Artikel 1. Algemene verplichtingen en werkingssfeer
1. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe onder geen enkele omstandigheid :
a) clustermunitie te gebruiken;
b) rechtstreeks of onrechtstreeks clustermunitie te ontwikkelen, te produceren, anderszins te verwerven, op te slaan, aan te houden of aan derden over te dragen;
c) enige activiteit die op grond van dit Verdrag verboden is voor een Staat die Partij is te steunen, aan te moedigen of derden ertoe aan te zetten.
2. Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op explosieve kleine bommen die specifiek ontworpen zijn om vanuit aan luchtvaartuigen bevestigde houders te worden verspreid of te worden losgelaten.
3. Dit Verdrag is niet van toepassing op mijnen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
30 MEI 2008. - Verdrag inzake clustermunitie
Titre
30 MAI 2008. - Convention sur les armes à sous-munitions
Documentinformatie
Numac: 2009A15155
Datum: 2008-05-30
Info du document
Numac: 2009A15155
Date: 2008-05-30
Tekst (26)
Texte (26)
Article 1er. Obligations générales et champ d'application
1. Chaque Etat partie s'engage à ne jamais, en aucune circonstance :
a) Employer d'armes a sous-munitions;
b) Mettre au point, produire, acquérir de quelque autre manière, stocker, conserver ou transférer à quiconque, directement ou indirectement, des armes à sous-munitions;
c) Assister, encourager ou inciter quiconque à s'engager dans toute activité interdite à un Etat partie en vertu de la présente Convention.
2. Le paragraphe 1er du présent article s'applique, mutatis mutandis, aux petites bombes explosives qui sont spécifiquement conçues pour être dispersées ou libérées d'un disperseur fixé à un aéronef.
3. Cette Convention ne s'applique pas aux mines.
1. Chaque Etat partie s'engage à ne jamais, en aucune circonstance :
a) Employer d'armes a sous-munitions;
b) Mettre au point, produire, acquérir de quelque autre manière, stocker, conserver ou transférer à quiconque, directement ou indirectement, des armes à sous-munitions;
c) Assister, encourager ou inciter quiconque à s'engager dans toute activité interdite à un Etat partie en vertu de la présente Convention.
2. Le paragraphe 1er du présent article s'applique, mutatis mutandis, aux petites bombes explosives qui sont spécifiquement conçues pour être dispersées ou libérées d'un disperseur fixé à un aéronef.
3. Cette Convention ne s'applique pas aux mines.
Art. 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag :
1. wordt verstaan onder " slachtoffers van clustermunitie " alle personen die als gevolg van het gebruik van clustermunitie zijn gedood of fysiek of psychisch letsel hebben opgelopen, economische verliezen hebben geleden, maatschappelijk zijn uitgesloten of die bij de verwezenlijking van hun rechten ernstig zijn belemmerd. Tot deze slachtoffers behoren de personen die rechtstreeks de gevolgen van clustermunitie hebben ondervonden alsmede hun getroffen familie en gemeenschap;
2. wordt verstaan onder " clustermunitie " conventionele munitie die ontworpen is om explosieve submunities die elk minder wegen dan 20 kilogram te verspreiden of los te laten en omvat mede deze explosieve submunities. Het volgende wordt er niet onder verstaan :
a) munitie of submunitie die is ontwikkeld om vuursignalen, rook, pyrotechnische effecten of antiradarsneeuw af te geven of munitie die uitsluitend voor luchtafweer is ontworpen;
b) munitie of submunitie die is ontworpen om elektrische of elektronische effecten te bereiken;
c) munitie die, teneinde niet-onderscheidende effecten binnen het gebied en de risico's van onontplofte submunities te vermijden, alle onderstaande kenmerken bezit :
i) elk stuk munitie bevat minder dan tien explosieve submunities;
ii) elke explosieve submunitie weegt meer dan vier kilogram;
iii) elke explosieve submunitie is ontworpen om een enkel object (het doel) te detecteren en aan te vallen;
iv) elke explosieve submunitie is uitgerust met een elektronisch zelfvernietigingsmechanisme;
v) elke explosieve submunitie is uitgerust met een elektronisch zelfdeactivatiemechanisme;
3. wordt verstaan onder " explosieve submunitie " conventionele munitie die teneinde haar taak uit te voeren wordt verspreid of losgelaten door een stuk clustermunitie en functioneel ontworpen is om een explosieve lading te doen ontploffen voorafgaande aan, op het moment van, of na de inslag;
4. wordt verstaan onder " gefaalde clustermunitie " clustermunitie die is afgevuurd, afgeworpen, gelanceerd, afgeschoten of anderszins is gelost en die haar explosieve submunities had moeten verspreiden of loslaten maar dat niet heeft gedaan;
5. wordt verstaan onder " onontplofte submunitie " explosieve submunitie die is verspreid of losgelaten door, of anderszins is losgekomen van, clustermunitie en tot ontploffing had moeten komen maar dat niet heeft gedaan;
6. wordt verstaan onder " achtergelaten clustermunitie " clustermunitie of explosieve submunitie die niet is gebruikt en die is achtergelaten of gedumpt en niet meer onder de zeggenschap valt van de partij die deze heeft achtergelaten of gedumpt. Deze achtergelaten clustermunitie of explosieve submunitie kan al dan niet voor gebruik zijn voorbereid;
7. wordt verstaan onder " resten van clustermunitie " gefaalde clustermunitie, achtergelaten clustermunitie, onontplofte submunitie en onontplofte kleine bommen;
8. wordt verstaan onder " overdracht " naast de fysieke verplaatsing van clustermunitie naar of van het grondgebied van een staat, de overdracht van het eigendomsrecht en van de zeggenschap over de clustermunitie, maar niet de overdracht van een grondgebied waarop de resten van clustermunitie zich bevinden;
9. wordt verstaan onder " zelfvernietigingsmechanisme " een automatisch-werkend mechanisme dat naast het primaire ontstekingsmechanisme in de munitie is opgenomen en zorgt voor de vernietiging van de munitie waarin het is opgenomen;
10. wordt verstaan onder " zelfdeactivering " het automatisch buiten werking stellen van munitie door middel van onomkeerbare uitputting van een onderdeel, bijvoorbeeld een batterij, dat essentieel is voor het functioneren van de munitie;
11. wordt verstaan onder " een door clustermunitie getroffen gebied " een gebied waarvan bekend is of ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de resten van clustermunitie zich er bevinden;
12. wordt verstaan onder " mijn " een stuk munitie ontworpen om te worden geplaatst onder, op of vlak boven de grond of ander oppervlak en te exploderen door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon of voertuig;
13. wordt verstaan onder " explosieve kleine bom " een stuk conventionele munitie, dat minder dan 20 kilogram weegt, geen eigen aandrijving heeft en dat, teneinde zijn taak uit te voeren, wordt verspreid of losgelaten vanuit een houder en functioneel ontworpen is om een explosieve lading te laten ontploffen voorafgaand aan, op het moment van, of na de inslag;
14. wordt verstaan onder " houder " een container die ontworpen is om explosieve kleine bommen te verspreiden of los te laten en die op het moment van verspreiding of loslaten aan een luchtvaartuig bevestigd is;
15. wordt verstaan onder " onontplofte kleine bom " een explosieve kleine bom die is verspreid, losgelaten of anderszins is gelost uit een houder en tot ontploffing had moeten komen maar dat niet heeft gedaan.
Voor de toepassing van dit Verdrag :
1. wordt verstaan onder " slachtoffers van clustermunitie " alle personen die als gevolg van het gebruik van clustermunitie zijn gedood of fysiek of psychisch letsel hebben opgelopen, economische verliezen hebben geleden, maatschappelijk zijn uitgesloten of die bij de verwezenlijking van hun rechten ernstig zijn belemmerd. Tot deze slachtoffers behoren de personen die rechtstreeks de gevolgen van clustermunitie hebben ondervonden alsmede hun getroffen familie en gemeenschap;
2. wordt verstaan onder " clustermunitie " conventionele munitie die ontworpen is om explosieve submunities die elk minder wegen dan 20 kilogram te verspreiden of los te laten en omvat mede deze explosieve submunities. Het volgende wordt er niet onder verstaan :
a) munitie of submunitie die is ontwikkeld om vuursignalen, rook, pyrotechnische effecten of antiradarsneeuw af te geven of munitie die uitsluitend voor luchtafweer is ontworpen;
b) munitie of submunitie die is ontworpen om elektrische of elektronische effecten te bereiken;
c) munitie die, teneinde niet-onderscheidende effecten binnen het gebied en de risico's van onontplofte submunities te vermijden, alle onderstaande kenmerken bezit :
i) elk stuk munitie bevat minder dan tien explosieve submunities;
ii) elke explosieve submunitie weegt meer dan vier kilogram;
iii) elke explosieve submunitie is ontworpen om een enkel object (het doel) te detecteren en aan te vallen;
iv) elke explosieve submunitie is uitgerust met een elektronisch zelfvernietigingsmechanisme;
v) elke explosieve submunitie is uitgerust met een elektronisch zelfdeactivatiemechanisme;
3. wordt verstaan onder " explosieve submunitie " conventionele munitie die teneinde haar taak uit te voeren wordt verspreid of losgelaten door een stuk clustermunitie en functioneel ontworpen is om een explosieve lading te doen ontploffen voorafgaande aan, op het moment van, of na de inslag;
4. wordt verstaan onder " gefaalde clustermunitie " clustermunitie die is afgevuurd, afgeworpen, gelanceerd, afgeschoten of anderszins is gelost en die haar explosieve submunities had moeten verspreiden of loslaten maar dat niet heeft gedaan;
5. wordt verstaan onder " onontplofte submunitie " explosieve submunitie die is verspreid of losgelaten door, of anderszins is losgekomen van, clustermunitie en tot ontploffing had moeten komen maar dat niet heeft gedaan;
6. wordt verstaan onder " achtergelaten clustermunitie " clustermunitie of explosieve submunitie die niet is gebruikt en die is achtergelaten of gedumpt en niet meer onder de zeggenschap valt van de partij die deze heeft achtergelaten of gedumpt. Deze achtergelaten clustermunitie of explosieve submunitie kan al dan niet voor gebruik zijn voorbereid;
7. wordt verstaan onder " resten van clustermunitie " gefaalde clustermunitie, achtergelaten clustermunitie, onontplofte submunitie en onontplofte kleine bommen;
8. wordt verstaan onder " overdracht " naast de fysieke verplaatsing van clustermunitie naar of van het grondgebied van een staat, de overdracht van het eigendomsrecht en van de zeggenschap over de clustermunitie, maar niet de overdracht van een grondgebied waarop de resten van clustermunitie zich bevinden;
9. wordt verstaan onder " zelfvernietigingsmechanisme " een automatisch-werkend mechanisme dat naast het primaire ontstekingsmechanisme in de munitie is opgenomen en zorgt voor de vernietiging van de munitie waarin het is opgenomen;
10. wordt verstaan onder " zelfdeactivering " het automatisch buiten werking stellen van munitie door middel van onomkeerbare uitputting van een onderdeel, bijvoorbeeld een batterij, dat essentieel is voor het functioneren van de munitie;
11. wordt verstaan onder " een door clustermunitie getroffen gebied " een gebied waarvan bekend is of ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de resten van clustermunitie zich er bevinden;
12. wordt verstaan onder " mijn " een stuk munitie ontworpen om te worden geplaatst onder, op of vlak boven de grond of ander oppervlak en te exploderen door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon of voertuig;
13. wordt verstaan onder " explosieve kleine bom " een stuk conventionele munitie, dat minder dan 20 kilogram weegt, geen eigen aandrijving heeft en dat, teneinde zijn taak uit te voeren, wordt verspreid of losgelaten vanuit een houder en functioneel ontworpen is om een explosieve lading te laten ontploffen voorafgaand aan, op het moment van, of na de inslag;
14. wordt verstaan onder " houder " een container die ontworpen is om explosieve kleine bommen te verspreiden of los te laten en die op het moment van verspreiding of loslaten aan een luchtvaartuig bevestigd is;
15. wordt verstaan onder " onontplofte kleine bom " een explosieve kleine bom die is verspreid, losgelaten of anderszins is gelost uit een houder en tot ontploffing had moeten komen maar dat niet heeft gedaan.
Art. 2. Définitions
Aux fins de la présente Convention :
1. On entend par " victimes d'armes à sous-munitions " toutes les personnes qui ont été tuées ou ont subi un préjudice corporel ou psychologique, une perte matérielle, une marginalisation sociale ou une atteinte substantielle la jouissance de leurs droits suite à l'emploi d'armes à sous-munitions; les victimes d'armes à sous-munitions englobent les personnes directement touchées par les armes à sous-munitions ainsi que leur famille et leur communauté affectées;
2. Le terme " arme à sous-munitions " désigne une munition classique conçue pour disperser ou libérer des sous-munitions explosives dont chacune pèse moins de 20 kilogrammes, et comprend ces sous-munitions explosives. Il ne désigne pas :
a) Une munition ou sous-munition conçue pour lancer des artifices éclairants, des fumigènes, des artifices pyrotechniques ou des leurres, ou une munition conçue exclusivement à des fins de défense antiaérienne;
b) Une munition ou sous-munition conçue pour produire des effets électriques ou électroniques;
c) Une munition qui, afin d'éviter les effets indiscriminés sur une zone et les risques posés par les sous-munitions non explosées, est dotée de toutes les caractéristiques suivantes :
i) Chaque munition contient moins de dix sous-munitions explosives;
ii) Chaque sous-munition explosive pèse plus de quatre kilogrammes;
iii) Chaque sous-munition explosive est conçue pour détecter et attaquer une cible constituée d'un objet unique;
iv) Chaque sous-munition explosive est équipée d'un mécanisme électronique d'autodestruction;
v) Chaque sous-munition explosive est équipée d'un dispositif électronique d'autodésactivation;
3. On entend par " sous-munition explosive " une munition classique qui, pour réaliser sa fonction, est dispersée ou libérée par une arme à sous-munitions et est conçue pour fonctionner en faisant détoner une charge explosive avant l'impact, au moment de l'impact, ou après celui-ci;
4. On entend par " arme à sous-munitions ayant raté " une arme à sous-munitions qui a été tirée, larguée, lancée, projetée ou déclenchée de toute autre manière et qui aurait dû disperser ou libérer ses sous-munitions explosives mais ne l'a pas fait;
5. On entend par " sous-munition non explosée " une sous-munition explosive qui a été dispersée ou libérée par une arme à sous-munitions, ou s'en est séparée de toute autre manière et qui aurait dû exploser mais ne l'a pas fait;
6. On entend par " armes à sous-munitions abandonnées " des armes à sous-munitions ou des sous-munitions explosives qui n'ont pas été utilisées et ont été laissées sur place ou jetées, et qui ne sont plus sous le contrôle de la partie qui les a laissées sur place ou jetées. Les armes à sous-munitions abandonnées peuvent avoir été préparées pour l'emploi ou non;
7. On entend par " restes d'armes à sous-munitions " les armes à sous-munitions ayant raté, les armes à sous-munitions abandonnées, les sous-munitions non explosées et les petites bombes explosives non explosées;
8. Le " transfert " implique, outre le retrait matériel d'armes à sous-munitions du territoire d'un Etat ou leur introduction matérielle dans celui d'un autre Etat, le transfert du droit de propriété et du contrôle sur ces armes à sous-munitions, mais pas le transfert d'un territoire contenant des restes d'armes à sous-munitions;
9. On entend par " mécanisme d'autodestruction " un mécanisme à fonctionnement automatique incorporé à la munition, qui s'ajoute au mécanisme initial de mise à feu de la munition, et qui assure la destruction de la munition à laquelle il est incorporé;
10. On entend par " autodésactivation " le processus automatique qui rend la munition inopérante par l'épuisement irréversible d'un élément, par exemple une batterie, essentiel au fonctionnement de la munition;
11. On entend par " zone contaminée par les armes à sous-munitions " une zone où la présence de restes d'armes à sous-munitions est avérée ou soupçonnée;
12. On entend par " mine " un engin conçu pour être placé sous ou sur le sol ou une autre surface, ou à proximité, et pour exploser du fait de la présence, de la proximité ou du contact d'une personne ou d'un véhicule;
13. On entend par " petite bombe explosive " une munition classique, qui pèse moins de 20 kilogrammes, qui n'est pas auto-propulsée et est dispersée ou libérée par un disperseur pour pouvoir remplir sa fonction, et qui est conçue pour fonctionner en faisant détoner une charge explosive avant l'impact, au moment de l'impact, ou après celui-ci;
14. On entend par " disperseur " un conteneur qui est conçu pour disperser ou libérer des petites bombes explosives et qui demeure fixé sur un aéronef au moment où ces bombes sont dispersées ou libérées;
15. On entend par " petite bombe explosive non explosée " une petite bombe explosive qui a été dispersée, libérée par un disperseur ou qui s'en est séparée de toute autre manière et qui aurait dû exploser mais ne l'a pas fait.
Aux fins de la présente Convention :
1. On entend par " victimes d'armes à sous-munitions " toutes les personnes qui ont été tuées ou ont subi un préjudice corporel ou psychologique, une perte matérielle, une marginalisation sociale ou une atteinte substantielle la jouissance de leurs droits suite à l'emploi d'armes à sous-munitions; les victimes d'armes à sous-munitions englobent les personnes directement touchées par les armes à sous-munitions ainsi que leur famille et leur communauté affectées;
2. Le terme " arme à sous-munitions " désigne une munition classique conçue pour disperser ou libérer des sous-munitions explosives dont chacune pèse moins de 20 kilogrammes, et comprend ces sous-munitions explosives. Il ne désigne pas :
a) Une munition ou sous-munition conçue pour lancer des artifices éclairants, des fumigènes, des artifices pyrotechniques ou des leurres, ou une munition conçue exclusivement à des fins de défense antiaérienne;
b) Une munition ou sous-munition conçue pour produire des effets électriques ou électroniques;
c) Une munition qui, afin d'éviter les effets indiscriminés sur une zone et les risques posés par les sous-munitions non explosées, est dotée de toutes les caractéristiques suivantes :
i) Chaque munition contient moins de dix sous-munitions explosives;
ii) Chaque sous-munition explosive pèse plus de quatre kilogrammes;
iii) Chaque sous-munition explosive est conçue pour détecter et attaquer une cible constituée d'un objet unique;
iv) Chaque sous-munition explosive est équipée d'un mécanisme électronique d'autodestruction;
v) Chaque sous-munition explosive est équipée d'un dispositif électronique d'autodésactivation;
3. On entend par " sous-munition explosive " une munition classique qui, pour réaliser sa fonction, est dispersée ou libérée par une arme à sous-munitions et est conçue pour fonctionner en faisant détoner une charge explosive avant l'impact, au moment de l'impact, ou après celui-ci;
4. On entend par " arme à sous-munitions ayant raté " une arme à sous-munitions qui a été tirée, larguée, lancée, projetée ou déclenchée de toute autre manière et qui aurait dû disperser ou libérer ses sous-munitions explosives mais ne l'a pas fait;
5. On entend par " sous-munition non explosée " une sous-munition explosive qui a été dispersée ou libérée par une arme à sous-munitions, ou s'en est séparée de toute autre manière et qui aurait dû exploser mais ne l'a pas fait;
6. On entend par " armes à sous-munitions abandonnées " des armes à sous-munitions ou des sous-munitions explosives qui n'ont pas été utilisées et ont été laissées sur place ou jetées, et qui ne sont plus sous le contrôle de la partie qui les a laissées sur place ou jetées. Les armes à sous-munitions abandonnées peuvent avoir été préparées pour l'emploi ou non;
7. On entend par " restes d'armes à sous-munitions " les armes à sous-munitions ayant raté, les armes à sous-munitions abandonnées, les sous-munitions non explosées et les petites bombes explosives non explosées;
8. Le " transfert " implique, outre le retrait matériel d'armes à sous-munitions du territoire d'un Etat ou leur introduction matérielle dans celui d'un autre Etat, le transfert du droit de propriété et du contrôle sur ces armes à sous-munitions, mais pas le transfert d'un territoire contenant des restes d'armes à sous-munitions;
9. On entend par " mécanisme d'autodestruction " un mécanisme à fonctionnement automatique incorporé à la munition, qui s'ajoute au mécanisme initial de mise à feu de la munition, et qui assure la destruction de la munition à laquelle il est incorporé;
10. On entend par " autodésactivation " le processus automatique qui rend la munition inopérante par l'épuisement irréversible d'un élément, par exemple une batterie, essentiel au fonctionnement de la munition;
11. On entend par " zone contaminée par les armes à sous-munitions " une zone où la présence de restes d'armes à sous-munitions est avérée ou soupçonnée;
12. On entend par " mine " un engin conçu pour être placé sous ou sur le sol ou une autre surface, ou à proximité, et pour exploser du fait de la présence, de la proximité ou du contact d'une personne ou d'un véhicule;
13. On entend par " petite bombe explosive " une munition classique, qui pèse moins de 20 kilogrammes, qui n'est pas auto-propulsée et est dispersée ou libérée par un disperseur pour pouvoir remplir sa fonction, et qui est conçue pour fonctionner en faisant détoner une charge explosive avant l'impact, au moment de l'impact, ou après celui-ci;
14. On entend par " disperseur " un conteneur qui est conçu pour disperser ou libérer des petites bombes explosives et qui demeure fixé sur un aéronef au moment où ces bombes sont dispersées ou libérées;
15. On entend par " petite bombe explosive non explosée " une petite bombe explosive qui a été dispersée, libérée par un disperseur ou qui s'en est séparée de toute autre manière et qui aurait dû exploser mais ne l'a pas fait.
Art. 3. Opslag en vernietiging van voorraden
1. Elke Staat die Partij is draagt, in overeenstemming met de nationale regelgeving, zorg voor het scheiden van alle clustermunitie die onder zijn rechtsmacht en zeggenschap valt van de munitie voor operationele inzet en voor het markeren ervan voor vernietiging.
2. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie zo snel als mogelijk is, evenwel uiterlijk acht jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, te vernietigen of de vernietiging ervan te waarborgen. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe te waarborgen dat de vernietigingsmethoden voldoen aan de toepasselijke internationale normen voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu.
3. Indien een Staat die Partij is meent niet in staat te zijn alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie te vernietigen of de vernietiging ervan te waarborgen binnen acht jaar nadat het Verdrag voor die Partij in werking is getreden, kan hij bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie een verzoek indienen om de termijn voor het voltooien van de vernietiging van dergelijke clustermunitie met ten hoogste vier jaar te verlengen. In uitzonderlijke omstandigheden mag een Staat die Partij is om aanvullende verlengingen van ten hoogste vier jaar verzoeken. De gevraagde verlengingen mogen het aantal jaren dat deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen ingevolge het tweede lid van dit artikel te voldoen niet overschrijden.
4. Elk verzoek om verlenging dient het volgende te omvatten :
a) de duur van de voorgestelde verlenging;
b) een gedetailleerde uitleg van de voorgestelde verlenging, met inbegrip van de financiële en technische middelen waarover de Staat die Partij is kan beschikken of die hij nodig heeft voor de vernietiging van alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie en, wanneer van toepassing, de uitzonderlijke omstandigheden die deze verlenging rechtvaardigen;
c) een plan waarin wordt aangegeven hoe de vernietiging van de voorraden zal plaatsvinden en wanneer deze zal zijn voltooid;
d) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve sub-munitie die worden aangehouden op het moment waarop dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking treedt en alle andere clustermunitie of explosieve submunitie die na de inwerkingtreding wordt ontdekt;
e) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die tijdens de in het tweede lid van dit artikel bedoelde termijn zijn vernietigd; en
f) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die nog vernietigd dienen te worden tijdens de voorgestelde verlenging en de hoeveelheid die naar verwachting jaarlijks vernietigd zal worden.
5. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie beoordeelt, rekening houdend met de in het vierde lid van dit artikel bedoelde factoren, het verzoek en besluit met een meerderheid van de stemmen van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of het verzoek om verlenging wordt toegestaan. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten een kortere verlenging toe te staan dan waarom werd verzocht en kunnen benchmarks voor de verlenging voorstellen, al naar gelang van toepassing. Een verzoek om verlenging wordt ten minste negen maanden voor de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie waar het verzoek zal worden behandeld ingediend.
6. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag is het toegestaan een beperkt aantal stuks clustermunitie en explosieve submunitie aan te houden of te verwerven ten behoeve van ontwikkeling en training op het gebied van technieken voor het opsporen, ruimen of vernietigen van clustermunitie en explosieve submunitie, of voor het ontwikkelen van tegenmaatregelen met betrekking tot clustermunitie. De hoeveelheid explosieve submunitie die wordt aangehouden of verworven mag niet groter zijn dan hetgeen voor deze doeleinden strikt noodzakelijk is.
7. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag is het toegestaan clustermunitie aan een andere Staat die Partij is over te dragen ten behoeve van vernietiging of ten behoeve van de in het zesde lid van dit artikel omschreven doeleinden.
8. Staten die Partij zijn die clustermunitie of explosieve submunitie aanhouden, verwerven of overdragen ten behoeve van de in het zesde en zevende lid van dit artikel omschreven doeleinden dienen een gedetailleerd rapport in van het geplande en feitelijke gebruik van deze clustermunitie en explosieve submunitie alsmede hun type, hoeveelheid en partijnummers. Indien clustermunitie of explosieve submunitie ten behoeve van deze doeleinden aan een andere Staat die Partij is wordt overgedragen dient het rapport een verwijzing naar de ontvangende partij te omvatten. Een dergelijk rapport wordt opgesteld voor ieder jaar waarin een Staat die Partij is clustermunitie of explosieve submunitie aanhoudt, verwerft of overdraagt en dient uiterlijk 30 april van het daaropvolgende jaar bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties te worden ingediend.
1. Elke Staat die Partij is draagt, in overeenstemming met de nationale regelgeving, zorg voor het scheiden van alle clustermunitie die onder zijn rechtsmacht en zeggenschap valt van de munitie voor operationele inzet en voor het markeren ervan voor vernietiging.
2. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie zo snel als mogelijk is, evenwel uiterlijk acht jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, te vernietigen of de vernietiging ervan te waarborgen. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe te waarborgen dat de vernietigingsmethoden voldoen aan de toepasselijke internationale normen voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu.
3. Indien een Staat die Partij is meent niet in staat te zijn alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie te vernietigen of de vernietiging ervan te waarborgen binnen acht jaar nadat het Verdrag voor die Partij in werking is getreden, kan hij bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie een verzoek indienen om de termijn voor het voltooien van de vernietiging van dergelijke clustermunitie met ten hoogste vier jaar te verlengen. In uitzonderlijke omstandigheden mag een Staat die Partij is om aanvullende verlengingen van ten hoogste vier jaar verzoeken. De gevraagde verlengingen mogen het aantal jaren dat deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen ingevolge het tweede lid van dit artikel te voldoen niet overschrijden.
4. Elk verzoek om verlenging dient het volgende te omvatten :
a) de duur van de voorgestelde verlenging;
b) een gedetailleerde uitleg van de voorgestelde verlenging, met inbegrip van de financiële en technische middelen waarover de Staat die Partij is kan beschikken of die hij nodig heeft voor de vernietiging van alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie en, wanneer van toepassing, de uitzonderlijke omstandigheden die deze verlenging rechtvaardigen;
c) een plan waarin wordt aangegeven hoe de vernietiging van de voorraden zal plaatsvinden en wanneer deze zal zijn voltooid;
d) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve sub-munitie die worden aangehouden op het moment waarop dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking treedt en alle andere clustermunitie of explosieve submunitie die na de inwerkingtreding wordt ontdekt;
e) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die tijdens de in het tweede lid van dit artikel bedoelde termijn zijn vernietigd; en
f) de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die nog vernietigd dienen te worden tijdens de voorgestelde verlenging en de hoeveelheid die naar verwachting jaarlijks vernietigd zal worden.
5. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie beoordeelt, rekening houdend met de in het vierde lid van dit artikel bedoelde factoren, het verzoek en besluit met een meerderheid van de stemmen van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of het verzoek om verlenging wordt toegestaan. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten een kortere verlenging toe te staan dan waarom werd verzocht en kunnen benchmarks voor de verlenging voorstellen, al naar gelang van toepassing. Een verzoek om verlenging wordt ten minste negen maanden voor de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie waar het verzoek zal worden behandeld ingediend.
6. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag is het toegestaan een beperkt aantal stuks clustermunitie en explosieve submunitie aan te houden of te verwerven ten behoeve van ontwikkeling en training op het gebied van technieken voor het opsporen, ruimen of vernietigen van clustermunitie en explosieve submunitie, of voor het ontwikkelen van tegenmaatregelen met betrekking tot clustermunitie. De hoeveelheid explosieve submunitie die wordt aangehouden of verworven mag niet groter zijn dan hetgeen voor deze doeleinden strikt noodzakelijk is.
7. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag is het toegestaan clustermunitie aan een andere Staat die Partij is over te dragen ten behoeve van vernietiging of ten behoeve van de in het zesde lid van dit artikel omschreven doeleinden.
8. Staten die Partij zijn die clustermunitie of explosieve submunitie aanhouden, verwerven of overdragen ten behoeve van de in het zesde en zevende lid van dit artikel omschreven doeleinden dienen een gedetailleerd rapport in van het geplande en feitelijke gebruik van deze clustermunitie en explosieve submunitie alsmede hun type, hoeveelheid en partijnummers. Indien clustermunitie of explosieve submunitie ten behoeve van deze doeleinden aan een andere Staat die Partij is wordt overgedragen dient het rapport een verwijzing naar de ontvangende partij te omvatten. Een dergelijk rapport wordt opgesteld voor ieder jaar waarin een Staat die Partij is clustermunitie of explosieve submunitie aanhoudt, verwerft of overdraagt en dient uiterlijk 30 april van het daaropvolgende jaar bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties te worden ingediend.
Art. 3. Stockage et destruction des stocks
1. Chaque Etat partie, conformément à la réglementation nationale, séparera toutes les armes à sous-munitions sous sa juridiction et son contrôle des munitions conservées en vue d'un emploi opérationnel et les marquera aux fins de leur destruction.
2. Chaque Etat partie s'engage à détruire toutes les armes à sous-munitions mentionnées dans le paragraphe 1er du présent article, ou à veiller à leur destruction, dès que possible, et au plus tard huit ans après l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie. Chaque Etat partie s'engage à veiller à ce que les méthodes de destruction respectent les normes internationales applicables pour la protection de la santé publique et de l'environnement.
3. Si un Etat partie ne croit pas pouvoir détruire toutes les armes à sous-munitions visées au paragraphe 1er du présent article, ou veiller à leur destruction, dans le délai de huit ans suivant l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, il peut présenter à une Assemblée des Etats parties ou à une Conférence d'examen une demande de prolongation, allant jusqu'à quatre ans, du délai fixé pour la destruction complète de ces armes à sous-munitions. Un Etat partie peut, dans des circonstances exceptionnelles, demander des prolongations additionnelles durant au plus quatre ans. Les demandes de prolongation ne devront pas excéder le nombre d'années strictement nécessaire à l'exécution par cet Etat de ses obligations aux termes du paragraphe 2 du présent article.
4. La demande de prolongation doit comprendre :
a) La durée de la prolongation proposée;
b) Une explication détaillée justifiant la prolongation proposée, y compris les moyens financiers et techniques dont dispose l'Etat partie ou qui sont requis par celui-ci pour procéder à la destruction de toutes les armes à sous-munitions visées au paragraphe 1er du présent article, et, le cas échéant, les circonstances exceptionnelles justifiant cette prolongation;
c) Un plan précisant les modalités de destruction des stocks et la date à laquelle celle-ci sera achevée;
d) La quantité et le type d'armes à sous-munitions et de sous-munitions explosives détenues lors de cette entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, et des autres armes à sous-munitions et sous-munitións explosives découvertes après l'entrée en vigueur;
e) La quantité et le type d'armes à sous-munitions et de sous-munitions explosives détruites pendant la période mentionnée au paragraphe 2 du présent article; et
f) La quantité et le type d'armes à sous-munitions et de sous-munitions explosives restant à détruire pendant la prolongation proposée et le rythme de destruction annuel prévu.
5. L'Assemblée des Etats parties, ou la Conférence d'examen, en tenant compte des facteurs énoncés au paragraphe 4 du présent article, évalue la demande et décide à la majorité des Etats parties présents et votants d'accorder ou non la période de prolongation. Les Etats parties, si approprié, peuvent décider d'accorder une prolongation plus courte que celle demandée et peuvent proposer des critères pour la prolongation. Une demande de prolongation doit être soumise au minimum neuf mois avant la réunion de l'Assemblée des Etats parties ou de la Conférence d'examen devant examiner cette demande.
6. Nonobstant les dispositions de l'article 1er de la présente Convention, la conservation ou l'acquisition d'un nombre limité d'armes à sous-munitions et de sous-munitions explosives pour le développement et la formation relatifs aux techniques de détection, d'enlèvement ou de destruction des armes à sous-munitions et des sous-munitions explosives, ou pour le développement de contre-mesures relatives aux armes à sous-munitions, sont permises. La quantité de sous-munitions explosives conservées ou acquises ne devra pas dépasser le nombre minimum absolument nécessaire à ces fins.
7. Nonobstant les dispositions de l'article 1er de la présente Convention, le transfert d'armes à sous-munitions à un autre Etat partie aux fins de leur destruction, ou pour tous les buts décrits dans le paragraphe 6 du présent article, est autorisé.
8. Les Etats parties conservant, acquérant où transférant des armes à sous-munitions ou des sous-munitions explosives aux fins décrites dans les paragraphes 6 et 7 du présent article devront présenter un rapport détaillé sur l'utilisation actuelle et envisagée de ces armes à sous-munitions et sous-munitions explosives, ainsi que leur type, quantité et numéro de lot. Si les armes à, sous-munitions et les sous-munitions explosives sont transférées à ces fins à un autre Etat partie, le rapport devra inclure une référence à l'Etat partie les recevant. Ce rapport devra être préparé pour chaque année durant laquelle un Etat partie a conservé, acquis ou transféré des armes à sous-munitions ou des sous-munitions explosives, et être transmis au Secrétaire général des Nations unies au plus tard le 30 avril de l'année suivante.
1. Chaque Etat partie, conformément à la réglementation nationale, séparera toutes les armes à sous-munitions sous sa juridiction et son contrôle des munitions conservées en vue d'un emploi opérationnel et les marquera aux fins de leur destruction.
2. Chaque Etat partie s'engage à détruire toutes les armes à sous-munitions mentionnées dans le paragraphe 1er du présent article, ou à veiller à leur destruction, dès que possible, et au plus tard huit ans après l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie. Chaque Etat partie s'engage à veiller à ce que les méthodes de destruction respectent les normes internationales applicables pour la protection de la santé publique et de l'environnement.
3. Si un Etat partie ne croit pas pouvoir détruire toutes les armes à sous-munitions visées au paragraphe 1er du présent article, ou veiller à leur destruction, dans le délai de huit ans suivant l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, il peut présenter à une Assemblée des Etats parties ou à une Conférence d'examen une demande de prolongation, allant jusqu'à quatre ans, du délai fixé pour la destruction complète de ces armes à sous-munitions. Un Etat partie peut, dans des circonstances exceptionnelles, demander des prolongations additionnelles durant au plus quatre ans. Les demandes de prolongation ne devront pas excéder le nombre d'années strictement nécessaire à l'exécution par cet Etat de ses obligations aux termes du paragraphe 2 du présent article.
4. La demande de prolongation doit comprendre :
a) La durée de la prolongation proposée;
b) Une explication détaillée justifiant la prolongation proposée, y compris les moyens financiers et techniques dont dispose l'Etat partie ou qui sont requis par celui-ci pour procéder à la destruction de toutes les armes à sous-munitions visées au paragraphe 1er du présent article, et, le cas échéant, les circonstances exceptionnelles justifiant cette prolongation;
c) Un plan précisant les modalités de destruction des stocks et la date à laquelle celle-ci sera achevée;
d) La quantité et le type d'armes à sous-munitions et de sous-munitions explosives détenues lors de cette entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, et des autres armes à sous-munitions et sous-munitións explosives découvertes après l'entrée en vigueur;
e) La quantité et le type d'armes à sous-munitions et de sous-munitions explosives détruites pendant la période mentionnée au paragraphe 2 du présent article; et
f) La quantité et le type d'armes à sous-munitions et de sous-munitions explosives restant à détruire pendant la prolongation proposée et le rythme de destruction annuel prévu.
5. L'Assemblée des Etats parties, ou la Conférence d'examen, en tenant compte des facteurs énoncés au paragraphe 4 du présent article, évalue la demande et décide à la majorité des Etats parties présents et votants d'accorder ou non la période de prolongation. Les Etats parties, si approprié, peuvent décider d'accorder une prolongation plus courte que celle demandée et peuvent proposer des critères pour la prolongation. Une demande de prolongation doit être soumise au minimum neuf mois avant la réunion de l'Assemblée des Etats parties ou de la Conférence d'examen devant examiner cette demande.
6. Nonobstant les dispositions de l'article 1er de la présente Convention, la conservation ou l'acquisition d'un nombre limité d'armes à sous-munitions et de sous-munitions explosives pour le développement et la formation relatifs aux techniques de détection, d'enlèvement ou de destruction des armes à sous-munitions et des sous-munitions explosives, ou pour le développement de contre-mesures relatives aux armes à sous-munitions, sont permises. La quantité de sous-munitions explosives conservées ou acquises ne devra pas dépasser le nombre minimum absolument nécessaire à ces fins.
7. Nonobstant les dispositions de l'article 1er de la présente Convention, le transfert d'armes à sous-munitions à un autre Etat partie aux fins de leur destruction, ou pour tous les buts décrits dans le paragraphe 6 du présent article, est autorisé.
8. Les Etats parties conservant, acquérant où transférant des armes à sous-munitions ou des sous-munitions explosives aux fins décrites dans les paragraphes 6 et 7 du présent article devront présenter un rapport détaillé sur l'utilisation actuelle et envisagée de ces armes à sous-munitions et sous-munitions explosives, ainsi que leur type, quantité et numéro de lot. Si les armes à, sous-munitions et les sous-munitions explosives sont transférées à ces fins à un autre Etat partie, le rapport devra inclure une référence à l'Etat partie les recevant. Ce rapport devra être préparé pour chaque année durant laquelle un Etat partie a conservé, acquis ou transféré des armes à sous-munitions ou des sous-munitions explosives, et être transmis au Secrétaire général des Nations unies au plus tard le 30 avril de l'année suivante.
Art. 4. Ruiming en vernietiging van resten van clustermunitie en voorlichting op het gebied van risicobeperking
1. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe resten van clustermunitie in door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen of de ruiming en vernietiging ervan te waarborgen op de navolgende wijze :
a) Wanneer resten van clustermunitie zich bevinden in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen op de datum waarop het Verdrag voor die Staat die Partij is in werking treedt, dienen de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk te worden voltooid, evenwel uiterlijk tien jaar na deze datum;
b) Wanneer, nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden die zich bevinden in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, dienen de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk te worden voltooid, evenwel uiterlijk tien jaar na het beëindigen van de daadwerkelijke vijandigheden gedurende welke dergelijke clustermunitie resten van clustermunitie werd; en
c) Na het nakomen van een van de in de onderdelen a en b van dit lid vervatte verplichtingen, legt de Staat die Partij is een verklaring van naleving af aan de volgende Vergadering van de Staten die Partij zijn.
2. Bij het nakomen van zijn verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel, neemt elke Staat die Partij is zo spoedig mogelijk de volgende maatregelen en houdt daarbij rekening met de bepalingen van artikel 6 van dit Verdrag inzake internationale samenwerking en bijstand :
a) het onderzoeken, vaststellen en vastleggen van het gevaar dat gevormd wordt door resten van clustermunitie, waarbij al het mogelijke wordt gedaan om alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te identificeren;
b) het vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften in termen van markering, burgerbescherming, ruiming en vernietiging en het nemen van stappen om middelen vrij te maken en een nationaal plan te ontwikkelen om deze activiteiten uit te voeren, daarbij gebruikmakend, wanneer van toepassing, van bestaande structuren, ervaringen en methoden;
c) het nemen van alle mogelijke stappen om te waarborgen dat alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen worden gemarkeerd, gemonitord en met hekken of andere middelen worden afgezet teneinde ervoor te zorgen dat deze gebieden onmogelijk door burgers kunnen worden betreden. Bij het markeren van gebieden ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat zij gevaarlijk zijn dienen waarschuwingsborden te worden gebruikt op basis van markeringsmethoden die voor de getroffen gemeenschap gemakkelijk herkenbaar zijn. Borden en andere markeringen van de omtrek van gevaarlijke gebieden dienen voor zover mogelijk zichtbaar, leesbaar, duurzaam en tegen omgevingsinvloeden bestand te zijn en dienen duidelijk te maken aan welke zijde van de gemarkeerde grens het door clustermunitie getroffen gebied ligt en welke zijde als veilig wordt beschouwd;
d) het ruimen en vernietigen van alle resten van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen; en
e) het geven van voorlichting op het gebied van risicobeperking om de burgers die in of in de nabijheid van door clustermunitie getroffen gebieden wonen bewust te maken van de gevaren van dergelijke resten.
3. Bij het uitvoeren van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde activiteiten, houdt elke Staat die Partij is rekening met de internationale normen, met inbegrip van de International Mine Action Standards (internationale normen met betrekking tot mijnen).
4. Dit lid is van toepassing in gevallen waarin clustermunitie door een Staat die Partij is is gebruikt of is achtergelaten voordat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking trad en resten van clustermunitie is geworden die zich bevinden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een andere Staat die Partij is op het moment waarop dit Verdrag voor laatstgenoemde Staat in werking trad.
a) In dergelijke gevallen wordt de eerstgenoemde Staat die Partij is, nadat dit Verdrag voor beide Staten die Partij zijn in werking is getreden, ten zeerste aangemoedigd de laatstgenoemde Staat die Partij is onder andere technische, financiële, materiële en personele ondersteuning te bieden, hetzij bilateraal, hetzij door een door beide partijen overeengekomen derde partij, waaronder via de organen van de Verenigde Naties of andere relevante organisaties, teneinde het markeren, ruimen en vernietigen van dergelijke resten van clustermunitie te vergemakkelijken.
b) Dergelijke ondersteuning omvat, wanneer beschikbaar, informatie over de typen en hoeveelheden clustermunitie die zijn gebruikt, nauwkeurige locaties van clustermunitie-inslagen en gebieden waarvan bekend is dat er zich resten van clustermunitie bevinden.
5. Indien een Staat die Partij is meent niet in staat te zijn binnen tien jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden de in het eerste lid van dit artikel bedoelde resten van clustermunitie te ruimen en te vernietigen of de ruiming en vernietiging ervan te waarborgen, kan hij een verzoek indienen bij de Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie voor een verlenging van de uiterste termijn voor het voltooien van de ruiming en vernietiging van dergelijke resten van clustermunitie met een tijdvak van ten hoogste vijf jaar. De gevraagde verlenging mag het aantal jaren dat deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen ingevolge van het eerste lid van dit artikel te voldoen niet overschrijden.
6. Een verzoek om verlenging dient te worden ingediend bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie voordat het in het eerste lid van dit artikel genoemde tijdvak voor die Staat die Partij is verstrijkt. Elk verzoek dient ten minste negen maanden voor aanvang van de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie waarop het verzoek wordt besproken te worden ingediend. Elk verzoek dient het volgende te omvatten :
a) de duur van de voorgestelde verlenging;
b) een gedetailleerde uitleg van de redenen voor de voorgestelde verlenging, met inbegrip van de financiële en technische middelen waarover de Staat die Partij is kan beschikken en die hij nodig heeft voor de ruiming en vernietiging van alle resten van clustermunitie gedurende de voorgestelde verlenging;
c) de voorbereiding van toekomstige werkzaamheden en de stand van de reeds uitgevoerde werkzaamheden in het kader van nationale (mijn) ruimingsprogramma's gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde eerste tijdvak van tien jaar en eventuele verlengingen daarna;
d) het totale gebied waar zich op het tijdstip waarop dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking trad resten van clustermunitie bevonden en eventuele aanvullende gebieden met resten van clustermunitie die na de inwerkingtreding zijn ontdekt;
e) het totale gebied met resten van clustermunitie dat sinds de inwerkingtreding van dit Verdrag is geruimd;
f) het totale gebied met resten van clustermunitie dat gedurende de voorgestelde verlenging nog dient te worden geruimd;
g) de omstandigheden die de Staat die Partij is hebben belet alle resten van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te vernietigen gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde eerste tijdvak van tien jaar en de omstandigheden die mogelijk een beletsel vormen tijdens de voorgestelde verlenging;
h) de humanitaire, sociale, economische en milieugevolgen van de voorgestelde verlenging; en
i) alle overige informatie die voor de aanvraag van de voorgestelde verlenging relevant is.
7. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie, rekening houdend met de in het zesde lid van dit artikel bedoelde factoren,waaronder de gerapporteerde hoeveelheden resten van clustermunitie, beoordeelt het verzoek en besluit met een meerderheid van de stemmen van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of de verlenging wordt toegestaan. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten een kortere verlenging toe te staan dan die waarom werd verzocht en kunnen benchmarks voor de verlenging voorstellen, al naar gelang van toepassing.
8. Na indiening van een nieuw verzoek, in overeenstemming met het vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel, kan nogmaals een verlenging worden toegestaan van ten hoogste vijf jaar. Het door een Staat die Partij is ingediende verzoek om aanvullende verlenging dient te worden vergezeld van relevante aanvullende informatie over hetgeen is ondernomen tijdens de vorige verlenging die ingevolge dit artikel werd toegestaan.
1. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe resten van clustermunitie in door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen of de ruiming en vernietiging ervan te waarborgen op de navolgende wijze :
a) Wanneer resten van clustermunitie zich bevinden in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen op de datum waarop het Verdrag voor die Staat die Partij is in werking treedt, dienen de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk te worden voltooid, evenwel uiterlijk tien jaar na deze datum;
b) Wanneer, nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden die zich bevinden in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, dienen de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk te worden voltooid, evenwel uiterlijk tien jaar na het beëindigen van de daadwerkelijke vijandigheden gedurende welke dergelijke clustermunitie resten van clustermunitie werd; en
c) Na het nakomen van een van de in de onderdelen a en b van dit lid vervatte verplichtingen, legt de Staat die Partij is een verklaring van naleving af aan de volgende Vergadering van de Staten die Partij zijn.
2. Bij het nakomen van zijn verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel, neemt elke Staat die Partij is zo spoedig mogelijk de volgende maatregelen en houdt daarbij rekening met de bepalingen van artikel 6 van dit Verdrag inzake internationale samenwerking en bijstand :
a) het onderzoeken, vaststellen en vastleggen van het gevaar dat gevormd wordt door resten van clustermunitie, waarbij al het mogelijke wordt gedaan om alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te identificeren;
b) het vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften in termen van markering, burgerbescherming, ruiming en vernietiging en het nemen van stappen om middelen vrij te maken en een nationaal plan te ontwikkelen om deze activiteiten uit te voeren, daarbij gebruikmakend, wanneer van toepassing, van bestaande structuren, ervaringen en methoden;
c) het nemen van alle mogelijke stappen om te waarborgen dat alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen worden gemarkeerd, gemonitord en met hekken of andere middelen worden afgezet teneinde ervoor te zorgen dat deze gebieden onmogelijk door burgers kunnen worden betreden. Bij het markeren van gebieden ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat zij gevaarlijk zijn dienen waarschuwingsborden te worden gebruikt op basis van markeringsmethoden die voor de getroffen gemeenschap gemakkelijk herkenbaar zijn. Borden en andere markeringen van de omtrek van gevaarlijke gebieden dienen voor zover mogelijk zichtbaar, leesbaar, duurzaam en tegen omgevingsinvloeden bestand te zijn en dienen duidelijk te maken aan welke zijde van de gemarkeerde grens het door clustermunitie getroffen gebied ligt en welke zijde als veilig wordt beschouwd;
d) het ruimen en vernietigen van alle resten van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen; en
e) het geven van voorlichting op het gebied van risicobeperking om de burgers die in of in de nabijheid van door clustermunitie getroffen gebieden wonen bewust te maken van de gevaren van dergelijke resten.
3. Bij het uitvoeren van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde activiteiten, houdt elke Staat die Partij is rekening met de internationale normen, met inbegrip van de International Mine Action Standards (internationale normen met betrekking tot mijnen).
4. Dit lid is van toepassing in gevallen waarin clustermunitie door een Staat die Partij is is gebruikt of is achtergelaten voordat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking trad en resten van clustermunitie is geworden die zich bevinden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een andere Staat die Partij is op het moment waarop dit Verdrag voor laatstgenoemde Staat in werking trad.
a) In dergelijke gevallen wordt de eerstgenoemde Staat die Partij is, nadat dit Verdrag voor beide Staten die Partij zijn in werking is getreden, ten zeerste aangemoedigd de laatstgenoemde Staat die Partij is onder andere technische, financiële, materiële en personele ondersteuning te bieden, hetzij bilateraal, hetzij door een door beide partijen overeengekomen derde partij, waaronder via de organen van de Verenigde Naties of andere relevante organisaties, teneinde het markeren, ruimen en vernietigen van dergelijke resten van clustermunitie te vergemakkelijken.
b) Dergelijke ondersteuning omvat, wanneer beschikbaar, informatie over de typen en hoeveelheden clustermunitie die zijn gebruikt, nauwkeurige locaties van clustermunitie-inslagen en gebieden waarvan bekend is dat er zich resten van clustermunitie bevinden.
5. Indien een Staat die Partij is meent niet in staat te zijn binnen tien jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden de in het eerste lid van dit artikel bedoelde resten van clustermunitie te ruimen en te vernietigen of de ruiming en vernietiging ervan te waarborgen, kan hij een verzoek indienen bij de Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie voor een verlenging van de uiterste termijn voor het voltooien van de ruiming en vernietiging van dergelijke resten van clustermunitie met een tijdvak van ten hoogste vijf jaar. De gevraagde verlenging mag het aantal jaren dat deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen ingevolge van het eerste lid van dit artikel te voldoen niet overschrijden.
6. Een verzoek om verlenging dient te worden ingediend bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie voordat het in het eerste lid van dit artikel genoemde tijdvak voor die Staat die Partij is verstrijkt. Elk verzoek dient ten minste negen maanden voor aanvang van de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie waarop het verzoek wordt besproken te worden ingediend. Elk verzoek dient het volgende te omvatten :
a) de duur van de voorgestelde verlenging;
b) een gedetailleerde uitleg van de redenen voor de voorgestelde verlenging, met inbegrip van de financiële en technische middelen waarover de Staat die Partij is kan beschikken en die hij nodig heeft voor de ruiming en vernietiging van alle resten van clustermunitie gedurende de voorgestelde verlenging;
c) de voorbereiding van toekomstige werkzaamheden en de stand van de reeds uitgevoerde werkzaamheden in het kader van nationale (mijn) ruimingsprogramma's gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde eerste tijdvak van tien jaar en eventuele verlengingen daarna;
d) het totale gebied waar zich op het tijdstip waarop dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking trad resten van clustermunitie bevonden en eventuele aanvullende gebieden met resten van clustermunitie die na de inwerkingtreding zijn ontdekt;
e) het totale gebied met resten van clustermunitie dat sinds de inwerkingtreding van dit Verdrag is geruimd;
f) het totale gebied met resten van clustermunitie dat gedurende de voorgestelde verlenging nog dient te worden geruimd;
g) de omstandigheden die de Staat die Partij is hebben belet alle resten van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te vernietigen gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde eerste tijdvak van tien jaar en de omstandigheden die mogelijk een beletsel vormen tijdens de voorgestelde verlenging;
h) de humanitaire, sociale, economische en milieugevolgen van de voorgestelde verlenging; en
i) alle overige informatie die voor de aanvraag van de voorgestelde verlenging relevant is.
7. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie, rekening houdend met de in het zesde lid van dit artikel bedoelde factoren,waaronder de gerapporteerde hoeveelheden resten van clustermunitie, beoordeelt het verzoek en besluit met een meerderheid van de stemmen van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of de verlenging wordt toegestaan. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten een kortere verlenging toe te staan dan die waarom werd verzocht en kunnen benchmarks voor de verlenging voorstellen, al naar gelang van toepassing.
8. Na indiening van een nieuw verzoek, in overeenstemming met het vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel, kan nogmaals een verlenging worden toegestaan van ten hoogste vijf jaar. Het door een Staat die Partij is ingediende verzoek om aanvullende verlenging dient te worden vergezeld van relevante aanvullende informatie over hetgeen is ondernomen tijdens de vorige verlenging die ingevolge dit artikel werd toegestaan.
Art. 4. Dépollution et destruction des restes d'armes à sous-munitions et éducation à la réduction des risques
1. Chaque Etat partie s'engage à enlever et à détruire les restes d'armes à sous-munitions situés dans les zones contaminées par les armes à sous-munitions et sous sa juridiction ou son contrôle, ou à veiller à leur enlèvement et à leur destruction, selon les modalités suivantes :
a) Lorsque les restes d'armes à sous-munitions se situent dans des zones sous sa juridiction ou son contrôle à la date de l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, cet enlèvement et cette destruction seront achevés dès que possible, mais au plus tard dix ans après cette date;
b) Lorsque, après l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, des armes à sous-munitions sont devenues des restes d'armes à sous-munitions situés dans des zones sous sa juridiction ou son contrôle, cet enlèvement et cette destruction doivent être achevés dès que possible, mais au plus tard dix ans après la fin des hostilités actives au cours desquelles ces armes à sous-munitions sont devenues des restes d'armes à sous-munitions; et
c) Lorsqu'il aura exécuté l'une ou l'autre des obligations définies aux alinéas a) et b) du présent paragraphe, cet Etat partie présentera une déclaration de conformité à l'Assemblée des Etats parties suivante.
2. En remplissant les obligations énoncées au paragraphe 1er du présent article, chaque Etat partie prendra dans les meilleurs délais les mesures suivantes, en tenant compte des dispositions de l'article 6 de la présente Convention relatives à la coopération et l'assistance internationales :
a) Procéder à l'examen de la menace représentée par les restes d'armes à sous-munitions, l'évaluer, enregistrer les informations la concernant, en mettant tout en oeuvre pour repérer toutes les zones contaminées par les armes à sous-munitions et qui sont sous sa juridiction ou son contrôle;
b) Apprécier et hiérarchiser les besoins en termes de marquage, de protection de la population civile, de dépollution et de destruction, et prendre des dispositions pour mobiliser des ressources et élaborer un plan national pour la réalisation de ces activités, en se fondant, le cas échéant, sur les structures, expériences et méthodologies existantes;
c) prendre toutes les dispositions possibles pour s'assurer que toutes les zones sous sa juridiction ou son contrôle contaminées par des armes à sous-munitions soient marquées tout au long de leur périmètre, surveillées et protégées par une clôture ou d'autres moyens afin d'empêcher de manière effective les civils d'y pénétrer. Des signaux d'avertissement faisant appel à des méthodes de marquage facilement reconnaissables par la collectivité affectée devraient être utilisés pour marquer les zones dont on soupçonne qu'elles sont dangereuses. Les signaux et autres dispositifs de marquage des limites d'une zone dangereuse devraient, autant que faire se peut, être visibles, lisibles, durables et résistants aux effets de l'environnement et devraient clairement indiquer de quel côté des limites se trouve la zone contaminée par des armes à sous-munitions et de quel côté on considère qu'il n'y a pas de danger;
d) Enlever et détruire tous les restes d'armés à sous-munitions se trouvant dans les zones sous sa juridiction ou son contrôle; et
e) Dispenser une éducation à la réduction des risques pour sensibiliser les civils vivant à l'intérieur ou autour des zones contaminées par les armes à sous-munitions aux dangers que représentent ces restes.
3. Dans l'exercice des activités mentionnées dans le paragraphe 2 du présent article, chaque Etat partie tiendra compte des normes internationales, notamment des Normes internationales de la lutte antimines (IMAS, International Mine Action Standards)
4. Le présent paragraphe s'applique dans les cas où les armes à sous-munitions ont été utilisées ou abandonnées par un Etat partie avant l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie et sont devenues des restes d'armes à sous-munitions dans des zones situées sous la juridiction ou le contrôle d'un autre Etat partie au moment de l'entrée en vigueur de la présente Convention pour ce dernier.
a) Dans de tels cas, lors de l'entrée en vigueur de la présente Convention pour les deux Etats parties, le premier Etat partie est vivement encouragé à fournir, entre autres, une assistance technique, financière, matérielle ou en ressources humaines à l'autre Etat partie, soit sur une base bilatérale, soit par l'intermédiaire d'un tiers choisi d'un commun accord, y compris par le biais des organismes des Nations unies ou d'autres organisations pertinentes, afin de faciliter le marquage, l'enlèvement et la destruction de ces restes d'armes à sous-munitions.
b) Cette assistance comprendra, lorsqu'elles seront disponibles, des informations sur les types et les quantités d'armes à sous-munitions utilisées, les emplacements précis des impacts des armes à sous-munitions et les zones dans lesquelles la présence de restes d'armes à sous-munitions est établie.
5. Si un Etat partie ne croit pas pouvoir enlever et détruire tous les restes d'armes à sous-munitions visés au paragraphe 1er du présent article, ou veiller à leur enlèvement et à leur destruction, dans le délai de dix ans suivant l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, il peut présenter à l'Assemblée des Etats parties ou à une Conférence d'examen une demande de prolongation du délai fixé pour l'enlèvement et la destruction complète de ces restes d'armes à sous-munitions, pour une durée ne dépassant pas cinq ans. La demande de prolongation ne devra pas excéder le nombre d'années strictement nécessaire à l'éxecution par cet Etat de ses obligations aux termes du paragraphe 1er du présent article.
6. Toute demande de prolongation sera soumise à une Assemblée des Etats parties où à une Conférence d'examen avant l'expiration du délai mentionné au paragraphe 1 du présent article pour cet Etat partie. Une demande de prolongation doit être soumise au minimum neuf mois avant la réunion de l'Assemblée des Etats parties ou de la Conférence d'examen devant examiner cette demande. La demande doit comprendre :
a) La durée de la prolongation proposée;
b) Des explications détaillées des raisons justifiant la prolongation proposée, y compris les moyens financiers et techniques dont dispose l'Etat partie et qui sont requis par celui-ci pour procéder à l'enlèvement et à la destruction de tous les restes d'armes à sous-munitions pendant la prolongation proposée;
c) La préparation des travaux futurs et l'état d'avancement de ceux déjà effectués dans le cadre des programmes nationaux de dépollution et de déminage pendant la période initiale de dix ans visée dans le paragraphe 1er du présent article et dans les prolongations subséquentes;
d) La superficie totale de la zone contenant des restes d'armes à sous-munitions au moment de l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie et de toute autre zone contenant des restes d'armes à sous-munitions découverts après cette entrée en vigueur;
e) La superficie totale de la zone contenant des restes d'armes à sous-munitions dépolluée après l'entrée en vigueur de la présente Convention;
f) La superficie totale de la zone contenant des restes d'armes à sous-munitions restant à dépolluer pendant la prolongation proposée;
g) Les circonstances qui ont limité la capacité l'Etat partie de détruire tous les restes d'armes à sous-munitions situés dans des zones sous sa juridiction ou son contrôle pendant la période initiale de dix ans mentionnée dans le paragraphe 1er du présent article et celles qui pourraient empêcher l'Etat de le faire pendant la prolongation proposée;
h) Les conséquences humanitaires, sociales, économiques et environnementales de la prolongation proposée; et
i) Toute autre information pertinente relative à la prolongation proposée.
7. L'Assemblée des Etats parties, ou la Conférence d'examen, en tenant compte des facteurs énoncés au paragraphe 6 du présent article, y compris, notamment, la quantité de restes d'armes à sous-munitions indiquée, évalue la demande et décide à la majorité des Etats parties présents et votants d'accorder ou non la période de prolongation. Les Etats parties, si approprié, peuvent décider d'accorder une prolongation plus courte que celle demandée et peuvent proposer des critères pour la prolongation.
8. Une telle prolongation peut être renouvelée pour une durée de cinq ans au plus, sur présentation d'une nouvelle demande conformément aux paragraphes 5, 6 et 7 du présent article. L'Etat partie joindra à sa demande de prolongation additionnelle des renseignements supplémentaires pertinents sur ce qui a été entrepris pendant la période de prolongation antérieure accordée en vertu du présent article.
1. Chaque Etat partie s'engage à enlever et à détruire les restes d'armes à sous-munitions situés dans les zones contaminées par les armes à sous-munitions et sous sa juridiction ou son contrôle, ou à veiller à leur enlèvement et à leur destruction, selon les modalités suivantes :
a) Lorsque les restes d'armes à sous-munitions se situent dans des zones sous sa juridiction ou son contrôle à la date de l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, cet enlèvement et cette destruction seront achevés dès que possible, mais au plus tard dix ans après cette date;
b) Lorsque, après l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, des armes à sous-munitions sont devenues des restes d'armes à sous-munitions situés dans des zones sous sa juridiction ou son contrôle, cet enlèvement et cette destruction doivent être achevés dès que possible, mais au plus tard dix ans après la fin des hostilités actives au cours desquelles ces armes à sous-munitions sont devenues des restes d'armes à sous-munitions; et
c) Lorsqu'il aura exécuté l'une ou l'autre des obligations définies aux alinéas a) et b) du présent paragraphe, cet Etat partie présentera une déclaration de conformité à l'Assemblée des Etats parties suivante.
2. En remplissant les obligations énoncées au paragraphe 1er du présent article, chaque Etat partie prendra dans les meilleurs délais les mesures suivantes, en tenant compte des dispositions de l'article 6 de la présente Convention relatives à la coopération et l'assistance internationales :
a) Procéder à l'examen de la menace représentée par les restes d'armes à sous-munitions, l'évaluer, enregistrer les informations la concernant, en mettant tout en oeuvre pour repérer toutes les zones contaminées par les armes à sous-munitions et qui sont sous sa juridiction ou son contrôle;
b) Apprécier et hiérarchiser les besoins en termes de marquage, de protection de la population civile, de dépollution et de destruction, et prendre des dispositions pour mobiliser des ressources et élaborer un plan national pour la réalisation de ces activités, en se fondant, le cas échéant, sur les structures, expériences et méthodologies existantes;
c) prendre toutes les dispositions possibles pour s'assurer que toutes les zones sous sa juridiction ou son contrôle contaminées par des armes à sous-munitions soient marquées tout au long de leur périmètre, surveillées et protégées par une clôture ou d'autres moyens afin d'empêcher de manière effective les civils d'y pénétrer. Des signaux d'avertissement faisant appel à des méthodes de marquage facilement reconnaissables par la collectivité affectée devraient être utilisés pour marquer les zones dont on soupçonne qu'elles sont dangereuses. Les signaux et autres dispositifs de marquage des limites d'une zone dangereuse devraient, autant que faire se peut, être visibles, lisibles, durables et résistants aux effets de l'environnement et devraient clairement indiquer de quel côté des limites se trouve la zone contaminée par des armes à sous-munitions et de quel côté on considère qu'il n'y a pas de danger;
d) Enlever et détruire tous les restes d'armés à sous-munitions se trouvant dans les zones sous sa juridiction ou son contrôle; et
e) Dispenser une éducation à la réduction des risques pour sensibiliser les civils vivant à l'intérieur ou autour des zones contaminées par les armes à sous-munitions aux dangers que représentent ces restes.
3. Dans l'exercice des activités mentionnées dans le paragraphe 2 du présent article, chaque Etat partie tiendra compte des normes internationales, notamment des Normes internationales de la lutte antimines (IMAS, International Mine Action Standards)
4. Le présent paragraphe s'applique dans les cas où les armes à sous-munitions ont été utilisées ou abandonnées par un Etat partie avant l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie et sont devenues des restes d'armes à sous-munitions dans des zones situées sous la juridiction ou le contrôle d'un autre Etat partie au moment de l'entrée en vigueur de la présente Convention pour ce dernier.
a) Dans de tels cas, lors de l'entrée en vigueur de la présente Convention pour les deux Etats parties, le premier Etat partie est vivement encouragé à fournir, entre autres, une assistance technique, financière, matérielle ou en ressources humaines à l'autre Etat partie, soit sur une base bilatérale, soit par l'intermédiaire d'un tiers choisi d'un commun accord, y compris par le biais des organismes des Nations unies ou d'autres organisations pertinentes, afin de faciliter le marquage, l'enlèvement et la destruction de ces restes d'armes à sous-munitions.
b) Cette assistance comprendra, lorsqu'elles seront disponibles, des informations sur les types et les quantités d'armes à sous-munitions utilisées, les emplacements précis des impacts des armes à sous-munitions et les zones dans lesquelles la présence de restes d'armes à sous-munitions est établie.
5. Si un Etat partie ne croit pas pouvoir enlever et détruire tous les restes d'armes à sous-munitions visés au paragraphe 1er du présent article, ou veiller à leur enlèvement et à leur destruction, dans le délai de dix ans suivant l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, il peut présenter à l'Assemblée des Etats parties ou à une Conférence d'examen une demande de prolongation du délai fixé pour l'enlèvement et la destruction complète de ces restes d'armes à sous-munitions, pour une durée ne dépassant pas cinq ans. La demande de prolongation ne devra pas excéder le nombre d'années strictement nécessaire à l'éxecution par cet Etat de ses obligations aux termes du paragraphe 1er du présent article.
6. Toute demande de prolongation sera soumise à une Assemblée des Etats parties où à une Conférence d'examen avant l'expiration du délai mentionné au paragraphe 1 du présent article pour cet Etat partie. Une demande de prolongation doit être soumise au minimum neuf mois avant la réunion de l'Assemblée des Etats parties ou de la Conférence d'examen devant examiner cette demande. La demande doit comprendre :
a) La durée de la prolongation proposée;
b) Des explications détaillées des raisons justifiant la prolongation proposée, y compris les moyens financiers et techniques dont dispose l'Etat partie et qui sont requis par celui-ci pour procéder à l'enlèvement et à la destruction de tous les restes d'armes à sous-munitions pendant la prolongation proposée;
c) La préparation des travaux futurs et l'état d'avancement de ceux déjà effectués dans le cadre des programmes nationaux de dépollution et de déminage pendant la période initiale de dix ans visée dans le paragraphe 1er du présent article et dans les prolongations subséquentes;
d) La superficie totale de la zone contenant des restes d'armes à sous-munitions au moment de l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie et de toute autre zone contenant des restes d'armes à sous-munitions découverts après cette entrée en vigueur;
e) La superficie totale de la zone contenant des restes d'armes à sous-munitions dépolluée après l'entrée en vigueur de la présente Convention;
f) La superficie totale de la zone contenant des restes d'armes à sous-munitions restant à dépolluer pendant la prolongation proposée;
g) Les circonstances qui ont limité la capacité l'Etat partie de détruire tous les restes d'armes à sous-munitions situés dans des zones sous sa juridiction ou son contrôle pendant la période initiale de dix ans mentionnée dans le paragraphe 1er du présent article et celles qui pourraient empêcher l'Etat de le faire pendant la prolongation proposée;
h) Les conséquences humanitaires, sociales, économiques et environnementales de la prolongation proposée; et
i) Toute autre information pertinente relative à la prolongation proposée.
7. L'Assemblée des Etats parties, ou la Conférence d'examen, en tenant compte des facteurs énoncés au paragraphe 6 du présent article, y compris, notamment, la quantité de restes d'armes à sous-munitions indiquée, évalue la demande et décide à la majorité des Etats parties présents et votants d'accorder ou non la période de prolongation. Les Etats parties, si approprié, peuvent décider d'accorder une prolongation plus courte que celle demandée et peuvent proposer des critères pour la prolongation.
8. Une telle prolongation peut être renouvelée pour une durée de cinq ans au plus, sur présentation d'une nouvelle demande conformément aux paragraphes 5, 6 et 7 du présent article. L'Etat partie joindra à sa demande de prolongation additionnelle des renseignements supplémentaires pertinents sur ce qui a été entrepris pendant la période de prolongation antérieure accordée en vertu du présent article.
Art. 5. Slachtofferhulp
1. Elke Staat die Partij is verleent slachtoffers van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, in overeenstemming met het van toepassing zijnde internationale humanitaire recht en het internationale recht inzake de mensenrechten, op adequate wijze hulp die toegesneden is op de leeftijd en het geslacht van de slachtoffers, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en draagt zorg voor hun maatschappelijke en economische integratie. Elke Staat die Partij is, stelt alles in het werk om betrouwbare relevante gegevens te verzamelen met betrekking tot slachtoffers van clustermunitie.
2. Bij het nakomen van zijn verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel onderneemt elke Staat die Partij is het volgende :
a) vaststellen van de behoeften van slachtoffers van clustermunitie;
b) ontwikkelen, ten uitvoer brengen en handhaven van de nodige nationale wetten en beleidsmaatregelen;
c) uitwerken van een nationaal plan en budget, met inbegrip van tijdpaden om deze activiteiten uit te voeren, met het oog op de opname ervan in bestaande nationale kaders en mechanismen met betrekking tot handicaps, ontwikkeling en mensenrechten, waarbij de specifieke rol en bijdrage van de relevante actoren worden gerespecteerd;
d) nemen van stappen om nationale en internationale middelen vrij te maken;
e) voorkomen van discriminatie jegens of tussen slachtoffers van clustermunitie of onderscheid tussen slachtoffers van clustermunitie en personen die door andere oorzaken gewond of gehandicapt zijn geraakt; verschillen in behandeling dienen uitsluitend gebaseerd te zijn op medische, psychologische of sociaaleconomische behoeften of behoeften op het gebied van revalidatie;
f) nauw overleg voeren met slachtoffers van clustermunitie en hen en hun vertegenwoordigende organisaties actief betrekken;
g) aanwijzen van een aanspreekpunt binnen de overheid voor het coördineren van de zaken die verband houden met de uitvoering van dit artikel; en
h) streven naar het opnemen van relevante richtlijnen en goede praktijken in onder meer gebieden als medische zorg, revalidatie en psychologische ondersteuning alsmede maatschappelijke en economische integratie.
1. Elke Staat die Partij is verleent slachtoffers van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, in overeenstemming met het van toepassing zijnde internationale humanitaire recht en het internationale recht inzake de mensenrechten, op adequate wijze hulp die toegesneden is op de leeftijd en het geslacht van de slachtoffers, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en draagt zorg voor hun maatschappelijke en economische integratie. Elke Staat die Partij is, stelt alles in het werk om betrouwbare relevante gegevens te verzamelen met betrekking tot slachtoffers van clustermunitie.
2. Bij het nakomen van zijn verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel onderneemt elke Staat die Partij is het volgende :
a) vaststellen van de behoeften van slachtoffers van clustermunitie;
b) ontwikkelen, ten uitvoer brengen en handhaven van de nodige nationale wetten en beleidsmaatregelen;
c) uitwerken van een nationaal plan en budget, met inbegrip van tijdpaden om deze activiteiten uit te voeren, met het oog op de opname ervan in bestaande nationale kaders en mechanismen met betrekking tot handicaps, ontwikkeling en mensenrechten, waarbij de specifieke rol en bijdrage van de relevante actoren worden gerespecteerd;
d) nemen van stappen om nationale en internationale middelen vrij te maken;
e) voorkomen van discriminatie jegens of tussen slachtoffers van clustermunitie of onderscheid tussen slachtoffers van clustermunitie en personen die door andere oorzaken gewond of gehandicapt zijn geraakt; verschillen in behandeling dienen uitsluitend gebaseerd te zijn op medische, psychologische of sociaaleconomische behoeften of behoeften op het gebied van revalidatie;
f) nauw overleg voeren met slachtoffers van clustermunitie en hen en hun vertegenwoordigende organisaties actief betrekken;
g) aanwijzen van een aanspreekpunt binnen de overheid voor het coördineren van de zaken die verband houden met de uitvoering van dit artikel; en
h) streven naar het opnemen van relevante richtlijnen en goede praktijken in onder meer gebieden als medische zorg, revalidatie en psychologische ondersteuning alsmede maatschappelijke en economische integratie.
Art. 5. Assistance aux victimes
1. Chaque Etat partie fournira de manière suffisante aux victimes d'armes à sous-munitions dans les zones sous sa juridiction ou son contrôle, et conformément au droit international humanitaire et au droit international des droits de l'homme applicables, une assistance prenant en considération l'âge et les sexospécificités, y compris des soins médicaux, une réadaptation et un soutien psychologique, ainsi qu'une insertion sociale et économique. Chaque Etat partie mettra tout en oeuvre pour recueillir des données fiables pertinentes concernant les victimes d'armes à sous-munitions.
2. En remplissant ses obligations au titre du paragraphe 1er du présent article, chaque Etat partie devra :
a) Evaluer les besoins des victimes des armes à sous-munitions;
b) Elaborer, mettre en oeuvre et faire appliquer toutes les réglementations et politiques nationales nécessaires;
c) Elaborer un plan et un budget nationaux, comprenant le temps estimé nécessaire à la réalisation de ces activités, en vue de les intégrer aux cadres et aux mécanismes relatifs au handicap, au développement et aux droits de l'homme, tout en respectant le rôle spécifique et la contribution des acteurs pertinents;
d) Entreprendre des actions pour mobiliser les ressources nationales et internationales;
e) Ne pas faire de discrimination à l'encontre des victimes d'armes à sous-munitions ou parmi celles-ci, ou entre les victimes d'armes à sous-munitions et les personnes ayant souffert de blessures ou de handicap résultant d'autres causes; les différences de traitement devront être fondées uniquement sur des besoins médicaux, de réadaptation, psychologiques ou sociaux-économiques;
f) Consulter étroitement et faire participer activement les victimes et les organisations qui les représentent;
g) Désigner un point de contact au sein du gouvernement pour la coordination des questions relatives à la mise en oeuvre du présent article; et
h) S'efforcer d'intégrer les lignes directrices et bonnes pratiques pertinentes, y compris dans les domaines des soins médicaux et de la réadaptation, du soutien psychologique, ainsi que de l'insertion sociale et économique.
1. Chaque Etat partie fournira de manière suffisante aux victimes d'armes à sous-munitions dans les zones sous sa juridiction ou son contrôle, et conformément au droit international humanitaire et au droit international des droits de l'homme applicables, une assistance prenant en considération l'âge et les sexospécificités, y compris des soins médicaux, une réadaptation et un soutien psychologique, ainsi qu'une insertion sociale et économique. Chaque Etat partie mettra tout en oeuvre pour recueillir des données fiables pertinentes concernant les victimes d'armes à sous-munitions.
2. En remplissant ses obligations au titre du paragraphe 1er du présent article, chaque Etat partie devra :
a) Evaluer les besoins des victimes des armes à sous-munitions;
b) Elaborer, mettre en oeuvre et faire appliquer toutes les réglementations et politiques nationales nécessaires;
c) Elaborer un plan et un budget nationaux, comprenant le temps estimé nécessaire à la réalisation de ces activités, en vue de les intégrer aux cadres et aux mécanismes relatifs au handicap, au développement et aux droits de l'homme, tout en respectant le rôle spécifique et la contribution des acteurs pertinents;
d) Entreprendre des actions pour mobiliser les ressources nationales et internationales;
e) Ne pas faire de discrimination à l'encontre des victimes d'armes à sous-munitions ou parmi celles-ci, ou entre les victimes d'armes à sous-munitions et les personnes ayant souffert de blessures ou de handicap résultant d'autres causes; les différences de traitement devront être fondées uniquement sur des besoins médicaux, de réadaptation, psychologiques ou sociaux-économiques;
f) Consulter étroitement et faire participer activement les victimes et les organisations qui les représentent;
g) Désigner un point de contact au sein du gouvernement pour la coordination des questions relatives à la mise en oeuvre du présent article; et
h) S'efforcer d'intégrer les lignes directrices et bonnes pratiques pertinentes, y compris dans les domaines des soins médicaux et de la réadaptation, du soutien psychologique, ainsi que de l'insertion sociale et économique.
Art. 6. Internationale samenwerking en bijstand
1. Bij de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag heeft elke Staat die Partij is het recht bijstand te vragen en te ontvangen.
2. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent technische, materiële en financiële bijstand aan de Staten die Partij zijn die zijn getroffen door clustermunitie, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, niet-gouvernementele organisaties of instellingen, of op bilaterale basis.
3. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe een zo ruim mogelijke uitwisseling van uitrusting en wetenschappelijke en technologische informatie inzake de toepassing van dit Verdrag te bevorderen en heeft het recht te participeren in een dergelijke uitwisseling. De Staten die Partij zijn leggen geen onredelijke beperkingen op inzake het leveren en ontvangen van uitrusting voor het ruimen en andere soortgelijke uitrusting en daarmee verband houdende technologische informatie voor humanitaire doeleinden.
4. In aanvulling op de mogelijke verplichtingen uit hoofde van het vierde lid van artikel 4 van dit Verdrag, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is bijstand bij het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en informatie inzake diverse middelen en technieken voor het ruimen van clustermunitie, alsmede lijsten van deskundigen, gespecialiseerde organisaties of nationale contactpunten inzake het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en daarmee verband houdende activiteiten.
5. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van de vernietiging van voorraden clustermunitie en verleent tevens bijstand bij het identificeren en vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften en praktische maatregelen op het gebied van markering, voorlichting op het gebied van risicobeperking, burgerbescherming en ruiming en vernietiging als voorzien in artikel 4 van dit Verdrag.
6. Wanneer, na de inwerkingtreding van dit Verdrag, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een Staat die Partij is, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is onmiddellijk noodhulp aan de getroffen Staat die Partij is.
7. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 5 van dit Verdrag bedoelde verplichtingen inzake het op adequate wijze verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en het zorg dragen voor de maatschappelijke en economische integratie van slachtoffers van clustermunitie. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, nationale afdelingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan of de internationale federatie van deze organisaties, niet-gouvernementele organisaties, of op bilaterale basis.
8. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand teneinde bij te dragen aan het economisch en maatschappelijk herstel dat nodig is als gevolg van het gebruik van clustermunitie in de getroffen Staten die Partij zijn.
9. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, kan bijdragen aan relevante trustfondsen teneinde het verlenen van bijstand uit hoofde van dit artikel te vergemakkelijken.
10. Elke Staat die Partij is en bijstand vraagt en ontvangt, neemt alle passende maatregelen om de tijdige en doeltreffende uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, met inbegrip van het vergemakkelijken van de binnenkomst en het vertrek van personeel, materieel en uitrusting, op een wijze die in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving, rekening houdend met internationale best practices.
11. Elke Staat die Partij is kan, met het oog op het uitwerken van een nationaal actieplan, een verzoek richten tot de organen van de Verenigde Naties, regionale organisaties, andere Staten die Partij zijn of andere deskundige intergouvernementele of niet-gouvernementele instellingen om zijn autoriteiten bij te staan bij het vaststellen van onder andere :
a) de aard en de omvang van de resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen;
b) de financiële en technologische middelen en mankracht die nodig zijn voor de uitvoering van het plan;
c) de geschatte tijd die nodig is om alle resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen;
d) voorlichtingsprogramma's op het gebied van risicobeperking en bewustwordingsactiviteiten om het aantal door resten van clustermunitie veroorzaakte gewonden en doden terug te dringen;
e) hulp aan slachtoffers van clustermunitie; en
f) de betrekkingen op het gebied van coördinatie tussen de regering van de desbetreffende Staat die Partij is en de betrokken gouvernementele, intergouvernementele of niet-gouvernementele instanties die meewerken aan de uitvoering van het plan.
12. Staten die Partij zijn en bijstand verlenen en ontvangen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel werken samen teneinde zorg te dragen voor de volledige en onverwijlde uitvoering van de overeengekomen bijstandprogramma's.
1. Bij de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag heeft elke Staat die Partij is het recht bijstand te vragen en te ontvangen.
2. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent technische, materiële en financiële bijstand aan de Staten die Partij zijn die zijn getroffen door clustermunitie, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, niet-gouvernementele organisaties of instellingen, of op bilaterale basis.
3. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe een zo ruim mogelijke uitwisseling van uitrusting en wetenschappelijke en technologische informatie inzake de toepassing van dit Verdrag te bevorderen en heeft het recht te participeren in een dergelijke uitwisseling. De Staten die Partij zijn leggen geen onredelijke beperkingen op inzake het leveren en ontvangen van uitrusting voor het ruimen en andere soortgelijke uitrusting en daarmee verband houdende technologische informatie voor humanitaire doeleinden.
4. In aanvulling op de mogelijke verplichtingen uit hoofde van het vierde lid van artikel 4 van dit Verdrag, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is bijstand bij het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en informatie inzake diverse middelen en technieken voor het ruimen van clustermunitie, alsmede lijsten van deskundigen, gespecialiseerde organisaties of nationale contactpunten inzake het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en daarmee verband houdende activiteiten.
5. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van de vernietiging van voorraden clustermunitie en verleent tevens bijstand bij het identificeren en vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften en praktische maatregelen op het gebied van markering, voorlichting op het gebied van risicobeperking, burgerbescherming en ruiming en vernietiging als voorzien in artikel 4 van dit Verdrag.
6. Wanneer, na de inwerkingtreding van dit Verdrag, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een Staat die Partij is, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is onmiddellijk noodhulp aan de getroffen Staat die Partij is.
7. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 5 van dit Verdrag bedoelde verplichtingen inzake het op adequate wijze verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en het zorg dragen voor de maatschappelijke en economische integratie van slachtoffers van clustermunitie. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, nationale afdelingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan of de internationale federatie van deze organisaties, niet-gouvernementele organisaties, of op bilaterale basis.
8. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand teneinde bij te dragen aan het economisch en maatschappelijk herstel dat nodig is als gevolg van het gebruik van clustermunitie in de getroffen Staten die Partij zijn.
9. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, kan bijdragen aan relevante trustfondsen teneinde het verlenen van bijstand uit hoofde van dit artikel te vergemakkelijken.
10. Elke Staat die Partij is en bijstand vraagt en ontvangt, neemt alle passende maatregelen om de tijdige en doeltreffende uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, met inbegrip van het vergemakkelijken van de binnenkomst en het vertrek van personeel, materieel en uitrusting, op een wijze die in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving, rekening houdend met internationale best practices.
11. Elke Staat die Partij is kan, met het oog op het uitwerken van een nationaal actieplan, een verzoek richten tot de organen van de Verenigde Naties, regionale organisaties, andere Staten die Partij zijn of andere deskundige intergouvernementele of niet-gouvernementele instellingen om zijn autoriteiten bij te staan bij het vaststellen van onder andere :
a) de aard en de omvang van de resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen;
b) de financiële en technologische middelen en mankracht die nodig zijn voor de uitvoering van het plan;
c) de geschatte tijd die nodig is om alle resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen;
d) voorlichtingsprogramma's op het gebied van risicobeperking en bewustwordingsactiviteiten om het aantal door resten van clustermunitie veroorzaakte gewonden en doden terug te dringen;
e) hulp aan slachtoffers van clustermunitie; en
f) de betrekkingen op het gebied van coördinatie tussen de regering van de desbetreffende Staat die Partij is en de betrokken gouvernementele, intergouvernementele of niet-gouvernementele instanties die meewerken aan de uitvoering van het plan.
12. Staten die Partij zijn en bijstand verlenen en ontvangen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel werken samen teneinde zorg te dragen voor de volledige en onverwijlde uitvoering van de overeengekomen bijstandprogramma's.
Art. 6. Coopération et assistance internationales
1. En remplissant ses obligations au titre de la présente Convention, chaque Etat partie a le droit de chercher à obtenir et de recevoir une assistance.
2. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance technique, matérielle et financière aux Etats parties affectés par les armes à sous-munitions, dans le but de mettre en oeuvre les obligations de la présente Convention. Cette assistance peut être fournie, entre autres, par le biais des organismes des Nations unies, d'organisations ou institutions internationales, régionales ou nationales, d'organisations ou institutions non gouvernementales ou sur une base bilatérale.
3. Chaque Etat partie s'engage à faciliter un échange aussi large que possible d'équipements, et de renseignements scientifiques et technologiques concernant l'application de la présente Convention et a le droit de participer à un tel échange. Les Etats parties n'imposeront de restrictions indues ni à la fourniture, ni à la réception, à des fins humanitaires, d'équipements de dépollution ou autre, ainsi que des renseignements technologiques relatifs à ces équipements.
4. En plus de toute obligation qu'il peut avoir en vertu du paragraphe 4 de l'article 4 de la présente Convention, chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance à la dépollution et de destruction des restes d'armes à sous-munitions ainsi que des renseignements concernant différents moyens et technologies de dépollution des armes à sous-munitions, et des listes d'experts, d'organismes spécialisés ou de points de contact nationaux dans le domaine de la dépollution et de la destruction des restes d'armes à sous-munitions et des activités connexes.
5. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance pour la destruction des stocks d'armes à sous-munitions et apportera également une assistance pour identifier, évaluer et hiérarchiser les besoins et les mesures pratiques liés au marquage, à l'éducation à la réduction des risques, à la protection des civils, à la dépollution et à la destruction prévus à l'article 4 de la présente Convention.
6. Lorsque, après l'entrée en vigueur de la présente Convention, des armes à sous-munitions sont devenues des restes d'armes à sous-munitions situés dans des zones sous la juridiction ou le contrôle d'un Etat partie, chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira immédiatement une assistance d'urgence à l'Etat partie affecté.
7. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance visant à la mise en oeuvre des obligations, mentionnées à l'article 5 de la présente Convention, de fournir, de manière suffisante, à toutes les victimes d'armes à sous-munitions une assistance prenant en considération l'âge et les sexospécificités, y compris des soins médicaux, une réadaptation, un soutien psychologique, ainsi qu'une insertion sociale et économique. Cette assistance peut être fournie, entre autres, par le biais des organismes des Nations unies, d'organisations ou institutions internationales, régionales ou nationales, du Comité international de la Croix-Rouge, des Sociétés nationales de la Croix-Rouge et du Croissant-Rouge et de leur Fédération internationale, d'organisations non gouvernementales ou sur une base bilatérale.
8. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance pour contribuer au redressement économique et social nécessaire suite à l'emploi d'armes à sous-munitions dans les Etats parties affectés.
9. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire peut alimenter des fonds d'affectation spéciale pertinents, en vue de faciliter la fourniture d'une assistance au titre du présent article.
10. Chaque Etat partie qui cherche à obtenir ou reçoit une assistance prendra les dispositions appropriées pour faciliter la mise en oeuvre opportune et efficace de la présente Convention, y compris la facilitation de l'entrée et de la sortie du personnel, du matériel et de l'équipement, d'une manière cohérente avec les lois et règlements nationaux, en prenant en compte les meilleures pratiques internationales.
11. Chaque Etat partie peut, aux fins d'élaborer un plan d'action national, demander aux organismes des Nations unies, aux organisations régionales, à d'autres Etats parties ou à d'autres institutions intergouvernementales ou non gouvernementales compétentes d'aider ses autorités à déterminer, entre autres :
a) La nature et l'ampleur des restes d'armes à sous-munitions se trouvant dans des zones sous sa juridiction ou son contrôle;
b) Les ressources financières, technologiques et humaines nécessaires à la mise en oeuvre du plan;
c) Le temps estimé nécessaire à la dépollution et à la destruction de tous les restes d'armes à sous-munitions se trouvant dans les zones sous sa juridiction ou son contrôle;
d) Les programmes d'éducation à la réduction des risques et les activités de sensibilisation pour réduire le nombre de blessures ou pertes en vies humaines provoquées par les restes d'armes à sous-munitions;
e) L'assistance aux victimes d'armes à sous-munitions; et
f) La relation de coordination entre le gouvernement de l'Etat partie concerné et les entités gouvernementales, intergouvernementales ou non-gouvernementales pertinentes qui participeront à la mise en oeuvre du plan.
12. Les Etats parties qui procurent ou reçoivent une assistance selon les termes du présent article coopéreront en vue d'assurer la mise en oeuvre rapide et intégrale des programmes d'assistance convenus.
1. En remplissant ses obligations au titre de la présente Convention, chaque Etat partie a le droit de chercher à obtenir et de recevoir une assistance.
2. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance technique, matérielle et financière aux Etats parties affectés par les armes à sous-munitions, dans le but de mettre en oeuvre les obligations de la présente Convention. Cette assistance peut être fournie, entre autres, par le biais des organismes des Nations unies, d'organisations ou institutions internationales, régionales ou nationales, d'organisations ou institutions non gouvernementales ou sur une base bilatérale.
3. Chaque Etat partie s'engage à faciliter un échange aussi large que possible d'équipements, et de renseignements scientifiques et technologiques concernant l'application de la présente Convention et a le droit de participer à un tel échange. Les Etats parties n'imposeront de restrictions indues ni à la fourniture, ni à la réception, à des fins humanitaires, d'équipements de dépollution ou autre, ainsi que des renseignements technologiques relatifs à ces équipements.
4. En plus de toute obligation qu'il peut avoir en vertu du paragraphe 4 de l'article 4 de la présente Convention, chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance à la dépollution et de destruction des restes d'armes à sous-munitions ainsi que des renseignements concernant différents moyens et technologies de dépollution des armes à sous-munitions, et des listes d'experts, d'organismes spécialisés ou de points de contact nationaux dans le domaine de la dépollution et de la destruction des restes d'armes à sous-munitions et des activités connexes.
5. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance pour la destruction des stocks d'armes à sous-munitions et apportera également une assistance pour identifier, évaluer et hiérarchiser les besoins et les mesures pratiques liés au marquage, à l'éducation à la réduction des risques, à la protection des civils, à la dépollution et à la destruction prévus à l'article 4 de la présente Convention.
6. Lorsque, après l'entrée en vigueur de la présente Convention, des armes à sous-munitions sont devenues des restes d'armes à sous-munitions situés dans des zones sous la juridiction ou le contrôle d'un Etat partie, chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira immédiatement une assistance d'urgence à l'Etat partie affecté.
7. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance visant à la mise en oeuvre des obligations, mentionnées à l'article 5 de la présente Convention, de fournir, de manière suffisante, à toutes les victimes d'armes à sous-munitions une assistance prenant en considération l'âge et les sexospécificités, y compris des soins médicaux, une réadaptation, un soutien psychologique, ainsi qu'une insertion sociale et économique. Cette assistance peut être fournie, entre autres, par le biais des organismes des Nations unies, d'organisations ou institutions internationales, régionales ou nationales, du Comité international de la Croix-Rouge, des Sociétés nationales de la Croix-Rouge et du Croissant-Rouge et de leur Fédération internationale, d'organisations non gouvernementales ou sur une base bilatérale.
8. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire fournira une assistance pour contribuer au redressement économique et social nécessaire suite à l'emploi d'armes à sous-munitions dans les Etats parties affectés.
9. Chaque Etat partie qui est en mesure de le faire peut alimenter des fonds d'affectation spéciale pertinents, en vue de faciliter la fourniture d'une assistance au titre du présent article.
10. Chaque Etat partie qui cherche à obtenir ou reçoit une assistance prendra les dispositions appropriées pour faciliter la mise en oeuvre opportune et efficace de la présente Convention, y compris la facilitation de l'entrée et de la sortie du personnel, du matériel et de l'équipement, d'une manière cohérente avec les lois et règlements nationaux, en prenant en compte les meilleures pratiques internationales.
11. Chaque Etat partie peut, aux fins d'élaborer un plan d'action national, demander aux organismes des Nations unies, aux organisations régionales, à d'autres Etats parties ou à d'autres institutions intergouvernementales ou non gouvernementales compétentes d'aider ses autorités à déterminer, entre autres :
a) La nature et l'ampleur des restes d'armes à sous-munitions se trouvant dans des zones sous sa juridiction ou son contrôle;
b) Les ressources financières, technologiques et humaines nécessaires à la mise en oeuvre du plan;
c) Le temps estimé nécessaire à la dépollution et à la destruction de tous les restes d'armes à sous-munitions se trouvant dans les zones sous sa juridiction ou son contrôle;
d) Les programmes d'éducation à la réduction des risques et les activités de sensibilisation pour réduire le nombre de blessures ou pertes en vies humaines provoquées par les restes d'armes à sous-munitions;
e) L'assistance aux victimes d'armes à sous-munitions; et
f) La relation de coordination entre le gouvernement de l'Etat partie concerné et les entités gouvernementales, intergouvernementales ou non-gouvernementales pertinentes qui participeront à la mise en oeuvre du plan.
12. Les Etats parties qui procurent ou reçoivent une assistance selon les termes du présent article coopéreront en vue d'assurer la mise en oeuvre rapide et intégrale des programmes d'assistance convenus.
Art. 7. Maatregelen ten behoeve van transparantie
1. Elke Staat die Partij is brengt verslag uit aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zodra dit praktisch uitvoerbaar is en in elk geval niet later dan 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, inzake :
a) de in artikel 9 van dit Verdrag bedoelde nationale uitvoeringsmaatregelen;
b) het totale aantal van alle clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van dit Verdrag, met inbegrip van een uitsplitsing naar type, hoeveelheid en, indien mogelijk, partijnummers van elk type;
c) de technische kenmerken van elk type clustermunitie dat, voor zover bekend, geproduceerd is door die Staat die Partij is voordat dit Verdrag voor hem in werking trad en van elk type clustermunitie dat momenteel eigendom of in bezit is van die Staat die Partij is, waarbij, indien redelijkerwijs mogelijk, de nodige informatie wordt verstrekt ter vergemakkelijking van de identificatie en ruiming van clustermunitie; deze informatie dient minimaal te bestaan uit de afmetingen, ontstekingsmechanismen, explosieve inhoud, inhoud aan metalen, kleurenfoto's en andere gegevens die het ruimen van resten van clustermunitie kunnen vergemakkelijken;
d) de stand en voortgang van de programma's voor de conversie of buitengebruikstelling van productiefaciliteiten voor clustermunitie;
e) de stand en voortgang van programma's voor de vernietiging, in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag, van clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, met nauwkeurige informatie over de te gebruiken vernietigingsmethoden, de ligging van alle vernietigingslocaties en de toepasselijke veiligheids- en milieunormen die in acht dienen te worden genomen;
f) de typen en hoeveelheden clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, die in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag zijn vernietigd, met inbegrip van nauwkeurige informatie over de gebruikte vernietigingsmethoden, de ligging van de vernietigingslocaties en de toepasselijke veiligheids- en milieunormen die in acht zijn genomen;
g) de voorraden clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, ontdekt na melding van de voltooiing van het in onderdeel e van dit lid bedoelde programma, alsmede plannen voor de vernietiging daarvan in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag;
h) voor zover mogelijk, de omvang en locatie van alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, met inbegrip van zo nauwkeurig mogelijke informatie betreffende het type en aantal van elk type restant van clustermunitie in elk getroffen gebied en het tijdstip waarop zij zijn gebruikt;
i) de stand en voortgang van programma's voor het ruimen en vernietigen van alle typen en hoeveelheden resten van clustermunitie die zijn geruimd en vernietigd in overeenstemming met artikel 4 van dit Verdrag, met inbegrip van de omvang en locatie van het door clustermunitie getroffen gebied dat is geruimd en een uitsplitsing naar de hoeveelheid van elk type restant van clustermunitie dat is geruimd en vernietigd;
j) de maatregelen die genomen zijn om voorlichting over risicobeperking te geven en in het bijzonder om de burgers die wonen in door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen onverwijld en op doeltreffende wijze te waarschuwen;
k) de stand en voortgang van de uitvoering van zijn verplichtingen ingevolge artikel 5 van dit Verdrag inzake het verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp aan slachtoffers van clustermunitie, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, het zorg dragen voor hun maatschappelijke en economische integratie en het verzamelen van betrouwbare relevante gegevens over slachtoffers van clustermunitie;
l) de naam en contactgegevens van de instellingen die bevoegd zijn informatie te verstrekken en de in dit lid beschreven maatregelen uit te voeren;
m) de omvang van de nationale middelen, financieel, materieel of in natura, die zijn bestemd voor de uitvoering van de artikelen 3, 4 en 5 van dit Verdrag; en
n) de omvang, soorten en bestemmingen van de internationale samenwerking en bijstand die uit hoofde van artikel 6 van dit Verdrag worden geleverd.
2. De overeenkomstig het eerste lid van dit artikel verstrekte informatie wordt jaarlijks bijgewerkt door de Staten die Partij zijn en heeft betrekking op het voorgaande kalenderjaar; de informatie wordt uiterlijk op 30 april van elk jaar ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
3. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet alle ontvangen rapporten toekomen aan de Staten die Partij zijn.
1. Elke Staat die Partij is brengt verslag uit aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zodra dit praktisch uitvoerbaar is en in elk geval niet later dan 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, inzake :
a) de in artikel 9 van dit Verdrag bedoelde nationale uitvoeringsmaatregelen;
b) het totale aantal van alle clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van dit Verdrag, met inbegrip van een uitsplitsing naar type, hoeveelheid en, indien mogelijk, partijnummers van elk type;
c) de technische kenmerken van elk type clustermunitie dat, voor zover bekend, geproduceerd is door die Staat die Partij is voordat dit Verdrag voor hem in werking trad en van elk type clustermunitie dat momenteel eigendom of in bezit is van die Staat die Partij is, waarbij, indien redelijkerwijs mogelijk, de nodige informatie wordt verstrekt ter vergemakkelijking van de identificatie en ruiming van clustermunitie; deze informatie dient minimaal te bestaan uit de afmetingen, ontstekingsmechanismen, explosieve inhoud, inhoud aan metalen, kleurenfoto's en andere gegevens die het ruimen van resten van clustermunitie kunnen vergemakkelijken;
d) de stand en voortgang van de programma's voor de conversie of buitengebruikstelling van productiefaciliteiten voor clustermunitie;
e) de stand en voortgang van programma's voor de vernietiging, in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag, van clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, met nauwkeurige informatie over de te gebruiken vernietigingsmethoden, de ligging van alle vernietigingslocaties en de toepasselijke veiligheids- en milieunormen die in acht dienen te worden genomen;
f) de typen en hoeveelheden clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, die in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag zijn vernietigd, met inbegrip van nauwkeurige informatie over de gebruikte vernietigingsmethoden, de ligging van de vernietigingslocaties en de toepasselijke veiligheids- en milieunormen die in acht zijn genomen;
g) de voorraden clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, ontdekt na melding van de voltooiing van het in onderdeel e van dit lid bedoelde programma, alsmede plannen voor de vernietiging daarvan in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag;
h) voor zover mogelijk, de omvang en locatie van alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, met inbegrip van zo nauwkeurig mogelijke informatie betreffende het type en aantal van elk type restant van clustermunitie in elk getroffen gebied en het tijdstip waarop zij zijn gebruikt;
i) de stand en voortgang van programma's voor het ruimen en vernietigen van alle typen en hoeveelheden resten van clustermunitie die zijn geruimd en vernietigd in overeenstemming met artikel 4 van dit Verdrag, met inbegrip van de omvang en locatie van het door clustermunitie getroffen gebied dat is geruimd en een uitsplitsing naar de hoeveelheid van elk type restant van clustermunitie dat is geruimd en vernietigd;
j) de maatregelen die genomen zijn om voorlichting over risicobeperking te geven en in het bijzonder om de burgers die wonen in door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen onverwijld en op doeltreffende wijze te waarschuwen;
k) de stand en voortgang van de uitvoering van zijn verplichtingen ingevolge artikel 5 van dit Verdrag inzake het verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp aan slachtoffers van clustermunitie, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, het zorg dragen voor hun maatschappelijke en economische integratie en het verzamelen van betrouwbare relevante gegevens over slachtoffers van clustermunitie;
l) de naam en contactgegevens van de instellingen die bevoegd zijn informatie te verstrekken en de in dit lid beschreven maatregelen uit te voeren;
m) de omvang van de nationale middelen, financieel, materieel of in natura, die zijn bestemd voor de uitvoering van de artikelen 3, 4 en 5 van dit Verdrag; en
n) de omvang, soorten en bestemmingen van de internationale samenwerking en bijstand die uit hoofde van artikel 6 van dit Verdrag worden geleverd.
2. De overeenkomstig het eerste lid van dit artikel verstrekte informatie wordt jaarlijks bijgewerkt door de Staten die Partij zijn en heeft betrekking op het voorgaande kalenderjaar; de informatie wordt uiterlijk op 30 april van elk jaar ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
3. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet alle ontvangen rapporten toekomen aan de Staten die Partij zijn.
Art. 7. Mesures de transparence
1. Chaque Etat partie présente au Secrétaire général des Nations unies, aussitôt que possible et, en tout état de cause, au plus tard 180 jours après l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, un rapport sur :
a) Les mesures d'application nationales mentionnées à l'article 9 de la présente Convention;
b) Le total de l'ensemble des armes à sous-munitions, y compris les sous-munitions explosives, mentionnées au paragraphe 1er de l'article 3 de la présente Convention, comprenant une ventilation par type, quantité et, si cela est possible, par numéro de lot pour chaque type;
c) Les caractéristiques techniques de chaque type d'armes à sous-munitiems produites par cet Etat partie préalablement à l'entrée en vigueur de la Convention pour cet Etat, dans la mesure où elles sont connues, ainsi que de celles dont l'Etat partie est actuellement propriétaire ou détenteur, en indiquant, dans la mesure du possible, le genre de renseignements pouvant faciliter l'identification et l'enlèvement des armes à sous-munitions; ces renseignements comprendront au minimum : les dimensions, le type d'allumeur, le contenu en explosif et en métal, des photographies en couleur et tout autre renseignement pouvant faciliter l'enlèvement des restes d'armes à sous-munitions;
d) L'état et les progrès des programmes de reconversion ou de mise hors service des installations de production d'armes à sous-munitions;
e) L'état et les progrès des programmes de destruction, conformément à l'article 3 de la présente Convention, des armes à sous-munitions, y compris les sous-munitions explosives, avec des précisions sur les méthodes qui seront utilisées pour la destruction, la localisation de tous les sites de destruction et les normes à respecter en matière de sécurité et de protection de l'environnement;
f) Les types et quantités d'armes à sous-munitions, y compris les sous-munitions explosives, détruites conformément à l'article 3 de la présente Convention, avec des précisions sur les méthodes de destruction qui ont été utilisées, la localisation des sites de destruction et les normes respectées en matière de sécurité et de protection de l'environnement;
g) Les stocks d'armes à sous-munitions, y compris les sous-munitions explosives, découverts après l'achèvement annoncé du programme mentionné à l'alinéa e) du présent paragraphe, et les projets pour leur destruction conformément à l'article 3 de la présente Convention;
h) Dans la mesure du possible, la superficie et la localisation de toutes les zones contaminées par les armes à sous-munitions sous sa juridiction ou son contrôle, avec autant de précisions que possible sur le type et la quantité de chaque type de restes d'armes à sous-munitions dans chacune des zones affectées et la date de leur emploi;
i) L'état et les progrès des programmes de dépollution et de destruction de tous les types et quantités de restes d'armes à sous-munitions enlevés et détruits conformément à l'article 4 de la présente Convention, devant inclure la superficie et la localisation de la zone contaminée par armes à sous-munitions et dépolluée, avec une ventilation de la quantité de chaque type de restes d'armes à sous-munitions enlevés et détruits;
j) Les mesures prises pour dispenser une éducation à la réduction des risques et, en particulier, pour alerter dans les plus brefs délais et de manière effective les personnes civiles vivant dans les zones contaminées par des armes à sous-munitions et se trouvant sous sa juridiction ou son contrôle où se trouvent des restes d'armes à sous-munitions;
k) L'état et les progrès de la mise en oeuvre de ces obligations conformément à l'article 5 de la présente Convention pour assurer de manière suffisante aux victimes d'armes à sous-munitions une assistance prenant en considération l'âge et les sexospécificités, des soins médicaux, une réadaptation, un soutien psychologique et une insertion sociale et économique, ainsi que pour recueillir des données pertinentes et fiables sur les victimes d'armes à sous-munitions;
l) Le nom et les coordonnées des institutions mandatées pour fournir les renseignements et prendre les mesures décrites dans le présent paragraphe;
m) La quantité de ressources nationales, y compris les ressources financières, matérielles ou en nature, affectées à la mise en oeuvre des articles 3, 4 et 5 de la présente Convention; et
n) Les quantités, les types et les destinations de la coopération et de l'assistance internationales fournies au titre de l'article 6 de la présente Convention.
2. Les Etats parties mettront à jour annuellement, en couvrant la dernière année civile, les renseignements fournis conformément au paragraphe 1er du présent article et les communiqueront au Secrétaire général des Nations unies au plus tard le 30 avril de chaque année.
3. Le Secrétaire général des Nations unies transmettra tous les rapports reçus aux Etats parties.
1. Chaque Etat partie présente au Secrétaire général des Nations unies, aussitôt que possible et, en tout état de cause, au plus tard 180 jours après l'entrée en vigueur de la présente Convention pour cet Etat partie, un rapport sur :
a) Les mesures d'application nationales mentionnées à l'article 9 de la présente Convention;
b) Le total de l'ensemble des armes à sous-munitions, y compris les sous-munitions explosives, mentionnées au paragraphe 1er de l'article 3 de la présente Convention, comprenant une ventilation par type, quantité et, si cela est possible, par numéro de lot pour chaque type;
c) Les caractéristiques techniques de chaque type d'armes à sous-munitiems produites par cet Etat partie préalablement à l'entrée en vigueur de la Convention pour cet Etat, dans la mesure où elles sont connues, ainsi que de celles dont l'Etat partie est actuellement propriétaire ou détenteur, en indiquant, dans la mesure du possible, le genre de renseignements pouvant faciliter l'identification et l'enlèvement des armes à sous-munitions; ces renseignements comprendront au minimum : les dimensions, le type d'allumeur, le contenu en explosif et en métal, des photographies en couleur et tout autre renseignement pouvant faciliter l'enlèvement des restes d'armes à sous-munitions;
d) L'état et les progrès des programmes de reconversion ou de mise hors service des installations de production d'armes à sous-munitions;
e) L'état et les progrès des programmes de destruction, conformément à l'article 3 de la présente Convention, des armes à sous-munitions, y compris les sous-munitions explosives, avec des précisions sur les méthodes qui seront utilisées pour la destruction, la localisation de tous les sites de destruction et les normes à respecter en matière de sécurité et de protection de l'environnement;
f) Les types et quantités d'armes à sous-munitions, y compris les sous-munitions explosives, détruites conformément à l'article 3 de la présente Convention, avec des précisions sur les méthodes de destruction qui ont été utilisées, la localisation des sites de destruction et les normes respectées en matière de sécurité et de protection de l'environnement;
g) Les stocks d'armes à sous-munitions, y compris les sous-munitions explosives, découverts après l'achèvement annoncé du programme mentionné à l'alinéa e) du présent paragraphe, et les projets pour leur destruction conformément à l'article 3 de la présente Convention;
h) Dans la mesure du possible, la superficie et la localisation de toutes les zones contaminées par les armes à sous-munitions sous sa juridiction ou son contrôle, avec autant de précisions que possible sur le type et la quantité de chaque type de restes d'armes à sous-munitions dans chacune des zones affectées et la date de leur emploi;
i) L'état et les progrès des programmes de dépollution et de destruction de tous les types et quantités de restes d'armes à sous-munitions enlevés et détruits conformément à l'article 4 de la présente Convention, devant inclure la superficie et la localisation de la zone contaminée par armes à sous-munitions et dépolluée, avec une ventilation de la quantité de chaque type de restes d'armes à sous-munitions enlevés et détruits;
j) Les mesures prises pour dispenser une éducation à la réduction des risques et, en particulier, pour alerter dans les plus brefs délais et de manière effective les personnes civiles vivant dans les zones contaminées par des armes à sous-munitions et se trouvant sous sa juridiction ou son contrôle où se trouvent des restes d'armes à sous-munitions;
k) L'état et les progrès de la mise en oeuvre de ces obligations conformément à l'article 5 de la présente Convention pour assurer de manière suffisante aux victimes d'armes à sous-munitions une assistance prenant en considération l'âge et les sexospécificités, des soins médicaux, une réadaptation, un soutien psychologique et une insertion sociale et économique, ainsi que pour recueillir des données pertinentes et fiables sur les victimes d'armes à sous-munitions;
l) Le nom et les coordonnées des institutions mandatées pour fournir les renseignements et prendre les mesures décrites dans le présent paragraphe;
m) La quantité de ressources nationales, y compris les ressources financières, matérielles ou en nature, affectées à la mise en oeuvre des articles 3, 4 et 5 de la présente Convention; et
n) Les quantités, les types et les destinations de la coopération et de l'assistance internationales fournies au titre de l'article 6 de la présente Convention.
2. Les Etats parties mettront à jour annuellement, en couvrant la dernière année civile, les renseignements fournis conformément au paragraphe 1er du présent article et les communiqueront au Secrétaire général des Nations unies au plus tard le 30 avril de chaque année.
3. Le Secrétaire général des Nations unies transmettra tous les rapports reçus aux Etats parties.
Art. 8. Vergemakkelijking en opheldering met betrekking tot de naleving
1. De Staten die Partij zijn komen overeen met elkaar overleg te plegen en samen te werken met betrekking tot de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag en zich gezamenlijk in een geest van samenwerking in te spannen voor de vergemakkelijking van de naleving van de verplichtingen die uit hoofde van dit Verdrag rusten op de Staten die Partij zijn.
2. Indien één of meer Staten die Partij zijn kwesties met betrekking tot de naleving van de bepalingen van dit Verdrag door een andere Staat die Partij is, wensen op te helderen en op te lossen, kunnen zij via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bij die Staat die Partij is, een verzoek om opheldering daarvan indienen. Een dergelijk verzoek dient vergezeld te gaan van alle relevante informatie. Elke Staat die Partij is, onthoudt zich van het indienen van ongegronde verzoeken om opheldering en zorgt ervoor dat er geen misbruik gemaakt wordt. Een Staat die Partij is en een verzoek om opheldering ontvangt, levert, via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, binnen 28 dagen aan de verzoekende Staat die Partij is alle informatie die kan bijdragen aan de opheldering van de zaak.
3. Indien de verzoekende Staat die Partij is niet binnen die termijn een antwoord heeft ontvangen via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, of oordeelt dat het antwoord op het verzoek om opheldering onbevredigend is, kan hij de zaak via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voorleggen aan de eerstvolgende Vergadering van de Staten die Partij zijn. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet dit verzoek tot voorlegging tezamen met alle op het verzoek om opheldering betrekking hebbende relevante informatie toekomen aan alle Staten die Partij zijn. Al deze informatie wordt aan de aangezochte Staat die Partij is voorgelegd, die het recht heeft hierop te antwoorden.
4. Hangende de bijeenroeping van een Vergadering van de Staten die Partij zijn, kan elk van de betrokken Staten die Partij zijn de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken zijn of haar goede diensten te verlenen ter vergemakkelijking van de gevraagde opheldering.
5. Wanneer een zaak uit hoofde van het derde lid van dit artikel aan haar is voorgelegd, stelt de Vergadering van de Staten die Partij zijn eerst vast of deze zaak verder zal worden bestudeerd, rekening houdend met alle informatie die is voorgelegd door de betrokken Staten die Partij zijn. Indien de Vergadering van de Staten die Partij zijn besluit dat verdere bestudering noodzakelijk is, kan zij de betrokken Staten die Partij zijn maatregelen en middelen voorstellen om de zaak in kwestie verder te verhelderen of op te lossen, met inbegrip van het initiëren van passende procedures in overeenstemming met het internationale recht. Wanneer wordt vastgesteld dat het probleem in kwestie te wijten is aan omstandigheden buiten de macht van de aangezochte Staat die Partij is, kan de Vergadering van de Staten die Partij zijn passende maatregelen aanbevelen, met inbegrip van de in artikel 6 van dit Verdrag bedoelde samenwerkingsmaatregelen.
6. Naast de in het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel voorziene procedures kan de Vergadering van de Staten die Partij zijn besluiten tot het aannemen van door haar passend geachte andere algemene procedures of specifieke mechanismen voor opheldering met betrekking tot de naleving, met inbegrip van feiten, en oplossing van zaken van niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag.
1. De Staten die Partij zijn komen overeen met elkaar overleg te plegen en samen te werken met betrekking tot de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag en zich gezamenlijk in een geest van samenwerking in te spannen voor de vergemakkelijking van de naleving van de verplichtingen die uit hoofde van dit Verdrag rusten op de Staten die Partij zijn.
2. Indien één of meer Staten die Partij zijn kwesties met betrekking tot de naleving van de bepalingen van dit Verdrag door een andere Staat die Partij is, wensen op te helderen en op te lossen, kunnen zij via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bij die Staat die Partij is, een verzoek om opheldering daarvan indienen. Een dergelijk verzoek dient vergezeld te gaan van alle relevante informatie. Elke Staat die Partij is, onthoudt zich van het indienen van ongegronde verzoeken om opheldering en zorgt ervoor dat er geen misbruik gemaakt wordt. Een Staat die Partij is en een verzoek om opheldering ontvangt, levert, via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, binnen 28 dagen aan de verzoekende Staat die Partij is alle informatie die kan bijdragen aan de opheldering van de zaak.
3. Indien de verzoekende Staat die Partij is niet binnen die termijn een antwoord heeft ontvangen via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, of oordeelt dat het antwoord op het verzoek om opheldering onbevredigend is, kan hij de zaak via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voorleggen aan de eerstvolgende Vergadering van de Staten die Partij zijn. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet dit verzoek tot voorlegging tezamen met alle op het verzoek om opheldering betrekking hebbende relevante informatie toekomen aan alle Staten die Partij zijn. Al deze informatie wordt aan de aangezochte Staat die Partij is voorgelegd, die het recht heeft hierop te antwoorden.
4. Hangende de bijeenroeping van een Vergadering van de Staten die Partij zijn, kan elk van de betrokken Staten die Partij zijn de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken zijn of haar goede diensten te verlenen ter vergemakkelijking van de gevraagde opheldering.
5. Wanneer een zaak uit hoofde van het derde lid van dit artikel aan haar is voorgelegd, stelt de Vergadering van de Staten die Partij zijn eerst vast of deze zaak verder zal worden bestudeerd, rekening houdend met alle informatie die is voorgelegd door de betrokken Staten die Partij zijn. Indien de Vergadering van de Staten die Partij zijn besluit dat verdere bestudering noodzakelijk is, kan zij de betrokken Staten die Partij zijn maatregelen en middelen voorstellen om de zaak in kwestie verder te verhelderen of op te lossen, met inbegrip van het initiëren van passende procedures in overeenstemming met het internationale recht. Wanneer wordt vastgesteld dat het probleem in kwestie te wijten is aan omstandigheden buiten de macht van de aangezochte Staat die Partij is, kan de Vergadering van de Staten die Partij zijn passende maatregelen aanbevelen, met inbegrip van de in artikel 6 van dit Verdrag bedoelde samenwerkingsmaatregelen.
6. Naast de in het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel voorziene procedures kan de Vergadering van de Staten die Partij zijn besluiten tot het aannemen van door haar passend geachte andere algemene procedures of specifieke mechanismen voor opheldering met betrekking tot de naleving, met inbegrip van feiten, en oplossing van zaken van niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag.
Art. 8. Aide et éclaircissements relatifs au respect des dispositions de la Convention
1. Les Etats parties conviennent de se consulter et de coopérer au sujet de l'application des dispositions de la présente Convention, et de travailler dans un esprit de coopération afin de faciliter le respect, par les Etats parties, des obligations découlant de la présente Convention.
2. Si un ou plusieurs Etats parties souhaitent éclaircir des questions relatives au respect des dispositions de la présente Convention par un autre Etat partie, et cherchent à y répondre, ils peuvent soumettre, par l'intermédiaire du Secrétaire général des Nations unies, une demande d'éclaircissements sur ces questions à cet Etat partie. Cette demande sera accompagnée de tous les renseignements appropriés. Les Etats parties s'abstiendront de demandes d'éclaircissements sans fondement, en ayant soin d'éviter tout abus. L'Etat partie qui reçoit une demande d'éclaircissements fournira à l'Etat demandeur, par l'intermédiaire du Secrétaire général des Nations unies, tous les renseignements qui aideraient à éclaircir ces questions, dans un délai de 28 jours.
3. Si l'Etat partie demandeur ne reçoit pas de réponse par l'intermédiaire du Secrétaire général des Nations unies dans ce délai, ou juge insatisfaisante la réponse à la demande d'éclaircissements, il peut soumettre la question à la prochaine Assemblée des Etats parties par l'intermédiaire du Secrétaire général des Nations unies. Le Secrétaire général des Nations unies transmettra cette requête, accompagnée de tous les renseignements appropriés relatifs à la demande d'éclaircissements, à tous les Etats parties. Tous ces renseignements devront être transmis à l'Etat partie sollicité, qui aura le droit de formuler une réponse.
4. En attendant la convocation d'une Assemblée des Etats parties, tout Etat partie concerné peut demander au Secrétaire général des Nations Unies d'exercer ses bons offices pour faciliter la présentation dès éclaircissements demandés.
5. Lorsqu'une question lui a été soumise conformément au paragraphe 3 du présent article, l'Assemblée des Etats parties déterminera en premier lieu s'il est nécessaire d'examiner la question plus avant, compte tenu de tous les renseignements présentés par les Etats parties concernés. Si elle juge nécessaire cet examen plus approfondi, l'Assemblée des Etats parties peut recommander aux Etats parties concernés des mesures et des moyens permettant de clarifier davantage la question examinée ou de la régler, notamment l'ouverture de procédures appropriées conformément au droit international. Lorsque le problème soulevé est imputa ble à des circonstances échappant au contrôle de l'Etat partie sollicité, l'Assemblée des Etats parties pourra recommander des mesures appropriées, notamment le recours aux mesures de coopération mentionnées à l'article 6 de la présente Convention.
6. En plus des procédures prévues aux paragraphes 2 à 5 du présent article, l'Assemblée des Etats parties peut, en vue de clarifier le respect, y compris les faits, et de résoudre les cas de non-respect des dispositions de la présente Convention, décider d'adopter toutes les autres procédures générales ou des mécanismes spécifiques qu'elle juge nécessaires.
1. Les Etats parties conviennent de se consulter et de coopérer au sujet de l'application des dispositions de la présente Convention, et de travailler dans un esprit de coopération afin de faciliter le respect, par les Etats parties, des obligations découlant de la présente Convention.
2. Si un ou plusieurs Etats parties souhaitent éclaircir des questions relatives au respect des dispositions de la présente Convention par un autre Etat partie, et cherchent à y répondre, ils peuvent soumettre, par l'intermédiaire du Secrétaire général des Nations unies, une demande d'éclaircissements sur ces questions à cet Etat partie. Cette demande sera accompagnée de tous les renseignements appropriés. Les Etats parties s'abstiendront de demandes d'éclaircissements sans fondement, en ayant soin d'éviter tout abus. L'Etat partie qui reçoit une demande d'éclaircissements fournira à l'Etat demandeur, par l'intermédiaire du Secrétaire général des Nations unies, tous les renseignements qui aideraient à éclaircir ces questions, dans un délai de 28 jours.
3. Si l'Etat partie demandeur ne reçoit pas de réponse par l'intermédiaire du Secrétaire général des Nations unies dans ce délai, ou juge insatisfaisante la réponse à la demande d'éclaircissements, il peut soumettre la question à la prochaine Assemblée des Etats parties par l'intermédiaire du Secrétaire général des Nations unies. Le Secrétaire général des Nations unies transmettra cette requête, accompagnée de tous les renseignements appropriés relatifs à la demande d'éclaircissements, à tous les Etats parties. Tous ces renseignements devront être transmis à l'Etat partie sollicité, qui aura le droit de formuler une réponse.
4. En attendant la convocation d'une Assemblée des Etats parties, tout Etat partie concerné peut demander au Secrétaire général des Nations Unies d'exercer ses bons offices pour faciliter la présentation dès éclaircissements demandés.
5. Lorsqu'une question lui a été soumise conformément au paragraphe 3 du présent article, l'Assemblée des Etats parties déterminera en premier lieu s'il est nécessaire d'examiner la question plus avant, compte tenu de tous les renseignements présentés par les Etats parties concernés. Si elle juge nécessaire cet examen plus approfondi, l'Assemblée des Etats parties peut recommander aux Etats parties concernés des mesures et des moyens permettant de clarifier davantage la question examinée ou de la régler, notamment l'ouverture de procédures appropriées conformément au droit international. Lorsque le problème soulevé est imputa ble à des circonstances échappant au contrôle de l'Etat partie sollicité, l'Assemblée des Etats parties pourra recommander des mesures appropriées, notamment le recours aux mesures de coopération mentionnées à l'article 6 de la présente Convention.
6. En plus des procédures prévues aux paragraphes 2 à 5 du présent article, l'Assemblée des Etats parties peut, en vue de clarifier le respect, y compris les faits, et de résoudre les cas de non-respect des dispositions de la présente Convention, décider d'adopter toutes les autres procédures générales ou des mécanismes spécifiques qu'elle juge nécessaires.
Art. 9. Nationale uitvoeringsmaatregelen
Elke Staat die Partij is neemt alle passende wettelijke, administratieve en andere maatregelen om dit Verdrag uit te voeren, met inbegrip van het opleggen van strafrechtelijke sancties, teneinde het ondernemen van ingevolge dit Verdrag voor een Staat die Partij is verboden activiteiten door personen die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen of op grondgebied dat onder zijn rechtsmacht of zeggenschap valt, te voorkomen en tegen te gaan.
Elke Staat die Partij is neemt alle passende wettelijke, administratieve en andere maatregelen om dit Verdrag uit te voeren, met inbegrip van het opleggen van strafrechtelijke sancties, teneinde het ondernemen van ingevolge dit Verdrag voor een Staat die Partij is verboden activiteiten door personen die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen of op grondgebied dat onder zijn rechtsmacht of zeggenschap valt, te voorkomen en tegen te gaan.
Art. 9. Mesures d'application nationales
Chaque Etat partie prend toutes les mesures législatives, réglementaires et autres qui sont appropriées pour mettre en oeuvre la présente Convention, y compris l'imposition de sanctions pénales pour prévenir et réprimer toute activité interdite à un Etat partie en vertu de la présente Convention, qui serait menée par des personnes, ou sur un territoire, sous sa juridiction ou son contrôle.
Chaque Etat partie prend toutes les mesures législatives, réglementaires et autres qui sont appropriées pour mettre en oeuvre la présente Convention, y compris l'imposition de sanctions pénales pour prévenir et réprimer toute activité interdite à un Etat partie en vertu de la présente Convention, qui serait menée par des personnes, ou sur un territoire, sous sa juridiction ou son contrôle.
Art. 10. Beslechting van geschillen
1. Indien tussen twee of meer Staten die Partij zijn een geschil rijst met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag plegen de betrokken Staten die Partij zijn met elkaar overleg teneinde het geschil snel te beslechten door middel van onderhandeling of op een andere door hen te kiezen vreedzame wijze, met inbegrip van een beroep op de Vergadering van de Staten die Partij zijn en aanhangigmaking bij het Internationaal Gerechtshof overeenkomstig het Statuut van het Hof.
2. De Vergadering van de Staten die Partij zijn kan met alle door haar nodig geachte middelen een bijdrage leveren aan de beslechting van het geschil, met inbegrip van het aanbod tot het verlenen van goede diensten, het oproepen van de desbetreffende Staten die Partij zijn aan te vangen met de procedure van hun keuze voor de beslechting en het aanbevelen van een termijn voor een overeengekomen procedure.
1. Indien tussen twee of meer Staten die Partij zijn een geschil rijst met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag plegen de betrokken Staten die Partij zijn met elkaar overleg teneinde het geschil snel te beslechten door middel van onderhandeling of op een andere door hen te kiezen vreedzame wijze, met inbegrip van een beroep op de Vergadering van de Staten die Partij zijn en aanhangigmaking bij het Internationaal Gerechtshof overeenkomstig het Statuut van het Hof.
2. De Vergadering van de Staten die Partij zijn kan met alle door haar nodig geachte middelen een bijdrage leveren aan de beslechting van het geschil, met inbegrip van het aanbod tot het verlenen van goede diensten, het oproepen van de desbetreffende Staten die Partij zijn aan te vangen met de procedure van hun keuze voor de beslechting en het aanbevelen van een termijn voor een overeengekomen procedure.
Art. 10. Règlement des différends
1. En cas de différend entre deux ou plusieurs Etats parties portant sur l'interprétation ou l'application de la présente Convention, les Etats parties concernées se consulteront en vue d'un règlement rapide du différend par la négociation ou par tout autre moyen pacifique de leur choix, y compris le recours à l'Assemblée des Etats parties et la saisine de la Cour internationale de justice conformément au statut de cette Cour.
2. L'Assemblée des Etats parties peut contribuer au règlement du différend par tout moyen qu'elle juge approprié, notamment en offrant ses bons offices, en invitant les Etats parties au différend à entamer la procédure de règlement de leur choix et en recommandant une limite à la durée de la procédure convenue.
1. En cas de différend entre deux ou plusieurs Etats parties portant sur l'interprétation ou l'application de la présente Convention, les Etats parties concernées se consulteront en vue d'un règlement rapide du différend par la négociation ou par tout autre moyen pacifique de leur choix, y compris le recours à l'Assemblée des Etats parties et la saisine de la Cour internationale de justice conformément au statut de cette Cour.
2. L'Assemblée des Etats parties peut contribuer au règlement du différend par tout moyen qu'elle juge approprié, notamment en offrant ses bons offices, en invitant les Etats parties au différend à entamer la procédure de règlement de leur choix et en recommandant une limite à la durée de la procédure convenue.
Art. 11. Vergaderingen van de Staten die Partij zijn
1. De Staten die Partij zijn komen regelmatig in vergadering bijeen teneinde zaken te bestuderen en, waar noodzakelijk, besluiten te nemen die betrekking hebben op de toepassing of uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van :
a) het functioneren en de stand van dit Verdrag;
b) zaken die voortkomen uit de rapporten die ingevolge de bepalingen van dit Verdrag worden ingediend;
c) internationale samenwerking en bijstand in overeenstemming met artikel 6 van dit Verdrag;
d) de ontwikkeling van technologieën voor het ruimen van resten van clustermunitie;
e) de door de Staten die Partij zijn ingediende verzoeken ingevolge de artikelen 8 en 10 van dit Verdrag; en
f) verzoeken van de Staten die Partij zijn zoals voorzien in de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag.
2. De eerste Vergadering van Staten die Partij zijn wordt binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De volgende vergaderingen worden door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties jaarlijks bijeengeroepen, tot aan de eerste Toetsingsconferentie.
3. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd deze vergaderingen als waarnemers bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen reglement van orde.
1. De Staten die Partij zijn komen regelmatig in vergadering bijeen teneinde zaken te bestuderen en, waar noodzakelijk, besluiten te nemen die betrekking hebben op de toepassing of uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van :
a) het functioneren en de stand van dit Verdrag;
b) zaken die voortkomen uit de rapporten die ingevolge de bepalingen van dit Verdrag worden ingediend;
c) internationale samenwerking en bijstand in overeenstemming met artikel 6 van dit Verdrag;
d) de ontwikkeling van technologieën voor het ruimen van resten van clustermunitie;
e) de door de Staten die Partij zijn ingediende verzoeken ingevolge de artikelen 8 en 10 van dit Verdrag; en
f) verzoeken van de Staten die Partij zijn zoals voorzien in de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag.
2. De eerste Vergadering van Staten die Partij zijn wordt binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De volgende vergaderingen worden door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties jaarlijks bijeengeroepen, tot aan de eerste Toetsingsconferentie.
3. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd deze vergaderingen als waarnemers bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen reglement van orde.
Art. 11. Assemblée des Etats parties
1. Les Etats parties se réuniront régulièrement pour examiner toute question concernant l'application ou la mise en oeuvre de la présente Convention et, si nécessaire, prendre une décision, notamment :
a) Le fonctionnement et l'état de la présente Convention;
b) Les questions soulevées par les rapports présentés en vertu des dispositions de la présente Convention;
c) La coopération et l'assistance internationales conformément à l'article 6 de la présente Convention;
d) Le développement de technologies de dépollution des restes d'armes à sous-munitions;
e) Les demandes des Etats parties en vertu des articles 8 et 10 de la présente Convention; et
f) Les demandes des Etats parties prévues aux articles 3 et 4 de la présente Convention.
2. Le Secrétaire général des Nations unies convoquera la première Assemblée des Etats parties dans un délai d'un an après l'entrée en vigueur de la présente Convention. Le Secrétaire général des Nations unies convoquera annuellement les assemblées ultérieures jusqu'à la première Conférence d'examen.
3. Les Etats non parties à la présente Convention, de même que les Nations unies, d'autres organisations ou institutions internationales pertinentes, des organisations régionales, le Comité international de la Croix-Rouge, la Fédération internationale des Sociétés de la Croix-Rouge et du Croissant-Rouge et les organisations non gouvernementales pertinentes peuvent être invités à assister à ces assemblées en qualité d'observateurs, conformément au règlement intérieur convenu.
1. Les Etats parties se réuniront régulièrement pour examiner toute question concernant l'application ou la mise en oeuvre de la présente Convention et, si nécessaire, prendre une décision, notamment :
a) Le fonctionnement et l'état de la présente Convention;
b) Les questions soulevées par les rapports présentés en vertu des dispositions de la présente Convention;
c) La coopération et l'assistance internationales conformément à l'article 6 de la présente Convention;
d) Le développement de technologies de dépollution des restes d'armes à sous-munitions;
e) Les demandes des Etats parties en vertu des articles 8 et 10 de la présente Convention; et
f) Les demandes des Etats parties prévues aux articles 3 et 4 de la présente Convention.
2. Le Secrétaire général des Nations unies convoquera la première Assemblée des Etats parties dans un délai d'un an après l'entrée en vigueur de la présente Convention. Le Secrétaire général des Nations unies convoquera annuellement les assemblées ultérieures jusqu'à la première Conférence d'examen.
3. Les Etats non parties à la présente Convention, de même que les Nations unies, d'autres organisations ou institutions internationales pertinentes, des organisations régionales, le Comité international de la Croix-Rouge, la Fédération internationale des Sociétés de la Croix-Rouge et du Croissant-Rouge et les organisations non gouvernementales pertinentes peuvent être invités à assister à ces assemblées en qualité d'observateurs, conformément au règlement intérieur convenu.
Art. 12. Toetsingsconferenties
1. Vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Toetsingsconferentie bijeen. Volgende Toetsingsconferenties worden door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bijeengeroepen op verzoek daartoe door een of meer Staten die Partij zijn, met dien verstande dat het tijdvak tussen de toetsingsconferenties in geen geval korter mag zijn dan vijf jaar. Alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden uitgenodigd voor elke Toetsingsconferentie.
2. Het doel van de Toetsingsconferentie is :
a) het toetsen van het functioneren en de stand van dit Verdrag;
b) het bespreken van de behoefte aan en het tijdvak tussen de in artikel 11, tweede lid, van dit Verdrag bedoelde volgende Vergaderingen van de Staten die Partij zijn; en
c) het nemen van beslissingen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag bedoelde ingediende verzoeken door Staten die Partij zijn.
3. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd elke Toetsingsconferentie als waarnemer bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen reglement van orde.
1. Vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Toetsingsconferentie bijeen. Volgende Toetsingsconferenties worden door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bijeengeroepen op verzoek daartoe door een of meer Staten die Partij zijn, met dien verstande dat het tijdvak tussen de toetsingsconferenties in geen geval korter mag zijn dan vijf jaar. Alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden uitgenodigd voor elke Toetsingsconferentie.
2. Het doel van de Toetsingsconferentie is :
a) het toetsen van het functioneren en de stand van dit Verdrag;
b) het bespreken van de behoefte aan en het tijdvak tussen de in artikel 11, tweede lid, van dit Verdrag bedoelde volgende Vergaderingen van de Staten die Partij zijn; en
c) het nemen van beslissingen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag bedoelde ingediende verzoeken door Staten die Partij zijn.
3. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd elke Toetsingsconferentie als waarnemer bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen reglement van orde.
Art. 12. Conférences d'examen
1. Le Secrétaire général des Nations unies convoquera une Conférence d'examen cinq ans après l'entrée en vigueur de la présente Convention. Les Conférences d'examen ultérieures seront convoquées par le Secrétaire général des Nations unies si un ou plusieurs Etats parties le demandent, pour autant que l'intervalle entre les Conférences d'examen ne soit en aucun cas inférieur à cinq ans. Tous les Etats parties à la présente Convention seront invités à chaque Conférence d'examen.
2. La Conférence d'examen aura pour buts :
a) D'examiner le fonctionnement et l'état de la présente Convention;
b) D'évaluer la nécessité de convoquer des Assemblées supplémentaires des Etats parties mentionnées au paragraphe 2 de l'article 11, et de déterminer l'intervalle entre ces conférences; et
c) De prendre des décisions concernant les demandes des Etats parties prévues aux articles 3 et 4 de la présente Convention.
3. Les Etats non parties à la présente Convention, de même que les Nations unies, d'autres organisations ou institutions internationales pertinentes, des organisations régionales, le Comité international de la Croix-Rouge, la Fédération internationale des Sociétés de la Croix-Rouge et du Croissant-Rouge et les organisations non gouvernementales pertinentes peuvent être invités à assister à chaque Conférence d'examen en qualité d'observateurs conformément au règlement intérieur convenu.
1. Le Secrétaire général des Nations unies convoquera une Conférence d'examen cinq ans après l'entrée en vigueur de la présente Convention. Les Conférences d'examen ultérieures seront convoquées par le Secrétaire général des Nations unies si un ou plusieurs Etats parties le demandent, pour autant que l'intervalle entre les Conférences d'examen ne soit en aucun cas inférieur à cinq ans. Tous les Etats parties à la présente Convention seront invités à chaque Conférence d'examen.
2. La Conférence d'examen aura pour buts :
a) D'examiner le fonctionnement et l'état de la présente Convention;
b) D'évaluer la nécessité de convoquer des Assemblées supplémentaires des Etats parties mentionnées au paragraphe 2 de l'article 11, et de déterminer l'intervalle entre ces conférences; et
c) De prendre des décisions concernant les demandes des Etats parties prévues aux articles 3 et 4 de la présente Convention.
3. Les Etats non parties à la présente Convention, de même que les Nations unies, d'autres organisations ou institutions internationales pertinentes, des organisations régionales, le Comité international de la Croix-Rouge, la Fédération internationale des Sociétés de la Croix-Rouge et du Croissant-Rouge et les organisations non gouvernementales pertinentes peuvent être invités à assister à chaque Conférence d'examen en qualité d'observateurs conformément au règlement intérieur convenu.
Art. 13. Wijzigingen
1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan iedere Staat die Partij is te allen tijde voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag. Elk voorstel tot wijziging wordt ingediend bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die het toezendt aan alle Staten die Partij zijn en die hun mening vraagt ten aanzien van de noodzaak een Wijzigingsconferentie bijeen te roepen teneinde het voorstel in behandeling te nemen. Indien een meerderheid van de Staten die Partij zijn de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties uiterlijk 90 dagen na de toezending van het voorstel meedeelt dat zij verdere behandeling steunt, roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Wijzigingsconferentie bijeen, waarvoor alle Staten die Partij zijn worden uitgenodigd.
2. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd elke Wijzigingsconferentie als waarnemer bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen reglement van orde.
3. De Wijzigingsconferentie wordt gehouden onmiddellijk na een Vergadering van de Staten die Partij zijn of na een Toetsingsconferentie, tenzij een meerderheid van de Staten die Partij zijn verzoekt dat zij eerder wordt gehouden.
4. Elke wijziging van dit Verdrag wordt aangenomen met een twee-derdemeerderheid van de op de Wijzigingsconferentie aanwezige en hun stem uitbrengende Staten die Partij zijn. De Depositaris doet van elke aldus aangenomen wijziging mededeling aan de Staten die Partij zijn.
5. Een wijziging van dit Verdrag treedt ten aanzien van alle Staten die Partij zijn die deze wijziging hebben aanvaard in werking op de datum van nederlegging van de akte van aanvaarding door een meerderheid van de Staten die Partij zijn op de datum van aanneming van de wijziging. Vervolgens treedt zij ten aanzien van elke andere Staat die Partij is in werking op de datum van nederlegging van zijn akte van aanvaarding.
1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan iedere Staat die Partij is te allen tijde voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag. Elk voorstel tot wijziging wordt ingediend bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die het toezendt aan alle Staten die Partij zijn en die hun mening vraagt ten aanzien van de noodzaak een Wijzigingsconferentie bijeen te roepen teneinde het voorstel in behandeling te nemen. Indien een meerderheid van de Staten die Partij zijn de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties uiterlijk 90 dagen na de toezending van het voorstel meedeelt dat zij verdere behandeling steunt, roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Wijzigingsconferentie bijeen, waarvoor alle Staten die Partij zijn worden uitgenodigd.
2. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaan-verenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd elke Wijzigingsconferentie als waarnemer bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen reglement van orde.
3. De Wijzigingsconferentie wordt gehouden onmiddellijk na een Vergadering van de Staten die Partij zijn of na een Toetsingsconferentie, tenzij een meerderheid van de Staten die Partij zijn verzoekt dat zij eerder wordt gehouden.
4. Elke wijziging van dit Verdrag wordt aangenomen met een twee-derdemeerderheid van de op de Wijzigingsconferentie aanwezige en hun stem uitbrengende Staten die Partij zijn. De Depositaris doet van elke aldus aangenomen wijziging mededeling aan de Staten die Partij zijn.
5. Een wijziging van dit Verdrag treedt ten aanzien van alle Staten die Partij zijn die deze wijziging hebben aanvaard in werking op de datum van nederlegging van de akte van aanvaarding door een meerderheid van de Staten die Partij zijn op de datum van aanneming van de wijziging. Vervolgens treedt zij ten aanzien van elke andere Staat die Partij is in werking op de datum van nederlegging van zijn akte van aanvaarding.
Art. 13. Amendements
1. Un Etat partie peut proposer des amendements à la présente Convention à tout moment après son entrée en vigueur. Toute proposition d'amendement sera communiquée au Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies, qui la diffusera à l'ensemble des Etats parties et recueillera leur avis quant à opportunité de convoquer une Conférence d'amendement pour examiner la proposition. Si une majorité des Etats parties notifie au Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies, au plus tard 90 jours après la diffusion de la proposition, qu'ils sont favorables à un examen plus approfondi, le Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies convoquera une Conférence d'amendement à laquelle l'ensemble des Etats parties seront conviés.
2. Les Etats non parties à la présente Convention, ainsi que les Nations unies, d'autres organisations ou institutions internationales pertinentes, des organisations régionales, le Comité international de la Croix-Rouge, la Fédération internationale des Sociétés de la Croix-Rouge et du Croissant-Rouge et les organisations non gouvernementales pertinentes peuvent être invités à assister à chaque Conférence d'amendement en qualité d'observateurs conformément au règlement intérieur convenu.
3. La Conférence d'amendement se tiendra immédiatement après une Assemblée des Etats parties ou une Conférence d'examen, à moins qu'une majorité des Etats parties ne demande qu'elle se tienne plus tôt.
4. Tout amendement à la présente Convention sera adopté à la majorité des deux tiers des Etats parties présents et votants à la Conférence d'amendement. Le Dépositaire communiquera tout amendement ainsi adopté à tous les Etats.
5. Un amendement à la présente Convention entrera en vigueur, pour les Etats parties qui ont accepté cet amendement, au moment du dépôt de l'acceptation par une majorité des Etats qui étaient Parties à la Convention au moment de l'adoption de l'amendement. Par la suite, il entrera en vigueur pour tout autre Etat partie à la date du dépôt de son instrument d'acceptation.
1. Un Etat partie peut proposer des amendements à la présente Convention à tout moment après son entrée en vigueur. Toute proposition d'amendement sera communiquée au Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies, qui la diffusera à l'ensemble des Etats parties et recueillera leur avis quant à opportunité de convoquer une Conférence d'amendement pour examiner la proposition. Si une majorité des Etats parties notifie au Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies, au plus tard 90 jours après la diffusion de la proposition, qu'ils sont favorables à un examen plus approfondi, le Secrétaire général de l'Organisation des Nations unies convoquera une Conférence d'amendement à laquelle l'ensemble des Etats parties seront conviés.
2. Les Etats non parties à la présente Convention, ainsi que les Nations unies, d'autres organisations ou institutions internationales pertinentes, des organisations régionales, le Comité international de la Croix-Rouge, la Fédération internationale des Sociétés de la Croix-Rouge et du Croissant-Rouge et les organisations non gouvernementales pertinentes peuvent être invités à assister à chaque Conférence d'amendement en qualité d'observateurs conformément au règlement intérieur convenu.
3. La Conférence d'amendement se tiendra immédiatement après une Assemblée des Etats parties ou une Conférence d'examen, à moins qu'une majorité des Etats parties ne demande qu'elle se tienne plus tôt.
4. Tout amendement à la présente Convention sera adopté à la majorité des deux tiers des Etats parties présents et votants à la Conférence d'amendement. Le Dépositaire communiquera tout amendement ainsi adopté à tous les Etats.
5. Un amendement à la présente Convention entrera en vigueur, pour les Etats parties qui ont accepté cet amendement, au moment du dépôt de l'acceptation par une majorité des Etats qui étaient Parties à la Convention au moment de l'adoption de l'amendement. Par la suite, il entrera en vigueur pour tout autre Etat partie à la date du dépôt de son instrument d'acceptation.
Art. 14. Kosten en administratieve taken
1. De kosten van de Vergaderingen van Staten die Partij zijn, de Toetsingsconferenties en de Wijzigingsconferenties worden gedragen door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en door de daaraan deelnemende Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.
2. De door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ingevolge de artikelen 7 en 8 van dit Verdrag gemaakte kosten worden gedragen door de Staten die Partij zijn, in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.
3. Het uitvoeren door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de aan hem of haar ingevolge dit Verdrag toegewezen administratieve taken is onder voorbehoud van een passend mandaat van de Verenigde Naties.
1. De kosten van de Vergaderingen van Staten die Partij zijn, de Toetsingsconferenties en de Wijzigingsconferenties worden gedragen door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en door de daaraan deelnemende Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.
2. De door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ingevolge de artikelen 7 en 8 van dit Verdrag gemaakte kosten worden gedragen door de Staten die Partij zijn, in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.
3. Het uitvoeren door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de aan hem of haar ingevolge dit Verdrag toegewezen administratieve taken is onder voorbehoud van een passend mandaat van de Verenigde Naties.
Art. 14. Coûts et tâches administratives
1. Les coûts des Assemblées des Etats parties, des Conférences d'examen et des Conférences d'amendement seront pris en charge par les Etats parties et les Etats non parties à la présente Convention participant à ces assemblées ou conférences selon le barème dûment ajusté des quotes-parts des Nations unies.
2. Les coûts encourus par le Secrétaire général des Nations unies en vertu des articles 7 et 8 de la présente Convention seront pris en charge par les Etats parties selon le barème dûment ajusté des quotes-parts des Nations unies.
3. L'exécution par le Secrétaire général des Nations unies des tâches administratives qui lui sont affectées aux termes de la présente Convention est sous réserve d'un mandat approprié des Nations unies.
1. Les coûts des Assemblées des Etats parties, des Conférences d'examen et des Conférences d'amendement seront pris en charge par les Etats parties et les Etats non parties à la présente Convention participant à ces assemblées ou conférences selon le barème dûment ajusté des quotes-parts des Nations unies.
2. Les coûts encourus par le Secrétaire général des Nations unies en vertu des articles 7 et 8 de la présente Convention seront pris en charge par les Etats parties selon le barème dûment ajusté des quotes-parts des Nations unies.
3. L'exécution par le Secrétaire général des Nations unies des tâches administratives qui lui sont affectées aux termes de la présente Convention est sous réserve d'un mandat approprié des Nations unies.
Art. 15. Ondertekening
Dit Verdrag, gedaan te Dublin op 30 mei 2008, staat voor alle Staten op 3 december 2008 open ter ondertekening te Oslo en vervolgens op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York tot de inwerkingtreding ervan.
Dit Verdrag, gedaan te Dublin op 30 mei 2008, staat voor alle Staten op 3 december 2008 open ter ondertekening te Oslo en vervolgens op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York tot de inwerkingtreding ervan.
Art. 15. Signature
La présente Convention, faite à Dublin le 30 mai 2008, sera ouverte à la signature de tous les Etats à Oslo le 3 décembre 2008 et, par la suite, au siège des Nations unies à New York jusqu'à son entrée en vigueur.
La présente Convention, faite à Dublin le 30 mai 2008, sera ouverte à la signature de tous les Etats à Oslo le 3 décembre 2008 et, par la suite, au siège des Nations unies à New York jusqu'à son entrée en vigueur.
Art. 16. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding
1. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Ondertekenaars.
2. Dit Verdrag staat open voor toetreding door elke Staat die het Verdrag niet heeft ondertekend.
3. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Depositaris.
1. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Ondertekenaars.
2. Dit Verdrag staat open voor toetreding door elke Staat die het Verdrag niet heeft ondertekend.
3. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Depositaris.
Art. 16. Ratification, acceptation, approbation ou adhésion
1. La présente Convention est soumise à la ratification, l'acceptation ou l'approbation des Signataires.
2. La présente Convention sera ouverte à l'adhésion de tout Etat non signataire.
3. Les instruments de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion seront déposés auprès du Dépositaire.
1. La présente Convention est soumise à la ratification, l'acceptation ou l'approbation des Signataires.
2. La présente Convention sera ouverte à l'adhésion de tout Etat non signataire.
3. Les instruments de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion seront déposés auprès du Dépositaire.
Art. 17. Inwerkingtreding
1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand waarin de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd.
2. Voor elke Staat die zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederlegt na de datum van de nederlegging van de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de zesde maand na de datum waarop die Staat zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft nedergelegd.
1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand waarin de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd.
2. Voor elke Staat die zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederlegt na de datum van de nederlegging van de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de zesde maand na de datum waarop die Staat zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft nedergelegd.
Art. 17. Entrée en vigueur
1. La présente Convention entrera en vigueur le premier jour du sixième mois suivant celui au cours duquel le trentième instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion aura été déposé.
2. Pour tout Etat qui dépose son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion après la date de dépôt du trentième instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, la présente Convention entrera en vigueur le premier jour du sixième mois après la date à laquelle cet Etat aura déposé son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion.
1. La présente Convention entrera en vigueur le premier jour du sixième mois suivant celui au cours duquel le trentième instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion aura été déposé.
2. Pour tout Etat qui dépose son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion après la date de dépôt du trentième instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, la présente Convention entrera en vigueur le premier jour du sixième mois après la date à laquelle cet Etat aura déposé son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion.
Art. 18. Voorlopige toepassing
Elke Staat kan ten tijde van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat hij, hangende de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van die Staat, artikel 1 van dit Verdrag voorlopig toepast.
Elke Staat kan ten tijde van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat hij, hangende de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van die Staat, artikel 1 van dit Verdrag voorlopig toepast.
Art. 18. Application à titre provisoire
Un Etat peut, au moment de la ratification, de l'acceptation, de l'approbation de la présente Convention, ou de l'adhésion à celle-ci, déclarer qu'il en appliquera, à titre provisoire, l'article 1er de la présente Convention en attendant son entrée en vigueur pour cet Etat.
Un Etat peut, au moment de la ratification, de l'acceptation, de l'approbation de la présente Convention, ou de l'adhésion à celle-ci, déclarer qu'il en appliquera, à titre provisoire, l'article 1er de la présente Convention en attendant son entrée en vigueur pour cet Etat.
Art. 19. Voorbehouden
Er kunnen ten aanzien van de artikelen van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt.
Er kunnen ten aanzien van de artikelen van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt.
Art. 19. Réserves
Les articles de la présente Convention ne peuvent faire l'objet de réserves.
Les articles de la présente Convention ne peuvent faire l'objet de réserves.
Art. 20. Duur en opzegging
1. Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
2. Elke Staat die Partij is heeft bij de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit het recht dit Verdrag op te zeggen. Hij geeft kennis van een dergelijke opzegging aan alle andere Staten die Partij zijn, de Depositaris en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze akte van opzegging dient een volledige uiteenzetting te bevatten van de redenen voor de opzegging.
3. Een dergelijke opzegging wordt niet eerder van kracht dan zes maanden na de ontvangst van de akte van opzegging door de Depositaris. Indien evenwel na afloop van dat tijdvak van zes maanden de opzeggende Staat die Partij is betrokken is bij een gewapend conflict, wordt de opzegging niet van kracht voordat het gewapend conflict beëindigd is.
1. Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
2. Elke Staat die Partij is heeft bij de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit het recht dit Verdrag op te zeggen. Hij geeft kennis van een dergelijke opzegging aan alle andere Staten die Partij zijn, de Depositaris en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze akte van opzegging dient een volledige uiteenzetting te bevatten van de redenen voor de opzegging.
3. Een dergelijke opzegging wordt niet eerder van kracht dan zes maanden na de ontvangst van de akte van opzegging door de Depositaris. Indien evenwel na afloop van dat tijdvak van zes maanden de opzeggende Staat die Partij is betrokken is bij een gewapend conflict, wordt de opzegging niet van kracht voordat het gewapend conflict beëindigd is.
Art. 20. Durée et retrait
1. La présente Convention a une durée illimitée.
2. Chaque Etat partie a le droit, dans l'exercice de sà souveraineté nationale, de se retirer de la présente Convention. Il doit notifier ce retrait à tous les autres Etats parties, au Dépositaire et au Conseil de sécurité des Nations unies. Cet instrument de retrait comprend une explication complète des raisons motivant ce retrait.
3. Le retrait ne prend effet que six mois après réception de l'instrument de retrait par le Dépositaire. Cependant, si à l'expiration de ces six mois l'Etat partie qui se retire est engagé dans, un conflit armé, le retrait ne prendra pas effet avant la fin de ce conflit armé.
1. La présente Convention a une durée illimitée.
2. Chaque Etat partie a le droit, dans l'exercice de sà souveraineté nationale, de se retirer de la présente Convention. Il doit notifier ce retrait à tous les autres Etats parties, au Dépositaire et au Conseil de sécurité des Nations unies. Cet instrument de retrait comprend une explication complète des raisons motivant ce retrait.
3. Le retrait ne prend effet que six mois après réception de l'instrument de retrait par le Dépositaire. Cependant, si à l'expiration de ces six mois l'Etat partie qui se retire est engagé dans, un conflit armé, le retrait ne prendra pas effet avant la fin de ce conflit armé.
Art. 21. Betrekkingen met Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag
1. Elke Staat die Partij is moedigt Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag aan dit Verdrag te bekrachtigen, te aanvaarden, goed te keuren of ertoe toe te treden, met als doel de participatie van alle Staten bij dit Verdrag te verkrijgen.
2. Elke Staat die Partij is stelt de regeringen van alle in het derde lid van dit artikel bedoelde Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag, bevordert de normen die erin zijn vastgelegd en spant zich tot het uiterste in Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag te weerhouden van het gebruik van clustermunitie.
3. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag en in overeenstemming met het internationale recht, kunnen de Staten die Partij zijn hun militair personeel of hun onderdanen, op militair gebied samenwerken en militaire operaties uitvoeren met Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag die mogelijk deelnemen aan activiteiten die verboden zijn voor een Staat die Partij is.
4. Niets in het derde lid van dit artikel geeft een Staat die Partij is het recht :
a) clustermunitie te ontwikkelen, te produceren of anderszins te verwerven;
b) zelf voorraden clustermunitie aan te leggen of clustermunitie over te dragen;
c) zelf clustermunitie te gebruiken; of
d) uitdrukkelijk om het gebruik van clustermunitie te verzoeken in gevallen waarin de keuze van de te gebruiken munitie uitsluitend bij hem ligt.
1. Elke Staat die Partij is moedigt Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag aan dit Verdrag te bekrachtigen, te aanvaarden, goed te keuren of ertoe toe te treden, met als doel de participatie van alle Staten bij dit Verdrag te verkrijgen.
2. Elke Staat die Partij is stelt de regeringen van alle in het derde lid van dit artikel bedoelde Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag, bevordert de normen die erin zijn vastgelegd en spant zich tot het uiterste in Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag te weerhouden van het gebruik van clustermunitie.
3. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag en in overeenstemming met het internationale recht, kunnen de Staten die Partij zijn hun militair personeel of hun onderdanen, op militair gebied samenwerken en militaire operaties uitvoeren met Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag die mogelijk deelnemen aan activiteiten die verboden zijn voor een Staat die Partij is.
4. Niets in het derde lid van dit artikel geeft een Staat die Partij is het recht :
a) clustermunitie te ontwikkelen, te produceren of anderszins te verwerven;
b) zelf voorraden clustermunitie aan te leggen of clustermunitie over te dragen;
c) zelf clustermunitie te gebruiken; of
d) uitdrukkelijk om het gebruik van clustermunitie te verzoeken in gevallen waarin de keuze van de te gebruiken munitie uitsluitend bij hem ligt.
Art. 21. Relations avec les Etats non parties à la Convention
1. Chaque Etat partie encourage les Etats non parties à la présente Convention à la ratifier, l'accepter, l'approuver ou y adhérer, dans le but de susciter la participation de tous les Etats à la présente Convention.
2. Chaque Etat notifie aux gouvernements de tous les Etats non parties à la présente Convention mentionnés dans le paragraphe 3 du présent article ses obligations aux termes de la présente Convention, promeut les normes qu'elle établit et met tout en oeuvre pour décourager les Etats non parties à la présente Convention d'utiliser des armes à sous-munitions.
3. Nonobstant les dispositions de l'article 1er de la présente Convention, et en conformité avec le droit international, les Etats parties, leur personnel militaire ou leurs ressortissants peuvent s'engager dans une coopération et des opérations militaires avec des Etats non parties à la présente Convention qui pourraient être engagés dans des activités interdites à un Etat partie.
4. Rien dans le paragraphe 3 du présent article n'autorise un Etat partie à :
a) Mettre au point, produire ou acquérir de quelque autre manière des armes à sous-munitions;
b) Constituer lui-même des stocks d'armes à sous-munitions ou transférer ces armes;
c) Employer lui-même des armes à sous-munitions; ou
d) Expressément demander l'emploi de telles munitions dans les cas où le choix des munitions employées est sous son contrôle exclusif.
1. Chaque Etat partie encourage les Etats non parties à la présente Convention à la ratifier, l'accepter, l'approuver ou y adhérer, dans le but de susciter la participation de tous les Etats à la présente Convention.
2. Chaque Etat notifie aux gouvernements de tous les Etats non parties à la présente Convention mentionnés dans le paragraphe 3 du présent article ses obligations aux termes de la présente Convention, promeut les normes qu'elle établit et met tout en oeuvre pour décourager les Etats non parties à la présente Convention d'utiliser des armes à sous-munitions.
3. Nonobstant les dispositions de l'article 1er de la présente Convention, et en conformité avec le droit international, les Etats parties, leur personnel militaire ou leurs ressortissants peuvent s'engager dans une coopération et des opérations militaires avec des Etats non parties à la présente Convention qui pourraient être engagés dans des activités interdites à un Etat partie.
4. Rien dans le paragraphe 3 du présent article n'autorise un Etat partie à :
a) Mettre au point, produire ou acquérir de quelque autre manière des armes à sous-munitions;
b) Constituer lui-même des stocks d'armes à sous-munitions ou transférer ces armes;
c) Employer lui-même des armes à sous-munitions; ou
d) Expressément demander l'emploi de telles munitions dans les cas où le choix des munitions employées est sous son contrôle exclusif.
Art. 22. Depositaris
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt hierbij aangewezen als Depositaris van dit Verdrag.
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt hierbij aangewezen als Depositaris van dit Verdrag.
Art. 22. Dépositaire
Le Secrétaire général des Nations unies est désigné par les présentes comme le Dépositaire de la présente Convention.
Le Secrétaire général des Nations unies est désigné par les présentes comme le Dépositaire de la présente Convention.
Art. 23. Authentieke teksten
De Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.
De Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.
Art. 23. Textes authentiques
Les textes de la présente Convention rédigés en anglais, arabe, chinois, espagnol, français et russe sont également authentiques.
Les textes de la présente Convention rédigés en anglais, arabe, chinois, espagnol, français et russe sont également authentiques.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N1. Lijst der lidstaten.
Art. N1. Liste des Etats liés.
| Staten | Datum authentificatie | Type instemming | Datum instemming | Datum inwerkingtreding |
| AFGHANISTAN | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| ALBANIE | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 16/06/2009 | 01/08/2010 |
| ANGOLA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| ANTIGUA ET BARBUDA | 16/07/2010 | Onbepaald | ||
| AUSTRALIE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| BENIN | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| BOLIVIA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| BOSNIÓ EN | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| HERZEGOVINA | ||||
| BOTSWANA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| BULGARIJE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| BURKINA FASO | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 16/02/2010 | 01/08/2010 |
| BURUNDI | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 25/09/2009 | 01/08/2010 |
| België | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 22/12/2009 | 01/08/2010 |
| CANADA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| CENTRAAL-AFRIKAANSE REPUBLIEK | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| CHILI | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| COLOMBIA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| COMOREN | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 28/07/2010 | 01/01/2011 |
| CONGO (DEMOCRATISCHE REP.) | 18/03/2009 | Onbepaald | ||
| CONGO (REPUBLIEK) | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| COOK(EIL.) | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| COSTA RICA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| CYPRUS | 23/09/2009 | Onbepaald | ||
| DENEMARKEN | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 12/02/2010 | 01/08/2010 |
| DJIBOUTI | 30/07/2010 | Onbepaald | ||
| DOMINICAANSE | 10/11/2009 | Onbepaald | ||
| REPUBLIEK DUITSLAND | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 08/07/2009 | 01/08/2010 |
| ECUADOR | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 11/05/2010 | 01/11/2010 |
| EL SALVADOR | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| FIJI | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 28/05/2010 | 01/11/2010 |
| FILIPPIJNEN | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| FRANKRIJK | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 25/09/2009 | 01/08/2010 |
| GAMBIA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| GHANA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| GUATEMALA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| GUINEA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| GUINEE-BISSAU | 04/12/2008 | Onbepaald | ||
| HAITI | 28/10/2009 | Onbepaald | ||
| HEILIGE STOEL | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 03/12/2008 | 01/08/2010 |
| HONDURAS | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| HONGARIJE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| IERLAND | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 03/12/2008 | 01/08/2010 |
| IJSLAND | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| INDONESIE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| IRAK | 12/11/2009 | Onbepaald | ||
| ITALIE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| IVOORKUST | 04/12/2008 | Onbepaald | ||
| JAMAICA | 12/06/2009 | Onbepaald | ||
| JAPAN | 03/12/2008 | Aanvaarding | 14/07/2009 | 01/08/2010 |
| KAAPVERDISCHE(EILANDEN) | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| KAMEROEN | 15/12/2009 | Onbepaald | ||
| KENIA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| KROATIE | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 17/08/2009 | 01/08/2010 |
| LAOS | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 18/03/2009 | 01/08/2010 |
| LESOTHO | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 28/05/2010 | 01/11/2010 |
| LIBANON | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| LIBERIA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| LIECHTENSTEIN | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| LITOUWEN | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| LUXEMBURG | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 10/07/2009 | 01/08/2010 |
| MACEDONIE (VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REP.) | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 08/10/2009 | 01/08/2010 |
| MADAGASCAR | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| MALAWI | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 07/10/2009 | 01/08/2010 |
| MALI | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 30/06/2010 | 01/12/2010 |
| MALTA | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 24/09/2009 | 01/08/2010 |
| MAURITANIE | 19/04/2010 | Onbepaald | ||
| MEXICO | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 06/05/2009 | 01/08/2010 |
| MOLDAVIÓ | 03/12/2008 | Aanvaarding | 16/02/2010 | 01/08/2010 |
| MONACO | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| MONTENEGRO | 03/12/2008 | Onbepaald | 25/01/2010 | 01/08/2010 |
| MOZAMBIQUE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| NAMIBIE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| NAURU | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| NEDERLAND | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| NICARAGUA | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 02/11/2009 | 01/08/2010 |
| NIEUW-ZEELAND | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 22/12/2009 | 01/08/2010 |
| NIGER | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 02/06/2009 | 01/08/2010 |
| NIGERIA | 12/06/2009 | Onbepaald | ||
| NOORWEGEN | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 03/12/2008 | 01/08/2010 |
| OOSTENRIJK | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 02/04/2009 | 01/08/2010 |
| PALAU | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| PANAMA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| PARAGUAY | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| PERU | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| PORTUGAL | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| RWANDA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| SAINT VINCENT EN GRENADE | 23/09/2009 | Onbepaald | ||
| SAMOA AMERICAINE | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 28/04/2010 | 01/10/2010 |
| SAN MARINO | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 10/07/2009 | 01/08/2010 |
| SAO TOME EN PRINCIPE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| SENEGAL | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| SEYCHELLEN | 13/04/2010 | Bekrachtiging | 20/05/2010 | 01/11/2010 |
| SIERRA LEONE | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 03/12/2008 | 01/08/2010 |
| SLOVENIE | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 19/08/2009 | 01/08/2010 |
| SOMALIE | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| SPANJE | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 17/06/2009 | 01/08/2010 |
| TANZANIA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| TOGO | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| TSJAAD | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| TSJECHISCHE REP. | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| TUNESIE | 12/01/2009 | Onbepaald | ||
| UGANDA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| URUGUAY | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 24/09/2009 | 01/08/2010 |
| VERENIGD KONINKRIJK | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 04/05/2010 | 01/11/2010 |
| ZAMBIA | 03/12/2008 | Bekrachtiging | 12/08/2009 | 01/08/2010 |
| ZUID-AFRIKA | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| ZWEDEN | 03/12/2008 | Onbepaald | ||
| ZWITSERLAND | 03/12/2008 | Onbepaald |
AFGHANISTAN03/12/2008Onbepaald
ALBANIE03/12/2008Bekrachtiging16/06/200901/08/2010
ANGOLA03/12/2008Onbepaald
ANTIGUA ET BARBUDA16/07/2010Onbepaald
AUSTRALIE03/12/2008Onbepaald
BENIN03/12/2008Onbepaald
BOLIVIA03/12/2008Onbepaald
BOSNIÓ EN03/12/2008Onbepaald
HERZEGOVINA
BOTSWANA03/12/2008Onbepaald
BULGARIJE03/12/2008Onbepaald
BURKINA FASO03/12/2008Bekrachtiging16/02/201001/08/2010
BURUNDI03/12/2008Bekrachtiging25/09/200901/08/2010
België03/12/2008Bekrachtiging22/12/200901/08/2010
CANADA03/12/2008Onbepaald
CENTRAAL-AFRIKAANSE REPUBLIEK03/12/2008Onbepaald
CHILI03/12/2008Onbepaald
COLOMBIA03/12/2008Onbepaald
COMOREN03/12/2008Bekrachtiging28/07/201001/01/2011
CONGO (DEMOCRATISCHE REP.)18/03/2009Onbepaald
CONGO (REPUBLIEK)03/12/2008Onbepaald
COOK(EIL.)03/12/2008Onbepaald
COSTA RICA03/12/2008Onbepaald
CYPRUS23/09/2009Onbepaald
DENEMARKEN03/12/2008Bekrachtiging12/02/201001/08/2010
DJIBOUTI30/07/2010Onbepaald
DOMINICAANSE10/11/2009Onbepaald
REPUBLIEK DUITSLAND03/12/2008Bekrachtiging08/07/200901/08/2010
ECUADOR03/12/2008Bekrachtiging11/05/201001/11/2010
EL SALVADOR03/12/2008Onbepaald
FIJI03/12/2008Bekrachtiging28/05/201001/11/2010
FILIPPIJNEN03/12/2008Onbepaald
FRANKRIJK03/12/2008Bekrachtiging25/09/200901/08/2010
GAMBIA03/12/2008Onbepaald
GHANA03/12/2008Onbepaald
GUATEMALA03/12/2008Onbepaald
GUINEA03/12/2008Onbepaald
GUINEE-BISSAU04/12/2008Onbepaald
HAITI28/10/2009Onbepaald
HEILIGE STOEL03/12/2008Bekrachtiging03/12/200801/08/2010
HONDURAS03/12/2008Onbepaald
HONGARIJE03/12/2008Onbepaald
IERLAND03/12/2008Bekrachtiging03/12/200801/08/2010
IJSLAND03/12/2008Onbepaald
INDONESIE03/12/2008Onbepaald
IRAK12/11/2009Onbepaald
ITALIE03/12/2008Onbepaald
IVOORKUST04/12/2008Onbepaald
JAMAICA12/06/2009Onbepaald
JAPAN03/12/2008Aanvaarding14/07/200901/08/2010
KAAPVERDISCHE(EILANDEN)03/12/2008Onbepaald
KAMEROEN15/12/2009Onbepaald
KENIA03/12/2008Onbepaald
KROATIE03/12/2008Bekrachtiging17/08/200901/08/2010
LAOS03/12/2008Bekrachtiging18/03/200901/08/2010
LESOTHO03/12/2008Bekrachtiging28/05/201001/11/2010
LIBANON03/12/2008Onbepaald
LIBERIA03/12/2008Onbepaald
LIECHTENSTEIN03/12/2008Onbepaald
LITOUWEN03/12/2008Onbepaald
LUXEMBURG03/12/2008Bekrachtiging10/07/200901/08/2010
MACEDONIE (VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REP.)03/12/2008Bekrachtiging08/10/200901/08/2010
MADAGASCAR03/12/2008Onbepaald
MALAWI03/12/2008Bekrachtiging07/10/200901/08/2010
MALI03/12/2008Bekrachtiging30/06/201001/12/2010
MALTA03/12/2008Bekrachtiging24/09/200901/08/2010
MAURITANIE19/04/2010Onbepaald
MEXICO03/12/2008Bekrachtiging06/05/200901/08/2010
MOLDAVIÓ03/12/2008Aanvaarding16/02/201001/08/2010
MONACO03/12/2008Onbepaald
MONTENEGRO03/12/2008Onbepaald25/01/201001/08/2010
MOZAMBIQUE03/12/2008Onbepaald
NAMIBIE03/12/2008Onbepaald
NAURU03/12/2008Onbepaald
NEDERLAND03/12/2008Onbepaald
NICARAGUA03/12/2008Bekrachtiging02/11/200901/08/2010
NIEUW-ZEELAND03/12/2008Bekrachtiging22/12/200901/08/2010
NIGER03/12/2008Bekrachtiging02/06/200901/08/2010
NIGERIA12/06/2009Onbepaald
NOORWEGEN03/12/2008Bekrachtiging03/12/200801/08/2010
OOSTENRIJK03/12/2008Bekrachtiging02/04/200901/08/2010
PALAU03/12/2008Onbepaald
PANAMA03/12/2008Onbepaald
PARAGUAY03/12/2008Onbepaald
PERU03/12/2008Onbepaald
PORTUGAL03/12/2008Onbepaald
RWANDA03/12/2008Onbepaald
SAINT VINCENT EN GRENADE23/09/2009Onbepaald
SAMOA AMERICAINE03/12/2008Bekrachtiging28/04/201001/10/2010
SAN MARINO03/12/2008Bekrachtiging10/07/200901/08/2010
SAO TOME EN PRINCIPE03/12/2008Onbepaald
SENEGAL03/12/2008Onbepaald
SEYCHELLEN13/04/2010Bekrachtiging20/05/201001/11/2010
SIERRA LEONE03/12/2008Bekrachtiging03/12/200801/08/2010
SLOVENIE03/12/2008Bekrachtiging19/08/200901/08/2010
SOMALIE03/12/2008Onbepaald
SPANJE03/12/2008Bekrachtiging17/06/200901/08/2010
TANZANIA03/12/2008Onbepaald
TOGO03/12/2008Onbepaald
TSJAAD03/12/2008Onbepaald
TSJECHISCHE REP.03/12/2008Onbepaald
TUNESIE12/01/2009Onbepaald
UGANDA03/12/2008Onbepaald
URUGUAY03/12/2008Bekrachtiging24/09/200901/08/2010
VERENIGD KONINKRIJK03/12/2008Bekrachtiging04/05/201001/11/2010
ZAMBIA03/12/2008Bekrachtiging12/08/200901/08/2010
ZUID-AFRIKA03/12/2008Onbepaald
ZWEDEN03/12/2008Onbepaald
ZWITSERLAND03/12/2008Onbepaald
| Etats | Date authentification | Type de consentement | Date consentement | Entrée vigueur locale |
| AFGHANISTAN | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| AFRIQUE DU SUD | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| ALBANIE | 03/12/2008 | Ratification | 16/06/2009 | 01/08/2010 |
| ALLEMAGNE | 03/12/2008 | Ratification | 08/07/2009 | 01/08/2010 |
| ANGOLA | 03/12/2008 | Indéterminé | locale | |
| ANTIGUA ET BARBUDA | 16/07/2010 | Indéterminé | ||
| AUSTRALIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| AUTRICHE | 03/12/2008 | Ratification | 02/04/2009 | 01/08/2010 |
| BELGIQUE | 03/12/2008 | Ratification | 22/12/2009 | 01/08/2010 |
| BENIN | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| BOLIVIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| BOSNIE-HERZEGOVINE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| BOTSWANA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| BULGARIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| BURKINA FASO | 03/12/2008 | Ratification | 16/02/2010 | 01/08/2010 |
| BURUNDI | 03/12/2008 | Ratification | 25/09/2009 | 01/08/2010 |
| CAMEROUN | 15/12/2009 | Indéterminé | ||
| CANADA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| CAP-VERT (ILES) | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| CHILI | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| CHYPRE | 23/09/2009 | Indéterminé | ||
| COLOMBIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| COMORES | 03/12/2008 | Ratification | 28/07/2010 | 01/01/2011 |
| CONGO (REP. | 18/03/2009 | Indéterminé | ||
| DEMOCRATIQUE) | ||||
| CONGO (REPUBLIQUE) | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| COOK(ILES) | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| COSTA-RICA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| COTE D`IVOIRE | 04/12/2008 | Indéterminé | ||
| CROATIE | 03/12/2008 | Ratification | 17/08/2009 | 01/08/2010 |
| DANEMARK | 03/12/2008 | Ratification | 12/02/2010 | 01/08/2010 |
| DJIBOUTI | 30/07/2010 | Indéterminé | ||
| DOMINICAINE REPUBLIQUE | 10/11/2009 | Indéterminé | ||
| EL SALVADOR | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| EQUATEUR | 03/12/2008 | Ratification | 11/05/2010 | 01/11/2010 |
| ESPAGNE | 03/12/2008 | Ratification | 17/06/2009 | 01/08/2010 |
| FIDJI | 03/12/2008 | Ratification | 28/05/2010 | 01/11/2010 |
| FRANCE | 03/12/2008 | Ratification | 25/09/2009 | 01/08/2010 |
| GAMBIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| GHANA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| GUATEMALA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| GUINEE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| GUINEE-BISSAU | 04/12/2008 | Indéterminé | ||
| HAITI | 28/10/2009 | Indéterminé | ||
| HONDURAS | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| HONGRIE | 03/12/2008 | Indéterminé | locale | |
| INDONESIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| IRAK | 12/11/2009 | Indéterminé | ||
| IRLANDE | 03/12/2008 | Ratification | 03/12/2008 | 01/08/2010 |
| ISLANDE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| ITALIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| JAMAIQUE | 12/06/2009 | Indéterminé | ||
| JAPON | 03/12/2008 | Acceptation | 14/07/2009 | 01/08/2010 |
| KENYA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| LAOS | 03/12/2008 | Ratification | 18/03/2009 | 01/08/2010 |
| LESOTHO | 03/12/2008 | Ratification | 28/05/2010 | 01/11/2010 |
| LIBAN | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| LIBERIA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| LIECHTENSTEIN | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| LITUANIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| LUXEMBOURG | 03/12/2008 | Ratification | 10/07/2009 | 01/08/2010 |
| MACEDOINE (EX-REP. YOUGOSLAVE DE) | 03/12/2008 | Ratification | 08/10/2009 | 01/08/2010 |
| MADAGASCAR | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| MALAWI | 03/12/2008 | Ratification | 07/10/2009 | 01/08/2010 |
| MALI | 03/12/2008 | Ratification | 30/06/2010 | 01/12/2010 |
| MALTE | 03/12/2008 | Ratification | 24/09/2009 | 01/08/2010 |
| MAURITANIE | 19/04/2010 | Indéterminé | ||
| MEXIQUE | 03/12/2008 | Ratification | 06/05/2009 | 01/08/2010 |
| MOLDAVIE | 03/12/2008 | Acceptation | 16/02/2010 | 01/08/2010 |
| MONACO | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| MONTENEGRO | 03/12/2008 | Indéterminé | 25/01/2010 | 01/08/2010 |
| MOZAMBIQUE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| NAMIBIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| NAURU | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| NICARAGUA | 03/12/2008 | Ratification | 02/11/2009 | 01/08/2010 |
| NIGER | 03/12/2008 | Ratification | 02/06/2009 | 01/08/2010 |
| NIGERIA | 12/06/2009 | Indéterminé | ||
| NORVEGE | 03/12/2008 | Ratification | 03/12/2008 | 01/08/2010 |
| NOUVELLE-ZELANDE | 03/12/2008 | Ratification | 22/12/2009 | 01/08/2010 |
| OUGANDA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| PALAU | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| PANAMA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| PARAGUAY | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| PAYS-BAS | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| PEROU | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| PHILIPPINES | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| PORTUGAL | 03/12/2008 | Indéterminé | localel | |
| REPUBLIQUE CENTRAFRICAINE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| ROYAUME-UNI | 03/12/2008 | Ratification | 04/05/2010 | 01/11/2010 |
| RWANDA | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| SAINT MARIN | 03/12/2008 | Ratification | 10/07/2009 | 01/08/2010 |
| SAINT SIEGE | 03/12/2008 | Ratification | 03/12/2008 | 01/08/2010 |
| SAINT VINCENT ET GRENADE | 23/09/2009 | Indéterminé | ||
| SAMOA AMERICAINES | 03/12/2008 | Ratification | 28/04/2010 | 01/10/2010 |
| SAO TOME ET PRINCIPE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| SENEGAL | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| SEYCHELLES | 13/04/2010 | Ratification | 20/05/2010 | 01/11/2010 |
| SIERRA LEONE | 03/12/2008 | Ratification | 03/12/2008 | 01/08/2010 |
| SLOVENIE | 03/12/2008 | Ratification | 19/08/2009 | 01/08/2010 |
| SOMALIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| SUEDE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| SUISSE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| TANZANIE | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| TCHAD | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| TCHEQUE REP. | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| TOGO | 03/12/2008 | Indéterminé | ||
| TUNISIE | 12/01/2009 | Indéterminé | ||
| URUGUAY | 03/12/2008 | Ratification | 24/09/2009 | 01/08/2010 |
| ZAMBIE | 03/12/2008 | Ratification | 12/08/2009 | 01/08/2010 |
AFGHANISTAN03/12/2008Indéterminé
AFRIQUE DU SUD03/12/2008Indéterminé
ALBANIE03/12/2008Ratification16/06/200901/08/2010
ALLEMAGNE03/12/2008Ratification08/07/200901/08/2010
ANGOLA03/12/2008Indéterminélocale
ANTIGUA ET BARBUDA16/07/2010Indéterminé
AUSTRALIE03/12/2008Indéterminé
AUTRICHE03/12/2008Ratification02/04/200901/08/2010
BELGIQUE03/12/2008Ratification22/12/200901/08/2010
BENIN03/12/2008Indéterminé
BOLIVIE03/12/2008Indéterminé
BOSNIE-HERZEGOVINE03/12/2008Indéterminé
BOTSWANA03/12/2008Indéterminé
BULGARIE03/12/2008Indéterminé
BURKINA FASO03/12/2008Ratification16/02/201001/08/2010
BURUNDI03/12/2008Ratification25/09/200901/08/2010
CAMEROUN15/12/2009Indéterminé
CANADA03/12/2008Indéterminé
CAP-VERT (ILES)03/12/2008Indéterminé
CHILI03/12/2008Indéterminé
CHYPRE23/09/2009Indéterminé
COLOMBIE03/12/2008Indéterminé
COMORES03/12/2008Ratification28/07/201001/01/2011
CONGO (REP.18/03/2009Indéterminé
DEMOCRATIQUE)
CONGO (REPUBLIQUE)03/12/2008Indéterminé
COOK(ILES)03/12/2008Indéterminé
COSTA-RICA03/12/2008Indéterminé
COTE D`IVOIRE04/12/2008Indéterminé
CROATIE03/12/2008Ratification17/08/200901/08/2010
DANEMARK03/12/2008Ratification12/02/201001/08/2010
DJIBOUTI30/07/2010Indéterminé
DOMINICAINE REPUBLIQUE10/11/2009Indéterminé
EL SALVADOR03/12/2008Indéterminé
EQUATEUR03/12/2008Ratification11/05/201001/11/2010
ESPAGNE03/12/2008Ratification17/06/200901/08/2010
FIDJI03/12/2008Ratification28/05/201001/11/2010
FRANCE03/12/2008Ratification25/09/200901/08/2010
GAMBIE03/12/2008Indéterminé
GHANA03/12/2008Indéterminé
GUATEMALA03/12/2008Indéterminé
GUINEE03/12/2008Indéterminé
GUINEE-BISSAU04/12/2008Indéterminé
HAITI28/10/2009Indéterminé
HONDURAS03/12/2008Indéterminé
HONGRIE03/12/2008Indéterminélocale
INDONESIE03/12/2008Indéterminé
IRAK12/11/2009Indéterminé
IRLANDE03/12/2008Ratification03/12/200801/08/2010
ISLANDE03/12/2008Indéterminé
ITALIE03/12/2008Indéterminé
JAMAIQUE12/06/2009Indéterminé
JAPON03/12/2008Acceptation14/07/200901/08/2010
KENYA03/12/2008Indéterminé
LAOS03/12/2008Ratification18/03/200901/08/2010
LESOTHO03/12/2008Ratification28/05/201001/11/2010
LIBAN03/12/2008Indéterminé
LIBERIA03/12/2008Indéterminé
LIECHTENSTEIN03/12/2008Indéterminé
LITUANIE03/12/2008Indéterminé
LUXEMBOURG03/12/2008Ratification10/07/200901/08/2010
MACEDOINE (EX-REP. YOUGOSLAVE DE)03/12/2008Ratification08/10/200901/08/2010
MADAGASCAR03/12/2008Indéterminé
MALAWI03/12/2008Ratification07/10/200901/08/2010
MALI03/12/2008Ratification30/06/201001/12/2010
MALTE03/12/2008Ratification24/09/200901/08/2010
MAURITANIE19/04/2010Indéterminé
MEXIQUE03/12/2008Ratification06/05/200901/08/2010
MOLDAVIE03/12/2008Acceptation16/02/201001/08/2010
MONACO03/12/2008Indéterminé
MONTENEGRO03/12/2008Indéterminé25/01/201001/08/2010
MOZAMBIQUE03/12/2008Indéterminé
NAMIBIE03/12/2008Indéterminé
NAURU03/12/2008Indéterminé
NICARAGUA03/12/2008Ratification02/11/200901/08/2010
NIGER03/12/2008Ratification02/06/200901/08/2010
NIGERIA12/06/2009Indéterminé
NORVEGE03/12/2008Ratification03/12/200801/08/2010
NOUVELLE-ZELANDE03/12/2008Ratification22/12/200901/08/2010
OUGANDA03/12/2008Indéterminé
PALAU03/12/2008Indéterminé
PANAMA03/12/2008Indéterminé
PARAGUAY03/12/2008Indéterminé
PAYS-BAS03/12/2008Indéterminé
PEROU03/12/2008Indéterminé
PHILIPPINES03/12/2008Indéterminé
PORTUGAL03/12/2008Indéterminélocalel
REPUBLIQUE CENTRAFRICAINE03/12/2008Indéterminé
ROYAUME-UNI03/12/2008Ratification04/05/201001/11/2010
RWANDA03/12/2008Indéterminé
SAINT MARIN03/12/2008Ratification10/07/200901/08/2010
SAINT SIEGE03/12/2008Ratification03/12/200801/08/2010
SAINT VINCENT ET GRENADE23/09/2009Indéterminé
SAMOA AMERICAINES03/12/2008Ratification28/04/201001/10/2010
SAO TOME ET PRINCIPE03/12/2008Indéterminé
SENEGAL03/12/2008Indéterminé
SEYCHELLES13/04/2010Ratification20/05/201001/11/2010
SIERRA LEONE03/12/2008Ratification03/12/200801/08/2010
SLOVENIE03/12/2008Ratification19/08/200901/08/2010
SOMALIE03/12/2008Indéterminé
SUEDE03/12/2008Indéterminé
SUISSE03/12/2008Indéterminé
TANZANIE03/12/2008Indéterminé
TCHAD03/12/2008Indéterminé
TCHEQUE REP.03/12/2008Indéterminé
TOGO03/12/2008Indéterminé
TUNISIE12/01/2009Indéterminé
URUGUAY03/12/2008Ratification24/09/200901/08/2010
ZAMBIE03/12/2008Ratification12/08/200901/08/2010
Art. N2. Dit verdrag is op 1 augustus 2010 in werking getreden overeenkomstig zijn artikel 17.1.
Art. N2. Cette convention est entrée en vigueur le 01-08-2010, conformément à son article 17.1.