Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 MEI 2009. - Vlaamse codex ruimtelijke ordening (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-08-2009 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
15 MAI 2009. - Code flamand de l'aménagement du territoire (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-08-2009 et mise à jour au 30-12-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Inleidende bepalingen HOOFDSTUK I. - Doelstellingen en begrippen HOOFDSTUK II. - Voortgangsbewaking inzake de ui... HOOFDSTUK III. - Adviesorganen Afdeling 1. Afdeling 2. - De provinciale commissie voor rui... Afdeling 3. - De gemeentelijke commissie voor r... Afdeling 4. - Algemene bepaling HOOFDSTUK IV. - De ambtenaren van ruimtelijke o... Afdeling 1. - De [1 ...]1 gewestelijke [2 ...]2... Afdeling 2. Afdeling 3. Afdeling 4. [1 - De gewestelijke en gemeentelij... Afdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT. [1 De herstelinst... HOOFDSTUK V. [1 - Het register van ruimtelijke ... HOOFDSTUK VI. [1 - BRV-Fonds]1 TITEL II. - Planning HOOFDSTUK I. [1 - Ruimtelijke beleidsplannen]1 Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. Afdeling 2. [1 - Het Beleidsplan Ruimte Vlaande... Afdeling 3. Afdeling 3. [1 - Het provinciaal beleidsplan ru... Afdeling 4. [1 - Het gemeentelijk beleidsplan r... Afdeling 4. HOOFDSTUK II. - Ruimtelijke uitvoeringsplannen Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. Afdeling 2. [1 - Gewestelijke ruimtelijke uitvo... Afdeling 3. Afdeling 3. [1 - Provinciale ruimtelijke uitvoe... Afdeling 4. Afdeling 4. [1 - Gemeentelijke ruimtelijke uitv... HOOFDSTUK III. - Stedenbouwkundige verordeningen HOOFDSTUK IV. - Recht van voorkoop, onteigening... Afdeling 1. - Het recht van voorkoop Afdeling 2. - Onteigening Afdeling 3. - Aankoopplicht HOOFDSTUK V. HOOFDSTUK VI. - Planschade en planbaten Afdeling 1. - Planschade Onderafdeling 1. [1 Algemene bepalingen]1 Afdeling 2. - Planbatenheffing Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. - Heffingsplicht Onderafdeling 3. - Bedrag Onderafdeling 4. - Inkohiering en invordering Onderafdeling 5. - Betalingstermijn en bezwaren... Onderafdeling 6. - Toewijzing en aanwending van... Onderafdeling 7. - Overige bepalingen Sectie 1. - [1 Suppletieve toepassing van de Vl... Sectie 2. [1 Monitoring]1 Afdeling 3. - [1 Decreet betreffende complexe p... TITEL III. HOOFDSTUK I. Afdeling 1. Afdeling 2. Afdeling 3. HOOFDSTUK II. Afdeling 1. Afdeling 2. TITEL IV. - Vergunningenbeleid HOOFDSTUK I. - Definities HOOFDSTUK II. - Vergunningsplicht Afdeling 1. - Soorten Onderafdeling 1. [1 - Vergunningsplicht voor st... Sectie 1. - Vergunningsplichtige handelingen Sectie 2. - Afwijkingen van de vergunningsplicht Subsectie 1. - Meldingsplichtige en vrijgesteld... Subsectie 2. - Bijzonderheden inzake zorgwonen Sectie 3. - Lokale voorschriften Sectie 4. - As-builtattest Subsectie 1. Subsectie 2. Subsectie 3. Subsectie 4. Subsectie 5. Subsectie 6. Sectie 5. - Vermoeden van vergunning Onderafdeling 2. [1 - Vergunningsplicht voor he... Afdeling 2. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. Onderafdeling 3. Onderafdeling 4. Onderafdeling 5. HOOFDSTUK III. - Beoordelingsgronden Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Decretale beoordelingselementen HOOFDSTUK IV. - Afwijkingen van stedenbouwkundi... Afdeling 1. [1 Algemene bepaling]1 Afdeling 1/1. [1 - Afwijkingsmogelijkheden]1 Onderafdeling 1. - Beperkte afwijkingen Onderafdeling 2. - Stabiliteitswerken Onderafdeling 3. - Afwerkingsregel Onderafdeling 4. - Sociaal-cultureel of recreat... Onderafdeling 5. - Medegebruik inzake natuurschoon Onderafdeling 6. - Beschermde monumenten, stads... Onderafdeling 7. - Handelingen van algemeen belang Onderafdeling 7/1. [1 - Handelingen in industri... Onderafdeling 7/2. [1 - Stallen voor weidedieren]1 Onderafdeling 7/3. [1 - Handelingen in ontginni... Onderafdeling 8. - Handelingen sorterend onder ... Onderafdeling 9. [1 - Handelingen sorterend ond... Afdeling 2. - Basisrechten voor zonevreemde con... Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied, draagwijd... Onderafdeling 2. - Bestaande zonevreemde constr... Sectie 1. - Bestaande zonevreemde woningen Subsectie 1. - Verbouwen Subsectie 2. - Herbouwen op dezelfde plaats Subsectie 3. - Herbouwen op een gewijzigde plaats Subsectie 4. - Uitbreiden Sectie 2. - Bestaande zonevreemde constructies,... Subsectie 1. - Verbouwen Subsectie 2. - Herbouwen op dezelfde plaats Subsectie 3. - Herbouwen op een gewijzigde plaats Subsectie 4. - Uitbreiden en aanpassen Onderafdeling 3. - Recent afgebroken zonevreemd... Onderafdeling 4. - Herstelwerken bij vernietigi... Sectie 1. - Vernietigde of beschadigde woningen Sectie 2. - Andere vernietigde of beschadigde c... Afdeling 3. - Zonevreemde functiewijzigingen Afdeling 4. - Planologische attesten HOOFDSTUK V. HOOFDSTUK VI. Afdeling 1. Afdeling 2. HOOFDSTUK VII. Afdeling 1. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. Afdeling 2. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. Afdeling 3. HOOFDSTUK VIII. - [1 Raad voor Vergunningsbetwi... Afdeling 1. - [1 Oprichting]1 Afdeling 2. - [1 Bevoegdheid]1 Onderafdeling 1. - [1 Vernietiging]1 Onderafdeling 2. Onderafdeling 3. Onderafdeling 4. Afdeling 3. - [1 Procedure]1 Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. - [1 Aanhangigmaking]1 Onderafdeling 3. Onderafdeling 4. Onderafdeling 5. - [1 Tussenkomst]1 Onderafdeling 6. Onderafdeling 7. Onderafdeling 8. Afdeling 4. Afdeling 5. Afdeling 6. TITEL V. - Diverse bepalingen HOOFDSTUK I. - Plannen- en vergunningenregisters Afdeling 1. - Plannenregister Afdeling 2. - Vergunningenregister Afdeling 3. - Bepaling, aan beide registers gemeen HOOFDSTUK II. - Informatieplichten Afdeling 1. - Informatieplicht van de instrumen... Afdeling 2. - Informatieplicht met betrekking t... Afdeling 3. - Informatieplicht met betrekking t... Afdeling 4. - Stedenbouwkundig uittreksel HOOFDSTUK III. - Het stedenbouwkundig attest. P... HOOFDSTUK IV. - Aanpak permanente bewoning week... Afdeling 1. - Begrip Afdeling 2. - Planologisch oplossingskader Afdeling 3. - Woonrecht Afdeling 4. - Handelingen betreffende een weeke... HOOFDSTUK V. - Diverse ondersteunings- en evalu... Afdeling 1. - Ondersteuning van de implementati... Afdeling 2. - Evaluatie en kwaliteitscontrole v... HOOFDSTUK VI. - Raakvlakken met sectorregelgeving Afdeling 1. - Grond- en pandenbeleid Onderafdeling 1. - Register van de onbebouwde p... Onderafdeling 2. - Fiscale bepalingen Onderafdeling 3. Onderafdeling 4. Afdeling 2. - Bijzondere bepaling betreffende d... Afdeling 3. TOEKOMSTIG RECHT. [1 - Bijzondere b... Afdeling 4. [1 - Woonreservegebieden]1 Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepaling]1 Onderafdeling 2. [1 - Gemeentelijke besluitvorm... Onderafdeling 3. [1 - Regeling voor woonreserve... Onderafdeling 4. [1 - Opmaak van ruimtelijke ui... HOOFDSTUK VII. [1 - Gewestplanvoorschriften]1 TITEL VI. [1 - Handhaving]1 HOOFDSTUK I. [1 - Inleidende bepalingen]1 HOOFDSTUK I. TOEKOMSTIG_RECHT.[1 Algemene bepal... Afdeling 1. [1 - Definities]1 Afdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 2. [1 - Omgevingshandhavingsbeleid]1 Afdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 2. Afdeling 3. Afdeling 4. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. Sectie 1. Sectie 2. Sectie 3. Sectie 4. Sectie 5. Sectie 6. Onderafdeling 3. Onderafdeling 4. Sectie 1. Subsectie 1. Subsectie 2. Subsectie 3. Subsectie 4. Subsectie 5. Sectie 2. Subsectie 1. Subsectie 2. Sectie 3. Onderafdeling 5. Afdeling 5. Afdeling 6. Afdeling 7. Afdeling 8. Afdeling 9. - Fonds Minnelijke Schikkingen [1 o... Afdeling 10. Afdeling 11. HOOFDSTUK II. [1 - Sancties]1 HOOFDSTUK II. TOEKOMSTIG_RECHT.[1 Misdrijven en... Afdeling 1. [1 - Stedenbouwkundige misdrijven e... Afdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 2. [1 - Voorkomen en vaststellen van s... Afdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 1. [1 - Raadgeving en aanmaning]1 Onderafdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 2. [1 - Vaststelling van stedenbo... Onderafdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 3. [1 - Vaststelling van stedenbo... Onderafdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 4. [1 - Verbalisanten ruimtelijke... Onderafdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 3. [1 - Het opleggen van een bestuurli... Afdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 1. [1 - Basisbepalingen]1 Onderafdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 2. [1 - Het opleggen van een excl... Onderafdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 3. [1 - Het opleggen van een alte... Onderafdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 4. [1 - Voorstel tot betaling van een ... Afdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT. HOOFDSTUK III. [1 - Rechterlijke maatregelen]1 HOOFDSTUK III. TOEKOMSTIG_RECHT.[1 Bijzondere b... Afdeling 1. [1 - Rechterlijke herstelmaatregelen]1 Afdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 2. [1 - De Hoge Raad voor de Handhavin... Afdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1 Onderafdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 2. [1 - Adviesplichten]1 Onderafdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 3. [1 - Bevoegdheid inzake advise... Onderafdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 3/1. [1 - Bemiddeling]1 Onderafdeling 3/1. TOEKOMSTIG_RECHT. Onderafdeling 4. [1 - Werking]1 Onderafdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT. HOOFDSTUK IV. [1 - Bestuurlijke maatregelen]1 HOOFDSTUK IV. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 1. [1 - Basisbepalingen]1 Afdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 2. [1 - Stakingsbevel]1 Afdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 3. [1 - Bestuursdwang]1 Afdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 4. [1 - Last onder dwangsom]1 Afdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT. Afdeling 5. [1 - Minnelijke schikking]1 Afdeling 5. TOEKOMSTIG_RECHT. HOOFDSTUK V. [1 - Inkomsten uit handhaving]1 HOOFDSTUK V. TOEKOMSTIG_RECHT. HOOFDSTUK VI. [1 - Diverse bepalingen]1 HOOFDSTUK VI. TOEKOMSTIG_RECHT. TITEL VII. - Diverse temporele en overgangsmaat... HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen HOOFDSTUK II. - Ontvoogding gemeenten HOOFDSTUK III. HOOFDSTUK IV. - Planning Afdeling 1. - Bijzondere validaties Afdeling 2. - Algemene en bijzondere plannen va... Afdeling 3. Afdeling 4. Afdeling 5. Afdeling 6. - Onteigening Afdeling 7. - Planschade en planbaten HOOFDSTUK V. - Vergunningenbeleid Afdeling 1. - Vergunningsplichtige functiewijzi... Afdeling 2. Afdeling 3. - Verkavelingsakkoorden en verkavel... Afdeling 4. [1 - Verval, bijstelling of opheffi... Afdeling 5. Afdeling 6. - Tijdelijke regeling bindende advi... HOOFDSTUK VI. - Diverse bepalingen Afdeling 1. - Plannen- en vergunningenregisters Afdeling 2. - Informatieplichten Afdeling 3. HOOFDSTUK VII. - Handhaving TITEL VIII. - Aanhalingswijze BIJLAGEN.
Inhoud
TITRE Ier. - Dispositions introductives CHAPITRE Ier. - Objectifs et définitions CHAPITRE II. - Surveillance de l'évolution en m... CHAPITRE III. - Organes consultatifs Division Ire. Division 2. - La Commission provinciale pour l'... Division 3. - La Commission communale pour l'am... Division 4. - Disposition générale CHAPITRE IV. - Les fonctionnaires chargés de l'... Division 1re. - Les [1 ...]1 [2 ...]2 et foncti... Division 2. Division 3. Division 4. [1 - Les inspecteurs urbanistes rég... Division 4. DROIT_FUTUR.[1 Les instances de rép... CHAPITRE V. [1 - Le registre des planificateurs... CHAPITRE VI. [1 - Fonds BRV]1 TITRE II. - Planification CHAPITRE Ier. [1 - Plans de politique spatiale]1 Division 1re. - Dispositions générales Division 2. Division 2. [1 - Le Plan de politique spatiale ... Division 3. Division 3. [1 Le plan de politique spatiale pr... Division 2. [1 Le plan de politique spatiale co... Division 4. CHAPITRE II. - Plans d'exécution spatiaux Division 1re. - Dispositions générales Division 2. Section 2. [1 - Plans d'exécution spatiaux régi... Division 3. Section 3. [1 - Plans d'exécution spatiaux prov... Division 4. Section 4. [1 - Plans d'exécution spatiaux comm... CHAPITRE III. - Règlements urbanistiques CHAPITRE IV. - Droit de préemption, expropriati... Division 1re. - Le droit de préemption Division 2. - Expropriation Division 3. - Obligation d'achat CHAPITRE V. CHAPITRE VI. - Dommages et bénéfices résultant ... Division 1re. - Dommages résultant de la planif... Sous-division 1re. [1 Dispositions générales]1 Division 2. - Taxe sur les bénéfices résultant ... Sous-division 1re. Sous-division 2. - Obligation de contribution Sous-division 3. - Montant Sous-division 4. - Enrôlement et recouvrement Sous-division 5. - Délai de paiement et règleme... Sous-division 6. - Attribution et utilisation d... Sous-division 7. - Autres dispositions Section 1re. - [1 Application supplétive du Cod... Section 2. [1 Suivi]1 Division 3. - [1 Décret relatif aux projets com... TITRE III. CHAPITRE Ier. Division 1re. Division 2. Division 3. CHAPITRE II. Division 1re. Division 2. TITRE IV. - Politique d'autorisation CHAPITRE Ier. - Définitions CHAPITRE II. - Obligation d'autorisation Division 1re. - Sortes Sous-division 1re. [1 Obligation d'autorisation... Section 1re. - Actes soumis à l'obligation d'au... Section 2. - Dérogations à l'obligation de permis Sous-section 1re. - Actes soumis à et exempté d... Sous-section 2. - Particularités en matière d'a... Section 3. - Prescriptions locales Section 4. - Attestation " as built " Sous-section 1re. Sous-section 2. Sous-section 3. Sous-section 4. Sous-section 5. Sous-section 6. Section 5. - Présomption de permis Sous-section 2. [1 - Obligation d'autorisation ... Division 2. Sous-division 1re. Sous-division 2. Sous-section 3. Sous-division 4. Sous-division 5. CHAPITRE III. - Critères d'évaluation Division 1re. - Dispositions générales Division 2. - Eléments décrétaux d'évaluation CHAPITRE IV. - Dérogations aux prescriptions ur... Division 1re. [1 Disposition générale ]1 Division 1/1. [1 Sortes ]1 Sous-division 1re. - Dérogations limitées Sous division 2. - Travaux de stabilisation Sous-division 3. - Réglementation de finition Sous-division 4. - Co-utilisation socio-culture... Sous-division 5. - Co-utilisation liée à l'envi... Sous-division 6. - Monuments, sites urbains et ... Sous-division 7. - Actes d'intérêt général Sous-division 7/1. [1 - Actes dans une zone ind... Sous-division 7/2. [1 - Etables pour animaux en... Sous-division 7/3. [1 - Actes dans les zones d'... Sous-division 8. - Actes relevant des dispositi... Sous-division 9. [1 - Actes relevant des prescr... Division 2. - Droits fondamentaux pour les cons... Sous-division 1re. - Domaine d'application, por... Sous-division 2. - Constructions existantes étr... Section 1re. - Habitations existantes étrangère... Sous-section 1re. - Transformations Sous-section 2. - Reconstruire au même endroit Sous-section 3. - Reconstruire sur un lieu modifié Sous-section 4. - Agrandir Section 2. - Constructions existantes étrangère... Sous-section 1re. - Transformations Sous-section 2. - Reconstruire au même endroit Sous-section 3. - Reconstruire sur un lieu modifié Sous-section 4. - Agrandir et adapter Sous-section 3. - Habitations étrangères à la z... Sous-section 4. - Travaux de restauration en ca... Section 1re. - Habitations détruites ou endomma... Section 2. - Autres constructions détruites ou ... Division 3. - Modifications de fonction étrangè... Division 4. - Attestations planologiques CHAPITRE V. CHAPITRE VI. Division 1re. Division 2. CHAPITRE VII. Division 1re. Sous-division 1re. Sous-division 2. Division 2. Sous-division 1re. Sous-division 2. Division 3. CHAPITRE VIII. - [1 Conseil pour les Contestati... Section 1re. - [1 Création]1 Section 2. - [1 Compétence]1 Sous-section 1re. - [1 Annulation]1 Sous-section 2. Sous-section 3. Sous-section 4. Section 3. - [1 Procédure]1 Sous-section 1re. Sous-section 2. - [1 Introduction du recours]1 Sous-section 3. Sous-section 4. Sous-section 5. - [1 Intervention]1 Sous-section 6. Sous-section 7. Sous-section 8. Section 4. Section 5. Section 6. TITRE V. - Diverses dispositions CHAPITRE Ier. - Registre des plans et registre ... Division 1re. - Registre des plans Division 2. - Registre des permis Division 3. - Disposition commune aux deux regi... CHAPITRE II. - Obligations d'information Division 1re. - Obligation d'information du fon... Division 2. - Obligation d'information concerna... Division 3. - Obligation d'information concerna... Division 4. - Extrait urbanistique CHAPITRE III. - L'attestation urbanistique. Réu... CHAPITRE IV. - Approche de l'occupation permane... Division 1re. - Définition Division 2. - Cadre de solution planologique Division 3. - Droit d'habitation Division 4. - Actes concernant une résidence de... CHAPITRE V. - Diverses mesures de soutien et d'... Division 1re. - Soutien de l'implémentation du ... Division 2. - Evaluation et contrôle de qualité... CHAPITRE VI. - Plans tangents avec la réglement... Division 1re. - Politique foncière et immobilière Sous-division 1re. - Registre des parcelles de ... Sous-division 2. - Dispositions fiscales Sous-division 3. Sous-division 4. Division 2. - Disposition particulière concerna... Division 3. [1 - Dispositions particulières rel... Division 4. [1 - Zones de réserve d'habitat]1 Sous-section 1re. [1 - Disposition générale]1 Sous-section 2. [1 - Processus décisionnel comm... Sous-section 3. [1 - Régime pour les zones de r... Sous-section 4. [1 - Etablissement de plans d'e... CHAPITRE VII. [1 - Prescriptions du plan de sec... TITRE VI. [1 - Maintien]1 CHAPITRE Ier. [1 - Dispositions introductives]1 CHAPITRE Ier. DROIT_FUTUR.[1 Dispositions génér... Section 1re. [1 - Définitions]1 Section 1re. DROIT_FUTUR. Section 2. [1 - Politique de maintien de l'envi... Section 2. DROIT_FUTUR. Division 2. Division 3. Division 4. Sous-division 1re. Sous-division 2. Section 1re. Section 2. Section 3. Section 4. Section 5. Section 6. Sous-division 3. Sous-division 4. Section 1re. Sous-section 1re. Sous-section 2. Sous-section 3. Sous-section 4. Sous-section 5. Section 2. Sous-section 1re. Sous-section 2. Section 3. Sous-division 5. Division 5. Division 6. Division 7. Division 8. Division 9. - Fonds Règlements à l'Amiable [1 a... Division 10. Division 11. CHAPITRE II. [1 - Sanctions]1 CHAPITRE II. DROIT_FUTUR.[1 Délits et infractio... Section 1re. [1 - Délits urbanistiques et infra... Section 1re. DROIT_FUTUR. Section 2. [1 - Prévention et constatation des ... Section 2. DROIT_FUTUR. Sous-section 1re. [1 - Conseils et mise en deme... Sous-section 1re. DROIT_FUTUR. Sous-section 2. [1 - Constatation de délits urb... Sous-section 2. DROIT_FUTUR. Sous-section 3. [1 - Constatation d'infractions... Sous-section 3. DROIT_FUTUR. Sous-section 4. [1 - Agents verbalisateurs de l... Sous-section 4. DROIT_FUTUR. Section 3. [1 - L'imposition d'une amende admin... Section 3. DROIT_FUTUR. Sous-section 1re. [1 - Dispositions de base]1 Sous-section 1re. DROIT_FUTUR. Sous-section 2. [1 - L'imposition d'une amende ... Sous-section 2. DROIT_FUTUR. Sous-section 3. [1 - L'imposition d'une amende ... Sous-section 3. DROIT_FUTUR. Section 4. [1 - Proposition de paiement d'une s... Section 4. DROIT_FUTUR. CHAPITRE III. [1 - Mesures judiciaires]1 CHAPITRE III. DROIT_FUTUR.[1 Dispositions parti... Section 1re. [1 - Mesures judiciaires de répara... Section 1re. DROIT_FUTUR. Section 2. [1 - Le Conseil supérieur pour l'exé... Section 2. DROIT_FUTUR. Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales]1 Sous-section 1re. DROIT_FUTUR. Sous-section 2. [1 - Obligations de conseil]1 Sous-section 2. DROIT_FUTUR. Sous-section 3. [1 - Compétence en matière de c... Sous-section 3. DROIT_FUTUR. Sous-section 3/1. [1 - Médiation]1 Sous-section 3/1. DROIT_FUTUR. Sous-section 4. [1 - Fonctionnement]1 Sous-section 4. DROIT_FUTUR. CHAPITRE IV. [1 - Mesures administratives]1 CHAPITRE IV. DROIT_FUTUR. Section 1re. [1 - Dispositions de base]1 Section 1re. DROIT_FUTUR. Section 2. [1 - Ordre de cessation]1 Section 2. DROIT_FUTUR. Section 3. [1 - Contrainte administrative]1 Section 3. DROIT_FUTUR. Section 4. [1 - Charge sous astreinte]1 Section 4. DROIT_FUTUR. Section 5. [1 - Arrangement à l'amiable]1 Section 5. DROIT_FUTUR. CHAPITRE V. [1 - Revenus générés par le maintien]1 CHAPITRE V. DROIT_FUTUR. CHAPITRE VI. [1 - Dispositions diverses]1 CHAPITRE VI. DROIT_FUTUR. TITRE VII. - Diverses mesures temporaires et de... CHAPITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE II. - Emancipation des communes CHAPITRE III. CHAPITRE IV. - Planification Division 1re. - Validations particulières Division 2. - Plans généraux et particuliers d'... Division 3. Division 4. Division 5. Division 6. - Expropriation Division 7. - Dommages et bénéfices résultant d... CHAPITRE V. - Politique d'autorisation Division 1re. - Modifications de fonction soumi... Division 2. Division 3. - Accords de lotissement et lotisse... Division 4. [1 - Expiration, actualisation ou s... Division 5. Division 6. - Réglementation temporaire relativ... CHAPITRE VI. - Diverses dispositions Division 1re. - Registre des plans et registre ... Division 2. - Obligations d'information Division 3. CHAPITRE VII. - Maintien TITRE VIII. - Règle de citation ANNEXES.
Tekst (871)
Texte (871)
TITEL I. - Inleidende bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions introductives
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen en begrippen
CHAPITRE Ier. - Objectifs et définitions
Artikel 1.1.1. Deze codex regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1.1.1. Le présent code règle une matière régionale.
Art. 1.1.2. Voor de toepassing van deze codex wordt verstaan onder :
  1° afschrift : een fotokopie of een digitale kopie;
  2° [1 ...]1
  3° beveiligde zending : één van de hiernavolgende betekeningswijzen :
  a) een aangetekend schrijven,
  b) een afgifte tegen ontvangstbewijs,
  c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
  4° [5 departement: het Departement Omgeving;]5
  [12 4° /0 dienst bevoegd voor veiligheidsrapportage: de administratie, vermeld in artikel 4/1.1.1, eerste lid, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;]12
  [4 4/1° effectbeoordeling : de effectonderzoeken en effectrapportages die noodzakelijk zijn om een ruimtelijk uitvoeringsplan te onderbouwen, of als ondersteuning voor de te nemen beslissingen;]4
  [4 4/2° erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten inzake onroerend erfgoed : de erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten, genomen met toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;]4
  5° functie : het feitelijk gebruik van een onroerend goed of een gedeelte daarvan;
  6° [4 grondruilplan : het grondruilplan, vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;]4
  7° handelingen : werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met ruimtelijke implicaties;
  8° [4 herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil : de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil, vermeld in artikel 2.1.61 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;]4
  8/1° [12 kwaliteitsbeoordeling:
   a) in geval van een milieueffectrapportage: de beoordeling van het milieueffectrapport door het Vlaams expertisecentrum m.e.r., waarin wordt beoordeeld of het milieueffectrapport voldoet aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4.2.1, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, door over de inhoudsafbakening van het milieueffectrapport te adviseren en het milieueffectrapport daaraan te toetsen;
   b) in geval van een veiligheidsrapportage: de beoordeling van de veiligheidsrapportage door de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage, waarin wordt beoordeeld of de veiligheidsrapportage voldoet aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4/1.1.3, tweede lid, van het voormelde decreet, door:
   1) vast te stellen dat geen ruimtelijk veiligheidsrapport vereist is;
   2) de inhoudsafbakening van het ruimtelijk veiligheidsrapport te bepalen en het ruimtelijk veiligheidsrapport daaraan te toetsen]12
;
  [11 8° /2 landcommissie: een landcommissie als vermeld in artikel 2.2.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;]11
  9° plan van aanleg : een gewestplan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg;
  [3 9° /1 projectbesluit : een besluit als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten;]3
  [8 9° /2 rooilijn: de scheiding tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de gewestelijke rooilijnen en het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen;]8
  [8 9° /3 rooilijnplan: een plan houdende de vaststelling van de rooilijn als vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de gewestelijke rooilijnen en het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen;]8
  10° ruimtelijk kwetsbare gebieden :
  a) de volgende gebieden, aangewezen op plannen van aanleg :
  1) agrarische gebieden met ecologisch belang,
  2) agrarische gebieden met ecologische waarde,
  3) bosgebieden,
  4) brongebieden,
  5) groengebieden,
  6) natuurgebieden,
  7) natuurgebieden met wetenschappelijke waarde,
  8) natuurontwikkelingsgebieden,
  9) natuurreservaten,
  10) overstromingsgebieden,
  11) parkgebieden,
  12) valleigebieden,
  b) gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, en sorterend onder één van volgende categorieën of subcategorieën van gebiedsaanduiding :
  1) bos,
  2) parkgebied,
  3) reservaat en natuur,
  c) het Vlaams Ecologisch Netwerk, bestaande uit de gebiedscategorieën Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu,
  d) de beschermde duingebieden en de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangeduid krachtens artikel 52, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
  11° stedenbouwkundige ambtenaar : de gewestelijke, de provinciale of de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar die bevoegd is voor het geografische gebied waarop zijn taken vermeld in deze codex betrekking hebben;
  12° [6 ...]6
  13° [4 [7 stedenbouwkundig voorschrift: een reglementaire bepaling, opgenomen in:
   a) een ruimtelijk uitvoeringsplan;
   b) een plan van aanleg;
   c) een stedenbouwkundige verordening, of een bouwverordening vastgelegd op grond van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;
   d) het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan;]7
]4

  14° strategische adviesraad : de strategische adviesraad, opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;
  15° (sub)categorie van gebiedsaanduiding : een generieke gebiedsbestemming, vermeld in artikel [10 artikel 2.2.6,]10, § 2;
  16° Vlaamse Belastingdienst : de gewestelijke administratie, bevoegd voor de inning en invordering van de Vlaamse belastingen;
  [12 16° /1 Vlaams expertisecentrum m.e.r.: het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;]12
  17° Vlaamse Grondenbank : afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht volgens het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen.
  [3 18° voorkeursbesluit : een besluit als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten;]3
  [9 19° woonreservegebied: een gebied dat ressorteert onder :
   a) de gebiedsbestemming woonuitbreidingsgebied, vermeld in artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen;
   b) het bijzonder bestemmingsvoorschrift reservegebied voor woonwijken van een gewestplan;
   c) het bijzonder bestemmingsvoorschrift woonreservegebied van een gewestplan;
   d) het bijzonder bestemmingsvoorschrift woonaansnijdingsgebied van een gewestplan.]9

  
Art. 1.1.2. Pour l'application du présent code, il convient d'entendre par :
  1° copie : une photocopie ou une copie numérique;
  2° [1 ...]1
  3° envoi sécurisé : l'un des modes de signification suivants :
  a) une lettre recommandée,
  b) une remise contre récépissé,
  c) tout autre mode de signification autorisé par le Gouvernement flamand permettant de déterminer avec certitude la date de notification;
  4° [5 département: le Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire;]5
  [12 4° /0 service compétent pour l'évaluation des incidences sur la sécurité : l'administration, visée à l'article 4/1.1.1, alinéa 1er, 2°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;]12
  [4 4/1° analyse d'impact : les analyses d'incidences et les évaluations d'incidences nécessaires pour étayer un plan d'exécution spatial ou utilisées à l'appui des décisions à prendre;]4
  [4 4/2° arrêtés d'agrément, de classement et de protection du patrimoine immobilier : les arrêtés d'agrément, de classement et de protection pris en application de la loi du 7 août 1931 sur la conservation des monuments et des sites, du décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, du décret du 16 avril 1996 portant la protection des sites ruraux et du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013;]4
  5° fonction : l'utilisation effective d'un bien immeuble ou d'une partie de celui-ci;
  6° [4 plan d'échange de terres : le plan d'échange de terres visé à l'article 2.1.65 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale;]4
  7° actes : travaux, modifications ou activités ayant des implications spatiales;
  8° [4 relotissement imposé par force de loi avec échange planologique : le relotissement imposé par force de loi peut avec échange planologique, visé à l'article 2.1.61 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale;]4
  8/1° [12 évaluation de la qualité :
   a) dans le cas d'une évaluation des incidences sur l'environnement : l'évaluation du rapport sur les incidences environnementales par le Centre d'Expertise flamand R.I.E., qui détermine si le rapport sur les incidences environnementales répond aux caractéristiques essentielles, visées à l'article 4.2.1, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en émettant un avis sur la délimitation du contenu du rapport sur les incidences environnementales et en y confrontant le rapport sur les incidences environnementales ;
   b) dans le cas d'une évaluation des incidences sur la sécurité : l'évaluation du rapport de sécurité par le service, compétent pour l'évaluation des incidences sur la sécurité, dans lequel il est évalué si l'évaluation des incidences sur la sécurité répond aux caractéristiques essentielles, visées à l'article 4/1.1.3, alinéa 2, du décret précité :
   1) en constatant qu'aucun rapport de sécurité spatiale n'est requis ;
   2) en déterminant la délimitation du contenu du rapport de sécurité spatiale et en y confrontant le rapport de sécurité spatiale]12
;
  [11 8° /2 commission foncière : une commission foncière telle que visée à l'article 2.2.1 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;]11
  9° plan d'aménagement : un plan régional, un plan général d'aménagement ou un plan particulier d'aménagement;
  [3 9° /1 arrêté relatif au projet : un arrêté tel que visé à l'article 2, 10°, du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes ;]3
  [8 9° /2 alignement : la séparation entre la voie publique et les propriétés riveraines, telle que visée dans le décret du 8 mai 2009 portant établissement et réalisation des alignements régionaux et le décret du 3 mai 2019 sur les routes communales ;]8
  [8 9° /3 plan d'alignement : un plan fixant l'alignement tel que visé dans le décret du 8 mai 2009 portant établissement et réalisation des alignements régionaux et le décret du 3 mai 2019 sur les routes communales ; ]8
  10° zones vulnérables d'un point de vue spatial :
  a) les zones suivantes, indiquées sur les plans d'aménagement :
  1) zones agraires d'intérêt écologique,
  2) zones agraires ayant une valeur écologique,
  3) zones forestières,
  4) zones de source,
  5) zones vertes,
  6) zones naturelles,
  7) zones naturelles ayant une valeur scientifique,
  8) zones naturelles de développement,
  9) réserves naturelles,
  10) zones inondables,
  11) zones de parc,
  12) zones de vallées,
  b) zones indiquées sur les plans d'exécution spatiale et relevant d'une des catégories ou sous-catégories d'affectation de zone suivantes :
  1) forêt,
  2) zone de parc,
  3) réserves et nature,
  c) le Réseau écologique flamand, composé des catégories zonales Grandes Unités de la Nature et Grandes Unités de la Nature en Développement, mentionné dans le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel,
  d) les zones dunaires protégées et les zones agricoles importantes pour les zones dunaires qui sont indiquées en vertu de l'article 52, § 1er, de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
  11° fonctionnaire urbaniste : le fonctionnaire urbaniste régional, provincial ou communal qui est compétent pour la zone géographique à laquelle se rapportent ses missions telles que définies dans le présent code;
  12° [6 ...]6
  13° [4 [7 prescription urbanistique : une disposition réglementaire, reprise dans :
   a) un plan d'exécution spatial ;
   b) un plan d'aménagement ;
   c) un règlement urbanistique ou un règlement sur la bâtisse adopté en vertu du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 ;
   d) la partie identifiable d'un arrêté relatif au projet qui vaut plan d'exécution spatial]7
;]4

  14° Conseil consultatif stratégique : le Conseil consultatif stratégique, créé par le décret du 10 mars 2006 portant création du Conseil d'avis stratégique de l'Aménagement du Territoire - Patrimoine immobilier;
  15° (sous-)catégorie d'affectation de zone : une destination générique de la zone, mentionnée dans l'[10 article 2.2.6, § 2]10;
  16° Service flamand des Impôts : l'administration régionale déclarée compétente pour percevoir et recouvrir les impôts flamands;
  [12 16° /1 Centre d'Expertise flamand R.I.E. : le Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 4.1.1, 19°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;]12
  17° Banque foncière flamande : division de la " Vlaamse Landmaatschappij " (Société terrienne flamande), créée conformément au décret du 16 juin 2006 portant création de la " Vlaamse Grondenbank " (Banque foncière flamande) et portant modification de diverses dispositions.
  [3 18° arrêté relatif à la préférence : un arrêté tel que visé à l'article 2, 19°, du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes;]3
  [9 19° zone de réserve d'habitat : une zone relevant de :
   a) l'affectation " zone d'extension d'habitat ", visée à l'article 5.1.1 de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur ;
   b) la prescription particulière d'affectation " zone de réserve pour quartiers résidentiels " d'un plan de secteur ;
   c) la prescription particulière d'affectation " zone de réserve d'habitat " d'un plan de secteur ;
   d) la prescription particulière d'affectation " zone potentielle d'habitat " d'un plan de secteur.]9

  
Art. 1.1.3. De ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten wordt vastgelegd in [1 ruimtelijke structuurplannen of ruimtelijke beleidsplannen]1, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen.
  
Art. 1.1.3. L'aménagement du territoire de la Région flamande, des provinces et des communes est déterminé dans [1 des schémas de structure d'aménagement ou plans de politique spatiale]1, des plans d'exécution spatiaux et des règlements.
  
Art. 1.1.4. De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.
Art. 1.1.4. L'aménagement du territoire est axé sur un développement spatial durable, gérant l'espace disponible au profit de la présente génération, sans pour autant compromettre les besoins des générations futures. A cet effet, les besoins spatiaux des différentes activités sociales sont simultanément comparés. La portée spatiale, l'impact environnemental et les conséquences culturelles, économiques, esthétiques et sociales sont pris en compte. C'est ainsi que l'on cherche à optimiser la qualité spatiale.
Art. 1.1.4 /1. [1 § 1. Ruimtelijke impulsprojecten zijn ruimtelijke projecten die passen binnen de doelstellingen, vermeld in artikel 1.1.4, en die het ruimtelijk rendement op een kwalitatieve manier verhogen zodat het maatschappelijk gebruik toeneemt, zoals door een efficiënter of hernieuwd ruimtegebruik van reeds ingenomen ruimte of doordat het project daar impact op heeft.
   Zij hebben expliciet aandacht voor functieverweving, hergebruik of tijdelijk ruimtegebruik. Ze geven een impuls aan nieuwe ruimtelijke realisaties in een projectgebied met een ruimtelijke kwaliteitsgarantie die ook een verbetering van landschappelijke kwaliteit inhoudt.
   De Vlaamse Regering bepaalt de aard, de omvang en de organisatorische voorwaarden van ruimtelijke impulsprojecten.
   § 2. De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begroting, subsidies verlenen aan publieke, publiek-private of private initiatiefnemers voor ruimtelijke impulsprojecten als vermeld in paragraaf 1.]1

  
Art. 1.1.4 /1. [1 § 1er. Les projets d'impulsion spatiale sont des projets spatiaux qui s'inscrivent dans le cadre des objectifs énoncés à l'article 1.1.4 et qui augmentent le rendement spatial de manière qualitative de telle sorte que l'utilisation sociale s'accroît, par exemple par une utilisation plus efficace ou renouvelée de l'espace déjà occupé ou du fait que le projet exerce un impact sur celui-ci.
   Ils accordent explicitement de l'attention à l'imbrication fonctionnelle, à la réutilisation ou à l'utilisation temporaire de l'espace. Ils donnent une impulsion à de nouvelles réalisations spatiales dans une zone de projet avec une garantie de qualité spatiale qui implique également une amélioration de la qualité paysagère.
   Le Gouvernement flamand détermine la nature, l'étendue et les conditions organisationnelles des projets d'impulsion spatiale.
   § 2. Le Gouvernement flamand peut, dans les limites du budget, octroyer des subsides aux initiateurs publics, publics-privés ou privés pour des projets d'impulsion spatiale tels que visés au paragraphe 1er.]1

  
Art. 1.1.5. Onverminderd specifieke delegaties, kan de Vlaamse Regering de samenstellings- en kennisgevingswijze bepalen van de aanvragen die krachtens deze codex worden verricht of de dossiers die op grond van deze codex worden samengesteld.
  In gevallen waarin deze codex een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs vereist, kan de Vlaamse Regering tevens een beveiligde zending, vermeld in 1.1.2, 3°, c), toelaten.
Art. 1.1.5. Sans préjudice de délégations spécifiques, le Gouvernement flamand peut déterminer les modes de composition et de notification des demandes effectuées en vertu du présent code ou des dossiers rédigés sur la base de ce code.
  Dans les cas où le présent code exige une lettre recommandée ou une remise contre récépissé, le Gouvernement flamand peut également autoriser un envoi sécurisé, comme mentionné au 1.1.2, 3°, c).
HOOFDSTUK II. - Voortgangsbewaking inzake de uitvoering van het [1 ruimtelijk structuurplan Vlaanderen of Beleidsplan Ruimte Vlaanderen]1
CHAPITRE II. - Surveillance de l'évolution en matière de l'exécution du [1 Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre ou du Plan de politique spatiale pour la Flandre]1
Art. 1.2.1. De bij het Vlaams Parlement in te dienen [2 beleids- en begrotingstoelichtingen]2 over het beleidsveld ruimtelijke ordening omvatten onder andere :
  1° objectieven betreffende de opstart en behandeling van gewestelijke planningsprocessen in het betrokken kalenderjaar;
  2° globale objectieven betreffende de opstart en behandeling van provinciale en gemeentelijke planningsprocessen in het betrokken kalenderjaar;
  3° een rapportering omtrent de voortgang van planningsprocessen en de uitvoering van het [1 ruimtelijk structuurplan Vlaanderen of Beleidsplan Ruimte Vlaanderen]1, telkens op gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau.
  De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen met betrekking tot het aanleveren van provinciale en gemeentelijke gegevens in het kader van de rapporteringsplichten, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°. Deze gegevens worden eerst aan de Vlaamse Regering overgemaakt nadat de provincieraad, respectievelijk de gemeenteraad van deze gegevens akte hebben genomen.
  
Art. 1.2.1. Les [2 exposés des politiques et du budget ]2 concernant le champ politique de l'aménagement du territoire à introduire auprès du Parlement flamand comprennent, entre autres :
  1° les objectifs concernant le démarrage et le traitement des processus régionaux de planification au cours de l'année civile concernée;
  2° les objectifs globaux concernant le démarrage et le traitement des processus provinciaux et communaux de planification au cours de l'année civile concernée;
  3° un rapportage concernant l'évolution des processus de planification et de l'exécution [1 du schéma de structure d'aménagement de la Flandre ou du Plan de politique spatiale pour la Flandre]1, et ce, au niveau régional, provincial et communal.
  Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles par rapport à la fourniture de données provinciales et communales dans le cadre des obligations de rapportage mentionnées dans le premier alinéa, 2° et 3°. Ces données sont d'abord transmises au Gouvernement flamand, après que le Conseil provincial, respectivement le Conseil communal, en a pris acte.
  
HOOFDSTUK III. - Adviesorganen
CHAPITRE III. - Organes consultatifs
Afdeling 1.
Division Ire.
Afdeling 2. - De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening
Division 2. - La Commission provinciale pour l'aménagement du territoire
Art. 1.3.2. § 1. Er wordt een adviesraad voor ruimtelijke ordening opgericht op het niveau van de provincie, hierna de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening te noemen.
  § 2. Naast de opdrachten die de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening heeft overeenkomstig deze codex, kan ze advies geven, opmerkingen maken of voorstellen doen over alle aangelegenheden met betrekking tot de provinciale ruimtelijke ordening, op eigen initiatief of op verzoek van de provincieraad of de deputatie.
  § 3. De provincieraad benoemt de voorzitter, de leden, de plaatsvervangers en de vaste secretaris. [1 ...]1 [1 ...]1
  De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening telt 23 leden, de voorzitter inbegrepen, 22 plaatsvervangers en een vaste secretaris. De vaste secretaris is niet stemgerechtigd. Leden van de provincieraad of de deputatie kunnen geen lid van de adviescommissie zijn.
  De samenstelling is als volgt :
  1° de voorzitter, zijnde een onafhankelijke deskundige inzake ruimtelijke ordening, voorgedragen door de deputatie;
  2° twee leden, gekozen uit een dubbeltal deskundigen inzake ruimtelijke ordening, voorgedragen door de werkgeversorganisaties, vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
  3° twee leden, gekozen uit een dubbeltal deskundigen inzake ruimtelijke ordening, voorgedragen door de werknemersorganisaties, vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
  4° twee leden, gekozen uit een dubbeltal deskundigen inzake ruimtelijke ordening, voorgedragen door de landbouworganisaties, vertegenwoordigd in de Strategische Adviesraad voor Landbouw- en Visserij;
  5° drie leden, gekozen uit een dubbeltal deskundigen inzake ruimtelijke ordening, voorgedragen door andere organisaties dan sociaal-economische of landbouworganisaties, vertegenwoordigd in de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;
  6° twee leden, gekozen uit een dubbeltal deskundigen inzake ruimtelijke ordening, voorgedragen door een representatieve vereniging, opgericht op particulier initiatief in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, met zetel in het Vlaamse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, met als enige doelstelling het duurzame ruimtegebruik, de kwaliteit van de stedenbouw, de ruimtelijke ordening en de ruimtelijke planning;
  7° [2 vier]2 leden, gekozen uit een dubbeltal deskundigen inzake ruimtelijke ordening van het provinciebestuur, voorgedragen door de deputatie;
  8° [2 zeven]2 leden, onder wie de ondervoorzitter, gekozen uit een dubbeltal deskundigen inzake ruimtelijke ordening, voorgedragen door de deputatie uit de diensten op provinciaal niveau voor economie, toerisme en recreatie, huisvesting, infrastructuur, landbouw, leefmilieu [2 en onroerend erfgoed]2;
  9° de vaste secretaris, voorgedragen door de deputatie.
  De plaatsvervangers van de leden worden eveneens gekozen uit een dubbeltal deskundigen, voorgedragen door de instanties en organisaties, vermeld in het derde lid.
  § 4. De leden van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening worden benoemd voor zes jaar. Hun benoeming is hernieuwbaar. Na de installatie van een nieuwe provincieraad wordt overgegaan tot de benoeming van een nieuwe commissie. [1 De nieuwe commissie treedt pas aan nadat de provincieraad de leden ervan heeft benoemd en nadat de toezichttermijn, vermeld in artikel 248, § 1, van het Provinciedecreet van 9 december 2005, is verstreken.]1 De oude commissie blijft zolang aan.
  Het lid dat voortijdig zijn mandaat stopzet, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger tot een nieuw lid is benoemd.
  Het lidmaatschap van de leden eindigt op de datum, waarop de organisatie of de instantie die de voordracht deed, een nieuw lid voordraagt ter vervanging van het betrokken lid.
  § 5. Het is voor een lid van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.
  Voor de toepassing van het eerste lid worden personen die wettelijk samenwonen, met echtgenoten gelijkgesteld.
  § 6. De regelingen inzake evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen, vermeld in artikel 193, § 2, van het Provinciedecreet van 9 december 2005, zijn van overeenkomstige toepassing op de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening.
  § 7. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening kan, voor het onderzoeken van bijzondere vraagstukken, een beroep doen op externe deskundigen en werkgroepen oprichten onder de voorwaarden, bepaald in het huishoudelijke reglement.
  § 8. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening stelt haar huishoudelijke reglement op.
  Dit reglement en zijn wijzigingen worden ter goedkeuring aan de provincieraad voorgelegd.
  § 9. De provincieraad stelt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening een permanent secretariaat en de nodige middelen ter beschikking.
  § 10. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en werkwijze van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening vast.
  
Art. 1.3.2. § 1er. Il est créé un Conseil consultatif pour l'aménagement du territoire au niveau de la province, ci-après dénommé la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire.
  § 2. Outre les missions attribuées à la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire en vertu du présent code, celle-ci peut émettre des avis, formuler des remarques ou faire des propositions sur toutes les matières liées à l'aménagement du territoire, et ce, de sa propre initiative ou à la demande du Conseil provincial ou de la Députation permanente.
  § 3. Le Conseil provincial nomme le président, les membres, les suppléants et le secrétaire permanent. [1 ...]1 [1 ...]1
  La Commission provinciale pour l'aménagement du territoire compte 23 membres, en ce compris le président, 22 suppléants et un secrétaire permanent. Le secrétaire permanent n'a pas voix délibérative. Les membres du Conseil provincial ou de la Députation permanente ne peuvent pas être membres de la Commission consultative.
  La composition est la suivante :
  1° le président, à savoir un expert indépendant en matière d'aménagement du territoire, proposé par la Députation permanente;
  2° deux membres, élus parmi une double candidature d'experts en matière d'aménagement du territoire, proposés par les organisations patronales, représentées au sein du Conseil socio-économique de Flandre;
  3° deux membres, élus parmi une double candidature d'experts en matière d'aménagement du territoire, proposés par les organisations ouvrières, représentées au sein du Conseil socio-économique de Flandre;
  4° deux membres, élus parmi une double candidature d'experts en matière d'aménagement du territoire, proposés par les organisations agricoles, représentées au sein du Conseil consultatif stratégique pour l'Agriculture et la Pêche;
  5° trois membres, élus parmi une double candidature d'experts en matière d'aménagement du territoire, proposés par d'autres organisations que les organisations socio-économiques ou agricoles, représentées au sein du Conseil flamand pour l'Environnement et la Nature;
  6° deux membres, élus parmi une double candidature d'experts en matière d'aménagement du territoire, proposés par une association représentative, émanant d'une initiative privée, sous forme d'une association sans but lucratif, ayant son siège en Région flamande ou dans la région de Bruxelles-Capitale, ayant pour seule finalité l'utilisation durable de l'espace disponible, la qualité de l'urbanisme, l'aménagement du territoire et la planification spatiale;
  7° [2 quatre]2 membres, élus parmi une double candidature d'experts en matière d'aménagement du territoire, proposés par la Députation permanente;
  8° [2 sept]2 membres, parmi lesquels le vice-président, élus parmi une double candidature d'experts en matière d'aménagement du territoire, proposés par la Députation permanente des services provinciaux pour l'économie, le tourisme et la récréation, le logement, l'infrastructure, l'agriculture, l'environnement, [2 et le patrimoine immobilier]2;
  9° le secrétaire permanent, proposé par la Députation permanente.
  Les suppléants des membres sont également choisis parmi une double candidature d'experts, présentés par les instances et organisations visées au troisième alinéa.
  § 4. Les membres de la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire sont nommés pour une période de six ans. Leur mandat est renouvelable. Après l'installation d'un nouveau Conseil provincial, il est procédé à la nomination d'une nouvelle commission. [1 La nouvelle commission entre en fonction après que le Conseil provincial a nommé les membres et après que les délai de contrôle, citée dans l'article 248, § 1er, du Décret provincial du 9 décembre 2005, est échu.]1 L'ancienne commission reste nommée jusqu'à ce moment.
  Le membre qui met anticipativement fin à son mandat est remplacé par son suppléant jusqu'à la nomination d'un nouveau membre.
  Le mandat des membres prend fin à la date à laquelle l'organisation ou l'instance ayant fait la présentation, propose un nouveau membre pour remplacer l'intéressé.
  § 5. Il est interdit à un membre de la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire de participer à la discussion et au vote concernant des questions qui présentent pour lui/elle un intérêt direct, soit personnel, soit en tant que commissaire ou qui présentent un intérêt personnel et direct pour son époux(se) ou pour des parents en ligne directe ou par alliance jusqu'au deuxième degré.
  L'application du premier alinéa prévoit une assimilation des cohabitants légaux aux époux.
  § 6. Les règlements concernant la représentation équilibrée des hommes et des femmes, visés à l'article 193, § 2, du décret provincial du 9 décembre 2005, s'appliquent de manière correspondante à la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire.
  § 7. Pour l'examen de questions spécifiques, la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire peut faire appel à des experts externes et créer des groupes de travail, dans le respect des conditions définies dans le règlement d'ordre intérieur.
  § 8. La Commission provinciale pour l'aménagement du territoire établit son règlement d'ordre intérieur.
  Ce règlement et ses modifications sont soumis à l'approbation du Conseil provincial.
  § 9. Le Conseil provincial met un secrétariat permanent et les moyens nécessaires à la disposition de la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire.
  § 10. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de composition, d'organisation et de fonctionnement de la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire.
  
Afdeling 3. - De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening
Division 3. - La Commission communale pour l'aménagement du territoire
Art. 1.3.3. § 1. Er wordt een adviesraad voor ruimtelijke ordening opgericht op het niveau van de gemeente, hierna de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening te noemen.
  § 2. Naast de opdrachten die de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening heeft ingevolge deze codex, kan ze advies geven, opmerkingen maken of voorstellen doen over alle aangelegenheden met betrekking tot de gemeentelijke ruimtelijke ordening, op eigen initiatief of op verzoek van het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad.
  § 3. De gemeenteraad benoemt de voorzitter, de leden, de plaatsvervangers en de vaste secretaris. De gemeenteraad kan onder de leden een ondervoorzitter aanwijzen. [1 ...]1 [1 ...]1
  De voorzitter en de vaste secretaris worden voorgedragen door het college van burgemeester en schepenen. De vaste secretaris is niet stemgerechtigd.
  De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening telt het in het zesde lid vermelde aantal leden, de voorzitter inbegrepen. Minimum één vierde van de leden, waaronder de voorzitter, zijn deskundigen inzake ruimtelijke ordening. De overige leden zijn vertegenwoordigers van de voornaamste maatschappelijke geledingen binnen de gemeente. Ieder lid, met uitzondering van de voorzitter, heeft een plaatsvervanger. Leden van de gemeenteraad of het schepencollege kunnen geen lid van de adviescommissie zijn.
  De gemeenteraad beslist welke maatschappelijke geledingen binnen de gemeente worden opgeroepen om één of meerdere vertegenwoordigers voor te dragen als lid van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. De maatschappelijke geledingen die een lid voordragen, dragen tevens een plaatsvervanger voor.
  Het aantal leden is afhankelijk van het inwoneraantal van de gemeente :
  1° minimum 7 en maximum 9 leden voor een gemeente met niet meer dan 10 000 inwoners;
  2° minimum 9 en maximum 13 leden voor een gemeente met meer dan 10 000 en niet meer dan 30 000 inwoners;
  3° minimum 13 en maximum 17 leden voor een gemeente met meer dan 30 000 en niet meer dan 50 000 inwoners;
  4° minimum 17 en maximum 21 leden voor een gemeente met meer dan 50 000 inwoners.
  [2 § 3/1. Twee of meer gemeenten kunnen, via een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening oprichten.
   De bepalingen van de andere paragrafen van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening, uitgezonderd wat volgt.
   De betrokken gemeenteraden beslissen elk afzonderlijk welke maatschappelijke geledingen moeten worden opgeroepen om een of meer vertegenwoordigers voor te dragen als lid van de intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. Al die verschillende geledingen worden vertegenwoordigd in de intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening.
   Het vereiste aantal leden is afhankelijk van de som van de inwoneraantallen van de deelnemende gemeenten. Het maximumaantal kan alleen overschreden worden als dat vereist is om alle verschillende geledingen te laten vertegenwoordigen.
   Het intergemeentelijk samenwerkingsverband doet de oproep van vertegenwoordigers en formuleert een gemotiveerd voorstel van samenstelling.
   De benoeming van de voorzitter, de leden, de plaatsvervangers en de vaste secretaris is definitief zodra elk van de betrokken gemeenteraden eenzelfde voorstel van samenstelling goedgekeurd heeft.
   Het huishoudelijk reglement is definitief zodra elk van de betrokken gemeenteraden dat reglement of de wijzigingen ervan goedgekeurd heeft.
   Als een intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening is opgericht conform de bepalingen van dit artikel, oefent die intergemeentelijke commissie de taken uit die zijn toegewezen aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening.]2

  § 4. De leden van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening worden benoemd voor zes jaar. Hun benoeming is hernieuwbaar. Na de installatie van een nieuwe gemeenteraad wordt overgegaan tot de benoeming van een nieuwe commissie. [1 De nieuwe commissie treedt pas aan nadat de gemeenteraad de leden ervan heeft benoemd en nadat de toezichttermijn, vermeld in [5 artikel 332 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]5, is verstreken.]1 De oude commissie blijft zolang aan.
  Het lid dat voortijdig zijn mandaat stopzet, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger tot een nieuw lid is benoemd.
  § 5. Het is voor een lid van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.
  Voor de toepassing van het eerste lid worden personen die wettelijk samenwonen, met echtgenoten gelijkgesteld.
  § 6. De regelingen inzake evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen, vermeld in [5 artikel 304, § 3, tweede lid, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]5, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening.
  § 7. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening kan, voor het onderzoeken van bijzondere vraagstukken, een beroep doen op externe deskundigen en werkgroepen oprichten onder de voorwaarden, bepaald in het huishoudelijke reglement.
  § 8. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening stelt haar huishoudelijke reglement op.
  Dit reglement en zijn wijzigingen worden ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd.
  § 9. De gemeenteraad [3 of het intergemeentelijk samenwerkingsverband]3 stelt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening een permanent secretariaat en de nodige middelen ter beschikking.
  § 10. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en werkwijze van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening vast.
  § 11. [4 ...]4
  
Art. 1.3.3. § 1er. Il est créé un Conseil consultatif pour l'aménagement du territoire au niveau de la commune, ci-après dénommé la Commission communale pour l'aménagement du territoire.
  § 2. Outre les missions attribuées à la Commission communale pour l'aménagement du territoire en vertu du présent code, celle-ci peut émettre des avis, formuler des remarques ou faire des propositions sur toutes les matières liées à l'aménagement du territoire de la commune, et ce, de sa propre initiative ou à la demande du Collège des bourgmestre et échevins ou du Conseil communal.
  § 3. Le Conseil communal nomme le président, les membres, les suppléants et le secrétaire permanent. Le Conseil communal peut désigner un vice-président parmi les membres. [1 ...]1 [1 ...]1
  Le président et le secrétaire permanent sont présentés par le Collège des bourgmestre et échevins. Le secrétaire permanent n'a pas voix délibérative.
  La Commission communale pour l'aménagement du territoire compte le nombre de membres visé au sixième alinéa, en ce compris le président. Au moins un quart des membres, dont le président, sont des experts en matière d'aménagement du territoire. Les autres membres sont des représentants des principaux groupes sociaux au sein de la commune. Chaque membre, à l'exception du président, a un suppléant. Les membres du Conseil communal ou du Collège des échevins ne peuvent pas être membres de la Commission consultative.
  Le Conseil communal décide quels groupes sociaux au sein de la commune sont invités à présenter un ou plusieurs représentants comme membre(s) de la Commission communale pour l'aménagement du territoire. Les groupes sociaux qui présentent un membre présentent également un suppléant.
  Le nombre de membres est fonction de la population de la commune :
  1° minimum 7 et maximum 9 membres pour une commune n'ayant pas plus de 10 000 habitants;
  2° minimum 9 et maximum 13 membres pour une commune ayant plus de 10 000, mais pas plus de 30 000 habitants;
  3° minimum 13 et maximum 17 membres pour une commune ayant plus de 30 000, mais pas plus de 50 000 habitants;
  4° minimum 17 et maximum 21 membres pour une commune de plus 50 000 habitants;
  [2 § 3/1. Deux ou plusieurs communes peuvent, par le biais d'un partenariat intercommunal, créer une commission intercommunale pour l'aménagement du territoire.
   Les dispositions des autres paragraphes du présent article s'appliquent par analogie à une commission intercommunale pour l'aménagement du territoire, à l'exception de ce qui suit.
   Il appartient aux conseils communaux concernés de décider individuellement quels groupes de la société doivent être appelés à désigner un ou plusieurs représentants en tant que membres de la commission intercommunale pour l'aménagement du territoire. Tous ces différents groupes seront représentés au sein de la commission intercommunale pour l'aménagement du territoire.
   Le nombre de membres requis dépend du nombre total d'habitants des communes participantes. Le nombre maximum ne peut être dépassé que si cela est nécessaire pour représenter tous les différents groupes sociaux.
   Le partenariat intercommunal procède à un appel des représentants et formule une proposition motivée de composition.
   La nomination du président, des membres, des suppléants et du secrétaire permanent est définitive dès que chacun des conseils communaux concernés a approuvé une même proposition de composition.
   Le règlement d'ordre intérieur est définitif dès que chacun des conseils communaux concernés les a approuvés ou a approuvé les modifications y apportées.
   Si une commission intercommunale pour l'aménagement du territoire a été constituée conformément aux dispositions du présent article, cette commission intercommunale pour l'aménagement du territoire exécute les tâches qui sont dévolues à la commission intercommunale pour l'aménagement du territoire.]2

  § 4. Les membres de la Commission communale pour l'aménagement du territoire sont nommés pour une période de six ans. Leur mandat est renouvelable. Après l'installation d'un nouveau Conseil communal, il est procédé à la nomination d'une nouvelle commission. [1 La nouvelle commission entre en fonction après que le Conseil communal a nommé les membres et [5 après l'expiration du délai de contrôle visé à l'article 332 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]5.]1 L'ancienne commission reste nommée jusqu'à ce moment.
  Le membre qui met anticipativement fin à son mandat est remplacé par son suppléant jusqu'à la nomination d'un nouveau membre.
  § 5. Il est interdit à un membre de la Commission communale pour l'aménagement du territoire de participer à la discussion et au vote concernant des questions qui présentent pour lui/elle un intérêt direct, soit personnel, soit en tant que commissaire ou qui présentent un intérêt personnel et direct pour son époux(se) ou pour des parents en ligne directe ou par alliance jusqu'au deuxième degré.
  L'application du premier alinéa prévoit une assimilation des cohabitants légaux aux époux.
  § 6. Les règlements concernant la représentation équilibrée des hommes et des femmes, [5 visée à l'article 304, § 3, alinéa 2, du décret 22 décembre 2017 sur l'administration locale]5, s'appliquent de manière correspondante à la Commission communale pour l'aménagement du territoire.
   § 7. Pour l'examen de questions spécifiques, la Commission communale pour l'aménagement du territoire peut faire appel à des experts externes et créer des groupes de travail, dans le respect des conditions définies dans le règlement d'ordre intérieur.
   § 8. La commission communale pour l'aménagement du territoire établit son règlement d'ordre intérieur.
  Ce règlement et ses modifications sont soumis à l'approbation du Conseil communal.
  § 9. Le Conseil communal [3 ou le partenariat communal]3 met un secrétariat permanent et les moyens nécessaires à la disposition de la Commission communale pour l'aménagement du territoire.
  § 10. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de composition, d'organisation et de fonctionnement de la Commission communale pour l'aménagement du territoire.
  § 11. [4 ...]4
  
Afdeling 4. - Algemene bepaling
Division 4. - Disposition générale
Art. 1.3.4. De Vlaamse Regering stelt een deontologische code vast. Deze omvat het geheel van beginselen, gedragsregels en richtlijnen die de leden van de [1 ...]1 provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening tot leidraad dienen bij de uitoefening van hun mandaat.
  
Art. 1.3.4. Le Gouvernement flamand établit un code déontologique. Ce dernier englobe la totalité des principes, des règles de conduite et des directives destinés à servir de guide aux membres des Commissions [1 ...]1, provinciale et communale pour l'aménagement du territoire pendant l'exécution de leur mandat.
  
HOOFDSTUK IV. - De ambtenaren van ruimtelijke ordening
CHAPITRE IV. - Les fonctionnaires chargés de l'aménagement du territoire
Afdeling 1. - De [1 ...]1 gewestelijke [2 ...]2 stedenbouwkundige ambtenaren
Division 1re. - Les [1 ...]1 [2 ...]2 et fonctionnaires urbanistes régionaux
Art. 1.4.3. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de aanstellingsprocedure van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren, belast met taken inzake lokale ruimtelijke planning en vergunningverlening.
   De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar te kunnen worden aangesteld.]1

  
Art. 1.4.3. [1 Le Gouvernement flamand fixe la procédure de désignation des fonctionnaires urbanistes régionaux chargés des tâches relatives à la planification spatiale locale et à l'octroi d'autorisations.
   Le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles doivent satisfaire les candidats pour pouvoir être désignés comme inspecteurs urbanistes ou fonctionnaires urbanistes régionaux.]1

  
Afdeling 2.
Division 2.
Art. 1.4.4.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 1.4.4.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 1.4.5.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 1.4.5.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Afdeling 3.
Division 3.
Art. 1.4.6.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 1.4.6.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 1.4.7.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 1.4.7.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 1.4.8.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 1.4.8.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 283 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Afdeling 4. [1 - De gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteurs]1
Division 4. [1 - Les inspecteurs urbanistes régionaux et communaux]1
Afdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT. [1 De herstelinstanties en beboetingsinstanties]1
Division 4. DROIT_FUTUR.[1 Les instances de réparation et les instances verbalisantes]1
Art. 1.4.9. [1 De Vlaamse Regering kan voorwaarden bepalen waaraan personen moeten voldoen om als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur of gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur als vermeld in artikel 6.1.1, 1° en 3°, te kunnen worden aangesteld.
   Alleen gewestelijke personeelsleden kunnen worden aangesteld als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur. Voor de aanstelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur, kan het college van burgemeester en schepenen een beroep doen op eigen personeel of op personeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband.]1

  
Art. 1.4.9. [1 Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions auxquelles doivent satisfaire les candidats pour pouvoir être désignés, respectivement, comme inspecteurs urbanistes régionaux ou inspecteurs urbanistes communaux, conformément à l'article 6.1.1, 1° et 3°.
  Seuls les membres du personnel régionaux peuvent être désignés en tant qu'inspecteurs urbanistes régionaux. Pour la désignation de l'inspecteur urbaniste communal, le collège des bourgmestre et échevins peut faire appel à son propre personnel ou au personnel d'un partenariat intercommunal.]1

  
Art. 1_4.9.TOEKOMSTIG_RECHT. [1 § 1. De gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester of zijn plaatsvervanger zijn herstelinstanties als vermeld in artikel 2, 15°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.
   De Vlaamse Regering of haar gemachtigde wijst de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteurs aan onder de personeelsleden van de departementen en de agentschappen, vermeld in artikel I.3, 2°, a) tot en met d), van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
   De volgende personen kunnen aangewezen worden als gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur:
   1° de personeelsleden van de gemeente die voor de misdrijven en de inbreuken, vermeld in titel VI, belast zijn met de uitvoering van de handhaving voor het grondgebied van hun gemeente of verschillende gemeenten, die het college van burgemeester en schepenen daarvoor aanwijst;
   2° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband die voor de misdrijven en de inbreuken, vermeld in titel VI, belast zijn met de uitvoering van de handhaving voor het grondgebied van een of meer gemeenten, die het intergemeentelijk samenwerkingsverband daarvoor aanwijst.
   De Vlaamse Regering kan opleidings- en ervaringsvereisten en andere voorwaarden bepalen waaraan categorieën van herstelinstanties moeten voldoen, en hun bevoegdheden inhoudelijk, geografisch of temporeel beperken.
   § 2. De Vlaamse Regering of haar gemachtigde duidt de personeelsleden van de Vlaamse overheid aan die optreden als beboetingsinstantie als vermeld in artikel 2, 3°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.]1

  
Art. 1_4.9.DROIT_FUTUR. [1 § 1er. L'inspecteur urbaniste régional et communal et le bourgmestre ou son suppléant sont des instances de réparation telles que visées à l'article 2, 15°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023.
   Le Gouvernement flamand ou son mandataire désigne les inspecteurs urbanistes parmi les membres du personnel des départements et des agences, visés à l'article I.3, 2°, a) à d), du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
   Les personnes suivantes peuvent être désignées comme inspecteur urbaniste :
   1° les membres du personnel de la commune qui sont chargés, pour les délits et les infractions, visés au titre VI, de l'exécution du maintien pour le territoire de leur commune ou différentes communes, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins ;
   2° les membres du personnel d'une intercommunale qui sont chargés, pour les délits et les infractions, visés au titre VI, de l'exécution du maintien pour le territoire d'une ou de plusieurs communes, qui sont désignés à cet effet par l'intercommunale.
   Le Gouvernement flamand peut déterminer les exigences de formation et d'expérience et d'autres conditions auxquelles des catégories d'instances de réparation doivent satisfaire, et limiter leurs compétences sur le plan du contenu, géographique ou temporel.
   § 2. Le Gouvernement flamand ou son mandataire désigne les membres du personnel de l'Autorité flamande qui interviennent comme instance verbalisante telle que visée à l'article 2, 3°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023.]1

  
HOOFDSTUK V. [1 - Het register van ruimtelijke planners]1
CHAPITRE V. [1 - Le registre des planificateurs spatiaux]1
Art. 1.5.1. [1 De Vlaamse Regering legt een register aan waarin vermeld wordt welke personen voor de toepassing van deze codex als ruimtelijk planner worden beschouwd. Alleen natuurlijke personen kunnen conform deze codex als ruimtelijke planner worden beschouwd. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor opname in het register en de modaliteiten ervan.]1
  
Art. 1.5.1. [1 Le Gouvernement flamand établit un registre indiquant quelles personnes sont considérées comme des planificateurs spatiaux pour l'application de ce code. Seules des personnes physiques peuvent être considérées comme des planificateurs spatiaux conformément à ce code. Le Gouvernement flamand détermine les conditions et modalités de l'inclusion dans le registre.]1
  
HOOFDSTUK VI. [1 - BRV-Fonds]1
CHAPITRE VI. [1 - Fonds BRV]1
Art. 1.6.1. [1 § 1. Er wordt een BRV-fonds opgericht. Het BRV-fonds is een Gewestdienst met Afzonderlijk Beheer, vermeld in artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit.
   § 2. De middelen waarover het BRV-fonds beschikt zijn:
   1° de toelagen ingeschreven in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap;
   2° het per 31 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het BRV-fonds;
   3° [2 de opbrengsten die conform artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 worden toebedeeld aan de Vlaamse overheid]2;
   4° de opbrengsten van de heffingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 6, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
   5° de ontvangsten voortvloeiend uit financiële lasten als vermeld in artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, verbonden aan een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden en opgelegd op grond van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening;
   6° alle andere middelen die nuttig zijn in het kader van de doelstelling van het BRV-fonds en die inzonderheid ingevolge wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen aan het BRV-fonds toekomen, evenals de terugstortingen en toevallige ontvangsten;
   7° de terugvorderingen voortvloeiend uit de ten onrechte gedane betalingen.
   § 3. De middelen van het BRV-fonds worden aangewend voor:
   1° de uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van deze codex;
   2° de uitgaven die in functie staan van of voortvloeien uit het Vlaamse ruimtelijk beleid in overeenstemming met de instrumenten, vermeld in artikel 1.1.3 van deze codex, waaronder ook het betoelagen van andere Vlaamse entiteiten of het subsidiëren van initiatieven of specifieke doelgroepen die mee instaan voor de uitvoering van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen;
   3° de ondersteuning van steden en gemeenten voor de uitbetaling van planschadevergoedingen, vermeld in artikel 2.6.1, ten gevolge van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen ter uitvoering van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanwending van de middelen van het BRV-fonds.
   § 4. De Vlaamse Regering beheert het BRV-fonds.
   Ze stelt de nodige administratieve en logistieke ondersteuning ter beschikking van het BRV-fonds en kan, overeenkomstig de geldende regels, sommige van haar bevoegdheden hiertoe doordelegeren.]1

  
Art. 1.6.1. [1 § 1er. Un Fonds BVR est créé. Le Fonds BVR est un service régional à gestion séparée visé à l'article 140 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat.
   § 2. Le Fonds BVR dispose des ressources suivantes :
   1° les allocations inscrites au décret contenant le budget général des dépenses de la Communauté flamande ;
   2° le solde disponible du Fonds BVR au 31 décembre de l'année précédant l'année budgétaire ;
   3° toutes les recettes découlant de l'application du présent code, y compris [2 les recettes qui sont attribuées à l'Autorité flamande conformément à l'article 73 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023]2 ;
   4° les produits des taxes visées au titre 2, chapitre 6, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
   5° les recettes découlant des charges financières telles que visées à l'article 75 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, liées à un permis d'environnement pour la réalisation d'actes urbanistiques ou le lotissement de sols et imposées sur la base d'un règlement urbanistique régional ;
   6° tous les autres moyens utiles dans le cadre de l'objectif du Fonds BVR et qui reviennent en vertu de dispositions légales, décrétales ou réglementaires au Fonds BVR, ainsi que les reversements et recettes occasionnelles ;
   7° les recouvrements de paiements indus.
   § 3. Les moyens du Fonds BVR peuvent être affectés :
   1° aux dépenses résultant de l'application du présent code ;
   2° aux dépenses qui sont en fonction ou qui découlent de la politique spatiale flamande conformément aux instruments visés à l'article 1.1.3 du présent code, y compris également le subventionnement d'autres entités flamandes ou le subventionnement d'initiatives ou de groupes cibles spécifiques qui contribuent à la mise en oeuvre du Plan de politique spatiale pour la Flandre ;
   3° au soutien aux villes et communes pour le paiement des indemnisations des dommages résultant de la planification spatiale, visés à l'article 2.6.1, résultant des plans communaux d'aménagement du territoire mettant en oeuvre le Plan de politique spatiale de la Flandre.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'affectation des moyens du Fonds BRV.
   § 4. Le Gouvernement flamand gère le Fonds BRV.
   Il met l'aide administrative et logistique nécessaire à la disposition du Fonds BVR et peut, conformément aux règles en vigueur, déléguer certaines de ses compétences à cette fin.]1

  
TITEL II. - Planning
TITRE II. - Planification
HOOFDSTUK I. [1 - Ruimtelijke beleidsplannen]1
CHAPITRE Ier. [1 - Plans de politique spatiale]1
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Division 1re. - Dispositions générales
Art. 2.1.1. [1 § 1. Een ruimtelijk beleidsplan bestaat uit een strategische visie en een of meer beleidskaders die samen het kader aangeven voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Het ruimtelijk beleidsplan is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen in de ruimtelijke ordening. Het is realisatiegericht.
   De strategische visie omvat een langetermijnvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling.
   Een beleidskader bevat operationele beleidskeuzes voor de middellange termijn en actieprogramma's voor een thema of voor een gebiedsdeel. Beleidskaders beschrijven onder meer hoe en met wie de gewenste ruimtelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud van een beleidskader.
   Het ruimtelijk beleidsplan maakt deel uit van een cyclisch planningsproces. Dat betekent dat:
   1° het door onderzoek onderbouwd wordt;
   2° het opgemaakt of herzien wordt met inspraak van de bevolking en via overleg tussen onder meer bestuursniveaus, beleidsdomeinen of diensten en middenveldorganisaties;
   3° de uitvoering ervan gemonitord wordt;
   4° het in de eerste helft van elke regeer- of bestuursperiode geëvalueerd wordt;
   5° het te allen tijde geheel of gedeeltelijk herzien kan worden.
   De vaststelling van een strategische visie en een of meer beleidskaders kan worden gevolgd door de vaststelling van aanvullende beleidskaders die vervolgens integraal deel uitmaken van het ruimtelijk beleidsplan.
   De strategische visie kan niet worden opgeheven, ze kan alleen geheel of gedeeltelijk worden herzien. Een beleidskader kan worden opgeheven, met inachtneming van de vereisten en de procedure die gelden voor de opmaak of herziening.
   § 2. Er worden ruimtelijke beleidsplannen opgemaakt op de volgende niveaus:
   1° door het Vlaamse Gewest voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest: het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen;
   2° door een provincie voor het grondgebied van de provincie: het provinciaal beleidsplan ruimte;
   3° door een of meer gemeenten voor het grondgebied van de gemeente of de betrokken gemeenten: het gemeentelijk of intergemeentelijk beleidsplan ruimte.
   Op gemeentelijk niveau kunnen zowel de strategische visie als de beleidskaders afzonderlijk, intergemeentelijk zijn. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt een intergemeentelijk beleidsplan ruimte, een intergemeentelijke strategische visie en een intergemeentelijk beleidskader gelijkgesteld met respectievelijk een gemeentelijk beleidsplan ruimte, een gemeentelijke strategische visie en een gemeentelijk beleidskader, telkens voor de beleidskeuzes die op het eigen gemeentelijk grondgebied betrekking hebben of de engagementen van de eigen gemeente ten aanzien van de andere gemeenten. De beslissingen van de respectieve gemeenteraden geven uitdrukkelijk aan op welk onderdeel of welke onderdelen van het intergemeentelijk beleidsplan de beslissing betrekking heeft.
   § 3. In elk ruimtelijk beleidsplan wordt aangegeven hoe het zich verhoudt tot de ruimtelijke beleidsplannen van de andere niveaus.
   Bij het formuleren van keuzes, doelstellingen, eigen engagementen en verwachtingen ten aanzien van andere actoren die in het ruimtelijk beleidsplan worden opgenomen, wordt rekening gehouden met de bevoegdheidsbepalende regels uit het [2 decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]2, het Provinciedecreet, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en andere regelgeving die relevant is voor het thema in kwestie.]1

  
Art. 2.1.1. [1 § 1er. Un plan de politique spatiale se compose d'une vision stratégique et d'un ou plusieurs cadres politiques qui définissent conjointement le cadre du développement spatial souhaité. Le plan d'aménagement du territoire vise à assurer la cohérence dans la préparation, l'adoption et l'exécution des décisions en matière d'aménagement du territoire. Il est axé sur la réalisation.
   La vision stratégique comprend une vision à long terme du développement spatial.
   Un cadre politique contient des choix stratégiques opérationnels à moyen terme et des programmes d'action pour un thème ou un domaine. Les cadres politiques décrivent, entre autres, comment et avec qui le développement spatial souhaité sera réalisé. Le Gouvernement flamand peut définir des modalités relatives au contenu d'un cadre politique.
   Le plan de politique spatiale fait partie d'un processus de planification cyclique. Cela signifie :
   1° qu'il est étayé par des recherches ;
   2° qu'il est élaboré ou révisé avec la participation de la population et par le biais de consultations entre les niveaux d'administration, les domaines ou services politiques et les organisations de la société civile ;
   3° que sa mise en oeuvre fait l'objet d'une surveillance ;
   4° qu'il est évalué durant la première moitié de chaque période de gouvernance ou d'administration ;
   5° qu'il est à tout moment sujet à révision en tout ou en partie.
   L'adoption d'une vision stratégique et d'un ou plusieurs cadres politiques peut être suivie par l'adoption de cadres politiques supplémentaires, qui feront alors partie intégrante du plan de politique spatiale.
   La vision stratégique ne peut être supprimée ; elle peut seulement être révisée en tout ou en partie. Un cadre politique peut être supprimé ; et ce, dans le respect des exigences de la procédure qui s'applique à la création ou à la révision.
   § 2. Des plans de politique spatiale sont élaborés aux niveaux suivants :
   1° par la Région flamande pour le territoire de la Région flamande : le Plan de politique spatiale pour la Flandre ;
   2° par une province pour le territoire de la province : le plan de politique spatiale provincial ;
   3° par une ou plusieurs communes pour le territoire de la commune ou des communes concernées : le plan de politique spatiale communal ou intercommunal.
   Au niveau communal, tant la vision stratégique que les cadres politiques peuvent être séparés, intercommunaux. Aux fins de l'application des dispositions du présent chapitre, un plan de politique spatiale intercommunal, une vision stratégique intercommunale et un cadre politique intercommunal sont respectivement assimilés à un plan de politique spatiale communal, une vision stratégique communale et un cadre politique communal, dans chaque cas pour les choix politiques se rapportant au territoire communal propre ou aux engagements de la commune propre envers les autres communes. Les décisions des conseils communaux respectifs indiquent explicitement à quelle(s) partie s) du plan de politique spatiale intercommunal la décision se rapporte.
   § 3. Chaque plan de politique spatiale contient une indication de la relation qu'il entretient avec les plans de politique spatiale des autres niveaux.
   Lors de la formulation des choix, des objectifs, des engagements propres et des attentes à l'égard des autres acteurs figurant dans le plan de politique spatiale, il est tenu compte des règles de compétence qui déterminent les règles du [2 décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]2, du décret provincial, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et de toute autre réglementation pertinente pour le thème en question.]1

  
Art. 2.1.2. [1 § 1. Geen van de onderdelen van een beleidsplan heeft verordenende kracht.
   § 2. Een beleidskader schikt zich naar de strategische visie van het niveau in kwestie.
   § 3. Bij het vaststellen of herzien van ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen, bij het nemen van een voorkeursbesluit of projectbesluit als vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, en bij het aanvragen van vergunningen voor eigen projecten mogen de Vlaamse Regering, de provincieraad, de deputatie, de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen en de instellingen die ressorteren onder elk van die organen, niet afwijken van de beleidskaders van het niveau in kwestie, behalve in geval van:
   1° onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten;
   2° dringende sociale, economische of budgettaire redenen.
   Als er met toepassing van de redenen, vermeld in het eerste lid, wordt afgeweken van een beleidskader, wordt dat uitdrukkelijk gemotiveerd. Daarbij wordt aangetoond dat het plan, de verordening, het besluit of de vergunningsaanvraag het nastreven van de strategische visie van het niveau in kwestie niet hypothekeert.]1

  
Art. 2.1.2. [1 § 1er. Aucun des éléments d'un plan de politique spatiale n'a de force réglementaire.
   § 2. Un cadre politique est conforme à la vision stratégique du niveau en question.
   § 3. Lors de l'adoption ou de la révision de plans d'exécution spatiaux et de règlements urbanistiques, lors de la prise d'une décision préférentielle ou d'une décision de projet, telles que visées dans l'arrêté du 25 avril 2014 relatif à des projets complexes, et lors de la demande de permis pour des projets propres, le Gouvernement flamand, le conseil provincial, la députation, le conseil communal, le collège des bourgmestre et échevins et les institutions relevant de chacun de ces organes ne peuvent pas s'écarter des cadres politiques du niveau en question, hormis :
   1° en cas d'évolution imprévue des besoins spatiaux des différentes activités sociales ;
   2° pour des raisons sociales, économiques ou budgétaires urgentes.
   Si les raisons visées au premier alinéa sont invoquées pour s'écarter d'un cadre politique, cela sera explicitement justifié. A cet égard, il sera démontré que le plan, le règlement, la décision ou la demande de permis n'hypothèque pas la poursuite de la vision stratégique du niveau en question.]1

  
Afdeling 2.
Division 2.
Art. 2.1.3. [1 Het ontwerp van ruimtelijk beleidsplan wordt opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van een of meer ruimtelijke planners.
   De Vlaamse Regering kan bepalen dat een ruimtelijk beleidsplan door verschillende personen in een samenwerkingsverband moet worden opgemaakt, waaronder minstens één ruimtelijke planner. Ze kan daarbij de vereiste deskundigheden specificeren.]1

  
Art. 2.1.3. [1 Le projet de plan de politique spatiale est établi sous la responsabilité d'un ou plusieurs planificateurs spatiaux.
   Le Gouvernement flamand peut stipuler qu'un plan de politique spatiale doit être élaboré par différentes personnes au sein d'une structure collaborative, dont l'une au moins sera un planificateur spatial. Il peut spécifier les compétences requises à cet effet.]1

  
Art. 2.1.4. [1 Binnen de perken van de begroting kan de Vlaamse Regering subsidies verlenen aan provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare instellingen en aan private rechtspersonen die betrokken zijn bij een samenwerkingsverband voor het opzetten, coördineren en realiseren van een strategisch project ter uitvoering van de doelstellingen, geformuleerd in de strategische visie of in een beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.]1

  
Art. 2.1.4. [1 Dans les limites du budget, le Gouvernement flamand peut octroyer des subsides aux provinces, communes, associations de communes, institutions publiques et à des entités juridiques privées qui sont impliquées dans une structure collaborative pour la mise en place, la coordination et la réalisation d'un projet stratégique visant à mettre en oeuvre les objectifs formulés dans la vision stratégique ou dans un cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités afférentes.]1

  
Afdeling 2. [1 - Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen]1
Division 2. [1 - Le Plan de politique spatiale pour la Flandre]1
Art. 2.1.5. [1 § 1. De Vlaamse Regering beslist tot de opmaak van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen en neemt de nodige maatregelen voor de opmaak en de vaststelling ervan.
   § 2. De opmaak en de vaststelling van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen omvatten minstens de volgende stappen:
   1° de raadpleging in verschillende fasen van het opmaakproces van:
   a) de strategische adviesraad;
   b) de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
   c) de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;
   d) de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij;
   e) de Mobiliteitsraad van Vlaanderen;
   2° overleg tussen de verschillende bestuursniveaus in verschillende fasen van het opmaakproces;
   3° de raadpleging van het publiek in verschillende fasen van het opmaakproces, met inbegrip van een openbaar onderzoek over een voorlopig vastgestelde visie en een voorlopig vastgesteld beleidskader;
   4° wat de strategische visie betreft:
   a) een voorlopige vaststelling van de visie door de Vlaamse Regering;
   b) een standpunt van het Vlaams Parlement over de voorlopig vastgestelde visie, vermeld in punt a);
   c) een definitieve vaststelling van de visie door de Vlaamse Regering;
   d) de bekrachtiging door het Vlaams Parlement van de definitief vastgestelde visie, vermeld in punt c);
   5° wat de beleidskaders betreft:
   a) een voorlopige vaststelling door de Vlaamse Regering;
   b) een definitieve vaststelling door de Vlaamse Regering.
   Bij de definitieve vaststelling van beleidskaders kan de Vlaamse Regering onderdelen van provinciale of gemeentelijke beleidskaders omschrijven of aanduiden die niet meer geldig zijn. De Vlaamse Regering wint hiervoor het advies in van de betrokken provincieraad of de gemeenteraad, al naargelang.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en de vaststelling van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.]1

  
Art. 2.1.5. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand décide de l'élaboration du Plan de politique spatiale pour la Flandre et prend les mesures nécessaires à son élaboration et à son adoption.
   § 2. L'élaboration et l'adoption du Plan de politique spatiale pour la Flandre comportent au minimum les étapes suivantes :
   1° la consultation, à différents stades du processus d'élaboration :
   a) du conseil consultatif stratégique ;
   b) du Conseil socio-économique de la Flandre ;
   c) du Conseil de l'environnement et de la nature de la Flandre ;
   d) du Conseil consultatif stratégique pour l'agriculture et la pêche ;
   e) du Conseil de la mobilité de Flandre ;
   2° une concertation entre les différents niveaux d'administration à différents stades du processus d'élaboration ;
   3° la consultation du public à différents stades du processus d'élaboration, en ce compris une enquête publique sur une vision et un cadre politique adoptés à titre provisoire ;
   4° concernant la vision stratégique :
   a) une adoption provisoire de la vision par le Gouvernement flamand ;
   b) un point de vue du Parlement flamand sur la vision adoptée à titre provisoire, mentionnée au point a) ;
   c) une adoption définitive de la vision par le Gouvernement flamand ;
   d) la ratification par le Parlement flamand de la vision adoptée à titre définitif, mentionnée au point c) ;
   5° concernant les cadres politiques :
   a) une adoption provisoire par le Gouvernement flamand ;
   b) une adoption définitive par le Gouvernement flamand.
   Lors de l'adoption définitive des cadres politiques, le Gouvernement flamand peut définir ou désigner des éléments des cadres politiques provinciaux ou communaux qui ne sont plus valables. Le Gouvernement flamand recueille à cet effet l'avis du conseil provincial ou du conseil communal compétent, selon le cas.
   § 3. Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'élaboration et d'adoption du Plan de politique spatiale pour la Flandre.]1

  
Art. 2.1.6. [1 Bekrachtigde besluiten houdende definitieve vaststelling van een Vlaamse strategische visie of besluiten houdende definitieve vaststelling van een Vlaams beleidskader worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan.
   De Vlaamse Regering stuurt een afschrift van de strategische visie of het beleidskader naar elke gemeente, waar die documenten kunnen worden ingezien.
   Het geldende Beleidsplan Ruimte Vlaanderen is raadpleegbaar op de website van het departement. Op dezelfde website wordt documentatie bijgehouden over aspecten van het cyclische planningsproces, vermeld in artikel 2.1.1, § 1, vierde lid, wat betreft het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.]1

  
Art. 2.1.6. [1 Les décisions ratifiées portant adoption définitive d'une vision stratégique flamande ou les décisions portant adoption définitive d'un cadre politique flamand sont publiées par extrait au Moniteur belge. Elles entrent en vigueur 15 jours après leur publication.
   Le Gouvernement flamand envoie une copie de la vision stratégique ou du cadre politique à chaque commune, où ces documents peuvent alors être consultés.
   Le Plan de politique spatiale pour la Flandre en vigueur est consultable sur le site Web du département. Sur ce même site Web, une documentation est tenue à jour concernant les aspects du processus de planification cyclique visé à l'article 2.1.1, § 1, quatrième alinéa, en ce qui concerne le Plan de politique spatiale pour la Flandre.]1

  
Afdeling 3.
Division 3.
Art. 2.1.7. [1 De regels voor de opmaak en de vaststelling van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zijn van toepassing op de herziening ervan. De herziening kan gedeeltelijk zijn.]1
  
Art. 2.1.7. [1 Les règles d'élaboration et d'adoption du Plan de politique spatiale pour la Flandre s'appliquent également à la révision de celui-ci. La révision peut être partielle.]1
  
Afdeling 3. [1 - Het provinciaal beleidsplan ruimte]1
Division 3. [1 Le plan de politique spatiale provincial]1
Art. 2.1.8. [1 § 1. De provincieraad besluit tot de opmaak van een provinciaal beleidsplan ruimte. De deputatie neemt de nodige maatregelen voor de opmaak en de vaststelling ervan.
   § 2. De opmaak van een provinciaal beleidsplan ruimte omvat minstens de volgende stappen:
   1° de raadpleging in verschillende fasen van het opmaakproces van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening;
   2° overleg tussen de verschillende bestuursniveaus in verschillende fasen van het opmaakproces;
   3° de raadpleging van het publiek in verschillende fasen van het opmaakproces, met inbegrip van een openbaar onderzoek over een voorlopig vastgestelde visie en een voorlopig vastgesteld beleidskader;
   4° een voorlopige vaststelling en een definitieve vaststelling door de provincieraad.
   Bij de definitieve vaststelling van beleidskaders kan de provincieraad onderdelen van gemeentelijke beleidskaders omschrijven of aanduiden die niet meer geldig zijn. De provincieraad wint hiervoor het advies in van de betrokken gemeenteraad.
   De Vlaamse Regering kan, naar aanleiding van de definitieve vaststelling van het provinciaal beleidsplan ruimte, een voorbehoud maken bij bepaalde opties uit het plan. Dat voorbehoud is voldoende precies.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en de vaststelling van een provinciaal beleidsplan ruimte, en voor de toepassing van het derde lid.]1

  
Art. 2.1.8. [1 § 1er. Le conseil provincial décide de l'élaboration d'un plan de politique spatiale provincial. La députation prend les mesures nécessaires à l'élaboration et à l'adoption de celui-ci.
   § 2. L'élaboration d'un plan de politique spatiale provincial comprend au minimum les étapes suivantes :
   1° la consultation de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire à différents stades du processus d'élaboration ;
   2° une concertation entre les différents niveaux d'administration aux différents stades du processus d'élaboration ;
   3° la consultation du public à différents stades du processus d'élaboration, en ce compris une enquête publique sur une vision adoptée à titre provisoire et un cadre politique adopté à titre provisoire ;
   4° une adoption provisoire et une adoption définitive par le conseil provincial.
   Lors de l'adoption définitive des cadres politiques, le Gouvernement flamand peut définir ou désigner des éléments des cadres politiques communaux qui ne sont plus valables. Le conseil provincial recueille à cet effet l'avis du conseil communal concerné.
   Après l'adoption définitive du plan de politique spatiale provincial, le Gouvernement flamand peut émettre des réserves concernant certaines options du plan. Ces réserves seront suffisamment précises.
   Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'élaboration et d'adoption d'un plan de politique spatiale provincial ainsi que les modalités d'application du troisième alinéa.]1

  
Art. 2.1.9. [1 Besluiten houdende definitieve vaststelling van een provinciale strategische visie of een provinciaal beleidskader worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan.
   De deputatie stuurt een afschrift van de strategische visie of het beleidskader naar elke gemeente, waar die documenten kunnen worden ingezien.
   Het geldende provinciaal beleidsplan ruimte is raadpleegbaar op de website van de provincie. Op dezelfde website wordt documentatie bijgehouden over aspecten van het cyclische planningsproces, vermeld in artikel 2.1.1, § 1, vierde lid, wat betreft het provinciaal beleidsplan ruimte.]1

  
Art. 2.1.9. [1 Les décisions portant adoption définitive d'une vision stratégique provinciale ou d'un cadre politique provincial sont publiées par extrait au Moniteur belge. Elles entrent en vigueur 15 jours après leur publication.
   Le Gouvernement flamand envoie une copie de la vision stratégique ou du cadre politique à chaque commune, où ces documents peuvent alors être consultés.
   Le plan de politique spatiale provincial en vigueur est consultable sur le site Web de la province. Sur ce même site Web, une documentation est tenue à jour concernant des aspects du processus de planification cyclique visé à l'article 2.1.1, § 1, quatrième alinéa, en ce qui concerne le plan de politique spatiale provincial.]1

  
Art. 2.1.10. [1 De regels voor de opmaak en de vaststelling van het provinciaal beleidsplan ruimte zijn van toepassing op de herziening ervan. De herziening kan gedeeltelijk zijn.]1
  
Art. 2.1.10. [1 Les règles d'élaboration et d'adoption du plan de politique spatiale provincial s'appliquent également à la révision de celui-ci. La révision peut être partielle.]1
  
Afdeling 4. [1 - Het gemeentelijk beleidsplan ruimte]1
Division 2. [1 Le plan de politique spatiale communal]1
Art. 2.1.11. [1 § 1. De gemeenteraad besluit tot de opmaak van een gemeentelijk beleidsplan ruimte. Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen voor de opmaak en de vaststelling ervan.
   § 2. De opmaak van een gemeentelijk beleidsplan ruimte omvat minstens de volgende stappen:
   1° de raadpleging in verschillende fasen van het opmaakproces van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening;
   2° overleg tussen de verschillende bestuursniveaus in verschillende fasen van het opmaakproces;
   3° de raadpleging van het publiek in verschillende fasen van het opmaakproces, met inbegrip van een openbaar onderzoek over een voorlopig vastgestelde visie en een voorlopig vastgesteld beleidskader;
   4° een voorlopige vaststelling en een definitieve vaststelling door de gemeenteraad.
   De Vlaamse Regering en de deputatie kunnen, naar aanleiding van de definitieve vaststelling van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, een voorbehoud maken bij bepaalde opties uit het plan. Dat voorbehoud is voldoende precies.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en de vaststelling van een gemeentelijk beleidsplan ruimte, en voor de toepassing van het tweede lid.]1

  
Art. 2.1.11. [1 § 1er. Le conseil communal décide de l'élaboration d'un plan de politique spatiale communal. Le collège des bourgmestre et échevins prend les mesures nécessaires à l'élaboration et à l'adoption de celui-ci.
   § 2. L'élaboration d'un plan de politique spatiale communal comprend au minimum les étapes suivantes :
   1° la consultation de la commission communale pour l'aménagement du territoire à différents stades de l'élaboration ;
   2° une concertation entre les différents niveaux d'administration à différents stades du processus d'élaboration ;
   3° la consultation du public à différents stades du processus d'élaboration, en ce compris une enquête publique sur une vision adoptée à titre provisoire et un cadre politique adopté à titre provisoire ;
   4° une adoption provisoire et une adoption définitive par le conseil communal.
   Après l'adoption définitive du plan de politique spatiale communal, le Gouvernement flamand et la députation peuvent émettre des réserves concernant certaines options du plan. Ces réserves seront suffisamment précises.
   Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'élaboration et d'adoption d'un plan de politique spatiale communal ainsi que les modalités d'application du deuxième alinéa.]1

  
Art. 2.1.12. [1 Besluiten houdende definitieve vaststelling van een gemeentelijke strategische visie of een gemeentelijk beleidskader worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan.
   De strategische visie of het beleidskader kunnen worden ingezien op de gemeente.
   Het geldende gemeentelijk beleidsplan ruimte is raadpleegbaar op de website van de gemeente. Op dezelfde website wordt documentatie bijgehouden over aspecten van het cyclische planningsproces, vermeld in artikel 2.1.1, § 1, vierde lid, wat betreft het gemeentelijk beleidsplan ruimte.]1

  
Art. 2.1.12. [1 Les décisions portant adoption définitive d'une vision stratégique communale ou d'un cadre politique communal sont publiées par extrait au Moniteur belge. Elles entrent en vigueur 15 jours après leur publication.
   La vision stratégique ou le cadre politique peuvent être consultés à la commune.
   Le plan de politique spatiale communal en vigueur est consultable sur le site Web de la commune. Sur ce même site Web, une documentation est tenue à jour concernant des aspects du processus de planification cyclique visé à l'article 2.1.1, § 1, quatrième alinéa, en ce qui concerne le plan de politique spatiale communal.]1

  
Art. 2.1.13. [1 De regels voor de opmaak en de vaststelling van het gemeentelijk beleidsplan ruimte zijn van toepassing op de herziening ervan. De herziening kan gedeeltelijk zijn.]1
  
Art. 2.1.13. [1 Les règles d'élaboration et d'adoption du plan de politique spatiale communal s'appliquent également à la révision de celui-ci. La révision peut être partielle.]1
  
Afdeling 4.
Division 4.
HOOFDSTUK II. - Ruimtelijke uitvoeringsplannen
CHAPITRE II. - Plans d'exécution spatiaux
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Division 1re. - Dispositions générales
Art. 2.2.1. [1 § 1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is het resultaat van een ruimtelijk planningsproces waarbij de effectbeoordelingen procedureel en inhoudelijk geïntegreerd worden in het proces, hierna genoemd : geïntegreerd planningsproces. Die integratie houdt in dat de effectbeoordelingen plaatsvinden tijdens het proces voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan. De effectbeoordelingen leveren gegevens over de mogelijke effecten van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan. Die gegevens worden verwerkt in het planningsproces voor het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan.
   De procedure en de termijnen voor de opmaak van de effectbeoordelingen zijn geregeld in hoofdstuk II Ruimtelijke Uitvoeringsplannen van deze codex. Voor de overige aspecten van de effectbeoordelingen [4 zijn artikel 4.1.4, tweede lid, artikel 4.3.2, 4.4.4 en 4.5.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor de planmilieueffectrapportage van toepassing, en titel IV/1, hoofdstuk 2, van het voormelde decreet voor de ruimtelijke veiligheidsrapportage]4.
  [4 De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvraagdossier, de procedure en de modaliteiten van het verzoek tot overnameverplichtingen inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen zoals vermeld in artikel 4.1.1. en 4/1.1.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]4
   De effectrapporten bevatten de informatie zoals voorgeschreven in de toepasselijke regelgeving, met dien verstande dat naar de informatie die overeenkomstig de bepalingen van deze codex al in het ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen, verwezen wordt in de effectrapporten.
   In functie van het geïntegreerde planningsproces wordt een procesnota opgesteld die het volledige verloop van het planningsproces beschrijft. Het is een informatief en evolutief document dat in de loop van het planningsproces kan worden aangevuld. De procesnota geeft aan hoe het proces zal verlopen en bevat informatie over :
   1° welke actoren betrokken worden bij het planningsproces, op welke wijze de participatie georganiseerd zal worden en hoe omgegaan wordt met de resultaten van de participatie;
   2° hoe en wanneer de informatieverstrekking zal verlopen als ze niet geregeld wordt door de Vlaamse Regering.
   De procesnota en de aangevulde procesnota worden op dezelfde wijze gepubliceerd.
   § 2. De Vlaamse Regering stelt een handleiding ter beschikking die de procesaanpak van het geïntegreerde planningsproces verduidelijkt]1

  [3 De Vlaamse Regering stelt een digitaal platform ter beschikking voor de elektronische uitwisseling en terbeschikkingstelling van alle documenten en adviezen in het kader van de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
   De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de opname, uitwisseling en terbeschikkingstelling van gegevens via het digitaal platform, vermeld in het tweede lid.]3

  
Art. 2.2.1. [1 § 1er. Un plan d'exécution spatial est le résultat d'un processus de planification spatial où les évaluations d'incidences sont intégrées en termes de procédure et sur le fond dans le processus, ci-après dénommé : processus intégré de planification. Cette intégration suppose que les évaluations d'incidences se déroulent durant le processus d'établissement du plan d'exécution spatial. Les évaluations d'incidences génèrent des données sur les incidences potentielles du plan d'exécution spatial envisagé. Ces données sont traitées dans le processus de planification du plan d'exécution spatial envisagé.
   La procédure et les délais de réalisation des évaluations d'incidences sont réglés au chapitre II Plans d'exécution spatiaux du présent code. Pour les autres aspects des évaluations d'incidences, [4 les articles 4.1.4, alinéa 2, 4.3.2, 4.4.4 et 4.5.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement s'appliquent à l'évaluation des incidences du plan sur l'environnement et le titre IV/1, chapitre 2, du décret précité s'applique au rapport de sécurité spatiale]4.
  [4 Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le dossier de demande, la procédure et les modalités de la demande d'obligations de reprise concernant les plans d'exécution spatiale, tels que visés aux articles 4.1.1 et 4/1.1.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.]4
   Les rapports d'incidences contiennent les renseignements prescrits dans la réglementation applicable étant entendu que les rapports d'incidences font référence aux renseignements déjà repris dans le plan d'exécution spatial conformément aux dispositions du présent code.
   En vue du processus intégré de planification, une note de processus décrivant le déroulement complet du processus de planification est rédigée. Il s'agit d'un document d'information susceptible d'être complété au cours du processus de planification. La note de processus expose le déroulement du processus et contient des renseignements sur les points suivants :
   1° les acteurs impliqués dans le processus de planification, la façon dont la participation sera organisée et la façon dont les résultats de la participation seront traités ;
   2° comment et à quel moment se déroulera la fourniture d'informations si elle n'est pas réglée par le Gouvernement flamand.
   La note de processus et la note de processus complétée seront publiées de la même manière.
   § 2. Le Gouvernement flamand met à disposition un manuel expliquant l'approche du processus intégré de planification.]1

  [3 Le Gouvernement flamand met à disposition une plateforme numérique pour l'échange électronique et la mise en disponibilité de tous les documents et avis dans le cadre de l'établissement du plan d'exécution spatial.
   Le Gouvernement flamand peut modaliser l'inclusion, de l'échange et de la mise à disposition de données via la plateforme numérique visée à l'alinéa 2. ]3

  
Art. 2.2.2. [1 § 1. Er worden ruimtelijke uitvoeringsplannen op de volgende niveaus opgemaakt :
   1° gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een of meer delen van het grondgebied van het gewest;
   2° provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een of meer delen van het grondgebied van de provincie;
   3° gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor een of meer delen van het grondgebied van de gemeente.
   § 2. Een planningsniveau kan een planningsbevoegdheid delegeren aan een ander planningsniveau.
   De delegatie, vermeld in het eerste lid, wordt verleend door de Vlaamse Regering, de deputatie, respectievelijk het college van burgemeester en schepenen. Ze wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de delegatie vereist is. Het delegatiebesluit bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft.
   De delegatie kan gecombineerd worden met een instemming als vermeld in artikel 2.2.12, § 1, derde lid, of artikel 2.2.18, § 1, derde lid.
   Bij het verlenen van de delegatie, vermeld in het eerste lid, kunnen de planningsniveaus afspraken maken over de verdeling van de kosten die verbonden zijn aan de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan en van financiële lasten of opbrengsten ten gevolge van de planschadevergoeding of de planbatenheffing die in voorkomend geval uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zal ontstaan. In voorkomend geval kan daarbij worden afgeweken van artikel 2.6.17, § 3, eerste lid, [2 1° en 2°]2.
   De delegatie, vermeld in het eerste lid, vervalt vanaf de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
   De principieel bevoegde planningsniveaus kunnen het in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan later geheel of gedeeltelijk vervangen binnen hun eigen planningsbevoegdheden. In voorkomend geval wordt daarbij het beginsel dat lagere ruimtelijke uitvoeringsplannen niet mogen afwijken van hogere uitvoeringsplannen als vermeld in artikel 2.2.12, § 1, derde lid, en artikel 2.2.18, § 1, derde lid, buiten toepassing gelaten.]1

  
Art. 2.2.2. [1 § 1er. Des plans d'exécution spatiaux sont établis aux niveaux suivants :
   1° des plans d'exécution spatiaux régionaux pour une ou plusieurs parties du territoire de la Région ;
   2° des plans d'exécution spatiaux provinciaux pour une ou plusieurs parties du territoire de la province ;
   3° des plans d'exécution spatiaux communaux pour une ou plusieurs parties du territoire de la commune.
   § 2. Un niveau de planification peut déléguer une compétence de planification à un autre niveau de planification.
   La délégation visée à l'alinéa 1er est accordée par le Gouvernement flamand, la députation ou le collège des bourgmestre et échevins. Elle est accordée par écrit, au plus tard lors ou à la suite de la séance plénière ou de la demande d'avis au sujet de l'avant-projet de plan qui nécessite la délégation. L'arrêté de délégation contient une description du sujet à planifier et de la zone à laquelle le plan ou la partie de plan a trait.
   La délégation peut être associée à un consentement tel que visé à l'article 2.2.12, § 1er, alinéa 3, ou à l'article 2.2.18, § 3, § 1er, alinéa 3.
   Lors de l'octroi de la délégation visée à l'alinéa 1er, les niveaux de planification peuvent conclure des accords quant à la répartition des frais liés à l'établissement du plan d'exécution spatial, ainsi que des charges ou des produits consécutifs à l'indemnisation des dommages du plan ou à la taxe sur les bénéfices du plan qui résulteront, le cas échéant, du plan d'exécution spatial. Le cas échéant, il peut être dérogé à cet égard à l'article 2.6.17, § 3, alinéa 1er, [2 1° et 2°]2.
   La délégation visée à l'alinéa 1er expire dès l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial.
   Les niveaux de planification compétents par principe pourront remplacer ultérieurement tout ou partie du plan d'exécution spatial entré en vigueur dans les limites de leurs propres compétences de planification. Le cas échéant, le principe selon lequel des plans d'exécution spatiaux inférieurs ne peuvent pas déroger aux plans d'exécution supérieurs, tel que prévu par l'article 2.2.12, § 1er, alinéa 3, et l'article 2.2.18, § 1er, alinéa 3, ne sera pas appliqué.]1

  
Art. 2.2.3. [1 Het ontwerp van een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt door een planteam dat kan bestaan uit verschillende personen die werken in een samenwerkingsverband, waaronder minstens een ruimtelijk planner.
   Het planteam voert het geïntegreerde planningsproces, begeleidt de verschillende onderzoeken, integreert de tussentijdse resultaten in het planningsproces en zorgt voor een continue kwaliteitsbewaking.
   [2 ...]2]1

  
Art. 2.2.3. [1 Le projet de plan d'exécution spatial est établi par une équipe de planification qui peut se composer de plusieurs personnes travaillant dans le cadre d'un accord de collaboration, dont au moins un planificateur spatial.
   L'équipe de planification mène le processus intégré de planification, encadre les différentes recherches, intègre les résultats intermédiaires du processus de planification et assure un contrôle continu de la qualité.
   [2 ...]2]1

  
Art. 2.2.4. [1 § 1. Het geïntegreerde planningsproces bestaat uit vijf fasen, waarbij het resultaat telkens geconsolideerd wordt in een van de volgende documenten :
   1° de startnota;
   2° de scopingnota;
   3° het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;
   4° het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;
   5° het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan.
   De informatie over de inspraak of adviesvraag in elke fase geeft duidelijk aan waarover de inspraak of adviesvraag gaat.
   § 2. De startnota bevat :
   1° een beschrijving en verduidelijking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan;
   2° [3 een aanduiding van het studiegebied voor de uitwerking van de doelstellingen van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan;]3;
   3° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen, en een beknopte beschrijving van de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven;
   4° een beschrijving van de reikwijdte en het detailleringsniveau van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan en daaraan gekoppeld de reikwijdte en het detailleringsniveau van de te voeren effectonderzoeken zoals in die fase gekend;
   5° de relatie met het [2 ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan]2 en, in voorkomend geval, met andere relevante beleidsplannen;
   6° de beschrijving van de te onderzoeken effecten en van de inhoudelijke aanpak van de effectbeoordelingen, met inbegrip van de methodologie, zoals bepaald door de wetgeving van de op te maken effectbeoordelingen en van andere onderzoeken die nodig zijn voor het plan. [4 In voorkomend geval bevat de startnota ook de screening, vermeld in artikel 4.3.5, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, of de gedane analyse, vermeld in artikel 4/1.2.1 van het voormelde decreet,]4, met inbegrip van de redenen waarom geen planmilieueffectrapport, respectievelijk ruimtelijk veiligheidsrapport moet worden opgemaakt;
   7° in voorkomend geval, relevante gegevens uit vorige effectbeoordelingen of uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;
   8° in voorkomend geval, de impact of het effect dat het geïntegreerde planningsproces kan hebben op mens of milieu in een ander gewest of land of op de gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen;
   9° een overzicht van instrumenten die samen met het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan ingezet kunnen worden, als die al bekend zijn in deze fase.
   § 3. De scopingnota bouwt voort op de startnota en bevat minstens dezelfde onderdelen als de startnota. De scopingnota bepaalt de te onderzoeken ruimtelijke aspecten en de effectbeoordelingen die moeten worden uitgevoerd, alsook de methode ervan. Bij de opmaak wordt rekening gehouden met de adviezen en het resultaat van de participatie, vermeld in artikel 2.2.7, § 2, artikel 2.2.12, § 2, en artikel 2.2.18, § 2, van deze codex. [4 Aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. wordt gevraagd om een advies te verlenen naargelang het geval over de screening of over de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het milieueffectrapport. De dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage, integreert zijn kwaliteitsbeoordeling over de inhoudsafbakening van het ruimtelijk veiligheidsrapport conform artikel 4/1.2.2, § 2, van het voormelde decreet, in de scopingnota]4. De scopingnota is samen met de procesnota de leidraad voor het verdere verloop van het geïntegreerde planningsproces dat leidt tot de opmaak van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan.
   Als uit de scopingnota blijkt dat een milieueffectrapport of een ruimtelijk veiligheidsrapport opgemaakt moet worden, maakt [4 het Vlaams expertisecentrum m.e.r.]4, respectievelijk de dienst bevoegd voor veiligheidsrapportage, voor het verdere verloop van het geïntegreerde planningsproces deel uit van het planteam in functie van de effectrapportage.
  [4 In voorkomend geval motiveert het planteam uiterlijk voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan in de scopingnota aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, waarom het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Daarbij wordt rekening gehouden met de screening, de adviezen die verleend zijn over de startnota en het advies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. over de screening]4.
   Uiterlijk voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan wordt in de scopingnota door de dienst bevoegd voor veiligheidsrapportage, in de gevallen bepaald overeenkomstig [4 artikel 4/1.2.1, tweede lid]4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bepaald of een ruimtelijk veiligheidsrapport moet worden opgemaakt.
   De scopingnota kan tijdens het geïntegreerde planningsproces aangevuld worden. De aangevulde scopingnota wordt op dezelfde wijze gepubliceerd als de oorspronkelijke scopingnota.
   § 4. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze de startnota, de scopingnota en de procesnota worden gepubliceerd.]1

  
Art. 2.2.4. [1 § 1er. Le processus intégré de planification comporte cinq phases dont le résultat est chaque fois consolidé dans l'un des documents suivants :
   1° la note de lancement ;
   2° la note de cadrage ;
   3° l'avant-projet de plan d'exécution spatial ;
   4° le projet de plan d'exécution spatial ;
   5° le plan d'exécution spatial définitif.
   Les informations sur la participation ou la demande d'avis à chaque phase indiquent clairement l'objet de la participation ou de la demande d'avis.
   § 2. La note de lancement comporte :
   1° une description et une clarification des objectifs du plan d'exécution spatial envisagé ;
   2° [3 une indication de la discipline pour l'élaboration des objectifs du plan d'exécution spatial envisagé ;]3 ;
   3° une description succincte des solutions alternatives au projet de plan ou à des parties de celui-ci envisagées par l'initiateur et une description succincte des avantages et inconvénients des différentes solutions alternatives ;
   4° une description du champ d'application et du niveau de détail du plan d'exécution spatial envisagé et, en corollaire, du champ d'application et du niveau de détail des analyses d'incidences à effectuer tels qu`ils sont connus dans cette phase ;
   5° la relation avec [2 le schéma de structure d'aménagement ou le plan de politique spatiale]2 et, le cas échéant, avec d'autres plans stratégiques pertinents ;
   6° la description des effets à examiner et de l'approche de fond des évaluations d'incidences, y compris de la méthodologie, tel que prévu par la législation, des évaluations d'incidences à réaliser et d'autres études nécessaires pour le plan. [4 Le cas échéant, la note de lancement contient également le screening, visé à l'article 4.3.5, § 1er, alinéa 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ou l'analyse réalisée, visée à l'article 4/1.2.1 du décret précité]4, y compris les motifs pour lesquels aucun rapport d'incidences du plan sur l'environnement ou aucun rapport de sécurité spatiale ne doit être établi ;
   7° le cas échéant, les données pertinentes issues de précédentes évaluations d'incidences ou des rapports approuvés en résultant ;
   8° le cas échéant, l'impact ou l'effet que peut avoir le processus intégré de planification sur l'homme ou l'environnement dans une autre région ou un autre pays ou sur les zones relevant de la compétence fédérale ;
   9° un relevé des instruments qui peuvent être mis en oeuvre conjointement avec le plan d'exécution spatial envisagé, s'ils sont déjà connus dans cette phase.
   § 3. La note de cadrage s'appuie sur la note de lancement et comporte au moins les mêmes éléments que celle-ci. La note de cadrage définit les aspects spatiaux à examiner et les évaluations d'incidences à exécuter de même que leur méthode. Lors de l'établissement, il est tenu compte des avis et du résultat de la participation visés aux articles 2.2.7, § 2, 2.2.12, § 2, et 2.2.18, § 2, du présent code. [4 Il est demandé au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis, selon le cas, sur le screening ou sur le champ d'application, le niveau de détail et l'approche de fond du rapport sur les incidences environnementales. Le service com-pétent pour le rapport de sécurité intègre son évaluation de la qualité de la délimitation du contenu du rapport de sécurité spatiale conformément à l'article 4/1.2.2, § 2, du décret précité, dans la note de cadrage]4. La note de cadrage sert, conjointement avec la note de processus, de fil conducteur pour la suite du processus intégré de planification qui débouche sur l'avant-projet de plan d'exécution spatial.
   S'il ressort de la note de cadrage qu'un rapport d'incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité spatiale doit être établi, [4 le Centre d'Expertise flamand R.I.E.]4 ou le service compétent pour le rapport de sécurité fait partie, pour la suite du processus intégré de planification, de l'équipe de planification en vue de l'évaluation des incidences.
  [4 Le cas échéant, au plus tard avant l'adoption provisoire du projet de plan d'exécution spatiale, l'équipe du plan motive dans la note de cadrage, à l'aide des critères, visés à l'annexe I du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, les raisons pour lesquelles le plan d'exécution spatiale envisagé ne peut pas avoir d'incidences environnementales notables. A cet égard, il est tenu compte du screening, des avis émis sur la note de lancement et de l'avis du Centre d'Expertise flamand R.I.E. sur le screening]4.
   Au plus tard avant l'adoption provisoire du projet de plan d'exécution spatial, le service compétent pour le rapport de sécurité détermine dans la note de cadrage, dans les cas définis conformément à l'[4 article 4/1.2.1, alinéa 2]4, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, si un rapport de sécurité spatiale doit être établi.
   La note de cadrage peut être complétée durant le processus intégré de planification. La note de cadrage complétée est publiée de la même manière que la note de cadrage originale.
   § 4. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de publication de la note de lancement, de la note de cadrage et de la note de processus.]1

  
Art. 2.2.5. [1 § 1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat :
   1° een beschrijving en verantwoording van de doelstellingen van het plan;
   2° een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is;
   3° de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting of het beheer en, in voorkomend geval, de normen, vermeld in [5 artikel 5.96 en 5.97 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]5;
   4° een weergave van de juridische toestand;
   5° een weergave van de feitelijke ruimtelijke toestand en de toestand van het leefmilieu, de natuur en andere relevante feitelijke gegevens;
   6° de relatie met het [2 ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan of de ruimtelijke structuurplannen of ruimtelijke beleidsplannen]2 waarvan het een uitvoering is en, in voorkomend geval, een omschrijving van andere relevante beleidsplannen;
   7° in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden;
  [6 7° /1 in voorkomend geval, een toelichting van de wijze waarop aan de bepalingen van artikel 2.2.6/1 wordt voldaan;]6
   8° de kwaliteitsbeoordeling en, in voorkomend geval, de verklaring, vermeld in [8 artikel 4.1.1, 6°, e)]8, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en, in voorkomend geval, een overzicht van de conclusies van de volgende effectbeoordelingen waarbij aangegeven wordt hoe die geïntegreerd zijn in het plan :
   a) het planmilieueffectrapport;
   b) de passende beoordeling;
   c) het ruimtelijk veiligheidsrapport;
   d) andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectenrapporten;
   in voorkomend geval de monitoringsmaatregelen in het kader van de uitgevoerde effectbeoordelingen;
   9° in voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding als vermeld in artikel 2.6.1 van deze codex, een planbatenheffing als vermeld in artikel 2.6.4 van deze codex, of een compensatie als vermeld in boek 6, titel 2 of titel 3, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid;
   10° in voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd of een overdruk wordt toegevoegd die aanleiding kan geven tot gebruikerscompensatie als vermeld in het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen;
  [7 10° /1 in voorkomend geval, het schaderamingsrapport, vermeld in artikel 7, § 2, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023, en het meerwaarderamingsrapport, vermeld in artikel 2.6.10, § 2/1;]7
   11° voor de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, in voorkomend geval, een overzicht van de geheel of gedeeltelijk gewijzigde of opgeheven erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten inzake onroerend erfgoed, samen met de gegevens, vermeld in artikel 6.2.5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van de aanduiding van de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek op het gegeorefereerde plan;
   12° in voorkomend geval, het grondruilplan, vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
   13° in voorkomend geval, de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
   14° in voorkomend geval, een overzicht van de instrumenten waarover samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan een beslissing genomen wordt door de bevoegde overheid om die aspecten te regelen of om de maatregelen of voorwaarden te bepalen die de bevoegde overheid op basis van het planningsproces, in het bijzonder de effectbeoordelingen, noodzakelijk acht voor de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan en die niet geregeld worden met toepassing van punten 1° tot en met 13°.
  [4 15° in voorkomend geval het rooilijnplan, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de gewestelijke rooilijnen en het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen.]4
   Het grafische plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is en de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften hebben verordenende kracht.
   § 2. Samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan kan de bevoegde overheid stedenbouwkundige verordeningen vaststellen met voorschriften die niet als stedenbouwkundig voorschrift worden opgenomen in het ruimtelijk uitvoeringsplan. De betrokken voorschriften garanderen de uitvoering van maatregelen of het naleven van voorwaarden die het ruimtelijk uitvoeringsplan begeleiden en die uit het planningsproces resulteren [3 , zonder dat deze voorschriften milieuvoorwaarden kunnen bepalen die rechtstreeks gelden voor individuele ingedeelde inrichtingen en activiteiten, zoals bedoeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning of in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]3.
   Voorafgaandelijk aan of gelijktijdig met de beslissing over het ruimtelijk uitvoeringsplan kan de bevoegde overheid overeenkomsten met publiekrechtelijke rechtspersonen, met privaatrechtelijke rechtspersonen of met natuurlijke personen afsluiten om het ruimtelijk uitvoeringsplan te kunnen realiseren.
   De stedenbouwkundige verordening, bedoeld in het eerste lid, wordt samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig en definitief vastgesteld en wordt onderworpen aan hetzelfde openbaar onderzoek. Als de stedenbouwkundige verordening niet samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig wordt vastgesteld en onderworpen aan een openbaar onderzoek maar gebaseerd is op of voortvloeit uit de adviezen, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek geformuleerd zijn, dan wordt deze stedenbouwkundige verordening door de bevoegde overheid na het openbaar onderzoek over het ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vastgesteld en onderworpen aan een afzonderlijk openbaar onderzoek. Ze wordt dan samen met het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld. De termijn voor definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt in dit geval opgeschort met de termijn die nodig is om de stedenbouwkundige verordening en het ruimtelijk uitvoeringsplan op dezelfde datum definitief te kunnen vaststellen waarbij de vervaltermijn voor de stedenbouwkundige verordening in dit geval de bepalende termijn is voor de duur van opschorting. De termijnen uit artikel 2.2.10, 2.2.15 en 2.2.21 van deze codex zijn van toepassing.
   Een stedenbouwkundige verordening die vastgesteld wordt met het ruimtelijk uitvoeringsplan of een overeenkomst die afgesloten wordt voor of samen met de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, kan worden gewijzigd op voorwaarde dat daarbij steeds de doelstelling van de stedenbouwkundige verordening of overeenkomst gerespecteerd blijft. De wijziging van een stedenbouwkundige verordening volgt dezelfde procedure als vermeld in artikel 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 van deze codex.
   Alle aangelegenheden die krachtens artikel 2.3.1 geregeld kunnen worden in stedenbouwkundige verordeningen, met uitsluiting van [6 artikel 2.3.1, § 1, eerste lid, 11°]6 [3 ...]3, kunnen het voorwerp uitmaken van een stedenbouwkundig voorschrift van een ruimtelijk uitvoeringsplan.
   § 3. Ruimtelijke uitvoeringsplannen blijven gelden tot ze worden vervangen. Ze kunnen op elk moment geheel of gedeeltelijk worden vervangen.
   De regels voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn ook van toepassing op de vervanging ervan.
   § 4. De voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan heffen de voorschriften van de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die er strijdig mee zijn, van rechtswege op.
   De voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan heffen de voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die er strijdig mee zijn, van rechtswege op.]1

  
Art. 2.2.5. [1 § 1er. Un plan d'exécution spatial comprend :
   1° une description et une justification des objectifs du plan ;
   2° un plan graphique indiquant la zone à laquelle ou les zones auxquelles il s'applique ;
   3° les prescriptions urbanistiques correspondantes en matière de destination, d'aménagement et/ou de gestion, et, le cas échéant, les normes visées aux [5 articles 5.96 et 5.97 du Code flamand du Logement de 2021]5 ;
   4° une description de la situation juridique ;
   5° une description de la situation spatiale de fait et de la situation de l'environnement, de la nature et d'autres éléments de fait pertinents ;
   6° la relation avec [2 le(s) schéma(s) de structure d'aménagement ou le(s) plan(s) de politique spatiale]2 au(x)quel(s) il donne exécution et le cas échéant, une description d'autres plans stratégiques pertinents ;
   7° le cas échéant, une énumération si possible limitative des prescriptions contraires au plan d'exécution spatial et qui sont abrogées ;
  [6 7° /1 le cas échéant, une explication de la manière dont les dispositions de l'article 2.2.6/1 sont respectées ; ]6
   8° l'évaluation de la qualité et, le cas échéant, la déclaration visée à l'[8 article 4.1.1, 6°, e)]8, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, et, le cas échéant, un aperçu des conclusions des évaluations d'incidences suivantes en indiquant comment elles ont été intégrées dans le plan :
   a) le rapport d'incidences du plan sur l'environnement ;
   b) l'évaluation appropriée ;
   c) le rapport de sécurité spatiale ;
   d) d'autres rapports d'incidences obligatoirement prescrits ou établis ;
   le cas échéant, les mesures de suivi dans le cadre des évaluations d'incidences exécutées ;
   9° le cas échéant, un registre, graphique ou non, des parcelles concernées par une modification de destination qui pourrait donner lieu à une indemnisation des dommages du plan telle que visée à l'article 2.6.1 du présent code, à une taxe sur les bénéfices du plan telle que visée à l'article 2.6.4 du présent code ou à une compensation telle que visée au livre 6, titre 2 ou titre 3 du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière ;
   10° le cas échéant, un registre, graphique ou non, des parcelles concernées par une modification de destination ou par une surimpression qui pourrait donner lieu à une compensation des usagers telle que visée dans le décret du 27 mars 2009 établissant un cadre pour la compensation des usagers lors de modifications d'affectation ;
  [7 10° /1 le cas échéant, le rapport d'estimation des dommages, visé à l'article 7, § 2, du Décret Instruments du 26 mai 2023, et le rapport d'estimation de plus-value, visé à l'article 2.6.10, § 2/1 ;]7
   11° pour les plans d'exécution spatiaux régionaux, le cas échéant, un aperçu des arrêtés d'agrément, de classement et de protection du patrimoine immobilier totalement ou partiellement modifiés ou abrogés, conjointement avec les données visées à l'article 6.2.5 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à l'exception de l'indication du lieu d'affichage de l'avis relatif à l'enquête publique sur le plan géoréférencé ;
   12° le cas échéant, le plan d'échange de terres visé à l'article 2.1.65 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;
   13° le cas échéant, la note d'aménagement visée à l'article 4.2.1 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;
   14° le cas échéant, un relevé des instruments au sujet desquels une décision est prise, conjointement avec le plan d'exécution spatial, par l'autorité compétente afin de régler ces aspects ou de définir les mesures ou conditions que l'autorité compétente juge nécessaires, sur la base du processus de planification, en particulier des évaluations d'incidences, pour l'adoption du plan d'exécution spatial et qui ne sont pas réglés en application des points 1° à 13°.
  [4 15° le cas échéant, le plan d'alignement visé dans le décret du 8 mai 2009 portant établissement et réalisation des alignements régionaux et le décret du 3 mai 2019 sur les routes communales.]4
   Le plan graphique indiquant la zone à laquelle ou les zones auxquelles il s'applique et les prescriptions urbanistiques correspondantes ont force de règlement.
   § 2. Conjointement avec le plan d'exécution spatial, l'autorité compétente peut arrêter des règlements urbanistiques avec des prescriptions non reprises comme prescription urbanistique dans le plan d'exécution spatial. Les prescriptions concernées garantissent l'exécution de mesures ou le respect de conditions accompagnant le plan d'exécution spatial et résultant du processus de planification [3 , sans que cette prescription puisse déterminer des conditions environnementales qui soient directement applicables à des établissements et activités classés individuels, tels que visés dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ou au titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement]3.
   Préalablement ou simultanément à la décision sur le plan d'exécution spatial, l'autorité compétente peut conclure des accords avec des personnes morales de droit public, des personnes morales de droit privé ou avec des personnes physiques afin de pouvoir réaliser le plan d'exécution spatial.
   Le règlement urbanistique visé à l'alinéa 1er est adopté provisoirement et définitivement conjointement avec le plan d'exécution spatial et est soumis à la même enquête publique. Si le règlement urbanistique n'est pas adopté provisoirement et définitivement et soumis à une enquête publique conjointement avec le plan d'exécution spatial, mais est fondé sur ou découle des avis, observations et objections formulés durant l'enquête publique, ce règlement urbanistique est adopté provisoirement par l'autorité compétente après l'enquête publique sur le plan d'exécution spatial et est soumis à une enquête publique distincte. Il est alors adopté définitivement conjointement avec le plan d'exécution spatial. Dans ce cas, le délai d'adoption définitive du plan d'exécution spatial est suspendu du délai nécessaire à l'adoption définitive du règlement urbanistique et du plan d'exécution spatial à la même date, l'échéance du règlement urbanistique déterminant dans ce cas la durée de la suspension. Les délais des articles 2.2.10, 2.2.15 et 2.2.21 du présent code sont applicables.
   Un règlement urbanistique adopté avec le plan d'exécution spatial ou un accord conclu préalablement ou simultanément à l'adoption du plan d'exécution spatial peut être modifié à condition que l'objectif du règlement urbanistique ou de l'accord soit respecté. La modification d'un règlement urbanistique suit la même procédure que celle visée aux articles 2.3.1, 2.3.2 et 2.3.3 du présent code.
   Toutes les matières qui peuvent être réglées en vertu de l'article 2.3.1 dans le cadre de règlements urbanistiques, à l'exclusion de[6 l'article 2.3.1., § 1er, alinéa 1er, 11°]6 [3 ...]3, peuvent faire l'objet d'une prescription urbanistique d'un plan d'exécution spatial.
   § 3. Les plans d'exécution spatiaux demeurent en vigueur jusqu'à leur remplacement. Ils peuvent à tout moment être remplacés, en tout ou en partie.
   Les règles relatives à l'établissement de plans d'exécution spatiaux s'appliquent également à leur remplacement.
   § 4. Les prescriptions du plan d'exécution spatial régional abrogent de plein droit les prescriptions des plans d'exécution spatiaux provinciaux et communaux qui y seraient contraires.
   Les prescriptions du plan d'exécution spatial provincial abrogent de plein droit les prescriptions des plans d'exécution spatiaux communaux qui y seraient contraires.]1

  
Afdeling 2.
Division 2.
Art. 2.2.6. [1 § 1. De stedenbouwkundige voorschriften kunnen eigendomsbeperkingen inhouden, met inbegrip van bouwverbod.
   De stedenbouwkundige voorschriften kunnen van die aard zijn dat ze een tijdelijk ruimtegebruik toelaten, na verloop van tijd in werking treden, dat de inhoud op een bepaald tijdstip verandert of dat een onderdeel van een voorschrift in werking treedt als de opgenomen voorwaarde vervuld is.
   De stedenbouwkundige voorschriften kunnen modaliteiten voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen.
   Stedenbouwkundige voorschriften kunnen bepalen dat de uitvoering ervan afhankelijk is van de vaststelling of uitvoering van één of meer van de volgende instrumenten :
   1° de vaststelling van een instrument uit het overzicht, vermeld in artikel 2.2.5, § 1, 14°, van deze codex;
   2° de vaststelling of uitvoering van een instrument van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting indien dit ingezet wordt via een inrichtingsnota vermeld in artikel 4.2.1 van dat decreet en op voorwaarde dat deze inrichtingsnota deel uitmaakt van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
   Zij kunnen tevens bepalen dat zij niet langer uitvoerbaar zijn indien de stedenbouwkundige verordening of een ander instrument uit het overzicht, vermeld in artikel 2.2.5, § 1, 14°, niet langer rechtskracht heeft of gewijzigd is in strijd met artikel 2.2.5, § 2, vierde lid.
   § 2. Een stedenbouwkundig voorschrift in een ruimtelijk uitvoeringsplan ressorteert op elk moment onder een categorie of een subcategorie van gebiedsaanduiding.
   De gebiedsaanduiding bestaat uit de volgende categorieën :
   1° wonen. Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding :
   a) woongebied : in hoofdzaak bestemd voor wonen en aan wonen verwante activiteiten en voorzieningen;
   b) gebied voor wonen en voor landbouw : in hoofdzaak bestemd voor wonen, landbouw, openbare groene ruimten en openbare verharde ruimten en aan wonen verwante activiteiten;
   2° bedrijvigheid : in hoofdzaak bestemd voor bedrijfsactiviteiten of kantoren;
   3° recreatie : in hoofdzaak bestemd voor recreatie, dagrecreatie of verblijfsrecreatie;
   4° landbouw. Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding :
   a) agrarisch gebied : in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw;
   b) agrarische bedrijvenzone : in hoofdzaak bestemd voor de inplanting van agrarische bedrijven, in het bijzonder glastuinbouw;
   c) bouwvrij agrarisch gebied : in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat de oprichting van gebouwen er niet is toegelaten;
   5° bos : in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos;
   6° overig groen. Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding :
   a) gemengd openruimtegebied : waarbij natuurbehoud, bosbouw, onroerend erfgoed, landbouw en recreatie nevengeschikte functies zijn;
   b) parkgebied : in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van een of meer parken;
   7° reservaat en natuur : in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en het bos;
   8° lijninfrastructuur : in hoofdzaak bestemd voor verkeers- en vervoersinfrastructuur, weginfrastructuur, spoorinfrastructuur of waterweginfrastructuur en de aanhorigheden ervan;
   9° gemeenschaps- en nutsvoorzieningen : in hoofdzaak bestemd voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of infrastructuur van openbaar nut voor de zuivering van afvalwater;
   10° ontginning en waterwinning. Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding :
   a) gebied voor infrastructuur voor duurzame watervoorziening : in hoofdzaak bestemd voor infrastructuur van openbaar nut voor duurzame watervoorziening;
   b) gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen : in hoofdzaak bestemd voor de ontginning van delfstoffen;
   c) gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen : in hoofdzaak bestemd voor bedrijven die oppervlaktedelfstoffen verwerken.
  [2 De gebieden die conform artikel 5.6.8, § 1, worden aangeduid als `watergevoelig open ruimtegebied' worden voor de toepassing van deze codex beschouwd als te ressorteren onder de subcategorie van gebiedsaanduiding `gemengd openruimtegebied.]2
   De Vlaamse Regering kan bijkomende subcategorieën van gebiedsaanduiding bepalen.
   § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen.
   § 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering (ook financiële) ondersteuning verlenen aan de provincies en gemeenten voor het vervullen van hun taken met betrekking tot de ruimtelijke uitvoeringsplannen [3 ...]3.
   De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en nadere regels hiertoe.]1

  
Art. 2.2.6. [1 § 1er. Les plans d'exécution spatiaux peuvent comporter des restrictions de propriété, y compris une interdiction de bâtir.
   Les prescriptions urbanistiques peuvent être de nature telle qu'elles permettent une utilisation temporaire de l'espace, qu'elles entrent en vigueur après un certain temps, que leur contenu change à une date déterminée ou qu'une partie d'une prescription n'entre en vigueur que si la condition y reprise est remplie.
   Les prescriptions urbanistiques peuvent prévoir des modalités à respecter lors de l'aménagement de la zone.
   Les prescriptions urbanistiques peuvent stipuler que leur exécution est subordonnée à l'adoption ou à la mise en oeuvre de l'un ou de plusieurs instruments suivants :
   1° l'adoption d'un instrument du relevé visé à l'article 2.2.5, § 1er, 14°, du présent code ;
   2° l'adoption ou la mise en oeuvre d'un instrument du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale s'il est utilisé par le biais d'une note d'aménagement visée à l'article 4.2.1 de ce décret et à condition que ladite note d'aménagement fasse partie du plan d'exécution spatial.
   Elles peuvent également stipuler qu'elles ne sont plus exécutoires si le règlement urbanistique ou un autre instrument du relevé visé à l'article 2.2.5, § 1er, 14°, n'a plus force juridique ou a été modifié en violation de l'article 2.2.5, § 2, alinéa 4.
   § 2. Une prescription urbanistique d'un plan d'exécution spatial relève à tout moment d'une catégorie ou d'une sous-catégorie d'affectation de zone.
   L'affectation de zone comporte les catégories suivantes :
   1° habitat. Cette catégorie comporte au moins les sous-catégories d'affectation de zone suivantes :
   a) zone d'habitat : principalement destinée à l'habitat et aux activités et infrastructures connexes de l'habitat ;
   b) zone d'habitat et agricole : principalement destinée à l'habitat, à l'agriculture, aux espaces verts publics et aux espaces publics empierrés ainsi qu'aux activités connexes de l'habitat ;
   2° activité économique : principalement destinée aux activités d'entreprise et/ou aux bureaux ;
   3° récréation : principalement destinée aux activités récréatives, à la récréation de jour et/ou à la récréation avec séjour ;
   4° agriculture. Cette catégorie comporte au moins les sous-catégories d'affectation de zone suivantes :
   a) zone agricole : principalement destinée à l'agriculture professionnelle ;
   b) zone d'exploitations agricoles : principalement destinée à l'implantation d'exploitations agricoles, en particulier à l'horticulture en serre ;
   c) zone agricole exempte de constructions : principalement destinée à l'agriculture professionnelle, étant entendu que la construction de bâtiments y est interdite ;
   5° forêt : principalement destinée à la préservation, au développement et à la réhabilitation de la forêt ;
   6° autres zones vertes. Cette catégorie comporte au moins les sous-catégories d'affectation de zone suivantes :
   a) zone d'espace ouvert mixte : où la conservation de la nature, la sylviculture, le patrimoine immobilier, l'agriculture et la récréation sont des fonctions coexistantes ;
   b) zone de parc : principalement destinée à la préservation, à la réhabilitation et au développement d'un parc ou de plusieurs parcs ;
   7° réserves et nature : principalement destinée à la préservation, au développement et à la réhabilitation de la nature, du milieu naturel et de la forêt ;
   8° infrastructure linéaire : principalement destinée à l'infrastructure de voirie et de transport, l'infrastructure routière, l'infrastructure ferroviaire ou l'infrastructure des voies navigables et leurs dépendances ;
   9° équipements communs et utilitaires : principalement destinée aux équipements communs et aux installations d'utilité publique ou à l'infrastructure d'intérêt public pour l'épuration des eaux usées ;
   10° défrichement et captage d'eau. Cette catégorie comporte au moins les sous-catégories d'affectation de zone suivantes :
   a) zone pour l'infrastructure liée à une alimentation durable en eau : principalement destinée à l'infrastructure d'utilité publique pour une alimentation durable en eau ;
   b) zone pour l'extraction des minerais de surface : principalement destinée à l'exploitation des minerais ;
   c) zone de traitement des minerais de surface : principalement destinée aux entreprises qui traitent des minerais de surface.
  [2 Les zones qui, conformément à l'article 5.6.8, § 1, sont désignées comme "zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau" sont, pour l'application de ce code, considérées comme relevant de la sous-catégorie d'affectation de zone "zone d'espace ouvert mixte"]2
   Le Gouvernement flamand peut définir des sous-catégories d'affectation de zone supplémentaires.
   § 3. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à la forme et au contenu des plans d'exécution spatiaux.
   § 4. Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand peut accorder un soutien (également financier) aux provinces et communes afin de leur permettre de remplir leurs tâches dans le cadre des plans d'exécution spatiaux [3 ...]3.
   Le Gouvernement flamand détermine les conditions et les modalités à cet effet.]1

  
Art. 2.2.6 /1. [1 § 1. Voor de toepassing van dit artikel, dat een verplichting tot planologische compensatie instelt, worden twee groepen bestemmingen onderscheiden:
   1А bestemmingen die ressorteren onder de categorie of subcategorie van gebiedsaanduiding "wonen", "bedrijvigheid", "recreatie" of "gemeenschaps- en nutsvoorzieningen";
   2А bestemmingen die ressorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding "landbouw", "bos", "overig groen" of "reservaat en natuur".
   Als een ruimtelijk uitvoeringsplan een wijziging doorvoert van een bestemming of nabestemming uit de tweede groep als vermeld in het eerste lid naar een bestemming of nabestemming uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid gaat die bestemmingswijziging gepaard met een gelijktijdige en in oppervlakte minstens gelijke wijziging van bestemmingen uit de eerste groep naar bestemmingen uit de tweede groep. Die laatste bestemmingswijziging wordt de compensatie genoemd.
   De compensatie gebeurt op gronden waarvan de realisatie van de tot dan toe geldende bestemming door de plannende overheid beleidsmatig niet langer gewenst is.
   De verplichting tot compensatie, vermeld in het tweede lid, geldt niet in de volgende gevallen:
   1А de wijziging naar een bestemming uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid beslaat een in omvang beperkte oppervlakte;
   2А op het grondgebied van de plannende overheid zijn geen gronden meer aanwezig die een bestemming uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid hebben, waarvan de ontwikkeling beleidsmatig niet langer gewenst is;
   3А de bestemmingswijziging is gericht op het zone-eigen maken van bestaande hoofdzakelijk vergunde constructies; wordt in het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan echter ook in ruimtelijke uitbreiding voorzien dan geldt de verplichting tot compensatie voor de oppervlakte van de mogelijke uitbreiding.
   Aan de verplichting tot compensatie, vermeld in het tweede lid, wordt geacht te zijn voldaan in de volgende gevallen:
   1А de plannende overheid voert een ander lopend planningsproces, waarbij in oppervlakte minstens gelijke wijzigingen van bestemmingen of nabestemmingen uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid naar bestemmingen of nabestemmingen uit de tweede groep als vermeld in het eerste lid begrepen zijn;
   2А de plannende overheid voerde in recent vastgestelde ruimtelijke uitvoeringsplannen in oppervlakte minstens gelijke wijzigingen door van bestemmingen of nabestemmingen uit de eerste groep als vermeld in het eerste lid naar bestemmingen of nabestemmingen uit de tweede groep als vermeld in het eerste lid;
   3А er wordt toepassing gemaakt van de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil als vermeld in artikel 2.1.61 en volgende van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.
   De verplichting tot planologische compensatie is van overeenkomstige toepassing voor het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan.
   Ї 2. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de verplichting tot planologische compensatie, vermeld in paragraaf 1, inzonderheid met betrekking tot de toepassing van het vierde en vijfde lid van paragraaf 1, en met betrekking tot compensatie buiten het grondgebied van de plannende overheid.]1

  
Art. 2.2.6 /1. [1 § 1er. Aux fins du présent article, qui établit une obligation de compensation planologique, deux groupes d'affectations sont distingués :
   1° les affectations relevant de la catégorie ou à la sous-catégorie d'affection de zone " habitat ", " activité économique ", " récréation " ou " équipements communs et utilitaires " ;
   2° les affectations relevant de la catégorie d'affection de zone " agriculture ", " forêt ", " autres zones vertes " ou " réserves et nature ".
   Si un plan d'exécution spatial modifie une affectation ou une affectation ultérieure du deuxième groupe visé à l'alinéa 1er, vers une affectation ou une affectation ultérieure du premier groupe visé à l'alinéa 1er, cette modification d'affectation s'accompagne d'une modification simultanée et d'une superficie au moins égale d'affectations du premier groupe vers des affectations du deuxième groupe. Cette dernière modification d'affectation est appelée la compensation.
   La compensation est réalisée sur des terrains dont l'affectation originale ne s'aligne plus sur la politique de l'autorité de planification.
   L'obligation de compensation visée à l'alinéa 2, ne s'applique pas dans les cas suivants :
   1° la modification vers une affectation du premier groupe telle que visée à l'alinéa 1er, couvre une superficie limitée en ampleur ;
   2° le territoire de l'autorité de planification ne comprend plus de terrains ayant une affectation du premier groupe telle que visée à l'alinéa 1er, dont le développement n'est plus souhaité sur le plan stratégique ;
   3° la modification d'affectation vise à zoner les constructions existantes principalement autorisées ; toutefois, si le plan d'exécution spatial concerné prévoit également une extension spatiale, l'obligation de compensation s'applique à la superficie de l'éventuelle extension.
   L'obligation de compensation visée à l'alinéa 2, est réputée satisfaite dans les cas suivants :
   1° l'autorité de planification mène un autre processus de planification en cours qui comprend des modifications au moins égales, en termes de superficie, d'affectations ou d'affectations ultérieures du premier groupe telles que visées à l'alinéa 1er, vers des affectations ou des affectations ultérieures du deuxième groupe telles que visées à l'alinéa 1er ;
   2° l'autorité de planification a effectué, dans les plans d'exécution spatiaux récemment établis, des modifications au moins égales, en termes de superficie, d'affectations ou d'affectations ultérieures du premier groupe telles que visées à l'alinéa 1er, vers des affectations ou des affectations ultérieures du deuxième groupe telles que visées à l'alinéa 1er ;
   3° le relotissement imposé par force de loi impliquant un échange planologique est d'application tel que visé à l'article 2.1.61 et suivants du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale.
   L'obligation de compensation planologique s'applique mutatis mutandis à la partie identifiable d'un arrêté relatif au projet qui compte comme plan d'exécution spatial.
   § 2. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à l'obligation de compensation planologique visée au paragraphe 1er, notamment relatives à l'application des alinéas 4 et 5 du paragraphe 1er, et à la compensation en dehors du territoire de l'autorité de planification.]1

  
Afdeling 2. [1 - Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen]1
Section 2. [1 - Plans d'exécution spatiaux régionaux]1
Art. 2.2.7. [1 § 1. De Vlaamse Regering is belast met de opmaak van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen voor de samenstelling van het planteam en voor het voeren van het geïntegreerde planningsproces, vermeld in artikel 2.2.1.
   Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het [2 Beleidsplan Ruimte Vlaanderen]2.
   § 2. De Vlaamse Regering[3 keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en]3 vraagt advies over de startnota aan :
   1° de strategische adviesraad en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;
   2° de deputaties van de betrokken provincies;
   3° de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten;
   4° de door de Vlaamse Regering aangewezen diensten;
   5° als het plan grenst aan een ander gewest of land of aanzienlijke effecten kan hebben op mens of milieu in een ander gewest of land, wordt het advies van het gewest of het land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of aanzienlijke effecten kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de startnota te bezorgen, wordt ook advies gevraagd.
   Het advies wordt uitgebracht binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   De Vlaamse Regering informeert de bevolking van de betrokken gemeenten uiterlijk de eerste dag van de termijn van zestig dagen over de inhoud van de startnota, raadpleegt de bevolking over de startnota gedurende dezelfde termijn, organiseert hierover ten minste één participatiemoment en maakt daarvan een verslag.
   De reacties worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van de inspraak aan de Vlaamse Regering bezorgd. De wijze waarop reacties bezorgd kunnen worden, alsook de uiterste datum worden uitdrukkelijk vermeld in de informatie over de startnota.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor deze adviesvraag en inspraak.]1

  
Art. 2.2.7. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand est chargé de l'établissement des plans d'exécution spatiaux régionaux et prend les mesures nécessaires à la composition de l'équipe de planification et à la conduite du processus intégré de planification visé à l'article 2.2.1.
   Les plans d'exécution spatiaux régionaux sont établis en exécution du [2 Plan de politique spatiale pour la Flandre]2.
   § 2. Le Gouvernement flamand [3 approuve la note de lancement et la note de processus sur la base des informations connues à ce moment, et]3 sollicite l'avis des instances suivantes au sujet de la note de lancement :
   1° le conseil consultatif stratégique et le Conseil flamand de l'Environnement et de la Nature ;
   2° les députations des provinces concernées ;
   3° les collèges des bourgmestre et échevins des communes concernées ;
   4° les services désignés par le Gouvernement flamand ;
   5° si le plan jouxte une autre région ou un autre pays ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'homme ou l'environnement dans une autre région ou un autre pays, l'avis de la région ou du pays en question est demandé. Si le plan jouxte des zones relevant de la compétence fédérale ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur ces zones, l'avis de l'autorité fédérale est demandé. Si un pays, une région, l'autorité fédérale, une commune ou une province demande de transmettre la note de lancement, l'avis est également demandé.
   L'avis est rendu dans le délai de soixante jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
   Le Gouvernement flamand informe la population des communes concernées du contenu de la note de lancement au plus tard le premier jour du délai de soixante jours, consulte la population à propos de la note de lancement durant le même délai, organise à ce sujet au moins une séance participative et en dresse un compte rendu.
   Les réactions doivent être transmises au Gouvernement flamand au plus tard le dernier jour du délai de participation. Le mode de transmission des réactions ainsi que la date limite sont expressément mentionnés dans l'information sur la note de lancement.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de cette demande d'avis et de participation.]1

  
Art. 2.2.8. [1 De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen voor de opmaak van de scopingnota.]1
  
Art. 2.2.8. [1 Le Gouvernement flamand prend les mesures nécessaires à l'établissement de la note de cadrage.]1
  
Afdeling 3.
Division 3.
Art. 2.2.9. [1 De Vlaamse Regering stuurt het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar de deputatie van de betrokken provincies, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de door de Vlaamse Regering aangewezen adviserende diensten. Als het plan grenst aan een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van het desbetreffende gewest of land gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd.
   De Vlaamse Regering kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als de Vlaamse Regering een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de eenentwintigste dag na het versturen van het voorontwerp door de Vlaamse Regering.
   Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengen de deputaties en de colleges van burgemeester en schepenen en, in voorkomend geval, een ander land, de federale overheid of een gewest, [2 advies]2 uit, en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun [2 opmerkingen]2 mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering.
   Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan de Vlaamse Regering.
   Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht binnen een termijn van eenentwintig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   De Vlaamse Regering kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen.]1

  
Art. 2.2.9. [1 Le Gouvernement flamand transmet l'avant-projet de plan d'exécution spatial régional et, le cas échéant, les projets de rapport d'incidences du plan sur l'environnement, de rapport de sécurité spatiale et d'autres rapports d'évaluation des incidences obligatoirement prescrits ou établis pour avis à la députation permanente des provinces concernées, aux collèges des bourgmestre et échevins des communes concernées et aux services consultatifs désignés par le Gouvernement flamand. Si le plan jouxte une autre région ou un autre pays ou est susceptible d'avoir des incidences transfrontalières notables sur l'homme ou l'environnement, ainsi qu'il ressort de la note de lancement, de la note de cadrage ou des projets de rapport, l'avis de la région ou du pays en question est demandé. Si le plan jouxte des zones relevant de la compétence fédérale ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur ces zones, l'avis de l'autorité fédérale est demandé. Si un pays, une région, l'autorité fédérale, une commune ou une province demande de transmettre la note de cadrage ou les projets de rapport ou a déjà rendu un avis sur la note de lancement, un avis est également demandé.
   Le Gouvernement flamand peut décider de tenir ou non une ou plusieurs séances plénières. Si le Gouvernement flamand organise une séance plénière avec les instances visées à l'alinéa 1er, celle-ci se tient au plus tôt le vingt et unième jour suivant l'envoi de l'avant-projet par le Gouvernement flamand.
   Les députations et les collèges des bourgmestre et échevins et, le cas échéant, un autre pays, l'autorité fédérale ou une autre région rendent un [2 avis]2 et les services consultatifs visés à l'alinéa 1er communiquent leurs [2 observations]2 au plus tard durant la séance plénière. Les représentants de ces instances doivent être mandatés pour prendre position durant la séance.
   Un compte rendu de la séance plénière est rédigé. Ce compte rendu est transmis dans les quinze jours aux instances qui devaient y être présentes. Les éventuelles réactions au compte rendu peuvent être introduites par les instances qui étaient effectivement présentes à la séance plénière et doivent être transmises au Gouvernement flamand dans la quinzaine de la réception du compte rendu.
   S'il n'est pas organisé de séance plénière, un avis écrit est rendu dans le délai de vingt et un jours prenant cours le lendemain de la réception de l'avant-projet de plan d'exécution spatial régional. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
   Le Gouvernement flamand peut décider à tout moment d'organiser encore une séance plénière, même après la réception des avis écrits.]1

  
Art. 2.2.10. [1 § 1. De Vlaamse Regering stelt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast.
   § 2. De Vlaamse Regering onderwerpt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan samen met het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. Die termijn is een termijn van orde.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.
   De Vlaamse Regering stuurt een individuele kennisgeving met een beveiligde zending naar de eigenaar, de blote eigenaar, de erfpachthouder, de opstalhouder of de leasinggever van de betrokken beschermde onroerende goederen als in het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erkennings-, rangschikkings- of beschermingsbesluit inzake onroerend erfgoed geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd of opgeheven. Die personen brengen [5 de gebruikers van het onroerend goed en de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen]5 met een beveiligde zending op de hoogte van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Ze brengen het departement met een beveiligde zending op de hoogte van de eventuele verkoop of overdracht van het eigendomsrecht of van de overdracht van een ander zakelijk recht, met de bijbehorende stavingsdocumenten, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de kennisgeving van de Vlaamse Regering vermeld. De nieuwe eigenaars of de nieuwe houders van het zakelijk recht worden op hun beurt door de Vlaamse Regering met een beveiligde zending van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op de hoogte gebracht.
   § 3. Na de aankondiging worden het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten gedurende zestig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente waarvan het grondgebied door het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of effectbeoordelingsrapporten geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, en worden de ontwerpen gepubliceerd op de website, zoals gespecificeerd door de Vlaamse Regering.
   Het openbaar onderzoek start uiterlijk op de dertigste dag nadat de aankondiging ervan in het Belgisch Staatsblad verschenen is. Die termijn is een termijn van orde.
   § 4. Adviezen, opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek schriftelijk of digitaal aan de Vlaamse Regering bezorgd.
   De adviezen, opmerkingen en bezwaren kunnen uiterlijk de laatste dag van die termijn in het gemeentehuis van elke gemeente, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De gemeente bezorgt in dat geval [3 binnen tien dagen]3 na het openbaar onderzoek de adviezen, opmerkingen en bezwaren aan de Vlaamse Regering. Met adviezen, opmerkingen en bezwaren die te laat aan de Vlaamse Regering worden bezorgd, hoeft geen rekening te worden gehouden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de ontvangst en het bijhouden van de adviezen, opmerkingen en bezwaren door de gemeente en voor de wijze waarop ze aan de Vlaamse Regering worden bezorgd.
   De gemeenteraad en de provincieraad van respectievelijk de gemeenten en de provincies waarvan het grondgebied door het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of effectbeoordelingsrapporten geheel of gedeeltelijk wordt bestreken of die grenzen aan gemeenten waarvan het grondgebied door het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, bezorgen hun advies aan de Vlaamse Regering uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek. Als geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   § 5. De Vlaamse Regering stelt binnen honderdtachtig dagen na het einde van het openbaar onderzoek het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vast.
  [6 Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage]6 beoordelen voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan de kwaliteit van het planmilieueffectrapport respectievelijk ruimtelijk veiligheidsrapport. Ze toetsen aan de scopingnota en aan de gegevens die vereist zijn conform [6 artikel 4.4.4 en 4/1.2.3]6 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en ze houden rekening met de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren.
   Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de adviezen, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek geformuleerd zijn.
   De definitieve vaststelling van het plan kan echter geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde plan.
   Op gemotiveerd verzoek van het departement beslist de Vlaamse Regering over een verlenging met zestig dagen van de termijn waarin het plan moet worden vastgesteld.
   § 6. Als het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in paragraaf 5, eerste lid, vervalt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
   Als een advies van de Raad van State nodig is, wordt de termijn geschorst gedurende de volledige duur van de behandeling van de adviesaanvraag door de afdeling Wetgeving van de Raad van State [2 ...]2.
   § 7. De Vlaamse Regering kan, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, het besluit houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk intrekken en hernemen, waarbij het wettigheidsgebrek wordt rechtgezet.
   De bepalingen van paragraaf 5 zijn onverminderd van toepassing, met uitzondering van de vervaltermijn van honderdtachtig dagen.]1

  [4 § 8. Het besluit tot definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan worden bestreden met een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig en met inachtneming van de regels, vermeld in hoofdstuk VIII van titel IV, en de regels die inzake de geschillenbe-slechting voor dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.]4
  
Art. 2.2.10. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand adopte provisoirement le projet de plan d'exécution spatial régional.
   § 2. Le Gouvernement flamand soumet le projet de plan d'exécution spatial régional conjointement avec le projet des rapports d'évaluation des incidences à une enquête publique devant être annoncée au moins par un avis publié au Moniteur belge dans les trente jours de l'adoption provisoire visée au § 1er. Ce délai est un délai d'ordre.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités de l'enquête publique.
   Le Gouvernement flamand envoie une notification individuelle par envoi sécurisé au propriétaire, au nu-propriétaire, à l'emphytéote, au superficiaire ou au donneur en leasing des biens immeubles protégés concernés si un arrêté d'agrément, de classement ou de protection de patrimoine immobilier est totalement ou partiellement modifié ou abrogé dans le projet de plan d'exécution spatial régional. Ces personnes informent [5 les utilisateurs du bien immobilier et les titulaires de droits réels des biens culturels ]5 par envoi sécurisé du projet de plan d'exécution spatial régional dans le délai de trente jours prenant cours le lendemain de la notification. Elles informent le département par envoi sécurisé de la vente ou du transfert éventuel(le) du droit de propriété ou du transfert d'un autre droit réel, documents probants à l'appui, dans le délai de dix jours prenant cours le lendemain de la notification. Cette obligation est mentionnée dans la notification du Gouvernement flamand. Les nouveaux propriétaires ou les nouveaux détenteurs du droit réel sont, à leur tour, informés par le Gouvernement flamand par envoi sécurisé du projet de plan d'exécution spatial régional.
   § 3. Après l'annonce, le projet de plan d'exécution spatial régional et le projet des rapports d'évaluation des incidences sont ouverts à la consultation durant soixante jours à la maison communale de chaque commune dont le territoire est entièrement ou partiellement visé par le projet de plan d'exécution spatial régional ou le projet des rapports d'évaluation des incidences et les projets sont publiés sur le site Internet tel que prévu par le Gouvernement flamand.
   L'enquête publique démarre au plus tard le trentième jour suivant la parution de son annonce au Moniteur belge. Ce délai est un délai d'ordre.
   § 4. Les avis, observations et objections sont transmis par voie écrite ou numérique au Gouvernement flamand au plus tard le dernier jour du délai de l'enquête publique.
   Les avis, observations et objections peuvent être déposés contre récépissé, au plus tard le dernier jour de ce délai, à la maison communale de chaque commune visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Le cas échéant, la commune transmettra les avis, observations et objections au Gouvernement flamand [3 dans les dix jours]3 suivant l'enquête publique. Les avis, observations et objections transmis tardivement au Gouvernement flamand ne doivent pas être pris en compte. Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités de réception et de conservation des avis, observations et objections par la commune et les modalités de leur transmission au Gouvernement flamand.
   Le conseil communal et le conseil provincial des communes et des provinces dont le territoire est entièrement ou partiellement visé par le projet de plan d'exécution spatial régional ou le projet des rapports d'évaluation des incidences ou qui jouxtent des communes dont le territoire est entièrement ou partiellement visé par le projet de plan d'exécution spatial régional transmettent leur avis au Gouvernement flamand au plus tard le dernier jour de l'enquête publique. Si aucun avis n'est rendu dans ce délai, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
   § 5. Le Gouvernement flamand adopte définitivement le plan d'exécution spatial régional dans les cent quatre-vingts jours suivant la clôture de l'enquête publique.
   Préalablement à l'adoption définitive du plan d'exécution spatial, [6 le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité]6 évaluent la qualité du rapport d'incidences du plan sur l'environnement ou du rapport de sécurité spatiale. Ils l'examinent au regard de la note de cadrage et des données requises conformément [6 aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3]6 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement en tenant compte des avis, observations et objections formulés durant l'enquête publique.
   Lors de l'adoption définitive du plan, seules des modifications basées sur les avis, observations et objections formulés durant l'enquête publique ou en résultant peuvent être apportées par rapport au plan adopté provisoirement.
   L'adoption définitive du plan ne peut toutefois pas avoir trait à des parties du territoire non reprises dans le plan adopté provisoirement.
   A la demande motivée du département, le Gouvernement flamand statue sur la prolongation de soixante jours du délai dans lequel le plan doit être adopté.
   § 6. Si le plan d'exécution spatial régional n'est pas définitivement adopté dans le délai visé au paragraphe 5, alinéa 1er, le projet de plan d'exécution spatial régional devient caduc.
   Si un avis du Conseil d'Etat est nécessaire, ce délai est suspendu pendant toute la durée du traitement de la demande d'avis par la section de législation du Conseil d'Etat[2 ...]2.
   § 7. Le Gouvernement flamand peut, en vue de la réparation d'une irrégularité, retirer et reprendre entièrement ou partiellement l'arrêté d'adoption définitive du plan d'exécution spatial régional, auquel cas le vice de légalité est rectifié.
   Les dispositions du paragraphe 5 s'appliquent intégralement, à l'exception de l'échéance de cent quatre-vingts jours.]1

  [4 § 8. L'arrêté portant la fixation définitive du plan régional d'exécution spatiale peut être contesté par le biais d'un recours devant le Conseil du Contentieux des Permis, conformément aux et dans le respect des règles, visées au chapitre VIII du titre IV, et des règles en matière de règlement des différends devant cette juridiction, fixées par ou en vertu du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes.]4
  
Art. 2.2.11. [1 Het besluit houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt door de Vlaamse Regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen zestig dagen na de definitieve vaststelling en wordt binnen dezelfde termijn volledig bekendgemaakt op de website, vermeld in het Belgisch Staatsblad.
   Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
   De Vlaamse Regering stuurt een afschrift van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar de provincies in kwestie en naar elke gemeente waarvan het grondgebied door het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, waar die documenten kunnen worden ingezien. [2 De Vlaamse Regering stuurt een afschrift van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, voor zover in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erfgoedlandschap afgebakend of gewijzigd wordt.]2
   Als in het definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erkennings-, rangschikkings- of beschermingsbesluit geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd of opgeheven, wordt het definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met een beveiligde zending ter kennis gebracht van de eigenaar, de blote eigenaar, de erfpachthouders, de opstalhouder en de leasinggever van de betrokken beschermde onroerende goederen. Die personen brengen de gebruikers op de hoogte van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Ze brengen de administratie met een beveiligde zending op de hoogte van de eventuele verkoop, de overdracht van het eigendomsrecht of de overdracht van een ander zakelijk recht, met de bijbehorende stavingsdocumenten, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de kennisgeving van de Vlaamse Regering vermeld. De nieuwe eigenaars worden op hun beurt door de Vlaamse Regering met een beveiligde zending van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op de hoogte gebracht.]1

  
Art. 2.2.11. [1 L'arrêté d'adoption définitive du plan d'exécution spatial régional est publié par extrait au Moniteur belge par le Gouvernement flamand dans les soixante jours suivant l'adoption définitive et est publié intégralement dans le même délai sur le site Internet mentionné au Moniteur belge.
   Le plan d'exécution spatial régional entre en vigueur quinze jours après la publication au Moniteur belge.
   Le Gouvernement flamand envoie une copie du plan d'exécution spatial régional et de l'arrêté d'adoption aux provinces en question et à chaque commune dont le territoire est entièrement ou partiellement visé par le plan d'exécution spatial régional, où ces documents peuvent être consultés. [2 Le Gouvernement flamand envoie une copie du plan d'exécution spatial régional et de l'arrêté d'adoption à l'agence compétente dans le domaine politique de l'environnement et de l'aménagement du territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, pour autant qu'un paysage patrimonial soit délimité ou modifié dans le plan d'exécution spatial régional.]2
   Si un arrêté d'agrément, de classement ou de protection est totalement ou partiellement modifié ou abrogé dans le plan d'exécution spatial régional définitivement adopté, le plan d'exécution spatial régional définitivement adopté est notifié par envoi sécurisé au propriétaire, au nu-propriétaire, aux emphytéotes, au superficiaire et au donneur en leasing des biens immobiliers protégés concernés. Ces personnes informent les usagers du plan d'exécution spatial régional dans le délai de trente jours prenant cours le lendemain de la notification. Elles informent l'administration par envoi sécurisé de la vente éventuelle, du transfert du droit de propriété ou du transfert d'un autre droit réel, documents probants à l'appui, dans le délai de dix jours prenant cours le lendemain de la notification. Cette obligation est mentionnée dans la notification du Gouvernement flamand. Les nouveaux propriétaires sont, à leur tour, informés par le Gouvernement flamand par envoi sécurisé du plan d'exécution spatial régional.]1

  
Afdeling 3. [1 - Provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen]1
Section 3. [1 - Plans d'exécution spatiaux provinciaux]1
Art. 2.2.12. [1 § 1. De deputatie is belast met de opmaak van provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen voor de samenstelling van het planteam en voor het voeren van het geïntegreerde planningsproces, vermeld in artikel 2.2.1.
   De provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van [2 het provinciaal beleidsplan ruimte of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen]2.
   De voorschriften van de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de Vlaamse Regering daarvoor haar toestemming verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt.
   De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven.
   § 2. De deputatie[4 keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en]4 vraagt advies over de startnota aan :
   1° het departement;
   2° de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening;
   3° de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten;
   4° de door de Vlaamse Regering aangewezen diensten;
   5° als het plan grenst aan een andere provincie, ander gewest of land of aanzienlijke effecten kan hebben op mens of milieu in een andere provincie, ander gewest of land, wordt het advies van de betrokken provincie, het gewest of het land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of aanzienlijke effecten kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de startnota te bezorgen, wordt ook het advies gevraagd.
   Het advies wordt uitgebracht binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   De deputatie informeert de bevolking van de betrokken gemeenten uiterlijk de eerste dag van de termijn van zestig dagen over de inhoud van de startnota, raadpleegt de bevolking over de startnota gedurende dezelfde termijn, organiseert hierover ten minste één participatiemoment en maakt daarvan een verslag.
   De reacties worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van de inspraak aan de deputatie bezorgd. De wijze waarop reacties bezorgd kunnen worden, alsook de uiterste datum worden uitdrukkelijk vermeld in de informatie over de startnota. De deputatie bezorgt de startnota, de adviezen, de reacties en het verslag van het participatiemoment aan [5 het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage]5 binnen een termijn van [3 tien dagen]3 na het afsluiten van de termijn.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor deze adviesvraag en inspraak.]1

  
Art. 2.2.12. [1 § 1er. La députation est chargée de l'établissement des plans d'exécution spatiaux provinciaux et prend les mesures nécessaires à la composition de l'équipe de planification et à la conduite du processus intégré de planification visé à l'article 2.2.1.
   Les plans d'exécution spatiaux provinciaux sont établis en exécution du [2 du plan de politique spatiale provincial ou du Plan de politique spatiale pour la Flandre]2.
   Les prescriptions des plans d'exécution spatiaux provinciaux ne peuvent pas déroger aux prescriptions des plans d'exécution spatiaux régionaux, sauf consentement du Gouvernement flamand. Dans ce cas, les prescriptions du plan d'exécution spatial provincial remplacent, pour le territoire auquel elles ont trait, les prescriptions du plan d'exécution spatial régional, sauf stipulation contraire expresse du plan d'exécution spatial provincial.
   Le consentement visé à l'alinéa 3 est accordé par écrit, au plus tard lors ou à la suite de la séance plénière ou de la demande d'avis au sujet de l'avant-projet de plan qui nécessite le consentement. L'arrêté accordant le consentement comprend une description du sujet à planifier et de la zone à laquelle le plan ou la partie de plan a trait et mentionne les prescriptions du plan d'exécution spatial régional qui seront abrogées.
   § 2. La députation[4 approuve la note de lancement et la note de processus sur la base des informations connues à ce moment, et ]4 sollicite l'avis des instances suivantes au sujet de la note de lancement :
   1° le département ;
   2° la commission provinciale pour l'aménagement du territoire ;
   3° les collèges des bourgmestre et échevins des communes concernées ;
   4° les services désignés par le Gouvernement flamand ;
   5° si le plan jouxte une autre province, une autre région ou un autre pays ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'homme ou l'environnement dans une autre province, une autre région ou un autre pays, l'avis de la province, de la région ou du pays en question est demandé. Si le plan jouxte des zones relevant de la compétence fédérale ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur ces zones, l'avis de l'autorité fédérale est demandé. Si un pays, une région, l'autorité fédérale, une commune ou une province demande de transmettre la note de lancement, l'avis est également demandé.
   L'avis est rendu dans le délai de soixante jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
   La députation informe la population des communes concernées du contenu de la note de lancement au plus tard le premier jour du délai de soixante jours, consulte la population à propos de la note de lancement durant le même délai, organise à ce sujet au moins une séance participative et en dresse un compte rendu.
   Les réactions doivent être transmises à la députation au plus tard le dernier jour du délai de participation. Le mode de transmission des réactions ainsi que la date limite sont expressément mentionnés dans l'information sur la note de lancement. La députation transmet la note de lancement, les avis, les réactions et le compte rendu de la séance participative [5 au centre d'expertise flamand e.i.e et au service compétent pour le rapport de sécurité]5 et le rapport de sécurité dans le délai de [3 dix jours]3 suivant la clôture du délai.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de cette demande d'avis et de participation.]1

  
Afdeling 4.
Division 4.
Art. 2.2.13. [1 De deputatie neemt de nodige maatregelen voor de opmaak van de scopingnota.]1
  
Art. 2.2.13. [1 La députation prend les mesures nécessaires à l'établissement de la note de cadrage.]1
  
Art. 2.2.14. [1 De deputatie stuurt het voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar het departement, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de adviserende diensten. De Vlaamse Regering kan bepalen aan welke adviserende diensten het voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan minstens moet worden voorgelegd. Als het plan grenst aan een andere provincie, een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van de betrokken provincie, het gewest of land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd.
   Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd.
   [2 [3 Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement advies uit over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.16, § 3, eerste lid, 1° en 2°.]3]2
   Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement schriftelijk advies uit over de verenigbaarheid met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of, in voorkomend geval, over de overeenstemming met een ontwerp van Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en een of meer ontwerpen van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
   Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengen de colleges van burgemeester en schepenen en, in voorkomend geval, een ander land, de federale overheid of een gewest [2 advies]2 uit en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun [2 opmerkingen]2 mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering.
   Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan de deputatie.
   Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht door de instanties, vermeld in het eerste lid, en door het departement binnen een termijn van eenentwintig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   De deputatie kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen.]1

  
Art. 2.2.14. [1 La députation transmet l'avant-projet de plan d'exécution spatial provincial et, le cas échéant, les projets de rapport d'incidences du plan sur l'environnement, de rapport de sécurité spatiale et d'autres rapports d'évaluation des incidences obligatoirement prescrits ou établis pour avis au département, aux collèges des bourgmestre et échevins des communes concernées et aux services consultatifs. Le Gouvernement flamand peut déterminer à quels services consultatifs l'avant-projet de plan d'exécution spatial provincial doit au moins être soumis. Si le plan jouxte une autre province, une autre région ou un autre pays ou est susceptible d'avoir des incidences transfrontalières notables sur l'homme ou l'environnement, ainsi qu'il ressort de la note de lancement, de la note de cadrage ou des projets de rapport, l'avis de la province, de la région ou du pays en question est demandé. Si le plan jouxte des zones relevant de la compétence fédérale ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur ces zones, l'avis de l'autorité fédérale est demandé.
  Si un pays, une région, l'autorité fédérale, une commune ou une province demande de transmettre la note de cadrage ou les projets de rapport ou a déjà rendu un avis sur la note de lancement, un avis est également demandé.
  [2 [3 Au plus tard lors de la session plénière, le département rend un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visés à l'article 2.2.16, § 3, alinéa 1er, 1° et 2°.]3]2
   Le département rend, au plus tard lors de la séance plénière, un [2 avis]2 sur la compatibilité avec le Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre et les plans d'exécution spatiaux régionaux ou, le cas échéant, sur la conformité avec un projet de Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre et un projet ou plusieurs projets de plan d'exécution spatial régional.
   Les collèges des bourgmestre et échevins et, le cas échéant, un autre pays, l'autorité fédérale ou une autre région rendent [2 avis]2 et les services consultatifs visés à l'alinéa 1er communiquent leurs [2 observations]2 au plus tard durant la séance plénière. Les représentants de ces instances doivent être mandatés pour prendre position durant la séance.
   Un compte rendu de la séance plénière est rédigé. Ce compte rendu est transmis dans les quinze jours aux instances qui devaient y être présentes. Les éventuelles réactions au compte rendu peuvent être introduites par les instances qui étaient effectivement présentes à la séance plénière et doivent être transmises à la députation dans la quinzaine de la réception du compte rendu.
   S'il n'est pas organisé de séance plénière, un avis écrit est rendu par les instances visées à l'alinéa 1er et par le département dans le délai de vingt et un jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
   La députation peut décider à tout moment d'organiser encore une séance plénière, même après la réception des avis écrits.]1

  
Art. 2.2.15. [1 § 1. De provincieraad stelt het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast.
   Na de voorlopige vaststelling wordt het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan onmiddellijk naar de Vlaamse Regering gestuurd.
   § 2. De deputatie onderwerpt het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan samen met het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. Die termijn is een termijn van orde.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.
   § 3. Na de aankondiging worden het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten gedurende zestig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente waarvan het grondgebied door het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of effectbeoordelingsrapporten geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, en worden de ontwerpen gepubliceerd op de website, zoals gespecificeerd door de deputatie.
   Het openbaar onderzoek start uiterlijk op de dertigste dag nadat de aankondiging ervan in het Belgisch Staatsblad verschenen is. Die termijn is een termijn van orde.
   § 4. De opmerkingen en de bezwaren worden uiterlijk op de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek schriftelijk of digitaal aan de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening bezorgd.
   De opmerkingen en de bezwaren kunnen ook uiterlijk de laatste dag van die termijn in het gemeentehuis van elke gemeente, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De gemeente bezorgt in dat geval [3 binnen tien dagen]3 na het openbaar onderzoek de bezwaren en de opmerkingen aan de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening. Met de opmerkingen en de bezwaren die te laat aan de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening worden bezorgd, hoeft geen rekening te worden gehouden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de ontvangst en het bijhouden van bezwaren en opmerkingen door de gemeente en voor de wijze waarop ze aan de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening worden bezorgd.
   De gemeenteraad en de deputatie van respectievelijk de gemeenten en de provincies waarvan het grondgebied door het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of effectbeoordelingsrapporten geheel of gedeeltelijk wordt bestreken of die grenzen aan gemeenten waarvan het grondgebied door het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, bezorgen hun advies aan de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   [2 [3 Het departement bezorgt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, een advies over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.16, § 3, eerste lid, 1° en 2°.]3]2
   § 5. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en brengt binnen negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de provincieraad. Dat advies bevat het integrale advies van het departement. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening de deputatie de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren.
   Op gemotiveerd verzoek van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening beslist de deputatie over de verlenging met dertig dagen van de termijn, vermeld in het eerste lid. Het verzoek tot verlenging moet worden ingediend uiterlijk de dertigste dag na het beëindigen van het openbaar onderzoek. Bij het uitblijven van een beslissing door de deputatie binnen een termijn van dertig dagen na het indienen van het verzoek wordt de verlenging geacht te zijn toegekend.
   Als de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening geen advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. In dat geval bezorgt ze onmiddellijk de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren aan de provincieraad.
   § 6. De provincieraad stelt binnen honderdtachtig dagen na het einde van het openbaar onderzoek, tweehonderdentien dagen in geval van verlenging van de termijn, vermeld in paragraaf 5, eerste lid, het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vast.
  [5 Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage]5 beoordelen voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan de kwaliteit van het planmilieueffectrapport respectievelijk ruimtelijk veiligheidsrapport. Ze toetsen aan de scopingnota en aan de gegevens die vereist zijn conform [5 artikel 4.4.4 en 4/1.2.3]5 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en ze houden rekening met de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren.
   Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen, of uit de adviezen, uitgebracht door de aangewezen diensten en overheden, door een ander land, gewest of door de federale overheid, of uit het advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening.
   De definitieve vaststelling van het plan kan echter geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde plan.
   Op gemotiveerd verzoek van de deputatie beslist de provincieraad over een verlenging met zestig dagen van de termijn waarin het plan moet worden vastgesteld.
   § 7. Als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in paragraaf 6, eerste lid, vervalt het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan.
   § 8. De provincieraad kan, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, het besluit houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk intrekken en hernemen, waarbij het wettigheidsgebrek wordt rechtgezet.
   De bepalingen van paragraaf 6 zijn onverminderd van toepassing, met uitzondering van de vervaltermijn van honderdtachtig dagen.]1

  [4 § 9. Het besluit tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan kan worden bestreden met een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig en met inachtneming van de regels, vermeld in hoofdstuk VIII van titel IV, en de regels die inzake de geschillenbeslechting voor dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges]4
  
Art. 2.2.15. [1 § 1er. Le conseil provincial adopte provisoirement le projet de plan d'exécution spatial provincial.
   Après l'adoption provisoire, le projet de plan d'exécution spatial provincial est immédiatement envoyé au Gouvernement flamand.
   § 2. La députation soumet le projet de plan d'exécution spatial provincial conjointement avec le projet des rapports d'évaluation des incidences à une enquête publique devant être annoncée au moins par un avis publié au Moniteur belge dans les trente jours de l'adoption provisoire visée au § 1er. Ce délai est un délai d'ordre.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités de l'enquête publique.
   § 3. Après l'annonce, le projet de plan d'exécution spatial provincial et le projet des rapports d'évaluation des incidences sont ouverts à la consultation durant soixante jours à la maison communale de chaque commune dont le territoire est entièrement ou partiellement visé par le projet de plan d'exécution spatial provincial ou le projet des rapports d'évaluation des incidences et les projets sont publiés sur le site Internet tel que prévu par la députation.
   L'enquête publique démarre au plus tard le trentième jour suivant la parution de son annonce au Moniteur belge. Ce délai est un délai d'ordre.
   § 4. Les observations et objections sont transmises par voie écrite ou numérique à la commission provinciale pour l'aménagement du territoire au plus tard le dernier jour du délai de l'enquête publique.
   Les observations et objections peuvent également être déposées contre récépissé, au plus tard le dernier jour de ce délai, à la maison communale de chaque commune visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Le cas échéant, la commune transmettra les objections et observations à la commission provinciale pour l'aménagement du territoire [3 dans les dix jours]3 suivant l'enquête publique. Les observations et objections transmises tardivement à la commission provinciale pour l'aménagement du territoire ne doivent pas être prises en compte. Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités de réception et de conservation des objections et observations par la commune et les modalités de leur transmission à la commission provinciale pour l'aménagement du territoire.
   Le conseil communal et la députation des communes et des provinces dont le territoire est entièrement ou partiellement visé par le projet de plan d'exécution spatial provincial ou le projet des rapports d'évaluation des incidences ou qui jouxtent des communes dont le territoire est entièrement ou partiellement visé par le projet de plan d'exécution spatial provincial transmettent leur avis à la commission provinciale pour l'aménagement du territoire dans le délai visé au paragraphe 3. Si aucun avis n'est rendu dans ce délai, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
   [2 [3 Le département transmet à la commission provinciale pour l'aménagement du territoire, dans le délai visé au paragraphe 3, un avis un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visés à l'article 2.2.16, § 3, alinéa 1er, 1° et 2°.]3]2
   § 5. La commission provinciale pour l'aménagement du territoire regroupe et coordonne tous les avis, observations et objections et rend un avis motivé auprès du conseil provincial dans les nonante jours suivant la clôture de l'enquête publique. Cet avis reprend l'avis intégral du département. La commission provinciale pour l'aménagement du territoire transmet au même moment les avis, observations et objections regroupés à la députation permanente.
   A la demande motivée de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire, la députation statue sur la prolongation de trente jours du délai visé à l'alinéa 1er. La demande de prolongation doit être introduite au plus tard le trentième jour suivant la clôture de l'enquête publique. A défaut de décision de la députation dans le délai de trente jours suivant l'introduction de la demande, la prolongation est réputée accordée.
   Si la commission provinciale pour l'aménagement du territoire n'a pas rendu d'avis dans le délai fixé, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée. Dans ce cas, elle transmet immédiatement les avis, observations et objections regroupés au conseil provincial.
   § 6. Le conseil provincial adopte définitivement le plan d'exécution spatial provincial dans les cent quatre-vingts jours suivant la clôture de l'enquête publique ou dans les deux cent dix jours en cas de prolongation du délai visé au paragraphe 5.
   Préalablement à l'adoption définitive du plan d'exécution spatial, [5 le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité]5 évaluent la qualité du rapport d'incidences du plan sur l'environnement ou du rapport de sécurité spatiale. Ils l'examinent au regard de la note de cadrage et des données requises conformément [5 aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3]5 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement en tenant compte des avis, observations et objections formulés durant l'enquête publique.
   Lors de l'adoption définitive du plan, seules des modifications qui sont basées sur les objections et observations formulées durant l'enquête publique ou sur les avis rendus par les services et autorités désignés, par un autre pays, une autre région ou par l'autorité fédérale ou sur l'avis de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire ou qui en résultent peuvent être apportées par rapport au plan adopté provisoirement.
   L'adoption définitive du plan ne peut toutefois pas avoir trait à des parties du territoire non reprises dans le plan adopté provisoirement.
   A la demande motivée de la députation, le conseil provincial statue sur la prolongation de soixante jours du délai dans lequel le plan doit être adopté.
   § 7. Si le plan d'exécution spatial provincial n'est pas définitivement adopté dans le délai visé au paragraphe 6, alinéa 1er, le projet de plan d'exécution spatial provincial devient caduc.
   § 8. Le conseil provincial peut, en vue de la réparation d'une irrégularité, retirer et reprendre entièrement ou partiellement l'arrêté d'adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial, auquel cas le vice de légalité est rectifié.
   Les dispositions du paragraphe 6 s'appliquent intégralement, à l'exception de l'échéance de cent quatre-vingts jours.]1

  [4 9. L'arrêté portant la fixation définitive du plan provincial d'exécution spatiale peut être contesté par le biais d'un recours devant le Conseil du Contentieux des Permis, conformément aux et dans le respect des règles, visées au chapitre VIII du titre IV, et des règles en matière de règlement des différends devant cette juridiction, fixées par ou en vertu du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes.]4
  
Art. 2.2.16. [1 § 1. Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het besluit van de provincieraad en het volledige advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan [2 het departement[3 , via een afzonderlijke actie in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, § 2]3]2.
   § 2. [2 De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1 of in paragraaf 4, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen of te vernietigen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Een afschrift van de beslissing tot schorsing of vernietiging wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie.]2
   § 3. Het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden [2 geschorst of vernietigd]2 :
   1° [2 als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een optie uit het provinciaal beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering voorbehoud heeft gemaakt conform artikel 2.1.8, § 2, derde lid;]2
  [2 1°/1 als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een beleidskader van het provinciaal beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.5, § 2, tweede lid;
   1°/2 als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen;]2

   2° als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of, in voorkomend geval, met een ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij de Vlaamse Regering daarmee haar instemming heeft verleend met toepassing van artikel 2.2.12, § 1, derde en vierde lid;
   3° als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening of met de bindende delen van door de Vlaamse Regering vastgestelde beleidsplannen binnen andere beleidsdomeinen;
   4° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.
  [3 5° wegens strijdigheid met de bepalingen inzake compensatie als vermeld in artikel 2.2.6/1.]3
  [2 De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 4.]2
   § 4. In geval van schorsing beschikt de provincieraad over een termijn van [2 negentig dagen]2, die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de deputatie, om het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw definitief vast te stellen. Onverminderd artikel 2.2.15, § 6, derde lid, kunnen bij de definitieve vaststelling van het plan ten opzichte van het geschorste plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
   Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het nieuwe besluit van de provincieraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan [2 het departement[3 , via een afzonderlijke actie in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, Ї 2]3]2.
   Als de provincieraad binnen de termijn van [2 negentig dagen]2, vermeld in het eerste lid, geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan neemt, vervalt het geschorste provincieraadsbesluit en het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan.]1

  
Art. 2.2.16. [1 § 1er. Immédiatement après son adoption définitive, le plan d'exécution spatial provincial est transmis par envoi sécurisé, conjointement avec l'arrêté du conseil provincial et l'avis complet de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire, au [2 département[3 , par une action distincte sur la plateforme numérique visée à l'article 2.2.1, § 2]3]2.
   § 2. [2 Le Gouvernement flamand dispose d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée au paragraphe 1er ou au paragraphe 4, alinéa 2, pour suspendre ou annuler l'exécution de l'arrêté du conseil provincial portant adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial. Une suspension ne peut pas être partielle. Une copie de la décision de suspension ou d'abrogation est transmise à la députation dans un délai de forclusion de dix jours par envoi sécurisé.]2
   § 3. L'arrêté du conseil provincial d'adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial ne peut être [2 suspendu ou abrogé]2 :
   1° [2 si le plan d'exécution spatial provincial donne exécution à une option du plan de politique spatiale provincial sur laquelle le Gouvernement flamand a émis des réserves conformément à l'article 2.1.8, § 2, troisième alinéa]2;
  [2 1°/1 si le plan d'exécution spatial provincial donne exécution à un cadre politique du plan de politique spatiale provincial que le Gouvernement flamand n'a pu valider conformément à l'article 2.1.5, § 2, deuxième alinéa ;
   1°/2 si le plan d'exécution spatial provincial est manifestement incompatible avec un cadre politique ou, le cas échéant, avec un projet de cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre]2

   2° que si le plan d'exécution spatial provincial est contraire à un plan d'exécution spatial régional ou, le cas échéant, à un projet de plan d'exécution spatial régional, sauf si le Gouvernement flamand y a donné son consentement en application de l'article 2.2.12, § 1er, alinéas 3 et 4 ;
   3° que si le plan d'exécution spatial provincial est contraire à des normes d'application directe dans d'autres domaines politiques que l'aménagement du territoire ou aux parties contraignantes des plans stratégiques arrêtés par le Gouvernement flamand dans d'autres domaines politiques ;
   4° qu'en cas de non-respect d'une condition de forme substantielle.
  [3 5° qu'en cas de contrariété aux dispositions relatives à la compensation telles que visées à l'article 2.2.6/1. ]3
  [2 Le Gouvernement flamand ne procède à l'abrogation que s'il estime que l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect, visé au premier alinéa, ne peut être réparé, éliminé ou résolu en suivant la procédure visée au paragraphe 4.]2
   § 4. En cas de suspension, le conseil provincial dispose d'un délai de [2 nonante jours]2 prenant cours le lendemain de l'envoi de l'arrêté de suspension à la députation pour adopter à nouveau définitivement le plan d'exécution spatial. Sans préjudice de l'article 2.2.15, § 6, alinéa 3, seules des modifications basées sur l'arrêté de suspension ou en résultant peuvent être apportées par rapport au plan suspendu.
   Immédiatement après son adoption définitive, le plan d'exécution spatial provincial est transmis par envoi sécurisé, conjointement avec le nouvel arrêté du conseil provincial, au [2 département[3 , par une action distincte sur la plateforme numérique visée à l'article 2.2.1, § 2 ]3]2.
   Si le conseil provincial ne prend pas de nouvel arrêté d'adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial dans le délai de [2 nonante jours]2 visé à l'alinéa 1er, l'arrêté suspendu du conseil provincial et le projet de plan d'exécution spatial provincial deviennent caducs.]1

  
Art. 2.2.17. [1 Als het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan niet tijdig is [2 geschorst of vernietigd]2, wordt de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan binnen [3 negentig dagen]3 na de definitieve vaststelling bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en wordt binnen dezelfde termijn volledig bekendgemaakt op de website, vermeld in het Belgisch Staatsblad.
   Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het plan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
   De deputatie stuurt een afschrift van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, van het advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening en van het vaststellingsbesluit naar elke gemeente waarvan het grondgebied door het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk wordt bestreken, waar die documenten kunnen worden ingezien.]1
[2 De deputatie stuurt een afschrift van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, voor zover in het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan een erfgoedlandschap afgebakend of gewijzigd wordt.]2
  
Art. 2.2.17. [1 Si l'arrêté du conseil provincial d'adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial n'a pas été [2 suspendu ou abrogé]2 à temps, la décision du conseil provincial portant adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial est publiée par extrait au Moniteur belge dans les [3 nonante jours ]3 suivant l'adoption définitive et est publiée intégralement dans le même délai sur le site Internet mentionné au Moniteur belge.
   Le plan d'exécution spatial provincial entre en vigueur quinze jours après la publication par extrait au Moniteur belge de la décision du conseil provincial portant adoption définitive du plan.
   La députation envoie une copie du plan d'exécution spatial provincial, de l'avis de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire et de l'arrêté d'adoption à chaque commune dont le territoire est entièrement ou partiellement visé par le plan d'exécution spatial provincial, où ces documents peuvent être consultés.]1
[2 La députation envoie une copie du plan d'exécution spatial provincial et de l'arrêté d'adoption à l'agence compétente dans le domaine politique de l'environnement et de l'aménagement du territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, pour autant qu'un paysage patrimonial soit délimité ou modifié dans le plan d'exécution spatial régional.]2
  
Afdeling 4. [1 - Gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen]1
Section 4. [1 - Plans d'exécution spatiaux communaux]1
Art. 2.2.18. [1 § 1. Het college van burgemeester en schepenen is belast met de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en neemt de nodige maatregelen voor de samenstelling van het planteam en voor het voeren van het geïntegreerde planningsproces, vermeld in artikel 2.2.1.
   De gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van [2 het gemeentelijk beleidsplan ruimte, het provinciaal beleidsplan ruimte of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen]2.
   De voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de provinciale en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de provincieraad, respectievelijk de Vlaamse Regering instemming daarmee verleent. In dat geval vervangen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt.
   De instemming, vermeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering of de adviesvraag over het voorontwerp van plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven.
   § 2. Het college van burgemeester en schepenen [4 keurt de startnota en de procesnota goed met de informatie die op dat ogenblik bekend is, en]4 vraagt advies over de startnota aan :
   1° het departement;
   2° de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening;
   3° de deputatie van de provincie in kwestie;
   4° de door de Vlaamse Regering aangewezen diensten;
   5° als het plan grenst aan een andere gemeente, andere provincie, ander gewest of land of aanzienlijke effecten kan hebben op mens of milieu in een andere gemeente, een andere provincie, een ander gewest of land, wordt het advies van de betrokken gemeente, de betrokken provincie, het gewest of het land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of aanzienlijke effecten kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een gemeente, een provincie, een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie, verzoekt om de startnota te bezorgen, wordt ook het advies gevraagd.
   Het advies wordt uitgebracht binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   Het college van burgemeester en schepenen informeert de bevolking van de gemeente uiterlijk de eerste dag van die termijn over de inhoud van de startnota, raadpleegt de bevolking over de startnota gedurende dezelfde termijn, organiseert hierover ten minste één participatiemoment en maakt daarvan een verslag.
   De reacties worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van de inspraak aan het college van burgemeester en schepenen bezorgd. De wijze waarop reacties bezorgd kunnen worden, alsook de uiterste datum worden uitdrukkelijk vermeld in de informatie over de startnota. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt de startnota, de adviezen, de reacties en het verslag van het participatiemoment aan [5 het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage]5 binnen een termijn van [3 tien dagen]3 na het afsluiten van de termijn.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor deze adviesvraag en inspraak.]1

  
Art. 2.2.18. [1 § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins est chargé de l'établissement des plans d'exécution spatiaux communaux et prend les mesures nécessaires à la composition de l'équipe de planification et à la conduite du processus intégré de planification visé à l'article 2.2.1.
   Les plans d'exécution spatiaux communaux sont établis en exécution [2 du plan de politique spatiale communal, du plan de politique spatiale provincial ou du Plan de politique spatiale pour la Flandre]2.
   Les prescriptions des plans d'exécution spatiaux communaux ne peuvent pas déroger aux prescriptions des plans d'exécution spatiaux provinciaux et régionaux, sauf consentement du conseil provincial ou du Gouvernement flamand. Dans ce cas, les prescriptions du plan d'exécution spatial communal remplacent, pour le territoire auquel elles ont trait, les prescriptions du plan d'exécution spatial provincial ou régional, sauf stipulation contraire expresse du plan d'exécution spatial communal.
   Le consentement visé à l'alinéa 3 est accordé par écrit, au plus tard lors ou à la suite de la séance plénière ou de la demande d'avis au sujet de l'avant-projet de plan qui nécessite le consentement. L'arrêté accordant le consentement comprend une description du sujet à planifier et de la zone à laquelle le plan ou la partie de plan a trait et mentionne les prescriptions du plan d'exécution spatial provincial ou régional qui seront abrogées.
   § 2. Le collège des bourgmestre et échevins[4 approuve la note de lancement et la note de processus sur la base des informations connues à ce moment, et]4 sollicite l'avis des instances suivantes au sujet de la note de lancement :
   1° le département ;
   2° la commission communale pour l'aménagement du territoire ;
   3° la députation de la province concernée ;
   4° les services désignés par le Gouvernement flamand ;
   5° si le plan jouxte une autre commune, une autre province, une autre région ou un autre pays ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'homme ou l'environnement dans une autre commune, une autre province, une autre région ou un autre pays, l'avis de la commune, de la province, de la région ou du pays en question est demandé. Si le plan jouxte des zones relevant de la compétence fédérale ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur ces zones, l'avis de l'autorité fédérale est demandé. Si un pays, une région, l'autorité fédérale, une commune ou une province demande de transmettre la note de lancement, l'avis est également demandé.
   L'avis est rendu dans le délai de soixante jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
   Le collège des bourgmestre et échevins informe la population de la commune concernée du contenu de la note de lancement au plus tard le premier jour de ce délai, consulte la population à propos de la note de lancement durant le même délai, organise à ce sujet au moins une séance participative et en dresse un compte rendu.
   Les réactions doivent être transmises au collège des bourgmestre et échevins au plus tard le dernier jour du délai de participation. Le mode de transmission des réactions ainsi que la date limite sont expressément mentionnés dans l'information sur la note de lancement. Le collège des bourgmestre et échevins transmet la note de lancement, les avis, les réactions et le compte rendu de la séance participative [5 au centre d'expertise flamand e.i.e et au service compétent pour le rapport de sécurité]5 dans le délai de [3 dix jours]3 suivant la clôture du délai.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de cette demande d'avis et de participation.]1

  
Art. 2.2.19. [1 Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen voor de opmaak van de scopingnota.]1
  
Art. 2.2.19. [1 Le collège des bourgmestre et échevins prend les mesures nécessaires à l'établissement de la note de cadrage.]1
  
Art. 2.2.20. [1 Het college van burgemeester en schepenen stuurt het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en, in voorkomend geval, de ontwerpen van planmilieueffectrapport, ruimtelijk veiligheidsrapport en andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectbeoordelingsrapporten voor advies naar de deputatie, het departement en de andere adviserende diensten. De Vlaamse Regering kan bepalen aan welke adviserende diensten het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan minstens moet worden voorgelegd. Als het plan grenst aan een andere gemeente, een andere provincie, een ander gewest of land of aanzienlijke grensoverschrijdende effecten voor mens of milieu kan hebben, zoals blijkt uit de startnota, de scopingnota of de ontwerprapporten, wordt het advies van de betrokken gemeente, de betrokken provincie, het gewest of land in kwestie gevraagd. Als het plan grenst aan of een aanzienlijk effect kan hebben op gebieden die onder de federale bevoegdheid vallen, wordt het advies van de federale overheid gevraagd. Als een land, een gewest, de federale overheid, een gemeente of een provincie verzoekt om de scopingnota of de ontwerprapporten te bezorgen of al een advies heeft verleend over de startnota, wordt ook een advies gevraagd.
   Het college van burgemeester en schepenen kan beslissen om al dan niet een of meer plenaire vergaderingen te houden. Als het college van burgemeester en schepenen een plenaire vergadering organiseert met de instanties, vermeld in het eerste lid, vindt die op zijn vroegst plaats de eenentwintigste dag na het versturen van het voorontwerp door het college van burgemeester en schepenen.
  [2 [3 Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement advies uit over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.23, § 2, eerste lid, 1° en 2°.]3]2
   Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt de deputatie [2 advies]2 uit, en delen de adviserende diensten, vermeld in het eerste lid, hun al dan niet [2 opmerkingen]2 mee. De vertegenwoordigers van die instanties moeten gemandateerd zijn om een standpunt in te nemen tijdens de vergadering.
   Van de plenaire vergadering wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Dat verslag wordt binnen veertien dagen bezorgd aan de instanties die op de plenaire vergadering aanwezig moesten zijn. Eventuele reacties op het verslag kunnen worden ingediend door de instanties die effectief aanwezig waren op de plenaire vergadering, en moeten binnen veertien dagen na de ontvangst van het verslag bezorgd worden aan het college van burgemeester en schepenen.
   Als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd, wordt een schriftelijk advies uitgebracht door de instanties, vermeld in het eerste lid, en door het departement binnen een termijn van eenentwintig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   Het college van burgemeester en schepenen kan te allen tijde beslissen om alsnog een plenaire vergadering te organiseren, ook na het ontvangen van de schriftelijke adviezen.]1

  
Art. 2.2.20. [1 Le collège des bourgmestre et échevins transmet l'avant-projet de plan d'exécution spatial communal et, le cas échéant, les projets de rapport d'incidences du plan sur l'environnement, de rapport de sécurité spatiale et d'autres rapports d'évaluation des incidences obligatoirement prescrits ou établis pour avis à la députation, au département et aux autres services consultatifs. Le Gouvernement flamand peut déterminer à quels services consultatifs l'avant-projet de plan d'exécution spatial communal doit au moins être soumis. Si le plan jouxte une autre commune, une autre province, une autre région ou un autre pays ou est susceptible d'avoir des incidences transfrontalières notables sur l'homme ou l'environnement, ainsi qu'il ressort de la note de lancement, de la note de cadrage ou des projets de rapport, l'avis de la commune, de la province, de la région ou du pays en question est demandé. Si le plan jouxte des zones relevant de la compétence fédérale ou est susceptible d'avoir des incidences notables sur ces zones, l'avis de l'autorité fédérale est demandé. Si un pays, une région, l'autorité fédérale, une commune ou une province demande de transmettre la note de cadrage ou les projets de rapport ou a déjà rendu un avis sur la note de lancement, un avis est également demandé.
   Le collège des bourgmestre et échevins peut décider de tenir ou non une ou plusieurs séances plénières. Si le collège des bourgmestre et échevins organise une séance plénière avec les instances visées à l'alinéa 1er, celle-ci se tient au plus tôt le vingt et unième jour suivant l'envoi de l'avant-projet par le collège des bourgmestre et échevins.
   [2 [3 Au plus tard lors de la session plénière, le département rend un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visés à l'article 2.2.23, § 2, alinéa 1er, 1° et 2°.]3]2
   La députation rend un [2 avis]2 et les services consultatifs visés à l'alinéa 1er communiquent leurs [2 observations]2 au plus tard durant la séance plénière. Les représentants de ces instances doivent être mandatés pour prendre position durant la séance.
   Un compte rendu de la séance plénière est rédigé. Ce compte rendu est transmis dans les quinze jours aux instances qui devaient y être présentes. Les éventuelles réactions au compte rendu peuvent être introduites par les instances qui étaient effectivement présentes à la séance plénière et doivent être transmises au collège des bourgmestre et échevins dans la quinzaine de la réception du compte rendu.
   S'il n'est pas organisé de séance plénière, un avis écrit est rendu par les instances visées à l'alinéa 1er et par le département dans le délai de vingt et un jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande d'avis. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
   Le collège des bourgmestre et échevins peut décider à tout moment d'organiser encore une séance plénière, même après la réception des avis écrits.]1

  
Art. 2.2.21. [1 § 1. De gemeenteraad stelt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast.
   Na de voorlopige vaststelling wordt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan onmiddellijk opgestuurd naar de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, naar het departement en naar de Vlaamse Regering.
   § 2. Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan samen met het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. Die termijn is een termijn van orde.
   De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.
   § 3. Na de aankondiging worden het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten gedurende zestig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis en worden de ontwerpen gepubliceerd op de website, zoals gespecificeerd door het college van burgemeester en schepenen. Voor zover de effectbeoordelingsrapporten geheel of gedeeltelijk het grondgebied van andere gemeenten bestrijken worden het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten tevens ter inzage gelegd in die gemeentehuizen.
   Het openbaar onderzoek start uiterlijk op de dertigste dag nadat de aankondiging ervan in het Belgisch Staatsblad verschenen is. Die termijn is een termijn van orde.
   § 4. De opmerkingen en de bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek schriftelijk of digitaal aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening bezorgd.
   De opmerkingen en de bezwaren kunnen ook uiterlijk de laatste dag van die termijn in het gemeentehuis worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De gemeente bezorgt in dat geval [3 binnen tien dagen]3 na het openbaar onderzoek de bezwaren en de opmerkingen aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. Met de opmerkingen en de bezwaren die te laat aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening worden bezorgd, hoeft geen rekening te worden gehouden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de ontvangst en het bijhouden van bezwaren en opmerkingen door de gemeente en voor de wijze waarop ze aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening worden bezorgd.
   [2 [3 De deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, een advies over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.23, § 2, eerste lid, 1° en 2°.]3
   Als er geen advies is verleend binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.]2

  [2 [3 Het departement bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening en het planteam binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, een advies over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in artikel 2.2.23, § 2, eerste lid, 1° en 2°.]3]2
   De gemeenteraad en de deputatie van respectievelijk de gemeenten en de provincies die grenzen aan de gemeente, kunnen de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening een advies bezorgen binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3. Als toepassing is gemaakt van artikel 2.2.20, eerste lid, ten aanzien van een ander land of gewest of ten aanzien van de federale overheid kunnen deze instanties een advies bezorgen binnen dezelfde termijn.
   § 5. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en brengt binnen negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de gemeenteraad. Het advies bevat de integrale adviezen van de deputatie en van het departement. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening het college van burgemeester en schepenen de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren.
   Als de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening geen advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. In dat geval bezorgt ze onmiddellijk de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren aan de gemeenteraad.
   § 6. De gemeenteraad stelt binnen honderdtachtig dagen na het einde van het openbaar onderzoek het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vast.
  [5 Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage]5 beoordelen voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan de kwaliteit van het planmilieueffectrapport respectievelijk ruimtelijk veiligheidsrapport. Ze toetsen aan de scopingnota en aan de gegevens die vereist zijn conform [5 artikel 4.4.4 en 4/1.2.3]5 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en ze houden rekening met de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren.
   Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen, of uit de adviezen, uitgebracht door de aangewezen diensten en overheden, of uit het advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening.
   De definitieve vaststelling van het plan kan echter geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde plan.
   Op gemotiveerd verzoek van het college van burgemeester en schepenen beslist de gemeenteraad over een verlenging met zestig dagen van de termijn waarin het plan moet worden vastgesteld.
   § 7. Als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in paragraaf 6, eerste lid, vervalt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
   § 8. De gemeenteraad kan, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, het besluit houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk intrekken en hernemen, waarbij het wettigheidsgebrek wordt rechtgezet.
   De bepalingen van paragraaf 6 zijn onverminderd van toepassing, met uitzondering van de vervaltermijn van honderdtachtig dagen.]1

  [4 § 9. Het besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan worden bestreden met een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig en met inachtneming van de regels, vermeld in hoofdstuk VIII van titel IV, en de regels die inzake de geschillenbeslechting voor dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.]4
  
Art. 2.2.21. [1 § 1er. Le conseil communal adopte provisoirement le projet de plan d'exécution spatial communal.
   Après l'adoption provisoire, le projet de plan d'exécution spatial communal est immédiatement envoyé à la députation de la province dans laquelle se situe la commune, au département et au Gouvernement flamand.
   § 2. Le collège des bourgmestre et échevins soumet le projet de plan d'exécution spatial communal conjointement avec le projet des rapports d'évaluation des incidences à une enquête publique devant être annoncée au moins par un avis publié au Moniteur belge dans les trente jours de l'adoption provisoire visée au § 1er. Ce délai est un délai d'ordre.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités de l'enquête publique.
   § 3. Après l'annonce, le projet de plan d'exécution spatial communal et le projet des rapports d'évaluation des incidences sont ouverts à la consultation durant soixante jours à la maison communale et les projets sont publiés sur le site Internet tel que prévu par le collège des bourgmestre et échevins. Dans la mesure où les rapports d'évaluation des incidences couvrent entièrement ou partiellement le territoire d'autres communes, le projet de plan d'exécution spatial communal et le projet des rapports d'évaluation des incidences sont également ouverts à la consultation dans ces maisons communales.
   L'enquête publique démarre au plus tard le trentième jour suivant la parution de son annonce au Moniteur belge. Ce délai est un délai d'ordre.
   § 4. Les observations et objections sont transmises par voie écrite ou numérique à la commission communale pour l'aménagement du territoire au plus tard le dernier jour de l'enquête publique.
   Les observations et objections peuvent également être déposées contre récépissé à la maison communale au plus tard le dernier jour de ce délai. Le cas échéant, la commune transmettra les objections et observations à la commission communale pour l'aménagement du territoire [3 dans les dix jours]3 suivant l'enquête publique. Les observations et objections transmises tardivement à la commission communale pour l'aménagement du territoire ne doivent pas être prises en compte. Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités de réception et de conservation des objections et observations par la commune et les modalités de leur transmission à la commission communale pour l'aménagement du territoire.
   [2 [3 La députation de la province dans laquelle se situe la commune transmet à la commission communale pour l'aménagement du territoire, dans le délai visé au paragraphe 3, un avis un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visés à l'article 2.2.23, § 2, alinéa 1er, 1° et 2°.]3
  Si aucun avis n'a été rendu dans le délai visé au paragraphe 3, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.]2

  [2 [3 Le département transmet à la commission communale pour l'aménagement du territoire et à l'équipe de planification, dans le délai visé au paragraphe 3, un avis un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visés à l'article 2.2.23, § 2, alinéa 1er, 1° et 2°.]3]2
   Le conseil communal et la députation des communes ou des provinces jouxtant la commune peuvent transmettre un avis à la commission communale pour l'aménagement du territoire dans le délai visé au paragraphe 3. S'il est fait application de l'article 2.2.20, alinéa 1er, à l'égard d'un autre pays ou d`une autre région ou à l'égard de l'autorité fédérale, ces instances peuvent transmettre un avis dans le même délai.
   § 5. La commission communale pour l'aménagement du territoire regroupe et coordonne tous les avis, observations et objections et rend un avis motivé auprès du conseil communal dans les nonante jours suivant la clôture de l'enquête publique. L'avis reprend les avis intégraux de la députation et du département. La commission communale pour l'aménagement du territoire transmet au même moment les avis, observations et objections regroupés au collège des bourgmestre et échevins.
   Si la commission communale pour l'aménagement du territoire n'a pas rendu d'avis dans le délai fixé, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée. Dans ce cas, elle transmet immédiatement les avis, observations et objections regroupés au conseil communal.
   § 6. Le conseil communal adopte définitivement le plan d'exécution spatial communal dans les cent quatre-vingts jours suivant la clôture de l'enquête publique.
   Préalablement à l'adoption définitive du plan d'exécution spatial, [5 le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité]5 évaluent la qualité du rapport d'incidences du plan sur l'environnement ou du rapport de sécurité spatiale. Ils l'examinent au regard de la note de cadrage et des données requises conformément [5 aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3]5 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement en tenant compte des avis, observations et objections formulés durant l'enquête publique.
   Lors de l'adoption définitive du plan, seules des modifications qui sont basées sur les objections et observations formulées durant l'enquête publique ou sur les avis rendus par les services et autorités désignés ou sur l'avis de la commission communale pour l'aménagement du territoire ou qui en résultent peuvent être apportées par rapport au plan adopté provisoirement.
   L'adoption définitive du plan ne peut toutefois pas avoir trait à des parties du territoire non reprises dans le plan adopté provisoirement.
   A la demande motivée du collège des bourgmestre et échevins, le conseil communal statue sur la prolongation de soixante jours du délai dans lequel le plan doit être adopté.
   § 7. Si le plan d'exécution spatial communal n'est pas définitivement adopté dans le délai visé au paragraphe 6, alinéa 1er, le projet de plan d'exécution spatial communal devient caduc.
   § 8. Le conseil communal peut, en vue de la réparation d'une irrégularité, retirer et reprendre entièrement ou partiellement l'arrêté d'adoption définitive du plan d'exécution spatial communal, auquel cas le vice de légalité est rectifié.
   Les dispositions du paragraphe 6 s'appliquent intégralement, à l'exception de l'échéance de cent quatre-vingts jours.]1

  [4 § 9. L'arrêté portant la fixation définitive du plan communal d'exécution spatiale peut être contesté par le biais d'un recours devant le Conseil du Contentieux des Permis, conformément aux et dans le respect des règles, visées au chapitre VIII du titre IV, et des règles en matière de règlement des différends devant cette juridiction, fixées par ou en vertu du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes. ]4
  
Art. 2.2.22. [1 Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan [2 het departement[3 , via een afzonderlijke actie in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, Ї 2]3]2.]1
  
Art. 2.2.22. [1 Immédiatement après son adoption définitive, le plan d'exécution spatial communal est transmis par envoi sécurisé, conjointement avec l'arrêté du conseil communal et l'avis complet de la commission communale pour l'aménagement du territoire, à la députation de la province dans laquelle se situe la commune et au [2 département[3 , par une action distincte sur la plateforme numérique visée à l'article 2.2.1, § 2 ]3]2.]1
  
Art. 2.2.23. [1 § 1. [2 De Vlaamse Regering en de deputatie beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in artikel 2.2.22 of in paragraaf 3, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen.]2
   [2 Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement.]2
   [2 ...]2
   § 2. Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden [2 geschorst of vernietigd]2 :
   1° [2 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een optie uit het gemeentelijk beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering of de deputatie voorbehoud heeft gemaakt conform artikel 2.1.11, § 2, tweede lid;]2
  [2 1°/1 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een beleidskader van het gemeentelijk beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.5, § 2, tweede lid, of dat de provincieraad niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.8, § 2, tweede lid;
   1°/2 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of het provinciaal beleidsplan ruimte;]2

   2° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of, in voorkomend geval, met een ontwerp van gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij de Vlaamse Regering, respectievelijk de provincieraad daarmee haar instemming conform artikel 2.2.18, § 1, derde lid, heeft verleend;
   3° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening of met bindende delen van een door de Vlaamse Regering vastgesteld beleidsplan;
   4° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.
  [3 5° wegens strijdigheid met de bepalingen inzake compensatie als vermeld in artikel 2.2.6/1.]3
  [2 De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 3.]2
   § 3. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van [2 negentig dagen]2, die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de gemeente, om het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw definitief vast te stellen. Onverminderd artikel 2.2.21, § 6, derde lid, kunnen bij de definitieve vaststelling van het plan ten opzichte van het geschorste plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
   Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan [2 het departement[3 , via een afzonderlijke actie in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, Ї 2]3]2.
   Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van [2 negentig dagen]2 geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.]1

  
Art. 2.2.23. [1 § 1. [2 Le Gouvernement flamand et la députation disposent d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée à l'article 2.2.22, ou au paragraphe 3, alinéa 2, pour suspendre l'exécution de l'arrêté du conseil communal portant adoption définitive du plan d'exécution spatial communal. Une suspension ne peut pas être partielle. Dans le même délai, le Gouvernement flamand peut aussi abroger en tout ou en partie un plan d'exécution spatial communal adopté à titre définitif. Une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation est transmise au collège des bourgmestre et échevins par envoi sécurisé dans un délai de forclusion de dix jours.]2
   [2 Dans le délai de forclusion visé à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand fournit à la députation une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation. Si la députation prend une décision de suspension, elle en transmet une copie au département dans le délai de forclusion susmentionné.]2
   [2 ...]2
   § 2. L'arrêté du conseil communal d'adoption définitive du plan d'exécution spatial communal ne peut être [2 suspendu ou abrogé]2 :
   1° [2 si le plan d'exécution spatial communal donne exécution à une option du plan de politique spatiale communal sur laquelle le Gouvernement flamand a émis des réserves conformément à l'article 2.1.11, § 2, deuxième alinéa]2 ;
  [2 1°/1 si le plan d'exécution spatial communal donne exécution à un cadre politique du plan de politique spatiale communal que le Gouvernement flamand n'a plus validé conformément à l'article 2.1.5, § 2, deuxième alinéa, ou que le conseil provincial n'a plus validé conformément à l'article 2.1.8, § 2, deuxième alinéa ;
   1°/2 si le plan d'exécution spatial communal est manifestement incompatible avec un cadre politique ou, le cas échéant, avec un projet de cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre ou du plan de politique spatiale provincial ;]2

   2° que si le plan d'exécution spatial communal est contraire à un plan d'exécution spatial régional ou provincial ou, le cas échéant, à un projet de plan d'exécution spatial régional ou provincial, sauf si le Gouvernement flamand ou le conseil provincial y a donné son consentement conformément à l'article 2.2.18, § 1er, alinéa 3 ;
   3° que si le plan d'exécution spatial communal est contraire à des normes d'application directe dans d'autres domaines politiques que l'aménagement du territoire ou à des parties contraignantes d'un plan stratégique arrêté par le Gouvernement flamand ;
   4° qu'en cas de non-respect d'une condition de forme substantielle.
  [2 Le Gouvernement flamand ne procède à l'abrogation que s'il estime que l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visé au premier alinéa ne peut être réparé, éliminé ou résolu en suivant la procédure visée au paragraphe 3.]2
  [3 5° qu'en cas de contrariété aux dispositions relatives à la compensation telles que visées à l'article 2.2.6/1.]3
   § 3. En cas de suspension, le conseil communal dispose d'un délai de [2 nonante jours]2 prenant cours le lendemain de l'envoi de l'arrêté de suspension à la commune pour adopter à nouveau définitivement le plan d'exécution spatial. Sans préjudice de l'article 2.2.21, § 6, alinéa 3, seules des modifications basées sur l'arrêté de suspension ou en résultant peuvent être apportées par rapport au plan suspendu.
   Immédiatement après son adoption définitive, le plan d'exécution spatial communal est transmis par envoi sécurisé, conjointement avec le nouvel arrêté du conseil communal, à la députation de la province dans laquelle se situe la commune et au [2 département[3 , par une action distincte sur la plateforme numérique visée à l'article 2.2.1, § 2]3]2.
   Si le conseil communal ne prend pas de nouvel arrêté d'adoption définitive du plan d'exécution spatial communal dans le délai précité de [2 nonante jours]2, l'arrêté suspendu du conseil communal et le projet de plan d'exécution spatial communal deviennent caducs.]1

  
Art. 2.2.24. [1 Als het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet tijdig is [2 geschorst of vernietigd]2, wordt de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen [3 negentig dagen]3 na de definitieve vaststelling bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en wordt ze binnen dezelfde termijn volledig bekendgemaakt op de website, vermeld in het Belgisch Staatsblad.]1
  
Art. 2.2.24. [1 Si l'arrêté du conseil communal d'adoption définitive du plan d'exécution spatial communal n'a pas été [2 suspendu ou abrogé]2 à temps, la décision du conseil communal portant adoption définitive du plan d'exécution spatial communal est publiée par extrait au Moniteur belge dans les [3 nonante jours]3suivant l'adoption définitive et est publiée intégralement dans le même délai sur le site Internet mentionné au Moniteur belge.]1
  
Art. 2.2.25. [1 Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van het plan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
  [2 Het college van burgemeester en schepenen stuurt een afschrift van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, voor zover in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erfgoedlandschap afgebakend of gewijzigd wordt.]2
   Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, het advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening en het vaststellingsbesluit kunnen worden ingezien in de gemeente.]1

  
Art. 2.2.25. [1 Le plan d'exécution spatial communal entre en vigueur quinze jours après la publication par extrait au Moniteur belge de la décision du conseil communal portant adoption définitive du plan.
  [2 Le collège des bourgmestre et échevins envoie une copie du plan d'exécution spatial communal et de l'arrêté d'adoption à l'agence compétente dans le domaine de l'environnement et de l'aménagement du territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, pour autant qu'un paysage patrimonial soit délimité ou modifié dans le plan d'exécution spatial communal.]2
   Le plan d'exécution spatial communal, l'avis de la commission communale pour l'aménagement du territoire et l'arrêté d'adoption peuvent être consultés à la commune.]1

  
HOOFDSTUK III. - Stedenbouwkundige verordeningen
CHAPITRE III. - Règlements urbanistiques
Art. 2.3.1. [9 § 1.]9 De Vlaamse Regering kan gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor een deel van of voor het hele gewest. Die verordeningen bevatten de nodige [6 stedenbouwkundige]6 voorschriften om te zorgen voor :
  1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid, de fraaiheid en de esthetische waarde van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, en ook hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming;
  2° de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en de energieterugwinning, de uitbouw van collectieve energievoorzieningen waarop desgevallend verplicht moet worden aangesloten;
  3° de instandhouding, de gezondheid, de veiligheid, de bruikbaarheid en de schoonheid van de wegen, de toegangen en de omgeving ervan, evenals het ruimtelijk waarborgen van een adequate mobiliteit;
  4° de aanleg van voorzieningen, met name de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de verwarming, de telecommunicatie, de opvang van afvalwater en regenwater, de afvalophaling en de windmolens;
  5° de bewoonbaarheid van de woningen;
  6° het verbieden van werken waarvoor een [3 omgevingsvergunning]3 vereist is op bepaalde uren en dagen met het oog op het behoud van de leefkwaliteit en de doorgang van het langzaam verkeer;
  7° de toegang voor personen met een functiebeperking tot al dan niet bebouwde onroerende goederen of delen ervan toegankelijk voor het publiek, tot installaties en wegen;
  8° de gebruiksveiligheid van een goed dat toegankelijk is voor het publiek;
  9° de maatregelen inzake het ruimtelijk begrenzen van milieuhinder en het waarborgen van een adequate waterhuishouding;
  10° de aanleg van groen en beplantingen;
  11° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels, woningen en woonvoorzieningen die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen, met dien verstande dat voorschriften betreffende de creatie van een bescheiden woonaanbod opgenomen worden in bijzondere stedenbouwkundige verordeningen, onder de voorwaarden, vermeld in [7 boek 5, deel 9, titel 1, hoofdstuk 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]7;
  [2 12° de versterking van de leefbaarheid en de aantrekkingskracht van steden en dorpskernen;]2
  [4 13° [6 ...]6]4
  Die stedenbouwkundige verordeningen kunnen betrekking hebben op de bouwwerken en installaties boven en onder de grond, op de publiciteitsinrichtingen, de antennes, de leidingen, de afsluitingen, de opslagplaatsen, de onbebouwde terreinen, de wijziging van het reliëf van de bodem, en de inrichting van ruimten ten behoeve van het verkeer en het parkeren van voertuigen buiten de openbare weg [6 ...]6.
  De stedenbouwkundige verordeningen kunnen :
  1° functiewijzigingen die in beginsel toegelaten zijn, uitsluiten, of aan dergelijke functiewijzigingen voorwaarden verbinden;
  2° het wijzigen van het aantal woongelegenheden in een gebouw regelen;
  [2 3° normen bevatten betreffende de oppervlakte van functies en de afmetingen van [6 gebouwen, constructies of publiciteitsinrichtingen]6.]2
  [10 Stedenbouwkundige verordeningen kunnen aan de aanvrager van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75, § 3, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke, provinciale of gewestelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden.]10
  De stedenbouwkundige verordeningen bevatten voorschriften [6 ...]6 moeten in overeenstemming zijn met de bestaande regelgeving voor de materie in kwestie.
  Het ontwerp van stedenbouwkundige verordening wordt voor advies voorgelegd aan [1 de strategische adviesraad]1. Wanneer er geen advies is verleend binnen een termijn van dertig dagen, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  [9 § 2.]9 De Vlaamse Regering organiseert omtrent een ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening een overlegvergadering met behoorlijk gemandateerde vertegenwoordigers van de Vereniging van de Vlaamse Provincies en van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten.
  [5 De Vlaamse Regering onderwerpt het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.]5
  De gewestelijke, provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen die werden vastgesteld vóór 1 september 2009 en die op grond van de mogelijkheden, voorzien in de vroegere regelgeving, andere aangelegenheden regelen dan deze, vermeld in het eerste lid, of andere constructies of handelingen betreffen dan deze, vermeld in het tweede lid, blijven geldig tot ze worden opgeheven. De verordenende overheid kan na 1 september 2009 wijzigingen aan deze stedenbouwkundige verordeningen aanbrengen binnen de marges, vermeld in het eerste en tweede lid.
  [8 [9 ...]9.]8
  [9 § 3. De Vlaamse Regering kan gewestelijke bouwverordeningen of gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen wijzigen binnen de marges, vermeld in paragraaf 1 en 2.]9
  [9 § 4. De Vlaamse Regering kan gewestelijke bouwverordeningen of stedenbouwkundige verordeningen geheel of gedeeltelijk opheffen, overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2. In geval van een loutere opheffing van een verordening, vastgesteld voor 1 september 2009, zijn de bepalingen van paragraaf 2 echter niet van toepassing en kan de Vlaamse Regering onmiddellijk tot opheffing overgaan.
   Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over plannen en programma's, opgenomen in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]9

  
Art. 2.3.1. [9 § 1.]9 Le Gouvernement flamand peut édicter des règlements urbanistiques régionaux pour une partie ou pour l'ensemble de la Région. Ces règlements contiennent toutes les prescriptions [4 [6 urbanistiques]6]4 requises pour assurer :
  1° la salubrité, la conservation, la solidité, la beauté et la valeur esthétique des édifices, des installations et de leurs abords, ainsi que leur sécurité, par le biais de la protection contre les incendies et les inondations;
  2° la qualité thermique et acoustique des bâtiments, les économies énergétiques et la récupération d'énergie, l'expansion des réseaux collectifs d'alimentation énergétique auxquels, le cas échéant, il est obligatoire de se connecter;
  3° la conservation, la salubrité, la sécurité, la viabilité et la beauté de la voirie, de ses accès et de ses abords, ainsi que les garanties spatiales d'une mobilité adéquate;
  4° l'aménagement d'équipements pour l'alimentation en eau, en gaz et en électricité, pour le chauffage, la télécommunication, la gestion des eaux usées et des eaux pluviales, la collecte des déchets et les éoliennes;
  5° l'habitabilité des habitations;
  6° l'interdiction de travaux requérant [3 un permis d'environnement pour les actes urbanistiques]3, à des heures et des jours déterminés, afin de préserver la qualité de vie et de permettre le passage du trafic lent;
  7° l'accès des personnes handicapées à des biens immeubles bâtis ou non bâtis, ou à des parties de ces biens qui sont accessibles au public, ou à des installations et à la voirie;
  8° la sécurité d'utilisation d'un bien accessible au public;
  9° les mesures en matière de limitation spatiale des nuisances environnementales et de garantie d'un régime des eaux adéquat;
  10° l'aménagement d'espaces verts et de plantations;
  11° la réalisation d'un emmêlement de parcelles, d'habitations et d'infrastructures d'habitat qui répondent aux besoins de divers groupes sociaux, à savoir que les prescriptions concernant la création d'une offre de logement modeste sont incluses dans des règlements urbanistiques particuliers, et ce, sous les conditions mentionnées dans le [7 livre 5, partie 9, titre 1, chapitre 1, du Code flamand du Logement de 2021]7;
  [2 12° le renforcement de la viabilité et de la force d'attraction des villes et des noyaux de villages;]2
  [4 13° [6 ...]6]4
  Ces règlements urbanistiques peuvent porter sur les constructions et installations en surface et souterraines, les aménagements publicitaires, les antennes, les canalisations, les clôtures, les sites de stockage, les terrains non bâtis, les modifications au relief du sol et l'aménagement d'espaces destinés à la circulation et au parcage de véhicules en dehors de la voie publique [4 [6 ...]6]4.
  Les règlements urbanistiques peuvent :
  1° exclure des modifications de fonction autorisées par principe ou y associer des conditions;
  2° régler la modification du nombre de logements dans un immeuble;
  [2 3° contenir des normes relatives à la superficie des fonctions et aux dimensions des [6 bâtiments, constructions et établissements publicitaires]6.]2
  [10 Les règlements d'urbanisme peuvent imposer des charges techniques et financières au demandeur d'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de terrains. Toutes les charges mentionnées à l'article 75, § 3, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement peuvent être imposées de manière générale au moyen d'un règlement d'urbanisme communal, provincial ou régional.]10
  Les règlements urbanistiques [6 ...]6 doivent être conformes à la réglementation existante en la matière.
  Le projet de règlement urbanistique est soumis pour avis au [1 conseil d'avis stratégique]1. Faute d'avis dans un délai de trente jours, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
  [9 § 2.]9 Le Gouvernement flamand organise une réunion de concertation avec des représentants valablement mandatés de l'Association des Provinces flamandes et de l'Association des Villes et Communes flamandes, concernant un projet de règlement urbanistique régional.
  [5 Le Gouvernement flamand soumet le projet de règlement régional sur l'urbanisme à une enquête publique. L'enquête publique durera trente jours et sera au minimum annoncée par un avis au Moniteur Belge. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités de l'enquête publique.]5
  Les règlements urbanistiques régionaux, provinciaux et communaux qui ont été établis avant le 1er septembre 2009 et qui, en raison des possibilités prévues dans la précédente législation, règlent d'autres matières que celles qui sont mentionnées dans le premier alinéa ou qui concernent d'autres constructions ou actions que celles qui sont mentionnées dans le deuxième alinéa demeurent valables jusqu'à leur abolition. Après le 1er septembre 2009, l'autorité chargée de la réglementation peut apporter des modifications à ces règlements urbanistiques, dans les marges prévues au premier et au deuxième alinéa.
  [8 [9 ...]9.]8
  [9 § 3. Le Gouvernement flamand peut modifier les règlements régionaux sur la bâtisse ou les règlements régionaux d'urbanisme dans les marges visées aux paragraphes 1er et 2.]9
  [9 § 4. Le Gouvernement flamand peut abroger, en tout ou en partie, les règlements régionaux sur la bâtisse ou les règlements régionaux d'urbanisme conformément aux dispositions visées au paragraphe 2. Toutefois, en cas d'une simple abrogation d'un règlement établi avant le 1er septembre 2009, les dispositions du paragraphe 2 ne s'appliquent pas et le Gouvernement flamand peut procéder immédiatement à l'abrogation.
   Le présent paragraphe n'accorde en aucun cas une exemption de l'application des dispositions relatives à l'évaluation des incidences sur l'environnement concernant des plans et programmes figurant dans le chapitre II du titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.]9

  
Art. 2.3.2. § 1. De provincieraad kan stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor de materie [8 omschreven in artikel 2.3.1, § 1]8, voor het gehele grondgebied van de provincie of voor een deel waarvan hij de grenzen bepaalt met naleving van de door de Vlaamse Regering vastgestelde stedenbouwkundige verordeningen.
  [9 ...]9
  De deputatie is belast met het opmaken van provinciale stedenbouwkundige verordeningen en neemt de nodige maatregelen tot opmaak.
  De deputatie legt het ontwerp van provinciale stedenbouwkundige verordening voor advies voor aan [2 het departement]2 en aan de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening. [5 Het departement geeft advies over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld [6 in paragraaf 1/1, tweede lid, 1° tot en met 5°]6]5. De adviezen worden binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier naar de deputatie gestuurd. Wanneer er geen advies is verleend binnen deze termijn, mag aan de adviesvereisten worden voorbijgegaan.
  [4 De deputatie onderwerpt het ontwerp van provinciale stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.]4
  [5 De provinciale stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de provincieraad en het volledige advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement.]5
  [5 § 1/1. De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1, zesde lid, om de uitvoering van het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening te schorsen of te vernietigen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Een afschrift van de beslissing tot schorsing of vernietiging wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie.
   Het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst of vernietigd:
   1° als de provinciale stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een optie uit het provinciaal beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig artikel 2.1.8, § 2, derde lid;
   2° als de provinciale stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een beleidskader van het provinciaal beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard overeenkomstig artikel 2.1.5, § 2, tweede lid;
   3° als de provinciale stedenbouwkundige verordening kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen;
   4° als de provinciale stedenbouwkundige verordening strijdig is met een gewestelijke stedenbouwkundige verordening of, in voorkomend geval, een ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening;
   5° als de provinciale stedenbouwkundige verordening strijdig is met artikel 2.3.1 of 4.2.5;
   6° als de provinciale stedenbouwkundige verordening strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening;
   7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.
   De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het tweede lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 1/2.
   § 1/2. In geval van schorsing beschikt de provincieraad over een termijn van negentig dagen die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de deputatie, om de provinciale stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
   De provinciale stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de provincieraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement.
   Als de provincieraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste provincieraadsbesluit en de provinciale stedenbouwkundige verordening.
   Als het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]5

  [7 § 1/3.[8 De provincieraad kan provinciale stedenbouwkundige verordeningen wijzigen binnen de marges, vermeld in paragraaf 1.]8.]7
  [8 § 1/4. De provincieraad kan provinciale stedenbouwkundige verordeningen, geheel of gedeeltelijk opheffen bij besluit van de provincieraad, overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1.
   De deputatie neemt de nodige maatregelen tot opheffing.
   In geval van een loutere opheffing van een verordening vastgesteld voor 1 september 2009, zijn de bepalingen van paragraaf 1, vierde tot en met zesde lid, echter niet van toepassing en kan de provincieraad onmiddellijk tot opheffing overgaan.
   Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over plannen en programma's, opgenomen in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
   Het besluit van de provincieraad wordt bezorgd aan het departement en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]8

  § 2. De gemeenteraad kan stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor de materie [8 omschreven in artikel 2.3.1, Ї 1,]8 [1 , in artikel 4.2.5 en in artikel 4.4.1, § 3, tweede lid]1, voor het gehele grondgebied van de gemeente of voor een deel waarvan hij de grenzen bepaalt met naleving van de door de Vlaamse Regering en de provincieraad vastgestelde stedenbouwkundige verordeningen.
  [3 Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de aanvrager van een omgevingsvergunning technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden.]3
  Indien de Vlaamse Regering een gewestelijke stedenbouwkundige verordening vaststelt, brengt de gemeenteraad uit eigen beweging of binnen de termijn die door de Vlaamse Regering wordt opgelegd, de bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordening(en) in overeenstemming met de voorschriften van de door de Vlaamse Regering vastgestelde stedenbouwkundige verordening(en). Een gewestelijke stedenbouwkundige verordening kan worden aangevuld en verder worden uitgevoerd middels gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, tenzij de gewestelijke stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. In dat laatste geval kan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening tevens bepalen dat bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot de geregelde aangelegenheid op een bepaalde datum ophouden uitwerking te hebben.
  Indien de provincieraad een provinciale stedenbouwkundige verordening vaststelt, brengt de gemeenteraad uit eigen beweging of binnen de termijn die door de provincieraad wordt opgelegd, de bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordening(en) in overeenstemming met de voorschriften van de door de provincieraad vastgestelde stedenbouwkundige verordening(en). Een provinciale stedenbouwkundige verordening kan worden aangevuld en verder worden uitgevoerd middels gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, tenzij de provinciale stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. In dat laatste geval kan de provinciale stedenbouwkundige verordening tevens bepalen dat bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot de geregelde aangelegenheid op een bepaalde datum ophouden uitwerking te hebben.
  Het college van burgemeester en schepenen is belast met het opmaken van gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen en neemt de nodige maatregelen tot opmaak.
  [5 Het college van burgemeester en schepenen legt het ontwerp van stedenbouwkundige verordening voor advies voor aan het departement, de deputatie en aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. Het departement en de deputatie geven advies over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in paragraaf 2/1, derde lid.]5 [6 De adviezen worden binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier naar het college van burgemeester en schepenen gestuurd. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereisten worden voorbijgegaan.]6
  [4 Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.]4
  [5 De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement.]5
  [5 2/1. De deputatie en de Vlaamse Regering beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen, die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 2, achtste lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgestelde gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen.
   Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement.
   Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst:
   1° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een optie uit het gemeentelijk beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering of de deputatie voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig artikel 2.1.11, § 2, tweede lid;
   2° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een beleidskader van het gemeentelijk beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard overeenkomstig artikel 2.1.5, § 2, tweede lid, of dat de provincieraad niet meer geldig heeft verklaard overeenkomstig artikel 2.1.8, § 2, tweede lid;
   3° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of het provinciaal beleidsplan ruimte;
   4° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met een gewestelijke of provinciale stedenbouwkundige verordening of, in voorkomend geval, een ontwerp van gewestelijke of provinciale stedenbouwkundige verordening;
   5° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met artikel 2.3.1 of 4.2.5;
   6° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening;
   7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.
   De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het derde lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 2/2.
   § 2/2. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen, om de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
   De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement.
   Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening.
   Als het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]5

  [7 § 2/3. [8 De gemeenteraad kan gemeentelijke bouwverordeningen of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen wijzigen binnen de marges, vermeld in paragraaf 2.]8.]7
  [8 § 2/4. De gemeenteraad kan gemeentelijke bouwverordeningen of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen geheel of gedeeltelijk opheffen bij gemeenteraadsbesluit overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2.
   Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen tot opheffing.
   In geval van een loutere opheffing van een verordening, vastgesteld voor 1 september 2009, zijn de bepalingen van paragraaf 2, zesde tot en met achtste lid, niet van toepassing en kan de gemeenteraad onmiddellijk tot opheffing overgaan.
   Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over plannen en programma's, opgenomen in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
   Het gemeenteraadsbesluit wordt bezorgd aan het departement en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]8

  
Art. 2.3.2. § 1er. Le Conseil provincial peut édicter des règlements urbanistiques pour la matière [8 visée à l'article 2.3.1, § 1er ]8, et ce, pour l'ensemble du territoire de la province ou pour une partie dont il détermine les limites sans préjudice des règlements urbanistiques édictés par le Gouvernement flamand.
  Lorsque le Gouvernement flamand édicte un règlement urbanistique régional, le Conseil provincial met, de sa propre initiative ou dans le délai imparti par le Gouvernement flamand, le(s) règlement(s) urbanistique(s) existant(s) en conformité avec les prescriptions du (des) règlement(s) urbanistique(s) établi(s) par le Gouvernement flamand. Un règlement urbanistique régional peut être complété et exécuté ultérieurement au moyen de règlements urbanistiques provinciaux, sauf si le règlement urbanistique régional le stipule différemment de manière explicite. Dans ce dernier cas, le règlement urbanistique régional peut également stipuler que des règlements urbanistiques provinciaux existants se rapportant à l'affaire réglée ne sont plus applicables à partir d'une certaine date.
  La Députation permanente est chargée d'établir les règlements urbanistiques provinciaux et elle prend les mesures nécessaires à cet effet.
  La Députation permanente soumet le projet de règlement urbanistique provincial à l'avis du [2 département]2 urbaniste et de la Commission provinciale pour l'aménagement du territoire. [5 Le département émet un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect, visés [6 au paragraphe 1/1, alinéa 2, 1° à 5° ]6.]5 Les avis sont transmis à la Députation permanente dans les trente jours suivant la date de réception du dossier. Lorsqu'aucun avis n'est émis dans ce délai, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
  [4 La députation soumet le projet de règlement provincial sur l'urbanisme à une enquête publique. L'enquête publique durera trente jours et sera au minimum annoncée par un avis au Moniteur Belge. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de l'enquête publique.]4
  [5 Le règlement urbanistique provincial ainsi que l'arrêté du conseil provincial et l'avis complet de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire sont transmis au département par envoi sécurisé dans les dix jours qui suivent l'adoption définitive.]5
  [5 § 1/1. Le Gouvernement flamand dispose d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée au paragraphe 1er, alinéa 6, pour suspendre ou annuler l'exécution de l'arrêté du conseil provincial portant adoption définitive du règlement urbanistique provincial. Une suspension ne peut pas être partielle. Une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation est transmise à la députation dans un délai de forclusion de dix jours par envoi sécurisé. " ;
   L'arrêté du conseil provincial portant adoption définitive du règlement urbanistique provincial ne peut être suspendu ou abrogé que :
   1° si le règlement urbanistique provincial donne exécution à une option du plan de politique spatiale provincial sur laquelle le Gouvernement flamand a émis des réserves conformément à l'article 2.1.8, § 2, troisième alinéa ;
   2° si le règlement urbanistique provincial donne exécution à un cadre politique du plan de politique spatiale provincial que le Gouvernement flamand n'a plus validé conformément à l'article 2.1.5, § 2, deuxième alinéa ;
   3° si le règlement urbanistique provincial est manifestement incompatible avec un cadre politique ou, le cas échéant, avec un projet de cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre ;
   4° si le règlement urbanistique provincial est en contradiction avec un règlement urbanistique régional ou, le cas échéant, avec un projet de règlement urbanistique régional ;
   5° si le règlement urbanistique provincial est en contradiction avec l'article 2.3.1 ou 4.2.5 ;
   6° si le règlement urbanistique provincial est en contradiction avec des normes s'appliquant directement à des domaines politiques autres que l'aménagement du territoire ;
   7° en cas de non-respect d'une condition de forme substantielle.
   Le Gouvernement flamand ne procède à l'abrogation que s'il estime que l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visé au deuxième alinéa ne peut être réparé, éliminé ou résolu en suivant la procédure visée au paragraphe 1/2.
   § 1/2. En cas de suspension, le conseil provincial dispose d'un délai de nonante jours prenant cours le lendemain de l'envoi de l'arrêté de suspension à la députation, pour rétablir l'adoption définitive du règlement urbanistique. Lors de l'adoption définitive du règlement, seules des modifications basées sur l'arrêté de suspension ou en découlant peuvent être apportées par rapport au règlement suspendu.
   Le règlement urbanistique provincial est transmis conjointement avec le nouvel arrêté du conseil provincial par envoi sécurisé au département immédiatement après l'adoption définitive.
   Si le conseil provincial ne prend pas de nouvel arrêté d'adoption définitive du règlement urbanistique provincial dans le délai précité de 90 jours, l'arrêté suspendu du Conseil provincial et le règlement urbanistique provincial deviennent caducs.
   Si l'arrêté d'adoption définitive du règlement urbanistique provincial pris par le conseil provincial n'a pas été suspendu ou abrogé dans les délais requis, la décision du conseil provincial portant adoption définitive du règlement urbanistique provincial est publiée par extrait au Moniteur belge.]5

  [7 § 1/3. [8 Le conseil provincial peut modifier les règlements provinciaux d'urbanisme dans les marges visées au paragraphe 1er.]8 ]7
  [8 § 1/4. Le conseil provincial peut abroger, en tout ou en partie, les règlements provinciaux d'urbanisme par arrêté du conseil provincial conformément aux dispositions visées au paragraphe 1er.
   La députation prend les mesures nécessaires en vue de l'abrogation.
   Toutefois, en cas d'une simple abrogation d'un règlement établi avant le 1er septembre 2009, les dispositions du paragraphe 1er, alinéas 4 à 6, ne s'appliquent pas et le conseil provincial peut procéder immédiatement à l'abrogation.
   Le présent paragraphe n'accorde en aucun cas une exemption de l'application des dispositions relatives à l'évaluation des incidences sur l'environnement concernant des plans et programmes figurant dans le chapitre II du titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
   L'arrêté du conseil provincial est transmis au département et publié par extrait au Moniteur belge.]8

  § 2. Le conseil communal peut fixer des règlements urbanistiques pour la matière définie [1 [8 aux articles 2.3.1, § 1er, ]8, 4.2.5 et 4.4.1, § 3, alinéa deux]1, pour l'ensemble du territoire de la commune ou pour une partie dont il détermine les limites sans préjudice des règlements urbanistiques édictés par le Gouvernement flamand et par le Conseil provincial.
  [9 ...]9
  Lorsque le Gouvernement flamand édicte un règlement urbanistique régional, le Conseil provincial met, de sa propre initiative ou dans le délai imparti par le Gouvernement flamand, le(s) règlement(s) urbanistique(s) communal/communaux existant(s) en conformité avec les prescriptions du(des) règlement(s) urbanistique(s) établi(s) par le Gouvernement flamand. Un règlement urbanistique régional peut être complété et exécuté ultérieurement au moyen de règlements urbanistiques communaux, sauf si le règlement urbanistique régional le stipule différemment de manière explicite. Dans ce dernier cas, le règlement urbanistique régional peut également stipuler que des règlements urbanistiques communaux existants se rapportant à l'affaire réglée ne sont plus applicables à partir d'une certaine date.
  Lorsque le Conseil provincial édicte un règlement urbanistique provincial, le Conseil communal met, de sa propre initiative ou dans le délai imparti par le Conseil provincial, le(s) règlement(s) urbanistique(s) communal/communaux existant(s) en conformité avec les prescriptions du/des règlement(s) urbanistique(s) déterminé(s) par le Conseil provincial. Un règlement urbanistique provincial peut être complété et exécuté ultérieurement au moyen de règlements urbanistiques communaux, sauf si le règlement urbanistique provincial le stipule différemment de manière explicite. Dans ce dernier cas, le règlement urbanistique provincial peut également stipuler que des règlements urbanistiques communaux existants se rapportant à l'affaire réglée ne sont plus applicables à partir d'une certaine date.
  Le Collège des bourgmestre et échevins est chargé d'établir des règlements urbanistiques communaux et il prend les mesures nécessaires à cet effet.
  [5 Le collège des bourgmestre et échevins soumet le projet de règlement urbanistique pour avis au département, à la députation et à la commission communale pour l'aménagement du territoire. Le département et la députation rendent un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visés [6 au paragraphe 2/1, alinéa 3, 1° à 5°]6.]5 [6 Les avis sont envoyés au collège des bourgmestre et échevins dans les trente jours de la réception du dossier. Si aucun avis n'est rendu dans ce délai, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.]6
  [4 Le collège des bourgmestre et échevins soumet le projet de règlement communal sur l'urbanisme à une enquête publique. L'enquête publique durera trente jours et sera au minimum annoncée par un avis au Moniteur belge. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités de l'enquête publique.]4
  [5 Le règlement urbanistique communal ainsi que l'arrêté du conseil communal et l'avis complet de la commission communale pour l'aménagement du territoire sont transmis à la députation et au département par envoi sécurisé dans les dix jours qui suivent l'adoption définitive.]5
  [5 § 2/1. La députation et le Gouvernement flamand disposent d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée au paragraphe 2, alinéa 8, pour suspendre l'exécution de l'arrêté du conseil communal portant adoption définitive du règlement urbanistique communal. Une suspension ne peut pas être partielle. Dans le même délai, le Gouvernement flamand peut aussi abroger en tout ou en partie un règlement urbanistique communal adopté à titre définitif. Une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation est transmise au collège des bourgmestre et échevins par envoi sécurisé dans un délai de forclusion de dix jours.
   Dans le délai de forclusion visé au premier alinéa, le Gouvernement flamand procure à la députation une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation. Si la députation prend un arrêté de suspension, elle en procure une copie au département dans le délai de forclusion susmentionné.
   L'arrêté du conseil communal portant adoption définitive du règlement urbanistique communal ne peut être suspendu que :
   1° si le règlement urbanistique communal donne exécution à une option du plan de politique spatiale communal sur laquelle le Gouvernement flamand ou la députation a émis des réserves conformément à l'article 2.1.11, § 2, deuxième alinéa ;
   2° si le plan d'exécution spatial communal donne exécution à un cadre politique du plan de politique spatiale communal que le Gouvernement flamand n'a plus validé conformément à l'article 2.1.5, § 2, deuxième alinéa, ou que le conseil provincial n'a plus validé conformément à l'article 2.1.8, § 2, deuxième alinéa ;
   3° si le règlement urbanistique communal est manifestement incompatible avec un cadre politique ou, le cas échéant, avec un projet de cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre ou du plan de politique spatiale provincial ;
   4° si le règlement urbanistique communal est en contradiction avec un règlement urbanistique régional ou provincial ou, le cas échéant, avec un projet de règlement urbanistique régional ou provincial ;
   5° si le règlement urbanistique communal est en contradiction avec l'article 2.3.1 ou 4.2.5 ;
   6° si le règlement urbanistique communal est en contradiction avec des normes s'appliquant directement à des domaines politiques autres que l'aménagement du territoire ;
   7° en cas de non-respect d'une condition de forme substantielle.
   Le Gouvernement flamand ne procède à l'abrogation que s'il estime que l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visé au troisième alinéa ne peut être réparé, éliminé ou résolu en suivant la procédure visée au paragraphe 2/2.
   § 2/2. En cas de suspension, le conseil communal dispose d'un délai de nonante jours prenant cours le lendemain de l'envoi de l'arrêté de suspension au collège des bourgmestre et échevins pour adopter à nouveau définitivement le règlement urbanistique communal. Lors de l'adoption définitive du règlement, seules des modifications basées sur l'arrêté de suspension ou en découlant peuvent être apportées par rapport au règlement suspendu.
   Le règlement urbanistique communal ainsi que le nouvel arrêté du conseil communal sont transmis à la députation et au département par envoi sécurisé immédiatement après l'adoption définitive.
   Si le conseil communal ne prend pas de nouvel arrêté d'adoption définitive du règlement urbanistique communal dans le délai précité de nonante jours, l'arrêté suspendu du conseil communal et le projet de règlement urbanistique communal deviennent caducs.
   Si l'arrêté d'adoption définitive du règlement urbanistique communal pris par le conseil communal n'a pas été suspendu ou abrogé en temps voulu, la décision du conseil communal d'adoption définitive du règlement urbanistique communal est publiée par extrait au Moniteur belge.]5

  [7 § 2/3.[8 Le conseil communal peut modifier les règlements communaux sur la bâtisse ou les règlements communaux d'urbanisme dans les marges visées au paragraphe 2.]8 ]7
  [8 § 2/4. Le conseil communal peut abroger, en tout ou en partie, les règlements communaux sur la bâtisse ou les règlements communaux d'urbanisme par arrêté du conseil communal conformément aux dispositions visées au paragraphe 2.
   Le collège des bourgmestre et échevins prend les mesures nécessaires en vue de l'abrogation.
   En cas d'une simple abrogation d'un règlement établi avant le 1er septembre 2009, les dispositions visées au paragraphe 2, alinéas 6 à 8, ne s'appliquent pas et le conseil communal peut procéder immédiatement à l'abrogation.
   Le présent paragraphe n'accorde en aucune cas une exemption de l'application des dispositions relatives à l'évaluation des incidences sur l'environnement concernant des plans et programmes figurant dans le chapitre II du titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
   L'arrêté du conseil communal est transmis au département et publié par extrait au Moniteur belge.]8

  
Art. 2.3.3. De voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen heffen, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de bepalingen van de bestaande stedenbouwkundige verordeningen die daar strijdig mee zijn, van rechtswege op [1 , onverminderd de toepassing van artikel 4.4.1, § 3, tweede lid]1.
  
Art. 2.3.3. Les prescriptions des plans d'exécution spatiaux abrogent de plein droit, pour ce qui concerne le territoire auquel elles se rapportent, les dispositions des règlements urbanistiques existants qui y seraient contraires [1 , sans préjudice de l'application de l'article 4.4.1, § 3, alinéa deux]1.
  
HOOFDSTUK IV. - Recht van voorkoop, onteigening en aankoopplicht
CHAPITRE IV. - Droit de préemption, expropriation et obligation d'achat
Afdeling 1. - Het recht van voorkoop
Division 1re. - Le droit de préemption
Art. 2.4.1. Het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten, de intercommunales, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten, alsook de vennootschappen die een erkenning hebben van die instellingen of besturen kunnen, ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, een recht van voorkoop uitoefenen bij de verkoop van een onroerend goed dat gelegen is in die zones die in het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan als zones waar het voorkooprecht geldt, worden aangeduid.
  Het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten, de intercommunales, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest, alsook de vennootschappen die een erkenning hebben van die instellingen of besturen kunnen, ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan de Vlaamse Grondenbank verzoeken om in hun naam en voor hun rekening en binnen de door hen gestelde voorwaarden, het recht van voorkoop uit te oefenen bij verkoop van onroerende goederen die gelegen zijn in die zones die in het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan als zones waar het recht van voorkoop geldt, worden aangeduid.
  Elk definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt voor elk van die zones welk bestuur, intercommunale, instelling of erkende vennootschap begunstigd is met het voorkooprecht. Indien meerdere instanties begunstigd worden, bepaalt het ruimtelijk uitvoeringsplan een rangorde.
  De eigenaars van de goederen, gelegen binnen de omtrek van de zones waar het voorkooprecht geldt, worden ten laatste op de dag van de inwerkingtreding van het uitvoeringsplan, bij aangetekend schrijven in hun woonplaats op de hoogte gesteld van dit feit. Dit gebeurt op basis van de kadastrale gegevens. [3 De brief vermeldt de adressen van een of meer instanties die begunstigde zijn van het voorkooprecht]3.
  Dat recht van voorkoop doet geen afbreuk aan een op 30 juli 1993 bestaand recht van voorkoop.
  Het recht van voorkoop is niet van toepassing op goederen die het voorwerp zijn van een handelshuurovereenkomst die afgesloten werd vóór 1 mei 2000.
  [2 De overheid die het ruimtelijk uitvoeringsplan vaststelt waarin een zone wordt aangegeven waar een voorkooprecht geldt, bepaalt in het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf de geldingsduur van het voorkooprecht. De termijn waarbinnen het voorkooprecht geldt, gaat in bij de inwerkingtreding van het plan. Deze kan evenwel niet meer bedragen dan 15 jaar. Na het verstrijken van de in het plan opgenomen termijn waarbinnen het voorkooprecht geldt, kan het voorkooprecht niet meer uitgeoefend worden, noch hoeven er nog aanbiedingen te gebeuren.]2
  [1 De overheid die het ruimtelijk uitvoeringsplan vaststelt waarin een zone wordt aangegeven waar een voorkooprecht geldt, bepaalt in het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf de geldingsduur van het voorkooprecht. De termijn waarbinnen het voorkooprecht geldt, gaat in bij de inwerkingtreding van het plan. Deze kan evenwel niet meer bedragen dan 15 jaar. Na het verstrijken van de in het plan opgenomen termijn waarbinnen het voorkooprecht geldt, kan het voorkooprecht niet meer uitgeoefend worden, noch hoeven er nog aanbiedingen te gebeuren.]1
  Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop. (1)
  
Art. 2.4.1. La Région flamande, les provinces, les communes, les intercommunales, les institutions qui relèvent de la Région flamande, aux provinces et aux communes, ainsi que les sociétés ayant été agréées par ces institutions ou administrations peuvent, en vue de la réalisation d'un plan d'exécution spatial, exercer un droit de préemption lors de la vente d'un bien immeuble situé dans l'une des zones désignées dans le plan d'exécution spatial définitivement établi comme zones relevant du droit de préemption.
  La Région flamande, les provinces, les communes, les intercommunales, les institutions qui relèvent de la Région flamande, ainsi que les sociétés agréées par ces institutions ou administrations, peuvent, en vue de la réalisation d'un plan d'exécution spatial, demander à la Banque foncière flamande d'exercer, en leur nom et pour leur compte et aux conditions fixées par elles, le droit de préemption en cas de vente de biens immobiliers situés dans l'une des zones désignées dans le plan d'exécution spatial définitivement fixé comme zones relevant du droit de préemption.
  Tout plan d'exécution spatial définitivement établi détermine pour chacune de ces zones, quelle administration, intercommunale, institution ou société agréée bénéficie du droit de préemption. Lorsque plusieurs instances bénéficient de ce droit, le plan d'exécution spatial déterminera un ordre de préséance.
  Les propriétaires des biens situés dans le périmètre des zones relevant du droit de préemption sont informés, au plus tard le jour de l'entrée en vigueur du plan d'exécution, de l'existence du droit de préemption, et ce, par lettre recommandée envoyée à leur domicile. Ceci a lieu sur la base des données cadastrales. [3 La lettre mentionne les adresses d'une ou de plusieurs instances bénéficiaires du droit de préemption]3.
  Ce droit de préemption ne porte nullement préjudice à tout droit de préemption existant le 30 juillet 1993.
  Le droit de préemption ne s'applique pas aux biens qui font l'objet d'un bail commercial conclu avant le 1er mai 2000.
  [2 L'autorité fixant le plan d'exécution spatial dans lequel une zone est indiquée où vaut un droit de préemption, détermine elle-même dans le plan d'exécution spatial la durée de validité du droit de préemption. Le délai dans lequel vaut le droit de préemption prend cours à partir de l'entrée en vigueur du plan. Elle ne peut toutefois être supérieure à 15 ans. Après l'échéance du délai dans lequel vaut le droit de préemption repris dans le plan, le droit de préemption ne peut plus être exercé, ni faut-il encore faire des offres.]2
  [1 L'autorité fixant le plan d'exécution spatial dans lequel une zone est indiquée où vaut un droit de préemption, détermine elle-même dans le plan d'exécution spatial la durée de validité du droit de préemption. Le délai dans lequel vaut le droit de préemption prend cours à partir de l'entrée en vigueur du plan. Ce délai ne peut toutefois être supérieur à 15 ans. Après l'échéance du délai dans lequel vaut le droit de préemption repris dans le plan, le droit de préemption ne peut plus être exercé, ni faut-il encore faire des offres.]1
  Le décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption est d'application au présent droit de préemption. (1)
  
Art. 2.4.2. Onverminderd de bepalingen van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten geldt het recht van voorkoop niet in geval van :
  1° verkoop van het goed aan een personenvennootschap waarvan de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierde van het kapitaal bezitten, in eenzelfde betrekking van bloedverwantschap, aanverwantschap of samenwoning staan tot de verkoper als vermeld onder artikel 8, 1°, van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;
  2° verkoop van loten in een verkaveling vergund na de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan, voor zover de [1 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 werd aangevraagd door het Vlaamse Gewest, een provincie, een gemeente, een intercommunale, een instelling die ressorteert onder het Vlaamse Gewest, de provincie of de gemeente, of een vennootschap die een erkenning heeft van dergelijke instelling of bestuur. (2) (3)
  Nota's
  (1) (Overgangsbepaling) Tot de door de Vlaamse Regering te bepalen inwerkingtredingsdatum van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten luidt dit artikel als volgt :
  Het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten, de intercommunales, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten, alsook de vennootschappen die een erkenning hebben van die instellingen of besturen kunnen, ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, een recht van voorkoop uitoefenen bij de verkoop van een onroerend goed dat gelegen is in die zones die in het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan als zones waar het voorkooprecht geldt, worden aangeduid.
  Het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten, de intercommunales, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest, alsook de vennootschappen die een erkenning hebben van die instellingen of besturen kunnen, ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan de Vlaamse Grondenbank verzoeken om in hun naam en voor hun rekening en binnen de door hen gestelde voorwaarden, het recht van voorkoop uit te oefenen bij verkoop van onroerende goederen die gelegen zijn in die zones die in het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan als zones waar het recht van voorkoop geldt, worden aangeduid.
  Elk definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt voor elk van die zones welk bestuur, intercommunale, instelling of erkende vennootschap begunstigd is met het voorkooprecht. Indien meerdere instanties begunstigd worden, bepaalt het ruimtelijk uitvoeringsplan een rangorde.
  De eigenaars van de goederen, gelegen binnen de omtrek van de zones waar het voorkooprecht geldt, worden ten laatste op de dag van de inwerkingtreding van het uitvoeringsplan, bij aangetekend schrijven in hun woonplaats op de hoogte gesteld van dit feit. Dit gebeurt op basis van de kadastrale gegevens. De brief vermeldt de adressen van de instantie of instanties die moeten aangeschreven worden voor een eventueel aanbod van het voorkooprecht.
  Dat recht van voorkoop doet geen afbreuk aan een op 30 juli 1993 bestaand recht van voorkoop.
  Het recht van voorkoop is niet van toepassing op goederen die het voorwerp zijn van een handelshuurovereenkomst die afgesloten werd vóór 1 mei 2000.
  Het voorkooprecht geldt slechts voor openbare verkopen waarvan de eerste of enige zitdag gehouden wordt twee maand of meer na de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan en verkopen uit de hand waarvan de akte wordt verleden vier maand of meer na de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
  Het recht van voorkoop vervalt wanneer het niet wordt uitgeoefend binnen een termijn van acht jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
  Titel IV, hoofdstukken I en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen is van toepassing op dit recht van voorkoop.
  (2) (Overgangsbepaling) Tot de door de Vlaamse Regering te bepalen inwerkingtredingsdatum van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten luidt dit artikel als volgt :
  Het recht van voorkoop geldt niet in geval van :
  1° verkoop van het goed aan de echtgenoot, de samenwonende partner of de kinderen van de eigenaar;
  2° verkoop van het goed aan de echtgenoot, de samenwonende partner of de kinderen van de mede-eigenaar;
  3° verkoop van het goed aan de ascendenten en de verwanten in de zijlijn tot in de tweede graad van de eigenaar;
  4° verkoop van het goed aan een personenvennootschap waarvan de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierde van het kapitaal bezitten, in eenzelfde betrekking van bloedverwantschap, aanverwantschap of samenwoning staan tot de verkoper als vermeld onder 1°, 2° of 3°;
  5° verkoop van loten in een verkaveling vergund na de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan, voorzover de verkavelingsvergunning werd aangevraagd door het Vlaamse Gewest, een provincie, een gemeente, een intercommunale, een instelling die ressorteert onder het Vlaamse Gewest, de provincie of de gemeente, of een vennootschap die een erkenning heeft van dergelijke instelling of bestuur.
  (3) (Overgangsbepaling) Tot de door de Vlaamse Regering te bepalen inwerkingtredingsdatum van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten gelden tevens volgende bepalingen :
  
Art. 2.4.2. Sans préjudice des dispositions du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption, le droit de préemption ne s'applique pas en cas de :
  1° vente du bien à une société de personnes dont les associés actifs ou les associés qui détiennent au moins trois quarts du capital, présentent le même lien de parenté, d'alliance ou de cohabitation avec le vendeur que ceux qui sont visés à l'article 8, 1°, du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption;
  2° vente de parcelles dans un lotissement dont le permis a été délivré après l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial, pour autant que le [1 permis d'environnement pour le lotissement de sols]1 ait été demandé par la Région flamande, une province, une commune, une intercommunale, une institution qui relève de la Région flamande, la province ou la commune, ou une société agréée par une telle institution ou administration. (2) (3)
  Notes
  (1) Disposition transitoire) Jusqu'à la date d'entrée en vigueur, à déterminer par le Gouvernement flamand, du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption, le présent article est rédigé comme suit :
  La Région flamande, les provinces, les communes, les intercommunales, les institutions qui relèvent de la Région flamande, des provinces et des communes, ainsi que les sociétés ayant été agréées par ces institutions ou administrations peuvent, en vue de la réalisation d'un plan d'exécution spatial, exercer un droit de préemption lors de la vente d'un bien immeuble situé dans l'une des zones désignées dans le plan d'exécution spatial définitivement établi comme zones relevant du droit de préemption.
  La Région flamande, les provinces, les communes, les intercommunales, les institutions qui relèvent de la Région flamande, ainsi que les sociétés agréées par ces institutions ou administrations, peuvent, en vue de la réalisation d'un plan d'exécution spatial, demander à la Banque foncière flamande d'exercer, en leur nom et pour leur compte et aux conditions fixées par elles, le droit de préemption en cas de vente de biens immobiliers situés dans l'une des zones désignées dans le plan d'exécution spatial définitivement fixé comme zones relevant du droit de préemption.
  Tout plan d'exécution spatial définitivement établi détermine pour chacune de ces zones, quelle administration, intercommunale, institution ou société agréée bénéficie du droit de préemption. Lorsque plusieurs instances bénéficient de ce droit, le plan d'exécution spatial déterminera un ordre de préséance.
  Les propriétaires des biens situés dans le périmètre des zones relevant du droit de préemption sont informés, au plus tard le jour de l'entrée en vigueur du plan d'exécution, de l'existence du droit de préemption, et ce, par lettre recommandée envoyée à leur domicile. Ceci a lieu sur la base des données cadastrales. La lettre fera mention des adresses de l'instance ou des instances qui doit/doivent être contactée(s) pour une offre éventuelle du droit de préemption.
  Ce droit de préemption ne porte nullement préjudice à tout droit de préemption existant le 30 juillet 1993.
  Le droit de préemption ne s'applique pas aux biens qui font l'objet d'un bail commercial conclu avant le 1er mai 2000.
  Le droit de préemption ne s'applique qu'aux ventes publiques dont le premier ou unique jour de vente est organisé deux mois ou davantage après l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial, ainsi qu'aux ventes de gré à gré dont la passation de l'acte intervient quatre mois ou davantage après l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial.
  Le droit de préemption cesse de produire ses effets lorsqu'il n'est pas exercé dans un délai de huit ans, à compter de l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial.
  Le titre IV, chapitres I et VI, du décret du 16 juin 2006 portant création d'une " Vlaamse Grondenbank " (Banque foncière flamande) et portant modification de diverses dispositions, est d'application au présent droit de préemption.
  (2) (Disposition transitoire) Jusqu'à la date d'entrée en vigueur, à déterminer par le Gouvernement flamand, du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption, le présent article est rédigé comme suit :
  Le droit de préemption ne s'applique pas en cas de :
  1° vente du bien à l'époux ou épouse, au partenaire cohabitant ou aux enfants du propriétaire;
  2° vente du bien à l'époux ou épouse, au partenaire cohabitant ou aux enfants du copropriétaire;
  3° vente du bien aux ascendants et collatéraux jusqu'au deuxième degré du propriétaire;
  4° vente du bien à une société de personnes dont les associés actifs ou les associés qui détiennent au moins trois quarts du capital présentent le même lien de parenté, d'alliance ou de cohabitation avec le vendeur que ceux qui sont visés aux points 1 °, 2° ou 3;
  5° vente de lots dans un lotissement dont le permis a été octroyé après l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial, pour autant que le permis de lotir ait été demandé par la Région flamande, une province, une commune, une intercommunale, une institution qui relève de la Région flamande, la province ou la commune, ou une société agréée par une telle institution ou administration.
  (3) (Disposition transitoire) Jusqu'à la date d'entrée en vigueur, à déterminer par le Gouvernement flamand, du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption, le présent article est rédigé comme suit :
  
Art. 2.4.2 /1. Het goed kan slechts verkocht worden nadat de instrumenterende ambtenaar aan de begunstigden van het recht van voorkoop de gelegenheid heeft gegeven om hun voorkooprecht uit te oefenen en de verkoper hiervan op de hoogte heeft gesteld.
Art. 2.4.2 /1. Le bien ne peut être vendu qu'après que le fonctionnaire instrumentant a donné l'occasion aux bénéficiaires du droit de préemption d'exercer ce droit et qu'il en a informé le vendeur.
Art. 2.4.2 /2. § 1. Bij een openbare verkoop brengt de instrumenterende ambtenaar ten minste één maand vooraf de Vlaamse Grondenbank bij aangetekende brief op de hoogte van plaats, dag en uur van de verkoop.
  § 2. Als de verkoop wordt gehouden zonder voorbehoud van eventuele uitoefening van het recht van hoger bod, vraagt de instrumenterende ambtenaar bij het einde van de opbieding en vóór de toewijzing, in het openbaar aan de begunstigden van het recht van voorkoop of aan de Vlaamse Grondenbank indien zij verzocht wordt de beslissing tot uitoefening van het recht van voorkoop uit te voeren, of zij dat recht wensen uit te oefenen.
  Willen twee of meer begunstigden hun recht uitoefenen, dan wordt het goed toegewezen aan die welke de hoogste rangorde heeft.
  § 3. Als de verkoop wordt gehouden onder voorbehoud van eventuele uitoefening van het recht van hoger bod, is de instrumenterende ambtenaar er niet toe gehouden aan de begunstigden van het recht van voorkoop of aan de Vlaamse Grondenbank indien zij verzocht wordt de beslissing tot uitoefening van het recht van voorkoop uit te voeren te vragen of zij hun recht van voorkoop uitoefenen.
  Als er geen hoger bod wordt gedaan of als de instrumenterende ambtenaar het hoger bod niet aanneemt, betekent de instrumenterende ambtenaar het laatste bod aan de Vlaamse Grondenbank en vraagt hij of de begunstigde van het recht van voorkoop of de Vlaamse Grondenbank indien zij verzocht wordt de beslissing om het recht van voorkoop uit te oefenen uit te voeren, het recht van voorkoop wenst uit te oefenen. Als deze binnen een termijn van vijftien dagen hun instemming niet aan de instrumenterende ambtenaar hebben betekend bij aangetekend schrijven of die instemming niet hebben gegeven in een akte van de instrumenterende ambtenaar, is de toewijzing definitief. Hebben twee of meer begunstigden de aanvaarding laten betekenen dan geldt de rangorde die werd vastgesteld overeenkomstig artikel 2.4.1, derde lid.
  Als er wel een hoger bod is, wordt dit door de instrumenterende ambtenaar aan de Vlaamse Grondenbank en aan de koper meegedeeld. In dat geval gelden opnieuw de bepalingen van §§ 1 en 2. De Vlaamse Grondenbank zal deze kennisgeving op haar beurt mededelen aan de begunstigden van het recht van voorkoop.
Art. 2.4.2 /2. § 1er. Lors d'une vente publique, le fonctionnaire instrumentant informe au moins un mois à l'avance la Banque foncière flamande du lieu, de la date et de l'heure de la vente, et ce, par lettre recommandée.
  § 2. Lorsque la vente a lieu sans réserve de l'exercice éventuel du droit de surenchère, le fonctionnaire instrumentant demande en public, à la fin de la surenchère et avant l'attribution, aux bénéficiaires du droit de préemption ou à la Banque foncière flamande, lorsque cette dernière est sollicitée d'exécuter la décision d'exercer le droit de préemption, s'ils souhaitent exercer ce droit.
  Lorsque deux ou davantage de bénéficiaires exercent leur droit, le bien est attribué au premier bénéficiaire dans l'ordre de préséance.
  § 3. Lorsque la vente est organisée sous réserve de l'exercice éventuel du droit de surenchère, le fonctionnaire instrumentant n'est pas tenu de demander aux bénéficiaires du droit de préemption ou à la Banque foncière flamande, lorsque cette dernière est sollicitée d'exécuter la décision d'exercer le droit de préemption, s'ils font valoir leur droit de préemption.
  Lorsqu'aucune surenchère n'est faite ou lorsque le fonctionnaire instrumentant n'accepte pas la surenchère, le fonctionnaire instrumentant notifie la dernière offre à la Banque foncière flamande et demande aux bénéficiaires du droit de préemption ou à la Banque foncière flamande, si cette dernière est sollicitée d'exécuter la décision d'exercer le droit de préemption, s'ils veulent ou non faire valoir leur droit de préemption. Lorsque ceux-ci n'ont pas notifié dans un délai de quinze jours et par lettre recommandée le fonctionnaire instrumentant de leur accord ou qu'ils n'ont pas signifié cet accord dans un acte du fonctionnaire instrumentant, l'attribution est définitive. Lorsque deux ou plus de bénéficiaires ont fait notifié l'acceptation, l'ordre de rang fixé conformément à l'article 2.4.1, troisième alinéa, vaut.
  Cependant, lorsqu'il y a surenchère, elle sera communiquée à la Banque foncière flamande et à l'acquéreur par le fonctionnaire instrumentant. Dans ce cas, les dispositions du § 1er et du § 2 valent à nouveau. La Banque foncière flamande communiquera à son tour cette notification aux bénéficiaires du droit de préemption.
Art. 2.4.2 /3. § 1. Bij een verkoop uit de hand brengt de instrumenterende ambtenaar de Vlaamse Grondenbank bij aangetekende brief op de hoogte van de inhoud van de akte, waarbij alleen de identiteit van de koper opengelaten wordt. De akte wordt opgesteld onder opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van het recht van voorkoop. Deze kennisgeving geldt als aanbod van verkoop.
  § 2. De overheden, vermeld in artikel 2.4.1, tweede lid, of de Vlaamse Grondenbank indien zij verzocht wordt de beslissing om het voorkooprecht uit te oefenen uit te voeren brengen de instrumenterende ambtenaar bij aangetekende brief op de hoogte binnen twee maanden na de kennisgeving, vermeld in § 1, indien ze het aanbod aanvaarden. De verkoop komt bij de aanvaarding tot stand onder opschortende voorwaarde van de niet-uitoefening van het recht van voorkoop door een begunstigde van een hogere rang. De eigenaar en de instrumenterende ambtenaar worden per aangetekende brief op de hoogte gebracht van de aanvaarding door één van de begunstigden.
  § 3. Wordt het voorkooprecht niet uitgeoefend binnen de termijn vermeld in § 2, dan mag de eigenaar het goed niet uit de hand verkopen tegen een lagere prijs of tegen gunstiger voorwaarden zonder nieuwe kennisgeving aan de Vlaamse Grondenbank.
  § 4. De instrumenterende ambtenaar voor wie een akte van verkoop uit de hand wordt verleden met betrekking tot een goed waarop een recht van voorkoop rust, moet binnen één maand na de registratie ervan, aan de Vlaamse Grondenbank de prijs en de voorwaarden van de verkoop bekendmaken.
Art. 2.4.2 /3. § 1er. En cas de vente de gré à gré, le fonctionnaire instrumentant informe la Banque foncière flamande, par lettre recommandée, du contenu de l'acte, omettant uniquement l'identité de l'acquéreur. L'acte est établi moyennant la condition suspensive de non-exercice du droit de préemption. Cette notification tient lieu d'offre de vente.
  § 2. Les autorités visées à l'article 2.4.1, deuxième alinéa ou la Banque foncière flamande, si cette dernière est sollicitée d'exécuter la décision d'exercer le droit de préemption informent le fonctionnaire instrumentant par lettre recommandée dans les deux mois suivant la notification visée au § 1er, lorsqu'elles acceptent l'offre. En cas d'acceptation, la vente se réalise sous condition suspensive du non-exercice du droit de préemption par un bénéficiaire d'un rang supérieur. Le propriétaire et le fonctionnaire instrumentant sont informés par lettre recommandée de l'acceptation par un des bénéficiaires.
  § 3. Lorsque le droit de préemption n'est pas exercé dans le délai visé au § 2, le propriétaire ne peut pas vendre le bien de gré à gré à un prix inférieur ou à des conditions plus favorables sans nouvelle notification à la Banque foncière flamande.
  § 4. Le fonctionnaire instrumentant devant lequel est passé un acte de vente relatif à un bien grevé d'un droit de préemption doit communiquer le prix et les conditions de la vente à la Banque foncière flamande, dans le mois suivant l'enregistrement.
Art. 2.4.2 /4. In geval van verkoop met miskenning van het recht van voorkoop heeft elke begunstigde van het recht van voorkoop of de Vlaamse Grondenbank indien zij verzocht wordt de beslissing om het recht van voorkoop uit te oefenen uit te voeren, het recht, ofwel de indeplaatsstelling te vorderen van de koper, ofwel van de verkoper een schadevergoeding te eisen ten bedrage van twintig percent van de verkoopprijs. Bij samenloop van begunstigden wordt de rangorde gevolgd die werd vastgesteld overeenkomstig artikel 2.4.1, derde lid.
  De vordering moet gelijktijdig tegen de verkoper en de eerste koper worden ingesteld. De vordering is pas ontvankelijk na inschrijving op de kant van de overschrijving van de betwiste akte en zo nodig op de kant van de overschrijving van de laatst overgeschreven titel.
  De indeplaatsgestelde betaalt aan de koper de prijs terug die deze heeft betaald, en ook de kosten van de akte. Hij is slechts gebonden aan de verplichtingen die voor de koper voortvloeien uit de authentieke akte van verkoop en aan de lasten waarin de koper heeft toegestemd, voorzover die lasten zijn ingeschreven of overgeschreven vóór de inschrijving van zijn eis.
  De vordering tot indeplaatsstelling en de vordering tot schadeloosstelling verjaren, bij openbare verkoop, na drie maanden vanaf de definitieve toewijzing en bij verkoop uit de hand, na drie maanden vanaf de kennisgeving aan de Vlaamse Grondenbank. De Vlaamse Grondenbank zal op haar beurt deze kennisgeving doorgeven aan de begunstigden van het recht van voorkoop. Bij het uitblijven van die kennisgeving verjaart de vordering na twee jaar vanaf de overschrijving van de akte.
  Wanneer hij de vordering tot indeplaatsstelling inwilligt, geldt het vonnis van de rechter als titel. Elke uitspraak op een eis tot indeplaatsstelling wordt ingeschreven achter de inschrijving van de eis.
Art. 2.4.2 /4. En cas de vente avec préjudice du droit de préemption, chaque bénéficiaire du droit de préemption ou la Banque foncière flamande, si cette dernière est sollicitée d'exécuter la décision d'exercer le droit de préemption, a le droit, soit de se substituer à l'acquéreur, soit de réclamer de la part du vendeur des dommages et intérêts à concurrence de vingt pour cent du prix de vente. En cas de concours de bénéficiaires, l'ordre sera respecté, tel que fixé conformément à l'article 2.4.1, troisième alinéa.
  L'action doit être introduite simultanément contre le vendeur et contre le premier acquéreur. La requête n'est recevable qu'après inscription en marge de la transcription de l'acte contesté et si nécessaire, en marge de la transcription du dernier titre transcrit.
  Le délégué rembourse à l'acquéreur le prix que celui-ci a payé, ainsi que les frais de l'acte. Il n'est tenu qu'aux obligations qui découlent pour l'acquéreur de l'acte authentique de vente et aux charges sur lesquelles l'acquéreur a marqué son accord, pour autant que ces charges soient inscrites ou transcrites avant l'inscription de sa requête.
  L'action en subrogation et l'action en indemnisation sont prescrites trois mois après l'attribution définitive en cas de vente publique et en cas de vente de gré à gré, trois mois après la notification à la Banque foncière flamande. La Banque foncière flamande communiquera à son tour cette notification aux bénéficiaires du droit de préemption. Faute de notification, l'action est prescrite deux ans après la transcription de l'acte.
  Lorsqu'elle donne suite à l'action en subrogation, la décision du juge tient lieu de titre. Tout jugement relatif à une action en subrogation est inscrit derrière l'inscription de la requête.
Afdeling 2. - Onteigening
Division 2. - Expropriation
Art. 2.4.3. § 1. Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, kan door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht.
  § 2. [1 ...]1
  
Art. 2.4.3. § 1er. Toute acquisition de biens immeubles, requise pour la réalisation des plans d'exécution spatiaux, peut être réalisée par la voie de l'expropriation pour cause d'utilité publique.
  § 2. [1 ...]1
  
Art. 2.4.4. § 1. [3 ...]3
  § 2. [3 ...]3
  Het onteigeningsplan dat na het ruimtelijk uitvoeringsplan waarvan het de verwezenlijking beoogt, wordt opgemaakt, dient uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van dat ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld te worden [3 ...]3.
  [3 ...]3
  
Art. 2.4.4. § 1er. [3 ...]3
  § 2. [3 ...]3
  Le plan d'expropriation, qui est établi postérieurement au plan d'exécution spatial dont il vise la réalisation, doit être définitivement fixé au plus tard 5 ans après l'entrée en vigueur de ce plan d'exécution spatial [3 ...]3.
  [3 ...]3
  
Art. 2.4.5. Op verzoek van de onteigenende instantie [1 wordt de afdeling Vastgoedtransacties bij de Vlaamse Belastingdienst]1 belast met alle aankopen en onteigeningen van percelen ter uitvoering van de ruimtelijke uitvoeringsplannen.
  
Art. 2.4.5. A la demande du pouvoir expropriant,[1 la division Transactions immobilières du Service flamand des Impôts est chargée]1 de toutes les acquisitions et expropriations de parcelles à effectuer pour l'exécution des plans d'exécution spatiaux.
  
Art. 2.4.9. De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begroting, subsidies verlenen aan provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare instellingen en aan de organen die door de Vlaamse Regering gemachtigd zijn tot onteigening voor het algemeen belang, als tegemoetkoming in :
  1° de verwerving, met inbegrip van de onteigening en de inrichting van gronden en panden, ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg;
  2° de uitbouw en/of toepassing van specifieke instrumenten voor de voorbereiding van de oprichting van een grond- en pandenbank of de ondersteuning van ruil- en herverkavelingsinitiatieven.
  De Vlaamse Regering kan haar waarborg verlenen voor de goede afloop van leningen die door provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare instellingen en ook door de organen die door de Vlaamse Regering gemachtigd zijn tot onteigening ten algemenen nutte, worden aangegaan voor de verwerving, met inbegrip van de onteigening, en de inrichting van gronden en panden, ter verwezenlijking van een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid. De gronden of panden worden verworven met het oog op projecten die betrekking hebben op de aanleg van het openbaar domein ten voordele van zwakke weggebruikers of van het openbaar vervoer of op de verbetering van groenvoorzieningen en de woonomgeving.
Art. 2.4.9. Le Gouvernement flamand peut, dans les limites du budget, octroyer des subventions à des provinces, communes, associations de communes, institutions publiques, ainsi qu'aux organes habilités par le Gouvernement flamand à procéder à des expropriations pour cause d'utilité publique, en tant qu'intervention dans :
  1° l'acquisition, en ce compris l'expropriation et l'aménagement de terrains et d'immeubles, en vue de la réalisation d'un plan d'exécution spatial ou d'un plan d'aménagement;
  2° l'élaboration et/ou l'application d'instruments spécifiques pour préparer la création d'une banque foncière et immobilière ou pour soutenir des initiatives de remembrement ou de relotissement.
  Le Gouvernement flamand peut accorder sa garantie pour la bonne issue des prêts contractés par les provinces, communes, associations de communes, institutions publiques, ainsi que par les organes habilités par le Gouvernement flamand à procéder à des expropriations pour cause d'utilité publique, pour l'acquisition, en ce compris l'expropriation et l'aménagement, de terrains en vue de la réalisation d'un plan d'aménagement ou d'un plan d'exécution spatial.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour l'exécution du premier et du deuxième alinéa. Les terrains ou immeubles sont acquis en vue de la réalisation de projets ayant trait à l'aménagement du domaine public au profit des usagers de la route vulnérables ou des usagers des transports publics, ou à l'optimisation des espaces verts et de l'environnement d'habitat.
Afdeling 3. - Aankoopplicht
Division 3. - Obligation d'achat
Art. 2.4.10. [1 § 1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest, de provincie of de gemeente de verwerving daarvan eisen als hij aantoont dat ten gevolge van de vaststelling van een of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt.
   De bepalingen van titel 3, hoofdstuk 1 tot en met 6, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 zijn van toepassing op die koopplicht.
   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de koopplicht, vermeld in paragraaf 1.]1

  
Art. 2.4.10. [1 § 1er. Le propriétaire d'un bien immobilier peut exiger de la Région flamande, de la province ou de la commune l'acquisition de ce bien s'il démontre que l'établissement d'un ou plusieurs plans d'exécution spatiaux consécutifs ou non a gravement compromis la viabilité de l'exploitation existante.
   Les dispositions du titre 3, chapitres 1er à 6, du Décret Instruments du 26 mai 2023 s'appliquent à cette obligation d'acquisition.
   § 2. Le Gouvernement flamand arrête les modalités et la procédure de l'obligation d'acquisition visée au paragraphe 1er.]1

  
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
Art. 2.5.1.   
Art. 2.5.1.   
Art. 2.5.2.   
Art. 2.5.2.   
HOOFDSTUK VI. - Planschade en planbaten
CHAPITRE VI. - Dommages et bénéfices résultant de la planification spatiale
Afdeling 1. - Planschade
Division 1re. - Dommages résultant de la planification spatiale
Onderafdeling 1. [1 Algemene bepalingen]1
Sous-division 1re. [1 Dispositions générales]1
Art. 2.6.1. [1 § 1. De ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen erfdienstbaarheden van openbaar nut doen ontstaan en eigendomsbeperkingen inhouden, met inbegrip van een bouwverbod.
   In de gevallen, vermeld in paragraaf 2 en 3, kan een bouw- of verkavelingsverbod dat volgt uit de definitieve vaststelling van een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan, aanleiding geven tot een planschadevergoeding.
   § 2. Planschadevergoeding wordt toegekend als een perceel volgens de voor dat perceel toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van het nieuwe ruimtelijk uitvoeringsplan niet meer in aanmerking komt voor een vergunning om te bouwen als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, of om te verkavelen, terwijl het volgens de op het perceel toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die golden op de dag die aan de inwerkingtreding van dat definitieve plan voorafging, wel in aanmerking kwam voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen, of voor een gemeenteraadsbesluit tot volledige of gedeeltelijke vrijgave van een woonreservegebied als vermeld in artikel 5.6.11.
   § 3. Er is geen planschadevergoeding verschuldigd in de volgende gevallen:
   1° bij een verbod om te bouwen of te verkavelen als gevolg van een vastgestelde en, in voorkomend geval, goedgekeurde onteigeningsbeslissing;
   2° bij een verbod om een grotere oppervlakte van een perceel te bebouwen dan het ruimtelijk uitvoeringsplan toestaat, of om bij een verkaveling de door het plan bepaalde bebouwingsdichtheid te overschrijden;
   3° bij een verbod om de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven voort te zetten na het verstrijken van de termijn waarvoor de milieuvergunning of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit was verleend;
   4° bij een verbod om te bouwen op een stuk grond dat de minimumafmetingen niet heeft die in een ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld zijn;
   5° bij een verbod om te bouwen of te verkavelen buiten de bebouwde kernen wegens de dwingende eisen van de verkeersveiligheid;
   6° bij een verbod om een stuk grond te verkavelen waarvoor een vroeger verleende verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden vervallen was op de datum van de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg dat het vermelde verbod inhoudt;
   7° bij een weigering van een aanvraag om de functie van een gebouw te wijzigen; 8° als de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt en berekend is conform artikel 2.6.2, § 1, niet meer bedraagt dan 20% van de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op vergoeding en verhoogd met de lasten en kosten.]1

  
Art. 2.6.1. [1 § 1er. Les plans d'exécution spatiaux peuvent faire naître des servitudes d'utilité publique et comporter des restrictions de propriété, y compris une interdiction de construire.
   Dans les cas visés aux paragraphes 2 et 3, une interdiction de construire ou de lotir résultant de l'établissement définitif d'un nouveau plan d'exécution spatial peut donner lieu à une indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale.
   § 2. L'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale est accordée lorsque, selon les prescriptions urbanistiques du nouveau plan d'exécution spatial applicables à une parcelle, cette parcelle n'entre plus en ligne de compte pour un permis de construire, tel que visé à l'article 4.2.1, 1°, ou de lotir, alors que, selon les prescriptions urbanistiques applicables à la parcelle et reprises aux plans d'aménagement ou plans d'exécution spatiaux en vigueur le jour précédant l'entrée en vigueur de ce plan définitif, elle entrait bien en ligne de compte pour un permis de construire ou de lotir, ou pour une décision du conseil communal de libérer tout ou partie d'une zone de réserve résidentielle telle que visée à l'article 5.6.11.
   § 3. Aucune indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale n'est due dans les cas suivants :
   1° en cas d'interdiction de construire ou de lotir à la suite d'une décision d'expropriation établie et, le cas échéant, approuvée ;
   2° en cas d'interdiction de construire sur une superficie plus grande d'une parcelle que celle autorisée par le plan d'exécution spatial, ou en cas de lotissement, de dépasser la densité de construction déterminée par le plan ;
   3° en cas d'interdiction de poursuivre l'exploitation d'établissements dangereux, insalubres et incommodes à l'expiration du délai pour lequel l'autorisation écologique ou le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) avait été accordé(e) ;
   4° en cas d'interdiction de construire sur un terrain qui ne présente pas les dimensions minimales fixées dans un plan d'exécution spatial ;
   5° en cas d'interdiction de construire ou de lotir en dehors des agglomérations en raison d'exigences impératives de la sécurité routière ;
   6° en cas d'interdiction de lotir un terrain pour lequel le permis de lotir ou le permis d'environnement pour le lotissement de terrains accordé antérieurement était échu à la date de l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial ou du plan d'aménagement contenant l'interdiction visée ;
   7° en cas de refus d'une demande de modification de la fonction d'un bâtiment ; 8° si la dépréciation éligible à une indemnisation, et calculée conformément à l'article 2.6.2, § 1er, ne dépasse pas 20 % de la valeur du bien au moment de l'acquisition, actualisée jusqu'à la date de naissance du droit à l'indemnisation et majorée des charges et frais.]1

  
Art. 2.6.2. § 1. [3 Alleen de waardevermindering die voortvloeit uit het plan, vermeld in artikel 2.6.1, § 2, kan in aanmerking komen voor planschadevergoeding.
   Het recht op planschadevergoeding wordt geregeld in het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.]3

  § 2. [3 ...]3
  § 3. [3 ...]3
  § 4. Wanneer krachtens een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan een bouwverbod kan worden tegengeworpen aan degene die een perceel in een verkaveling heeft aangekocht, kan het gewest, de provincie of de gemeente zich aan de verplichting tot planschadevergoeding onttrekken door dat perceel, in onderling akkoord, van de betrokkene terug te kopen, op voorwaarde dat hem de betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en kosten, en geactualiseerd aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen, wordt terugbetaald.
  [3 De betrokkene, het gewest, de provincie of de gemeente kan voor de toepassing van het eerste lid een beroep doen op de Vlaamse Grondenbank. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van een vraag of aanbod tot koop.]3
  [3 Als het perceel, vermeld in het eerste lid, het enige onroerende goed is waarvan de betrokkene eigenaar is, kan hij de terugkoop door het gewest, de provincie of de gemeente eisen. De bepalingen van titel 3, hoofdstuk 1 tot en met 6, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 zijn van toepassing op die koopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die koopplicht.]3
  
Art. 2.6.2. § 1er. [3 Seule la dépréciation résultant du plan, visée à l'article 2.6.1, § 2, est éligible à une indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale.
   Le droit à l'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale est réglé au Décret Instruments du 26 mai 2023.]3

  § 2. [3 ...]3
  § 3. [3 ...]3
  § 4. Lorsque, en vertu d'un plan d'exécution spatial définitivement établi, une interdiction de construire peut être opposée à celui qui a acheté une parcelle dans un lotissement, la région, la province ou la commune peut se soustraire à l'obligation d'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale en rachetant, d'un commun accord, la parcelle à l'intéressé, à condition que le prix payé, majoré des charges et frais et actualisé sur la base de l'indice des prix à la consommation, lui soit remboursé.
  [3 L'intéressé, la région, la province ou la commune peut faire appel à la Banque foncière flamande pour l'application de l'alinéa 1er. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives au traitement d'une demande ou offre de vente.]3
  [3 Si la parcelle visée à l'alinéa 1er est le seul bien immobilier dont l'intéressé est le propriétaire, il peut réclamer le rachat par la région, la province ou la commune. Les dispositions du titre 3, chapitres 1er à 6, du Décret Instruments du 26 mai 2023 s'appliquent à cette obligation d'acquisition. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour cette obligation d'acquisition.]3
  
Art. 2.6.3. [1 ...]1
  De planschadevergoeding is verschuldigd door de overheid die het ruimtelijk uitvoeringsplan opmaakte waardoor de planschade is ontstaan.
  
Art. 2.6.3. [1 ...]1
  L'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale est due par l'autorité qui a établi le plan d'exécution spatial ayant donné lieu à de tels dommages.
  
Afdeling 2. - Planbatenheffing
Division 2. - Taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale
Onderafdeling 1.
Sous-division 1re.
Art. 2.6.4. Een planbatenheffing is verschuldigd wanneer een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan [1 ...]1 op een perceel één of meer van de hiernavolgende bestemmingswijzigingen doorvoert :
  1° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bos ", " overig groen " of " reservaat en natuur " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " wonen " valt;
  2° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " landbouw " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " wonen " valt;
  3° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " wonen " valt;
  4° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " gemeenschaps- en nutsvoorzieningen " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " wonen " valt;
  5° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bedrijvigheid " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " wonen " valt;
  6° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bos ", " overig groen " of " reservaat en natuur " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bedrijvigheid " valt;
  7° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " landbouw " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bedrijvigheid " valt;
  8° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bedrijvigheid " valt;
  9° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " gemeenschaps- en nutsvoorzieningen " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bedrijvigheid " valt;
  10° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " gemeenschaps- en nutsvoorzieningen " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " valt;
  11° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bos ", " overig groen " of " reservaat en natuur " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " valt;
  12° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " landbouw " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " valt;
  13° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bos ", " overig groen " of " reservaat en natuur " valt, naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " landbouw " valt;
  14° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " bos ", " overig groen " of " reservaat en natuur " valt, naar een zone die onder de subcategorie van gebiedsaanduiding " gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen " valt;
  15° de bestemmingswijziging van een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding " landbouw " valt, naar een zone die onder de subcategorie van gebiedsaanduiding " gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen " valt.
  
Art. 2.6.4. Une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est due lorsque l'entrée en vigueur d'un plan d'exécution spatial [1 ...]1 entraîne pour une parcelle, une ou plusieurs des modifications de destination suivantes :
  1° la modification de destination d'une zone qui relève des catégories d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " en une zone relevant de la catégorie d'affectation " habiter ";
  2° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " activités économiques " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " habiter ";
  3° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " récréation " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " habiter ";
  4° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " récréation " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " habiter ";
  5° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " activité économique " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " habiter ";
  6° la modification de destination d'une zone relevant des catégories d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " activité économique ";
  7° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " agriculture " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " activité économique ";
  8° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " récréation " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " activité économique ";
  9° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " services communautaires et d'utilité publique " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " activité économique ";
  10° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " services communautaires et d'utilité publique " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " récréation ";
  11° la modification de destination d'une zone qui relève des catégories d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " récréation ";
  12° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " agriculture " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " récréation ";
  13° la modification de destination d'une zone qui relève des catégories d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " en une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " agriculture ";
  14° la modification de destination d'une zone qui relève des catégories d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " en une zone relevant de la sous-catégorie d'affectation de zone " zone pour l'extraction des minéraux de surface ";
  15° la modification de destination d'une zone qui relève de la catégorie d'affectation de zone " agriculture ", en une zone relevant de la sous-catégorie d'affectation de zone " zone pour l'extraction des minéraux de surface ";
  
Art. 2.6.5. Er is geen planbatenheffing verschuldigd in volgende gevallen :
  1° wanneer de bestemmingswijziging niet voor gevolg heeft dat voortaan [2 een omgevingsvergunning]2 verkregen kan worden die vóór de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg niet verkregen kon worden;
  2° wanneer de bestemmingswijziging [3 ...]3 een perceelsgedeelte van minder dan 200 m.2 betreft;
  3° wanneer voor het perceel een ruimtelijk uitvoeringsplan, dan wel een bijzonder plan van aanleg, in werking treedt om te voldoen aan een verplichting tot planschadevergoeding;
  4° [3 ...]3;
  5° wanneer een perceel, begrepen in een niet-vervallen verkaveling, bestemd voor woningbouw, een voor woningbouw geëigende bestemming krijgt ten gevolge van het plan;
  6° [3 ...]3;
  7° [3 ...]3.
  [1 8° als het perceel is opgenomen in een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.]1
  
Art. 2.6.5. Aucune taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale n'est due dans les cas suivants :
  1° lorsque la modification de destination n'entraîne pas la possibilité d'obtenir [2 un permis d'environnement]2 qui ne pouvait pas être obtenu avant l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial ou du plan particulier d'aménagement;
  2° lorsque la modification de destination concerne [3 ...]3 une partie de parcelle de moins de 200 m.2
  3° lorsqu'un plan d'exécution spatiale ou un plan particulier d'aménagement entre en vigueur pour une parcelle afin de satisfaire à l'obligation d'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale;
  4° [3 ...]3
  5° lorsqu'une parcelle comprise dans un lotissement non délabré, destiné à la construction d'habitations, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
  6° [3 ...]3
  7° [3 ...]3
  [1 8° si la parcelle est reprise dans un plan d'échange de terres, tel que visé à l'article 2.1.65 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale.]1
  
Art. 2.6.6. Percelen die worden onteigend of overgedragen in der minne ten algemenen nutte worden van planbatenheffing vrijgesteld, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden :
  1° er wordt overeenkomstig [1 artikel 74 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017]1 geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die voortvloeit uit de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan, dan wel het bijzonder plan van aanleg;
  2° de onteigening, respectievelijk de overdracht in der minne ten algemenen nutte, gebeurt ten laste van de heffingsplichtige en niet ten aanzien van een derde-verkrijger.
  [2 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt proportioneel voor de oppervlakte waarop de onteigening of de overdracht in der minne ten algemenen nutte betrekking heeft.]2
  Indien de onteigening of de overdracht in der minne ten algemenen nutte plaatsvindt nadat de planbatenheffing, of een gedeelte daarvan, reeds is betaald, worden de reeds betaalde bedragen [2 naar rato van de toegekende vrijstelling]2 terugbetaald, evenwel zonder dat moratoriuminteresten verschuldigd zijn.
  
Art. 2.6.6. Les parcelles qui sont expropriées ou cessées à l'amiable pour cause d'utilité publique sont exemptées de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale, pour autant que les deux conditions suivantes soient remplies :
  1° conformément à l'[1 article 74 du Décret flamand sur les Expropriations du 24 février 2017]1 la plus-value qui découle des prescriptions du plan d'exécution spatial ou du plan particulier d'aménagement n'entre pas en ligne de compte;
  2° l'expropriation, respectivement la cession à l'amiable pour cause d'utilité publique, est à charge du redevable et non du tiers acquéreur.
  [2 L'exemption visée au premier alinéa s'applique proportionnellement à la surface concernée par l'expropriation ou la cession à l'amiable pour cause d'utilité publique.]2
  Si l'expropriation ou la cession à l'amiable pour cause d'utilité publique a lieu après que la taxe ou une partie de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale a déjà été payée, les montants payés seront remboursés [2 au prorata de l'exemption accordée]2, mais toutefois sans intérêts moratoires.
  
Art. 2.6.7. De planbatenheffing wordt in voorkomend geval opgeschort :
  1° gedurende de periode waarbinnen het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg geschorst is door[1 de Raad voor Vergunningsbetwistingen of"]1 de Raad van State;
  2° vanaf de betekening, aan de ambtenaar belast met het invorderen van de planbatenheffing, van de intentie om onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2.6.6, te onteigenen of te verwerven in der minne ten algemenen nutte, desgevallend tot en met de dag van de beslissing tot herroeping van deze intentie;
  3° gedurende de periode waarbinnen het perceel niet bebouwd kan worden ten gevolge van redenen eigen aan het perceel;
  4° gedurende de periode waarbinnen het perceel niet bebouwd kan worden ten gevolge van een erfdienstbaarheid van openbaar nut.
  De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen betreffende de mededeling van de redenen, de aanvang en de beëindiging van de opschorting, vermeld in het eerste lid, aan de ambtenaar belast met het invorderen van de planbatenheffing.
  
Art. 2.6.7. Dans le cas échéant, la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est suspendue :
  1° pendant la période au cours de laquelle le plan d'exécution spatial ou le plan particulier d'aménagement est suspendu[1 par le Conseil du Contentieux des Permis ou ]1 par le Conseil d'Etat;
  2° à partir de la signification au fonctionnaire chargé du recouvrement de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale, de l'intention d'exproprier ou d'acquérir à l'amiable pour cause d'utilité publique, sous les conditions mentionnées dans l'article 2.6.6, le cas échéant, jusqu'à la date de la révocation de cette intention;
  3° pendant la période au cours de laquelle la parcelle ne peut pas être bâtie pour des raisons qui lui sont propres;
  4° pendant la période au cours de laquelle la parcelle ne peut pas être bâtie en conséquence d'une servitude d'utilité publique.
  Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités concernant la communication au fonctionnaire chargé du recouvrement de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale des raisons, du commencement et de la fin de la suspension, comme mentionnés dans le premier alinéa.
  
Art. 2.6.7 /1. [1 § 1. Op verzoek van de belastingplichtige wordt de heffing opgeschort voor de percelen die het voorwerp uitmaken van een brownfieldconvenant, definitief gesloten overeenkomstig hoofdstuk III van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, indien voldaan is aan elk van volgende voorwaarden :
   1° de belastingplichtige is actor bij het brownfieldconvenant;
   2° op de datum van inwerkingtreding van het RUP is het brownfieldconvenant nog niet gerealiseerd;
   3° het verzoek tot opschorting gebeurt bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzendingsdatum vermeld op het aanslagbiljet of binnen een termijn van drie maanden na de definitieve afsluiting van het brownfieldconvenant.
   § 2. De opschorting vervalt van zodra de voorwaarden van het brownfieldconvenant niet of niet tijdig worden nageleefd. De opgeschorte heffing is in die gevallen alsnog verschuldigd. De belastingplichtige wordt hiervan in kennis gebracht.
   De opgeschorte heffing is niet verschuldigd als wordt vastgesteld dat het brownfieldproject tijdig werd gerealiseerd conform de in het brownfieldconvenant opgenomen voorwaarden. In dit geval worden de reeds betaalde bedragen terugbetaald, zonder dat moratoriuminteresten verschuldigd zijn.
   § 3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting en voor de kennisgeving aan de belastingplichtige van het einde van de opschorting.]1

  
Art. 2.6.7 /1. [1 § 1er. Sur la demande du contribuable, la taxe est suspendue pour les parcelles faisant l'objet d'une convention Brownfield, conclue définitivement conformément au chapitre III du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, s'il est satisfait à chacune des conditions suivantes :
   1° le contribuable est acteur de la convention Brownfield;
   2° à la date de l'entrée en vigueur du RUP, la convention Brownfield n'a pas encore été réalisée;
   3° la demande de suspension est introduite auprès de l'entité compétente de l'Administration flamande, dans un délai de trois mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi mentionnée sur la feuille d'imposition ou dans un délai de trois mois suivant la conclusion définitive de la convention Brownfield.
   § 2. La suspension échoit dès que les conditions de la convention Brownfield ne sont pas respectées ou ne sont pas respectées à temps. Dans ces cas, la redevance suspendue reste due. Le contribuable en est informé.
   La redevance suspendue n'est pas due s'il est constaté que la convention Brownfield a été réalisée à temps, conformément aux conditions reprises à la convention Brownfield. Dans ce cas, les montants déjà payés sont remboursés, sans que des intérêts moratoires sont dus.
   § 3. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à l'introduction et à l'acceptation de la demande de suspension, et relatives à la notification au contribuable de la fin de la suspension.]1

  
Art. 2.6.7 /2. [1 De heffingen die betrekking hebben op percelen die al voor de inwerkingtreding van artikel 2.6.7/1 het voorwerp uitmaken van een bestaand brownfieldconvenant, worden in afwijking van artikel 2.6.7/1, § 1, opgeschort als het verzoek tot opschorting gebeurt voor 31 december 2013.
   De paragrafen 2 en 3 van artikel 2.6.7/1 zijn overeenkomstig van toepassing.]1

  
Art. 2.6.7 /2. [1 Les redevances concernant des parcelles qui font l'objet, déjà avant l'entrée en vigueur de l'article 2.6.7/1, d'une convention Brownfield existante, sont suspendues, par dérogation à l'article 2.6.7/1, § 1er, si la demande de suspension se fait avant le 31 décembre 2013.
   Les paragraphes 2 et 3 de l'article 2.6.7/1 s'appliquent par analogie.]1

  
Onderafdeling 2. - Heffingsplicht
Sous-division 2. - Obligation de contribution
Art. 2.6.8. Heffingsplichtig is diegene die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg het eigendomsrecht of het bloot eigendomsrecht op het perceel kan laten gelden.
  De heffingsplicht gaat over op de natuurlijke of rechtspersoon waaraan het eigendomsrecht of bloot eigendomsrecht, vermeld in het eerste lid, kosteloos of ingevolge erfopvolging of testament wordt overgedragen.
Art. 2.6.8. Le redevable est la personne qui peut faire valoir son droit de propriété ou son droit de nue-propriété sur la parcelle au moment de l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial ou du plan particulier d'aménagement concerné.
  L'obligation de contribution est transmise à la personne physique ou morale à laquelle le droit de propriété ou le droit de nue-propriété, visé au premier alinéa, est transmis gratuitement ou à la suite d'une succession ou d'un don par testament.
Art. 2.6.9. Indien er meerdere heffingsplichtigen zijn, zijn zij hoofdelijk gehouden voor de gehele planbatenheffing.
Art. 2.6.9. S'il y a plusieurs personnes redevables, elles sont solidairement responsables du paiement de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale.
Onderafdeling 3. - Bedrag
Sous-division 3. - Montant
Art. 2.6.10. § 1. De planbatenheffing wordt berekend uitgaande van de vermoede meerwaarde van een perceel ten gevolge van de bestemmingswijziging en op basis van de oppervlakte van de bestemmingswijziging op het perceel. De oppervlakte van het perceel is de bij het kadaster gekende oppervlakte.
  § 2.[4 De territoriaal bevoegde landcommissie maakt voor elk in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan dat een of meer van de bestemmingswijzigingen, vermeld in artikel 2.6.4, doorvoert, een ontwerp van meerwaarderapport op na raadpleging van de overheid die het ruimtelijk uitvoeringsplan heeft vastgesteld. Het ontwerp van meerwaarderapport bevat een vermoede meerwaarde voor elk perceel waarop een bestemmingswijziging als vermeld in artikel 2.6.4 wordt doorgevoerd, met het oog op de vaststelling van de planbatenheffing, vermeld in paragraaf 1. De vermoede meerwaarde is het verschil tussen de eigenaarswaarde vóór de bestemmingswijziging, en de eigenaarswaarde na de bestemmingswijziging. De eigenaarswaarde wordt bepaald met toepassing van artikel 14, § 3, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023. De landcommissie bezorgt een uittreksel van het ontwerp van meerwaarderapport aan elk van de betrokken eigenaars. Elk van de betrokken eigenaars kan een bezwaar indienen tegen het ontwerp van meerwaarderapport. De landcommissie stelt het meerwaarderapport definitief vast als er geen tijdige bezwaren zijn ingediend of na de behandeling van de bezwaren. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over de mededeling van het ontwerp van meerwaarderapport aan de eigenaars, de indiening van een bezwaar tegen het ontwerp van meerwaarderapport en de behandeling van een dergelijk bezwaar. Ze kan ook nadere regels vaststellen voor de opmaak van het ontwerp van meerwaarderapport.]4
  [4 § 2/1. Een overheid die een ruimtelijk uitvoeringsplan wil vaststellen, kan de territoriaal bevoegde landcommissie vóór de definitieve vaststelling ervan verzoeken om een meerwaarderamingsrapport op te maken. Het meerwaarderamingsrapport bevat een berekening van de vermoede meerwaarde op het niveau van het globale ruimtelijk uitvoeringsplan.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opmaak van een meerwaarderamingsrapport.]4

  [1 § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de berekening van de vermoede meerwaarde de oppervlakte van de bestemmingswijziging beperkt tot een maximale oppervlakte van 2750 m2, voor zover tegelijk aan volgende voorwaarden is voldaan :
   1° het betreft een bestemmingswijziging zoals vermeld in artikel 5.4.2, tweede lid;
   2° de bestemmingswijziging heeft niet tot gevolg dat het bestaande aantal woongelegenheden kan worden verhoogd;
   3° de bestemmingswijziging heeft niet tot gevolg dat het bouwvolume kan worden verhoogd tot meer dan 1 000 m3;
   4° de bestemmingswijziging heeft niet tot gevolg dat een verkavelingsvergunning voor het perceel kan worden afgeleverd.
   De beperking van de oppervlakte is niet van toepassing op eventuele andere gelijktijdige bestemmingswijzigingen op het perceel.
   § 4. Paragraaf 3 is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen die vanaf 1 september 2009 voorlopig worden vastgesteld.
   Indien voor het perceel dat onder de toepassing valt van paragraaf 3 reeds een planbatenheffing werd gevestigd, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ambtshalve ontheffing ten belope van het te veel aangerekende bedrag verlenen. Indien dit aanleiding geeft tot een gedeeltelijke terugbetaling van de planbatenheffing zijn geen moratoriumintresten verschuldigd.]1

  
Art. 2.6.10. § 1er. La taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est calculée à partir de la plus-value présumée d'une parcelle à la suite de la modification de destination et en fonction de la superficie de la parcelle à laquelle s'applique la modification de destination. La superficie de la parcelle est la superficie déclarée et enregistrée au cadastre.
  § 2.[4 Pour chaque plan d'exécution spatial entré en vigueur qui entraîne une ou plusieurs des modifications d'affectation, visées à l'article 2.6.4, la commission foncière territorialement compétente établit un projet de rapport de plus-value après avoir consulté l'autorité qui a établi le plan d'exécution spatial. Le projet de rapport de plus-value comprend une plus-value présumée pour chaque parcelle faisant l'objet d'une modification d'affectation telle que visée à l'article 2.6.4, en vue de l'établissement de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale, visé au paragraphe 1er. La plus-value présumée est la différence entre la valeur de propriétaire avant la modification d'affectation et la valeur de propriétaire après la modification d'affectation. La valeur de propriétaire est déterminée en application de l'article 14, § 3, du Décret Instruments du 26 mai 2023. La commission foncière transmet une copie du projet de rapport de plus-value à chacun des propriétaires concernés. Chaque propriétaire peut introduire une réclamation contre le projet de rapport de plus-value. La commission foncière établit définitivement le rapport de plus-value si aucune réclamation n'a été introduite dans les délais impartis, ou après avoir traité les réclamations. Le Gouvernement flamand arrête les modalités concernant la communication du projet du rapport de plus-value aux propriétaires, l'introduction d'une réclamation contre le projet du rapport de plus-value et le traitement d'une telle réclamation. Il peut également arrêter des modalités relatives à l'établissement du projet du rapport de plus-value.]4
  [4 § 2/1. Une autorité qui souhaite établir un plan d'exécution spatial peut demander à la commission foncière territorialement compétente d'établir un rapport d'estimation de plus-value avant l'établissement définitif du plan. Le rapport d'estimation de plus-value comprend un calcul de la plus-value présumée au niveau du plan d'exécution spatial global.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à l'établissement d'un rapport d'estimation de plus-value.]4

  [1 § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, pour le calcul de la plus-value présumée, la superficie de la modification de destination est limitée à une superficie maximale de 2750 m2, dans la mesure où les conditions suivantes sont remplies :
   1° il s'agit d'une modification de destination telle que visée à l'article 5.4.2, alinéa deux;
   2° la modification de destination n'entraîne pas la possibilité de majoration du nombre d'habitations existantes;
   3° la modification de destination n'entraîne pas la possibilité de majoration du volume de construction à plus de 1 000 m3;
   4° la modification de destination n'entraîne pas la possibilité de délivrance d'un permis de lotir pour la parcelle.
   La limitation de la superficie ne s'applique pas aux autres modifications de destination simultanées éventuelles sur la parcelle.
   § 4. Le paragraphe 3 s'applique aux plans d'exécution spatiaux qui sont établis provisoirement à partir du 1er septembre 2009.
   Si une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale a déjà été établie pour la parcelle relevant de l'application du paragraphe 3, l'entité compétente de l'Administration flamande peut accorder une exonération d'office à concurrence du montant imputé en trop. Si cette exonération aboutit au remboursement partiel de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale, des intérêts moratoires ne sont pas dus.]1

  
Art. 2.6.11. [1 Voor de berekening van de planbatenheffing wordt het bedrag van de meerwaarde van een perceel verdeeld in twee schijven:
   1° eerste schijf: meerwaarde lager dan of gelijk aan 250.000 euro, belast tegen 25 procent;
   2° tweede schijf: meerwaarde hoger dan 250.000 euro, belast tegen 50 procent.
   De verplichtingen met betrekking tot de ontwikkelingskosten uit overeenkomsten als vermeld in artikel 2.2.5, § 2, tweede lid, worden in mindering gebracht van de planbatenheffing, vermeld in het eerste lid. De overeenkomsten bevatten een gedetailleerde financiële raming van die ontwikkelingskosten.]1

  
Art. 2.6.11. [1 Pour le calcul de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale, le montant de la plus-value d'une parcelle est divisée en deux tranches :
   1° première tranche : plus-value inférieure ou égale à 250 000 euros, taxée à 25 pour cent ;
   2° deuxième tranche : plus-value supérieure à 250 000 euros, taxée à 50 pour cent.
   Les obligations relatives aux frais de développement provenant d'accords tels que visés à l'article 2.2.5, § 2, alinéa 2, sont déduits de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale, visée à l'alinéa 1er. Ces accords comprennent une estimation financière détaillée de ces frais de développement.]1

  
Onderafdeling 4. - Inkohiering en invordering
Sous-division 4. - Enrôlement et recouvrement
Art. 2.6.13. § 1. De belastingschuld wordt eisbaar gemaakt door middel van kohieren die worden vastgesteld op basis van [2 het meerwaarderapport]2 en die ten minste volgende elementen omvatten :
   [1 1° de identiteit van de belastingplichtige;
   2° de aanduiding van de belasting;
   3° het bedrag van de belasting, alsook het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft;
   4° het nummer van het kohierartikel;
   5° de datum van uitvoerbaarverklaring.]1

  [2 Het departement en de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht bij het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, verzamelen, ontsluiten en beheren het meerwaarderapport]2 in een geoloket planbaten. De initiërende overheden en de betrokken instanties leveren, elk voor wat hun verantwoordelijkheid betreft, de gegevens digitaal aan overeenkomstig de technische richtlijnen van het departement.
  [2 De ambtenaar die daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd is, verklaart de kohieren uitvoerbaar, uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin het meerwaarderapport, vermeld in artikel 2.6.10, § 2, definitief is geworden doordat er geen of geen tijdige bezwaren zijn ingediend, of nadat de bezwaren zijn behandeld.]2
  De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen omtrent de inhoud en de vormgeving van de kohieren.
  § 2. [1 Het aanslagbiljet vermeldt:
   1° de verzendingsdatum;
   2° de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;
   3° het kohierartikel;
   4° het aanslagjaar, zijnde het kalenderjaar waarin het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg, vermeld in artikel 2.6.4, in werking is getreden;
   5° de grondslag van de belasting;
   6° het te betalen bedrag;
   7° de uiterste betaaldatum;
   8° de termijn waarin de belastingschuldige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de entiteit van de Vlaamse administratie die bevoegd is om het bezwaar te ontvangen, en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd;
   9° de berekeningswijze van de betalingstermijn.]1

  
Art. 2.6.13. § 1er. La dette fiscale est rendue exigible par le biais de registres fiscaux déterminés en fonction [2 du rapport de plus-value]2 et comportant au moins les éléments suivants :
  [1 1° l'identité du contribuable ;
   2° la désignation de la taxe ;
   3° le montant de la taxe, ainsi que l'année d'imposition à laquelle elle se rapporte ;
   4° le numéro de l'article de rôle ;
   5° la date de l'exéquatur.]1

  [2 Le département et l'Agence flamande terrienne, établie par le décret du 21 décembre 1988 portant création d'une Agence flamande terrienne, recueillent, rendent accessible et gèrent le rapport de plus-value]2 dans un géo-guichet relatif aux bénéfices résultant de la planification spatiale. Les autorités pilotes et les instances concernées, chacune en fonction de sa propre responsabilité, fournissent les données de façon numérique, conformément aux directives techniques du département.
  [2 Les rôles sont déclarés exécutoires par le fonctionnaire autorisé à cet effet par le Gouvernement flamand, au plus tard le 31 décembre de l'année suivant l'année dans laquelle le rapport de plus-value, visé à l'article 2.6.10, § 2, est devenu définitif en raison de l'absence de réclamations ou de l'absence de réclamations dans les délais impartis, ou après le traitement des réclamations.]2
  Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités quant à la forme et au contenu des registres fiscaux.
  § 2. [1 La feuille d'imposition mentionne :
   1° la date d'envoi ;
   2° la date de l'exéquatur du rôle ;
   3° l'article de rôle ;
   4° l'année d'imposition, c'est-à-dire l'année pendant laquelle le plan d'exécution spatial ou le plan particulier d'aménagement, cité dans l'article 2.6.4, est entré en vigueur ;
   5° le fondement de la taxe ;
   6° le montant à payer ;
   7° la date limite de paiement ;
   8° le délai pendant lequel le redevable peut introduire une objection, le nom et l'adresse de l'entité de l'administration flamande pour la recevoir et les formalités qui doivent être respectées dans ce contexte ;
   9° le mode de calcul du délai de paiement.]1

  
Onderafdeling 5. - Betalingstermijn en bezwarenregeling
Sous-division 5. - Délai de paiement et règlement relatif aux objections
Art. 2.6.14. [1 § 1. De planbatenheffing is betaalbaar binnen een termijn van:
   1° vijftien dagen vanaf de datum van het verlijden van de authentieke akte betreffende een overdracht ten bezwarenden titel door de heffingsplichtige van enig zakelijk recht met betrekking tot het perceel. Het louter openvallen van een nalatenschap, een uitonverdeeldheidtreding naar aanleiding van een nalatenschap, een schenking ten kostelozen titel en een overdracht ten bezwarenden titel van een deel van de kavels binnen een verkaveling vallen daar niet onder;
   2° vijfentwintig maanden na het verlenen van een definitieve omgevingsvergunning voor bouwwerken als vermeld in artikel 4.2.1, voor zover die vergunning vóór de inwerkingtreding van de bestemmingswijziging niet kon worden verleend en voor zover de handelingen niet louter betrekking hebben op het vellen van bomen, afbraakwerken of bodemsaneringswerken;
   3° vijfentwintig maanden na het verlenen van een definitieve omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, voor zover die vergunning vóór de inwerkingtreding van de bestemmingswijziging niet kon worden verleend.
   Als een omgevingsvergunning als vermeld in het eerste lid, 2° of 3°, uitdrukkelijk melding maakt van verschillende fasen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden, wordt de planbatenheffing gefaseerd betaald overeenkomstig de regels die de Vlaamse Regering daarvoor heeft bepaald. Binnen een termijn van vijfentwintig maanden na de aanvang van elke fase wordt de heffing die voor die fase verschuldigd is, betaald.
   § 2. Als een verrichting als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, plaatsvond vóór de verzending van het aanslagbiljet, wordt de planbatenheffing betaald binnen een termijn van zes maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
   Als een verrichting als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, plaatsvond vóór de verzending van het aanslagbiljet, wordt de planbatenheffing betaald binnen een termijn van vijfentwintig maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
   § 3. In afwijking van paragraaf 1 is de planbatenheffing niet betaalbaar als de belastingplichtige in verband met een vergunning als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, aan de Vlaamse Belastingdienst meldt dat:
   1° de vergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen overeenkomstig artikel 99 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vervallen;
   2° hij afstand heeft gedaan van de vergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen door middel van een melding per beveiligde zending aan het college van burgemeester en schepenen;
   3° hij afstand heeft gedaan van de vergunning voor het verkavelen van gronden overeenkomstig artikel 104, eerste lid, van hetzelfde decreet.
   Als na de toepassing van het eerste lid een nieuwe vergunning als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, verleend wordt, geldt opnieuw de termijn van betaalbaarheid, vermeld in paragraaf 1.
   De melding aan de Vlaamse Belastingdienst gebeurt op straffe van onontvankelijkheid vóór het verstrijken van de betalingstermijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedureregels voor die melding.
   § 4. Als in de periode tussen de inwerkingtreding van de bestemmingswijziging en een verrichting als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een of meer nieuwe bestemmingswijzigingen in werking treden, worden voor de toepassing van deze afdeling de stedenbouwkundige voorschriften vóór de eerste bestemmingswijziging en de stedenbouwkundige voorschriften na de laatste bestemmingswijziging met elkaar vergeleken.]1

  
Art. 2.6.14. [1 § 1er. La taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale doit être payée dans un délai de :
   1° quinze jours à partir de la date de la passation de l'acte authentique concernant une transmission à titre onéreux, par le redevable, d'un quelconque droit réel se rapportant à la parcelle. La simple ouverture d'une succession, une sortie d'indivision à l'occasion d'une succession, une donation à titre gratuit et une transmission à titre onéreux d'une partie des lots dans un lotissement n'en font pas partie ;
   2° vingt-cinq mois après l'octroi d'un permis d'environnement définitif pour des travaux de construction tel que visé à l'article 4.2.1, dans la mesure où ce permis n'a pas pu être octroyé avant l'entrée en vigueur de la modification d'affectation et dans la mesure où les actes ne concernent pas uniquement l'abattage d'arbres, des travaux de démolition ou des travaux d'assainissement du sol ;
   3° vingt-cinq mois après l'octroi d'un permis d'environnement définitif pour le lotissement de terrains, dans la mesure où ce permis n'a pas pu être octroyé avant l'entrée en vigueur de la modification d'affectation.
   Si un permis d'environnement tel que visé à l'alinéa 1er, 2° ou 3°, mentionne explicitement différentes phases d'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou le lotissement de terrains, la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est payée en phases conformément aux règles fixées à cet effet par le Gouvernement flamand. Dans un délai de vingt-cinq mois après le début de chaque phase, la taxe due pour cette phase sera payée.
   § 2. Si une opération telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, a eu lieu avant l'envoi de la feuille d'imposition, la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est payée dans le délai de six mois après l'envoi de la feuille d'imposition.
   Si une opération telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3° a eu lieu avant l'envoi de la feuille d'imposition, la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est payée dans le délai de vingt-cinq mois après l'envoi de la feuille d'imposition.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale n'est pas payable si le contribuable communique au Service flamand des Impôts concernant un permis tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, que :
   1° le permis pour l'exécution d'actes urbanistiques a expiré conformément à l'article 99 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
   2° il a renoncé au permis pour l'exécution d'actes urbanistiques au moyen d'une notification par envoi sécurisé au collège des bourgmestre et échevins ;
   3° il a renoncé au permis pour le lotissement de terrains conformément à l'article 104, alinéa 1er, du même décret.
   Si un nouveau permis tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, est octroyé après l'application de l'alinéa 1er, le délai de paiement visé au paragraphe 1er s'applique à nouveau.
   La notification au Service flamand des Impôts se fait sous peine d'irrecevabilité avant l'expiration du délai de paiement visé au paragraphe 1er, alinéa 1er.
   Le Gouvernement flamand arrête les règles de procédure détaillées concernant cette notification.
   § 4. Si une ou plusieurs modifications d'affectation entrent en vigueur dans la période entre l'entrée en vigueur de la modification d'affectation et une opération telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour l'application de la présente section, les prescriptions urbanistiques avant la première modification d'affectation et les prescriptions urbanistiques après la dernière modification d'affectation sont comparées entre elles.]1

  
Art. 2.6.15. Een bonificatie wordt verleend aan de heffingsplichtige die de planbatenheffing betaalt binnen het jaar na de datum waarop het aanslagbiljet is verstuurd, terwijl het heffingsbedrag in de periode tussen de verzending van het aanslagbiljet en de betaling nog niet moest worden betaald :
  1° ofwel omdat op het ogenblik van de betaling nog geen rechtshandelingen, vermeld in artikel 2.6.14, § 1, eerste lid, werden gesteld;
  2° ofwel omdat de heffing op het ogenblik van de betaling opgeschort was ingevolge een van de redenen, vermeld in artikel 2.6.7.
  De bonificatie bedraagt vijftien procent van het bedrag van deze voorafbetaling.
  De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van deze bonificatieregeling.
Art. 2.6.15. Une bonification est octroyée au redevable qui paie la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale dans l'année suivant la date d'envoi de l'avis d'imposition, alors que le montant de la taxe ne devait pas encore être payé dans la période entre la date d'envoi de l'avis d'imposition et le paiement :
  1° soit parce qu'au moment du paiement, aucun acte juridique mentionné dans l'article 2.6.14, § 1er, premier alinéa, n'avait encore été posé;
  2° soit parce que la taxe était suspendue au moment du paiement à la suite d'une des raisons mentionnées dans l'article 2.6.7.
  La bonification s'élève à quinze pour cent du montant du versement anticipé.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour l'application de cette réglementation relative à la bonification.
Art. 2.6.16. § 1. De heffingsplichtige kan bij de Vlaamse Belastingdienst een gemotiveerd bezwaar indienen tegen een aanslag. Hij voegt bij het bezwaarschrift de nodige bewijskrachtige stukken om zijn bezwaren te staven.
  Het bezwaar wordt op straffe van verval ingediend binnen een termijn van drie maanden [1 vanaf de derde werkdag volgend op de betekening van het aanslagbiljet]1.
  [2 In het geval het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de belastingplichtige is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.]2
  § 2. De Vlaamse Belastingdienst bezorgt aan de heffingsplichtige een ontvangstmelding die de datum van ontvangst van het bezwaar vermeldt.
  § 3. De Vlaamse Belastingdienst kan de heffingsplichtige verzoeken alle stukken voor te leggen of te verstrekken die nuttig kunnen zijn om over het bezwaar te beslissen.
  § 4. [2 De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek]2
  § 5. [2 Het indienen van een bezwaar, een aanvraag tot ambtshalve ontheffing, een vordering in rechte of een verzoek om spreiding van betaling schort de verplichting tot betaling van de belastingen en toebehoren niet op.]2
  § 6. De Vlaamse Belastingdienst sluit met het departement [3 en de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht bij het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij en de landcommissies,]3 een protocol over de advisering over de ruimtelijke aspecten van ingediende bezwaren.
  De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regelen bepalen betreffende de indiening en behandeling van het bezwaar.
  
Art. 2.6.16. § 1er. Le redevable peut contester l'imposition en envoyant une objection motivée au Service flamand des Impôts. Il ajoute à l'acte d'opposition les pièces justificatives requises pour étayer ses objections.
  L'acte d'opposition doit être introduit, sous peine de déchéance, dans un délai de trois mois [1 à partir du troisième jour ouvrable suivant la signification de l'avis d'imposition]1.
  [2 Au cas où la feuille d'imposition a été transmise au redevable à l'aide d'une procédure utilisant des techniques d'informatique, le délai commence à partir de ldate d'envoi, mentionnée sur la feuille d'imposition.]2
  § 2. Le Service flamand des Impôts envoie au redevable un accusé de réception indiquant la date de réception de l'objection.
  § 3. Le Service flamand des Impôts peut demander au redevable de lui présenter ou de lui fournir toutes les pièces pouvant être utiles pour prendre une décision concernant l'objection.
  § 4. [2 La décision est communiquée par écrit en mentionne le mode d'action éventuelle en justice. La décision est irrévocable si aucun tribunal de première instance n' a été saisie d'une réclamation dans le délai, cité dans l'article 1385undecies du Code judiciaire.]2
  § 5. [2 L'introduction d'un acte d'opposition, d'une demande d'exemption d'office, une demande en droits ou une demande d'étalement de paiement, n'entraînent pas la suspension de l'obligation du paiement de la taxe et des accessoires.]2
  § 6. Le Service flamand des Impôts conclut avec le département [3 et l'Agence flamande terrienne, établie par le décret du 21 décembre 1988 portant création d'une Agence flamande terrienne, et les commissions foncières, ]3 un protocole de consultation relatif aux aspects spatiaux des actes d'opposition introduits.
  Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités procédurales plus précises quant à l'introduction et le traitement de l'acte d'opposition.
  
Onderafdeling 6. - Toewijzing en aanwending van de opbrengsten
Sous-division 6. - Attribution et utilisation des produits
Art. 2.6.17. § 1. Er wordt een Planbatenfonds opgericht, hierna het Fonds te noemen. Het Fonds is een begrotingsfonds in de zin van [2 artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof]2. Het Fonds wordt beheerd door de Vlaamse Regering.
  § 2. Aan het Fonds worden de inkomsten van de planbatenheffing rechtstreeks toegewezen.
  § 3. [10 Onverminderd artikel 2.2.2, § 2, vierde lid, worden uitgaven ten laste van het Fonds op de volgende wijze aangerekend:
   1° de inkomsten die voortkomen uit een gewestelijke bestemmingswijziging naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding "bedrijvigheid" valt, worden gestort in het Rubiconfonds, vermeld in artikel 28 van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003;
   2° de inkomsten uit andere gewestelijke bestemmingswijzigingen dan die, vermeld in punt 1°, worden gestort op een rekening van het Grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3 van deze codex, en aangewend voor activeringsprojecten als vermeld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021, met dien verstande dat de door de erkende woonmaatschappijen betaalde heffingen te allen tijde worden ingezet voor strategische projecten voor een doelgroepengericht woonbeleid;
   3° de inkomsten die voortkomen uit een provinciale of gemeentelijke bestemmingswijziging, worden doorgestort naar respectievelijk de betrokken provincie of gemeente.
   Provincies en gemeenten bewerkstelligen bij de opmaak van hun begrotingen dat ten minste een equivalent van de in het vorige begrotingsjaar doorgestorte inkomsten, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, bestemd wordt binnen het lokale ruimtelijke beleid.]10

  [10 § 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de wijze en het moment waarop de inkomsten die voortkomen uit provinciale of gemeentelijke bestemmingswijzigingen, worden doorgestort.]10
  
Art. 2.6.17. § 1er. Il est créé un Fonds des bénéfices résultant de la planification spatiale, dénommé ci-après " le Fonds ". Le Fonds est un fonds de budgétisation, comme visé à [2 l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes]2, coordonné par l'arrêté royal du 17 juillet 1991. Il est géré par le Gouvernement flamand.
  § 2. Les revenus générés par la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale sont directement attribués au Fonds.
  § 3. [10 Sans préjudice de l'article 2.2.2, § 2, alinéa 4, les dépenses à charge du Fonds sont imputées comme suit :
   1° les revenus découlant d'une modification d'affectation régionale en une zone relevant de la catégorie d'affectation " activité économique ", sont versés au Fonds Rubicon, visé à l'article 28 du décret du 27 juin 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2003 ;
   2° les revenus découlant d'autres modifications d'affectation régionales que celle visée au point 1°, sont versés sur un compte du Fonds foncier, visé à l'article 5.6.3 du présent code, et affectés à des projets d'activation tels que visés au Code flamand du Logement de 2021, étant entendu que les redevances payées par les sociétés de logement agréées sont affectées à tout moment à des projets stratégiques pour une politique du logement axée sur les groupes cibles ;
   3° les revenus découlant d'une modification d'affectation provinciale ou communale sont reversés respectivement à la province ou commune concernée.
   Les provinces et les communes veillent, lors de l'établissement de leur budget, à ce qu'un montant au moins équivalent aux revenus reversés au cours de l'année budgétaire précédente, visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, soit affecté à la politique spatiale locale.]10

  [10 § 4. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives au mode et au moment de reversement des revenus découlant de modifications d'affectation provinciales ou communales.]10
  
Onderafdeling 7. - Overige bepalingen
Sous-division 7. - Autres dispositions
Sectie 1. - [1 Suppletieve toepassing van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013]1
Section 1re. - [1 Application supplétive du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013.]1
Art. 2.6.18. [1 Onverminderd de bepalingen van of krachtens deze afdeling, zijn de bepalingen van titel 3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 van toepassing op de planbatenheffing.]1
  
Art. 2.6.18. [1 Sans préjudice des disposition de ou en vertu de la présente section, les dispositions du titre 3 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 s'appliquent à la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale.]1
  
Sectie 2. [1 Monitoring]1
Section 2. [1 Suivi]1
Art. 2.6.19. De Vlaamse Regering werkt een [1 monitoringsmechanisme]1 uit dat toelaat om de effectiviteit van de planbatenregeling op te volgen en om het adequaat karakter van de tariefregeling te bewaken.
  [1 De Vlaamse Regering stelt hiertoe vijfjaarlijks een globaal monitoringsrapport op, dat aan het Vlaams Parlement wordt voorgelegd.]1
  
Art. 2.6.19. Le Gouvernement flamand élabore un [1 mécanisme de suivi]1 qui permet d'assurer le suivi de l'efficacité de la réglementation relative aux bénéfices résultant de la planification spatiale et le respect de la réglementation tarifaire.
  [1 A cet effet, le Gouvernement établit tous les cinq ans un rapport de suivi global, qui est soumis au Parlement flamand.]1
  
Afdeling 3. - [1 Decreet betreffende complexe projecten]1
Division 3. - [1 Décret relatif aux projets complexes]1
Art. 2.6.20. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op bestemmingswijzigingen die worden doorgevoerd in een projectbesluit.]1
  
Art. 2.6.20. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent par analogie aux modifications d'affectation qui sont effectuées dans un arrêté relatif au projet.]1
  
TITEL III.
TITRE III.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE Ier.
Afdeling 1.
Division 1re.
Afdeling 2.
Division 2.
Afdeling 3.
Division 3.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
Afdeling 1.
Division 1re.
Afdeling 2.
Division 2.
TITEL IV. - Vergunningenbeleid
TITRE IV. - Politique d'autorisation
HOOFDSTUK I. - Definities
CHAPITRE Ier. - Définitions
Art. 4.1.1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
  1° bestemmingsvoorschrift : een stedenbouwkundig voorschrift dat is neergelegd in :
  a) een gewestplan, in welk geval het betrekking heeft op de omschrijving van de bestemmingsgebieden, in de zin van artikel 1, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen,
  b) een algemeen plan van aanleg, in welk geval het betrekking heeft op de omschrijving van de algemene bestemming van de verschillende delen van het grondgebied voor bewoning, nijverheid, landbouw of enig ander gebruik,
  c) een bijzonder plan van aanleg, in welk geval het betrekking heeft op de omschrijving van de gedetailleerde bestemming van de verschillende delen van het grondgebied voor bewoning, nijverheid, landbouw of enig ander gebruik,
  d) een ruimtelijk uitvoeringsplan, in welk geval het betrekking heeft op de omschrijving van de bestemming van een gebied overeenkomstig [6 artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 3°]6;
  [2 e) het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan, in welk geval het betrekking heeft op de omschrijving van de bestemming van een gebied conform [7 artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 3°]7 ;]2
  2° bouwvolume : het bruto-bouwvolume van een constructie en haar fysisch aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw, zoals een aangebouwde garage, veranda of berging, gemeten met inbegrip van buitenmuren en dak, en met uitsluiting van het volume van de gebruikelijke onderkeldering onder het maaiveld;
  3° constructie : een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding [7 ...]7, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds;
  4° gebouwencomplex : een functioneel geheel bestaande uit fysiek niet met elkaar verbonden gebouwen;
  5° handelingen van algemeen belang : door de Vlaamse Regering aangewezen handelingen die betrekking hebben op openbare infrastructuur of openbare wegen, nutsvoorzieningen, infrastructuur op het grondgebied van meerdere gemeenten of infrastructuur ten behoeve of ten bate van de uitoefening van een openbare dienst;
  6° herbouwen : een constructie volledig afbreken, of méér dan veertig procent van de buitenmuren van een constructie afbreken, en binnen het bestaande bouwvolume van de geheel of gedeeltelijk afgebroken constructie een nieuwe constructie bouwen;
  7° hoofdzakelijk vergund : [5 een vergunningstoestand, waarbij voor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen geldt dat]5 :
  a) bedrijven en hun constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn, ook wat de functie betreft,
  b) overige constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien ten minste negentig procent van het bruto-bouwvolume van de constructie, gemeten met inbegrip van buitenmuren en dak, en met uitsluiting van het volume van de gebruikelijke onderkeldering onder het maaiveld en van de fysisch aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw, vergund of vergund geacht is, ook wat de functie betreft;
  8° [5 ...]5
  9° onderhoudswerken : werken, andere dan stabiliteitswerken, die het gebruik van een constructie voor de toekomst ongewijzigd veilig stellen door het bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde of versleten materialen of onderdelen;
  [12 9° /1 publiciteitsinrichting: elk visueel middel en elke constructie, met inbegrip van alle onderdelen ervan en ongeacht het verplaatsbare of tijdelijke karakter ervan, met als doel publiciteitsboodschappen op een vaste plaats kenbaar te maken aan het publiek;]12
  10° rechtens toegelaten bewijsmiddelen : de bewijsmiddelen, vermeld in [12 boek 8, hoofdstuk 3,]12 van het Burgerlijk Wetboek;
  11° stabiliteitswerken : werken die betrekking hebben op de constructieve elementen van een constructie, zoals :
  a) het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak, met uitzondering van plaatselijke herstellingen,
  b) het geheel of gedeeltelijk herbouwen of vervangen van buitenmuren of dragende binnenmuren, zelfs met recuperatie van de bestaande stenen;
  12° verbouwen : aanpassingswerken doorvoeren binnen het bestaande bouwvolume van een constructie waarvan de buitenmuren voor ten minste zestig procent behouden worden. [7 Het aanbrengen van [9 isolatie]9 aan de buitenzijde van een woning tot een maximum van 26 centimeter wordt beschouwd als aanpassingswerken binnen het bestaande bouwvolume;]7
  13° [5 ...]5
  14° verkavelen : een grond vrijwillig verdelen in twee of meer kavels [7 onbebouwde]7 om ten minste één van deze kavels te verkopen of te verhuren voor méér dan negen jaar, om er een recht van erfpacht of opstal op te vestigen, of om één van deze overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, zulks met het oog op woningbouw of de oprichting van constructies;
  15° verkrot : niet voldoend aan de elementaire eisen van stabiliteit;
  16° woning : een goed, vermeld in [10 artikel 1.3, § 1, eerste lid, 66°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]10;
  17° zonevreemde constructie : hetzij een constructie die niet beantwoordt aan de voor het perceel geldende bestemmingsvoorschriften en die niet gelegen is binnen een [9 minder dan vijftien jaar oude]9 niet-vervallen verkaveling, hetzij een constructie die gelegen is in een reservatiestrook en die niet behoort tot de nutswerken waarvoor de reservatiestrook is afgebakend;
  18° [11 zorgwonen: een vorm van wonen waarbij voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden:
   a) in of bij een bestaande hoofdzakelijk vergunde woning wordt één ondergeschikte wooneenheid gecreëerd;
   b) de ondergeschikte wooneenheid, vermeld in punt a), wordt gecreëerd met het oog op:
   1) de huisvesting van ten hoogste twee personen, waarvan ten minste één persoon 65 jaar of ouder is;
   2) de huisvesting van ten hoogste twee personen, waarvan ten minste één persoon die zorgbehoevend is. Een zorgbehoevende persoon is een persoon met een handicap, een persoon die in aanmerking komt voor een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden, een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood of een basisondersteuningsbudget als vermeld in artikel 4, eerste lid, 1°, 2° en 3°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, of een persoon die behoefte heeft aan ondersteuning om zich in zijn thuismilieu te kunnen handhaven. De kinderen ten laste van de zorgbehoevende persoon worden niet meegerekend bij het bepalen van het maximum van twee personen;
   3) de huisvesting van de zorgverlener als de personen, vermeld in punt 1) of 2), gehuisvest blijven in de hoofdwooneenheid;
   c) de eigendom, of ten minste de blote eigendom, op enerzijds de hoofdwooneenheid en anderzijds de ondergeschikte wooneenheid, vermeld in punt a), of de grond waarop die ondergeschikte wooneenheid tijdelijk wordt geplaatst, berust bij dezelfde titularis of titularissen.]11
Art. 4.1.1. Pour l'application de ce titre, il convient d'entendre par :
  1° prescription d'affectation : une prescription urbanistique déposée dans :
  a) un plan régional, auquel cas elle se rapporte à la description des zones d'affectation visées à l'article 1er, § 1er, deuxième alinéa de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des plans et des projets de plans régionaux,
  b) un plan général d'aménagement, auquel cas elle se rapporte à la description de la destination générale des différentes parties du territoire pour l'habitat, l'industrie, l'agriculture ou toute autre utilisation,
  c) un plan particulier d'aménagement, auquel cas elle se rapporte à la description de la destination détaillée des différentes parties du territoire pour l'habitat, l'industrie, l'agriculture ou toute autre utilisation,
  d) un plan d'exécution spatial, auquel cas elle se rapporte à la description d'une zone conformément à [6 l'article 2.2.5, § 1er, alinéa 1er, 3°]6;
  [2 e) la partie identifiable d'un arrêté relatif au projet qui vaut comme plan d'exécution spatial, dans quel cas elle a trait à la description de l'affectation d'une zone conformément à l'[7 article 2.2.5, § 1, alinéa premier, 3°]7 ;]2
  2° volume de construction : le volume de construction brut d'une construction et de ses annexes formant un ensemble physique avec cette dernière et correspondant ou s'apparentant directement, en matière de technique de construction, au bâtiment principal (comme une véranda, une remise ou un garage construit en annexe), mesuré avec les murs extérieurs et le toit, mais sans le volume des soubassements usuels situés sous le terrain naturel;
  3° construction : un bâtiment, un édifice, une installation fixe, un durcissement [7 ...]7, composé ou non de matériaux durables, ancré ou fixé dans le sol ou reposant sur le sol pour des raisons de stabilité, et destiné à rester sur place, même s'il est facilement démontable, transportable ou qu'il se situe entièrement sous terre;
  4° un ensemble immobilier : un ensemble fonctionnel composé de bâtiments qui ne sont pas physiquement reliés entre eux;
  5° actes d'intérêt général : des actes désignés par le Gouvernement flamand qui se rapportent à des infrastructures ou voies publiques, à des services d'utilité publique, à une infrastructure située sur le territoire de plusieurs communes ou à une infrastructure en faveur ou au profit de l'exécution d'un service public;
  6° reconstruire : démolir complètement une construction ou démolir plus de quarante pour cent des murs extérieurs d'une construction et édifier une nouvelle construction à l'intérieur du volume de construction existant de la construction entièrement ou partiellement démolie;
  7° principalement autorisé : [5 une situation d'autorisation, dans le cadre de laquelle, en ce qui concerne le permis d'environnement pour les actes urbanistiques]5 :
  a) les entreprises et leurs constructions ne sont principalement autorisées que lorsque les constructions sont autorisées ou réputées autorisées pour une exploitation normale, également en ce qui concerne leur fonction,
  b) les autres constructions ne sont principalement autorisées que lorsqu'au moins nonante pour cent du volume de construction brut des constructions, mesurées avec les murs extérieurs et le toit, mais sans le volume des soubassements usuels situés sous le terrain naturel, et des annexes constituant un ensemble physique qui, en matière de technique de construction, correspondent ou s'apparentent directement au bâtiment principal, sont autorisés ou réputés autorisés, également en ce qui concerne leur fonction;
  8° [5 ...]5
  9° travaux d'entretien : les travaux, autres que les travaux de stabilité, qui sécurisent, sans la modifier, une construction pour l'avenir en parachevant, en réparant ou en remplaçant des matériaux ou des pièces érodées ou usées;
  [12 9° /1 dispositif publicitaire : tout moyen visuel et toute construction, y compris tous ses éléments et indépendamment de son caractère mobile ou temporaire, ayant pour but de porter à la connaissance du public des messages publicitaires dans un lieu fixe ;]12
  10° éléments de preuve autorisés de droit : les éléments de preuve mentionnés dans le [12 livre 8, chapitre 3,]12 du Code civil;
  11° travaux de stabilité : les travaux qui ont trait aux éléments constructifs d'un bâtiment, comme :
  a) le remplacement de la charpente ou des chevêtres du toit, à l'exception des réparations locales;
  b) la substitution ou la reconstruction entière ou partielle des murs extérieurs ou des murs porteurs intérieurs, même en récupérant les pierres existantes;
  12° transformer : les travaux d'adaptation effectués à l'intérieur du volume de construction existant d'un bâtiment dont au moins soixante pour cent des murs extérieurs sont conservés. [7 La pose d'une [9 isolation]9 à l'extérieur d'une habitation jusqu'à un maximum de 26 cm est considérée comme constituant des travaux d'adaptation effectués à l'intérieur du volume de construction existant;]7
  13° [5 ...]5
  14° lotir : partager un terrain sur base volontaire en deux ou plusieurs lots [7 non bâtis]7 afin de procéder à la vente d'au moins un de ces lots ou à sa location pour une durée supérieure à neuf ans, d'y établir une emphytéose ou un droit de superficie ou de proposer l'une de ces formes de cession, même sous condition suspensive, en vue de la construction d'habitations ou de l'édification de constructions;
  15° délabré : ne répondant pas aux exigences élémentaires de stabilité;
  16° habitation : un bien immobilier, comme mentionné dans [10 'article 1.3, § 1er, alinéa 1er, 66°, du Code flamand du Logement de 2021]10;
  17° construction étrangère à la zone : soit une construction qui ne répond pas aux prescriptions d'affectation valables pour une parcelle et qui n'est pas située dans un lotissement non délabré [9 de moins de quinze ans]9, soit une construction qui est située dans une zone de réservation et qui ne fait pas partie des travaux d'utilité publique pour lesquels la zone de réservation est délimitée;
  18° [11 habitation supervisée : une forme de logement dans laquelle toutes les conditions suivantes sont remplies :
   a) une unité d'habitation subordonnée est créée dans ou auprès d'une habitation existante principalement autorisée ;
   b) l'unité d'habitation subordonnée visée au point a), est créée, en vue :
   1) du logement de deux personnes au maximum, dont l'une au moins est âgée de 65 ans ou plus ;
   2) du logement de deux personnes au maximum, dont l'une au moins nécessite des soins. Une personne nécessitant des soins est une personne handicapée, une personne qui est admissible à un budget de soins pour des personnes fortement dépendantes, à un budget de soins pour des personnes âgées nécessitant des soins, ou à un budget d'aide de base tel que visé à l'article 4, alinéa premier, 1°, 2° et 3°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, ou une personne qui a besoin d'être soutenue pour pouvoir se maintenir dans son cadre familial. Les enfants à charge de la personne nécessitant des soins ne sont pas pris en compte pour la détermination du maximum de deux personnes ;
   3) le logement du prestataire de soins si les personnes visées au point 1) 1) ou 2), restent hébergées dans l'unité d'habitation principale ;
   c) la propriété ou au moins, la nue-propriété, de l'unité d'habitation principale d'une part et de l'unité d'habitation subordonnée d'autre part, visée au point a), ou du terrain sur lequel cette unité d'habitation subordonnée est placée temporairement, appartient au(x) même(s) titulaire(s).]11
HOOFDSTUK II. - Vergunningsplicht
CHAPITRE II. - Obligation d'autorisation
Afdeling 1. - Soorten
Division 1re. - Sortes
Onderafdeling 1. [1 - Vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen]1
Sous-division 1re. [1 Obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques]1
Sectie 1. - Vergunningsplichtige handelingen
Section 1re. - Actes soumis à l'obligation d'autorisation
Art. 4.2.1. Niemand mag zonder [2 voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 :
  1° de hiernavolgende bouwwerken verrichten, met uitzondering van onderhoudswerken :
  a) het optrekken of plaatsen van een constructie,
  b) het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat,
  c) het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie;
  2° met bomen begroeide oppervlakten, vermeld in artikel 3, § 1 en § 2, van het bosdecreet van 13 juni 1990 ontbossen, zoals vermeld in artikel 4, 15°, van dat decreet;
  3° bomen die op een hoogte van één meter boven het maaiveld een stamomtrek van één meter hebben, en geen deel uitmaken van de oppervlakten, vermeld in 2°, vellen;
  4° het reliëf van de bodem aanmerkelijk wijzigen, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt;
  5° een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor :
  a) het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval,
  b) het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens,
  c) het plaatsen van één of meer verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, in het bijzonder woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen en tenten, [1 met uitzondering van het kamperen op een toeristisch logies dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van het decreet van 5 februari 2016 betreffende het toeristische logies]1;
  6° de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, indien de Vlaamse Regering deze functiewijziging als vergunningsplichtig heeft aangemerkt;
  7° een woning opsplitsen of in een gebouw het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande wijzigen, ongeacht of het gaat om een eengezinswoning, een etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer;
  8° recreatieve terreinen aanleggen of wijzigen, onder meer een golfterrein, een voetbalterrein, een tennisveld of een zwembad.
  [3 9° een publiciteitsinrichting plaatsen of aanbrengen.]3
  
Art. 4.2.1. Personne ne peut, sans [2 permis d'environnement préalable pour les actes urbanistiques]2 :
  1° effectuer les travaux de construction suivants, exception faite pour les travaux d'entretien :
  a) l'édification ou la pose d'une construction,
  b) le regroupement fonctionnel de matériaux créant de ce fait une construction;
  c) la démolition, la reconstruction, la transformation et l'agrandissement d'une construction;
  2° procéder au déboisement, comme le stipule l'article 4, 15° du décret forestier du 13 juin 1990, de surfaces couvertes d'arbres, visées à l'article 3, § 1er et § 2 du décret précité;
  3° abattre des arbres dont le tronc fait 1 mètre de circonférence à 1 mètre de hauteur au-dessus du terrain naturel et ne faisant pas partie des surfaces visées au point 2°;
  4° modifier significativement le relief du sol, entre autres, par le remblayage, la surélévation, l'excavation ou l'approfondissement du sol, entraînant la modification de la nature ou de la fonction du terrain;
  5° utiliser, aménager ou équiper de façon générale un terrain pour :
  a) l'entreposage de véhicules utilisés ou déclassés, ou de toutes sortes de matériaux, matériels ou déchets,
  b) le garage de voitures, de véhicules ou de remorques,
  c) la pose d'une ou plusieurs installations mobiles pouvant être utilisées comme logement, plus particulièrement des roulottes, des caravanes, des véhicules usés et des tentes, [1 à l'exception du camping sur un hébergement touristique qui satisfait aux conditions visées à l'article 4 du décret du 5 février 2016 relatif à l'hébergement touristique]1;
  6° modifier entièrement ou partiellement la fonction principale d'un bien immeuble, si le Gouvernement flamand a désigné cette modification de fonction comme étant sujette à l'obligation de permis;
  7° subdiviser une habitation ou modifier dans un bâtiment le nombre d'habitations qui sont principalement destinées au logement d'un ménage ou d'une personne seule, sans considération du fait qu'il s'agit d'une maison unifamiliale, d'une habitation à étages, d'un immeuble à appartements, d'un studio ou d'une simple chambre meublée ou non;
  8° aménager ou modifier des terrains récréatifs, entre autres, un terrain de golf, un terrain de football, un court de tennis ou une piscine;
  [3 9° placer ou installer un aménagement publicitaire.]3
  
Sectie 2. - Afwijkingen van de vergunningsplicht
Section 2. - Dérogations à l'obligation de permis
Subsectie 1. - Meldingsplichtige en vrijgestelde handelingen
Sous-section 1re. - Actes soumis à et exempté de l'obligation de déclaration
Art. 4.2.2. [1 § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen.De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is vanwege het eenvoudige en gangbare karakter van de handelingen in kwestie, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden als vermeld in artikel 4.3.1, § 2, tweede lid.
  De Vlaamse Regering kan de werken die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, vermeld in artikel 4.2.1, 5°, c), ook aan de meldingsplicht onderwerpen.
  De meldingsplichten, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen nooit worden ingevoerd voor handelingen die in een ruimtelijk kwetsbaar gebied liggen.
   § 2. Een [2 meldingsakte]2 wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een [2 meldingsakte]2 wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de [2 meldingsakte]2 alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden.]1

  [2 § 3. Regulariserende meldingen kunnen worden verricht onverminderd de strafbaarstelling van inbreuken op de meldingsplicht.]2
  
Art. 4.2.2. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques est remplacée par une déclaration obligatoire de ces actes. L'obligation de déclaration concerne les cas où l'espace d'évaluation de l'administration est minimal en raison du caractère simple et courant des actes concernés ou de la soumission des actes à des prescriptions urbanistiques précises, à des prescriptions de lotissement ou à des conditions intégrales d'aménagement, telles que visées à 4.3.1, § 2, deuxième alinéa.
   Le Gouvernement flamand peut également soumettre les travaux exemptés de l'obligation d'autorisation, visée à l'article 4.2.1, 5°, c), à l'obligation de déclaration.
   Les obligations de déclaration mentionnées dans le premier et le deuxième alinéa ne peuvent jamais être introduites pour des actes qui se situent dans une zone vulnérable du point de vue spatial.
   § 2. [2 Un acte de déclaration est considéré]2 comme un permis d'environnement pour actes urbanistiques pour l'application de la législation dans le cadre d'autres champs politiques que celui de l'aménagement du territoire. [2 Un acte de déclaration équivaut]2 également à un permis de construire obtenu antérieurement, pour ce qui est de l'application de l'article 4 de la loi du 20 février 1939 sur la protection du titre et de la profession d'architecte, sauf [2 si l'acte de déclaration]2 se rapporte uniquement à des actes non construits.]1

  [2 § 3. Des déclarations de régularisation peuvent être effectuées sans préjudice de l'incrimination des infractions à l'obligation de déclaration.]2
  
Art. 4_2.2.TOEKOMSTIG_RECHT.    [1 § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen.[3 De meldingsplicht kan alleen ingevoerd worden voor vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen met een tijdelijk karakter.]3
  [3 ...]3.
  [3 De meldingsplicht, vermeld in het eerste lid, kan nooit worden ingevoerd voor handelingen in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied]3.
   § 2. Een [2 meldingsakte]2 wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een [2 meldingsakte]2 wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de [2 meldingsakte]2 alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden.]1

  [2 § 3. Regulariserende meldingen kunnen worden verricht onverminderd de strafbaarstelling van inbreuken op de meldingsplicht.]2
Art. 4_2.2.DROIT_FUTUR.    [1 § 1er. Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques est remplacée par une déclaration obligatoire de ces actes. [3 L'obligation de déclaration ne peut être introduite que pour des actes d'urbanisme soumis à l'obligation d'autorisation à caractère temporaire.]3.
  [3 ...]3.
  [3 L'obligation de déclaration visée à l'alinéa 1er, ne peut jamais être introduite pour des actes se situant dans une zone vulnérable du point de vue spatial, à l'exception des zones de parc.]3
   § 2. [2 Un acte de déclaration est considéré]2 comme un permis d'environnement pour actes urbanistiques pour l'application de la législation dans le cadre d'autres champs politiques que celui de l'aménagement du territoire. [2 Un acte de déclaration équivaut]2 également à un permis de construire obtenu antérieurement, pour ce qui est de l'application de l'article 4 de la loi du 20 février 1939 sur la protection du titre et de la profession d'architecte, sauf [2 si l'acte de déclaration]2 se rapporte uniquement à des actes non construits.]1

  [2 § 3. Des déclarations de régularisation peuvent être effectuées sans préjudice de l'incrimination des infractions à l'obligation de déclaration.]2
Art. 4.2.2 /1. [1 De stedenbouwkundige vergunning geldt als aktename voor het deel van de handelingen dat meldingsplichtig is, als de handelingen zowel aan de meldings- als aan de vergunningsplicht onderworpen zijn.]1
  
Art. 4.2.2 /1. [1 L'autorisation urbanistique vaut prise d'acte pour la partie des actes qui est soumise à l'obligation de déclaration, si les actes sont soumis à l'obligation de déclaration et à l'obligation d'autorisation.]1
  
Art. 4.2.3. De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van de handelingen [1 ...]1 waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 vereist is. [1 Ze houdt hierbij rekening met:
   1° Het tijdelijk of occasioneel karakter van de handelingen, of;
   2° de ruimtelijke impact van de handelingen omwille van hun omvang, aard of ligging.
   Handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt, worden uitgesloten van de lijst van handelingen waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 vereist is.]1

  
Art. 4.2.3. Le Gouvernement flamand détermine la liste des actes [1 ...]1 pour lesquels, en dérogation à l'article 4.2.1, [2 un permis d'environnement pour actes urbanistiques n'est pas requis]2. [1 Il tient compte :
   1° du caractère temporaire ou occasionnel des actes, ou ;
   2° de l'impact spatial des actes en raison de leur ampleur, de leur nature ou de leur emplacement.
   Les actes exigeant l'établissement d'une évaluation des incidences sur l'environnement, d'une évaluation appropriée ou d'une étude de mobilité sont exclus de la liste des actes pour lesquels, en dérogation de l'article 4.2.1, aucune autorisation urbanistique n'est requise.]1

  
Art. 4_2.3.TOEKOMSTIG_RECHT.    De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van de handelingen [1 ...]1 waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 vereist is. [1 Ze houdt hierbij rekening met:
   1° Het[3 ...]3 occasioneel karakter van de handelingen, of;
   2° de ruimtelijke impact van de handelingen omwille van hun omvang, aard of ligging.
   Handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt, worden uitgesloten van de lijst van handelingen waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 vereist is.]1
Art. 4_2.3.DROIT_FUTUR.    Le Gouvernement flamand détermine la liste des actes [1 ...]1 pour lesquels, en dérogation à l'article 4.2.1, [2 un permis d'environnement pour actes urbanistiques n'est pas requis]2. [1 Il tient compte :
   1° du caractère [3 ...]3 occasionnel des actes, ou ;
   2° de l'impact spatial des actes en raison de leur ampleur, de leur nature ou de leur emplacement.
   Les actes exigeant l'établissement d'une évaluation des incidences sur l'environnement, d'une évaluation appropriée ou d'une étude de mobilité sont exclus de la liste des actes pour lesquels, en dérogation de l'article 4.2.1, aucune autorisation urbanistique n'est requise.]1
Subsectie 2. - Bijzonderheden inzake zorgwonen
Sous-section 2. - Particularités en matière d'appartements supervisés
Art. 4.2.4. [1 In elk van de volgende gevallen is de verwezenlijking van een ondergeschikte wooneenheid met het oog op de creatie van een vorm van zorgwonen meldingsplichtig, voor de duur van de zorgsituatie, vermeld in artikel 4.1.1, 18°, b), van deze codex:
   1° de ondergeschikte wooneenheid wordt verwezenlijkt binnen het bestaande bouwvolume van de hoofdzakelijk vergunde woning, waarbij voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   a) de ondergeschikte wooneenheid vormt één fysiek geheel met de hoofdwooneenheid;
   b) de brutovloeroppervlakte van de ondergeschikte wooneenheid maakt ten hoogste één derde uit van de brutovloeroppervlakte van de volledige woning. De ruimten die gedeeld worden met de hoofdwooneenheid, worden niet meegerekend bij het bepalen van de brutovloeroppervlakte van de ondergeschikte wooneenheid;
   2° de ondergeschikte wooneenheid wordt verwezenlijkt in een bestaand, hoofdzakelijk vergund vrijstaand bijgebouw, waarbij voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   a) de brutovloeroppervlakte van de ondergeschikte wooneenheid bedraagt maximaal vijftig vierkante meter;
   b) er wordt geen bijkomende verharding aangelegd, met uitzondering van een strikt noodzakelijke toegang tot de ondergeschikte wooneenheid;
   c) de noodzakelijke nutsvoorzieningen van de ondergeschikte wooneenheid takken aan op de bestaande nutsvoorzieningen van de hoofdwooneenheid;
   d) de afvoer van het afvalwater van de ondergeschikte wooneenheid sluit aan op de bestaande waterafvoer van de hoofdwooneenheid;
   3° een tijdelijke, verplaatsbare constructie wordt geplaatst waarin de ondergeschikte wooneenheid wordt verwezenlijkt en waarbij voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   a) de tijdelijke, verplaatsbare constructie wordt volledig geplaatst binnen een straal van dertig meter van de hoofdwooneenheid op hetzelfde perceel als de hoofdwooneenheid of op een perceel dat onmiddellijk paalt aan het perceel van de hoofdwooneenheid;
   b) de tijdelijke, verplaatsbare constructie wordt op een van de volgende plaatsen geplaatst:
   1) in de zijtuin, al dan niet vrijstaand, tot op drie meter van de perceelsgrenzen;
   2) in de achtertuin, al dan niet vrijstaand, tot op een meter van de perceelsgrenzen. De ondergeschikte wooneenheid kan in de achtertuin ook op of tegen de perceelsgrens geplaatst worden als ze tegen een bestaande scheidingsmuur opgericht wordt en als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt;
   c) de tijdelijke, verplaatsbare constructie heeft een maximale hoogte van 3,5 meter;
   d) de tijdelijke, verplaatsbare constructie heeft een maximale brutovloeroppervlakte van vijftig vierkante meter;
   e) er wordt geen bijkomende verharding aangelegd, met uitzondering van de tijdelijke, verplaatsbare constructie zelf en een strikt noodzakelijke toegang tot de tijdelijke, verplaatsbare constructie;
   f) de plaatsing van de tijdelijke, verplaatsbare constructie gaat niet gepaard met een ontbossing als vermeld in artikel 4, 15, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 of met het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, en gebeurt niet in een overstromingsgebied, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, a), 10), van deze codex, noch in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van agrarisch gebied met ecologische waarde, agrarisch gebied met ecologisch belang en parkgebied;
   g) de noodzakelijke nutsvoorzieningen takken aan op de bestaande nutsvoorzieningen van de hoofdwooneenheid;
   h) de afvoer van het afvalwater sluit aan op de bestaande waterafvoer van de hoofdwooneenheid;
   i) de plaatsing is tijdelijk voor een maximale totale duur van drie jaar per hoofdwooneenheid. De duur van de plaatsing kan met een nieuwe melding één keer verlengd worden met een aanvullende periode van maximaal drie jaar;
   j) binnen een termijn van drie maanden na het beëindigen van de zorgsituatie, vermeld in artikel 4.1.1, 18°, b), van deze codex, worden de tijdelijke, verplaatsbare constructie en de hiervoor aangelegde strikt noodzakelijke toegang verwijderd.
   Het beëindigen van de zorgsituatie, vermeld in artikel 4.1.1, 18°, b), is ook meldingsplichtig.
   Als de zorgwoning na het beëindigen van de zorgsituatie aangewend zal worden voor de huisvesting van meerdere gezinnen of alleenstaanden is daartoe een voorafgaande omgevingsvergunning voor het wijzigen van het aantal woongelegenheden vereist]1

  
Art. 4.2.4. [1 Dans chacun des cas suivants, la réalisation d'une unité d'habitation subordonnée en vue de la création d'une forme d'habitation supervisée est soumise à une notification pour la durée de la situation de soins, visée à l'article 4.1.1, 18°, b), du présent code :
   1° l'unité d'habitation subordonnée est réalisée dans le volume de construction existant de l'habitation principalement autorisée, où toutes les conditions suivantes sont remplies :
   a) l'unité d'habitation subordonnée forme une unité physique avec l'unité d'habitation principale ;
   b) la superficie brute au sol de l'unité d'habitation subordonnée ne dépasse pas un tiers de la superficie brute au sol de l'ensemble de l'habitation. Les espaces partagés avec l'unité d'habitation principale ne sont pas comptés dans la détermination de la superficie brute au sol de l'unité d'habitation subordonnée ;
   2° l'unité d'habitation subordonnée est réalisée dans une annexe existante, principalement autorisée, libre, et remplit toutes les conditions suivantes :
   a) la superficie brute au sol de l'unité d'habitation subordonnée ne dépasse pas cinquante mètres carrés ;
   b) aucun revêtement supplémentaire ne sera construit, à l'exception de l'accès strictement nécessaire à l'unité d'habitation subordonnée ;
   c) les équipements d'utilité publique nécessaires de l'unité d'habitation subordonnée doivent être raccordés aux équipements d'utilité publique existants de l'unité d'habitation principale ;
   d) l'évacuation des eaux usées de l'unité d'habitation subordonnée doit être raccordée à l'évacuation des eaux usées existante de l'unité d'habitation principale ;
   3° une construction temporaire et mobile est placée dans laquelle l'unité d'habitation subordonnée est réalisée, toutes les conditions suivantes étant remplies :
   a) la construction temporaire et mobile est placée entièrement dans un rayon de trente mètres de l'unité d'habitation principale, sur la même parcelle que l'unité d'habitation principale ou sur une parcelle immédiatement adjacente à la parcelle de l'unité d'habitation principale ;
   b) la structure temporaire et mobile doit être placée à l'un des endroits suivants :
   1) dans le jardin latéral, qu'il soit isolé ou non, jusqu'à trois mètres des limites de la parcelle ;
   2) dans l'arrière-cour, qu'elle soit détachée ou non, jusqu'à un mètre des limites de la parcelle. L'unité de logement subordonnée peut également être placée dans l'arrière-cour ou sur ou contre la limite de la parcelle si elle est érigée contre un mur de séparation existant et si le mur de séparation existant n'est pas modifié ;
   c) la structure temporaire et mobile a une hauteur maximale de 3,5 mètres ;
   d) la structure temporaire et mobile a une superficie brute au sol maximale de cinquante mètres carrés ;
   e) aucun revêtement supplémentaire n'est aménagé, à l'exception de la construction temporaire mobile elle-même et d'un accès strictement nécessaire à la construction temporaire mobile ;
   f) la pose de la construction temporaire, mobile, ne s'accompagne pas d'un déboisement tel que visé à l'article 4, 15, du Décret forestier du 13 juin 1990 ou d'une modification notable du relief du sol, et ne s'effectue pas dans une zone d'inondation visée à l'article 1.1.2, 10°, a), 10), du présent Code, ni dans une zone vulnérable du point de vue spatial, à l'exception des zones agricoles à valeur écologique, des zones agricoles à intérêt écologique et des zones de parc ;
   g) les équipements d'utilité publique nécessaires doivent être raccordés aux équipements d'utilité publique existants de l'unité d'habitation principale ;
   h) l'évacuation des eaux usées doit être raccordée à l'évacuation des eaux existante de l'unité d'habitation principale ;
   i) la pose est temporaire pour une durée totale maximale de trois ans par unité d'habitation principale. La durée de la pose peut être prolongée une fois par une nouvelle notification pour une période supplémentaire de trois ans au maximum ;
   j) dans un délai de trois mois après la fin de la situation de soins, visée à l'article 4.1.1, 18°, b) du présent code, la construction temporaire et mobile et l'accès strictement nécessaire créé à cet effet sont supprimés.
   La cessation de la situation de soins visée à l'article 4.1.1, 18°, b), est également soumise à notification.
   Si, après la fin de la situation de soins, l'habitation supervisée sera utilisée pour le logement de plus d'une famille ou d'une personne seule, un permis d'environnement préalable pour modifier le nombre d'unités d'habitation est requis.]1

  
Sectie 3. - Lokale voorschriften
Section 3. - Prescriptions locales
Art. 4.2.5. [1 Een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan voor het gehele grondgebied van de gemeente of voor een deel ervan, alleen een vergunningsplicht invoeren voor vrijgestelde of niet-vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen die voorkomen op een door de Vlaamse Regering vast te stellen limitatieve lijst van mogelijke vergunningsplichtige handelingen op gemeentelijk niveau.
   Een verordening kan de vergunningsplicht niet vervangen door een meldingsplicht of vrijstelling. Een verordening kan een meldingsplicht niet vervangen door een vergunningsplicht of vrijstelling.]1

  
Art. 4.2.5. [1 Un règlement communal d'urbanisme ne peut, pour tout ou partie du territoire de la commune, introduire une obligation d'autorisation que pour les actes d'urbanisme exemptés ou non soumis à l'obligation d'autorisation qui figurent sur une liste exhaustive d'actes possibles soumis à l'obligation d'autorisation au niveau communal, à déterminer par le Gouvernement flamand.
   Un règlement ne peut pas remplacer l'obligation d'autorisation par une obligation de déclaration ou une exemption. Un règlement ne peut pas remplacer une obligation de déclaration par une obligation d'autorisation ou une exemption.]1

  
Art. 4.2.6. [1 De gemeenteraden en provincieraden brengen eventueel bestaande bouwverordeningen of stedenbouwkundige verordeningen waarin bijkomende vergunningsplichten of meldingsplichten zijn opgenomen die niet zijn voorzien in artikel 4.2.5, in overeenstemming met de bepalingen van deze codex binnen een termijn van twee jaar na datum waarop de Vlaamse Regering de limitatieve lijst, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid, heeft vastgesteld.
   Bepalingen in bestaande gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige verordeningen die bijkomende vergunningsplichten ingevoerd hebben, die niet zijn voorzien in artikel 4.2.5, worden van rechtswege opgeheven twee jaar na de datum waarop de Vlaamse Regering de limitatieve lijst, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid, heeft vastgesteld.
   Bepalingen in bestaande gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige verordeningen die bijkomende meldingsplichten regelen, worden van rechtswege opgeheven twee jaar na de datum waarop de Vlaamse Regering de limitatieve lijst, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid, heeft vastgesteld.]1

  
Art. 4.2.6. [1 Les conseils communaux et provinciaux mettent les éventuels règlements existants sur la bâtisse ou d'urbanisme contenant des obligations d'autorisation ou de déclaration supplémentaires non prévues à l'article 4.2.5 en conformité avec les dispositions du présent code, dans un délai de deux ans suivant la date de l'établissement de la liste exhaustive, visée à l'article 4.2.5, alinéa 1er, par le Gouvernement flamand.
   Les dispositions des règlements existants d'urbanisme communaux ou provinciaux qui ont introduit des obligations d'autorisation supplémentaires non prévues à l'article 4.2.5, sont abrogées de plein droit deux ans après la date de l'établissement de la liste exhaustive visée à l'article 4.2.5, alinéa 1er, par le Gouvernement flamand.
   Les dispositions des règlements existants d'urbanisme communaux ou provinciaux qui prévoient des obligations de déclaration supplémentaires, sont abrogées de plein droit deux ans après la date de l'établissement de la liste exhaustive visée à l'article 4.2.5, alinéa 1er, par le Gouvernement flamand.]1

  
Sectie 4. - As-builtattest
Section 4. - Attestation " as built "
Subsectie 1.
Sous-section 1re.
Art. 4.2.7. [1 De uitvoering van vergunde stedenbouwkundige handelingen betreffende een constructie mag worden gecombineerd met de uitvoering van de volgende stedenbouwkundige handelingen:
   1° handelingen die niet zijn onderworpen aan de vergunningsplicht, opgenomen in artikel 4.2.1;
   2° handelingen die zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht in toepassing van artikel 4.2.3;
   3° handelingen die zijn onderworpen aan de meldingsplicht in toepassing van artikel 4.2.2, voor zover deze handelingen beperkt blijven tot handelingen binnen in gebouwen.
   Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover de handelingen, opgesomd in het eerste lid, niet uitdrukkelijk verboden of beperkt zijn in de vergunning.
   In afwijking van het eerste lid kunnen handelingen die het voorwerp uitmaken van [2 ...]2 gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, opgemaakt met toepassing van artikel 4.2.5 of 4.2.6, niet gecombineerd worden met de uitvoering van vergunde stedenbouwkundige handelingen betreffende een constructie.
   De handelingen, vermeld in het eerste lid, worden niet beschouwd als strijdig met de verleende stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen.]1

  
Art. 4.2.7. [1 L'exécution d'actes urbanistiques autorisés se rapportant à une construction peut être combinée avec l'exécution des actes urbanistiques suivants :
   1° les actes qui ne sont pas soumis à l'obligation d'autorisation, repris à l'article 4.2.1 ;
   2° les actes qui sont exemptés de l'obligation d'autorisation en application de l'article 4.2.3 ;
   3° les actes qui sont soumis à l'obligation d'autorisation en application de l'article 4.2.2, pour autant que ces actes restent limités à des actes à l'intérieur des bâtiments.
   Le premier alinéa n'est d'application que dans la mesure où les actes énumérés dans le premier alinéa ne sont pas expressément interdits ou limités dans l'autorisation.
   Par dérogation au premier alinéa, les actes qui font l'objet de règlements urbanistiques [2 ...]2communaux, élaborés en application de l'article 4.2.5 ou 4.2.6, ne peuvent pas être combinés avec l'exécution d'actes urbanistiques autorisés et se rapportant à une construction.
   Les actes visés au premier alinéa ne sont pas considérés comme contraires au permis d'urbanisme ou au permis d'environnement relatifs aux actes urbanistiques.]1

  
Subsectie 2.
Sous-section 2.
Art. 4.2.8. [1 De uitvoering van stedenbouwkundige handelingen wordt beschouwd als beantwoordend aan de verleende vergunning als er geen grotere afwijkingen in maatvoering zijn dan deze die inherent verbonden zijn aan het bouwproces. Deze technische tolerantiemarge wordt het metsershaar genoemd. De toepassing van het metsershaar kan geen afbreuk doen aan burgerlijke rechten.]1
  
Art. 4.2.8. [1 L'exécution d'actes urbanistiques est considérée comme conforme au permis octroyé si elle ne comporte pas d'écarts dimensionnels plus importants que ceux qui sont intrinsèquement liés au processus de construction. Cette marge de tolérance technique correspond au concept désigné en néerlandais par le terme " metsershaar ". L'application de cette marge " d'erreur " ne peut porter atteinte aux droits civils.]1
  
Subsectie 3.
Sous-section 3.
Art. 4.2.9. [1 Als voor de handelingen de medewerking van een architect is vereist, kan de architect, belast met het toezicht op de uitvoering van de vergunde stedenbouwkundige handelingen, op verzoek van de opdrachtgever, een as-builtattest opstellen waarin hij:
   1° in voorkomend geval beschrijft op welke wijze gebruik werd gemaakt van de mogelijkheden, vermeld in artikel 4.2.7;
   2° verklaart dat de bepalingen rond het metsershaar, vermeld in artikel 4.2.8, zijn nageleefd.
   De architect bezorgt een afschrift van het as-builtattest aan het college van burgemeester en schepenen.
   De Vlaamse Regering kan een model van as-builtattest vaststellen.]1

  
Art. 4.2.9. [1 Si les actes requièrent la collaboration d'un architecte, l'architecte chargé de superviser l'exécution des actes urbanistiques autorisés peut, à la demande du donneur d'ordre, établir une attestation as-built dans laquelle il :
   1° décrit, le cas échéant, la manière dont les possibilités visées à l'article 4.2.7 ont été utilisées ;
   2° déclare que les dispositions concernant la marge de tolérance technique, visées à l'article 4.2.8, ont été respectées.
   L'architecte remet copie de l'attestation as-built au collège des bourgmestre et échevins.
   Le Gouvernement flamand peut établir un modèle d'attestation as-built.]1

  
Subsectie 4.
Sous-section 4.
Subsectie 5.
Sous-section 5.
Subsectie 6.
Sous-section 6.
Sectie 5. - Vermoeden van vergunning
Section 5. - Présomption de permis
Art. 4.2.14. § 1. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden voor de toepassing van deze codex te allen tijde geacht te zijn vergund.
  § 2. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.
   Het tegenbewijs, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden geleverd eens de constructie één jaar als vergund geacht opgenomen is in het vergunningenregister. 1 september 2009 geldt als eerste mogelijke startdatum voor deze termijn van één jaar. Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.
  § 3. Indien met betrekking tot een vergund geachte constructie handelingen zijn verricht die niet aan de voorwaarden van § 1 en § 2, eerste lid, voldoen, worden deze handelingen niet door de vermoedens, vermeld in dit artikel, gedekt.
  § 4. Dit artikel heeft nimmer voor gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die het vergund karakter van een constructie tegenspreken.
Art. 4.2.14. § 1er. Les constructions existantes dont il a été démontré par un quelconque élément de preuve autorisé de droit qu'elles ont été édifiées avant le 22 avril 1962 sont de tout temps réputées autorisées pour l'application du présent code.
  § 2. Les constructions existantes, dont il a été démontré par un quelconque élément de preuve autorisé de droit qu'elles ont été édifiées dans la période allant du 22 avril 1962 à la première entrée en vigueur du plan régional dans le cadre duquel elles s'inscrivent, sont " réputées autorisées " pour l'application du présent code, sauf si le caractère autorisé est contesté par le biais d'un procès-verbal ou d'un acte d'opposition non anonyme, chaque fois rédigé dans un délai de cinq ans après l'édification ou la pose de la construction.
  Une fois que la construction est enregistrée depuis un an dans le registre des permis comme " réputée autorisée ", la preuve contraire visée au premier alinéa ne peut plus être fournie. Le 1er septembre 2009 vaut comme première date possible pour le commencement de ce délai d'un an. Cette réglementation ne vaut pas lorsque la construction est située dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial.
  § 3. Si, par rapport à une construction réputée autorisée, des actes ont été effectués qui ne satisfont pas aux conditions du § 1er et du § 2, premier alinéa, ces actes ne sont pas couverts en raison des présomptions visées à cet article.
  § 4. Cet article n'entraîne jamais la révocation des décisions passées en force de choses jugées, qui contredisent le caractère autorisé d'une construction.
Onderafdeling 2. [1 - Vergunningsplicht voor het verkavelen van gronden]1
Sous-section 2. [1 - Obligation d'autorisation pour le lotissement de sols]1
Art. 4.2.15. § 1. Niemand mag zonder voorafgaande [3 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]3 een stuk grond verkavelen voor woningbouw of voor het opstellen van vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt. [1 ...]1
  Een verkavelingsvergunning kan worden aangevraagd en verleend voor het verkavelen voor de aanleg en het bebouwen van terreinen voor andere functies.
  § 2. Een verkavelingsvergunning omvat reglementaire voorschriften aangaande de wijze waarop de verkaveling ingericht wordt en de kavels bebouwd kunnen worden.
  [2 ...]2
  [2 § 3. De verkavelaar zorgt ervoor dat de in de verkaveling opgenomen loten kunnen aansluiten op alle voorzieningen van openbaar nut die vereist worden door het vergunningverlenende bestuursorgaan. In voorkomend geval bepaalt de verkavelingsvergunning op welke wijze in de nodige infrastructuur voor de nutsvoorzieningen wordt voorzien.]2
  
Art. 4.2.15. § 1er. Personne ne peut lotir une parcelle de terrain en vue d'y construire des habitations ou d'y installer des constructions fixes ou mobiles destinées à l'habitat, sans avoir obtenu préalablement un [3 permis d'environnement pour le lotissement de sols]3. [1 ...]1
  Un [3 permis d'environnement pour le lotissement de sols]3 peut être demandé et accordé pour le lotissement, l'aménagement et la construction de terrains destinés à d'autres fonctions.
  § 2. Un [3 permis d'environnement pour le lotissement de sols]3 comprend les prescriptions réglementaires concernant la manière selon lesquelles le lotissement sera aménagé et les parcelles, construites.
  [2 ...]2
  [2 § 3. Le lotisseur s'assure que les lots repris dans le lotissement puissent se raccorder à tous les équipements d'utilité publique qui sont exigées par l'organe administratif octroyant l'autorisation. les cas échéant, le [3 ]3 stipule de quelle façon l'infrastructure nécessaire des équipements d'utilité publique doit être prévue.]2
  
Art. 4.2.16. § 1. Een kavel uit een vergunde verkaveling of verkavelingsfase kan enkel verkocht worden, verhuurd worden voor méér dan negen jaar, of bezwaard worden met een recht van erfpacht of opstal, nadat de verkavelingsakte door de instrumenterende ambtenaar is verleden.
  [1 ...]1
  § 2. De verkavelingsakte wordt eerst verleden na overlegging van een attest van het college van burgemeester en schepenen, waaruit blijkt dat, voor de volledige verkaveling of voor de betrokken verkavelingsfase, het geheel van de lasten uitgevoerd is of gewaarborgd is door :
  1° de storting van een afdoende financiële waarborg;
  2° een door een bankinstelling op onherroepelijke wijze verleende afdoende financiële waarborg.
  Het attest, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeleverd indien de vergunninghouder deels zelf de lasten heeft uitgevoerd, deels de nodige waarborgen heeft gegeven.
  
Art. 4.2.16. § 1er. Une parcelle faisant partie d'un lotissement ou d'une phase de lotissement ayant fait l'objet d'un permis peut seulement être vendue, louée pour plus de neuf ans ou grevée d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, après que l'acte de lotissement a été établi par le fonctionnaire instrumentant.
  [1 ...]1
  § 2. L'acte de lotissement n'est établi qu'après concertation d'une attestation du Collège des bourgmestre et échevins, qui fait état du fait que, pour la totalité du lotissement ou pour la phase de lotissement concernée, l'ensemble des charges a été exécuté ou est garanti par :
  1° le versement d'une garantie financière péremptoire;
  2° une garantie financière péremptoire octroyée de façon irrévocable par un établissement bancaire.
  L'attestation mentionnée dans le premier alinéa peut être délivrée si le titulaire du permis a d'une part exécuté lui-même les charges et d'autre part, fourni les garanties nécessaires.
  
Art. 4.2.17. [1 Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden geldt als omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wat betreft alle handelingen die zijn opgenomen in de vergunning en die de verkaveling bouwrijp maken, zoals in het bijzonder:
   1° de aanleg van nieuwe verkeerswegen, of de tracéwijziging, verbreding of opheffing daarvan;
   2° de wijziging van het reliëf van de bodem;
   3° de ontbossing, met behoud van de toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
   4° het afbreken van constructies.
   [2 Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden geldt tevens als omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie, vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wat betreft alle handelingen die zijn opgenomen in de vergunning en die de verkaveling bouwrijp maken.
   Het eerste en het tweede lid gelden als de vergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden voldoet aan de vereisten inzake ontvankelijkheid en volledigheid die gelden voor de aanvraag voor stedenbouwkundige handelingen of voor het wijzigen van de vegetatie.]2
]1

  
Art. 4.2.17. [1 Un permis d'environnement pour le lotissement de sols équivaut à un permis d'environnement pour actes urbanistiques pour tous les actes inclus dans le permis et qui rendent le lotissement constructible, plus particulièrement :
   1° la construction de nouvelles routes ou leur modification de tracé, leur élargissement ou leur fermeture ;
   2° la modification du relief du sol ;
   3° le déboisement, sans préjudice de l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990 ;
   4° la démolition de constructions.
   [2 Un permis d'environnement pour le lotissement de terrains tient également lieu de permis d'environnement pour la modification de la végétation, visé à l'article 9bis, § 7, et à l'article 13, § 4 et § 5, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, en ce qui concerne tous les actes qui sont repris dans le permis et qui préparent le lotissement pour la construction.
   Le premier et le deuxième alinéa s'appliquent si la demande de permis pour le lotissement de terrains satisfait aux exigences en matière de recevabilité et d'exhaustivité applicables à la demande d'actes urbanistiques ou de modification de la végétation.]2
]1

  
Art. 4.2.18. [1 De bepalingen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden worden niet opgeheven door de inwerkingtreding van een stedenbouwkundig voorschrift waarmee ze onverenigbaar zijn, met behoud van de toepassing van artikel 84 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.]1
  
Art. 4.2.18. [1 Les dispositions d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols ne sont pas abolies par l'entrée en vigueur d'une prescription urbanistique avec laquelle elles s'avèrent incompatibles, et ce, sans préjudice de l'article 84 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.]1
  
Afdeling 2.
Division 2.
Onderafdeling 1.
Sous-division 1re.
Art. 4.2.19.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.19.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.20.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.20.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Onderafdeling 2.
Sous-division 2.
Art. 4.2.21.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.21.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Art. 4.2.22.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.22.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.23.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.23.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Onderafdeling 4.
Sous-division 4.
Art. 4.2.24.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.24.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Onderafdeling 5.
Sous-division 5.
Art. 4.2.25.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.2.25.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 307 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
HOOFDSTUK III. - Beoordelingsgronden
CHAPITRE III. - Critères d'évaluation
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Division 1re. - Dispositions générales
Art. 4.3.1. § 1. Een vergunning wordt geweigerd :
  1° [5 als het aangevraagde onverenigbaar is met:
   a) stedenbouwkundige voorschriften, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken;
   b) verkavelingsvoorschriften inzake wegenis en openbaar groen;
   c) andere verkavelingsvoorschriften dan deze die vermeld zijn onder b), voor zover de verkaveling niet ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de vergunningsaanvraag, en voor zover van die verkavelingsvoorschriften niet op geldige wijze is afgeweken;
   d) een goede ruimtelijke ordening;]5

  2° indien de weigering genoodzaakt wordt door de decretale beoordelingselementen, vermeld in afdeling 2;
  3° indien het aangevraagde onverenigbaar is met normen en percentages betreffende de verwezenlijking van een sociaal of bescheiden woonaanbod, vastgesteld bij of krachtens [9 boek 5, deel 9, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]9;
  4° in de gevallen waarin overeenkomstig [6 artikel 1.3.1.1, van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]6 geen vergunning kan worden afgeleverd.
  [8 5° als de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgestelde ontwerp van rooilijnplan. Die weigeringsgrond vervalt als het plan niet definitief werd vastgesteld binnen de termijn die in de procedure is vastgesteld.]8
  In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kan het vergunningverlenende bestuursorgaan de vergunning toch afleveren, wanneer het van oordeel is dat de overeenstemming van het aangevraagde met het recht en de goede ruimtelijke ordening gewaarborgd kan worden door het opleggen van voorwaarden, met inbegrip van het opleggen van een beperkte aanpassing van de ter beoordeling voorgelegde plannen. Die voorwaarden kunnen niet dienen om de leemten van een onvolledige of vage aanvraag op te vangen. [3 ... [1 ...]1 ]3
  [4 Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.]4
  [7 De gemeenteraad kan gemotiveerd beslissen dat de voorschriften van een verkaveling in afwijking op het eerste lid, 1°, c), behouden blijven als weigeringsgrond voor zover van die verkavelingsvoorschriften niet op geldige wijze is afgeweken. Deze gemeenteraadsbeslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan en is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkingtreding ervan.]7
  [5 De termijn van vijftien jaar, vermeld in het [10 eerste lid, 1°, c]10, wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.]5
  § 2. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen :
  1° het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;
  2° [5 het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook de volgende aspecten in rekening brengen:
   a) beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in punt 1° ;
   b) de bijdrage van het aangevraagde aan de verhoging van het ruimtelijk rendement voor zover:
   1) de rendementsverhoging gebeurt met respect voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving;
   2) de rendementsverhoging in de betrokken omgeving verantwoord is.]5

  3° indien het aangevraagde gelegen is in een gebied dat geordend wordt door een ruimtelijk uitvoeringsplan, een gemeentelijk plan van aanleg of [4 een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]4 waarvan niet op geldige wijze afgeweken wordt, en in zoverre dat plan of die vergunning voorschriften bevat die de aandachtspunten, vermeld in 1°, behandelen en regelen, worden deze voorschriften geacht de criteria van een goede ruimtelijke ordening weer te geven. [7 Het vergunningverlenende bestuursorgaan kan gemotiveerd beslissen dat bepaalde voorschriften van verkavelingen ouder dan vijftien jaar, zoals bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, c), of voorschriften van bijzondere plannen van aanleg ouder dan vijftien jaar, waarvan op grond van artikel 4.4.9/1 op rechtsgeldige wijze kan worden afgeweken, nog steeds de criteria van goede ruimtelijke ordening weergeven.]7
  De Vlaamse Regering kan, thematisch of gebiedsspecifiek, integrale ruimtelijke voorwaarden bepalen, ter beoordeling van de inpassing van welbepaalde handelingstypes, of van handelingen in specifieke gebieden, in een goede ruimtelijke ordening, onverminderd strengere planologische voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
  § 3. Indien het aangevraagde getoetst dient te worden aan de vijfentwintigprocentsnorm in de zin van [9 artikel 2.7 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]9, gebeurt deze toetsing met inachtneming van het krachtens [9 artikel 2.6 van de voormelde codex]9 vastgesteld actieprogramma.
  § 4. Ontbossen in de zin van artikel 4, 15°, van het bosdecreet van 13 juni 1990 is verboden, tenzij daartoe [4 een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden]4 in de zin van artikel 4.2.17, § 1, eerste lid, 3°, afgegeven wordt [2 met inachtneming van de bepalingen van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990]2.
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
Art. 4.3.1. § 1er. Un permis est refusé :
  1° [5 lorsque la demande s'avère incompatible avec :
   a) les prescriptions urbanistiques, s'il n'y a pas été dérogé valablement ;
   b) les prescriptions de lotissement en matière de voirie et d'espaces verts publics ;
   c) d'autres prescriptions de lotissement que celles visées sous b), si le lotissement n'est pas vieux de plus de 15 ans au moment de l'introduction de la demande de permis, et s'il n'a pas été dérogé valablement aux prescriptions de lotissement ;
   d) un bon aménagement du territoire;]5

  2° lorsque le refus est contraint par les éléments d'évaluation décrétale mentionnés dans la division 2;
  3° lorsque la demande s'avère incompatible avec les normes et pourcentages concernant la réalisation d'une offre d'habitation sociale ou modeste, déterminés par ou en vertu [9 du livre 5, partie 9, du Code flamand du Logement de 2021]9;
  4° dans les cas où un permis ne peut pas être délivré pour les raisons mentionnées dans [6 l'article 1.3.1.1. du décret relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018]6.
  [8 5° lorsque la demande est incompatible avec un projet de plan d'alignement fixé à titre provisoire. Ce motif de refus échoit lorsque le plan n'a pas été fixé à titre définitif dans le délai prévu par la procédure.]8
  Dans les cas visés au premier alinéa, 1° et 2°, l'autorité administrative accordant les permis peut quand même délivrer le permis, s'il est d'avis que la concordance de la demande avec le droit et le bon aménagement du territoire peut être garantie par l'imposition de conditions incluant l'imposition d'une adaptation limitée des plans présentés pour évaluation. Ces conditions ne peuvent pas servir pour combler les vides dans une demande incomplète ou vague. [3 ... [1 ... ]1 ]3
  [4 Une adaptation des plans, telle que citée au deuxième alinéa, n'est possible que conformément à l'article 30 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement;]4
  [7 Le conseil communal peut décider de façon motivée que les prescriptions d'un lotissement restent maintenues comme motif de refus par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, c), dans la mesure où il n'a pas été dérogé valablement à ces prescriptions de lotissement. Cette décision du conseil communal est publiée par extrait au Moniteur belge. Elle entre en vigueur quatorze jours après sa publication et s'applique aux demandes de permis introduites à partir de son entrée en vigueur.]7
  [5 Le délai de 15 ans visé à [10 l'alinéa 1er, 1°, c) ]10, est calculé à partir de la date de délivrance du permis initial en dernière instance administrative. Si la demande fait expressément état des différentes phases du projet de lotissement, le délai est calculé pour chacune des phases. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, le délai est dès lors calculé à partir de la date de début de la phase concernée.]5
  § 2. La concordance avec un bon aménagement du territoire est évaluée en tenant compte des principes suivants :
  1° pour autant que cela s'avère nécessaire ou pertinent, la demande est évaluée à l'aide de points d'attention et de critères relatifs à l'adaptabilité fonctionnelle, à l'impact de mobilité, à l'échelle, à l'utilisation spatiale et à la densité de construction, aux éléments visuels/formels, aux aspects historico-culturels et au relief du sol, ainsi qu'aux aspects de nuisance, à la santé, au plaisir d'utilisation et à la sécurité en général, avec une attention particulière pour les objectifs de l'article 1.1.4;
  2° [5 lors de l'évaluation de la demande, l'organe administratif accordant les permis tient compte de la situation existante dans les environs, mais peut aussi prendre en compte les aspects suivants :
   a) d'éventuels développements politiques souhaités en rapport avec les points d'attention mentionnés au point 1° ;
   b) la contribution de ce qui est demandé à l'augmentation du rendement spatial, pour autant que : :
   1) l'augmentation de rendement se fasse dans le respect de la qualité du cadre d'habitat et de vie ;
   2) l'augmentation de rendement soit justifiée dans l'environnement concerné.]5

  3° si ce qui est demandé est situé dans une zone en cours d'aménagement à la suite d'un plan d'exécution spatial, d'un plan d'aménagement communal ou d'un [4 permis d'environnement pour le lotissement de sols]4 dont il n'est pas dérogé de manière valable, pour autant que ce plan ou ce permis contienne des prescriptions qui traitent et règlent les points d'attention mentionnés dans le point 1°, ces prescriptions sont censées traduire les critères d'un bon aménagement du territoire. [7 L'organe administratif accordant les permis peut décider de façon motivée que certaines prescriptions de lotissements de plus de quinze ans, telles que visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, c), ou les prescriptions de plans particuliers d'aménagement de plus de quinze ans, auxquelles il peut être dérogé valablement en vertu de l'article 4.4.9/1, traduisent encore toujours les critères de bon aménagement du territoire.]7
  Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions intégrées d'aménagement thématique ou spécifique à la zone, pour évaluer l'adaptabilité de types d'actions bien déterminés ou d'actes exécutés dans des zones spécifiques, dans le cadre d'un bon aménagement du territoire, et ce, sans préjudice de prescriptions planologiques ou de prescriptions de lotissement plus sévères.
  § 3. Si ce qui est demandé doit être confronté à la norme des vingt-cinq pour cent dans le sens de l'[9 article 2.7 du Code flamand du Logement de 2021]9, cette confrontation a lieu dans le respect du programme d'action établi en vertu de [9 l'article 2.6 du Code susmentionné]9.
  § 4. Le déboisement dans le sens de l'article 4, 15° du décret forestier du 13 juin 1990 est interdit, sauf si [4 un permis d'environnement pour actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols]4 dans le sens de l'article 4.2.17, § 1er, premier alinéa, 3°, a été octroyé dans ce dessein [2 tenant compte des dispositions de l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990]2.
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
Art. 4.3.2. Een vergunning kan worden geweigerd indien de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of van bijzonder plan van aanleg. Deze weigeringsgrond vervalt wanneer het plan geen bindende kracht heeft gekregen binnen de termijn waarbinnen het definitief kan worden vastgesteld.
Art. 4.3.2. Un permis peut être refusé lorsque la demande s'avère incompatible avec un projet de plan d'exécution spatial ou de plan particulier d'aménagement provisoirement établi. Ce motif de refus n'est pas valable lorsque le plan n'est pas doté d'un pouvoir contraignant dans le délai au cours duquel il peut être définitivement établi.
Art. 4.3.3. Indien uit de verplicht in te winnen adviezen blijkt dat het aangevraagde strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening, of indien dergelijke strijdigheid manifest reeds uit het aanvraagdossier blijkt, wordt de vergunning geweigerd of worden in de aan de vergunning verbonden voorwaarden waarborgen opgenomen met betrekking tot de naleving van de sectorale regelgeving.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder " direct werkende normen " verstaan : supranationale, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die op zichzelf volstaan om toepasbaar te zijn, zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is.
Art. 4.3.3. S'il apparaît des avis obligatoirement recueillis que ce qui est demandé est contraire aux normes directement applicables dans d'autres domaines politiques que celui de l'aménagement du territoire ou si le dossier de demande fait déjà clairement état d'une telle antinomie, l'autorisation est refusée ou des garanties de respect de la législation sectorielle sont incluses dans les conditions liées au permis.
  Pour l'application du premier alinéa, il convient d'entendre par " normes directement applicables " : les dispositions supranationales, ayant force de loi, réglementaires ou décisionnelles qui se suffisent à elles-mêmes pour être applicables, sans qu'une réglementation ultérieure visant à préciser ou à compléter ne soit requise.
Art. 4.3.4. Een vergunning kan worden geweigerd indien uit een verplicht in te winnen advies blijkt dat het aangevraagde onwenselijk is in het licht van doelstellingen of zorgplichten die gehanteerd worden binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder " doelstellingen of zorgplichten " verstaan : internationaalrechtelijke, Europeesrechtelijke, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die de overheid bij de uitvoering of de interpretatie van de regelgeving of het voeren van een beleid verplichten tot de inachtneming van een bepaalde doelstelling of van bepaalde voorzorgen, zonder dat deze op zichzelf beschouwd voldoende juridisch duidelijk zijn om onmiddellijk te kunnen worden uitgevoerd.
Art. 4.3.4. Un permis peut être refusé s'il apparaît d'un avis obligatoirement recueilli que la demande est jugée inopportune par rapport aux objectifs ou aux devoirs de sollicitude d'autres domaines politiques que celui de l'aménagement du territoire.
  Pour l'application du premier alinéa, il convient d'entendre par " objectifs ou devoirs de sollicitude " : les dispositions de droit international, de droit européen, ayant force de loi, réglementaires ou décisionnelles qui obligent les autorités, lorsqu'elles exécutent ou interprètent la réglementation ou lorsqu'elles mènent leur politique, à respecter un certain objectif ou à prendre certaines précautions, sans que cela soit en soi suffisamment clair d'un point de vue juridique pour pouvoir les appliquer sans délai.
Afdeling 2. - Decretale beoordelingselementen
Division 2. - Eléments décrétaux d'évaluation
Art. 4.3.5. § 1. [3 Een omgevingsvergunning]3 voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie " wonen ", " verblijfsrecreatie ", [4 dagrecreatie, met inbegrip van sport, detailhandel, dancing, restaurant en café, kantoorfunctie, dienstverlening, vrije beroepen, industrie, bedrijvigheid]4, " gemeenschapsvoorzieningen " of " openbare nutsvoorzieningen ", kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.
  § 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.
  Een voldoende uitgeruste weg voldoet voorts aan de uitrustingsvoorwaarden die worden gesteld in stedenbouwkundige voorschriften of vereist worden door de plaatselijke toestand, daaronder begrepen de voorzieningen die in de gemeente voorhanden zijn en het ruimtelijk beleid van de gemeente.
  § 3. In het geval de [2 opdrachtgever]2 instaat voor zowel het bouwen van de gebouwen als de verwezenlijking van de voor het project noodzakelijke wegeniswerken, [1 of in het geval de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen [5 de wegenis aanbesteedt of de wegenis aangelegd wordt door of in opdracht van de overheid, kan de omgevingsvergunning voor de gebouwen worden afgeleverd zodra de omgevingsvergunning voor de wegeniswerken is verleend en de nodige financiële waarborgen voorzien zijn]5.
  Het vergunningverlenende bestuursorgaan kan in dat geval een afdoende financiële waarborg voor de uitvoering van de wegeniswerken eisen.
  § 4. De voorwaarde, vermeld in § 1, is niet van toepassing :
  1° in verkavelingen waar geen of beperktere lasten op het vlak van de weguitrusting zijn opgelegd;
  2° voor land- of tuinbouwbedrijven en voor bedrijfswoningen van een land- of tuinbouwbedrijf;
  3° op het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van bestaande constructies.
  
Art. 4.3.5. § 1er. [3 Un permis d'environnement]3 visant construction d'un bâtiment dont la fonction principale est " habiter ", " récréation résidentielle ", [4 récréation de jour, y compris sport, commerce de détail, dancing, restaurant et café, fonctions de bureau, prestations de services, professions libérales, industrie, affaires]4, " installations communautaires " ou " équipements publics d'intérêt général " peut uniquement être octroyée pour une parcelle située au bord d'une route dûment équipée, qui existe déjà au moment de la demande.
  § 2. Par " route dûment équipée ", il convient d'entendre une route qui est au moins durcie avec des matériaux durables et qui est raccordée à un réseau d'électricité. Le Gouvernement flamand peut déterminer dans quels cas et sous quelles les conditions il peut être dérogé à l'équipement minimal, eu égard à la situation locale.
  Une " route dûment équipée " répond également aux conditions d'équipement fixées dans les prescriptions urbanistiques ou exigées par la situation locale, en ce compris les dispositions communales existantes, ainsi que la politique d'aménagement de la commune.
  § 3. Lorsque le [2 donneur d'ordre]2 est responsable aussi bien de la construction des bâtiments que de la réalisation des travaux de voirie requis par le projet, [1 ou lorsque la Société flamande du Logement social [5 met les travaux de voirie en adjudication ou lorsque la voirie est construite par ou pour le compte de l'autorité, le permis d'environnement pour les bâtiments peut être délivré dès que le permis d'environnement pour les travaux de voirie a été octroyé et que les garanties financières nécessaires sont prévues]5.
  Dans un tel cas, l'autorité administrative accordant les permis peut exiger une garantie financière suffisante pour couvrir l'exécution des travaux de voirie.
  § 4. La condition mentionnée dans le § 1er n'est pas d'application :
  1° aux lotissements, où aucune charge - ou une charge réduite en matière d'équipement routier - n'a été imposée;
  2° aux entreprises agricoles ou horticoles et aux logements d'entreprise d'une entreprise agricole ou horticole;
  3° à la transformation, à la reconstruction ou à l'agrandissement de constructions existantes.
  
Art. 4.3.6. Voor het bouwen of uitbreiden van een bedrijfswoning bij een bedrijf in een daartoe geschikt bestemmingsgebied, kan [1 een omgevingsvergunning]1 worden verleend voor [3 een bouwvolume van ten hoogste 1000 m3]3.
  [3 In geval van bewoning door meer dan щщn gezin dat aan het bedrijf verbonden is, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een bouwvolume van ten hoogste 1250 m3. Voor de berekening van dat maximale bouwvolume wordt uitgegaan van het gezamenlijke bouwvolume van alle bedrijfswoningen bij hetzelfde bedrijf.]3
  [2 Een vergunning wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede of een bijkomende, vrijstaande bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf.]2
  
Art. 4.3.6. [1 Un permis d'environnement]1 peut être octroyée pour la construction ou l'agrandissement d'un logement d'entreprise avoisinant l'entreprise dans une zone d'affectation appropriée à cet effet, et ce, pour [3 un volume de construction de 1 000 m3 maximum ]3.
  [3 Si le logement est destiné à plus d'une famille ayant un lien avec l'entreprise, le permis d'environnement peut être accordé pour un volume de construction de 1 250 m3 maximum. Pour le calcul de ce volume maximal de construction, on part du volume de construction total de tous les logements d'entreprise dans la même entreprise.]3
  [2 Un permis est refusé si la demande concerne l'établissement d'une deuxième habitation d'entreprise ou d'une habitation d'entreprise indépendante supplémentaire dans une même entreprise.]2
  
Art. 4.3.7. De [1 omgevingsvergunning voor de handelingen, vermeld in]1 artikel 4.2.1, 1°, 6°, 7° en 8°, wordt niet verleend wanneer niet is voldaan aan de bij of krachtens de wet of het decreet gestelde regelen betreffende toegang van personen met een functiebeperking tot openbare wegen en tot voor het publiek toegankelijke onroerende goederen.
  
Art. 4.3.7. [1 Le permis d'environnement pour les actes visés à l'article 4.2.1, 1°, 6°, 7° et 8° n'est pas délivré]1 lorsque les règles imposées par ou en vertu de la loi ou du décret concernant l'accès des personnes handicapées aux voies publiques et aux biens immeubles accessibles au public ne sont pas respectées.
  
Art. 4.3.8. § 1. [2 [3 Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, kan geen vergunning verleend worden voor het bouwen, verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een constructie op een stuk grond dat door een rooilijn of een achteruitbouwstrook is getroffen, met uitzondering van de gevallen waarin voldaan is aan een van volgende voorwaarden:
   1° de aanvraag heeft louter betrekking op onderhouds- of stabiliteitswerken aan een vergunde of vergund geachte constructie;
   2° de aanvraag heeft louter betrekking op sloop- of aanpassingswerken die tot gevolg hebben dat de constructie aan de rooilijn of achteruitbouwstrook wordt aangepast;
   3° de aanvraag heeft betrekking op de verbouwing van een monument dat bij een decreet definitief of voorlopig beschermd is, of een constructie die deel uitmaakt van een stads- of dorpsgezicht of een cultuurhistorisch landschap dat bij een decreet definitief of voorlopig beschermd is;
   4° de aanvraag heeft louter betrekking op het aanbrengen van gevelisolatie aan een bestaande vergunde of vergund geachte constructie, met een overschrijding van ten hoogste veertien centimeter.
   In afwijking van het eerste lid mag een vergunning worden verleend:
   1° die afwijkt van de rooilijn als uit het advies van de wegbeheerder blijkt dat de rooilijn niet binnen vijf jaar na de afgifte van de vergunning zal worden gerealiseerd. Als er na het verstrijken van die termijn wordt onteigend, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde handelingen voortvloeit;
   2° die afwijkt van de achteruitbouwstrook als de wegbeheerder een gunstig advies heeft gegeven.
   Werkzaamheden en handelingen waarvoor geen vergunning is vereist, mogen onder dezelfde voorwaarden als vermeld in het eerste en tweede lid worden uitgevoerd na machtiging van de wegbeheerder.
   Als het bij het aanbrengen van gevelisolatie als vermeld in het eerste lid, 4°, gaat om de overschrijding van een rooilijn die wordt gevormd door de huidige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen, kan na een gunstig advies van de wegbeheerder die gevelisolatie ook tot veertien centimeter toegestaan worden. In dat geval is, in afwijking van artikel 40 van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993, geen vergunning vereist voor het privatieve gebruik van het openbaar domein.
   De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels voor de toepassing van dit artikel bepalen.]3
]2

  § 2. Een [1 omgevingsvergunning]1 kan niet worden verleend voor [2 handelingen, vermeld in artikel 4.2.1, 1°,]2 in een reservatiestrook, behoudens indien voldaan is aan een van volgende voorwaarden :
  1° de aanvraag heeft betrekking op de uitvoering, bescherming of instandhouding van handelingen die betrekking hebben op openbare infrastructuren of openbare wegen of nutsvoorzieningen en kan worden gekaderd binnen de vigerende stedenbouwkundige voorschriften;
  2° uit de adviezen van de bevoegde instanties blijkt dat de reservatiestrook niet binnen vijf jaar na afgifte van de vergunning zal worden aangewend voor de uitvoering, bescherming of instandhouding van handelingen, vermeld in 1°.
  [2 Als de onteigening alsnog plaatsvindt vóór het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt bij het bepalen van de vergoeding volledig rekening gehouden met de eventuele waardevermeerdering die voortvloeit uit de vergunde, gemelde of vrijgestelde handelingen.]2
  [2 De Vlaamse Regering bepaalt of en in welke mate bij onteigening na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, 2°, bij het bepalen van de vergoeding rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering die voortvloeit uit vergunde, gemelde of vrijgestelde handelingen.
   Er wordt rekening gehouden met de eventuele waardevermeerdering die voortvloeit uit de volgende handelingen aan bestaande, hoofdzakelijk vergunde constructies:
   1° onderhoudswerken;
   2° vergunde stabiliteitswerken;
   3° van vergunning vrijgestelde handelingen binnen het bestaande bouwvolume;
   4° vergunde verbouwingen binnen het bestaande bouwvolume;
   5° vergunde herstelwerken na vernietiging of beschadiging door vreemde oorzaak;
   6° handelingen als vermeld in artikel 4.4.19, § 1.]2

  § 3. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regelen voor de toepassing van § 1 en § 2 bepalen.
  
Art. 4.3.8. § 1er. [1 [2 [3 Sans préjudice de dispositions légales, décrétales ou réglementaires contraires, aucune autorisation ne peut être accordée pour l'installation, la transformation, la reconstruction ou l'extension d'une construction sur un terrain affecté par un alignement ou une zone de recul, sauf dans les cas où l'une des conditions suivantes est remplie :
   1° la demande concerne uniquement les travaux d'entretien ou de stabilité d'une construction autorisée ou réputée autorisée ;
   2° la demande concerne uniquement les travaux de démolition ou d'adaptation résultant en une adaptation de la construction à l'alignement ou à la zone de recul ;
   3° la demande concerne la transformation d'un monument définitivement ou provisoirement protégé par décret, ou d'une construction faisant partie d'un site urbain ou rural ou d'un paysage historico-culturel protégé définitivement ou provisoirement par décret ;
   4° la demande concerne uniquement la pose d'isolation de façade sur une construction existante autorisée ou réputée autorisée, avec un dépassement d'au maximum quatorze centimètres.
   Par dérogation à l'alinéa 1er une autorisation peut être accordée :
   1° qui déroge à l'alignement s'il ressort de l'avis du gestionnaire de voirie que l'alignement ne sera pas réalisé dans les cinq ans suivant la délivrance de l'autorisation. Si, après l'expiration de ce délai, on procède à l'expropriation, il n'est pas tenu compte, lors de la détermination de l'indemnité, de l'augmentation de valeur résultant des travaux autorisés ;
   2° qui déroge à la zone de recul si le gestionnaire de voirie a donné un avis favorable.
   Les travaux et actes pour lesquels aucune autorisation n'est requise, peuvent être exécutés aux mêmes conditions que celles fixées aux alinéas 1er et 2 après autorisation du gestionnaire de voirie.
   Si la pose d'isolation de façade, visée à l'alinéa 1er, 4°, entraîne le dépassement d'un alignement constitué par la limite actuelle entre la voie publique et les propriétés riveraines, cette isolation de façade peut être autorisée jusqu'à quatorze centimètres, après avis favorable du gestionnaire de voirie. Dans ce cas, par dérogation à l'article 40 du décret du 18 décembre 1992 contenant des mesures d'accompagnement du budget 1993, aucune autorisation n'est requise pour l'utilisation privée du domaine public.
   Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités formelles et procédurales pour l'application du présent article.]3
]2

  § 2. [1 Un permis d'environnement ne peut pas être délivré]1
pour [2 les actes visés à l'article 4.2.1, 1°,]2 dans une zone de réservation, sauf si l'une des conditions suivantes est remplie :
  1° la demande concerne l'exécution, la protection ou le maintien d'actes se rapportant à des infrastructures publiques, à des voies publiques ou à des équipements d'intérêt général et elle entre dans le cadre des prescriptions urbanistiques en vigueur;
  2° il apparaît des avis recueillis auprès des instances compétentes que la zone de réservation ne sera pas utilisée dans un délai de cinq ans suivant l'octroi de l'autorisation qui sera utilisée pour l'exécution, la protection ou le maintien d'actes mentionnés dans le point 1°.
  [2 En cas d'expropriation avant l'expiration du délai visé au premier alinéa, 2°, il sera pleinement tenu compte, lors de la détermination de l'indemnité, de l'éventuelle plus-value découlant des actes autorisés, déclarés ou exemptés.]2
  [2 Le Gouvernement flamand détermine si et dans quelle mesure, en cas d'expropriation après l'expiration du délai visé à l'alinéa premier, 2°, il sera pleinement tenu compte, lors de la détermination de l'indemnité, de l'éventuelle plus-value découlant des actes autorisés, déclarés ou exemptés.]2
  [2 Il est également tenu compte de l'éventuelle plus-value découlant des travaux suivants sur des constructions existantes autorisées en principal :
   1° travaux d'entretien.
   2° travaux de stabilisation autorisés ;
   3° actes exemptés de permis effectués à l'intérieur du volume de construction existant ;
   4° transformations autorisées à l'intérieur du volume de construction existant ;
   5° travaux de réparation autorisés après destruction ou dommages provoqués par une cause étrangère ;
   6° les actes visés à l'article 4.4.19, § 1.]2

  § 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités formelles et procédurales plus précises pour l'application du § 1er et du § 2.
  
Art. 4.3.9. [1 Ї 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1А collectief te optimaliseren buitengebied: het gebied zoals gedefinieerd in artikel 1.1.2, definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiыne (VLAREM II);
   2А individueel te optimaliseren buitengebied: het gebied zoals gedefinieerd in artikel 1.1.2, definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiыne (VLAREM II);
   3А zoneringsplan: het plan zoals gedefinieerd in artikel 1.1.2, definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiыne (VLAREM II).
   Een omgevingsvergunning voor het bouwen of herbouwen van een gebouw dat huishoudelijk afvalwater loost, kan in het individueel te optimaliseren buitengebied of buiten de gebieden voorzien op het zoneringsplan, alleen worden verleend als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1А het huishoudelijk afvalwater komt terecht in een riolering die is aangesloten op een operationele waterzuiveringsinstallatie;
   2А de individuele of collectieve installatie voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater is opgenomen in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, als een aansluiting als vermeld in punt 1А niet mogelijk is;
   3А als niet voldaan is aan de vorige punten, legt de aanvrager een individuele of collectieve installatie voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater aan, ongeacht of deze nadien aan de instantie bevoegd voor de sanering van het afvalwater wordt overgedragen.
   Ї 2. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of herbouwen van een gebouw dat huishoudelijk afvalwater loost, kan in het collectief nog te optimaliseren buitengebied, alleen worden verleend als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1А het huishoudelijk afvalwater komt terecht in een riolering die is aangesloten op een operationele waterzuiveringsinstallatie;
   2А de instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting bevestigt dat de aanbesteding van een riolering die is aangesloten op een operationele openbare waterzuiveringsinstallatie, binnen de zes jaar gepland is en dat daarbij haar doelstellingen, overeenkomstig een meerjarenplan dat is opgemaakt ter uitvoering van de saneringsverplichting, vermeld in artikel 2.3.5, Ї 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoіrdineerd op 15 juni 2018, niet in het gedrang komen. De aanvrager legt in dat geval een septische put aan en sluit het afvalwater hierop aan;
   3А de individuele of collectieve installatie voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater is opgenomen in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden als een aansluiting als vermeld in punt 1А en 2А niet mogelijk is;
   4А de aanvrager legt een septische put aan en sluit het afvalwater hierop aan, als de aanvraag betrekking heeft op het bouwen en herbouwen van gebouwen met maximaal negen woongelegenheden;
   5А als niet voldaan is aan de vorige punten, legt de aanvrager een individuele of collectieve installatie voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater aan, ongeacht of deze nadien aan de instantie bevoegd voor de sanering van het afvalwater wordt overgedragen.
   Ї 3. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan alleen worden verleend als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1А de aanvraag tot het verkavelen van gronden omvat de noodzakelijke handelingen voor de aanleg van riolering binnen het project, die wordt aangesloten op een operationele waterzuiveringsinstallatie of waarbij de instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting bevestigt dat de aanbesteding van een riolering die is aangesloten op een operationele openbare waterzuiveringsinstallatie, binnen de zes jaar gepland is en dat daarbij haar doelstellingen, overeenkomstig een meerjarenplan dat is opgemaakt ter uitvoering van de saneringsverplichting, vermeld in artikel 2.3.5, Ї 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal water- beleid, gecoіrdineerd op 15 juni 2018, niet in het gedrang komen;
   2А de aanvrager legt collectieve of individuele installatie(s) voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater aan waarop de nieuw op te richten gebouwen binnen de verkaveling aangesloten worden, ongeacht of deze installatie nadien aan de instantie bevoegd voor de sanering van het afvalwater wordt overgedragen, als een aansluiting als vermeld in punt 1А niet mogelijk is;
   3А als het een verkaveling met maximaal щщn bijkomende bouwkavel betreft, gelegen in het collectief nog te optimaliseren buitengebied, legt de vergunning de aanleg van een septische put op waarop het afvalwater wordt aangesloten;
   4А als de aanvraag niet de handelingen, vermeld in punt 1А tot en met 3А bevat, worden in de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden de nodige voorwaarden of lasten opgelegd opdat het huishoudelijk afvalwater van de nieuw op te richten gebouwen binnen de verkaveling terechtkomt in een riolering als vermeld in punt 1А, of aangesloten wordt op collectieve of individuele installatie(s) als vermeld in punt 2А, ongeacht of deze installatie nadien aan de instantie bevoegd voor de sanering van het afvalwater wordt overgedragen.
   Ї 4. De Vlaamse Regering kan de bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 3 verfijnen, en de gehanteerde begrippen nader definiëren.]1

  
Art. 4.3.9. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
   1° zone extérieure à optimiser collectivement : la zone telle que définie à l'article 1.1.2, définitions protection des eaux de surface et des eaux souterraines de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement (VLAREM II) ;
   2° zone extérieure à optimiser individuellement : la zone telle que définie à l'article 1.1.2, définitions protection des eaux de surface et des eaux souterraines de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement (VLAREM II) ;
   3° plan de zonage : le plan tel que défini à l'article 1.1.2, définitions protection des eaux de surface et des eaux souterraines de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement (VLAREM II).
   Un permis d'environnement pour la construction ou la reconstruction d'un bâtiment déversant des eaux usées domestiques ne peut être accordé dans la zone extérieure à optimiser individuellement ou en dehors des zones prévues sur le plan de zonage que si l'une des conditions suivantes est remplie :
   1° les eaux usées domestiques s'écoulent dans un égout raccordé à une station d'épuration opérationnelle ;
   2° l'installation d'épuration des eaux usées domestiques individuelle ou collective est reprise dans un permis d'environnement pour le lotissement de terrains si un raccordement tel que visé au point 1° n'est pas possible ;
   3° si les points précédents ne sont pas remplis, le demandeur doit installer une station d'épuration des eaux usées domestiques individuelle ou collective, qu'elle soit ou non cédée ultérieurement à l'instance chargée de l'assainissement des eaux usées.
   § 2. Un permis d'environnement pour la construction ou la reconstruction d'un bâtiment déversant des eaux usées domestiques ne peut être accordé dans la zone extérieure à optimiser collectivement que si l'une des conditions suivantes est remplie :
   1° les eaux usées domestiques s'écoulent dans un égout raccordé à une station d'épuration opérationnelle ;
   2° l'instance chargée de l'exécution de l'obligation communale d'assainissement confirme que l'adjudication d'un égout raccordé à une station d'épuration publique opérationnelle est prévue dans un délai de six ans et que, ce faisant, ses objectifs, conformément à un plan pluriannuel établi pour l'exécution de l'obligation d'assainissement, visé à l'article 2.3.5, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, ne sont pas compromis. Dans ce cas, le demandeur doit installer une fosse septique et y raccorder les eaux usées ;
   3° l'installation d'épuration des eaux usées domestiques individuelle ou collective est reprise dans un permis d'environnement pour le lotissement de terrains si un raccordement tel que visé aux points 1° et 2° n'est pas possible ;
   4° le demandeur doit installer une fosse septique et y raccorder les eaux usées, si la demande concerne la construction et la reconstruction de bâtiments comprenant un maximum de neuf logements ;
   5° si les points précédents ne sont pas remplis, le demandeur doit installer une station d'épuration des eaux usées domestiques individuelle ou collective, qu'elle soit ou non cédée ultérieurement à l'instance chargée de l'assainissement des eaux usées.
   § 3. Le permis d'environnement pour le lotissement de terrains ne peut être octroyé que lorsque l'une des conditions suivantes a été remplie :
   1° la demande de lotissement de terrains comprend les actions nécessaires à la construction d'un égout, dans le cadre du projet, qui est raccordé à une station d'épuration opérationnelle ou la confirmation de l'instance chargée de l'exécution de l'obligation communale d'assainissement que l'adjudication d'un égout raccordé à une station d'épuration publique opérationnelle est prévue dans un délai de six ans et que, ce faisant, ses objectifs, conformément à un plan pluriannuel établi pour l'exécution de l'obligation d'assainissement, visé à l'article 2.3.5, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, ne sont pas compromis ;
   2° le demandeur doit installer une/des station(s) d'épuration des eaux usées domestiques collective(s) ou individuelle(s) à laquelle/auxquelles les nouveaux bâtiments dans le lotissement doivent être raccordés, que cette station soit ou non cédée ultérieurement à l'instance chargée de l'assainissement des eaux usées, si un raccordement tel que visé au point 1° n'est pas possible ;
   3° s'il s'agit d'un lotissement d'au maximum un lot supplémentaire à bâtir situé dans la zone extérieure à optimiser collectivement, le permis impose l'installation d'une fosse septique à laquelle les eaux usées sont raccordées ;
   4° si la demande ne comporte pas les actions visées aux points 1° à 3°, le permis d'environnement pour le lotissement de terrains impose les conditions ou charges nécessaires pour que les eaux usées domestiques des nouveaux bâtiments dans le lotissement s'écoulent dans un égout tel que visé au point 1°, ou soient raccordées à une/des station(s) collective(s) ou individuelle(s) tel que visé au point 2°, que cette station soit ou non cédée ultérieurement à l'instance chargée de l'assainissement des eaux usées.
   § 4. Le Gouvernement flamand peut préciser les dispositions des paragraphes 1er à 3 et définir les concepts utilisés. ]1

  
HOOFDSTUK IV. - Afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften
CHAPITRE IV. - Dérogations aux prescriptions urbanistiques
Afdeling 1. [1 Algemene bepaling]1
Division 1re. [1 Disposition générale ]1
Art. 4.4.1 /0. [1 Er kan slechts toepassing gemaakt worden van de afwijkingen, vermeld in dit hoofdstuk, op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager.]1
  
Art. 4.4.1 /0. [1 Les dérogations visées au présent chapitre ne peuvent être appliquées que sur demande motivée du demandeur d'autorisation.]1
  
Afdeling 1/1. [1 - Afwijkingsmogelijkheden]1
Division 1/1. [1 Sortes ]1
Onderafdeling 1. - Beperkte afwijkingen
Sous-division 1re. - Dérogations limitées
Art. 4.4.1. [1 § 1.]1 In een vergunning kunnen, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen.
  Afwijkingen kunnen niet worden toegestaan voor wat betreft :
  1° de bestemming;
  2° de maximaal mogelijke vloerterreinindex;
  3° het aantal bouwlagen.
  [1 § 2. [5 De volgende handelingen worden niet beschouwd als afwijkend van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften, [8 tenzij de voorschriften, andere dan verkavelingsvoorschriften, die handelingen uitdrukkelijk verbieden]8:
   1° de plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers geïntegreerd in het dakvlak;
   2° de creatie van een zorgwoning in de zin van [7 artikel 4.2.4]7 ;
   3° het aanbrengen van [6 isolatie]6 aan de buitenzijde van een woning met een dikte van ten hoogste 26 centimeter.]5

   § 3. De volgende zaken worden niet beschouwd als strijdig met voorschriften van [2 gewestelijke of [5 " provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en meer dan vijftien jaar oude verkavelingen]5 " de woorden " algemene plannen van aanleg,]2, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen :
   1° onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie;
   2° handelingen die vrijgesteld zijn [4 van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen]4, op voorwaarde dat de op het perceel aanwezige gebouwen of constructies hoofdzakelijk vergund zijn.
   De gemeenteraad kan in een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening de lijst vaststellen van de bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en [5 minder dan vijftien jaar oude verkavelingen]5, of delen ervan, waarbinnen de volgende zaken niet worden beschouwd als strijdig met de voorschriften :
   1° onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie;
   2° handelingen die vrijgesteld zijn [4 van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen]4, op voorwaarde dat de op het perceel aanwezige gebouwen of constructies hoofdzakelijk vergund zijn.]1

  [3 Behoudens de onderhoudswerken vermeld in het eerste en tweede lid, worden niet-vergunningsplichtige handelingen niet beschouwd als strijdig met de voorschriften van het gewestplan, de algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, noch met de voorschriften van bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en [5 verkavelingen]5 [5 , tenzij deze voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk en specifiek beperken of verbieden]5.]3
  [5 De termijn van vijftien jaar, vermeld in het eerste lid en tweede lid, wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.]5
  
Art. 4.4.1. [1 § 1er.]1 Une autorisation peut, après une enquête publique, permettre des dérogations limitées aux prescriptions urbanistiques et aux prescriptions de lotissement concernant les dimensions d'une parcelle, les dimensions et l'implantation des constructions, la forme de leur toit et les matériaux utilisés.
  Aucune dérogation ne peut être autorisée quant à :
  1° la destination;
  2° l'indice du sol/du terrain maximum possible;
  3° le nombre de couches de construction.
  [1 § 2. [5 Les actes suivants ne sont pas considérés comme dérogatoires aux prescriptions urbanistiques ou aux prescriptions de lotissement, [8 à moins que les prescriptions, autres que les prescriptions de lotissement, interdisent explicitement ces actes]8 :
   1° l'installation de panneaux solaires photovoltaïques ou de chauffe-eau solaires intégrés dans la toiture ;
   2° la création d'un appartement supervisé au sens de [7 l'article 4.2.4]7 ;
   3° la pose d'une [6 isolation]6 à l'extérieur d'une habitation, d'une épaisseur de 26 cm au maximum.]5

   § 3. Les actes suivants ne sont pas considérés comme contraires aux prescriptions du plan de secteur, [2 de plans généraux d'aménagement,]2 [5 de plans d'exécution spatiaux régionaux ou provinciaux et de lotissements vieux de plus de 15 ans]5 :
   1° des travaux d'entretien à une construction principalement autorisée;
   2° des actes exonérés [4 de l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques]4, à condition que les bâtiments ou constructions présents sur la parcelle soient principalement autorisés.
   Dans un règlement urbanistique communal, le conseil communal peut établir la liste des plans particuliers d'aménagement, plans d'exécutions spatiaux régionaux et [4 [5 lotissements vieux de moins de 15 ans]5 ]4, ou leurs parties, au sein desquels les actes suivants ne sont pas considérés comme contraires aux prescriptions :
   1° des travaux d'entretien à une construction principalement autorisée;
   2° des actes exonérés [4 de l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques]4, à condition que les bâtiments ou constructions présents sur la parcelle soient principalement autorisés.]1

  [3 Outre les travaux d'entretien mentionnés au premier et au deuxième alinéas, les actes non soumis à autorisation ne sont pas considérés comme étant contraires aux prescriptions du plan régional, des plans généraux d'aménagement, des plans d'exécution spatiaux régionaux ou provinciaux ni aux prescriptions des plans particuliers d'aménagement, des plans d'exécution spatiaux communaux et des [5 lotissements]5 [5 à moins que lesdites prescriptions limitent ou interdisent expressément et spécifiquement ces actes]5]3.
  [5 Le délai de 15 ans visé aux premier et deuxième alinéas est calculé à partir de la date de délivrance du permis initial en dernière instance administrative. Si la demande fait expressément état des différentes phases du projet de lotissement, le délai est calculé pour chacune des phases. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, le délai est dès lors calculé à partir de la date de début de la phase concernée.]5
  
Art. 4_4.1.TOEKOMSTIG_RECHT.    [1 § 1.]1 In een vergunning kunnen, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen.
  Afwijkingen kunnen niet worden toegestaan voor wat betreft :
  1° de bestemming;
  2° de maximaal mogelijke vloerterreinindex;
  3° het aantal bouwlagen.
  [1 § 2. [5 De volgende handelingen worden niet beschouwd als afwijkend van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften, tenzij die voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk verbieden:
   1° de plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers geïntegreerd in het dakvlak;
   2° de creatie van een zorgwoning in de zin van [7 artikel 4.2.4]7 ;
  [8 2° /1 handelingen die zijn onderworpen aan de meldingsplicht in toepassing van artikel 4.2.2, Ї 1, op voorwaarde dat de op het perceel aanwezige gebouwen of constructies hoofdzakelijk vergund zijn;]8
   3° het aanbrengen van [6 isolatie]6 aan de buitenzijde van een woning met een dikte van ten hoogste 26 centimeter.]5

   § 3. De volgende zaken worden niet beschouwd als strijdig met voorschriften van [2 gewestelijke of [5 " provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en meer dan vijftien jaar oude verkavelingen]5 " de woorden " algemene plannen van aanleg,]2, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen :
   1° onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie;
   2° handelingen die vrijgesteld zijn [4 van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen]4, op voorwaarde dat de op het perceel aanwezige gebouwen of constructies hoofdzakelijk vergund zijn.
   De gemeenteraad kan in een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening de lijst vaststellen van de bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en [5 minder dan vijftien jaar oude verkavelingen]5, of delen ervan, waarbinnen de volgende zaken niet worden beschouwd als strijdig met de voorschriften :
   1° onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie;
   2° handelingen die vrijgesteld zijn [4 van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen]4, op voorwaarde dat de op het perceel aanwezige gebouwen of constructies hoofdzakelijk vergund zijn.]1

  [3 Behoudens de onderhoudswerken vermeld in het eerste en tweede lid, worden niet-vergunningsplichtige handelingen niet beschouwd als strijdig met de voorschriften van het gewestplan, de algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, noch met de voorschriften van bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en [5 verkavelingen]5 [5 , tenzij deze voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk en specifiek beperken of verbieden]5.]3
  [5 De termijn van vijftien jaar, vermeld in het eerste lid en tweede lid, wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.]5
Art. 4_4.1.DROIT_FUTUR.    [1 § 1er.]1 Une autorisation peut, après une enquête publique, permettre des dérogations limitées aux prescriptions urbanistiques et aux prescriptions de lotissement concernant les dimensions d'une parcelle, les dimensions et l'implantation des constructions, la forme de leur toit et les matériaux utilisés.
  Aucune dérogation ne peut être autorisée quant à :
  1° la destination;
  2° l'indice du sol/du terrain maximum possible;
  3° le nombre de couches de construction.
  [1 § 2. [5 Les actes suivants ne sont pas considérés comme dérogatoires aux prescriptions urbanistiques ou aux prescriptions de lotissement, à moins que celles-ci interdisent explicitement ces actes :
   1° l'installation de panneaux solaires photovoltaïques ou de chauffe-eau solaires intégrés dans la toiture ;
   2° la création d'un appartement supervisé au sens de [7 l'article 4.2.4]7 ;
  [8 2° /1 les actes soumis à l'obligation de déclaration en application de l'article 4.2.2, § 1er, à condition que les bâtiments ou constructions présents sur la parcelle soient principalement autorisés ; ]8
   3° la pose d'une [6 isolation]6 à l'extérieur d'une habitation, d'une épaisseur de 26 cm au maximum.]5

   § 3. Les actes suivants ne sont pas considérés comme contraires aux prescriptions du plan de secteur, [2 de plans généraux d'aménagement,]2 [5 de plans d'exécution spatiaux régionaux ou provinciaux et de lotissements vieux de plus de 15 ans]5 :
   1° des travaux d'entretien à une construction principalement autorisée;
   2° des actes exonérés [4 de l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques]4, à condition que les bâtiments ou constructions présents sur la parcelle soient principalement autorisés.
   Dans un règlement urbanistique communal, le conseil communal peut établir la liste des plans particuliers d'aménagement, plans d'exécutions spatiaux régionaux et [4 [5 lotissements vieux de moins de 15 ans]5 ]4, ou leurs parties, au sein desquels les actes suivants ne sont pas considérés comme contraires aux prescriptions :
   1° des travaux d'entretien à une construction principalement autorisée;
   2° des actes exonérés [4 de l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques]4, à condition que les bâtiments ou constructions présents sur la parcelle soient principalement autorisés.]1

  [3 Outre les travaux d'entretien mentionnés au premier et au deuxième alinéas, les actes non soumis à autorisation ne sont pas considérés comme étant contraires aux prescriptions du plan régional, des plans généraux d'aménagement, des plans d'exécution spatiaux régionaux ou provinciaux ni aux prescriptions des plans particuliers d'aménagement, des plans d'exécution spatiaux communaux et des [5 lotissements]5 [5 à moins que lesdites prescriptions limitent ou interdisent expressément et spécifiquement ces actes]5]3.
  [5 Le délai de 15 ans visé aux premier et deuxième alinéas est calculé à partir de la date de délivrance du permis initial en dernière instance administrative. Si la demande fait expressément état des différentes phases du projet de lotissement, le délai est calculé pour chacune des phases. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, le délai est dès lors calculé à partir de la date de début de la phase concernée.]5
Onderafdeling 2. - Stabiliteitswerken
Sous division 2. - Travaux de stabilisation
Art. 4.4.2. § 1. In een [2 omgevingsvergunning]2 voor het uitvoeren van stabiliteitswerken ten behoeve van een bestaande, hoofdzakelijk vergunde en niet-verkrotte constructie, kan worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften of van verkavelingsvoorschriften.
  § 2. [3 Als in laatste administratieve aanleg een omgevingsvergunning wordt geweigerd voor stabiliteitswerken aan constructies als vermeld in paragraaf 1, kan de eigenaar eisen dat het Vlaamse Gewest zijn perceel aankoopt, met inbegrip van alle op dat perceel vergunde of als vergund te beschouwen constructies. De bepalingen van titel 3, hoofdstuk 1 tot en met 6, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 zijn van toepassing op die koopplicht.]3
  § 3. [3 ...]3
  § 4. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel.
  
Art. 4.4.2. § 1er. Dans [2 un permis d'environnement]2 pour l'exécution de travaux de stabilité à une construction existante, principalement autorisée et non délabrée, il peut être dérogé aux prescriptions urbanistiques ou aux prescriptions de lotissement.
  § 2. [3 Lorsqu'un permis d'environnement pour des travaux de stabilité à des constructions visées au § 1er est refusé en dernier ressort administratif, le propriétaire est en droit d'exiger que la Région flamande procède à l'achat de sa parcelle, ainsi que de toutes les constructions autorisées ou réputées autorisées qui y sont situées. Les dispositions du titre 3, chapitres 1er à 6, du Décret Instruments du 26 mai 2023 s'appliquent à cette obligation d'acquisition.]3
  § 3. [3 ...]3.
  § 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour l'application du présent article.
  
Onderafdeling 3. - Afwerkingsregel
Sous-division 3. - Réglementation de finition
Art. 4.4.3. Voor een perceel [3 dat in een woonreservegebied ligt, kan een omgevingsvergunning]3]2 voor het bouwen van een eengezinswoning worden afgegeven, indien voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :
  1° de nieuwe woning is van :
  a) hetzij het driegeveltype, in welk geval zij aangebouwd wordt bij een wachtmuur van een bestaande woning op een belendend perceel,
  b) hetzij het gesloten bouwtype, in welk geval zij gebouwd wordt op een perceel dat gelegen is tussen twee wachtmuren;
  2° [3 ...]3;
  3° het bouwvolume van de nieuwe woning bedraagt ten hoogste 1 000 m.3 ;
  4° de aanpalende bestaande woning of woningen is of zijn per 1 september 2009 op het ogenblik van de vergunningsaanvraag voor de nieuwe woning hoofdzakelijk vergund en niet verkrot.
  [3 De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt niet als een aanbouw bij de bestaande woning of woningen uitdrukkelijk verboden wordt door een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan.]3
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1А, wordt onder " wachtmuur " verstaan :
   1А een wand die op 1 september 2009 deel uitmaakt van een dubbele wand, opgetrokken op de perceelsgrens;
   2А een enkele wand die reeds op 1 september 2009 is opgetrokken tot tegen de perceelsgrens, en die beschermd is door een tijdelijke waterafstotende bekleding.
  
Art. 4.4.3. Pour une parcelle [3 qui est située dans une zone de réserve d'habitat, un permis d'environnement peut être octroyé ]3]2 pour la construction d'une maison unifamiliale, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° la nouvelle habitation est :
  a) soit du type " à trois façades ", auquel cas elle possède un mur mitoyen avec une habitation existante sur une parcelle attenante;
  b) soit du type " construction fermée ", auquel cas elle est édifiée sur une parcelle située entre deux murs mitoyens;
  2° [3 ...]3;
  3° le volume de construction de la nouvelle habitation est de 1 000 m.3 maximum;
  4° la maison ou les maisons attenantes existantes est ou sont en date du 1er septembre 2009 principalement autorisée(s) et non délabrée(s), au moment de l'introduction de la demande d'autorisation pour la nouvelle habitation.
  [3 La possibilité visée à l'alinéa 1er, ne vaut pas lorsqu'une construction annexe à la ou aux habitations existantes est explicitement interdite par un plan particulier d'aménagement ou un plan d'exécution spatial.]3.
  Pour l'application du premier alinéa, 1°, il convient d'entendre par " mur mitoyen " :
  1° une paroi qui, en date du 1er septembre 2009, fait partie d'une double paroi érigée sur la limite entre les parcelles;
  2° une simple paroi qui, en date du 1er septembre 2009, était déjà érigée contre la limite entre les parcelles et qui est protégée par un revêtement hydrofuge temporaire.
  
Onderafdeling 4. - Sociaal-cultureel of recreatief medegebruik [1 en tijdelijk gebruik in afwachting van de realisatie van een bestemming]1
Sous-division 4. - Co-utilisation socio-culturelle ou récréative [1 et utilisation temporaire en attendant la réalisation d'une affectation]1
Art. 4.4.4. § 1. In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen.
  Voor niet van vergunningsplicht vrijgestelde handelingen die verbonden zijn met occasionele of hoogdynamische sociaal-culturele of recreatieve activiteiten, kan slechts een tijdelijke [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 worden afgeleverd, of een [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 onder de voorwaarde dat de betrokken handelingen slechts gedurende een specifieke periode of op bepaalde momenten aanwezig kunnen zijn.
  Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen [2 en omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereisen]2, kunnen slechts op occasionele basis worden toegestaan.
  § 2. [1 In gebieden met een gebiedsaanduiding die tot de categorie " bedrijvigheid " behoort, gelegen in de havengebieden aangeduid met toepassing van het decreet van 2 februari 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, kunnen op gronden waarvan de bedrijfsbestemming nog niet is gerealiseerd, handelingen worden vergund die gericht zijn op lawaaisporten, voor zover aan alle hierna vermelde voorwaarden wordt voldaan :
   1° de vergunning wordt verleend voor een bepaalde duur;
   2° het tijdelijke gebruik heeft geen of slechts een verwaarloosbare impact op de activiteiten op gronden waar de bedrijfsbestemming wel al is gerealiseerd;
   3° het tijdelijke gebruik brengt de latere realisatie van de bedrijfsbestemming niet in het gedrang.
   Gebieden met bestemmingsvoorschriften van een plan van aanleg die overeenkomstig artikel 7.4.13. werden geconcordeerd naar de categorie met de gebiedsaanduiding " bedrijvigheid " worden voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met gebieden met een gebiedsaanduiding die behoort tot de categorie " bedrijvigheid ".]1

  [1 § 3. De Vlaamse Regering kan de in § 1 en § 2 gehanteerde begrippen verfijnen.]1
  
Art. 4.4.4. § 1er. Dans toutes les zones d'affectation, des actes visant la co-utilisation socio-culturelle ou récréative peuvent également être autorisés, et ce, en dehors des actes visant la réalisation de l'affectation, pour autant qu'ils ne fassent pas obstacle en raison de leur impact limité à la réalisation de l'affection générale.
  [2 Seuls un permis d'environnement temporaire pour actes urbanistiques ou un permis d'environnement pour actes urbanistiques soumis à la condition que les actes concernés ne puissent être réalisés que pendant une certaine période ou à des moments spécifiques, peuvent être octroyés]2 pour des actes non exemptés de l'obligation d'autorisation qui sont liés à des activités occasionnelles ou socio-culturelles et récréatives hautement dynamiques.
  Les activités socio-culturelles ou récréatives dont les établissements organisateurs [2 requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou une activité classé(e)]2 ne peuvent être autorisées que sur base occasionnelle.
  § 2. [1 Dans des zones ayant une prescription d'affectation appartenant à la catégorie " activité économique ", situées dans les zones portuaires désignées en application du décret du 2 février 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes, sur des terrains dont l'affectation industrielle n'est pas encore réalisée, des actes orientés sur des sports bruyants peuvent être autorisés dans la mesure où les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'autorisation est octroyée pour une durée déterminée;
   2° l'utilisation temporaire n'a aucun impact ou qu'un impact négligeable sur les activités sur des terrains où l'affectation industrielle est déjà réalisée;
   3° l'utilisation temporaire ne compromet pas la réalisation ultérieure de l'affectation industrielle.
   Les zones ayant des prescriptions d'affectation d'un plan d'aménagement qui ont été concordées, conformément à l'article 7.4.13, à la catégorie ayant la prescription d'affectation " activité économique ", sont assimilées, pour l'application de l'alinéa premier, aux zones ayant une prescription d'affectation appartenant à la catégorie " activité économique ".]1

  [1 § 3. Le Gouvernement flamand peut affiner les conditions visées aux §§ 1er et 2.]1
  
Onderafdeling 5. - Medegebruik inzake natuurschoon
Sous-division 5. - Co-utilisation liée à l'environnement naturel
Art. 4.4.5. In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund die gericht zijn op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en van landschapswaarden, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen.
  [1 In alle bestemmingsgebieden, gelegen binnen een kavelplan, vastgesteld overeenkomstig artikel 11, tweede lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet, kan de Vlaamse Regering bij haar beslissing met toepassing van artikel 65, eerste lid, van de voormelde wet van 22 juli 1970 om over te gaan tot ruilverkaveling, beslissen dat, naast handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen kunnen worden vergund die gericht zijn op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en van landschapswaarden.
   De Vlaamse Regering kan bij haar beslissing met toepassing van artikel 65 van de voormelde wet van 22 juli 1970 om over te gaan tot ruilverkaveling, beslissen dat de bevoegde overheid voor het geheel of een gedeelte van de ruilverkaveling binnen de drie jaar na het verlijden van de ruilverkavelingsakte zoals bedoeld in artikel 37 van de voormelde wet van 22 juli 1970, een ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig moet vaststellen.]1

  De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van het eerste lid.
  
Art. 4.4.5. Dans toutes les zones d'affectation, des actes visant la préservation, le développement et la restauration de la nature, de l'environnement naturel et des valeurs de site peuvent également être autorisés, et ce, en dehors des actes visant la réalisation de l'affectation, pour autant qu'ils ne fassent pas obstacle en raison de leur impact limité à la réalisation de l'affection générale.
  [1 Dans toutes les zones d'affectation sises dans un plan parcellaire arrêté conformément à l'article 11, alinéa 2, de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légal de biens ruraux, le Gouvernement flamand peut décider, dans sa décision de procéder au remembrement en application de l'article 65, alinéa 1er, de la loi précitée du 22 juillet 1970, qu'outre des actes visant la réalisation de l'affectation, des actes visant la préservation, le développement et la restauration de la nature, de l'environnement naturel et des valeurs de site peuvent également être autorisés.
   Dans sa décision de procéder au remembrement en application de l'article 65, de la loi précitée du 22 juillet 1970, le Gouvernement flamand peut décider que l'autorité compétente doit arrêter provisoirement, pour la totalité ou une partie du remembrement, un projet de plan d'exécution spatial dans les trois ans suivant la passation de l'acte de remembrement telle que visée à l'article 37 de la loi précitée du 22 juillet 1970.]1

  Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités d'application du premier alinéa.
  
Onderafdeling 6. - Beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen
Sous-division 6. - Monuments, sites urbains et ruraux et paysages classés
Art. 4.4.6. In een [1 omgevingsvergunning]1 betreffende een bestaand hoofdzakelijk vergunde constructie die krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd is als monument, of deel uitmaakt van een krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd stads- of dorpsgezicht [2 cultuurhistorisch landschap of archeologische site]2, kan worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, voor zover de betrokken handelingen [2 ...]2 worden geadviseerd vanuit het beleidsveld onroerend erfgoed.
  [2 Hetzelfde geldt voor handelingen aan of in de omgeving van een beschermd monument of binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht, cultuurhistorisch landschap of archeologische site die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
   1° ze betreffen ontsluitingen, parkings, verhardingen, reliëfwijzigingen, ondergrondse constructies, technische constructies of onthaalinfrastructuur met een maximale vloeroppervlakte van 100 vierkante meter;
   2° ze bevorderen het functioneren van de aanwezige of te vergunnen activiteiten binnen de beschermde goederen, vermeld in het eerste lid, of ze zorgen voor de valorisatie ervan.]2

  
Art. 4.4.6. Dans [1 un permis d'environnement]1 concernant une construction principalement autorisée existante qui est définitivement ou provisoirement protégée par décret en tant que monument ou qui fait partie d'un site urbain ou rural [2 ou d'un paysage historico-culturel ou site archéologique]2 définitivement ou provisoirement classé par décret, il peut être dérogé aux prescriptions urbanistiques, pour autant que les actes en question aient reçu un avis [2 ...]2 issu du domaine politique relatif au patrimoine immobilier.
  [2 Il en va de même pour les actes sur des monuments protégé ou dans leur voisinage, ou dans un site urbain ou rural, un paysage historico-culturel ou un site archéologique protégés, qui satisfont aux conditions suivantes :
   1° ils concernent des enceintes, parkings, revêtements, modifications de relief, constructions souterraines, constructions techniques ou infrastructures d'accueil ayant une superficie au sol maximale de 100 mètres carrés ;
   2° ils améliorent le fonctionnement des activités présentes ou à autoriser dans les biens protégés visés au premier alinéa, ou ils en assurent la valorisation.]2

  
Onderafdeling 7. - Handelingen van algemeen belang
Sous-division 7. - Actes d'intérêt général
Art. 4.4.7. § 1. In een vergunning voor handelingen van algemeen belang mag worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, zodra [4 het vergunningverlenende bestuursorgaan]4 kennis heeft van de resultaten van het openbaar onderzoek met betrekking tot een ontwerp van nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg waarmee de handelingen van algemeen belang verenigbaar zijn, voor zover :
  1° het nieuwe plan de bestaande stedenbouwkundige voorschriften vervangt of van rechtswege opheft;
  2° de Vlaamse Regering, het departement [1 ...]1 of de deputatie geen strijdigheid vaststelt van het ontwerpplan met hogere plannen of andere normen.
  § 2. [2 In een vergunning voor handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften. Handelingen van algemeen belang kunnen een ruimtelijk beperkte impact hebben vanwege hun aard of omvang, of omdat ze slechts een wijziging of uitbreiding van bestaande of geplande infrastructuren of voorzieningen tot gevolg hebben.
   De Vlaamse Regering bepaalt welke handelingen van algemeen belang onder het toepassingsgebied van het eerste lid vallen. Ze kan ook de regels bepalen op basis waarvan kan worden beslist dat niet door haar opgesomde handelingen toch onder het toepassingsgebied van het eerste lid vallen.]2

  Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over projecten, opgenomen in [5 ...]5 van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
  
Art. 4.4.7. § 1er. Dans le cadre d'une autorisation pour actes d'intérêt général, il peut être dérogé aux prescriptions urbanistiques, à partir du moment que [4 l'organe administratif accordant l'autorisation]4 a pris connaissance des résultats de l'enquête publique relative à la création d'un nouveau plan d'exécution spatial ou d'un nouveau plan d'aménagement avec lequel les actes d'intérêt général sont compatibles, pour autant que :
  1° le nouveau plan remplace ou annule de droit les prescriptions urbanistiques existantes;
  2° le Gouvernement flamand, le département [1 ...]1 ou la Députation permanente ne constate aucune contradiction entre le projet de plan et des plans hiérarchiquement supérieurs ou d'autres normes.
  § 2. [2 Dans le cadre d'une autorisation pour actes d'intérêt général ayant un impact limité au niveau spatial, il peut être dérogé aux prescriptions urbanistiques et aux prescriptions de lotissement. Des actes d'intérêt général peuvent avoir un impact limité au niveau spatial en raison de leur nature ou ampleur, ou parce qu'ils ne résultent qu'en une modification ou une extension d'infrastructures ou de structures existantes ou prévues.
   Le Gouvernement flamand détermine quels actes d'intérêt général relèvent du champ d'application de l'alinéa premier. Il peut également fixer les règles sur la base desquelles il peut être décidé que des actes non énumérés par lui relèvent quand même du champ d'application de l'alinéa premier.]2

  Ce paragraphe n'entraîne jamais d'exemption par rapport à l'application des dispositions relatives à l'évaluation des incidences sur l'environnement des projets inclus dans le [5 ...]5 titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  
Art. 4.4.7 /1.[1 Bij de beoordeling van [2 aanvragen voor een omgevingsvergunning]2 kan geen toepassing worden gemaakt van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen.]1
  
Art. 4.4.7 /1.[1 Lors de l'évaluation de [2 demandes d'un permis d'environnement]2, l'article 20 de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur, ne peut pas être appliqué.]1
  
Art. 4.4.8. In de gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, kunnen handelingen van algemeen belang en de daarmee verbonden activiteiten te allen tijde worden toegelaten, ongeacht het publiek- of privaatrechtelijk statuut van de aanvrager of het al dan niet aanwezig zijn van enig winstoogmerk.
Art. 4.4.8. Dans les zones indiquées sur les plans régionaux comme zones affectées aux équipements communs et utilitaires publics, les actes d'intérêt général et les activités qui y sont associées peuvent toujours être autorisés, sans considération du statut de droit privé ou public du requérant ou de l'absence ou présence d'un but lucratif.
Onderafdeling 7/1. [1 - Handelingen in industriegebied]1
Sous-division 7/1. [1 - Actes dans une zone industrielle]1
Art. 4.4.8 /1.[1 Ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen kunnen worden toegelaten in gebieden die niet groter zijn dan drie hectare en die op de gewestplannen als een van de volgende gebieden zijn aangewezen:
   1° gebied voor milieubelastende industrieën of voor vervuilende industrieën;
   2° regionaal bedrijventerrein, regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter of regionaal bedrijventerrein, ingericht door de overheid.
   Als de in het eerste lid vermelde gebieden groter zijn dan drie hectare en niet groter zijn dan tien hectare, kan de afwijkingsregeling, vermeld in het eerste lid, worden toegepast op voorwaarde dat op minstens de helft van het gebied in kwestie al bedrijven gevestigd zijn.
   Niet-milieubelastende regionale bedrijven kunnen worden toegelaten in gebieden die groter zijn dan tien hectare en die op de gewestplannen zijn aangewezen als lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° het bedrijf is geen inrichting of activiteit met een GPBV-installatie;
   2° het bedrijf ligt op minstens dertig meter van woongebied in de ruime zin.]1

  
Art. 4.4.8 /1.[1 Des entreprises artisanales ou des petites et moyennes entreprises peuvent être admises dans les zones dont la superficie ne dépasse pas trois hectares et qui sont identifiées sur les plans de secteur comme relevant d'une des catégories suivantes :
   1° zone affectée aux industries provoquant des pressions environnementales ou aux industries polluantes ;
   2° zone d'activité économique mixte régionale, zone d'activité économique mixte régionale à caractère public ou zone d'activité économique mixte régionale aménagée par les autorités.
   Si les zones visées au premier alinéa ont une superficie supérieure à trois hectares et inférieure à dix hectares, le règlement de dérogation visé au premier alinéa est appliqué à condition toutefois que des entreprises soient déjà implantées sur au moins la moitié de la zone en question.
   Les entreprises régionales ne provoquant pas de pression environnementale peuvent être admises dans des zones dont la superficie est supérieure à 10 hectares et qui sont identifiées sur les plans de secteur comme terrain local d'activités économiques à caractère public, s'il est satisfait aux conditions suivantes :
   1° l'entreprise n'est pas un établissement ou une activité comportant une installation réputée incommode ;
   2° l'entreprise est située à trente mètres au moins de toute zone d'habitat au sens large.]1

  
Onderafdeling 7/2. [1 - Stallen voor weidedieren]1
Sous-division 7/2. [1 - Etables pour animaux en pâture]1
Art. 4.4.8 /2. [1 § 1. In gebieden met een gebiedsaanduiding die tot de categorie `landbouw' behoren, kan, voor zover er geen bestaande stallingsmogelijkheden zijn, een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen worden afgegeven voor het oprichten van één stal voor weidedieren die geen betrekking heeft op een effectief beroepslandbouwbedrijf, als voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden:
   1° de stal wordt volledig opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning;
   2° de stal heeft een maximale kroonlijsthoogte van 3,5 meter;
   3° de stal heeft een maximale vloeroppervlakte van 120 vierkante meter per hectare graasland, met een absoluut maximum van 200 vierkante meter.
   Bij de beoordeling van vergunningsaanvragen wordt rekening gehouden met de landschappelijke inpasbaarheid in het gebied.
   Gebieden met bestemmingsvoorschriften van een plan van aanleg die overeenkomstig artikel 7.4.13 werden geconcordeerd naar de categorie met de gebiedsaanduiding `landbouw' worden voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met gebieden met een gebiedsaanduiding die behoren tot de categorie `landbouw'.
   De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt niet in de volgende gebieden:
   1° ruimtelijk kwetsbaar gebied;
   2° gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen als:
   a) bouwvrij agrarisch gebied;
   b) agrarisch gebied met overdruk natuurverweving.
   § 2. De omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het oprichten van een stal voor weidedieren, verleend met toepassing van paragraaf 1, vervalt van rechtswege naast de gevallen, vermeld in artikel 99 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, als gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren geen weidedieren worden gehouden op het perceel of de percelen waarop de vergunning betrekking heeft.
   Na het verval van de vergunning, vermeld in het eerste lid, moet de stal voor weidedieren binnen zes maanden worden afgebroken.
   § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel, onder meer inzake de berekening en de vaststelling van de termijn van vijf opeenvolgende jaren opgenomen in paragraaf twee, eerste lid.]1

  
Art. 4.4.8 /2. [1 § 1er. Dans les zones dont la désignation de zone relève de la catégorie " agriculture ", un permis d'environnement peut, en l'absence de possibilités de stabulation existantes, être délivré pour l'implantation d'une et une seule étable pour animaux en pâture qui ne se rapporte pas à une exploitation agricole professionnelle effective, s'il a été satisfait aux conditions suivantes :
   1° l'étable est entièrement implantée dans un rayon de cinquante mètres de toute habitation résidentielle ou habitation d'entreprise autorisée ou réputée autorisée en principal ;
   2° la hauteur de corniche maximale de l'étable est de 3,5 mètres ;
   3° l'étable a une superficie au sol maximale de 120 mètres carrés par hectare de pâturage, avec un maximum absolu de 200 mètres carrés.
   Lors de l'évaluation des demandes de permis, il est tenu compte de la compatibilité paysagère dans la zone.
   Pour l'application du premier alinéa, les zones ayant des prescriptions de destination d'un plan d'aménagement pour lesquelles, conformément à l'article 7.4.13, la concordance a été établie avec la catégorie d'affectation de zone " agriculture " sont assimilées aux zones dont l'affectation de zone relève de la catégorie " agriculture ".
   La possibilité visée au premier alinéa ne s'applique pas dans les zones suivantes :
   1° zone vulnérable d'un point de vue spatial ;
   2° zones identifiées sur les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiaux comme :
   a) zone agraire non habitée ;
   b) zone agraire avec surcharge d'imbrication naturelle.
   § 2. Le permis d'environnement pour actes urbanistiques concernant l'implantation d'une étable pour animaux en pâture, octroyé en application du paragraphe 1er, expire de plein droit, outre les cas visés à l'article 99 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, si durant une période de cinq années successives il n'a pas été tenu d'animaux en pâture sur la parcelle ou les parcelles auxquelles le permis se rapporte.
   Après l'expiration du permis, visée à l'alinéa premier, l'étable pour animaux en pâture doit être démantelée dans un délai de six mois.
   § 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus spécifiques pour l'application de cet article, notamment en matière de calcul et de constatation du délai de cinq années successives visé au paragraphe deux, premier alinéa.]1

  
Onderafdeling 7/3. [1 - Handelingen in ontginningsgebieden]1
Sous-division 7/3. [1 - Actes dans les zones d'extraction]1
Art. 4.4.8 /3. [1 In de op de gewestplannen aangewezen ontginningsgebieden en de gebieden die vallen onder de subcategorie van gebiedsaanduiding `gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen' zijn naast de ontginning van primaire grondstoffen ook volgende handelingen toegelaten, met inbegrip van de daartoe benodigde wegneembare constructies, voor zover de eventuele nabestemming van het gebied niet in het gedrang gebracht wordt:
   1° de mechanische bewerking van de ontgonnen delfstoffen;
   2° de verrijking van de ontgonnen delfstoffen door menging met afbraakstoffen in het kader van een duurzame materialenkringloop in de zin van artikel 3, 22°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.]1

  
Art. 4.4.8 /3. [1 Dans les zones d'extraction identifiées sur les plans de secteur et les zones qui relèvent de la sous-catégorie d'affectation de zone " zone pour l'exploitation de minerais de surface primaires ", les actes suivants, outre l'extraction de matières premières primaires, sont également admis, en ce compris les constructions amovibles nécessaires à cet effet, pour autant que l'éventuelle destination ultérieure de la zone ne soit pas compromise :
   1° le traitement mécanique des minerais extraits ;
   2° l'enrichissement des minerais extraits par mélange avec des matériaux provenant de travaux de démolition dans le cadre d'un cycle de matériaux durable au sens de l'article 3, 22°, du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets.]1

  
Onderafdeling 8. - Handelingen sorterend onder voorschriften van een [1 gewestplan]1
Sous-division 8. - Actes relevant des dispositions d'un [1 plan de secteur]1
Art. 4.4.9. § 1. Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van [3 een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]3 [2 voor windturbines en windturbineparken, alsook voor andere installaties voor de productie van energie of energierecuperatie]2 in een gebied dat sorteert onder de voorschriften van een [1 gewestplan]1, afwijken van de bestemmingsvoorschriften, indien het aangevraagde kan worden vergund op grond van de voor de vergelijkbare categorie of subcategorie van gebiedsaanduiding bepaalde standaardtypebepalingen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, zoals de tekst ervan is vastgesteld bij het besluit van 11 april 2008.
  Het eerste lid laat geen afwijkingen toe op de voorschriften van het [1 gewestplan]1 die betrekking hebben op de inrichting en het beheer van het gebied.
  § 2. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, geldt dat een bestemmingsvoorschrift van een [1 gewestplan]1 alleszins vergelijkbaar is met een categorie of subcategorie van gebiedsaanduiding, indien deze concordantie vermeld wordt in de tabel, opgenomen in artikel 7.4.13, eerste lid, of in de concordantielijst, bepaald krachtens voornoemd artikel 7.4.13, tweede lid.
  [1 De Vlaamse Regering kan die concordanties verfijnen en bepalen voor welke bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen geen vergelijkbare categorie of subcategorie van gebiedsaanduiding bestaat.]1
  
Art. 4.4.9. § 1er. L'autorité administrative accordant les permis peut, lors de l'octroi [3 d'un permis d'environnement pour actes urbanistiques]3 [2 pour des éoliennes ou des parcs d'éoliennes, ainsi que pour d'autres installations pour la production ou la récupération d'énergie]2 dans une zone tombant sous les dispositions d'un [1 plan de secteur]1, déroger aux dispositions d'affectation, si ce qui est demandé peut être autorisé en fonction de certaines dispositions standard pour une catégorie ou une sous-catégorie d'affectation équivalente, mentionnée en annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 avril 2008, fixant les modalités relatives à la forme et au contenu des plans d'exécution spatiaux, et ce, de la manière dont le texte est fixé par l'arrêté du 11 avril 2008.
  Le premier alinéa n'autorise aucune dérogation aux prescriptions du [1 plan de secteur]1 se rapportant à l'agencement et à la gestion de la zone.
  § 2. Pour l'application du § 1er, premier alinéa, une prescription d'affectation d'un [1 plan de secteur]1 est considérée comme parfaitement équivalente à une catégorie ou une sous-catégorie d'affectation de zone, si cette concordance est mentionnée dans le tableau inclus dans l'article 7.4.13, premier alinéa ou dans la liste de concordance déterminée en vertu de l'article précité 7.4.13, deuxième alinéa.
  [1 Le Gouvernement flamand peut affiner ces concordances et fixer pour quelles prescriptions d'affectation des plans de secteurs il n'existe pas de catégorie ou sous-catégorie de zones similaire.]1
  
Onderafdeling 9. [1 - Handelingen sorterend onder voorschriften van een bijzonder plan van aanleg dat ouder is dan vijftien jaar]1
Sous-division 9. [1 - Actes relevant des prescriptions d'un plan particulier d'aménagement vieux de plus de 15 ans]1
Art. 4.4.9 /1.[1 Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.
   Afwijkingen kunnen niet toegestaan worden voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op:
   1° de volgende gebiedsaanduidingen, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen:
   a) woongebieden, met uitzondering van woonparken;
   b) industriegebieden in de ruime zin;
   c) dienstverleningsgebieden;
   d) gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
   2° de volgende aanvullende voorschriften van het gewestplan:
   a) gebieden voor service-residentie;
   b) kantoor- en dienstenzones;
   c) gebieden voor handelsbeursactiviteiten en grootschalige activiteiten;
   d) lokale en regionale bedrijventerreinen;
   e) luchthavengebonden bedrijventerreinen;
   f) gebieden voor luchthavengerelateerde kantoren en diensten;
   g) businessparken;
   h) teleport;
   i) gebieden voor hoofdkwartierfunctie;
   j) gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;
   k) zones voor kleinhandel en kleine en middelgrote ondernemingen;
   l) kleinhandelszones;
   m) zones van handelsvestigingen;
   n) gebieden voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;
   o) zeehavengebieden;
   p) gebieden voor watergebonden bedrijven;
   q) transportzones;
   r) regionale gemengde zones voor diensten en handel;
   s) research-, universiteits- en wetenschapsparken;
   t) bedrijfsgebied met stedelijk karakter;
   u) gemengde woon- en industriegebieden;
   v) gemengde gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied;
   w) stedelijke ontwikkelingsgebieden;
   x) gebieden voor duurzame stedelijke ontwikkeling;
   y) gebieden voor kernontwikkeling.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied, ruimtelijk kwetsbaar gebied of recreatiegebied in afwijking van het gewestplan of voor gebieden die in uitvoering van artikel 5.6.8 van deze codex aangeduid zijn als watergevoelig openruimtegebied.
   Elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.]1

  [2 De gemeenteraad kan gemotiveerd beslissen dat voor een bijzonder plan van aanleg, de afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, niet kan worden toegepast. Deze gemeenteraadsbeslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan en is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkingtreding ervan.]2
  
Art. 4.4.9 /1.[1 Lors de l'octroi d'un permis d'environnement, l'organe administratif accordant l'autorisation peut déroger aux prescriptions urbanistiques d'un plan particulier d'aménagement, pour autant que ce plan ait plus de 15 ans d'âge au moment de l'introduction de la demande.
   Aucune dérogation ne peut être admise en ce qui concerne la voirie, les espaces verts publics et les valeurs patrimoniales.
   La possibilité de dérogation visée au premier alinéa ne peut s'appliquer qu'à des prescriptions urbanistiques de plans particuliers d'aménagement qui complètent :
   1° les affectations de zone suivantes, visées à l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur :
   a) zone d'habitat, à l'exception des parcs résidentiels ;
   b) zones industrielles au sens large ;
   c) zones de services publics ;
   d) zones d'équipements communautaires et de services publics ;
   2° les prescriptions complémentaires suivantes du plan de secteur :
   a) zones de résidence-service ;
   b) zones de bureaux et de services ;
   c) zones réservées aux foires commerciales et aux activités à grande échelle ;
   d) zones d'activité économique locale et régionale ;
   e) zones d'activités économiques portuaires ;
   f) zones réservées aux bureaux et services à caractère portuaire ;
   g) parcs industriels ;
   h) téléport ;
   I) zones à fonction de quartier général ;
   j) zones industrielles destinées principalement à l'établissement de grands magasins
   k) zones réservées au commerce de détail ainsi qu'aux petites et moyennes entreprises ;
   l) zones de commerce de détail ;
   m) zones d'établissements de commerce
   n) zones pour entreprises liées aux ports maritimes et aux voies d'eau ;
   o) zones portuaires ;
   p) zones destinées aux entreprises liées à la voie d'eau ;
   q) zones de transport ;
   r) zones d'activité économique mixte régionale pour les services et le commerce ;
   s) parcs de recherche, parcs universitaires et parcs scientifiques ;
   t) zone d'activité économique à caractère urbain ;
   u) zones résidentielles et industrielles mixtes ;
   v) zone mixte d'équipements communautaires et de services communautaires ;
   w) zones de développement urbain ;
   x) zones de développement urbain durable ;
   y) zone de développement nucléaire.
   La possibilité de dérogation visée au premier alinéa ne s'applique pas aux plans particuliers d'aménagement qui prévoient des prescriptions urbanistiques pour les zones agraires, les zones vulnérables d'un point de vue spatial ou les zones de récréation par dérogation au plan de secteur, ou pour les zones qui en vertu de l'article 5.6.8 de ce code ont été répertoriées comme zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau.
   Toute demande de dérogation conformément au premier alinéa est soumise à une enquête publique.]1

  [2 Le conseil communal peut décider de façon motivée que la possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er ne pas être appliquée à un plan particulier d'aménagement. Cette décision du conseil communal est publiée par extrait au Moniteur belge. Elle entre en vigueur quatorze jours après sa publication et s'applique aux demandes de permis introduites à partir de son entrée en vigueur.]2
  
Afdeling 2. - Basisrechten voor zonevreemde constructies
Division 2. - Droits fondamentaux pour les constructions étrangères à la zone
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied, draagwijdte en algemene bepalingen
Sous-division 1re. - Domaine d'application, portée et dispositions générales
Art. 4.4.10. § 1. Deze afdeling is van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op hoofdzakelijk vergunde en niet verkrotte zonevreemde constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen [1 ...]1.
  Het voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt beoordeeld op het ogenblik van de eerste vergunningsaanvraag tot verbouwen, herbouwen of uitbreiden, of, in de gevallen, vermeld in onderafdeling 3 en 4, op de vooravond van de afbraak, de vernietiging of de beschadiging.
  § 2. De basisrechten van deze afdeling zijn van toepassing in gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg.
  Een ruimtelijk uitvoeringsplan kan de basisrechten van deze afdeling aanvullen en uitbreiden. Dergelijk plan kan evenwel ook strengere voorwaarden bepalen op het vlak van de maximaal toegelaten volumes bij herbouw.
  
Art. 4.4.10. § 1er. Cette division s'applique aux demandes d'autorisation se rapportant à des constructions étrangères à la zone qui sont principalement autorisées et non délabrées, à l'exception[1 ...]1 d'infrastructures publicitaires.
  La satisfaction aux conditions mentionnées dans le premier alinéa sera évaluée au moment de la première demande d'autorisation de transformation, de reconstruction, d'agrandissement ou, dans les cas mentionnés dans les sous-divisions 3 et 4, la veille de la démolition, de la destruction ou de l'endommagement.
  § 2. Les droits fondamentaux de cette division sont applicables dans les zones régies par un plan d'exécution spatial ou par un plan d'aménagement.
  Un plan d'exécution spatial peut compléter et élargir les droits fondamentaux de cette division. Un tel plan peut toutefois aussi établir des conditions plus sévères par rapport aux volumes maximaux autorisés lors d'une reconstruction.
  
Art. 4.4.11. Bij de afgifte van een vergunning op grond van deze afdeling geldt de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, onverkort. [1 ...]1
  
Art. 4.4.11. Dans le cadre de l'octroi d'une autorisation sur la base de cette division, l'évaluation par rapport au bon aménagement du territoire, comme mentionné dans l'article 4.3.1, § 1er, premier alinéa, 1°, est valable dans son intégralité. [1 ...]1
  
Onderafdeling 2. - Bestaande zonevreemde constructies
Sous-division 2. - Constructions existantes étrangères à la zone
Sectie 1. - Bestaande zonevreemde woningen
Section 1re. - Habitations existantes étrangères à la zone
Subsectie 1. - Verbouwen
Sous-section 1re. - Transformations
Art. 4.4.12. In alle bestemmingsgebieden geldt dat de vigerende bestemmingsvoorschriften op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordeling van een aanvraag voor een [1 omgevingsvergunning]1 voor het verbouwen van een bestaande zonevreemde woning, op voorwaarde dat het aantal woongelegenheden beperkt blijft tot het bestaande aantal. [2 De creatie van een zorgwoning in de zin van [3 artikel 4.2.4, eerste lid, 1°,]3 is wel toegelaten.]2
  
Art. 4.4.12. Il vaut pour toutes les zones d'affectation que les prescriptions d'affectation en vigueur ne constituent pas en soi des motifs de refus lors de l'évaluation d'une demande [1 de permis d'environnement]1 pour la transformation d'une habitation existante étrangère à la zone, à condition toutefois que le nombre de logements demeure limité au nombre existant. [2 La création d'un appartement supervisé au sens de [3 l'article 4.2.4, alinéa premier, 1°,]3 est toutefois admise.]2
  
Subsectie 2. - Herbouwen op dezelfde plaats
Sous-section 2. - Reconstruire au même endroit
Art. 4.4.13. § 1. De vigerende bestemmingsvoorschriften vormen op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling van een aanvraag voor een [1 omgevingsvergunning]1 voor het herbouwen van een bestaande zonevreemde woning op dezelfde plaats, op voorwaarde dat het aantal woongelegenheden beperkt blijft tot het bestaande aantal. [2 De creatie van een zorgwoning in de zin van [3 artikel 4.2.4, eerste lid, 1°,]3 is wel toegelaten.]2
  Als het bestaande bouwvolume meer dan 1 000 m.3 bedraagt, is het maximale volume van de herbouwde woning beperkt tot 1 000 m. 3.
  § 2. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, is sprake van een herbouw op dezelfde plaats indien de nieuwe woning ten minste drie kwart van de bestaande woonoppervlakte overlapt. De bestaande woonoppervlakte sluit zowel de oppervlakte van het hoofdgebouw in als deze van de fysisch aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw.
  § 3. De mogelijkheden, vermeld in § 1, gelden niet in :
  1° ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden;
  2° recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " sorteren.
  
Art. 4.4.13. § 1er. Les prescriptions d'affectation en vigueur ne constituent pas en soi un motif de refus lors de l'évaluation d'une demande [1 de permis d'environnement]1 pour la transformation, au même endroit, d'une habitation existante étrangère à la zone, à condition toutefois que le nombre de logements demeure limité au nombre existant. [2 La création d'un appartement supervisé au sens de [3 l'article 4.2.4, premier alinéa, 1°,]3 est toutefois admise.]2
  Si le volume de construction existant est supérieur à 1 000 m.3 , le volume maximal de l'habitation reconstruite doit rester limité à 1 000 m.3.
  § 2. Pour l'application du § 1er, premier alinéa, on parle d'une reconstruction au même endroit, lorsque la nouvelle habitation couvre au moins trois quarts de la superficie habitable existante. La superficie habitable existante comprend aussi bien la superficie du bâtiment principal que celle des dépendances physiques subséquentes, qui, en matière de technique de construction, correspondent ou s'apparentent directement au bâtiment principal.
  § 3. Les possibilités mentionnées au § 1er ne sont pas valables dans :
  1° les zones vulnérables d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc;
  2° des zones de récréation, notamment les zones affectées en tant que telles par un plan d'aménagement et les zones régies par un plan d'exécution spatial qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " récréation ".
  
Subsectie 3. - Herbouwen op een gewijzigde plaats
Sous-section 3. - Reconstruire sur un lieu modifié
Art. 4.4.14. § 1. De vigerende bestemmingsvoorschriften vormen op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling van een aanvraag voor een [1 omgevingsvergunning]1 voor het herbouwen van een bestaande zonevreemde woning op een gewijzigde plaats, op voorwaarde dat voldaan is aan alle hiernavolgende vereisten :
  1° het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal. [2 De creatie van een zorgwoning in de zin van [3 artikel 4.2.4, eerste lid, 1°]3, is wel toegelaten;]2;
  2° voor het herbouwen is ten minste één van volgende oorzaken aanwijsbaar :
  a) de woning is getroffen door een rooilijn,
  b) de woning bevindt zich in een achteruitbouwzone,
  c) de verplaatsing volgt uit redenen van een goede ruimtelijke ordening, en wordt door de aanvrager uitdrukkelijk gemotiveerd vanuit een betere integratie in de omgeving, een betere terreinbezetting of een kwalitatief concept;
  3° ten minste één van volgende voorwaarden is vervuld :
  a) de herbouwde woning krijgt dezelfde voorbouwlijn als de dichtstbijzijnde constructie,
  b) de nieuwe toestand levert een betere plaatselijke aanleg op, en richt zich op de omgevende bebouwing of plaatselijk courante inplantingswijzen.
  Als het bestaande bouwvolume meer dan 1 000 m.3 bedraagt, is het maximale volume van de herbouwde woning beperkt tot 1 000 m.3 .
  § 2. De mogelijkheden, vermeld in § 1, gelden niet in :
  1° ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden;
  2° recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " sorteren.
  
Art. 4.4.14. § 1er. Les prescriptions d'affectation en vigueur ne constituent pas en soi un motif de refus lors de l'évaluation d'une demande [1 de permis d'environnement]1 pour la transformation, à un endroit modifié, d'une habitation existante étrangère à la zone, à condition toutefois que toutes les exigences énumérées ci-après soient remplies :
  1° le nombre de logements demeure limité au nombre existant. [2 La création d'un appartement supervisé au sens de [3 l'article 4.2.4, alinéa premier, 1°,]3 est toutefois admise.]2;
  2° au moins une des causes suivantes est désignable pour la reconstruction :
  a) l'habitation est touchée par un alignement,
  b) l'habitation est située dans une zone de recul,
  c) le déplacement a lieu pour des raisons liées au bon aménagement du territoire et il est explicitement motivé par le requérant sur la base d'une meilleure intégration dans l'environnement, d'une meilleure occupation du terrain ou d'un concept qualitatif;
  3° au moins une des conditions suivantes est remplie :
  a) l'habitation reconstruite a le même alignement de façade que la construction la plus proche,
  b) la nouvelle situation optimise l'aménagement local et elle se base pour cela sur les constructions avoisinantes ou sur les modes d'implantation courants au niveau local.
  Si le volume de construction existant est supérieur à 1 000 m.3 , le volume maximal de l'habitation reconstruite doit rester limité à 1 000 m.3 .
  § 2. Les possibilités mentionnées au § 1er ne sont pas valables dans :
  1° les zones vulnérables d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc;
  2° les zones de récréation, notamment les zones affectées en tant que telles par un plan d'aménagement et les zones régies par un plan d'exécution spatial qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " récréation ".
  
Subsectie 4. - Uitbreiden
Sous-section 4. - Agrandir
Art. 4.4.15. Het uitbreiden van een bestaande zonevreemde woning is vergunbaar, voor zover het bouwvolume beperkt blijft tot ten hoogste 1 000 m.3 en op voorwaarde dat het aantal woongelegenheden beperkt blijft tot het bestaande aantal. [1 De creatie van een zorgwoning in de zin van [2 artikel 4.2.4, eerste lid, 1°,]2 is wel toegelaten.]1
  De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, gelden niet in :
  1° ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden;
  2° recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " sorteren.
  
Art. 4.4.15. L'agrandissement d'une habitation existante étrangère à la zone est passable de faire l'objet d'un permis, pour autant que le volume de construction demeure limité à 1 000 m.3 maximum et à condition que le nombre de logements reste limité au nombre existant. [1 La création d'un appartement supervisé au sens de [2 l'article 4.2.4, alinéa premier, 1°,]2 est toutefois admise.]1
  Les possibilités, visées au premier alinéa, ne valent pas dans :
  1° les zones vulnérables d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc;
  2° les zones de récréation, notamment les zones affectées en tant que telles par un plan d'aménagement et les zones régies par un plan d'exécution spatial qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " récréation ".
  
Sectie 2. - Bestaande zonevreemde constructies, niet zijnde woningbouw
Section 2. - Constructions existantes étrangères à la zone et ne constituant pas des habitations
Subsectie 1. - Verbouwen
Sous-section 1re. - Transformations
Art. 4.4.16. In alle bestemmingsgebieden geldt dat de vigerende bestemmingsvoorschriften op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordeling van een aanvraag voor een [2 omgevingsvergunning]2 voor het verbouwen van een bestaande zonevreemde constructie, niet zijnde woningbouw. [3 De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.2.4, eerste lid, 2°, is wel toegelaten.]3
  Indien de verbouwingswerken betrekking hebben op [2 projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is]2, gelden de mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, slechts indien voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :
  1° de [1 opdrachtgever]1 beschikt op het ogenblik van de vergunningsaanvraag over de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke [2 omgevingsvergunning]2;
  2° de constructie werd in het jaar voorafgaand aan de vergunningsaanvraag daadwerkelijk uitgebaat.
  
Art. 4.4.16. Il vaut dans toutes les zones d'affectation que les prescriptions d'affectation en vigueur ne constituent pas en soi des motifs de refus lors de l'évaluation d'une demande [2 de permis d'environnement]2 pour la transformation d'une construction existante étrangère à la zone, ne constituant pas des habitations. [3 La création d'une habitation supervisée au sens de l'article 4.2.4, alinéa premier, 2°, est toutefois admise.]3
  Si les travaux de transformation ont trait à des [2 projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e)]2, les possibilités mentionnées dans le premier alinéa valent uniquement s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° au moment de la demande d'autorisation, le [1 donneur d'ordre]1 dispose du permis d'environnement requis pour un mode d'exploitation normal;
  2° la construction a été effectivement exploitée pendant l'année qui précède la demande d'autorisation.
  
Subsectie 2. - Herbouwen op dezelfde plaats
Sous-section 2. - Reconstruire au même endroit
Art. 4.4.17. § 1. De vigerende bestemmingsvoorschriften vormen op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling van een aanvraag voor een [2 omgevingsvergunning]2 voor het op dezelfde plaats herbouwen van een bestaande zonevreemde constructie, niet zijnde woningbouw. Er is sprake van een herbouw op dezelfde plaats indien de nieuwe constructie ten minste drie kwart van de bestaande oppervlakte overlapt.
  Indien de herbouwingswerken betrekking hebben op [2 projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is]2, gelden de mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, slechts indien voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :
  1° de [1 opdrachtgever]1 beschikt op het ogenblik van de vergunningsaanvraag over de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke [2 omgevingsvergunning]2;
  2° de constructie werd in het jaar voorafgaand aan de vergunningsaanvraag daadwerkelijk uitgebaat.
  § 2. De mogelijkheden, vermeld in § 1, gelden niet in :
  1° ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden;
  2° recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " sorteren.
  
Art. 4.4.17. § 1er. Les prescriptions d'affectation en vigueur ne constituent pas en soi un motif de refus lors de l'évaluation d'une demande [2 de permis d'environnement]2 pour la reconstruction, au même endroit, d'une construction existante étrangère à la zone, ne constituant pas une habitation. On entend sous " reconstruction au même endroit ", une nouvelle construction qui couvre au moins trois quarts de la superficie existante.
  Si les travaux de reconstruction ont trait à des [2 projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e)]2, les possibilités mentionnées dans le premier alinéa valent uniquement s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° au moment de la demande d'autorisation, le [1 donneur d'ordre]1 dispose du permis d'environnement requis pour un mode d'exploitation normal;
  2° la construction a été effectivement exploitée pendant l'année qui précède la demande d'autorisation.
  § 2. Les possibilités mentionnées au § 1er ne sont pas valables dans :
  1° les zones vulnérables d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc;
  2° les zones de récréation, notamment les zones affectées en tant que telles par un plan d'aménagement et les zones régies par un plan d'exécution spatial qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " récréation ".
  
Subsectie 3. - Herbouwen op een gewijzigde plaats
Sous-section 3. - Reconstruire sur un lieu modifié
Art. 4.4.18. § 1. De vigerende bestemmingsvoorschriften vormen op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling van een aanvraag voor een [2 omgevingsvergunning]2 voor het op een gewijzigde plaats herbouwen van een bestaande zonevreemde constructie, niet zijnde woningbouw, op voorwaarde dat voldaan is aan alle hiernavolgende vereisten :
  1° voor het herbouwen is ten minste één van volgende oorzaken aanwijsbaar :
  a) de constructie is getroffen door een rooilijn,
  b) de constructie bevindt zich in een achteruitbouwzone,
  c) de verplaatsing volgt uit redenen van een goede ruimtelijke ordening, en wordt door de aanvrager uitdrukkelijk gemotiveerd vanuit een betere integratie in de omgeving, een betere terreinbezetting of een kwalitatief concept;
  2° ten minste één van volgende voorwaarden is vervuld :
  a) de herbouwde constructie krijgt dezelfde voorbouwlijn als de dichtstbijzijnde constructie,
  b) de nieuwe toestand levert een betere plaatselijke aanleg op, en richt zich op de omgevende bebouwing of plaatselijk courante inplantingswijzen.
  Indien de herbouwingswerken betrekking hebben op [2 projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is]2, gelden de mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, slechts indien voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden :
  1° de [1 opdrachtgever]1 beschikt op het ogenblik van de vergunningsaanvraag over de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke [2 omgevingsvergunning]2;
  2° de constructie werd in het jaar voorafgaand aan de vergunningsaanvraag daadwerkelijk uitgebaat.
  § 2. De mogelijkheden, vermeld in § 1, gelden niet in :
  1° ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden;
  2° recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " sorteren.
  
Art. 4.4.18. § 1er. Les prescriptions d'affectation en vigueur ne constituent pas en soi un motif de refus lors de l'évaluation d'une demande [2 de permis d'environnement]2 pour la reconstruction, à un endroit modifié, d'une construction existante étrangère à la zone, ne constituant pas une habitation, à condition toutefois qu'il ait été satisfait aux exigences suivantes :
  1° au moins une des causes suivantes est désignable pour la reconstruction :
  a) la construction est touchée par un alignement,
  b) la construction est située dans une zone de recul,
  c) le déplacement a lieu pour des raisons liées au bon aménagement du territoire et il est explicitement motivé par le requérant sur la base d'une meilleure intégration dans l'environnement, d'une meilleure occupation du terrain ou d'un concept qualitatif;
  2° au moins une des conditions suivantes est remplie :
  a) l'habitation reconstruite a le même alignement de façade que la construction la plus proche,
  b) la nouvelle situation optimise l'aménagement local et elle se base pour cela sur les constructions avoisinantes ou sur les modes d'implantation courants au niveau local.
  Si les travaux de reconstruction ont trait à des [2 projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e)]2, les possibilités mentionnées dans le premier alinéa ne valent que lorsqu'il a été satisfait aux deux conditions suivantes :
  1° au moment de la demande d'autorisation, le [1 donneur d'ordre ]1 dispose du permis d'environnement requis pour un mode d'exploitation normal;
  2° la construction a été effectivement exploitée pendant l'année qui précède la demande d'autorisation.
  § 2. Les possibilités mentionnées au § 1er ne sont pas valables dans :
  1° les zones vulnérables d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc;
  2° les zones de récréation, notamment les zones affectées en tant que telles par un plan d'aménagement et les zones régies par un plan d'exécution spatial qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " récréation ".
  
Subsectie 4. - Uitbreiden en aanpassen
Sous-section 4. - Agrandir et adapter
Art. 4.4.19. § 1. Het uitbreiden van een bestaande zonevreemde constructie, niet zijnde woningbouw, is vergunbaar, op voorwaarde dat de uitbreiding noodzakelijk is omwille van :
  1° milieuvoorwaarden;
  2° gezondheidsredenen;
  3° maatregelen opgelegd door de sociale inspecteurs die bevoegd zijn in het kader van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie;
  4° de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, de dierengezondheid of het dierenwelzijn;
  5° [1 infrastructurele behoeften ingevolge de uitbreiding van de werking van erkende, gesubsidieerde of gefinancierde onderwijsinstellingen of van een erkende jeugdvereniging in de zin van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid en het decreet van 18 juli 2008 houdende het voeren van een Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid [4 of van een toeristisch logies dat aangemeld is als jeugdverblijf conform het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies]4;]1
  Indien de uitbreidingswerken betrekking hebben op [3 projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is]3, gelden de mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, slechts indien voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden :
  1° de [2 opdrachtgever]2 beschikt op het ogenblik van de vergunningsaanvraag over de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke [3 omgevingsvergunning]3;
  2° de constructie werd in het jaar voorafgaand aan de vergunningsaanvraag daadwerkelijk uitgebaat.
  De Vlaamse Regering kan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.
  § 2. Aanpassingswerken aan of bij een zonevreemde constructie, niet zijnde woningbouw, zijn vergunbaar, op voorwaarde dat het overdekte volume niet wordt uitgebreid.
  § 3. De mogelijkheden, vermeld in § 1 en § 2, gelden niet in :
  1° ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden;
  2° recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " sorteren.
  
Art. 4.4.19. § 1er. L'agrandissement d'une construction existante étrangère à la zone et ne constituant pas une habitation est passable de faire l'objet d'un permis, à condition que l'agrandissement soit jugé nécessaire pour les raisons suivantes :
  1° des conditions environnementales;
  2° des raisons de santé;
  3° des mesures imposées par les inspecteurs sociaux compétents dans le cadre de la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail;
  4° la lutte contre les organismes nocifs pour les plantes et les produits végétaux, la protection ou la santé des animaux;
  5° [1 besoins infrastructurels suite à l'extension du fonctionnement d'établissements d'enseignement agréés, subventionnés ou financés ou d'une association de jeunesse agréée dans le sens du décret du 14 février 2003 portant soutien et stimulation des politiques communales, intercommunales et provinciales en matière de jeunesse et d'animation des jeunes et du décret du 18 juillet 2008 relatif à la conduite d'une politique flamande des droits de l'enfant et de la jeunesse [4 ou d'un hébergement touristique qui a été déclaré comme résidence pour jeunes conformément au décret du 5 février 2016 relatif à l'hébergement touristique ]4 ;]1
  Si les travaux d'agrandissement ont trait à des [3 projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e)]3, les possibilités mentionnées dans le premier alinéa valent uniquement lorsqu'il a été satisfait aux deux conditions suivantes :
  1° au moment de la demande d'autorisation, le [2 donneur d'ordre]2 dispose du permis d'environnement requis pour un mode d'exploitation normal;
  2° la construction a été effectivement exploitée pendant l'année qui précède la demande d'autorisation.
  Le Gouvernement flamand peut détailler ultérieurement les conditions mentionnées dans le premier alinéa.
  § 2. Les travaux d'adaptation à ou près d'une construction étrangère à la zone ne constituant pas une habitation sont passables de faire l'objet d'un permis, à condition de ne pas agrandir le volume couvert.
  § 3. Les possibilités mentionnées au § 1er et au § 2 ne sont pas valables dans :
  1° les zones vulnérables d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc;
  2° les zones de récréation, notamment les zones affectées en tant que telles par un plan d'aménagement et les zones régies par un plan d'exécution spatial qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " récréation ".
  
Onderafdeling 3. - Recent afgebroken zonevreemde woningen of andere constructies
Sous-section 3. - Habitations étrangères à la zone ou autres constructions récemment démolies
Art. 4.4.20. § 1. De mogelijkheden, vermeld in onderafdeling 2, zijn van overeenkomstige toepassing op zonevreemde woningen of andere constructies die geheel of gedeeltelijk zijn afgebroken, indien voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden :
  1° voorafgaand aan de afbraak werd een [1 omgevingsvergunning]1 tot verbouw of tot herbouw afgeleverd, en de aanvrager wenst het plan nu aan te passen of om te zetten naar herbouw;
  2° de aanvraag wordt ingediend binnen de geldigheidstermijn van de initiële [1 omgevingsvergunning]1 tot herbouw of tot verbouw [2 of wordt ingediend binnen een termijn van een jaar na de dag waarop het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen waarbij de initiële omgevingsvergunning wordt vernietigd, definitief wordt]2.
  Telkens in onderafdeling 2 gerefereerd wordt aan het bestaande bouwvolume van een woning of een andere constructie, wordt daaronder voor de toepassing van het eerste lid het bouwvolume, voorafgaand aan de afbraak, verstaan.
  § 2. De mogelijkheden die ingevolge de toepassing van § 1 worden geboden, gelden niet in :
  1° ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden;
  2° recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " sorteren.
  
Art. 4.4.20. § 1er. Les possibilités mentionnées dans la sous-division 2 sont d'application correspondante aux habitations étrangères à la zone ou à d'autres constructions entièrement ou partiellement démolies, s'il a été satisfait aux deux conditions suivantes :
  1° [1 un permis d'environnement pour transformation ou reconstruction a été délivré]1 avant la démolition et le requérant souhaite à présent adapter ou convertir le plan en reconstruction;
  2° la demande est introduite dans le délai de validité de l'autorisation urbanistique initiale de reconstruction ou de transformation [2 ou est introduite dans le délai d'un an suivant le jour où l'arrêt du Conseil du Contentieux des Permis annulant le permis d'environnement initial devient définitif]2.
  Chaque référence au volume de construction existant d'une habitation ou d'une autre construction dans la sous-division 2 sous-entend, pour l'application du premier alinéa, le volume de construction avant la démolition.
  § 2. Les possibilités offertes en conséquence de l'application du § 1er ne valent pas dans :
  1° les zones vulnérables d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc;
  2° les zones de récréation, notamment les zones affectées en tant que telles par un plan d'aménagement et les zones régies par un plan d'exécution spatial qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " récréation ".
  
Onderafdeling 4. - Herstelwerken bij vernietiging of beschadiging door vreemde oorzaak
Sous-section 4. - Travaux de restauration en cas de destruction ou d'endommagement dû à une cause externe
Sectie 1. - Vernietigde of beschadigde woningen
Section 1re. - Habitations détruites ou endommagées
Art. 4.4.21. Als een zonevreemde woning vernield of beschadigd werd ten gevolge van een vreemde oorzaak die de eigenaar niet kan worden toegerekend, kunnen herstelwerken worden vergund, in afwijking van de bestemmingsvoorschriften, voor zover voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :
  1° de woning werd in het jaar voorafgaand aan de vernieling of beschadiging daadwerkelijk bewoond, waarbij de bewoning kan worden aangetoond middels alle rechtens toegelaten bewijsmiddelen;
  2° de aanvraag gebeurt binnen de drie jaar na de toekenning van het verzekeringsbedrag of, zo de vernieling of beschadiging niet door een verzekering gedekt zijn, binnen de vijf jaar na het optreden van deze vernieling of beschadiging;
  3° het bouwvolume van de herstelde woning blijft beperkt tot :
  a) het vergunde of vergund geachte bouwvolume, met een maximum van 1 000 m.3 , indien de woning gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebieden en agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde,
  b) 1.000 m3, indien de woning gelegen is in een ruimtelijk niet kwetsbaar gebied, in een parkgebied of in een agrarisch gebied met ecologisch belang of ecologische waarde;
  4° het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het voor de vernietiging of de beschadiging bestaande aantal. [1 De creatie van een zorgwoning in de zin van [2 artikel 4.2.4]2 is wel toegelaten.]1
  
Art. 4.4.21. Si une habitation étrangère à la zone est détruite ou endommagée à la suite d'une cause externe non imputable au propriétaire, les travaux de restauration peuvent faire l'objet d'une autorisation, et ce, en dérogation aux prescriptions d'affectation, pour autant qu'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° l'habitation était effectivement habitée l'année qui a précédé la destruction ou l'endommagement et son occupation peut être démontrée à l'aide de tous les éléments de preuve autorisés de droit;
  2° la demande a lieu dans les trois ans suivant l'attribution du montant d'assurance ou, si la destruction ou l'endommagement n'est pas couvert par une assurance, dans les cinq ans après cette destruction ou cet endommagement;
  3° le volume de construction de l'habitation restaurée demeure limité :
  a) au volume de construction autorisé ou réputé autorisé, avec un maximum de 1 000 m.3 , si l'habitation est située dans une zone vulnérable du point de vue spatial, à l'exception des zones de parc et des zones agraires dotées d'un intérêt ou d'une valeur écologique,
  b) 1 000 à 1 000 m.3 , si l'habitation est située dans une zone non vulnérable du point de vue spatial, dans une zone de parc ou dans une zone agraire dotée d'un intérêt ou d'une valeur écologique;
  4° le nombre d'habitations reste limité au nombre existant avant la destruction ou avant l'endommagement. [1 La création d'un appartement supervisé au sens de [2 l'article 4.2.4]2 est toutefois admise.]1
  
Sectie 2. - Andere vernietigde of beschadigde constructies
Section 2. - Autres constructions détruites ou endommagées
Art. 4.4.22. Als een zonevreemde constructie, niet zijnde woningbouw, vernield of beschadigd werd ten gevolge van een vreemde oorzaak die de eigenaar niet kan worden toegerekend, kunnen herstelwerken worden vergund, in afwijking van de bestemmingsvoorschriften, voor zover voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :
  1° de constructie werd in het jaar voorafgaand aan de vernieling of beschadiging daadwerkelijk uitgebaat, waarbij deze uitbating kan worden aangetoond middels alle rechtens toegelaten bewijsmiddelen;
  2° de aanvraag gebeurt binnen de drie jaar na de toekenning van het verzekeringsbedrag of, zo de vernieling of beschadiging niet door een verzekering gedekt zijn, binnen de vijf jaar na het optreden van deze vernieling of beschadiging;
  3° het bouwvolume van de herstelde constructie blijft beperkt tot het vergunde of vergund geachte bouwvolume.
  Voor wat bedrijfsgebouwen betreft waarin [1 activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is,]1 uitgevoerd worden, is tevens vereist dat deze activiteiten zijn vergund.
  
Art. 4.4.22. Si une construction étrangère à la zone, ne constituant pas une habitation, est détruite ou endommagée à la suite d'une cause externe non imputable au propriétaire, les travaux de restauration peuvent faire l'objet d'un permis, en dérogation aux prescriptions d'affectation, pour autant qu'il ait été satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° la construction était effectivement exploitée l'année qui a précédé la destruction ou l'endommagement et cette exploitation peut être démontrée à l'aide de tous les éléments de preuve autorisés de droit;
  2° la demande a lieu dans les trois ans suivant l'attribution du montant d'assurance ou, si la destruction ou l'endommagement n'est pas couvert par une assurance, dans les cinq ans après cette destruction ou cet endommagement;
  3° le volume de construction du bâtiment restauré demeure limité au volume de construction réputé autorisé.
  Pour ce qui est des bâtiments d'entreprise, [1 où sont exécutés des projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e)]1, l'autorisation de ces activités est également requise.
  
Afdeling 3. - Zonevreemde functiewijzigingen
Division 3. - Modifications de fonction étrangères à la zone
Art. 4.4.23. Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een [1 omgevingsvergunning]1 die betrekking heeft op een vergunningsplichtige functiewijziging van een gebouw of een gebouwencomplex, afwijken van de bestemmingsvoorschriften, voor zover voldaan is aan [2 alle]2 hiernavolgende voorwaarden :
  1° het gebouw of het gebouwencomplex beantwoordt op het ogenblik van de aanvraag aan alle hiernavolgende vereisten :
  a) het gebouw of het gebouwencomplex bestaat,
  b) het gebouw of het gebouwencomplex is niet verkrot,
  c) het gebouw of het gebouwencomplex is hoofdzakelijk vergund,
  d) het gebouw of het gebouwencomplex is niet gelegen in :
  1) ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden en agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde,
  2) recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding " recreatie " sorteren;
  2° de functiewijziging komt voor op een door de Vlaamse Regering vast te stellen lijst, waarin nadere regelen en bijkomende voorwaarden voor de betrokken wijzigingen van gebruik kunnen worden bepaald.
  [2 3° de functiewijziging mag de normale bedrijfsvoering van vergunde of vergund geachte bedrijven in de omgeving niet in het gedrang brengen.]2
  De weigering om een afwijking, vermeld in het eerste lid, te verlenen, geeft nimmer aanleiding tot een planschadevergoeding.
  [2 Bij de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1А, c), wordt, voor wat de functie betreft, de laatst vergunde of vergund geachte functie als uitgangspunt genomen.]2
  
Art. 4.4.23. L'autorité administrative accordant les permis peut déroger aux prescriptions d'affectation lors de l'octroi [1 d'un permis d'environnement]1 concernant une modification de fonction soumise à l'obligation de permis d'un bâtiment ou d'un ensemble immobilier, pour autant qu'il a été satisfait [2 à toutes les conditions]2 suivantes :
  1° le bâtiment ou l'ensemble immobilier répond, au moment de la demande, à toutes les exigences suivantes :
  a) le bâtiment ou l'ensemble immobilier existe,
  b) le bâtiment ou l'ensemble immobilier n'est pas délabré,
  c) le bâtiment ou l'ensemble immobilier est principalement autorisé,
  d) le bâtiment ou l'ensemble immobilier n'est pas situé dans :
  1) des zones vulnérables d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc et des zones agraires dotées d'un intérêt ou d'une valeur écologique,
  2) les zones de récréation, notamment les zones affectées en tant que telles par un plan d'aménagement et les zones régies par un plan d'exécution spatial qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " récréation ";
  2° la modification de fonction apparaît sur une liste à fixer par le Gouvernement flamand, où d'autres règles et conditions supplémentaires liées aux modifications d'utilisation concernées peuvent être déterminées.
  Le refus de l'octroi d'une dérogation, mentionné dans le premier alinéa, ne donne jamais lieu à une indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale.
  [2 3° la modification de fonction ne peut pas compromettre l'exploitation normale des entreprises autorisées ou présumées autorisées environnantes.]2
  [2 Lors de l'évaluation de la condition visée à l'alinéa 1er, 1°, c), en ce qui concerne la fonction, la dernière fonction autorisées ou présumées autorisées est utilisée comme situation initiale.]2
  
Afdeling 4. - Planologische attesten
Division 4. - Attestations planologiques
Art. 4.4.24. Een planologisch attest vermeldt of een bestaand, hoofdzakelijk vergund en niet-verkrot bedrijf al dan niet behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is. Bij behoud vermeldt het planologisch attest welke ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden er op korte en op lange termijn mogelijk zijn. Zowel aan het behoud als aan de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden kunnen voorwaarden worden verbonden.
  [2 Dit artikel kan ook toegepast worden op een tuincentrum waarvan de functie niet vergund of vergund geacht is, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:[3 . Als het attest de opmaak of wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan vooropstelt om in ontwikkelingsmogelijkheden te voorzien, vermeldt het attest ook op welke wijze daarbij voldaan zou kunnen worden aan de bepalingen van artikel 2.2.6/1.]3
   1° het tuincentrum ligt in agrarisch gebied in de ruime zin;
   2° de constructies die noodzakelijk zijn voor een normale bedrijfsvoering zijn vergund of vergund geacht;
   3° de wijziging van de hoofdfunctie land- en tuinbouw in detailhandel heeft uiterlijk op 1 mei 2000 plaatsgevonden;
   4° minstens vijftig procent van het terrein bestaat uit serres of gronden die actief gebruikt worden voor het kweken of conditioneren van bloemen, planten of bomen en de serres of gronden sluiten aan bij de grond waarop het tuincentrum gevestigd is. Onder conditioneren wordt verstaan: het in de ruime zin klaarmaken van bloemen, planten en bomen voor de verkoop ervan;
   5° minstens vijftig procent van de nettohandelsoppervlakte bestaat uit de verkoop van planten, bloemen of bomen, en maximaal vijftig procent van de nettohandelsoppervlakte bestaat uit de verkoop van aanverwante producten.]2

  Het planologisch attest vermeldt, rekening gehouden met de uitspraak over het behoud en de ontwikkelingsmogelijkheden, of een procedure tot opmaak of tot wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg zal worden opgestart.
  In het planologisch attest worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Daarenboven houdt het planologisch attest rekening met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu, en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen.
  [1 Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
   1° het bedrijf is onderworpen aan de vergunnings- of meldingsplicht, voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
   2° het bedrijf betreft een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf.]1

  [2 3° het bedrijf is een tuincentrum.]2
  
Art. 4.4.24. Une attestation planologique mentionne si une entreprise existante principalement autorisée et non délabrée peut ou non être maintenue à l'endroit où elle est située. En cas de maintien, l'attestation planologique mentionne quelles possibilités de développement spatial sont possibles à court et à long terme. Des conditions peuvent toutefois être liées aussi bien au maintien, qu'aux possibilités de développement spatial.
  [2 Cet article peut aussi être appliqué à une jardinerie dont la fonction n'a pas été autorisée ni présumée autorisée, s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
   1° la jardinerie est située dans une zone agraire au sens large ;
   2° les constructions nécessaires à une exploitation normale ont été autorisées ou présumées autorisées ;
   3° la modification de la fonction principale d'agriculture et d'horticulture en commerce de détail a eu lieu au plus tard le 1er mai 2000 ;
   4° au moins cinquante pour cent du terrain est constitué par des serres ou des terrains qui sont activement utilisées pour la culture ou le conditionnement de fleurs, de plantes ou d'arbres, et les serres ou terrains jouxtent le terrain sur lequel la jardinerie a été implantée. Par conditionnement, il convient d'entendre : la préparation au sens large de fleurs, de plantes et d'arbres en vue de leur vente ultérieure ;
   5° au moins cinquante pour cent de la surface commerciale nette est consacré à la vente de plantes, de fleurs ou d'arbres, et au maximum cinquante pour cent de la surface commerciale nette à la vente de produits apparentés.]2

  L'attestation planologique mentionne si, compte tenu de la décision concernant le maintien et les possibilités de développement, une procédure d'établissement ou de modification d'un plan d'exécution spatial sera démarrée.[3 Si l'attestation propose l'établissement ou la modification d'un plan d'exécution spatial afin de prévoir des possibilités de développement, l'attestation indique également comment les dispositions visées à l'article 2.2.6/1, pourraient être respectées dans le cadre de ce processus.]3
  Les besoins spatiaux des différentes activités sociales sont simultanément envisagés et comparés dans l'attestation planologique. L'attestation planologique tient également compte de la portée spatiale, de l'impact environnemental et des conséquences culturelles, économiques, esthétiques et sociales.
  [1 L'attestation planologique peut être demandée par et pour une entreprise qui répond à l'une des conditions suivantes :
   1° l'entreprise est soumise à l'obligation d'obtention d'une autorisation ou à l'obligation de déclaration pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e), visée dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
   2° l'entreprise est une entreprise agricole ou horticole à part entière.]1

  [2 3° l'entreprise est une jardinerie.]2
  
Art. 4.4.25. § 1. [1 De aanvraag tot planologisch attest wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin het voorwerp van de aanvraag ligt. Als het voorwerp van de aanvraag op het grondgebied van twee of meer gemeenten ligt, dan wordt de aanvraag ingediend bij de gemeente waar de hoofdtoegang tot het bestaande bedrijf zich bevindt.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opbouw van het aanvraagdossier. Ze kan daarbij diverse vormen van dossiersamenstelling onderscheiden naargelang van de aard, de ruimtelijke implicaties en de complexiteit van de beoogde ontwikkelingsmogelijkheden. Als de gebouwen of de functies slechts gedeeltelijk vergund zijn, dan moet de aanvraag duidelijkheid bieden over de verwijdering of regularisatie van de niet-vergunde delen.
   De opmaak van een aanvraag gebeurt onder de verantwoordelijkheid van één of meerdere ruimtelijk planners.]1

  § 2. [6 Het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar]6 onderzoekt de volledigheid van de aanvraag. Indien een aanvraag niet voldoet aan de gestelde regelen, [6 wordt de aanvrager de gelegenheid geboden]6 binnen een daartoe gestelde termijn het verzuim te herstellen. Indien van deze gelegenheid geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
  [1 Als de aanvraag volledig en ontvankelijk is, dan geeft [6 het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar]6 een ontvangstbewijs af.]1
  [1 De gemeenteraad is bevoegd om over de aanvraag te beslissen behoudens in de gevallen die door de Vlaamse Regering zijn bepaald. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen rekening houdend met de omvang, de aard en de ligging van het bedrijf en van de met de aanvraag beoogde ontwikkelingen, de Vlaamse Regering [4 dan wel de provincieraad]4 over de aanvraag beslist. In dergelijk geval stuurt [6 het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar]6 na de afgifte van het ontvangstbewijs de aanvraag door naar de Vlaamse Regering of de deputatie.
   In geval de gemeenteraad bevoegd is maar het voorwerp van de aanvraag op het grondgebied van twee of meer gemeenten ligt, stuurt [6 het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar]6 na de afgifte van het ontvangstbewijs een exemplaar of een kopie van de aanvraag naar het college van burgemeester en schepenen van de andere betrokken gemeente of gemeenten. De betrokken gemeenteraden beslissen dan over de aanvraag elk voor wat het grondgebied van zijn gemeente betreft.
   Ingeval [4 de provincieraad bevoegd]4 is maar het voorwerp van de aanvraag op het grondgebied van twee of meer provincies ligt, stuurt [6 het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar]6 na de afgifte van het ontvangstbewijs een exemplaar of een kopie van de aanvraag naar de [4 provincieraden]4 van elke betrokken provincie. De deputaties beslissen dan over de aanvraag elk voor wat het grondgebied [4 van zijn provincie]4 betreft.
  [6 ...]6]1

  § 3. Het bevoegde bestuursorgaan vraagt advies aan alle bij of krachtens decreet aangewezen instanties die over het op te maken ruimtelijk uitvoeringsplan advies moeten geven.
  [2 Als [4 de provincieraad of de gemeenteraad]4 het bevoegde bestuursorgaan is, worden de adviezen vermeld in het eerste lid, aan de bevoegde commissie voor ruimtelijke ordening bezorgd.]2
  § 4. Het bevoegde bestuursorgaan richt over de aanvraag een openbaar onderzoek in, gedurende dertig dagen. Binnen die periode moeten [5 schriftelijke of digitale bezwaren en technische opmerkingen]5 naar de bevoegde commissie voor ruimtelijke ordening [2 of, als de Vlaamse Regering het bevoegde bestuursorgaan is, naar de Vlaamse Regering]2 gestuurd worden.
  [2 Wat betreft de planologische attesten die afgegeven worden door [4 de provincieraad of door de gemeenteraad]4, bundelt en coördineert de bevoegde commissie voor ruimtelijke ordening]2 alle adviezen, bezwaren en technische opmerkingen, en brengt een gemotiveerd advies uit bij het bestuursorgaan dat het ruimtelijk uitvoeringsplan moet opmaken. [4 Dat advies bevat het integrale advies van het departement. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de bevoegde commissie voor ruimtelijke ordening de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren aan het bevoegde bestuursorgaan.]4
  [4 ...]4
  § 5. [4 De beslissing wordt per beveiligde zending aan de aanvrager bezorgd. Als het planologisch attest wordt uitgereikt door de provincieraad, wordt onverwijld een afschrift ervan aan het departement bezorgd. Als het planologisch attest wordt uitgereikt door de gemeenteraad, wordt onverwijld een afschrift ervan aan het departement en aan de deputatie bezorgd.]4
  § 6. In zoverre een planologisch attest dat het betrokken bestuursorgaan conform artikel 4.4.26, § 1, verplicht tot de opmaak of de wijziging van [7 een ruimtelijk structuurplan of een ruimtelijk beleidsplan]7 of een plan van aanleg, onverenigbaar is met een ruimtelijk structuurplan, kan bij de Vlaamse Regering een schorsend administratief beroep worden ingesteld door :
  1° [4 de leidend ambtenaar van het departement]4, voor wat betreft planologisch attesten, afgegeven door [4 de provincieraad]4;
  2° [4 de leidend ambtenaar van het departement of de deputatie]4, voor wat betreft planologische attesten, afgegeven door [1 de gemeenteraad]1.
  Het beroep wordt schriftelijk ingesteld binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het afschrift van het planologisch attest. Een afschrift van het beroepschrift wordt bezorgd aan de houder van het planologisch attest en aan de deputatie, respectievelijk het college van burgemeester en schepenen.
  De Vlaamse Regering kan de houder van het planologisch attest en de [4 provincieraad]4, respectievelijk [4 de gemeenteraad]4, in staat stellen om schriftelijk hun zienswijzen over te maken, voor zover zulks nodig wordt geacht voor een zorgvuldige feitenvinding.
  [3 Indien de Vlaamse Regering het beroep verwerpt, wordt de schorsing opgeheven en krijgt het planologische attest, zoals het werd afgegeven door het bevoegde bestuursorgaan, uitwerking. Indien de Vlaamse Regering het beroep inwilligt, wordt het planologische attest vernietigd, en moet [4 de provincieraad of de gemeenteraad]4 opnieuw beslissen over de aanvraag tot planologisch attest, rekening houdend met de motieven voor de inwilliging van het beroep.]3
  De Vlaamse Regering verstuurt haar beroepsbeslissing per beveiligde zending naar de houder van het planologisch attest en naar de deputatie, respectievelijk het college van burgemeester en schepenen. De beroepsbeslissing wordt verstuurd binnen een ordetermijn van zestig dagen, ingaande de dag na deze waarop het beroep is ingesteld.
  Een afschrift van de beroepsbeslissing wordt aan [4 het departement]4, respectievelijk [4 de deputatie]4 bezorgd.
  
Art. 4.4.25. § 1er. [1 La demande d'attestation planologique est transmise par envoi sécurisé sous peine d'irrecevabilité au collège des bourgmestre et échevins de la commune où se situe l'objet de la demande. Lorsque l'objet de la demande se situe sur le territoire de deux communes ou plus, la demande est introduite auprès de la commune où se situe l'entrée principale à l'exploitation existante.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'établissement du dossier de demande. A cet effet, elle peut distinguer différentes formes d'établissement de dossier en fonction de la nature, des implications spatiales et de la complexité des possibilités de développement envisagées. Lorsque les bâtiments ou les fonctions ne sont que partiellement autorisées, la demande doit clairement spécifier si les parties non autorisées seront éliminées ou régularisées.
   L'établissement d'une demande s'effectue sous la responsabilité d'un ou plusieurs planificateurs spatiaux.]1

  § 2. Le [6 le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal]6 examine si la demande est complète. Si une demande ne satisfait pas aux dispositions fixées, [6 la possibilité est offerte au requérant]6 de combler cette lacune dans un délai déterminé à cet effet. Si cette possibilité n'est pas utilisée, ou utilisée de manière insuffisante, la demande est déclarée irrecevable.
  [1 Lorsque la demande est complète et recevable, [6 le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal]6 remet un récépissé.]1
  [1 Le conseil communal est compétent pour statuer sur la demande, sauf dans les cas fixés par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels, en fonction de la taille, de la nature et de la situation de l'exploitation ainsi que des développements envisagés avec la demande, soit le Gouvernement flamand, [4 soit le Conseil provincial]4 statuent sur la demande. Dans pareil cas, [6 le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal]6 transmet après remise du récépissé la demande au Gouvernement flamand ou à la députation.
   Au cas où le conseil communal est compétent, mais que l'objet de la demande est situé sur le territoire de deux communes ou plus, [6 le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal]6 transmet après remise du récépissé un exemplaire ou une copie de la demande au collège des bourgmestre et échevins de la ou des autres communes concernées. Les conseils communaux concernés statuent ensuite sur la demande, chacun pour ce qui concerne le territoire de sa commune.
   Au cas où [4 le Conseil provincial est compétent]4, mais que l'objet de la demande est situé sur le territoire de deux provinces ou plus, [6 le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal]6 transmet après remise du récépissé un exemplaire ou une copie de la demande à la députation de chacune des provinces concernées. Les [4 Conseils provinciaux]4 concernées statuent ensuite sur la demande, [4 chacun pour ce qui concerne le territoire de sa province]4.
  [6 ...]6]1

  § 3. L'autorité administrative compétente demande l'avis de toutes les instances désignées par ou en vertu d'un décret qui sont tenues d'émettre un avis sur le plan d'exécution spatial à établir.
  [2 Si [4 le Conseil provincial ou le conseil communal ]4 est l'organe administratif compétent, les avis visés à l'alinéa premier sont transmis à la commission compétente pour l'aménagement du territoire.]2
  § 4. L'autorité administrative compétente soumet, pendant trente jours, la demande à une enquête publique. Durant cette période, [5 les objections écrites ou numériques et remarques techniques]5 doivent être transmises à la commission compétente pour l'aménagement du territoire [2 ou, si le Gouvernement flamand est l'organe administratif compétent, au Gouvernement flamand]2.
  [2 En ce qui concerne les attestations planologiques qui sont délivrées par [4 le Conseil provincial ou par le conseil communal]4, la commission compétente pour l'aménagement du territoire regroupe et coordonne]2 tous les avis, objections et remarques techniques. Elle remet ensuite un avis motivé à l'autorité administrative qui doit établir le plan d'exécution spatial. [4 Cet avis comprend l'avis intégral du département. " Simultanément, la commission compétente pour l'aménagement du territoire transmet les avis, remarques et objections groupés à l'organe administratif compétent.]4
  [4 ...]4
  § 5. [4 La décision est transmise au requérant par envoi sécurisé. Si l'attestation planologique est octroyée par le Conseil provincial, une copie en est procurée sans délai au département. Si l'attestation planologique est octroyée par le Conseil communal, une copie en est procurée sans délai au département et à la Députation.]4
  § 6. Pour autant qu'une attestation planologique obligeant l'autorité administrative concernée à établir ou à modifier un plan d'exécution spatial ou un plan d'aménagement, conformément à l'article 4.4.26, § 1er, soit incompatible avec [7 un schéma de structure d'aménagement ou un plan de politique spatiale]7, un recours administratif suspensif peut être introduit auprès du Gouvernement flamand par :
  1° [4 le fonctionnaire dirigeant du département]4, pour ce qui est des attestations planologiques délivrées par [4 le Conseil provincial]4 permanente;
  2° [4 le fonctionnaire dirigeant du département ou la Députation]4, pour ce qui est des attestations planologiques délivrées par [1 le conseil communal]1.
  Le recours est introduit par écrit dans un délai de trente jours, à compter du jour suivant la date de réception de la copie de l'attestation planologique. Une copie de la déclaration d'appel est procurée au titulaire de l'attestation planologique et à la Députation permanente, respectivement le Collège des bourgmestre et échevins.
  Le Gouvernement flamand peut donner l'occasion au titulaire de l'attestation planologique et à la [4 Conseil provincial]4 permanente, respectivement [4 le Conseil communal]4, de communiquer par écrit leur point de vue, pour autant qu'une telle chose soit jugée nécessaire pour une instruction correcte et rigoureuse des faits.
  [3 Si le Gouvernement flamand rejette le recours, la suspension est levée et l'attestation planologique, telle qu'elle a été délivrée par l'organe administratif compétent, prend effet. Si le Gouvernement flamand accepte le recours, l'attestation planologique est annulée, et [4 le Conseil provincial ou le Conseil communal]4 doit décider à nouveau sur la demande d'attestation planologique, en tenant compte des motifs pour l'acceptation du recours.]3
  Le Gouvernement flamand envoie sa décision d'appel par envoi sécurisé au titulaire de l'attestation planologique et à la Députation permanente, respectivement le Collège des Bourgmestre et échevins. La décision d'appel est envoyée dans un délai de rigueur de soixante jours, à compter du jour qui suit la date de l'introduction du recours.
  Une copie de la décision d'appel est procurée au [4 département]4, respectivement [4 la Députation]4.
  
Art. 4.4.26. § 1. Indien het planologisch attest besluit dat het bedrijf behouden kan worden op de plaats waar het gevestigd is, al dan niet met ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden, en als dat behoud of die ontwikkelingsmogelijkheden de opmaak of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg veronderstellen, dan is het betrokken bestuursorgaan ertoe verplicht om binnen het jaar na de afgifte van het planologisch attest [2 advies te vragen over de startnota voor het ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig artikel 2.2.7, § 2, eerste lid, artikel 2.2.12, § 2, eerste lid, of artikel 2.2.18, § 2, eerste lid]2.
  Indien het betrokken bestuursorgaan dat nalaat, dan wordt voor dat bestuursorgaan de mogelijkheid tot het voorlopig vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan of tot het voorlopig aannemen van een plan van aanleg voor een ander bestaand bedrijf of voor een nieuw bedrijventerrein opgeschort, totdat alsnog voldaan is aan de rechtsplicht, vermeld in het eerste lid, tenzij het attest inmiddels vervallen is.
  § 2. Op vraag van de houder van een planologisch attest dat het betrokken bestuursorgaan conform § 1 verplicht tot de opmaak of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg, kan bij de aanvraag voor [1 een omgevingsvergunning]1 worden afgeweken van de vigerende stedenbouwkundige voorschriften.
  Vereist is dat de houder van het attest bewijst dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de aanvraag is ingediend binnen een jaar na de afgifte van het planologisch attest;
  2° de aanvraag beperkt zich tot regelingen en voorwaarden voor de invulling van kortetermijnbehoeften, zoals aangegeven in het planologisch attest.
  
Art. 4.4.26. § 1er. Si l'attestation planologique détermine que l'entreprise peut rester à l'endroit où elle est située, avec ou sans possibilités de développement spatial, et si ce maintien ou ces possibilités de développement présupposent l'établissement ou la modification d'un plan d'exécution spatial ou d'un plan d'aménagement, l'autorité administrative concernée [2 est obligée de solliciter, dans l'année qui suit la date de la remise de l'attestation planologique, un avis au sujet de la note de lancement pour le plan d'exécution spatial ou le plan particulier d'aménagement conformément à l'article 2.2.7, § 2, alinéa 1er, à l'article 2.2.12, § 2, alinéa 1er, ou à l'article 2.2.18, § 2, alinéa 1er]2.
  Si l'autorité administrative concernée s'en abstient, la possibilité pour cette autorité administrative d'établir un plan d'exécution spatial provisoire ou d'adopter un plan d'aménagement pour une autre entreprise existante ou pour un nouveau terrain d'entreprise est suspendue jusqu'à ce qu'il ait été satisfait à l'obligation juridique mentionnée dans le premier alinéa, à moins que l'attestation ne soit entre-temps expirée.
  § 2. A la demande du titulaire d'une attestation planologique obligeant, conformément au § 1er, l'autorité administrative concernée à établir ou à modifier un plan d'exécution spatial ou un plan d'aménagement, il peut, dans le cadre [1 d'un permis d'environnement]1, être dérogé aux prescriptions urbanistiques en vigueur.
  Le titulaire de l'attestation est tenu de prouver que chacune des conditions suivantes est remplie :
  1° la demande a été introduite dans l'année suivant l'octroi de l'attestation planologique;
  2° la demande se limite aux réglementations et aux conditions qui ont été stipulées pour répondre aux besoins à court terme indiqués dans l'attestation planologique.
  
Art. 4.4.27. Bij de afgifte van een attest dat het behoud van het bedrijf op de plaats waar het gevestigd is, uitsluit, bevestigt het bevoegde bestuursorgaan op het eerste verzoek van het bedrijf of er al dan niet een mogelijkheid tot herlocalisatie voorhanden is.
Art. 4.4.27. Lors de l'octroi d'une attestation excluant le maintien de l'entreprise à l'endroit où elle est située, l'autorité administrative compétente confirme à la première demande de l'entreprise s'il existe ou non une possibilité de relocalisation.
Art. 4.4.28. Een planologisch attest dat het betrokken bestuursorgaan conform artikel 4.4.26, § 1, verplicht tot de opmaak of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg, blijft gelden tot het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief wordt vastgesteld.
  Dergelijk planologisch attest vervalt evenwel :
  1° als binnen het jaar [3 na betekening van het planologisch attest]3 geen aanvraag werd ingediend voor een [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 [1 in geval het gaat om een attest dat met toepassing van artikel 4.4.26, § 2, het mogelijk maakt een vergunning af te geven waarbij afgeweken wordt van de vigerende stedenbouwkundige voorschriften]1;
  2° als deze [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 is vervallen;
  3° als het bedrijf zijn activiteit stopzet;
  4° bij overdracht van enig zakelijk recht op het bedrijf of individuele bedrijfsgebouwen;
  5° vijf jaar na de afgifte van het planologisch attest.
  
Art. 4.4.28. Une attestation planologique obligeant conformément à l'article 4.4.26, § 1er l'autorité administrative concernée à établir ou à modifier un plan d'exécution spatial ou un plan d'aménagement, demeure valable jusqu'à l'établissement définitif du plan d'exécution spatial.
  Une telle attestation planologique expire toutefois :
  1° lorsqu'aucune demande [2 de permis d'environnement pour actes urbanistiques]2 n'a été introduite dans l'année [3 suivant la notification de l'attestation planologique]3 [1 lorsqu'il s'agit d'une attestation qui permet, en application de l'article 4.4.26, § 2, d'accorder une autorisation dans laquelle il est dérogé aux prescriptions urbanistiques en vigueur]1;
  2° lorsque [2 ce permis d'environnement est expiré]2;
  3° lorsque l'entreprise cesse son activité;
  4° lors du transfert d'un quelconque droit réel relatif à l'entreprise ou à des bâtiments d'entreprise individuels;
  5° cinq ans après l'octroi de l'attestation planologique.
  
Art. 4.4.29. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen voor de toepassing van deze afdeling, in het bijzonder :
  1° [1 ...]1
  2° de regeling van de termijnen doorheen de procedure;
  3° de procedureregeling voor het administratief beroep, vermeld in artikel 4.4.25, § 6.
  [2 De Vlaamse Regering kan de begrippen, vermeld in artikel 4.4.24, tweede lid, verfijnen en kan verdere voorwaarden verbinden aan de afgifte van een planologisch attest aan een tuincentrum.".]2
  
Art. 4.4.29. Le Gouvernement flamand établit les modalités pour l'application de cette division, et plus particulièrement pour :
  1° [1 ...]1
  2° la réglementation des délais tout au long de la procédure;
  3° la réglementation de la procédure de recours administratif visée à l'article 4.4.25, § 6.
  [2 Le Gouvernement flamand peut affiner les concepts visés à l'article 4.4.24, deuxième alinéa, et peut fixer d'autres conditions à la délivrance d'une attestation planologique à une jardinerie.]2
  
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
Art. 4.5.1.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 334 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.5.1.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 334 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
HOOFDSTUK VI.
CHAPITRE VI.
Afdeling 1.
Division 1re.
Art. 4.6.1.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.1.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.2.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.2.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.3.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.3.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Afdeling 2.
Division 2.
Art. 4.6.4.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.4.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.5.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.5.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.6.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.6.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.7.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.7.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.8.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.6.8.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 335 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
HOOFDSTUK VII.
CHAPITRE VII.
Afdeling 1.
Division 1re.
Onderafdeling 1.
Sous-division 1re.
Art. 4.7.1.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.1.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.2.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.2.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Onderafdeling 2.
Sous-division 2.
Art. 4.7.3.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.3.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.4.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.4.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.5.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.5.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.6.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.6.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.7.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.7.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.8.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.8.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.9.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.9.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.10.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.10.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.11.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.11.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Afdeling 2.
Division 2.
Onderafdeling 1.
Sous-division 1re.
Art. 4.7.12.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.12.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.13.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.13.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.14.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.14.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.14 /1.
  (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.14 /1.
  (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.15.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.15.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.16.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.16.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.17.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.17.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.18.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.18.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.19.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.19.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.20.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.20.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Onderafdeling 2.
Sous-division 2.
Art. 4.7.21.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.21.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.22.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.22.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.23.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.23.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.24.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.24.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.25.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.25.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Afdeling 3.
Division 3.
Art. 4.7.26.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.26.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.26 /1.
  (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 4.7.26 /1.
  (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 336 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
HOOFDSTUK VIII. - [1 Raad voor Vergunningsbetwistingen]1
CHAPITRE VIII. - [1 Conseil pour les Contestations des Autorisations]1
Afdeling 1. - [1 Oprichting]1
Section 1re. - [1 Création]1
Art. 4.8.1. [1 Er wordt een Raad voor Vergunningsbetwistingen opgericht, hierna de Raad te noemen.
  [2 ...]2]1

  
Art. 4.8.1. [1 Il est créé un " Conseil pour les Contestations des Autorisations ", dénommé ci-après le Conseil.
  [2 ...]2]1

  
Afdeling 2. - [1 Bevoegdheid]1
Section 2. - [1 Compétence]1
Onderafdeling 1. - [1 Vernietiging]1
Sous-section 1re. - [1 Annulation]1
Art. 4.8.2. [1 De Raad doet als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van :
  1°[6 besluiten tot definitieve vaststelling van gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen;]6
  2°[6 besluiten tot definitieve vaststelling van gewestelijke, provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen;]6
  3° registratiebeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen waarbij een constructie als " vergund geacht " wordt opgenomen in het vergunningenregister of waarbij een dergelijke opname geweigerd wordt.
  [3 [4 ...]4]3
  [2 ...]2]1

  
Art. 4.8.2. [1 Le Conseil, en tant que juridiction administrative, se prononce, sous forme d'arrêts, sur les recours introduits d'annulation de :
  1° [6 des arrêtés portant la fixation définitive de plans d'exécution spatiale régionaux, provinciaux et communaux ;]6
  2° [6 des arrêtés portant la fixation définitive de règlements d'urbanisme régionaux, provinciaux et communaux ; ]6
  3° décisions d'enregistrement, à savoir des décisions administratives où une construction est reprise comme " supposée être autorisée " au registre des permis ou où une telle reprise est refusée.
  [3 [4 ...]4 ]3
  [2 ...]2]1

  
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Onderafdeling 4.
Sous-section 4.
Afdeling 3. - [1 Procedure]1
Section 3. - [1 Procédure]1
Onderafdeling 1.
Sous-section 1re.
Onderafdeling 2. - [1 Aanhangigmaking]1
Sous-section 2. - [1 Introduction du recours]1
Art. 4.8.11. [1 § 1. De beroepen bij de Raad inzake [2 ...]2 registratiebeslissingen kunnen door de volgende personen worden ingesteld:
   1° [2 ...]2, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt;
   2° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de [2 ...]2 registratiebeslissing;
   3° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de [2 ...]2 registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten.
   § 2. De beroepen inzake validerings- of registratiebeslissingen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt:
   1° [2 ...]2
   2° wat betreft registratiebeslissingen:
   a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
   b) hetzij de dag na de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen.]1

  [3 § 3. De beroepen bij de Raad, vermeld in artikel 4.8.2, 1° en 2°, kunnen worden ingesteld door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang.]3
  [3 § 4. De beroepen, vermeld in artikel 4.8.2, 1° en 2°, worden ingesteld binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat op een van de volgende dagen:
   1° de dag na de betekening van het besluit met een beveiligde zending, als een dergelijke betekening vereist is;
   2° de dag na de bekendmaking van het besluit in het Belgisch Staatsblad, in de andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°]3

  
Art. 4.8.11. [1 § 1er. Les recours auprès du Conseil concernant des décisions [2 ...]2 d'enregistrement peuvent être introduits par les personnes suivantes :
   1° [2 ...]2 la personne disposant de droits réels ou personnels à l'égard d'une construction qui fait l'objet d'une décision d'enregistrement, ou qui utilise cette construction de fait ;
   2° chaque personne physique ou morale à qui la décision [2 ...]2 d'enregistrement contestée pourrait causer, directement ou indirectement, des désagréments ou des inconvénients ;
   3° des associations dotées d'une compétence procédurale qui agissent au nom d'un groupe dont les intérêts collectifs sont menacés ou lésés par la décision [2 ...]2 d'enregistrement, pour autant qu'elles disposent d'un fonctionnement durable et effectif conformément aux statuts.
   § 2. Les recours relatifs aux décisions de validation ou d'enregistrement sont introduits dans une échéance de quarante-cinq jours, qui prend cours comme suit :
   1° [2 ...]2
   2° en ce qui concerne les décisions d'enregistrement :
   a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise ;
   b) soit le jour suivant la date d'inscription de la construction dans le registre des autorisations, dans tous les autres cas.]1

  [3 § 3. Les recours devant le Conseil, visés à l'article 4.8.2, 1° et 2°, peuvent être introduits par chaque partie qui fait preuve d'un préjudice ou d'un intérêt.]3
  [3 § 4. Les recours visés à l'article 4.8.2, 1° et 2°, sont introduits dans un délai de soixante jours, qui commence l'un des jours suivants :
   1° le jour suivant la notification de l'arrêté par envoi sécurisé, si une telle notification est requise ;
   2° le jour suivant la publication de l'arrêté au Moniteur belge, dans les cas autres que le cas visé au point 1°. ]3

  
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Onderafdeling 4.
Sous-section 4.
Onderafdeling 5. - [1 Tussenkomst]1
Sous-section 5. - [1 Intervention]1
Art. 4.8.21. [1 Elk van de personen, vermeld in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, kan in[2 het beroep inzake de registratiebeslissing]2 tussenkomen.]1
  [2 Elke partij, vermeld in artikel 4.8.11, § 3, kan in de beroepen, vermeld in artikel 4.8.2, 1° en 2°, tussenkomen.]2
  
Art. 4.8.21. [1 Chacune des personnes, visées à l'article 4.8.11, § 1er, alinéa premier, peut intervenir dans [2 le recours concernant la décision d'enregistrement ]2.]1
  [2 Chaque partie, visée à l'article 4.8.11, § 3, peut intervenir dans les recours visés à l'article 4.8.2, 1° et 2°.]2
  
Onderafdeling 6.
Sous-section 6.
Onderafdeling 7.
Sous-section 7.
Onderafdeling 8.
Sous-section 8.
Afdeling 4.
Section 4.
Afdeling 5.
Section 5.
Afdeling 6.
Section 6.
TITEL V. - Diverse bepalingen
TITRE V. - Diverses dispositions
HOOFDSTUK I. - Plannen- en vergunningenregisters
CHAPITRE Ier. - Registre des plans et registre des permis
Afdeling 1. - Plannenregister
Division 1re. - Registre des plans
Art. 5.1.1. § 1.[6 Een plannenregister bevat ten minste de volgende informatie over het grondgebied van de gemeente:]6:
  1° de grafische plannen en de daarbij horende stedenbouwkundige voorschriften van [1 ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en de plannen van aanleg]1, evenals van de niet-vervallen ontwerpen van [1 dergelijke plannen of besluiten]1;
  2° de aanduiding van de delen van de vigerende plannen waarop een voorkooprecht, vermeld in [1 artikel 2.4.1 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, geldt]1;
  3° de aanduiding van de percelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een planologische bestemmingswijziging die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1, een planbatenheffing, vermeld in artikel 2.6.4, of een bestemmingswijzigingscompensatie, vermeld in boek 6, titel 2, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid;
  4° de rooilijnplannen[6 voor zover de opmaak van deze plannen geяntegreerd wordt in de procedure voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en plannen van aanleg]6;
  5° de onteigeningsplannen[6 voor zover de opmaak van deze plannen geяntegreerd wordt in de procedure voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en plannen van aanleg;]6
  [2 6° de aanduiding van de gronden die conform artikel 5.6.8, § 1, van deze codex beschouwd worden als `watergevoelig openruimtegebied';
   7° de aanduiding van de gronden waarvoor de reservatiestrook is opgeheven conform artikel 7.4.2/3 van deze codex.]2

  [3 8° de beslissing van de gemeenteraad inzake de afwijkingsmogelijkheid van een bijzonder plan van aanleg ouder dan vijftien jaar, conform artikel 4.4.9/1, laatste lid, van deze codex;]3
  [5 9° de aanduiding van de gronden in woonreservegebied die overeenkomstig artikel 5.6.11 en 5.6.12 bij gemeenteraadsbesluit zijn vrijgegeven, en de voorwaarden en eventuele lasten van het vrijgavebesluit.]5
  De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop in het plannenregister ruimtelijk relevante beschermingsvoorschriften opgenomen worden ten gevolge van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening.
  § 2. Elke gemeente is verplicht om een plannenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te leggen en er uittreksels uit af te leveren volgens de bepalingen van deze codex.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opmaak en de actualisering van het plannenregister. Zij kan de specifieke wijze bepalen waarop [4 artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]4 geoperationaliseerd wordt indien de gemeente zich niet gedraagt naar de bij of krachtens deze afdeling voorgeschreven regelen.
  
Art. 5.1.1. § 1er. [6 Le registre des plans inclut au minimum les données suivantes pour le territoire de la commune]6:
  1° les plans graphiques et les prescriptions urbanistiques correspondantes [1 des plans d'exécution spatiaux, des arrêtés relatif à la préférence, des arrêtés relatif au projet et des plans d'aménagement]1, ainsi que les projets non déchus [1 de tels plans ou arrêtés]1;
  2° l'indication des parties des plans en vigueur soumises à un droit de préemption, [1 visé à l'article 2.4.1 ou à l'article 34 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes]1;
  3° l'indication des parcelles qui ont fait l'objet d'une modification planologique d'affectation pouvant générer une indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale visée à l'article 2.6.1, une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale visée à l'article 2.6.4 ou une compensation de modification d'affectation, comme mentionnée dans le livre VI, titre II du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière;
  4° les plans d'alignement[6 dans la mesure où l'établissement de ces plans est intégré dans la procédure d'établissement des plans d'exécution spatiaux, des arrêtés relatifs à la préférence, des arrêtés relatifs au projet et des plans d'aménagement]6;
  5° les plans d'expropriation[6 dans la mesure où l'établissement de ces plans est intégré dans la procédure d'établissement des plans d'exécution spatiaux, des arrêtés relatifs à la préférence, des arrêtés relatifs au projet et des plans d'aménagement]6;
  [2 6° l'indication des terrains qui, conformément à l'article 5.6.8, § 1, de ce code sont considérées comme " zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau " ;
   7° l'indication des terrains pour lesquels la zone de réservation a été supprimée conformément à l'article 7.4.2/3 de ce code.]2

  [3 8° la décision du conseil communal concernant la possibilité de dérogation à un plan particulier d'aménagement de plus de quinze ans, conformément à l'article 4.4.9/1, dernier alinéa, du présent code;]3
  [5 9° la désignation des terrains en zone de réserve d'habitat libérés par décision du conseil communal conformément aux articles 5.6.11 et 5.6.12, ainsi que les conditions et les charges éventuelles de la décision de libération.]5
  Le Gouvernement flamand peut déterminer la façon dont les prescriptions de protection spatiale pertinentes sont incluses dans le registre des plans en conséquence de la réglementation en vigueur dans d'autres domaines politiques que celui de l'aménagement du territoire.
  § 2. Chaque commune est tenue d'établir et d'actualiser un registre des plans, de permettre sa consultation et d'en délivrer des extraits conformément aux dispositions du présent code.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour l'établissement et l'actualisation du registre des plans. Il peut déterminer la manière spécifique dont [4 l'article 335 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]4 doit être opérationnalisé, lorsque la commune ne respecte pas les règles prescrites par ou en vertu de la présente division.
  
Art. 5_1.1.TOEKOMSTIG_RECHT.    § 1.[6 Een plannenregister bevat ten minste de volgende informatie over het grondgebied van de gemeente:]6:
  1° de grafische plannen en de daarbij horende stedenbouwkundige voorschriften van [1 ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en de plannen van aanleg]1, evenals van de niet-vervallen ontwerpen van [1 dergelijke plannen of besluiten]1;
  2° de aanduiding van de delen van de vigerende plannen waarop een voorkooprecht, vermeld in [1 artikel 2.4.1 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, geldt]1;
  3° de aanduiding van de percelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een planologische bestemmingswijziging die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1, een planbatenheffing, vermeld in artikel 2.6.4, of een bestemmingswijzigingscompensatie, vermeld in boek 6, titel 2, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid;
  4° de rooilijnplannen[6 voor zover de opmaak van deze plannen geяntegreerd wordt in de procedure voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en plannen van aanleg]6;
  5° de onteigeningsplannen[6 voor zover de opmaak van deze plannen geяntegreerd wordt in de procedure voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorkeursbesluiten, projectbesluiten en plannen van aanleg;]6
  [2 6° de aanduiding van de gronden die conform artikel 5.6.8, § 1, van deze codex beschouwd worden als `watergevoelig openruimtegebied';
   7° de aanduiding van de gronden waarvoor de reservatiestrook is opgeheven conform artikel 7.4.2/3 van deze codex.]2

  [3 8° de beslissing van de gemeenteraad inzake de afwijkingsmogelijkheid van een bijzonder plan van aanleg ouder dan vijftien jaar, conform artikel 4.4.9/1, laatste lid, van deze codex;]3
  [5 9° de aanduiding van de gronden in woonreservegebied die overeenkomstig artikel 5.6.11 en 5.6.12 bij gemeenteraadsbesluit zijn vrijgegeven, en de voorwaarden en eventuele lasten van het vrijgavebesluit.]5
  De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop in het plannenregister ruimtelijk relevante beschermingsvoorschriften opgenomen worden ten gevolge van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening.
  § 2. Elke gemeente is verplicht om een plannenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te leggen en er uittreksels uit af te leveren volgens de bepalingen van deze codex.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opmaak en de actualisering van het plannenregister. Zij kan de specifieke wijze bepalen waarop [4 artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]4 geoperationaliseerd wordt indien de gemeente zich niet gedraagt naar de bij of krachtens deze afdeling voorgeschreven regelen.
  [7 § 3. De overheden die belast zijn met het opmaken van de gegevens en documenten, vermeld in paragraaf 1, laden de gegevens en de documenten daarover op in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, § 2, onmiddellijk na de voorlopige vaststelling, de definitieve vaststelling, respectievelijk de goedkeuring. Elke overheid is verantwoordelijk voor de overeenstemming van de opgeladen gegevens en documenten met de stukken die ze in haar bezit heeft.
   Het college van burgemeester en schepenen neemt de gegevens en de documenten, vermeld in het eerste lid, op in het plannenregister binnen een termijn van veertien dagen, hetzij na de beslissing van de gemeenteraad, hetzij nadat de gegevens en documenten opgeladen zijn in het digitaal platform, vermeld in artikel 2.2.1, § 2. Het college van burgemeester en schepenen is verantwoordelijk voor de overeenstemming van het plannenregister met de stukken die erin moeten worden opgenomen.]7
Art. 5_1.1.DROIT_FUTUR.    § 1er. [6 Le registre des plans inclut au minimum les données suivantes pour le territoire de la commune]6:
  1° les plans graphiques et les prescriptions urbanistiques correspondantes [1 des plans d'exécution spatiaux, des arrêtés relatif à la préférence, des arrêtés relatif au projet et des plans d'aménagement]1, ainsi que les projets non déchus [1 de tels plans ou arrêtés]1;
  2° l'indication des parties des plans en vigueur soumises à un droit de préemption, [1 visé à l'article 2.4.1 ou à l'article 34 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes]1;
  3° l'indication des parcelles qui ont fait l'objet d'une modification planologique d'affectation pouvant générer une indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale visée à l'article 2.6.1, une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale visée à l'article 2.6.4 ou une compensation de modification d'affectation, comme mentionnée dans le livre VI, titre II du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière;
  4° les plans d'alignement[6 dans la mesure où l'établissement de ces plans est intégré dans la procédure d'établissement des plans d'exécution spatiaux, des arrêtés relatifs à la préférence, des arrêtés relatifs au projet et des plans d'aménagement]6;
  5° les plans d'expropriation[6 dans la mesure où l'établissement de ces plans est intégré dans la procédure d'établissement des plans d'exécution spatiaux, des arrêtés relatifs à la préférence, des arrêtés relatifs au projet et des plans d'aménagement]6;
  [2 6° l'indication des terrains qui, conformément à l'article 5.6.8, § 1, de ce code sont considérées comme " zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau " ;
   7° l'indication des terrains pour lesquels la zone de réservation a été supprimée conformément à l'article 7.4.2/3 de ce code.]2

  [3 8° la décision du conseil communal concernant la possibilité de dérogation à un plan particulier d'aménagement de plus de quinze ans, conformément à l'article 4.4.9/1, dernier alinéa, du présent code;]3
  [5 9° la désignation des terrains en zone de réserve d'habitat libérés par décision du conseil communal conformément aux articles 5.6.11 et 5.6.12, ainsi que les conditions et les charges éventuelles de la décision de libération.]5
  Le Gouvernement flamand peut déterminer la façon dont les prescriptions de protection spatiale pertinentes sont incluses dans le registre des plans en conséquence de la réglementation en vigueur dans d'autres domaines politiques que celui de l'aménagement du territoire.
  § 2. Chaque commune est tenue d'établir et d'actualiser un registre des plans, de permettre sa consultation et d'en délivrer des extraits conformément aux dispositions du présent code.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour l'établissement et l'actualisation du registre des plans. Il peut déterminer la manière spécifique dont [4 l'article 335 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]4 doit être opérationnalisé, lorsque la commune ne respecte pas les règles prescrites par ou en vertu de la présente division.
  § 3.[7 Les autorités chargées d'établir les données et les documents visés au paragraphe 1er, téléchargent les données et les documents y afférents vers la plateforme numérique visée à l'article 2.2.1, § 2, immédiatement après la fixation provisoire, la fixation définitive, respectivement l'approbation. Chaque autorité répond de la conformité des données et documents téléchargés avec les pièces qu'elle a en sa possession.
   Le collège des bourgmestre et échevins inscrit les données et documents visés à l'alinéa 1er, dans le registre des plans dans un délai de quinze jours, soit après la décision du conseil communal, soit après le téléchargement des données et documents vers la plateforme numérique visée à l'article 2.2.1, § 2. Le collège des bourgmestre et échevins répond de la conformité du registre des plans avec les pièces qui doivent y être reprises.]7
Afdeling 2. - Vergunningenregister
Division 2. - Registre des permis
Art. 5.1.2. § 1. Een vergunningenregister is een gemeentelijk gegevensbestand, waarin voor het grondgebied van de gemeente perceelsgebonden informatie is opgenomen met betrekking tot de ruimtelijke ordening.
  [3 Het vergunningenregister omvat ten minste de volgende gegevens, geordend per kadastraal perceel:
   1° het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam;
   2° de uitgereikte stedenbouwkundige en planologische attesten;
   3° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de aanvrager;
   4° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en de identiteit van de aanvrager;
   5° elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot die vergunningen, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
   6° elke melding van stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de persoon die de melding verricht;
   7° de [4 ...]4 as-builtattesten;
   8° het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4° ;
   9° de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;
   10° de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;
   11° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;
   12° in voorkomend geval het declaratief attest, vermeld in artikel 5.4.3, § 5.]3

  [4 13° elk projectbesluit als daarin uitspraak wordt gedaan over vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden;
   14° elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot de projectbesluiten, vermeld in punt 13°, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
   15° het verval van de projectbesluiten, vermeld in punt 13°.]4

  De Vlaamse Regering kan de bijkomende ruimtelijke gegevens bepalen die in het vergunningenregister opgenomen worden.
  § 2. Elke gemeente is verplicht om een vergunningenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te houden van elkeen en er uittreksels uit af te leveren volgens de bepalingen van deze codex.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opmaak en de actualisering van het vergunningenregister. Zij kan de specifieke wijze bepalen waarop [5 artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]5 geoperationaliseerd wordt indien de gemeente zich niet gedraagt naar de bij of krachtens deze afdeling voorgeschreven regelen.
  
Art. 5.1.2. § 1er. Un registre des permis est un fichier communal de données incluant, pour le territoire de la commune, des informations propres aux parcelles se rapportant à l'aménagement du territoire.
  [3 Le registre des permis comprend au moins les données suivantes, classées par parcelle cadastrale :
   1° le numéro cadastral, le numéro d'habitation et le nom de rue ;
   2° les attestations urbanistiques et planologiques délivrées ;
   3° chaque demande de permis d'environnement pour actes urbanistiques et l'identité du requérant ;
   4° chaque demande de permis d'environnement pour le lotissement de sols et l'identité du requérant ;
   5° chaque décision administrative et judiciaire relative à ces permis et l'identité des personnes qui ont introduit une procédure de recours ;
   6° chaque déclaration d'actes urbanistiques et l'identité de la personne qui l'a effectuée ;
   7° les attestations " as built " [4 ...]4 ;
   8° l'expiration des permis visés aux points 3° et 4° ;
   9° la mention de chaque sommation écrite, de chaque procès-verbal et de chaque rapport de constat qui est rédigé relativement à des délits et à des infractions en matière d'aménagement du territoire, ainsi que tout procès-verbal subséquent dans lequel le rétablissement volontaire ou la régularisation est constaté(e), la suite qui est donnée aux procès-verbaux et aux rapports de constat, tout jugement, et toute décision administrative, ainsi que tout règlement amiable en la matière et l'exécution des mesures de réparation, ainsi que toute attestation de réparation;
   10° la mention de toute voie de droit qui excipe des jugements et des décisions administratives, mentionnées au point 9°, des jugements et décisions ultérieures, ainsi que de la suite qui y est donnée;
   11° le fait qu'une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est due et la preuve du paiement de celle-ci ;
   12° le cas échéant, l'attestation de déclaration mentionnée dans l'article 5.4.3, § 5.]3

  [4 13° tout arrêté relatif au projet s'il se prononce sur des actes urbanistiques soumis à autorisation ou sur le lotissement de terrains ;
   14° toute décision administrative et toute décision judiciaire concernant les arrêtés relatifs au projet, visés au point 13°, et l'identité des personnes qui interjettent appel ;
   15° la péremption des arrêtés relatifs au projet, visés au point 13°.]4

  Le Gouvernement flamand peut déterminer des données spatiales supplémentaires à inclure dans le registre des permis.
  § 2. Chaque commune est tenue d'établir et d'actualiser un registre des permis, de permettre sa consultation et d'en délivrer des extraits conformément aux dispositions du présent code.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour l'établissement et l'actualisation du registre des permis. Il peut déterminer la manière spécifique dont [5 l'article 335 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]5 doit être opérationnalisé, lorsque la commune ne respecte pas les règles prescrites par ou en vertu de la présente division.
  
Art. 5_1.2.TOEKOMSTIG_RECHT.    § 1. Een vergunningenregister is een gemeentelijk gegevensbestand, waarin voor het grondgebied van de gemeente perceelsgebonden informatie is opgenomen met betrekking tot de ruimtelijke ordening.
  [3 Het vergunningenregister omvat ten minste de volgende gegevens, geordend per kadastraal perceel:
   1° het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam;
   2° de uitgereikte stedenbouwkundige en planologische attesten;
   3° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de aanvrager;
   4° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en de identiteit van de aanvrager;
   5° elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot die vergunningen, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
   6° elke melding van stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de persoon die de melding verricht;
   7° de [4 ...]4 as-builtattesten;
   8° het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4° ;
   9° de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, [6 iedere dagvaarding of gedinginleidende akte,]6 iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;
   10° de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;
   11° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;
   12° in voorkomend geval het declaratief attest, vermeld in artikel 5.4.3, § 5.]3

  [4 13° elk projectbesluit als daarin uitspraak wordt gedaan over vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden;
   14° elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot de projectbesluiten, vermeld in punt 13°, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
   15° het verval van de projectbesluiten, vermeld in punt 13°.]4

  De Vlaamse Regering kan de bijkomende ruimtelijke gegevens bepalen die in het vergunningenregister opgenomen worden.
  § 2. Elke gemeente is verplicht om een vergunningenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te houden van elkeen en er uittreksels uit af te leveren volgens de bepalingen van deze codex.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opmaak en de actualisering van het vergunningenregister. Zij kan de specifieke wijze bepalen waarop [5 artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]5 geoperationaliseerd wordt indien de gemeente zich niet gedraagt naar de bij of krachtens deze afdeling voorgeschreven regelen.
Art. 5_1.2.DROIT_FUTUR.    § 1er. Un registre des permis est un fichier communal de données incluant, pour le territoire de la commune, des informations propres aux parcelles se rapportant à l'aménagement du territoire.
  [3 Le registre des permis comprend au moins les données suivantes, classées par parcelle cadastrale :
   1° le numéro cadastral, le numéro d'habitation et le nom de rue ;
   2° les attestations urbanistiques et planologiques délivrées ;
   3° chaque demande de permis d'environnement pour actes urbanistiques et l'identité du requérant ;
   4° chaque demande de permis d'environnement pour le lotissement de sols et l'identité du requérant ;
   5° chaque décision administrative et judiciaire relative à ces permis et l'identité des personnes qui ont introduit une procédure de recours ;
   6° chaque déclaration d'actes urbanistiques et l'identité de la personne qui l'a effectuée ;
   7° les attestations " as built " [4 ...]4 ;
   8° l'expiration des permis visés aux points 3° et 4° ;
   9° la mention de chaque sommation écrite, de chaque procès-verbal et de chaque rapport de constat qui est rédigé relativement à des délits et à des infractions en matière d'aménagement du territoire, ainsi que tout procès-verbal subséquent dans lequel le rétablissement volontaire ou la régularisation est constaté(e), la suite qui est donnée aux procès-verbaux et aux rapports de constat, [6 toute assignation ou tout acte introductif d'instance,]6 tout jugement, et toute décision administrative, ainsi que tout règlement amiable en la matière et l'exécution des mesures de réparation, ainsi que toute attestation de réparation;
   10° la mention de toute voie de droit qui excipe des jugements et des décisions administratives, mentionnées au point 9°, des jugements et décisions ultérieures, ainsi que de la suite qui y est donnée;
   11° le fait qu'une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est due et la preuve du paiement de celle-ci ;
   12° le cas échéant, l'attestation de déclaration mentionnée dans l'article 5.4.3, § 5.]3

  [4 13° tout arrêté relatif au projet s'il se prononce sur des actes urbanistiques soumis à autorisation ou sur le lotissement de terrains ;
   14° toute décision administrative et toute décision judiciaire concernant les arrêtés relatifs au projet, visés au point 13°, et l'identité des personnes qui interjettent appel ;
   15° la péremption des arrêtés relatifs au projet, visés au point 13°.]4

  Le Gouvernement flamand peut déterminer des données spatiales supplémentaires à inclure dans le registre des permis.
  § 2. Chaque commune est tenue d'établir et d'actualiser un registre des permis, de permettre sa consultation et d'en délivrer des extraits conformément aux dispositions du présent code.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour l'établissement et l'actualisation du registre des permis. Il peut déterminer la manière spécifique dont [5 l'article 335 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]5 doit être opérationnalisé, lorsque la commune ne respecte pas les règles prescrites par ou en vertu de la présente division.
Art. 5.1.3. § 1. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen [3 ...]3, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van [3 boek 8, hoofdstuk 3]3 van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden in het vergunningenregister opgenomen als " vergund geacht ", onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht.
  De vaststelling van de aanwezigheid van een geldig bewijs dat de bestaande constructie vóór 22 april 1962 gebouwd werd, en de omschrijving van de aard van dat bewijs, geldt als motivering voor de beslissing tot opname als " vergund geacht ".
  De vaststelling van het feit dat de constructie niet meer bestaat, van de afwezigheid van enig bewijsmiddel, of van het feit dat het voorhanden zijnde bewijsmiddel aangetast is door uitdrukkelijk aangegeven onregelmatigheden, geldt als motivering voor de weigering tot opname als " vergund geacht ".
  Een weigering tot opname als " vergund geacht ", wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend.
  § 2. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als " vergund geacht ", onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als " vergund geacht ".
  De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als " vergund geacht ".
  De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als " vergund geacht ".
  Een weigering tot opname als " vergund geacht ", wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend. Deze mededelingsplicht geldt niet ten aanzien van die constructies waarvoor reeds een gemotiveerde mededeling werd verricht bij de opmaak van het ontwerp van vergunningenregister.
  § 3. De opname of de weigering tot opname van een constructie als " vergund geacht " in het vergunningenregister kan worden bestreden met een beroep bij de [1 Raad voor Vergunningsbetwistingen]1, overeenkomstig en met inachtneming van de regelen, vermeld in hoofdstuk VIII van titel IV [2 en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges]2. Artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
  
Art. 5.1.3. § 1er. Les constructions existantes, à l'exception des infrastructures [3 ...]3 publicitaires, dont il a été démontré par un quelconque élément de preuve autorisé de droit dans le sens du [3 livre 8, chapitre 3,]3 du Code civil qu'elles ont été édifiées avant le 22 avril 1962, sont incluses dans le registre des permis comme étant " réputées autorisées ", sans préjudice de l'article 4.2.14, § 3 et § 4. L'autorité communale est soumise à une obligation active d'enquête pertinente.
  La constatation de la présence d'une preuve valable attestant que la construction existante a été édifiée avant le 22 avril 1962 - et la description de la nature de cette preuve - vaut comme motivation pour la décision d'enregistrement en tant que " réputée autorisée ".
  La constatation du fait que la construction n'existe plus, de l'absence d'un quelconque élément de preuve ou du fait que les éléments de preuve disponibles sont entamés par des irrégularités explicitement indiquées, vaut comme motivation pour le refus de son inclusion en tant que " réputée autorisée ".
  Un refus d'enregistrement de la construction comme étant " réputée autorisée " sera signifié au propriétaire par le biais d'un envoi sécurisé.
  § 2. Les constructions existantes, à l'exception des infrastructures [3 ...]3 publicitaires, dont il a été démontré par un quelconque élément de preuve autorisé de droit dans le sens du[3 livre 8, chapitre 3,]3 du Code civil qu'elles ont été édifiées dans la période allant du 22 avril 1962 à la première entrée en vigueur du plan régional se rapportant à l'endroit où elles se situent, et dont le caractère autorisé n'a pas été contesté par les autorités publiques au moyen d'un procès-verbal ou d'un acte d'opposition non anonyme, chaque fois rédigé dans un délai de cinq ans après l'édification ou l'installation de la construction, sont enregistrées dans le registre des permis comme étant " réputées autorisées ", sans préjudice de l'article 4.2.14 § 3 et § 4. L'autorité communale est soumise à une obligation active d'enquête pertinente. Le registre des permis mentionne la date d'enregistrement de la construction comme " réputée autorisée ".
  La constatation du fait que les autorités n'ont pas connaissance d'une preuve contraire valable constitue une motivation pour un enregistrement de la construction comme étant " réputée autorisée ".
  La constatation du fait que les autorités ont connaissance d'une preuve contraire valable accompagnée de la description de sa nature constitue une motivation de refus pour un enregistrement de la construction comme étant " réputée autorisée ".
  Un refus d'enregistrement de la construction comme étant " réputée autorisée " sera signifié au propriétaire par le biais d'un envoi sécurisé. Cette obligation de communication n'est pas applicable aux constructions pour lesquelles une communication motivée a déjà été effectuée lors de l'établissement de l'avant-projet du registre des permis.
  § 3. L'enregistrement ou le refus d'enregistrement d'une construction comme étant " réputée autorisée " dans le registre des permis peut être contesté par l'introduction d'un recours auprès du [1 Conseil pour les Contestations des Autorisations]1, conformément aux, et en tenant compte des modalités visées au chapitre VIII du titre IV [2 et au décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes]2. L'article 14, § 3, des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat est d'application correspondante.
  
Art. 5.1.4. § 1. De overheden die beslissingen nemen in verband met de vergunningverlening in het kader [2 [3 van deze codex of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]3 of het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten]2 sturen ambtshalve een afschrift van elke beslissing naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is.
  De overheden die betrokken zijn in een procedure die betrekking heeft op een betwisting in het kader [2 [3 van deze codex of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]3 of het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten]2 sturen ambtshalve een afschrift van elke dagvaarding of verzoekschrift, elke voorziening in hoger beroep of in cassatie, naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is. Iedere in de zaak gewezen beslissing wordt ambtshalve doorgestuurd naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is.
  De overheden die belast zijn met het bezorgen van de afschriften, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn verantwoordelijk voor de overeenstemming van deze afschriften met de stukken die zij in hun bezit hebben.
  [1 De kennisgeving, vermeld in het tweede lid, is niet vereist indien aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is, reeds een afschrift van de in het tweede lid bedoelde documenten werd toegestuurd, op basis van een andere bepaling [2 [3 van deze codex of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]3 of het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten [4 of het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges"]4.]2]1
  § 2. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen betreffende de informatieplichten, vermeld in § 1.
  
Art. 5.1.4. § 1er. Les autorités qui prennent des décisions concernant l'octroi de permis dans le cadre [2 [3 du présent code ou du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]3 ou du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes]2 envoient d'office une copie de chaque décision au Collège des Bourgmestre et échevins de la commune où est situé le bien immeuble en question.
  Les autorités qui sont impliquées dans une procédure de litige dans le cadre [2 [3 du présent code ou du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]3 ou du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes]2 envoient d'office une copie de toute citation ou requête, de tout pourvoi en appel ou en cassation, au Collège des bourgmestre et échevins de la commune où est situé le bien immeuble en question. Toute décision rendue dans le dossier est communiquée d'office au Collège des bourgmestre et échevins de la commune où est situé le bien immeuble en question.
  Les autorités chargées de l'envoi des copies mentionnées dans le premier et le deuxième alinéa répondent de la conformité de ces copies avec les pièces qu'elles ont en leur possession.
  [1 Sur la base d'une autre disposition [2 [3 du présent code ou du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]3 ou du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes]2 [4 ou du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes]4, la notification, visée à l'alinéa deux, n'est pas requise lorsqu'une copie des documents visés à l'alinéa deux a déjà été transmise au collège des bourgmestre et échevins de la commune où le bien immobilier concerné est situé.]1
  § 2. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises quant aux obligations d'information mentionnées au § 1er.
  
Art. 5.1.5. De gegevens, vermeld in artikel 5.1.2, § 1, tweede en derde lid, worden geregistreerd binnen een termijn van vijf werkdagen, hetzij na de beslissing van het college van burgemeester en schepenen, hetzij na de ontvangst van de betrokken informatie. Het college van burgemeester en schepenen is verantwoordelijk voor de overeenstemming van het vergunningenregister met de stukken die erin moeten worden opgenomen.
Art. 5.1.5. Les données mentionnées dans l'article 5.1.2, § 1er, deuxième et troisième alinéa sont enregistrées dans un délai de cinq jours ouvrables, soit après la décision du Collège des bourgmestre et échevins, soit après la réception des informations en question. Le collège des bourgmestre et échevins répond de la conformité du registre des permis avec les pièces qui doivent y être reprises.
Afdeling 3. - Bepaling, aan beide registers gemeen
Division 3. - Disposition commune aux deux registres
Art. 5.1.6. Het plannenregister, het vergunningenregister en de inhouden van beide registers, worden beschouwd als een bestuursdocument, vermeld in [3 artikel I.4, 3°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018]3.
  Beide registers zijn toegankelijk voor het publiek in het gemeentehuis.
  Onverminderd [3 titel II, hoofdstuk 3, afdeling 4, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018]3 krijgen de ambtenaren van ruimtelijke ordening, [2 vermeld in de artikelen 1.4.3 en 1.4.9 van deze codex en de artikelen 9/1 en 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]2 op eerste verzoek, onmiddellijk een kosteloos uittreksel [4 en de Vlaamse Grondenbank]4.
  [5 Hetzelfde geldt voor de landcommissies.]5
  
Art. 5.1.6. Le registre des plans, le registre des permis et le contenu des deux registres sont considérés en tant que documents administratifs, comme entendus dans [3 l'article I.4, 3° du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018]3.
  Les deux registres sont accessibles au public dans la maison communale.
  Sans préjudice du [3 titre II, chapitre 3, section 4 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018]3, un extrait est immédiatement et gratuitement fourni aux fonctionnaires de l'aménagement du territoire [2 mentionnés dans les articles 1.4.3 et 1.4.9 de ce code et dans les articles 9/1 et 10 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement]2, qui en font la demande [4 et la Banque foncière flamande]4.
  [5 Il en est de même pour les commissions foncières.]5
  
HOOFDSTUK II. - Informatieplichten
CHAPITRE II. - Obligations d'information
Afdeling 1. - Informatieplicht van de instrumenterende ambtenaar
Division 1re. - Obligation d'information du fonctionnaire instrumentant
Art. 5.2.1. § 1. De instrumenterende ambtenaar vermeldt in alle onderhandse en authentieke akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng van een onroerend goed in een vennootschap, en ook in alle akten van vestiging van erfpacht of opstal en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel [3 ...]3 :
  1° of er voor het onroerend goed een [4 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]4 is uitgereikt;
  2° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit onroerend goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister;
  3° [5 of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een maatregel als vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;]5
  4° of er op het onroerend goed een voorkooprecht rust, vermeld in artikel 2.4.1 [2 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten]2;
  5° of er voor het onroerend goed een [4 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]4 van toepassing is;
  6° of het krachtens artikel 4.2.12, § 2, 2°, voor de overdracht verplichte as-builtattest is uitgereikt en gevalideerd.
  [2 7° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een voorkeursbesluit of een projectbesluit.]2
  In de authentieke akte wordt de verklaring van de verkrijger opgenomen dat hij een stedenbouwkundig uittreksel heeft ontvangen, dat ten hoogste één jaar voor het verlijden van de authentieke akte werd verleend.
  De instrumenterende ambtenaar neemt bovendien een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex op in de akte.
  [5 ...]5
  [1 ...]1
  Indien de instrumenterende ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van artikel 5.2.5, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op artikel 5.2.5, [5 6.2.2, eerste lid, 4°]5 en [5 6.6.2]5 van deze codex.
  [3 § 1/1. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op:
   1° huwelijkscontracten en hun wijzigingen;
   2° contracten aangaande de mandeligheid;
   3° akten aangaande de fusie van rechtspersonen en de met fusie gelijkgestelde verrichtingen.]3

  [6 4° akten betreffende de uitvoering van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet en van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken, voor zover deze onbebouwde percelen betreffen;
   5° akten tot vaststelling van een ruilverkaveling of herverkaveling met het oog op de realisatie van een ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in hoofdstuk II van titel II van deze codex, voor zover deze onbebouwde percelen betreffen;
   6° akten houdende herverkaveling uit kracht van de wet en de akten houdende herverkaveling uit kracht van de wet met planologische ruil, vermeld in artikel 2.1.18, artikel 2.1.48 en artikel 2.1.66, van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, voor zover deze onbebouwde percelen betreffen;
   7° natuurinrichtingsakten houdende kavelruil uit kracht van wet, met inbegrip van herverkaveling, vermeld in artikel 47 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijke milieu, voor zover deze onbebouwde percelen betreffen.]6

  [7 8° akten, opgemaakt naar aanleiding van de overdrachten, vermeld in artikel 4.38, § 4 en § 5, en artikel 206, § 3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]7
  § 2. De instrumenterende ambtenaar vermeldt in alle akten betreffende een hypothecaire lening of krediet dezelfde gegevens als opgesomd in § 1 indien de lening of het krediet enkel betrekking heeft op de financiering en uitvoering van vergunningsplichtige werken.
  Daarnaast worden eveneens de gegevens over de vergunning opgenomen indien de lening betrekking heeft op de financiering van vergunningsplichtige werken ingevolge deze codex. Indien de vergunning nog niet verkregen werd, wordt de eerste schijf van de lening pas uitbetaald nadat de vergunning aan de leningmaatschappij bezorgd is.
  § 3. De Vlaamse Regering kan de nadere voorschriften voor de informatieplicht bepalen.
  
Art. 5.2.1. § 1er. Le fonctionnaire instrumentant mentionne dans tous les actes privés et authentiques de vente ou de location pour une durée supérieure à neuf ans d'un bien immobilier, d'apport de bien immobilier dans une société, ainsi que dans tout acte d'établissement d'une emphytéose ou d'un droit de superficie et tout autre acte de cession de propriété à caractère commutatif, à titre onéreux[3 ...]3 :
  1° si [4 un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré]4 pour le bien immeuble;
  2° l'affectation urbanistique la plus récente de ce bien immeuble, avec les dénominations utilisées dans le registre des plans;
  3° [5 si le bien immeuble fait l'objet d'une mesure telle que visée au titre IV, chapitre III et IV, ou si une procédure est en cours pour l'imposition de cette mesure ;]5
  4° si un droit de préemption, mentionné dans l'article 2.4.1, grève le bien immeuble [2 ou à l'article 34 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes]2;
  5° si le bien immeuble fait l'objet d'[4 un permis d'environnement pour le lotissement de sols]4;
  6° si l'attestation " as built " obligatoire pour la cession en vertu de l'article 4.2.12, § 2, 2° a été octroyée et validée.
  [2 7° si le bien immobilier fait l'objet d'un arrêté relatif à la préférence ou d'un arrêté relatif au projet.]2
  La déclaration du cessionnaire, comme quoi un extrait urbanistique lui a été octroyé au plus tard un an avant la passation de l'acte authentique, est incluse dans l'acte authentique.
  Le fonctionnaire instrumentant reprend dans l'acte une référence à l'article 4.2.1 du présent code.
  [5 ...]5
  [1 ...]1
  Lorsque le fonctionnaire instrumentant doit reprendre un acte sous seing privé dans un acte authentique et que le premier ne répond pas aux prescriptions de l'article 5.2.5, il attire l'attention des parties, lors de l'établissement de l'acte, sur les articles 5.2.5, [5 6.2.2, premier alinéa, 4°]5 et [5 6.6.2]5 du présent code.
  [3 § 1er/1. Les dispositions du paragraphe 1er ne s'appliquent pas :
   1° aux contrats de mariage et à leurs modifications ;
   2° aux contrats de mitoyenneté ;
   3° aux actes afférents à la fusion de personnes morales et aux opérations assimilées à une fusion.]3

  [6 4° aux actes concernant l'exécution de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légal de biens ruraux et de la loi du 12 juillet 1976 portant des mesures particulières en matière de remembrement légal de biens ruraux lors de l'exécution de grands travaux d'infrastructure, dans la mesure où elles concernent des parcelles non bâties ;
   5° aux actes constatant un remembrement ou un relotissement en vue de la réalisation d'un plan d'exécution spatial tel que visé au chapitre II du titre II du présent code, dans la mesure où elles concernent des parcelles non bâties ;
   6° aux actes portant relotissement légal et aux actes portant relotissement légal avec échange planologique, visés aux articles 2.1.18, 2.1.48 et 2.1.66 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, dans la mesure où elles concernent des parcelles non bâties ;
   7° aux actes d'aménagement de la nature portant échange légal de lots, y compris le relotissement, visés à l'article 47 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, dans la mesure où elles concernent des parcelles non bâties.]6

  [7 8° les actes, établis à l'occasion des cessions visées à l'article 4.38, § 4 et § 5, et à l'article 206, § 3, du Code flamand du Logement de 2021.]7
  § 2. Le fonctionnaire instrumentant mentionne dans tous les actes relatifs à un prêt hypothécaire ou à un crédit, les mêmes données que celles qui sont énumérées au § 1er, si le prêt ou le crédit n'a trait qu'au financement et à l'exécution des travaux nécessitant une autorisation.
  En dehors de cela, il reprendra les données relatives au permis, si le prêt porte sur le financement de travaux nécessitant une autorisation en vertu du présent code. Lorsque le permis n'a pas encore été obtenu, la première tranche du prêt ne sera libérée qu'après que le permis a été fourni au créditeur.
  § 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités de l'obligation d'information.
  
Art. 5.2.1. TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. De instrumenterende ambtenaar vermeldt in alle onderhandse en authentieke akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng van een onroerend goed in een vennootschap, en ook in alle akten van vestiging van erfpacht of opstal en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel [3 ...]3 :
  1° of er voor het onroerend goed een [4 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]4 is uitgereikt;
  2° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit onroerend goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister;
  3° [5 of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een [7 beveiligingsmaatregel of publieke herstelmaatregel als vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023]7, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;]5
  4° of er op het onroerend goed een voorkooprecht rust, vermeld in artikel 2.4.1 [2 of artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten]2;
  5° of er voor het onroerend goed een [4 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]4 van toepassing is;
  6° [6 ...]6
  [2 7° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een voorkeursbesluit of een projectbesluit.]2
  [6 8° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1.]6
  In de authentieke akte wordt de verklaring van de verkrijger opgenomen dat hij een stedenbouwkundig uittreksel heeft ontvangen, dat ten hoogste één jaar voor het verlijden van de authentieke akte werd verleend.
  De instrumenterende ambtenaar neemt bovendien een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex op in de akte.
  [5 ...]5
  [1 ...]1
  Indien de instrumenterende ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van artikel 5.2.5, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op artikel 5.2.5, [5 6.2.2, eerste lid, 4°]5 en [5 6.6.2]5 van deze codex.
  [3 § 1/1. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op:
   1° huwelijkscontracten en hun wijzigingen;
   2° contracten aangaande de mandeligheid;
   3° akten aangaande de fusie van rechtspersonen en de met fusie gelijkgestelde verrichtingen.]3

  § 2. De instrumenterende ambtenaar vermeldt in alle akten betreffende een hypothecaire lening of krediet dezelfde gegevens als opgesomd in § 1 indien de lening of het krediet enkel betrekking heeft op de financiering en uitvoering van vergunningsplichtige werken.
  Daarnaast worden eveneens de gegevens over de vergunning opgenomen indien de lening betrekking heeft op de financiering van vergunningsplichtige werken ingevolge deze codex. Indien de vergunning nog niet verkregen werd, wordt de eerste schijf van de lening pas uitbetaald nadat de vergunning aan de leningmaatschappij bezorgd is.
  § 3. De Vlaamse Regering kan de nadere voorschriften voor de informatieplicht bepalen.
Art. 5.2.1. DROIT FUTUR.    § 1er. Le fonctionnaire instrumentant mentionne dans tous les actes privés et authentiques de vente ou de location pour une durée supérieure à neuf ans d'un bien immobilier, d'apport de bien immobilier dans une société, ainsi que dans tout acte d'établissement d'une emphytéose ou d'un droit de superficie et tout autre acte de cession de propriété à caractère commutatif, à titre onéreux[3 ...]3 :
  1° si [4 un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré]4 pour le bien immeuble;
  2° l'affectation urbanistique la plus récente de ce bien immeuble, avec les dénominations utilisées dans le registre des plans;
  3° [5 si le bien immeuble fait l'objet d'une [7 mesure de sécurité ou mesure de réparation publique telle que visée à l'article 2, 10° et 23°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023]7, ou si une procédure est en cours pour l'imposition de cette mesure ;]5
  4° si un droit de préemption, mentionné dans l'article 2.4.1, grève le bien immeuble [2 ou à l'article 34 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes]2;
  5° si le bien immeuble fait l'objet d'[4 un permis d'environnement pour le lotissement de sols]4;
  6° [6 ...]6
  [2 7° si le bien immobilier fait l'objet d'un arrêté relatif à la préférence ou d'un arrêté relatif au projet.]2
  [6 8° si le bien immobilier fait l'objet d'une désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau conformément à l'article 5.6.8, § 1.]6
  La déclaration du cessionnaire, comme quoi un extrait urbanistique lui a été octroyé au plus tard un an avant la passation de l'acte authentique, est incluse dans l'acte authentique.
  Le fonctionnaire instrumentant reprend dans l'acte une référence à l'article 4.2.1 du présent code.
  [5 ...]5
  [1 ...]1
  Lorsque le fonctionnaire instrumentant doit reprendre un acte sous seing privé dans un acte authentique et que le premier ne répond pas aux prescriptions de l'article 5.2.5, il attire l'attention des parties, lors de l'établissement de l'acte, sur les articles 5.2.5, [5 6.2.2, premier alinéa, 4°]5 et [5 6.6.2]5 du présent code.
  [3 § 1er/1. Les dispositions du paragraphe 1er ne s'appliquent pas :
   1° aux contrats de mariage et à leurs modifications ;
   2° aux contrats de mitoyenneté ;
   3° aux actes afférents à la fusion de personnes morales et aux opérations assimilées à une fusion.]3

  § 2. Le fonctionnaire instrumentant mentionne dans tous les actes relatifs à un prêt hypothécaire ou à un crédit, les mêmes données que celles qui sont énumérées au § 1er, si le prêt ou le crédit n'a trait qu'au financement et à l'exécution des travaux nécessitant une autorisation.
  En dehors de cela, il reprendra les données relatives au permis, si le prêt porte sur le financement de travaux nécessitant une autorisation en vertu du présent code. Lorsque le permis n'a pas encore été obtenu, la première tranche du prêt ne sera libérée qu'après que le permis a été fourni au créditeur.
  § 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités de l'obligation d'information.
Art. 5.2.2. Bij verdeling van een onroerend goed zonder dat een [1 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 is afgegeven, stuurt de instrumenterende ambtenaar [2 met een beveiligde zending]2, twintig dagen vóór de datum die voor de openbare verkoping of voor de ondertekening van de akte is vastgesteld, het plan van de verdeling en een attest waarin de aard van de akte en de in de akte te vermelden bestemming van de kavels nader worden aangegeven, naar het college van burgemeester en schepenen. De opmerkingen die het college van burgemeester en schepenen eventueel en bij wijze van inlichting maakt, moeten in de akte worden vermeld, evenals de vermelding dat voor de verdeling geen [1 omgevingsvergunning]1 werd afgegeven en dat er geen zekerheid is wat betreft de mogelijkheid om op het goed te bouwen of daarop enige vaste of verplaatsbare inrichting op te stellen die voor bewoning kan worden gebruikt.
  De instrumenterende ambtenaar neemt bovendien een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex op in de akte.
  De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde vermeldingen.
  Dit artikel geldt voor alle akten van eigendomsoverdracht of eigendomsverklaring, verhuring voor meer dan negen jaar, erfpacht of opstal.
  
Art. 5.2.2. Lors de la répartition d'un bien immeuble sans qu'un [1 permis d'environnement pour le lotissement de sols]1 n'ait été délivré, le fonctionnaire instrumentant envoie [2 par envoi sécurisé]2, vingt jours avant la date fixée pour la vente publique ou pour la signature de l'acte, le plan de répartition et une attestation précisant la nature de l'acte et l'affectation des lots à mentionner dans l'acte, au Collège des bourgmestre et échevins. Les éventuelles remarques formulées à titre informatif par le Collège des bourgmestre et échevins doivent être mentionnées dans l'acte, ainsi que la mention précisant qu'[1 aucun permis d'environnement]1 n'ont été délivrés pour la répartition et qu'il n'y a pas de certitude quant à la possibilité de construire sur le bien ou d'y installer quelque installation fixe ou amovible pouvant être affectée au logement.
  Le fonctionnaire instrumentant reprend dans l'acte une référence à l'article 4.2.1 du présent code.
  Les actes sous seing privé définissant ces opérations comportent les mêmes mentions.
  Le présent article s'applique à tous les actes de cession de propriété ou de déclaration de propriété, de location pour plus de neuf ans, d'emphytéose ou de droit de superficie.
  
Art. 5.2.3. § 1. Vóór de vervreemding, verhuring voor meer dan negen jaar of vestiging van een zakelijk recht, met inbegrip van bezwaren met hypotheek, maar met uitzondering van erfdienstbaarheden, betreffende een kavel gelegen in een verkaveling waarvoor een [1 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 is verkregen, moet, op verzoek van de eigenaar of eigenaars van de stukken grond, voor een instrumenterende ambtenaar een akte worden verleden van de verdeling van die stukken grond en van de aan de verkaveling verbonden lasten. De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen vermelden, de eigenaars identificeren en hun titel van eigendom aangeven. De [1 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 en het verkavelingsplan worden als bijlagen bij die akte gevoegd en worden, samen met de akte, op verzoek van de instrumenterende ambtenaar die de akte heeft verleden, binnen twee maanden na het verlijden ervan, overgeschreven op [3 het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het arrondissement waar de goederen liggen]3. De overschrijving van het verkavelingsplan mag worden vervangen door de neerlegging op [3 het kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie]3 van een door de instrumenterende ambtenaar gewaarmerkte afdruk van dat plan.
  § 2. Heeft een eigenaar van een kavel een [1 bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 verkregen, dan moet ook, op zijn verzoek, [2 en in zoverre de bijstelling van de omgevingsvergunning een wijziging van de perceelsconfiguratie, opgelegde lasten of de zakelijke rechten tot gevolg heeft,]2 voor een instrumenterende ambtenaar een akte worden verleden van de wijzigingen die werden aangebracht in de verkaveling van de stukken grond of in de lasten van de verkaveling. De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen op het tijdstip van het verlijden vermelden, alle eigenaars van de in de verkavelingswijziging begrepen percelen identificeren en hun titel van eigendom aangeven. De akte moet eveneens een nauwkeurige opgave van de overschrijving van de verdelingsakte van de stukken grond bevatten. De beslissing tot [1 bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 en, in voorkomend geval, het nieuwe verdelingsplan worden als bijlage bij die akte gevoegd, om samen met die akte te worden overgeschreven zoals in § 1 is bepaald.
  § 3. In de publiciteit voor een verkaveling moet de gemeente, waar de verkaveling gelegen is, vermeld worden, en ook de datum en het nummer van de vergunning.
  § 4. De instrumenterende ambtenaar brengt de partijen op de hoogte van de akte van verdeling en van het bestek van de verkaveling, van de bepalingen van de [1 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 en van de wijzigingsbepalingen. Hij maakt in de akte van verkoop, van verhuring, van erfpacht of opstal melding van die kennisgeving, en van de datum van de vergunning.
  De instrumenterende ambtenaar neemt een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex op in de akte.
  De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde vermeldingen.
  
Art. 5.2.3. § 1er. Avant l'aliénation, la location pour plus de neuf ans ou l'établissement d'un droit réel, en ce compris les charges hypothécaires, mais à l'exclusion de servitudes, concernant un lot situé dans un lotissement pour lequel un [1 permis d'environnement pour le lotissement de sols]1 a été obtenu, il faut, à la demande du propriétaire ou des propriétaires des terrains, passer un acte de répartition de ces terrains et des charges liées au lotissement devant le fonctionnaire instrumentant. L'acte doit mentionner la description cadastrale des biens, identifier les propriétaires et indiquer leur titre de propriété. Le permis de lotir et le plan de lotissement sont joints en annexe à cet acte et ils sont transcrits, conjointement avec l'acte, à la demande du fonctionnaire instrumentant ayant passé l'acte et dans les deux mois suivant sa passation, [3 au bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale de l'arrondissement où sont situés les biens]3. La transcription du plan de lotissement peut être remplacée par le dépôt [3 au bureau de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]3 d'une copie certifiée par le fonctionnaire instrumentant de ce plan.
  § 2. Lorsqu'un propriétaire d'un lot a obtenu [1 une actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols]1, un acte des modifications qui ont été apportées au lotissement des terrains ou aux charges du lotissement doit, à sa demande [2 et dans la mesure où l'actualisation du permis d'environnement entraîne une modification de la configuration de la parcelle, des charges imposées ou des droits réels]2, être passé devant un fonctionnaire instrumentant. L'acte doit mentionner la description cadastrale des biens au moment de la passation, identifier tous les propriétaires des parcelles situées dans la modification de lotissement et indiquer leur titre de propriété. L'acte doit également contenir une description détaillée de la transcription de l'acte de répartition des terrains. La décision d' [1 actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols]1 et, le cas échéant, le nouveau plan de répartition sont joints en annexe à cet acte, afin d'être transcrits conjointement avec cet acte, conformément aux dispositions du § 1er.
  § 3. Toute publicité concernant un lotissement doit mentionner la commune où est situé le lotissement, ainsi que la date et le numéro du permis.
  § 4. Le fonctionnaire instrumentant informe les parties de l'acte de répartition et du devis de lotissement, des dispositions du [1 permis d'environnement pour le lotissement de sols]1 et des dispositions de modification. Il fait état de cette notification et de la date du permis dans l'acte de vente, de location, d'emphytéose ou de droit de superficie.
  Le fonctionnaire instrumentant reprend dans l'acte une référence à l'article 4.2.1 du présent code.
  Les actes sous seing privé établissant ces opérations comportent les mêmes mentions.
  
Art. 5.2.4. De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht onder levenden van een eigendomsrecht en de vestiging of de overdracht onder levenden van een recht van opstal, van erfpacht, of van vruchtgebruik op een grond, de instrumenterende ambtenaar aan het departement mededeling moet doen van de partijen bij die rechtshandeling en van de identificatie van de grond.
Art. 5.2.4. Le Gouvernement flamand peut décider qu'en cas de cession entre vifs d'un droit de propriété et l'établissement ou de cession entre vifs d'un droit de superficie, d'une emphytéose ou d'un usufruit sur un terrain, le fonctionnaire instrumentant est tenu de communiquer au département les parties associées à cet acte juridique, ainsi que l'identification du terrain.
Afdeling 2. - Informatieplicht met betrekking tot overeenkomsten
Division 2. - Obligation d'information concernant les conventions
Art. 5.2.5. Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of er voor het onroerend goed een [1 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]1 is uitgereikt [3 ...]3 en moet de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. In voorkomend geval worden ook vermeld : [2 de maatregelen, vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, die werden opgelegd met betrekking tot het goed of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van dergelijke maatregelen]2, de op het goed rustende voorkooprechten, vermeld in artikel 2.4.1, respectievelijk het feit dat op het goed een [1 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 van toepassing is.
  De vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit dergelijke onderhandse akten opmaken, moeten een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex opnemen in de akte.
  
Art. 5.2.5. Toute personne qui établit un acte sous seing privé de vente ou de location pour une durée supérieure à neuf ans d'un bien immeuble, ainsi que d'établissement d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, doit indiquer si [1 un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré]1 pour le bien immeuble [3 ...]3 et elle doit reprendre l'affectation urbanistique la plus récente du bien en question, avec les dénominations utilisées dans le registre des plans. Dans le cas échéant, sont également mentionnés : [2 les mesures visées au titre IV, chapitre III et IV, qui ont été imposées par rapport au bien ou les procédures en cours qui s'étendent à l'imposition de telles mesures]2, les droits de préemption qui grèvent le bien mentionnés dans l'article 2.4.1, respectivement le fait que le bien fait l'objet d'un [1 permis d'environnement pour le lotissement de sols]1.
  Les agents immobiliers et autres personnes, qui établissent de tels actes sous seing privé dans l'exercice de leur profession ou activité, doivent reprendre dans cet acte une référence à l'article 4.2.1 du présent code.
  
Art. 5_2.5.TOEKOMSTIG_RECHT.    Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of er voor het onroerend goed een [1 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]1 is uitgereikt [3 ...]3 en moet de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. In voorkomend geval worden ook vermeld : [2 de [5 beveiligingsmaatregelen of publieke herstelmaatregelen, vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023]5, die werden opgelegd met betrekking tot het goed of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van dergelijke maatregelen]2, de op het goed rustende voorkooprechten, vermeld in artikel 2.4.1, respectievelijk het feit dat op het goed een [1 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]1 van toepassing is. [4 In voorkomend geval wordt ook vermeld of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1.]4
  De vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit dergelijke onderhandse akten opmaken, moeten een verwijzing naar artikel 4.2.1 van deze codex opnemen in de akte.
Art. 5.2.5. DROIT FUTUR.    Toute personne qui établit un acte sous seing privé de vente ou de location pour une durée supérieure à neuf ans d'un bien immeuble, ainsi que d'établissement d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, doit indiquer si [1 un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré]1 pour le bien immeuble [3 ...]3 et elle doit reprendre l'affectation urbanistique la plus récente du bien en question, avec les dénominations utilisées dans le registre des plans. Dans le cas échéant, sont également mentionnés : [2 les [5 mesures de sécurité ou mesures de réparation publiques, visées à l'article 2, 10° et 23°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023]5, qui ont été imposées par rapport au bien ou les procédures en cours qui s'étendent à l'imposition de telles mesures]2, les droits de préemption qui grèvent le bien mentionnés dans l'article 2.4.1, respectivement le fait que le bien fait l'objet d'un [1 permis d'environnement pour le lotissement de sols]1. [4 Le cas échéant, il est aussi indiqué si le bien immobilier fait l'objet d'une désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau conformément à l'article 5.6.8, § 1.]4
  Les agents immobiliers et autres personnes, qui établissent de tels actes sous seing privé dans l'exercice de leur profession ou activité, doivent reprendre dans cet acte une référence à l'article 4.2.1 du présent code.
Afdeling 3. - Informatieplicht met betrekking tot publiciteit
Division 3. - Obligation d'information concernant la publicité
Art. 5.2.6. Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht overdraagt, of op andere wijze de eigendomsoverdacht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de hieraan verbonden publiciteit :
  1° of er voor het goed een [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 is uitgereikt;
  2° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister;
  3° [3 of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een maatregel als vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;]3
  4° of er op het goed een voorkooprecht rust, in de zin van artikel 2.4.1;
  5° of voor het goed een [2 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]2 van toepassing is;
  6° [4 ...]4
  [1 Indien voor deze informatie een stedenbouwkundig uittreksel, zoals bedoeld in artikel 5.2.7, moet worden opgevraagd, kan publiciteit gevoerd worden van zodra dit uittreksel is aangevraagd.
   Andere vermeldingen zijn slechts toegestaan voor zover zij de ontvanger van de informatie niet misleiden omtrent de stedenbouwkundige status van het goed.]1

  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de vorm en de modaliteiten van de vermeldingen in de publiciteit en voor de vrijstelling van deze bepalingen voor bepaalde vormen van publiciteit.
  
Art. 5.2.6. Toute personne qui, pour son propre compte ou en tant qu'intermédiaire, vend un bien, loue un bien pour plus de neuf ans, apporte un bien dans une société, cède une emphytéose ou un droit de superficie, ou réalise de quelque autre manière la cession de propriété à caractère commutatif du bien, mentionne dans la publicité y afférente :
  1° si [2 un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré]2 pour le bien;
  2° l'affectation urbanistique la plus récente de ce bien, avec les dénominations utilisées dans le registre des plans;
  3° [3 si le bien immeuble fait l'objet d'une mesure telle que visée au titre IV, chapitre III et IV, ou si une procédure est en cours pour l'imposition de cette mesure ;]3
  4° si un droit de préemption, mentionné dans l'article 2.4.1, grève le bien immeuble;
  5° si le bien fait l'objet d'[2 un permis d'environnement pour le lotissement de sols]2;
  6° [4 ...]4
  [1 Lorsqu'un extrait urbanistique, tel que visé à l'article 5.2.7, doit être obtenu pour ces informations, la publicité peut être donnée à partir de la demande du présent extrait.
   D'autres mentions ne sont autorisées que pour autant qu'elles n'induisent pas le récepteur de l'information en erreur sur le statut urbanistique du bien.]1

  Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres règles quant à la forme et aux modalités de mention dans la publicité, ainsi qu'en ce qui concerne l'exemption de ces dispositions pour certaines formes de publicité.
  
Art. 5.2.6. TOEKOMSTIG RECHT.    Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht overdraagt, of op andere wijze de eigendomsoverdacht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de hieraan verbonden publiciteit :
  1° of er voor het goed een [2 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]2 is uitgereikt;
  2° de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister;
  3° [3 of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een [6 beveiligingsmaatregel of publieke herstelmaatregel als vermeld in artikel 2, 10° en 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023]6, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;]3
  4° of er op het goed een voorkooprecht rust, in de zin van artikel 2.4.1;
  5° of voor het goed een [2 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]2 van toepassing is;
  6° [4 ...]4
  [5 7° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1.]5
  [1 Indien voor deze informatie een stedenbouwkundig uittreksel, zoals bedoeld in artikel 5.2.7, moet worden opgevraagd, kan publiciteit gevoerd worden van zodra dit uittreksel is aangevraagd.
   Andere vermeldingen zijn slechts toegestaan voor zover zij de ontvanger van de informatie niet misleiden omtrent de stedenbouwkundige status van het goed.]1

  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de vorm en de modaliteiten van de vermeldingen in de publiciteit en voor de vrijstelling van deze bepalingen voor bepaalde vormen van publiciteit.
Art. 5.2.6. DROIT FUTUR.    Toute personne qui, pour son propre compte ou en tant qu'intermédiaire, vend un bien, loue un bien pour plus de neuf ans, apporte un bien dans une société, cède une emphytéose ou un droit de superficie, ou réalise de quelque autre manière la cession de propriété à caractère commutatif du bien, mentionne dans la publicité y afférente :
  1° si [2 un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré]2 pour le bien;
  2° l'affectation urbanistique la plus récente de ce bien, avec les dénominations utilisées dans le registre des plans;
  3° [3 si le bien immeuble fait l'objet d'une [6 mesure de sécurité ou mesure de réparation publique telle que visée à l'article 2, 10° et 23°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023]6, ou si une procédure est en cours pour l'imposition de cette mesure;]3
  4° si un droit de préemption, mentionné dans l'article 2.4.1, grève le bien immeuble;
  5° si le bien fait l'objet d'[2 un permis d'environnement pour le lotissement de sols]2;
  6° [4 ...]4
  [5 7° si le bien immobilier fait l'objet d'une désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau conformément à l'article 5.6.8, § 1.]5
  [1 Lorsqu'un extrait urbanistique, tel que visé à l'article 5.2.7, doit être obtenu pour ces informations, la publicité peut être donnée à partir de la demande du présent extrait.
   D'autres mentions ne sont autorisées que pour autant qu'elles n'induisent pas le récepteur de l'information en erreur sur le statut urbanistique du bien.]1

  Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres règles quant à la forme et aux modalités de mention dans la publicité, ainsi qu'en ce qui concerne l'exemption de ces dispositions pour certaines formes de publicité.
Afdeling 4. - Stedenbouwkundig uittreksel
Division 4. - Extrait urbanistique
Art. 5.2.7. Het stedenbouwkundig uittreksel bestaat uit een informatief uittreksel uit het plannenregister en uit het vergunningenregister voor de percelen waarvoor de aanvraag ingediend werd.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag van het stedenbouwkundig uittreksel.
  De Vlaamse Regering bepaalt tevens de wijze waarop gemeenten die nog niet beschikken over een plannenregister en een vergunningenregister stedenbouwkundige inlichtingen verstrekken.
Art. 5.2.7. L'extrait urbanistique comprend un extrait informatif du registre des plans et du registre des permis, portant sur les parcelles pour lesquelles la demande a été introduite.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités relatives à la demande de l'extrait urbanistique.
  Le Gouvernement flamand détermine également la façon selon laquelle les communes qui ne disposent pas encore d'un registre des plans, ni d'un registre des permis doivent communiquer des informations urbanistiques.
HOOFDSTUK III. - Het stedenbouwkundig attest. Projectvergaderingen
CHAPITRE III. - L'attestation urbanistique. Réunions de projet
Art. 5.3.1. [1 § 1. Het stedenbouwkundig attest geeft op basis van een plan aan of een overwogen project voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden in redelijkheid de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften, de eventuele verkavelingsvoorschriften en een goede ruimtelijke ordening zal kunnen doorstaan. Het wordt afgeleverd door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
   Het stedenbouwkundig attest kan niet leiden tot de vrijstelling van een vergunningsaanvraag.
   § 2. De bevindingen van het stedenbouwkundig attest kunnen bij het beslissende onderzoek over een aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden niet worden gewijzigd of tegengesproken, als:
   1° in de periode waarin het stedenbouwkundig attest geldt, geen sprake is van substantiële wijzigingen van het betrokken terrein of wijzigingen van de stedenbouwkundige voorschriften of de eventuele verkavelingsvoorschriften;
   2° de verplicht in te winnen adviezen of de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren geen feiten of overwegingen aan het licht brengen waarmee bij de opmaak van het stedenbouwkundig attest geen rekening is gehouden;
   3° het stedenbouwkundig attest niet is aangetast door manifeste materiële fouten.
   § 3. Het stedenbouwkundig attest blijft geldig gedurende twee jaar vanaf het ogenblik van de uitreiking ervan.
   § 4. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.]1

  
Art. 5.3.1. [1 § 1er. L'attestation urbanistique indique, en fonction d'un plan, si un projet pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols, évalué raisonnablement, pourra passer le test relatif aux prescriptions urbanistiques, aux éventuelles prescriptions de lotissement et à un bon aménagement du territoire. Elle est délivrée par l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
   L'attestation urbanistique ne peut pas mener à l'exemption d'une demande d'autorisation.
   § 2. Lors de l'enquête concernant une demande d'autorisation urbanistique ou d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols, les résultats de l'attestation urbanistique ne peuvent pas être modifiés ou contestés, pour autant que :
   1° aucune modification substantielle n'a été apportée au terrain concerné, ni aux prescriptions urbanistiques ou aux éventuelles prescriptions de lotissement, au cours de la période de validité de l'attestation urbanistique ;
   2° les avis obligatoirement recueillis ou les points de vue, remarques et objections formulés au cours de l'éventuelle enquête publique n'ont pas révélé de faits ou de considérations qui n'ont pas été pris en compte lors de l'établissement de l'attestation urbanistique ;
   3° l'attestation urbanistique n'est pas entachée d'erreurs matérielles manifestes.
   § 3. L'attestation urbanistique demeure valable pendant deux ans, à compter de la date de son octroi.
   § 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités formelles et procédurales plus précises pour l'application du présent article.]1

  
Art. 5.3.2.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 347 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 5.3.2.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 347 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
HOOFDSTUK IV. - Aanpak permanente bewoning weekendverblijven
CHAPITRE IV. - Approche de l'occupation permanente des résidences de week-end
Afdeling 1. - Begrip
Division 1re. - Définition
Art. 5.4.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° " weekendverblijf " : een al dan niet verplaatsbare en vanuit bouwfysisch oogpunt hoofdzakelijk vergunde constructie die krachtens de stedenbouwkundige voorschriften niet tot permanente bewoning kan worden bestemd, en die voldoet aan alle volgende voorwaarden :
  a) zij heeft een maximaal bouwvolume van 300 m.3 ,
  b) onverminderd het tweede lid voldoet zij aan de vereisten, vastgesteld bij en krachtens [1 artikel 3.1, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021"]1,
  c) zij is niet gelegen in een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, aangewezen op een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan;
  2° " permanente bewoners " : personen die voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden :
  a) op 31 augustus 2009 betrekken zij reeds gedurende ten minste één jaar een weekendverblijf als hoofdverblijfplaats, zulks blijkens een voorlopige of definitieve inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister van de betrokken gemeente,
  b) zij hebben geen andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik.
  Indien een constructie voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, a) en c),Maar volgens de bevindingen van het conformiteitsonderzoek, vermeld in [1 artikel 3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1, aangetast is door tekortkomingen die verholpen kunnen worden door renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerken, dan wordt de constructie voor de toepassing van dit hoofdstuk als een weekendverblijf beschouwd totdat deze werken zijn uitgevoerd, op voorwaarde dat de voltooiing van de werken geschiedt binnen de termijnen, gesteld krachtens [1 artikel 3.30, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1. Indien de reglementaire normen in uitvoering van artikel 18, § 1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, bepaalde personen vrijstellen van deze termijnen, dan wordt deze vrijstellingenregeling buiten toepassing gelaten.
  
Art. 5.4.1. Pour l'application de ce chapitre, il convient d'entendre par :
  1° " résidence de week-end " : une construction mobile ou non, principalement autorisée du point de vue de la physique de construction, qui n'est pas destinée, en vertu des prescriptions urbanistiques, à être occupée de façon permanente et qui répond aux conditions suivantes :
  a) elle a un volume de construction maximal de 300 m.3 ,
  b) elle répond, sans préjudice du deuxième alinéa, aux exigences fixées par et en vertu de [1 l'article 3.1, § 1er, du Code flamand du Logement de 2021]1,
  c) elle n'est pas située dans une zone naturelle dotée d'une valeur scientifique, ni dans une réserve naturelle indiquée comme telle sur un plan d'aménagement ou sur un plan d'exécution spatiale;
  2° " habitants permanents " : les personnes qui satisfont aux deux conditions suivantes :
  a) le 31 août 2009, elles utilisaient déjà depuis au moins un an une résidence de week-end comme résidence permanente, ainsi que le prouve leur inscription provisoire ou définitive dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de la commune concernée,
  b) elles ne possèdent pas d'autre habitation en pleine propriété ou en plein usufruit.
  Lorsqu'une construction répond à toutes les conditions mentionnées dans le premier alinéa, 1°, a) et c), mais qu'elle présente, selon les résultats de l'enquête de conformité visée à [1 l'article 3.1, § 2, du Code flamand du Logement de 2021 ]1, des défauts auxquels il peut être remédié par des travaux de rénovation, d'amélioration ou d'adaptation, elle sera considérée pour l'application du présent chapitre comme une résidence de week-end jusqu'à la complétion des travaux, à condition que les travaux soient terminés dans les délais fixés en vertu de [1 l'article 3.30, § 1er, alinéa 1er, du Code flamand du Logement de 2021]1. Si les normes réglementaires, en application de l'article 18, § 1er, premier alinéa, du décret du 15 juillet 1997 contenant le Code de logement flamand, exemptent certaines personnes de l'obligation de respecter ces délais, ce règlement d'exemption ne sera pas appliqué.
  
Afdeling 2. - Planologisch oplossingskader
Division 2. - Cadre de solution planologique
Art. 5.4.2. De voor de planopmaak bevoegde bestuursniveaus onderzoeken of planologische oplossingen kunnen worden geboden voor bestaande knelpunten op het vlak van de ruimtelijke inplanting en de permanente bewoning van weekendverblijven. Deze onderzoeken worden uiterlijk op 30 april 2012 afgerond. De ruimtelijke uitvoeringsplannen die gevolg geven aan het door deze onderzoeken vooropgestelde oplossingskader, worden uiterlijk op 30 april 2015 definitief vastgesteld.
  Planologische omzettingen van op het ogenblik van de voorlopige vaststelling van het bestemmingsplan bestaande en al dan niet permanent bewoonde weekendverblijven naar een zone waar permanent verblijf toegelaten is, worden niet aangerekend op de gemeentelijke woonquota, zoals bepaald door het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Zij worden evenmin meegerekend in de berekening van de woonbehoeften in het kader van de structuurplanning.
  [1 ...]1
  
Art. 5.4.2. Les niveaux administratifs compétents pour l'établissement de plans examinent si des solutions planologiques peuvent être offertes pour les points problématiques existants relatifs à l'implantation spatiale et à l'occupation permanente des résidences de week-end. Ces enquêtes seront clôturées au plus tard le 30 avril 2012. Les plans d'exécution spatiaux, qui tiennent compte du cadre de solution planologique avancé par ces enquêtes, seront établis de façon définitive au plus tard le 30 avril 2015.
  Les transformations planologiques des résidences de week-end existantes et occupées ou non de façon permanente au moment de l'établissement provisoire du plan d'affectation en zone autorisant la résidence permanente ne sont pas portées en compte du quota des logements communaux, comme fixé par le schéma de structure d'aménagement du territoire de la Flandre. Elles ne figurent pas non plus dans le calcul des besoins en matière d'habitat, dans le cadre de la planification structurelle.
  [1 ...]1
  
Afdeling 3. - Woonrecht
Division 3. - Droit d'habitation
Art. 5.4.3. § 1. Tenzij het ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in artikel 5.4.2, reeds vóór 1 september 2009 in werking is getreden, geldt in hoofde van permanente bewoners, ten persoonlijken titel, een tijdelijk woonrecht vanaf de dag van de inwerkingtreding van voormeld decreet tot en met de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan. Indien de op grond van het ruimtelijk uitvoeringsplan planologisch mogelijk geworden permanente bewoning echter pas kan worden voortgezet op grond van een [1 omgevingsvergunning]1 voor een functiewijziging naar de functie " wonen ", dan wordt het tijdelijk woonrecht verlengd totdat deze vergunning in laatste administratieve aanleg is afgegeven. Deze verlenging geldt slechts indien deze vergunning is aangevraagd binnen de termijn van zes maanden volgend op de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
  In hoofde van permanente bewoners waarvoor geen planologische oplossing geboden wordt, geldt ten persoonlijken titel een aanvullend woonrecht vanaf de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in artikel 5.4.2, tot en met 31 december 2029. Indien het ruimtelijk uitvoeringsplan reeds vóór 1 september 2009 in werking is getreden, geldt het aanvullend woonrecht vanaf de dag van de inwerkingtreding van voormeld decreet. Het ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in artikel 5.4.2, kan het aanvullend woonrecht verlengen, uiterlijk tot en met 31 december 2039. Indien het ruimtelijk uitvoeringsplan reeds vóór 1 september 2009 definitief is vastgesteld, kan het orgaan, bevoegd voor de definitieve vaststelling, een reglement tot dergelijke verlenging van het aanvullend woonrecht aannemen.
  Het tijdelijk woonrecht en het eventuele daaropvolgende aanvullend woonrecht worden hiernavolgend beschouwd als één integraal en continu gegeven, " woonrecht " genoemd.
  § 2. Permanente bewoners zijn ertoe gehouden in te gaan op het eerste aanbod tot herhuisvesting van overheidswege, op straffe van verval van hun woonrecht.
  Het woonrecht vervalt eveneens indien en van zodra de permanente bewoner :
  1° het weekendverblijf niet langer als hoofdverblijfplaats betrekt, zulks blijkens het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister van de betrokken gemeente;
  2° een andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik verwerft;
  3° na 1 september 2009 met betrekking tot het weekendverblijf een misdrijf [2 of een inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 en 6.2.2.]2, begaat.
  Het woonrecht vervalt ten slotte indien het weekendverblijf tenietgaat of niet langer voldoet aan de vereisten, vermeld in [3 artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]3.
  § 3. Het woonrecht houdt in hoofde van de permanente bewoners en hun gezinsleden het recht in om het weekendverblijf permanent te bewonen gedurende de periode waarbinnen het woonrecht geldt. De gezinsleden genieten geen eigenstandig woonrecht en bouwen daartoe geen rechten op.
  Gedurende de uitoefening van het woonrecht :
  1° [2 wordt het strijdige gebruik van het weekendverblijf niet beschouwd als een schending van deze codex;]2
  2° worden op het strijdig gebruik van het weekendverblijf gesteunde vorderingen [2 ...]2, ontstaan vóór de aanvang van het woonrecht, geschorst, evenals de verjaring van wordt het strijdige gebruik van het weekendverblijf niet beschouwd als een schending van deze codex;wordt het strijdige gebruik van het weekendverblijf niet beschouwd als een schending van deze codex;deze vorderingen;
  3° worden op het strijdig gebruik van het weekendverblijf betrekking hebbende herstelmaatregelen, en (de verjaring van) het recht om tot ambtshalve uitvoering van dergelijke herstelmaatregelen over te gaan, geschorst;
  4° wordt het strijdig gebruik van het weekendverblijf geacht geen vertraging in de tenuitvoerlegging van een herstelmaatregel uit te maken, in het geval aan de uitvoering van de herstelmaatregel een dwangsom is verbonden.
  Voor de toepassing van het tweede lid, wordt onder " het strijdig gebruik van het weekendverblijf " verstaan : de permanente bewoning van het weekendverblijf door de permanente bewoners en hun gezinsleden.
  § 4. Het woonrecht staat nimmer in de weg aan het vaststellen van een onteigeningsplan, het verlenen van een onteigeningsmachtiging en het uitvoeren van onteigeningsverrichtingen.
  § 5. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop het bestaan en het verval van het woonrecht in een declaratief attest worden vastgesteld.
  § 6. Vanaf het verstrijken van het woonrecht kan de burgemeester ten aanzien van een weekendverblijf dat niet gelegen is in een gebied waarin verblijfsrecreatie toegelaten is, een woonverbod uitspreken en alle nuttige maatregelen nemen om dat woonverbod te doen naleven, zulks met overeenkomstige toepassing van artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet.
  
Art. 5.4.3. § 1er. Sauf si le plan d'exécution spatial mentionné dans l'article 5.4.2 est déjà entré en vigueur avant le 1er septembre 2009, un droit d'habitation temporaire et à titre personnel vaut pour les habitants permanents, et ce, à partir de l'entrée en vigueur du décret précité jusqu'à l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial. Si l'occupation permanente devenue planologiquement possible en vertu du plan d'exécution spatial ne peut toutefois être poursuivie qu'après l'obtention d'[1 un permis d'environnement]1 pour une modification de fonction en fonction " habiter ", le droit d'habitation temporaire est prolongé jusqu'à l'octroi de cette autorisation en dernier ressort administratif. Cette prolongation vaut uniquement lorsque l'autorisation en question a été demandée dans le délai de six mois suivant l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial.
  En ce qui concerne les habitants permanents auxquels aucune solution planologique n'est offerte, un droit d'habitation complémentaire, à titre personnel, est valable à partir de l'entrée en vigueur du plan d'exécution spatial mentionné dans l'article 5.4.2 jusqu'au 31 décembre 2029. Si le plan d'exécution spatial est déjà entré en vigueur avant le 1er septembre 2009, le droit d'habitation complémentaire vaut à partir du jour de l'entrée en vigueur du décret précité. Le plan d'exécution spatial mentionné dans l'article 5.4.2 peut prolonger le droit d'habitation complémentaire jusqu'au plus tard le 31 décembre 2039 inclus. Si le plan d'exécution spatial a déjà été établi de façon définitive avant l1er septembre 2009, l'autorité compétente pour la fixation définitive peut adopter un règlement permettant une telle prolongation du droit d'habitation complémentaire.
  Le droit d'habitation temporaire et l'éventuel droit d'habitation complémentaire subséquent sont considérés ci-après comme étant une seule donnée intégrale et continue, appelée " droit d'habitation ".
  § 2. Sous peine de forclusion de leur droit d'habitation, les habitants permanents sont tenus d'accepter la première offre de relogement émise par les autorités.
  Le droit d'habitation expire aussi lorsque, et dès que l'habitant permanent :
  1° n'occupe plus la résidence de week-end comme lieu de résidence principal, ainsi que le prouve le registre de la population ou le registre des étrangers de la commune concernée;
  2° acquiert une autre habitation en pleine propriété ou en plein usufruit;
  3° commet, après le 1er septembre 2009, un délit se rapportant à la résidence de week-end [2 ou une infraction telle que visée aux articles 6.2.1 et 6.2.2.]2
  Et pour finir, le droit d'habitation expire lorsque la résidence de week-end est anéantie ou qu'elle ne satisfait plus aux exigences mentionnées dans [3 l'article 3.1 du Code flamand du Logement de 2021 ]3.
  § 3. Le droit d'habitation octroie aux habitants permanents et aux membres de leur famille le droit d'occuper en permanence la résidence de week-end pendant la période de validité du droit d'habitation. Les membres de la famille ne bénéficient pas d'un droit d'habitation personnel et ne font pas naître de droits à leur profit.
  Pendant l'exercice du droit d'habitation :
  1° [2 l'utilisation contradictoire de la résidence de week-end n'est pas considérée comme une violation du présent code ;]2
  2° les actions résultant de l'utilisation contradictoire de la résidence de week-end [2 ...]2 et nées avant l'entrée en vigueur du droit d'habitation sont suspendues, de même que la prescription de ces actions;
  3° les mesures de réparation se rapportant à l'utilisation contradictoire de la résidence de week-end et (la prescription du) le droit de procéder à l'exécution d'office de telles mesures de réparation sont suspendus;
  4° l'utilisation contradictoire de la résidence de week-end n'est pas censée ralentir la mise à exécution d'une mesure de réparation, au cas où l'exécution de la mesure de réparation serait liée à une astreinte.
  Pour l'application du deuxième alinéa, on entend sous " l'utilisation contradictoire de la résidence de week-end " : l'occupation permanente de la résidence de week-end par les habitants permanents et les membres de leur famille.
  § 4. Le droit d'habitation ne fait jamais obstacle à l'établissement d'un plan d'expropriation, à l'octroi d'un permis d'expropriation et à l'exécution d'opérations expropriatrices.
  § 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer la façon dont l'existence et la forclusion du droit d'habitation sont déterminées dans une attestation déclarative.
  § 6. Dès l'expiration du droit d'habitation, le bourgmestre peut, par rapport à une résidence de week-end qui n'est pas située dans une zone où la récréation résidentielle est permise, prononcer une interdiction d'habitation et prendre toutes les mesures pertinentes pour faire respecter cette interdiction, et ce, avec l'application correspondante de l'article 135, § 2, de la Nouvelle loi communale.
  
Afdeling 4. - Handelingen betreffende een weekendverblijf waarop een woonrecht rust
Division 4. - Actes concernant une résidence de week-end sur laquelle pèse un droit d'habitation
Art. 5.4.4. Bij de afgifte van elke [1 omgevingsvergunning]1 met betrekking tot een weekendverblijf waarop een woonrecht rust, geldt de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, onverkort. Het woonrecht kan nimmer worden ingeroepen om deze toetsing af te wijzen.
  
Art. 5.4.4. Pour l'octroi de [1 tout permis d'environnement]1 se rapportant à une résidence de week-end sur laquelle pèse un droit d'habitation, la disposition concernant l'évaluation du bon aménagement du territoire, comme mentionné dans l'article 4.3.1, § 1er, premier alinéa, 1° est valable dans son intégralité. Le droit d'habitation ne peut jamais être invoqué pour rejeter cette évaluation.
  
HOOFDSTUK V. - Diverse ondersteunings- en evaluatiemaatregelen
CHAPITRE V. - Diverses mesures de soutien et d'évaluation
Afdeling 1. - Ondersteuning van de implementatie van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid
Division 1re. - Soutien de l'implémentation du décret du 27 mars 2009 adaptant et complétant la politique d'aménagement du territoire, des autorisations et du maintien
Art. 5.5.1. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten de wijze waarop de provincies en gemeenten door middel van de toekenning van financiыle, personele of materiыle middelen ondersteund worden bij de implementatie van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid.
Art. 5.5.1. Le Gouvernement flamand détermine, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, la manière dont les provinces et les communes seront soutenues lors de la mise en application du décret du 27 mars 2009 adaptant et complétant la politique d'aménagement du territoire, des autorisations et du maintien, par le biais de moyens financiers, personnels ou matériels.
Afdeling 2. - Evaluatie en kwaliteitscontrole van aspecten van het vergunningenbeleid
Division 2. - Evaluation et contrôle de qualité de certains aspects de la politique d'autorisation
Art. 5.5.2.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 351 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 5.5.2.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 351 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
HOOFDSTUK VI. - Raakvlakken met sectorregelgeving
CHAPITRE VI. - Plans tangents avec la réglementation sectorielle
Afdeling 1. - Grond- en pandenbeleid
Division 1re. - Politique foncière et immobilière
Onderafdeling 1. - Register van de onbebouwde percelen
Sous-division 1re. - Registre des parcelles de terrain non bâties
Art. 5.6.1. De gemeenten houden een register bij van alle onbebouwde percelen gelegen in het woongebied zoals bepaald door de uitvoeringsplannen of plannen van aanleg. Bij de opbouw van het register wordt artikel 2.2.5 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid in acht genomen. De opmaak en de actualisering van het register kunnen worden opgedragen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband in de zin van [1 deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur[1 ]1]1.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de opmaak en de actualisering van het register van de onbebouwde percelen.
  [2 ...]2
  De Vlaamse Regering kan de specifieke wijze bepalen waarop [1 artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]1, respectievelijk [1 artikel 470 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]1, geoperationaliseerd wordt indien het gemeentebestuur of het intergemeentelijk samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, zich niet gedraagt naar de bij of krachtens dit artikel voorgeschreven regelen.
  
Art. 5.6.1. Les communes tiennent un registre de toutes les parcelles de terrain non bâties sises dans la zone d'habitat telle que définie dans les plans d'exécution ou dans les plans d'aménagement. Lors de l'établissement du registre, l'article 2.2.5 du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière est pris en compte. L'établissement et l'actualisation du registre peuvent être assignés à un partenaire intercommunal [1 au sens de la partie 3, titre 3, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration local]1.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises quant à l'établissement et à l'actualisation du registre des parcelles de terrain non bâties.
  [2 ...]2
  Le Gouvernement flamand peut déterminer la manière spécifique dont [1 l'article 335 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ou l'article 470 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale est opérationnalisé]1 lorsque l'administration communale - ou le partenaire intercommunal mentionné dans le premier alinéa - ne respecte pas les règles prescrites par ou en vertu du présent article.
  
Onderafdeling 2. - Fiscale bepalingen
Sous-division 2. - Dispositions fiscales
Art. 5.6.2. § 1. De gemeenten kunnen buiten de opcentiemen op de onroerende voorheffing een jaarlijkse belasting heffen op de niet bebouwde gronden, gelegen in gebieden bestemd voor industrie volgens het plannenregister en palend aan een openbare weg die voldoende is uitgerust zoals bepaald in artikel 4.3.5, § 1.
  § 2. De volgende personen zijn ontheven :
  1° [1 ...]1 de eigenaars van één enkele onbebouwde grond bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;
  2° [1 ...]1 de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de erkende [3 woonmaatschappijen]3, vermeld in [2 de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2.
  De krachtens het eerste lid, 2°, verleende ontheffingen gelden slechts gedurende de vijf kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed. Ze gelden gedurende de vijf dienstjaren die volgen op de inwerkingtreding van de belastingverordening, indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is.
  § 3. Onverminderd het bepaalde in § 2, kunnen de gemeenten tariefdiversificaties en bijkomende ontheffingen van de belastingen, vermeld in § 1, vaststellen teneinde hun ruimtelijke doelstellingen te realiseren.
  
Art. 5.6.2. § 1er. Les communes peuvent, en dehors des centimes additionnels sur le précompte immobilier, percevoir un impôt annuel sur les terrains non bâtis, situés dans des zones destinées à l'industrie, conformément au registre des plans, et contigus à une voie publique qui est suffisamment équipée conformément aux dispositions de l'article 4.3.5, § 1er.
  § 2. Les personnes suivantes sont exemptées :
  1° [1 ...]1 : les propriétaires d'un seul terrain non bâti, à l'exclusion de tout autre bien immeuble;
  2° [1 ...]1 : la Société flamande du Logement social et les [3 sociétés de logement]3 agréées, mentionnées dans [2 le Code flamand du Logement de 2021 ]2.
  Les exonérations accordées en vertu du premier alinéa, 2°, ne sont valables que durant les cinq années civiles suivant l'acquisition du bien. Elles sont d'application durant les cinq exercices suivant l'entrée en vigueur du règlement fiscal, lorsque le bien était déjà acquis à ce moment-là.
  § 3. Sans préjudice des dispositions du § 2, les communes peuvent fixer des diversifications de tarifs et des exemptions d'impôts supplémentaires, visées au § 1er, afin de réaliser leurs objectifs spatiaux.
  
Onderafdeling 3.
Sous-division 3.
Onderafdeling 4.
Sous-division 4.
Afdeling 2. - Bijzondere bepaling betreffende de toetsing aan stedenbouwkundige voorschriften binnen andere beleidsvelden
Division 2. - Disposition particulière concernant l'évaluation par rapport aux prescriptions urbanistiques dans d'autres domaines politiques
Art. 5.6.7. [1 § 1. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit [2 of voor kleinhandelsactiviteiten]2 kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden, in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
   1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de vastgestelde verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;
   2° de inrichting of activiteit is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, als het gaat om een bestaande inrichting of activiteit, is hoofdzakelijk vergund.
   Als de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting of activiteit te herlokaliseren. Die termijn is ten hoogste gelijk aan zeven jaar.
   De Vlaamse Regering kan de categorieën van bedrijven bepalen die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Ze kan de gebieden aanwijzen waarin het eerste lid niet kan worden toegepast.
   § 2. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit [2 of voor kleinhandelsactiviteiten]2 kan ongunstig geadviseerd worden en geweigerd worden om de reden, vermeld in artikel 4.3.2.
   § 3. De mogelijkheden of verplichtingen om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, zoals die bij of krachtens deze codex zijn vastgesteld ten aanzien van de vergunningverlenende bestuursorganen en de ambtenaren van ruimtelijke ordening, gelden onder dezelfde voorwaarden ten aanzien van de instanties en organen die over een vergunningsaanvraag adviseren en ten aanzien van de instanties en organen die adviseren of beslissen over een onteigeningsplan of over een aanvraag van een onteigeningsmachtiging of een vergunning als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of in het Bosdecreet van 13 juni 1990, of andere vergunningen.]1

  
Art. 5.6.7. [1 § 1er. Une demande de permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) [2 ou pour des activités de commerce de détail]2 peut recevoir un avis favorable et être autorisée par dérogation aux dispositions d'une prescription urbanistique, pour autant que les deux conditions suivantes soient remplies :
   1° le bon aménagement du territoire n'est pas compromis, ce qui signifie notamment que la capacité spatiale de la zone n'est pas dépassée et que l'imbrication prévue des fonctions ne compromet pas ni ne perturbe les affectations à proximité immédiate présentes ou à réaliser ;
   2° l'établissement ou l'activité peut être autorisé du point de vue urbanistique par dérogation aux dispositions d'une prescription urbanistique ou, dans la mesure où il s'agit d'un établissement existant, est principalement autorisé.
   Lorsque le bon aménagement du territoire est compromis, il peut être tenu compte du délai nécessaire pour relocaliser l'établissement ou l'activité. Ce délai s'élève au maximum à sept ans.
   Le Gouvernement flamand fixe les catégories d'entreprises exclues de l'alinéa premier en raison de leur nature et envergure. Il désigne les zones où l'alinéa premier ne peut être appliqué.
   § 2. Une demande de permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) [2 ou pour des activités de commerce de détail]2 peut recevoir un avis défavorable et être refusée pour la raison visée à l'article 4.3.2.
   § 3. Les possibilités ou les obligations de déroger aux prescriptions urbanistiques ou de tenir compte de projets de prescriptions urbanistiques, telles que fixées par ou en vertu du code présent à l'égard des organes administratifs délivrant l'autorisation et des fonctionnaires de l'aménagement du territoire, s'appliquent aux mêmes conditions à l'égard des instances et des organes formulant un avis sur un demande d'autorisation et à l'égard des instances et des organes formulant un avis ou décidant d'un plan d'expropriation ou d'une demande d'autorisation d'expropriation ou d'une autorisation, visée au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et du milieu naturel ou au Décret forestier du 13 juin 1990, ou d'autres autorisations, sauf autres autorisations.]1

  
Afdeling 3. TOEKOMSTIG RECHT. [1 - Bijzondere bepalingen over het aanduiden van gebieden als watergevoelig openruimtegebied met het oog op de bescherming van de belangen van het watersysteem]1
Division 3. [1 - Dispositions particulières relatives à la désignation de zones comme zones d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau en vue de la protection des intérêts du système hydrologique]1
Art. 5.6.8.. [1 § 1. De Vlaamse Regering kan gebieden waar een conflict bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem, aanduiden als watergevoelig openruimtegebied.
   Bij de aanduiding, vermeld in het eerste lid, houdt de Vlaamse Regering rekening met:
   1° de juridische toestand van het gebied, onder meer de bestemmingsvoorschriften volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen of niet-vervallen verkavelingen;
   2° het waterbergend vermogen van het gebied en de overstromingsgevoeligheid, onder meer op basis van de watertoetskaart en de overstromingsgevaarkaarten;
   3° de feitelijke toestand van het gebied, onder meer wat betreft bebouwing;
   4° in voorkomend geval, de acties of maatregelen die gepland zijn voor het gebied of die impact hebben op het gebied in de stroomgebiedbeheerplannen, wateruitvoeringsprogramma's, tussentijdse afbakeningen van de Vlaamse Regering en andere waterbeheerplannen;
   5° de bezwaren en opmerkingen die geformuleerd zijn tijdens het openbaar onderzoek;
   6° de tijdig verleende en ontvangen adviezen;
   7° de eerder genomen beslissingen van de Vlaamse Regering over gebieden waar een conflict bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het aanduiden van de gebieden, vermeld in het eerste lid. De aanduiding gebeurt cartografisch.
   § 2. De Vlaamse Regering onderwerpt de voorgenomen aanduiding aan een openbaar onderzoek dat zestig dagen duurt, en wint advies in bij de bevoegde waterbeheerders, bij de deputatie, bij de gemeenteraden en de gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening van de gemeenten waar de voor aanduiding gebieden in kwestie liggen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor dat openbaar onderzoek en die consultatie.
   De aanduiding van de watergevoelige openruimtegebieden wordt [2 bij uittreksel]2 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Ze heeft uitwerking veertien dagen na de publicatie.
   § 3. Binnen de aangeduide watergevoelige openruimtegebieden zijn waterbeheer, natuurbehoud, bosbouw, landschapszorg, landbouw en recreatie nevengeschikte functies.
   Voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht en de waterbeheersfunctie van het gebied niet worden overschreden, zijn alleen de volgende handelingen die nodig of nuttig zijn voor de functies, vermeld in het eerste lid, toegelaten:
   1° het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op de sociale, educatieve of recreatieve functie van het gebied, waaronder sanitaire gebouwen of schuilplaatsen van één bouwlaag met een oppervlakte van ten hoogste 100 m², met uitsluiting van elke verblijfsaccommodatie;
   2° het aanleggen, herstellen, heraanleggen of verplaatsen van openbare wegen en nutsleidingen. Openbare wegen en nutsleidingen kunnen aangelegd of verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het beheer van het landschap, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid;
   3° het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het gebruik van het gebied voor landbouw of hobbylandbouw;
   4° handelingen die nodig of nuttig zijn om overstromingen te beheersen of om wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden te voorkomen.
  [2 5° handelingen voor natuurbehoud en landschapszorg.]2
   De mogelijkheden om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, vermeld in titel IV, hoofdstuk 4, zijn van overeenkomstige toepassing in de aldus aangeduide gebieden.
   § 4. De aanduiding als watergevoelig openruimtegebied heeft van rechtswege het verval tot gevolg van:
   1° het onbebouwde deel of de onbebouwde delen van een niet-vervallen verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden die binnen de perimeter van dat gebied liggen;
   2° een principieel akkoord [4 dat voor gronden die binnen de perimeter van dat gebied liggen, afgegeven werd overeenkomstig artikel 5.6.6, § 2, of gevat was door artikel 5.6.6, § 3, tweede lid, zoals deze bepalingen golden tot 7 juli 2023.]4
   § 5. Voor de gebieden die als watergevoelig openruimtegebied zijn aangeduid, kan een ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld worden met een andersluidende regeling dan de regeling, vermeld in paragraaf 3, in zoverre bij de opmaak van dat ruimtelijk uitvoeringsplan rekening wordt gehouden met het conflict dat bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem. Er kan geen ruimtelijk uitvoeringsplan worden opgemaakt waarvan de voorschriften andere of ruimere bebouwing toelaten dan deze vermeld in paragraaf 3, tweede lid.
   De vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan in toepassing van deze paragraaf geeft geen aanleiding tot planschadevergoeding, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 1, noch tot een planbatenheffing, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, noch tot kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid.
   § 6. [5 Eigenaars van gronden die in watergevoelig openruimtegebied liggen dat is aangeduid conform dit artikel, kunnen een vergoeding verkrijgen met toepassing van dezelfde voorwaarden en modaliteiten als die welke gelden voor de planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1, waarbij:
   1° het recht op vergoeding ontstaat conform artikel 13, § 1, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023;
   2° het vorderingsrecht twee jaar nadat het recht op vergoeding is ontstaan, vervalt;
   3° de vergoedingsgerechtigde diegene is die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering tot aanduiding van het watergevoelig openruimtegebied het eigendomsrecht of het bloot eigendomsrecht op het perceel kan laten gelden.
   De vergoeding wordt gevorderd ten aanzien van het Vlaamse Gewest en wordt aangerekend op het Rubiconfonds.]5

   § 7. De Vlaamse Regering kan, hangende de procedure of uiterlijk binnen het jaar na een veroordeling tot vergoeding die kracht van gewijsde heeft verkregen, beslissen om de aanduiding als watergevoelig openruimtegebied zoals vermeld in paragraaf 1, geheel of gedeeltelijk op te heffen voor de gronden waarvoor de vergoeding werd gevorderd. De Vlaamse Regering wint hierover het advies in van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn, en van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, bedoeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.
   De Vlaamse Regering kan aan de opheffing voorwaarden verbinden in verband met de realisatie van de bestemming, zonder die realisatie uit te sluiten.
   De opheffing geldt als voldoening aan de verplichting tot vergoeding, ongeacht de voorwaarden die de realisatie van de bestemming aan voorwaarden verbinden zonder ze uit te sluiten.
   Als de opheffing slechts gedeeltelijk is, dan wordt de te betalen vergoeding pro rata berekend.]1

  
Art. 5.6.8.. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand peut désigner comme zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau des zones où existe un conflit entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique.
   Lors de la désignation mentionnée au premier alinéa, le Gouvernement flamand tient compte :
   1° de la situation juridique de la zone, et notamment des prescriptions de destination suivant les plans d'aménagement ou plans d'exécution spatiaux ou lotissements non échus en vigueur ;
   2° de la capacité de rétention d'eau de la zone et la vulnérabilité aux inondations, notamment sur la base de la carte d'évaluation aquatique et des cartes des risques d'inondation ;
   3° de la situation de fait de la zone, notamment en ce qui concerne l'urbanisation ;
   4° le cas échéant, des actes ou mesures qui ont été planifiés pour la zone ou qui ont un impact sur la zone dans les plans de gestion des zones inondables, les programmes de mise en oeuvre en matière d'eau, les délimitations intermédiaires du Gouvernement flamand et d'autres plans de gestion des eaux ;
   5° des objections et observations formulées durant l'enquête publique ;
   6° des avis donnés et reçus en temps voulu ;
   7° des décisions prises antérieurement par le Gouvernement flamand concernant les zones où existe un conflit entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique.
   Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour la désignation des zones mentionnées au premier alinéa. La désignation s'effectue sur une base cartographique.
   § 2. Le Gouvernement flamand soumet le projet de désignation à une enquête publique d'une durée de soixante jours et recueille l'avis des gestionnaires de l'eau compétents, de la députation, des conseils communaux et des commissions communales pour l'aménagement du territoire dans les communes où se situent les zones concernées par la désignation.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à cette enquête publique et à cette consultation.
   La désignation des zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau est publiée [2 par extrait]2 au Moniteur belge. Elle prend effet 15 jours après la publication.
   § 3. Dans les zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau faisant l'objet de la désignation, la gestion de l'eau, la conservation de la nature, la sylviculture, la préservation des paysages, l'agriculture et la récréation constituent des fonctions secondaires.
   Dans la mesure où la capacité spatio-écologique et la fonction de gestion des eaux de la zone ne sont pas dépassées, seules sont autorisés les actes suivants qui sont nécessaires ou utiles aux fonctions mentionnées au premier alinéa :
   1° l'installation de petites infrastructures axées sur la fonction sociale, éducative ou récréative de la zone, y compris des bâtiments sanitaires ou des abris d'un seul niveau et d'une superficie maximale de 100 m², à l'exclusion de tout logement ;
   2° la construction, la réparation, la reconstruction ou la relocalisation de voies publiques et de conduites d'utilité publique. Les voies publiques et les conduites utilitaires peuvent être construites ou déplacées dans la mesure où cela est nécessaire pour la qualité de l'environnement, la gestion du paysage, la restauration et le développement de la nature et du milieu naturel, et la sécurité publique ou la santé publique ;
   3° la mise en place de petites infrastructures axées sur l'utilisation de la zone à des fins agricoles ou d'agriculture de loisir ;
   4° les actions nécessaires ou utiles pour maîtriser les crues ou prévenir les inondations en dehors des zones inondables naturelles.
  [2 5° les actes pour la conservation de la nature et la protection des sites.]2
   Les possibilités de dérogation aux prescriptions urbanistiques ou de prise en compte des projets de prescriptions urbanistiques, visées au titre IV, chapitre 4, s'appliquent par analogie dans les zones ainsi désignées.
   § 4. La désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau entraîne de plein droit la déchéance :
   1° de la partie non bâtie ou des parties non bâties d'un permis de lotissement non échu ou d'un permis d'environnement pour le lotissement de terrains situés dans le périmètre de cette zone ;
   2° d'un accord de principe [4 qui a été délivré pour des terrains situés dans le périmètre de cette zone, conformément à l'article 5.6.6, § 2, ou qui était repris dans l'article 5.6.6, § 3, deuxième alinéa, tel que ces dispositions s'appliquaient jusqu'au 7 juillet 2023]4.
   § 5. Pour les zones qui ont été désignées comme zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau, il peut être établi un plan d'exécution spatial soumis à un règlement différent de celui visé au paragraphe 3, dans la mesure où, lors de l'adoption du plan d'exécution spatial, il est tenu compte du conflit qui existe entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique. Il ne peut être adopté aucun plan d'exécution spatial dont les prescriptions autorisent la construction d'autres bâtiments ou de bâtiments plus grands que ceux visés au paragraphe 3, deuxième alinéa.
   L'adoption d'un plan d'exécution spatial en application de ce paragraphe ne donne lieu à aucune indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale, visée au titre II, chapitre VI, division 1, ni à aucune taxe sur les bénéfices du plan, telle que visée au titre II, chapitre VI, division 2, ni à des dégâts de capital au sens du livre 6 du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière.
   § 6. [5 Les propriétaires de terrains situés en zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau, désignée conformément au présent article, peuvent obtenir une indemnité en application des mêmes conditions et modalités que celles qui s'appliquent à l'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale, visée à l'article 2.6.1, étant entendu que :
   1° le droit à l'indemnité naît conformément à l'article 13, § 1er, du Décret Instruments du 26 mai 2023 ;
   2° le droit d'action expire deux ans après la naissance du droit à l'indemnité ;
   3° l'ayant droit de l'indemnité est celui qui, au moment de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand désignant la zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau, peut faire valoir le droit de propriété ou de nue-propriété sur la parcelle.
   L'indemnité est réclamée à la Région flamande et portée en compte au Fonds Rubicon.]5

   § 7. Le Gouvernement flamand peut décider, au cours de la procédure ou au plus tard dans un délai d'un an à compter de la condamnation à verser l'indemnité ayant acquis force de chose jugée, d'abroger en tout ou en partie la désignation comme espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau visée au paragraphe 1er pour les terrains pour lesquels l'indemnité a été réclamée. Le Gouvernement flamand recueille à cet égard l'avis du collège des bourgmestre et échevins de la commune où les terrains sont situés ainsi que de la Commission de coordination de la Politique intégrée de l'Eau, visée à l'article 25 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau.
   Le Gouvernement flamand peut soumettre l'abrogation à des conditions liées à la réalisation de la destination, sans pour autant exclure cette réalisation.
   L'abrogation vaut accomplissement de l'obligation d'indemnisation, quelles que soient les dispositions qui soumettent la réalisation de la destination à des conditions sans pour autant l'exclure.
   Si l'abrogation n'est que partielle, l'indemnité due est calculée au prorata.]1

  
Art. 5.6.9.. [1 De Vlaamse Regering kan voor ruimtelijke uitvoeringsplannen die definitief zijn vastgesteld vóór de aanduiding van de gebieden als watergevoelig openruimtegebied en die al rekening houden met het conflict dat bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem, beslissen om de daaruit resulterende planschadevergoeding volledig aan te rekenen op het [2 BRV-fonds]2.]1
  
Art. 5.6.9.. [1 Le Gouvernement flamand peut décider, pour les plans d'exécution spatiaux qui ont été définitivement adoptés avant la désignation des zones en tant qu'espaces ouverts vulnérables du point de vue de l'eau et qui tiennent déjà compte du conflit existant entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique, de facturer intégralement au [2 Fonds BRV]2 l'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale.]1
  
Afdeling 4. [1 - Woonreservegebieden]1
Division 4. [1 - Zones de réserve d'habitat]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepaling]1
Sous-section 1re. [1 - Disposition générale]1
Art. 5.6.10. [1 § 1. In woonreservegebieden kunnen stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 of het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 4.2.15, alleen worden toegestaan in de volgende gevallen :
   1° op grond van een voorafgaand gemeenteraadsbesluit als vermeld in onderafdeling 2, met toepassing van de voorwaarden en eventuele lasten van dat vrijgavebesluit;
   2° op grond van de bepalingen, vermeld in artikel 5.6.14;
   3° voor zover ze in overeenstemming zijn met de voorschriften van een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg, met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV van titel IV.
   In afwijking van het eerste lid kunnen in woonreservegebieden omgevingsvergunningen afgegeven worden voor aanvragen die zijn gesteund op afwijkingsmogelijkheden als vermeld in titel IV, hoofdstuk IV.
   § 2. De mogelijkheden, vermeld in paragraaf 1, gelden niet in gebieden die zijn aangeduid als watergevoelige openruimtegebieden als vermeld in artikel 5.6.8, § 3.]1

  
Art. 5.6.10. [1 § 1er. Dans les zones de réserve d'habitat, les actes urbanistiques mentionnés à l'article 4.2.1 ou le lotissement de sols mentionné à l'article 4.2.15 ne peuvent être autorisés que dans les cas suivants :
   1° sur la base d'une décision préalable du conseil communal telle que mentionnée dans la sous-section 2, en application des conditions et des charges éventuelles de cette décision de libération ;
   2° sur la base des dispositions mentionnées à l'article 5.6.14 ;
   3° dans la mesure où ils répondent aux exigences d'un plan général d'aménagement ou d'un plan particulier d'aménagement, sans préjudice de l'application des dispositions du chapitre IV du titre IV.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, des permis d'environnement peuvent être délivrés dans les zones de réserve d'habitat pour les demandes qui s'appuient sur les possibilités de dérogation énumérées au titre IV, chapitre IV.
   § 2. Les possibilités mentionnées au paragraphe 1er ne s'appliquent pas aux zones désignées comme des zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau, conformément à l'article 5.6.8, § 3.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Gemeentelijke besluitvorming]1
Sous-section 2. [1 - Processus décisionnel communal]1
Art. 5.6.11. [1 § 1. De gemeenteraad kan op initiatief van het college van burgemeester en schepenen beslissen dat een woonreservegebied volledig of gedeeltelijk vrijgegeven wordt voor wonen, en voor activiteiten en voorzieningen die aan het wonen verwant en ermee verweefbaar zijn, op maat van en inpasbaar in het woonreservegebied en de omgeving. Een gedeeltelijke vrijgave heeft betrekking op een samenhangend en ruimtelijk afzonderbaar onderdeel van het woonreservegebied.
   § 2. Het al dan niet vrijgeven van een woonreservegebied of een deel ervan wordt beoordeeld aan de hand van:
   1° de bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk of intergemeentelijk beleidsplan ruimte, of een ontwerp daarvan;
   2° de bepalingen van het provinciaal beleidsplan ruimte en het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, of een ontwerp daarvan;
   3° de principes en doelstellingen vermeld in artikel 1.1.4;
   4° de waterhuishouding, in het bijzonder de vrijwaring van het waterbergend vermogen waar dit relevant is;
   5° het bindend sociaal objectief van de gemeente zoals bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel 3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en de voortgang van de realisatie ervan.
   Wordt de vrijgave van een deel van een woonreservegebied overwogen, dan wordt bovendien nagegaan of die vrijgave geen hypotheek legt op de latere invulling of herbestemming van de overige delen van het woonreservegebied.
   De gemeenteraad kan een woonreservegebied slechts volledig of gedeeltelijk vrijgeven als dat in overeenstemming is met het geldende gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk of intergemeentelijk ruimtelijk beleidsplan.
   Als de gemeenteraad een woonreservegebied gedeeltelijk vrijgeeft, dan geeft zij de redenen aan waarom niet het volledige maar slechts het betrokken gedeelte van het woonreservegebied wordt vrijgegeven. Zij toont daarbij ook aan dat het een samenhangend en ruimtelijk afzonderbaar gedeelte betreft, waarvan de vrijgave geen hypotheek legt op de latere invulling of herbestemming van de overige delen van het woonreservegebied.
   § 3. Een gemeenteraadsbesluit dat een woonreservegebied volledig of gedeeltelijk vrijgeeft, bepaalt de voorwaarden voor een ruimtelijk kwalitatieve ontwikkeling van het vrijgegeven gebied. Deze voorwaarden hebben minstens betrekking op de woningtypologie en -dichtheid, op de vermenging van functies en op de groen- voorzieningen en de waterhuishouding. Het vrijgavebesluit en de voorwaarden gelden als ordening in de zin van artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen.
   De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, garanderen een hoog ruimtelijk rendement en een zuinig ruimtegebruik door een minimale groepering van de woningen en door gedeelde voorzieningen.
   § 4. Een gemeenteraadsbesluit dat een woonreservegebied volledig of gedeeltelijk vrijgeeft, kan gepaste lasten opleggen om de omgevingskwaliteit van een woonreservegebied en zijn omgeving te verhogen. Die lasten kunnen onder meer betrekking hebben op het versterken van de landschappelijke inpasbaarheid en de groenblauwe dooradering, de vrijwaring of de verwezenlijking van gemeenschappelijke ruimten en gemeenschappelijk groen, de integrale toegankelijkheid, klimaatbestendigheid, energetische optimalisatie, een kwaliteitsvolle verweving van functies, en zuinig en duurzaam ruimtegebruik. Zij kunnen geheel of gedeeltelijk de vorm aannemen van de storting van een bedrag dat bestemd wordt voor de uitvoering van de handelingen en werken, vermeld in dit lid.
   De lasten, vermeld in het eerste lid, voldoen aan de bepalingen voor lasten als vermeld in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
   Lasten als vermeld in het eerste lid worden overgenomen in omgevingsvergunningen in het woonreservegebied, of in overeenkomsten tussen de gemeente en de aanvrager van een omgevingsvergunning die voorafgaand aan de afgifte van een omgevingsvergunning worden gesloten.
   § 5. Een gemeenteraadsbesluit dat een woonreservegebied volledig of gedeeltelijk vrijgeeft, bevat de conclusies van de op planniveau voorgeschreven milieubeoordelingen, geeft aan hoe die geïntegreerd zijn in het besluit, en geeft in voorkomend geval de monitoringsmaatregelen aan die in het kader van de uitgevoerde effectenbeoordelingen worden genomen.]1

  
Art. 5.6.11. [1 § 1er. Le conseil communal peut décider, à l'initiative du collège des bourgmestre et échevins, qu'une zone de réserve d'habitat doit être entièrement ou partiellement libérée à des fins d'habitat, ainsi que pour des activités et infrastructures connexes de l'habitat et compatibles avec celui-ci, adaptées et intégrables dans la zone de réserve d'habitat et son environnement. Une libération partielle concerne une partie cohérente et spatialement distincte de la zone de réserve d'habitat.
   § 2. La libération ou non d'une zone de réserve d'habitat ou d'une partie de celle-ci est évaluée sur la base :
   1° des dispositions du schéma de structure d'aménagement communal ou du plan de politique spatiale communale ou intercommunale, ou d'un projet de celui-ci ;
   2° des dispositions du plan de politique spatiale provinciale et du plan de politique spatiale pour la Flandre, ou d'un projet de ceux-ci ;
   3° des principes et objectifs mentionnés à l'article 1.1.4 ;
   4° de la gestion des eaux, en particulier la préservation de la capacité de stockage des eaux, lorsque cela est pertinent ;
   5° de l'objectif social contraignant de la commune tel que déterminé conformément au chapitre 2 du titre 3 du Code flamand du Logement de 2021, et de l'état d'avancement de sa réalisation.
   Si la libération d'une partie d'une zone de réserve d'habitat est envisagée, il sera également vérifié si cette libération n'hypothèque pas l'affectation ou la réaffectation ultérieure des parties restantes de la zone de réserve d'habitat.
   Le conseil communal ne peut libérer tout ou partie d'une zone de réserve d'habitat que si cela est conforme au schéma de structure d'aménagement communal ou au plan de politique spatiale communale ou intercommunale.
   Si le conseil communal libère partiellement une zone de réserve d'habitat, il indique les raisons pour lesquelles il ne libère pas la totalité mais seulement la partie concernée de la zone de réserve d'habitat. Ce faisant, il montre également qu'il s'agit d'une partie cohérente et spatialement distincte, dont la libération n'hypothèque pas l'affectation ou la réaffectation ultérieure des parties restantes de la zone de réserve d'habitat.
   § 3. Une décision de conseil communal libérant tout ou partie d'une zone de réserve d'habitat détermine les conditions d'un développement spatial qualitatif de la zone libérée. Ces conditions concernent au moins la typologie et la densité des logements, la mixité des fonctions, et les espaces verts et la gestion des eaux. La décision de libération et les conditions qui l'accompagnent constituent un règlement en vertu de l'article 5.1.1 de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur.
   Les conditions mentionnées à l'alinéa 1er garantissent une efficacité spatiale élevée et une utilisation parcimonieuse de l'espace grâce à un regroupement minimal des habitations et à des infrastructures partagées.
   § 4. Une décision de conseil communal libérant tout ou partie d'une zone de réserve d'habitat peut imposer des charges appropriées pour améliorer la qualité environnementale d'une zone de réserve d'habitat et de ses environs. Ces charges peuvent concerner, entre autres, le renforcement de l'intégration paysagère et du veinage vert-bleu, la sauvegarde ou la création d'espaces communs et d'espaces verts communs, l'accessibilité intégrale, la résilience climatique, l'optimisation énergétique, l'imbrication fonctionnelle qualitative et l'utilisation économique et durable de l'espace. Elles peuvent prendre la forme, en tout ou en partie, du versement d'un montant destiné à l'exécution des actes et travaux mentionnés dans le présent alinéa.
   Les charges mentionnées à l'alinéa 1er sont conformes aux dispositions relatives aux charges mentionnées aux articles 75 à 77 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
   Les charges mentionnées à l'alinéa 1er sont reprises dans les permis d'environnement délivrés dans la zone de réserve d'habitat, ou dans les accords conclus entre la commune et le demandeur d'un permis d'environnement avant la délivrance du permis d'environnement.
   § 5. Une décision du conseil communal visant à libérer tout ou partie d'une zone de réserve d'habitat contient les conclusions des évaluations environnementales prescrites au niveau du plan, indique comment celles-ci ont été intégrées dans la décision et, le cas échéant, indique les mesures de surveillance prises dans le cadre des évaluations d'incidences réalisées.]1

  
Art. 5.6.12. [1 § 1. Het college van burgemeester en schepenen neemt het initiatief voor de gehele of gedeeltelijke vrijgave van een woonreservegebied.
   § 2. De houder van zakelijke rechten op een of meer gronden in een woonreservegebied, of zijn gevolmachtigde, kan het college van burgemeester en schepenen verzoeken om over te gaan tot een initiatief als vermeld in paragraaf 1 door middel van een aanvraag tot overleg over een gehele of gedeeltelijke vrijgave. De aanvraag bevat een concrete omschrijving en duiding van de gewenste ontwikkeling en de inpasbaarheid ervan in de omgeving. De aanvrager toont ook aan dat hij in staat is om een maatschappelijk gewenst en kwaliteitsvol ruimtegebruik als vermeld in artikel 1.1.4 tot stand te brengen in het woonreservegebied of in een samenhangend onderdeel ervan.
   Het college van burgemeester en schepenen nodigt het departement en de instanties die zijn aangewezen krachtens artikel 7.4.4/1, § 4, eerste lid, uit voor het overleg.
   Het verslag van het overleg bevat het standpunt van het college van burgemeester en schepenen over het al dan niet opstarten van een initiatief voor de vrijgave van het woonreservegebied, rekening houdende met de criteria en vereisten van artikel 5.6.11.
   Het verslag van het overleg wordt per beveiligde zending aan de aanvrager bezorgd.
   § 3. Als het college van burgemeester en schepenen van oordeel is dat het woonreservegebied volledig of gedeeltelijk kan worden vrijgegeven, dan stelt de gemeenteraad een besluit tot vrijgave voorlopig vast, met inbegrip van de beoogde voorwaarden en eventuele lasten als vermeld in artikel 5.6.11, § 3 en § 4, en de norm, vermeld in artikel 5.97 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
   De vrijgave van een woonreservegebied wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek, met inachtneming van de volgende regelingen :
   1° het openbaar onderzoek duurt zestig dagen;
   2° iedere belanghebbende kan gedurende die termijn schriftelijk of digitaal opmerkingen en bezwaren indienen.
   De nadere regels voor het openbaar onderzoek, bepaald krachtens artikel 7.4.4/1, § 3, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
   § 4. Het college van burgemeester en schepenen wint het voorafgaande advies in van het departement en van de instanties die zijn aangewezen krachtens artikel 7.4.4/1, § 4, eerste lid.
   De adviezen worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als er binnen die termijn geen advies is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   § 5. Het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 3, en de adviesverlening, vermeld in paragraaf 4, kunnen volledig of gedeeltelijk samenvallen.
   Na het verstrijken van de onderzoeks- en adviesperiode is het college van burgemeester en schepenen belast met het bundelen en coördineren van alle adviezen, opmerkingen en bezwaren ten behoeve van de gemeenteraad. Het college van burgemeester en schepenen kan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening met die taak belasten.
   § 6. De gemeenteraad beslist over de vrijgave van een woonreservegebied binnen een vervaltermijn van negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 3, dan wel na het einde van de adviesperiode, vermeld in paragraaf 4, waarbij gerekend wordt vanaf de meest recente datum.
   § 7. Een gemeenteraadsbesluit tot vrijgave van een woonreservegebied wordt onmiddellijk met een beveiligde zending aan het departement bezorgd.
   De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in het eerste lid, om de uitvoering van het gemeenteraadsbesluit tot vrijgave te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Het gemeenteraadsbesluit tot vrijgave kan alleen worden geschorst :
   1° wegens kennelijke onverenigbaarheid met de bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk of intergemeentelijk beleidsplan ruimte;
   2° wegens strijdigheid met bekendgemaakte gewestelijke bestuurshandelingen of beleidsbeslissingen over ruimtelijke plannen, projecten of de vrijwaring van het waterbergend vermogen in bepaalde gebieden;
   3° wegens de niet-naleving van substantiële vormvereisten of de vereisten van artikel 5.6.11.
   Een afschrift van het schorsingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending aan het college van burgemeester en schepenen bezorgd.
   In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen, om een nieuw gemeenteraadsbesluit tot vrijgave van het woonreservegebied te nemen. In dat nieuwe gemeenteraadsbesluit kunnen ten opzichte van het geschorste gemeenteraadsbesluit alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op het schorsingsbesluit of die eruit voortvloeien.
   Als de gemeenteraad binnen de termijn van negentig dagen geen nieuw gemeenteraadsbesluit neemt, vervalt het geschorste gemeenteraadsbesluit.
   Een nieuw gemeenteraadsbesluit tot vrijgave van een woonreservegebied wordt onmiddellijk met een beveiligde zending aan het departement bezorgd.
   De Vlaamse Regering beschikt vervolgens over een termijn van vijfenveertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in het vijfde lid, om het nieuwe gemeenteraadsbesluit te vernietigen. Het gemeenteraadsbesluit tot vrijgave kan alleen vernietigd worden op basis van de redenen, vermeld in het tweede lid. Een vernietiging kan volledig of gedeeltelijk zijn.
   § 8. Als een gemeenteraadsbesluit tot vrijgave van een woonreservegebied niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt het bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en wordt het opgenomen in het plannenregister, vermeld in artikel 5.1.1.
   Het gemeenteraadsbesluit treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
   § 9. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot:
   1° de vorm en inhoud en de wijze van indienen van een aanvraag tot overleg over een gehele of gedeeltelijke vrijgave;
   2° de uitnodiging tot dergelijk overleg;
   3° de uitwisseling van dossierstukken en adviesvragen en adviezen.]1

  
Art. 5.6.12. [1 § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins prend l'initiative de libérer tout ou partie d'une zone de réserve d'habitat.
   § 2. Le titulaire de droits réels sur un ou plusieurs terrains situés dans une zone de réserve d'habitat, ou son mandataire, peut demander au collège des bourgmestre et échevins de procéder à une initiative telle que visée au paragraphe 1 en introduisant une demande de concertation sur une libération totale ou partielle. La demande contient une description et une interprétation concrètes du développement souhaité et de sa capacité d'intégration dans l'environnement. Le demandeur doit également démontrer sa capacité à mettre en place une utilisation spatiale conforme aux nécessités sociétales et aux critères de qualité, telle que mentionnée à l'article 1.1.4, dans la zone de réserve d'habitat ou dans une partie cohérente de celle-ci.
   Le collège des bourgmestre et échevins invite à la concertation le département et les instances désignés en vertu de l'article 7.4.4/1, § 4, alinéa 1er.
   Le rapport de la concertation doit contenir la position du collège des bourgmestre et échevins sur le lancement ou non d'une initiative pour la libération de la zone de réserve d'habitat, en tenant compte des critères et des exigences de l'article 5.6.11.
   Le rapport de la concertation est remis au demandeur par envoi sécurisé.
   § 3. Si le collège des bourgmestre et échevins estime que tout ou partie de la zone de réserve d'habitat peut être libéré, le conseil communal établit provisoirement une décision de libération, reprenant les conditions prévues et les charges éventuelles visées à l'article 5.6.11, § 3 et § 4, ainsi que la norme visée à l'article 5.97 du Code flamand du Logement de 2021.
   La libération d'une zone de réserve d'habitat est soumise à une enquête publique, dans le respect des règles suivantes :
   1° l'enquête publique dure soixante jours ;
   2° toute partie intéressée peut soumettre des commentaires et des objections par écrit ou par voie numérique au cours de cette période.
   Les modalités de l'enquête publique prévues à l'article 7.4.4/1, § 3, alinéa 2, s'appliquent mutatis mutandis.
   § 4. Le collège des bourgmestre et échevins recueille l'avis préalable du département et des instances désignés en vertu de l'article 7.4.4/1, § 4, alinéa 1er.
   Les avis sont émis dans un délai de déchéance de soixante jours, à compter du jour suivant la date de réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans ce délai, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
   § 5. L'enquête publique, mentionnée au paragraphe 3, et l'émission d'avis, mentionnée au paragraphe 4, peuvent coïncider en tout ou en partie.
   A l'issue de la période d'enquête et de consultation, le collège des bourgmestre et échevins est chargé de rassembler et de coordonner tous les avis, commentaires et objections au nom du conseil communal. Le collège des bourgmestre et échevins peut confier cette tâche à la commission communale pour l'aménagement du territoire.
   § 6. Le conseil communal décide de la libération d'une zone de réserve d'habitat dans un délai de nonante jours à compter de la fin de l'enquête publique mentionnée au paragraphe 3 ou de la fin de la période de consultation mentionnée au paragraphe 4, en comptant à partir de la date la plus récente.
   § 7. Une décision du conseil communal de libérer une zone de réserve d'habitat est immédiatement transmise au département par envoi sécurisé.
   Le Gouvernement flamand dispose d'un délai de quarante-cinq jours, à compter du lendemain de la signification visée à l'alinéa 1er, pour suspendre l'exécution de la décision de libération du conseil communal. Une suspension ne peut être partielle. La décision de libération du conseil communal peut uniquement être suspendue :
   1° en cas d'incompatibilité manifeste avec les dispositions du schéma de structure d'aménagement communal ou du plan de politique spatiale communale ou intercommunale ;
   2° en raison d'un conflit avec des actes administratifs régionaux publiés ou des décisions politiques concernant des plans d'aménagement du territoire, des projets ou la sauvegarde de la capacité de stockage des eaux dans certaines zones ;
   3° en cas de non-respect de formalités substantielles ou des exigences de l'article 5.6.11.
   Une copie de la décision de suspension est transmise au collège des bourgmestre et échevins par envoi sécurisé dans un délai d'ordre de dix jours.
   En cas de suspension, le conseil communal dispose d'un délai de nonante jours, à compter du lendemain de l'envoi de la décision de suspension au collège des bourgmestre et échevins, pour adopter une nouvelle décision communale de libération de la zone de réserve d'habitat. Dans cette nouvelle décision du conseil communal, seules des modifications fondées sur ou résultant de la décision de suspension peuvent être apportées à la décision de suspension du conseil communal.
   Si le conseil communal n'adopte pas une nouvelle décision dans le délai de nonante jours, la décision suspendue du conseil communal devient caduque.
   Une nouvelle décision du conseil communal de libérer une zone de réserve d'habitat est immédiatement transmise au département par envoi sécurisé.
   Le Gouvernement flamand dispose ensuite d'un délai de quarante-cinq jours, à compter du lendemain de la signification visée à l'alinéa 5, pour annuler la nouvelle décision du conseil communal. La décision de libération du conseil communal ne peut être annulée que pour les motifs mentionnés à l'alinéa 2. Une annulation peut être totale ou partielle.
   § 8. Si une décision du conseil communal de libérer une zone de réserve d'habitat n'est pas suspendue ou annulée à temps, elle est publiée par extrait au Moniteur belge et inscrite au registre des plans visé à l'article 5.1.1.
   La décision du conseil communal entre en vigueur quatorze jours après la publication par extrait au Moniteur belge.
   § 9. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités concernant :
   1° la forme, le contenu et le mode d'introduction d'une demande de concertation sur une libération totale ou partielle ;
   2° l'invitation à cette concertation ;
   3° l'échange de pièces de dossier et de demandes d'avis et d'avis.]1

  
Art. 5.6.13. [1 De voorwaarden en eventuele lasten van een gemeenteraadsbesluit tot vrijgave van een woonreservegebied kunnen worden gewijzigd met overeenkomstige toepassing van artikel 5.6.11 en 5.6.12.]1
  
Art. 5.6.13. [1 Les conditions et les charges éventuelles d'une décision du conseil communal de libérer une zone de réserve d'habitat peuvent être modifiées en appliquant mutatis mutandis les articles 5.6.11 et 5.6.12.]1
  
Onderafdeling 3. [1 - Regeling voor woonreservegebieden die al volledig of gedeeltelijk ontwikkeld zijn]1
Sous-section 3. [1 - Régime pour les zones de réserve d'habitat déjà entièrement ou partiellement développées]1
Art. 5.6.14. [1 Voor gronden in woonreservegebied gelegen binnen het niet-vervallen gedeelte van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of waarvoor een niet-vervallen vergunning voor groepswoningbouw is afgegeven, gelden de voorschriften van artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, met dien verstande dat de eventuele verkavelingsvoorschriften blijven bestaan. De verkavelingsvoorschriften kunnen bijgesteld worden met toepassing van artikel 84, 85 en 86 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.]1
  
Art. 5.6.14. [1 Les terrains en zone de réserve d'habitat situés dans la partie non déchue d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols ou pour lesquels un permis de construction d'habitations groupées non déchu a été délivré sont soumis aux dispositions de l'article 5.1.0 de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur, étant entendu que les éventuelles prescriptions de lotissement restent d'application. Les prescriptions de lotissement peuvent être adaptées en application des articles 84, 85 et 86 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.]1
  
Onderafdeling 4. [1 - Opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen]1
Sous-section 4. [1 - Etablissement de plans d'exécution spatiaux]1
Art. 5.6.15. [1 Gemeenten kunnen de bestemming, de inrichting of het beheer van het woonreservegebied vastleggen in een ruimtelijk uitvoeringsplan of in het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan.
   Voor gronden waarvoor op 1 januari 2040 geen gemeenteraadsbesluit tot vrijgave van een woonreservegebied is genomen overeenkomstig artikel 5.6.11 en 5.6.12 en die evenmin een herbestemming hebben gekregen via een ruimtelijk uitvoeringsplan, stelt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 december 2043 een ruimtelijk uitvoeringsplan waarin het gebied begrepen is, definitief vast.]1

  
Art. 5.6.15. [1 Les communes peuvent définir l'affectation, l'aménagement ou la gestion de la zone de réserve d'habitat dans un plan d'exécution spatial ou dans la partie identifiable d'un arrêté relatif au projet qui vaut plan d'exécution spatial.
   Pour les terrains pour lesquels aucune décision du conseil communal de libérer une zone de réserve d'habitat n'a été prise avant le 1er janvier 2040 conformément aux articles 5.6.11 et 5.6.12 et qui n'ont pas non plus été réaffectés au moyen d'un plan d'exécution spatial, le Gouvernement flamand adopte définitivement un plan d'exécution spatial incluant la zone au plus tard le 31 décembre 2043.]1

  
HOOFDSTUK VII. [1 - Gewestplanvoorschriften]1
CHAPITRE VII. [1 - Prescriptions du plan de secteur]1
Art. 5.7.1. [[1 § 1. Het voorschrift, vermeld in artikel 15, 4.6.1, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, wordt toegepast als volgt. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, evenals handelingen en werken die de landschapsontwikkeling of -opbouw tot doel hebben.
   Bij de beoordeling van vergunningsaanvragen wordt rekening gehouden met de actueel in het gebied aanwezige karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw. In deze gebieden mogen slechts handelingen en werken worden uitgevoerd in zoverre op basis van een afweging wordt aangetoond dat het aangevraagde landschappelijk inpasbaar is in het gebied. Deze afweging kan een beschrijving van maatregelen bevatten ter bevordering van de landschapsintegratie, in voorkomend geval met betrekking tot de inplanting, gabariet, architectuur, aard van de gebruikte materialen en landschapsinkleding en kan eveneens rekening houden met de landschapskenmerken uit de vastgestelde landschapsatlas, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en de mate waarin het landschap gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van clusters van bedrijfscomplexen of verspreide bebouwing of de aanwezigheid van lijninfrastructuur.
   § 2. Als de gebieden, vermeld in paragraaf 1, deel uitmaken van een erfgoedlandschap of een beschermd cultuurhistorisch landschap, vermeld in artikel 2.1, 14°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, mogen slechts handelingen en werken worden uitgevoerd in zoverre op basis van een afweging wordt aangetoond dat het aangevraagde de in het gebied aanwezige karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw niet in gevaar brengt. Deze afweging bevat een actuele analyse van de landschaps- en erfgoedelementen van het gebied en een beschrijving van maatregelen ter bevordering van de landschapsintegratie, in voorkomend geval met betrekking tot de inplanting, gabariet, architectuur, aard van de gebruikte materialen en landschapsinkleding.
   § 3. Als er in de aanvraag in de gebieden, vermeld in paragrafen 1 of 2, maatregelen voorzien worden of als in de vergunning voorwaarden voor landschapsintegratie opgelegd worden, impliceert dat niet dat het aangevraagde niet kan worden ingepast in het gebied noch dat het aangevraagde de in het gebied aanwezige karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw in gevaar brengt.]]1

  
Art. 5.7.1. [[1 § 1er. La prescription, visée à l'article 15, 4.6.1, de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur, est modifiée comme suit. Dans ces zones peuvent être exécutés tous les actes et travaux qui correspondent à l'usage prévu indiqué en couleur de base, ainsi que les actes et travaux destinés au développement ou à l'édification du paysage.
   Lors de l'évaluation des demandes de permis, il est tenu compte des éléments paysagers caractéristiques et du développement paysager actuellement présents dans la zone. Dans ces zones, des actes et travaux ne peuvent être réalisés que s'il est démontré, sur la base d'une évaluation, que la demande est compatible avec la zone du point de vue paysager. Cette évaluation peut comprendre une description des mesures visant à promouvoir l'intégration paysagère, le cas échéant en ce qui concerne l'implantation, le gabarit, l'architecture, la nature des matériaux utilisés et l'habillement paysager, et peut également tenir compte des caractéristiques paysagères de l'atlas paysager établi, visé à l'article 4.1.1 du décret sur le patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, et de la mesure dans laquelle le paysage est caractérisé par la présence de grappes de complexes industriels ou de bâtiments épars ou par la présence d'infrastructures linéaires.
   § 2. Si les zones visées au paragraphe 1er font partie d'un paysage patrimonial ou d'un paysage historico-culturel protégé au sens de l'article 2.1, 14° du Décret sur le patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, des actes et travaux ne peuvent y être réalisés que s'il est démontré, sur la base d'une évaluation, que la demande ne met pas en danger les éléments paysagers caractéristiques et le développement paysager présents dans la zone. Cette évaluation comprend une analyse actuelle des éléments paysagers et patrimoniaux de la zone et une description des mesures visant à promouvoir l'intégration paysagère, le cas échéant en ce qui concerne l'emplacement, le gabarit, l'architecture, la nature des matériaux utilisés et l'habillement paysager.
   § 3. Si des mesures sont prévues dans la demande pour les zones visées aux paragraphes 1 ou 2, ou si des conditions d'intégration paysagère sont imposées dans le permis, il ne s'ensuit pas pour autant que la demande ne peut pas être intégrée dans la zone ou que la demande met en péril les éléments paysagers caractéristiques et le développement paysager de la zone.]]1

  
(NOTA : bij arrest nr 145/2019 van 17-10-2019 (B.St. 07-11-2019, p. 104101) heeft het Grondwettelijk hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n°145/2019 du 17 octobre 2019 (M.B. 07-11-2019, p. 104101) la Cour Constitutionnelle annule le présent article)
TITEL VI. [1 - Handhaving]1
TITRE VI. [1 - Maintien]1
HOOFDSTUK I. [1 - Inleidende bepalingen]1
CHAPITRE Ier. [1 - Dispositions introductives]1
HOOFDSTUK I. TOEKOMSTIG_RECHT.[1 Algemene bepalingen en definities]1
CHAPITRE Ier. DROIT_FUTUR.[1 Dispositions générales et définitions]1
Afdeling 1. [1 - Definities]1
Section 1re. [1 - Définitions]1
Afdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 1re. DROIT_FUTUR.
Art. 6.1.1. [1 In deze titel wordt verstaan onder :
   1° gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het grondgebied van een of meer gemeenten die het college of de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeente of de gemeenten in kwestie daarvoor als zodanig hebben aangesteld zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;
   2° [3 gewestelijke entiteit: de personeelsleden van het Departement Omgeving die de Vlaamse Regering of haar gemachtigde aanwijst om overeenkomstig artikel 6.2.7 een bestuurlijke geldboete op te leggen;]3
   3° gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur: het gewestelijke personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het geheel of voor onderdelen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, die de Vlaamse Regering als zodanig heeft aangesteld als gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;
   4° Handhavingscollege : het administratief rechtscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
   5° openruimtegebied : hetzij de landelijke en recreatiegebieden, aangewezen op plannen van aanleg, voor zover ze geen ruimtelijk kwetsbaar gebied uitmaken, hetzij de gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, die vallen onder een van de volgende categorieën :
   a) de categorie van gebiedsaanduiding `landbouw' of `recreatie';
   b) de subcategorie `gemengd openruimtegebied', voor zover het gebied geen onderdeel is van het Vlaams Ecologisch Netwerk;
   6° overtreder : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend;
   7° [2 ...]2
   8° verbalisant ruimtelijke ordening: het personeelslid, bedoeld in artikel 6.2.5/1, dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening vermeld in deze titel.]1

  
Art. 6.1.1. [1 Dans ce titre, il y a lieu d'entendre par :
  1° inspecteur urbaniste communal : le membre du personnel chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire, visé dans ce titre, compétent pour le territoire d'une ou de plusieurs communes ayant désigné à cet effet le ou les collèges des bourgmestre et échevins de la ou des communes concernées, comme visé à l'article 1.4.9, deuxième alinéa ;
  2° [3 entité régionale : les membres du personnel du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire désignés par le Gouvernement flamand ou son délégué afin d'imposer une amende administrative conformément à l'article 6.2.7 ;]3
  3° inspecteur urbaniste régional : le membre du personnel régional chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire, visé dans ce titre, compétent pour tout ou partie du territoire de la Région flamande, qui a été désigné comme tel par le Gouvernement flamand en tant qu'inspecteur urbaniste régional tel que visé à l'article 1.4.9, deuxième alinéa;
  4° Collège de maintien : la juridiction administrative visée à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
  5° zone d'espace ouvert : soit les zones rurales et les zones de récréation, indiquées sur les plans d'aménagement, pour autant qu'elles ne fassent pas partie d'une zone vulnérable du point de vue spatial, soit des zones, indiquées sur les plans d'exécution spatiaux, qui relèvent d'une des catégories suivantes :
  a) la catégorie d'affectation de zone " agriculture " ou " récréation " ;
  b) la sous-catégorie " zone d'espace ouvert mixte ", pour autant que la zone ne fasse pas partie du Réseau écologique flamand ;
  6° contrevenant : la personne physique ou la personne morale qui a commis le délit urbanistique ou l'infraction urbanistique, a ordonné de la commettre ou y a apporté son concours ;
  7° [2 ...]2
  8° agent verbalisateur de l'aménagement du territoire : le membre du personnel, visé à l'article 6.2.5/1, qui est chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire visé dans ce titre.
  
Art. 6.1.2. [1 De toepassing van deze titel strekt tot vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 4.3.1, § 2, van deze codex.]1
  
Art. 6.1.2. [1 L'application du présent titre s'étend à la sauvegarde d'un bon aménagement du territoire, telle que visée à l'article 4.3.1, § 2, de ce code.]1
  
Art. 6_1.2.TOEKOMSTIG_RECHT.    [1 De toepassing van deze titel strekt tot vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 4.3.1, § 2, van deze codex.]1
  [2 Het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is, met inbegrip van hoofdstuk 10, afdeling 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12, van toepassing op de handhaving van alle misdrijven en inbreuken, vermeld in deze titel.]2
Art. 6_1.2.DROIT_FUTUR.    [1 L'application du présent titre s'étend à la sauvegarde d'un bon aménagement du territoire, telle que visée à l'article 4.3.1, § 2, de ce code.]1
  [2 Le Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, y compris le chapitre 10, sections 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11 et 12, s'applique au maintien de tous les délits et infractions, visés au présent titre.]2
Afdeling 2. [1 - Omgevingshandhavingsbeleid]1
Section 2. [1 - Politique de maintien de l'environnement]1
Afdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 2. DROIT_FUTUR.
Art. 6.1.3. [1 Artikel 16.2.1 tot en met 16.2.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  
Art. 6.1.3. [1 Les articles 16.2.1 à 16.2.4 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement sont applicables par analogie.]1
  
Afdeling 2.
Division 2.
Afdeling 3.
Division 3.
Afdeling 4.
Division 4.
Onderafdeling 1.
Sous-division 1re.
Onderafdeling 2.
Sous-division 2.
Sectie 1.
Section 1re.
Sectie 2.
Section 2.
Sectie 3.
Section 3.
Sectie 4.
Section 4.
Sectie 5.
Section 5.
Sectie 6.
Section 6.
Onderafdeling 3.
Sous-division 3.
Onderafdeling 4.
Sous-division 4.
Sectie 1.
Section 1re.
Subsectie 1.
Sous-section 1re.
Subsectie 2.
Sous-section 2.
Subsectie 3.
Sous-section 3.
Subsectie 4.
Sous-section 4.
Subsectie 5.
Sous-section 5.
Sectie 2.
Section 2.
Subsectie 1.
Sous-section 1re.
Subsectie 2.
Sous-section 2.
Sectie 3.
Section 3.
Onderafdeling 5.
Sous-division 5.
Afdeling 5.
Division 5.
Afdeling 6.
Division 6.
Afdeling 7.
Division 7.
Afdeling 8.
Division 8.
Afdeling 9. - Fonds Minnelijke Schikkingen [1 opgeheven]1
Division 9. - Fonds Règlements à l'Amiable [1 abrogée]1
Afdeling 10.
Division 10.
Afdeling 11.
Division 11.
HOOFDSTUK II. [1 - Sancties]1
CHAPITRE II. [1 - Sanctions]1
HOOFDSTUK II. TOEKOMSTIG_RECHT.[1 Misdrijven en inbreuken]1
CHAPITRE II. DROIT_FUTUR.[1 Délits et infractions]1
Afdeling 1. [1 - Stedenbouwkundige misdrijven en stedenbouwkundige inbreuken]1
Section 1re. [1 - Délits urbanistiques et infractions urbanistiques]1
Afdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 1re. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.1. [1 De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige misdrijven genoemd, en worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van deze straffen alleen :
   1° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning;
   2° het uitvoeren van de handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in titel II, hoofdstuk II, of met de stedenbouwkundige en verkavelingsverordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
   3° het verder uitvoeren van de handelingen in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding;
   4° het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
   5° het uitvoeren van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;
   6° het uitvoeren van handelingen in een conform artikel 5.6.8 aangeduid watergevoelig openruimtegebied die:
   a) of niet zijn toegelaten in artikel 5.6.8, § 3, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn en, voor zover het gebied niet opgeheven wordt met toepassing van artikel 5.6.8, § 7;
   b) of die de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden verbonden aan de schrapping vermeld in artikel 5.6.8, § 7, derde lid schenden, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn;
   7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in punt 1° tot en met 6°, worden gepleegd.
   De minimumstraffen zijn echter een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2000 euro, of een van die straffen alleen, als de misdrijven, vermeld in het eerste lid, gepleegd worden door instrumenterende ambtenaren, vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die verrichtingen als tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep.]1

  
Art. 6.2.1. [1 Les actes et omissions suivants sont appelés délits urbanistiques et sont punis d'une peine d'emprisonnement de huit jours à cinq ans et d'une amende de 26 euros à 400.000 euros ou d'une de ces peines seulement :
  1° l'exécution des actes visés aux articles 4.2.1 et 4.2.15, soit sans qu'il ait été obtenu au préalable un permis d'urbanisme, de lotissement, d'environnement pour des actes urbanistiques, ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains, soit en violation du permis correspondant, ou la poursuite de l'exécution des actes visés à l'article 4.2.1 et à l'article 4.2.15, soit après déchéance, abrogation ou expiration de la durée de validité du permis concerné, soit en cas de suspension du permis concerné ;
  2° exécuter des actes contraires à un plan d'exécution spatial, tel que visé au titre II, chapitre II, ou aux règlements urbanistiques et aux règlements de lotissement, mentionnés aux articles 2.3.1 à 2.2.3 inclus, sauf si les actes exécutés ont été autorisés ou s'il s'agit des actes visés à l'article 6.2.2, 6° ;
  3° continuer à exécuter des actes contraires à l'ordre de cessation, à la décision de confirmation ou, le cas échéant, à la décision en référé ;
  4° commettre, après le 1er mai 2000, de quelque manière que ce soit, une infraction aux plans d'aménagement et aux règlements qui ont été établis conformément aux dispositions du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996, et qui demeurent en vigueur aussi longtemps et dans la mesure où ils ne sont pas remplacés par de nouvelles ordonnances émises en vertu du présent code, sauf si les travaux, actes ou modifications exécutés sont autorisés ou s'il s'agit d'actes mentionnés à l'article 6.2.2, 6° ;
  5° exécuter des actes qui constituent une infraction au permis de bâtir et au permis de lotir qui ont été octroyés en vertu du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 ;
  6° exécuter, dans une zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau désignée conformément à l'article 5.6.8, des actes qui :
   soit ne sont pas admis dans l'article 5.6.8, § 3, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés et pour autant que la zone ne soit pas abrogée en application de l'article 5.6.8, § 7 ;
   ou qui enfreignent les conditions auxquelles le Gouvernement flamand soumet l'abrogation, comme visé à l'article 5.6.8, § 7, troisième alinéa, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés.
  7° admettre ou tolérer, en tant que propriétaire, que l'un des faits punissables visés aux points 1° à 6° soit commis.
  Les peines minimales sont toutefois un emprisonnement de quinze jours et une amende de 2 000 euros, ou l'une de ces peines, lorsque les infractions visées au premier l'alinéa sont commises par des fonctionnaires instrumentants, des agents immobiliers et d'autres personnes qui achètent, lotissent, mettent en vente ou en location, vendent ou louent, construisent ou conçoivent et/ou érigent des installations fixes ou amovibles dans l'exercice de leur profession ou activité ou les personnes qui agissent comme intermédiaires dans le cadre de telles opérations, durant l'exercice de leur profession. ]1

  
Art. 6_2.1.TOEKOMSTIG_RECHT.    [1 De hierna volgende [2 ...]2 misdrijven [2 ...]2 worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van deze straffen alleen :
   1° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning;
   2° het uitvoeren van de handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in titel II, hoofdstuk II, of met de stedenbouwkundige en verkavelingsverordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
   3° [2 het verder uitvoeren van handelingen in strijd met een niet-vervallen en niet-opgeheven bevel tot staken dat regelmatig is gegeven conform deze titel vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023]2;
   4° het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
   5° het uitvoeren van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;
   6° het uitvoeren van handelingen in een conform artikel 5.6.8 aangeduid watergevoelig openruimtegebied die:
   a) of niet zijn toegelaten in artikel 5.6.8, § 3, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn en, voor zover het gebied niet opgeheven wordt met toepassing van artikel 5.6.8, § 7;
   b) of die de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden verbonden aan de schrapping vermeld in artikel 5.6.8, § 7, derde lid schenden, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn;
   7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in punt 1° tot en met 6°, worden gepleegd.
   De minimumstraffen zijn echter een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2000 euro, of een van die straffen alleen, als de misdrijven, vermeld in het eerste lid, gepleegd worden door instrumenterende ambtenaren, vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die verrichtingen als tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep.]1

  [2 De misdrijven, vermeld in het eerste lid, die bestuurlijk worden vervolgd, worden gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete van 50 euro tot 2.000.000 euro.]2
Art. 6_2.1.DROIT_FUTUR.    [1 Les [2 délits suivants]2 sont appelés délits urbanistiques et sont punis d'une peine d'emprisonnement de huit jours à cinq ans et d'une amende de 26 euros à 400.000 euros ou d'une de ces peines seulement :
  1° l'exécution des actes visés aux articles 4.2.1 et 4.2.15, soit sans qu'il ait été obtenu au préalable un permis d'urbanisme, de lotissement, d'environnement pour des actes urbanistiques, ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains, soit en violation du permis correspondant, ou la poursuite de l'exécution des actes visés à l'article 4.2.1 et à l'article 4.2.15, soit après déchéance, abrogation ou expiration de la durée de validité du permis concerné, soit en cas de suspension du permis concerné ;
  2° exécuter des actes contraires à un plan d'exécution spatial, tel que visé au titre II, chapitre II, ou aux règlements urbanistiques et aux règlements de lotissement, mentionnés aux articles 2.3.1 à 2.2.3 inclus, sauf si les actes exécutés ont été autorisés ou s'il s'agit des actes visés à l'article 6.2.2, 6° ;
  3° [2 continuer à exécuter des actes contraires à un ordre de cessation non échu et non abrogé qui a été donné régulièrement conformément au présent titre avant la date de l'entrée en vigueur de l'article 63 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023]2 ;
  4° commettre, après le 1er mai 2000, de quelque manière que ce soit, une infraction aux plans d'aménagement et aux règlements qui ont été établis conformément aux dispositions du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996, et qui demeurent en vigueur aussi longtemps et dans la mesure où ils ne sont pas remplacés par de nouvelles ordonnances émises en vertu du présent code, sauf si les travaux, actes ou modifications exécutés sont autorisés ou s'il s'agit d'actes mentionnés à l'article 6.2.2, 6° ;
  5° exécuter des actes qui constituent une infraction au permis de bâtir et au permis de lotir qui ont été octroyés en vertu du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 ;
  6° exécuter, dans une zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau désignée conformément à l'article 5.6.8, des actes qui :
   soit ne sont pas admis dans l'article 5.6.8, § 3, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés et pour autant que la zone ne soit pas abrogée en application de l'article 5.6.8, § 7 ;
   ou qui enfreignent les conditions auxquelles le Gouvernement flamand soumet l'abrogation, comme visé à l'article 5.6.8, § 7, troisième alinéa, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés.
  7° admettre ou tolérer, en tant que propriétaire, que l'un des faits punissables visés aux points 1° à 6° soit commis.
  [2 Les délits, visés à l'alinéa 1er, qui font l'objet de poursuites administratives, sont sanctionnés par une amende administrative alternative de 50 euros à 2 000 000 d'euros.]2
  Les peines minimales sont toutefois un emprisonnement de quinze jours et une amende de 2 000 euros, ou l'une de ces peines, lorsque les infractions visées au premier l'alinéa sont commises par des fonctionnaires instrumentants, des agents immobiliers et d'autres personnes qui achètent, lotissent, mettent en vente ou en location, vendent ou louent, construisent ou conçoivent et/ou érigent des installations fixes ou amovibles dans l'exercice de leur profession ou activité ou les personnes qui agissent comme intermédiaires dans le cadre de telles opérations, durant l'exercice de leur profession. ]1
Art. 6.2.2. [1 De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige inbreuken genoemd, en worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal [2 400.000]2 euro :
   1° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied;
   2° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid;
   3° het uitvoeren van de handelingen,[4 vermeld in artikel 4.2.2 en 4.2.5,]4, die voorafgaan aan de [3 voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename]3, vermeld in artikel 6, tweede lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
   4° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6;
   5° het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan;
   6° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.4.1, § 3, tweede lid, in strijd met bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, voor zover die plannen of vergunningen, of de relevante delen ervan niet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde lijst als vermeld in het voormelde artikel;
   7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat de inbreuken, vermeld in punt 1°, 3°, 5° en 6°, worden gepleegd.]1

  
Art. 6.2.2. [1 Les actes ou omissions suivants sont appelés infractions urbanistiques et sont punis d'une amende administrative exclusive de maximum [2 400.000]2 euros :
   1° maintenir les conséquences illégales des délits visés à l'article 6.2.1, premier alinéa, pour autant que ces conséquences se situent en zone vulnérable ;
   2° violer les obligations visées aux articles 6.3.6, § 2, deuxième et quatrième alinéas, et 6.4.9, § 2, deuxième et quatrième alinéas ;
   3° exécuter les actes visés [4 aux articles 4.2.2 et 4.2.5,]4, qui précèdent [3 la prise d'acte expresse ou tacite préalable]3, visé à l'article 6, deuxième alinéa du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
   4° violer l'obligation d'information visée aux articles 5.2.1 à 5.2.6 inclus ;
   5° exécuter des actes sans le contrôle d'un architecte, si ce contrôle est obligatoire en vertu de l'article 4 de la loi du 20 février 1939 sur la protection du titre et de la fonction d'architecte et de ses arrêtés d'exécution ;
   6° exécuter les actes visés à l'article 4.4.1, § 3, deuxième alinéa, contraires à des plans d'aménagement particuliers, des plans d'exécution communaux et des permis de lotissement ou permis d'environnement pour le lotissement de terrains, pour autant que ces plans ou permis, ou leurs parties utiles, ne soient pas repris dans une liste établie par le conseil communal, telle que mentionnée dans l'article précité ;
   7° admettre ou tolérer, en tant que propriétaire, que les infractions visées aux points 1°, 3°, 5° et 6°, soient commises.]1

  
Art. 6_2.2.TOEKOMSTIG_RECHT.    [1 [5 De volgende inbreuken worden gesanctioneerd met een exclusieve bestuurlijke geldboete van 50 euro tot 400.000 euro]5 :
   1° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied;
   2° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid;
   3° het uitvoeren van de handelingen,[4 vermeld in artikel 4.2.2 [5 , 4.2.4, eerste lid,]5 en 4.2.5,]4, die voorafgaan aan de [3 voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename]3, vermeld in artikel 6, tweede lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning [5 , hetzij het verder uitvoeren van die handelingen in geval van verval, schorsing of vernietiging van de meldingsakte, en ook het niet naleven van de voorwaarden die in de meldingsakte zijn opgelegd conform artikel 113, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, bij de uitvoering van die handelingen, hetzij het niet melden van het beëindigen van de zorgsituatie, vermeld in artikel 4.1.1, 18°, b)]5;
   4° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6;
   5° het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan;
   6° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.4.1, § 3, tweede lid, in strijd met bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, voor zover die plannen of vergunningen, of de relevante delen ervan niet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde lijst als vermeld in het voormelde artikel;
   7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat de inbreuken, vermeld in punt 1°, 3°, 5° en 6°, worden gepleegd.]1
Art. 6_2.2.DROIT_FUTUR.    [1 [5 Les infractions suivantes sont sanctionnées par une amende administrative exclusive de 50 euros à 400 000 euros]5 :
   1° maintenir les conséquences illégales des délits visés à l'article 6.2.1, premier alinéa, pour autant que ces conséquences se situent en zone vulnérable ;
   2° violer les obligations visées aux articles 6.3.6, § 2, deuxième et quatrième alinéas, et 6.4.9, § 2, deuxième et quatrième alinéas ;
   3° exécuter les actes visés [4 aux articles 4.2.2 [5 , 4.2.4, premier alinéa, ]5 et 4.2.5,]4, qui précèdent [3 la prise d'acte expresse ou tacite préalable]3, visé à l'article 6, deuxième alinéa du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement [5 , soit continuer à exécuter ces actes en cas de déchéance, suspension ou annulation de l'acte de notification, ainsi que le non-respect des conditions qui sont imposées dans l'acte de notification conformément à l'article 113, § 1er, alinéa 1er, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, lors de l'exécution de ces actes, soit la non-déclaration de la cessation de la situation de soins, visée à l'article 4.1.1, 18°, b)]5;
   4° violer l'obligation d'information visée aux articles 5.2.1 à 5.2.6 inclus ;
   5° exécuter des actes sans le contrôle d'un architecte, si ce contrôle est obligatoire en vertu de l'article 4 de la loi du 20 février 1939 sur la protection du titre et de la fonction d'architecte et de ses arrêtés d'exécution ;
   6° exécuter les actes visés à l'article 4.4.1, § 3, deuxième alinéa, contraires à des plans d'aménagement particuliers, des plans d'exécution communaux et des permis de lotissement ou permis d'environnement pour le lotissement de terrains, pour autant que ces plans ou permis, ou leurs parties utiles, ne soient pas repris dans une liste établie par le conseil communal, telle que mentionnée dans l'article précité ;
   7° admettre ou tolérer, en tant que propriétaire, que les infractions visées aux points 1°, 3°, 5° et 6°, soient commises.]1
Afdeling 2. [1 - Voorkomen en vaststellen van stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken]1
Section 2. [1 - Prévention et constatation des délits et infractions urbanistiques]1
Afdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 2. DROIT_FUTUR.
Onderafdeling 1. [1 - Raadgeving en aanmaning]1
Sous-section 1re. [1 - Conseils et mise en demeure]1
Onderafdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 1re. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.3. [1 § 1. Als [2 verbalisanten ruimtelijke ordening]2 vaststellen dat een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf dreigt te worden gepleegd, kunnen ze alle raadgevingen geven die ze nuttig achten om dat te voorkomen.
  [2 ...]2
   § 2. Als de [2 verbalisanten ruimtelijke ordening]2, bij de uitoefening van hun respectieve opdrachten een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf vaststellen, kunnen ze de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen ertoe aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.
   Als de adressant van de aanmaning, in voorkomend geval na rappel, nalaat om de gevraagde maatregelen te nemen binnen het daarvoor bepaalde tijdsbestek, geldt een aangifteplicht van het misdrijf of de inbreuk bij de gemeentelijke en gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en bij de burgemeester.
   De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van deze onderafdeling.]1

  
Art. 6.2.3. [2 § 1er. Si des [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 constatent qu'une infraction ou un délit urbanistique risque d'être commis, elles peuvent donner tous les conseils qu'elles estiment utiles pour l'éviter.
  [1 ...]1
  § 2. Si, dans l'exercice de leurs tâches respectives, les [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 constatent une infraction ou un délit urbanistique, elles peuvent mettre le contrevenant présumé et les autres personnes éventuelles concernées en demeure de prendre les mesures nécessaires pour mettre un terme à l'infraction ou au délit, en annuler partiellement ou entièrement les conséquences ou éviter une récidive.
  Si le destinataire de la mise en demeure, le cas échéant après un rappel, néglige de prendre les mesures demandés dans les délais fixés à cet effet, une obligation de déclaration du délit ou de l'infraction auprès de l'inspecteur urbaniste communal ou régional et auprès du bourgmestre s'applique.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités d'exécution de la présente sous-section.]2

  
Onderafdeling 2. [1 - Vaststelling van stedenbouwkundige misdrijven]1
Sous-section 2. [1 - Constatation de délits urbanistiques]1
Onderafdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 2. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.4. [1 Onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie zijn de verbalisanten ruimtelijke ordening bevoegd om de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het misdrijf is gepleegd. De processen-verbaal waarin de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, worden vastgesteld, gelden tot bewijs van het tegendeel. Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt een kopie van het proces-verbaal met een beveiligde zending betekend aan de vermoedelijke overtreder. Die betekening gebeurt binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal.
   De agenten, officieren van de gerechtelijke politie en de verbalisanten ruimtelijke ordening hebben toegang tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.
   Als deze verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daarvoor een machtiging heeft verstrekt.
   Een afschrift van een proces-verbaal waarin een misdrijf wordt vastgesteld of van een navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, wordt altijd gericht aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gewestelijke entiteit en de gemeente van het grondgebied waarop de handelingen hebben plaatsgevonden.]1

  
Art. 6.2.4. [1 Sans préjudice des compétences des agents et officiers de police judiciaire, agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire sont compétents pour rechercher les délits décrits dans le présent chapitre et constater ceux-ci par un procès-verbal, qu'ils remettront directement au procureur du Roi auprès du tribunal de la juridiction où le délit a été commis. Les procès-verbaux dans lesquels les délits décrits dans le présent chapitre sont constatés valent jusqu'à preuve du contraire. Si le contrevenant présumé est connu, une copie du procès-verbal lui est notifiée par envoi sécurisé. Cette notification a lieu dans un délai de 15 jours à compter de la date de clôture du procès-verbal.
  Les agents, officiers de police judiciaire et les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire ont accès au chantier et aux bâtiments en vue d'exécuter toutes les recherches et constatations nécessaires.
  Si ces opérations portent les caractéristiques d'une perquisition, elles peuvent uniquement être exécutées à condition que le juge de police ait remis un mandat à cette fin.
  Une copie d'un procès-verbal constatant un délit ou d'un procès-verbal ultérieur constatant la réparation volontaire ou la régularisation est toujours adressée à l'inspecteur urbaniste régional, à l'entité régionale et à la commune du territoire sur lequel les actes ont eu lieu.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Vaststelling van stedenbouwkundige inbreuken]1
Sous-section 3. [1 - Constatation d'infractions urbanistiques]1
Onderafdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 3. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.5. [1 [2 De agenten en de officieren van gerechtelijke politie en de verbalisanten ruimtelijke ordening]2 kunnen bij de vaststelling van een stedenbouwkundige inbreuk zonder samenloop met een stedenbouwkundig misdrijf, een verslag van vaststelling opstellen dat ze onmiddellijk bezorgen aan de gewestelijke entiteit. Artikel 6.2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de vorm van het verslag van vaststelling.
   Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en de gemeente van het grondgebied waarop die handelingen werden uitgevoerd of waar dat gebruik plaatsvond. Als in het verslag van vaststelling feiten worden vastgesteld die milieu-inbreuken uitmaken wegens schending van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt een afschrift bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van die inbreuken. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden al dan niet een afschrift moeten ontvangen.
   Als in samenhang met de stedenbouwkundige inbreuk tegelijkertijd een stedenbouwkundig misdrijf wordt vastgesteld, dan wordt de vaststelling van de stedenbouwkundige inbreuk opgenomen in het proces-verbaal, vermeld in artikel 6.2.4.]1

  
Art. 6.2.5. [2 [3 Les agents et officiers de police judiciaire et les verbalisants de l'aménagement du territoire]3 peuvent, en cas de constatation d'une infraction urbanistique sans concours d'un délit urbanistique, établir un rapport de constatation, qu'ils transmettent immédiatement [1 à l'entité régionale]1. L'article [1 6.2.4, deuxième et troisième alinéas]1, s'applique en conséquence. Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles plus précises à propos de la forme du rapport de constatation.
  Une copie du rapport de constatation est toujours adressée aux contrevenants présumés, à l'inspecteur urbaniste régional et à la commune sur le territoire de laquelle ces actes ont été exécutés ou où cette utilisation a eu lieu. Si, dans le rapport de constatation, des faits qui constituent des infractions environnementales en raison d'une violation du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou de ses arrêtés d'exécution sont constatés, une copie est fournie aux autorités régionales chargées de la répression de ces infractions. Le Gouvernement flamand peut déterminer lesquelles de ces autorités régionales doivent ou non recevoir une copie.
  Si, en rapport avec l'infraction urbanistique, un délit urbanistique est également constaté, la constatation de l'infraction urbanistique est reprise dans le procès-verbal visé à l'article 6.2.4. ]2

  
Onderafdeling 4. [1 - Verbalisanten ruimtelijke ordening]1
Sous-section 4. [1 - Agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1
Onderafdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 4. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.5 /1.[1 § 1. De volgende personen kunnen verbalisant ruimtelijke ordening zijn:
   1° de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
   2° de personeelsleden van het Vlaamse Gewest van andere entiteiten, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
   3° de personeelsleden van de gemeente, die daarvoor worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen;
   4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die daarvoor worden aangewezen door de colleges van burgemeester en schepenen.
   De Vlaamse Regering kan voorwaarden, die onder meer betrekking kunnen hebben op de scholingsvereisten, bepalen waaraan de verbalisanten ruimtelijke ordening moeten voldoen.
   § 2. De Vlaamse Regering wijst onder de gewestelijke personeelsleden die als verbalisant ruimtelijke ordening zijn aangewezen, degenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen om misdrijven als vermeld in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal.
   § 3. Contractuele personeelsleden kunnen alleen verbalisant ruimtelijke ordening zijn als ze zijn beëdigd. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden van de eedaflegging bepalen.
   Een beëdiging op grond van [2 artikel 187 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017]2 geldt tevens als eedaflegging in de zin van het eerste lid.
   § 4. De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1 en 2, delegeren.]1

  
Art. 6.2.5 /1.[1 § 1er. Les personnes suivantes peuvent être agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire :
   1° les membres du personnel de l'entité, compétents pour l'exécution des tâches de maintien en matière d'aménagement du territoire, qui sont désignés à cet effet par le Gouvernement flamand ;
   2° les membres du personnel de la Région flamande d'autres entités, qui sont désignés à cet effet par le Gouvernement flamand ;
   3° les membres du personnel de la commune, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins ;
   4° les membres du personnel d'un partenariat intercommunal, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins.
   Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions, pouvant notamment porter sur les exigences en matière de formation, auxquelles les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire doivent satisfaire.
   § 2. Le Gouvernement flamand désigne, parmi les membres du personnel régionaux désignés comme agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire, ceux qui acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, pour rechercher les délits visés dans ce chapitre et les constater par procès-verbal.
   § 3. Les membres du personnel contractuels ne peuvent être agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire que s'ils sont assermentés. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions de la prestation de serment.
   Une assermentation fondée sur [2 l'article 187 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]2 vaut aussi prestation de serment au sens du premier alinéa.
   § 4. Le Gouvernement flamand peut déléguer le pouvoir de désignation visé aux paragraphes 1 et 2.]1

  
Afdeling 3. [1 - Het opleggen van een bestuurlijke geldboete]1
Section 3. [1 - L'imposition d'une amende administrative.]1
Afdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 3. DROIT_FUTUR.
Onderafdeling 1. [1 - Basisbepalingen]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions de base]1
Onderafdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 1re. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.6. [1 De inbreuken, vermeld in artikel 6.2.2, kunnen worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, kunnen worden bestraft door de strafrechter of kunnen worden bestraft met een alternatieve bestuurlijke geldboete.]1
  
Art. 6.2.6. [1 Les infractions visées à l'article 6.2.2 peuvent être punies d'une amende administrative exclusive. Les délits visés à l'article 6.2.1, premier alinéa, peuvent être punis par la juridiction pénale ou être punis d'une amende administrative alternative.]1
  
Art. 6.2.7. [1 § 1. De bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de gewestelijke entiteit een overtreder ertoe verplicht een geldsom te betalen.
   [2 ...]2. Ze wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk. Er wordt ook rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder stedenbouwkundige inbreuken of misdrijven heeft gepleegd of beëindigd.
   § 2. Op vraag van de overtreder, kan de bestuurlijke geldboete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
   Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw stedenbouwkundig misdrijf of een nieuwe stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg.]1

  
Art. 6.2.7. [2 § 1er. L'amende administrative est une sanction par laquelle [1 l'entité régionale]1 oblige un contrevenant à payer une somme d'argent.
  [3 ...]3. Le montant de cette amende est adapté à la gravité du délit urbanistique ou de l'infraction urbanistique. Il est également tenu compte de la fréquence et des circonstances dans lesquelles le contrevenant a commis les infractions ou délits ou y a mis fin.
  § 2. Sur demande du contrevenant, l'amende administrative peut être imposée avec report d'exécution durant une période d'essai qui ne peut pas être inférieure à un an et ne peut dépasser trois ans.
  Le report sera révoqué de plein droit si, pendant la période d'essai, un nouveau délit ou une nouvelle infraction urbanistique est commis, entraînant la condamnation à une peine ou l'imposition d'une amende administrative.]1
  
Art. 6.2.9. [1 Onverminderd artikel 6.2.13, § 3, derde lid, zijn de regels die van toepassing zijn op het verval van de strafvordering voor stedenbouwkundige misdrijven, van overeenkomstige toepassing op het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.
   Met toepassing van het eerste lid verjaart de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het stedenbouwkundig misdrijf is gepleegd, of na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd. De verjaring wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen die termijn.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt het opstellen van een verslag van vaststelling of een proces-verbaal door een bevoegde verbalisant steeds beschouwd als een daad van onderzoek. Het betekenen van een voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, wordt steeds beschouwd als een daad van vervolging.]1

  
Art. 6.2.9. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 6.2.13, § 3, troisième alinéa, les règles applicables à la prescription de l'action pénale pour les délits urbanistiques sont d'application conforme à la prescription de la possibilité d'imposition d'une amende administrative.
   En application du premier alinéa, la possibilité d'imposition d'une amende administrative s'éteint au bout de cinq ans, à compter du jour où le délit urbanistique a été commis, ou à l'expiration d'un délai de trois ans, à compter du jour où l'infraction urbanistique a été commise. La prescription est interrompue par les actes d'instruction ou de poursuite accomplis endéans ce délai.
   Pour l'application de cet article, l'établissement d'un rapport de constatation ou d'un procès-verbal par un verbalisant compétent est toujours considéré comme un acte d'instruction. La signification d'une intention d'imposition d'une amende administrative est toujours considérée comme un acte de poursuite.]1

  
Art. 6.2.10. [1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn uitgevoerd op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.]1
  
Art. 6.2.10. [1 Pour l'application de la présente section, la notification par lettre recommandée est censée avoir été exécutée au troisième jour ouvrable suivant la date de remise à la poste, sauf preuve du contraire.]1
  
Art. 6.2.11. [1 § 1. De opgelegde bestuurlijke geldboeten worden door het departement van de Vlaamse overheid geïnd en ingevorderd ten voordele van het [2 BRV-fonds]2. Het voormelde departement is gemachtigd om aan de schuldenaars van opeisbare bestuurlijke geldboetes die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
   § 2. Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de verschuldigde bestuurlijke geldboeten, verhoogd met de invorderingskosten, worden die bedragen bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die de Vlaamse Regering daarvoor heeft aangewezen.
   § 3. Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.
   Binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet doen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden.
   Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.
   § 4. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de opgelegde bestuurlijke geldboeten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kan het een wettelijke hypotheek nemen op alle daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar.
   Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten, vermeld in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, en in artikel 23 van [3 het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen]3.
   De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in paragraaf 2. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.
  [3 Artikel XX.113, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht]3 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.
   § 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop de bestuurlijke geldboete moest worden betaald. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
   § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van dit artikel.]1

  
Art. 6.2.11. [1 § 1er. Les amendes administratives imposées sont perçues et recouvrées par le département de l'Autorité flamande au profit du [2 Fonds BRV]2. Le département précité est autorisé à accorder des sursis ou étalements de payement aux débiteurs d'amendes administratives exigibles qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
   § 2. Si l'intéressé reste en défaut de paiement des amendes administratives dues, majorées des frais de recouvrement, ces montants sont recouvrés par contrainte. La contrainte est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire désigné à cet effet par le Gouvernement flamand.
   § 3. La contrainte est signifiée au débiteur par exploit d'huissier.
   Dans un délai de trente jours suivant la réception de la contrainte, le débiteur peut faire opposition en citant la Région flamande.
   L'opposition suspend l'exécutoire. La Région flamande peut demander au juge d'abroger la suspension de l'exécutoire.
   § 4. Sur la base de la contrainte déclarée exécutoire et en vue de la certitude de recouvrement des amendes administratives imposées, la Région flamande bénéficie d'un privilège général sur tous les biens mobiliers du débiteur et peut grever d'une hypothèque légale tous les biens du débiteur pouvant en faire l'objet et situés et enregistrés sur le territoire de la Région.
   Le privilège visé au paragraphe 1er prend rang immédiatement après les privilèges visés aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 et à l'article 23 du [3 Code des privilèges maritimes déterminés et des dispositions diverses]3.
   Le rang de l'hypothèque légale est déterminé par la datation de l'inscription qui est prise en vertu de la contrainte rendue exécutoire et signifiée. L'hypothèque est inscrite sur demande du fonctionnaire visé au paragraphe 2. L'inscription a lieu, nonobstant opposition, contestation ou recours, sur présentation d'une copie de la contrainte qui est déclarée conforme par ce fonctionnaire et qui fait mention de sa signification.
  [3 L'article XX.113, alinéa 2, du Code de droit économique]3ne s'applique pas à l'hypothèque légale concernant les amendes administratives imposées et, le cas échéant, les frais d'expertise supplémentaires et les dessaisissements d'avantages imposés pour lesquels une contrainte a été prononcée et dont la signification à l'intéressé a eu lieu avant le jugement de déclaration de faillite.
   § 5. L'action en paiement de l'amende administrative se prescrit à l'expiration d'un délai de de trois-cent-soixante-cinq jours. Ce délai prend cours le jour qui suit la date pour laquelle l'amende administrative devait être payée. La prescription est interrompue de la manière et aux conditions visées aux articles 2244 et suivants du Code civil.
   § 6. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités pour l'exécution de cet article.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete voor inbreuken]1
Sous-section 2. [1 - L'imposition d'une amende administrative exclusive pour infractions.]1
Onderafdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 2. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.12. [1 § 1. Na de ontvangst van een verslag van vaststelling als vermeld in artikel 6.2.5, eerste lid, waaruit het bestaan van een inbreuk blijkt, kan de gewestelijke entiteit binnen een termijn van zestig dagen zijn voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen met een beveiligde zending betekenen aan de vermoedelijke overtreder of overtreders. Hetzelfde geldt na ontvangst van een proces-verbaal als vermeld in artikel 6.2.5, derde lid, met dien verstande dat de termijn van zestig dagen pas aanvangt na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, eerste lid, of, bij gebreke daaraan, na het verstrijken van de termijnen, vermeld in artikel 6.2.13, § 2.
   De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de betekening, zijn verweer schriftelijk mee te delen. Hij wordt erop gewezen dat hij :
   1° zijn schriftelijk verweer mondeling kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daarvoor aan de gewestelijke entiteit een aanvraag binnen dertig dagen na de betekening;
   2° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen.
   De gewestelijk entiteit kan een verbalisant ruimtelijke ordening verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.
   § 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het bericht, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, beslist de gewestelijke entiteit over het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Die beslissing wordt met een beveiligde zending aan de vermoedelijke overtreder betekend binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop ze werd genomen.
   § 3. Met inachtneming van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsook de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.
   § 4. Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 en 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.]1

  
Art. 6.2.12. [1 § 1er. Après la réception d'un rapport de constatation tel que visé à l'article 6.2.5, premier alinéa, de nature à établir une infraction, l'entité régionale peut, dans un délai de soixante jours, signifier au contrevenant ou aux contrevenants présumés son intention d'imposer une amende administrative par envoi sécurisé. Il en va de même après la réception d'un procès-verbal tel que visé à l'article 6.2.5, troisième alinéa, étant entendu que le délai de soixante jours ne prend cours qu'après la réception de la décision du procureur du Roi, visée à l'article 6.2.13, § 3, premier alinéa, ou, à défaut, après l'expiration des délais visés à l'article 6.2.13, § 2.
   Le contrevenant présumé est invité à communiquer sa défense par écrit dans un délai de trente jours suivant la notification de cet avis. Son attention est également attirée sur le fait :
   1° qu'il peut commenter oralement sa défense écrite. Le contrevenant présumé introduit une demande à cet effet auprès de l'entité régionale dans les trente jours suivant la notification ;
   2° qu'il peut consulter les documents qui sont à la base de l'intention d'imposer une amende administrative exclusive sur demande et qu'il peut en obtenir des copies.
   L'entité régionale peut demander à un agent verbalisateur de l'aménagement du territoire de fournir des renseignements complémentaires.
   § 2. Dans un délai de nonante jours suivant la signification de l'avis, visé au paragraphe 1er, premier alinéa, l'entité régionale prend une décision concernant l'imposition d'une amende administrative. Cette décision est communiquée par envoi sécurisé au contrevenant présumé dans un délai de dix jours à compter du jour où elle a été prise.
   § 3. Compte tenu de la loi du 29 juillet 1991 concernant la motivation expresse des actes administratifs, la décision mentionne au moins le montant éventuellement imposé, les possibilités de recours et les conditions du recours, de même que les délais durant lesquels l'amende administrative exclusive doit être payée et le mode de paiement.
   § 4. Dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle le contrevenant présumé est informé de la décision de l'entité régionale d'imposer une amende administrative exclusive, le justiciable de l'amende peut introduire un recours auprès du Collège de maintien environnemental visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, conformément à la procédure visée au chapitre 3, sections 1 et 2 et au chapitre 4, sections 1, 2 et 4 du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière. Le recours suspend la décision contestée.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete voor misdrijven]1
Sous-section 3. [1 - L'imposition d'une amende administrative exclusive pour délits]1
Onderafdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 3. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.13. [1 § 1. Bij de vaststelling van een misdrijf als vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, bezorgt de verbalisant samen met het proces-verbaal een schriftelijk verzoek aan de procureur des Konings, waarin de procureur des Konings gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf.
   § 2. De procureur des Konings beschikt over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen, om een beslissing over het verzoek te nemen. Voor die periode verstreken is, kan ze gemotiveerd eenmalig verlengd worden met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. De procureur des Konings brengt de gewestelijke entiteit onmiddellijk op de hoogte van die verlenging. Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd.
   § 3. De procureur des Konings deelt zijn beslissing mee aan de gewestelijke entiteit, de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester.
   Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. De oplegging van een bestuurlijke geldboete is ook uitgesloten als de procureur des Konings nalaat om tijdig zijn beslissing mee te delen aan de gewestelijke beboetingsambtenaar.
   Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het stedenbouwkundige misdrijf houdt het verval van de strafvordering met betrekking tot dit misdrijf in, maar laat de strafvordering met betrekking tot andere feiten onverminderd bestaan, zelfs in geval van eenheid van opzet.
   § 4. Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle overtreders. Ze bedraagt maximaal [2 2.000.000]2 euro.
   De bestuurlijke geldboete wordt opgelegd en ingevorderd conform artikel 6.2.11 en 6.2.12 met dien verstande dat de termijn waarbinnen de vermoedelijke overtreder op de hoogte moet worden gebracht van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, dertig dagen bedraagt en pas aanvangt na ontvangst van de beslissing, vermeld in paragraaf 3. De termijn waarbinnen moet worden beslist over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, bedraagt honderdtachtig dagen.
   Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
   § 5. Wanneer een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de opsteller van het proces-verbaal dat daartoe geleid heeft, daarvan in kennis gesteld.]1

  
Art. 6.2.13. [3 § 1er. Lors de la constatation d'un délit tel que visé à l'article 6.2.1, alinéa premier, le verbalisant remet, conjointement avec le procès-verbal, une requête écrite au procureur du Roi le priant de se prononcer concernant le traitement pénal ou non du délit.
   § 2. Le procureur du Roi dispose d'une période de cent quatre-vingt jours, à compter du jour au cours duquel il a reçu le procès-verbal, pour prendre une décision concernant la demande. Avant expiration de cette période, elle peut être prolongée une fois de manière motivée d'une période complémentaire de maximum cent quatre-vingts jours. Le procureur du Roi informe immédiatement [1 l'entité régionale]1 de cette prolongation. Durant cette période de centre quatre-vingts jours, éventuellement prolongée d'une période complémentaire de maximum cent quatre-vingts jours, aucune amende administrative ne peut être imposée.
   § 3. Le procureur du Roi communique sa décision [1 à l'entité régionale]1, à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre.
   Une décision portant traitement pénal exclut l'imposition d'une amende administrative. L'imposition d'une amende administrative est également exclue lorsque le procureur du Roi néglige de communiquer sa décision en temps voulu au fonctionnaire de verbalisation régional.
   Une décision ne portant aucun traitement pénal du délit urbanistique entraîne la déchéance de l'action pénale relative à ce délit, mais l'action pénale relative à d'autres faits subsiste intégralement, même en cas d'unité d'intention.
   § 4. Une amende administrative alternative peut être imposée à tous les contrevenants. Elle s'élève à maximum [4 2.000.000 d'euros]4.
   L'amende administrative est imposée et perçue conformément aux articles 6.2.11 et 6.2.12, étant entendu que le délai dans lequel le contrevenant présumé doit être informé de l'intention d'imposer une amende administrative s'élève à trente jours et ne prend cours qu'après la réception de la décision visée au paragraphe 3. Le délai dans lequel une décision doit être prise quant à l'imposition d'une amende administrative compte cent quatre-vingt jours.
   [2 Dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle le contrevenant présumé est informé de la décision de l'entité régionale d'imposer une amende administrative alternative, le justiciable de l'amende peut introduire un recours auprès du Collège de maintien environnemental visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, conformément à la procédure visée au chapitre 3, sections 1 et 2 et au chapitre 4, sections 1, 2 et 4 du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière. Le recours suspend la décision contestée.]2
   § 5. Lorsqu'une amende administrative alternative est imposée, le rédacteur du procès-verbal qui y a donné lieu en est informé.]3

  
Afdeling 4. [1 - Voorstel tot betaling van een geldsom]1
Section 4. [1 - Proposition de paiement d'une somme d'argent]1
Afdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 4. DROIT_FUTUR.
Art. 6.2.14. [1 De gewestelijke entiteit kan een voorstel tot betaling van een geldsom doen als hij van mening is dat volgens de vaststellingen in het verslag van vaststelling of het proces-verbaal onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf heeft gepleegd. Het voorstel kan, voor wat stedenbouwkundige misdrijven betreft, eerst worden gedaan na kennisname van een tijdige beslissing in de zin van artikel 6.2.13, § 3, derde lid.
   De termijn waarin de geldsom betaald moet worden, bedraagt drie maanden. Het voorstel schorst de termijnen, vermeld in artikel 6.2.12, § 1, en artikel 6.2.13, § 4, tweede lid, tot het einde van de betalingstermijn. Na de betaling van de voorgestelde geldsom is het opleggen van een bestuurlijke geldboete niet langer mogelijk.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.]1

  
Art. 6.2.14. [2 [1 L'entité régionale]1 peut formuler une proposition de payer une somme d'argent s'il estime que les constatations du rapport de constatation ou du procès-verbal démontrent incontestablement que le contrevenant a commis l'infraction urbanistique ou le délit urbanistique. En ce qui concerne les délits urbanistiques, la proposition peut d'abord être formulée après la prise de connaissance d'une décision temporaire au sens de l'article 6.2.13, § 3, troisième alinéa.
  Le délai dans lequel la somme d'argent doit être payée s'élève à trois mois. La proposition suspend les délais visés à l'article 6.2.12, § 1er, et à l'article 6.2.13, § 4, deuxième alinéa, jusqu'à la fin du délai de paiement. Après le paiement de la somme d'argent proposée, l'imposition d'une amende administrative n'est plus possible.
  Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'exécution du présent article.]2

  
HOOFDSTUK III. [1 - Rechterlijke maatregelen]1
CHAPITRE III. [1 - Mesures judiciaires]1
HOOFDSTUK III. TOEKOMSTIG_RECHT.[1 Bijzondere bepalingen]1
CHAPITRE III. DROIT_FUTUR.[1 Dispositions particulières ]1
Afdeling 1. [1 - Rechterlijke herstelmaatregelen]1
Section 1re. [1 - Mesures judiciaires de réparation]1
Afdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 1re. DROIT_FUTUR.
Art. 6.3.1. [1 § 1. Naast de straf beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een meerwaarde te betalen en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken. Dat gebeurt, met inachtneming van de volgende rangorde :
   1° als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, het betalen van een meerwaarde;
   2° als dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;
   3° in de andere gevallen, de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik.
   Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende herstelmaatregelen gecombineerd worden, bevolen volgens de rangorde, vermeld in het eerste lid. Het bevolen herstel dekt steeds de volledige illegaliteit ter plaatse, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken die niet bij de rechter aanhangig zijn.
   § 2. Onder bevoegde overheid als vermeld in deze afdeling, wordt verstaan: het Openbaar Ministerie, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur in naam van het Vlaamse Gewest, alsook de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester in naam van de gemeente.
   § 3. De herstelvordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester wordt, met naleving van artikel 6.3.10 en respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente, met een gewone brief ingeleid bij het openbaar ministerie.
   De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.
   § 4. De rechtbank bepaalt een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan, op vordering van de bevoegde overheid, ook een dwangsom bepalen.
   § 5. De meerwaarde is een vergoeding voor het behoud van een ruimtelijke situatie die volgens de actuele regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften, niet legaliseerbaar is. Zolang sprake is van een illegale ruimtelijke situatie, geldt voor de toepassing van dit artikel een onweerlegbaar vermoeden van niet-legaliseerbaarheid.
   De rechtbank bepaalt het bedrag van de meerwaarde. De rechtbank hanteert daarvoor de forfaitaire bedragen, bepaald door de Vlaamse Regering, maar kan het aldus bekomen bedrag ambtshalve of op verzoek verminderen als dat bedrag kennelijk de vergoeding te boven gaat om de schade aan de goede ruimtelijke ordening te herstellen.
   Bij een veroordeling tot de betaling van een meerwaarde kan de veroordeelde zich op een geldige wijze kwijten door binnen de termijn, vermeld paragraaf 4, de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden.
   De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de betaling van de meerwaarde.
   § 6. De dagvaarding is maar ontvankelijk na overschrijving van de gedinginleidende akte in [2 het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar de goederen liggen]2. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.]1

  
Art. 6.3.1. [1 § 1er. Outre la peine, le tribunal ordonne, d'office ou sur requête d'une autorité compétente, de payer une plus-value, d'exécuter des travaux de construction ou d'adaptation et/ou de remettre le lieu en son état initial ou de cesser l'utilisation contraire. Ceci se fait en respectant l'ordre suivant :
   1° si la conséquence de l'infraction est manifestement compatible avec un bon aménagement du territoire, le paiement d'une plus-value ;
   2° s'il a clairement été établi que cela suffit pour rétablir l'aménagement local, l'exécution de travaux de construction ou d'adaptation ;
   3° dans les autres cas, la restauration de l'endroit dans son état initial ou la cessation de l'utilisation contraire.
   Par rapport aux diverses parties d'un même délit, différentes mesures de réparation peuvent être combinées et ordonnées conformément à l'ordre établi au premier alinéa. La restauration ordonnée couvre toujours l'ensemble de l'illégalité sur place, même si celle-ci résulte partiellement de délits ou infractions urbanistiques dont le juge n'a pas été saisi.
   § 2. Par autorité compétente, comme visé dans cette section, il convient d'entendre : le Ministère public, l'inspecteur urbaniste régional au nom de la Région flamande, ainsi que l'inspecteur urbaniste communal et le bourgmestre au nom de la commune.
   § 3. La requête en réparation de l'inspecteur urbaniste régional, de l'inspecteur urbaniste communal ou du bourgmestre est introduite par lettre ordinaire au ministère public, dans le respect de l'article 6.3.10 et au nom de la Région flamande ou de la commune.
   Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions formelles auxquelles la requête en réparation doit satisfaire sous peine d'irrecevabilité.
   § 4. Le tribunal établit un délai pour l'exécution des mesures de réparation et peut également, sur requête de l'autorité compétente, fixer une astreinte.
   § 5. La plus-value est une indemnité pour le maintien d'une situation spatiale qui, compte tenu des réglementation, prescriptions urbanistiques ou prescriptions en matière de lotissement actuelles, n'est pas légalisable. Tant qu'il est question d'une situation spatiale illégale, l'application de cet article est subordonnée à une présomption irréfragable d'impossibilité de légalisation.
   Le tribunal détermine le montant de la plus-value. Le tribunal applique à cet effet les montants forfaitaires fixés par le Gouvernement flamand, mais il peut réduire le montant ainsi obtenu d'office ou sur demande si ce montant est manifestement supérieur à l'indemnisation requise pour réparer les dommages causés au bon aménagement du territoire.
   En cas de condamnation à payer une plus-value, le condamné peut se libérer valablement en rétablissant, dans le délai visé au paragraphe 4, la légalité en restaurant le lieu dans son état initial, en cessant l'utilisation contraire ou en obtenant un permis de régularisation et en se conformant aux conditions dont il est assorti.
   Le Gouvernement flamand fixe les règles relatives au paiement de la plus-value.
   § 6. La citation ne sera recevable qu'après transcription de l'acte introductif d'instance au [2 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale de la région où les biens se situent]2. Toute décision finale rendue dans l'affaire est inscrite en marge de l'acte introductif d'instance transcrit de la façon mentionnée à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. A défaut de transcription, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'obtention.]1

  
Art. 6_3.1.TOEKOMSTIG_RECHT. [1 De Vlaamse Regering zal een adviesplicht of andere formele voorwaarden verbinden aan:
   1° het inleiden van een publieke herstelvordering bij het parket;
   2° het aanhangig maken van een publieke herstelvordering bij de rechter;
   3° het opstarten van een ambtshalve uitvoering van publieke herstelmaatregelen.
   In het eerste lid, 3°, wordt onder opstarten van een ambtshalve uitvoering een van de volgende acties verstaan:
   1° een gunningsprocedure tot aanwijzing van een particulier die het vonnis of het arrest zal uitvoeren, aanvatten;
   2° een particulier binnen een raamovereenkomst schriftelijk of mondeling belasten om het vonnis of arrest uit te voeren;
   3° de nodige instructies aan een ambtenaar of een dienst geven om het vonnis of arrest uit te voeren.
   In dat geval regelt de Vlaamse Regering de adviesprocedure en de samenstelling en werking van het adviesorgaan, en bepaalt de rechtsgevolgen van het advies.]1

  
Art. 6_3.1.DROIT_FUTUR. [1 Le Gouvernement flamand assortira un devoir de conseil ou d'autres conditions formelles :
   1° à l'introduction d'une requête de réparation publique auprès du parquet ;
   2° à la saisie d'une requête de réparation publique auprès du juge ;
   3° au démarrage d'une exécution d'office de mesures de réparation publiques.
   A l'alinéa 3, 3°, on entend par démarrage d'une exécution d'office l'une des actions suivantes :
   1° démarrer une procédure d'adjudication pour la désignation d'un particulier qui va exécuter le jugement ou l'arrêt ;
   2° charger un particulier par écrit ou verbalement, au sein d'un accord-cadre, d'exécuter le jugement ou l'arrêt ;
   3° donner les instructions nécessaires à un fonctionnaire ou un service pour exécuter le jugement ou l'arrêt.
   Le cas échéant, le Gouvernement flamand règle la procédure d'avis et la composition et le fonctionnement de l'instance d'avis, et fixe les conséquences juridiques de l'avis.]1

  
Art. 6.3.2. [1 Als de herstelvordering van de burgerlijke partij niet overeenstemt met de herstelmaatregelen, voorgeschreven met toepassing van artikel 6.3.1, bepaalt de rechtbank de herstelmaatregelen die ze passend acht.]1
  
Art. 6.3.2. [1 Si la requête en réparation de la partie civile ne correspond pas aux mesures de réparation prescrites en applications de l'article 6.3.1, le tribunal définit les mesures de réparation qu'il juge appropriées.]1
  
Art. 6_3.2.TOEKOMSTIG_RECHT. [1 De rechtbank kan de titel van eigendomsverkrijging of van huur vernietigen op vordering van de kopers of de huurders van een goed dat het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen, onverminderd het recht van de kopers of huurders om schadevergoeding te eisen.
   De vordering tot vernietiging, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden ingeroepen als de schending van de informatieplicht over de publiciteit en de onderhandse overeenkomst is rechtgezet bij de authentieke akteverlening en de informatiegerechtigde in de voormelde akte afziet van de vordering tot nietigverklaring op basis van een schending van de informatieplicht.]1

  
Art. 6_3.2.DROIT_FUTUR. [1 Le tribunal peut annuler le titre d'accession à la propriété ou de location sur réquisition des acheteurs ou des locataires d'un bien faisant l'objet ou pouvant faire l'objet de mesures de réparation judiciaires ou administratives, sans préjudice du droit des acheteurs ou des locataires d'exiger des dommages et intérêts.
   L'action d'annulation, visée à l'alinéa 1er, ne peut plus être révoquée lorsque la violation de l'obligation d'information sur la publicité et le marché de gré à gré est rectifiée lors de l'attribution de l'acte et lorsque l'ayant droit d'information renonce à l'action d'annulation dans l'acte précité sur la base d'une violation de l'obligation d'information.]1

  
Art. 6.3.3. [1 § 1. De bevoegde overheid kan ook voor de burgerlijke rechtbank de herstelmaatregelen en dwangsom, vermeld in artikel 6.3.1, vorderen, ongeacht of de te herstellen schade veroorzaakt is door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken.
   De herstelvordering wordt met naleving van artikel 6.3.10 bij de burgerlijke rechtbank ingeleid door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente.
   De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.
   § 2. De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving van de gedinginleidende akte in [2 het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar de goederen liggen]2. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.
   § 3. Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt:
   1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
   2° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
   3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
   Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige misdrijven nemen de termijnen, vermeld in het eerste lid, een aanvang de dag waarop het misdrijf is voltooid. In afwijking van het eerste lid kunnen herstelvorderingen voor de burgerlijke rechtbank, gebaseerd op stedenbouwkundige misdrijven, nooit verjaren voor het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en de gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden betreffende burgerlijke rechtsvorderingen die volgen uit een misdrijf, blijven van toepassing.
   Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige inbreuken voor de burgerlijke rechtbank neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag waarop de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden, vermeld in de artikelen 2242 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, blijven van toepassing.]1

  
Art. 6.3.3. [1 § 1er. L'autorité compétente peut également requérir, par-devant le tribunal civil, les mesures de réparation et l'astreinte visées à l'article 6.3.1, et ce que les dommages à réparer aient été provoqués par des délits urbanistiques ou des infractions urbanistiques.
   La requête en réparation est introduite auprès du tribunal civil, dans le respect de l'article 6.3.10, par l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, respectivement au nom de la Région flamande ou de la commune.
   Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions formelles auxquelles la requête en réparation doit satisfaire sous peine d'irrecevabilité.
   § 2. La citation ne sera recevable qu'après la transcription de l'acte introductif d'instance au [2 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale de la région où les biens se situent]2. Toute décision finale rendue dans l'affaire est inscrite en marge de l'acte introductif d'instance transcrit de la façon mentionnée à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. A défaut de transcription, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'obtention.
   § 3. Le droit de réquisition de l'inspecteur urbaniste et du bourgmestre se prescrit comme suit :
   1° dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial : au bout de dix années ;
   2° dans une zone d'espace ouvert : au bout de dix années ;
   3° dans les autres zones : au bout de cinq années ;
   Dans le cas de requêtes en réparation pour des délits urbanistiques, les délais visés au premier alinéa prennent cours le jour où le délit a été commis. Par dérogation au premier alinéa, les requêtes en réparation basées sur des délits urbanistiques ne peuvent jamais se prescrire avant la déchéance de la possibilité d'imposition d'une amende administrative. L'article 26 du titre préliminaire du Code pénal ainsi que les motifs de suspension et d'opposition de droit commun concernant les actions civiles engagées à la suite d'un délit restent d'application.
   Dans le cas de requêtes en réparation pour des infractions urbanistiques par-devant le tribunal civil, le délai de prescription prend cours le jour qui suit celui où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par unité d'intention, a été commis. Les motifs de suspension et d'opposition de droit commun, visés aux articles 2242 et suivants du Code civil, restent d'application.]1

  
Art. 6_3.3.TOEKOMSTIG_RECHT. [1 Bestuurlijke herstelmaatregelen opleggen is niet mogelijk als de herstelplicht van de overtreder is ontstaan voor 1 maart 2018.]1
  
Art. 6_3.3.DROIT_FUTUR. [1 Il n'est pas possible d'imposer des mesures de réparation administratives lorsque le devoir de réparation du contrevenant est né avant le 1er mars 2018.]1
  
Art. 6.3.4. [1 § 1. Als de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, als het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of als de bouw- of aanpassingswerken niet binnen die termijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis of arrest altijd dat de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde.
   Het opstarten van een ambtshalve uitvoering geschiedt met naleving van artikel 6.3.10, § 1. Er wordt onder verstaan :
   1° hetzij het aanvatten van een gunningsprocedure tot aanwijzing van een particulier die het vonnis of het arrest zal uitvoeren;
   2° hetzij het schriftelijk of mondeling belasten van een particulier, binnen een raamovereenkomst, tot uitvoering van het vonnis of arrest;
   3° hetzij het geven van de nodige instructies aan een ambtenaar of een dienst voor de uitvoering van het vonnis of arrest.
   De overheid of de particulier die het vonnis of het arrest uitvoert, is gerechtigd om de materialen en voorwerpen, afkomstig van de herstelling van de plaats of van de staking van het strijdig gebruik te verkopen, te vervoeren en te verwijderen.
   De overtreder die in gebreke blijft, is verplicht alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat die de overheid, vermeld in het eerste lid, heeft opgesteld of die de beslagrechter in de burgerlijke rechtbank begroot en uitvoerbaar verklaard heeft.
   De verjaring van het recht op het uitvoeren van de herstelmaatregel neemt een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank heeft bepaald voor de tenuitvoerlegging ervan.
   § 2. De meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de titularis van een zakelijk recht, verkregen onder bezwarende titel en middels een authentieke akte, verleden na de inwerkingtreding van dit lid, op het goed dat het voorwerp uitmaakte van het vonnis of arrest.
   Op voorwaarde dat de titel al was overgeschreven vóór de gedinginleidende akte, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, en 6.3.3, § 2, blijft het verhaal van de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, evenwel beperkt tot de verrijking die de titularis van het zakelijk recht ingevolge de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.
   § 3. De meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, worden, samen met de invorderingskosten, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten die toebehoren aan de veroordeelde, vermeld in paragraaf 1, en die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk wordt doorgehaald conform hoofdstuk IV en V van de Hypotheekwet van 16 december 1851. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van de rechterlijke beslissing waarin de herstelmaatregelen worden opgelegd, niettegenstaande beroep of verzet.
   Daarnaast kan een wettelijke hypotheek ingeschreven worden op alle zakelijke rechten van de titularis van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde herstelmaatregel, vermeld in artikel 6.3.1, § 1, of artikel 6.3.3, § 1, voor zover dit recht verkregen werd onder bezwarende titel en middels een authentieke akte, verleden na de inwerkingtreding van dit lid. Als diens titel echter al overgeschreven was vóór de overschrijving van de gedinginleidende akte, blijft de wettelijke hypotheek, voor de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, beperkt tot het onroerend goed waarop de maatregel betrekking heeft, en dit ten belope van de verrijking die de titularis ingevolge de uitvoering van die maatregel zal verkrijgen of al verkregen heeft.
   Het bestuur dat belast is met de inschrijving van de wettelijke hypotheek, kan op voorstel van de veroordeelde of de titularis van het zakelijk recht, vermeld in paragraaf 2, een alternatieve zekerheid aanvaarden of het onderpand van de hypotheek inperken, als daarvoor ernstige redenen bestaan en de alternatieve of ingeperkte zekerheid voldoende zijn voor de waarborging van de bedragen, vermeld in het eerste lid.
   § 4. Het bestuur dat belast is met de invordering van de dwangsom, is ertoe gemachtigd aan de schuldenaars die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
   De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel.
   De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van het tweede lid.
   § 5. Onverminderd paragraaf 4 kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
   Het gemotiveerde verzoek, met inbegrip van eventuele bijlagen, wordt ingediend met een beveiligde zending respectievelijk bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde of bij het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde. De verzoeker bezorgt een afschrift van het verzoek aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
   Binnen een ordetermijn van negentig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de beveiligde zending wordt er uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na het schriftelijke advies, vermeld in artikel 6.3.12, van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken. Het advies is niet bindend.
   De verzoeker wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing. De beslissing wordt ook bezorgd aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van deze paragraaf.]1

  
Art. 6.3.4. [1 § 1er. Si le lieu n'est pas restauré dans son état précédent dans le délai fixé par le tribunal, si l'utilisation contraire ne cesse pas dans ce délai ou si les travaux de construction ou d'adaptation ne sont pas exécutés dans ce délai, le jugement ou l'arrêté ordonne toujours que l'inspecteur urbaniste et le bourgmestre puissent d'office pourvoir à leur exécution en lieu et place et aux frais du condamné.
   Le démarrage d'une exécution d'office se fait dans le respect de l'article 6.3.10, § 1er. On entend par " démarrage d'une exécution d'office " :
   1° soit le démarrage d'une procédure d'attribution visant la désignation d'un particulier qui exécutera le jugement ou l'arrêt ;
   2° soit le fait de charger, dans le cadre d'un accord-cadre, par voie orale ou écrite, un particulier de l'exécution du jugement ou de l'arrêt ;
   3° soit le fait de donner les instructions requises à un fonctionnaire ou à un service lui permettant de procéder à l'exécution du jugement ou de l'arrêt.
   L'autorité ou le particulier qui exécute le jugement ou l'arrêt a le droit de vendre, de transporter et d'évacuer les matériaux et objets provenant de la réparation des lieux ou de la cessation de l'utilisation contraire.
   Le contrevenant restant en défaut est obligé d'indemniser tous les frais d'exécution, diminués du bénéfice de la vente des matériaux et objets, sur la présentation d'un état, établi par l'autorité visée au premier alinéa ou porté en budget et déclaré exécutoire par le juge ayant décidé de la saisie au tribunal civil.
   La prescription du droit d'exécution de la mesure réparatrice prend cours à partir de l'écoulement du délai que le tribunal a fixé pour son exécution.
   § 2. La plus-value et les coûts qui sont liés à l'exécution d'office, visée au paragraphe 1er, peuvent également être réclamés au titulaire d'un droit matériel, acquis à titre onéreux et moyennant un acte authentique, passé après l'entrée en vigueur de cet alinéa et portant sur le bien ayant fait l'objet du jugement ou de l'arrêté.
   A condition que le titre ait été transcrit avant l'acte introductif d'instance visé aux articles 6.3.1, § 6, et 6.3.3, § 2, la réclamation des coûts liés à l'exécution d'office visés au paragraphe 1er se limite toutefois à l'enrichissement réalisé par le titulaire de ce droit matériel à la suite de l'exécution de la mesure de réparation imposée.
   § 3. La plus-value et les coûts qui sont liés à l'exécution d'office, visés au paragraphe 1er, sont, ainsi que les frais de recouvrement, garantis par une hypothèque légale qui s'étend à tous les droits matériels qui appartiennent au condamné, visé au paragraphe 1er, et qui sont inscrits, renouvelés, réduits ou rayés en tout ou en partie conformément aux chapitres IV et V de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. L'hypothèque est inscrite sur présentation d'une copie de la décision judiciaire imposant les mesures de réparation ou de maintien, nonobstant un recours ou une opposition.
   En outre, une hypothèque légale peut être inscrite sur tous les droits matériels du titulaire d'un droit matériel sur le bien qui fait l'objet de la mesure de réparation imposée, mentionné à l'article 6.3.1, § 1er, ou à l'article 6.3.3, § 1er, pour autant que ce droit ait été acquis à titre onéreux et moyennant un acte authentique, passé après l'entrée en vigueur du présent alinéa. Si, toutefois, son titre était déjà inscrit avant la transcription de l'acte introductif d'instance, l'hypothèque légale se limite, en ce qui concerne les coûts liés à l'exécution d'office visée au paragraphe 1er, au bien immobilier sur lequel porte la mesure, et ce à concurrence de l'enrichissement que le titulaire réalisera ou a réalisé à la suite de l'exécution de cette mesure.
   L'administration chargée de l'inscription de l'hypothèque légale peut, sur proposition du condamné ou du titulaire du droit matériel visé au paragraphe 2, accepter une garantie alternative ou restreindre le nantissement de l'hypothèque, s'il existe des raisons sérieuses à cet effet et si la garantie alternative ou restreinte est suffisante pour le cautionnement des montants visés au premier alinéa.
   § 4. L'administration qui est chargée du recouvrement de l'astreinte est autorisée à accorder des sursis ou étalements de payement aux débiteurs qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
   L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte, peut, au nom de la Région flamande ou de la commune, d'office ou sur simple demande, décider qu'une astreinte exigible ne soit pas recouvrée ou ne le soit que partiellement, sans que cela ne puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation.
   Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus précises et définir des règles de procédure pour l'application du deuxième alinéa.
   § 5. Sans préjudice du paragraphe 4, la Région flamande ou la commune, représentée respectivement par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, peut, sur demande motivée, renoncer temporairement ou définitivement à la perception d'une astreinte devenue exigible. Ladite renonciation est possible pour tout ou partie de la créance exigible sans que cela ne puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. Le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins peuvent déléguer leur pouvoir de décision.
   La demande motivée, y compris ses annexes éventuelles, est introduite soit auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé, soit auprès du collège des bourgmestre et échevins. Le demandeur fait parvenir une copie de la demande à l'inspecteur urbaniste régional, à l'inspecteur urbaniste communal ou au bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte.
   Dans un délai de nonante jours à compter du lendemain du jour suivant la réception de l'envoi sécurisé, une décision est rendue, le cas échéant, après l'avis écrit, visé à l'article 6.3.12, du Conseil supérieur d'exécution du maintien. Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis. L'avis n'est pas contraignant.
   Le demandeur est informé de la décision par envoi sécurisé. La décision est également transmise à l'inspecteur urbaniste régional, à l'inspecteur urbaniste communal ou au bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte.
   Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus précises pour l'application de ce paragraphe.]1

  
Art. 6_3.4.TOEKOMSTIG_RECHT. [1 Vanaf de datum van afgifte van het attest van uitvoering, vermeld in artikel 72 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kunnen ten aanzien van het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen onderhoudswerken als vermeld in artikel 4.1.1, 9°, van deze codex, worden uitgevoerd en stabiliteitswerken als vermeld in artikel 4.1.1, 11°, van deze codex, worden vergund.]1
  
Art. 6_3.4.DROIT_FUTUR. [1 A compter de la date de délivrance du certificat de mise en oeuvre, visé à l'article 72 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, compte tenu de l'objet des mesures de réparation exécutées, des travaux d'entretien tels que visés à l'article 4.1.1, 9°, du présent code, peuvent être exécutés et des travaux de stabilité tels que visés à l'article 4.1.1, 11°, du présent code, peuvent être autorisés.]1
  
Art. 6.3.5. [1 § 1. Met betrekking tot definitieve rechterlijke herstelmaatregelen waarvan de uitvoeringstermijn al meer dan vijf jaar overschreden is, kan de bevoegde overheid die de titel heeft doen betekenen met bevel tot uitvoeren, een nieuwe uitvoeringstermijn als vermeld in artikel 6.3.1, § 4, verlenen in de vorm van een dading met de veroordeelden, hun rechtsopvolgers en de rechthebbenden van het onroerend goed waarop de herstelmaatregel rust.
   Een nieuwe uitvoeringstermijn impliceert nooit het recht om te handelen in strijd met de bepalingen van dit decreet. Gedurende de nieuwe uitvoeringstermijn blijft de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst.
   § 2. Die dading is maar mogelijk onder de volgende voorwaarden :
   1° de vaststelling van een nieuwe uitvoeringstermijn staat de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel niet definitief in de weg;
   2° alle personen met een zakelijk recht op het onroerend goed verbinden zich door de dading;
   3° de nieuwe uitvoeringstermijn is niet langer dan vijftien jaar, en verstrijkt van rechtswege zodra het gebruik van het onroerend goed in kwestie wordt stopgezet door alle in de dading geïdentificeerde actuele gebruikers;
   4° de dading bevat een betalingsplan voor de opeisbare dwangsomschuld, onverminderd de toepassing van de bevoegdheid, vermeld in artikel 6.3.4, § 4 en § 5;
   5° het bestuur die de vordering heeft gedaan waarop de rechterlijke herstelmaatregel werd bevolen, gaat akkoord met het sluiten van de dading.
   § 3. De dading wordt binnen een termijn van twee maanden gekantmeld op de overschrijving van de dagvaarding, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, of artikel 6.3.3, § 2.
   § 4. De vaststelling bij proces-verbaal dat het in de dading begrepen afbetalingsplan voor opeisbare dwangsomschuld niet werd nageleefd, heeft van rechtswege de ontbinding van de dading tot gevolg.
   § 5. Alle belanghebbenden kunnen verzet aantekenen tegen het verlenen van een nieuwe uitvoeringstermijn bij de rechter die de herstelmaatregel heeft opgelegd. Dat gebeurt door dagvaarding van de overheid die de dading heeft afgesloten.
   De rechter kan de uitvoeringstermijn opheffen of verminderen als dat nodig blijkt voor de vrijwaring van de belangen van de partij die verzet aantekent.]1

  
Art. 6.3.5. [1 § 1er. En ce qui concerne les mesures de réparations judiciaires définitives dont le délai est dépassé depuis plus de cinq ans, l'autorité compétente qui a fait signifier le titre par un ordre d'exécution peut accorder un nouveau délai d'exécution tel que visé à l'article 6.3.1, § 4, sous la forme d'une transaction avec les condamnés, ses ayants-droit et les ayants-droit du bien immobilier sur lequel repose la mesure de réparation.
   Un nouveau délai d'exécution n'implique en aucun cas le droit d'agir en contradiction avec les dispositions du présent décret. Durant le nouveau délai d'exécution, la prescription du droit d'exécution de la mesure de réparation judiciaire définitive reste suspendue.
   § 2. Cette transaction n'est possible qu'aux conditions suivantes :
   1° la fixation d'un nouveau délai d'exécution n'empêche pas définitivement la mise à exécution de la mesure de réparation ;
   2° toutes les personnes disposant d'un droit matériel sur le bien immobilier s'engagent à respecter la transaction ;
   3° le nouveau délai d'exécution n'excède pas quinze années et expire de plein droit dès que l'utilisation du bien immobilier en question par tous les utilisateurs avérés identifiés dans la transaction cesse ;
   4° la transaction comporte un plan de paiement de la dette d'astreinte exigible, sans préjudice de l'application de la compétence visée à l'article 6.3.4, § 4 et § 5;
   5° l'administration qui a intenté l'action dans le cadre de laquelle la mesure de réparation judiciaire a été ordonnée est d'accord avec la conclusion de la transaction.
   § 3. La transaction est, dans un délai de deux mois, mentionnée en marge de la transcription de la citation visée à l'article 6.3.1, § 6 ou 6.3.3, § 2.
   § 4. La constatation par procès-verbal du non-respect du plan de paiement compris dans la transaction pour la dette d'astreinte exigible entraîne de plein droit la dissolution de la transaction.
   § 5. Tous les ayants droit peuvent faire opposition à l'octroi d'un nouveau délai d'exécution auprès du juge qui a imposé cette mesure de réparation. Ceci se fait par citation de l'autorité qui a conclu la transaction.
   Le juge peut lever ou raccourcir le délai d'exécution si cela s'avère nécessaire pour la sauvegarde des intérêts de la partie qui fait opposition]1

  
Art. 6.3.6. [1 § 1. De veroordeelde brengt de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, onmiddellijk met een beveiligde zending ervan op de hoogte als hij de opgelegde herstelmaatregel vrijwillig heeft uitgevoerd.
   Na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, maakt de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, een proces-verbaal van vaststelling op.
   Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.
   De stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, zendt een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de andere stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever de veroordeelde, diens rechtsopvolgers en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde maatregelen.
   Behalve in geval van bewijs van het tegendeel, geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.
   § 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt conform artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, en artikel 6.3.3, § 2.
   Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gedaan, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een authentieke akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, in een afzonderlijke akte er melding van maken dat voor het onroerend goed bij uitvoerbaar rechterlijk bevel, een verplichting werd uitgesproken om een herstelmaatregel uit te voeren. In die akte wordt bepaald dat de nieuwe titularis, voor zover de tenuitvoerlegging van de door de rechter bevolen herstelmaatregel niet verjaard is, de verbintenis aangaat om de opgelegde herstelmaatregel uit te voeren, onverminderd de verplichting van de veroordeelde.
   De kosten verbonden aan de afzonderlijke akte, vermeld in het vorige lid, vallen steeds ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
   De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, en is ertoe gehouden de grosse op hun verzoek af te leveren.]1

  
Art. 6.3.6. [1 § 1er. Le condamné informe immédiatement l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, par envoi sécurisé s'il a exécuté volontairement la mesure de réparation imposée.
   Après la notification visée au premier alinéa, l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, dresse un procès-verbal de constatation.
   A défaut d'une signification avec ordre d'exécution, seul l'inspecteur urbaniste régional est compétent pour dresser un procès-verbal de constatation.
   L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, envoie une copie du procès-verbal de constatation à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre, qui n'ont pas été mentionnés comme donneurs d'ordre dans l'acte de signification au condamné, à ses ayants droit et aux personnes qui disposent d'un droit matériel sur le bien immobilier qui fait l'objet des mesures imposées.
   Sauf preuve du contraire, seul le procès-verbal de constatation sert de preuve de la réparation et de la date de la réparation.
   § 2. Le procès-verbal de constatation, visé au paragraphe 1er, est, conformément à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851, inscrit en marge de la transcription visée aux articles 6.3.1, § 6, et 6.3.3, § 3.
   Tant que l'inscription, visée à l'alinéa premier, n'a pas été effectuée, le fonctionnaire instrumentant doit, suite à un acte authentique portant sur le transfert d'un droit matériel, mentionner, dans un acte distinct, qu'une obligation a été prononcée par ordre judiciaire exécutable pour le bien immobilier en vue de l'exécution d'une mesure de réparation. Cet acte détermine que le nouveau titulaire s'engage, pour autant que la mise à exécution de la mesure de réparation imposée par le juge ne soit pas prescrite, à exécuter la mesure de réparation imposée, et ce sans préjudice de l'obligation du condamné.
   Les frais liés à l'acte distinct visé à l'alinéa précédent sont toujours à la charge du cédant du droit matériel.
   Le fonctionnaire instrumentant envoie une copie de cet acte à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre, et est tenu de fournir la grosse à leur demande.]1

  
Afdeling 2. [1 - De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering]1
Section 2. [1 - Le Conseil supérieur pour l'exécution du maintien]1
Afdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 2. DROIT_FUTUR.
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Onderafdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 1re. DROIT_FUTUR.
Art. 6.3.7. [1 § 1. Bij het Vlaams Ministerie van Omgeving wordt een Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering opgericht, hierna hoge raad te noemen.
   § 2. De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering is een orgaan van actief bestuur.
   De adviezen en beslissingen van de hoge raad zijn te allen tijde gesteund op motieven die ontleend worden aan :
   1° het recht, met inbegrip van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals die specifiek binnen de ruimtelijke ordening gelden;
   2° de weerslag van inbreuken op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening, meer bepaald het niveau van de goede ruimtelijke ordening van naburige percelen dat zou worden behaald als zich geen schade ten gevolge van een stedenbouwkundig misdrijf of een stedenbouwkundige inbreuk zou hebben voorgedaan.
   § 3. De Vlaamse Regering geeft nooit instructies over de behandeling van concrete dossiers die aan de beoordeling van de hoge raad zijn voorgelegd.]1

  
Art. 6.3.7. [1 § 1er. Un " Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering " (Conseil supérieur pour l'exécution du maintien) est créé au sein du Ministère flamand de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire, appelé ci-après " Conseil supérieur ".
   § 2. Le " Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering " est un organisme d'administration active.
   Ses avis et décisions sont de tout temps fondés sur des motifs tirés :
   1° du droit, y compris des principes généraux de bonne administration, comme ceux qui s'appliquent spécifiquement dans le secteur de l'aménagement du territoire ;
   2° de la répercussion des infractions sur les droits de tiers et sur l'aménagement local, c'est-à-dire le niveau de bon aménagement du territoire des parcelles avoisinantes qui aurait été réalisé s'il n'y avait pas eu de préjudice en conséquence d'un délit urbanistique ou d'une infraction urbanistique.
   § 3. Le Gouvernement flamand ne donne jamais d'instructions sur le traitement de dossiers concrets qui sont soumis à l'appréciation du Conseil supérieur.]1

  
Art. 6.3.8. [1 § 1. De hoge raad wordt samengesteld uit een voorzitter, drie leden-juristen en drie leden-deskundigen.
   De voorzitter en de leden-juristen bezitten de graad van master in de Rechten en bezitten ten minste tien jaar nuttige ervaring op het vlak van zowel het Vlaamse ruimtelijkeordeningsrecht als de rechtsbescherming tegen bestuurlijk optreden.
   De leden-deskundigen bezitten ten minste tien jaar nuttige ervaring op het vlak van de Vlaamse ruimtelijke ordening.
   § 2. De Vlaamse Regering kan de selectiecriteria, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, verfijnen.]1

  
Art. 6.3.8. [1 § 1er. Le Conseil supérieur est composé d'un président, de trois membres juristes et de trois membres experts.
   Le président et les membres juristes sont titulaires d'un grade de master en droit et disposent d'au moins dix ans d'expérience utile, tant dans le domaine du droit flamand de l'aménagement du territoire que dans celui de la protection juridique contre les actes administratifs.
   Les membres experts disposent d'au moins dix ans d'expérience utile dans le domaine de l'aménagement du territoire flamand.
   § 2. Le Gouvernement flamand peut affiner les critères de sélection visés au paragraphe 1er, deuxième et troisième alinéas.]1

  
Art. 6.3.9. [1 § 1. De voorzitter en de overige leden worden door de Vlaamse Regering aangewezen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. Ze blijven in functie tot in hun vervanging is voorzien.
   § 2. Het mandaat van lid van de hoge raad is onverenigbaar met het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad, een districtsraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   § 3. Als een mandaat in de hoge raad om welke reden ook vacant verklaard wordt, wordt overgegaan tot de vervanging van het lid voor de verdere duur van het mandaat.
   § 4. De Vlaamse Regering kan aan de hoge raad tijdelijke leden toevoegen om aan uitzonderlijke omstandigheden het hoofd te bieden. De tijdelijke leden voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.3.8, § 1, tweede of derde lid, in voorkomend geval verfijnd door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 6.3.8, § 2.
   Behalve in geval van verlenging eindigt de opdracht van de tijdelijke leden als de termijn waarvoor ze zijn aangewezen, verstreken is. Voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan de beslissing van de hoge raad.
   § 5. De leden van de hoge raad ontvangen ten laste van het Vlaamse Gewest een vergoeding, presentiegelden en reis- en verblijfskosten, waarvan het bedrag of de berekeningswijze wordt vastgelegd door de Vlaamse Regering.]1

  
Art. 6.3.9. [1 § 1er. Le président et les autres membres sont désignés par le Gouvernement flamand pour un délai renouvelable de cinq ans. Ils restent en fonction jusqu'à ce qu'il soit pourvu à leur remplacement.
   § 2. Le mandat de membre du Conseil supérieur est incompatible avec la qualité de membre d'une assemblée législative, un conseil provincial, un conseil communal, un conseil de district ou un conseil de centre public d'action sociale.
   § 3. Lorsque, pour quelque motif que ce soit, un mandat au sein du Conseil supérieur est déclaré vacant, il est procédé au remplacement du membre pour la durée restante du mandat.
   § 4. Le Gouvernement flamand peut ajouter des membres temporaires au Conseil supérieur en vue de faire face à des circonstances exceptionnelles. Les membres temporaires répondent aux conditions visées à l'article 6.3.8, § 1er, deuxième ou troisième alinéa, le cas échéant affinées par le Gouvernement flamand en application de l'article 6.3.8, § 2.
   Sauf en cas de prolongation, la mission des membres temporaires s'achève lorsque le délai pour lequel ils ont été désignés arrive à expiration. Toutefois, pour les questions au sujet desquelles un débat est en cours ou qui sont en cours de délibération, la mission se prolonge jusqu'à la décision du Conseil supérieur.
   § 5. Les membres du Conseil supérieur se voient attribuer, à charge de la Région flamande, des indemnités, jetons de présence et frais de voyage et de séjour, dont le Gouvernement flamand détermine le montant ou la méthode de calcul.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Adviesplichten]1
Sous-section 2. [1 - Obligations de conseil]1
Onderafdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 2. DROIT_FUTUR.
Art. 6.3.10. [1 § 1. De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen pas overgaan tot het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie, tot het vorderen van herstel voor de burgerlijke rechter of tot het opstarten van de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel, als de hoge raad daarvoor vooraf een positief advies heeft verleend.
   De adviesplicht met betrekking tot de herstelvordering geldt op straffe van onontvankelijkheid.
   § 2. Het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie kan pas worden gevolgd door het vorderen van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter of omgekeerd, als daarvoor een nieuw positief advies van de hoge raad werd verkregen.
   § 3. De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen pas overgaan tot het betekenen van een vonnis of arrest waarvan de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen op de betekeningsdatum al tien jaar of meer is verstreken, als de hoge raad daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend.
   Het advies, vermeld in het eerste lid, is niet vereist als voldaan is aan een van de volgende omstandigheden :
   1° voorwerp van het misdrijf in kwestie ligt in een ruimtelijk kwetsbaar gebied;
   2° het misdrijf dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis of arrest, heeft betrekking op het verrichten van handelingen die in strijd zijn met een stakingsbevel of met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de bestemmingen die voor het gebied toegestaan zijn;
   3° aan de overtreder werden na het vonnis of arrest nieuwe strafrechtelijke of bestuurlijke sancties of verplichtingen tot schadevergoeding opgelegd uit hoofde van een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf.]1

  
Art. 6.3.10. [1 § 1er. L'inspecteur urbaniste et le bourgmestre ne peuvent procéder à l'introduction d'une requête en réparation auprès du ministère public, à une action en réparation par-devant le juge civil ou au démarrage de l'exécution d'office d'une mesure de réparation judiciaire qu'après que le Conseil supérieur a rendu un avis positif préalable à cet effet.
   L'obligation de conseil relative à la requête en réparation s'applique à peine d'irrecevabilité.
   § 2. L'introduction d'une requête en réparation auprès du ministère public ne peut être suivie d'une action de requête en réparation devant le juge civil, ou inversement, qu'après qu'un nouvel avis positif a été rendu à cet effet par le Conseil supérieur.
   § 3. L'inspecteur urbaniste et le bourgmestre ne peuvent procéder à la signification d'un jugement ou arrêt dont le délai d'exécution des mesures de réparations est, à la date de signification, expiré depuis dix ans ou plus qu'après que le Conseil supérieur a rendu un avis positif préalable à cet effet.
   L'avis visé au premier alinéa n'est pas exigé dans l'une des circonstances suivantes :
   1° l'objet du délit en question est situé en zone vulnérable du point de vue spatial ;
   2° le délit qui a donné lieu au jugement ou à l'arrêt porte sur l'exécution d'actions contraires à un ordre de cessation ou aux prescriptions urbanistiques concernant les destinations autorisées pour la zone ;
   3° de nouvelles sanctions pénales ou administratives ou obligations d'indemnisation ont, après le jugement ou l'arrêt, été imposées au contrevenant pour cause d'infraction urbanistique ou de délit urbanistique.]1

  
Art. 6.3.11. [1 § 1. Het advies wordt gevraagd met een beveiligde zending.
   Het procedurereglement, vermeld in artikel 6.3.15, bepaalt de vorm en inhoud van de aanvraag nader en vermeldt welke stukken bij de aanvraag gevoegd moeten worden.
   § 2. De plenaire vergadering van de hoge raad brengt een advies uit binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening van de adviesaanvraag.
   Bij het overschrijden van de termijn, vermeld in het eerste lid, mag aan de adviesvereiste voorbij worden gegaan.
   § 3. Een advies wordt met een beveiligde zending betekend aan het betrokken bestuur. De hoge raad bezorgt een afschrift van het advies aan de belanghebbenden die in de zaak zijn gehoord of aan de personen die bij de hoge raad op grond van het dossier bekend zijn.
   Een positief advies geldt voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop over het advies wordt beslist.
   Het betrokken bestuur of een derde-belanghebbende kan bij de hoge raad een gemotiveerd verzoek tot heroverweging instellen tegen de afgifte van een negatief advies.]1

  
Art. 6.3.11. [1 § 1er. L'avis est demandé par envoi sécurisé.
   Le règlement de procédure mentionné à l'article 6.3.15 précise la forme et le contenu de la demande et mentionne les pièces à joindre à la demande.
   § 2. La séance plénière du Conseil supérieur rendra un avis dans un délai de déchéance de soixante jours, à compter du jour suivant la date de la signification de la demande d'avis.
   En cas de dépassement du délai mentionné à l'alinéa premier, l'exigence d'avis peut être ignorée.
   § 3. Un avis est signifié à l'administration concernée par envoi sécurisé. Le Conseil supérieur transmet une copie de l'avis aux parties intéressées qui ont été entendues dans le cadre de l'affaire ou dont le Conseil supérieur a connaissance en vertu du dossier.
   Un avis positif a une validité de deux ans, à compter de la date à laquelle une décision est prise concernant l'avis.
   L'administration concernée ou une tierce partie intéressée peut introduire auprès du Conseil supérieur une requête motivée de réévaluation de l'avis négatif rendu.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Bevoegdheid inzake advisering bij opeisbare dwangsomschulden en bij beroepen tegen bestuurlijke besluiten]1
Sous-section 3. [1 - Compétence en matière de consultation en cas d'astreintes exigibles et en cas de recours contre des décisions administratives]1
Onderafdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 3. DROIT_FUTUR.
Art. 6.3.12. [1 § 1. In de procedure, vermeld in artikel 6.3.4, § 5, wint respectievelijk de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen een schriftelijk advies in bij de hoge raad over het verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
   In zijn advies houdt de hoge raad in het bijzonder rekening met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De hoge raad toetst zijn advies aan de beleidslijnen die in voorkomend geval opgenomen zijn in het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, vermeld in artikel 6.1.3, § 1, vierde lid, 6°.
   § 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   § 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.]1

  
Art. 6.3.12. [1 § 1er. Dans le cadre de la procédure visée à l'article 6.3.4, § 5, le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, respectivement, recueille un avis écrit du Conseil Supérieur sur la demande de renonciation temporaire ou définitive à poursuivre la perception d'une astreinte devenue exigible. Le Conseil supérieur traite ces demandes d'avis en priorité.
   Dans son avis, il tient compte, en particulier, des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. Le Conseil supérieur évalue son avis à la lumière des directives qui, le cas échéant, sont reprises dans le programme de maintien de l'aménagement du territoire, visé à l'article 6.1.3, § 1, quatrième alinéa, 6°.
   § 2. L'avis est rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter du jour suivant la réception de la demande d'avis par le Conseil supérieur. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
   § 3. Les règles de fonctionnement, visées à l'article 6.3.13, § 1, et aux articles 6.3.14 à 6.3.17 inclus, s'appliquent par analogie. Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure.]1

  
Art. 6.3.12 /1. [1 § 1. In de beroepsprocedure, vermeld in artikel 6.4.8 en 6.4.15, wint de Vlaamse Regering schriftelijk advies in bij de hoge raad over de herstelmaatregelen als het dossier ontvankelijk wordt bevonden. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
   § 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   § 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.]1

  
Art. 6.3.12 /1. [1 § 1er. Dans le cadre de la procédure de recours visée aux articles 6.4.8 et 6.4.15, le Gouvernement flamand recueille l'avis écrit du Conseil supérieur sur les mesures de réparation si le dossier est jugé recevable. Le Conseil supérieur traite ces demandes d'avis en priorité.
   § 2. L'avis est rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter du jour suivant la réception de la demande d'avis par le Conseil supérieur. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
   § 3. Les règles de fonctionnement, visées à l'article 6.3.13, § 1, et aux articles 6.3.14 à 6.3.17 inclus, s'appliquent par analogie. Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure.]1

  
Onderafdeling 3/1. [1 - Bemiddeling]1
Sous-section 3/1. [1 - Médiation]1
Onderafdeling 3/1. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 3/1. DROIT_FUTUR.
Art. 6.3.12 /2. [1 De hoge raad is belast met vrijwillige en gerechtelijke bemiddeling zoals vermeld in artikel 6.3.12/3 en 6.3.12/4.
   De hoge raad kan een bemiddelaar aanwijzen onder zijn leden of onder de leden van het permanent secretariaat.
   Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.]1

  
Art. 6.3.12 /2. [1 Le Conseil supérieur est chargé d'une médiation volontaire et judiciaire, comme mentionné aux articles 6.3.12/3 et 6.3.12/4.
   Le Conseil supérieur peut désigner un médiateur parmi ses membres ou parmi les membres du secrétariat permanent.
   Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure.]1

  
Art. 6.3.12 /3. [1 § 1. Van bij de aanvang van een bestuurlijke procedure tot minnelijke schikking zoals vermeld in artikel 6.4.19 of een procedure tot het sluiten van een dading zoals vermeld in artikel 6.3.5, kan elke belanghebbende vragen aan de hoge raad om een vrijwillige bemiddeling op te starten.
   Dit geldt ook in geval van weigering van een minnelijke schikking of een dading door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester.
   § 2. De aanvraag om een vrijwillige bemiddeling op te starten wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending betekend aan de hoge raad.
   De aanvrager doet in de bemiddelingsaanvraag een opgave van de personen aan wie de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking of de dading betrekking heeft, toebehoren.
   In geval van niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de aanvrager, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester van de bevoegde gemeente hiervan per beveiligde zending in kennis.
   In geval van inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de personen, vermeld in het tweede en derde lid, hiervan per beveiligde zending in kennis.
   De personen, vermeld in het tweede en derde lid, worden voor de toepassing van dit artikel samen aangeduid als de betrokken partijen.
   De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddeling betrekken.
   § 3. Een bemiddeling eindigt wanneer de betrokken partijen een bemiddelingsakkoord bereiken.
   Onverminderd het eerste lid kan de hoge raad een bemiddeling te allen tijde beëindigen eens hij vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld. Dit kan onder meer wanneer de betrokken partijen de raad in kennis stellen van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. De hoge raad stelt de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2, daarvan per beveiligde zending in kennis.
   § 4. Vanaf de betekening van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot minnelijke schikking bedoeld in artikel 6.4.19, is de verjaring van de herstelvordering zoals bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, en van het recht een bestuurlijke maatregel op te leggen zoals bedoeld in artikel 6.4.3, § 2, geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
   Vanaf de verzending van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot dading bedoeld in artikel 6.3.5, is de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
   De schorsing bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt een einde vanaf de datum waarop:
   1° de hoge raad de beslissing tot niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag aan de aanvrager betekent;
   2° een bemiddelingsakkoord bereikt wordt;
   3° de hoge raad de beëindiging van de bemiddeling omwille van de vaststelling dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, betekent aan de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.]1

  
Art. 6.3.12 /3. [1 § 1er. Depuis le début d'une procédure administrative jusqu' à un arrangement à l'amiable au sens de l'article 6.4.19 ou une procédure de transaction au sens de l'article 6.3.5, chaque partie intéressée peut demander au Conseil supérieur d'engager une médiation volontaire.
   Cela s'applique aussi en cas de refus d'un règlement à l'amiable ou d'une transaction par l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre.
   § 2. La demande d'ouverture d'une médiation volontaire est signifiée par envoi sécurisé au Conseil supérieur sous peine d'irrecevabilité.
   Dans la demande de médiation, le demandeur indique les personnes auxquelles appartiennent les droits réels sur le bien immobilier auquel se rapporte l'arrangement à l'amiable ou la transaction.
   Dans le cas où la demande de médiation n'est pas prise en compte, le Conseil Supérieur en avise par envoi sécurisé le demandeur, l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre de la commune compétente.
   Dans le cas où la demande de médiation est prise en compte, le Conseil supérieur en avise par envoi sécurisé les personnes visées aux deuxième et troisième alinéas.
   Les personnes visées aux deuxième et troisième alinéas sont désignées conjointement comme les parties concernées pour l'application de cet article.
   Le médiateur désigné par le Conseil supérieur peut également faire intervenir des tiers dans la médiation.
   § 3. Une médiation prend fin lorsque les parties concernées parviennent à un accord de conciliation.
   Sans préjudice du paragraphe 1er, le Conseil supérieur peut mettre fin à une médiation à tout moment dès qu'il constate que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou plus remplies. C'est notamment possible si les parties concernées informent le Conseil supérieur de leur intention de mettre fin à la médiation. Le Conseil supérieur en informe par envoi sécurisé les parties concernées et, le cas échéant, les tiers concernés visés au paragraphe 2.
   § 4. A compter de la signification de la demande de médiation dans le cadre de la procédure d'arrangement à l'amiable visée à l'article 6.4.19, la prescription de la requête en réparation visée à l'article 6.3.3, § 3, et du droit d'imposer une mesure administrative visé à l'article 6.4.3, § 2, est suspendue pour les parties concernées et, le cas échéant, pour les tiers concernés visés au paragraphe 2.
   Dès l'envoi de la demande de médiation dans le cadre de la procédure de transaction visée à l'article 6.3.5, la prescription du droit d'exécution de la mesure de réparation judiciaire définitive est suspendue pour les parties concernées et, le cas échéant, pour les tiers concernés visés au paragraphe 2.
   La suspension visée aux premier et deuxièmes alinéas prend fin à partir de la date à laquelle :
   1° le Conseil supérieur signifie au demandeur la décision de non-prise en compte de la demande de médiation ;
   2° un accord de conciliation est atteint ;
   3° le Conseil supérieur, du fait qu'il est constaté que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou plus remplies, signifie la clôture de la médiation aux parties concernées et, le cas échéant, aux tiers concernés visés au paragraphe 2.]1

  
Art. 6.3.12 /4. [1 § 1. Zolang de zaak niet in beraad is genomen, kan de reeds geadieerde rechter in elke stand van de procedure zoals bedoeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, op verzoek van een van de partijen in het geding, op verzoek van de overheid die de herstelmaatregel vordert of op eigen initiatief een gerechtelijke bemiddeling bij de hoge raad bevelen.
   De rechterlijke beslissing die een bemiddeling beveelt, legt de duur van de opdracht van de hoge raad vast, zonder dat deze drie maanden kan overschrijden. Zij vermeldt tevens de datum waarop de zaak is verdaagd.
   § 2. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van de rechterlijke beslissing aan de partijen in het geding, de overheid die de herstelmaatregel vordert en de hoge raad.
   De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan derden bij de bemiddeling betrekken. Dit geldt ook ten opzichte van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester indien geen van hen een rechterlijke herstelmaatregel heeft gevorderd.
   § 3. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de hoge raad dit over aan de rechtbank.
   Minstens meldt de hoge raad bij afloop van de bemiddelingsopdracht schriftelijk aan de rechter of er al dan niet een bemiddelingsakkoord is bekomen.
   De rechter behoudt niettemin de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en zowel de overheid die de herstelmaatregel vordert als de partijen in het geding ermee instemmen, de bemiddelingsopdracht van de hoge raad voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.
   § 4. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik de noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de hoge raad kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
   § 5. Er is geen rechtsmiddel mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen, verlengd of beëindigd.]1

  
Art. 6.3.12 /4. [1 § 1er. Tant que l'affaire n'a pas été mise en délibéré, le juge déjà saisi peut, à toute étape de la procédure visée aux articles 6.3.1 et 6.3.3, à la demande d'une des parties au procès, à la demande de l'autorité requérant la mesure de réparation ou de sa propre initiative, ordonner une médiation judiciaire devant le Conseil supérieur.
   La décision judiciaire ordonnant une médiation fixe la durée du mandat du Conseil supérieur, qui ne peut excéder trois mois. Elle mentionne également la date à laquelle l'affaire a été ajournée.
   § 2. Le Greffier adresse immédiatement une copie de la décision judiciaire aux parties au procès, à l'autorité requérant la mesure de réparation et au Conseil supérieur.
   Le médiateur désigné par le Conseil supérieur peut également faire intervenir des tiers dans la médiation. Cela vaut également pour l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, si aucun d'entre eux n'a requis une mesure de réparation judiciaire.
   § 3. Si un accord de conciliation est conclu, le Conseil supérieur transmet celui-ci au tribunal.
   A tout le moins, à l'issue du mandat de médiation, le Conseil supérieur communiquera au juge par écrit si un accord de conciliation a été conclu ou non.
   Néanmoins, le juge conserve le droit, s'il l'estime approprié et que tant l'autorité requérant la mesure de réparation que les parties au procès y consentent, de proroger le mandat de médiation du Conseil supérieur d'une période fixée par lui.
   § 4. Durant la médiation, le juge reste saisi et peut à tout moment prendre la mesure jugée nécessaire. A la demande du Conseil supérieur, il peut aussi mettre fin à la médiation avant l'expiration du délai fixé.
   § 5. Il n'y a pas de recours possible contre la décision ordonnant, prorogeant ou terminant la médiation.]1

  
Onderafdeling 4. [1 - Werking]1
Sous-section 4. [1 - Fonctionnement]1
Onderafdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT.
Sous-section 4. DROIT_FUTUR.
Art. 6.3.13. [1 § 1. De hoge raad vergadert geldig als de meerderheid van de leden aanwezig is. Hij spreekt zich uit bij gewone meerderheid van stemmen. De adviezen en beslissingen vermelden steeds de namen van de leden die aanwezig zijn op de vergadering.
   Bij staking van stemmen wordt een nieuwe stemming gehouden. Als er bij die tweede stemming opnieuw staking van stemmen is, beslist de voorzitter.
   § 2. De vergaderingen van de hoge raad kunnen worden bijgewoond door :
   1° de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur;
   2° de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, voor wat betreft die agendapunten die een vordering of een maatregel van de betrokken gemeente betreffen.
   De personen, vermeld in het eerste lid, kunnen voorafgaand aan de sluiting van de besprekingen hun standpunt weergeven en een stemadvies geven.
   § 3. De hoge raad kan belanghebbenden schriftelijk horen telkens als hij dat nodig acht voor een zorgvuldige feitenvinding of voor de eerbiediging van het verdedigingsbeginsel. De hoge raad kan deze beoordelingsbevoegdheid inzake de organisatie van het schriftelijk horen delegeren aan een of meer van zijn leden.
   In het eerste lid wordt verstaan onder belanghebbenden :
   1° personen die getroffen worden of kunnen worden door de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd;
   2° de rechtspersonen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, voor zover de gediende collectieve belangen bedreigd of geschaad worden door de misdrijven of inbreuken, vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2 van deze codex, die aanleiding geven tot de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd;
   3° derden die in hun rechten worden geraakt door de misdrijven of de inbreuken, vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2 van deze codex, die aanleiding geven tot de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd.]1

  
Art. 6.3.13. [1 § 1er. Le Conseil supérieur se réunit valablement en présence de la majorité de ses membres. Il se prononce à la majorité simple des voix. Les avis et décisions mentionnent systématiquement les noms des membres présents à la réunion.
   En cas de partage égal des voix, un nouveau vote est organisé. S'il y a à nouveau partage égal des voix lors de ce second vote, la voix du président est prépondérante.
   § 2. Assistent aux réunions du Conseil supérieur :
   1° l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande ;
   2° l'inspecteur urbaniste compétent pour la commune et le bourgmestre, pour ce qui est des points à l'ordre du jour concernant une demande ou une mesure de la commune en question.
   Les personnes visées à l'alinéa premier peuvent exprimer leurs points de vue et donner un avis de voix avant la clôture des discussions.
   § 3. Le Conseil supérieur peut auditionner les parties intéressées par écrit chaque fois qu'il le juge nécessaire pour une découverte exacte des faits ou pour garantir le respect du principe de défense. Le Conseil supérieur peut déléguer cette compétence d'évaluation en matière d'organisation des auditions écrites à un ou plusieurs de ses membres.
   Pour l'application de l'alinéa premier, on entend par " parties intéressées " :
   1° les personnes touchées ou pouvant être touchées par la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi ;
   2° les personnes morales qui satisfont aux conditions mentionnées dans l'article 2 de la loi du 12 janvier 1993 concernant un droit d'action en matière de protection de l'environnement, pour autant que les intérêts collectifs servis soient menacés ou lésés par les délits ou infractions visés à l'article 6.2.1 ou 6.2.2 de ce code et donnant lieu à la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi ;
   3° les tiers qui sont touchés dans leurs droits par les délits ou infractions visés à l'article 6.2.1 ou 6.2.2 de ce code et donnant lieu à la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi.]1

  
Art. 6.3.14. [1 De Vlaamse Regering stelt een procedure- en werkingsreglement vast op voorstel van de hoge raad.
   Het reglement, vermeld in het eerste lid, kan, al dan niet op straffe van nietigheid of onontvankelijkheid voorgeschreven, vorm- en termijnvoorwaarden opleggen, in het bijzonder voor de aanhangigmaking van zaken, het overmaken van overtuigingsstukken, het inzagerecht van belanghebbenden en het horen van belanghebbenden.
   Het reglement, vermeld in het eerste lid, regelt voorts ten minste :
   1° de werkverdeling;
   2° de wijze waarop het horen georganiseerd wordt.
   Het reglement, vermeld in het eerste lid, treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.]1

  
Art. 6.3.14. [1 A la demande du Conseil supérieur, le Gouvernement flamand établit un règlement de procédure et de fonctionnement.
   Le règlement visé à l'alinéa premier peut, sous peine de nullité ou d'irrecevabilité, imposer des conditions de forme et de délai, surtout en ce qui concerne la saisine de la juridiction, la transmission des pièces de convictions, le droit de regard des parties intéressées et l'audition des parties intéressées.
   Le règlement visé à l'alinéa premier règle également au moins :
   1° la répartition du travail ;
   2° la manière dont l'audition est organisée.
   Le règlement visé à l'alinéa premier entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.]1

  
Art. 6.3.15. [1 De hoge raad neemt een huishoudelijk reglement aan.
   Het huishoudelijk reglement bevat ten minste de deontologische beginselen, gedragsregels en richtlijnen die de leden van de hoge raad tot leidraad dienen bij de uitoefening van hun mandaat.]1

  
Art. 6.3.15. [1 Le Conseil supérieur adopte un règlement d'ordre intérieur.
   Le règlement d'ordre intérieur inclut au minimum les principes déontologiques, les règles de conduite et les directives servant de base aux membres du Conseil supérieur lors de l'exercice de leur mandat.]1

  
Art. 6.3.16. [1 § 1. De Vlaamse Regering stelt de hoge raad binnen de beschikbare begrotingskredieten de nodige werkingsmiddelen ter beschikking.
   § 2. De hoge raad stelt op grond van de werkingsmiddelen een permanent secretariaat samen.
   Het permanent secretariaat wordt geleid door een vaste secretaris en staat onder het gezag van de voorzitter in voor de algemene administratieve ondersteuning van de hoge raad. De vaste secretaris en de overige leden van het permanent secretariaat beschikken niet over enig stemrecht in de hoge raad.
   § 3. De vaste secretaris en de overige leden van het permanent secretariaat worden aangesteld op grond van een detacherings- of arbeidsovereenkomst.]1

  
Art. 6.3.16. [1 § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand met à la disposition du Conseil supérieur les moyens de fonctionnement requis.
   § 2. Le Conseil supérieur constitue, en tenant compte des moyens de fonctionnement disponibles, un secrétariat permanent.
   Le secrétariat permanent est dirigé par un secrétaire effectif et il est responsable, sous l'autorité du président, du soutien administratif général du Conseil supérieur. Le secrétaire effectif et les autres membres du secrétariat permanent n'ont aucun droit de vote au sein du Conseil supérieur.
   § 3. La nomination du secrétaire effectif et des autres membres du secrétariat permanent a lieu sur la base d'une convention de détachement ou d'une convention de travail. ]1

  
Art. 6.3.17. [1 De hoge raad brengt jaarlijks een verslagboek uit, waarin een synthese is opgenomen van de overwegingen die tot de advies- en beslissingspraktijk van de hoge raad hebben geleid.]1
  
Art. 6.3.17. [1 Le Conseil supérieur publie chaque année un annuaire des rapports incluant une synthèse des considérations qui ont conduit à la pratique consultative et décisionnelle du Conseil supérieur.]1
  
HOOFDSTUK IV. [1 - Bestuurlijke maatregelen]1
CHAPITRE IV. [1 - Mesures administratives]1
HOOFDSTUK IV. TOEKOMSTIG_RECHT.
CHAPITRE IV. DROIT_FUTUR.
Afdeling 1. [1 - Basisbepalingen]1
Section 1re. [1 - Dispositions de base]1
Afdeling 1. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 1re. DROIT_FUTUR.
Art. 6.4.1. [1 oor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.]1
  
Art. 6.4.1. [1 Pour l'application du présent chapitre, la signification par envoi recommandé est réputée avoir eu lieu le troisième jour ouvrable suivant la remise à la poste, sauf preuve du contraire.]1
  
Art. 6.4.2. [1 § 1. De Vlaamse Regering kan bepaalde stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken uitsluiten als grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, of de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom afhankelijk maken van bijkomende voorwaarden.
   § 2. Wie besluit tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, is ook bevoegd die beslissing te wijzigen of in te trekken, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen tot uitvoering van dit lid.
   Buiten de beroepsmogelijkheden, vermeld in deze afdeling, is de intrekking of wijziging alleen mogelijk als het doel van de bestuurlijke maatregel werd bereikt, in geval van gewijzigde omstandigheden die een bijsturing van de opgelegde maatregelen noodzaken of in de gevallen, vermeld in artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek.
   Bestuursdwang en last onder dwangsom kunnen niet gelijktijdig worden toegepast ten aanzien van dezelfde persoon. In afwijking van het tweede lid kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang te allen tijde worden vervangen door een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom of omgekeerd.]1

  
Art. 6.4.2. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand peut exclure certains délits ou infractions urbanistiques comme base de l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte, ou soumettre l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte à d'autres conditions complémentaires.
   § 2. Celui qui décide de l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte est également habilité à modifier ou à retirer cette décision, tant d'office que sur demande des parties prenantes. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités d'exécution du présent alinéa.
   En dehors des possibilités de recours, visées dans la présente section, le retrait ou la modification n'est possible que si le but de la mesure administrative a été atteint, en cas de circonstances modifiées qui nécessitent une rectification des mesures imposées ou dans les cas visés à l'article 1133 du Code judiciaire.
   Une contrainte administrative et une charge sous astreinte ne peuvent pas être appliquées simultanément vis-à-vis de la même personne. Par dérogation au deuxième alinéa, une décision d'application d'une contrainte administrative peut être remplacée à tout moment par une décision d'imposer une charge sous astreinte et inversement.]1

  
Art. 6.4.3. [1 § 1. Een bestuurlijke maatregel mag geen afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van een eerder tussengekomen rechterlijke beslissing die overeenkomstig deze titel werd genomen.
   Een bestuurlijke maatregel kan niet worden opgelegd aan de overtreder die voor dezelfde feiten werd gedagvaard voor de strafrechter of naar deze rechter werd verwezen. Hetzelfde geldt voor de overtreder die met toepassing van artikel 6.3.3 voor dezelfde feiten werd gedagvaard voor de burgerlijke rechter.
   § 2. Het recht om een bestuurlijke maatregel op te leggen verjaart als volgt:
   1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
   2° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
   3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
   Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige misdrijven neemt de termijn een aanvang hetzij de dag die volgt op de dag dat de procureur des Konings zijn beslissing, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, houdende geen strafrechtelijke behandeling heeft meegedeeld, hetzij, bij gebrek aan een tijdige beslissing van de procureur des Konings, vanaf de dag nadat de termijn, vermeld in artikel 6.2.13, § 2, waarover de procureur des Konings beschikt, is verlopen.
   Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige inbreuken neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag dat de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld.]1

  
Art. 6.4.3. [1 § 1er. Une mesure administrative ne peut pas porter atteinte à l'autorité de chose jugée d'une décision judiciaire qui est intervenue précédemment conformément au présent titre.
   Une mesure administrative ne peut être infligée au contrevenant pour des faits qui ont déjà été cités ou renvoyés devant le juge pénal. Il en va de même pour le contrevenant qui a été cité devant le juge civil pour les mêmes faits en application de l'article 6.3.3.
   § 2. Le droit d'imposer une mesure administrative se prescrit comme suit :
   1° dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial : au bout de dix années ;
   2° dans une zone d'espace ouvert : au bout de 10 années ;
   3° dans les autres zones : au bout de cinq années.
   Dans le cas de mesures administratives pour des délits urbanistiques, le délai prend cours soit le lendemain du jour où le procureur du Roi a notifié sa décision, visée à l'article 6.2.13, § 3, ne portant aucun traitement pénal, soit, en l'absence de décision du procureur du Roi en temps voulu, le jour de l'expiration du délai, visé à l'article 6.2.13, § 2, dont dispose le procureur du Roi.
   Dans le cas de mesures administratives pour des infractions urbanistiques, le délai de prescription prend cours le lendemain du jour où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par unité d'intention, a été commis.]1

  
Afdeling 2. [1 - Stakingsbevel]1
Section 2. [1 - Ordre de cessation]1
Afdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 2. DROIT_FUTUR.
Art. 6.4.4. [1 § 1. De verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van de gerechtelijke politie kunnen mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van handelingen bevelen als ze vaststellen dat de handeling voldoet aan de materiële omschrijving van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2. Het stakingsbevel is een preventieve en voorlopige maatregel en is gericht op het voorkomen van schendingen die betrekking hebben op het uitvoeren of voortzetten van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 of 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, hetzij zonder omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, en die wat het gebruik en de instandhouding betreft bijkomend:
   a) hetzij een verzwaring van de schade aan de goede ruimtelijke ordening toebrengen;
   b) hetzij door hun impact de ruimtelijke bestemming van het gebied in het gedrang brengen.
   Bij schendingen inzake gebruik en instandhouding in ruimtelijk kwetsbare gebieden die onder het eerste lid vallen, kan uiterlijk tot twee jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, een bevel tot staking worden gegeven. Buiten ruimtelijk kwetsbare gebieden is dat beperkt tot uiterlijk een jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden.
   Als de verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in het eerste lid, ter plaatse niemand aantreffen, wordt ter plaatse een schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking op een zichtbare plaats aangebracht, of wordt het stakingsbevel alsnog mondeling gegeven tijdens een verhoor van de overtreder.
   § 2. [2 Het proces-verbaal of verslag van vaststelling inzake de misdrijven of inbreuken, vermeld in paragraaf 1]2 wordt binnen acht dagen met een beveiligde zending betekend aan de initiatiefnemer, de architect, de persoon of aannemer die de handelingen uitvoert, en de gebruiker van het goed.
   Tegelijkertijd wordt per beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal [2 of verslag van vaststelling]2 verzonden naar de gemeente waar de handelingen hebben plaatsgevonden en naar de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur.
   § 3. Het stakingsbevel moet op straffe van verval binnen acht dagen na de betekening van het proces-verbaal [2 of verslag van vaststelling]2 door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden bekrachtigd. Die bekrachtiging wordt binnen twee werkdagen met een beveiligde zending verzonden naar de personen, vermeld in paragraaf 2.
   § 4. Elke belanghebbende kan in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, die optreedt namens het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarin de handelingen zijn uitgevoerd of het gebruik heeft plaatsgevonden. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.]1

  
Art. 6.4.4. [1 § 1er. Les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les agents ou officiers de la police judiciaire peuvent ordonner verbalement sur place la cessation immédiate d'actes, s'ils constatent que ceux-ci répondent à la définition matérielle d'un délit ou d'une infraction, visée aux articles 6.2.1 ou 6.2.2. L'ordre de cessation est une mesure préventive et provisoire visant à prévenir les violations relatives à l'exécution ou à la poursuite des actes visés à l'article 4.2.1 ou 4.2.15, soit sans permis d'environnement pour des actes urbanistiques, soit sans permis d'environnement pour le lotissement de terrains, et qui, par ailleurs, en ce qui concerne l'utilisation et le maintien :
   a) soit aggravent les dommages causés au bon aménagement du territoire ;
   b) soit compromettent par leur impact la destination spatiale de la zone.
   Dans le cas de violations portant sur l'utilisation et le maintien dans des zones vulnérables du point de vue spatial qui relèvent du premier alinéa, un ordre de cessation peut être émis jusqu'à deux ans après le premier acte ou la première mission délictueux, qu'ils fassent ou non partie de faits liés par unité d'intention. En dehors des zones vulnérables du point de vue spatial, ce délai est limité à un an au plus à compter du premier acte ou de la première omission délictueux, qu'ils fassent ou non partie de faits liés par unité d'intention.
   Si les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les agents ou officiers de police judiciaire, visés à l'alinéa premier, ne rencontrent personne sur place, un ordre écrit de cessation immédiate est affiché sur place, à un endroit visible, ou l'ordre de cessation est encore donné verbalement durant une audition du contrevenant.
   § 2. [2 Le procès-verbal ou le rapport de constatation concernant les délits ou infractions visés au paragraphe 1er]2 est signifié dans les huit jours, par envoi sécurisé, à l'initiateur, à l'architecte et à la personne ou à l'entrepreneur qui exécute les actes, ainsi qu'à l'utilisateur du bien.
   Dans un même temps, une copie du procès-verbal [2 ou du rapport de constatation]2 est envoyée par envoi sécurisé à la commune sur le territoire de laquelle les actes ont été exécutés et à l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande.
   § 3. L'ordre de cessation doit, sous peine de déchéance, être ratifié dans les huit jours suivant la signification du procès-verbal par l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande. Cette ratification est envoyée dans les deux jours ouvrables, par envoi sécurisé, aux personnes visées au paragraphe 2.
   § 4. Toute partie prenante peut, en référé, requérir la levée de la mesure contre l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande, qui agit au nom de la Région flamande. La requête est introduite par-devant le président du tribunal de première instance dans la circonscription où les actes ont été exécutés ou où l'utilisation a eu lieu. La partie IV, livre II, titre VI du Code judiciaire s'applique à l'introduction et au traitement de la requête.]1

  
Art. 6.4.5. [1 De verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in artikel 6.2.4, zijn gerechtigd tot het nemen van alle maatregelen, met inbegrip van verzegeling, inbeslagname van materiaal en materieel, om het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding onmiddellijk te kunnen toepassen.]1
  
Art. 6.4.5. [1 Les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les agents ou officiers de police judiciaire, visés à l'article 6.2.4, sont habilités à prendre toutes les mesures, y compris l'apposition de scellés, la saisie de matériaux et de matériels, afin de pouvoir appliquer immédiatement l'ordre de cessation, la décision de ratification ou, le cas échéant, la décision en référé.]1
  
Art. 6.4.6. [1 Onverminderd artikel 6.4.4, § 4, kan een stakingsbevel uitsluitend door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden ingetrokken of in omvang worden beperkt, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur kan daarnaast de toestemming of het bevel geven tot het uitvoeren van beveiligingsmaatregelen. Het bevel neemt de vorm aan van een besluit als vermeld in afdeling 3 of 4.]1
  
Art. 6.4.6. [1 Sans préjudice de l'article 6.4.4, § 4, un ordre de cessation peut exclusivement être retiré par l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande ou être limité en ampleur, tant d'office que sur demande des parties prenantes. En outre, l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande peut accorder l'autorisation ou donner l'ordre d'exécuter des mesures de protection. L'ordre prend la forme d'une décision telle que visée à la section 3 ou 4.]1
  
Afdeling 3. [1 - Bestuursdwang]1
Section 3. [1 - Contrainte administrative]1
Afdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 3. DROIT_FUTUR.
Art. 6.4.7. [1 § 1. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan beslissen om bestuursdwang toe te passen. Bestuursdwang houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds het recht op ambtshalve uitvoering insluit.
   De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.
   § 2. De bestuurlijke maatregelen, genomen in het kader van bestuursdwang, hebben dezelfde inhoud als de herstelmaatregelen, vermeld in artikel 6.3.1, § 1, en respecteren de rangorde, vermeld in het voormelde artikel.
   Het bedrag van de meerwaarde wordt door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester vastgesteld conform artikel 6.3.1, § 5, tweede lid.
   § 3. Het besluit bevat minstens :
   1° de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de inbreuk of het misdrijf en de identificatie van de personen die zakelijke rechten hebben op het goed en de overtreders aan wie het besluit zal worden betekend;
   2° een vermelding van de voorschriften die worden of werden geschonden;
   3° een overzicht van de vaststellingen van de inbreuk of het misdrijf;
   4° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregelen;
   5° de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan.
   Het besluit wordt bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending betekend aan de overtreders en aan de rechthebbenden op de zaak ten aanzien van wie de bestuursdwang zal worden toegepast.
   Een afschrift van het besluit wordt aan de gemeente en de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur gezonden.
   § 4. In het besluit wordt een termijn bepaald waarbinnen de overtreder en de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de bevolen maatregelen uit te voeren. De uitvoeringstermijn kan zo nodig worden gefaseerd of gedifferentieerd per maatregel.
   Voor wat de betaling van de meerwaarde betreft, kan de overtreder zich ook op een geldige wijze kwijten door binnen de uitvoeringstermijn de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en de uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden.
   De uitvoeringstermijn neemt een aanvang de dag na de betekening.
   § 5. Het besluit wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in [2 het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar het onroerend goed ligt]2. De beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid, wordt binnen een termijn van twee maanden nadat ze is gewezen, ingeschreven op de kant van die overschrijving, op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Hetzelfde geldt voor elke rechterlijke beslissing over de schorsing of vernietiging van het besluit of de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid.
   § 6. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang en elke volgende beslissing die in de zaak gewezen is, zijn tegenwerpelijk aan alle belanghebbenden, die de gevolgen ervan moeten dragen.]1

  
Art. 6.4.7. [1 § 1er. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut décider d'appliquer une contrainte administrative. La contrainte administrative implique l'imposition de mesures administratives aux contrevenants au moyen d'une décision administrative qui est immédiatement exécutoire et qui inclut systématiquement le droit de procéder à l'exécution d'office.
   La décision visée au premier alinéa est consignée par écrit. La décision écrite est dénommée " arrêté ".
   § 2. Les mesures administratives prises dans le cadre d'une contrainte administrative ont le même contenu que les mesures de remise en état visées à l'article 6.3.1, § 1er, et respectent l'ordre visé à l'article précité.
   Le montant de la plus-value est fixé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre conformément à l'article 6.3.1, § 5, deuxième alinéa.
   § 3. La décision comprend au moins :
   1° la description cadastrale du bien immobilier faisant l'objet de l'infraction ou du délit et l'identification des personnes titulaires de droits réels sur le bien et des contrevenants auxquels la décision sera signifiée ;
   2° une mention des prescriptions qui sont ou ont été violées ;
   3° un relevé des constatations de l'infraction ou du délit ;
   4° une description des mesures administratives imposées ;
   5° la mention qu'un recours peut être introduit à l'encontre de l'arrêté portant les mesures administratives, de même qu'une description de la procédure pour interjeter appel.
   La décision est signifiée par exploit d'huissier de justice ou par envoi sécurisé aux contrevenants et aux ayants droit concernant l'affaire vis-à-vis de laquelle une contrainte administrative sera appliquée.
   Une copie de la décision est envoyée à la commune et à l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande.
   § 4. La décision mentionne un délai durant lequel le contrevenant et les parties prenantes peuvent éviter l'exécution en exécutant eux-mêmes les mesures ordonnées. Au besoin, le délai d'exécution peut stipuler différentes phases ou être différencié par mesure.
   Pour ce qui concerne le paiement de la plus-value, le contrevenant peut également s'en acquitter valablement en restaurant la légalité dans le délai d'exécution imparti, moyennant la remise des lieux dans leur état initial, la cessation de l'utilisation infractionnelle ou l'obtention d'une autorisation de régularisation et l'exécution des conditions incluses dans cette dernière.
   Le délai d'exécution prend cours le jour suivant la signification.
   § 5. L'arrêté est transcrit dans un délai de deux mois au [2 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale de la région où se situe le bien immobilier]2. La décision visée à l'article 6.4.8, § 2, deuxième alinéa, est inscrite, dans un délai de deux mois après qu'elle a été rendue, en marge de cette inscription, de la manière visée à l'article 84 de la Loi sur les hypothèques du 16 décembre 1851. Il en va de même pour toute décision judiciaire rendue sur la suspension ou l'invalidation de l'arrêté ou de la décision visée à l'article 6.4.8, § 2, deuxième alinéa.
   § 6. La décision d'application d'une contrainte administrative et toute décision ultérieure rendue dans l'affaire sont opposables à toutes les parties prenantes qui doivent en supporter les conséquences.]1

  
Art. 6.4.8. [1 § 1. Tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.
   Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift. Het beroepschrift wordt met een beveiligde zending betekend.
   § 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het beroepschrift wordt er over het beroep uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na schriftelijk advies over de herstelmaatregel van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering als vermeld in artikel 6.3.12/1. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken.
   De termijn van negentig dagen kan op voorwaarde van kennisgeving binnen die termijn aan de vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, eenmalig worden verlengd met negentig dagen. Bij gebrek aan een tijdige beslissing over het beroep vervalt de bestuurlijke maatregel. De vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, wordt van het verval schriftelijk op de hoogte gebracht. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de kennisgeving van de beslissing over het beroep en de uitvoering van dit artikel.
   § 3. De dag na de betekening van de beslissing tot verwerping van het beroep begint de door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester bepaalde termijn opnieuw te lopen, verminderd met het aantal dagen die al verstreken waren op het ogenblik van het instellen van het beroep.]1

  
Art. 6.4.8. [1 § 1er. Le contrevenant présumé peut introduire un recours contre la décision d'appliquer la contrainte administrative auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé. Lors de l'évaluation des mesures de réparation, l'article 6.4.7, § 2, s'applique par analogie, en ce compris la possibilité de réduction de la plus-value sur demande et d'office. Le recours a un effet suspensif.
  Le recours est uniquement recevable s'il est introduit par le biais d'une lettre motivée, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour suivant la notification de l'arrêté. Si le requérant souhaite être entendu, il doit en faire mention dans sa requête. La requête est signifiée par envoi sécurisé.
   § 2. Dans un délai de nonante jours à compter de la signification de la requête, une décision est rendue sur celle-ci, le cas échéant, après avis écrit sur la mesure de réparation du Conseil supérieur d'exécution du maintien, comme visé à l'article 6.3.12/1. Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis.
   Le délai de 90 jours peut être prolongé une seule fois de nonante jours supplémentaires sous réserve de notification dans ce délai au contrevenant présumé et à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre qui a pris la décision. En l'absence d'une décision en temps voulu sur le recours, la mesure administrative échoit. Le contrevenant présumé et l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a pris la décision sont informés par écrit de la déchéance. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la communication de la décision sur le recours et l'exécution de cet article.
   § 3. Le délai fixé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre commence à nouveau à courir le jour suivant la signification de la décision de rejet du recours, moyennant déduction des jours qui s'étaient déjà écoulés au moment de l'introduction du recours.]1

  
Art. 6.4.9. [1 § 1. De overtreder brengt de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, onmiddellijk met een beveiligde zending op de hoogte van de vrijwillige uitvoering van de opgelegde maatregelen.
   Daarop maakt de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, een proces-verbaal van vaststelling op.
   Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.
   De stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren, bezorgt met een beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever de overtreder, diens rechtsopvolgers en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakte van de opgelegde maatregelen.
   Behalve in geval van bewijs van het tegendeel geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van uitvoering van de maatregelen en van de datum van uitvoering.
   § 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt conform artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.4.7, § 5.
   Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gebeurd, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, er in een afzonderlijke akte melding van maken dat op het onroerend goed ten gevolge van een uitvoerbare beslissing als vermeld in artikel 6.4.7 of 6.4.8, een verplichting rust om maatregelen als vermeld in artikel 6.4.7, § 2, uit te voeren. In die akte wordt ook bepaald dat de nieuwe titularis, voor zover de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke herstelmaatregel niet verjaard is, de verbintenis aangaat om de opgelegde maatregelen uit te voeren, onverminderd de verplichting van de overtreder.
   De kosten verbonden aan de afzonderlijke akte, vermeld in het vorige lid, vallen steeds ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
   De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, en is ertoe gehouden de grosse af te leveren op hun verzoek.]1

  
Art. 6.4.9. [1 § 1er. Le contrevenant informe l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, immédiatement et par envoi sécurisé, de l'exécution volontaire des mesures imposées.
   Ensuite, l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, dresse un procès-verbal de constatation.
   A défaut d'une signification avec ordre d'exécution, seul l'inspecteur urbaniste régional est compétent pour dresser un procès-verbal de constatation.
   L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, transmet, par envoi sécurisé, une copie du procès-verbal de constatation à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre, qui n'ont pas été mentionnés comme donneurs d'ordre dans l'acte de signification au contrevenant, à ses ayants droit et aux personnes titulaires de droits réels sur le bien immobilier ayant fait l'objet des mesures infligées.
   Sauf preuve du contraire, seul le procès-verbal de constatation sert de preuve de l'exécution des mesures et de la date d'exécution.
   § 2. Conformément à l'article 84 de la Loi sur les hypothèques du 16 décembre 1851, le procès-verbal de constatation, visé au paragraphe 1er, est inscrit en marge de la transcription visée à l'article 6.4.7, § 5.
   Tant que l'inscription, visée à l'alinéa premier, n'a pas eu lieu, le fonctionnaire instrumentant doit, des suites d'un acte portant le transfert d'un droit réel, mentionner, dans un acte distinct, qu'une obligation repose sur le bien immobilier, suite à une décision exécutoire, visée à l'article 6.4.7 ou 6.4.8, en vue de l'exécution de mesures visées à l'article 6.4.7, § 2. Cet acte stipule également que le nouveau titulaire s'engage, pour autant que l'exécution de la mesure administrative de réparation ne soit pas prescrite, à exécuter les mesures imposées, sans préjudice de l'obligation du contrevenant.
   Les frais liés à l'acte distinct, visé à l'alinéa précédent, sont toujours à charge du cédant du droit réel.
   Le fonctionnaire instrumentant envoie une copie de cet acte à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre, et il est tenu de fournir la grosse à leur demande.]1

  
Art. 6.4.10. [1 § 1. Elke overtreder aan wie het besluit, vermeld in artikel 6.4.7, en in voorkomend geval de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, werd betekend, is hoofdelijk gehouden tot het betalen van de meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan.
   Het besluit en de beslissing, vermeld in het eerste lid, maken daarvan melding.
   § 2. De meerwaarde en de kosten, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de persoon die een zakelijk recht heeft op het goed dat het voorwerp van de bestuursdwang uitmaakte.
   Op voorwaarde dat de titel van de houder van het zakelijk recht al was overgeschreven vóór de overschrijving van het besluit, vermeld in artikel 6.4.7, § 5, blijft het verhaal van de kosten evenwel beperkt tot de verrijking die de titularis van het zakelijk recht ten gevolge van de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.
   § 3. De meerwaarde en de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, met overeenkomstige toepassing van artikel 6.3.4, § 3. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van het besluit of de beslissing over beroep.]1

  
Art. 6.4.10. [1 § 1er. Tout contrevenant à qui l'arrêté, visé à l'article 6.4.7, et, le cas échéant, la décision, visée à l'article 6.4.8, ont été signifiés est tenu solidairement au paiement de la plus-value et des coûts liés à l'application de la contrainte administrative, y compris les coûts pour sa préparation.
   L'arrêté et la décision visés à l'alinéa premier doivent en faire mention.
   § 2. La plus-value et les coûts, visés au paragraphe 1er, peuvent également être réclamés à la personne titulaire d'un droit réel sur le bien ayant fait l'objet de la contrainte administrative.
   A condition que le titre du titulaire du droit réel ait déjà été transcrit avant la transcription de l'arrêté, visé à l'article 6.4.7, § 5, la réclamation des coûts reste néanmoins limitée à l'enrichissement que le titulaire du droit réel a obtenu des suites de l'application de la mesure de réparation imposée.
   § 3. La plus-value et les coûts, visés aux paragraphes 1er et 2, sont garantis par une hypothèque légale, moyennant application correspondante de l'article 6.3.4, § 3. L'hypothèque est inscrite sur présentation d'une copie de l'arrêté ou de la décision concernant le recours.]1

  
Art. 6.4.11. [1 De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die bestuursdwang heeft toegepast, kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Hetzelfde geldt voor de meerwaarde die na het einde van de uitvoeringstermijn nog verschuldigd is. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen daarvoor heeft aangewezen. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending.
   Op het dwangbevel, vermeld in het eerste lid, zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.]1

  
Art. 6.4.11. [1 L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a appliqué cette contrainte administrative peut réclamer au contrevenant les frais dus, moyennant mandat, majorés des frais de recouvrement. Il en va de même pour la plus-value qui reste due après la fin du délai d'exécution. Le mandat est visé et déclaré exécutoire par le fonctionnaire désigné à cet effet par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins. Le mandat est signifié par exploit d'huissier de justice ou par envoi sécurisé.
   Les dispositions de la partie V du Code judiciaire s'appliquent au mandat visé à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 6.4.12. [1 Tenzij de tenuitvoerlegging gebeurt met expliciete of impliciete instemming van de gebruiker en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang, is de uitvoering van handelingen in de plaats en op kosten van de overtreder alleen mogelijk door een gerechtsdeurwaarder na voorafgaande betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in artikel 6.4.7, of, als beroep werd ingesteld tegen het besluit, na voorafgaande betekening van het besluit en de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8.
   Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewezen door, naar gelang van het geval, de gerechtsdeurwaarder, de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, toegang tot elke plaats als dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.]1

  
Art. 6.4.12. [1 Hormis si l'exécution a lieu moyennant le consentement explicite ou implicite de l'utilisateur et des personnes titulaires de droits réels sur le bien immobilier faisant l'objet de la décision d'application de la contrainte administrative, l'exécution d'actes en lieu et place et aux frais du contrevenant est uniquement possible par un huissier de justice, après signification préalable de l'arrêté exécutoire, visé à l'article 6.4.7 ou, si un recours a été introduit contre l'arrêté, après signification préalable de l'arrêté et de la décision, visés à l'article 6.4.8.
   Pour donner exécution à une décision d'application d'une contrainte administrative, les personnes désignées à cet effet par, selon le cas, l'huissier de justice, l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre, ont accès à tout endroit qui est raisonnablement nécessaire pour remplir leur tâche.]1

  
Art. 6.4.13. [1 Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen en terreinen, en wat zich daarin of daarop bevindt, alsook het meevoeren en opslaan van voor bestuursdwang vatbare zaken, als de toepassing van bestuursdwang dat vereist.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bewaring en de teruggave aan de rechthebbenden van de meegevoerde zaken.]1

  
Art. 6.4.13. [1 L'apposition de scellés sur des bâtiments et terrains, et sur ce qui s'y trouve, de même que l'enlèvement et le stockage de choses susceptibles de faire l'objet d'une contrainte administrative, dans la mesure où l'application d'une contrainte administrative le requiert, font partie de la compétence d'application d'une contrainte administrative.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'application à la conservation et à la restitution aux ayants droit des choses emportées.]1

  
Afdeling 4. [1 - Last onder dwangsom]1
Section 4. [1 - Charge sous astreinte]1
Afdeling 4. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 4. DROIT_FUTUR.
Art. 6.4.14. [1 De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester is bevoegd om aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Last onder dwangsom houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing, die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds de verbeurte van een dwangsom als sanctie bij negatie insluit.
   De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.
   Artikel 6.4.7, § 2 tot en met § 6, is ook van toepassing op het besluit, vermeld in het eerste lid, met het voorbehoud dat een last onder dwangsom nooit de betaling van een meerwaarde als enig voorwerp kan hebben.
   De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester stelt de dwangsom in het besluit vast op een bedrag ineens, op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd of per overtreding van de last, zonder dat die dwangsom betrekking kan hebben op de betaling van de meerwaarde als onderdeel van deze last. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan een bedrag vaststellen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
   Een dwangsom wordt pas verbeurd verklaard na de betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval samen met de beslissing over het beroep.]1

  
Art. 6.4.14. [1 L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre est habilité à imposer une charge sous astreinte au contrevenant. La charge sous astreinte implique l'imposition de mesures administratives aux contrevenants au moyen d'une décision administrative qui est immédiatement exécutoire et qui inclut systématiquement l'imposition d'une astreinte en guise de sanction d'une négation.
   La décision visée à l'alinéa premier est consignée par écrit. La décision écrite est dénommée " arrêté ".
   L'article 6.4.7, § 2 à § 6 inclus, s'applique également à l'arrêté visé à l'alinéa 1er, sous réserve qu'une charge sous astreinte ne peut jamais avoir pour seul objet le paiement d'une plus-value.
   L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre fixe l'astreinte dans l'arrêté à un montant unique, à un montant par unité de temps durant laquelle la charge n'a pas été exécutée ou par infraction de la charge, sans que cette astreinte puisse avoir trait au paiement de la plus-value dans le cadre de cette charge. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut fixer un montant au-delà duquel plus aucune astreinte n'est due.
   Une astreinte n'est déclarée due qu'après signification de l'arrêté exécutoire, visé à l'alinéa premier, le cas échéant conjointement avec la décision relative au recours.]1

  
Art. 6.4.15. [1 § 1. Tegen de beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.
   Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift.
   § 2. Artikel 6.4.8, § 2 en § 3, en artikel 6.4.9 zijn van toepassing op deze onderafdeling.
   Artikel 6.4.10 is van toepassing op de meerwaarde die in de last onder dwangsom is begrepen.]1

  
Art. 6.4.15. [1 § 1er. Le contrevenant présumé peut introduire un recours contre la décision d'imposer une charge sous astreinte auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé. Lors de l'évaluation des mesures de réparation, l'article 6.4.7, § 2, s'applique par analogie, en ce compris la possibilité de réduction de la plus-value sur demande et d'office. Le recours a un effet suspensif.
   Le recours est uniquement recevable s'il est introduit par le biais d'une lettre motivée, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour suivant la notification de l'arrêté. Si le requérant souhaite être entendu, il doit en faire mention dans sa requête.
   § 2. L'article 6.4.8, § 2 et § 3, et l'article 6.4.9 s'appliquent à la présente sous-section.
   L'article 6.4.10 s'applique à la plus-value incluse dans la charge sous astreinte.]1

  
Art. 6.4.16. [1 De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan de verbeurde dwangsommen en de meerwaarde, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen bij dwangbevel. Artikel 6.4.11 is van toepassing op dat dwangbevel.
   De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die belast is met de invordering van de dwangsom, is ertoe gemachtigd aan de schuldenaars die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
   De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van dit lid.
   Met behoud van de toepassing van het derde lid kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
   Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.3.4, § 5, zijn van overeenkomstige toepassing.]1

  
Art. 6.4.16. [1 L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut réclamer, moyennant mandat, les astreintes encourues et la plus-value, majorées des frais de recouvrement. L'article 6.4.11 s'applique à ce mandat.
   L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre chargé du recouvrement de l'astreinte est habilité à accorder un report ou un échelonnement de paiement aux débiteurs qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
   L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte, peut, au nom de la Région flamande ou de la commune, d'office ou sur simple demande, décider qu'une astreinte exigible ne sera pas recouvrée ou ne le sera que partiellement, sans que cette décision puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus spécifiques et des modalités de procédure pour l'application de cet article.
   Sans préjudice de l'application du troisième alinéa, la Région flamande ou la commune, représentée respectivement par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, peut, sur demande motivée, renoncer temporairement ou définitivement à la perception ultérieure d'une astreinte devenue exigible. Ladite renonciation est possible pour tout ou partie de la créance exigible, sans que cela puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. Le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins peuvent déléguer leur pouvoir de décision.
   Les alinéas 2 à 5 de l'article 6.3.4, § 5, s'appliquent par analogie.]1

  
Art. 6.4.17. [1 De rechtbank van eerste aanleg kan op verzoek van de overtreder de dwangsom opheffen, de looptijd ervan voor een bepaalde termijn opschorten of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen. De overtreder dagvaardt daarvoor de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van het uitvoerbare besluit, die respectievelijk optreedt namens het Vlaamse Gewest of de gemeente.]1
  
Art. 6.4.17. [1 Le tribunal de première instance peut, sur demande du contrevenant, lever l'astreinte, en suspendre la durée pour un délai déterminé ou réduire l'astreinte en cas d'impossibilité, durable ou temporaire, intégrale ou partielle, pour le contrevenant de satisfaire à ses obligations. A cet effet, le contrevenant assigne l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, mentionné dans la signification de l'acte exécutoire, agissant respectivement au nom de la Région flamande ou de la commune.]1
  
Art. 6.4.18. [1 De vordering tot betaling van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop de bedragen verbeurd zijn. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
   De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder ander wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.]1

  
Art. 6.4.18. [1 La requête en paiement des montants dus se prescrit six mois après le jour où les montants sont dus. La prescription est interrompue de la manière et aux conditions visées aux articles 2244 et suivants du Code civil.
   La prescription est suspendue des suites d'une faillite ou de tout autre empêchement légal de recouvrir l'astreinte.]1

  
Afdeling 5. [1 - Minnelijke schikking]1
Section 5. [1 - Arrangement à l'amiable]1
Afdeling 5. TOEKOMSTIG_RECHT.
Section 5. DROIT_FUTUR.
Art. 6.4.19. [1 § 1. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, met de overtreder, overtreders of andere belanghebbenden een minnelijke schikking aangaan onder de volgende voorwaarden :
   1° het voorwerp van de minnelijke schikking is in overeenstemming met artikel 6.3.1;
   2° de minnelijke schikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van een overeenkomstig hoofdstuk III tussengekomen rechterlijke beslissing noch aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom;
   3° de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft, behoren toe aan een of meer personen die zich door de minnelijke schikking verbinden;
   4° de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bedraagt niet meer dan vijf jaar.
   De miskenning van een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, heeft van rechtswege de nietigheid van de minnelijke schikking tot gevolg.
   § 2. De minnelijke schikking wordt aangevraagd door de personen die zich door de minnelijke schikking wensen te verbinden, volgens de regels, bepaald door de Vlaamse Regering.
   § 3. Een aanvraag tot minnelijke schikking schorst de verjaring van de herstelvordering. De schorsing vangt aan vanaf de datum van betekening van de aanvraag aan de bevoegde overheid. De schorsing neemt een einde vanaf :
   1° de datum waarop de minnelijke schikking tot stand komt conform artikel 6.4.20;
   2° de datum waarop de minnelijke schikking wordt geweigerd.]1

  
Art. 6.4.19. [1 § 1er. L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre peut, respectivement au nom du Gouvernement flamand ou de la commune, prendre un arrangement à l'amiable avec le contrevenant, les contrevenants ou d'autres parties prenantes, aux conditions suivantes :
   1° l'objet de l'arrangement à l'amiable est en conformité avec l'article 6.3.1 ;
   2° l'arrangement à l'amiable ne porte aucunement atteinte à l'autorité de la chose jugée d'une décision judiciaire intervenue conformément au chapitre III, ni à une décision d'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte ;
   3° les droits matériels sur le bien immobilier auquel l'arrangement à l'amiable a trait appartiennent à une ou à plusieurs personnes qui s'engagent par le biais de l'arrangement à l'amiable ;
   4° le délai fixé pour l'exécution des mesures de réparation ne dépasse pas cinq ans.
   Le non-respect de l'une des conditions visées à l'alinéa premier entraîne de plein droit la nullité de l'arrangement à l'amiable.
   § 2. L'arrangement à l'amiable est demandé par les personnes qui souhaitent s'engager par le biais de l'arrangement à l'amiable, conformément aux règles établies par le Gouvernement flamand.
   § 3. Une demande d'arrangement à l'amiable suspend la prescription de l'action en réparation. La suspension débute le jour de la signification de la demande à l'autorité compétente. La suspension prend fin :
   1° le jour où l'arrangement à l'amiable intervient, conformément à l'article 6.4.20 ;
   2° le jour où l'arrangement à l'amiable est refusé.]1

  
Art. 6.4.20. [1 De minnelijke schikking wordt op schrift gesteld. De minnelijke schikking wordt ondertekend door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, en door de overtreder of overtreders of andere belanghebbenden met wie de minnelijke schikking wordt aangegaan. De minnelijke schikking wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in [2 het bevoegde kantoor van de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie waar het onroerend goed ligt]2. Een afschrift van de minnelijke schikking wordt verzonden aan de bevoegde overheden, bedoeld in artikel 6.3.1, § 2.]1
  
Art. 6.4.20. [1 L'arrangement à l'amiable est consigné par écrit. L'arrangement à l'amiable est signé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre, et par le contrevenant ou les contrevenants ou d'autres parties prenantes avec lesquels l'arrangement à l'amiable est conclu. L'arrangement à l'amiable est transcrit dans un délai de deux mois au [2 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale de la région où se situe le bien immobilier]2. Une copie de l'arrangement à l'amiable est envoyée aux autorités compétentes visées à l'article 6.3.1, § 2.]1
  
Art. 6.4.21. [1 Artikel 6.4.9 is van toepassing op deze afdeling, met dien verstande dat het proces-verbaal van vaststelling wordt overgeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.4.20.
   De uitvoering van de minnelijke schikking, bevestigd in het proces-verbaal van vaststelling, dooft elk verder recht op herstel of vergoeding van schade, geleden door het algemeen belang naar aanleiding van de inbreuken of misdrijven die omschreven zijn in de akte, vermeld in artikel 6.4.20.]1

  
Art. 6.4.21. [1 L'article 6.4.9 s'applique à la présente section, étant entendu que le procès-verbal de constatation est transcrit en marge de la transcription, visée à l'article 6.4.20.
   L'exécution de l'arrangement à l'amiable, confirmé dans le procès-verbal de constatation, éteint tout autre droit à une réparation ou à une indemnisation du dommage subi par l'intérêt général des suites des infractions ou délits, décrits dans l'acte, visé à l'article 6.4.20.]1

  
Art. 6.4.22. [1 De miskenning van de verplichtingen die in de minnelijke schikking zijn opgenomen, vormt ten aanzien van de overtreders of andere belanghebbenden die de minnelijke schikking hebben ondertekend, een grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom.]1
  
Art. 6.4.22. [1 Le non-respect des obligations reprises dans l'arrangement à l'amiable sert de base à l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte dans le chef des contrevenants ou d'autres parties prenantes ayant conclu l'arrangement à l'amiable.]1
  
HOOFDSTUK V. [1 - Inkomsten uit handhaving]1
CHAPITRE V. [1 - Revenus générés par le maintien]1
HOOFDSTUK V. TOEKOMSTIG_RECHT.
CHAPITRE V. DROIT_FUTUR.
Art. 6.5.1. [1 Artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van toepassing op de opbrengsten, verkregen uit de toepassing van titel VI.]1
  
Art. 6.5.1. [1 L'article 73 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 s'applique aux recettes obtenues en application du titre VI.]1
  
HOOFDSTUK VI. [1 - Diverse bepalingen]1
CHAPITRE VI. [1 - Dispositions diverses]1
HOOFDSTUK VI. TOEKOMSTIG_RECHT.
CHAPITRE VI. DROIT_FUTUR.
Art. 6.6.1. [1 § 1. De uitvoering van de maatregelen die krachtens deze titel begrepen zijn in een uitvoerbare rechterlijke of bestuurlijke beslissing, of minnelijke schikking, is nimmer vergunnings- of meldingsplichtig op grond van dit decreet.
   § 2. Vanaf de datum van afgifte van het proces-verbaal van vaststelling van uitvoering, vermeld in artikel 6.3.6, 6.4.9, 6.4.15, § 2, en artikel 6.4.21, kunnen ten aanzien van het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen, stabiliteitswerken als vermeld in artikel 4.1.1, 11°, worden vergund.
   § 3. Vanaf de datum, vermeld in paragraaf 2, kan met betrekking tot het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen, een herstelattest worden verleend. Dat attest bevestigt dat het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen in de door het herstelattest gedocumenteerde staat behouden kan blijven.
   Het herstelattest, vermeld in het eerste lid, wordt aangevraagd volgens regels die de Vlaamse Regering bepaalt, en wordt afgegeven door het college van burgemeester en schepenen.]1

  
Art. 6.6.1. [1 § 1er. L'exécution des mesures comprises en vertu de ce titre dans une décision judiciaire ou administrative exécutoire ou dans un arrangement à l'amiable n'est jamais soumise à l'obligation de permis ou de déclaration sur la base du présent décret.
   § 2. A compter de la date de délivrance du procès-verbal de constatation d'exécution, visé à l'article 6.3.6, 6.4.9, 6.4.15, § 2, et à l'article 6.4.21, les travaux de stabilisation visés à l'article 4.1.1, 11°, peuvent être autorisés pour l'objet des mesures de réparation exécutées.
   § 3. A partir de la date visée au paragraphe 2, une attestation de réparation peut être octroyée pour l'objet des mesures de réparation exécutées. Cette attestation confirme que l'objet des mesures de réparation exécutées peut être maintenu dans l'état documenté dans l'attestation de réparation.
   L'attestation de réparation, visée à l'alinéa premier, est demandée conformément aux règles établies par le Gouvernement flamand, et délivrée par le collège des bourgmestre et échevins.]1

  
Art. 6.6.2. [1 De rechtbank kan de titel van eigendomsverkrijging of van huur vernietigen op vordering van de kopers of de huurders van een goed dat het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen, onverminderd het recht van de kopers of huurders om schadevergoeding te eisen.
   De vordering tot vernietiging kan niet meer worden ingeroepen als de inbreuk op de informatieplicht met betrekking tot de publiciteit en de onderhandse overeenkomst is rechtgezet bij de authentieke akteverlening en de informatiegerechtigde in deze akte verzaakt aan de vordering tot nietigverklaring op basis van een inbreuk op de informatieplicht.]1

  
Art. 6.6.2. [1 Le tribunal peut annuler le titre d'obtention de propriété ou de location à la requête des vendeurs ou des locataires d'un bien faisant ou pouvant faire l'objet de mesures judiciaires ou administratives de réparation, sans préjudice du droit des vendeurs ou des locataires à réclamer l'indemnisation des dommages.
   L'action d'annulation ne peut plus être invoquée lorsque l'infraction à l'obligation d'information ayant trait à la publicité et au marché de gré à gré est rectifiée lors de l'attribution de l'acte authentique et lorsque l'ayant droit d'information dans le cadre de cet acte renonce à l'action d'annulation sur la base d'une infraction à l'obligation d'information.]1

  
Art. 6.6.3. [1 De dagvaarding voor de correctionele rechtbank of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, wordt in het vergunningenregister van de gemeente waar het onroerend goed gelegen is, ingeschreven op verzoek van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.]1
  
Art. 6.6.3. [1 La citation devant le Tribunal correctionnel ou l'exploit d'introduction de la cause, visé(e) aux articles 6.3.1 et 6.3.3, est inscrit(e) au registre des permis de la commune sur le territoire de laquelle est situé le bien immobilier, à la demande de l'huissier de justice qui a dressé exploit.]1
  
Art. 6.6.4. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder de hiertoe bevoegde overheid : de handhavende personeelsleden en de entiteiten, vermeld in artikel 6.1.1, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°, die hun bevoegdheden uitoefenen in het kader van titel VI, alsook de andere overheden waaraan titel VI rechtstreeks taken inzake handhaving toebedeelt, met inbegrip van de burgemeester.
   § 2. [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kan de daartoe bevoegde overheid beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
   De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
   Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheid zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
   Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
   Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]2
]1

  
Art. 6.6.4. [1 § 1er. Aux fins du présent article, on entend par " autorité compétente " le personnel chargé de l'exécution et les entités visées à l'article 6.1.1, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° et 8° exerçant leurs pouvoirs en vertu du titre VI, ainsi que les autres autorités auxquelles le titre VI assigne directement des tâches d'exécution, y compris le bourgmestre.
   § 2. [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), l'autorité compétente à cet effet peut décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête qui concerne une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas 2 à 10 sont remplies.
   La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires de l'autorité compétente à cet effet, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
   Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er ne seront pas conservées plus longtemps que les finalités pour lesquelles elles sont traitées le requièrent.
   La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa premier.
   Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée au deuxième alinéa, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
   Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa premier, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires de l'autorité compétente à cet effet, sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.
   Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
   Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
   Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
   Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]2
]1

  
TITEL VII. - Diverse temporele en overgangsmaatregelen
TITRE VII. - Diverses mesures temporaires et de transition
HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 7.1.2. De bestaande reglementaire bepalingen die onder het toepassingsgebied van deze codex vallen en die niet strijdig zijn met deze codex, blijven van kracht totdat ze worden gewijzigd, opgeheven of vervangen door besluiten genomen ter uitvoering van deze codex.
  Overtredingen op de in het eerste lid vermelde reglementaire bepalingen na het van kracht worden van deze codex worden gestraft met straffen bij deze codex bepaald.
Art. 7.1.2. Les dispositions réglementaires existantes, qui relèvent du champ d'application du présent code et qui ne sont pas contraires à celui-ci, demeurent en vigueur jusqu'à ce qu'elles soient modifiées, abrogées ou remplacées par des arrêtés pris en vue de l'exécution du présent code.
  Les infractions aux dispositions réglementaires mentionnées dans le premier alinéa qui sont commises après l'entrée en vigueur du présent code sont passibles de peines déterminées par le présent code.
HOOFDSTUK II. - Ontvoogding gemeenten
CHAPITRE II. - Emancipation des communes
Art. 7.2.1.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 354 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 7.2.1.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 354 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
HOOFDSTUK IV. - Planning
CHAPITRE IV. - Planification
Afdeling 1. - Bijzondere validaties
Division 1re. - Validations particulières
Art. 7.4.1. § 1. De besluiten van de Vlaamse Regering houdende definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen worden geldig verklaard met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. De geldigverklaring is beperkt tot de schending van de verplichting om het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State in te winnen, dan wel de schending van de verplichting om de spoedbehandeling van de adviesaanvraag bij de afdeling Wetgeving van de Raad van State met bijzondere redenen te omkleden.
  De geldigverklaring geldt tot het tijdstip van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat, voor het gebied waarop het betrekking heeft, het gewestplan vervangt.
  § 2. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in § 1, eerste lid, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft.
  [1 ...]1
  
Art. 7.4.1. § 1er. Les arrêtés du Gouvernement flamand contenant la fixation définitive des modifications aux plans régionaux sont déclarés valables à partir de la date de leur entrée en vigueur. Cette déclaration de validité est limitée à la dérogation à l'obligation de recueillir l'avis de la division Législation du Conseil d'Etat ou à la dérogation à l'obligation de motiver le traitement d'urgence de la demande d'avis auprès de la section Législation du Conseil d'Etat en invoquant des raisons particulières.
  La déclaration de validité vaut jusqu'à la date d'entrée en vigueur d'un plan d'exécution spatial remplaçant le plan régional pour la zone à laquelle il se rapporte.
  § 2. Le Gouvernement flamand est habilité à fixer pour le futur, sans les modifier, les arrêtés contenant la fixation définitive des modifications aux plans régionaux qui, selon un arrêté d'annulation du Conseil d'Etat, sont entamés par une infraction, visée au § 1er, premier alinéa, et ce, pour les parcelles auxquelles l'arrêté se rapporte.
  [1 ...]1
  
Art. 7.4.1 /1. [1 § 1. De besluiten van de Vlaamse Regering houdende definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden geldig verklaard met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. De geldigverklaring is beperkt tot de schending van artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 1987 houdende vaststelling van het reglement van orde van de streekcommissie van advies voor de ruimtelijke ordening in het Vlaamse Gewest, respectievelijk artikel 9 en 17 van het huishoudelijk reglement van de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2002, telkens wegens het ontbreken van een nieuwe, afzonderlijke oproeping van de leden van de betrokken commissie nadat op een eerste vergadering werd vastgesteld dat het vereiste aantal leden niet aanwezig was.
   § 2. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in het eerste lid, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft.]1

  
Art. 7.4.1 /1. [1 § 1er. Les arrêtés du Gouvernement flamand portant fixation définitive de modifications de plans de secteur ou de plans d'exécution spatiaux régionaux sont validés à partir de la date de leur entrée en vigueur. La validation se limite à la violation des articles 2 et 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 avril 1987 fixant le règlement d'ordre de la commission consultative de la région pour l'aménagement du territoire en Région flamande, respectivement les articles 9 et 17 du règlement d'ordre intérieur de la commission flamande de l'aménagement du territoire, approuvé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2002, chaque fois à défaut d'une nouvelle convocation, séparée, des membres de la commission concernée après qu'il était constaté lors d'une première réunion que le nombre requis des membres n'était pas présent.
   § 2. Le Gouvernement flamand est autorisé à fixer les arrêtés portant fixation définitive de modifications de plans de secteur ou de plans d'exécution spatiaux régionaux compromis par une violation selon un arrêt d'annulation du Conseil d'Etat de manière inchangée à l'avenir pour les parcelles auxquelles l'arrêt a trait.]1

  
Art. 7.4.1 /2.[1 § 1. De gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden geldig verklaard met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. De geldigverklaring is beperkt tot de schending van het gelijkheidsbeginsel, doordat het definitief vastgestelde plan tot stand gekomen is met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat besluit zou een onverantwoorde ongelijke behandeling inhouden van personen die wensen betrokken te worden bij de publieke consultatie over de inhoudsafbakening van een plan-MER voor een ruimtelijk uitvoeringsplan dat wordt opgemaakt volgens de regels die gelden wanneer het integratiespoor wordt gevolgd, en de personen die wensen betrokken te worden bij de publieke consultatie over een plan-MER volgens de algemene regeling.
   De geldigverklaring geldt voor gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvoor de beslissing van de dienst Mer over de volledigheid van de nota voor publieke consultatie genomen werd vóór de inwerkingtreding van dit artikel.
   De geldigverklaring geldt tot het tijdstip van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat, voor het gebied waarop het betrekking heeft, het geldig verklaarde ruimtelijke uitvoeringsplan vervangt.
   § 2. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in § 1, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft.
   De provincieraad is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in § 1, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft. De Vlaamse Regering is er tevens toe gemachtigd deze besluiten opnieuw goed te keuren.
   De gemeenteraad is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in § 1, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft. De deputatie is er tevens toe gemachtigd deze besluiten opnieuw goed te keuren.]1
Art. 7.4.1 /2.[1 § 1er. Les plans d'exécution spatiaux régionaux, provinciaux et communaux sont validés à partir de la date de leur entrée en vigueur. La validation se limite à la violation du principe d'égalité, parce que le plan établi définitivement est généré en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 avril 2008 relatif au mode d'intégration de l'évaluation des incidences sur l'environnement dans le cadre d'un plan d'exécution spatial. Cet arrêté impliquerait un traitement inégal injustifié des personnes qui souhaitent être associées à la consultation publique sur la délimitation du contenu d'un plan MER pour un plan d'exécution spatial établi selon les règles applicables lorsque le mode d'intégration est suivi, et des personnes qui souhaitent être associées à la consultation publique sur un plan MER selon le règlement général.
   La validation vaut pour les plans d'exécution spatiaux régionaux, provinciaux et communaux pour lesquels la décision du service MER sur la complétude de la note pour consultation publique a été prise avant l'entrée en vigueur du présent article.
   La validation vaut jusqu'au moment de l'entrée en vigueur d'un plan d'exécution spatial remplaçant, pour la zone à laquelle il a trait, le plan d'exécution spatial validé.
   § 2. Le Gouvernement flamand est autorisé à fixer les arrêtés portant fixation définitive de plans d'exécution spatiaux régionaux compromis par une violation, visée au § 1er, selon un arrêt d'annulation du Conseil d'Etat de manière inchangée à l'avenir pour les parcelles auxquelles l'arrêt a trait.
   Le conseil provincial est autorisé à fixer les arrêtés portant fixation définitive de plans d'exécution spatiaux provinciaux compromis par une violation, visée au § 1er, selon un arrêt d'annulation du Conseil d'Etat de manière inchangée à l'avenir pour les parcelles auxquelles l'arrêt a trait. Le Gouvernement flamand est également autorisé à réapprouver ces arrêtés.
   Le conseil communal est autorisé à fixer les arrêtés portant fixation définitive de plans d'exécution spatiaux communaux compromis par une violation, visée au § 1er, selon un arrêt d'annulation du Conseil d'Etat de manière inchangée à l'avenir pour les parcelles auxquelles l'arrêt a trait. La députation est également autorisée à réapprouver ces arrêtés. ]1
(NOTA : bij arrest nr 114/2013 van 31-07-2013 (B.St. 21-10-2013, p. 74750-74753), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
  
(NOTE : par son arrêt n° 114/2013 van 31-07-2013 (M.B. 21-10-2013, p. 74753-74756),la Cour constitutionnelle a annulé cet article)
  
Art. 7.4.2. Bij de toepassing van de bijzondere gewestplanvoorschriften " regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter ", " lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter ", " transportzone ", " gebied voor watergebonden bedrijven ", " gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven ", " kantoor- en dienstenzone ", " teleport " [1 , "kleinhandelszone", "gebied voor kernontwikkeling" en "gebied voor stedelijke ontwikkeling"]1 worden de volgende onderdelen van de betrokken voorschriften voor onbestaande gehouden :
  1° de woorden " met openbaar karakter " in de titel van het voorschrift;
  2° de woorden " met openbaar karakter " in het eerste lid of de eerste zin van het voorschrift;
  3° de vermelding dat het gebied en desgevallend de bufferzone die het omvat, alleen door de overheid kan worden gerealiseerd;
  4° de vermelding dat de Vlaamse regering kan bepalen dat een bijzonder plan van aanleg voorafgaand aan de ontwikkeling van dat gebied goedgekeurd dient te worden, of dat het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone en dergelijke meer, voordat het gebied kan worden ontwikkeld, vastgelegd moeten worden in een bijzonder plan van aanleg en/of een ruimtelijk uitvoeringsplan.
  
Art. 7.4.2. Lors de l'application des prescriptions particulières des plans régionaux " terrain régional d'activités économiques à caractère public ", " terrain local d'activités économiques à caractère public ", " zone de transport ", " zone destinée aux entreprises liées à la voie d'eau ", " zone destinée aux entreprises liées au port maritime et à la voie d'eau ", " zone de bureaux et de services ", " téléport ", [1 " zone réservée au commerce de détail ", " zone de développement nucléaire " et " zone de développement urbain "]1, les parties suivantes des prescriptions concernées sont considérées comme inexistantes :
  1° les mots " à caractère public " dans l'intitulé de la prescription;
  2° les mots " à caractère public " dans le premier alinéa ou dans la première phrase de la prescription;
  3° la mention que la zone et le cas échéant la zone tampon qu'elle comprend peuvent uniquement être réalisées par les autorités publiques;
  4° la mention que le Gouvernement flamand peut imposer l'approbation d'un plan particulier d'aménagement avant d'entamer le développement de cette zone ou que le caractère du terrain, la nature des activités, l'envergure des constructions, le caractère architectural, la largeur et l'aménagement de la zone tampon avoisinante, etc. doivent être fixés dans un plan particulier d'aménagement et/ou dans un plan d'exécution spatial, avant de pouvoir procéder au développement de la zone.
  
Art. 7.4.2 /1. [1 § 1. De bijzondere plannen van aanleg die worden of zijn opgemaakt voor gebieden beheerst door een gewestplanvoorschrift dat de opmaak van een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan oplegt voordat het gebied kan worden ontwikkeld, worden geldig verklaard met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. De geldigverklaring is beperkt tot het wettigheidsgebrek dat het bijzonder plan van aanleg rechtsgrond vindt in een onwettig stedenbouwkundig voorschrift uit het gewestplan.
   De geldigverklaring geldt tot het tijdstip van de inwerkingstreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat, voor het gebied waarop het betrekking heeft, het bijzonder plan van aanleg vervangt.
   § 2. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om op verzoek van de gemeenteraad een besluit van de gemeenteraad houdende definitieve vaststelling van een bijzonder plan van aanleg dat volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast is door de in § 1, eerste lid, vermelde onwettigheid, opnieuw goed te keuren en het bijzonder plan van aanleg voor de toekomst ongewijzigd gelding te verlenen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft.]1

  
Art. 7.4.2 /1. [1 § 1er. Les plans particuliers d'aménagement qui sont ou ont été établis pour les zones régies par une prescription de plan de secteur imposant l'établissement d'un plan particulier d'aménagement ou d'un plan d'exécution spatial avant de pouvoir développer la zone, sont validés à partir de la date de leur entrée en vigueur. La validation se limite au vice de légalité que le plan particulier d'aménagement trouve son fondement juridique dans une prescription urbanistique illégale du plan de secteur.
   La validation vaut jusqu'au moment de l'entrée en vigueur d'un plan d'exécution spatial remplaçant, pour la zone à laquelle il a trait, le plan particulier d'aménagement.
   § 2. Sur la demande du conseil communal, le Gouvernement flamand est autorisé à réapprouver un arrête du conseil communal portant fixation définitive d'un plan particulier d'aménagement qui, selon un arrêt d'annulation du Conseil d'Etat, est compromis par l'illégalité mentionnée au § 1er, alinéa premier, et d'accorder l'application du plan particulier d'aménagement de manière inchangée pour les parcelles auxquelles l'arrêté a trait.]1

  
Art. 7.4.2 /2. [1 In ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg die vastgesteld zijn na 1 september 2009, worden de eigenstandige procentuele objectieven en voorschriften met betrekking tot de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod in de schoot van verkavelingen, groepswoningbouw en appartementsbouw, die in die plannen werden opgenomen in uitvoering van artikel 4.1.12 en 4.1.13 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid zoals het gold tot 7 november 2013, voor onbestaande gehouden.]1
  
Art. 7.4.2 /2. [1 Dans les plans d'exécution spatiaux et plans d'aménagement qui ont été fixés après le 1er septembre 2009, les objectifs autonomes exprimés en pourcentages et les prescriptions relatives à la réalisation d'une offre de logement social au sein de lotissement, construction groupée d'habitations et d'appartements, qui ont été repris dans les plans en exécution des articles 4.1.12 et 4.1.13 du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière tel qu'en vigueur jusqu'au 7 novembre 2013, sont considérés comme étant inexistants.]1
  
Art. 7.4.2 /3.[1 § 1. De Vlaamse Regering bepaalt uiterlijk op 31 december 2018 welke reservatiestroken die in overdruk zijn afgebakend in gewestplannen of algemene plannen van aanleg, opgeheven worden.
   De beslissing kan betrekking hebben op de volledige reservatiestrook of een deel ervan. Ze omvat een cartografische aanduiding.
   De beslissing heeft in voorkomend geval tot gevolg dat de rooilijn, vastgesteld voor de opgeheven reservatiestrook, van rechtswege als opgeheven beschouwd wordt, met inbegrip van de eventueel geldende achteruitbouwstrook. Het rooilijnplan blijft desgevallend van kracht voor de delen ervan die niet zijn vastgelegd ter realisatie van de geheel of gedeeltelijk opgeheven reservatiestrook.
   De beslissing wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
   § 2. Paragraaf 1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de rooilijnen, vastgelegd voor reservatiestroken die geheel of gedeeltelijk [2 zijn of worden]2 opgeheven door een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan.]1

  
Art. 7.4.2 /3.[1 § 1er. Le Gouvernement flamand déterminera au plus tard le 31 décembre 2018 quelles zones de réservation, délimitées en surpression dans les plans de secteur ou les plans généraux d'aménagement, seront abrogées.
   La décision peut porter sur tout ou partie de la zone de réservation. Elle comporte une référence cartographique.
   Le cas échéant, la décision a pour effet que l'alignement fixé pour la zone de réservation abrogée est de plein droit réputé avoir été supprimé, y compris, le cas échéant, toute zone de recul éventuellement applicable. Le plan d'alignement reste, le cas échéant, en vigueur pour les parties de celui-ci qui n'ont pas été fixées pour la réalisation de la zone de réservation supprimée en tout ou en partie.
   La décision est publiée par extrait au Moniteur belge.
   § 2. Le paragraphe 1er, troisième alinéa, s'applique par analogie aux alignements fixés pour les zones de réservation qui [2 ont été ou sont]2 supprimées en tout ou en partie par un plan d'aménagement ou un plan d'exécution spatial.]1

  
Afdeling 2. - Algemene en bijzondere plannen van aanleg
Division 2. - Plans généraux et particuliers d'aménagement
Art. 7.4.4. § 1. De voorschriften van de plannen van aanleg behouden hun verordenende kracht tot zij worden vervangen. De grafische en tekstuele voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde waarde. Van deze voorschriften kan enkel worden afgeweken overeenkomstig de daartoe in deze codex vastgestelde afwijkingsmogelijkheden.
  § 2. [1 ...]1
  
Art. 7.4.4. § 1er. Les prescriptions des plans d'aménagement conservent leur pouvoir de règlement jusqu'à leur remplacement. Les prescriptions graphiques et textuelles des plans d'aménagement ont la même valeur. Il peut uniquement être dérogé à ces prescriptions de manière conforme aux possibilités de dérogation établies à cet effet dans le présent code.
  § 2.[1 ...]1.
  
Art. 7.4.4 /1. [1 § 1. Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen en na advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar of de gemeentelijke omgevingsambtenaar kunnen de stedenbouwkundige voorschriften van algemene en bijzondere plannen van aanleg worden herzien of opgeheven wat betreft:
   1° de perceelsafmetingen;
   2° de afmetingen en de inplanting van constructies;
   3° de dakvorm en de gebruikte materialen;
   4° de maximaal mogelijke vloerterreinindex;
   5° het aantal bouwlagen;
   6° de voortuinstroken, de tuinzones met inbegrip van tuinconstructies, de binnenplaatsen, de afsluitingen, de buitenaanleg rond gebouwen met inbegrip van verhardingen, de bouwvrije stroken en de bufferstroken;
   7° het aantal toegelaten woongelegenheden of bedrijfseenheden per kavel;
   8° de toegelaten functies in bebouwbare zones of van bebouwde onroerende goederen;
   9° de parkeergelegenheden.
   De herziening of opheffing kan, voor het gebied waarop ze betrekking heeft, niet tot gevolg hebben dat de oppervlakte aan openbare groen- of recreatievoorzieningen kleiner wordt.
   De herziening of opheffing kan geen afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor het gebied in kwestie tot gevolg hebben.
   De herziening of opheffing kan niet worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften die afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor het gebied in kwestie.
   De herziening of opheffing strookt met de opties van, al naargelang het geval, het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk beleidsplan ruimte.
   Het advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar of de gemeentelijke omgevingsambtenaar geeft aan welke projecten, soorten projecten, functies of activiteiten in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening voor het plangebied, maar verhinderd worden door de bestaande stedenbouwkundige voorschriften van het plan. Het advies staaft de conformiteit van de voorgenomen herziening of opheffing met de opties van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk beleidsplan ruimte, en toont aan hoe de voorgenomen herziening of opheffing van stedenbouwkundige voorschriften bijdraagt aan een kwalitatieve verhoging van het ruimtelijk rendement op plaatsen waar die rendementsverhoging verantwoord is, of aan ingrepen gericht op energiebesparing.
   De herziening of opheffing neemt de vorm aan van tekstuele wijzigingen en, zo nodig, een grafisch plan.
   § 2. De procedure, vermeld in dit artikel, is ook van toepassing voor de herziening of opheffing van stedenbouwkundige voorschriften van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, met uitsluiting van voorschriften over de toegelaten functies.
   De inhoudelijke beperkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, zijn voor het overige van overeenkomstige toepassing.
   § 3. De herziening of de opheffing, vermeld in paragraaf 1 en 2, is onderworpen aan een openbaar onderzoek, met inachtneming van de volgende regelingen:
   1° het openbaar onderzoek duurt dertig dagen;
   2° iedere belanghebbende kan gedurende die termijn schriftelijk of digitaal opmerkingen en bezwaren indienen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de minimale organisatorische en procedurele vereisten bij de organisatie van een openbaar onderzoek, vermeld in het eerste lid.
   § 4. De gemeente wint het voorafgaande advies in van de deputatie, het departement en de instanties die aangewezen zijn door de Vlaamse Regering.
   De adviezen worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat op de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   § 5. Het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 3, en de adviesverlening, vermeld in paragraaf 4, kunnen geheel of gedeeltelijk samenvallen.
   § 6. De gemeenteraad beslist tot herziening of opheffing van de voorschriften binnen een vervaltermijn van 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 3, dan wel het einde van de adviesperiode, vermeld in paragraaf 4, waarbij gerekend wordt vanaf de meest recente datum.
   § 7. Het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften wordt onmiddellijk met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt en aan het departement.
   § 8. De Vlaamse Regering en de deputatie beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 7 of 10, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn het besluit van de gemeenteraad ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsing- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen.
   Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement.
   § 9. Het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften van het algemeen of bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, conform dit artikel, kan alleen worden geschorst of vernietigd omwille van de redenen, vermeld in artikel 2.2.23, § 2.
   § 10. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen, om een nieuw besluit tot herziening of opheffing te nemen. In dat nieuwe besluit kunnen ten opzichte van het geschorste besluit alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
   Het nieuwe besluit tot herziening of opheffing wordt onmiddellijk met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan het departement.
   Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot herziening of opheffing neemt, vervalt het geschorste gemeenteraadsbesluit.
   Als het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing tot herziening of opheffing bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
   Het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van dit besluit bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
   Het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften wordt op dezelfde manier als een gewone planwijziging opgenomen in het plannenregister, vermeld in artikel 5.1.1.
   § 11. De regeling in verband met planschade, vermeld in artikel 2.6.1 tot en met 2.6.3, is van overeenkomstige toepassing op gemeenteraadsbesluiten tot herziening of opheffing van voorschriften.
   § 12. De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.]1

  
Art. 7.4.4 /1.[1 § 1er. A l'initiative du collège des bourgmestre et échevins et après avis du fonctionnaire urbaniste communal ou du fonctionnaire communal de l'environnement, les prescriptions urbanistiques des plans généraux et particuliers d'aménagement sont révisées ou supprimées en ce qui concerne :
   1° les dimensions des parcelles ;
   2° les dimensions et l'implantation des constructions ;
   3° la forme de la toiture et les matériaux utilisés ;
   4° l'indice de surface de plancher maximum admissible ;
   5° le nombre de niveaux ;
   6° les zones de jardin de façade, les zones de jardin y compris les constructions de jardin, les cours intérieures, les enclos, l'aménagement extérieur autour des bâtiments y compris les revêtements, les zones non bâties et les zones tampons ;
   7° le nombre maximum admissible de logements ou d'unités d'exploitation par lot ;
   8° les fonctions autorisées dans les zones à bâtir ou celles des biens immobiliers bâtis ;
   9° les aires de stationnement.
   La révision ou l'abrogation ne peut, pour la zone à laquelle elle se rapporte, entraîner une réduction de la superficie des espaces verts publics ou des installations récréatives.
   La révision ou l'abrogation ne peut pas entraîner une dérogation aux prescriptions urbanistiques du plan de secteur pour la zone concernée.
   La révision ou l'abrogation ne peut être appliquée aux prescriptions urbanistiques qui dérogent aux prescriptions urbanistiques du plan de secteur pour la zone concernée.
   La révision ou l'abrogation s'inscrit dans le droit fil des options du schéma de structure d'aménagement communal ou du plan de politique spatiale communal, selon le cas.
   L'avis du fonctionnaire urbaniste communal ou du fonctionnaire communal de l'environnement indique quels projets, types de projets, fonctions ou activités sont conformes à un bon aménagement du territoire pour la zone de planification, mais sont contrecarrés par les prescriptions urbanistiques existantes du plan. L'avis justifie la conformité du projet de révision ou d'abrogation avec les options du schéma de structure d'aménagement communal ou du plan de politique spatiale communal, et montre comment la révision ou l'abrogation de prescriptions urbanistiques contribue à une augmentation qualitative du rendement spatial dans les lieux où cette augmentation de rendement est justifiée, ou à des interventions axées sur les économies d'énergie.
   La révision ou l'abrogation prend la forme de modifications textuelles et, le cas échéant, d'un plan graphique.
   § 2. La procédure visée dans cet article s'applique également à la révision ou à l'abrogation de prescriptions urbanistiques de plans d'exécution spatiaux communaux, à l'exception des prescriptions ayant trait aux fonctions admises.
   Les restrictions de fond visées au paragraphe 1er, premier et deuxième alinéas, s'appliquent par ailleurs mutatis mutandis.
   § 3. La révision ou l'abrogation, visée aux paragraphes 1 et 2, est soumise à une enquête publique dans le respect des règles suivantes :
   1° l'enquête publique dure 30 jours ;
   2° durant cette période, toute partie intéressée peut formuler des observations et objections par écrit ou par voie électronique.
   Le Gouvernement flamand détermine les exigences organisationnelles et procédurales minimales pour la mise en place d'une enquête publique telle que visée au premier alinéa.
   § 4. La commune recueille l'avis préalable de la députation, du département et des autorités désignées par le Gouvernement flamand.
   Les avis sont rendus dans un délai de trente jours à compter du jour suivant celui de la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans ce délai, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
   § 5. L'enquête publique visée au paragraphe 3 et l'avis visé au paragraphe 4 peuvent coïncider en tout ou en partie.
   § 6. Le conseil communal décide de réviser ou d'abroger les prescriptions dans les 180 jours suivant la fin de l'enquête publique visée au paragraphe 3 ou la fin de la période consultative visée au paragraphe 4, à compter de la date la plus récente.
   § 7. La décision du conseil communal de réviser ou d'abroger les prescriptions est immédiatement transmise par envoi sécurisé à la députation de la province où se situe la commune et au département.
   § 8. Le Gouvernement flamand et la députation disposent d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée au paragraphe 7 ou 10, alinéa 2, pour suspendre l'exécution de l'arrêté du conseil communal portant révision ou abrogation. Une suspension ne peut pas être partielle. Le Gouvernement flamand peut également abroger tout ou partie de la décision du conseil communal dans le délai susmentionné. Une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation est transmise au collège des bourgmestre et échevins par envoi sécurisé dans un délai de forclusion de dix jours.
   Dans le délai de forclusion visé à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand remet à la députation une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation. Si la députation prend un arrêté de suspension, elle en remet copie au département dans le délai de forclusion susmentionné.
   § 9. La décision du conseil communal de réviser ou d'abroger les prescriptions du plan général ou particulier d'aménagement ou du plan d'exécution spatial communal, conformément à cet article, ne peut être suspendue ou abrogée que pour les motifs énoncés à l'article 2.2.23, § 2.
   § 10. En cas de suspension, le conseil communal dispose d'un délai de nonante jours prenant cours le lendemain de l'envoi de l'arrêté de suspension au collège des bourgmestre et échevins pour prendre un nouvel arrêté de révision ou d'abrogation. Dans ce nouvel arrêté, seules des modifications basées sur l'arrêté de suspension ou en découlant peuvent être apportées par rapport à l'arrêté suspendu.
   Le nouvel arrêté de révision ou d'abrogation est immédiatement transmis par envoi sécurisé à la députation de la province où se situe la commune et au département.
   Si le conseil communal ne prend pas un nouvel arrêté de révision ou d'abrogation dans le délai de nonante jours précité, l'arrêté suspendu du conseil communal échoit.
   Si la décision du conseil communal de réviser ou d'abroger les prescriptions n'a pas été suspendue ou abrogée en temps voulu, l'arrêté communal de révision ou d'abrogation est publié par extrait au Moniteur belge.
   L'arrêté de révision ou d'abrogation des prescriptions pris par le conseil communal entre en vigueur 15 jours après sa publication par extrait au Moniteur belge.
   L'arrêté de révision ou d'abrogation des prescriptions pris par le conseil communal est repris de la même manière qu'une modification ordinaire de plan dans le registre des plans, visé à l'article 5.1.1.
   § 11. Le règlement relatif aux dommages résultant de la planification spatiale, visé aux articles 2.6.1 à 2.6.3 inclus, s'applique par analogie aux décisions du conseil communal de réviser ou d'abroger des prescriptions.
   § 12. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités de procédure plus spécifiques pour l'application de cet article.]1

  
Art. 7.4.5. De voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen vervangen, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van de plannen van aanleg, tenzij het ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt.
Art. 7.4.5. Les prescriptions des plans d'exécution spatiaux remplacent, pour le territoire auquel ils ont trait, les prescriptions des plans d'aménagement, sauf stipulation contraire explicite dans le plan d'exécution spatial.
Afdeling 3.
Division 3.
Afdeling 4.
Division 4.
Afdeling 5.
Division 5.
Afdeling 6. - Onteigening
Division 6. - Expropriation
Art. 7.4.9. De bepalingen van de artikelen 2.4.3 tot en met 2.4.9 zijn eveneens van toepassing bij de verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de plannen van aanleg.
  Als het plannen van aanleg betreft die reeds zijn goedgekeurd vóór 8 februari 2004, vangt de termijn van vijf jaar, vermeld in [1 artikel 2.4.4, § 2, derde lid]1, evenwel aan op 8 februari 2004.
  Voor onteigeningsplannen, waarbij de termijn van vijf jaar, vermeld in artikel 2.4.8, eerste lid, reeds is verstreken, maar de termijn van tien jaar, genoemd in artikel 33, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 nog niet is verstreken, wordt deze termijn van vijf jaar geacht te verstrijken op 8 februari 2005.
  
Art. 7.4.9. Les dispositions des articles 2.4.3 à 2.4.9 inclus s'appliquent également en cas d'acquisition de biens immeubles, nécessaires pour la réalisation des plans d'aménagement.
  S'il s'agit de plans d'aménagement qui ont déjà été approuvés avant le 8 février 2004, le délai de cinq ans visé à [1 l'article 2.4.4, § 2, alinéa trois]1, commencera toutefois le 8 février 2004.
  Pour les plans d'expropriation, dans le cadre desquels le délai de cinq ans visé à l'article 2.4.8, premier alinéa, est déjà échu, mais le délai de dix ans mentionné dans l'article 33, premier alinéa, du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996, n'est pas encore échu, ce délai de cinq ans est censé échoir le 8 février 2005.
  
Art. 7.4.10. Onteigeningsplannen, vermeld in artikel 2.4.4, § 2, die vóór 1 september 2009 voorlopig werden aangenomen, worden verder behandeld overeenkomstig de procedureregelen die golden op het ogenblik van de voorlopige aanneming.
Art. 7.4.10. Les plans d'expropriation mentionnés dans l'article 2.4.4, § 2, qui ont été adoptés provisoirement avant le 1er septembre 2009, seront traités ultérieurement conformément aux modalités procédurales valables au moment de l'adoption provisoire.
Afdeling 7. - Planschade en planbaten
Division 7. - Dommages et bénéfices résultant de la planification spatiale
Art. 7.4.11. Artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.3 zijn van overeenkomstige toepassing op de [1 ...]1 plannen van aanleg die vanaf 1 september 2009 voorlopig worden aangenomen [2 , opnieuw worden vastgesteld in toepassing van artikel 7.4.1, § 2, of artikel 7.4.1/1, § 2, of opnieuw worden goedgekeurd in toepassing van artikel 7.4.2/1, § 2,]2.
  Vorderingen tot betaling van planschadevergoedingen die zijn ontstaan uit eerdere [1 ...]1 plannen van aanleg, worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dat gold op 31 augustus 2009 [2 , met dien verstande dat deze bepalingen geïnterpreteerd worden in die zin dat enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking komt voor planschade]2.
  
Art. 7.4.11. Les articles 2.6.1 à 2.6.3 inclus sont d'application correspondante aux plans [1 ...]1 d'aménagement qui sont adoptés provisoirement à partir du 1er septembre 2009 [2 , fixés à nouveau en application de l'article 7.4.1, § 2, ou de l'article 7.4.1/1, § 2, ou réapprouvés en application de l'article 7.4.2/1, § 2,]2.
  Les demandes de paiement d'indemnités de dommages résultant de la planification spatiale, qui sont issues de plans [1 ...]1 d'aménagement, seront réglées conformément aux stipulations du décret concernant l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996, tel qu'il était en vigueur le 31 août 2009 [2 , étant entendu que les présentes stipulations sont interprétées dans le sens que seul les 50 premiers mètres à partir de l'alignement sont pris en compte pour les dommages résultant de la planification spatiale " sont ajoutés après les mots]2.
  
(NOTA : bij arrest nr 188/2011 van 15-12-2011 (B.St. 17-02-2012, p. 11476-11480), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 55, 3°, van DVR 2010-07-16/11 vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 188/2011 du 15-12-2011 (M.B. 17-02-2012, p. 11480-11484), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 55, 3° du DCFL 2010-07-16/11)
Art. 7.4.12. Voor de eerste toepassing van de planbatenregeling, vermeld in artikel 2.6.4, geldt dat alle ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die vanaf 1 september 2009 voorlopig worden vastgesteld of aangenomen, planbaten kunnen doen ontstaan, ongeacht de datum waarop de opmaakprocedure een aanvang heeft genomen.
  De verplichting, opgenomen in [1 artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 9° en 10°]1, respectievelijk artikel 7.4.4, § 2, tweede lid, om in ruimtelijke uitvoeringsplannen, respectievelijk bijzondere plannen van aanleg, een register op te nemen van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding, een planbatenheffing, vermeld in artikel 2.6.4, een compensatie, vermeld in boek 6, titel 2 of titel 3 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, of een gebruikerscompensatie, geldt eveneens slechts ten aanzien van ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die voorlopig worden vastgesteld of aangenomen vanaf 1 september 2009.
  
Art. 7.4.12. Pour la première application de la réglementation relative aux bénéfices résultant de la planification spatiale mentionnée visée à l'article 2.6.4, vaut que tous les plans d'exécution spatiaux et les plans particuliers d'aménagement établis ou adoptés provisoirement à partir du 1er septembre 2009 peuvent faire naître des bénéfices résultant de la planification spatiale, et ce, quelle que soit la date à laquelle la procédure d'établissement a été démarrée.
  L'obligation incluse dans [1 l'article 2.2.5, § 1er, alinéa 1er, 9° et 10°]1, respectivement l'article 7.4.4, § 2, deuxième alinéa, d'inclure dans les plans d'exécution spatiaux, respectivement les plans particuliers d'aménagement, un registre des parcelles soumises à une modification de destination pouvant donner lieu à une indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale, à l'imposition d'une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale, telle que visée à l'article 2.6.4, ainsi qu'à une compensation comme mentionnée dans le livre VI, titre II ou titre III du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière ou à une compensation de l'usager, vaut de même uniquement pour les plans d'exécution spatiaux et les plans particuliers d'aménagement qui ont été établis ou adoptés provisoirement à partir du 1er septembre 2009.
  
Art. 7.4.13. Voor de toepassing van de planbatenregeling, vermeld in artikel 2.6.4, worden de bestemmingsvoorschriften van de plannen van aanleg als volgt geconcordeerd naar de aldaar gehanteerde categorieën of subcategorieën van gebiedsaanduiding :
Art. 7.4.13. Pour l'application de la réglementation relative aux bénéfices résultant de la planification spatiale visée à l'article 2.6.4, les prescriptions de destination des plans d'aménagement correspondent comme suit avec les catégories et les sous-catégories d'affectation de zone qui y sont utilisées :

  
  
Bestemmingsvoorschriften van de plannen van aanleg |ad(Sub)categorie van gebiedsaanduiding
  
WoongebiedenWonen
  
IndustriegebiedenBedrijvigheid
  
DienstverleningsgebiedenBedrijvigheid
  
Agrarische gebiedenLandbouw
  
BosgebiedenBos
  
GroengebiedenOverig groen en Reservaat en natuur
  
RecreatiegebiedenRecreatie
  
Gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningenGemeenschaps- en nutsvoorzieningen
  
OntginningsgebiedenGebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen

  
  
Prescriptions de destination des plans d'aménagement(Sous-)catégorie d'affectation de zone
  
Zones résidentiellesHabiter
  
Zones industriellesActivité économique
  
Zones de services Activité économique
  
Zones agrairesAgriculture
  
Zones forestièresBois
  
Zones vertesAutres zones vertes et Réserves et nature
  
Zones de récréationRécréation
  
Zones pour équipements communs et utilitairesEquipements communs et utilitaires
  
Zones d'exploitationZone affectée à l'extraction de minerais de surface
Bestemmingsvoorschriften van de plannen van aanleg |ad(Sub)categorie van gebiedsaanduiding
WoongebiedenWonen
IndustriegebiedenBedrijvigheid
DienstverleningsgebiedenBedrijvigheid
Agrarische gebiedenLandbouw
BosgebiedenBos
GroengebiedenOverig groen en Reservaat en natuur
RecreatiegebiedenRecreatie
Gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningenGemeenschaps- en nutsvoorzieningen
OntginningsgebiedenGebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen
Prescriptions de destination des plans d'aménagement(Sous-)catégorie d'affectation de zone
Zones résidentiellesHabiter
Zones industriellesActivité économique
Zones de services Activité économique
Zones agrairesAgriculture
Zones forestièresBois
Zones vertesAutres zones vertes et Réserves et nature
Zones de récréationRécréation
Zones pour équipements communs et utilitairesEquipements communs et utilitaires
Zones d'exploitationZone affectée à l'extraction de minerais de surface
  De Vlaamse Regering bepaalt de concordantie van bijzondere bestemmingsvoorschriften van de plannen van aanleg naar de categorieën of subcategorieën van gebiedsaanduiding, vermeld in het eerste lid, in zoverre die bijzondere bestemmingsvoorschriften overeenstemmen met de bij de (sub)categorieën van gebiedsaanduiding horende voorschriften, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, zoals de tekst ervan is vastgesteld bij het besluit van 11 april 2008.
  Le Gouvernement flamand établit la concordance des prescriptions particulières de destination des plans d'aménagement avec les catégories et sous-catégories d'affectation de zone mentionnées dans le premier alinéa, pour autant que ces prescriptions particulières de destination correspondent avec les prescriptions relatives aux (sous-)catégories d'affectation de zone mentionnées dans l'annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 avril 2008 fixant les modalités relatives à la forme et au contenu de plans d'exécution spatiaux, comme le texte en est fixé par l'arrêté du 11 avril 2008.
HOOFDSTUK V. - Vergunningenbeleid
CHAPITRE V. - Politique d'autorisation
Afdeling 1. - Vergunningsplichtige functiewijzigingen
Division 1re. - Modifications de fonction soumises à l'obligation d'autorisation
Art. 7.5.1. Tot de dag waarop de door de Vlaamse Regering vast te stellen lijst van vergunningsplichtige functiewijzigingen in werking treedt en met terugwerkende kracht vanaf 9 september 1984, worden eveneens de hierna vermelde gebruikswijzigingen geacht vergunningsplichtig te zijn vanwege de belangrijke ruimtelijke weerslag op de onmiddellijke omgeving :
  1° wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, een woongebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit een dancing, het opslaan van schroot, autowrakken of afvalproducten het te koop of in ruil aanbieden van diensten binnen een ruimte die groter is dan driehonderd vierkante meter;
  2° wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een industriegebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit het te koop of in ruil aanbieden van goederen of diensten;
  3° wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik is niet agrarisch;
  4° wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een bufferzone, een groen-, park- of bosgebied of daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit om het even welk gebruik dat anders is dan het oorspronkelijke;
  5° wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een recreatiegebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit het permanent bewonen;
  6° wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een ontginningsgebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit het opslaan van schroot, autowrakken of afvalproducten.
Art. 7.5.1. Jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la liste des modifications de fonction soumises à l'obligation d'autorisation, et avec effet rétroactif à partir du 9 septembre 1984, les modifications de fonctions citées ci-après sont également réputées soumises à l'obligation d'autorisation en raison de l'importante incidence spatiale sur l'environnement immédiat :
  1° en cas de modification de la fonction principale d'un bâtiment ayant fait l'objet d'un permis, lorsqu'il s'agit d'un bâtiment situé dans une zone réservée aux équipements communautaires et utilitaires, dans une zone résidentielle ou dans une zone de destination y assimilée, et que la nouvelle utilisation consiste en une discothèque, le stockage de ferraille, d'épaves de voitures ou de déchets, l'offre en vente ou en échange de services dans un local qui fait plus de trois cents mètres carrés;
  2° en cas de modification de la fonction principale d'un bâtiment ayant fait l'objet d'un permis, lorsqu'il s'agit d'un bâtiment situé dans une zone industrielle ou dans une zone de destination assimilée, et que la nouvelle utilisation consiste à proposer des marchandises ou des services à la vente ou à l'échange;
  3° en cas de modification de la fonction principale d'un bâtiment ayant fait l'objet d'un permis, lorsqu'il s'agit d'un bâtiment situé dans une zone agraire ou dans une zone de destination y assimilée, et que la nouvelle utilisation n'est pas du type agraire;
  4° en cas de modification de la fonction principale d'un bâtiment ayant fait l'objet d'un permis, lorsqu'il s'agit d'un bâtiment situé dans une zone tampon, une zone verte, une zone de parc ou boisée ou dans une zone de destination y assimilée, et que la nouvelle utilisation diffère de l'utilisation initiale;
  5° en cas de modification de la fonction principale d'un bâtiment ayant fait l'objet d'un permis, lorsqu'il s'agit d'un bâtiment situé dans une zone de récréation ou dans une zone de destination y assimilée, et que la nouvelle utilisation vise le logement permanent;
  6° en cas de modification de la fonction principale d'un bâtiment ayant fait l'objet d'un permis, lorsqu'il s'agit d'un bâtiment situé dans une zone d'exploitation ou dans une zone de destination y assimilée, et que la nouvelle utilisation consiste dans l'entreposage de ferraille, d'épaves de voitures ou de déchets.
Afdeling 2.
Division 2.
Afdeling 3. - Verkavelingsakkoorden en verkavelingen daterend van vóór 22 december 1970
Division 3. - Accords de lotissement et lotissements datant d'avant le 22 décembre 1970
Art. 7.5.3. § 1.Verkavelingsakkoorden van vóór 22 april 1962 vervallen, behoudens overmacht, als op 1 oktober 1970 geen van de werken is aangevat die in het vermelde akkoord zijn opgenomen in verband met de geplande en in het akkoord aanvaarde aanleg van nieuwe verkeerswegen, wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen.
  Als de werken zijn aangevangen, dan vervalt het akkoord als deze werken niet voltooid zijn vóór 31 december 1972.
  Wanneer de verkavelingen langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg moeten worden uitgevoerd, vervalt het akkoord eveneens als de verkoop van minstens een derde van de percelen niet vóór 1 oktober 1970 is geregistreerd.
  Deze verkavelingsakkoorden vormen geen basis voor het verlenen van [1 omgevingsvergunningen]1.
  Het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bestaande op basis van dit verkavelingsakkoord vergunde woning, die niet gelegen is in de geëigende bestemmingszone, kan echter worden toegestaan.
  Om een woning te bouwen op een onbebouwd perceel binnen de omschrijving van een verkavelingsakkoord, kan de vergunningverlenende overheid afwijken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° het ontvangstbewijs van de aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning wordt afgegeven vóór 30 april 2006;
  2° de aanvraag heeft betrekking op een perceel, gelegen binnen een verkaveling waarvoor het bestuur van de stedenbouw vooraf zijn akkoord heeft gegeven. Enkel een schriftelijk bewijs dat de aanvrager bij zijn aanvraag voegt, kan het bestaan van dit akkoord aantonen;
  3° na de vaststelling van het gewestplan zijn binnen éénzelfde verkaveling op grond van het verkavelingsakkoord nog stedenbouwkundige vergunningen of gunstige stedenbouwkundige attesten verleend, afwijkend van het gewestplan;
  4° de eigenaar op 1 januari 1999 is niet dezelfde als de oorspronkelijke eigenaar op het ogenblik dat het verkavelingsakkoord werd verkregen;
  5° de grond waarop de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft, ligt tussen bebouwde percelen of maakt deel uit van een huizengroep.
  
Art. 7.5.3. § 1er. Les accords de lotissement datant d'avant le 22 avril 1962 cessent de produire effet, sauf cas de force majeure, lorsqu'en date du 1er octobre 1970, aucun des travaux repris dans le permis visé n'a été entamé pour ce qui est de l'aménagement prévu et accepté dans le permis de nouvelles routes, de la modification ou de la suppression de routes existantes.
  Si les travaux ont été entamés, l'accord cesse de produire effet lorsque ces travaux n'ont pas été achevés avant le 31 décembre 1972.
  Dans le cadre de lotissements devant être réalisés le long d'une route existante dûment équipée, l'accord cessera également de produire effet lorsque la vente d'un tiers au moins des parcelles n'a pas été enregistrée avant le 1er octobre 1970.
  Ces accords de lotissement ne constituent aucune base pour l'octroi [1 de permis d'environnement]1.
  La transformation, la reconstruction ou l'agrandissement d'une habitation autorisée en fonction de cet accord de lotissement et qui n'est pas située dans la zone de destination appropriée peuvent toutefois être autorisés.
  Pour la construction d'une habitation sur une parcelle non bâtie dans le cadre d'un accord de lotissement, l'autorité délivrant le permis peut déroger aux prescriptions d'un plan régional ou d'un plan général d'aménagement lorsque les conditions suivantes sont réunies :
  1° l'accusé de réception de la demande d'autorisation urbanistique est remis avant le 30 avril 2006;
  2° la demande porte sur une parcelle, située dans un lotissement ayant obtenu préalablement l'accord de l'administration de l'urbanisme. Seule une preuve écrite que le requérant joint à sa demande peut démontrer l'existence de cet accord;
  3° après la fixation du plan régional, d'autres autorisations urbanistiques ou attestations urbanistiques favorables dérogeant au plan régional ont été octroyées, au sein d'un même lotissement, sur la base de l'accord de lotissement;
  4° le propriétaire en date du 1er janvier 1999 n'est pas le même que le propriétaire initial au moment de l'obtention de l'accord de lotissement;
  5° le terrain auquel se rapporte la demande d'autorisation urbanistique se situe entre des parcelles bâties ou fait partie d'un pâté de maisons.
  
Art. 7.5.4. Tot het in artikel 7.6.2, § 1, derde lid, 4°, vermelde deel van het vergunningenregister volledig is opgemaakt door de gemeente en goedgekeurd door [2 het departement]2, bestaat er een vermoeden dat een [3 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]3 voor een niet-bebouwd deel van een verkaveling die dateert van vóór 22 december 1970 en die vanaf deze datum geen voorwerp heeft uitgemaakt van een verkavelingswijziging die geleid heeft tot een vermeerdering of een vermindering van het aantal kavels of tot een herverkaveling, vervallen is. [2 Het departement]2 neemt een beslissing over dit deel van het vergunningenregister binnen zestig dagen nadat de gemeente hem daarom verzocht heeft.
  In elke gemeente wordt een bericht aangeplakt dat de eigenaars van een niet-bebouwde kavel of meerdere niet-bebouwde kavels in vergunde niet-vervallen verkavelingen die dateren van vóór 22 december 1970, oproept om zich te melden bij het college van burgemeester en schepenen. De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen om te zorgen voor de onmiddellijke aanplakking na de inwerkingtreding van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening op 1 mei 2000 en voor een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid.
  Als geen enkele eigenaar van een onbebouwde kavel zich gemeld heeft bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van negentig dagen na 1 mei 2000, dan is de [3 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]3 voor de onbebouwde kavel of kavels definitief vervallen.
  Als een eigenaar zich bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van negentig dagen na 1 mei 2000 gemeld heeft, dan gaat het college van burgemeester en schepenen na of de [3 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]3 niet reeds vervallen is met toepassing van de regeling, opgenomen in punt 12 van bijlage 2, " Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen : wijzigings-, overgangs- en opheffingsbepalingen, alsmede reeds voorbijgestreefde bepalingen ", gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Alleen als de verkavelingsvergunning nog niet vervallen is, worden alle onbebouwde kavels opgenomen in het vergunningenregister.
  [3 Voor die kavels gelden artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, met dien verstande dat de termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen wordt door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000. De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000.]3
  Het verval van [3 omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden]3, vermeld in het eerste lid, die niet moesten worden aangemeld omwille van het feit dat zij vanaf 22 december 1970 het voorwerp hebben uitgemaakt van een verkavelingswijziging die geleid heeft tot een vermeerdering of een vermindering van het aantal kavels of tot een herverkaveling, wordt beoordeeld met toepassing van de regeling, vermeld in het vierde lid.
  
Art. 7.5.4. Jusqu'à l'établissement intégral par la commune et à l'approbation par [2 le département]2 de la partie du registre des permis visée à l'article 7.6.2, § 1er, troisième alinéa, 4°, il existe une présomption qu'un [3 permis d'environnement pour le lotissement de sols]3 pour une partie non bâtie d'un lotissement datant d'avant le 22 décembre 1970 et n'ayant pas, à partir de cette date, fait l'objet d'une modification de lotissement engendrant un relotissement ou une augmentation ou une diminution du nombre de lots, est échu. [2 Le département]2 statue sur cette partie du registre des permis dans les soixante jours suivant la date à laquelle la commune lui en a fait la demande.
  Dans chaque commune, un avis est affiché invitant les propriétaires d'un lot non bâti ou de plusieurs lots non bâtis dans des lotissements autorisés non échus datant d'avant le 22 décembre 1970, à se présenter auprès du Collège des bourgmestre et échevins. Le Gouvernement flamand adopte les mesures nécessaires pour veiller à l'affichage immédiat après l'entrée en vigueur le 1er mai 2000 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire et à la publication d'un avis dans au moins trois quotidiens distribués en Région flamande.
  Lorsqu'aucun propriétaire d'un lot non bâti ne s'est présenté auprès du Collège des bourgmestre et échevins dans un délai de nonante jours suivant la date du 1er mai 2000, le [3 permis d'environnement pour le lotissement de sols]3 pour le lot non bâti ou les lots non bâtis est définitivement échu.
  Lorsqu'un propriétaire s'est présenté auprès du Collège des bourgmestre et échevins dans un délai de nonante jours suivant le 1er mai 2000, le Collège des bourgmestre et échevins vérifiera si le [3 permis d'environnement pour le lotissement de sols]3 n'est pas déjà échu en application du règlement visé au point 12 de l'annexe 2, " Dispositions non reprises dans la coordination : les dispositions de modification, de transition et d'abrogation, ainsi que les dispositions déjà obsolètes ", jointe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 1996 portant coordination de la loi organique de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme du 29 mars 1962. Ce n'est que lorsque le permis de lotir n'est pas encore échu que tous les lots non bâtis sont repris dans le registre des permis.
  [3 Aux présents lots s'appliquent les articles 84 à 86 inclus, 97, 102 et 103 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, étant entendu que le délai de dix ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 1er, premier alinéa, 2°, et § 2, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement est remplacé par un délai de cinq ans à partir du 1er mai 2000. Le délai de quinze ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 2, 3°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de dix ans à partir du 1er mai 2000.]3
  L'expiration [3 des permis d'environnement pour le lotissement de sols]3 mentionnés dans le premier alinéa qui ne devaient pas être déclarés parce qu'ils avaient fait l'objet, à partir du 22 décembre 1970, d'une modification de lotissement ayant engendré un relotissement ou une augmentation ou une diminution du nombre de lots, est jugée en vertu du règlement mentionné dans le quatrième alinéa.
  
Art. 7.5.5. [1 Het verval van een verkavelingsakkoord of van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 7.5.4, kan niet worden tegengesteld aan personen die zich op dat verkavelingsakkoord of die omgevingsvergunning beroepen, als ze kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, hetzij op grond van of refererend aan het verkavelingsakkoord of die vergunning omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan. Daarvoor moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
   1° de vergunningen of attesten zijn verleend voor een of meer kavels van die personen binnen de omschrijving van het verkavelingsakkoord of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden;
   2° de vergunningen of attesten zijn door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig bevonden.]1

  
Art. 7.5.5. [1 L'expiration d'un accord de lotissement ou d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols, visée à l'article 7.5.4, ne peut pas être opposée aux personnes qui font valoir cet accord de lotissement ou ce permis d'environnement, à condition qu'elles soient en mesure de démontrer que les autorités publiques ont permis, après l'expiration, soit l'octroi de permis d'environnement pour actes urbanistiques, de permis de construire ou d'attestations urbanistiques, et ce, en vertu de, ou en référence à l'accord de lotissement ou au permis d'environnement pour le lotissement de sols, soit des modifications au permis d'environnement pour le lotissement de sols. Dans ce dessein, les deux conditions suivantes doivent être remplies :
   1° les autorisations ou attestations relatives à un ou à plusieurs lots de ces personnes ont été octroyées dans le cadre de l'accord de lotissement ou du permis d'environnement pour le lotissement de sols ;
   2° les autorisations ou attestations n'ont pas été reconnues par une autorité supérieure ou par un juge comme étant illégitimes.]1

  
Afdeling 4. [1 - Verval, bijstelling of opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden]1
Division 4. [1 - Expiration, actualisation ou suspension du permis d'environnement pour le lotissement de sols]1
Art. 7.5.6. [1 Artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn van toepassing op de omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die verleend zijn vanaf 22 december 1970 en vóór 1 mei 2000. De beperking, vermeld in artikel 102, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt evenwel niet voor de verkopen van verkavelingen in hun geheel die een vaste datum hebben verkregen vóór 1 september 2009, op voorwaarde dat de overheid hetzij op grond van of refererend aan de omgevingsvergunning stedenbouwkundige attesten of omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan, als die door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig zijn bevonden. Dergelijke verkopen in hun geheel konden wel het verval van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verhinderen. Het voorgaande heeft nooit tot gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die tot het verval van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden hebben geleid op grond van het oordeel dat verkopen van verkavelingen in hun geheel niet het verval van een verkaveling kunnen verhinderen.
   De termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.
   De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.]1

  
Art. 7.5.6. [1 Les articles 84 à 86 inclus, 97, 102 et 103 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement sont d'application aux permis d'environnement pour le lotissement de sols octroyés à partir du 22 décembre 1970 et avant le 1er mai 2000. La restriction mentionnée à l'article 102, § 1er, deuxième alinéa, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, ne vaut toutefois pas pour les ventes de lots dans leur intégralité ayant obtenu date certaine avant le 1er septembre 2009, à condition que l'autorité ait délivrée des attestations urbanistiques ou des permis d'environnement pour actes urbanistiques soit sur la base de ou par référence au permis d'environnement pour le lotissement de sols, soit ait autorisé des adaptations au permis d'environnement pour le lotissement de sols, dans la mesure où l'autorité supérieure ou le juge ne les a pas jugés illégitimes. De telles ventes dans leur intégralité étaient bien en mesure d'empêcher l'échéance d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols. Ce qui précède n'entraîne jamais la révocation des décisions passées en force de choses jugées, qui ont déterminé l'expiration de permis d'environnement pour le lotissement de sols en vertu de l'avis que la vente de lotissements dans leur intégralité n'est pas de nature à empêcher le délabrement d'un lotissement.
   Le délai de dix ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 1er, alinéa premier, 2°, et § 2, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de cinq ans à partir du 1er mai 2000, pour les permis d'environnement pour le lotissement de sols non échus délivrés plus de cinq ans avant le 1er mai 2000.
   Le délai de quinze ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 2, 3°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de dix ans à partir du 1er mai 2000, pour les permis d'environnement pour le lotissement de sols non échus délivrés plus de cinq ans avant le 1er mai 2000.]1

  
Art. 7.5.7. [1 Artikel 84, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die voorlopig zijn vastgesteld of aangenomen vanaf 1 september 2009.
   De bijstelling of de opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg dat voorlopig is vastgesteld of aangenomen vóór 1 september 2009, wordt afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.]1

  
Art. 7.5.7. [1 L'article 84, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement s'applique aux plans d'exécution spatiaux et aux plans particuliers d'aménagement qui sont provisoirement établis ou adoptés à partir du 1er septembre 2009.
   L'actualisation ou la suspension des permis d'environnement pour le lotissement de sols en conséquence de la fixation définitive d'un plan d'exécution spatial ou d'un plan particulier d'aménagement ayant été provisoirement établi ou adopté avant le 1er septembre 2009 est réglée conformément aux modalités qui étaient en vigueur avant cette date.]1

  
Afdeling 5.
Division 5.
Afdeling 6. - Tijdelijke regeling bindende advisering door de wegbeheerder
Division 6. - Réglementation temporaire relative à l'avis contraignant des Ponts et Chaussées
Art. 7.5.9.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Opgeheven art. 362 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Art. 7.5.9.   (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)">Abrogé art. 362 van 25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
HOOFDSTUK VI. - Diverse bepalingen
CHAPITRE VI. - Diverses dispositions
Afdeling 1. - Plannen- en vergunningenregisters
Division 1re. - Registre des plans et registre des permis
Art. 7.6.1. [2 Een afschrift van het eerste plannenregister wordt naar het departement gestuurd.]2]1. Binnen het daaropvolgend jaar neemt [1 het departement]1 een gemotiveerde beslissing inzake de conformverklaring van het plannenregister en stuurt die beslissing naar het college van burgemeester en schepenen, de deputatie en de Vlaamse Regering binnen tien dagen na de beslissing.
  In afwijking van het eerste lid, samengelezen met artikel 5.1.1, kan de gemeente een ontwerp van plannenregister opmaken en naar [1 het departement]1 sturen, waarin de in artikel 5.1.1, § 1, eerste lid, 3°, vermelde gegevens nog niet zijn opgenomen. De gemeente geeft dan aan binnen welke tijdsspanne deze gegeven aangevuld zullen worden.
  
Art. 7.6.1. [2 Une copie du premier registre des plans est envoyée au département.]2. Dans l'année qui suit, [1 le département]1 prend une décision motivée concernant la déclaration de conformité du registre des plans et il communique cette décision au Collège des bourgmestre et échevins, à la Députation permanente et au Gouvernement flamand dans les dix jours suivant la décision.
  En dérogation au premier alinéa, combiné avec l'article 5.1.1, la commune peut établir un projet de registre des plans n'incluant pas encore les données de l'article 5.1.1, § 1er, premier alinéa, 3° et l'envoyer [1 au département]1. La commune indique dans ce cas dans quel délai ces données seront complétées.
  
Art. 7.6.2. § 1.[4 Elke gemeente bezorgt een ontwerp van vergunningenregister aan het departement.]4]2.
  [4 ...]4.
  Het ontwerp van vergunningsregister bevat volgende gegevens, zoveel mogelijk per kadastraal perceel en voor zover beschikbaar :
  1° het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam;
  2° [3 ...]3
  3° de bouwvergunningen en verkavelingsvergunningen die verleend werden met toepassing van de bestaande wettelijke voorschriften, de identiteit van de vergunninghouder, en de vermelding of die vergunningen al dan niet geheel of gedeeltelijk vervallen zijn;
  4° voor de verkavelingsvergunningen die dateren van vóór 22 december 1970 wordt aangeduid of de verkaveling geheel of gedeeltelijk vervallen is, en indien de verkavelingsvergunning niet vervallen is wordt vermeld op welke rechtsgrond het niet-verval van de vergunning voor de onbebouwde percelen gebaseerd is;
  5° de na 1 mei 1999 verleende stedenbouwkundige attesten nummer 2;
  6° de vermelding van processen-verbaal die opgemaakt werden met betrekking tot inbreuken op de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, van iedere gerechtelijke uitspraak en van de uitvoering van de herstelmaatregelen;
  7° de vermelding van elk rechtsmiddel dat aangewend wordt, van iedere schorsing, van de uitspraken en van het gevolg dat daaraan gegeven wordt;
  8° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en bewijs van betaling van de planbatenheffing;
  9° elke melding en de identiteit van de persoon die de melding verricht;
  10° in voorkomend geval het declaratief attest, vermeld in artikel 5.4.3, § 5.
  De Vlaamse Regering kan bepalen dat het ontwerp van vergunningenregister in de mate van het mogelijke ook volgende informatie per kadastraal perceel bevat :
  1° het gebruik, als dat afwijkt van de bestemming;
  2° de identiteit van de eigenaar of van de titularis van een ander zakelijk recht, als de eigenaar of de titularis van een ander zakelijk recht een overheid of een openbare instelling is.
  Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen [4 ...]4, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van [4 boek 8, hoofdstuk 3,]4 van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden in het ontwerp van vergunningenregister opgenomen als " vergund geacht ", onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. De vaststelling van de aanwezigheid van een geldig bewijs dat de bestaande constructie vóór 22 april 1962 gebouwd werd, en de omschrijving van de aard van dat bewijs, geldt als motivering voor de beslissing tot opname als " vergund geacht ". De vaststelling van het feit dat de constructie niet meer bestaat, van de afwezigheid van enig bewijsmiddel, of van het feit dat het voorhanden zijnde bewijsmiddel aangetast is door uitdrukkelijk aangegeven onregelmatigheden, geldt als motivering voor de weigering tot opname als " vergund geacht ". Een weigering tot opname als " vergund geacht ", wordt bij gewone brief aan de eigenaar betekend.
  Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen [4 ...]4, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van [4 boek 8, hoofdstuk 3,]4 van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als " vergund geacht ", onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als " vergund geacht ". De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als " vergund geacht ". De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als " vergund geacht ". Een weigering tot opname als " vergund geacht ", wordt bij gewone brief aan de eigenaar betekend. Deze mededelingsplicht geldt niet ten aanzien van die constructies waarvoor reeds een gemotiveerde mededeling werd verricht bij de opmaak van het ontwerp van vergunningenregister.
  Binnen honderdtachtig dagen na ontvangst van het ontwerp van vergunningenregister formuleert [2 het departement]2 een verslag dat opgenomen moet worden in het vergunningenregister. [2 Het departement]2 kan foutieve gegevens schrappen uit het vergunningenregister en meldt dit in zijn verslag.
  Het college van burgemeester en schepenen stelt, vijfenzeventig dagen na ontvangst van het verslag van [2 het departement]2, het vergunningenregister vast en maakt het toegankelijk voor het publiek.
  Het college van burgemeester en schepenen is verantwoordelijk voor de overeenstemming van het eerste vergunningenregister met de erin opgenomen stukken.
  § 2. In afwijking van § 1 kan de gemeente een ontwerp van vergunningenregister opmaken en naar de gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar sturen, waarin de bouwvergunningen verleend vóór 1 januari 1990 en de gegevens, vermeld in § 1, vijfde en zesde lid, nog niet zijn opgenomen. De gemeente geeft dan aan binnen welke tijdsspanne deze gegevens zullen aangevuld worden.
  Voor wat betreft de gegevens, vermeld in § 1, vijfde en zesde lid, geldt dat zij alleszins binnen een termijn van drie jaar na het versturen van het ontwerp moeten worden opgenomen.
  § 3. In afwijking van § 1 kan de gemeente een ontwerp van vergunningenregister opmaken en naar [2 het departement]2 sturen, waarin de in § 1, [1 derde lid]1, 2° en 10°, vermelde gegevens nog niet zijn opgenomen. De gemeente geeft dan aan binnen welke tijdsspanne deze gegeven aangevuld zullen worden.
  
Art. 7.6.2. § 1er.[4 Chaque commune remet un projet de registre des plans au département.]4]2.
  [4 ...]4.
  Le projet de registre des permis comporte, dans la mesure du possible par parcelle cadastrale et pour autant que disponibles, les données suivantes :
  1° le numéro cadastral, le numéro d'habitation et le nom de rue;
  2° [3 ...]3
  3° les permis de construire et les permis de lotir octroyés en application des prescriptions légales existantes, l'identité du titulaire du permis et la mention si ces permis sont ou non, intégralement ou partiellement échu;
  4° pour les permis de lotir datant d'avant le 22 décembre 1970, il est indiqué si le lotissement est intégralement ou partiellement échu et, si le permis de lotir n'est pas échu, sur quelle base juridique la non-déchéance du permis pour parcelles non bâties est fondée;
  5° les attestations urbanistiques numéro 2 octroyées après le 1er mai 1999;
  6° la mention des procès-verbaux qui ont été dressés pour les infractions à la législation relative à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme, ainsi que la mention de chaque acte judiciaire et de l'exécution des mesures de réparation;
  7° la mention de chaque voie de recours utilisée, de chaque suspension, ainsi que des décisions juridiques et de leur suivi;
  8° le fait qu'une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est due et la preuve du paiement de celle-ci;
  9° chaque déclaration et l'identité de la personne qui l'a effectuée;
  10° dans le cas échéant, l'attestation de déclaration visée à l'article 5.4.3, § 5.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer que le projet de registre des permis comporte, dans la mesure du possible, les informations suivantes par parcelle cadastrale :
  1° l'utilisation, si cette dernière diffère de la destination;
  2° l'identité du propriétaire ou du titulaire d'un autre droit réel, lorsque le propriétaire ou le titulaire d'un autre droit réel est une autorité ou une institution publique.
  Les constructions existantes, à l'exception des infrastructures [4 ...]4 publicitaires, dont il a été démontré par un quelconque élément de preuve autorisé de droit dans le sens du [4 livre 8, chapitre 3,]4 du Code civil qu'elles ont été édifiées avant le 22 avril 1962 avril, sont incluses dans le registre des permis en tant que " réputées autorisées ", sans préjudice de l'article 4.2.14, § 3 et § 4. L'autorité communale est soumise à une obligation active d'enquête pertinente. La constatation de la présence d'une preuve valable attestant que la construction existante a été édifiée avant le 22 avril 1962 - et la description de la nature de cette preuve - vaut comme motivation pour la décision d'enregistrement en tant que " réputée autorisée ". La constatation du fait que la construction n'existe plus, de l'absence d'un quelconque élément de preuve ou du fait que les éléments de preuve disponibles sont entamés par des irrégularités explicitement indiquées, vaut comme motivation pour le refus de son enregistrement en tant que " réputée autorisée ". Un refus d'enregistrement comme " réputée autorisée " sera signifié au propriétaire par le biais d'une simple lettre.
  Les constructions existantes, à l'exception des infrastructures [4 ...]4 publicitaires, dont il a été démontré par un quelconque élément de preuve autorisé de droit dans le sens du [4 livre 8, chapitre 3,]4 du Code civil qu'elles ont été édifiées dans la période allant du 22 avril 1962 à la première entrée en vigueur du plan régional se rapportant à l'endroit où elles se situent, et dont le caractère autorisé n'a pas été contesté par les autorités publiques au moyen d'un procès-verbal ou d'un acte d'opposition non anonyme, chaque fois rédigé dans un délai de cinq ans après l'édification ou l'installation de la construction, sont enregistrées dans le registre des permis comme étant " réputées autorisées ", sans préjudice de l'article 4.2.14, § 3 et § 4. L'autorité communale est soumise à une obligation active d'enquête pertinente. Le registre des permis mentionne la date d'enregistrement de la construction en tant que " réputée autorisée ". La constatation du fait que les autorités n'ont pas connaissance d'une preuve contraire valable constitue une motivation pour un enregistrement en tant que " réputée autorisée ". La constatation du fait que les autorités ont connaissance d'une preuve contraire valable accompagnée de la description de sa nature constitue une motivation de refus pour un enregistrement en tant que " réputée autorisée ". Un refus d'enregistrement comme " réputée autorisée " sera signifié au propriétaire par le biais d'une simple lettre. Cette obligation de communication n'est pas applicable aux constructions pour lesquelles une communication motivée a déjà été effectuée lors de l'établissement de l'avant-projet du registre des permis.
  Dans un délai de cent quatre-vingts jours suivant la réception du projet de registre des permis, le [2 département]2 rédige un rapport qui doit être repris dans le registre des permis. Le [2 département]2 peut rayer des données erronées figurant dans registre des permis et il le mentionnera dans son rapport.
  Septante-cinq jours après la réception du rapport du [2 département]2, le Collège des bourgmestre et échevins établit le registre des permis et le rend accessible au public.
  Le Collège des bourgmestre et échevins répond de la conformité du premier registre des permis avec les pièces qui y sont reprises.
  § 2. Par dérogation au § 1er, un avant-projet de registre des permis ne reprenant pas encore les permis de construire octroyés avant le 1er janvier 1990 ni les données visées au § 1er, cinquième et sixième alinéa, peut être établi par la commune et envoyé au [2 département]2. La commune indique dans ce cas dans quel délai ces données seront complétées.
  Pour ce qui est des données visées au § 1er, cinquième et sixième alinéa, la règle vaut qu'elles doivent en tout cas être enregistrées dans un délai de trois ans après l'envoi de l'avant-projet.
  § 3. Par dérogation au § 1er, la commune peut établir un avant-projet de registre des permis ne reprenant pas encore les données mentionnées au § 1er, [1 alinéa trois]1, 2° et 10° et l'envoyer au [2 département]2. La commune indique dans ce cas dans quel délai ces données seront complétées.
  
Art. 7.6.3. [1 ...]1.
  De gemeenten kunnen bij de opmaak van het plannenregister en het vergunningenregister begeleiding vragen van de bevoegde diensten van het Vlaamse Gewest.
  
Art. 7.6.3. [1 ...]1
  Lors de l'établissement du registre des plans et du registre des permis, les communes peuvent demander l'accompagnement des services compétents de la Région flamande.
  
Afdeling 2. - Informatieplichten
Division 2. - Obligations d'information
Art. 7.6.4. De bepalingen met betrekking tot de informatieverplichtingen, zoals voorzien in de artikelen 5.2.1, 5.2.5 en 5.2.6, zijn slechts van toepassing ten vroegste eenendertig dagen nadat in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister.
  Deze bepalingen zijn niet van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten en op openbare verkoopverrichtingen die zijn aangevat vóór het in het eerste lid vermelde tijdstip. Het bewijs hiervan kan met alle middelen worden geleverd.
  De lijst van de gemeenten, die beschikken over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister, wordt driemaandelijks opgemaakt en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, vanaf 1 mei 2000 en tot alle gemeenten op deze lijst zijn opgenomen.
  Zolang deze publicatie niet is gebeurd, zijn de benamingen die moeten worden gebruikt in de akten, overeenkomsten, vermeld in artikel 5.2.5, en publiciteit de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen.
  De bepalingen met betrekking tot de informatieverplichtingen, zoals vastgesteld in artikel 5.2.1, § 1, eerste lid, 1° en 3°, en § 1, derde en vierde lid, zijn echter van onmiddellijke toepassing, na het in werking treden van deze bepaling.
Art. 7.6.4. Les dispositions relatives aux obligations d'information, comme prévues dans les articles 5.2.1, 5.2.5 et 5.2.6 ne sont d'application qu'au plus tôt trente et un jours après qu'il a été publié au Moniteur belge que la commune où est situé le bien immobilier dispose d'un registre des plans et d'un registre des permis.
  Ces dispositions ne s'appliquent pas aux conventions qui ont été conclues et aux opérations de vente publique qui ont été entamées avant la date mentionnée au premier alinéa. La preuve peut en être fournie par tous les moyens.
  La liste des communes disposant d'un registre des plans et d'un registre des permis approuvés est trimestriellement dressée et publiée au Moniteur belge, et ce, à partir du 1er mai 2000 jusqu'à ce que toutes les communes soient reprises dans cette liste.
  Aussi longtemps que la publication n'a pas eu lieu, les dénominations devant être utilisées dans les actes et conventions visés à l'article 5.2.5, ainsi que dans la publicité sont celles qui sont utilisées dans les plans d'aménagement ou dans les plans d'exécution spatiaux.
  Les dispositions relatives aux obligations d'information, telles que déterminées dans l'article 5.2.1, § 1er, premier alinéa, 1° et 3°, et § 1er, troisième et quatrième alinéa, sont toutefois d'application immédiate, après l'entrée en vigueur de la présente disposition.
Art. 7.6.5. § 1. Artikel 5.2.7 is van toepassing zodra de gemeente een plannenregister en een vergunningenregister heeft. Zolang artikel 5.2.7 niet van toepassing is voor een gemeente, blijven de bepalingen van artikel 63, § 1, 5° en 6° van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van toepassing.
Art. 7.6.5. § 1er. L'article 5.2.7 est d'application dès que la commune dispose d'un registre des plans et d'un registre des permis. Aussi longtemps que l'article 5.2.7 ne s'applique pas à une commune, les dispositions de l'article 63, § 1er, 5° et 6, du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996, demeurent d'application.
Afdeling 3.
Division 3.
HOOFDSTUK VII. - Handhaving
CHAPITRE VII. - Maintien
Art. 7.7.1. [1 De strafrechter kan de herstelvordering die regelmatig bij hem aanhangig is gemaakt en die gegrond is op instandhouding, nog steeds inwilligen als de beklaagde hieraan schuldig wordt bevonden en deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak een stedenbouwkundige inbreuk uitmaakt als vermeld in artikel 6.2.2, 1°.
   Hetzelfde geldt voor de herstelvordering die gegrond is op het toestaan of aanvaarden door de eigenaar van feiten van instandhouding als vermeld in het eerste lid.
   Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur is ingesteld op grond van instandhouding van handelingen kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd als die instandhouding op het ogenblik van de uitspraak geen stedenbouwkundig misdrijf of stedenbouwkundige inbreuk meer uitmaakt.]1

  
Art. 7.7.1. [1 Le juge pénal peut toujours accepter l'action en réparation dont il a été saisi régulièrement et qui est fondée sur le maintien, si l'accusé en est reconnu coupable et que ce maintien constitue une infraction urbanistique, telle que visée à l'article 6.2.2, 1°, au moment du prononcé.
   Il en va de même pour l'action en réparation fondée sur l'autorisation ou l'acceptation par le propriétaire de faits de maintien, tels que visés à l'alinéa premier.
   Depuis le 1er septembre 2009, une action en réparation introduite par l'inspecteur urbaniste sur la base du maintien d'actes ne peut plus être autorisée si ce maintien ne constitue pas ou plus, au moment du prononcé, une infraction urbanistique.]1

  
Art. 7.7.2. [1 Als het recht van de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester om een herstelvordering in te stellen ontstaan is vóór 1 september 2009, beginnen de termijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige misdrijven, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, pas te lopen vanaf die datum. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan de termijnen, vermeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
   Het eerste lid verhindert de toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet.
   Als de herstelvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard voor de datum van 1 september 2009, vermeld in het eerste lid, kan de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.
   Als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en op die datum niet of verjaard is of verjaard verklaard is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, beginnen de verjaringstermijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige inbreuken, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 31 van het voormelde decreet, ongeacht wanneer de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan tien jaar in ruimtelijk kwetsbaar gebied en open ruimtegebied en vijf jaar in alle andere gebieden als het tot inbreuk verworden misdrijf is beëindigd vóór de inwerkingtreding van dat artikel 31.]1

  
Art. 7.7.2. [1 Si le droit de l'inspecteur urbaniste ou du bourgmestre d'introduire une action en réparation a été acquis avant le 1er septembre 2009, les délais pour les requêtes en réparation en cas de délits urbanistiques, visés à l'article 6.3.3, § 3 ne commencent à courir qu'à partir de cette date. La durée totale du délai de prescription ne peut toutefois pas excéder les délais visés à l'article 2262bis, § 1er, deuxième et troisième alinéas, du Code civil.
   L'alinéa premier n'empêche nullement l'application de l'article 26 du titre précédent du Code de procédure pénale.
   Si l'action en réparation est déclarée prescrite par une décision passée en force de chose jugée avant la date du 1er septembre 2009, visée à l'alinéa premier, l'entrée en vigueur du décret du 27 mars 2009 adaptant et complétant la politique d'aménagement du territoire ne peut entraîner le début d'un nouveau délai de prescription.
   Si le droit d'introduire une requête en réparation a été acquis avant l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et n'est pas prescrit ou n'a pas été déclaré prescrit par une décision passée en force de chose jugée à cette date, les délais de prescription des requêtes en réparation pour les infractions urbanistiques, visés à l'article 6.3.3, § 3, commencent à courir à compter de l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret précité, quel que soit le moment où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par intention unique, a été commis. Toutefois, la durée totale du délai de prescription ne doit pas dépasser dix années dans une zone vulnérable sur le plan spatial et dans une zone d'espace ouvert et cinq ans dans toutes les autres zones, si le délit devenu infraction a pris fin avant l'entrée en vigueur de cet article 31.]1

  
Art. 7_7.2.TOEKOMSTIG_RECHT.    [1 Als het recht van de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester om een herstelvordering in te stellen ontstaan is vóór 1 september 2009, beginnen de termijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige misdrijven, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, [2 zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023,]2 pas te lopen vanaf die datum. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan de termijnen, vermeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
   Het eerste lid verhindert de toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet.
   Als de herstelvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard voor de datum van 1 september 2009, vermeld in het eerste lid, kan de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.
   Als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en op die datum niet of verjaard is of verjaard verklaard is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, beginnen de verjaringstermijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige inbreuken, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, [2 zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023,]2 te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 31 van het voormelde decreet, ongeacht wanneer de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan tien jaar in ruimtelijk kwetsbaar gebied en open ruimtegebied en vijf jaar in alle andere gebieden als het tot inbreuk verworden misdrijf is beëindigd vóór de inwerkingtreding van dat artikel 31.]1
Art. 7_7.2.DROIT_FUTUR.    [1 Si le droit de l'inspecteur urbaniste ou du bourgmestre d'introduire une action en réparation a été acquis avant le 1er septembre 2009, les délais pour les requêtes en réparation en cas de délits urbanistiques, visés à l'article 6.3.3, § 3 [2 tel qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur de l'article 63 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ]2 ne commencent à courir qu'à partir de cette date. La durée totale du délai de prescription ne peut toutefois pas excéder les délais visés à l'article 2262bis, § 1er, deuxième et troisième alinéas, du Code civil.
   L'alinéa premier n'empêche nullement l'application de l'article 26 du titre précédent du Code de procédure pénale.
   Si l'action en réparation est déclarée prescrite par une décision passée en force de chose jugée avant la date du 1er septembre 2009, visée à l'alinéa premier, l'entrée en vigueur du décret du 27 mars 2009 adaptant et complétant la politique d'aménagement du territoire ne peut entraîner le début d'un nouveau délai de prescription.
   Si le droit d'introduire une requête en réparation a été acquis avant l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et n'est pas prescrit ou n'a pas été déclaré prescrit par une décision passée en force de chose jugée à cette date, les délais de prescription des requêtes en réparation pour les infractions urbanistiques, visés à l'article 6.3.3, § 3, [2 tel qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur de l'article 63 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023,]2 commencent à courir à compter de l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret précité, quel que soit le moment où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par intention unique, a été commis. Toutefois, la durée totale du délai de prescription ne doit pas dépasser dix années dans une zone vulnérable sur le plan spatial et dans une zone d'espace ouvert et cinq ans dans toutes les autres zones, si le délit devenu infraction a pris fin avant l'entrée en vigueur de cet article 31.]1
Art. 7.7.3. [1 Het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening van 18 november 2015 en de gewestelijke en gezamenlijke handhavingsprioriteiten Ruimtelijke Ordening van 23 december 2016 blijven van toepassing tot en met de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van het omgevingshandhavingsprogramma, vermeld in artikel 16.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]1
  
Art. 7.7.3. [1 Le programme de maintien en matière d'Aménagement du Territoire du 18 novembre 2015 et les priorités régionales et communes de maintien de l'Aménagement du territoire du 23 décembre 2016 restent d'application jusqu'à la veille de la date d'entrée en vigueur du programme de maintien de l'environnement visé à l'article 16.2.2 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.]1
  
Art. 7.7.4. [1 Artikel 6.6.1, § 3, is niet van toepassing op processen-verbaal van vaststelling van uitvoering als de uitgevoerde herstelmaatregelen zijn opgelegd voor de inwerkingtreding van artikel 55 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.]1
  
Art. 7.7.4. [1 L'article 6.6.1, § 3, ne s'applique pas aux procès-verbaux de constatation d'exécution si les mesures de réparation exécutées ont été imposées avant l'entrée en vigueur de l'article 56 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement.]1
  
Art. 7.7.5. [1 Vanaf de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk III, afdeling 1, zoals gewijzigd bij artikelen 55 tot en met 61 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning nemen de burgemeester en de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur de taken en bevoegdheden over die voor de inwerkingtreding door het college van burgemeester en schepenen werden waargenomen in het kader van titel VI van deze codex, en zetten ze de herstelvorderingen voort die door het college van burgemeester en schepenen werden ingeleid bij het openbaar ministerie of voor de burgerlijke rechter.]1
  
Art. 7.7.5. [1 A compter de l'entrée en vigueur du titre VI, chapitre III, section 1re, tel que modifié par les articles 55 à 61 inclus du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, le bourgmestre et l'inspecteur urbaniste communal reprennent les tâches et compétences qui, avant cette entrée en vigueur, étaient assurées par le collège des bourgmestre et échevins dans le cadre du titre VI du présent code, et poursuivent les actions en réparation introduites par le collège des bourgmestre et échevins auprès du ministère public ou par-devant le juge civil.]1
  
Art. 7.7.6. [1 In afwijking van artikel 6.2.6 wordt de voorzetting van handelingen, werken of wijzigingen die voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning zijn vastgesteld, en die in strijd zijn met een stakingsbevel, bestraft conform de bepalingen van artikel 6.1.49 en 6.1.50, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet. Titel VI, hoofdstuk I, afdeling 7, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, blijft onverkort van toepassing op die feiten en op de administratieve geldboete die erop gegrond zijn of worden.
   Als de voortzetting van de handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, wordt er een geldboete opgelegd conform de procedure van onderafdeling 3 van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, met dien verstande dat de administratieve geldboete niet meer kan bedragen dan bepaald in artikel 6.1.49, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet.]1

  
Art. 7.7.6. [1 Par dérogation à l'article 6.2.6, la poursuite des actes, travaux ou modifications qui ont été adoptés avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, et qui sont contraires à un ordre de cessation, est sanctionnée conformément aux dispositions des articles 6.1.49 et 6.1.50, telles qu'elles étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 dudit décret. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité, reste applicable sans restrictions à ces faits et à l'amende administrative qui en a découlé ou en découle.
   Si la poursuite des actes, travaux ou modifications a été effectuée en violation d'un ordre de cessation, de la décision de ratification ou, le cas échéant, la décision en référé, avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et est constatée après l'entrée en vigueur de l'article 41 de ce décret, une amende est infligée conformément à la procédure prévue à la sous-section 3 du titre VI, chapitre II, section 3, étant entendu que l'amende administrative ne peut pas être supérieure à ce qui a été fixé à l'article 6.1.49, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité.]1

  
Art. 7_7.6.TOEKOMSTIG_RECHT.    [1 In afwijking van artikel 6.2.6 [2 , zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023,]2 wordt de voorzetting van handelingen, werken of wijzigingen die voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning zijn vastgesteld, en die in strijd zijn met een stakingsbevel, bestraft conform de bepalingen van artikel 6.1.49 en 6.1.50, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet. Titel VI, hoofdstuk I, afdeling 7, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, blijft onverkort van toepassing op die feiten en op de administratieve geldboete die erop gegrond zijn of worden.
   Als de voortzetting van de handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, wordt er een geldboete opgelegd conform de procedure van onderafdeling 3 van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, met dien verstande dat de administratieve geldboete niet meer kan bedragen dan bepaald in artikel 6.1.49, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet.]1
Art. 7_7.6.DROIT_FUTUR.    [1 Par dérogation à l'article 6.2.6, [2 tel qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur de l'article 63 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023,]2 la poursuite des actes, travaux ou modifications qui ont été adoptés avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, et qui sont contraires à un ordre de cessation, est sanctionnée conformément aux dispositions des articles 6.1.49 et 6.1.50, telles qu'elles étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 dudit décret. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité, reste applicable sans restrictions à ces faits et à l'amende administrative qui en a découlé ou en découle.
   Si la poursuite des actes, travaux ou modifications a été effectuée en violation d'un ordre de cessation, de la décision de ratification ou, le cas échéant, la décision en référé, avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et est constatée après l'entrée en vigueur de l'article 41 de ce décret, une amende est infligée conformément à la procédure prévue à la sous-section 3 du titre VI, chapitre II, section 3, étant entendu que l'amende administrative ne peut pas être supérieure à ce qui a été fixé à l'article 6.1.49, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité.]1
Art. 7.7.7. [1 De bepalingen over bestuursdwang en last onder dwangsom, vermeld in titel VI, hoofdstuk IV, afdeling 3 en 4, zijn niet van toepassing als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk IV.]1
  
Art. 7.7.7. [1 De bepalingen over bestuursdwang en last onder dwangsom, vermeld in titel VI, hoofdstuk IV, afdeling 3 en 4, zijn niet van toepassing als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk IV.]1
  
Art. 7.7.8. [1 De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan een bevel tot staking, dat is gegeven buiten de termijnen, vermeld in artikel 6.4.4, § 1, tweede lid, vervallen van rechtswege vanaf de inwerkingtreding van artikel 6.4.4, tenzij dat wordt tegengesproken door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.]1
  
Art. 7.7.8. [1 De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan een bevel tot staking, dat is gegeven buiten de termijnen, vermeld in artikel 6.4.4, § 1, tweede lid, vervallen van rechtswege vanaf de inwerkingtreding van artikel 6.4.4, tenzij dat wordt tegengesproken door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.]1
  
Art. 7.7.9. [1 De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
   De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van andere entiteiten middels een protocol, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 2°, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
   De aanwijzing door de gouverneur van personeelsleden van een gemeente of van een intergemeentelijk samenwerkingsverband op grond van artikel 6.1.5 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, tot aan een andersluidende beslissing van het college van burgemeester en schepenen.]1

  
Art. 7.7.9. [1 De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
   De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van andere entiteiten middels een protocol, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 2°, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
   De aanwijzing door de gouverneur van personeelsleden van een gemeente of van een intergemeentelijk samenwerkingsverband op grond van artikel 6.1.5 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, tot aan een andersluidende beslissing van het college van burgemeester en schepenen.]1

  
Art. 7_7.9.TOEKOMSTIG_RECHT.    [1 De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, [2 , zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023,]2 tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
   De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van andere entiteiten middels een protocol, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 2°, [2 zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023,]2 tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
   De aanwijzing door de gouverneur van personeelsleden van een gemeente of van een intergemeentelijk samenwerkingsverband op grond van artikel 6.1.5 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, [2 zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 63 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023,]2 tot aan een andersluidende beslissing van het college van burgemeester en schepenen.]1
Art. 7_7.9.DROIT_FUTUR.    [1 La désignation par le Gouvernement flamand des fonctionnaires de l'entité chargés des tâches d'exécution relatives à l'aménagement du territoire, conformément à l'article 6.1.5 tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur de l'article 20 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, est assimilée à une désignation au sens de l'article 6.2.5/1, § 1, premier alinéa, 1°, [2 , tel qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur de l'article 63 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ]2 jusqu'à décision contraire du Gouvernement flamand.
   La désignation par le Gouvernement flamand des fonctionnaires d'autres entités par le biais d'un protocole, conformément à l'article 6.1.5 tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur de l'article 20 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, est assimilée à une désignation au sens de l'article 6.2.5/1, § 1, premier alinéa, 2°, [2 , tel qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur de l'article 63 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023,]2 jusqu'à décision contraire du Gouvernement flamand.
   La désignation par le gouverneur de membres du personnel d'une commune ou d'un partenariat communal conformément à l'article 6.1.5 tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur de l'article 20 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, est assimilée à une désignation au sens de l'article 6.2.5/1, § 1, premier alinéa, 3° et 4°, [2 , tel qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur de l'article 63 du décret du 26 avril 2024 modifiant divers décrets, en ce qui concerne la mise en oeuvre du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023,]2 jusqu' à décision contraire du collège des bourgmestre et échevins.]1
Art. 7.7.10. [1 De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanwijzing als verbalisant ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beëindiging van de aanstelling. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur behoudt gedurende de gelijkstelling de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, die hij eerder verkreeg op grond van artikel 6.1.5, vierde lid, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
   De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanstelling als gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur, bedoeld in artikel 1.4.9, tweede lid, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beëindiging van deze aanstelling.]1

  
Art. 7.7.10. [1 De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanwijzing als verbalisant ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beëindiging van de aanstelling. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur behoudt gedurende de gelijkstelling de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, die hij eerder verkreeg op grond van artikel 6.1.5, vierde lid, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
   De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanstelling als gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur, bedoeld in artikel 1.4.9, tweede lid, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beëindiging van deze aanstelling.]1

  
Art. 7.7.11. [1 De zetelende leden van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, worden op de dag van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, van rechtswege bekleed met een mandaat in de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, behoudens indien zij daar uitdrukkelijk van afzien. In dat geval wordt voor het openstaande mandaat een specifieke oproep tot de kandidaten georganiseerd.
   In afwijking van artikel 6.3.9, § 1, hebben de mandaten vermeld in het eerste lid, een duurtijd tot en met 24 juli 2020. Enkel de leden die worden aangeduid op grond van een specifieke oproep tot kandidaten worden aangeduid voor een volle en hernieuwbare termijn van vijf jaar.]1

  
Art. 7.7.11. [1 De zetelende leden van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, worden op de dag van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, van rechtswege bekleed met een mandaat in de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, behoudens indien zij daar uitdrukkelijk van afzien. In dat geval wordt voor het openstaande mandaat een specifieke oproep tot de kandidaten georganiseerd.
   In afwijking van artikel 6.3.9, § 1, hebben de mandaten vermeld in het eerste lid, een duurtijd tot en met 24 juli 2020. Enkel de leden die worden aangeduid op grond van een specifieke oproep tot kandidaten worden aangeduid voor een volle en hernieuwbare termijn van vijf jaar.]1

  
TITEL VIII. - Aanhalingswijze
TITRE VIII. - Règle de citation
Art. 8.1.1. [1 Deze codex wordt aangehaald als "Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en afgekort als VCRO.]1
  
Art. 8.1.1. [1 Il est référé au présent code comme " Code flamand de l'Aménagement du Territoire ", ou, en abrégé, VCRO.]1
  
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. - NIET IN DE COÖRDINATIE OPGENOMEN VOORBIJGESTREEFDE BEPALINGEN
  Artikel 1. De procedure voor opmaak van een provinciaal ruimtelijk structuurplan die op grond van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning werd aangevat vóór de inwerkingtreding van dit decreet, wordt, vanaf de eerstvolgende fase van de procedure volgend op deze die loopt op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet, verder afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, behoudens toepassing van artikel 175 van dit decreet. Als onderscheiden fasen van de procedure worden voor de toepassing van deze bepaling verstaan : de voorlopige vaststelling; de aankondiging van het openbaar onderzoek en het openbaar onderzoek; het advies van de Vlaamse Regering; het advies van de bevoegde adviescommissie; de goedkeuringsbeslissing; de bekendmaking (1).
  Art. 2. De in artikel 126, § 1 (2), en onderafdeling 2 van titel III, hoofdstuk IV, afdeling 2 (3), vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw geldt niet voor vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voorzover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht.
  Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de tussen 13 juli 2001 en 1 februari 2003 ingediende aanvraag geweigerd is en een aangepaste aanvraag wordt ingediend om te voldoen aan de voorwaarden gesteld voor de toepassing van de decretale regelingen inzake de herbouw, verbouw of uitbreiding van zonevreemde constructies of voor zonevreemde stabiliteitswerken (4).
  (1) Overeenstemmend met artikel 188, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.
  (2) Artikel 4.4.2, § 1, van de codex.
  (3) Onderafdeling 2 van titel IV, hoofdstuk IV, afdeling 2, van de codex.
  (4) Overeenstemmend met artikel 195quinquies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ingevoegd bij decreet van 13 juli 2001 en gewijzigd door de decreten van 8 maart 2002 en 21 november 2003 en door het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid.
Art. N1. Annexe Ier. - DISPOSITIONS OBSOLETES NON INCLUSES DANS LA COORDINATION
  Article 1er. La procédure relative à l'établissement d'un schéma de structure d'aménagement provincial qui a été entamée, en vertu du décret du 24 juillet 1996 portant la planification spatiale, avant l'entrée en vigueur du présent décret, est traitée, à partir de la phase procédurale consécutive à celle qui est en cours au moment de l'entrée en vigueur du présent décret, conformément aux dispositions du présent décret, sauf application de l'article 175 du présent décret. Pour l'application de la présente disposition, il convient d'entendre par " phases distinctes de la procédure " : la fixation provisoire; l'annonce de l'enquête publique et l'enquête publique à proprement parler; l'avis du Gouvernement flamand; l'avis de la Commission consultative compétente; la décision d'approbation; la publication (1).
  Art. 2. La condition mentionnée dans l'article 126, § 1er (2) et dans la sous-division 2 du titre III, chapitre IV, division 2 (3), stipulant que les travaux et opérations concernent un bâtiment existant autorisé ou réputé autorisé, ne s'applique pas aux demandes d'autorisation introduites avant le 1er février 2003, pour autant que le requérant puisse démontrer que les travaux ou opérations sont ou ont été exécutés à un bâtiment qui existait au début des travaux et qui était entièrement ou partiellement autorisé ou réputé autorisé.
  Le premier alinéa est également d'application lorsque la demande introduite entre le 13 juillet 2001 et le 1er février 2003 a été refusée et qu'une demande adaptée est introduite afin de répondre aux conditions imposées pour l'application des réglementations décrétales en matière de reconstruction, de transformation ou d'agrandissement de constructions étrangères à la zone ou pour des travaux de stabilité étrangers à la zone (4).
  (1) Conformément à l'article 188, premier alinéa, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire.
  (2) Article 4.4.2, § 1er, du code.
  (3) Sous-division 2 du titre IV, chapitre IV, division 2, du code.
  (4) Conformément à l'article 195quinquies du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, inséré en vertu du décret du 13 juillet 2001 et modifié par les décrets du 8 mars 2002 et du 21 novembre 2003 et par le décret du 27 maart 2009 adaptant et complétant la politique d'aménagement du territoire, des autorisations et du maintien.
Art. N2. Bijlage II. - CONCORDANTIETABEL I
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 20-08-2009, p. 54972-54993)
Art. N2. Annexe II. - TABLEAU DE CONCORDANCE I
  (Tableau non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 20-08-2009, p. 55085-55106)
Art. N3. Bijlage III. - CONCORDANTIETABEL II
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 20-08-2009, p. 54994-55002)
Art. N3. Annexe III. - TABLEAU DE CONCORDANCE II
  (Tableau non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 20-08-2009, p. 55107-55115)
Art. N4. Bijlage IV. - VERANTWOORDINGSNOTITIE
  1. De opmaak van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening geeft uitvoering aan artikel 110 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid (verder : " Aanpassings- en aanvullingsdecreet ").
  2. Bij de redactie van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werden volgende uitgangspunten gevolgd.
  Ten eerste.
  De coördinatie dient zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de letterlijke teksten van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (verder : " DRO "), met inbegrip van alle wijzigingen die daaraan werden aangebracht, inzonderheid door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet. Hetzelfde geldt voor de integratie van de vergunningsregeling van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990.
  Ten tweede.
  De coördinatie dient de gekende indeling van het DRO (institutionele bepalingen; bepalingen inzake de ruimtelijke planning; bepalingen inzake het vergunningenbeleid; bepalingen inzake het handhavingsbeleid) te behouden, weze het dat een meer logische rubricering mag en moet worden uitgewerkt wat verscheidene " diverse bepalingen " en overgangsmaatregelen betreft.
  Ten derde.
  De coördinatie dient een heldere en doorlopende nummering van de decreetartikelen te omvatten, waarbij het model gevolgd wordt van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, zodanig dat men uit het artikelnummer kan afleiden op welke rubriek het betrekking heeft :
  - artikelnummers die beginnen met " 1 " betreffen de inleidende bepalingen;
  - artikelnummers die beginnen met " 2 " betreffen bepalingen die betrekking hebben op de ruimtelijke planning;
  - artikelnummers die beginnen met " 3 " betreffen grootschalige stedenbouwkundige projecten;
  - artikelnummers die beginnen met " 4 " betreffen het vergunningenbeleid;
  - artikelnummers die beginnen met " 5 " betreffen diverse bepalingen inzake de plannen- en vergunningsregisters, de ruimtelijke informatieplichten, het stedenbouwkundig attest en projectvergaderingen, de aanpak van de permanente bewoning van weekendverblijven, ondersteunings- en evaluatiemaatregelen en de raakvlakken met sectorregelgeving;
  - artikelnummers die beginnen met " 6 " betreffen het handhavingsbeleid;
  - artikelnummers die beginnen met " 7 " betreffen temporele en overgangsmaatregelen;
  - artikel 8.1.1 bevestigt in navolging van artikel 110, § 2, van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet dat de coördinatie aangehaald wordt als " Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ".
  3. Aan deze uitgangsprincipes werd meticuleus uitvoering gegeven.
  Aansluiting bij de bestaande libelleringen.
  Ten opzichte van de in de coördinatie betrokken teksten werden slechts volgende logische wijzigingen aangebracht, geheel en al binnen de machtiging verleend in artikel 110, § 1, tweede lid, 3°, van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet (naar luid waarvan de Vlaamse Regering de te coördineren bepalingen " met het oog op onderlinge overeenstemming, eenheid van terminologie en vereenvoudiging qua vorm " kan herschrijven, " zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen ") :
  - in het definitieartikel 1.1.2 van de codex (dat de tekst van artikel 2, § 1, van het DRO omvat) werden de daarin omschreven begrippen alfabetisch geordend;
  - bij de regeling van het voorkooprecht in de zin van de artikelen 2.4.1 en 2.4.2 is middels een voetnotenapparaat aangegeven welke voorkooprechtenregeling overgangsmatig zal gelden tot de inwerkingtreding van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;
  - artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 werd uiteengetrokken en ingepast in twee onderscheiden artikelen;
  o § 1 van artikel 90bis van het bosdecreet (waarin aangegeven wordt onder welke voorwaarden een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen kan worden verleend) zal een onderdeel (§ 4) vormen van de beoordelingsgronden, opgesomd in artikel 4.3.1;
  o de paragrafen 2 en verder van artikel 90bis van het bosdecreet (waarin een decretale " compensatievoorwaarde " opgelegd wordt), zullen logischerwijs deel uitmaken van artikel 4.2.19, dat handelt over vergunningsvoorwaarden;
  - in de bestaande tekst van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 werden volgende kleine tekstuele aanpassingen aangebracht :
  o de tekstinterne verwijzingen en de verwijzingen naar het DRO werden in overeenstemming gebracht met de nummeringswijze van de codex;
  o de diverse verwijzingen naar " het Agentschap " werden overeenkomstig het definitieartikel 4, 1°ter, van het bosdecreet vervangen door verwijzingen naar " het Agentschap voor Natuur en Bos ";
  o de term " vergunningverlenende overheid " werd stelselmatig vervangen door de elders in de codex gehanteerde term " vergunningverlenend bestuursorgaan ";
  o in de aanhef van artikel 4.3.1, § 4, van de codex is het begrip " ontbossing ", gehanteerd in de aanhef van artikel 90bis, § 1, eerste lid, van het bosdecreet, vervangen door het begrip " ontbossen in de zin van artikel 4, 15°, van het bosdecreet van 13 juni 1990 ", zodanig dat duidelijk wordt gemaakt dat de decretale definiëring die aldaar gegeven wordt, ongewijzigd aangehouden blijft;
  o waar artikel 90bis, § 1, eerste lid, (eerste zin), van het bosdecreet bepaalt dat een ontheffing van het ontbossingsverbod slechts kan worden verkregen middels een stedenbouwkundige vergunning, wordt in artikel 4.3.1, § 4, eerste lid, van de codex duidelijkheidshalve (en zonder dat de inhoud van de gecoördineerde bepaling aangepast wordt) vermeld dat zulks ook mogelijk is middels een verkavelingsvergunning in de zin van artikel 4.2.17, § 1, eerste lid, 3°, van de codex, dewelke immers expliciet decretaal gelijkgesteld wordt met een stedenbouwkundige vergunning;
  o de paragrafen 2 t.e.m. 4 van artikel 90bis van het bosdecreet werden samengebracht in één paragraaf (§ 2) van artikel 4.2.19 van de codex;
  o de verwijzing naar " de inwerkingtreding van dit decreet " (artikel 90bis, § 2, eerste lid, 2°, en § 7, eerste lid, van het bosdecreet) werd omgezet in een verwijzing naar " de inwerkingtreding van het bosdecreet van 13 juni 1990 ";
  o het begrip " de compensatie " in artikel 90bis, § 3, derde lid, van het bosdecreet werd (omwille van een consequent gebruik van dat begrip) vervangen door de term " de compensatieplicht ";
  o het begrip " werken van algemeen belang " in artikel 90bis, § 7, derde lid, van het bosdecreet werd om redenen van eenheid van terminologie vervangen door de (gedefinieerde) term " handelingen van algemeen belang ";
  - ten gevolge van de integratie van artikel 90bis van het bosdecreet werden volgende tekstuele aanpassingen aangebracht in de gecoördineerde DRO-teksten :
  o in de aanhef van artikel artikel 111, § 1, van het DRO, zoals gelibelleerd door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, wordt bepaald dat het vergunningverlenende bestuursorgaan aan een vergunning voorwaarden kan verbinden " onverminderd artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 " (dat immers een (compensatie)voorwaarde van rechtswege omvat); deze zinsnede wordt in artikel 4.2.19, § 1, eerste lid, van de codex logischerwijs vervangen door de frase " onverminderd de voorwaarde van rechtswege in de zin van § 2 " (nu deze § 2 de compensatieregeling van artikel 90bis van het bosdecreet zal omvatten);
  o in de aanhef van artikel 109, § 1, eerste lid, 3°, van het DRO, zoals gelibelleerd door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, wordt bepaald dat een verkavelingsvergunning ondermeer als stedenbouwkundige vergunning kan gelden voor de in de verkaveling begrepen ontbossingen, " onverminderd artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 "; deze referentie aan het bosdecreet wordt nu in artikel 4.2.17, § 1, eerste lid, 3°, van de codex vervangen door een verwijzing naar de bepalingen van de codex waarin voormeld artikel 90bis is verwerkt (artikel 4.2.19, § 2, en artikel 4.3.1, § 4);
  - in artikel 4.3.8 van de codex, tot coördinatie van artikel 124 van het DRO, werd de verwijzing (in § 2, tweede lid) naar " de termijn, vermeld in het eerste lid, 3° " vervangen door een verwijzing naar de correcte vindplaats van de bedoelde uitvoeringstermijn, zijnde het eerste lid, 2°;
  - artikel 178 van het DRO, zoals vervangen door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, omvat een overgangsregeling betreffende de behandeling van aanvragen voor een planologisch c.q. stedenbouwkundig attest; in functie van een heldere rubricering (zie verder) werd dit artikel uiteengetrokken in twee gelijkluidende bepalingen, waarbij de eerste bepaling (artikel 7.5.2 in de codex) enkel het planologisch attest betreft, en waarbij de tweede bepaling (artikel 7.6.5 in de codex) betrekking heeft op het stedenbouwkundig attest;
  - telkens wanneer de in de coördinatie opgenomen teksten verwijzen naar de inwerkingtreding van het DRO, werd de datum van 1 mei 2000 ingevoegd (cfr. artikel 204 van het DRO);
  - telkens wanneer de in de coördinatie opgenomen teksten verwijzen naar de inwerkingtreding van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, werd de datum van 1 september 2009 ingevoegd (cfr. artikel 112 van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet);
  - in artikel 7.4.9 van de codex (coördinatie van artikel 196bis van het DRO) :
  o werd de term " plannen van aanleg, bedoeld in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 " verkort tot het gedefinieerde begrip " plannen van aanleg ";
  o werd de temporele verwijzing naar " (één jaar na) het van kracht worden van deze bepaling " vervangen door een verwijzing naar 8 februari 2004/2005, aangezien het gecoördineerde artikel 196bis van het DRO, ingevoegd via artikel 59 van het decreet van 21 november 2003, in werking trad op 8 februari 2004;
  - waar nodig en mogelijk werden paragrafen uiteengesplitst in meerdere leden, om te voldoen aan randnr. 57.3 van de Beginselen van de Wetgevingstechniek (Raad van State, 2008), conform hetwelk een artikel slechts opgedeeld mag worden in paragrafen indien ten minste één van deze paragrafen bestaat uit meer dan één lid;
  - conform randnummer 6.2 van de Beginselen van de Wetgevingstechniek (Raad van State, 2008) werden alle hoofd- en rangtelwoorden uitgedrukt in letters, behalve bij geldbedragen, data, verwijzingen naar artikelen en getallen in tabellen;
  - alle tekstinterne verwijzingen werden gelibelleerd via de formules " , vermeld in artikel (...) " of " in de zin van artikel (...) "; overige varianten (" bedoeld in het eerste lid ", " zoals vermeld in artikel (...) ",...) werden in het kader van tekstuniformiteit weggewerkt.
  Twee bepalingen die louter om redenen van wetshistoriek werden behouden in het DRO doch die volledig voorbijgestreefd zijn, werden ondergebracht in een bijlage I, " niet in de coördinatie opgenomen voorbijgestreefde bepalingen ".
  Afgezien van voornoemde beperkte en louter technische aanpassingen, werden geen tekstuele wijzigingen aangebracht aan de basisteksten. Om die reden is afgezien van een (in legistieke aanbevelingen soms aangeraden) voetnotenapparaat waarin bij elk artikel wordt vermeld welke wijzigingen die door de coördinatie in de oorspronkelijke tekst worden aangebracht.
  Beperkte " sanering " van de indeling in rubrieken.
  De teksten werden ingedeeld conform het basisconcept van het DRO. Titel I betreft inleidende bepalingen; Titel II de planning; Titel III de grootschalige stedenbouwkundige projecten; Titel IV het vergunningenbeleid; Titel V allerhande " diverse bepalingen "; Titel VI het handhavingsbeleid en Titel VII de temporele en overgangsmatige regelen.
  In Titel I vond een zeer kleine herschikking van artikelen plaats, doordat artikel 2, § 2, van het DRO omgevormd werd tot een eigenstandig artikel 1.1.5. Aangezien die bepaling betrekking heeft op elementen van dossiersamenstelling en -betekening, werd het legistiek niet aangewezen geacht om één en ander bij het definitieartikel 1.1.2 van de codex (dat de tekst van artikel 2, § 1, van het DRO omvat) onder te brengen.
  Enkel in Titel V en Titel VII werden meer ingrijpende " saneringen " doorgevoerd wat de rubricering betreft.
  In Titel V :
  - werden (naast bestaande clusters inzake de plannen- en vergunningsregisters, de ruimtelijke informatieplichten, het stedenbouwkundig attest en projectvergaderingen en de aanpak van de permanente bewoning van weekendverblijven) ook de ondersteunings- en evaluatiemaatregelen van artikelen 182 en 183 van het DRO ondergebracht;
  - werd tevens een nieuwe cluster ontwikkeld omtrent de raakvlakken tussen de ruimtelijke ordening met de sectorregelgeving; in dat hoofdstuk VI worden ten eerste alle maatregelen die raken aan het grond- en pandenbeleid gegroepeerd (register van de onbebouwde percelen, fiscale bepalingen, het Grondfonds, ontwikkelingsmogelijkheden van woonuitbreidingsgebieden); ten tweede wordt aangegeven op welke wijze bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen en onteigeningsdossiers afgeweken kan worden van stedenbouwkundige voorschriften.
  De temporele en overgangsmatige regelen in Titel VII worden ingedeeld conform de basisstructuur van het DRO; met andere woorden worden eerst institutionele regelen opgenomen, vervolgens regelen van planologische aard, daarna regelen inzake het vergunningenbeleid, enzovoort.
  Doorlopende nummering. Nieuwe nummeringswijze.
  De doorlopende en titelsgewijze (en hoofdstuksgewijze) nummering van de decreetartikelen overeenkomstig bijvoorbeeld het model van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, werd integraal doorgevoerd.
Art. N4. Annexe IV. - NOTE JUSTIFICATIVE
  1. L'établissement du Code flamand de l'Aménagement donne exécution à l'article 110 du décret du 27 mars 2009 adaptant et complétant la politique d'aménagement du territoire, des autorisations et du maintien (" Décret complémentaire et modificatif ").
   2. Lors de la rédaction du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, les points de départ étaient les suivants.
  Premièrement.
  La coordination doit autant que possible suivre au pied de la lettre les textes du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire (ci-après : " DAT "), y compris toutes les modifications qui y ont été apportées, notamment par le Décret complémentaire et modificatif. La même chose vaut pour l'intégration de la réglementation d'autorisation de l'article 90bis du décret forestier du 13 juin 1990.
  Deuxièmement.
  Si la coordination se doit de garder la subdivision connue du DAT (dispositions institutionnelles; disposition concernant l'aménagement du territoire; dispositions concernant la politique d'autorisation; dispositions concernant la politique de maintien), une classification plus logique peut et doit être élaborée pour différentes " diverses dispositions " et mesures de transition.
  Troisièmement.
  La coordination se doit de comprendre une numérotation claire et continue des articles du décret, et de suivre pour cela le modèle du Décret contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière, de sorte que l'on puisse inférer du numéro d'article à quelle rubrique il a trait :
  - les numéros d'article commençant par " 1 " concernent les dispositions introductives;
  - les numéros d'article commençant par " 2 " concernent les dispositions relatives à l'aménagement du territoire;
  - les numéros d'article commençant par " 3 " concernent les projets urbanistiques de grande envergure;
  - les numéros d'article commençant par " 4 " concernent la politique d'autorisation;
  - les numéros d'article commençant par " 5 " concernent diverses dispositions relatives au registre des plans et au registre des permis, aux obligations d'information spatiale, à l'attestation urbanistique et aux réunions de projet, à l'approche de l'occupation permanente des résidences de week-end, aux mesures de soutien et d'évaluation, et aux plans tangents avec la réglementation sectorielle;
  - les numéros d'article commençant par " 6 " concernent la politique de maintien;
  - les numéros d'article commençant par " 7 " concernent les mesures temporaires et transitoires;
  - l'article 8.1.1 confirme à la suite de l'article 110, § 2, du Décret complémentaire et modificatif que l'on réfère à la coordination en tant que " Code flamand de l'Aménagement du Territoire ".
  3. Ces principes de départ ont été méticuleusement respectés.
  Coordination avec les libellés existants.
  Seules les modifications logiques suivantes ont été apportées aux textes concernés par la coordination, et ce, entièrement dans le cadre du mandat octroyé dans l'article 110, § 1er, deuxième alinéa, 3°, du Décret complémentaire et modificatif (selon lequel le Gouvernement flamand peut réécrire les dispositions " en vue d'assurer la concordance mutuelle, l'unité de la terminologie et la simplification de la forme, sans toucher d'aucune manière aux principes qui s'y trouvent établis ") :
  - dans l'article de définition 1.1.2 du code (comprenant le texte de l'article 2, § 1er, du DAT), les notions qui s'y trouvent définies ont été classées alphabétiquement;
  - dans la réglementation du droit de préemption dans le sens des articles 2.4.1 et 2.4.2, un système de notes de bas de page indique quelle réglementation des droits de préemption sera applicable de manière transitoire jusqu'à l'entrée en vigueur du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption;
  - l'article 90bis du décret forestier du 13 juin 1990 a été fragmenté et inclus dans deux articles distincts;
  o le § 1er de l'article 9bis du décret forestier (indiquant sous quelles conditions un permis urbanistique de déboisement ou un permis de lotir pour des terrains entièrement ou partiellement boisés peut être octroyé) constituera une partie (§ 4) des motifs d'évaluation énumérés dans l'article 4.3.1;
  o les paragraphes 2 et suivants de l'article 90bis du décret forestier (imposant une " condition de compensation " décrétale) feront logiquement partie de l'article 4.2.19, qui traite des conditions d'autorisation;
  - dans le texte existant de l'article 90bis du décret forestier du 13 juin 1990, les petites modifications textuelles suivantes ont été apportées :
  o Les références internes au texte et les références au DAT ont été coordonnées avec le système de numérotation du code;
  o les différentes références à " l'Agence " ont été remplacées conformément à l'article de définition 4, 1°ter, du décret forestier par des références à " l'Agence pour la Nature et les Bois ";
  o le terme " autorité délivrant le permis " a été systématiquement remplacé par le terme " autorité administrative accordant les permis ", qui est utilisé ailleurs dans le code;
  o au début de l'article 4.3.1, § 4, du code, la notion " déboisement " utilisée au début de l'article 90bis, § 1er, premier alinéa du décret forestier est remplacée par la notion " déboisement comme visé l'article 4, 15° du décret forestier du 13 juin 1990 ", de sorte qu'il soit clair que la définition décrétale qui y est donnée est maintenue de façon inchangée;
  o là où l'article 90bis, § 1er, premier alinéa (première phrase), du décret forestier stipule qu'une exemption de l'interdiction de déboisement peut uniquement être obtenue par le biais d'une autorisation urbanistique, l'article 4,3.1, § 4, premier alinéa, du code mentionne pour une plus grande clarté qu'une telle chose est également possible par le biais d'un permis de lotir, comme visé à l'article 4.2.17, § 1er, premier alinéa, 3°, du code, lequel est du reste explicitement assimilé par décret à l'autorisation urbanistique;
  o les paragraphes 2 à 4 inclus de l'article 90bis du décret forestier sont réunis dans un seul paragraphe (§ 2) de l'article 4.2.19 du code;
  o la référence à " l'entrée en vigueur du présent décret " (article 90bis, § 2, premier alinéa, 2°, et § 7, premier alinéa, du décret forestier) a été convertie en une référence à " l'entrée en vigueur du décret forestier du 13 juin 1990 ";
  o la notion " la compensation " dans l'article 90bis, § 3, troisième alinéa, du décret forestier a été remplacée (en vue d'une utilisation conséquente de cette notion) par le terme " l'obligation de compensation ";
  o la notion " travaux d'intérêt général " dans l'article 90bis, § 7, troisième alinéa, du décret forestier a été remplacé pour des raisons d'unité de terminologie par le terme (défini) " actes d'intérêt général ";
  - à la suite de l'intégration de l'article 90bis du décret forestier, les petites modifications textuelles suivantes ont été apportées aux textes coordonnés du DAT :
  o il est stipulé au début de l'article 111, § 1er, du DAT, comme libellé par le Décret complémentaire et modificatif, que l'autorité administrative accordant les permis peut lier des conditions à un permis, et ce, " sans préjudice de l'article 90bis du décret forestier du 13 juin 1990 " (qui inclut par ailleurs d'office une condition (de compensation)); ce membre de phrase est remplacé de façon logique dans l'article 4.2.19, § 1er, premier alinéa, du code par la phrase " sans préjudice de la condition d'office visée au § 2 " (maintenant que ce § 2 inclura la réglementation compensatoire de l'article 90bis du décret forestier);
  o il est stipulé au début de l'article 109, § 1er, premier alinéa, 3°, du DAT, comme libellé par le Décret complémentaire et modificatif, qu'un permis de lotir peut valoir, entre autres, comme autorisation urbanistique pour les déboisements compris dans le lotissement, et ce, " sans préjudice de l'article 90bis du 13 juin 1990 "; cette référence au décret forestier est à présent remplacée dans l'article 4.2.17, § 1er, premier alinéa, 3°, du code par une référence aux dispositions du code incluant l'article 90bis précité (article 4.2.19, § 2, et article 4.3.1, § 4);
  - dans l'article 4.3.8 du code, portant coordination de l'article 124 du DAT, la référence (dans le § 2, deuxième alinéa) au " délai, mentionné dans le premier alinéa, 3° " a été remplacé par une référence à la localisation correcte du délai d'exécution en question, c'est-à-dire, le premier alinéa, 2°;
  - l'article 178 du DAT, tel qu'il a été remplacé par le décret complémentaire et modificatif, comprend une réglementation de transition relative au traitement des demandes d'une attestation planologique ou urbanistique; en vue d'une classification claire (voir plus loin), cet article a été fragmenté en deux dispositions analogues : la première (article 7.5.2 du code) concerne uniquement l'attestation planologique, tandis que la seconde (article 7.6.5 du code) se rapporte à l'attestation urbanistique;
  - chaque fois que les textes inclus dans la coordination réfèrent à l'entrée en vigueur du DAT, la date du 1er mai 2000 a été insérée (voir l'article 204 du DAT);
  - chaque fois que les textes inclus dans la coordination réfèrent à l'entrée en vigueur du Décret complémentaire et modificatif, la date du 1er septembre 2009 a été insérée (voir l'article 112 du Décret complémentaire et modificatif);
  - dans l'article 7.4.9 du code (coordination de l'article 196bis du DAT) :
  o le terme " plans d'aménagement, visé dans le décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 " a été abrégé à la notion définie " plans d'aménagement ";
  o la référence temporaire à " (un an après) l'entrée en vigueur de cette disposition " a été modifiée par une référence au 8 février 2004/2005, étant donné que l'article coordonné 196bis du DAT, inséré par le biais de l'article 59 du décret du 21 novembre 2003, est entré en vigueur le 8 février 2004;
  - là où cela s'avérait nécessaire et possible, les paragraphes ont été fragmentés en plusieurs parties afin de répondre au marginal 57.3 des Principes de la Technique législative (Conseil d'Etat, 2008), selon lequel un article ne peut être fragmenté en paragraphes que lorsqu'au moins un de ces paragraphes est composé de plus qu'un alinéa;
  - conformément au marginal 6.2 des Principes de la Technique législative (Conseil d'Etat, 2008), les adjectifs numéraux ordinaux et cardinaux sont exprimés en lettres, sauf les montants financiers, les dates, les références à des articles et les nombres figurant dans les tableaux;
  - toutes les références internes au texte ont été libellées par le biais des formules ", mentionné(e)(s) dans l'article (...) " ou " visé(e)(s) à l'article (...); toutes les autres variantes (" comme mentionné(e)(s) dans l'article (...) ", ...) ont été supprimées dans le cadre de l'unité terminologique.
  Deux dispositions entièrement dépassées, mais conservées dans le DAT pour des raisons exclusivement liées à l'historique de la loi, ont été classées dans l'annexe Ire, " dispositions dépassées non incluses dans la coordination ".
  En dehors des adaptations limitées et purement techniques susmentionnées, aucune modification textuelle n'a été apportée aux textes de base. C'est pour cette raison que l'idée d'un système de notes de bas de page (parfois conseillé dans les recommandations légistiques) permettant de mentionner auprès de chaque article quelles modifications ont été apportées au texte original a été abandonnée.
  " Assainissement " limité de la subdivision en rubriques.
  Les textes ont été subdivisés conformément au concept de base du DAT. Le Titre I concerne les dispositions introductives; le Titre II la planification; le Titre III les projets urbanistiques de grande envergure; le Titre IV la politique d'autorisation; le Titre V toutes sortes de " diverses dispositions "; le Titre VI la politique de maintien et le Titre VII les modalités temporaires et transitoires.
  Un infime réarrangement des articles a eu lieu dans le Titre Ier, en raison de la transformation de l'article 2, § 2, du DAT en un article 1.1.5 indépendant. Etant donné que cette disposition concerne des éléments de composition et de signification des dossiers, il n'a pas été estimé indiqué, d'un point de vue légistique, de classer l'un et l'autre sous l'article de définition 1.1.2 du code (comprenant le texte de l'article 2, § 1er, du DAT).
  Seuls les Titres V et VII ont subi des " assainissements " plus radicaux, quant à la classification.
  Le Titre V :
  - héberge également les mesures de soutien et d'évaluation des articles 182 et 183 du DAT (en plus des clusters existants liés au registre des plans et au registre des permis, aux obligations d'information spatiale, à l'attestation urbanistique et aux réunions de projet, ainsi qu'à l'approche de l'occupation permanente des résidences de week-end);
  - comprend aussi un nouveau cluster relatif aux plans tangents entre l'aménagement du territoire et la réglementation sectorielle; le chapitre VI regroupe d'une part toutes les mesures se rapportant à la politique foncière et immobilière (le registre des parcelles de terrain non bâties, les dispositions fiscales, le Fonds foncier, les possibilités de développement des zones d'extension d'habitat); d'autre part, il indique aussi de quelle manière il peut être dérogé aux prescriptions urbanistiques lors de l'évaluation des demandes de permis écologique et des dossiers d'expropriation.
  Les modalités temporaires et transitoires comprises dans le Titre VII sont subdivisées conformément à la structure de base du DAT; autrement dit, les modalités institutionnelles sont incluses en premier, ensuite les modalités de nature planologique, ensuite les modalités relatives à la politique d'autorisation, etc.
  Numérotation continue. Nouvelle numérotation.
  La numérotation continue et par titre (et par chapitre) des articles décrétaux conformément au modèle du Décret contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière, par exemple, a été intégralement exécutée.