aan de schorsing bij ordemaatregel en een andere ordemaatregel te nemen;
  5° een einde te stellen aan de schorsing bij ordemaatregel.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, maakt de informatiecommissie het omstandig verslag bedoeld in artikel 24 op.
  Het voorstel bedoeld in het eerste lid wordt uitgebracht binnen de vijf maanden die volgen op de datum waarop de schorsing bij ordemaatregel is begonnen.
  Telkens als de schorsing bij ordemaatregel verlengd wordt boven de zes maanden die volgen op de datum waarop de schorsing bij ordemaatregel is begonnen, zonder dat een procedure ingesteld is die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben, spreekt de commissie een voorstel uit binnen de twee maanden volgend op de verlenging van deze schorsing.
  Wanneer de schorsing bij ordemaatregel opgeschort wordt in toepassing van artikel 18, § 4, van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht, wordt de termijn bedoeld in het derde of het vierde lid verlengd met de duur van de schorsingsperiode. " .
Article 1er. Dans l'arrêté royal du 7 avril 1959 relatif à la position et à l'avancement des officiers de carrière, il est inséré un article 27bis rédigé comme suit :
  " Art. 27bis. La commission visée à l'article 27 est également constituée lorsqu'un officier est suspendu par mesure d'ordre sans qu'une procédure pouvant donner lieu à une mesure statutaire ne soit entamée. Cette commission d'information peut proposer au ministre de la Défense :
  1°de prolonger la suspension par mesure d'ordre;
  2° de renvoyer l'officier concerné devant un conseil d'enquête lorsqu'elle estime que les faits sont suffisamment graves pour donner lieu à un retrait définitif d'emploi par démission d'office;
  3° lorsqu'elle estime que les faits ne sont pas suffisamment graves pour donner lieu à un retrait définitif d'emploi par démission d'office :
  a) de retirer temporairement l'officier concerné de son emploi par mesure disciplinaire;
  b) de renvoyer le dossier à la discipline du corps;
  c) de classer l'affaire sans suite;
  4° de mettre fin à la suspension par mesure d'ordre et de prendre une autre mesure d'ordre;
  5° de mettre fin à la suspension par mesure d'ordre.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, la commission d'information rédige le rapport circonstancié visé à l'article 24.
  La proposition visée à l'alinéa 1er est rendue dans les cinq mois qui suivent la date à laquelle la suspension par mesure d'ordre a débuté.
  Chaque fois que la suspension par mesure d'ordre est prolongée au-delà des six mois qui suivent la date à laquelle la suspension par mesure d'ordre a débuté, sans qu'une procédure donnant lieu à une mesure statutaire ne soit entamée, la commission émet une proposition dans les deux mois qui suivent la prolongation de cette suspension.
  Lorsque la suspension par mesure d'ordre est suspendue en application de l'article 18, § 4, de la loi du 1er mars 1958 relative au statut des officiers de carrière des forces armées, le délai visé à l'alinéa 3 ou 4 est prolongé de la durée de la période de suspension. ".
Art.2. Artikel 28, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgende zin :
  " De betrokken officier mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. ".
Art.2. L'article 28, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, est complété par la phrase suivante :
  " L'officier en cause peut être assisté de la personne de son choix. ".
Art.3. In artikel 33 van hetzelfde besluit worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt :
  " § 2. De betrokken officier kan elk lid van de onderzoeksraad wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de onderzoeksraad :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken officier;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken officier niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken officier of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de onderzoeksraad indien de wrakingsgrond een lid van de onderzoeksraad betreft;
  2° bij de directeur-generaal human resources indien de wrakingsgrond de voorzitter betreft.
  Indien de voorzitter of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van vijf werkdagen volgend op de dag van de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving. " .
Art.3. Dans l'article 33 du même arrêté, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. L'officier en cause peut récuser tout membre du conseil d'enquête pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre du conseil d'enquête :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré de l'officier en cause;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier l'officier en cause en toute impartialité.
  L'officier en cause ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président du conseil d'enquête si la cause de récusation concerne un membre du conseil d'enquête;
  2° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président.
  Si le président ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans un délai de cinq jours ouvrables suivant le jour de la notification visée au paragraphe 1er. ".
Art.4. In artikel 36, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden " op uur en plaats " vervangen door de woorden " op uren en de plaats ".
Art.4. Dans l'article 36, § 2, du même arrêté, les mots " aux heures et endroit " sont remplacés par les mots " aux heures et au lieu ".
Art.5. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 4 van hoofdstuk V vervangen als volgt :
  " Rendementsperiode ".
Art.5. Dans le même arrêté, l'intitulé de la section 4 du chapitre V est remplacé par ce qui suit :
  " La période de rendement ".
Art.6. Artikel 43 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, wordt hersteld als volgt :
  " Art. 43. Om aanleiding te geven tot een rendementsperiode, moet de gecumuleerde kostprijs op een periode van twee jaar van een vorming, gevolgd op kosten van het ministerie van Landsverdediging, minstens 5.000 euro bedragen. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 138,01 ".
Art.6. L'article 43 du même arrêté, abrogé par l'arrêté royal du 23 juin 2005, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 43. Pour donner lieu à une période de rendement, le coût cumulé sur une période de deux ans d'une formation suivie aux frais du ministère de la Défense doit s'élever à 5.000 euros au minimum. Ce montant est lié à l'indice-pivot 138,01 ".
Afdeling 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht
Section 2. - Modification de l'arrêté royal du 25 octobre 1963 relatif au statut des sous-officiers du cadre actif des forces armées
Art.7. In artikel 17 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 augustus 2003 en 18 februari 2009, wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende :
  " § 2bis. De kandidaat kan elk lid van de examencommissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de examencommissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van een kandidaat;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij een kandidaat niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De kandidaat of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de examencommissie indien de wrakingsgrond een lid van zijn examencommissie betreft;
  2° bij de directeur-generaal human resources indien de wrakingsgrond de voorzitter betreft.
  Indien de voorzitter of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs. " .
Art.7. Dans l'article 17 de l'arrêté royal du 25 octobre 1963 relatif au statut des sous-officiers du cadre actif des forces armées, modifié par les arrêtés royaux des 20 août 2003 et 18 février 2009, il est inséré un paragraphe 2bis rédigé comme suit :
  " § 2bis. Le candidat peut récuser tout membre du jury pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre du jury :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré d'un candidat;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier un candidat en toute impartialité.
  Le candidat ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président du jury si la cause de récusation concerne un membre de son jury;
  2° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président.
  Si le président ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception. ".
Art.8. In hetzelfde besluit wordt een artikel 27bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 27bis. De commissie bedoeld in artikel 27 wordt eveneens samengesteld wanneer een onderofficier bij ordemaatregel geschorst is voor zover er geen procedure ingesteld werd die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben. Deze informatiecommissie kan aan de minister van Landsverdediging voorstellen :
  1° de schorsing bij ordemaatregel te verlengen;
  2° de betrokken onderofficier naar een onderzoeksraad te verwijzen wanneer ze oordeelt dat de feiten voldoende ernstig zijn om een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege ten gevolge te hebben;
  3° wanneer ze oordeelt dat de feiten niet voldoende ernstig zijn om een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege ten gevolge te hebben :
  a) de betrokken onderofficier tijdelijk van zijn ambt bij tuchtmaatregel te ontheffen;
  b) het dossier te verwijzen naar de korpstucht;
  c) de zaak zonder gevolg te klasseren;
  4° een einde te stellen aan de schorsing bij ordemaatregel en een andere ordemaatregel te nemen;
  5° een einde te stellen aan de schorsing bij ordemaatregel.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, maakt de informatiecommissie het omstandig verslag bedoeld in artikel 24 op.
  Het voorstel bedoeld in het eerste lid wordt uitgebracht binnen de vijf maanden die volgen op de datum waarop de schorsing bij ordemaatregel is begonnen.
  Telkens als de schorsing bij ordemaatregel verlengd wordt boven de zes maanden die volgen op de datum waarop de schorsing bij ordemaatregel is begonnen, zonder dat een procedure ingesteld is die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben, spreekt de commissie een voorstel uit binnen de twee maanden volgend op de verlenging van deze schorsing.
  Wanneer de schorsing bij ordemaatregel opgeschort wordt in toepassing van artikel 20, § 4, van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht, wordt de termijn bedoeld in het derde of het vierde lid verlengd met de duur van de schorsingsperiode. " .
Art.8. Dans le même arrêté, il est inséré un article 27bis rédigé comme suit :
  " Art. 27bis. La commission visée à l'article 27 est également constituée lorsqu'un sous-officier est suspendu par mesure d'ordre sans qu'une procédure pouvant donner lieu à une mesure statutaire ne soit entamée. Cette commission d'information peut proposer au ministre de la Défense :
  1° de prolonger la suspension par mesure d'ordre;
  2° de renvoyer le sous-officier concerné devant un conseil d'enquête lorsqu'elle estime que les faits sont suffisamment graves pour donner lieu à un retrait définitif d'emploi par démission d'office;
  3° lorsqu'elle estime que les faits ne sont pas suffisamment graves pour donner lieu à un retrait définitif d'emploi par démission d'office :
  a) de retirer temporairement le sous-officier concerné de son emploi par mesure disciplinaire;
  b) de renvoyer le dossier à la discipline du corps;
  c) de classer l'affaire sans suite;
  4° de mettre fin à la suspension par mesure d'ordre et de prendre une autre mesure d'ordre;
  5° de mettre fin à la suspension par mesure d'ordre.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, la commission d'information rédige le rapport circonstancié visé à l'article 24.
  La proposition visée à l'alinéa 1er est rendue dans les cinq mois qui suivent la date à laquelle la suspension par mesure d'ordre a débuté.
  Chaque fois que la suspension par mesure d'ordre est prolongée au-delà des six mois qui suivent la date à laquelle la suspension par mesure d'ordre a débuté, sans qu'une procédure donnant lieu à une mesure statutaire ne soit entamée, la commission émet une proposition dans les deux mois qui suivent la prolongation de cette suspension.
  Lorsque la suspension par mesure d'ordre est suspendue en application de l'article 20, § 4, de la loi du 27 décembre 1961 relative au statut des sous-officiers du cadre actif des forces armées, le délai visé à l'alinéa 3 ou 4 est prolongé de la durée de la période de suspension. ".
Art.9. Artikel 28, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgende zin :
  " De betrokken onderofficier mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. ".
Art.9. L'article 28, § 2, alinéa 1er, du même arrêté, est complété par la phrase suivante :
  " Le sous-officier en cause peut être assisté de la personne de son choix. ".
Art.10. In artikel 35 van hetzelfde besluit worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt :
  " § 2. De betrokken onderofficier kan elk lid van de onderzoeksraad wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de onderzoeksraad :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken onderofficier;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken onderofficier niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken onderofficier of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de onderzoeksraad indien de wrakingsgrond een lid van de onderzoeksraad betreft;
  2° bij de directeur-generaal human resources indien de wrakingsgrond de voorzitter betreft.
  Indien de voorzitter of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen de termijn bepaald in paragraaf 1. ".
Art.10. Dans l'article 35 du même arrêté, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. Le sous-officier en cause peut récuser tout membre du conseil d'enquête pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre du conseil d'enquête :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du sous-officier en cause;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le sous-officier en cause en toute impartialité.
  Le sous-officier en cause ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président du conseil d'enquête si la cause de récusation concerne un membre du conseil d'enquête;
  2° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président.
  Si le président ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans le délai fixé au paragraphe 1er. ".
Art.11. In artikel 36 van hetzelfde besluit worden de woorden " § 2, tweede lid " vervangen door de woorden " § 1 ".
Art.11. Dans l'article 36 du même arrêté, les mots " § 2, alinéa 2 " sont remplacés par les mots " § 1er ".
Art.12. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling IV van hoofdstuk V vervangen als volgt :
  " Rendementsperiode ".
Art.12. Dans le même arrêté, l'intitulé de la section IV du chapitre V est remplacé par ce qui suit :
  " La période de rendement ".
Art.13. Artikel 47 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, wordt hersteld als volgt :
  " Art. 47. Om aanleiding te geven tot een rendementsperiode, moet de gecumuleerde kostprijs op een periode van twee jaar van een vorming, gevolgd op kosten van het ministerie van Landsverdediging, minstens 5.000 euro bedragen. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 138,01 ".
Art.13. L'article 47 du même arrêté, abrogé par l'arrêté royal du 23 juin 2005, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 47. Pour donner lieu à une période de rendement, le coût cumulé sur une période de deux ans d'une formation suivie aux frais du ministère de la Défense, doit s'élever à 5.000 euros au minimum. Ce montant est lié à l'indice-pivot 138,01 ".
Afdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht
Section 3. - Modification de l'arrêté royal du 11 juin 1974 relatif au statut des volontaires du cadre actif des forces armées
Art.14. In het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 8bis. De commissie bedoeld in artikel 8 wordt eveneens samengesteld wanneer een vrijwilliger bij ordemaatregel geschorst is voor zover er geen procedure ingesteld werd die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben. Deze informatiecommissie kan aan de minister van Landsverdediging voorstellen :
  1° de schorsing bij ordemaatregel te verlengen;
  2° de betrokken vrijwilliger naar een onderzoeksraad te verwijzen wanneer ze oordeelt dat de feiten voldoende ernstig zijn om een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege ten gevolge te hebben;
  3° wanneer ze oordeelt dat de feiten niet voldoende ernstig zijn om een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege ten gevolge te hebben :
  a) de betrokken vrijwilliger tijdelijk van zijn ambt bij tuchtmaatregel te ontheffen;
  b) het dossier te verwijzen naar de korpstucht;
  c) de zaak zonder gevolg te klasseren;
  4° een einde te stellen aan de schorsing bij ordemaatregel en een andere ordemaatregel te nemen;
  5° een einde te stellen aan de schorsing bij ordemaatregel.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, maakt de informatiecommissie het omstandig verslag bedoeld in artikel 5 op.
  Het voorstel bedoeld in het eerste lid wordt uitgebracht binnen de vijf maanden die volgen op de datum waarop de schorsing bij ordemaatregel is begonnen.
  Telkens als de schorsing bij ordemaatregel verlengd wordt boven de zes maanden die volgen op de datum waarop de schorsing bij ordemaatregel is begonnen, zonder dat een procedure ingesteld is die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben, spreekt de commissie een voorstel uit binnen de twee maanden volgend op de verlenging van deze schorsing.
  Wanneer de schorsing bij ordemaatregel opgeschort wordt in toepassing van artikel 14, § 4, van de wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht, wordt de termijn bedoeld in het derde of het vierde lid verlengd met de duur van de schorsingsperiode. " .
Art.14. Dans l'arrêté royal du 11 juin 1974 relatif au statut des volontaires du cadre actif des forces armées, il est inséré un article 8bis rédigé comme suit :
  " Art. 8bis. La commission visée à l'article 8 est également constituée lorsqu'un volontaire est suspendu par mesure d'ordre sans qu'une procédure pouvant donner lieu à une mesure statutaire ne soit entamée. Cette commission d'information peut proposer au ministre de la Défense :
  1° de prolonger la suspension par mesure d'ordre;
  2° de renvoyer le volontaire concerné devant un conseil d'enquête lorsqu'elle estime que les faits sont suffisamment graves pour donner lieu à un retrait définitif d'emploi par démission d'office;
  3° lorsqu'elle estime que les faits ne sont pas suffisamment graves pour donner lieu à un retrait définitif d'emploi par démission d'office :
  a) de retirer temporairement le volontaire concerné de son emploi par mesure disciplinaire;
  b) de renvoyer le dossier à la discipline du corps;
  c) de classer l'affaire sans suite;
  4° de mettre fin à la suspension par mesure d'ordre et de prendre une autre mesure d'ordre;
  5° de mettre fin à la suspension par mesure d'ordre.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, la commission d'information rédige le rapport circonstancié visé à l'article 5.
  La proposition visée à l'alinéa 1er est rendue dans les cinq mois qui suivent la date à laquelle la suspension par mesure d'ordre a débuté.
  Chaque fois que la suspension par mesure d'ordre est prolongée au-delà des six mois qui suivent la date à laquelle la suspension par mesure d'ordre a débuté, sans qu'une procédure donnant lieu à une mesure statutaire ne soit entamée, la commission émet une proposition dans les deux mois qui suivent la prolongation de cette suspension.
  Lorsque la suspension par mesure d'ordre est suspendue en application de l'article 14, § 4, de la loi du 12 juillet 1973 relative au statut des volontaires de carrière des forces armées, le délai visé à l'alinéa 3 ou 4 est prolongé de la durée de la période de suspension. ".
Art.15. Artikel 9, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, wordt aangevuld met de volgende zin :
  " De betrokken vrijwilliger mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. ".
Art.15. L'article 9, § 2, alinéa 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 11 août 1994, est complété par la phrase suivante :
  " Le volontaire en cause peut être assisté de la personne de son choix. ".
Art.16. In artikel 16 van hetzelfde besluit worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt :
  " § 2. De betrokken vrijwilliger kan elk lid van de onderzoeksraad wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de onderzoeksraad :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken vrijwilliger;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken vrijwilliger niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken vrijwilliger of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de onderzoeksraad indien de wrakingsgrond een lid van de onderzoeksraad betreft;
  2° bij de directeur-generaal human resources indien de wrakingsgrond de voorzitter betreft.
  Indien de voorzitter of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen de termijn bepaald in paragraaf 1. ".
Art.16. Dans l'article 16 du même arrêté, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. Le volontaire en cause peut récuser tout membre du conseil d'enquête pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre du conseil d'enquête :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du volontaire en cause;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le volontaire en cause en toute impartialité.
  Le volontaire en cause ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président du conseil d'enquête si la cause de récusation concerne un membre du conseil d'enquête;
  2° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président.
  Si le président ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans le délai fixé au paragraphe 1er. ".
Art.17. In artikel 17 van hetzelfde besluit worden de woorden " § 2, tweede lid " vervangen door de woorden " § 1 ".
Art.17. Dans l'article 17 du même arrêté, les mots " § 2, alinéa 2 " sont remplacés par les mots " § 1er ".
Art.18. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 4 van hoofdstuk II vervangen als volgt :
  " Rendementsperiode ".
Art.18. Dans le même arrêté, l'intitulé de la section 4 du chapitre II est remplacé par ce qui suit :
  " La période de rendement ".
Art.19. Artikel 29 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, wordt hersteld als volgt :
  " Art. 29. Om aanleiding te geven tot een rendementsperiode, moet de gecumuleerde kostprijs op een periode van twee jaar van een vorming, gevolgd op kosten van het ministerie van Landsverdediging, minstens 5.000 euro bedragen. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 138,01 ".
Art.19. L'article 29 du même arrêté, abrogé par l'arrêté royal du 23 juin 2005, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 29. Pour donner lieu à un période de rendement, le coût cumulé sur une période de deux ans d'une formation suivie aux frais du ministère de la Défense, doit s'élever à 5.000 euros au minimum. Ce montant est lié à l'indice-pivot 138,01 ".
Afdeling 4. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 september 1978 betreffende het statuut van de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren piloten
Section 4. - Modification de l'arrêté royal du 2 septembre 1978 relatif au statut des officiers auxiliaires et candidats officiers auxiliaires pilotes
Art.20. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 2 september 1978 betreffende het statuut van de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren piloten, vervangen bij het koninklijk besluit van 13 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 3 wordt het tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 oktober 2007, vervangen als volgt :
  " De kandidaat-hulpofficier piloot die een uitsluitingscijfer bekomen heeft voor een element van de militaire initiatiefase of van de algemene en militaire vorming van officier, of die niet ten minste de helft van de punten toegekend voor een voormelde vormingsgedeelte behaald heeft, verschijnt voor de in § 5 bedoelde deliberatiecommissie. ";
  2° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt :
  " § 7. De betrokken kandidaat kan elk lid van de commissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de commissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken kandidaat;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken kandidaat niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken kandidaat of het betrokken lid, moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de commissie indien de wrakingsgrond een lid van de commissie betreft;
  2° bij de commandant van de militaire instelling waar de betrokken kandidaat de vorming volgt indien de wrakingsgrond de voorzitter van de commissie betreft.
  Indien de voorzitter van de commissie of de commandant van de militaire instelling waar de betrokken kandidaat de vorming volgt, oordeelt dat de motivatie onvoldoende is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van vijf werkdagen volgend op de dag van de kennisgeving van de samenstelling van de commissie. ";
  3° in paragraaf 10, tweede lid, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
  " 2° beslist over de definitieve mislukking van de kandidaat-hulpofficier piloot, kandidaat-lid van het leerling-varend personeel en besluit, naargelang het geval, tot zijn karakteriële of fysieke ongeschiktheid of beroepsonbekwaamheid; ".
Art.20. A l'article 4 de l'arrêté royal du 2 septembre 1978 relatif au statut des officiers auxiliaires et candidats officiers auxiliaires pilotes, remplacé par l'arrêté royal du 13 mai 2004, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2, modifié par l'arrêté royal du 11 octobre 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Le candidat officier auxiliaire pilote qui a obtenu une note d'exclusion pour un élément de la phase d'initiation militaire ou de la formation générale et militaire d'officier, ou qui n'a pas obtenu au moins la moitié des points attribués pour une partie de formation précitée, comparaît devant la commission de délibération visée au § 5. ";
  2° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
  " § 7. Le candidat concerné peut récuser tout membre de la commission pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre de la commission :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du candidat concerné;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le candidat concerné en toute impartialité.
  Le candidat concerné ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission si la cause de récusation concerne un membre de la commission;
  2° auprès du commandant de l'institution militaire où le candidat concerné suit la formation si la cause de récusation concerne le président de la commission.
  Si le président de la commission ou le commandant de l'institution militaire où le candidat concerné suit la formation, estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans un délai de cinq jours ouvrables suivant le jour de la notification de la composition de la commission. " ;
  3° dans le paragraphe 10, alinéa 2, le 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° décide de l'échec définitif du candidat officier auxiliaire pilote, candidat membre du personnel navigant élève et conclut, selon le cas, à son inaptitude caractérielle, physique ou professionnelle; ".
Art.21. In artikel 13 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 opgeheven.
Art.21. Dans l'article 13 du même arrêté, le paragraphe 1er est abrogé.
Afdeling 5. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 juni 1980 betreffende de militaire tuchtrechtspleging
Section 5. - Modification de l'arrêté royal du 19 juin 1980 relatif a la procedure disciplinaire militaire
Art.22. In artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 juni 1980 betreffende de militaire tuchtrechtspleging worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 wordt het woord " schriftelijk " ingevoegd tussen de woorden " de betrokken militair " en de worden " ter kennis gebracht worden ";
  2° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art.22. A l'article 8 de l'arrêté royal du 19 juin 1980 relatif à la procédure disciplinaire militaire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, les mots " par écrit " sont insérés entre les mots " du militaire en cause " et les mots " en indiquant le motif de la punition ";
  2° le paragraphe 3 est abrogé.
Art.23. Artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 21. Van de samenstelling van de tuchtraad wordt kennis gegeven aan de aangewezen leden en aan de betrokken militair. Deze militair heeft het recht eender welk lid van de tuchtraad te wraken voor de in artikel 828 van het gerechtelijk wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de tuchtraad :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken militair;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken militair niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken militair of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de tuchtraad indien de wrakingsgrond een lid van de tuchtraad betreft;
  2° bij de tot straffen bevoegde autoriteit indien de wrakingsgrond de voorzitter betreft.
  Indien de voorzitter of de tot straffen bevoegde autoriteit oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van drie werkdagen volgend op de dag van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
  Indien de voorzitter of de tot straffen bevoegde autoriteit oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen, overeenkomstig de artikelen 18 tot 21. ".
Art.23. L'article 21 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 11 août 1994, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 21. La composition du conseil de discipline est notifiée aux membres désignés et au militaire en cause. Ce dernier a le droit de récuser tout membre du conseil de discipline pour les causes énumérées à l'article 828 du Code Judiciaire.
  Doit se récuser tout membre du conseil de discipline :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du militaire en cause;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le militaire en cause en toute impartialité.
  Le militaire en cause ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président du conseil de discipline si la cause de récusation concerne un membre du conseil de discipline;
  2° auprès de l'autorité investie du droit de punir si la cause de récusation concerne le président.
  Si le président ou l'autorité investie du droit de punir estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans un délai de trois jours ouvrables suivant le jour de la notification visée à l'alinéa 1er.
  Si le président ou l'autorité investie du droit de punir estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés conformément aux articles 18 à 21. ".
Afdeling 6. - Wijziging van het koninklijk besluit van 28 augustus 1981 betreffende het medisch geschiktheidsprofiel
Section 6. - Modification de l'arrêté royal du 28 août 1981 relatif au profil médical d'aptitude
Art.24. In artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 28 augustus 1981 betreffende het medisch geschiktheidsprofiel, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 januari 1991 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juli 1991, 13 november 1991, 3 mei 2003 en 23 mei 2006, worden de woorden " of als kandidaat-reservemilitair in basisvorming " vervangen door de woorden " van het actief kader of van het reservekader ".
Art.24. Dans l'article 6, § 1er, de l'arrêté royal du 28 août 1981 relatif au profil médical d'aptitude, remplacé par l'arrêté royal du 14 janvier 1991 et modifié par les arrêtés royaux des 11 juillet 1991, 13 novembre 1991, 3 mai 2003 et 23 mai 2006, les mots " ou comme candidat militaire de réserve en formation de base " sont remplacés par les mots " du cadre actif ou du cadre de réserve ".
Afdeling 7. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de Krijgsmacht
Section 7. - Modification de l'arrêté royal du 13 novembre 1991 fixant les règles applicables à l'appréciation des qualités caractérielles des candidats des Forces armées
Art.25. In artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de Krijgsmacht, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, worden de woorden " , op de kandidaat-reservemilitairen evenals op de reservevrijwilligers die hun vormingscyclus nog niet beëindigd hebben " vervangen door de woorden " en op de kandidaat-reservemilitairen ".
Art.25. Dans l'article 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 13 novembre 1991 fixant les règles applicables à l'appréciation des qualités caractérielles des candidats des Forces armées, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2006, les mots " , aux candidats militaires de réserve ainsi qu'aux volontaires de réserve n'ayant pas encore terminé leur cycle de formation " sont remplacés par les mots " et aux candidats militaires de réserve ".
Art.26. In artikel 7, § 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, worden de woorden " , van de kandidaat-reservemilitair en van de reservevrijwilliger die zijn vormingscyclus nog niet beëindigd heeft, " vervangen door de woorden " en van de kandidaat-reservemilitair ".
Art.26. Dans l'article 7, § 3, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 21 décembre 2006, les mots " , du candidat militaire de réserve et du volontaire de réserve n'ayant pas encore terminé son cycle de formation, " sont remplacés par les mots " et du candidat militaire de réserve ".
Art.27. In artikel 8bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " , de reservevrijwilliger die zijn vormingscyclus nog niet beëindigd heeft " en de woorden " , de kandidaat-hulpofficier piloot, kandidaat-lid van het leerling-varend personeel " opgeheven;
  2° het derde en het vierde lid worden vervangen als volgt :
  " Iedere statutaire beoordeling waarbij de kandidaat-hulpofficier piloot het globale cijfer bedoeld in artikel 8 niet behaald heeft, tijdens de militaire initiatiefase of de algemene en militaire vorming van officier of het academische deel van de professionele vorming voor het behalen van het brevet van piloot en van het hoger brevet van piloot, bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 september 1978 betreffende het statuut van de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren piloten, wordt voorgelegd aan de deliberatiecommissie bedoeld in artikel 4, § 5, van het voornoemde koninklijk besluit van 2 september 1978.
  Iedere statutaire beoordeling waarbij de kandidaat-hulpofficier piloot het globale cijfer bedoeld in artikel 8 niet behaald heeft, tijdens een ander gedeelte van de vormingscyclus dan deze bedoeld in het derde lid, wordt voorgelegd aan de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 26 van het koninklijk besluit van 13 mei 2004 betreffende het varend personeel van de krijgsmacht. ".
Art.27. A l'article 8bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 21 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " , le volontaire de réserve n'ayant pas encore terminé son cycle de formation " et les mots " , le candidat officier auxiliaire pilote, candidat membre du personnel navigant élève " sont abrogés;
  2° les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " Chaque appréciation statutaire pour laquelle le candidat officier auxiliaire pilote n'a pas obtenu la note globale visée à l'article 8, lors de la phase d'initiation militaire ou de la formation générale et militaire d'officier ou de la partie académique de la formation professionnelle pour l'obtention du brevet de pilote et du brevet supérieur de pilote, visées à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 2 septembre 1978 relatif au statut des officiers auxiliaires et candidats officiers auxiliaires pilotes, est soumise à la commission de délibération visée à l'article 4, § 5, de l'arrêté royal précité du 2 septembre 1978.
  Chaque appréciation statutaire pour laquelle le candidat officier auxiliaire pilote n'a pas obtenu la note globale visée à l'article 8, lors d'une autre partie du cycle de formation que celles visées à l'alinéa 3, est soumise à la commission d'évaluation visée à l'article 26 de l'arrêté royal du 13 mai 2004 relatif au personnel navigant des forces armées. ".
Art.28. In artikel 8ter, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, worden de woorden " , de reservevrijwilliger die zijn vormingscyclus nog niet beëindigd heeft " opgeheven.
Art.28. Dans l'article 8ter, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 21 décembre 2006, les mots " , le volontaire de réserve n'ayant pas encore terminé son cycle de formation " sont abrogés.
Art.29. In het opschrift van bijlage A bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 mei 2003 en 21 december 2006, tot bepaling van de regels die gelden bij beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat-vrijwilliger, worden de woorden " kandidaat-reservemilitair in basisopleiding " vervangen door de woorden " van het reservekader ".
Art.29. Dans l'intitulé de l'annexe A au même arrêté, modifié par les arrêtés royaux du 3 mai 2003 et 21 décembre 2006, fixant les règles applicables à l'appréciation des qualités caractérielles d'un candidat volontaire, les mots " candidat militaire de réserve en instruction de base " sont remplacés par les mots " du cadre de réserve ".
Art.30. In de bijlage B bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 december 2006, wordt het opschrift van tabel 3 aangevuld met de woorden " of van het reservekader ".
Art.30. Dans l'annexe B au même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 23 décembre 2006, l'intitulé du tableau 3 est complété par les mots " ou du cadre de réserve ".
Afdeling 8. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de Krijgsmacht
Section 8. - Modification de l'arrêté royal du 13 novembre 1991 fixant les règles applicables à l'appréciation des qualités physiques de certains candidats et élèves des Forces armées
Art.31. In artikel 1, tweede lid, 4°, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de Krijgsmacht, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, worden de woorden " en de reservevrijwilligers die hun vormingscyclus nog niet beëindigd hebben " opgeheven.
Art.31. Dans l'article 1er, alinéa 2, 4°, de l'arrêté royal du 13 novembre 1991 fixant les règles applicables à l'appréciation des qualités physiques de certains candidats et élèves des Forces armées, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2006, les mots " et aux volontaires de réserve n'ayant pas encore terminé leur cycle de formation " sont abrogés.
Art.32. In artikel 9, § 2, derde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, worden de woorden " De kandidaat-reservemilitair, alsook de reservevrijwilliger die zijn vormingscyclus nog niet beëindigd heeft, moeten " vervangen door de woorden " De kandidaat-reservemilitair moet ".
Art.32. Dans l'article 9, § 2, alinéa 3, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2006, les mots " Le candidat militaire de réserve ainsi que le volontaire de réserve n'ayant pas encore terminé son cycle de formation doivent " sont remplacés par les mots " Le candidat militaire de réserve doit ".
Art.33. In artikel 10, § 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, worden de woorden " , de reservevrijwilliger die zijn vormingscyclus nog niet beëindigd heeft " en de woorden " , de kandidaat-hulpofficier piloot, kandidaat-lid van het leerling-varend personeel " opgeheven;
  2° het derde en het vierde lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 2006, worden vervangen als volgt :
  " Voor de beoordeling van de fysieke conditie van de kandidaat-hulpofficier piloot die zich in één van de gevallen, bedoeld in § 3, eerste lid, bevindt tijdens de militaire initiatiefase of de algemene en militaire vorming van officier of het academische deel van de professionele vorming voor het behalen van het brevet van piloot en van het hoger brevet van piloot, bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 september 1978 betreffende het statuut van de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren piloten, is de bevoegde commissie de deliberatiecommissie bedoeld in artikel 4, § 5, van het voornoemde koninklijk besluit van 2 september 1978.
  Voor de beoordeling van de fysieke conditie van de kandidaat-hulpofficier piloot tijdens een ander gedeelte van de vormingscyclus dan deze bedoeld in het derde lid, is de bevoegde commissie de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 26 van het koninklijk besluit van 13 mei 2004 betreffende het varend personeel van de krijgsmacht. ".
Art.33. A l'article 10, § 3, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, modifié par l'arrêté royal du 21 décembre 2006, les mots " , le volontaire de réserve n'ayant pas encore terminé son cycle de formation " et les mots " , le candidat officier auxiliaire pilote, candidat membre du personnel navigant élève " sont abrogés;
  2° les alinéas 3 et 4, modifiés par l'arrêté royal du 21 décembre 2006, sont remplacés par ce qui suit :
  " Pour l'appréciation de la condition physique du candidat officier auxiliaire pilote qui se trouve dans une des situations visées au § 3, alinéa 1er, lors de la phase d'initiation militaire ou de la formation générale et militaire d'officier ou de la partie académique de la formation professionnelle pour l'obtention du brevet de pilote et du brevet supérieur de pilote, visées à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 2 septembre 1978 relatif au statut des officiers auxiliaires et candidats officiers auxiliaires pilotes, la commission compétente est la commission de délibération visée à l'article 4, § 5, de l'arrêté royal précité du 2 septembre 1978.
  Pour l'appréciation de la condition physique du candidat officier auxiliaire pilote lors d'une autre partie du cycle de formation que celles visées à l'alinéa 3, la commission compétente est la commission d'évaluation visée à l'article 26 de l'arrêté royal du 13 mai 2004 relatif au personnel navigant des forces armées. ".
Afdeling 9. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 1991 betreffende de dienstnemingen en wederdienstnemingen van de kandidaat-militairen van het actief kader
Section 9. - Modification de l'arrêté royal du 13 novembre 1991 relatif aux engagements et rengagements des candidats militaires du cadre actif
Art.34. Artikel 13 van het koninklijk besluit van 13 november 1991 betreffende de dienstnemingen en wederdienstnemingen van de kandidaat-militairen van het actief kader, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 13. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 49, § 1, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de krijgsmacht, wordt de dienstneming of de wederdienstneming van de kandidaat die erom verzoekt, verbroken, tenzij de minister van Landsverdediging oordeelt dat deze verbreking strijdig is met het dienstbelang. ".
Art.34. L'article 13 de l'arrêté royal du 13 novembre 1991 relatif aux engagements et rengagements des candidats militaires du cadre actif, modifié par l'arrêté royal du 23 mai 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 13. Sous réserve des dispositions de l'article 49, § 1er, de la loi du 13 juillet 1976 relative aux effectifs en officiers et aux statuts du personnel des forces armées, l'engagement ou le rengagement du candidat qui le demande est résilié, sauf si le ministre de la Défense estime que cette résiliation est contraire à l'intérêt du service. ".
Afdeling 10. - Wijziging van het koninklijk besluit van 23 december 1991 betreffende de medische geschiktheid voor dienst op zee
Section 10. - Modification de l'arrêté royal du 23 décembre 1991 relatif à l'aptitude médicale au service en mer
Art.35. In artikel 7 van het koninklijk besluit van 23 december 1991 betreffende de medische geschiktheid voor dienst op zee, vervangen door het koninklijk besluit van 5 juni 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  " Op voorstel van de commandant van de medische component, wijst de directeur-generaal human resources de leden aan van de in artikel 4 bedoelde commissies, evenals een plaatsvervangend lid voor elk van deze commissies. ";
  2° in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt het woord " en " vervangen door de woorden " . Minstens een lid en het plaatsvervangende lid van elke commissie ".
  3° het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen als volgt :
  " De voorzitter van de in het eerste lid bedoelde commissies is telkens het lid met de meeste anciënniteit in de hoogste graad. ";
  4° in het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden " De eenheidsgeneesheer of de hoofdgeneesheer van het medisch centrum van de marine " vervangen door de woorden " De geneesheer ".
Art.35. A l'article 7 de l'arrêté royal du 23 décembre 1991 relatif à l'aptitude au service en mer, remplacé par l'arrêté royal du 5 juin 1998, les modifications suivantes sont apportées :
  1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  " Sur la proposition du commandant de la composante médicale, le directeur général human resources désigne les membres des commissions visées à l'article 4, ainsi qu'un membre suppléant pour chacune de ces commissions. ";
  2° dans l'alinéa 2 ancien, devenant l'alinéa 3, le mot " et " est remplacé par les mots " . Au moins un membre et le membre suppléant de chaque commission ";
  3° l'alinéa 3 ancien, devenant l'alinéa 4, est remplacé par ce qui suit :
  " Le président des commissions visées à l'alinéa 1er est chaque fois le membre avec le plus d'ancienneté dans le grade le plus élevé. ";
  4° dans l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 5, les mots " Le médecin d'unité ou le médecin chef du centre médical de la marine " sont remplacés par les mots " Le médecin ".
Art.36. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 8. Elke persoon, waarvan de geschiktheid voor dienst op zee onderzocht wordt, kan elk lid van de medische commissie voor geschiktheid voor dienst op zee of van de medische commissie van beroep voor geschiktheid voor dienst op zee wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de medische commissie voor geschiktheid voor dienst op zee of van de medische commissie van beroep voor geschiktheid voor dienst op zee :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de persoon waarvan de geschiktheid voor dienst op zee onderzocht wordt;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de persoon, waarvan de geschiktheid voor dienst op zee onderzocht wordt, niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  Elke persoon, waarvan de geschiktheid voor dienst op zee onderzocht wordt, of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de medische commissie voor geschiktheid voor dienst op zee indien de wrakingsgrond een lid van deze commissie betreft;
  2° bij de voorzitter van de medische commissie van beroep voor geschiktheid voor dienst op zee indien de wrakingsgrond een lid van deze commissie betreft;
  3° bij de directeur-generaal human resources, indien de wrakingsgrond de voorzitter van de medische commissie voor geschiktheid voor dienst op zee of van de medische commissie van beroep voor geschiktheid voor dienst op zee betreft.
  Indien de voorzitter van de betrokken commissie of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs ten laatste vijftien werkdagen vóór de zitting van de betrokken commissie. ".
Art.36. L'article 8 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 8. Toute personne, dont l'aptitude au service en mer est examinée, peut récuser tout membre de la commission médicale pour l'aptitude au service en mer ou de la commission médicale d'appel pour l'aptitude au service en mer pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre de la commission médicale pour l'aptitude au service en mer ou de la commission médicale d'appel pour l'aptitude au service en mer :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré de la personne dont l'aptitude au service en mer est examinée;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier la personne, dont l'aptitude au service en mer est examinée, en toute impartialité.
  Toute personne, dont l'aptitude au service en mer est examinée, ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission médicale pour l'aptitude au service en mer si la cause de récusation concerne un membre de cette commission;
  2° auprès du président de la commission médicale d'appel pour l'aptitude au service en mer si la cause de récusation concerne un membre de cette commission;
  3° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la commission médicale pour l'aptitude au service en mer ou de la commission médicale d'appel pour l'aptitude au service en mer.
  Si le président de la commission concernée ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception au plus tard quinze jours ouvrables avant la séance de la commission concernée. ".
Art.37. Artikel 9 van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 5 juni 1998, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 9. Het secretariaat van elke commissie wordt waargenomen door een secretaris die kan worden bijgestaan door andere personeelsleden van het departement van Defensie. Het personeel van het secretariaat van elke commissie wordt aangewezen door de voorzitter van de betrokken commissie. ".
Art.37. L'article 9 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 5 juin 1998, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 9. Le secrétariat de chaque commission est assuré par un secrétaire qui peut être assisté par d'autres membres du personnel du département de la Défense. Le personnel du secrétariat est désigné par le président de la commission concernée. ".
Art.38. In hetzelfde besluit wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 9bis. De bevoegheden van korpscommandant worden ten aanzien van de leden van iedere commissie en van het secretariaat uitgeoefend :
  1° in administatief opzicht, door de voorzitter van de betrokken commissie;
  2° in disciplinair opzicht, door de commandant van de medische component. ".
Art.38. Dans le même arrêté, il est inséré un article 9bis rédigé comme suit :
  " Art. 9bis. Les attributions de chef de corps à l'égard des membres de chaque commission et du sécrétariat sont exercées :
  1° au point de vue administratif, par le président de la commission concernée;
  2° au point de vue disciplinaire, par le commandant de la composante médicale. ".
Art.39. In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de woorden " die van beide landstalen welke de belanghebbenden kiezen " vervangen door de woorden " de taal van het taalstelsel van de betrokkene ".
Art.39. Dans l'article 10 du même arrêté, les mots " celle des deux langues nationales choisie par les intéressés " sont remplacés par les mots " la langue du régime linguistique de l'intéressé ".
Afdeling 11. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader
Section 11. - Modification de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif à la formation des candidats militaires du cadre actif
Art.40. Artikel 45 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 45. De kandidaat die zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 24, § 6, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, dient zo vlug mogelijk een aanvraag tot uitstel in, naargelang het geval, zodra hij op de hoogte is van een feit waarvan hij oordeelt dat het zijn aanvraag rechtvaardigt of nadat een dergelijk feit zich heeft voorgedaan.
  Bij ontstentenis van een aanvraag neemt de bevoegde autoriteit om te beslissen bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, contact op met een kandidaat als ze oordeelt dat die zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 24, § 6, van de voornoemde wet van 21 december 1990. Tengevolge van dit contact dient de kandidaat al dan niet een aanvraag tot uitstel in.
  Een aanvraag tot uitstel van een examen of van een proef wordt ingediend vóór dit examen of deze proef. Een aanvraag tot uitstel die ingediend wordt na het betrokken examen of de betrokken proef kan evenwel ontvankelijk verklaard worden in geval van overmacht, waarover de bevoegde autoriteit om te beslissen, bedoeld in artikel 46, oordeelt.
  De aanvraag tot uitstel moet gemotiveerd zijn. Indien ze op gezondheidsredenen of zwangerschap berust, moet ze vergezeld zijn van een geneeskundig attest, bevestigd door de geneesheer belast met het medisch toezicht op de militair, waarin de echtheid van de aangevoerde gezondheidsredenen of van de zwangerschap bevestigd wordt. ".
Art.40. L'article 45 de l'arrêté royal du 11 aout 1994 relatif à la formation des candidats militaires du cadre actif, remplacé par l'arrêté royal du 23 juin 2005, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 45. Le candidat qui se trouve dans la situation visée à l'article 24, § 6, de la loi du 21 décembre 1990 portant statut des candidats militaires du cadre actif, introduit une demande d'ajournement le plus rapidement possible, selon le cas dès qu'il a connaissance d'un fait qu'il estime fonder cette demande ou après la survenance d'un tel fait.
  A défaut de demande, l'autorité visée à l'article 46, § 1er, alinéa 1er, prend contact avec un candidat lorsqu'elle estime que celui-ci se trouve dans la situation visée à l'article 24, § 6, de la loi précitée du 21 décembre 1990. Suite à ce contact, le candidat introduit ou non une demande d'ajournement.
  Une demande d'ajournement d'un examen ou d'une épreuve doit être introduite avant cet examen ou cette épreuve. Toutefois, une demande d'ajournement introduite après l'examen ou l'épreuve concerné peut être déclarée recevable en cas de force majeure que l'autorité compétente pour décider, visée à l'article 46, apprécie.
  La demande d'ajournement doit être motivée. Si elle est fondée sur des raisons de santé ou de grossesse, elle doit être accompagnée d'un certificat médical, confirmé par le médecin chargé de la surveillance médicale du militaire, attestant la réalité des raisons de santé ou de l'état de grossesse invoqués. ".
Art.41. Artikel 46 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 46. § 1. De beslissing over het toekennen van het uitstel wordt genomen door de plaatselijke autoriteit die verantwoordelijk is voor de vorming van de kandidaat, in de volgende gevallen :
  1° het uitstel leidt niet tot een verlenging van de duur van de vorming;
  2° het uitstel leidt tot een verlenging van de vorming en er wordt aan alle volgende voorwaarden voldaan :
  a) het gaat om een uitstel om gezondheidsredenen;
  b) de kandidaat heeft nog geen uitstel met verlenging van de vorming bekomen sinds het begin van zijn vorming;
  c) in voorkomend geval, voor een periode van schoolvorming of van opleiding, kan de kandidaat eenzelfde vormingsgedeelte als datgene dat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot uitstel volgen, de eerste keer dat het opnieuw georganiseerd wordt;
  d) de verlenging van de vorming tengevolge van het uitstel overschrijdt de 375 kalenderdagen niet.
  In de andere gevallen wordt de beslissing over het toekennen van een uitstel genomen door de autoriteit binnen de algemene directie human resources belast met het personeelsbeheer.
  Evenwel, wordt de beslissing genomen door, naargelang het geval, de deliberatie- of evaluatiecommissie in de gevallen bedoeld in artikel 10, § 2, eerste lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de krijgsmacht.
  De plaatselijke autoriteit bedoeld in het eerste lid is :
  1° voor de kandidaat in periode van schoolvorming of van opleiding, de commandant van het vormingsorganisme waar de kandidaat de betrokken examens of proeven moet afleggen, of het betrokken vormingsgedeelte moet volgen, of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat;
  2° voor de kandidaat in stage- of evaluatieperiode, de korpscommandant van de kandidaat.
  Bij toepassing van artikel 58, § 4, kan de in het eerste lid bedoelde plaatselijke autoriteit een gedeelte van haar bevoegdheid delegeren aan de commandant of directeur van het vormingsorganisme waar de kandidaat zijn vorming volgt.
  De verlenging van de vorming is :
  1° voor een periode van schoolvorming of van opleiding, het aantal kalenderdagen tussen de oorspronkelijk geplande einddatum van de vormingsperiode waarin de kandidaat zich bevindt, en de geplande einddatum van deze vormingsperiode, die bepaald wordt rekening houdend met de deelname aan eenzelfde vormingsgedeelte als datgene dat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot uitstel;
  2° voor een stage- of evaluatieperiode, het aantal kalenderdagen tijdens dewelke de kandidaat de taken die aan zijn basisfunctie verbonden zijn, niet uitoefent.
  Een uitstel waarbij de vormingsduur verlengd wordt, kan leiden tot de aanhechting aan een volgende promotie.
  § 2. De kandidaat aan wie een uitstel geweigerd werd door een autoriteit bedoeld in paragraaf 1, eerste of tweede lid, kan een verweerschrift indienen bij de DGHR binnen de drie werkdagen volgend op de dag van de betekening van de weigering. De DGHR doet uitspraak op stukken.
  § 3. De beslissing inzake uitstel berust op de beoordeling van de mogelijkheid voor de kandidaat om de betrokken examens of proeven voor te bereiden of af te leggen, of het betrokken vormingsgedeelte te volgen, op basis van :
  1° de motivatie van de aanvraag tot uitstel;
  2° feiten die aan de aanvraag voorafgingen en de omstandigheden van de aanvraag, inzonderheid op het gedrag van de kandidaat, de reeds toegekende uitstellen en de duur van de verlenging van de vorming waartoe ze hebben geleid;
  3° de duur van de verlenging van de vorming waartoe de toekenning van het uitstel zou leiden, in verhouding tot de normale duur van de vorming van de kandidaat.
  § 4. De beslissing tot uitstel omvat, naargelang het geval :
  1° de toelating om bepaalde examens of proeven op een vastgestelde latere datum af te leggen, terwijl de kandidaat de vorming verder effectief blijft volgen tijdens de uitstelperiode;
  2° de toelating om bepaalde examens of proeven op een vastgestelde latere datum af te leggen, terwijl de kandidaat de vorming niet effectief verder blijft volgen tijdens de uitstelperiode;
  3° de toelating om één of meerdere vormingsgedeelten, geheel of gedeeltelijk, later te volbrengen;
  4° de toelating tot aanhechting aan een latere promotie bij het begin van of tijdens de vormingscyclus gevolgd door die latere promotie.
  De beslissing bepaald in het eerste lid, 3° of 4°, kan ertoe leiden dat de kandidaat sommige reeds gevolgde vormingsgedeelten opnieuw moet volgen.
  Voor de kandidaat, die wegens ernstige of uitzonderlijke omstandigheden in de onmogelijkheid verkeert of verkeerde om zich voor te bereiden of deel te nemen aan bepaalde examens of proeven, kunnen evenwel enkel de beslissingen bepaald in het eerste lid, 1° en 2°, genomen worden.
  § 5. De kandidaat die niet deelneemt aan één der examens of proeven van een zitting waarvoor hij werd opgeroepen of een vormingsgedeelte, geheel of gedeeltelijk, niet volbrengt en die geen uitstel bekomt, wordt van rechtswege definitief mislukt bevonden door, naargelang het geval, de deliberatie- of evaluatiecommissie, voor deze zitting of voor dat vormingsgedeelte, omdat hij, naargelang het geval, de vereiste professionele hoedanigheden of de hoedanigheden inzake fysieke conditie niet bezit. ".
Art.41. L'article 46 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 23 juin 2005 et modifié par l'arrêté royal du 23 mai 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 46. § 1er. La décision d'octroyer l'ajournement est prise par l'autorité locale responsable de la formation du candidat dans les cas suivants :
  1° l'ajournement n'entraîne pas de prolongation de la formation;
  2° l'ajournement entraîne une prolongation de la formation et toutes les conditions suivantes sont remplies :
  a) il s'agit d'un ajournement pour raisons de santé;
  b) le candidat n'a pas encore obtenu d'ajournement avec prolongation de la formation depuis le début de sa formation;
  c) le cas échéant, pour une période de formation scolaire ou d'instruction, le candidat peut suivre une partie de formation identique à celle qui fait l'objet de la demande d'ajournement, la première fois où elle est à nouveau organisée;
  d) la prolongation de la formation consécutive à l'ajournement n'excède pas 375 jours de calendrier.
  Dans les autres cas, la décision d'octroyer l'ajournement est prise par l'autorité de la direction générale human resources chargée de la gestion du personnel.
  Toutefois la décision est prise par, selon le cas, la commission de délibération ou d'évaluation dans les cas visés à l'article 10, § 2, alinéa 1er, 2° et 3°, de l'arrêté royal du 13 novembre 1991 fixant les règles applicables à l'appréciation des qualités physiques de certains candidats et élèves des forces armées.
  L'autorité locale visée à l'alinéa 1er est :
  1° pour le candidat en période de formation scolaire ou d'instruction, le commandant de l'organisme de formation où le candidat doit présenter les tests ou examens concernés ou suivre la partie de formation concernée, ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat;
  2° pour le candidat en période de stage ou d'évaluation, le chef de corps du candidat.
  En application de l'article 58, § 4, l'autorité locale visée à l'alinéa 1er peut déléguer une partie de sa compétence au commandant ou au directeur de l'organisme de formation dans lequel le candidat suit sa formation.
  La prolongation de la formation égale :
  1° pour une période de formation scolaire ou d'instruction, le nombre de jours de calendrier qui séparent la date originellement planifiée de la fin de la période de formation dans laquelle se trouve le candidat, de la date planifiée de la fin de cette période de formation fixée en tenant compte de la participation à une partie de formation identique à celle qui fait l'objet de la demande d'ajournement;
  2° pour une période de stage ou d'évaluation, le nombre de jours de calendrier pendant lesquels le candidat n'effectue pas les tâches liées à sa fonction de base.
  Un ajournement par lequel la durée de la formation est prolongée, peut mener à un rattachement à une promotion suivante.
  § 2. Le candidat à qui un ajournement a été refusé par une autorité visée au paragraphe 1er, alinéa 1er ou 2, peut introduire un mémoire auprès du DGHR dans les trois jours ouvrables suivant le jour de notification du refus. Le DGHR statue sur pièces.
  § 3. La décision relative à l'ajournement est fondée sur l'appréciation de la possibilité pour le candidat de préparer ou présenter les examens ou épreuves concernés, ou de suivre la partie de formation concernée, sur la base :
  1° de la motivation de la demande d'ajournement;
  2° de faits antérieurs à la demande et des circonstances de la demande, notamment le comportement du candidat, les ajournements déjà octroyés et la durée de prolongation de la formation qu'ils ont provoquée;
  3° de la durée de la prolongation de la formation que l'octroi de l'ajournement provoquerait, relativement à la durée normale de la formation du candidat.
  § 4. La décision d'ajournement comprend, selon le cas :
  1° l'autorisation de présenter certains examens ou épreuves à une date ultérieure fixée alors que le candidat continue à suivre effectivement la formation pendant la période d'ajournement;
  2° l'autorisation de présenter certains examens ou épreuves à une date ultérieure fixée alors que le candidat ne continue pas à suivre effectivement la formation pendant la période d'ajournement;
  3° l'autorisation de parfaire partiellement ou entièrement, une ou plusieurs parties de formation ultérieurement;
  4° l'autorisation de rattachement à une promotion ultérieure au début ou pendant le cycle de formation suivi par cette promotion ultérieure.
  La décision visée à l'alinéa 1er, 3° ou 4°, peut conduire le candidat à devoir suivre à nouveau certaines parties de formation déjà suivies.
  Toutefois, pour le candidat, qui pour des circonstances graves ou exceptionnelles se trouve ou se trouvait dans l'impossibilité de se préparer ou de se présenter à certains examens ou épreuves, seules les décisions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, peuvent être prises.
  § 5. Le candidat qui ne participe pas à un des examens ou épreuves d'une session pour laquelle il a été convoqué ou qui ne parfait pas, partiellement ou entièrement, une partie de formation, et qui n'obtient pas d'ajournement, est déclaré par, selon le cas, la commission de délibération ou d'évaluation, avoir définitivement échoué de plein droit à cette session ou à cette partie de formation parce qu'il ne possède pas, selon le cas, les qualités professionnelles ou physiques requises. ".
Art.42. In de Franse tekst van artikel 47, § 7, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, worden de woorden " les cycle " vervangen door de woorden " les cycles ".
Art.42. Dans l'article 47, § 7, alinéa 2, 1°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 23 juin 2005, les mots " les cycle " sont remplacés par les mots " les cycles ".
Art.43. Artikel 65bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 65bis. De betrokken kandidaat kan elk lid van een deliberatie-, evaluatie- of beroepscommissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van een deliberatie-, evaluatie- of beroepscommissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken kandidaat;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken kandidaat niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken kandidaat of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de deliberatiecommissie indien de wrakingsgrond een lid van de deliberatiecommissie betreft;
  2° bij de voorzitter van de evaluatiecommissie indien de wrakingsgrond een lid van de evaluatiecommissie betreft;
  3° bij de voorzitter van de beroepscommissie indien de wrakingsgrond een lid van de beroepscommissie betreft;
  4° bij de directeur-generaal vorming indien de wrakingsgrond de voorzitter van de deliberatiecommissie of van de beroepscommissie betreft;
  5° bij de directeur-generaal human resources indien de wrakingsgrond de voorzitter van de evaluatiecommissie betreft.
  Indien de voorzitter van de betrokken commissie, de directeur-generaal vorming of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van vijf werkdagen volgend op de dag van de kennisgeving van de samenstelling van de commissie. ".
Art.43. L'article 65bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 23 mai 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 65bis. Le candidat concerné peut récuser tout membre d'une commission de délibération, d'évaluation ou d'appel pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre d'une commission de délibération, d'évaluation ou d'appel :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du candidat concerné;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le candidat concerné en toute impartialité.
  Le candidat concerné ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission de délibération si la cause de récusation concerne un membre de la commission de délibération;
  2° auprès du président de la commission d'évaluation si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'évaluation;
  3° auprès du président de la commission d'appel si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'appel;
  4° auprès du directeur général de la formation si la cause de récusation concerne le président de la commission de délibération ou de la commission d'appel;
  5° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la commission d'évaluation.
  Si le président de la commission concerné, le directeur général de la formation ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans un délai de cinq jours ouvrables suivant le jour de la notification de la composition de la commission. ".
Art.44. In artikel 67, § 2, tweede lid, en § 3, vierde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, worden de woorden " met een bij de post aangetekende of bij de dienst der militaire estafetten ingeschreven brief " vervangen door de woorden " met een schriftelijk communicatiemiddel met aanvraag tot ontvangstbewijs ".
Art.44. Dans l'article 67, § 2, alinéa 2, et § 3, alinéa 4, du même arrêté, remplacés par l'arrêté royal du 23 mai 2006, les mots " par lettre recommandée à la poste ou enregistrée au service des estafettes militaires " sont chaque fois remplacés par les mots " par un moyen de communication écrite avec demande d'accusé de réception ".
Art.45. In de Franse tekst van artikel 89, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " s'il a donné " vervangen door de woorden" s'il n'a donné ".
Art.45. Dans l'article 89, alinéa 2, du même arrêté, les mots " s'il a donné " sont remplacés par les mots " s'il n'a donné ".
Afdeling 12. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende het statuut van de militairen korte termijn
Section 12. - Modification de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au statut des militaires court terme
Art.46. In artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende het statuut van de militairen korte termijn, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden " De DGHR " vervangen door de woorden " De directeur-generaal vorming, of de officier die hij aanwijst, ";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden " De bovengenoemde overheid " vervangen door de woorden " De DGHR ".
Art.46. A l'article 27 de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au statut des militaires court terme, remplacé par l'arrêté royal du 23 mai 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " Le DGHR " sont remplacés par les mots " Le directeur général de la formation, ou l'officier qu'il désigne, ";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " L'autorité précitée " sont remplacés par les mots " Le DGHR ".
Afdeling 13. - wijziging van het koninklijk besluit van 4 februari 1998 betreffende het uniform van de militairen
Section 13. - Modification de l'arrêté royal du 4 février 1998 relatif à l'uniforme des militaires
Art.47. In artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 februari 1998 betreffende het uniform van de militairen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 juli 2007, wordt het tweede lid aangevuld met de woorden " alsmede de voorschriften betreffende het voorkomen van de militair ".
Art.47. Dans l'article 3 de l'arrêté royal du 4 février 1998 relatif à l'uniforme des militaires, modifié par l'arrêté royal du 9 juillet 2007, l'alinéa 2 est complété par les mots " ainsi que les prescriptions relatives à la présentation du militaire ".
Art.48. In artikel 3bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 december 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 juli 2007, worden de woorden " burgers, die verbonden zijn aan of toestemming hebben om een detachement Belgische militairen te volgen in één van de deelstanden " in hulpverlening " buiten het nationale grondgebied of " in operationele inzet ", met uitsluiting van " ordehandhaving ", tijdelijk toestaan bepaalde onderdelen van het uniform te dragen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, 3° of 4° " vervangen door de woorden " personen toestaan bepaalde onderdelen van het uniform te dragen bedoeld in artikel 2, eerste lid ".
Art.48. Dans l'article 3bis, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 23 décembre 1999 et modifié par l'arrêté royal du 9 juillet 2007, les mots " citoyens majeurs, attachés à ou autorisés à suivre un détachement de militaires belges dans une des sous-positions " en assistance " hors du territoire national ou " en engagement opérationnel ", à l'exclusion du " maintien de l'ordre ", à porter certaines pièces de l'uniforme visé à l'article 2, alinéa 1er, 2°, 3° ou 4° " sont remplacés par les mots " personnes majeures à porter certaines pièces de l'uniforme visé à l'article 2, alinéa 1er ".
Afdeling 14. - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 maart 1999 betreffende de medische geschiktheid als parachutist of commando
Section 14. - Modification de l'arrêté royal du 3 mars 1999 relatif à l'aptitude médicale comme parachutiste ou commando
Art.49. In artikel 11 van het koninklijk besluit van 3 maart 1999 betreffende de medische geschiktheid als parachutist of commando worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden " stafchef van de medische dienst, wijst de minister van Landsverdediging jaarlijks " vervangen door de woorden " commandant van de medische component, wijst de directeur-generaal human resources ";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Het secretariaat van elke commissie wordt waargenomen door een secretaris die kan worden bijgestaan door andere personeelsleden van het departement van Defensie. Het personeel van het secretariaat van elke commissie wordt aangewezen door de voorzitter van de betrokken commissie. ";
  3° In paragraaf 3 worden de woorden " van het taalstelsel " ingevoegd tussen de woorden " in de taal " en de woorden " van de belanghebbende ";
  4° het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 4 en 5, luidende :
  " § 4. De bevoegheden van korpscommandant worden ten aanzien van de leden van iedere commissie en van het secretariaat uitgeoefend :
  1° in administatief opzicht, door de voorzitter van de betrokken commissie;
  2° in disciplinair opzicht, door de commandant van de medische component.
  § 5. Elke persoon, waarvan de geschiktheid als parachutist of commando onderzocht wordt, kan elk lid van een commissie of een commissie van beroep wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van een commissie of een commissie van beroep :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de persoon, waarvan de geschiktheid als parachutist of commando onderzocht wordt;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de persoon, waarvan de geschiktheid als parachutist of commando onderzocht wordt, niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  Elke persoon, waarvan de geschiktheid als parachutist of commando onderzocht wordt, of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de commissie indien de wrakingsgrond een lid van de commissie betreft;
  2° bij de voorzitter van de commissie van beroep indien de wrakingsgrond een lid van de commissie van beroep betreft;
  3° bij de directeur-generaal human resources, indien de wrakingsgrond de voorzitter van de commissie of van de commissie van beroep betreft.
  Indien de voorzitter van de betrokken commissie of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs ten laatste vijftien werkdagen vóór de zitting van de betrokken commissie. ".
Art.49. A l'article 11 de l'arrêté royal du 3 mars 1999 relatif à l'aptitude médicale comme parachutiste ou commando, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " chef d'état-major du service médical, le ministre de la Défense nationale désigne annuellement " sont remplacés par les mots " commandant de la composante médicale, le directeur général human resources désigne ";
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le secrétariat de chaque commission est assuré par un secrétaire qui peut être assisté par d'autres membres du personnel du département de la Défense. Le personnel du secrétariat est désigné par le président de la commission concernée. " ;
  3° dans le paragraphe 3, les mots " du régime linguistique " sont insérés entre les mots " dans la langue " et les mots " de l'intéressé ";
  4° l'article est complété par les paragraphes 4 et 5 rédigés comme suit :
  " § 4. Les attributions de chef de corps à l'égard des membres de chaque commission et du sécrétariat sont exercées :
  1° au point de vue administratif, par le président de la commission concernée;
  2° au point de vue disciplinaire, par le commandant de la composante médicale.
  § 5. Toute personne, dont l'aptitude comme parachutiste ou commando est examinée, peut récuser tout membre d'une commission ou d'une commission d'appel pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre d'une commission ou d'une commission d'appel :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré de la personne, dont l'aptitude comme parachutiste ou commando est examinée;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier la personne, dont l'aptitude comme parachutiste ou commando est examinée, en toute impartialité.
  Toute personne, dont l'aptitude comme parachutiste ou commando est examinée, ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission si la cause de récusation concerne un membre de la commission;
  2° auprès du président de la commission d'appel si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'appel;
  3° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la commission ou de la commission d'appel.
  Si le président de la commission concernée ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception au plus tard quinze jours ouvrables avant la séance de la commission concernée. ".
Afdeling 15. - Wijziging van het koninklijk besluit van 28 januari 2000 betreffende de medische geschiktheid voor duikactiviteiten en voor droge duiken
Section 15. - Modification de l'arrêté royal du 28 janvier 2000 relatif à l'aptitude médicale à des activités de plongée et à des plongées sèches
Art.50. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 28 januari 2000 betreffende de medische geschiktheid voor duikactiviteiten en voor droge duiken wordt vervangen als volgt :
  " Art. 8. § 1. Er wordt een medische commissie van beroep voor de geschiktheid voor duikactiviteiten, hierna te noemen " de commissie ", opgericht, die bestaat uit drie leden, onder wie een voorzitter.
  Op voorstel van de commandant van de medische component, wijst de directeur-generaal human resources de leden aan van de commissie, evenals een plaatsvervangend lid.
  De leden van de commissie zijn officier-geneesheer van het actief kader.
  Minstens een lid en het plaatsvervangende lid van de commissie moeten ervaring hebben in duikactiviteiten.
  De voorzitter van de commissie is het lid met de meeste anciënniteit in de hoogste graad.
  § 2. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door een secretaris die kan worden bijgestaan door andere personeelsleden van het departement van Defensie. Het personeel van het secretariaat van elke commissie wordt aangewezen door de voorzitter van de betrokken commissie.
  § 3. De leden van de commissie en de secretaris moeten de zaak kunnen behandelen in de taal van het taalstelsel van de belanghebbende.
  § 4. De bevoegheden van korpscommandant worden ten aanzien van de leden van de commissie en van het secretariaat uitgeoefend :
  1° in administatief opzicht, door de voorzitter van de commissie;
  2° in disciplinair opzicht, door de commandant van de medische component. ".
Art.50. L'article 8 de l'arrêté royal 28 janvier 2000 relatif à l'aptitude médicale à des activités de plongée et à des plongées sèches est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 8. § 1er. Il est instauré une commission médicale d'appel d'aptitude aux activités de plongée, dénommée ci-après " la commission ", composée de trois membres dont un président.
  Sur la proposition du commandant de la composante médicale, le directeur général human resources désigne les membres de la commission, ainsi qu'un membre suppléant.
  Les membres de la commission sont officiers médecins du cadre actif.
  Au moins un membre et le membre suppléant de la commission doivent avoir de l'expérience dans les activités de plongées.
  Le président de la commission est le membre avec le plus d'ancienneté dans le grade le plus élevé.
  § 2. Le secrétariat de la commission est assuré par un secrétaire qui peut être assisté par d'autres membres du personnel du département de la Défense. Le personnel du secrétariat est désigné par le président de la commission concernée.
  § 3. Les membres de la commission et le secrétaire doivent être capables de traiter l'affaire dans la langue du régime linguistique de l'intéressé.
  § 4. Les attributions de chef de corps à l'égard des membres de la commission et du secrétariat sont exercées :
  1° au point de vue administratif, par le président de la commission;
  2° au point de vue disciplinaire, par le commandant de la composante médicale. ".
Art.51. In hetzelfde besluit wordt een artikel 8/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 8/1. Elke persoon, waarvan de geschiktheid voor duikactiviteiten onderzocht wordt, kan elk lid van de commissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de commissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de persoon, waarvan de geschiktheid voor duikactiviteiten onderzocht wordt;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de persoon, waarvan de geschiktheid voor duikactiviteiten onderzocht wordt, niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  Elke persoon, waarvan de geschiktheid voor duikactiviteiten onderzocht wordt, of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de commissie indien de wrakingsgrond een lid van de commissie betreft;
  2° bij de directeur-generaal human resources, indien de wrakingsgrond de voorzitter van de commissie betreft.
  Indien de voorzitter van de commissie of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs ten laatste vijftien werkdagen vóór de zitting van de commissie. ".
Art.51. Dans le même arrêté, il est inséré un article 8/1 rédigé comme suit :
  " Art.8/1. Toute personne, dont l'aptitude aux activités de plongée est examinée, peut récuser tout membre de la commission pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre de la commission :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré de la personne, dont l'aptitude aux activités de plongée est examinée;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier la personne, dont l'aptitude aux activités de plongée est examinée, en toute impartialité.
  Toute personne, dont l'aptitude aux activités de plongée est examinée, ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission si la cause de récusation concerne un membre de la commission;
  2° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la commission.
  Si le président de la commission ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception au plus tard quinze jours ouvrables avant la séance de la commission. ".
Afdeling 16. - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 mei 2003 betreffende de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
Section 16. - Modification de l'arrêté royal du 3 mai 2003 relatif au statut des militaires du cadre de réserve des forces armées
Art.52. In artikel 37, vierde lid, van het koninklijk besluit van 3 mei 2003 betreffende het statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 oktober 2009, worden de woorden " artikel 19, derde lid " vervangen door de woorden " artikel 19 ".
Art.52. Dans l'article 37, alinéa 4, de l'arrêté royal du 3 mai 2003 relatif au statut des militaires du cadre de réserve des Forces armées, inséré par l'arrêté royal du 16 octobre 2009, les mots " l'article 19, alinéa 3 " sont remplacés par les mots " l'article 19 ".
Art.53. In artikel 51, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 oktober 2009, wordt het woord " beroepsmilitair " vervangen door het woord " militair ".
Art.53. Dans l'article 51, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 16 octobre 2009, les mots " militaire de carrière " sont remplacés par le mot " militaire ".
Afdeling 17. - Wijziging van het koninklijk besluit van 31 juli 2003 betreffende de kosteloosheid van de gezondheidszorgen voor het personeel tewerkgesteld in het Ministerie van Landsverdediging
Section 17. - Modification de l'arrêté royal du 31 juillet 2003 relatif à la gratuité des soins de santé pour le personnel employé au Ministère de la Défense
Art.54. In artikel 2, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 1 juli 2003 betreffende de kosteloosheid van de gezondheidszorgen voor het personeel tewerkgesteld in het Ministerie van Landsverdediging worden de woorden " Centraal Hospitaal van de Basis Koningin Astrid " vervangen door de woorden " militair hospitaal ".
Art.54. Dans l'article 2, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal du 31 juillet 2003 relatif à la gratuité des soins de santé pour le personnel employé au Ministère de la Défense, les mots " Hôpital Central de la Base Reine Astrid " sont remplacés par les mots " hôpital militaire ".
Afdeling 18. - Wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 2003 betreffende de voortgezette vorming van de officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor
Section 18. - Modification de l'arrêté royal du 12 août 2003 relatif à la formation continuée des officiers du cadre actif des forces armées et aux épreuves professionnelles pour l'avancement au grade de major
Art.55. In artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 12 augustus 2003 betreffende de voortgezette vorming van de officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor, worden het derde tot het vijfde lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 februari 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 2006, vervangen als volgt :
  " De officier die aan de beroepsproeven deelneemt, kan elk lid van een examencommissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van een examencommissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van een officier die aan de beroepsproeven deelneemt;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij een officier die aan de beroepsproeven deelneemt niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De officier die aan de beroepsproeven deelneemt of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de examencommissie indien de wrakingsgrond een lid van zijn examencommissie betreft;
  2° bij de DGHR indien de wrakingsgrond de voorzitter van de examencommissie betreft.
  Indien de voorzitter of de DGHR oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs. ".
Art.55. Dans l'article 33, § 2, de l'arrêté royal du 12 août 2003 relatif à la formation continuée des officiers du cadre actif des forces armées et aux épreuves professionnelles pour l'avancement au grade de major, les alinéas 3 à 5, remplacés par l'arrêté royal du 16 février 2006 et modifiés par l'arrête royal du 14 décembre 2006, sont remplacés par ce qui suit :
  " L'officier qui participe aux épreuves professionnelles, peut récuser tout membre d'un jury pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre d'un jury :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré d'un officier qui participe aux épreuves professionnelles;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier un officier qui participe aux épreuves professionnelles en toute impartialité.
  L'officier qui participe aux épreuves professionnelles ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président du jury si la cause de récusation concerne un membre de son jury;
  2° auprès du DGHR si la cause de récusation concerne le président.
  Si le président ou le DGHR estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception. ".
Art.56. Artikel 40bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 2006 en vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 2007, wordt aangevuld met een paragraaf 3 luidende :
  " § 3. De betrokken stagiair kan elk lid van de deliberatiecommissie voor de voortgezette vorming wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de deliberatiecommissie voor de voortgezette vorming :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken stagiair;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken stagiair niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken stagiair of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de deliberatiecommissie voor de voortgezette vorming indien de wrakingsgrond een lid van deze commissie betreft;
  2° bij de commandant van de school indien de wrakingsgrond de voorzitter van de commissie betreft.
  Indien de voorzitter of de commandant van de school oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs. ".
Art.56. L'article 40bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2006 et modifié par l'arrêté royal du 20 décembre 2007, est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. Le stagiaire concerné peut récuser tout membre de la commission de délibération de la formation continuée pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre de la commission de délibération de la formation continuée :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du stagiaire concerné;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le stagiaire concerné en toute impartialité.
  Le stagiaire concerné ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission de délibération de la formation continuée si la cause de récusation concerne un membre de cette commission;
  2° auprès du commandant de l'école si la cause de récusation concerne le président de la commission.
  Si le président ou le commandant de l'école estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception. ".
Afdeling 19. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 september 2003 betreffende de werving van de militairen
Section 19. - Modification de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 relatif au recrutement des militaires
Art.57. In artikel 44 van het koninklijk besluit van 11 september 2003 betreffende de werving van de militairen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " het Centrum voor medische expertise " vervangen door de woorden " de medische component ";
  2° paragraaf 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 september 2005, wordt aangevuld met drie leden luidende :
  " De leden van de commissie en de secretaris moeten de zaak kunnen behandelen in de taal van het taalstelsel van de belanghebbende.
  Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door een secretaris die kan worden bijgestaan door andere personeelsleden van het departement van Defensie. Het personeel van het secretariaat van elke commissie wordt aangewezen door de voorzitter van de betrokken commissie.
  De bevoegheden van korpscommandant worden ten aanzien van de leden van de commissie en van het secretariaat uitgeoefend :
  1° in administatief opzicht, door de voorzitter van de commissie;
  2° in disciplinair opzicht, door de commandant van de medische component. ".
Art.57. A l'article 44 de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 relatif au recrutement des militaires, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er; les mots " du Centre médical d'expertise " sont remplacés par les mots " de la composante médicale ";
  2° le paragraphe 1er, modifié par l'arrêté du 17 septembre 2005, est complété par trois alinéas rédigés comme suit :
  " Les membres de la commission et le secrétaire doivent être capables de traiter l'affaire dans la langue du régime linguistique de l'intéressé.
  Le secrétariat de la commission est assuré par un secrétaire qui peut être assisté par d'autres membres du personnel du département de la Défense. Le personnel du secrétariat est désigné par le président de la commission concernée.
  Les attributions de chef de corps à l'égard des membres de la commission et du sécrétariat sont exercées :
  1° au point de vue administratif, par le président de la commission;
  2° au point de vue disciplinaire, par le commandant de la composante médicale. ".
Afdeling 20. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende het statuut van de militaire luchtverkeersleiders en de medische geschiktheid van de militaire luchtverkeersleiders en luchtgevechtleiders
Section 20. - Modification de l'arrêté royal du 25 avril 2004 relatif au statut des contrôleurs de trafic aérien militaires et à l'aptitude médicale des contrôleurs de trafic aérien et des contrôleurs de combat aérien militaires
Art.58. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende het statuut van de militaire luchtverkeersleiders en de medische geschiktheid van de militaire luchtverkeersleiders en luchtgevechtleiders wordt vervangen als volgt :
  " Art. 6. De betrokken kandidaat kan elk lid van een deliberatie- of evaluatiecommissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van een deliberatie- of evaluatiecommissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken kandidaat;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken kandidaat niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken kandidaat of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de deliberatiecommissie indien de wrakingsgrond een lid van de deliberatiecommissie betreft;
  2° bij de voorzitter van de evaluatiecommissie indien de wrakingsgrond een lid van de evaluatiecommissie betreft;
  3° bij de directeur-generaal human resources indien de wrakingsgrond de voorzitter van de deliberatie- of evaluatiecommissie betreft.
  Indien de voorzitter van de betrokken commissie of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van vijf werkdagen volgend op de dag van de kennisgeving van de samenstelling van de betrokken commissie. ".
Art.58. L'article 6 de l'arrêté royal du 25 avril 2004 relatif au statut des contrôleurs de trafic aérien militaires et à l'aptitude médicale des contrôleurs de trafic aérien et des contrôleurs de combat aérien militaires est remplacé comme suit :
  " Art. 6. Le candidat concerné peut récuser tout membre d'une commission de délibération ou d'évaluation pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre d'une commission de délibération ou d'évaluation :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du candidat concerné;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le candidat concerné en toute impartialité.
  Le candidat concerné ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission de délibération si la cause de récusation concerne un membre de la commission de délibération;
  2° auprès du président de la commission d'évaluation si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'évaluation;
  3° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la commission de délibération ou d'évaluation.
  Si le président de la commission concernée ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans un délai de cinq jours ouvrables suivant le jour de la notification de la composition de la commission concernée. ".
Art.59. Artikel 22 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 22. De minister is de overheid bedoeld in artikel 9, §§ 2bis en 2quater, van de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren. ".
Art.59. L'article 22 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 22. Le ministre est l'autorité, visée à l'article 9, §§ 2bis et 2quater, de la loi du 23 décembre 1955 sur les officiers auxiliaires de la force aérienne, pilotes et navigateurs. ".
Afdeling 21. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 mei 2004 betreffende het varend personeel van de krijgsmacht
Section 21. - Modification de l'arrêté royal du 13 mai 2004 relatif au personnel navigant des forces armées
Art.60. Artikel 32 van het koninklijk besluit van 13 mei 2004 betreffende het varend personeel van de krijgsmacht wordt vervangen als volgt :
  " Art. 32. De betrokken militair kan elk lid van een informatie- of evaluatiecommissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van een informatie- of evaluatiecommissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken militair;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken militair niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken militair of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de informatiecommissie indien de wrakingsgrond een lid van de informatiecommissie betreft;
  2° bij de voorzitter van de evaluatiecommissie indien de wrakingsgrond een lid van de evaluatiecommissie betreft;
  3° bij de commandant van de luchtcomponent indien de wrakingsgrond de voorzitter van de informatie- of deliberatiecommissie betreft.
  Indien de voorzitter van de betrokken commissie of de commandant van de luchtcomponent oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van vijf werkdagen volgend op de dag van de kennisgeving van de samenstelling van de betrokken commissie. ".
Art.60. L'article 32 de l'arrêté royal du 13 mai 2004 relatif au personnel navigant des forces armées est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 32. Le militaire concerné peut récuser tout membre d'une commission d'information ou d'évaluation pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre d'une commission d'information ou d'évaluation :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du militaire concerné;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le militaire concerné en toute impartialité.
  Le militaire concerné ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission d'information si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'information;
  2° auprès du président de la commission d'évaluation si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'évaluation;
  3° auprès du commandant de la composante air si la cause de récusation concerne le président de la commission d'information ou d'évaluation.
  Si le président de la commission concernée ou le commandant de la composante air estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans un délai de cinq jours ouvrables suivant le jour de la notification de la composition de la commission concernée. ".
Art.61. Artikel 43 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 43. De betrokken militair kan elk lid van een informatie- of evaluatieraad wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van een informatie- of evaluatieraad :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken militair;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken militair niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken militair of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de DGHR indien de wrakingsgrond een lid van de informatie- of evaluatieraad betreft;
  2° bij de DGHR indien de wrakingsgrond de voorzitter van de informatieraad betreft;
  3° bij de minister indien de wrakingsgrond de voorzitter van de evaluatieraad betreft.
  Indien de DGHR of de minister oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van vijf werkdagen volgend op de dag van de kennisgeving van de samenstelling van de betrokken raad. ".
Art.61. L'article 43 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 43. Le militaire concerné peut récuser tout membre d'un conseil d'information ou d'évaluation pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre d'un conseil d'information ou d'évaluation :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du militaire concerné;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le militaire concerné en toute impartialité.
  Le militaire concerné ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du DGHR si la cause de récusation concerne un membre du conseil d'information ou d'évaluation;
  2° auprès du DGHR si la cause de récusation concerne le président du conseil d'information;
  3° auprès du ministre si la cause de récusation concerne le président du conseil d'évaluation.
  Si le DGHR ou le ministre estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans un délai de cinq jours ouvrables suivant le jour de la notification de la composition du conseil concernée. ".
Afdeling 22. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 mei 2004 betreffende de examencommissies van de taalexamens bepaald door de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger
Section 22. - Modification de l'arrêté royal du 19 mai 2004 relatif aux jurys des examens linguistiques fixés par la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée
Art.62. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 2004 betreffende de examencommissies van de taalexamens bepaald door de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger wordt vervangen als volgt :
  " Art. 3. De betrokken kandidaat kan elk lid van een examencommissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk voorzitter, ondervoorzitter, lid of examinator van een examencommissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken kandidaat;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken kandidaat niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken kandidaat of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de betrokken examenperiode indien de wrakingsgrond een ondervoorzitter, een lid of een examinator van de zitting betreft;
  2° bij de directeur-generaal human resources indien de wrakingsgrond de voorzitter van de betrokken examenperiode betreft.
  Indien de voorzitter van de betrokken examenperiode of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs, ten laatste vijftien werkdagen vóór het begin van de betrokken examenperiode. ".
Art.62. L'article 3 de l'arrêté royal du 19 mai 2004 relatif aux jurys des examens linguistiques fixés par la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3. Le candidat concerné peut récuser tout membre d'un jury pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout président, vice-président, membre ou examinateur d'un jury :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du candidat concerné;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le candidat concerné en toute impartialité.
  Le candidat concerné ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la session concernée si la cause de récusation concerne un vice-président, un membre ou un examinateur de la session;
  2° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la session concernée.
  Si le président de la session concernée ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception, au plus tard quinze jours ouvrables avant le début de la session concernée. ".
Afdeling 23. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de afwezigheid om gezondheidsredenen van de militairen
Section 23. - Modification de l'arrêté royal du 10 août 2005 relatif aux absences pour motif de sante des militaires
Art.63. In artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de afwezigheid om gezondheidsredenen worden de woorden " die bij gerechtelijke of administratieve maatregel geïnterneerd zijn overeenkomstig de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers " vervangen door de woorden " opgenomen zijn in een psychiatrische dienst of bij gerechtelijke of administratieve maatregel geïnterneerd zijn, wat de modaliteit van uitvoering ook is ".
Art.63. Dans l'article 3, 4°, de l'arrêté royal du 10 août 2005 relatif aux absences pour motif de santé des militaires, les mots " internés par décision judiciaire ou administrative en application de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude " sont remplacés par les mots " admis dans un service psychiatrique ou internés, quelle que soit la modalité d'exécution ".
Afdeling 24. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de militaire commissies voor geschiktheid en reform
Section 24. - Modification de l'arrêté royal du 10 août 2005 relatif aux commissions militaires d'aptitude et de réforme
Art.64. In het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de militaire commissies voor geschiktheid en reform wordt een artikel 14/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 14/1. Elke persoon, waarvan de medische geschiktheid onderzocht wordt, kan elk lid van de MCGR of van de MCBGR wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van de MCGR of van de MCBGR :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de persoon waarvan de medische geschiktheid onderzocht wordt;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de persoon, waarvan de medische geschiktheid onderzocht wordt, niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  Elke persoon, waarvan de medische geschiktheid onderzocht wordt, of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de MCGR indien de wrakingsgrond een lid van deze commissie betreft;
  2° bij de voorzitter van de MCBGR indien de wrakingsgrond een lid van deze commissie betreft;
  3° bij de directeur-generaal human resources, indien de wrakingsgrond de voorzitter van de MCGR of van de MCBGR betreft.
  Indien de voorzitter van de betrokken commissie of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs ten laatste vijftien werkdagen vóór de zitting van de betrokken commissie. ".
Art.64. Dans l'arrêté royal du 10 août 2005 relatif aux commissions d'aptitude et de réforme, il est inséré un article 14/1 rédigé comme suit :
  " Art. 14/1. Toute personne, dont l'aptitude médicale est examinée, peut récuser tout membre de la CMAR ou de la CMARA pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre de la CMAR ou de la CMARA :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré de la personne dont l'aptitude médicale est examinée;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier la personne, dont l'aptitude médicale est examinée, en toute impartialité.
  Toute personne, dont l'aptitude médicale est examinée, ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la CMAR si la cause de récusation concerne un membre de cette commission;
  2° auprès du président de la CMARA si la cause de récusation concerne un membre de cette commission;
  3° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la CMAR ou de la CMARA.
  Si le président de la commission concernée ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception au plus tard quinze jours ouvrables avant la séance de la commission concernée. ".
Afdeling 25. - Wijziging van het koninklijk besluit van 17 september 2005 betreffende de geschiktheid voor luchtdienst
Section 25. - Modification de l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à l'aptitude au service aérien
Art.65. In artikel 14 van het koninklijk besluit van 17 september 2005 betreffende de geschiktheid voor luchtdienst worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de paragrafen 1 en 2 worden vervangen als volgt :
  " § 1. De commissie en de commissie van beroep zijn elk samengesteld uit drie leden van wie deze met de meeste anciënniteit in de hoogste graad voorzitter is.
  Op voorstel van de commandant van de medische component, wijst de directeur-generaal human resources de leden aan van elke commissie, evenals een plaatsvervangend lid voor elk van deze commissies.
  De leden en het plaatsvervangend lid van de commissie en de commissie van beroep zijn officierengeneesheren van het actief kader.
  Minstens een lid en het plaatsvervangende lid van de commissie en van de commissie van beroep moeten vliegerartsen zijn.
  § 2. Het secretariaat van elke commissie wordt waargenomen door een secretaris die kan worden bijgestaan door andere personeelsleden van het departement van Defensie. Het personeel van het secretariaat van elke commissie wordt aangewezen door de voorzitter van de betrokken commissie. ";
  2° in paragraaf 3 wordt het tweede lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 11 oktober 2007, vervangen als volgt :
  " De leden van de commissie en van de commissie van beroep en de secretaris moeten de zaak kunnen behandelen in de taal van het taalstelsel van de belanghebbende. ";
  3° in paragraaf 4 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  " De bevoegheden van korpscommandant worden ten aanzien van de leden van iedere commissie en van het secretariaat uitgeoefend :
  1° in administatief opzicht, door de voorzitter van de betrokken commissie;
  2° in disciplinair opzicht, door de commandant van de medische component. ";
  4° wordt paragraaf 5 vervangen als volgt :
  " § 5. Elke persoon, waarvan de geschiktheid voor luchtdienst onderzocht wordt, kan elk lid van een commissie of een commissie van beroep wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van een commissie of een commissie van beroep :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de persoon, waarvan de geschiktheid voor luchtdienst onderzocht wordt;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de persoon, waarvan de geschiktheid voor luchtdienst onderzocht wordt, niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  Elke persoon, waarvan de geschiktheid voor luchtdienst onderzocht wordt, of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de voorzitter van de commissie indien de wrakingsgrond een lid van de commissie betreft;
  2° bij de voorzitter van de commissie van beroep indien de wrakingsgrond een lid van de commissie van beroep betreft;
  3° bij de directeur-generaal human resources, indien de wrakingsgrond de voorzitter van de commissie of van de commissie van beroep betreft.
  Indien de voorzitter van de betrokken commissie of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs ten laatste vijftien werkdagen vóór de zitting van de betrokken commissie. ".
Art.65. A l'article 14 de l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à l'aptitude au service aérien, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les paragraphes 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 1er. La commission et la commission d'appel sont composées chacune de trois membres, dont le plus ancien dans le grade le plus élevé est président.
  Sur la proposition du commandant de la composante médicale, le directeur général human resources désigne les membres de chaque commission, ainsi qu'un membre suppléant pour chacune de ces commissions.
  Les membres et le membre suppléant de la commission et de la commission d'appel sont des officiers médecins du cadre actif.
  Au moins un membre et le membre suppléant de la commission et de la commission d'appel doivent être médecins aéronautiques.
  § 2. Le secrétariat de chaque commission est assuré par un secrétaire qui peut être assisté par d'autres membres du personnel du département de la Défense. Le personnel du secrétariat est désigné par le président de la commission concernée. " ;
  2° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2, remplacé par l'arrêté royal du 11 octobre 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Les membres de la commission et de la commission d'appel et le secrétaire doivent être capables de traiter l'affaire dans la langue du régime linguistique de l'intéressé. " ;
  3° dans le paragraphe 4, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Les attributions de chef de corps à l'égard des membres de chaque commission et du sécrétariat sont exercées :
  1° au point de vue administratif, par le président de la commission concernée;
  2° au point de vue disciplinaire, par le commandant de la composante médicale. " ;
  4° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Toute personne, dont l'aptitude au service aérien est examinée, peut récuser tout membre d'une commission ou d'une commission d'appel pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre d'une commission ou d'une commission d'appel :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré de la personne, dont l'aptitude au service aérien est examinée;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier la personne, dont l'aptitude au service aérien est examinée, en toute impartialité.
  Toute personne, dont l'aptitude au service aérien est examinée, ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du président de la commission si la cause de récusation concerne un membre de la commission;
  2° auprès du président de la commission d'appel si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'appel;
  3° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la commission ou de la commission d'appel.
  Si le président de la commission concernée ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception au plus tard quinze jours ouvrables avant la séance de la commission concernée. ".
Afdeling 26. - Wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 2005 betreffende het statuut van de militaire muzikanten
Section 26. - Modification de l'arrêté royal du 21 décembre 2005 relatif au statut des musiciens militaires
Art.66. In artikel 16, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 december 2005 betreffende het statuut van de militaire muzikanten wordt de zin " Een bevorderingscomité wordt ingericht voor de bevordering tot de graad van adjudant-chef lessenaaraanvoerder. " vervangen als volgt :
  " Voor de bevordering tot de graad van adjudant-chef lessenaaraanvoerder wordt een bevorderingscomité ingericht voor elke lessenaar. ".
Art.66. Dans l'article 16, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 21 décembre 2005 relatif au statut des musiciens militaires, la phrase " Un comité d'avancement est organisé pour l'avancement au grade d'adjudant-chef chef de pupitre. " est remplacée par la phrase suivante :
  " Pour l'avancement au grade d'adjudant-chef chef de pupitre, un comité d'avancement est organisé pour chaque pupitre. ".
Afdeling 27. - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de biotheek van Defensie
Section 27. - Modification de l'arrêté royal du 3 décembre 2006 relatif à la biothèque de la Défense
Art.67. Artikel 22 van het koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de biotheek van Defensie wordt vervangen als volgt :
  " Art. 22. De betrokken donor kan elk lid van een commissie of van een beroepscommissie wraken om één of meerdere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen.
  Dient zich te wraken elk lid van een commissie of van een beroepscommissie :
  1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokken donor;
  2° dat, om één van de andere in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde redenen, van mening is dat hij de betrokken donor niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
  De betrokken donor of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
  1° bij de directeur-generaal human resources indien de wrakingsgrond een lid van de commissie betreft;
  2° bij de minister van Landsverdediging indien de wrakingsgrond een lid van de beroepscommissie betreft.
  Indien de directeur-generaal human resources of de minister van Landsverdediging oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
  De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van vijf werkdagen volgend op de dag van de kennisgeving van de samenstelling van de betrokken commissie. ".
Art.67. L'article 22 de l'arrêté royal du 3 décembre 2006 relatif à la biothèque de la Défense est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 22. Le donneur concerné peut récuser tout membre d'une commission ou d'une commission d'appel pour une ou plusieurs causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire.
  Doit se récuser tout membre d'une commission ou d'une commission d'appel :
  1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré du donneur concerné;
  2° qui, pour une des autres causes énumérées à l'article 828 du Code judiciaire, estime qu'il ne peut apprécier le donneur concerné en toute impartialité.
  Le donneur concerné ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
  1° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne un membre de la commission;
  2° auprès du ministre de la Défense si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'appel.
  Si le directeur général human resources ou le ministre de la Défense estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
  La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception dans un délai de cinq jours ouvrables suivant le jour de la notification de la composition de la commission concernée. ".
HOOFDSTUK 2. - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires et finales
Art.68. Voor de procedures betreffende de schorsing bij ordemaatregel die ingesteld zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit is de informatiecommissie enkel bevoegd vanaf het ogenblik dat de lopende schorsing bij ordemaatregel verlengd wordt voor zover er geen procedure ingesteld werd die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben.
Art.68. Pour les procédures relatives à la suspension par mesure d'ordre entamées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté royal, la commission d'information n'est compétente qu'à partir du moment où la suspension par mesure d'ordre en cours est prolongée pour autant qu'aucune procédure pouvant mener à une mesure statutaire ne soit entamée.
Art. 69. De Minister bevoegd voor de Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 69. Le Ministre qui a la Défense dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Brussel, 26 augustus 2010.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landsverdediging,
  P. DE CREM
  Bruxelles, le 26 août 2010.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Défense,
  P. DE CREM