Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 MEI 2009. - Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-08-2009 en tekstbijwerking tot 11-12-2025)
Titre
8 MAI 2009. - Décret relatif à la qualité de l'enseignement (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-08-2009 et mise à jour au 11-12-2025)
Documentinformatie
Numac: 2009035790
Datum: 2009-05-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2009035790
Date: 2009-05-08
Moniteur: Voir
Inhoud
DEEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN DEEL II. [1Waarborgen voor kwaliteitsvol onderw... TITEL I. - Algemene bepalingen TITEL II. [1 Instellingen]1 HOOFDSTUK I. - Rol van de instellingen HOOFDSTUK II. - Ondersteuning van de kwaliteit Afdeling I. - Algemene bepalingen Afdeling II. - Nascholingsmiddelen voor de inst... Afdeling III. - Nascholing op initiatief van de... Afdeling IV. [1 - Databank Beleidsinformatie On... TITEL III. - De pedagogische [1 begeleiding]1 HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - Oprichting en kerntaken van de ... HOOFDSTUK III. - Omkadering en werkingsmiddelen Afdeling I. - Personeelsformatie Afdeling II. - Verloven wegens bijzondere opdracht Afdeling III. - Werkingsmiddelen HOOFDSTUK IV. Afdeling I. Afdeling II. HOOFDSTUK V. - Tijdelijke subsidies HOODSTUK V/1. [1 - Extra ondersteuning voor de ... Afdeling I. Afdeling II. HOOFDSTUK V/2. [1 Extra financiering en subsidi... HOOFDSTUK VI. - Extra ondersteuning in het volw... HOOFDSTUK VII. - Permanente ondersteuningscelle... HOOFDSTUK VIII. [1 - Evaluatie van de werking v... TITEL IV. - Inspectie HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - Opdrachten en bevoegdheden van ... Afdeling I. - Algemene bepalingen Afdeling II. - Advies bij opname in de erkenning Afdeling IIbis. Afdeling III. - Doorlichtingen Afdeling IV. - Specifieke opdrachten HOOFDSTUK III. - Openbaarheid van de verslagen ... HOOFDSTUK IIIbis. [1 De toegang tot persoonsgeg... HOOFDSTUK IV. - Organisatie en financiering Afdeling I. - Algemene bepalingen Afdeling II. - Organisatie van de inspectie Afdeling III. - Financiering TITEL V. - Overleg tussen de pedagogische begel... DEEL III. - RECHTSPOSITIE INSPECTIE HOOFDSTUK I. - Aanwervingsvoorwaarden HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden Afdeling I. - Plichten Afdeling II. - Onverenigbaarheden Hoofdstuk II/1. [1 Flexibele werkregeling]1 HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de ambten HOOFDSTUK IV. - Het ambt van inspecteur Afdeling I. - Algemene bepalingen Afdeling II. - De selectie Afdeling III. HOOFDSTUK V. - Het ambt van coördinerend inspec... Afdeling I. - Mandaat Afdeling II. - Aanwervingsvoorwaarden Afdeling III. - Selectieprocedure Afdeling IV. - Einde mandaat Afdeling V. - Vaste benoeming HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke uitoefening van de a... Afdeling I. - De tijdelijke aanstelling van bep... Afdeling II. - De tijdelijke aanstelling van on... Afdeling III. - De tijdelijke aanstelling van b... HOOFDSTUK VI/1. [1 Vastbenoemde personeelsleden... HOOFDSTUK VII. - Functiebeschrijving en evaluatie Afdeling I. - Functiebeschrijving Afdeling II. - De evaluatoren Afdeling III. - De evaluatie Afdeling IV. - De evaluatieperiode HOOFDSTUK VIII. - Preventieve schorsing HOOFDSTUK IX. - Tuchtregeling Afdeling I. - Tuchtstraffen Afdeling II. - Doorhaling van tuchtstraffen Afdeling III. - Raad van beroep HOOFDSTUK X. - Administratieve standen Afdeling I. - Algemene bepalingen Afdeling II. - Dienstactiviteit Afdeling III. - Non-activiteit Afdeling IV. - Terbeschikkingstelling HOOFDSTUK XI. - Definitieve ambtsneerlegging HOOFDSTUK XII. - Bezoldigingsregeling DEEL IV. - WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPAL... TITEL I. - Wijzigingsbepalingen met betrekking ... HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het decreet van 2... HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het decreet van ... TITEL II. - Wijzigingsbepalingen met betrekking... TITEL III. - Overige wijzigingsbepalingen HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in de wet van 29 mei... HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het decreet van ... HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in het decreet van... HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen in het decreet van ... HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in het decreet van 1... HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen in het decreet basi... HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in het decreet van... HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen in het decreet va... HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen in het decreet van ... HOOFDSTUK X. - Wijzigingen in het decreet van 4... HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen aan het decreet van... HOOFDSTUK XII. - Wijzigingen aan het decreet va... TITEL IV. - Opheffings- en overgangsbepalingen TITEL V. - Slotbepaling
Inhoud
PARTIE Ire. - DISPOSITIONS GENERALES PARTIE II. [1Garanties pour un enseignement de ... TITRE Ier. - Dispositions générales TITRE II. [1 Etablissements]1 CHAPITRE Ier. - Rôle des établissements CHAPITRE II. - Soutien de la qualité Section Ire. - Dispositions générales Section II. - Moyens de la formation continuée ... Section III. - La formation continuée à l'initi... Section IV. [1 - Base de Données " Beleidsinfor... TITRE III. - L' [1 encadrement]1 pédagogique CHAPITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE II. - Création et missions principales... CHAPITRE III. - Encadrement et moyens de foncti... Section Ire. - Cadre organique Section II. - Congés pour mission spéciale Section III. - Moyens de fonctionnement CHAPITRE IV. Section Ire. Section II. CHAPITRE V. - Subventions temporaires CHAPITRE V/1. [1 - Appui supplémentaire aux éco... Section Ire. Section II. CHAPITRE V/2. [1 Financement et subventionnemen... CHAPITRE VI. - Appui supplémentaire dans l'éduc... CHAPITRE VII. - Cellules permanentes d'appui da... CHAPITRE VIII. [1 - Evaluation du fonctionnemen... TITRE IV. - Inspection CHAPITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE II. - Missions et compétences de l'ins... Section Ire. - Dispositions générales Section II. - Avis lors de la reconnaissance Section IIbis. Section III. - Audits Section IV. - Missions spécifiques CHAPITRE III. - Publicité des rapports et avis CHAPITRE IIIbis. [1 L'accès aux données à carac... CHAPITRE IV. - Organisation et financement Section Ire. - Dispositions générales Section II. - Organisation de l'inspection Section III. - Financement TITRE V. - Concertation entre les services d'en... PARTIE III. - STATUT DE L'INSPECTION CHAPITRE Ier. - Conditions de recrutement CHAPITRE II. - Devoirs et incompatibilités Section Ire. - Devoirs Section II. - Incompatibilités Chapitre II/1. [1Régime de travail flexible]1 CHAPITRE III. - Détermination des fonctions CHAPITRE IV. - La fonction d'inspecteur Section Ire. - Dispositions générales Section II. - La sélection Section III. CHAPITRE V. - La fonction d'inspecteur coordina... Section Ire. - Mandat Section II. - Conditions de recrutement Section III. - Procédure de sélection Section IV. - Fin du mandat Section V. - Nomination à titre définitif CHAPITRE VI. - Exercice temporaire des fonction... Section Ire. - Désignation temporaire à durée d... Section II. - La désignation temporaire à durée... Section III. - La désignation temporaire à duré... CHAPITRE VI/1 [1 Personnels nommés à titre défi... CHAPITRE VII. - Description de fonction et éval... Section Ire. - Description de fonction Section II. - Les évaluateurs Section III. - L'évaluation Section IV. - La période d'évaluation CHAPITRE VIII. - Suspension préventive CHAPITRE IX. - Le régime disciplinaire Section Ire. - Les peines disciplinaires Section II. - La radiation des peines disciplin... Section III. - La chambre de recours CHAPITRE X. - Les positions administratives Section Ire. - Dispositions générales Section II. - L'activité de service Section III. - La non-activité Section IV. - La mise en disponibilité CHAPITRE XI. - Cessation définitive des fonctions CHAPITRE XII. - Statut pécuniaire PARTIE IV. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES, TRANSI... TITRE Ier. - Dispositions modficatives relative... CHAPITRE Ier. - Modifications au décret du 27 m... CHAPITRE II. - Modifications au décret du 27 ma... TITRE II. - Dispositions modificatives relative... TITRE III. - Autres dispositions modificatives CHAPITRE Ier. - Modifications à la loi du 29 ma... CHAPITRE II. - Modifications au décret du 5 jui... CHAPITRE III. - Modifications au décret du 28 a... CHAPITRE IV. - Modifications au décret du 1er d... CHAPITRE V. - Modifications au décret du 16 avr... CHAPITRE VI. - Modifications au décret du 25 fé... CHAPITRE VII. - Modifications au décret du 14 j... CHAPITRE VIII. - Modifications au décret du 1er... CHAPITRE IX. - Modifications au décret du 13 ju... CHAPITRE X. - Modifications au décret du 4 avri... CHAPITRE XI. - Modifications au décret du 15 ju... CHAPITRE XII. - Modifications au décret du 10 j... TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et transi... TITRE V. - Disposition finale
Tekst (356)
Texte (356)
DEEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN
PARTIE Ire. - DISPOSITIONS GENERALES
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
  1° basisonderwijs : het gewoon en buitengewoon basisonderwijs;
  2° bestuur : het orgaan dat voor de onderwijsinstelling [7 , het CLB of het leersteuncentrum]7 de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;
  3° CLB : een centrum voor leerlingenbegeleiding[4 als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding]4;
  4° consortium : het consortium zoals vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs;
  5° competenties : de kennis, vaardigheden en attitudes die het personeelslid nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitoefenen;
  6°[9 ...]9
  7° deeltijds kunstonderwijs : het onderwijs, vermeld in titel V van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II;
  [3 7° /1 doorlichting : elke vorm van kwaliteitstoezicht door de onderwijsinspectie die resulteert in een verslag en in een advies aan de Vlaamse Regering over de voorlopige erkenning of erkenning van de instelling of van afzonderlijke structuuronderdelen;]3
  8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen;
  9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
  10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in [5 de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]5;
  11° instelling : [8 onderwijsinstelling, onderwijsinternaat]8 [7 , CLB of leersteuncentrum]7;
  [7 11° /1 leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 5, 10А, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;]7
  12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering;
  13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is;
  [8 13° /1 onderwijsinternaat: een onderwijsinternaat dat erkend is overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten;]8
  14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen :
  a) [6 Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten;]6
  b) Provinciaal Onderwijs Vlaanderen;
  c) [6 Katholiek Onderwijs Vlaanderen;]6
  d) Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen;
  e) Vlaams Onderwijs Overlegplatform;
  f) [6 Federatie Steinerscholen;]6
  g) [6 Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs (IPCO);]6
  15° organieke betrekkingen : het geheel van organieke betrekkingen, omgerekend in voltijdse eenheden, waarop de instelling recht heeft bij toepassing van de bestaande reglementering voor de personeelscategorieën, vermeld in :
  a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel;
  b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
  16° [7 pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB's en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie;]7]6;
  [3 16° /1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling;]3
  [3 16° /2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB;]3
  [7 16° /3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum;]7
  [8 16° /4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat;]8
  17° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie;
  18° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in [1 artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]1 en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
  19° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  20° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden;
  [3 20° /1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt [8 16° /1, 16° /2, 16° /3 en 16° /4]8]7. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling;]3
  21° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
  [2 22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt.]2
  
Art. 2. Pour l'application du présent décret on entend par :
  1° enseignement fondamental : l'enseignement fondamental ordinaire et spécial;
  2° direction : l'organe qui effectue, à l'égard de l'établissement d'enseignement [7 , du CLB ou du centre de soutien à l'apprentissage ]7, les actes administratifs, conformément aux compétences qui lui sont attribuées par la loi, le décret, le décret spécial ou les statuts;
  3° CLB : un centre d'encadrement des élèves[4 tel que visé à l'article 2 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves]4;
  4° consortium : le consortium tel que visé à l'article 2, 8°, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes;
  5° compétences : les savoirs, aptitudes et attitudes dont le membre du personnel a besoin pour pouvoir exercer convenablement ses missions;
  6° [9 ...]9
  7° enseignement artistique à temps partiel : l'enseignement visé au titre V du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II;
  [3 7° /1 audit : toute forme de contrôle de la qualité par l'inspection de l'enseignement qui résulte en un rapport et un avis au Gouvernement flamand sur l'agrément provisoire ou l'agrément d'un établissement ou des subdivisions structurelles séparées;]3
  8° conditions de reconnaissance : les conditions légales ou décrétales auxquelles un établissement d'enseignement doit répondre pour pouvoir attribuer les titres valables de plein droit à ses élèves ou apprenants[7 ou les conditions légales ou décrétales que doit remplir un CLB ou un centre de soutien à l'apprentissage]7;
  9° indice de santé : l'indice des prix qui est calculé et dénommé pour l'application de l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994 portant dispositions sociales;
  10° enseignement supérieur professionnel : l'enseignement tel que visé au [5 Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013]5;
  11° établissement :[8 l'établissement d'enseignement, l'internat de l'enseignement ]8[7 , le CLB ou le centre de soutien à l'apprentissage]7;
  [7 11° /1 centre de soutien à l'apprentissage : un centre tel que visé à l'article 5, 10°, du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage ;]7
  12° formation continuée : l'ensemble d'activités de formation qui ont pour but d'élargir et d'approfondir les savoirs, aptitudes et attitudes acquis par les membres du personnel pendant leur formation ou leur expérience professionnelle en vue de leur professionnalisation ultérieure;
  13° établissement d'enseignement : un ensemble pédagogique organisant un enseignement et auquel est attribué un numéro d'établissement unique;
  [8 13° /1 internat de l'enseignement : un internat de l'enseignement qui a été agréé conformément à l'article 6 du décret du 16 juin 2023 relatif aux internats de l'enseignement ;]8
  14° organes coordinateurs de l'enseignement : un des groupements représentatifs suivants des pouvoirs organisateurs des établissements subventionnés :
  a) [6 Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (association d'enseignement des villes et communes) ;]6
  b) " Provinciaal Onderwijs Vlaanderen " (Enseignement provincial flamand);
  c) [6 Katholiek Onderwijs Vlaanderen (enseignement catholique flamand) ;]6
  d) " Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen " (Fédération des écoles méthodiques émancipatrices indépendantes et pluralistes);
  e) " Vlaams Onderwijs Overlegplatform " (Plate-forme flamande de concertation pour l'enseignement);
  f) [6 Fédération Steinerscholen (Fédération des écoles Steiner) ;]6
  g) [6 Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk onderwijs (IPCO) (Conseil des pouvoirs organisateurs des écoles chrétiennes à vocation protestante) " ;]6
  15° emplois organiques : l'ensemble d'emplois organiques, convertis en unités à temps plein, auxquelles l'établissement a droit en application de la réglementation existante aux catégories de personnel, visées à :
  a) l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, à l'exception du personnel du service d'encadrement pédagogique et du personnel statutaire de maîtrise, gens de métier et de service;
  b) l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés;
  16° [7 encadrement pédagogique : le soutien professionnel extérieur d'établissements d'enseignement, de CLB et de centres de soutien à l'apprentissage dans leurs efforts en faveur d'un enseignement de qualité, d'un encadrement des élèves de qualité et d'un soutien à l'apprentissage de qualité, intégré dans une relation durable de proximité avec l'établissement ;]7]6;
  [3 16° /1 cadre de référence pour la qualité de l'enseignement : le cadre qui décrit les attentes pour un enseignement de qualité dispensé par les établissements d'enseignement ; le cadre repose sur quatre rubriques : résultats et effets, stimulation du développement, développement de la qualité, et politique et tient compte du contexte et de la participation de l'établissement d'enseignement ;]3
  [3 16° /2 cadre de référence pour la qualité du CLB : le cadre qui décrit les attentes pour un encadrement des élèves de qualité par les CLB ; le cadre repose sur quatre rubriques : résultats et effets, stimulation du développement, développement de la qualité, et politique et tient compte du contexte et de la participation du CLB ;]3
  [7 16° /3 cadre de référence pour un soutien à l'apprentissage de qualité : le cadre qui définit les attentes pour un soutien à l'apprentissage de qualité par les centres de soutien à l'apprentissage ; le cadre s'articule autour de trois rubriques : résultats et effets, développement et politique et tient compte du contexte et de la contribution du centre de soutien à l'apprentissage ;]7
  [8 16° /4 cadre de référence pour la qualité de l'internat de l'enseignement : le cadre qui définit les attentes pour un hébergement et un accompagnement de qualité. Le cadre s'articule autour de quatre rubriques : résultats et effets, stimulation du développement, politique et développement de la qualité et tient compte du contexte et de la contribution de l'internat de l'enseignement ;]8
  17° organisation syndicale représentative : l'association du personnel affiliée à une organisation syndicale représentée dans le 'Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen' (Conseil socio-économique de la Flandre) et dont les activités ciblent l'inspection;
  18° centre d'enseignement : le centre d'enseignement tel que visé à [1 l'article 3, 39°, de la codification relative à l'enseignement secondaire]1 et le centre d'enseignement fondamental tel que visé à l'article 3, 52bis, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
  19° enseignement secondaire : l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, l'enseignement secondaire spécial et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
  20° subdivision structurelle : la subdivision de l'offre d'enseignement qui peut être reconnue séparément;
  [3 20° /1 cadre de contrôle : le cadre utilisé par l'inspection de l'enseignement pour développer ses instruments d'audit et basé sur les cadres de référence tels que visés aux points [8 16° /1, 16° /2, 16° /3 et 16° /4]8. Le cadre d'audit porte sur quatre rubriques : résultats et effets, stimulation du développement, développement de la qualité, et politique et tient compte du contexte et de la participation de l'établissement;]3
  21° éducation des adultes : l'enseignement agréé et financé ou subventionné par la Communauté flamande et organisé par les centres agréés d'éducation des adultes et les centres agréés d'éducation de base, visés par le décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes;
  [2 22° limite d'âge : après la fin de l'année dans laquelle un membre du personnel a atteint l'âge de 65 ans.]2
  
DEEL II. [1Waarborgen voor kwaliteitsvol onderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding, kwaliteitsvolle leersteun en kwaliteitsvolle onderwijsinternaatswerking]1
PARTIE II. [1Garanties pour un enseignement de qualité, un encadrement des élèves de qualité, un soutien à l'apprentissage de qualité et un fonctionnement de l'internat de l'enseignement de qualité ]1
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 3. Dit deel is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, [1 op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding,[2 , op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leersteuncentra, op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinternaten en op de pedagogische begeleidingsdiensten.]2.]1.
  
Art. 3. Sauf disposition contraire expresse, la présente partie s'applique aux établissements d'enseignement agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande de l'enseignement fondamental, de l'enseignement secondaire, de l'éducation des adultes, de l'enseignement artistique à temps partiel, [1 [2 aux centres d'encadrement des élèves financés ou subventionnés par la Communauté flamande, aux centres de soutien à l'apprentissage financés ou subventionnés par la Communauté flamande, aux internats de l'enseignement agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande et aux services d'encadrement pédagogique.]2.]1.
  
TITEL II. [1 Instellingen]1
TITRE II. [1 Etablissements]1
HOOFDSTUK I. - Rol van de instellingen
CHAPITRE Ier. - Rôle des établissements
Art. 4. § 1. Elke onderwijsinstelling is, rekening houdend met haar pedagogisch of agogisch project, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsonderwijs te verstrekken en het geboden onderwijs kwaliteitsvol te ondersteunen.
  Elk CLB is, rekening houdend met de eigen missie en het eigen begeleidingsproject, ervoor verantwoordelijk een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding te verstrekken en de schoolinterne leerlingenbegeleiding te ondersteunen en te helpen optimaliseren.
  [2 Elk leersteuncentrum is, rekening houdend met de eigen visie en het eigen beleid, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsvolle leersteun te verstrekken aan de scholen voor gewoon onderwijs.]2
  [3 Elk onderwijsinternaat zorgt, rekening houdend met de eigen missie en visie, voor kwaliteitsvol verblijf voor en begeleiding van internen, gericht op hun ontwikkeling en de realisatie van hun schoolloopbaan.]3
  § 2. [1 Het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, houdt minimaal in dat de onderwijsinstelling :
   1° de onderwijsreglementering respecteert;
   2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering, tegemoetkomt.
   Het verstrekken van kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, houdt minimaal in dat het CLB :
   1° de CLB-reglementering respecteert;
   2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering, tegemoetkomt]1
.
  [2 Het verstrekken van kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in paragraaf 1, derde lid, houdt minimaal in dat het leersteuncentrum:
   1° de reglementering die van toepassing is op de leersteuncentra, respecteert;
   2° tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun, dat is vastgelegd door de Vlaamse Regering.]2

  [3 Het verstrekken van een kwaliteitsvolle onderwijsinternaatswerking als vermeld in paragraaf 1, vierde lid, houdt minimaal in dat het onderwijsinternaat:
   1А de onderwijsinternaatsreglementering respecteert;
   2А aan de kwaliteitsverwachtingen tegemoetkomt die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering.]3

  
Art. 4. § 1er. Tout établissement d'enseignement est responsable, tout en tenant compte du projet pédagogique ou agogique, de l'organisation d'un enseignement de qualité et d'un soutien de qualité de l'enseignement offert.
  Tout CLB est responsable, tout en tenant compte de sa propre mission et son propre projet d'encadrement, de fournir un encadrement des élèves de qualité et de soutenir et d'optimiser l'encadrement des élèves interne à l'école.
  [2 Chaque centre de soutien à l'apprentissage a la responsabilité, compte tenu de sa propre vision et de sa propre politique, de fournir un soutien à l'apprentissage de qualité aux écoles d'enseignement ordinaire.]2
  [3 Chaque internat de l'enseignement assure aux internes, compte tenu de sa propre vision et de sa propre mission, un hébergement et un accompagnement de qualité en vue de leur développement et de l'accomplissement de leur parcours scolaire.]3
  § 2. [1 La fourniture d'un enseignement de qualité, tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, implique au minimum que l'établissement d'enseignement :
   1° respecte la réglementation de l'enseignement ;
   2° répond aux attentes de qualité contenues dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement fixé par le Gouvernement flamand.
   La fourniture d'un encadrement des élèves de qualité, tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 2, implique au minimum que le CLB :
   1° respecte la réglementation sur les CLB ;
   2° répond aux attentes de qualité contenues dans le cadre de référence pour la qualité du CLB fixé par le Gouvernement flamand]1
.
  [2 La fourniture d'un soutien à l'apprentissage de qualité visé au paragraphe 1er, alinéa 3, suppose au minimum que le centre de soutien à l'apprentissage :
   1° respecte la réglementation applicable aux centres de soutien à l'apprentissage ;
   2° rencontre les attentes en termes de qualité figurant dans le cadre de référence pour un soutien à l'apprentissage de qualité, qui a été fixé par le Gouvernement flamand.]2

  [3 Assurer un fonctionnement de l'internat de l'enseignement de qualité tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 4, suppose au minimum que l'internat de l'enseignement :
   1° respecte la réglementation relative aux internats de l'enseignement;
   2° rencontre les attentes en termes de qualité figurant dans le cadre de référence pour la qualité de l'internat de l'enseignement fixé par le Gouvernement flamand.]3

  
Art. 5. De realisatie van het in artikel 4 bepaalde, veronderstelt dat de instelling beschikt over het beleidsvoerend vermogen dat haar in staat stelt om zelfstandig een kwaliteitsvol beleid te voeren. Dat zelfstandige beleid respecteert de beleidscontext die door de overheid wordt vastgelegd in de regelgeving.
Art. 5. La réalisation de la disposition de l'article 4 suppose que l'établissement dispose d'une capacité gestionnaire qui lui permet une gestion autonome et de qualité. Cette gestion autonome respecte le contexte politique qui est fixé dans la réglementation.
Art. 6. Elke instelling onderzoekt en bewaakt op systematische wijze haar eigen kwaliteit. De instelling kiest zelf de wijze waarop zij dit doet.
Art. 6. Tout établissement examine et contrôle systématiquement sa propre qualité. L'établissement choisit lui-même la façon dont il exerce ce contrôle.
Art. 6/1. [1 Onder de in dit artikel vastgelegde voorwaarden verleent de Vlaamse Regering een subsidie aan één kenniscentrum voor onderwijs, Leerpunt.
   Het Leerpunt heeft de volgende doelstellingen:
   1° het ontwikkelen van een onafhankelijke, toegankelijke en wetenschappelijk onderbouwde kennisbasis over wat werkt op het vlak van didactisch handelen rekening houdende met diverse contexten en leermiddelen;
   2° het doorvertalen van deze kennisbasis naar de Vlaamse klas- en schoolpraktijk om leraren te ondersteunen in hun dagelijkse klaspraktijk;
   3° het gericht en helder communiceren, verspreiden en valoriseren van de kennis;
   4° het ondersteunen en stimuleren van het gebruik van deze kennis door lera ren(teams) in de dagelijkse klas- en schoolpraktijk, met respect voor de eigen pedagogische projecten. Hierbij is expliciet aandacht voor het versterken van het reflecterend en onderzoekend handelen van de leraren.
   De inhoudelijke focus van het Leerpunt ligt op het ondersteunen van het pedagogisch-didactisch handelen van leraren in het basis- en secundair onderwijs.
   Het Leerpunt werkt samen met onderwijsverstrekkers, pedagogische begeleidingsdiensten, lerarenopleidingen, onderzoekersinstellingen, andere actoren in het onderwijs en gelijkaardige instellingen in binnen- en buitenland.
   Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering aan het Leerpunt jaarlijks een subsidie ter beschikking als tegemoetkoming om de vooropgestelde doelstellingen van het Leerpunt te realiseren. Deze subsidies worden toegekend in de vorm van een vierjaarlijks financieringsbudget. De Vlaamse Regering kan een bijkomende subsidie verlenen voor de uitvoering van specifieke bijkomende opdrachten die passen binnen de vooropgestelde doelstellingen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de uitbetaling van de middelen en de evaluatie van de werking van het Leerpunt. Deze voorwaarden waarborgen dat het Leerpunt samenwerkt met of beroep doet op bestaande initiatieven.]1

  
Art. 6/1. [1 Dans les conditions prévues au présent article, le Gouvernement flamand accorde une subvention à un centre de connaissances en matière d'enseignement appelé " Point d'apprentissage ".
   Le " Point d'apprentissage " poursuit les objectifs suivants :
   1° développer une base de connaissances indépendante, accessible et étayée scientifiquement sur ce qui fonctionne en termes d'action didactique compte tenu des différents contextes et moyens didactiques ;
   2° traduire cette base de connaissances dans la pratique des classes et des écoles flamandes afin de soutenir les enseignants dans leur pratique quotidienne en classe ;
   3° communiquer, diffuser et valoriser de manière ciblée et claire les connaissances ;
   4° soutenir et stimuler l'utilisation de ces connaissances par les enseignants ou des équipes d'enseignants dans la pratique quotidienne des classes et des écoles, dans le respect de leurs propres projets pédagogiques. Une attention est particulièrement portée à cet égard au renforcement de la pratique des enseignants en matière de réflexion et de recherche.
   L'objectif principal du Point d'apprentissage est de soutenir la pratique pédagogique et didactique des enseignants dans l'enseignement primaire et secondaire.
   Le Point d'apprentissage coopère avec des prestataires de services éducatifs, des services d'encadrement pédagogique, des instituts de formation des enseignants, des instituts de recherche, d'autres acteurs de l'enseignement et des institutions similaires nationales et internationales.
   Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand met une subvention annuelle à la disposition du " Point d'apprentissage " comme intervention pour réaliser les objectifs du " Point d'apprentissage ". Ces subventions sont octroyées sous la forme d'un budget de financement quadriennal. Le Gouvernement flamand peut accorder une subvention supplémentaire pour l'exécution de missions supplémentaires spécifiques qui s'inscrivent dans le cadre des objectifs fixés. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de paiement des moyens et d'évaluation du fonctionnement du " Point d'apprentissage ". Ces conditions garantissent que le " Point d'apprentissage " collabore avec ou fait appel à des initiatives existantes.]1

  
HOOFDSTUK II. - Ondersteuning van de kwaliteit
CHAPITRE II. - Soutien de la qualité
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Section Ire. - Dispositions générales
Art. 7. Dit hoofdstuk is, met uitzondering van afdeling II, niet van toepassing op de basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 44 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
Art. 7. Le présent chapitre, à l'exception de la section II, ne s'applique pas à l'éducation de base et aux centres d'éducation des adultes, visés à l'article 44 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes.
Afdeling II. - Nascholingsmiddelen voor de instellingen
Section II. - Moyens de la formation continuée pour les établissements
Art. 8. Elke instelling stelt jaarlijks een [1 professionaliseringsplan]1 op. Dat [1 professionaliseringsplan]1 bevat op een samenhangende wijze alle vormingsinspanningen die erop gericht zijn de kennis, vaardigheden en attitudes van de personeelsleden van de instelling te ontwikkelen, te verbreden of te verdiepen en begeleidingsinitiatieven die gericht zijn op organisatieontwikkeling.
  [1 In het professionaliseringsplan worden ook de aanpak en uitwerking opgenomen van de aanvangsbegeleiding voor de personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur als vermeld in artikel 20bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.]1
  Het [1 professionaliseringsplan]1 wordt goedgekeurd door ofwel het lokaal comité ofwel, bij ontstentenis hiervan, door de algemene personeelsvergadering.
  Onder lokaal comité wordt verstaan : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan.
  [2 Als aan personeelsleden professionalisering wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van het [3 bestuur]3.]2
  
Art. 8. Tout établissement élabore annuellement un [1 plan de professionnalisation]1. Ce [1 plan de professionnalisation]1 contient d'une façon cohérente tous les efforts de formation visant à développer, élargir ou approfondir les savoirs, aptitudes et attitudes des membres du personnel de l'établissement et les initiatives d'encadrement axées sur le développement organisationnel.
  [1 Le plan de professionnalisation comprend également l'approche et l'élaboration de l'encadrement initial pour les membres du personnel désignés pour une durée déterminée visés à l'article 20bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 20bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné.]1
  Le [1 plan de professionnalisation]1 est approuvé ou bien par le comité local ou bien, à défaut, par l'assemblée générale du personnel.
  Par comité local, on entend : l'organe local de concertation ou de négociation compétent en matière de conditions de travail et de ressources humaines;
  [2 Si une professionnalisation est imposée aux membres du personnel, les frais sont supportés par [3 l'autorité]3.]2
  
Art. 9. § 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.
  § 2. [4 [1 2 [13 Ї 2. De nascholingsmiddelen per niveau bedragen vanaf het begrotingsjaar 2024:
   1° voor het basisonderwijs: 3.924.000 euro;
   2° voor het secundair onderwijs: 6.251.000 euro;
   3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;
   4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;
   5° voor de CLB's: 178.000 euro;
   6° voor de basiseducatie: 77.500 euro;
   7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden die bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.]1
3.]4

  § 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.
  [5 ...]5
  [13 § 4. In afwijking van paragraaf 3 worden voor de telling op 1 februari 2023 de ondersteuners die zijn aangesteld in scholen voor buitengewoon onderwijs, niet meegeteld, en wordt voor de leersteuncentra in het jaar 2024 het aandeel in de middelen, bepaald in paragraaf 2, 7А, waarop elk leersteuncentrum recht heeft, pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in het leersteuncentrum op 1 oktober 2023.]13
  
Art. 9. § 1er. La Communauté flamande alloue chaque année des moyens en faveur de la formation continuée aux établissements pour exécuter le plan de formation continuée.
  § 2. [4 [8 [13 § 2. Les moyens de formation continue par niveau s'élèvent à partir de l'année budgétaire 2024 :
   1° pour l'enseignement fondamental : à 3.924.000 euros ;
   2° pour l'enseignement secondaire : à 6.251.000 euros ;
   3° pour l'éducation des adultes, à l'exception de l'éducation de base : à 418.000 euros ;
   4° pour l'enseignement artistique à temps partiel : à 255.000 euros ;
   5° pour les CLB : à 178.000 euros ;
   6° pour l'éducation de base : à 77.500 euros ;
   7° pour les centres de soutien à l'apprentissage : 167.000 euros.
   A partir de l'année budgétaire 2025, ces montants sont adaptés à l'évolution de l'indice santé.]13
.]4

  § 3. La quote-part des moyens auxquels tout établissement a droit, est calculée au prorata sur la base du nombre d'emplois organiques dans l'établissement au 1er février de l'année budgétaire précédente, en tenant compte du niveau pour lequel ces moyens, visés au § 2, sont prévus.
  [5 ...]5
  [13 § 4. Par dérogation au paragraphe 3, les intervenants en soutien qui ont été désignés dans des écoles d'enseignement spécial ne sont pas pris en compte pour le comptage au 1er février 2023 et, en ce qui concerne les centres de soutien à l'apprentissage, la part des moyens prévus au paragraphe 2, 7°, à laquelle chaque centre de soutien à l'apprentissage a droit en 2024 est calculée au prorata sur la base du nombre d'emplois organiques au sein du centre de soutien à l'apprentissage au 1er octobre 2023. ]13
  
Art. 10. De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar.[1 Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting of het programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing, van het begrotingsjaar waarin de nascholingsmiddelen voor het betrokken begrotingsjaar zijn opgenomen, aanleiding geeft tot meer nascholingsmiddelen voor de instellingen, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.]1
  Elk bestuur wendt de middelen uitsluitend aan voor de nascholing van de personeelsleden van de instelling die recht heeft op de nascholingsmiddelen, en dit overeenkomstig het goedgekeurde nascholingsplan.
  Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 50 % van de jaarlijkse middelen.
  
Art. 10. Les moyens de la formation continuée sont payés en deux tranches aux administrations des établissements. La première tranche de soixante pour cent est payée avant la fin du mois de février de l'année budgétaire concernée, la seconde tranche de quarante pour cent est payée avant la fin du mois de juin de l'année budgétaire concernée.[1 Si le décret ajustant le budget général des dépenses ou le décret-programme contenant des dispositions d'accompagnement de l'ajustement budgétaire, de l'année budgétaire dans laquelle sont repris les moyens de formation continue pour l'année budgétaire en question, donne lieu à des moyens de formation continue supplémentaires pour les établissements, ces moyens supplémentaires sont versés dans les deux mois suivant la ratification par le Gouvernement flamand du décret en question.]1
  Toute direction n'affecte les moyens qu'à la formation continuée des membres du personnel de l'établissement qui peut prétendre aux moyens de la formation continuée, et ce, conformément au plan de formation continuée concernée.
  Une réserve financière peut être constituée s'élevant à 50 % au maximum des moyens annuels.
  
Art. 11. Nascholingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald.
  Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende nascholingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van de werkingsmiddelen of -toelagen.
  Een terugvordering of inhouding van de nascholingsmiddelen kan er niet toe leiden dat het gedeelte van de werkingsmiddelen voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.
Art. 11. Les moyens de la formation continuée qui ne sont pas affectés à temps, doivent être remboursés sans délai.
  En cas de détournement des moyens, le Gouvernement flamand peut imposer une amende administrative s'élevant au maximum au quintuple des moyens de la formation continuée détournés. L'amende administrative peut être déduite des moyens encore dus à la direction, y compris les moyens ou allocations de fonctionnement.
  Un recouvrement ou une retenue des moyens de la formation continuée ne peut pas avoir comme effet que la part des moyens de fonctionnement destinés aux personnels ne devienne, en chiffres absolus, inférieure au montant de la part si la mesure n'avait pas été prise.
Afdeling III. - Nascholing op initiatief van de Vlaamse Regering
Section III. - La formation continuée à l'initiative du Gouvernement flamand
Art. 12. § 1. [3 De Vlaamse Regering stelt voor scholen, centra, [5 onderwijsinternaten]5en instellingen beleidsprioriteiten vast voor de nascholingsinitiatieven die noodzakelijk zijn om de implementatie van onderwijshervormingen te ondersteunen. Ze bepaalt eveneens de doelgroepen die kunnen deelnemen aan deze nascholingsinitiatieven.]3
  Ze bepaalt de wijze waarop die beleidsprioriteiten worden vastgesteld. Deze beleidsprioriteiten worden meegedeeld aan het Vlaams Parlement.
  § 2. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar een bedrag ter beschikking voor deze nascholingsinitiatieven.
  [1 Voor het begrotingsjaar [4 2015]4 is dit bedrag gelijk aan [4 614.000]4 euro. Vanaf het begrotingsjaar [4 2016]4 wordt dit bedrag aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.]1
  § 3. De Vlaamse Regering wijst de uitvoering van de nascholingsinitiatieven projectmatig toe aan nascholingsorganisaties volgens de regels die ze zelf vaststelt.
  
Art. 12. § 1er. [3 Le Gouvernement flamand détermine pour les écoles, centres, [5 internats de l'enseignement]5 et institutions les priorités stratégiques des initiatives de formation continuée nécessitées par la mise en oeuvre des réformes de l'enseignement. Il détermine également les groupes cibles qui peuvent participer à ces initiatives de formation continuée.]3
  Il fixe le mode de détermination de ces priorités de gestion. Ces priorités de gestion sont communiquées au Parlement flamand.
  § 2. La Communauté flamande alloue chaque année un montant à ces initiatives de formation continuée.
  [1 Pour l'année budgétaire [4 2015]4, ce montant s'élève à [4 614.000]4 euros. A compter de l'année budgétaire [4 2016]4, ce montant est ajusté à l'évolution de l'indice santé.]1
  § 3. Le Gouvernement flamand attribue la mise en oeuvre des initiatives de formation continuée sous forme de projets aux organisations de formation continuée suivant les modalités qu'il fixe lui-même.
  
Afdeling IV. [1 - Databank Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming]1
Section IV. [1 - Base de Données " Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming " (Informations politiques Enseignement et Formation)]1
Art. 12/1. [1 Deze afdeling is ook van toepassing op de universiteiten en hogescholen.]1
  
Art. 12/1. [1 La présente section s'applique également aux universités et aux instituts supérieurs.]1
  
Art. 12/2. [1 De Vlaamse Regering regelt de uitbouw en het beheer van een databank Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming, met informatie rond onderwijs en vorming in Vlaanderen.
   Die databank heeft de volgende doelstellingen:
   1° het ondersteunen van de voorbereiding en evaluatie van het Vlaamse onderwijsbeleid;
   2° het ondersteunen van het beleidsvoerend vermogen en de interne en externe kwaliteitszorg van en over de onderwijsinstellingen door een aanbod van informatierijke omgevingen;
   3° het aanleveren van data voor wetenschappelijk onderzoek rond onderwijs en vorming;
   4° het beantwoorden van informatievragen van derden rond onderwijs en vorming;
   5° het genereren van officiële onderwijsstatistieken voor historische en beleidsdoeleinden.
   Om de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, te bereiken, worden in de databank Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming de volgende categorieën van gegevens verzameld over het Vlaamse onderwijsbeleid:
   1° gegevens over de instroom, doorstroom en uitstroom van lerenden, hun socio-economische situatie en hun prestaties, met inbegrip van hun identificatiegegevens, financiële bijzonderheden, persoonlijke kenmerken, gezinssamenstelling, opleiding en vorming, beroep en betrekking;
   2° gegevens over de instroom, doorstroom en uitstroom van personeelsleden en hun prestaties, met inbegrip van hun identificatiegegevens, financiële bijzonderheden, persoonlijke kenmerken, gezinssamenstelling, opleiding en vorming, beroep en betrekking;
   3° gegevens over de werking en organisatie van de instellingen.
   De entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en de onderwijsinspectie verstrekken daarvoor de voor het Vlaamse onderwijsbeleid noodzakelijke gegevens waarover ze beschikken, [2 met toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd]2. De entiteit die door de Vlaamse Regering wordt belast met de voorbereiding van het Vlaamse onderwijsbeleid is [2 verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)]2.
   De gecodeerde persoonsgegevens kunnen onder contractuele voorwaarden ook doorgegeven worden met het oog op wetenschappelijk onderzoek.
   Met het oog op statistische verwerkingen die de tijdsevolutie van het onderwijs in Vlaanderen weergeven, worden een aantal gegevens permanent bewaard, maar gegevens die niet langer nuttig zijn voor de doeleinden worden verwijderd.
   De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de raadpleging, het gebruik en de verkrijging van de verwerkte gegevens bepalen. Ze kan ook de algemene organisatorische en technische maatregelen bepalen die genomen moeten worden om de kwaliteit, de vertrouwelijkheid en de veiligheid van de gegevens te garanderen.]1

  
Art. 12/2. [1 Le Gouvernement flamand règle le développement et la gestion d'une base de données " Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming ", qui contient des informations relatives à l'enseignement et la formation en Flandre.
   Cette base de données a les objectifs suivants :
   1° soutenir la préparation et l'évaluation de la politique flamande en matière d'enseignement ;
   2° soutenir le pouvoir gestionnel et la gestion de la qualité interne et externe des établissements d'enseignement par une offre d'environnements riches en informations ;
   3° fournir des données pour des recherches scientifiques dans le domaine de l'enseignement et de la formation ;
   4° répondre à des demandes d'information de tiers en matière d'enseignement et de formation ;
   5° générer des statistiques officielles en matière d'enseignement pour des objectifs historiques et de politique.
   Afin d'atteindre les objectifs visés à l'alinéa premier, les catégories de données suivantes sur la politique flamande en matière d'enseignement sont recueillies dans la base de données " Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming " :
   1° des données relatives à l'entrée, la transition et la sortie d'apprenants, leur situation socioéconomique et leurs prestations, y compris leurs données d'identification, particularités financières, caractéristiques personnelles, composition familiale, éducation et formation, profession et emploi ;
   2° des données relatives à l'entrée, la transition et la sortie de membres du personnel et à leurs prestations, y compris leurs données d'identification, particularités financières, caractéristiques personnelles, composition familiale, éducation et formation, profession et emploi ;
   3° des données sur le fonctionnement et l'organisation des établissements d'enseignement.
   Les entités du domaine politique de l'Enseignement et de la Formation et l'Inspection de l'Enseignement fournissent à cet effet les données nécessaires pour la politique flamande en matière d'enseignement dont ils disposent, [2 en application des règles relatives à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données personnelles applicables à la communication de données personnelles, telles qu'elles sont ou seront précisées au niveau fédéral ou flamand selon le cas]2. L'entité chargée par le Gouvernement flamand de la préparation de la politique flamande en matière d'enseignement est [2 responsable du traitement tel que visé à l'article 4, point 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)]2.
   A des conditions contractuelles, les données personnelles codifiées peuvent être fournies en vue de recherches scientifiques.
   En vue de traitements de statistique représentant l'évolution dans le temps de l'enseignement en Flandre, un nombre de données sont conservées en permanence ; cependant, les données n'étant plus utiles pour les objectifs sont éliminées.
   Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions de la consultation, de l'utilisation et de l'obtention des données traitées. Il peut en même temps définir les mesures organisationnelles et techniques générales qui doivent être prises afin de garantir la qualité, la confidentialité et la sécurité des données.]1

  
TITEL III. - De pedagogische [1 begeleiding]1
TITRE III. - L' [1 encadrement]1 pédagogique
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 13. [1 Deze titel, met uitzondering van artikel 14, § 3, eerste lid, van dit decreet, is niet van toepassing op [2 de basiseducatie, de centra voor volwassenenonderwijs en de onderwijsinternaten]2, die niet in rekening worden gebracht voor het vaststellen van de personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdiensten, vermeld in artikel 16.]1
  
Art. 13. [1 Le présent titre, à l'exception de l'article 14, § 3, alinéa 1er, du présent décret, ne s'applique pas [2 à l'éducation de base, aux centres d'éducation des adultes ni aux internats de l'enseignement]2, qui ne sont pas pris en compte pour l'établissement du cadre organique des services d'encadrement pédagogique, visé à l'article 16.]1
  
HOOFDSTUK II. - Oprichting en kerntaken van de pedagogische begeleidingsdiensten
CHAPITRE II. - Création et missions principales des services d'encadrement pédagogique
Art. 14. § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten worden georganiseerd door verenigingen zonder winstoogmerk die zijn opgericht door de onderwijskoepels.
  Per onderwijskoepel kan één pedagogische begeleidingsdienst in de toelageregeling worden opgenomen.
  § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 33, § 1, 6°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt in het gemeenschapsonderwijs door de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, een pedagogische begeleidingsdienst opgericht.
  § 3. Instellingen die geen deel uitmaken van een onderwijskoepel of van het gemeenschapsonderwijs, kunnen zich voor de taken beschreven in artikel 15 [1 ...]1 contractueel laten begeleiden door één pedagogische begeleidingsdienst.
  Gesubsidieerde instellingen die wel deel uitmaken van een onderwijskoepel kunnen zich voor de taken beschreven in artikel 15 [1 ...]1 contractueel laten begeleiden door één andere pedagogische begeleidingsdienst dan deze georganiseerd door de eigen onderwijskoepel.
  
Art. 14. § 1er. Les services d'encadrement pédagogique sont organisés par des associations sans but lucratif qui sont établies par les organes coordinateurs de l'enseignement.
  Par organe coordinateur de l'enseignement, un seul service d'encadrement pédagogique ne peut être inscrit dans le régime d'allocations.
  § 2. Sans préjudice de l'application de l'article 33, § 1er, 6°, du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire, il est établi un service d'encadrement pédagogique par le Conseil de l'Enseignement communautaire dans l'enseignement communautaire sur la proposition de l'administrateur délégué.
  § 3. Des établissements ne faisant pas partie d'un organe coordinateur de l'enseignement ou de l'enseignement communautaire, peuvent se faire accompagner par contrat par un service d'encadrement pédagogique pour les missions décrites dans l'article 15 [1 ...]1.
  Des établissements subventionnés faisant partie d'un organe coordinateur de l'enseignement peuvent se faire accompagner par contrat par un autre service d'encadrement pédagogique que celui organisé par le propre organe coordinateur de l'enseignement pour les missions décrites dans l'article 15 [1 ...]1.
  
Art. 15. [1 § 1.[2 De pedagogische begeleidingsdiensten begeleiden de onderwijsinstellingen, de CLB's en de leersteuncentra in kwestie en hun personeelsleden in het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun, zoals bepaald in artikel 4, Ї 2.
   Dit houdt in dat de pedagogische begeleidingsdiensten de volgende doelstellingen realiseren met de begeleiding die ze opzetten, waarbij ze vertrekken vanuit het pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project van de onderwijsinstelling in kwestie, van de eigen missie en het eigen begeleidingsproject van het CLB in kwestie of van de eigen visie en het beleid van de leersteuncentra in kwestie en ze steeds rekening houden met de noden en de vragen van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie:
   1° het versterken van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden van onderwijsinstellingen, de CLB's en de leersteuncentra in kwestie, in rechtstreeks contact, met aandacht voor het versterken van hun pedagogische en didactische handelen en met het oog op de ontwikkeling van alle lerenden;
   2° het versterken van de onderwijsinstellingen, CLB's en leersteuncentra in kwestie als professionele lerende organisatie. De pedagogische begeleidingsdiensten geven hierbij voorrang aan de onderwijsinstellingen, CLB's of leersteuncentra waar zich de grootste noden op deze vlakken situeren. Om deze onderwijsinstellingen, CLB's of leersteuncentra te identificeren kunnen de pedagogische begeleidingsdiensten gebruikmaken van verschillende bronnen zoals de gegevens van de pedagogische begeleidingsdienst zelf, de gegevens van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie, de gegevens uit doorlichtingstrajecten uitgevoerd door de onderwijsinspectie van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie, de gegevens die aan de basis liggen van het profiel van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum, vermeld in artikel 38, Ї 4, of andere resultaten of gegevens die wijzen op een lage kwaliteit van onderwijs, leerlingenbegeleiding of leersteun;
   3° het ondersteunen van de onderwijsinstellingen in kwestie bij de realisatie van hun eigen pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project, het ondersteunen van de CLB's in kwestie bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject en het ondersteunen van de leersteuncentra bij de realisatie van hun eigen visie en beleid;
   4° het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering bij de onderwijsinstellingen, de CLB's en de leersteuncentra in kwestie, zoals bepaald in artikel 19/2.
   De nadruk van de begeleiding van de pedagogische begeleidingsdiensten ligt steeds op de ontwikkeling van onderwijsinstellingen, CLB's en leersteuncentra in kwestie. Hiervoor is een duurzame relatie met de betrokken instellingen noodzakelijk.]2

   § 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt vijfjaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende vijf schooljaren. Zij dient dit uiterlijk in bij de bevoegde dienst op 1 april voorafgaand aan de start van het eerste schooljaar van de periode van in totaal vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft. In afwijking hiervan dient iedere pedagogische begeleidingsdienst uiterlijk op 30 september 2022 een begeleidingsplan in bij de bevoegde dienst voor een periode van drie schooljaren die betrekking heeft op de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025.
   De Vlaamse Regering keurt de begeleidingsplannen goed op basis van de volgende criteria:
   1° de uitwerking en de volledigheid van het begeleidingsplan. Daarvoor bevat elk begeleidingsplan een beschrijving van ten minste de volgende elementen en een globale motivering bij de gemaakte keuzes:
   a) een visie op begeleiding en een duurzame vertaling van deze visie in de begeleidingspraktijk;
   b) een vertaling van de doelstellingen, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 4°, naar operationele doelstellingen, inclusief het vooropgestelde tijdspad en de geraamde inzet van personeel en werkingsmiddelen;
   c) de beoogde doelgroepen;
   d) de wijze waarop de instellingen met de grootste noden, vermeld in artikel 15, § 1, 2°, van het decreet, worden geïdentificeerd en begeleid;
   e) de wijze waarop rechtstreekse contacten met de beoogde doelgroepen gerealiseerd worden met het oog op de realisatie van een duurzame instellingsnabije relatie als vermeld in paragraaf 1, laatste lid;
   f) het verwachte bereik van de begeleidingsactiviteiten en de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten in kaart zal worden gebracht;
   2° de ontwikkeling van de pedagogische begeleidingsdienst als organisatie. Daarvoor bevat elk begeleidingsplan een beschrijving van ten minste de volgende elementen en een globale motivering bij de gemaakte keuzes:
   a) het personeels- en professionaliseringsbeleid;
   b) het interne kwaliteitszorgbeleid;
   c) de wijze waarop doelgerichte samenwerking met de andere pedagogische begeleidingsdiensten of permanente ondersteuningscellen wordt gekozen;
   d) de wijze waarop doelgerichte samenwerking met andere actoren betrokken bij de kwaliteit van onderwijs[2 , leerlingenbegeleiding en leersteun.]2 wordt gekozen;
   e) de wijze waarop de wetenschappelijke onderbouwing van de begeleiding vorm krijgt;
   f) de wijze waarop wordt omgegaan met onverwachte of nieuwe vragen en uitdagingen.
   De Vlaamse Regering bepaalt een sjabloon waarin de begeleidingsplannen worden opgesteld en de verdere procedure voor de goedkeuring van de begeleidingsplannen. De pedagogische begeleidingsdiensten delen de goedgekeurde begeleidingsplannen mee aan de onderwijsinstellingen[2 , CLB's en leersteuncentra]2 in kwestie.
   Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. Na de periode van vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft, rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten in hun jaarlijkse rapport over de activiteiten van de ganse periode van vijf schooljaren. De stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten.
   De Vlaamse Regering bepaalt welke elementen minimaal in de jaarlijkse rapporten worden opgenomen en bepaalt de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten.
   § 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de onderwijsinstellingen en [2 , CLB's en leersteuncentra]2 in kwestie en hun personeelsleden.
   § 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze de kwaliteit van de geboden begeleiding. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet, waarbij ze er rekening mee houdt dat een kwaliteitsvolle begeleiding minimaal inhoudt dat de pedagogische begeleidingsdiensten:
   1° zowel inhoudelijk als agogisch werken op een wetenschappelijk onderbouwde wijze en functioneren als professionele organisaties;
   2° deelnemen aan overleg met de Vlaamse overheid en andere actoren over de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding;
   3° doelgericht samenwerken, zowel onderling als met andere relevante actoren zoals de lerarenopleidingen, de instellingen hoger onderwijs en de onderwijsinspectie. Doelgericht betekent met het oog op het versterken van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de begeleiding en kan voor de pedagogische begeleidingsdienst betekenen dat zij een makelaarsrol opneemt. In dit artikel wordt verstaan onder makelaarsrol, de rol die de pedagogische begeleidingsdiensten hebben om de onderwijsinstellingen [2 , de CLB's of de leersteuncentra]2 in kwestie gericht te adviseren over het aanbod van een andere organisatie die expertise kan binnenbrengen die niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten zelf aanwezig is. In dat geval voeren de pedagogische begeleidingsdiensten de begeleiding niet zelf uit, maar blijven ze wel de onderwijsinstellingen [2 , CLB's en leersteuncentra]2 in kwestie verder opvolgen.]1

  
Art. 15. [1 § 1. [2 § 1er. Les services d'encadrement pédagogique accompagnent les établissements d'enseignement, les CLB et les centres de soutien à l'apprentissage en question et leurs membres du personnel dans la fourniture d'un enseignement de qualité, d'un encadrement des élèves de qualité et d'un soutien à l'apprentissage de qualité tels que prévus par l'article 4, § 2.
   Cela suppose que les services d'encadrement pédagogique réalisent les objectifs suivants à travers l'accompagnement qu'ils mettent en place, en partant du projet pédagogique, artistico-pédagogique ou agogique de l'établissement d'enseignement en question, de la mission et du projet d'accompagnement du CLB en question ou de la vision et de la politique des centres de soutien à l'apprentissage en question et en tenant toujours compte des besoins et des demandes de l'établissement d'enseignement, du CLB ou du centre de soutien à l'apprentissage en question :
   1° renforcer la compétence professionnelle des membres du personnel des établissements d'enseignement, des CLB et des centres de soutien à l'apprentissage en question, en contact direct, en veillant à renforcer leur action pédagogique et didactique et en vue du développement de tous les apprenants ;
   2° renforcer les établissements d'enseignement, les CLB et les centres de soutien à l'apprentissage en question en tant qu'organisation apprenante professionnelle. Les services d'encadrement pédagogique donnent à cet égard la priorité aux établissements d'enseignement, aux CLB ou aux centres de soutien à l'apprentissage éprouvant les plus grands besoins dans ces domaines. Afin d'identifier ces établissements d'enseignement, CLB ou centres de soutien à l'apprentissage, les services d'encadrement pédagogique peuvent utiliser différentes sources telles que les données du service d'encadrement pédagogique proprement dit, les données de l'établissement d'enseignement, du CLB ou du centre de soutien à l'apprentissage en question, les données d'audits effectués par l'Inspection de l'Enseignement de l'établissement d'enseignement, du CLB ou du centre de soutien à l'apprentissage en question, les données qui constituent la base du profil de l'établissement d'enseignement, du CLB ou du centre de soutien à l'apprentissage visé à l'article 38, § 4, ou d'autres résultats ou données qui indiquent une faible qualité de l'enseignement, de l'encadrement des élèves ou du soutien à l'apprentissage ;
   3° soutenir les établissements d'enseignement en question dans la réalisation de leur propre projet pédagogique, artistico-pédagogique ou agogique, soutenir les CLB en question dans la réalisation de leur propre mission et leur propre projet d'accompagnement et soutenir les centres de soutien à l'apprentissage dans la réalisation de leur propre vision et de leur propre politique ;
   4° accompagner la mise en oeuvre de certaines priorités politiques du Gouvernement flamand dans les établissements d'enseignement, les CLB et les centres de soutien à l'apprentissage en question, comme prévu par l'article 19/2.
   Les services d'encadrement pédagogique mettent toujours l'accent sur le développement des établissements d'enseignement, CLB et centres de soutien à l'apprentissage en question. A cet effet, une relation durable avec les établissements concernés est nécessaire.]2
.
   § 2. Chaque service d'encadrement pédagogique établit tous les cinq ans un plan d'accompagnement pour les cinq prochaines années scolaires. Ce plan doit être soumis au service compétent au plus tard le 1er avril précédant le début de la première année scolaire de la période totale de cinq années scolaires couverte par le plan d'accompagnement. Par dérogation à ce qui précède, chaque service d'encadrement pédagogique soumet au service compétent, au plus tard le 30 septembre 2022, un plan d'accompagnement pour une période de trois années scolaires couvrant les années scolaires 2022-2023, 2023-2024 et 2024-2025.
   Le Gouvernement flamand approuve le plan d'accompagnement sur la base des critères suivants :
   1° l'élaboration et l'exhaustivité du plan d'accompagnement. A cette fin, chaque plan d'accompagnement contient une description d'au moins les éléments suivants et une justification globale des choix effectués :
   a) une vision de l'accompagnement et une traduction durable de cette vision dans la pratique d'accompagnement ;
   b) une traduction des objectifs visés à l'article 15, § 1, 1° à 4° en objectifs opérationnels, y compris le calendrier proposé et le déploiement estimé du personnel et des moyens de fonctionnement ;
   c) les groupes cibles visés ;
   d) la manière dont les établissements éprouvant les besoins les plus importants, visés à l'article 15, § 1, 2° du décret, sont identifiés et accompagnés ;
   e) la manière dont les contacts directs avec les groupes cibles visés sont réalisés en vue d'instaurer une relation durable proche de l'institution, visée au § 1, dernier alinéa ;
   f) la portée prévue des activités d'accompagnement et la manière dont l'efficacité de ces activités sera mesurée ;
   2° le développement du service d'encadrement pédagogique en tant qu'organisation. A cette fin, chaque plan d'accompagnement contient une description d'au moins les éléments suivants et une justification globale des choix effectués :
   a) la politique du personnel et de professionnalisation ;
   b) la politique interne d'assurance de la qualité ;
   c) la méthode de sélection de la coopération ciblée avec les autres services d'encadrement pédagogique ou cellules permanentes d'appui ;
   d) la méthode de sélection de la coopération ciblée avec d'autres acteurs impliqués dans la qualité de l'enseignement et l'accompagnement des élèves ;
   e) la manière dont le fondement scientifique de l'accompagnement est façonné ;
   f) la manière de répondre à des questions et des défis inattendus ou nouveaux ;
   Le Gouvernement flamand détermine un modèle dans lequel les plans d'accompagnement sont établis et la suite de la procédure d'approbation des plans d'accompagnement. Les services d'encadrement pédagogique communiquent les plans d'accompagnement approuvés aux établissements d'enseignement [2 , aux CLB et aux centres de soutien à l'apprentissage]2 en question.
   Chaque année, les services d'encadrement pédagogique remettent un rapport au Gouvernement flamand sur les activités de l'année scolaire précédente. Après la période de cinq années scolaires couverte par le plan d'accompagnement, les services d'encadrement pédagogique rendent compte dans leur rapport annuel des activités de l'ensemble de cette période. Les pièces justificatives des moyens engagés doivent être conservées au siège des services d'encadrement pédagogique, où elles sont mises à la disposition des services compétents à des fins de contrôle.
   Le Gouvernement flamand détermine les éléments qui doivent être au minimum inclus dans les rapports annuels et établit la procédure d'approbation des rapports annuels.
   § 3. Chaque service d'encadrement pédagogique établit un code de fonctionnement et le communique aux établissements et aux CLB ainsi qu'à leurs membres du personnel.
   § 4. Chaque service d'encadrement pédagogique examine et contrôle systématiquement la qualité de l'accompagnement offert. Le service d'encadrement pédagogique choisit la manière dont il procède, en tenant compte du fait qu'un accompagnement de qualité implique au moins que les services d'encadrement pédagogique :
   1° travaillent tant sur le plan du contenu qu'au niveau agogique de manière scientifique et fonctionnent comme des organisations professionnelles ;
   2° participent aux réunions de concertation avec l'Autorité flamande et d'autres acteurs sur la qualité de l'enseignement [2 , de l'encadrement des élèves et du soutien à l'apprentissage.]2 ;
   3° coopèrent de manière ciblée, tant entre eux qu'avec d'autres acteurs pertinents, tels que les instituts de formation des enseignants, les établissements d'enseignement supérieur et l'inspection de l'enseignement. De manière ciblée signifie en vue de renforcer la préparation, la mise en oeuvre et l'évaluation de l'accompagnement et peut signifier pour le service d'encadrement pédagogique d'assumer un rôle de facilitateur. Dans cet article, on entend par rôle de facilitateur le rôle que les services d'encadrement pédagogique jouent en conseillant de manière ciblée les établissements d'enseignement [2 , les CLB ou les centres de soutien à l'apprentissage]2 en question sur l'offre d'une autre organisation en mesure d'apporter une expertise qui n'est pas présente dans les services d'encadrement pédagogique eux-mêmes. Dans ce cas, les services d'encadrement pédagogique n'effectuent pas eux-mêmes l'accompagnement, mais ils continuent à suivre les établissements d'enseignement [2 , les CLB et les centres de soutien à l'apprentissage]2 en question.]1

  
HOOFDSTUK III. - Omkadering en werkingsmiddelen
CHAPITRE III. - Encadrement et moyens de fonctionnement
Afdeling I. - Personeelsformatie
Section Ire. - Cadre organique
Art. 16. § 1. De personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdiensten wordt per schooljaar vastgesteld, afzonderlijk voor :
  1° het basisonderwijs;
  2° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen;
  3° de CLB's.
  [6 4° de leersteuncentra.]6
  § 2. [2 Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur.
   Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding [6 en voor de leersteuncentra]6 voorzien.]2

  § 3. [6 De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsintellingen, CLB's en leersteuncentra die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. Voor de berekening kan een onderwijskoepel ervoor kiezen om de organieke betrekkingen van de leersteuncentra, vermeld in paragraaf 1, 4А, te laten meetellen bij de personeelsformatie, vermeld in paragraaf 1, 1А of 2А. In voorkomend geval meldt de onderwijskoepel dit aan AGODI uiterlijk op 31 januari 2024.]6.
  § 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. [1 Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator.]1
  Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator.
  § 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator.
  § 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.
  [3 § 7.[7 ...]7.]3
  
Art. 16. § 1er. Le cadre organique des services d'encadrement pédagogique est fixé par année scolaire, séparément pour :
  1° l'enseignement fondamental;
  2° l'enseignement secondaire, l'éducation des adultes et l'enseignement artistique à temps partiel ensemble;
  3° les CLB.
  [6 4° les centres de soutien à l'apprentissage.]6
  § 2. [2 Par 350 emplois organiques à un des niveaux visés au § 1er, un service d'encadrement pédagogique a droit à un emploi à mi-temps de conseiller pédagogique.
   Par service d'encadrement pédagogique qui dispose d'un cadre organique conformément à l'alinéa premier, il est prévu un emploi à mi-temps de conseiller pédagogique pour les centres d'encadrement des élèves[6 et pour les centres de soutien à l'apprentissage]6.]2

  § 3. [6 Le calcul est basé sur le nombre d'emplois organiques arrêté au 1er février de l'année scolaire précédente dans les établissements d'enseignement, les CLB et les centres de soutien à l'apprentissage attachés au service d'encadrement pédagogique. Pour le calcul, un organe coordinateur de l'enseignement peut choisir de prendre en compte les emplois organiques des centres de soutien à l'apprentissage mentionnés dans le paragraphe 1er, 4°, dans le cadre organique visé au paragraphe 1er, 1° ou 2°. Le cas échéant, l'organe coordinateur de l'enseignement le signale à AGODI au plus tard le 31 janvier 2024. ]6.
  § 4. Si un service d'encadrement pédagogique a droit à vingt emplois à mi-temps de conseiller pédagogique, deux emplois à mi-temps de conseiller pédagogique peuvent être transformés en un emploi à temps plein ou deux emplois à mi-temps de conseiller-coordinateur. [1 Par tranche supplémentaire de 35 emplois à mi-temps de conseiller pédagogique auxquels un service d'encadrement pédagogique a droit, un emploi à mi-temps de conseiller pédagogique peut être transformé en 1 emploi à mi-temps supplémentaire de conseiller-coordinateur.]1
  Un service d'encadrement pédagogique qui a droit à moins de vingt emplois à mi-temps peut transformer un emploi à mi-temps de conseiller pédagogique en un emploi à mi-temps de conseiller-coordinateur.
  § 5. Au maximum 85 % du cadre organique fixé de chaque service d'encadrement pédagogique peut être rempli par des membres du personnel qui sont nommés à titre définitif dans un emploi de conseiller pédagogique ou de conseiller-coordinateur.
  § 6. Dans chaque service d'encadrement pédagogique, au maximum trois conseillers pédagogiques à temps plein ou six conseillers pédagogiques à mi-temps nommés à titre définitif peuvent bénéficier, en vue de l'exercice de missions administratives et organisationnelles au profit de ce service d'encadrement pédagogique, d'un congé pour mission tel que visé à l'article 51quater, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves ou à l'article 77quater, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres de l'Enseignement communautaire.
  [3 § 7.[7 ...]7]4.]3
  
Afdeling II. - Verloven wegens bijzondere opdracht
Section II. - Congés pour mission spéciale
Art. 17. § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen beschikken over een aantal personeelsleden uit de instellingen aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht, zoals vermeld in artikel 51quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, is toegekend.
  [1 [2 ...]2 Vanaf schooljaar 2023-2024 kunnen er 53,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend.]1
  § 2. [1 De pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie hebben samen elk schooljaar recht op 1,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht. De overige betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten met personeelsformatie naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen die verbonden zijn aan die pedagogische begeleidingsdiensten.]1
  
Art. 17. § 1er. Les services d'encadrement pédagogique peuvent disposer d'un nombre de membres du personnel des établissements auxquels est accordé un congé pour mission spéciale tel que visé à l'article 51quater, § 2, 1° du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves ou à l'article 77quater, § 2, 1° du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres de l'Enseignement communautaire.
  [1 [2 ...]2 A partir de l'année scolaire 2023-2024, 53,5 emplois à temps plein peuvent être exercés en congé pour mission spéciale.]1
  § 2. [1 Les services d'encadrement pédagogique qui ne disposent pas d'un cadre organique ont collectivement droit à 1,5 emploi à temps plein en congé pour mission spéciale par année scolaire. Les emplois restants sont répartis sur les services d'encadrement pédagogique disposant d'un cadre organique au prorata de la partie des emplois organiques dans les établissements d'enseignement rattachés à ces services d'encadrement pédagogique.]1
  
Afdeling III. - Werkingsmiddelen
Section III. - Moyens de fonctionnement
Art. 18. § 1. De werkingsmiddelen van de pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, worden berekend als volgt :
  1° het aantal halftijdse adviseurs of adviseurs-coördinatoren wordt vermenigvuldigd met een forfaitair bedrag van [1 1.864,26 euro]1;
  2° het aantal punten wordt vermenigvuldigd met een forfaitair bedrag van [1 5.734,08 euro]1 per punt.
  De berekening van het aantal punten per pedagogische begeleidingsdienst gebeurt als volgt :
  - een eerste schijf van 20 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 2;
  - een tweede schijf van 15 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 1,6;
  - een derde schijf van 15 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 1,3;
  - een laatste schijf met het resterende aantal halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met 1.
  § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die geen personeelsformatie hebben als vermeld in artikel 16, ontvangen een forfaitaire toelage van [1 139,76 euro]1 per organieke betrekking in het basis- en secundair onderwijs[2 en in de leersteuncentra]2.
  
Art. 18. § 1er. Les moyens de fonctionnement des services d'encadrement pédagogique disposant d'un cadre organique, tel que visé à l'article 16, sont calculés comme suit :
  1° le nombre de conseillers ou de conseillers-coordinateurs à mi-temps est multiplié par un montant forfaitaire de [1 1.864,26 euros]1;
  2° le nombre de points est multiplié par un montant forfaitaire de [1 5.734,08 euros]1 par point.
  Le calcul du nombre de points par service d'encadrement pédagogique se fait comme suit :
  - une première tranche de 20 emplois à mi-temps est multipliée par un facteur 2;
  - une deuxième tranche de 15 emplois à mi-temps est multipliée par un facteur 1,6;
  - une troisième tranche de 15 emplois à mi-temps est multipliée par un facteur 1,3;
  - une dernière tranche du nombre restant d'emplois à mi-temps est multipliée par un facteur 1.
  § 2. Les services d'encadrement pédagogique ne disposant pas d'un cadre organique tel que visé à l'article 16, reçoivent une allocation forfaitaire de [1 139,76 euros]1 par emploi organique dans l'enseignement fondamental et secondaire[2 et dans les centres de soutien à l'apprentissage ]2.
  
Art. 19. De pedagogische begeleidingsdiensten ontvangen jaarlijks 84.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen voor de ondersteuning van het gelijkeonderwijskansenbeleid. De aanvullende werkingsmiddelen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in het basis- en secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
Art. 19. Les services d'encadrement pédagogique reçoivent 84.000 euros comme moyens complémentaires de fonctionnement destinés à l'appui de la politique d'égalité des chances. Les moyens complémentaires de fonctionnement sont répartis entre les services d'encadrement pédagogique au prorata du nombre d'emplois organiques dans l'enseignement fondamental et secondaire et les centres d'encadrement des élèves.
Art. 19/1. [1 De pedagogische begeleidingsdiensten van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten, het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen en het Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, GO! ontvangen in begrotingsjaar 2021 3,5 miljoen euro aan aanvullende werkingsmiddelen voor de ondersteuning van scholen voor gewoon basisen secundair onderwijs in de versterking van hun brede basiszorg en verhoogde zorg.
   De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst.]1

  
Art. 19/1. [1 Les services d'encadrement pédagogique du Katholiek Onderwijs Vlaanderen (enseignement catholique de Flandre), de l'Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (association d'enseignement des villes et communes), du Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (enseignement provincial de Flandre) et de l'Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, GO! (enseignement de la Communauté flamande) reçoivent, au cours de l'exercice budgétaire 2021, 3,5 millions d'euros de moyens de fonctionnement complémentaires destinés à l'appui des écoles d'enseignement fondamental et secondaire ordinaire dans le renforcement de leur ample encadrement de base et de leur encadrement complémentaire.
   Les moyens de fonctionnement complémentaires, visés à l'alinéa premier, sont répartis entre ces services d'accompagnement pédagogique au prorata du nombre d'emplois organiques dans les établissements d'enseignement liés au service d'accompagnement pédagogique.]1

  
Art. 19/2. [1 Voor het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering, zoals bepaald in artikel 15, § 1, eerste lid, 4°, ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten:
   1° in het begrotingsjaar 2022 5.000.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen;
   2° in het begrotingsjaar 2023 6.500.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen;
   3° vanaf het begrotingsjaar 2024 8.000.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen.
   De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over alle pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. De Vlaamse Regering bepaalt de beleidsprioriteiten waarvoor de middelen aangewend worden en de verdeling van de middelen over deze beleids prioriteiten.
   De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, kunnen aangewend worden voor salarissen en werkingskosten. De uitgaven voor de salarissen bedragen minimaal 80 procent van de jaarlijkse middelen. De aanvullende werkingsmiddelen worden vanaf begrotingsjaar 2025 geïndexeerd. 80% van het bedrag volgt de evolutie van de gezondheidsindex en 20% van het bedrag volgt 75% van de gezondheidsindex.
   De indexering is gebaseerd op de toename van de gezondheidsindex in de maand januari van het begrotingsjaar x-1 ten opzichte van de gezondheidsindex in de maand januari van het begrotingsjaar x-2.]1

  
Art. 19/2. [1 Pour l'accompagnement de la mise en oeuvre de certaines priorités politiques du Gouvernement flamand, visées à l'article 15, § 1, alinéa premier, 4°, les services d'encadrement pédagogique reçoivent :
   1° au cours de l'année budgétaire 2022, 5 000 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires ;
   2° au cours de l'année budgétaire 2023, 6 5 00 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires ;
   3° à partir de l'année budgétaire 2024, 8 000 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires.
   Les moyens de fonctionnement supplémentaires visés à l'alinéa premier sont répartis à travers l'ensemble des services d'encadrement pédagogique au prorata du nombre d'emplois organiques dans les établissements d'enseignement rattachés au service d'encadrement pédagogique. Le Gouvernement flamand détermine les priorités politiques pour lesquelles les moyens sont utilisés et la répartition des moyens entre ces priorités politiques.
   Les moyens de fonctionnement supplémentaires visés à l'alinéa premier peuvent être utilisés pour les traitements et les frais de fonctionnement. Les dépenses pour les traitements s'élèvent au minimum à 80 % des moyens annuels. Les moyens de fonctionnement supplémentaires seront indexés à partir de l'année budgétaire 2025. 80 % du montant suivent l'évolution de l'indice santé et 20 % du montant suivent 75 % de l'indice santé.
   L'indexation est basée sur l'augmentation de l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-1 par rapport à l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-2.]1

  
Art. 20. Om nascholings- en begeleidingsactiviteiten te organiseren voor de eigen personeelsleden en voor de personeelsleden van de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van [1 [2 [3 1.148.000 euro]3]2 euro]1.
  [2 ...]2
  De middelen [2 ...]2 worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen.
  
Art. 20. Afin d'organiser des activités de formation continuée et d'encadrement pour les propres membres du personnel et pour les membres du personnel des établissements encadrés par eux, les services d'encadrement pédagogique reçoivent annuellement un montant de [2 [3 1.148.000 euros]3]2.
  [2 ...]2
  Les moyens [2 ...]2 sont répartis sur les services d'encadrement pédagogique au prorata du nombre d'emplois organiques.
  
Art. 21/1. [1 [4 De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsforma- tie als vermeld in artikel 16, ontvangen in begrotingsjaar 2021 1.606.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag wordt voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 956.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klas. Deze aanvullende middelen verdwijnen vanaf begrotingsjaar 2022.]4
   De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst.]1

  
Art. 21/1. [1 [4 Les services d'encadrement pédagogique qui disposent d'un cadre organique tel que visé à l'article 16, reçoivent dans l'année budgétaire 2021 1.606.000 euros comme moyens de fonctionnement complémentaires. Pour la période du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021, 956.000 euros de ce montant sont affectés à l'encadrement d'enseignants lors de la remédiation des élèves en classe. Ces moyens complémentaires disparaissent à partir de l'année budgétaire 2022.]4
   Les moyens de fonctionnement visés à l'alinéa premier sont répartis sur les services d'encadrement pédagogique au prorata du nombre d'emplois organiques dans les établissements rattachés au service d'encadrement pédagogique.]1

  
Art. 22. De bedragen [3 vermeld in de artikelen 18 en 19]3 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar [1 2012]1. Vanaf het begrotingsjaar [2 2014]2 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
  [3 [4 Het bedrag, vermeld in het artikel 20 in deze afdeling, heeft]4 betrekking op het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.]3
  
Art. 22. Les montants [3 visés aux articles 18 et 19]3 de cette section portent sur l'année budgétaire [1 2012]1. A compter de l'année budgétaire [2 2014]2, ces montants sont ajustés à l'évolution de l'indice santé.
  [3 [4 Le montant visé à l'article 20 de la présente section a]4 trait à l'année budgétaire 2015. A partir de l'année budgétaire 2016, ces montants sont adaptés à l'évolution de l'indice santé.]3
  
Art. 22/1. [1 De bedragen verkregen door toepassing van de artikelen 18, 19, 21/1, 22, 27/2 en 28 worden vanaf het begrotingsjaar 2020 verminderd met 580.000 euro.]1
  
Art. 22/1. [1 Les montants obtenus en application des articles 18, 19, 21/1, 22, 27/2 et 28 sont diminués de 580.000 euros à partir de l'année budgétaire 2020.]1
  
Art. 23. [1 De werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, worden uitbetaald in twee schijven:
   1° een eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar;
   2° een tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar.
   Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal twintig procent van de jaarlijkse middelen.]1

  
Art. 23. [1 Les moyens de fonctionnement, visés dans la présente section, sont payés en deux tranches :
   1° une première tranche de soixante pour cent est versée avant la fin du mois de février de l'année budgétaire concernée ;
   2° une deuxième tranche de quarante pour cent est versée avant la fin du mois de juin de l'année budgétaire concernée.
   Une réserve peut être constituée à hauteur de vingt pour cent au maximum des moyens annuels.]1

  
Art. 24. [1 De pedagogische begeleidingsdiensten wenden de werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, uitsluitend aan voor de begeleiding van de onderwijsinstellingen [2 , de CLB's en de leersteuncentra]2 in kwestie, en dit overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen. Indien uit de jaarlijkse rapporten, vermeld in artikel 15, § 2, blijkt, met toepassing van de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten, dat deze middelen niet worden aangewend voor de begeleiding overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen, dan kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget worden opgelegd. Deze terugbetaling kan maximaal tien procent van het werkingsbudget bedragen en wordt in mindering gebracht van de werkingsmiddelen van het daarop volgende werkingsjaar.]1
   Werkingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald.
  Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende werkingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van andere werkingsmiddelen of -toelagen.
  Een terugvordering of inhouding van de werkingsmiddelen kan er niet toe leiden dat het gedeelte van de werkingsmiddelen voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.
  
Art. 24. [1 Les services d'encadrement pédagogique utilisent les moyens de fonctionnement visés à la présente section exclusivement pour l'accompagnement des établissements d'enseignement [2 des CLB et des centres de soutien à l'apprentissage]2 en question et ce, conformément aux plans d'accompagnement approuvés. S'il ressort des rapports annuels, visés à l'article 15, § 2, en application de la procédure d'approbation des rapports annuels, que ces moyens ne sont pas utilisés pour l'accompagnement conformément aux plans d'accompagnement approuvés, un remboursement partiel du budget de fonctionnement peut alors être imposé. Ce remboursement ne peut dépasser dix pour cent du budget de fonctionnement et est déduit des moyens de fonctionnement de l'année d'activité suivante.]1
   Les moyens de fonctionnement qui ne sont pas affectés à temps, doivent être remboursés sans délai.
  En cas de détournement des moyens, le Gouvernement flamand peut imposer une amende administrative s'élevant au maximum au quintuple des moyens de fonctionnement détournés. L'amende peut être déduite des moyens encore dus à la direction, y compris les autres moyens ou allocations de fonctionnement.
  Une répétition ou retenue des moyens de fonctionnement ne peut pas avoir comme effet que la partie des moyens de fonctionnement destinés aux affaires de personnel baisse, en chiffres absolus, au dessous du niveau qu'elle atteindrait si la mesure n'avait pas été prise.
  
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
Afdeling I.
Section Ire.
Afdeling II.
Section II.
HOOFDSTUK V. - Tijdelijke subsidies
CHAPITRE V. - Subventions temporaires
HOODSTUK V/1. [1 - Extra ondersteuning voor de Nederlandstalige scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad]1
CHAPITRE V/1. [1 - Appui supplémentaire aux écoles néerlandophones situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale]1
Afdeling I.
Section Ire.
Afdeling II.
Section II.
Art. 27/2. [1 De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks 609.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen voor de uitvoering van volgende opdrachten:
   1° de competentieontwikkeling ondersteunen voor de implementatie van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in een hoofdstedelijke context ten aanzien van de scholen van het basisonderwijs en secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap en gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
   2° een transfer voorzien van de inzichten opgedaan onder 1° naar het Vlaamse onderwijs en de ontsluiting van de kennis op het gebied van taalvaardigheidsonderwijs met prioriteit naar de scholen van de Vlaamse Rand realiseren.
   De pedagogische begeleidingsdiensten werken nauw samen met het Onderwijscentrum Brussel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie teneinde deze opdrachten te kunnen vervullen. Een protocol tussen deze actoren teneinde vorm te geven aan deze samenwerking wordt afgesloten. In hun regulier werkingsverslag/jaarverslag rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten en het Onderwijscentrum Brussel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie op welke wijze invulling wordt gegeven aan de opdrachten, welke goede voorbeelden evenals andere multiplicatoreffecten gerealiseerd werden.
   De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in [2 de scholen en de centra van het basisonderwijs en secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap en gelegen zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en die zij begeleiden]2.]1

  
Art. 27/2. [1 Les services d'encadrement pédagogique qui disposent d'un cadre organique tel que visé à l'article 16, reçoivent annuellement 609.000 euros comme moyens complémentaires de fonctionnement pour l'exécution des missions suivantes :
   1° appuyer le développement des compétences pour la mise en oeuvre du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques dans le contexte de Bruxelles-Capitale à l'égard des écoles de l'enseignement fondamental et secondaire agréées, financées ou subventionnées par la Communauté flamande et situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ;
   2° prévoir un transfert des connaissances acquises sous 1° vers l'enseignement flamand et réaliser une meilleure accessibilité aux savoirs au niveau de l'enseignement d'aptitudes linguistiques de néerlandais, en donnant la priorité aux écoles de la Périphérie flamande de Bruxelles.
   Les services d'encadrement pédagogique collaborent étroitement avec le Onderwijscentrum Brussel de la Commission communautaire flamande afin de pouvoir accomplir ces missions. Il est conclu un protocole entre ces acteurs, afin de concrétiser cette coopération. Dans leur rapport de fonctionnement/rapport annuel régulier, les services d'encadrement pédagogique et le Onderwijscentrum Brussel de la Commission communautaire flamande expliquent de quelle façon les missions sont accomplies et quels bons exemples et autres effets multiplicateurs ont été réalisés.
   Les moyens de fonctionnement visés à l'alinéa premier sont répartis sur les services d'encadrement pédagogique au prorata du nombre d'emplois organiques [2 dans les écoles et les centres de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire qui sont agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande et situés dans la région bilingue de Bruxelles-capitale et qu'ils accompagnent]2.]1

  
Art. 27/3. [1 De bedragen vermeld in dit hoofdstuk hebben betrekking op begrotingsjaar 2015. Vanaf begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.]1
  
Art. 27/3.. [1 Les montants visés dans le présent chapitre portent sur l'année budgétaire 2015. A partir de l'année budgétaire 2016, ces montants sont adaptés à l'évolution de l'indice santé.]1
  
HOOFDSTUK V/2. [1 Extra financiering en subsidiëring in het kader van de maatregelen VV15 Digisprong en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar, van het Vlaams relanceplan voor schooljaren 2021-2022 en 2022-2023]1
CHAPITRE V/2. [1 Financement et subventionnement supplémentaires dans le cadre des mesures VV15 " Digisprong " et VV17 " Van kwetsbaar naar weerbaar ", du plan de relance flamand pour les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023]1
Art. 27/4. [1 In het kader van de uitvoering van de speerpunten in de maatregelen VV15 Digisprong, met deelenveloppe van 375 miljoen euro binnen de relanceprovisie en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar, van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, met deelenveloppe van 90 miljoen euro binnen de relanceprovisie, zoals opgenomen in de visienota's Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER) en Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bijkomendewerkingsbudgetten, investeringsmiddelen of omkadering toekennen aan de pedagogische begeleidingsdiensten. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.]1
  
Art. 27/4. [1 Dans le cadre de l'exécution des priorités dans les mesures VV15 Digisprong, avec une enveloppe partielle de 375 millions d'euros dans le cadre de la provision de relance et VV17 " Van kwetsbaar naar weerbaar ", du plan de relance Vlaamse Veerkracht, avec une enveloppe partielle de 90 millions d'euros dans le cadre de la provision de relance, telle qu'elle figure dans les notes de vision " Digisprong. Van achterstand naar voorsprong ", approuvée lors du conseil des ministres du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER) et " Van kwetsbaar naar weerbaar ", approuvée lors du conseil des ministres du Gouvernement flamand du 7 mai 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 et 2), pour les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023, des budgets de fonctionnement, moyens d'investissement ou encadrement supplémentaires peuvent être accordés aux services d'accompagnement pédagogiques. Le Gouvernement flamand arrête les autres modalités par action.]1
  
HOOFDSTUK VI. - Extra ondersteuning in het volwassenenonderwijs
CHAPITRE VI. - Appui supplémentaire dans l'éducation des adultes
HOOFDSTUK VII. - Permanente ondersteuningscellen in de CLB's
CHAPITRE VII. - Cellules permanentes d'appui dans les CLB
Art. 29. § 1. [2 De bepalingen van artikel 15, §§ 2, 3 en 4, zijn van toepassing op de permanente ondersteuningscellen in de CLB's, vermeld in artikel 15 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Zij maken hierover afspraken met de pedagogische begeleidingsdienst van het betrokken centrumnet.]2
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  § 5. [2 Het begeleidingsplan, de jaarlijkse rapportering en de werkingscode van de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen kunnen geïntegreerd worden.]2
  
Art. 29. § 1er. [2 Les dispositions de l'article 15, paragraphes 2, 3 et 4 s'appliquent aux cellules permanentes d'appui des CLB, visées à l'article 15 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'orientation des élèves dans l'enseignement primaire, l'enseignement secondaire et les centres d'orientation des élèves. Elles prennent des dispositions à ce sujet avec le service d'encadrement pédagogique du réseau-centres concerné.]2
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  § 5. [2 Le plan d'accompagnement, le rapport annuel et le code de fonctionnement des services d'encadrement pédagogique et les cellules permanentes d'appui peuvent être intégrés.]2
  
HOOFDSTUK VIII. [1 - Evaluatie van de werking van de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen]1
CHAPITRE VIII. [1 - Evaluation du fonctionnement des services d'encadrement pédagogique et des cellules permanentes d'appui]1
Art. 30. Ten minste eenmaal om de zes jaar, en voor het eerst tijdens [1 het schooljaar 2012-2013]1, wordt de werking geëvalueerd van de pedagogische begeleidingsdiensten [3 en de permanente ondersteuningscellen]3. De evaluaties worden uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie.
  [2 De Vlaamse Regering richt de commissie op en bepaalt de wijze waarop de leden van de commissie worden vergoed.]2
  De commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de academische wereld, vertegenwoordigers van de instellingen en ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs en Vorming. De commissie wordt aangevuld met externe leden, deskundig op het vlak van kwaliteitszorg. De vertegenwoordigers van de academische wereld en de vertegenwoordigers van de instellingen worden aangeduid op voorstel van de Vlaamse Onderwijsraad.
  De Vlaamse Regering stelt voor de commissie een werkingsprotocol op en maakt die bekend aan de pedagogische begeleidingsdiensten, de permanente ondersteuningscellen, in voorkomend geval het samenwerkingsverband en hun personeelsleden. Dit protocol bevat ten minste het beoordelingskader, de deontologische regels die gelden voor de leden van de commissie, de wijze van verslaggeving en de wijze waarop de personeelsleden van de instellingen zullen worden betrokken.
  De conclusies van de evaluatie worden meegedeeld aan het Vlaams Parlement.
  De permanente ondersteuningscellen, de pedagogische begeleidingsdiensten en in voorkomend geval het samenwerkingsverband geven gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van hun organisatie.
  
Art. 30. Au moins une fois tous les six ans, et pour la première fois pendant [1 l'année scolaire 2012-2013]1, le fonctionnement des services d'encadrement pédagogique [3 et des cellules permanentes d'appui]3 est évalué. Les évaluations sont réalisées par une commission composée par le Gouvernement flamand.
  [2 Le Gouvernement flamand crée la commission et définit le mode de rémunération des membres.]2
  La commission se compose de représentants du monde académique, de représentants des établissements et de fonctionnaires du Ministère de l'Enseignement et de la Formation. La commission est complétée par des membres externes ayant une expertise dans le domaine de l'assurance de la qualité. Les représentants du monde académique et les représentants des établissements sont désignés sur la proposition du 'Vlaamse Onderwijsraad' (Conseil flamand de l'enseignement).
  Le Gouvernement flamand établit un protocole de fonctionnement pour la commission et le communique aux services d'encadrement pédagogique, aux cellules permanentes d'appui, le cas échéant, au partenariat et à leurs membres du personnel. Ce protocole contient au moins le cadre d'évaluation, les règles déontologiques qui s'appliquent aux membres de la commission, le mode de présentation du rapport et le mode dont les membres du personnel des établissements seront impliqués.
  Les conclusions de l'évaluation sont communiquées au Parlement flamand.
  Les cellules permanentes d'appui, les services d'encadrement pédagogique et, le cas échéant, le partenariat donnent suite aux résultats de l'évaluation de la qualité dans la gestion de leur organisation.
  
TITEL IV. - Inspectie
TITRE IV. - Inspection
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 31. [1 Deze titel is niet van toepassing op het hoger beroepsonderwijs, met uitzondering van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. De onderwijsinspectie oefent voor die opleidingen haar opdracht uit in samenwerking met de accreditatieorganisatie, vermeld in artikel II.26 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, en in overeenstemming met artikel 168/5 van de Codex Secundair Onderwijs.]1
  
Art. 31. [1 Le présent titre ne s'applique pas à l'enseignement supérieur professionnel HBO-5, à l'exception des formations Soins infirmiers et Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5. Pour ces formations, l'inspection de l'enseignement effectue sa mission en collaboration avec l'organisation d'accréditation, visée à l'article II.26 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, et conformément à l'article 168/5 du Code de l'Enseignement supérieur. ]1
  
Art. 31/1. [1 In titel IV wordt verstaan onder kalenderdag: elke dag van het jaar, uitgezonderd de dagen tijdens de herfst-, de kerst-, de krokus-, de paas- en de zomervakantie.]1
  
Art. 31/1. [1 Dans le titre IV, il y a lieu d'entendre par jour calendaire : chaque jour de l'année, à l'exception des jours pendant les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval, de Pâques et d'été.]1
  
HOOFDSTUK II. - Opdrachten en bevoegdheden van de inspectie
CHAPITRE II. - Missions et compétences de l'inspection
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Section Ire. - Dispositions générales
Art. 32. De inspectie oefent volgende opdrachten uit :
  1° [1 het verlenen van advies voor de voorlopige erkenning van instellingen]1;
  2° het uitvoeren van doorlichtingen van instellingen;
  3° alle andere opdrachten die haar worden toegekend bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering.
  
Art. 32. L'inspection effectue les missions suivantes :
  1° [1 l'émission d'avis pour l'agrément provisoire des établissements]1;
  2° l'exécution d'audits d'établissements;
  3° toutes les autres missions qui lui sont attribuées par décret ou arrêté du Gouvernement flamand.
  
Art. 33. De inspectie is niet bevoegd voor de controle op de invulling van het pedagogisch of agogisch project, noch voor de controle op de gebruikte pedagogische, agogische, artistieke of begeleidingsmethoden. Ze is evenmin bevoegd voor het toezicht op het onderwijs in de levensbeschouwelijke vakken.
  De inspectie oefent haar opdrachten uit op zodanige wijze dat de gelijke behandeling van de instellingen gegarandeerd wordt.
  De inspectie oefent haar opdrachten uit op zodanige wijze dat de instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is. Daarbij waakt zij erover bij de instellingen alleen gegevens of documenten op te vragen die met het oog op het toezicht noodzakelijke informatie bevatten.
  De Vlaamse Regering stelt voor de inspectie een werkingscode op en maakt die bekend bij de instellingen en hun personeelsleden.
Art. 33. L'inspection n'est pas compétente pour le contrôle de la concrétisation du projet pédagogique ou agogique, ni pour le contrôle des méthodes pédagogiques, agogiques, artistiques ou d'encadrement. Elle n'est pas compétente non plus pour la surveillance de l'enseignement des cours philosophiques.
  L'inspection exerce ses missions d'une telle façon qu'un traitement égal est assuré aux établissements.
  L'inspection exerce ses missions d'une telle façon que les établissements ne sont pas chargés plus que nécessaire pour un exercice efficace de la surveillance. En outre, elle s'engage à ne recueillir auprès des établissements que les données ou documents contenant des informations utiles en vue de la surveillance.
  Le Gouvernement flamand établit un code de fonctionnement pour l'inspection et le communique aux établissements et à leurs personnels.
Art. 34. De Vlaamse Regering bezorgt aan het Vlaams Parlement jaarlijks een verslag van de inspectie. Dit verslag is gebaseerd op de werkzaamheden van de inspectie en behandelt een of meer kwaliteitsaspecten van onderwijs.
Art. 34. Le Gouvernement flamand soumet annuellement un rapport de l'inspection au Parlement flamand. Ce rapport est basé sur les activités de l'inspection et porte sur un ou plusieurs aspects de la qualité de l'enseignement.
Afdeling II. - Advies bij opname in de erkenning
Section II. - Avis lors de la reconnaissance
Art. 35. [1 § 1. Bij iedere aanvraag tot voorlopige erkenning van een nieuwe instelling onderzoekt de onderwijsinspectie of de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een voorlopige erkenning, vervuld zijn.
   [4 Voor scholen kan de inspecteur-generaal de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]4. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht.
   Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies over de voorlopige erkenning aan de Vlaamse Regering.
   De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 augustus volgend op de aanvraag van de voorlopige erkenning. [2 Dit is een termijn van orde.]2.
   § 2. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar onderzoekt de onderwijsinspectie, via een doorlichting, of de school voldoet aan de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een erkenning.
   De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht.
   Na de doorlichting bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies als vermeld in artikel 39, § 4, aan de Vlaamse Regering.[4 Voor onderwijsinternaten geldt de termijn, vermeld in artikel 7 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten.]4
   De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning over de erkenning. [2 Dit is een termijn van orde.]2]1

  [3 Ї 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt de voorlopige erkenning van de leersteuncentra geregeld in artikel 29 en 30 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun.]3
  
Art. 35. [1 § 1er. Pour chaque demande d'agrément provisoire d'un nouvel établissement, l'inspection de l'enseignement examine si les conditions d'un agrément provisoire fixées par décret sont remplies.
   L'inspecteur général peut charger les membres de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques d'une mission spécifique telle que visée à l'article 8 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques. Les inspecteurs conseillers de cours philosophiques concernés rédigent un rapport sur la mission spécifique.
   Après l'enquête, l'inspection de l'enseignement soumet un rapport, avec avis sur l'agrément provisoire, au Gouvernement flamand.
   Le Gouvernement flamand décide au plus tard le 31 août suivant la demande d'agrément provisoire. [2 C'est un délai d'ordre.]2
   § 2. Au plus tard six mois du début de l'année scolaire, l'inspection de l'enseignement examine au moyen d'un audit si l'école satisfait aux conditions d'agrément.
   L'inspecteur général peut charger les membres de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques d'une mission spécifique telle que visée à l'article 8 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques. Les inspecteurs conseillers de cours philosophiques concernés rédigent un rapport sur la mission spécifique.
   Après l'audit, l'inspection de l'enseignement soumet un rapport avec un avis tel que visé à l'article 39, § 4, au Gouvernement flamand.
   Le Gouvernement flamand décide de l'agrément au plus tard le 31 mars de l'année scolaire d'agrément provisoire.[2 C'est un délai d'ordre.]2.]1
[4 En ce qui concerne les internats de l'enseignement, le délai visé à l'article 7 du décret du 16 juin 2023 relatif aux internats de l'enseignement s'applique.]4
  [3 § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, l'agrément provisoire des centres de soutien à l'apprentissage est régi par les articles 29 et 30 du décret du 5 mai 2023 relatif au soutien à l'apprentissage.]3
  
Afdeling IIbis.
Section IIbis.
Afdeling III. - Doorlichtingen
Section III. - Audits
Art. 36. [1 Iedere instelling komt binnen een periode van zes jaar minimum een keer aan bod om te worden doorgelicht.
   De doorlichtingscyclus van zes jaar start op 1 september 2018. Met het oog op de organisatie van de doorlichtingen zal de verkorte doorlichtingscyclus in [2 2030]2geëvalueerd worden. Het doel van de evaluatie is de haalbaarheid van de verkorte cyclus en het effect op de personeelsbezetting in relatie met de totaliteit van de opdrachten na te gaan. De gevolgen van de verkorte cyclus op de uitvoerbaarheid van de opdrachten door de inspecteurs zal deel uitmaken van deze evaluatie. Deze evaluatie wordt besproken in de bevoegde onderhandelingscomités voor de sector onderwijs bij de Vlaamse overheid.]1

  
Art. 36. [1 Tout établissement fait l'objet d'au moins un audit au cours d'une période de six ans.
   Le cycle d'audit de six ans prend cours le 1er septembre 2018. En vue de l'organisation des audits, un cycle d'audit raccourci sera évalué en [2 2030 ]2. Le but de l'évaluation est de vérifier la faisabilité du cycle raccourci et l'effet sur l'effectif en personnel en relation avec la totalité des missions. Les conséquences du cycle raccourci pour la faisabilité des missions par les inspecteurs feront partie de cette évaluation. Cette évaluation fera l'objet d'une discussion au sein des comités de négociation compétents pour le secteur de l'enseignement auprès de l'Autorité flamande.]1

  
Art. 37. Een doorlichting wordt uitgevoerd door een doorlichtingsteam dat bestaat uit ten minste twee inspecteurs. Het doorlichtingsteam kan worden uitgebreid met een of meer externe deskundigen.
  De inspectie motiveert de deelname van die deskundigen aan het doorlichtingsteam en stelt de instelling hiervan vooraf in kennis.
  De externe deskundige die deelneemt aan een doorlichting, is volwaardig lid van het doorlichtingsteam. Hij participeert in de voorbereiding, de feitelijke doorlichting en de verslaggeving. Hij is eveneens gehouden aan de werkingscode, vermeld in artikel 33, vierde lid.
  De externe deskundige ontvangt voor zijn prestaties een vergoeding, zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering.
  [1 De inspecteur-generaal kan tijdens de doorlichting de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]1
  [1 De betrokken inspecteurs-adviseurs maken een verslag op over die specifieke opdracht.]1
Art. 37. Un audit est exécuté par une équipe d'audit composée de deux inspecteurs au moins. A l'équipe d'audit, un ou plusieurs experts externes peuvent être ajoutés.
  L'inspection motive la participation de ces experts à l'équipe d'audit et en informe au préalable l'établissement.
  L'expert externe qui participe à un audit, est un membre à part entière de l'équipe d'audit. Il participe dans la préparation, l'audit de fait et l'établissement du rapport. Il est également tenu de respecter le code de fonctionnement, visé à l'article 33, quatrième alinéa.
  Pour ses prestations, l'expert externe reçoit une indemnité telle que fixée par le Gouvernement flamand.
  [1 Pendant l'audit, l'inspecteur général peut charger les membres de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques d'une mission spécifique telle que visée à l'article 8 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques.
   Les inspecteurs conseillers concernés rédigent un rapport sur la mission spécifique.]1
Art. 38. § 1. [2 Tijdens een doorlichting van een onderwijsinstelling gaat de onderwijsinspectie na of de onderwijsinstelling :
   1° de onderwijsreglementering respecteert;
   2° [3 aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, tegemoetkomt.
   In het basis- en het secundair onderwijs, met uitzondering voor de nieuwe onderwijsinstellingen, spreekt de onderwijsinspectie ook een evaluatie uit over het gelijke onderwijskansenbeleid.]3

  [3 3° in het basis- en het secundair onderwijs een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding ontwikkelt, implementeert en evalueert, in toepassing van de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van leerlingenbegeleiding.]3
  [5 4° in het basis- en het secundair onderwijs voor leerlingen met een IAC-verslag kwaliteitsvolle individueel aangepaste curricula realiseert, waarbij er in het buitengewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs en er in het gewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de afweging van redelijke aanpassingen;
   5° in het secundair onderwijs voor leerlingen met een OV4-verslag kwaliteitsvolle onderwijstrajecten realiseert, waarbij er in het buitengewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs en er in het gewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de afweging van redelijke aanpassingen.]5

   Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de onderwijsinspectie na of het CLB :
   1° de CLB-reglementering respecteert;
   2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, tweede lid, tegemoetkomt]2
.
  [3 3° de kernactiviteiten signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding kwaliteitsvol uitvoert.]3
  [6 Tijdens een doorlichting van een onderwijsinternaat gaat de onderwijsinspectie na of het internaat:
   1А de onderwijsinternaatsreglementering respecteert;
   2А aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, Ї 2, vierde lid, tegemoetkomt.]6

  [5 Tijdens een doorlichting van een leersteuncentrum gaat de onderwijsinspectie na of het leersteuncentrum:
   1° de reglementering die van toepassing is op de leersteuncentra respecteert;
   2° tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in artikel 4, Ї 2, tweede lid.]5

  De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap [2 of de scholengroep]2 waartoe zij behoort. De scholengemeenschappen [2 of de scholengroepen]2 zijn ertoe gehouden de inspectie alle informatie hierover te verstrekken.
  Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken.
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. De onderwijsinspectie stelt op basis van het referentiekader onderwijskwaliteit, op basis van het referentiekader CLB-kwaliteit, op basis van het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun en op basis van het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, Ї 2, eerste tot en met vierde lid, het toezichtkader en de doorlichtingsinstrumenten op en maakt die bekend.
   Voor scholen peilt het toezichtkader in ieder geval vanuit het referentiekader onderwijskwaliteit naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de [7 onderwijsdoele]7, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiыringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van:
   1А het beleid inzake gelijke onderwijskansen;
   2А het zorgbeleid, de leerlingenbegeleiding [7 met inbegrip van het antipestbeleid]7 en de leersteun;
   3А het talenbeleid;
   4А het beleid inzake de oriыntering van leerlingen;
   5А het evaluatiebeleid met betrekking tot leerlingen en cursisten;
   6А de beleidskeuzes die erop gericht zijn de personeelsleden optimaal in te zetten en te ondersteunen;
   7А het nascholings- en professionaliseringsbeleid;
   8А het beleid inzake participatie.]6]2.
  § 4. De inspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van de instelling dat tot stand komt op basis van :
  1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens over de instelling. Die gegevens zijn te relateren aan elementen in het referentiekader onderwijskwaliteit, het referentiekader CLB-kwaliteit, het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun of het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, Ї 2, eerste tot en met vierde lid;
  2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de opvolgingsverslagen.
  In afwijking van het eerste lid, kan de inspectie, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering een doorlichting uitvoeren.
  [7 In afwijking van het eerste lid kan de onderwijsinspectie altijd een onaangekondigde doorlichting uitvoeren.]7
  [4 De inspectie kan een doorlichting uitvoeren op grond van herhaaldelijk mindere prestaties op de Vlaamse toetsen of minder leerwinst.]4
  § 5. Het toezicht op de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid van gebouwen en lokalen, vermeld in de reglementering, kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de verdere procedure.]1
  § 6. De inspectie spreekt zich in haar oordeel nooit uit over de rol van het bestuur van de instelling, noch over individuele personeelsleden.
  
Art. 38. § 1er. [2 pendant un audit d'un établissement d'enseignement, l'inspection de l'enseignement vérifie si l'établissement d'enseignement :
   1° respecte la réglementation de l'enseignement ;
   2° [3 répond aux attentes de qualité contenues dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement visé à l'article 4, § 2, alinéa 1er.
   Dans l'enseignement fondamental et secondaire, à l'exception des nouveaux établissements d'enseignement, l'inspection de l'enseignement évalue également la politique d'égalité des chances.]3

  [3 3° élabore, met en oeuvre et évalue une politique de qualité de l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental et secondaire, en application des obligations réglementaires des établissements en matière d'orientation des élèves.]3
  [5 4° réalise, dans l'enseignement fondamental et secondaire, des programmes adaptés individuellement de qualité pour les élèves en possession d'un rapport IAC, en accordant une attention supplémentaire, dans l'enseignement spécial, à la possibilité de réintégration dans l'enseignement ordinaire et en accordant une attention supplémentaire, dans l'enseignement ordinaire, à l'évaluation d'aménagements raisonnables ;
   5° réalise, dans l'enseignement secondaire, des parcours d'enseignement de qualité pour les élèves en possession d'un rapport OV4, en accordant une attention supplémentaire, dans l'enseignement spécial, à la possibilité de réintégration dans l'enseignement ordinaire et en accordant une attention supplémentaire, dans l'enseignement ordinaire, à l'évaluation d'aménagements raisonnables.]5

  [6 Pendant un audit d'un internat de l'enseignement, l'inspection de l'enseignement vérifie si l'internat :
   1° respecte la réglementation relative aux internats de l'enseignement ;
   2° rencontre les attentes en termes de qualité figurant dans le cadre de référence pour la qualité de l'internat de l'enseignement visé à l'article 4, § 2, alinéa 4.]6

   Pendant un audit d'un CLB, l'inspection de l'enseignement vérifie si le CLB :
   1° respecte la réglementation sur les CLB ;
   2° répond aux attentes de qualité contenues dans le cadre de référence pour la qualité du CLB visé à l'article 4, § 2, alinéa 2.]2

  [3 3° réalise de manière qualitative les activités clés `fonction de signal' et `encadrement des élèves consultatif'.]3
  [5 Pendant un audit d'un centre de soutien à l'apprentissage, l'Inspection de l'Enseignement vérifie si le centre de soutien à l'apprentissage :
   1° respecte la réglementation applicable aux centres de soutien à l'apprentissage ;
   2° rencontre les attentes en termes de qualité figurant dans le cadre de référence pour un soutien à l'apprentissage de qualité, visé à l'article 4, § 2, alinéa 2.]5

  En outre, l'inspection examine également les missions que l'établissement a éventuellement attribuées au centre d'enseignement [2 ou au groupe d'écoles]2 auquel il appartient. Les centres d'enseignement [2 ou les groupes d'écoles]2 sont tenus de communiquer à l'inspection toutes les informations à ce sujet.
  Si l'inspection constate des lacunes pendant un audit, elle examine si l'établissement peut combler autonomement ces lacunes et sans appui extérieur.
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. En s'appuyant sur le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement, le cadre de référence pour la qualité du CLB, le cadre de référence pour un soutien à l'apprentissage de qualité et le cadre de référence pour la qualité de l'internat de l'enseignement, visés à l'article 4, § 2, alinéas 1er à 4, l'inspection de l'enseignement élabore le cadre de contrôle et les instruments d'audit et les rend publics.
   En ce qui concerne les écoles, le cadre de contrôle sonde en tout cas à partir du cadre de référence pour la qualité de l'enseignement les obligations réglementaires des établissements en matière d'[7 objectifs pédagogiques ]7, de conditions d'agrément et de conditions de financement et de subventionnement et les obligations réglementaires des établissements sur le plan de :
   1° la politique en faveur de l'égalité des chances en d'éducation ;
   2° la politique d'encadrement, l'encadrement des élèves [7 , y compris la politique anti-harcèlement,]7 et le soutien à l'apprentissage ;
   3° la politique linguistique ;
   4° la politique en matière d'orientation des élèves ;
   5° la politique d'évaluation concernant les élèves et les apprenants ;
   6° les choix politiques visant à optimiser le déploiement et le soutien des membres du personnel ;
   7° la politique de formation continue et de professionnalisation ;
   8° la politique en matière de participation.]6]2.
  § 4. Pour la fixation de la fréquence et de l'intensité de l'audit, l'inspection se fonde sur le profil de l'établissement qui est établi à partir :
   1° d'une série de données prédéfinies et communiquées au sujet de l'établissement. Ces données sont liées à des éléments du cadre de référence pour la qualité de l'enseignement, du cadre de référence pour la qualité du CLB, du cadre de référence pour un soutien à l'apprentissage de qualité ou du cadre de référence pour la qualité de l'internat de l'enseignement, visés à l'article 4, § 2, alinéas 1er à 4;
  2° du rapport d'audit précédent et, le cas échéant, des rapports de suivi.
  En raison de plaintes graves à l'encontre d'un établissement, l'inspection peut, par dérogation au premier alinéa, réaliser un audit à la demande du Gouvernement flamand.
  [7 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'inspection de l'enseignement peut à tout moment effectuer un contrôle inopiné. "]7
  [4 L'inspection peut procéder à un audit en raison de performances inférieures répétées aux tests flamands ou de gains d'apprentissage inférieurs.]4
  § 5. Le contrôle des conditions en matière d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité des bâtiments et des locaux, prévu dans la réglementation, peut se faire séparément de l'audit. [1 Le Gouvernement flamand précise la procédure en la matière.]1
  § 6. Dans son avis, l'inspection ne se prononce jamais sur le rôle de la direction de l'institution ni sur les membres individuels du personnel.
  
Art. 39. § 1. [1 Elke doorlichting resulteert in een schriftelijk doorlichtingsverslag en een advies aan de Vlaamse Regering. Het doorlichtingsverslag bevat een onderbouwing van het advies]1.
  Het doorlichtingsteam, met inbegrip van de deelnemende externe deskundigen, stelt in consensus het doorlichtingsverslag op.
  § 2. [1 ...]1.
  § 3. [1 ...]1.
  § 4. [1 Voor een nieuwe instelling zijn de volgende adviezen mogelijk :
   1° advies "voorlopige erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling voor één schooljaar erkend wordt;
   2° advies "geen voorlopige erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling geen voorlopige erkenning krijgt;
   3° advies "erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling met ingang van 1 september van het volgende schooljaar erkend is;
   4° advies "geen erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling niet erkend wordt]1
.
  [1 § 5. [2 [4 Voor de hele instelling of voor een afzonderlijk structuuronderdeel, en dit eventueel binnen een vestigingsplaats, of voor een leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, zijn de volgende adviezen mogelijk:
   1А gunstig advies: dit houdt in dat de erkenning van de instelling, of van structuuronderdelen, of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, voortgezet wordt. Een gunstig advies kan het bestuur verplichten zich te engageren om aan de tekorten te werken;
   2А ongunstig advies: dit houdt in dat de procedure tot intrekking van de erkenning van de instelling, of van structuuronderdelen, of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, opgestart wordt, met daarbij de vermelding van:
   a) de mogelijkheid tot opschorting: dit houdt in dat het bestuur kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt op voorwaarde dat het bestuur het engagement aangaat om zich bij het werken aan de tekorten extern te laten begeleiden;
   b) de onmogelijkheid tot opschorting: dit houdt in dat het bestuur niet kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt.
   Een ongunstig advies voor een structuuronderdeel binnen een vestigingsplaats of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van dat structuuronderdeel als datzelfde structuuronderdeel ook aangeboden wordt op andere vestigingsplaatsen.
   Een ongunstig advies voor een leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, heeft betrekking op het leersteuncentrum en kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van de school voor buitengewoon onderwijs.
   Een ongunstig advies voor een school voor buitengewoon onderwijs waar een leersteuncentrum deel van uitmaakt, heeft betrekking op de school voor buitengewoon onderwijs en kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van het leersteuncentrum.
   Een tekort op het vlak van het beleid op leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 38, Ї 1, eerste lid, 3А, kan leiden tot de verplichting voor de school om zich extern te laten begeleiden.
   Een tekort op het vlak van de signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 38, Ї 1, tweede lid, 3А, kan leiden tot de verplichting voor het CLB om zich extern te laten begeleiden.
   Een tekort op het vlak van de kwaliteit van de leersteun, vermeld in artikel 38, Ї 1, derde lid, kan leiden tot de verplichting voor het leersteuncentrum om zich extern te laten begeleiden.]4
]2

  [3 § 6. Tijdens de eerste twee schooljaren van inwerkingtreding van bij decreet of besluit vastgelegde onderwijsdoelen, kan het niet of niet in voldoende mate bereiken of nastreven, naargelang van het geval, van die onderwijsdoelen, niet leiden tot een advies als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, 2°.]3
  [5 In afwijking van het eerste lid zijn de volgende gedoogperiodes van toepassing voor het basisonderwijs:
   1° tijdens de eerste twee schooljaren van inwerkingtreding van de bij decreet of besluit vastgelegde onderwijsdoelen kan het niet of niet in voldoende mate implementeren, naargelang van het geval, van die onderwijsdoelen niet leiden tot een advies als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, 2° ;
   2° tot en met het schooljaar 2030-2031 kan het niet of niet in voldoende mate bereiken of nastreven, naargelang van het geval, van die onderwijsdoelen niet leiden tot een advies als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, 2°.]5

  [3 § 7. Voor het basisen secundair onderwijs zijn volgende evaluaties van het gelijkeonderwijskansenbeleid mogelijk:
   1° een positieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de SES-lestijden, de aanvullende lestijden, de extra uren-leraar of de extra lesuren ontvangt tot de daaropvolgende schooldoorlichting, conform de berekeningen gebaseerd op, naargelang het geval, artikel 85, § 2, 134 en 139ter decies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 227, 235, 249 of 319 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
   2° een negatieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school een engagement tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning moet aangaan. Als de eerstvolgende evaluatie door de onderwijsinspectie opnieuw negatief is, dan ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar, slechts de helft van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de helft van het aantal SES-lestijden, aanvullende lestijden, extra uren-leraar of extra lesuren waarop ze normaliter recht heeft en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie positief is. De onderwijsinspectie evalueert de school opnieuw binnen een termijn van 1 jaar.]3

  
Art. 39. § 1er. [1 Tout audit résulte en un rapport d'audit écrit et un avis au Gouvernement flamand. Le rapport d'audit contient le fondement de l'avis]1.
  L'équipe d'audit, avec la participation des experts externes, prépare un rapport d'audit par consensus.
  § 2. [1 ...]1.
  § 3. [1 ...]1.
  § 4. [1 Pour un nouvel établissement, les avis suivants sont possibles :
   1° un avis " agrément provisoire " : cela signifie que le nouvel établissement est reconnu pour une année scolaire ;
   2° un avis " refus d'agrément provisoire " : cela signifie que le nouvel établissement n'obtient pas d'agrément provisoire ;
   3° un avis " agrément " : cela signifie que le nouvel établissement est agréé à partir du 1er septembre de l'année scolaire suivante ;
   4° un avis " refus d'agrément " : cela signifie que le nouvel établissement n'est pas agréé]1
.
  [1 § 5. [2 [4 Pour l'ensemble de l'établissement ou une subdivision structurelle distincte, éventuellement au sein d'une implantation, ou pour un centre de soutien à l'apprentissage qui fait partie d'une école d'enseignement spécial, les avis suivants sont possibles :
   1° avis favorable : cela signifie que l'agrément de l'établissement ou de subdivisions structurelles ou du centre de soutien à l'apprentissage qui fait partie d'une école d'enseignement spécial est prolongé. Un avis favorable peut obliger l'autorité à s'engager à remédier aux lacunes ;
   2° avis défavorable : cela signifie que la procédure de retrait de l'agrément de l'établissement ou de subdivisions structurelles ou du centre de soutien à l'apprentissage qui fait partie d'une école d'enseignement spécial est engagée, avec mention de :
   a) la possibilité de suspension : cela signifie que l'autorité peut demander que la procédure de retrait de l'agrément ne soit pas engagée, à condition que l'autorité prenne l'engagement de se faire accompagner par des parties extérieures pour remédier aux lacunes ;
   b) l'impossibilité de suspension : cela signifie que l'autorité ne peut pas demander que la procédure de retrait de l'agrément ne soit pas engagée.
   Un avis défavorable pour une subdivision structurelle au sein d'une implantation ou du centre de soutien à l'apprentissage qui fait partie d'une école d'enseignement spécial ne peut jamais entraîner automatiquement le retrait de l'agrément de cette subdivision structurelle si cette même subdivision structurelle est également proposée dans d'autres implantations.
   Un avis défavorable pour un centre de soutien à l'apprentissage qui fait partie d'une école d'enseignement spécial porte sur le centre de soutien à l'apprentissage et ne peut jamais entraîner automatiquement le retrait de l'agrément de l'école d'enseignement spécial.
   Un avis défavorable pour une école d'enseignement spécial dont fait partie un centre de soutien à l'apprentissage porte sur l'école d'enseignement spécial et ne peut jamais entraîner automatiquement le retrait de l'agrément du centre de soutien à l'apprentissage.
   Une lacune au niveau de la politique d'encadrement des élèves visée à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 3°, peut entraîner, pour l'école, l'obligation de se faire accompagner par des parties extérieures.
   Une lacune au niveau de la fonction de signal et de l'encadrement consultatif des élèves visés à l'article 38, § 1er, alinéa 2, 3°, peut entraîner, pour le CLB, l'obligation de se faire accompagner par des parties extérieures.
   Une lacune au niveau de la qualité du soutien à l'apprentissage visé à l'article 38, § 1er, alinéa 3, peut entraîner, pour le centre de soutien à l'apprentissage, l'obligation de se faire accompagner par des parties extérieures.]4
.]2

  [3 § 6. Au cours des deux premières années scolaires de l'entrée en vigueur des objectifs éducatifs fixés par décret ou arrêté, le fait de ne pas atteindre ou de ne pas poursuivre ou pas suffisamment ces objectifs éducatifs, selon le cas, ne donne pas lieu à un avis visé au paragraphe 5, alinéa 1er, 2°.]3
  [5 Par dérogation à l'alinéa 1er, les périodes de tolérance suivantes s'appliquent à l'enseignement fondamental :
   1° si les objectifs pédagogiques fixés par décret ou arrêté ne sont pas ou, selon le cas, sont insuffisamment mis en oeuvre au cours des deux premières années scolaires après leur entrée en vigueur, ceci ne peut pas donner lieu à un avis tel que visé au paragraphe 5, alinéa 1er, 2° ;
   2° si ces objectifs pédagogiques ne sont pas ou, selon le cas, sont insuffisamment atteints ou poursuivis avant ou pendant l'année scolaire 2030-2031, ceci ne peut pas donner lieu à un avis tel que visé au paragraphe 5, alinéa 1er, 2°.]5

  [3 § 7. Pour l'enseignement fondamental et secondaire, les évaluations suivantes de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement sont possibles :
   1° une évaluation positive : cela signifie que l'école reçoit le budget de fonctionnement basé sur les caractéristiques des élèves, ainsi que, selon le cas, les périodes SES, les périodes complémentaires, les périodes-professeur supplémentaires ou les heures de cours supplémentaires jusqu'à l'audit scolaire suivant, conformément aux calculs basés, selon le cas, sur l'article 85, § 2, 134 et 139terdecies du décret du 25 février 1997 et les articles 227, 235, 249 ou 319 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ;
   2° une évaluation négative : cela signifie que l'école doit s'engager à y remédier avec des conseils et un soutien extérieurs. Si l'évaluation suivante de l'inspection de l'enseignement est à nouveau négative, l'école ne reçoit, à partir de l'année scolaire suivante, que la moitié du budget de fonctionnement basé sur les caractéristiques des élèves, ainsi que, selon le cas, la moitié du nombre de périodes SES, de périodes complémentaires, d'heures de périodes-professeur supplémentaires ou d'heures de cours supplémentaires auxquelles elle a normalement droit, jusqu'à et y compris l'année scolaire au cours de laquelle une évaluation est positive. L'inspection de l'enseignement évalue à nouveau l'école dans un délai d'un an.]3

  
Art. 41. [1 § 1. Bij een advies als vermeld in artikel 39, § 5, 2°, a) of b), of een advies als vermeld in artikel 39, § 4, 4°, brengt de Vlaamse Regering het bestuur van de instelling daarvan op de hoogte.
   § 2. Bij een advies als vermeld in artikel 39, § 5, 2°, a), kan het bestuur van de instelling binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de mededeling, vermeld in paragraaf 1, verzoeken om de procedure tot intrekking van de erkenning niet op te starten.
   Als het bestuur van de instelling verzoekt om de procedure tot intrekking van de erkenning niet op te starten, volgt een nieuwe doorlichting binnen een tijdspanne die de onderwijsinspectie bepaalt op basis van de ernst en de aard van de tekorten.
   Als het bestuur geen gebruik maakt van de mogelijkheid om te verzoeken de procedure tot intrekking van de erkenning niet op te starten, start de procedure tot intrekking van de erkenning.
   Na een advies als vermeld in artikel 39, § 5, 2°, b), kan het bestuur binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de mededeling, vermeld in paragraaf 1, beroep aantekenen tegen de onmogelijkheid om te verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet wordt opgestart.
   Ook tegen het advies "geen erkenning", vermeld in artikel 39, § 4, 4°, kan door het bestuur beroep aangetekend worden binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de mededeling.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de opheffing van de erkenning en de procedure voor het beroep, vermeld in paragraaf 2, vierde lid. Die procedures waarborgen de rechten van de verdediging.
   De beroepsprocedure in geval van een advies conform artikel 39, § 5, 2°, b), voorziet in een paritair samengesteld doorlichtingsteam.]1

  
Art. 41. [1 § 1er. Dans le cas d'un avis tel que visé à l'article 39, § 5, 2°, a) ou b) ou un avis tel que visé à l'article 39, § 4, 4°, le Gouvernement flamand en informe l'autorité de l'établissement.
   § 2. Dans le cas d'un avis tel que visé à l'article 39, § 5, 2°, a), l'autorité de l'établissement peut demander dans un délai de trente jours calendaires de la communication visée au paragraphe 1er, de ne pas entamer la procédure de retrait de l'agrément.
   Lorsque l'autorité de l'établissement demande de ne pas entamer la procédure de retrait de l'agrément, un nouvel audit est effectué dans un délai déterminé par l'inspection de l'enseignement sur la base de la gravité et de la nature des manques.
   Lorsque l'autorité n'invoque pas la possibilité de demander de ne pas entamer la procédure de retrait de l'agrément, la procédure de retrait de l'agrément démarre.
   Après un avis tel que visé à l'article 39, § 5, 2°, b), l'autorité peut former recours dans un délai de trente jours calendaires de la communication visée au paragraphe 1er, contre l'impossibilité de formuler une demande de ne pas entamer la procédure de retrait de l'agrément.
   Contre un avis " refus d'agrément " tel que visé à l'article 39, § 4, 4°, l'autorité peut former recours dans un délai de trente jours calendaires de la communication.
   § 3. Le Gouvernement flamand arrête la procédure de suppression de l'agrément et la procédure du recours visé au paragraphe 2, alinéa 4. Ces procédures garantissent les droits de la défense.
   La procédure de recours dans le cas d'un avis conformément à l'article 39, § 5, 2°, b) prévoit une équipe d'audit composée paritairement.]1

  
Art. 42. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere procedureregels voor de organisatie van de doorlichtingen. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan :
  1° de manier waarop personeelsleden van de instelling, [3 ouders van leerlingen en internen, en leerlingen, internen of cursisten]3 worden gehoord bij de doorlichting;
  2° de manier waarop personeelsleden van de instelling, [3 ouders van leerlingen en internen, en leerlingen, internen of cursisten]3 worden geïnformeerd over het resultaat van de doorlichting.
  § 2. Het bestuur en de personeelsleden van de instelling, de [3 ouders van leerlingen en internen, en leerlingen, internen of cursisten]3 worden als eersten geïnformeerd over het resultaat van de doorlichting, vóór de verslagen openbaar worden, zoals bepaald door artikel 44 van dit decreet.
  [1 § 3. Bij het bepalen van de verdere procedureregels, vermeld in paragraaf 1, draagt de Vlaamse Regering er zorg voor dat de start van de doorlichting tijdig aangekondigd wordt door de onderwijsinspectie. [4 In afwijking hiervan kan de doorlichting ook onaangekondigd plaatsvinden]4.]1
  
Art. 42. § 1er. Le Gouvernement flamand arrête les règles de procédure pour l'organisation des audits. A cet effet, il est porté, entre autres, une attention particulière à :
  1° la façon dont les membres du personnel de l'établissement, [3 les parents d'élèves et d'internes, les élèves, les internes ou apprenants ]3sont entendus durant l'audit;
  2° la façon dont les membres du personnel de l'établissement, [3 les parents d'élèves et d'internes, les élèves, les internes ou apprenants]3sont informés sur le résultat de l'audit.
  § 2. La direction et les membres du personnel de l'établissement, [3 les parents d'élèves et d'internes, les élèves, les internes ou apprenants]3 sont informés les premiers sur le résultat de l'audit, avant que les rapports soient publiés comme prévu par l'article 44 du présent arrêté.
  [1 § 3. Lors de la détermination des modalités de procédure, visées au paragraphe 1er, le Gouvernement flamand veille à ce que le démarrage de l'audit est annoncé à temps par l'inspection de l'enseignement. [4 Par dérogation à ce qui précède, l'audit peut avoir lieu de manière inopinée.]4.]1
  
Afdeling IV. - Specifieke opdrachten
Section IV. - Missions spécifiques
Art. 43. [1 De onderwijsinspectie is, volgens de door de Vlaamse Regering bepaalde modaliteiten, belast met het kwaliteitstoezicht op de opleidings- en vormingsprogramma's georganiseerd door organisaties die geen onderwijsinstellingen zijn maar die leiden tot attesten, certificaten, diploma's of getuigschriften met eenzelfde civiel effect als deze die van rechtswege worden uitgereikt door onderwijsinstellingen.
   De onderwijsinspectie is tevens, volgens de door de Vlaamse Regering bepaalde modaliteiten, belast met het kwaliteitstoezicht op de opleidings- en vormingsprogramma's georganiseerd door organisaties waarvan de erkenning of subsidiëring bij decreet of besluit afhankelijk wordt gesteld van desbetreffend toezicht.]1

  
Art. 43. [1 L'inspection de l'enseignement est, selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand, chargée du contrôle de la qualité des programmes d'éducation et de formation organisés par les organisations qui ne sont pas des établissements d'enseignement mais qui conduisent à des attestations, certificats, diplômes ou certificats d'études ayant le même effet civil que ceux qui sont délivrés de droit par des établissements d'enseignement.
   L'inspection de l'enseignement est, selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand, également chargée du contrôle de la qualité des programmes d'éducation et de formation organisés par les organisations dont l'agrément ou l'admission aux subventions est subordonné par décret ou arrêté à l'inspection en question.]1

  
Art. 43bis. [1 § 1. De onderwijsinspectie is belast met het kwaliteitstoezicht op de diagnostische praktijk van de centra voor leerlingenbegeleiding in functie van de opmaak van de verslagen, vermeld in de artikelen 15 en 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in de artikelen 294 en 352 van de Codex Secundair Onderwijs.[4 De onderwijsinspectie heeft daarbij bijzondere aandacht voor CLB's die systematisch meer GC-verslagen, IAC-verslagen en OV4-verslagen opmaken in vergelijking met andere CLB's.]4
   Dit kwaliteitstoezicht kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden[4 en kan scholen die begeleid worden door het CLB meenemen in het toezicht]4. Als beide doorlichtingen ingepland zijn tijdens hetzelfde schooljaar, gebeuren ze geïntegreerd.
   De inspectie stemt voor de uitvoering van deze opdrachten af met [3 de afdeling Zorginspectie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie]3.
   De inspectie rapporteert jaarlijks over het kwaliteitstoezicht aan de Vlaamse Regering.
   § 2. De onderwijsinspectie is tevens belast met de toekenning van vrijstelling van leerplicht en het adviseren over aanvragen voor permanent onderwijs aan huis.]1

  
Art. 43bis. [1 § 1er. L'inspection de l'enseignement est chargée du contrôle de la qualité sur la pratique diagnostique des centres d'éducation des élèves en fonction de la rédaction des rapports visés aux articles 15 et 16 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et aux articles 294 et 352 du Code de l'Enseignement secondaire.[4 A cet égard, l'Inspection de l'Enseignement accorde une attention particulière aux CLB qui rédigent systématiquement davantage de rapports GC, de rapports IAC et de rapports OV4 que d'autres CLB.]4
   Ce contrôle de la qualité peut être effectué séparément de l'audit[4 et peut intégrer dans le contrôle les écoles qui sont accompagnées par le CLB]4. Si les deux audits sont prévus au cours de la même année scolaire, ils se font de façon intégrée.
   Pour l'accomplissement de ces missions, l'inspection se concerte avec [3 la division de l'Inspection des Soins du Département Soins, visé à l'article 23, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande]3.
   L'inspection fait annuellement rapport au Gouvernement flamand sur le contrôle de la qualité.
   § 2. L'inspection de l'enseignement est également chargée de l'octroi d'une dispense de l'obligation scolaire et de rendre des avis sur les demandes d'enseignement permanent en milieu familial.]1

  
HOOFDSTUK III. - Openbaarheid van de verslagen en adviezen
CHAPITRE III. - Publicité des rapports et avis
Art. 44. De doorlichtingsverslagen [1 ...]1 en de adviezen met betrekking tot de erkenning van de instelling zijn bestuursdocumenten die vallen onder de toepassing van [2 titel II, hoofdstuk 3, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018]2, met uitzondering van vrijwillig door de instelling ter beschikking gestelde documenten in het kader van :
  1° de resultaten van wetenschappelijke onderzoeken waaraan de instelling vrijwillig heeft deelgenomen;
  2° de interne kwaliteitszorg;
  3° de resultaten van voorbereidende en periodieke onderzoeken waaraan een instelling deelneemt met het oog op de interne of externe kwaliteitscontrole.
  
Art. 44. Les rapports d'audit [1 ...]1 et les avis sur la reconnaissance de l'établissement sont des documents administratifs qui tombent sous l'application du [2 titre II, chapitre 3 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018]2, à l'exception des documents volontairement mis à disposition par l'établissement dans le cadre :
  1° des résultats des recherches scientifiques auxquelles l'établissement a participé volontairement;
  2° de la gestion interne de la qualité;
  3° des résultats d'examens préparatoires et périodiques auxquels un établissement participe en vue du contrôle de qualité interne et externe.
  
HOOFDSTUK IIIbis. [1 De toegang tot persoonsgegevens]1
CHAPITRE IIIbis. [1 L'accès aux données à caractère personnel]1
Art. 44bis. [1 § 1.[2 [3 De inspecteurs hebben het recht om voor de uitoefening van hun opdracht inzage te krijgen in of kopie te krijgen van persoonsgegevens. De persoonsgegevens hebben betrekking op leerlingen die verbonden zijn aan de onderwijsinstelling, of begeleid worden door het centrum voor leerlingenbegeleiding, of ondersteund worden door een leersteuncentrum en op internen die ingeschreven zijn in een onderwijsinternaat. Het betreft de gegevens die de onderwijsinstelling, het centrum voor leerlingenbegeleiding, het leersteuncentrum of het onderwijsinternaat krachtens de onderwijs-, onderwijsinternaats- of CLB-reglementering of de reglementering over de leersteuncentra in het dossier verwerken, zoals de administratieve gegevens, inschrijvingsgegevens, afwezigheden, studieresultaten [5 , de registratie van gegevens inzake afzondering en fixatie, vermeld in artikel 33/5, Ї 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 123/24/5 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010,]5 en zorggegevens. De bevoegdheid heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.]3.]2.
   Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Als dat nodig is in het licht van de opdracht, kunnen de inspecteurs inzage vragen in persoonsgegevens, als daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels over het verwerken van die gegevens worden gevolgd. Onder anonieme gegevens wordt verstaan: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is.
   De Vlaamse Regering stelt voorwaarden vast om de transparantie en de uitoefening van de rechten van de betrokkenen te verzekeren.
   § 2. De inspecteurs respecteren het vertrouwelijke karakter van de gegevens waarvan ze kennis hebben gekregen bij de uitoefening van hun opdracht met betrekking tot de controle op de kwaliteit en op de toepassing van de onderwijsreglementering, conform artikel 32 en artikel 38 van dit decreet. Ze wenden die gegevens uitsluitend aan voor de vervulling van hun opdracht en delen die niet mee aan andere instanties.
   In afwijking van artikel 57, dragen de inspecteurs die belast zijn met de inspectie van de centra voor leerlingenbegeleiding kennis van geheimen die hun zijn toevertrouwd, in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek, voor wat betreft de persoonsgegevens die door de centra voor leerlingenbegeleiding worden meegedeeld. De personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding delen de persoonsgegevens mee aan de onderwijsinspectie, in afwijking van artikel 11 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs of artikel 14 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 7 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp.
   De inspecteurs bewaren de persoonsgegevens die ze bij de uitoefening van hun opdracht verwerken, niet langer dan nodig voor de uitoefening van die opdracht en in elk geval niet langer dan nodig voor de eindredactie van het verslag of het rapport.
   § 3. De onderwijsinspectie is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), voor de persoonsgegevens die inspecteurs bij de uitoefening van hun opdracht verwerken.]1

  
Art. 44bis. [1 § 1er.[2 [3 Les inspecteurs ont le droit d'accéder aux données à caractère personnel ou d'en obtenir copie pour accomplir leur mission. Les données à caractère personnel se rapportent aux élèves attachés à l'établissement d'enseignement, accompagnés par le centre d'encadrement des élèves ou soutenus par un centre de soutien à l'apprentissage et aux internes inscrits dans un internat de l'enseignement. Il s'agit des données que l'établissement d'enseignement, le centre d'encadrement des élèves, le centre de soutien à l'apprentissage ou l'internat de l'enseignement traite dans le dossier en vertu de la réglementation de l'enseignement, de l'internat de l'enseignement ou du CLB ou de la réglementation relative aux centres de soutien à l'apprentissage, telles que les données administratives, les données d'inscription, les absences, les résultats d'études[5 , l'enregistrement de données relatives à l'isolement et à la contention visées à l'article 33/5, § 1, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, et à l'article 123/24/5 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010,]5 et les données d'encadrement. La compétence couvre également les données accessibles via un système informatique ou tout autre dispositif électronique. ]3]2.
   Si des données anonymes sont disponibles et actuelles, les inspecteurs demanderont à consulter ces données en priorité. Si cela s'avère nécessaire dans le cadre de la mission, les inspecteurs peuvent demander l'accès aux données à caractère personnel, si les règles européennes, fédérales et flamandes relatives au traitement de ces données sont respectées. Il faut entendre par données anonymes : données qui ne concernent pas une personne physique identifiée ou identifiable ni des données à caractère personnel rendues anonymes de telle sorte que la personne concernée n'est pas ou plus identifiable " ;
   Le Gouvernement flamand fixe des conditions pour assurer la transparence et l'exercice des droits des personnes concernées.
   § 2. Les inspecteurs respectent le caractère confidentiel des données dont ils ont pris connaissance dans l'exercice de leur mission de contrôle de la qualité et de l'application de la réglementation de l'enseignement, conformément à l'article 32 et à l'article 38 du présent décret. Ils utilisent ces données uniquement pour l'accomplissement de leur mission et ne les divulguent à aucune autre instance.
   Par dérogation à l'article 57, les inspecteurs chargés de l'inspection des centres d'encadrement des élèves ont connaissance de secrets qui leur sont confiés, au sens de l'article 458 du Code pénal, en ce qui concerne les données à caractère personnel communiquées par les centres d'encadrement des élèves. Les membres du personnel des centres d'encadrement des élèves communiquent les données à caractère personnel à l'inspection de l'enseignement, par dérogation à l'article 11 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 14 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves et l'article 7 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse.
   Les inspecteurs conservent les données à caractère personnel qu'ils traitent dans l'accomplissement de leur mission pendant une durée n'excédant pas celle nécessaire à l'accomplissement de cette mission et, en tout cas, pendant une durée n'excédant pas celle nécessaire à la rédaction finale du compte-rendu ou du rapport.
   § 3. L'inspection de l'enseignement est le responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), pour les données à caractère personnel que traitent les inspecteurs dans l'accomplissement de leur mission.]1

  
HOOFDSTUK IV. - Organisatie en financiering
CHAPITRE IV. - Organisation et financement
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Section Ire. - Dispositions générales
Art. 45. Bij de Vlaamse Regering wordt een inspectie opgericht, onder leiding van een inspecteur-generaal. [1 De onderwijsinspectie kan voor de uitoefening van haar opdracht beschikken over de leden van de onderwijsinspectie, ondersteunende personeelsleden van de diensten van de Vlaamse Regering en middelen ingeschreven in de Vlaamse begroting.
   De Vlaamse Regering kan personeelsleden van het Agentschap Kwaliteit in Onderwijs en Vorming overdragen naar de onderwijsinspectie.]1

  
Art. 45. Auprès du Gouvernement flamand une inspection est créée sous la direction d'un inspecteur général. [1 Pour l'exécution de sa mission, l'Inspection de l'Enseignement peut avoir à sa disposition les membres de l'Inspection de l'Enseignement, des membres du personnel d'appui des services du Gouvernement flamand et des moyens inscrits au budget flamand.
   Le Gouvernement flamand peut transférer des membres du personnel de l'" Agentschap Kwaliteit in Onderwijs en Vorming " (Agence pour la Gestion de la Qualité dans l'Enseignement et de la Formation) à l'Inspection de l'Enseignement.]1

  
Afdeling II. - Organisatie van de inspectie
Section II. - Organisation de l'inspection
Art. 46. § 1. De inspectie bestaat voor minstens 35 % uit personeelsleden afkomstig uit instellingen die behoren tot het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd officieel onderwijs, en voor minstens 35 % uit personeelsleden afkomstig uit de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs.
  De afkomst wordt bepaald door de laatste instelling waar de kandidaat functioneert voor hij aangesteld wordt tot inspecteur en door de instelling waar de kandidaat de grootste opdracht heeft. Bij gelijke opdracht telt de instelling waarin het personeelslid de meeste dienstanciënniteit heeft.
  § 2. De inspectie bestaat voor :
  1° minstens 40 % uit personeelsleden met relevante beroepservaring in het gewoon basisonderwijs;
  2° minstens 26 % uit personeelsleden met relevante beroepservaring in het gewoon secundair onderwijs;
  3° minstens 3 % uit personeelsleden met relevante beroepservaring in het volwassenenonderwijs of in de basiseducatie;
  4° minstens 2 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring inzake de coördinatie van leerlingenbegeleiding of in de CLB's;
  5° minstens 2 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring in het kunstonderwijs of in kunstvakken;
  6° minstens 7 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring in het buitengewoon onderwijs.
  [1 7А minstens 3% uit personeelsleden met relevante beroepservaring in het onderwijsinternaatsgebeuren.]1
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt wat moet verstaan worden onder relevante beroepservaring.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenstelling van de inspectie, rekening houdend met de bepalingen, vermeld in § 1 en § 2.
  
Art. 46. § 1er. L'inspection se compose pour au moins 35 % de membres du personnel provenant d'établissements appartenant à l'enseignement communautaire ou à l'enseignement officiel subventionné, et pour au moins 35 % de membres du personnel provenant d'établissements de l'enseignement libre subventionné.
  La provenance est déterminée par le dernier établissement où le candidat fonctionne avant qu'il ne soit désigné comme inspecteur et par l'établissement où le candidat a sa charge principale. A charges égales, l'établissement, où le membre du personnel a le plus d'ancienneté de service, est pris en compte.
  § 2. L'inspection se compose pour :
  1° au moins 40 % de membres du personnel ayant une expérience professionnelle pertinente dans l'enseignement fondamental ordinaire;
  2° au moins 26 % de membres du personnel ayant une expérience professionnelle pertinente dans l'enseignement secondaire ordinaire;
  3° au moins 3 % de membres du personnel ayant une expérience professionnelle pertinente dans l'éducation des adultes ou l'enseignement de base;
  4° au moins 2 % de membres du personnel ayant une expérience professionnelle pertinente dans la coordination de l'encadrement des élèves ou dans les CLB;
  5° au moins 2 % de membres du personnel ayant une expérience professionnelle pertinente dans l'enseignement artistique ou les cours artistiques;
  6° au moins 7 % de membres du personnel ayant une expérience professionnelle pertinente dans l'enseignement spécial.
  [1 7° au moins 3 % de membres du personnel ayant une expérience professionnelle pertinente de l'activité de l'internat de l'enseignement.]1
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine ce qu'il faut entendre par expérience professionnelle pertinente.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à la composition de l'inspection, en tenant compte des dispositions, visées aux §§ 1er et 2.
  
Afdeling III. - Financiering
Section III. - Financement
Art. 47. [1 Binnen de perken van de begrotingskredieten stelt de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks middelen ter beschikking voor de salarissen en voor de werkingskosten van de onderwijsinspectie.
   De uitgaven voor de salarissen bedragen minimaal 80 procent van de jaarlijkse middelen. Het aandeel voor de salarissen volgt de evolutie van de gezondheidsindex aan 100 %. Het aandeel voor de werkingskosten volgt 75 % van de evolutie van de gezondheidsindex.]1

  
Art. 47. [1 Chaque année, dans les limites des crédits budgétaires prévus, la Communauté flamande met des met à disposition pour les traitements et les frais de fonctionnement de l'inspection de l'enseignement.
   Les dépenses pour les traitements s'élèvent au minimum à 80 pour cent des moyens annuels. La quote-part pour les traitements suit l'évolution de l'indice de santé à 100 %. La quote-part pour les frais de fonctionnement suit 75 % de l'évolution de l'indice santé.]1

  
TITEL V. - Overleg tussen de pedagogische begeleidingsdiensten en de inspectie
TITRE V. - Concertation entre les services d'encadrement pédagogique et l'inspection
Art. 48. De Vlaamse Regering richt een permanent overlegorgaan op waarin de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten elkaar regelmatig ontmoeten in functie van hun opdrachten.
  Voor zover het overleg ook betrekking heeft op het volwassenenonderwijs, wordt ook [1 de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie]1, vermeld in artikel 43 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs betrokken.
  Het overlegorgaan maakt jaarlijks een rapport op over haar werking en bezorgt dit aan de Vlaamse Regering.
  
Art. 48. Le Gouvernement flamand établit un organe permanent de concertation dans lequel l'inspection et les services d'encadrement pédagogique se rencontrent régulièrement en fonction de leurs missions.
  Pour autant que la concertation porte également sur l'éducation des adultes, le [1 groupement représentatif des centres d'éducation de base]1, visé à l'article 43 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, est également associé.
  L'organe de concertation établit un rapport annuel sur son fonctionnement et le transmet au Gouvernement flamand.
  
DEEL III. - RECHTSPOSITIE INSPECTIE
PARTIE III. - STATUT DE L'INSPECTION
HOOFDSTUK I. - Aanwervingsvoorwaarden
CHAPITRE Ier. - Conditions de recrutement
Art. 49. § 1. De volgende personeelsleden kunnen lid worden van de inspectie :
  1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
  2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
  3° het zelfstandig en het assisterend academisch personeel van de universiteiten;
  4° het onderwijzend personeel van de hogescholen;
  5° de leraars basiseducatie, de stafmedewerkers en de directeurs in een centrum voor basiseducatie en de educatieve personeelsleden tewerkgesteld [3 bij de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie]3.
  § 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, kunnen zich kandidaat stellen voor een ambt van de inspectie als ze ten minste acht jaar dienstanciënniteit hebben in het onderwijs, ten minste acht jaar gepresteerde diensten in de basiseducatie hebben of ten minste acht jaar dienstanciënniteit/gepresteerde diensten hebben in het onderwijs als in de basiseducatie samen.
  § 3. In afwijking van § 1 en § 2 kan iemand zich ook kandidaat stellen als hij ten minste acht jaar relevante ervaring heeft in of met het onderwijs of de basiseducatie, aangevuld met ervaring in kwaliteitszorg en evaluatie in educatieve sectoren.
  § 4. De algemene voorwaarden voor de toelating tot een ambt bij de inspectie zijn :
  1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
  2° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven;
  3° de burgerlijke en politieke rechten genieten behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling, vermeld in punt 1°;
  4° [1 ...]1
  5° voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 50 van dit decreet.
  § 5. [2 ...]2.
  § 6. [2 ...]2.
  § 7. De Vlaamse Regering bepaalt hoe de dienstanciënniteit in het onderwijs en de gepresteerde diensten in de basiseducatie worden berekend.
  
Art. 49. § 1er. Les membres du personnel suivants peuvent devenir membres de l'inspection :
  1° les membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
  2° les membres du personnel visés à l'article 4, § 1er, a) du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves;
  3° les membres du personnel académique autonome et assistant des universités;
  4° les membres du personnel enseignant des instituts supérieurs;
  5° les enseignants de l'éducation de base, les collaborateurs et les directeurs dans un centre d'éducation de base et les membres du personnel éducatif employés [3 auprès du groupement représentatif des centres d'éducation de base.]3
  § 2. Les membres du personnel, visés au § 1er, peuvent se porter candidats à une fonction de l'inspection s'ils comptent au moins huit ans d'ancienneté de service dans l'enseignement, au moins huit ans de services prestés dans l'éducation de base ou au moins huit ans d'ancienneté de service/de services prestés dans l'enseignement et l'éducation de base ensemble.
  § 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, la personne ayant au moins huit ans d'expérience pertinente dans ou avec l'enseignement ou l'éducation de base, complétée par une expérience dans la gestion de la qualité et l'évaluation des les secteurs educatifs, peut également se porter candidate.
  § 4. Les conditions générales d'admission à une fonction auprès de l'inspection sont :
  1° être ressortissant d'un état membre de l'Union européenne ou de l'Association européenne de Libre-Echange, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand;
  2° être de conduite irréprochable, attestée par un extrait du casier juridique délivré depuis un an au maximum;
  3° jouir des droits civils et politiques, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand et allant de pair avec la dispense visée au 1°;
  4° [1 ...]1
  5° satisfaire aux exigences linguistiques telles que fixées à l'article 50 du présent décret.
  § 5. [2 ...]2.
  § 6. [2 ...]2.
  § 7. Le Gouvernement flamand définit comment l'ancienneté de service dans l'enseignement et les services prestés dans l'éducation de base sont calculés.
  
Art. 50. § 1. Een personeelslid bedoeld in artikel 49, § 1, 1°, 2° en 5°, voldoet voor zijn toelating tot een ambt van de inspectie aan de taalvereisten voor de onderwijstaal, als hij aan de taalvereisten inzake onderwijstaal voldoet die worden vastgelegd in de regelgeving van kracht op het onderwijsniveau, waar hij volgens artikel 49, § 1, 1°, 2° en 5°, voorafgaand aan toelating tot een ambt van de inspectie, was aangesteld.
  § 2. Een personeelslid dat niet voldoet aan § 1, moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
  § 3. Het personeelslid bewijst de in § 2 vereiste taalkennis :
  1° aan de hand van alle studiebewijzen van door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen die het in § 2 vereiste niveau van taalkennis aantonen; of
  2° aan de hand van alle studiebewijzen die gelijkwaardig zijn met de in 1° vermelde studiebewijzen en die het in § 2 vereiste niveau van taalkennis aantonen; of
  3° [2 of aan de hand van een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het personeelslid heeft behaald, op voorwaarde dat het getuigschrift, het certificaat of het attest het vereiste niveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. De Vlaamse Regering is gemachtigd een examencommissie in te richten of examens te laten organiseren door een of meerdere instellingen van door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs. De Vlaamse Regering is gemachtigd om een getuigschrift, een certificaat of een attest dat behaald is via een wettelijk of reglementair bepaalde examencommissie, in te schalen in de niveaus van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.]2
  [1 § 3bis. De personeelsleden die de doorlichtingen doen in de scholen waar de onderwijstaal het Frans is, moeten het Frans beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees referentiekader voor Talen. Onverminderd de bepalingen van § 3 bewijzen de personeelsleden hun kennis van het vak Frans indien ze in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs om Frans te onderwijzen in een instelling voor secundair onderwijs.]1
  § 4. Als het personeelslid bij zijn toelating tot een ambt van de inspectie de in § 3 vereiste bewijzen niet kan voorleggen, kent de Vlaamse Regering op aanvraag aan het personeelslid een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van drie jaren, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanstelling als lid van de inspectie.
  Tijdens voormelde periode van drie jaren komt het personeelslid niet in aanmerking voor een vaste benoeming, tenzij het personeelslid voor het einde van deze periode voldoet aan de voorwaarde inzake taalvereisten zoals bedoeld in § 2.
  
Art. 50. § 1er. Un membre du personnel visé à l'article 49, § 1er, 1°, 2° et 5°, satisfait pour son admission à une fonction de l'inspection aux exigences linguistiques pour la langue d'enseignement, s'il satisfait aux exigences linguistiques en matière de langue d'enseignement qui sont fixées dans la réglementation applicable au niveau d'enseignement, dans lequel il était désigné selon l'article 49, § 1er, 1°, 2° et 5° préalable à l'admission à une fonction de l'inspection.
  § 2. Un membre du personnel qui ne répond pas au § 1er, doit au moins maîtriser la langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de Référence pour Langues.
  § 3. Le membre du personnel apporte la preuve de la connaissance linguistique requise au § 2 :
  1° à l'aide de tous les titres des établissements d'enseignement agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande qui démontrent le niveau de connaissance linguistique requis au § 2; ou
  2° à l'aide de tous les titres qui sont équivalents aux titres visés au 1° et qui démontrent le niveau de connaissance linguistique requis au § 2; ou
  3° [2 ou à l'aide d'un titre, d'un certificat ou d'une attestation que le membre du personnel a obtenu, à condition que ce titre, ce certificat ou cette attestation démontre le niveau requis du Cadre européen commun de référence pour les Langues. Le Gouvernement flamand est autorisé à créer un jury ou à faire organiser des examens par un ou plusieurs établissements d'enseignement financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Le Gouvernement flamand est autorisé à insérer un titre, un certificat ou une attestation obtenu devant un jury légalement ou réglementairement constitué, dans les niveaux du Cadre européen commun de référence pour les Langues.]2
  [1 § 3bis. Les membres du personnel effectuant les radioscopies dans les écoles où la langue d'enseignement est le français, doivent maîtriser le français au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les Langues. Sans préjudice des dispositions du § 3, les membres du personnel donnent la preuve de leur connaissance du cours de français, s'ils sont porteur d'un titre requis pour enseigner le français dans un établissement d'enseignement secondaire.]1
  § 4. Si le membre du personnel ne peut pas soumettre les preuves requises au § 3 pour son admission à une fonction de l'inspection, le Gouvernement flamand accorde, à la demande du membre du personnel, une dérogation temporaire qui vaut pour un délai de trois ans, à compter de la date de la première désignation comme membre de l'inspection.
  Pendant la période précitée de trois ans, le membre du personnel n'entre pas en ligne de compte pour une nomination à titre définitif, à moins que le membre du personnel ne satisfasse, avant la fin de ce délai, à la condition en matière d'exigences linguistiques telles que visées au § 2.
  
HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden
CHAPITRE II. - Devoirs et incompatibilités
Afdeling I. - Plichten
Section Ire. - Devoirs
Art. 51. Het personeelslid moet de belangen behartigen van het onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap.
Art. 51. Le membre du personnel doit défendre les intérêts de l'enseignement en Communauté flamande.
Art. 52. Het personeelslid vervult de taken die hem worden opgedragen nauwgezet, met inachtneming van de verplichtingen die hem door of krachtens de wet of het decreet of bij dienstorder zijn opgelegd [2 en respecteert daarbij de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder]2.
  [1 Het personeelslid moet de uitdrukkelijke toestemming krijgen van de inspecteur-generaal om naast het ambt van inspecteur of coördinerend inspecteur andere activiteiten te ondernemen die een inhoudelijke band hebben met het ambt en, of gebruikmaken van het prestige van het ambt van inspecteur of coördinerend inspecteur. De inspecteur-generaal moet de uitdrukkelijke toestemming krijgen van de Vlaamse Regering om naast het ambt van inspecteur-generaal andere activiteiten te ondernemen die een inhoudelijke band hebben met het ambt en, of gebruikmaken van het prestige van het ambt van inspecteur-generaal.]1
  
Art. 52. Le membre du personnel exécute correctement les tâches qui lui sont confiées, dans le respect des devoirs qui lui sont imposés par ou en vertu de la loi ou du décret ou par ordre de service [2 et respecte à cet effet les principes internationaux et constitutionnels relatifs aux droits de l'homme et de l'enfant en particulier]2.
  [1 Le membre du personnel doit recevoir le consentement explicite de l'inspecteur général pour pouvoir exercer, outre la fonction d'inspecteur ou d'inspecteur coordinateur, d'autres activités imbriquées du point de vue contenu avec leur fonction et/ou se servant du prestige de la fonction d'inspecteur ou d'inspecteur coordinateur. " Le membre du personnel doit recevoir le consentement explicite de l'inspecteur général pour pouvoir exercer, outre la fonction d'inspecteur ou d'inspecteur coordinateur, d'autres activités imbriquées du point de vue contenu avec leur fonction et/ou se servant du prestige de la fonction d'inspecteur ou d'inspecteur coordinateur.]1
  
Art. 53. Het personeelslid moet zich in zijn dienstbetrekkingen op een correcte wijze gedragen.
Art. 53. Le membre du personnel doit se comporter correctement dans son emploi.
Art. 54. Het personeelslid moet alles vermijden, wat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van zijn ambt.
Art. 54. Le membre du personnel doit s'abstenir de tout acte qui pourrait nuire à la confiance du public ou porter atteinte à l'honneur ou la dignité de sa fonction.
Art. 55. Het is het personeelslid verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambt maar omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel aan te nemen.
Art. 55. Il est défendu au membre du personnel d'accepter directement ou par personne interposée, même en dehors de sa fonction mais à raison de celle-ci, des dons, gratifications ou avantages quelconques.
Art. 56. Behoudens overmacht mag het personeelslid de uitoefening van zijn ambt niet onderbreken zonder voorafgaande toestemming van de leidinggevende.
Art. 56. Sauf force majeure, le membre du personnel ne peut pas interrompre l'exercice de sa fonction sans autorisation préalable du fonctionnaire dirigeant.
Art. 57. Het personeelslid is ertoe gehouden het ambtsgeheim te bewaren.
Art. 57. Le membre du personnel est tenu de respecter le secret professionnel.
Art. 58. [1 De plichten worden nader toegelicht in een deontologische code, vastgesteld door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering stelt een deontologische adviescommissie aan die zal toezien op de toepassing en de interpretatie van de deontologische code.]1
  
Art. 58. [1 Les devoirs sont précisés dans un code déontologique établi par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand désigne une commission consultative déontologique qui veillera à l'application et l'interprétation du code déontologique.]1
  
Afdeling II. - Onverenigbaarheden
Section II. - Incompatibilités
Art. 59. Een mandaat bij een bestuur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie, tenzij het gaat om een politiek mandaat. De inspecteur die een politiek mandaat opneemt, dient dit onmiddellijk te melden.
  Een opdracht in een onderwijsinstelling [1 , in een centrum voor leerlingenbegeleiding of in een leersteuncentrum]1, waarover de inspectie toezicht houdt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie.
  De uitoefening van een ambt bij de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, is onverenigbaar met de uitoefening van een ambt als lid van de inspectie.
  
Art. 59. Un mandat auprès d'une direction est incompatible avec la qualité de membre de l'inspection, à moins qu'il ne s'agisse d'un mandat politique. L'inspecteur qui assume un mandat politique, est tenu de le communiquer immédiatement.
  Une charge dans un établissement d'enseignement [1 , dans un centre d'encadrement des élèves ou dans un centre de soutien à l'apprentissage]1, contrôlé par l'inspection, est incompatible avec la qualité de membre de l'inspection.
  L'exercice d'une fonction auprès de l'inspection et de l'accompagnement des cours philosophiques, visé à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques, est incompatible avec l'exercice d'une fonction comme membre de l'inspection.
  
Art. 60. Indien het betrokken personeelslid niet vrijwillig een einde stelt aan een vastgestelde onverenigbaarheid wordt hij ontslagen.
  Voor een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde duur [1 ...]1 of vastbenoemd is, geldt de procedure van ontslag bij tucht zoals vermeld in hoofdstuk IX.
  Voor een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur of een mandaat bekleedt, geldt de procedure voor ontslag om dringende redenen zoals bepaald in respectievelijk artikel 87, § 4, en artikelen 96 en 105.
  
Art. 60. Si le membre du personnel concerné ne met pas volontairement fin à l'incompatibilité constatée, il est démis de ses fonctions.
  Pour un membre du personnel qui est désigné temporairement à durée indéterminée [1 ...]1 ou nommé à titre définitif, la procédure de licenciement pour motif disciplinaire telle que visée au chapitre IX est d'application.
  Pour un membre du personnel qui est désigné temporairement à durée déterminée ou est investi d'un mandat, la procédure de licenciement pour motif grave telle que fixée respectivement à l'article 87, § 4, et aux articles 96 et 105 est d'application.
  
Hoofdstuk II/1. [1 Flexibele werkregeling]1
Chapitre II/1. [1Régime de travail flexible]1
Art. 60/1. [1 Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privщleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad.]1
  
Art. 60/1. [1 Ce chapitre prévoit la transposition partielle de la directive 2019/1158 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 concernant l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée des parents et des aidants et abrogeant la directive 2010/18/UE du Conseil.]1
  
Art. 60/2. [1 Een personeelslid dat aan de voorwaarden voldoet om volgens de geldende regelgeving recht te hebben op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand, voor mantelzorg of voor palliatieve zorgen, heeft, ongeacht of dat personeelslid die loopbaanonderbreking al of niet opneemt, het recht om voor een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden een flexibele werkregeling aan te vragen voor zorgdoeleinden.
   Een flexibele werkregeling als vermeld in het eerste lid, is een aanpassing van het bestaande werkpatroon van het personeelslid.]1

  
Art. 60/2. [1 Un membre du personnel qui remplit les conditions pour avoir droit, conformément à la réglementation en vigueur, à une interruption de carrière pour congé parental, pour assistance médicale, pour services de proximité ou pour soins palliatifs, a le droit, que le membre du personnel prenne ou non cette interruption de carrière, de demander pour une période ininterrompue de douze mois maximum un régime de travail flexible à des fins de soins.
   Un régime de travail flexible tel que visé à l'alinéa 1er, est une adaptation du régime de travail existant du membre du personnel. ]1

  
Art. 60/3. [1 Het personeelslid dat een flexibele werkregeling wil voor zorgdoeleinden als vermeld in artikel 60/2, bezorgt daarvoor een schriftelijke aanvraag aan de inspecteur-generaal minstens twee maanden voor de gewenste begindatum of, als het gaat om een aanvraag voor palliatieve zorgen, minstens twee weken voor de gewenste begindatum.
  De voormelde termijnen kunnen in onderling akkoord tussen de inspecteur-generaal en het personeelslid worden ingekort. De voormelde aanvraag vermeldt de gewenste begin- en einddatum en het ingeroepen zorgdoeleinde.
  De inspecteur-generaal heeft het recht om een document of documenten te vragen om het zorgdoeleinde te staven dat conform het eerste lid wordt ingeroepen.]1

  
Art. 60/3. [1 Le membre du personnel qui veut un régime de travail flexible à des fins de soins tel que visé à l'article 60/2, remet à cet effet une demande écrite à l'inspecteur général au moins deux mois avant la date de début souhaitée ou, s'il s'agit d'une demande pour soins palliatifs, au moins deux semaines avant la date de début souhaitée.
   Les délais précités peuvent être réduits d'un commun accord entre l'inspecteur général et le membre du personnel. La demande précitée mentionne la date de début et la date de fin souhaitées, et la finalité des soins invoquée.
   L'inspecteur général a le droit de demander un document ou des documents étayant la finalité des soins invoquée conformément à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 60/4. [1 De inspecteur-generaal kan de aanvraag, vermeld in artikel 60/3, rekening houdend met de behoeften van het personeelslid en de continuïteit van het onderwijs en de dienstverlening inwilligen, weigeren of een gemotiveerd tegenvoorstel doen dat bestaat uit een andere flexibele werkregeling of een andere periode voor de uitoefening van de flexibele werkregeling. Het uitstel van een flexibele werkregeling mag niet tot gevolg hebben dat de flexibele werkregeling onmogelijk wordt.
   De inspecteur-generaal bezorgt het personeelslid een schriftelijk antwoord binnen dertig dagen nadat hij de voormelde aanvraag heeft ontvangen. Als de inspecteur-generaal weigert, deelt hij de gemotiveerde weigeringsbeslissing schriftelijk mee aan het personeelslid.
   Het uitblijven van een antwoord van de inspecteur-generaal of een niet of onvoldoende gemotiveerde weigeringsbeslissing wordt gelijkgesteld met een akkoord.]1

  
Art. 60/4. [1 Tenant compte des besoins du membre du personnel et de la continuité de l'enseignement et de la prestation de services, l'inspecteur général peut accepter ou refuser la demande, visée à l'article 60/3, ou formuler une contre-proposition motivée consistant en un autre régime de travail flexible ou une autre période pour l'exercice du régime de travail flexible. Le report d'un régime de travail flexible ne doit pas avoir pour conséquence que le régime de travail flexible devienne impossible.
   L'inspecteur général remet au membre du personnel une réponse écrite dans les trente jours suivant la réception de la demande précitée. Si l'inspecteur général refuse, ce dernier notifie par écrit au membre du personnel sa décision de refus motivée.
   L'absence de réponse de la part de l'inspecteur général ou une décision de refus non motivée ou insuffisamment motivée est assimilée à un accord.]1

  
Art. 60/5. [1 Het personeelslid heeft het recht om na afloop van de flexibele werkregeling, vermeld in artikel 60/2, zijn oorspronkelijke werkpatroon te hervatten.]1
  
Art. 60/5. [1 Le membre du personnel a le droit, à la fin du régime de travail flexible, visé à l'article 60/2, de reprendre son régime de travail initial.]1
  
Art. 60/6. [1 De flexibele werkregeling, vermeld in artikel 60/2, kan vervroegd worden stopgezet. De inspecteur-generaal kan een opzeggingstermijn vastleggen voor de aanvraag van de stopzetting.]1
  
Art. 60/6. [1 Il peut être mis fin de manière anticipée au régime de travail flexible, visé à l'article 60/2. L'inspecteur général peut fixer un délai de préavis pour la demande d'arrêt.]1
  
HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de ambten
CHAPITRE III. - Détermination des fonctions
Art. 61. De ambten die de leden van de inspectie kunnen uitoefenen, worden als volgt vastgesteld :
  1° inspecteur;
  2° coördinerend inspecteur;
  3° inspecteur-generaal.
Art. 61. Les fonctions que peuvent exercer les membres de l'inspection sont déterminées comme suit :
  1° inspecteur;
  2° inspecteur coordinateur;
  3° inspecteur général.
HOOFDSTUK IV. - Het ambt van inspecteur
CHAPITRE IV. - La fonction d'inspecteur
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Section Ire. - Dispositions générales
Art. 62. § 1. Het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend door personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld [1 ...]1 of die vastbenoemd zijn.
  § 2. Maximaal 85 % van de ambten van inspecteur wordt uitgeoefend door inspecteurs [1 ...]1 of die vastbenoemd zijn.
  § 3. Bij de werving wordt rekening gehouden met de waarborgregeling en met de vereiste samenstelling van de inspectie zoals vermeld in artikel 46.
  § 4. Het ambt van inspecteur wordt toegewezen volgens de hieronder bepaalde regels.
  
Art. 62. § 1er. La fonction d'inspecteur est exercée par les membres du personnel qui sont temporairement désignés [1 ...]1 ou nommés à titre définitif.
  § 2. Au maximum 85 % des fonctions d'inspecteur est exercé par des inspecteurs [1 ...]1 ou nommés à titre définitif.
  § 3. Lors du recrutement il est tenu compte du régime de garantie et de la composition requise de l'inspection telle que visée à l'article 46.
  § 4. La fonction d'inspecteur est désignée selon les règles fixées ci-dessous.
  
Afdeling II. - De selectie
Section II. - La sélection
Art. 63. [1 § 1. Voor de werving in het ambt van inspecteur worden op basis van de behoeften vergelijkende selecties georganiseerd volgens een systeem dat naar vorm en inhoud de nodige waarborgen biedt voor de gelijke behandeling, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid.
   § 2. De Vlaamse Regering legt per ambt een generiek selectiereglement vast.
   § 3. Het generieke selectiereglement regelt ten minste :
   1° welke diploma's, getuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang verlenen tot de selectieprocedure;
   2° de datum waarop de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 49, moeten zijn vervuld;
   3° de vormvereisten en de termijn van de kandidaatstelling;
   4° de aard en het aantal van de testen;
   5° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren;
   6° de criteria op basis waarvan wordt beoordeeld of de kandidaat geschikt is en geslaagd is;
   7° de mogelijke voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
   8° een mogelijk beperkte procedure in geval van dringende noodzakelijkheid;
   9° de samenstelling en de werking van de selectiecommissies, die voor de helft bestaan uit personen uit de organisatie en de helft uit personen extern aan de organisatie;
   10° de regels van de rangschikking;
   11° de geldigheidsduur van de werving.
   § 4. Onverminderd paragraaf 3 van dit artikel, kan per specifieke werving en na advies van het onderhandelingscomité, vermeld in artikel 185 van dit decreet, een specifiek selectiereglement opgesteld worden door de inspecteur-generaal en de betrokken coördinerend inspecteur. Het specifieke selectiereglement concretiseert de specifieke verwachtingen en bevat ten minste :
   1° welke specifieke diploma's, getuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang verlenen tot de selectieprocedure;
   2° de aard en het aantal van de specifieke testen;
   3° de criteria op basis waarvan wordt beoordeeld of de kandidaat geschikt is en geslaagd is;
   4° de samenstelling en de werking van de selectiecommissies, die voor de helft bestaan uit personen uit de organisatie en de helft uit personen extern aan de organisatie.]1

  
Art. 63. [1 § 1er. Pour le recrutement dans la fonction d'inspecteur, des sélections comparatives sont organisées sur la base des besoins et ce, selon un système qui, au niveau de la forme et du contenu, offre les garanties nécessaires en ce qui concerne l'égalité de traitement, l'indépendance et l'impartialité.
   § 2. Pour chaque fonction, le Gouvernement flamand arrête un règlement de sélection générique.
   § 3. Le règlement de sélection générique règle au moins :
   1° quels sont les diplômes, certificats d'études, titres d'expérience ou titres d'accès qui donnent accès à la procédure de sélection ;
   2° la date à laquelle les conditions de recrutement visées à l'article 49 doivent être remplies ;
   3° les exigences de forme et le délai de candidature ;
   4° la nature et le nombre de tests ;
   5° la possibilité d'organiser un test additionnel ;
   6° les critères d'évaluation de l'aptitude et de la réussite du candidat ;
   7° la présélection éventuelle en fonction du nombre de candidats ;
   8° une éventuelle procédure restreinte en cas de nécessité impérieuse ;
   9° la composition et le fonctionnement des commissions de sélection qui se composent pour moitié de personnes de l'organisation et pour moitié de personnes externes à l'organisation ;
   10° les règles du classement ;
   11° la durée de validité du recrutement.
   § 4. Sans préjudice du paragraphe 3 du présent article, un règlement de sélection spécifique peut être établi par l'inspecteur général et l'inspecteur coordinateur concerné pour chaque recrutement spécifique et après avis du comité de négociation visé à l'article 185 du présent décret. Le règlement de sélection spécifique concrétise les attentes spécifiques et stipule au moins :
   1° quels sont les diplômes, certificats d'études, titres d'expérience ou titres d'accès spécifiques qui donnent accès à la procédure de sélection ;
   2° la nature et le nombre de tests spécifiques ;
   3° les critères d'évaluation de l'aptitude et de la réussite du candidat ;
   4° la composition et le fonctionnement des commissions de sélection qui se composent pour moitié de personnes de l'organisation et pour moitié de personnes externes à l'organisation.]1

  
Art. 64. [1 Elke vacature wordt minstens bekendgemaakt volgens de door de Vlaamse Regering bepaalde regels en via Jobpunt Vlaanderen of zijn rechtsopvolger.
   De bekendmaking, vermeld in het eerste lid, bevat de functiebeschrijving, waarin de inzetbaarheid wordt gespecificeerd, en het selectiereglement, vermeld in artikel 63, § 3.]1

  
Art. 64. [1 Toute vacance d'emploi est au moins publiée suivant les règles déterminés par le Gouvernement flamand et via Jobpunt Vlaanderen ou son ayant-droit.
   La publication visée à l'alinéa 1er contient la description de fonction dans laquelle l'employabilité est spécifiée et le règlement de sélection visé à l'article 63, § 3.]1

  
Art. 65. [1 § 1. Voorafgaand aan de selectie sluit de inspecteur-generaal de kandidaten uit die niet voldoen aan de statutaire aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 49. Hij deelt de beslissing tot uitsluiting schriftelijk mee aan de betrokken kandidaten.
   Bij een uitsluiting kan een kandidaat binnen zeven kalenderdagen nadat hij op de hoogte is gebracht van de beslissing, vragen om gehoord te worden.
   § 2. De selectie van inspecteurs verloopt conform het selectiereglement, vermeld in artikel 63, § 3 en § 4.]1

  
Art. 65. [1 § 1er. Préalablement à la sélection, l'inspecteur général exclut les candidats qui ne satisfont pas aux conditions de recrutement statutaire visées à l'article 49. Il communique par écrit la décision d'exclusion aux candidats concernés.
   En cas d'exclusion, un candidat peut, dans les sept jours calendaires suivant la date à laquelle il a été informé de la décision, demander d'être entendu.
   § 2. La sélection d'inspecteurs se déroule conformément au règlement de sélection visé à l'article 63, §§ 3 et 4.]1

  
Art. 66. [1 Als een kandidaat tijdelijk wordt aangesteld voor onbepaalde duur of wordt vastbenoemd, wordt die kandidaat uit de wervingsreserve geschrapt.]1
  
Art. 66. [1 Si un candidat est désigné à titre temporaire pour une période indéterminée ou est nommé à titre définitif, ce candidat est rayé de la réserve de recrutement.]1
  
Afdeling III.
Section III.
HOOFDSTUK V. - Het ambt van coördinerend inspecteur en inspecteur-generaal
CHAPITRE V. - La fonction d'inspecteur coordinateur et d'inspecteur général
Afdeling I. - Mandaat
Section Ire. - Mandat
Art. 77. Elke aanstelling in het ambt van coördinerend inspecteur of in het ambt van inspecteur-generaal wordt toegewezen bij mandaat.
  Het mandaat heeft een duur van vier jaar.
Art. 77. Toute désignation dans la fonction d'inspecteur coordinateur ou dans la fonction d'inspecteur général est attribuée par mandat.
  La durée du mandat est de quatre ans.
Art. 78. Prestaties die geleverd zijn tijdens een mandaat, worden in aanmerking genomen voor de dienstanciënniteit bedoeld in dit decreet en voor de geldelijke anciënniteit van het personeelslid.
Art. 78. Des prestations fournies au cours d'un mandat sont prises en compte pour l'ancienneté de service visé au présent décret et pour l'ancienneté pécuniaire du membre du personnel.
Afdeling II. - Aanwervingsvoorwaarden
Section II. - Conditions de recrutement
Art. 79. § 1. Om tot het mandaat van coördinerend inspecteur te worden toegelaten, moet de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° vastbenoemd inspecteur zijn;
  2° ten minste drie jaar dienstanciënniteit hebben in het ambt van inspecteur;
  3° geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende in het ambt van inspecteur gekregen hebben;
  4° zich kandidaat hebben gesteld, zoals bepaald in de vacature.
  In afwijking van de bepalingen in het eerste lid kan het ambt van coördinerend inspecteur ook bij mandaat worden toegewezen aan een externe kandidaat, wanneer tijdens een eerste selectieprocedure geen kandidaat of geen geschikte kandidaat wordt gevonden bij inspecteurs die voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in § 1. De externe kandidaat moet voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° gedurende ten minste vijf jaar een leidinggevende functie hebben uitgeoefend;
  2° ten minste acht jaar relevante ervaring hebben in of met het onderwijs;
  3° zich kandidaat hebben gesteld volgens de vorm en binnen de termijn vermeld in het schrijven waarbij de vacature ter kennis werd gebracht;
  4° voldoen aan de algemene aanwervingsvoorwaarden zoals vermeld in artikel 49, § 4.
  § 2. Om tot het mandaat van inspecteur-generaal te worden toegelaten, moet de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° vastbenoemd inspecteur of coördinerend inspecteur zijn of een mandaat bekleden van coördinerend inspecteur;
  2° ten minste drie jaar dienstanciënniteit hebben in het ambt van inspecteur;
  3° geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende in het ambt van inspecteur of coördinerend inspecteur gekregen hebben;
  4° zich kandidaat hebben gesteld, zoals bepaald in de vacature.
  In afwijking van de bepalingen in het eerste lid kan het ambt van inspecteur-generaal ook bij mandaat worden toegewezen aan een kandidaat extern aan de inspectie die voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° gedurende ten minste tien jaar een leidinggevende functie hebben uitgeoefend;
  2° ten minste vijftien jaar relevante ervaring hebben in of met het onderwijs;
  3° zich kandidaat hebben gesteld volgens de vorm en binnen de termijn vermeld in het schrijven waarbij de vacature ter kennis werd gebracht;
  4° voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden zoals vermeld in artikel 49, § 4.
  § 3. [1 ...]1.
  § 4. [1 ...]1.
  § 5. De extern geworven inspecteur-generaal wordt beschouwd als een tijdelijk personeelslid, tot op het ogenblik van de vaste benoeming conform artikel 88.
  § 6. De Vlaamse Regering bepaalt hoe de dienstanciënniteit, vermeld in § 1 en § 2 wordt berekend.
  
Art. 79. § 1er. Pour être admis au mandat d'inspecteur coordinateur, le candidat doit répondre aux conditions suivantes :
  1° être inspecteur nommé à titre définitif;
  2° compter au moins trois ans d'ancienneté de service dans la fonction d'inspecteur;
  3° n'avoir obtenu une évaluation finale définitive portant la conclusion finale 'insuffisant' dans la fonction d'inspecteur;
  4° avoir déposé sa candidature suivant les dispositions de la vacance d'emploi.
  Par dérogation aux dispositions du premier alinéa, la fonction d'inspecteur coordinateur peut être désigné par mandat à un candidat externe, si lors de la première procédure de sélection aucun candicat ou aucun candidat apte n'est trouvé parmi les inspecteurs qui remplissent les conditions de recrutement, visées au § 1er. Le candidat externe doit remplir les conditions suivantes :
  1° avoir exercé une fonction dirigeante pendant au moins cinq ans;
  2° avoir au moins huit ans d'expérience pertinente dans ou avec l'enseignement;
  3° avoir posé sa candidature suivant la forme et dans le délai mentionnés dans la lettre par laquelle la vacance d'emploi a été communiquée;
  4° remplir les conditions générales de recrutement telles que visées à l'article 49, § 4.
  § 2. Pour être admis au mandat d'inspecteur général, le candidat doit répondre aux conditions suivantes :
  1° être inspecteur ou inspecteur coordinateur nommé à titre définitif ou exercer un mandat d'inspecteur coordinateur;
  2° compter au moins trois ans d'ancienneté de service dans la fonction d'inspecteur;
  3° n'avoir obtenu une évaluation finale définitive portant la conclusion finale 'insuffisant' dans la fonction d'inspecteur ou d'inspecteur général;
  4° avoir déposé sa candidature suivant les dispositions de la vacance d'emploi.
  Par dérogation aux dispositions du premier alinéa, la fonction d'inspecteur général peut également être désigné par mandat à un candidat extérieur à l'inspection qui remplit les conditions suivantes :
  1° avoir exercé une fonction dirigeante pendant dix ans au moins;
  2° posséder une expérience pertinente de quinze ans au moins dans ou avec l'enseignement;
  3° avoir posé sa candidature suivant la forme et dans le délai mentionnés dans la lettre par laquelle la vacance d'emploi a été communiquée;
  4° remplir les conditions générales d'admission telles que visées à l'article 49, § 4.
  § 3. [1 ...]1.
  § 4. [1 ...]1.
  § 5. L'inspecteur général recruté à l'extérieur est considéré comme un membre du personnel temporaire jusqu'à sa nomination définitive conformément à l'article 88.
  § 6. Le Gouvernement flamand fixe comment l'ancienneté de service, visée aux §§ 1er et 2, est calculée.
  
Afdeling III. - Selectieprocedure
Section III. - Procédure de sélection
Art. 80. [1 Voor de werving in het ambt van coördinerend inspecteur worden op basis van de behoeften vergelijkende selecties georganiseerd volgens een systeem dat naar vorm en inhoud de nodige waarborgen biedt voor de gelijke behandeling, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid.
   Artikel 63, § 2, § 3 en § 4, en artikel 64 en 65 zijn van toepassing.]1

  
Art. 80. [1 Pour le recrutement dans la fonction d'inspecteur coordinateur, des sélections comparatives sont organisées en fonction des besoins en utilisant un système qui fournit les garanties nécessaires en termes de forme et de contenu en vue d'assurer l'égalité de traitement, l'indépendance et l'impartialité.
   L'article 63, §§ 2, 3 et 4 et les articles 64 et 65 sont d'application.]1

  
Art. 81. [1 § 1. Conform artikel 65, § 1, sluit de inspecteur-generaal voorafgaand aan de selectie de kandidaten uit die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden, vermeld in artikel 49. Hij deelt de beslissing tot uitsluiting schriftelijk mee aan de betrokken kandidaten.
   Bij een uitsluiting kan een kandidaat binnen zeven kalenderdagen nadat hij op de hoogte is gebracht van de beslissing, vragen om gehoord te worden.
   § 2. De selectie van coördinerend-inspecteur verloopt conform het selectiereglement, vermeld in artikel 63, § 3 en § 4.]1

  
Art. 81. [1 § 1er. Conformément à l'article 65, § 1er, l'inspecteur général exclut, préalablement à la sélection, les candidats qui ne satisfont pas aux conditions statutaires visées à l'article 49. Il communique par écrit la décision d'exclusion aux candidats concernés.
   En cas d'exclusion, un candidat peut, dans les sept jours calendaires suivant la date à laquelle il a été informé de la décision, demander d'être entendu.
   § 2. La sélection de l'inspecteur coordinateur se déroule conformément au règlement de sélection visé à l'article 63, §§ 3 et 4.]1

  
Art. 82. [1 Met behoud van toepassing van artikel 77, 78 en 79 van dit decreet zijn de bepalingen van deel III "Recrutering en selectie van het personeel", hoofdstuk 2, "De selectie via een objectief wervingssysteem", van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 van toepassing voor de werving in het ambt van inspecteur-generaal.]1
  
Art. 82. [1 Sans préjudice de l'application des articles 77, 78 et 79 du présent décret, les dispositions de la partie III " RECRUTEMENT ET SELECTION DU PERSONNEL. ", chapitre 2, " La sélection par un système de recrutement objectif. ", du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 sont d'application au recrutement dans la fonction d'inspecteur général.]1
  
Art. 83. § 1. [1 De Vlaamse Regering wijst de mandaten van coördinerend-inspecteur en van inspecteur-generaal toe]1.
  § 2. De toewijzing van het mandaat wordt schriftelijk vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :
  1° de identiteit van het personeelslid;
  2° het uit te oefenen ambt;
  3° de ingangsdatum van het mandaat;
  4° de standplaats.
  § 3. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van het mandaat, wordt het personeelslid geacht het mandaat te bekleden in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.
  
Art. 83. § 1er. [1 Le Gouvernement flamand désigne les mandats d'inspecteur coordinateur et d'inspecteur général]1.
  § 2. L'attribution du mandat est fixée par écrit. Cet écrit est transmis au membre du personnel et mentionne au moins :
  1° l'identité du membre du personnel;
  2° la fonction à exercer;
  3° la date du début du mandat;
  4° la résidence administrative.
  § 3. A défaut d'un écrit au début du mandat, le membre du personnel est censé assumer le mandat dans la fonction et pour la mission qu'il exerce effectivement.
  
Afdeling IV. - Einde mandaat
Section IV. - Fin du mandat
Art. 85. § 1. Drie maanden voor het einde van het mandaat van een coördinerend inspecteur vindt een algemene eindevaluatie plaats door de evaluatoren, vermeld in artikel 109, § 2. Als die eindevaluatie niet resulteert in een eindconclusie onvoldoende, wordt het mandaat vernieuwd voor vier jaar.
  § 2. De bepalingen van artikel 114 tot en met artikel 116 zijn van toepassing op de eindevaluatie van het mandaat van een coördinerend inspecteur.
  § 3. Het personeelslid dat er niet mee kan instemmen dat de eindevaluatie wordt besloten met een eindconclusie onvoldoende, kan binnen twintig kalenderdagen na ontvangst van de ondertekende kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie onvoldoende, beroep aantekenen bij de raad van beroep vermeld in artikel 135, volgens de procedure vermeld in artikel 138.
  § 4. De raad van beroep hoort het personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen.
  § 5. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Zo niet wordt het advies van de raad geacht eenparig gunstig te zijn. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing.
  § 6. Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier van een coördinerend inspecteur binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over de toekenning van de eindconclusie onvoldoende. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
  § 7. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 3, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief, nadat die termijn verstreken is.
  § 8. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 3, beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief als respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist om de eindconclusie onvoldoende te bevestigen.
Art. 85. § 1er. Trois mois avant la fin du mandat d'un inspecteur coordinateur, l'évaluation finale générale est effectuée par les évaluateurs, visés à l'article 109, § 2. Si cette évaluation finale ne porte pas la conclusion finale " insuffisant ", le mandat est prorogé pour quatre ans.
  § 2. Les dispositions des articles 114 à 116 sont d'application à l'évaluation finale du mandat d'un inspecteur coordinateur.
  § 3. Le membre du personnel qui n'est pas d'accord avec une évaluation finale portant la conclusion finale " insuffisant ", peut, dans les vingt jours calendaires après réception de la copie signée du rapport d'évaluation avec conclusion finale " insuffisant ", introduire un recours devant la chambre de recours, visée à l'article 135, suivant la procédure visée à l'article 138.
  § 4. La chambre de recours entend le membre du personnel et peut entendre les évaluateurs concernés.
  § 5. La chambre de recours émet un avis motivé dans les trente jours calendaires de la réception de la réclamation. Sinon l'avis de la chambre est réputé favorable à l'unanimité. Lorsque l'avis de la chambre de recours est émis à l'unanimité, cet avis est contraignant et la chambre de recours prend la décision finale.
  § 6. Faute d'avis unanime de la chambre de recours, le dossier d'un inspecteur coordinateur est soumis, dans les quinze jours calendaires, au Gouvernement flamand qui est compétent pour décider définitivement si la conclusion finale " insuffisant " est attribuée. Le Gouvernement flamand décide dans les trente jours calendaires de la réception de l'avis de la chambre du recours, sinon la décision est réputée favorable.
  § 7. Si le membre du personnel n'introduit pas de recours dans le délai, visé au § 3, l'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " devient définitive à l'expiration de ce délai.
  § 8. Si le membre du personnel n'introduit pas de recours dans le délai, visé au § 3, l'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " devient définitive si la chambre de recours ou le Gouvernement flamand décide de confirmer la conclusion finale " insuffisant ".
Art. 86. Als de eindevaluatie van het mandaat van de inspecteur-generaal niet resulteert in een vermelding onvoldoende, wordt het mandaat vernieuwd voor vier jaar.
Art. 86. Si l'évaluation finale du mandat d'inspecteur général ne porte pas la conclusion " insuffisant ", le mandat est prorogé pour quatre ans.
Art. 87. § 1. Een personeelslid dat belast is met een mandaat, kan vrijwillig afzien van het mandaat. Hij deelt dat per aangetekende brief mee aan de Vlaamse Regering ten minste zes maanden voor het neerleggen van het mandaat. In onderling overleg kan van die periode van zes maanden worden afgeweken.
  § 2. Het mandaat wordt beëindigd na een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende.
  § 3. Het mandaat wordt beëindigd op het ogenblik dat het personeelslid wordt vastbenoemd bij toepassing van [1 artikel 88, behalve indien het een vaste benoeming betreft volgens artikel 88, § 1/1.]1
  § 4. Het personeelslid dat belast is met een mandaat kan, zonder opzegging, om dringende redenen worden ontslagen.
  Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van het mandaat onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is bij de Vlaamse Regering.
  Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven per aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Deze brief vermeldt, op straffe van nietigheid, de beroepsmogelijkheden.
  Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende redenen per aangetekende brief beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.
  Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift. Het beroep heeft een opschortende werking. Het personeelslid kan tijdens het beroep preventief worden geschorst. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de preventieve schorsing. Dit besluit garandeert het recht van verdediging.
  § 5. Bij de beëindiging van het mandaat neemt het vastbenoemde personeelslid opnieuw zijn ambt als inspecteur op.
  
Art. 87. § 1er. Un membre du personnel qui est chargé d'un mandat peut renoncer volontairement au mandat. Il communique sa décision par lettre recommandée au Gouvernement flamand au moins six mois avant la renonciation au mandat. Il peut être dérogé, de commun accord, à cette période de six mois.
  § 2. Il est mis fin au mandat après une évaluation définitive portant la conclusion finale " insuffisant ".
  § 3. Le mandat prend fin à la nomination définitive du membre du personnel par application de [1 l'article 88, sauf s'il s'agit d'une nomination définitive conformément à l'article 88, § 1/1.]1
  § 4. Le membre du personnel qui est investi d'un mandat peut, sans préavis, être licencié pour motif grave.
  Par motif grave, il faut entendre toute faute grave qui rend immédiatement et définitivement impossible toute continuation du mandat. Licenciement pour motif grave ne peut plus être invoqué conformément aux dispositions du présent paragraphe, si le fait justifiant ce licenciement est connu depuis trois jours ouvrables au moins par le Gouvernement flamand.
  Seul le motif grave notifié, par lettre recommandée, dans les trois jours ouvrables qui suivent le licenciement peut être invoqué pour justifier le licenciement. Cette lettre mentionne, sous peine de nullité, les possibilités de recours.
  Dans les cinq jours calendaires de la réception du licenciement pour motif grave par lettre recommandée, le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la chambre de recours, visée à l'article 135, selon la procédure, visée à l'article 138. Lorsque la notification du licenciement est reçue au cours d'une période d'au moins sept jours de vacances consécutives, la période précitée de cinq jours calendaires est prolongée de la durée de la période de vacances.
  Le recours est introduit par réclamation. Le recours est suspensif. Le membre du personnel peut être suspendu préventivement pendant le recours. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la suspension préventive. Cet arrêté garantit le droit de la défense.
  § 5. A l'expiration du mandat, le membre du personnel nommé à titre définitif reprend sa fonction d'inspecteur.
  
Afdeling V. - Vaste benoeming
Section V. - Nomination à titre définitif
Art. 88. § 1. Het personeelslid belast met een mandaat van coördinerend inspecteur wordt op zijn verzoek in dat ambt benoemd als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° het personeelslid heeft de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt op het ogenblik van de vaste benoeming;
  2° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste vier jaar het mandaat van coördinerend inspecteur uitgeoefend.
  [1 § 1/1. Het volgens artikel 79, § 1, extern geworven personeelslid dat belast is met een mandaat van coördinerend inspecteur wordt op zijn verzoek in het onderliggend ambt van inspecteur benoemd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   1° het personeelslid heeft in het ambt van coördinerend inspecteur geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende gekregen;
   2° het personeelslid wordt voorgedragen door de inspecteur-generaal;
   3° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste 2 jaar het mandaat van coördinerend inspecteur voltijds uitgeoefend.]1

  § 2. Het personeelslid belast met een mandaat van inspecteur-generaal wordt op zijn verzoek in dat ambt benoemd als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° het personeelslid heeft de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt op het ogenblik van de vaste benoeming;
  2° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste vier jaar het mandaat van inspecteur-generaal uitgeoefend.
  § 3. De vaste benoeming gaat steeds in op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag bij de Vlaamse Regering.
  § 4. Indien op het ogenblik dat het personeelslid de vaste benoeming aanvraagt, een beroepsprocedure loopt tegen een evaluatie met eindconclusie onvoldoende of tegen een ontslag om dringende redenen, wordt de vaste benoeming uitgesteld tot er een definitieve uitspraak in deze zaak is. Indien na de beroepsprocedure de evaluatie met eindconclusie onvoldoende of het ontslag om dringende redenen niet wordt bevestigd, gaat de vaste benoeming in op de eerste dag van de maand die volgt op het ogenblik van de definitieve uitspraak.
  § 5. De vaste benoeming wordt schriftelijk vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :
  1° de identiteit van het personeelslid;
  2° het uit te oefenen ambt;
  3° de ingangsdatum;
  4° het functieprofiel waarop de vaste benoeming is gebaseerd;
  5° de standplaats.
  § 6. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de vaste benoeming, wordt het personeelslid geacht vastbenoemd te zijn in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.
  
Art. 88. § 1er. Le membre du personnel chargé d'un mandat d'inspecteur coordinateur est nommé à sa demande à cette fonction si les conditions suivantes sont remplies :
  1° le membre du personnel a atteint l'âge de 55 ans au moins au moment de la nomination définitive;
  2° le membre du personnel a exercé le mandat d'inspecteur coordinateur pendant au moins quatre ans au moment de la nomination définitive.
  [1 § 1/1. Le membre du personnel recruté à l'extérieur conformément à l'article 79, § 1er, qui est chargé d'un mandat d'inspecteur coordinateur est nommé, à sa demande, à la fonction sous- jacente d'inspecteur si les conditions suivantes sont remplies :
   1° le membre du personnel n'a pas obtenu une évaluation finale définitive portant la conclusion finale " insuffisant " dans la fonction d'inspecteur coordinateur ;
   2° le membre du personnel est proposé par l'inspecteur général ;
   3° le membre du personnel a exercé pendant au moins 2 ans le mandat d'inspecteur coordinateur au moment de la nomination définitive.]1

  § 2. Le membre du personnel chargé d'un mandat d'inspecteur général est nommé à sa demande à cette fonction si les conditions suivantes sont remplies :
  1° le membre du personnel a atteint l'âge de 55 ans au moins au moment de la nomination définitive;
  2° le membre du personnel a exercé le mandat d'inspecteur général pendant au moins quatre ans au moment de la nomination définitive;
  § 3. La nomination à titre définitif commence toujours au premier jour du mois qui suit le dépôt de la demande au Gouvernement flamand.
  § 4. Si, au moment où le membre du personnel demande la nomination définitive, une procédure de recours est engagée contre une évaluation avec conclusion finale " insuffisant " ou un licenciement pour motif grave, la nomination définitive est différée jusqu'à ce qu'il y ait une décision définitive dans l'affaire. Si, après la procédure de recours, l'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " ou le licenciement pour motif grave n'est pas confirmée, la nomination à titre définitif commence le premier jour du mois qui suit le moment du prononcé définitif.
  § 5. La nomination à titre définitif est établie par écrit. Cet écrit est transmis au membre du personnel et mentionne au moins :
  1° l'identité du membre du personnel;
  2° la fonction à exercer;
  3° la date du début;
  4° le profil de la fonction sur lequel la nomination définitive est basée;
  5° la résidence administrative.
  § 6. A défaut d'un écrit au début de la nomination définitive, le membre du personnel est censé être nommé à titre définitif à la fonction et à la mission qu'il exerce effectivement.
  
HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke uitoefening van de ambten, vermeld in artikel 61
CHAPITRE VI. - Exercice temporaire des fonctions, visées à l'article 61
Afdeling I. - De tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt van inspecteur
Section Ire. - Désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction d'inspecteur
Art. 89. De Vlaamse Regering kan binnen de toegekende enveloppe een personeelslid tijdelijk aanstellen voor bepaalde duur.
Art. 89. Dans les limites de l'enveloppe accordée, le Gouvernement flamand peut procéder à la désignation temporaire à durée déterminée d'un membre du personnel.
Art. 90. § 1. [2 ...]2.
  § 2. Het eerste jaar van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur volgt het tijdelijk personeelslid een opleidingsprogramma, indien het voor de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur nog niet was aangesteld bij de inspectie.
  
Art. 90. § 1er. [2 ...]2.
  § 2. La première année de la désignation temporaire à durée déterminée, le membre du personnel temporaire suit un programme de formation, s'il n'était pas encore désigné auprès de l'inspection avant la désignation temporaire à durée déterminée.
  
Art. 91. § 1. Elke tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt van inspecteur moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :
  1° de identiteit van het personeelslid;
  2° het uit te oefenen ambt;
  3° de ingangsdatum en einddatum van de aanstelling;
  4° het functieprofiel waarop de aanstelling is gebaseerd;
  5° de standplaats.
  § 2. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de tijdelijke aanstelling, wordt het personeelslid geacht tijdelijk aangesteld te zijn voor onbepaalde duur in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.
Art. 91. § 1er. Toute désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction d'inspecteur doit être fixée par écrit. Cet écrit est transmis au membre du personnel et mentionne au moins :
  1° l'identité du membre du personnel;
  2° la fonction à exercer;
  3° la date du début et de la fin de la désignation;
  4° le profil de la fonction sur lequel la désignation est basée;
  5° la résidence administrative.
  § 2. A défaut d'un écrit au début de la désignation temporaire, le membre du personnel est censé être désigné temporairement à durée indéterminée à la fonction et à la mission qu'il exerce effectivement.
Art. 92. Een aanstelling van bepaalde duur heeft een [1 ...]1 duur van een jaar.
  
Art. 92. Une désignation à durée déterminée a une durée [1 ...]1 d'un an.
  
Art. 93. De tijdelijke aanstelling die volgt op twee aaneensluitende tijdelijke aanstellingen van bepaalde duur is een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur.
Art. 93. La désignation temporaire qui suit deux désignations temporaires consécutives à durée déterminée est une désignation temporaire à durée indéterminée.
Art. 94. § 1. Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur in het ambt van inspecteur wordt op zijn verzoek in dat ambt benoemd als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° het personeelslid heeft de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt op het ogenblik van de vaste benoeming;
  2° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste vier jaar het ambt van inspecteur uitgeoefend;
  3° het personeelslid heeft geen definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende gekregen in de vier jaar die de aanvraag tot vaste benoeming voorafgaan.
  § 2. De vaste benoeming gaat steeds in op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag bij de Vlaamse Regering.
  § 3. Indien op het ogenblik dat het personeelslid de vaste benoeming aanvraagt, een beroepsprocedure loopt tegen een evaluatie met eindconclusie onvoldoende of tegen een ontslag om dringende redenen, wordt de vaste benoeming uitgesteld tot er een definitieve uitspraak in deze zaak is. Indien na de beroepsprocedure de evaluatie met eindconclusie onvoldoende of het ontslag om dringende redenen niet wordt bevestigd gaat de vaste benoeming in op de eerste dag van de maand die volgt op het ogenblik van de definitieve uitspraak.
  § 4. De vaste benoeming moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd, en vermeldt ten minste :
  1° de identiteit van het personeelslid;
  2° het uit te oefenen ambt;
  3° de ingangsdatum;
  4° het functieprofiel waarop de vaste benoeming is gebaseerd;
  5° de standplaats.
  § 5. Bij ontstentenis van een geschrift bij aanvang van de vaste benoeming, wordt het personeelslid geacht vastbenoemd te zijn in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.
Art. 94. § 1er. Le membre du personnel qui est désigné temporairement à durée déterminée dans la fonction d'inspecteur est nommé à sa demande à cette fonction s'il est satisfait aux conditions suivantes :
  1° le membre du personnel a atteint l'âge de 55 ans au moins au moment de la nomination définitive;
  2° le membre du personnel a exercé la fonction d'inspecteur pendant au moins quatre ans au moment de la nomination définitive;
  3° le membre du personnel n'a pas eu d'évaluation définitive avec conclusion finale " insuffisant " dans les quatre années précédant la demande de nomination à titre définitif.
  § 2. La nomination définitive commence le premier jour du mois qui suit la demande auprès du Gouvernement flamand.
  § 3. Si, au moment où le membre du personnel demande la nomination définitive, une procédure de recours est engagée contre une évaluation avec conclusion finale " insuffisant " ou un licenciement pour motif grave, la nomination définitive est différée jusqu'à ce qu'il y ait une décision définitive dans l'affaire. Si l'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " ou le licenciement pour motif grave n'est pas confirmé après la procédure de recours, la nomination définitive prend cours au premier jour du mois qui suit le moment de la décision définitive.
  § 4. La nomination définitive doit être fixée par écrit. Cet écrit est transmis au membre du personnel et indique au moins :
  1° l'identité du membre du personnel;
  2° la fonction à exercer;
  3° la date de début;
  4° le profil de la fonction sur lequel la nomination définitive est basée;
  5° la résidence administrative.
  § 5. A défaut d'un écrit au début de la nomination définitive, le membre du personnel est censé être nommé à titre définitif dans la fonction et pour la mission qu'il exerce réellement.
Art. 95. De aanstelling van een personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur wordt zonder opzegging beëindigd :
  1° op het ogenblik dat het personeelslid [1 ...]1 vastbenoemd wordt;
  2° als het personeelslid een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen;
  3° na afloop van de aanstellingsperiode zonder dat hiervoor formaliteiten te vervullen zijn;
  4° om dringende redenen, onder de voorwaarden vermeld in artikel 96;
  5° door vrijwillig ontslag.
  
Art. 95. La désignation d'un membre du personnel qui est désigné à durée déterminée est terminée sans préavis :
  1° au moment où le membre du personnel est [1 ...]1 nommé à titre définitif;
  2° si le membre du personnel a obtenu une évaluation définitive portant la conclusion finale " insuffisant ";
  3° à l'expiration de la période de désignation sans avoir à observer des formalités à cet effet;
  4° pour motif grave, aux conditions visées à l'article 96;
  5° par démission volontaire.
  
Art. 96. De Vlaamse Regering kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur in het ambt van inspecteur zonder opzegging om dringende redenen ontslaan.
  Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende reden overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is bij de Vlaamse Regering.
  Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven per aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Deze brief vermeldt, op straffe van nietigheid, de beroepsmogelijkheden.
  Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende redenen bij een ter post aangetekende brief beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.
  Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift. Het beroep heeft een opschortende werking. Het personeelslid kan tijdens het beroep preventief worden geschorst. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de preventieve schorsing. Dit besluit garandeert het recht van verdediging.
  Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure is beëindigd, met dien verstande dat de periode alleszins nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.
Art. 96. Le Gouvernement flamand peut, sans préavis, licencier pour motif grave un membre du personnel temporaire qui est désigné pour une durée déterminée dans la fonction d'inspecteur.
  Par motif grave, il faut entendre toute faute grave qui rend immédiatement et définitivement impossible toute continuation de la désignation temporaire. Licenciement pour motif grave ne peut plus être invoqué conformément aux dispositions du présent article, si le fait justifiant ce licenciement est connu depuis trois jours ouvrables au moins par le Gouvernement flamand.
  Seul le motif grave notifié, par lettre recommandée, dans les trois jours ouvrables qui suivent le licenciement peut être invoqué pour justifier le licenciement. Cette lettre mentionne, sous peine de nullité, les possibilités de recours.
  Dans les cinq jours calendaires de la réception du licenciement pour motif grave par lettre recommandée, le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la chambre de recours, visée à l'article 135, selon la procédure, visée à l'article 138. Lorsque la notification du licenciement est reçue au cours d'une période d'au moins sept jours de vacances consécutives, la période précitée de cinq jours calendaires est prolongée de la durée de la période de vacances.
  Le recours est introduit par réclamation. Le recours est suspensif. Le membre du personnel peut être suspendu préventivement pendant le recours. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la suspension préventive. Cet arrêté garantit le droit de la défense.
  Cette suspension préventive couvre la période du moment où la décision est communiquée au membre du personnel concerné jusqu'à la fin de la procédure de recours, étant entendu que la période ne peut jamais être supérieure à la désignation temporaire originale à laquelle se rapporte le licenciement.
Afdeling II. - De tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur in het ambt van inspecteur
Section II. - La désignation temporaire à durée indéterminée dans la fonction d'inspecteur
Art. 97. De Vlaamse Regering kan binnen de toegekende enveloppe een personeelslid tijdelijk aanstellen voor onbepaalde duur.
Art. 97. Dans les limites de l'enveloppe accordée, le Gouvernement flamand peut procéder à la désignation temporaire à durée indéterminée d'un membre du personnel.
Art. 98. § 1. Voor de tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur wordt de selectieprocedure gevolgd zoals vermeld in [1 artikel 63 tot en met artikel 65/1.]1
  § 2. Het eerste jaar van de tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur volgt het tijdelijk personeelslid een opleidingsprogramma, indien het voor de tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur nog niet was aangesteld bij de inspectie.
  
Art. 98. § 1er. Pour la désignation à durée indéterminée, la procédure de sélection telle que visée [1 aux articles 63 à 65/1]1 est suivie.
  § 2. La première année de la désignation temporaire à durée indéterminée, le membre du personnel temporaire suit un programme de formation, s'il n'était pas encore désigné auprès de l'inspection avant la désignation temporaire à durée indéterminée.
  
Art. 99. § 1. Elke tijdelijke aanstelling voor onbepaalde duur in het ambt van inspecteur moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :
  1° de identiteit van het personeelslid;
  2° het uit te oefenen ambt;
  3° de ingangsdatum van de aanstelling;
  4° de aard van de tijdelijke aanstelling;
  5° het functieprofiel waarop de aanstelling is gebaseerd;
  6° de standplaats.
  § 2. Bij ontstentenis van een geschrift bij aanvang van de tijdelijke aanstelling, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor onbepaalde duur in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.
Art. 99. § 1er. Toute désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction d'inspecteur doit être fixée par écrit. Cet écrit est transmis au membre du personnel et mentionne au moins :
  1° l'identité du membre du personnel;
  2° la fonction à exercer;
  3° la date de début de la désignation;
  4° la nature de la désignation temporaire;
  5° le profil de la fonction sur lequel la désignation est basée;
  6° la résidence administrative.
  § 2. A défaut d'un écrit au début de la désignation temporaire, le membre du personnel est censé être désigné temporairement à durée indéterminée à la fonction et à la mission qu'il exerce effectivement.
Art. 99bis. [1 § 1. De Vlaamse Regering benoemt het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde duur in het ambt van inspecteur als dat personeelslid het voorwerp uitmaakt van een gemotiveerd voorstel tot benoeming in vast verband.
   § 2. De vaste benoeming wordt schriftelijk vastgelegd. Dit geschrift wordt overhandigd aan het personeelslid en vermeldt ten minste :
   1° de identiteit van het personeelslid;
   2° het uit te oefenen ambt;
   3° de ingangsdatum van de vaste benoeming;
   4° het functieprofiel waarop de vaste benoeming is gebaseerd;
   5° de standplaats.
   § 3. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de vaste benoeming, wordt het personeelslid geacht benoemd te zijn in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitvoert.]1

  
Art. 99bis. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand nomme le membre du personnel qui est désigné temporairement à durée indéterminée dans la fonction d'inspecteur si ce membre du personnel fait l'objet d'une proposition motivée de nomination à titre définitif.
   § 2. La nomination à titre définitif est établie par écrit. Ce document écrit est transmis au membre du personnel et indique au moins :
   1° l'identité du membre du personnel ;
   2° la fonction à exercer ;
   3° la date de début de la nomination définitive ;
   4° le profil de la fonction sur lequel la nomination définitive est basée ;
   5° la résidence administrative.
   § 3. En l'absence d'un document écrit au début de la nomination définitive, le membre du personnel est censé être nommé à titre définitif dans la fonction et pour la mission qu'il exerce effectivement.]1

  
Art. 100. § 1. Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde duur in het ambt van inspecteur, wordt op zijn verzoek in dat ambt benoemd als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° het personeelslid heeft de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt op het ogenblik van de vaste benoeming;
  2° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste vier jaar het ambt van inspecteur uitgeoefend;
  3° het personeelslid heeft geen definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende gekregen in de vier jaar die de aanvraag tot vaste benoeming voorafgaan.
  § 2. De vaste benoeming gaat steeds in op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag bij de Vlaamse Regering.
  § 3. Indien op het ogenblik dat het personeelslid de vaste benoeming aanvraagt, een beroepsprocedure loopt tegen een evaluatie met eindconclusie onvoldoende of tegen een tuchtstraf, wordt de vaste benoeming uitgesteld tot er een definitieve uitspraak in deze zaak is. Indien na de beroepsprocedure de evaluatie met eindconclusie onvoldoende of de tuchtstraf niet wordt bevestigd gaat de vaste benoeming in op de eerste dag van de maand die volgt op het ogenblik van de definitieve uitspraak.
  § 4. De vaste benoeming moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :
  1° de identiteit van het personeelslid;
  2° het uit te oefenen ambt;
  3° de ingangsdatum;
  4° het functieprofiel waarop de vaste benoeming is gebaseerd;
  5° de standplaats.
  § 5. Bij ontstentenis van een geschrift bij aanvang van de vaste benoeming, wordt het personeelslid geacht vastbenoemd te zijn in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.
Art. 100. § 1er. Le membre du personnel qui est désigné temporairement à durée indéterminée dans la fonction d'inspecteur est nommé à sa demande à cette fonction s'il est satisfait aux conditions suivantes :
  1° le membre du personnel a atteint l'âge de 55 ans au moins au moment de la nomination définitive;
  2° le membre du personnel a exercé la fonction d'inspecteur pendant au moins quatre ans au moment de la nomination définitive;
  3° le membre du personnel n'a pas eu d'évaluation définitive avec conclusion finale " insuffisant " dans les quatre années précédant la demande de nomination à titre définitif.
  § 2. La nomination définitive prend cours le premier jour du mois qui suit la demande auprès du Gouvernement flamand.
  § 3. Si, au moment où le membre du personnel demande la nomination définitive, une procédure de recours est engagée contre une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " ou une peine disciplinaire, la nomination définitive est différée jusqu'à ce qu'il y ait une décision définitive dans l'affaire. Si l'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " ou la peine disciplinaire n'est pas confirmé après la procédure de recours, la nomination définitive prend cours au premier jour du mois qui suit le moment de la décision définitive.
  § 4. La nomination définitive doit être fixée par écrit. Cet écrit est transmis au membre du personnel et mentionne au moins :
  1° l'identité du membre du personnel;
  2° la fonction à exercer;
  3° la date de début;
  4° le profil de la fonction sur lequel la nomination définitive est basée;
  5° la résidence administrative.
  § 5. A défaut d'un écrit au début de la nomination définitive, le membre du personnel est censé être nommé à titre définitif dans la fonction et pour la mission qu'il exerce réellement.
Art. 101. De aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde duur wordt zonder opzegging beëindigd :
  1° op het ogenblik dat het personeelslid [1 ...]1 vastbenoemd wordt;
  2° als het personeelslid gedurende twee opeenvolgende evaluaties of drie keer tijdens de loopbaan in hetzelfde ambt bij de inspectie een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen;
  3° als het personeelslid ontslagen wordt na een tuchtmaatregel;
  4° door vrijwillig ontslag.
  
Art. 101. La désignation d'un membre du personnel qui est désigné temporairement à durée indéterminée est terminée sans préavis :
  1° au moment où le membre du personnel est [1 ...]1 nommé à titre définitif;
  2° si le membre du personnel a obtenu, pendant deux évaluations successives ou trois fois pendant sa carrière, dans la même fonction auprès de l'inspection une évaluation définitive portant la conclusion finale " insuffisant ";
  3° si le membre du personnel est licencié suite à une mesure disciplinaire;
  4° par démission volontaire.
  
Afdeling III. - De tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal
Section III. - La désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général
Art. 102. § 1. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van artikel 77, binnen de toegekende enveloppe een personeelslid tijdelijk aanstellen voor bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur ter vervanging van een afwezige coördinerend inspecteur. Dit personeelslid moet voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 79, § 1.
  § 2. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van artikel 77, binnen de toegekende enveloppe een personeelslid tijdelijk aanstellen voor bepaalde duur in het ambt van inspecteur-generaal ter vervanging van de afwezige inspecteur-generaal. Dit personeelslid moet voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 79, § 2.
  § 3. De tijdelijke aanstelling in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal heeft een maximale duur van vier jaar.
  § 4. Het vastbenoemd personeelslid van de inspectie dat tijdelijk wordt aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal, wordt tijdelijk belast met een andere opdracht. Tijdens de periode dat het personeelslid tijdelijk belast is met een andere opdracht, gelden de regels die van toepassing zijn op de tijdelijke personeelsleden in het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert.
  § 5. In afwijking van § 4, wordt het vastbenoemd personeelslid tijdens de periode van tijdelijke aanstelling verder beschouwd als vastbenoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake :
  1° het bevallingsverlof;
  2° het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming;
  3° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;
  4° de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
  5° de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van deze personeelsleden.
Art. 102. § 1er. Dans les limites de l'enveloppe accordée, le Gouvernement flamand peut, par dérogation à l'article 77, procéder à la désignation temporaire à durée déterminée d'un membre du personnel à la fonction d'inspecteur coordinateur en remplacement d'un inspecteur coordinateur absent. Ce membre du personnel doit remplir les conditions de recrutement, visées à l'article 79, § 1er.
  § 2. Dans les limites de l'enveloppe accordée, le Gouvernement flamand peut, par dérogation à l'article 77, procéder à la désignation temporaire à durée déterminée d'un membre du personnel à la fonction d'inspecteur général en remplacement d'un inspecteur général absent. Ce membre du personnel doit remplir les conditions de recrutement, visées à l'article 79, § 2.
  § 3. La désignation temporaire à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général est de quatre ans au maximum.
  § 4. Le membre du personnel de l'inspection qui est désigné temporairement à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général est chargé temporairement d'une autre mission. Pendant la période où le membre du personnel est chargé temporairement d'une autre mission, les règles applicables aux personnels temporaires dans la fonction dans laquelle le membre du personnel fait temporairement fonction, sont d'application.
  § 5. Par dérogation au § 4, le membre du personnel nommé à titre définitif continue à être considéré, pendant la période de désignation temporaire, comme un membre du personnel définitif pour l'application des dispositions réglementaires en matière :
  1° du congé de maternité;
  2° du congé d'écartement du risque de maladie professionnelle et de congé de protection de la maternité;
  3° du congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles;
  4° de l'ancienneté pour la fixation du droit au congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
  5° de l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires.
  Le Gouvernement flamand fixe les modalités du statut administratif et pécuniaire de ces membres du personnel.
Art. 103. § 1. Elke tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :
  1° de identiteit van het personeelslid;
  2° het uit te oefenen ambt;
  3° de duur van de aanstelling;
  4° de ingangsdatum;
  5° de standplaats;
  6° de naam van het afwezige personeelslid.
  § 2. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de tijdelijke aanstelling, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor een jaar in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.
Art. 103. § 1er. Toute désignation temporaire à durée déterminée à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général doit être fixée par écrit. Cet écrit est transmis au membre du personnel et mentionne au moins :
  1° l'identité du membre du personnel;
  2° la fonction à exercer;
  3° la durée de la désignation;
  4° la date de début;
  5° la résidence administrative;
  6° le nom du membre du personnel absent.
  § 2. A défaut d'un écrit au début de la désignation temporaire, le membre du personnel est censé être désigné pour une année à la fonction et à la mission qu'il exerce effectivement.
Art. 104. De aanstelling van een personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal wordt, zonder opzegging, beëindigd :
  1° na afloop van de aanstellingsperiode zonder dat hiervoor formaliteiten te vervullen zijn;
  2° als het personeelslid een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen;
  3° om dringende redenen, onder de voorwaarden vermeld in artikel 105;
  4° door vrijwillig ontslag.
Art. 104. La désignation d'un membre du personnel qui est désigné à durée déterminée à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général est terminée sans préavis :
  1° à l'expiration de la période de désignation sans avoir à observer des formalités à cette effet;
  2° si le membre du personnel a obtenu une évaluation définitive portant la conclusion finale " insuffisant ";
  3° pour motif grave, aux conditions visées à l'article 105;
  4° par démission volontaire.
Art. 105. De Vlaamse Regering kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal zonder opzegging om dringende redenen ontslaan.
  Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende reden overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is bij de Vlaamse Regering.
  Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven per aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Deze brief vermeldt, op straffe van nietigheid, de beroepsmogelijkheden.
  Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende redenen per aangetekende brief beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.
  Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift. Het beroep heeft een opschortende werking. Het personeelslid kan tijdens het beroep preventief worden geschorst.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de preventieve schorsing. Dit besluit garandeert het recht van verdediging.
  Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure is beëindigd, met dien verstande dat de periode alleszins nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.
Art. 105. Le Gouvernement flamand peut, sans préavis, licencier pour motif grave un membre du personnel temporaire qui est désigné pour une durée déterminée à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général.
  Par motif grave, il faut entendre toute faute grave qui rend immédiatement et définitivement impossible toute continuation de la désignation temporaire. Licenciement pour motif grave ne peut plus être invoqué conformément aux dispositions du présent article, si le fait justifiant ce licenciement est connu depuis trois jours ouvrables au moins par le Gouvernement flamand.
  Seul le motif grave notifié, par lettre recommandée, dans les trois jours ouvrables qui suivent le licenciement peut être invoqué pour justifier le licenciement. Cette lettre mentionne, sous peine de nullité, les possibilités de recours.
  Dans les cinq jours calendaires de la réception du licenciement pour motif grave par lettre recommandée, le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la chambre de recours, visée à l'article 135, selon la procédure, visée à l'article 138. Lorsque la notification du licenciement est reçue au cours d'une période d'au moins sept jours de vacances consécutives, la période précitée de cinq jours calendaires est prolongée de la durée de la période de vacances.
  Le recours est introduit par réclamation. Le recours est suspensif. Le membre du personnel peut être suspendu préventivement pendant le recours.
  Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la suspension préventive. Cet arrêté garantit le droit de la défense.
  Cette suspension préventive couvre la période du moment où la décision est communiquée au membre du personnel concerné jusqu'à la fin de la procédure de recours, étant entendu que la période ne peut jamais être supérieure à la désignation temporaire originale à laquelle se rapporte le licenciement.
HOOFDSTUK VI/1. [1 Vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast zijn met een andere opdracht]1
CHAPITRE VI/1 [1 Personnels nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre charge]1
Art. 105/1. [1 Een vastbenoemd personeelslid van de inspectie kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vastbenoemd is om tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vastbenoemd is. Het vastbenoemde personeelslid vraagt daarvoor aan de inspecteur-generaal een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De inspecteur-generaal kan dat verlof toestaan.
   Het personeelslid kan het verlof, vermeld in het eerste lid, ook aanvragen aan de inspecteur-generaal om een opdracht op te nemen in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt in een instelling als vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, in een centrum voor basiseducatie, in een hogeschool of bij de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De inspecteur-generaal kan dat verlof toestaan.
   Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan, gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk aangesteld is.
   In afwijking van het derde lid wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke aanstelling verder beschouwd als vastbenoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen over:
   1° het bevallingsverlof;
   2° het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming;
   3° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;
   4° de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
   5° de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.
   Dit lid is niet van toepassing op het personeelslid dat een tijdelijke opdracht uitoefent bij een hogeschool.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden van de inspectie die een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.]1

  
Art. 105/1. [1 Moyennant son accord, le membre du personnel nommé à titre définitif de l'inspection peut renoncer entièrement ou partiellement à l'exercice de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif afin d'assumer temporairement une autre charge pour laquelle il n'est pas nommé à titre définitif. A cette fin, le membre du personnel nommé à titre définitif demande à son inspecteur général un congé pour exercer temporairement une autre charge. L'inspecteur général peut accorder ce congé.
   Le membre du personnel peut également demander le congé, visé à l'alinéa 1er, à l'inspecteur général pour assumer une charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion dans un établissement, tel que visé à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, ou à l'article 4, § 1er, a), du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, dans un centre d'éducation de base, dans un institut supérieur ou auprès de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques. L'inspecteur général peut accorder ce congé.
   Pendant la période au cours de laquelle le membre du personnel est chargé temporairement d'une autre charge et avant la fin de celle-ci, les mêmes règles que celles applicables aux personnels temporaires sont d'application à la fonction exercée temporairement par le membre du personnel.
   Par dérogation à l'alinéa 3, le membre du personnel nommé à titre définitif continue à être considéré, pendant la période de désignation temporaire, comme un membre du personnel définitif pour l'application des dispositions réglementaires sur :
   1° le congé de maternité ;
   2° le congé d'écartement du risque de maladie professionnelle et le congé de protection de la maternité ;
   3° le congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles ;
   4° l'ancienneté pour la fixation du droit au congé pour cause de maladie ou d'infirmité ;
   5° l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires.
   Le présent alinéa n'est pas applicable au membre du personnel qui exerce une charge temporaire auprès d'un institut supérieur.
   Le Gouvernement flamand précise la réglementation relative à la position administrative et au statut pécuniaire des personnels nommés à titre définitif de l'inspection qui prennent congé pour accomplir temporairement une autre charge.]1

  
HOOFDSTUK VII. - Functiebeschrijving en evaluatie
CHAPITRE VII. - Description de fonction et évaluation
Afdeling I. - Functiebeschrijving
Section Ire. - Description de fonction
Art. 106. Voor elk lid van de inspectie wordt in het kader van zijn begeleiding een geïndividualiseerde functiebeschrijving opgesteld.
  Een functiebeschrijving moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument.
Art. 106. Pour chaque membre de l'inspection, une description de fonction individualisée est établie en vue de son encadrement.
  Une description de fonction doit être considérée comme un instrument politique constructive et positive.
Art. 107. § 1. Een functiebeschrijving wordt opgesteld op basis van een functieprofiel en bevat twee delen, namelijk : de permanente opdracht en de periodegebonden doelstellingen.
  De permanente opdracht bestaat uit de volgende twee delen :
  1° de resultaatgebieden : de taken die het personeelslid tot een goed einde moet brengen;
  2° de competenties.
  § 2. De functiebeschrijving kan worden aangepast :
  1° bij een substantiële wijziging van de opdracht;
  2° na afspraken die de eerste evaluator en het personeelslid maken tijdens een functioneringsgesprek;
  3° bij de aanvang van een nieuwe evaluatieperiode.
Art. 107. § 1er. Une description de fonction est établie sur la base d'un profil de la fonction et comprend deux parties, notamment : la mission permanente et les objectifs dans un temps imparti.
  La mission permanente comporte les deux parties suivantes :
  1° les domaines de performance : les tâches que le membre du personnel doit mener à bien;
  2° les compétences.
  § 2. La description de fonction peut être adaptée :
  1° en cas de modification substantielle de la mission;
  2° après un accord entre le premier évaluateur et le membre du personnel pendant l'entretien de fonctionnement;
  3° au début d'une nouvelle période d'évaluation.
Art. 108. Elke functiebeschrijving of wijziging wordt opgemaakt in onderling overleg tussen de eerste evaluator en het betrokken personeelslid. Als geen consensus bereikt kan worden, ligt de beslissing bij de inspecteur-generaal, indien het om de functiebeschrijving van een inspecteur gaat. In het geval van de coördinerend inspecteur en de inspecteur-generaal ligt de beslissing, als er geen consensus kan bereikt worden, bij de minister bevoegd voor onderwijs.
Art. 108. Toute description de fonction ou modification est établie de commun accord entre le premier évaluateur et le membre du personnel concerné. A défaut de consensus, l'inspecteur général décide s'il s'agit de la description de fonction d'un inspecteur. Faute de consensus, la décision dans le cas de l'inspecteur coordinateur et de l'inspecteur général sera prise par le Ministre chargé de l'enseignement.
Afdeling II. - De evaluatoren
Section II. - Les évaluateurs
Art. 109. § 1. Voor een inspecteur gelden de volgende bepalingen :
  1° de eerste evaluator is een coördinerend inspecteur;
  2° de tweede evaluator is de inspecteur-generaal of een ander coördinerend inspecteur.
  § 2. Voor een coördinerend inspecteur gelden de volgende bepalingen :
  1° de eerste evaluator is de inspecteur-generaal;
  2° de tweede evaluator is de minister bevoegd voor onderwijs.
  § 3. De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen bij zijn functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van die taak.
  § 4. De tweede evaluator is tijdens het volledige proces belast met de kwaliteitsbewaking.
Art. 109. § 1er. Les dispositions suivantes sont d'application à l'inspecteur :
  1° le premier évaluateur est un inspecteur coordinateur;
  2° le second évaluateur est l'inspecteur général ou un autre inspecteur coordinateur.
  § 2. Les dispositions suivantes sont d'application à l'inspecteur coordinateur :
  1° le premier évaluateur est l'inspecteur général;
  2° le second évaluateur est le ministre compétent pour l'enseignement.
  § 3. Le premier évaluateur a pour tâche principale de coacher le membre du personnel dans son fonctionnement. Tenir des entretiens de fonctionnement fait partie de cette tâche.
  § 4. Le second évaluateur est chargé de la gestion de la qualité pendant tout le processus.
Art. 110. De inspecteur-generaal wordt geëvalueerd zoals bepaald in artikel V.13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid.
Art. 110. L'inspecteur général est évalué conformément aux dispositions de l'article V.13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 fixant le statut du personnel des services des autorités flamandes.
Art. 110/1. [1 De artikelen VII. 35 en VII.39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid zijn van toepassing op de inspecteur-generaal voor zover hij deel uitmaakt van de beleidsraad van het beleidsdomein onderwijs en het management orgaan.]1
  
Art. 110/1. [1 Les articles VII. 35 et VII.39 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 fixant le statut du personnel des services des autorités flamandes sont d'application à l'inspecteur général pour autant qu'il fasse partie du conseil de gestion du domaine politique de l'enseignement et de l'organe de management.]1
  
Afdeling III. - De evaluatie
Section III. - L'évaluation
Art. 111. De evaluatie is het beoordelen van het functioneren van een personeelslid op basis van de functiebeschrijving en is de appreciatie van het totale functioneren van het betrokken personeelslid.
  Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen, vermeld in artikel 107, kan niet worden geëvalueerd.
Art. 111. L'évaluation consiste à porter un jugement sur le fonctionnement d'un membre du personnel sur la base de la description de fonction et est l'appréciation du fonctionnement total du membre du personnel intéressé.
  Un membre du personnel pour qui aucune description de fonction n'a été établie conformément aux dispositions, visées à l'article 107, ne peut pas être évalué.
Art. 112. In de loop van de evaluatieperiode kan de geëvalueerde bij zijn evaluatoren terecht voor opvolging en ondersteuning om de verwachte resultaten te behalen.
Art. 112. Au cours de la période d'évaluation, l'évalué peut s'adresser à ses évaluateurs pour un suivi et un soutien afin d'obtenir les résultats escomptés.
Art. 113. De evaluatie moet op een zorgvuldige wijze uitgevoerd worden.
  Een opleiding tot evaluator is verplicht voor alle leden van de inspectie die met evaluatie belast zijn. Alleen de evaluaties, opgemaakt door personeelsleden die de opleiding hebben gevolgd, zijn geldig.
  De evaluatoren worden geëvalueerd op de kwaliteit van de evaluaties die ze opmaken.
Art. 113. L'évaluation doit être exécutée de façon consciencieuse.
  Tous les membres de l'inspection chargés d'évaluer sont obligés à suivre une formation d'évaluateur. Seules les évaluations, établies par les membres du personnel ayant suivi la formation, sont valables.
  Les évaluateurs sont évalués sur la qualité des évaluations qu'ils établissent.
Art. 114. § 1. Met het oog op de evaluatie, vermeld in artikel 111, wordt er een evaluatiegesprek gehouden tussen de eerste evaluator en het betrokken personeelslid.
  Het evaluatiegesprek heeft als eerste doel het functioneren van het personeelslid te verbeteren waar dat nodig is, en het te ondersteunen. Het is niet louter op het verleden gericht. Na het gesprek moeten niet alleen de goede en sterke punten, maar ook de eventueel te verbeteren punten van het personeelslid duidelijk zijn. Het evaluatiegesprek kan bijgevolg aanleiding geven tot bijsturingen in de toekomst en kan leiden tot nieuwe, duidelijke afspraken.
  Op verzoek van de geëvalueerde of één van zijn evaluatoren vindt het evaluatiegesprek plaats met twee evaluatoren.
  Het evaluatiegesprek leidt altijd tot een evaluatieverslag.
  § 2. Het evaluatieverslag opgesteld door de eerste evaluator, beschrijft op zorgvuldige wijze het volledige functioneren van het personeelslid ten opzichte van de functiebeschrijving en bevat steeds een eindconclusie.
  Het verslag wordt door beide evaluatoren ondertekend. De eerste evaluator legt het evaluatieverslag voor aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid ondertekent en dateert het evaluatieverslag ter kennisneming en bezorgt het onmiddellijk terug aan de eerste evaluator. De eerste evaluator bezorgt onmiddellijk een kopie van het evaluatieverslag aan het personeelslid.
  § 3. Als het evaluatieverslag de eindconclusie onvoldoende bevat, moet het, op straffe van nietigheid, altijd de beroepsmogelijkheden bevatten.
Art. 114. § 1er. En vue de l'évaluation, visée à l'article 111, un entretien d'évaluation a lieu entre le premier évaluateur et le membre du personnel concerné.
  L'entretien d'évaluation a pour but principal d'améliorer, au besoin, le fonctionnement du membre du personnel et de l'appuyer. L'entretien ne vise pas uniquement le passé. L'entretien ne doit pas seulement mettre en lumière les points forts du membre du personnel mais également les points à améliorer éventuellement. Par conséquent, l'entretien d'évaluation peut donner lieu, dans l'avenir, à des adaptations et peut conduire à de nouvelles conventions claires.
  A la demande de l'évalué ou d'un de ses évaluateurs, l'entretien d'évaluation se fait avec deux évaluateurs.
  L'entretien d'évaluation conduit toujours à un rapport d'évaluation.
  § 2. Le rapport d'évaluation, rédigé par le premier évaluateur, décrit de façon méticuleuse le fonctionnement global du membre du personnel par rapport à la description de fonction et contient toujours une conclusion finale.
  Le rapport est signé par les deux évaluateurs. Le premier évaluateur soumet le rapport d'évaluation au membre du personnel concerné. Le membre du personnel signe et date le rapport d'évaluation pour prise de connaissance et le soumet immédiatement au premier évaluateur. Le premier évaluateur transmet immédiatement une copie du rapport d'évaluation au membre du personnel.
  § 3. Si le rapport d'évaluation contient la conclusion finale " insuffisant ", il doit toujours comprendre, sous peine de nullité, les possibilités professionnelles.
Art. 115. Het originele evaluatieverslag, vermeld in artikel 114 en de opmerkingen van het personeelslid worden bewaard in het evaluatiedossier van het personeelslid. Het personeelslid ontvangt een afschrift.
  Het personeelslid kan op elk ogenblik zijn evaluatiedossier inzien.
Art. 115. Le rapport d'évaluation original, visé à l'article 114, et les remarques du membre du personnel sont conservés dans le dossier d'évaluation du membre du personnel. Le membre du personnel reçoit une copie.
  Le membre du personnel peut consulter son dossier d'évaluation à tout moment.
Art. 116. Een evaluatie kan leiden tot een evaluatieverslag met eindconclusie onvoldoende.
Art. 116. Une évaluation peut donner lieu à un rapport d'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ".
Art. 117. § 1. Een personeelslid van de inspectie dat er niet mee akkoord gaat dat zijn evaluatieverslag wordt besloten met de eindconclusie onvoldoende, kan binnen twintig kalenderdagen na ontvangst van de ondertekende kopie van het evaluatieverslag beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138.
  § 2. De raad van beroep hoort het betrokken personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen.
  § 3. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Zo niet wordt het advies van de raad geacht eenparig gunstig te zijn. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing.
  § 4. Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier, in het geval van een inspecteur of een coördinerend inspecteur, binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over de toekenning van de eindconclusie onvoldoende. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
  § 5. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 1, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief nadat die termijn verstreken is.
  § 6. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 1, beroep aantekent is, de evaluatie definitief als respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist om de eindconclusie onvoldoende te bevestigen.
Art. 117. § 1er. Le membre du personnel de l'inspection qui n'est pas d'accord avec son rapport d'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ", peut, dans les vingt jours calendaires après réception de la copie signée du rapport d'évaluation, introduire un recours devant la chambre de recours, visée à l'article 135, suivant la procédure, visée à l'article 138.
  § 2. La chambre de recours entend le membre du personnel concerné et peut entendre les évaluateurs concernés.
  § 3. La chambre de recours émet un avis motivé dans les trente jours calendaires de la réception du recours. Sinon l'avis de la chambre est censé être favorable à l'unanimité. Quand la chambre de recours adopte un avis à l'unanimité, cet avis est contraignant et la chambre de recours prend la décision finale.
  § 4. Faute d'avis unanime de la chambre de recours, le dossier dans le cas d'un inspecteur ou d'un inspecteur coordinateur est soumis, dans les quinze jours calendaires, au Gouvernement flamand qui est compétent pour décider définitivement d'attribuer la conclusion finale " insuffisant ". Le Gouvernement flamand prend une décision dans les trente jours calendaires de la réception de l'avis de la chambre de recours, sinon la décision est réputée favorable.
  § 5. Si le membre du personnel n'introduit pas de recours dans le délai, prévu au § 1er, l'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " devient définitive à l'expiration de ce délai.
  § 6. Si le membre du personnel introduit un recours dans le délai, prévu au § 1er, l'évaluation devient définitive si respectivement la chambre de recours ou le Gouvernement flamand décide de confimer la conclusion finale " insuffisant ".
Art. 118. De gemotiveerde beslissing na het beroep wordt bij het evaluatiedossier van de geëvalueerde gevoegd.
Art. 118. La décision motivée après le recours est ajoutée au dossier d'évaluation de l'évalué.
Art. 119. § 1. Het vastbenoemde lid van de inspectie en het tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor onbepaalde duur wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid als hij gedurende twee opeenvolgende evaluaties of drie keer tijdens zijn loopbaan in hetzelfde ambt bij de inspectie de definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen.
  Bij het ontslag van een vastbenoemd personeelslid gelden de opzeggingstermijnen en voorwaarden, vermeld in artikel 131. De opzeggingstermijn gaat in op het ogenblik van de definitieve uitspraak in de beroepsprocedure of op het ogenblik dat de termijn van twintig kalenderdagen, vermeld in artikel 117, verstreken is.
  § 2. Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur wordt ontslagen als hij één definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen.
  § 3. Het ontslag wordt uitgesproken door de Vlaamse Regering.
Art. 119. § 1er. Le membre de l'inspection nommé à titre définitif et le membre du personnel temporaire qui est désigné pour une durée indéterminée, est licencié pour cause d'inaptitude professionnelle, s'il a obtenu pendant deux évaluations successives ou trois fois durant sa carrière dans la même fonction auprès de l'inspection l'évaluation définitive portant la conclusion finale 'insuffisant'.
  Lorsqu'un membre du personnel nommé à titre définitif est licencié, le délai de préavis et les conditions, visés à l'article 131, sont d'application. Le délai de préavis commence au moment où il est décidé définitivement de la procédure de recours ou à l'expiration du délai de vingt jours calendaires, visé à l'article 117.
  § 2. Le membre du personnel qui est désigné temporairement pour une durée déterminée est licencié s'il a reçu une évaluation définitive portant la conclusion finale 'insuffisant'.
  § 3. Le licenciement est prononcé par le Gouvernement flamand.
Afdeling IV. - De evaluatieperiode
Section IV. - La période d'évaluation
Art. 120. § 1. Elk personeelslid dat tijdelijk is aangesteld of vast benoemd is in het ambt van inspecteur moet eenmaal per jaar geëvalueerd worden in de eerste drie jaar van zijn loopbaan bij de inspectie.
  [1 ...]1.
  § 2. Vanaf het vierde jaar moet het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld of vast benoemd is in het ambt van inspecteur minstens om de drie jaar geëvalueerd worden, tenzij het personeelslid vraagt om sneller geëvalueerd te worden.
  Als een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van inspecteur een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende krijgt, moet het na één jaar opnieuw geëvalueerd worden.
  § 3. Het personeelslid dat een mandaat bekleedt of tijdelijk is aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal moet jaarlijks worden geëvalueerd.
  § 4. De eindevaluatie van het mandaat vervangt in het desbetreffend jaar de evaluatie zoals bedoeld in § 3.
  § 5. Indien er geen evaluatie heeft plaatsgevonden, wordt de evaluatie geacht gunstig te zijn.
  
Art. 120. § 1er. Tout membre du personnel qui est désigné temporairement ou nommé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur doit être évalué une fois par an dans les trois premières années de sa carrière auprès de l'inspection.
  [1 ...]1.
  § 2. A partir de la quatrième année, le membre du personnel désigné temporairement ou nommé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur doit être évalué tous les trois ans, à moins que le membre du personnel ne demande d'être évalué plus tôt.
  Si un membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur reçoit une évaluation définitive portant la conclusion finale 'insuffisant', il devra être évalué à nouveau après un an.
  § 3. Le membre du personnel qui est investi d'un mandat ou désigné temporairement à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général doit être évalué annuellement.
  § 4. L'évaluation finale du mandat remplace dans l'année en question l'évaluation telle que visée au § 3.
  § 5. Si aucune évaluation n'a eu lieu, l'évaluation est censée être favorable.
  
HOOFDSTUK VIII. - Preventieve schorsing
CHAPITRE VIII. - Suspension préventive
Art. 121. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden die :
  - tijdelijk zijn aangesteld voor onbepaalde duur;
  - [1 ...]1;
  - vast benoemd zijn.
  
Art. 121. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux membres du personnel qui :
  - sont désignés temporairement à durée indéterminée;
  - [1 ...]1;
  - sont nommés à titre définitif.
  
Art. 122. Met behoud van de bepalingen inzake preventieve schorsing bij een ontslag om dringende redenen zoals vermeld in artikel 87, § 4, artikel 96 en artikel 105, is een preventieve schorsing alleen mogelijk indien het personeelslid tuchtrechtelijk of strafrechtelijk wordt vervolgd en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst. De preventieve schorsing is een bewarende maatregel, uitgesproken door de Vlaamse Regering, en mag, behoudens bij strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, niet meer dan één jaar bedragen.
  [1 Wanneer het personeelslid strafrechtelijk vervolgd wordt of wanneer het personeelslid tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij het personeelslid op heterdaad betrapt is of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn, kan de Vlaamse Regering beslissen tot een inhouding van salaris. Er mag niet meer dan een vijfde van het laatste bruto-activiteitssalaris of het laatste bruto-wachtgeld worden afgehouden. De afhouding van het salaris of van het wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat het salaris of het wachtgeld van het personeelslid verminderd wordt tot een bedrag, dat lager is dan het belastbare nettobedrag van de werkloosheidsuitkering, waarop de betrokkene recht zou hebben, als hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid van werknemers.
   Indien in aansluiting op een preventieve schorsing met afhouding van salaris beslist wordt geen tuchtstraf of de tuchtstraf blaam op te leggen, wordt het afgehouden salaris betaald.
   Indien in aansluiting op een preventieve schorsing met afhouding van salaris een tuchtstraf opgelegd wordt waar een salarisverlies aan verbonden is, dan wordt het bedrag van het tijdens de preventieve schorsing afgehouden salaris in mindering gebracht op het bedrag van het salarisverlies verbonden aan de tuchtstraf. Indien het bedrag van het afgehouden salaris groter is dan het bedrag van het salarisverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil aan de betrokkene betaald.]1

  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de preventieve schorsing. Dit besluit garandeert het recht van verdediging.
  
Art. 122. Sans préjudice de l'application des dispositions en matière de suspension préventive lors d'un licenciement pour motif grave tel que visé aux articles 87, § 4, 96 et 105, une suspension préventive n'est possible que si le membre du personnel fait l'objet d'une poursuite pénale ou disciplinaire et sa présence est inconciliable avec l'intérêt du service. La suspension préventive est une mesure conservatoire prononcée par le Gouvernement flamand et ne peut excéder, sauf lors d'une poursuite pénale pour les mêmes faits, la durée d'un an.
  [1 Lorsque le membre du personnel fait l'objet d'une poursuite pénale ou disciplinaire en raison d'une faute grave pour laquelle il y a soit flagrant délit, soit des indices probants, le Gouvernement flamand peut infliger une retenue sur traitement. Il ne peut pas être retenu plus d'un cinquième du dernier traitement brut d'activité ou du dernier traitement brut d'attente. La retenue sur traitement ou du traitement d'attente ne peut avoir pour conséquence que le traitement ou traitement d'attente du membre du personnel soit ramené à un montant inférieur au montant net imposable des allocations de chômage auxquelles l'intéressé aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
   Si, suite à une suspension préventive avec retenue sur traitement, il est décidé de ne pas infliger de peine disciplinaire ou d'infliger la peine disciplinaire du blâme, le salaire retenu est remboursé.
   Si, suite à une suspension préventive avec retenue sur traitement, une peine disciplinaire entraînant une perte de traitement est imposée, le montant du traitement retenu pendant la suspension préventive est déduit du montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire. Si le montant du traitement retenu est supérieur au montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire, la différence est payée au membre du personnel concerné.]1

  Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la suspension préventive. Cet arrêté garantit le droit de la défense.
  
Art. 123. Het personeelslid kan tegen de preventieve schorsing [1 of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris,]1 in beroep gaan bij de raad van beroep vermeld in artikel 135. Op straffe van verval dient het beroep ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de schriftelijke mededeling van de preventieve schorsing.
  Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift.
  De procedure, vermeld in artikel 138, is van toepassing.
  
Art. 123. Le membre du personnel peut introduire un recours contre la suspension préventive [1 ou, si applicable, contre la retenue de traitement,]1 auprès de la chambre de recours visée à l'article 135. Sous peine de nullité, le recours doit être introduit dans un délai de vingt jours calendaires, à compter de la notification écrite de la suspension préventive.
  Le recours est introduit par réclamation.
  La procédure prescrite à l'article 138 est d'application.
  
HOOFDSTUK IX. - Tuchtregeling
CHAPITRE IX. - Le régime disciplinaire
Art. 124. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden die :
  - tijdelijk zijn aangesteld voor onbepaalde duur;
  - [1 ...]1;
  - vast benoemd zijn.
  
Art. 124. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux membres du personnel qui :
  - sont désignés temporairement à durée indéterminée;
  - [1 ...]1;
  - sont nommés à titre définitif.
  
Afdeling I. - Tuchtstraffen
Section Ire. - Les peines disciplinaires
Art. 125. § 1. In geval van tekortkoming aan zijn plichten kan het personeelslid één van de volgende tuchtstraffen worden opgelegd :
  1° blaam;
  2° afhouding van salaris;
  3° schorsing bij tuchtmaatregel;
  4° terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel;
  5° ontslag;
  6° afzetting.
  § 2. [1 Een tuchtmaatregel is definitief op het ogenblik dat de Vlaamse Regering de tuchtstraf definitief heeft uitgesproken of op het ogenblik dat de raad van beroep na een beroepsprocedure een eenparig advies heeft uitgebracht.]1
  
Art. 125. § 1er. Au cas où il manque à ses devoirs, une des peines disciplinaires suivantes peuvent être imposées au membre du personnel :
  1° le blâme;
  2° la retenue de traitement;
  3° la suspension par mesure disciplinaire;
  4° la mise en disponibilité par mesure disciplinaire;
  5° le licenciement;
  6° la révocation.
  § 2. [1 Une peine disciplinaire est définitive dès que le Gouvernement flamand a prononcé définitivement la peine disciplinaire ou au moment où la chambre de recours a émis un avis unanime à l'issue d'une procédure de recours.]1
  
Art. 126. Een coördinerend inspecteur stelt de tuchtstraf van een inspecteur voor.
  De inspecteur-generaal stelt de tuchtstraf van een coördinerend inspecteur voor.
  De minister bevoegd voor onderwijs stelt de tuchtstraf van de inspecteur-generaal voor.
  De Vlaamse Regering spreekt de tuchtstraf definitief uit.
  [1 In beroep wordt een tuchtstraf uitgesproken door :
   1° de Vlaamse Regering, als de raad van beroep geen eenparig advies heeft uitgebracht;
   2° de raad van beroep, als de raad van beroep een eenparig advies heeft uitgebracht.]1

  
Art. 126. Un inspecteur coordinateur propose la peine disciplinaire d'un inspecteur.
  L'inspecteur général propose la peine disciplinaire d'un inspecteur coordinateur.
  Le Ministre chargé de l'enseignement propose la peine disciplinaire de l'inspecteur général.
  Le Gouvernement flamand prononce définitivement la peine disciplinaire.
  [1 Dans le cas d'un recours, la peine disciplinaire est prononcée par :
   1° le Gouvernement flamand, si la chambre de recours n'a pas émis d'avis unanime;
   2° la chambre de recours, si la chambre de recours a émis un avis unanime.]1

  
Art. 127. Afhouding van het salaris wordt toegepast gedurende ten minste een maand en ten hoogste twaalf maanden en mag niet meer dan een vijfde van het laatste brutoactiviteitssalaris of het laatste brutowachtgeld bedragen.
Art. 127. La retenue de traitement est appliquée pendant un mois au minimum et douze mois au maximum et ne peut excéder un cinquième du dernier traitement brut d'activité ou du dernier traitement brut d'attente.
Art. 128. De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd, maar blijft in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag voor de schorsing.
  De schorsing bij tuchtmaatregel heeft de halvering van het laatste brutoactiviteitssalaris of het laatste brutowachtgeld tot gevolg.
Art. 128. La suspension par mesure disciplinaire est prononcée pour un an au maximum. Le membre du personnel est écarté de ses fonctions mais reste dans la position administrative dans laquelle il se trouvait à la date de la suspension.
  La suspension par mesure transitoire a pour conséquence que l'intéressé ne bénéficie que de la moitié de son dernier traitement brut d'activité ou d'attente.
Art. 129. De terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar duren en niet langer dan twee jaar.
  Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en ontvangt een wachtgeld ten bedrage van de helft van zijn laatste brutoactiviteitssalaris of zijn laatste brutowachtgeld.
Art. 129. La durée de mise en disponibilité par mesure disciplinaire ne peut être inférieure à un an, ni dépasser deux ans.
  Le membre du personnel est écarté de ses fonctions et bénéficie d'un traitement d'attente égal à la moitié de son dernier traitement brut d'activité et de son dernier traitement brut d'attente.
Art. 130. De afhouding of de halvering van het salaris of van het wachtgeld of de toekenning van een wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat het salaris of het wachtgeld van het personeelslid verminderd wordt tot een bedrag, dat lager is dan het belastbare nettobedrag van de werkloosheidsuitkering, waarop de betrokkene recht zou hebben, als hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid van werknemers.
Art. 130. La retenue ou la réduction de moitié du traitement ou du traitement d'attente ou l'attribution d'un traitement d'attente ne peut avoir pour conséquence que le traitement ou traitement d'attente du membre du personnel soit ramené à un montant inférieur au montant net imposable des allocations de chômage auxquelles le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art. 131. In geval van ontslag of afzetting bij tuchtmaatregel wordt [1 ...]1 het vastbenoemd personeelslid definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld afhankelijk van het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Tijdens die opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en wordt het met een opdracht belast. Het personeelslid geniet het brutoactiviteitssalaris of het brutowachtgeld dat verbonden is aan het ambt waarin het vast benoemd was.
  Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
  
Art. 131. En cas de démission ou de révocation par mesure disciplinaire, [1 ...]1 le membre du personnel nommé à titre définitif est éloigné définitivement de ses fonctions après un délai de préavis dont la durée est fixée selon le nombre de jours ouvrables qui sont nécessaires pour pouvoir prétendre aux allocations dans le cadre de la réglementation du chômage et de l'assurance maladie et invalidité obligatoire.
  Pendant ce délai de préavis, le membre du personnel est censé être désigné temporairement et est chargé d'une mission. Le membre du personnel bénéficie du traitement brut d'activité ou du traitement brut d'attente qui est lié à la fonction dans laquelle il était nommé à titre définitif.
  Le membre du personnel peut renoncer, totalement ou partiellement, à ce délai de préavis.
  
Art. 132. Het personeelslid kan binnen twintig kalenderdagen, ingaande op de dag waarop hem een tuchtstraf ter visering is voorgelegd, hiertegen beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138.
  Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift.
  Het beroep heeft een opschortende werking.
Art. 132. Dans les vingt jours calendaires prenant cours à la date où une peine disciplinaire est soumise à son visa, le membre du personnel peut introduire un recours contre la peine auprès de la chambre de recours, visée à l'article 135, selon la procédure visée à l'article 138.
  Le recours est introduit par réclamation.
  Le recours est suspensif.
Art. 133. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitoefening van de tuchtmacht, alsmede de toepasselijke procedure.
  Het besluit, vermeld in het eerste lid, garandeert het recht van verdediging.
Art. 133. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour l'exercice du pouvoir disciplinaire ainsi que la procédure applicable.
  L'arrêté, visé au premier alinéa, garantit le droit de la défense.
Afdeling II. - Doorhaling van tuchtstraffen
Section II. - La radiation des peines disciplinaires
Art. 134. § 1. De doorhaling van de tuchtstraf gebeurt, het ontslag en de afzetting uitgezonderd, van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op :
  1° één jaar voor de blaam;
  2° drie jaar voor de afhouding van het salaris;
  3° vijf jaar voor de tuchtschorsing;
  4° zeven jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel.
  De periode loopt vanaf de datum van de tuchtuitspraak.
  § 2. De doorhaling heeft tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden. De doorgehaalde tuchtstraf wordt uit het personeelsdossier verwijderd.
Art. 134. § 1er. La radiation de la peine disciplinaire, à l'exception de la démission et de la révocation, est opérée d'office après une période qui est égale à :
  1° un an pour le blâme;
  2° trois ans pour la retenue de traitement;
  3° cinq ans pour la suspension disciplinaire;
  4° sept ans pour la mise en disponibilité par mesure disciplinaire.
  La période expire à partir de la date du prononcé disciplinaire.
  § 2. La radiation a pour conséquence qu'il ne peut plus être tenu compte de la peine disciplinaire radiée. La peine disciplinaire radiée est retirée du dossier du membre du personnel.
Afdeling III. - Raad van beroep
Section III. - La chambre de recours
Art. 135. Bij het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming wordt een raad van beroep ingesteld, bevoegd voor de inspecteurs, de coördinerend inspecteurs, en de inspecteur-generaal.
Art. 135. Auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, il est institué une chambre de recours compétente pour les inspecteurs, les inspecteurs coordinateurs et l'inspecteur général.
Art. 136. De raad van beroep heeft tot opdracht advies uit te brengen in beroepsprocedures tegen :
  1° een tuchtstraf;
  2° een evaluatie met eindconclusie onvoldoende, met uitzondering van deze van de inspecteur-generaal;
  3° [2 ...]2;
  4° een ontslag om dringende redenen;
  5° een preventieve schorsing [1 of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris]1.
  De raad van beroep heeft een adviserende bevoegdheid. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing.
  
Art. 136. La chambre de recours a pour mission de formuler des avis sur les procédures de recours contre :
  1° une peine disciplinaire;
  2° une évaluation avec conclusion finale " insuffisant ", à l'exception de celle de l'inspecteur général;
  3° [2 ...]2;
  4° un licenciement pour motif grave;
  5° une suspension préventive [1 ou, si applicable, contre la retenue de traitement]1.
  La chambre de recours a une compétence consultative. Lorsque l'avis de la chambre de recours est émis à l'unanimité, celui-ci est contraignant et la chambre de recours prend la décision finale.
  
Art. 137. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de samenstelling en de uitoefening van het mandaat van de leden van de raad van beroep, met dien verstande dat :
  1° de raad van beroep wordt voorgezeten door een onafhankelijk persoon;
  2° er een pariteit is tussen de vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties en de vertegenwoordigers van de inspectie.
  De Vlaamse Regering wijst de voorzitter en zijn plaatsvervanger aan. Hij wijst eveneens de leden en hun plaatsvervangers aan.
Art. 137. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la composition et de l'exercice du mandat des membres de la chambre de recours, à condition que :
  1° la chambre de recours soit présidée par une personne indépendante;
  2° il existe une parité entre les représentants des associations syndicales représentatives et les représentants de l'inspection.
  Le Gouvernement flamand désigne le président et son suppléant. Il désigne également les membres et leurs suppléants.
Art. 138. De Vlaamse Regering bepaalt de regels betreffende de procedure voor het instellen en behandelen van het beroep. Zij bepaalt eveneens de nadere regels voor de vergoedingen, de werking van de raad van beroep, de procedure en de redenen tot wraking, met dien verstande dat de rechten van verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd.
Art. 138. Le Gouvernement flamand détermine les règles de la procédure d'introduction et de traitement du recours. Il détermine également les modalités d'indemnisation, le fonctionnement de la chambre de recours, la procédure et les motifs de récusation, à condition que les droits de la défense soient garantis lors de la procédure.
HOOFDSTUK X. - Administratieve standen
CHAPITRE X. - Les positions administratives
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Section Ire. - Dispositions générales
Art. 139. De administratieve standen waarin een personeelslid zich geheel of gedeeltelijk kan bevinden zijn :
  1° dienstactiviteit;
  2° non-activiteit;
  3° terbeschikkingstelling.
Art. 139. Les positions administratives dans lesquelles un membre du personnel peut se trouver totalement ou partiellement, sont :
  1° l'activité de service;
  2° la non-activité;
  3° la mise en disponibilité.
Art. 140. Een personeelslid wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van de Vlaamse Regering in een andere administratieve stand plaatst.
Art. 140. Pour la détermination de sa position administrative, un membre du personnel est toujours censé se trouver en activité de service, sauf disposition formelle le plaçant, soit de plein droit, soit sur décision de l'autorité compétente, dans une autre position administrative.
Afdeling II. - Dienstactiviteit
Section II. - L'activité de service
Art. 141. Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepalingen heeft het personeelslid in dienstactiviteit recht op een salaris en op een verhoging van het salaris.
Art. 141. Sauf disposition formelle contraire, le membre du personnel en activité de service a droit au traitement et à l'avancement de traitement.
Art. 142. Het personeelslid krijgt onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden verlof, gelijkgesteld met dienstactiviteit.
  In afwachting van de uitvaardiging van die verlofstelsels door de Vlaamse Regering blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire verlofstelsels van toepassing.
  [1 Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :
   1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
   2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
   3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.]1

  De Vlaamse Regering bepaalt eveneens de prestatieregeling van de personeelsleden.
  
Art. 142. Le membre du personnel obtient une période de congé assimilée à des activités de service aux conditions fixées par le Gouvernement flamand.
  En attendant l'institution de ces régimes de congé par le Gouvernement flamand, les régimes de congé légaux ou réglementaires applicables au moment de l'entrée en vigueur du présent décret, restent d'application.
  [1 Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé adoptés par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cette année de service, uniquement à des fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
   1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
   2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
   3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.]1

  Le Gouvernement flamand fixe également le régime de prestations des personnels.
  
Afdeling III. - Non-activiteit
Section III. - La non-activité
Art. 143. Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepalingen heeft het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op een salaris. Het personeelslid kan alleen onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een salarisverhoging.
Art. 143. Sauf disposition formelle contraire, le membre du personnel qui est dans la position de non-activité, n'a pas droit à un traitement. Le membre du personnel ne peut prétendre à l'avancement de traitement qu'aux conditions fixées par le Gouvernement flamand.
Art. 144. Onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden is het personeelslid in de stand non-activiteit als :
  1° het in vredestijd sommige militaire prestaties vervult of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut wordt aangewezen op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;
  2° [1 ...]1
  3° het personeelslid afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties [1 ...]1 uit te oefenen, in dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de niet-uitgeoefende prestaties;
  4° het met politiek verlof is, met inbegrip van de periode van eventuele uitgestelde indiensttreding na de beëindiging van het mandaat.
  In afwachting dat de Vlaamse Regering de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vastlegt, gelden voor de personeelsleden de bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.
  [1 De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een voorafgaande periode van afwezigheid voor verminderde prestaties, en die een nieuwe periode van afwezigheid voor verminderde prestaties onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van afwezigheid voor verminderde prestaties beschouwd.
   Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten afwezigheid voor verminderde prestaties het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet worden bezoldigd. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :
   1° worden alle kalenderdagen genoten afwezigheid voor verminderde prestaties opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
   2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
   3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.
   Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dit geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.
   Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van afwezigheid voor verminderde prestaties waarop het personeelslid nog recht heeft.
   In afwijking van de bepalingen van het vierde lid eindigt de afwezigheid voor verminderde prestaties, toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen.]1

  
Art. 144. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, le membre du personnel est en non-activité :
  1° lorsqu'il accomplit, en temps de paix, certaines prestations militaires ou est affecté à la protection civile ou à des tâches d'utilité publique en application des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980;
  2° [1 ...]1
  3° durant les absences justifiées par une autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites [1 ...]1, dans ce cas le membre du personnel est en non-activité pour les prestations non accomplies;
  4° lorsqu'il est en congé politique, y compris la période d'une éventuelle entrée en service différée après la fin du mandat.
  En attendant que le Gouvernement flamand fixe les conditions, visées au premier alinéa, les dispositions applicables aux membres du personnel de l'enseignement communautaire sont d'application aux personnels.
  [1 Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pâques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période précédente d'absence pour prestations réduites, et qui précèdent immédiatement une nouvelle période d'absence pour prestations réduites, sont également considérés comme une période d'absence pour prestations réduites.
   Sans préjudice du mode de calcul de la rémunération différée à accorder pendant les vacances d'été et si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les conditions fixées par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à une absence pour prestations réduites prise au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours civils ne sera pas rémunéré pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou de cette année de service. Pour calculer ce nombre de jours civils :
   1° tous les jours civils d'absence pour prestations réduites pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
   2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
   3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
   Lorsque, suite à ce calcul, le traitement mensuel n'est pas entièrement dû, il est divisé en trentièmes conformément au règlement qui est applicable dans ce cas aux membres du personnel nommés à titre définitif.
   Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaires ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptés pour déterminer la durée de la période d'absence pour prestations réduites à laquelle le membre du personnel a encore droit.
   Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 4, l'absence pour prestations réduites accordée pour une année scolaire ou année de service complète, se termine toujours à la fin de cette année scolaire ou année de service, y compris les vacances d'été.]1

  
Art. 145. Ongewettigde afwezigheid plaatst het personeelslid ambtshalve in de stand non-activiteit.
  Tijdens de periodes van ongewettigde afwezigheid kan het personeelslid zijn aanspraak op verhoging van het salaris en op een ander ambt niet doen gelden.
Art. 145. Le membre du personnel qui s'absente sans justification est d'office dans la position administrative de la non-activité de service.
  Pendant les périodes d'absence injustifiée, le membre du personnel ne peut faire valoir ses titres ni à l'avancement de traitement ni à une autre fonction.
Afdeling IV. - Terbeschikkingstelling
Section IV. - La mise en disponibilité
Art. 146. [1 Het personeelslid kan, onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden, ter beschikking worden gesteld wegens :
   1° ziekte;
   2° persoonlijke aangelegenheden, voorafgaand aan het rustpensioen.
   Een personeelslid dat ter beschikking gesteld is om de reden, vermeld in het eerste lid, 1°, kan gedurende twee jaar zijn aanspraak op een ander ambt en op bevordering tot een hoger salaris doen gelden.
   In afwachting dat de Vlaamse Regering de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vaststelt, gelden voor de personeelsleden de bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.]1

  
Art. 146. [1 Le membre du personnel peut, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, être mis en disponibilité pour cause de :
   1° maladie ;
   2° pour convenances personnelles précédant la pension de retraite.
   Le membre du personnel mis en disponibilité pour la raison, visée l'alinéa 1er, 1°, peut faire valoir ses droits à une autre fonction ou à l'avancement de traitement pendant deux ans.
   En attendant que le Gouvernement flamand fixe les conditions visées à l'alinéa 1er, les dispositions applicables aux membres du personnel de l'enseignement communautaire sont d'application aux personnels.]1

  
Art. 147. Niemand kan ter beschikking gesteld of gehouden worden wegens ziekte [1 vanaf de datum waarop hij aanspraak kan maken op een rustpensioen]1 en dertig dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen.
  [2 Het eerste lid is niet van toepassing op de personeelsleden die gedeeltelijk ter beschikking gesteld zijn wegens ziekte of gebrekkigheid tijdens een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte.]2
  
Art. 147. Personne ne peut être mis ou maintenu en disponibilité pour cause de maladie [1 à partir de la date à laquelle il peut prétendre à une pension de retraite]1 et compte trente années de service admissibles au calcul de la pension de retraite.
  [2 L'alinéa 1er ne s'applique pas aux membres du personnel qui sont partiellement mis à disposition pour cause de maladie ou d'invalidité pendant un congé pour prestations réduites pour cause de maladie.]2
  
Art. 148. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een personeelslid ter beschikking gesteld wordt om de redenen, [1 vermeld in artikel 146, eerste lid]1.
  Het wachtgeld, de toelagen en de vergoedingen die eventueel aan dat personeelslid wordt toegekend, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de bezoldiging van een personeelslid in dienst-activiteit.
  
Art. 148. Le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles un membre du personnel est mis en disponibilité pour les raisons, [1 visées à l'article 146, alinéa 1er]1.
  Le traitement d'attente, les allocations et indemnités qui sont éventuellement accordés au membre du personnel concerné sont soumis au régime de mobilité qui s'applique à la rémunération d'un membre du personnel en activité de service.
  
HOOFDSTUK XI. - Definitieve ambtsneerlegging
CHAPITRE XI. - Cessation définitive des fonctions
Art. 149. § 1. Voor zover dat niet anders is bepaald, wordt het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld, [1 ...]1 vastbenoemd is of een mandaat bekleedt, zonder opzegging uit zijn ambt ontslagen als :
  1° hij niet meer voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
  a) onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
  b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  c) voldoen aan de dienstplichtwetten;
  2° hij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige redenen, behoudens overmacht, zijn dienst niet hervat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;
  3° hij zonder geldige redenen zijn betrekking verlaat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;
  4° hij zich bevindt in een van de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten, de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;
  5° is vastgesteld dat hij wegens een overeenkomstig de wet, het decreet of een reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen.
  § 2. Met behoud van de toepassing van de bepalingen in § 1, wordt een vastbenoemd personeelslid uit zijn ambt ontslagen als :
  1° hij gedurende twee opeenvolgende evaluaties of drie keer tijdens de loopbaan in hetzelfde ambt bij de inspectie een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen;
  2° hij wordt ontslagen of afgezet na een tuchtmaatregel.
  Bij ontslag van een vastbenoemd personeelslid op grond van § 2, 1° en 2°, wordt een opzeggingstermijn bepaald waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Tijdens die opzeggingstermijn :
  1° wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld in zijn ambt;
  2° geniet het personeelslid het brutoactiviteitssalaris dat verbonden is aan het ambt waarin het vastbenoemd was.
  Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
  
Art. 149. § 1er. Sauf disposition contraire, le membre du personnel qui est désigné temporairement, [1 ...]1 nommé à titre définitif, ou investi d'un mandat est démis de ses fonctions sans préavis si :
  1° il ne répond plus à une des conditions suivantes :
  a) être ressortissant d'un état membre de l'Union européenne ou de l'Association européenne de Libre-Echange, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand;
  b) jouir des droits civils et politiques;
  c) satisfaire aux lois sur la milice;
  2° après une absence autorisée, il ne reprend pas le travail et, sauf cas de force majeure, reste absent, sans motif valable pendant une période ininterrompue de plus de dix jours calendaires;
  3° il abandonne son poste sans motif valable et reste absent pendant une période ininterrompue de plus de dix jours calendaires;
  4° il se trouve dans une des situations dans lesquelles l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation des fonctions;
  5° il est constaté qu'il n'est plus capable de remplir convenablement ses fonctions à cause d'une incapacité de travail permanente reconnue par la loi, le décret ou un règlement.
  § 2. Sans préjudice de l'application des dispositions au § 1er, un membre du personnel nommé à titre définitif est démis de ses fonctions si :
  1° il a obtenu pendant deux évaluations successives ou trois fois pendant sa carrière dans la même fonction auprès de l'inspection une évaluation définitive portant la conclusion " insuffisant ";
  2° il est licencié ou révoqué suite à une mesure disciplinaire.
  Lors du licenciement d'un membre du personnel nommé à titre définitif § 2, 1° et 2°, un délai de préavis est prévu dont la durée est fixée en fonction du nombre de jours de travail qui sont nécessaires pour pouvoir prétendre aux allocations de chômage et de l'assurance maladie et invalidité obligatoire.
  Pendant ce délai de préavis :
  1° le membre du personnel est censé être désigné temporairement dans sa fonction;
  2° le membre du personnel bénéficie du traitement d'activité brut de la fonction dans laquelle il était nommé à titre définitif.
  Le membre du personnel peut renoncer complètement ou partiellement à ce délai de préavis.
  
Art. 150. Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een tijdelijk aangesteld [2 ...]2 en een vastbenoemd personeelslid eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging of tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling :
  1° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn bedraagt vijftien kalenderdagen, tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen. Het personeelslid deelt het vrijwillig ontslag mee per aangetekende brief;
  2° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.
  [1 In afwijking van artikel 150, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt de aanstelling niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen de aanstelling te verlengen. Dergelijke verlenging van de aanstelling geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.]1
  
Art. 150. Sauf disposition contraire, les situations suivantes entraînent également la cessation définitive des fonctions ou la cessation de la désignation temporaire du membre du personnel désigné à titre temporaire [2 ...]2 ou nommé à titre définitif :
  1° la démission volontaire. Le délai de préavis est de quinze jours calendaires, à moins qu'un autre délai soit convenu de commun accord. Le membre du personnel communique la démission volontaire par courrier recommandé;
  2° la retraite pour atteinte de la limite d'âge.
  [1 Par dérogation aux dispositions de l'article 150, alinéa premier, 2°, et sans préjudice des dispositions visées à l'article 62, §§ 2 et 3, la désignation ne prend pas fin après l'atteinte de la limite d'âge, si le membre du personnel concerné et l'inspecteur général conviennent de prolonger la désignation. Une telle prolongation de la désignation vaut chaque fois pour la durée d'un an au maximum.]1
  
Art. 151. Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een personeelslid dat een mandaat bekleedt, eveneens aanleiding tot beëindiging van het mandaat :
  1° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn zoals vermeld in artikel 87, § 1, moet worden nageleefd;
  2° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.
  [1 In afwijking van artikel 151, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt het mandaat niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen het mandaat te verlengen. Dergelijke verlenging van het mandaat geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.]1
  
Art. 151. Sauf disposition contraire, les situations suivantes entraînent également la cessation du mandat du membre du personnel investi d'un mandat :
  1° la démission volontaire. Le délai de préavis tel que visé à l'article 87, § 1er, doit être respecté;
  2° la retraite pour atteinte de la limite d'âge.
  [1 Par dérogation aux dispositions de l'article 151, alinéa premier, 2°, et sans préjudice des dispositions visées à l'article 62, §§ 2 et 3, le mandat ne prend pas fin après l'atteinte de la limite d'âge, si le membre du personnel concerné et l'inspecteur général conviennent de prolonger le mandat. Une telle prolongation de la désignation vaut chaque fois pour la durée d'un an au maximum.]1
  
Art. 152. De Vlaamse Regering bezorgt de gemotiveerde beslissing tot ontslag met toepassing van artikel 149 aan het personeelslid per aangetekende brief.
Art. 152. Le Gouvernement flamand notifie par courrier recommandé la décision motivée de licenciement au membre du personnel en application de l'article 149.
HOOFDSTUK XII. - Bezoldigingsregeling
CHAPITRE XII. - Statut pécuniaire
Art. 153. Met behoud van de toepassing van hoofdstuk IX van het decreet van 13 juli 2001 betreffende onderwijs XIII-mozaïek blijven het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen van toepassing op de leden van de inspectie.
Art. 153. Sans préjudice de l'application du chapitre IX du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII-Mosaïque, l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique et les dispositions prises en exécution dudit décret restent d'application aux membres de l'inspection.
DEEL IV. - WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
PARTIE IV. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES, TRANSITOIRES ET FINALES
TITEL I. - Wijzigingsbepalingen met betrekking tot de pedagogische begeleidingsdiensten
TITRE Ier. - Dispositions modficatives relatives aux services d'encadrement pédagogique
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs
CHAPITRE Ier. - Modifications au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire
Art. 154. Aan artikel 42 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, het laatst gewijzigd door het decreet van 21 december 1994, wordt een laatste lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Bij een toelating tot de proeftijd in een vacant verklaarde betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst moet daarenboven ook rekening gehouden worden met de maximumgrens van 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdienst, zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Toelating tot de proeftijd is slechts mogelijk tot voormelde maximumgrens van 85 % wordt bereikt. "
Art. 154. L'article 42 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 1994, est complété par un dernier alinéa ainsi rédigé :
  Lors d'une admission au stage dans une vacance d'emploi dans le service d'encadrement pédagogique, il faut en outre tenir compte du plafond de 85 % du cadre organique fixé du service d'encadrement pédagogique, tel que fixé à l'article 16, § 5, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. L'admission au stage n'est possible que jusqu'à l'atteinte du plafond précité de 85 %. ".
Art. 155. Aan artikel 43 van hetzelfde decreet, wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
  " Een betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst komt niet in aanmerking voor een vacantverklaring of een benoeming in vast verband als door deze vaste benoeming de maximumgrens van 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdienst, zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, wordt overschreden. "
Art. 155. L'article 43 du même décret est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Un emploi dans le service d'encadrement pédagogique n'entre pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance d'emploi ou une nomination à titre définitif si, par cette nomination définitive, le plafond de 85 % du cadre organique fixé du service d'encadrement pédagogique, tel que fixé à l'article 16, § 5, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement est dépassé. ".
Art. 156. In hetzelfde decreet wordt een artikel 46bis ingevoegd dat luidt als volgt :
  " Artikel 46bis. § 1. Om toegelaten te worden tot de proeftijd in een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst, moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden van artikel 46, en bovendien ten minste acht jaar dienstanciënniteit hebben, berekend overeenkomstig artikel 4.
  Naast de personeelsleden op wie dit decreet van toepassing is, kunnen ook :
  - de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen;
  - de leden van het academisch personeel van de universiteiten;
  - de contractuele personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst;
  tot een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst worden toegelaten.
  De diensten die voormelde personeelsleden verworven hebben in een hogeschool of een universiteit of als contractueel personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst worden mee in aanmerking genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in het eerste lid.
  Het personeelslid moet aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoen, uiterlijk op het ogenblik dat hij zijn ambt opneemt.
  § 2. In afwijking van § 1 kan een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst ook door toelating tot de proeftijd worden toegewezen aan een kandidaat die :
  1° blijk geeft van een zeer grondig onderwijskundig inzicht;
  2° ten minste acht jaar relevante ervaring heeft in of met het onderwijs of de centra of met nascholing.
  § 3. Het personeelslid dat op het ogenblik van de toelating tot de proeftijd aan de voorwaarden van § 1 of § 2 voldoet en op dat ogenblik de leeftijd van 55 jaar of meer heeft bereikt, heeft voorrang ten aanzien van personeelsleden die deze leeftijd nog niet hebben bereikt.
Art. 156. Dans le même décret, il est inséré un article 46bis, rédigé comme suit :
  " Article 46bis. § 1er. Pour être admis au stage dans une fonction du service d'encadrement pédagogique, le candidat doit satisfaire aux conditions de l'article 46, et en outre avoir au moins huit ans d'ancienneté de service, calculée conformément à l'article 4.
  Outre les membres du personnel auxquels est applicable le présent décret,
  - les membres du personnel enseignant des instituts supérieurs;
  - les membres du personnel académique des universités;
  - les membres du personnel contractuels du service d'encadrement pédagogique;
  peuvent également être admis à une fonction du service d'encadrement pédagogique.
  Les services acquis par les membres du personnel précités dans un institut supérieur ou une université ou comme membre du personnel contractuel du service d'encadrement pédagogique sont admissibles au calcul de l'ancienneté de service visée au premier alinéa.
  Le membre du personnel doit remplir les conditions du présent paragraphe, au plus tard au moment où il assume ses fonctions.
  § 2. Par dérogation au § 1er, une fonction du service d'encadrement pédagogique peut également être attribuée par admission au stage à un candidat qui :
  1° fait preuve d'un solide sens pédagogique;
  2° possède au moins huit ans d'expérience pertinente dans ou avec l'enseignement ou les centres ou la formation continuée.
  § 3. Le membre du personnel qui, au moment de l'admission au stage, remplit les conditions des §§ 1 ou 2 et qui, à ce moment, a atteint l'âge de 55 ans ou plus, a la priorité sur les membres du personnel n'ayant pas encore atteint l'âge en question.
Art. 157. Aan artikel 48ter van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 7 mei 2004, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 2. Voor een uitbreiding van een vaste benoeming in een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst moet een personeelslid voloen aan § 1 en daarenboven ook voldoen aan de bepalingen van artikel 46bis en moet de afgevaardigd bestuurder ook steeds rekening houden met de maximumgrens van 85 % van de vastgestelde personeelsformatie zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Het personeelslid dat aan voormelde voorwaarden voldoet en daarenboven de leeftijd van 55 jaar of meer heeft bereikt, heeft voorrang bij een uitbreiding van zijn vaste benoeming ten aanzien van personeelsleden die deze leeftijd nog niet hebben bereikt. "
Art. 157. A l'article 48ter du même décret, modifié par le décre du 7 mai 2004, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Pour une extension de nomination à titre définitif dans une fonction du service d'encadrement pédagogique, un membre du personnel doit remplir le § 1er et satifaire également aux dispositions de l'article 46bis et l'administrateur délégué doit toujours tenir compte du plafond de 85 % du cadre organique fixé tel que visé à l'article 16, § 5, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. Le membre du personnel qui remplit les conditions précitées et a, en outre, atteint l'âge de 55 ans ou plus, a la priorité lors d'une extension de sa nomination définitive sur les membres du personnel n'ayant pas encore atteint cet âge. ".
Art. 158. In artikel 50 van hetzelfde decreet gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998 en 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan § 1, 3°, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
  " Deze bepaling is niet van toepassing op de pedagogische begeleidingsdienst. ";
  2° aan § 1 wordt een 4° toegevoegd, die luidt als volgt :
  " 4° in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst. ";
  3° het laatste lid van § 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " Tijdens die periode blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is. ";
  4° aan de eerste zin van § 2 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
  " De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst moeten tevens aan de voorwaarden van artikel 46bis voldoen. "
Art. 158. A l'article 50 du même décret, modifié par les décrets des 14 juillet 1998 et 13 juillet 2007, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, il est ajouté une phrase rédigée comme suit :
  " Cette disposition n'est pas applicable au service d'encadrement pégagogique. ";
  2° au § 1er, il est ajouté un 4°, rédigé comme suit :
  " 4° dans un emploi vacant dans le service d'encadrement pédagogique. ";
  3° le dernier alinéa du § 1 est remplacé par la disposition suivante :
  " Pendant cette période, le membre du personnel reste, le cas échéant, titulaire de la fonction dans laquelle il est nommé à titre définitif. ";
  4° à la première phrase du § 2 il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
  " Les membres du personnel du service d'encadrement pédagogique doivent également remplir les conditions de l'article 46bis. ".
Art. 159. Aan artikel 61, § 1, 5°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt de volgende zin toegevoegd :
  " De terugzetting in rang is niet van toepassing op de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst; ".
Art. 159. L'article 61, § 1er, 5°, du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, est complété par la phrase suivante :
  " La rétrogradation n'est pas d'application aux membres du personnel du service d'encadrement pédagogique; ".
Art. 160. Artikel 73bis, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Dit hoofdstuk geldt voor de personeelsleden en de instellingen bedoeld in dit decreet. "
Art. 160. L'article 73bis, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel et aux institutions visés au présent décret. ".
Art. 161. In artikel 73ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " Voor de personeelsleden vermeld in artikel 73bis worden, in het kader van hun begeleiding, geïndividualiseerde functiebeschrijvingen opgesteld. ";
  2° in § 3 worden tussen de woorden " raad van bestuur " en de woorden " of de scholengemeenschap " de woorden " - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - " ingevoegd;
  3° aan § 4 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst die aangesteld zijn in het ambt van pedagogisch adviseur hebben eveneens twee evaluatoren. Hierbij gelden volgende bepalingen :
  - de adviseur-coördinator is de eerste evaluator. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak;
  - de afgevaardigd bestuurder is de tweede evaluator. Zijn rol wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 73novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 73decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk VIIIbis en VIIIter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator. ";
  4° § 5 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 5. In afwijking van § 4 worden de beheerder van een autonoom internaat en de directeur geëva-lueerd door de raad van bestuur. De directeur van het vormingscentrum en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst worden geëvalueerd door de afgevaardigd bestuurder. Deze personeelsleden hebben geen tweede evaluator.
  Voor de toepassing van hoofdstuk VIIIbis en van hoofdstuk VIIIter wordt deze evaluator steeds beschouwd als eerste evaluator.
  De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak. ";
  5° in § 7 worden telkens de woorden " - de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum - " geschrapt.
Art. 161. A l'article 73ter du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
  " Pour les membres du personnel visés à l'article 73bis sont établis, dans le cadre de leur encadrement, des descriptions de fonction individualisées. ";
  2° au § 3, sont insérés entre les mots " conseil d'administration " et les mots " ou le centre d'enseignement " les mots " pour le service d'encadrement pédagogique ou le centre de formation l'administrateur délégué - ";
  3° le § 4 est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " Les membres du personnel du service d'encadrement pédagogique qui sont désignés dans la fonction de conseiller pédagogique ont également deux évaluateurs. Les dispositions suivantes s'appliquent à cet égard :
  - le conseiller-coordinateur est le premier évaluateur. Il a pour tâche principale de coacher le membre du personnel dans son fonctionnement. Tenir des entretiens de fonctionnement fait partie de cette tâche;
  - l'administrateur délégué est le second évaluateur. Son rôle est déterminé dans les accords généraux visés au § 3 et à l'article 73novies, mais ces accords ne peuvent en rien porter préjudice au rôle et aux tâches du premier évaluateur tels que fixés dans le présent article et à l'article 73decies. Ces accords doivent au moins prévoir que le membre du personnel et le premier évaluateur peuvent, à leur demande, toujours faire appel au second évaluateur pendant la procédure visée aux chapitres VIIIbis et VIIIter. ";
  4° le § 5 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 5. Par dérogation au § 4, l'administrateur d'un internat autonome et le directeur sont évalués par le conseil d'administration. Le directeur du centre de formation et le conseiller-coordinateur du service d'encadrement pédagogique sont évalués par l'administrateur délégué. Ces membres du personnel n'ont pas de second évaluateur.
  Pour l'application des chapitres VIIIbis et VIIIter, cet évaluateur est toujours considéré comme premier évaluateur.
  Le premier évaluateur a pour tâche principale de coacher le membre du personnel dans son fonctionnement. Tenir des entretiens de fonctionnement fait partie de cette tâche. ";
  5° au § 7, les mots " - le conseil d'administration pour l'administrateur d'un internat autonome et le directeur ou l'administrateur délégué pour le directeur du centre de formation - " sont chaque fois supprimés.
Art. 162. In artikel 73sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden de woorden " - de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum - " geschrapt;
  2° aan § 1 wordt de volgende zin toegevoegd :
  " In het geval de directeur van het vormingscentrum of de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst het niet eens raken met hun eerste evaluator, beslist deze. ";
  3° in § 2 worden de woorden " - de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum - " geschrapt;
  4° in § 3 worden de woorden " - de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum - " geschrapt.
Art. 162. A l'article 73sexies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les mots " - le conseil d'administration pour l'administrateur d'un internat autonome et le directeur ou l'administrateur délégué pour le directeur du centre de formation - " sont supprimés;
  2° le § 1er est complété par la phrase suivante :
  " Au cas où le directeur du centre de formation ou le conseiller-coordinateur du service d'encadrement pédagogique ne se mettent pas d'accord avec le premier évaluateur, ce dernier décide. ";
  3° au § 2, les mots " - le conseil d'administration pour l'administrateur d'un internat autonome et le directeur ou l'administrateur délégué pour le directeur du centre de formation - " sont supprimés;
  4° au § 3, les mots " - le conseil d'administration pour l'administrateur d'un internat autonome et le directeur ou l'administrateur délégué pour le directeur du centre de formation - " sont supprimés;
Art. 163. Artikel 73septies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Dit hoofdstuk geldt voor de personeelsleden en de instellingen bedoeld in dit decreet. "
Art. 163. L'article 73septies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel et aux institutions visés au présent décret. ".
Art. 164. In artikel 73novies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden tussen de woorden " raad van bestuur " en de woorden " of de scholengemeenschap " de woorden " - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - " ingevoegd.
Art. 164. A l'article 73novies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, sont insérés entre les mots " conseil d'administration " et les mots " ou le centre d'enseignement " les mots " - pour le service d'encadrement pédagogique ou le centre de formation l'administrateur délégué - ".
Art. 165. In artikel 73decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden in § 1 en § 2 telkens de woorden " - de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum - " en de woorden " of de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum " geschrapt.
Art. 165. A l'article 73decies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, les mots " - le conseil d'administration pour l'administrateur d'un internat autonome et le directeur ou l'administrateur délégué pour le directeur du centre de formation - " et les mots " ou au conseil d'administration pour l'administrateur d'un internat autonome et au directeur ou à l'administrateur délégué pour le directeur du centre de formation " sont chaque fois supprimés aux §§ 1er et 2.
Art. 166. In artikel 73sexies decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden tussen de woorden " raad van bestuur " en de woorden " als het " de woorden " of door de afgevaardigd bestuurder voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst " ingevoegd;
  2° in § 2 worden tussen de woorden " raad van bestuur " en de woorden " kan een personeelslid " de woorden " of de afgevaardigd bestuurder voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst " ingevoegd;
  3° in § 3 worden tussen de woorden " raad van bestuur " en de woorden " als het " de woorden " of door de afgevaardigd bestuurder voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst " ingevoegd.
Art. 166. A l'article 73sexies decies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les mots " ou par l'administrateur délégué pour le centre de formation et le service d'encadrement pédagogique - " sont insérés entre les mots " par le conseil d'administration " et les mots " par application de l'article 86 ";
  2° au § 2, les mots " ou l'administrateur délégué pour le centre de formation et le service d'encadrement pédagogique " sont insérés entre les mots " Le conseil d'administration " et les mots " peut écarter de sa fonction ";
  3° au § 3, les mots " ou par l'administrateur délégué pour le centre de formation et le service d'encadrement pédagogique - " sont insérés entre les mots " par le conseil d'administration " et les mots " en application de l'article 86 ";
Art. 167. In artikel 77quater, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004, 22 juni 2007 en 8 mei 2009, wordt punt 7° geschrapt.
Art. 167. Dans l'article 77quater, § 2, du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003 et modifié par les décrets des 7 mai 2004, 22 juin 2007 et 8 mai 2009, le point 7° est supprimé.
Art. 168. In hetzelfde decreet wordt een artikel 103septies ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikel 103septies. Met behoud van de toepassing van hoofdstuk IX van van het decreet van 13 juli 2001 betreffende onderwijs XIII-mozaïek blijven het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen van toepassing op de leden van de pedagogische begeleidingsdienst. "
Art. 168. Dans le même décret, il est inséré un article 103septies ainsi rédigé :
  " Article 103septies. Sans préjudice de l'application du chapitre IX du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII-Mosaïque, l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique et les dispositions d'exécution restent d'application aux membres de l'inspection.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE II. - Modifications au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves
Art. 169. Het opschrift van titel II van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding wordt vervangen door wat volgt : " II. De rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van de instellingen, de centra en de pedagogische begeleidingsdiensten van het gesubsidieerd onderwijs. "
Art. 169. L'intitulé du Titre II du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés est remplacé par ce qui suit : " Titre II. Le statut des membres du personnel subventionnés des institutions, centres et services d'encadrement pédagogique subventionnés de l'enseignement subventionné ".
Art. 170. In artikel 4, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd door de decreten van 14 juli 1998, 1 december 1998, 14 februari 2003 en 10 juli 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt a) wordt voor het laatste lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Deze titel is eveneens van toepassing op de gesubsidieerde personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. ";
  2° aan punt b) wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
  " Voor de toepassing van dit decreet worden de verenigingen zonder winstoogmerk, vermeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, beschouwd als inrichtende machten. "
Art. 170. A l'article 4, § 1er, du même décret, modifié par les décrets des 14 juillet 1998, 1er décembre 1998, 14 février 2003 et 10 juillet 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point a), avant le dernier alinéa, il est inséré un nouvel alinéa ainsi rédigé :
  " Le présent titre est également d'application aux membres du personnel subventionnés des services d'encadrement pédagogique, tels que visés à l'article 14 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ";
  2° le point b) est complété par une phrase ainsi rédigée :
  " Pour l'application du présent décret, les associations sans but lucratif, visées à l'article 14 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, sont considérées comme des pouvoirs organisateurs. ".
Art. 171. In artikel 5 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 december 1998, 21 december 1999, 14 februari 2003, 10 juli 2003, 15 juli 2005, 7 juli 2006, 15 juni 2007 en 4 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in 12° worden tussen de woorden " in een instelling " en de woorden " , uitgedrukt in een door de inrichtende macht " de woorden " of centrum " ingevoegd;
  2° in 13° worden tussen de woorden " in een instelling " en de woorden " en, indien het een onderwijsopdracht betreft ", de woorden " of centrum " ingevoegd;
  3° in 14° worden na de woorden " in een instelling " en de woorden " of centrum " toegevoegd.
Art. 171. A l'article 5 du même décret, modifié par les décrets des 1er décembre 1998, 21 décembre 1999, 14 février 2003, 10 juillet 2003, 15 juillet 2005, 7 juillet 2006, 15 juin 2007 et 4 juillet 2008, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au 12°, les mots " ou centre " sont insérés entre les mots " d'un établissement " et les mots " exprimée en un nombre d'unités ";
  2° au 13°, les mots " ou centre " sont insérés entre les mots " d'un établissement " et les mots " et s'il s'agit d'une charge d'enseignement ";
  3° au 14°, les mots " ou centre " sont insérés après les mots " dans un établissement ".
Art. 172. Aan artikel 38 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 1994, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Bij een benoeming in een betrekking van de pedagogische begeleidingsdienst moet de inrichtende macht daarenboven ook rekening houden met de maximumgrens van 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdienst, zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. "
Art. 172. A l'article 38 du même décret, modifié par le décret du 21 décembre 1994, il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " Lors d'une nomination dans un emploi du service d'encadrement pédagogique, le pouvoir organisateur doit en outre tenir compte du plafond de 85 % du cadre organique fixé du service d'encadrement pédagogique, tel que fixé à l'article 16, § 5, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 173. Aan artikel 39 van hetzelfde decreet wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Een betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst komt niet in aanmerking voor benoeming in vast verband als door deze vaste benoeming de maximumgrens van 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdienst, zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, wordt overschreden. "
Art. 173. L'article 39 du même décret est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Un emploi dans le service d'encadrement pédagogique n'entre pas en ligne de compte pour une nomination à titre définitif si par cette nomination définitive le plafond de 85 % du cadre organique fixé du service d'encadrement pédagogique, tel que fixé à l'article 16, § 5, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement est dépassé. ".
Art. 174. In hetzelfde decreet wordt een artikel 40bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikel 40bis. § 1. Om in een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst van het gesubsidieerd onderwijs of gesubsidieerde centra vastbenoemd te worden, moet het personeelslid voldoen aan artikel 40 en bovendien op het ogenblik van de vaste benoeming :
  1° benoemd of aangesteld zijn in het gesubsidieerd onderwijs of in een gesubsidieerd centrum of lid van de inspectie zijn, of lid zijn van het onderwijzend personeel van de hogescholen of van het academisch personeel van de universiteiten, of behoren tot het contractueel personeel van een van de pedagogische begeleidingsdiensten van het gesubsidieerd onderwijs of de gesubsidieerde centra;
  2° acht jaar dienstanciënniteit hebben, berekend overeenkomstig artikel 6. De diensten die een personeelslid verworven heeft in een hogeschool of een universiteit of als contractueel personeelslid van een van de pedagogische begeleidingsdiensten van het gesubsidieerd onderwijs of de gesubsidieerde centra, komen eveneens in aanmerking voor deze dienstanciënniteit.
  Het personeelslid moet aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoen uiterlijk op het ogenblik van de vaste benoeming.
  § 2. In afwijking van § 1 kunnen de ambten van de pedagogische begeleidingsdiensten via een vaste benoeming ook worden toegewezen aan een kandidaat die :
  1° blijk geeft van een zeer grondig onderwijskundig inzicht;
  2° ten minste acht jaar relevante ervaring heeft in of met het onderwijs of de CLB's of met nascholing.
  § 3. Het personeelslid dat op het ogenblik van de vaste benoeming aan de voorwaarden van § 1 of § 2 voldoet en op dat ogenblik de leeftijd van 55 jaar of meer heeft bereikt, heeft voorrang ten aanzien van personeelsleden die deze leeftijd nog niet hebben bereikt.
  § 4. Elke inrichtende macht van een pedagogische begeleidingsdienst legt een procedure van werving ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. "
Art. 174. Dans le même décret, il est inséré un article 40bis, rédigé comme suit :
  " Article 40bis. § 1er. Pour une nomination à titre définitif dans une fonction du service d'encadrement pédagogique de l'enseignement subventionné ou des centres subventionnés, le membre du personnel doit remplir l'article 40 et doit en outre au moment de la nomination définitive :
  1° être nommé ou désigné dans l'enseignement subventionné ou dans un centre subventionné ou être membre de l'inspection, ou membre du personnel enseignant des instituts supérieurs ou du personnel académique des universités, ou appartenir au personnel contractuel d'un des services d'encadrement pédagogique de l'enseignement subventionné ou des centres subventionnés;
  2° posséder une ancienneté de service de huit ans, calculée conformément à l'article 6. Les services acquis par un membre du personnel dans un institut supérieur ou une université ou comme membre du personnel contractuel d'un des services d'encadrement pédagogique de l'enseignement subventionné ou des centres subventionnés, sont admissibles au calcul de cette ancienneté de service.
  Le membre du personnel doit remplir les conditions du présent paragraphe, au plus tard au moment de la nomination à titre définitif.
  § 2. Par dérogation au § 1er, les fonctions des services d'encadrement pédagogique peuvent être attribuées via la nomination définitive à un candidat qui :
  1° fait preuve d'un solide sens pédagogique;
  2° possède au moins huit ans d'expérience pertinente dans ou avec l'enseignement ou les CLB ou la formation continuée.
  § 3. Le membre du personnel qui, au moment de la nomination définitive, remplit les conditions des §§ 1er ou 2 et qui, à ce moment, a atteint l'âge de 55 ans ou plus, a la priorité sur les membres du personnel n'ayant pas encore atteint cet âge.
  § 4. Tout pouvoir organisateur d'un service d'encadrement pédagogique soumet une procédure de recrutement à l'approbation du Gouvernement flamand. ".
Art. 175. Aan artikel 42 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Een selectie- of bevorderingsambt kan tijdelijk worden toegewezen :
  a) indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
  b) in een betrekking waarin op grond van artikel 39 geen benoeming mogelijk is;
  c) in afwachting van een vaste benoeming in het selectie- of bevorderingsambt in een instelling.
  Wanneer het personeelslid tijdelijk in een selectie- of bevorderingsambt wordt aangesteld in een instelling in afwachting van een vaste benoeming, neemt de inrichtende macht uiterlijk op het einde van het tweede volledige schooljaar, een beslissing houdende hetzij vaste benoeming van het personeelslid in het selectie- of bevorderingsambt, indien het op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet, hetzij de terugkeer van het personeelslid naar zijn vorig ambt. Indien de inrichtende macht geen beslissing neemt vóór het einde van die periode wordt het personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet, geacht van ambtswege vast benoemd te zijn in het selectie- of bevorderingsambt, tenzij het voordien schriftelijk te kennen geeft deze benoeming niet te wensen.
  De termijn van twee volledige schooljaren kan worden verlengd wanneer het gaat om :
  1° de bevorderingsambten in éénklassige kleuter-, lagere en bassisscholen, voor zover personeelsleden van de inrichtende macht die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, hiervoor niet hebben gekandideerd;
  2° de bevorderingsambten van beheerder-internaat, voor zover de titularis van dit ambt niet aan de voorwaarden voor benoeming voldoet.
  In afwachting van de vaste benoeming blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is;
  d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst. ";
  2° in § 2 wordt aan het eerste lid een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
  " Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een ambt van de pedagogische begeleidingsdiensten moet bovendien voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 40bis. ";
  3° § 5 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 5. Onverminderd de bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling, kan in het gesubsidieerd vrij onderwijs, krachtens een algemeen verbindend verklaarde beslissing van het bevoegde paritair comité en voor de inrichtende machten die in deze beslissing worden vermeld, een personeelslid in afwijking op de verplichting tot benoeming in een selectie- en bevorderingsambt in een instelling na het verstrijken van het tweede schooljaar zoals bedoeld in artikel 42, § 1, c, voor onbeperkte duur tijdelijk worden aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt in een instelling. "
Art. 175. A l'article 42 du même décret, modifié par les décrets des 21 décembre 1994 et 13 juillet 2001, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le § 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Une fonction de sélection ou de promotion peut être désignée temporairement :
  a) si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
  b) dans un emploi dans lequel aucune nomination n'est possible sur la base de l'article 39;
  c) dans l'attente d'une nomination définitive dans la fonction de sélection ou de promotion dans un établissement.
  Lorsque le membre du personnel est temporairement désigné dans une fonction de sélection ou de promotion dans un établissement en attendant une nomination définitive, le pouvoir organisateur prend, au plus tard à la fin de la deuxième année scolaire complète, une décision portant soit la nomination à titre définitif du membre du personnel dans la fonction de sélection et de promotion, s'il remplit à ce moment toutes les conditions de l'article 40, soit le retour du membre du personnel à sa fonction précédente. Si le pouvoir organisateur ne prend pas de décision avant la fin de cette période, le membre du personnel qui remplit toutes les conditions de l'article 40, est censé être nommé d'office à titre définitif dans la fonction de sélection ou de promotion, à moins qu'il ne communique au préalable par écrit qu'il ne souhaite pas être nommé.
  Le délai de deux années scolaires entières peut être prolongé s'il s'agit de :
  1° fonctions de promotion dans des écoles d'enseignement maternel, primaire ou fondamental d'une seule classe, pour autant que des membres du personnel du pouvoir organisateur qui satisfont aux conditions de nomination ne se sont pas portés candidats;
  2° fonctions de promotion d'administrateur d'internat pour autant que le titulaire de cette fonction ne remplit pas les conditions de nomination.
  " Dans l'attente de la nomination définitive, le membre du personnel reste, le cas échéant, titulaire de la fonction dans laquelle il est nommé à titre définitif;
  d) dans un emploi vacant dans le service d'encadrement pédagogique. ";
  2° au § 2, alinéa 1er, il est ajouté une phrase rédigée comme suit :
  " Le membre du personnel qui est temporairement désigné dans une fonction des services d'encadrement pédagogique doit également remplir les conditions visées à l'article 40bis. ";
  3° le § 5 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 5. Sans préjudice des dispositions en matière de réaffectation et de remise au travail, un membre du personnel dans l'enseignement libre subventionné peut, en vertu d'une décision rendue obligatoire du comité paritaire compétent et pour les pouvoirs organisateurs qui sont mentionnés dans cette décision, par dérogation à l'obligation de nomination dans une fonction de sélection ou de promotion dans un établissement au terme de la deuxième année scolaire telle que visée à l'article 42, § 1er, c, être désigné temporairement pour une durée illimitée dans une fonction de sélection ou de promotion dans un établissement. ".
Art. 176. In artikel 47bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. Dit hoofdstuk geldt voor de personeelsleden en de instellingen en centra bedoeld in dit decreet. "
Art. 176. Dans l'article 47bis du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel et aux établissements et centres visés au présent décret. ".
Art. 177. In artikel 47ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " Voor de personeelsleden vermeld in artikel 47bis worden, in het kader van hun begeleiding, geïndividualiseerde functiebeschrijvingen opgesteld. ";
  2° in § 4 wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
  " 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen :
  - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de inrichtende macht waarbij het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap. In dat geval kan de eerste evaluator wel een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de scholengemeenschap;
  - voor een personeelslid dat aangesteld is in een wervingsambt, moet de eerste evaluator aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt. Voor een personeelslid dat aangesteld is in een selectieambt, moet de eerste evaluator aangesteld zijn in een bevorderingsambt. Voor een personeelslid dat aangesteld is in een bevorderingsambt, is de eerste evaluator de directeur;
  - voor een personeelslid dat aangesteld is in het ambt van pedagogisch adviseur is de eerste evaluator de adviseur-coördinator of een lid van de inrichtende macht;
  - de eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak; ";
  3° in § 4 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
  " 3° voor de tweede evaluator gelden volgende bepalingen :
  - is de eerste evaluator een personeelslid dat aangesteld is in een selectieambt, c.q. een bevorderingsambt, dan is de tweede evaluator dat minstens ook, of is hij een lid van de inrichtende macht;
  - voor een personeelslid dat aangesteld is in het ambt van pedagogisch adviseur is de tweede evaluator een lid van de inrichtende macht;
  - de rol van de tweede evaluator wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 47novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 47decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk Vbis en Vter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator; ";
  4° in § 5 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " In afwijking van § 4 worden de beheerder van een internaat, de directeur en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst geëvalueerd door de inrichtende macht. De inrichtende macht heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is onderdeel van deze taak. ";
  5° in § 8 worden in het eerste en het tweede lid tussen de woorden " de directeur " en " en desgevallend de adjunct-directeur " telkens de woorden " , de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst " ingevoegd.
Art. 177. A l'article 47ter du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
  " Pour les membres du personnel visés à l'article 47bis sont établis, dans le cadre de leur encadrement, des descriptions de fonction individualisées. ";
  2° au § 4, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° au premier évaluateur les dispositions suivantes sont d'application :
  - le premier évaluateur doit être un membre du personnel du pouvoir organisateur auprès duquel le membre du personnel concerné est employé. Cette disposition n'est pourtant pas applicable aux membres du personnel employés à l'appui ou au niveau du centre d'enseignement. Dans ce cas, le premier évaluateur peut toutefois être un membre du personnel d'un autre pouvoir organisateur du centre d'enseignement;
  - pour un membre du personnel qui est désigné dans une fonction de recrutement, le premier évaluateur doit être désigné dans une fonction de sélection ou de promotion. Pour un membre du personnel qui est désigné dans une fonction de sélection, le premier évaluateur doit être désigné dans une fonction de promotion. Pour un membre du personnel désigné dans une fonction de promotion, le premier évaluateur est le directeur.
  - pour un membre du personnel qui est désigné dans une fonction de conseiller pédagogique, le premier évaluateur est le conseiller-coordinateur ou un membre du pouvoir organisateur;
  - le premier évaluateur a pour tâche principale de coacher le membre du personnel dans son fonctionnement. Tenir des entretiens de fonctionnement fait partie de cette tâche; ";
  3° au § 4, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° au second évaluateur les dispositions suivantes sont d'application :
  - si le premier évaluateur est un membre du personnel désigné dans une fonction de sélection, le cas échéant, dans une fonction de promotion, le second évaluateur l'est également au moins ou il est membre du pouvoir organisateur;
  - pour un membre du personnel qui est désigné dans une fonction de conseiller pédagogique, le second évaluateur est un membre du pouvoir organisateur;
  - le rôle du second évaluateur est déterminé dans les accords généraux visés au § 3 et à l'article 47novies, mais ces accords ne peuvent pas porter préjudice au rôle et aux tâches du premier évaluateur tels que fixés dans le présent article et à l'article 47decies. Ces accords doivent au moins prévoir que le membre du personnel et le premier évaluateur peuvent, à leur demande, toujours faire appel au second évaluateur pendant la procédure visée aux chapitres Vbis et V; ";
  4° au § 5, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Par dérogation au § 4, l'administrateur d'un internat, le directeur et le conseiller-coordinateur du service d'encadrement pédagogique sont évalués par le pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur a pour tâche principale de coacher le membre du personnel dans son fonctionnement. Tenir des entretiens de fonctionnement fait partie de cette tâche. ";
  5° au § 8 les mots " , le conseiller-coordinateur du service d'encadrement pédagogique " sont chaque fois insérés dans les premier et deuxième alinéas entre les mots " le directeur " et les mots " et le cas échéant le directeur adjoint ".
Art. 178. In artikel 47sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden in § 1, § 2 en § 3 tussen de woorden " de directeur " en " en desgevallend de adjunct-directeur " telkens de woorden " , de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst " ingevoegd.
Art. 178. A l'article 47sexies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, les mots " , le conseiller-coordinateur du service d'encadrement pédagogique " sont chaque fois insérés dans les §§ 1er, 2 et 3 entre les mots " le directeur " et les mots " et le cas échéant le directeur adjoint ".
Art. 179. In artikel 47decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden in § 1 en § 2 tussen de woorden " de directeur " en " en desgevallend de adjunct-directeur " telkens de woorden " , de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst " ingevoegd.
Art. 179. A l'article 47decies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, les mots " , le conseiller-coordinateur du service d'encadrement pédagogique " sont chaque fois insérés dans les §§ 1er et 2 entre les mots " le directeur " et les mots " et le cas échéant le directeur adjoint ".
Art. 180. In artikel 47septies decies, § 5, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden in punt 1° tussen de woorden " de directeur " en " en desgevallend de adjunct-directeur " de woorden " , de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst " ingevoegd.
Art. 180. A l'article 47septies decies, § 5, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, les mots " , le conseiller-coordinateur du service d'encadrement pédagogique " sont insérés au point 1° entre les mots " le directeur " et les mots " et, le cas échéant, le directeur adjoint ".
Art. 181. In artikel 51quater, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004, 22 juni 2007 en 8 mei 2009, wordt punt 7° geschrapt.
Art. 181. Dans l'article 51quater, § 2, du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003 et modifié par les décrets des 7 mai 2004, 22 juin 2007 et 8 mai 2009, le point 7° est supprimé.
Art. 182. Aan artikel 64, 5°, van hetzelfde decreet gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt de volgende zin toegevoegd :
  " De terugzetting in rang is niet van toepassing op de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten; ".
Art. 182. L'article 64, 5°, du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, est complété par la phrase suivante :
  " La rétrogradation n'est pas d'application aux membres du personnel des services d'encadrement pédagogique;" .
Art. 183. In hetzelfde decreet wordt een artikel 84quinquies decies ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Artikel 84quinquies decies. Met behoud van de toepassing van hoofdstuk IX van het decreet van 13 juli 2001 betreffende onderwijs XIII-mozaïek, blijven het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen van toepassing op de gesubsidieerde leden van de pedagogische begeleidingsdiensten. "
Art. 183. Dans le même décret, il est inséré un article 84quinquies decies, rédigé comme suit :
  " Article 84quinquies decies. Sans préjudice de l'application du chapitre IX du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII-Mosaïque, l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique et les dispositions d'exécution restent d'application aux membres subventionnés des services d'encadrement pédagogique. ".
TITEL II. - Wijzigingsbepalingen met betrekking tot het syndicaal statuut
TITRE II. - Dispositions modificatives relatives au statut syndical
Art. 184. In de bijlage I bij het koninklijk besluit van 28 september 1984, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 juli 2003 en het koninklijk besluit van 20 december 2007, wordt punt B, 3°, vervangen door wat volgt :
  " 3° De personeelsleden bedoeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. "
Art. 184. Dans l'annexe Ire de l'arrêté royal du 28 septembre 1984, telle que modifiée par l'arrêté royal du 30 juillet 2003 et l'arrêté royal du 20 décembre 2007, le point B, 3°, est remplacé par ce qui suit :
  " 3° Les membres du personnel visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 185. In afwijking van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 september 1984, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2007, wordt met betrekking tot de materies, bedoeld in artikel 11, § 1 en § 2, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, een onderhandelingscomité opgericht. De [1 ...]1inspecteur-generaal of zijn gemandateerde zit dit onderhandelingscomité voor.
  
Art. 185. Par dérogation à l'article 34 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984, tel que modifié par l'arrêté royal du 20 décembre 2007, un comité de négociation est créé pour les matières, visées à l'article 11, §§ 1er et 2, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. L'[1 ...]1'inspecteur général ou son mandaté préside ce comité de négociation.
  
TITEL III. - Overige wijzigingsbepalingen
TITRE III. - Autres dispositions modificatives
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
CHAPITRE Ier. - Modifications à la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement
Art. 186. In artikel 6quater van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt :
  " De Vlaamse Regering kan de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot artikel 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. ";
  2° het vierde lid wordt geschrapt.
Art. 186. A l'article 6quater de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, modifié en dernier lieu par le décret du 7 juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Gouvernement flamand peut supprimer l'agrément d'une école ou d'une implantation en tenant compte des articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ";
  2° le quatrième alinéa est abrogé.
Art. 187. In artikel 24quater, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  " De Vlaamse Regering kan de erkenning van een school, een vestigingsplaats of een structuuronderdeel ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. ";
  2° het tweede en derde lid worden opgeheven.
Art. 187. A l'article 24quater, § 2, de la même loi, inséré par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Gouvernement flamand peut supprimer l'agrément d'une école, d'une implantation ou d'une subdivision structurelle de celle-ci en tenant compte des articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ";
  2° les deuxième et troisième alinéas sont abrogés.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs
CHAPITRE II. - Modifications au décret du 5 juillet 1989 relatif à l'enseignement
Art. 188. Artikel 21 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs wordt geschrapt.
Art. 188. L'article 21 du décret du 5 juillet 1989 relatif à l'enseignement est abrogé.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV
CHAPITRE III. - Modifications au décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement IV
Art. 189. In artikel 29 van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, worden punt 4°, 5° en 6° vervangen door wat volgt :
  " 4° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. "
Art. 189. Dans l'article 29 du décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement IV, modifié par le décret du 7 juillet 2006, les points 4°, 5° et 6° sont remplacés par ce qui suit :
  " 4° les membres de l'inspection, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken
CHAPITRE IV. - Modifications au décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques
Art. 190. § 1. In artikel 6, § 3, en artikel 7, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, gewijzigd bij het decreet van 13 april 1999, worden de woorden coördinerend inspecteur-generaal, bedoeld in artikel 20, § 1, 13, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten " vervangen door de woorden " inspecteur-generaal ", bedoeld in artikel 61, 3°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
  § 2. In artikel 8, § 3, en artikel 18, § 1 en § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 april 1999, worden de woorden " coördinerend inspecteur-generaal " vervangen door de woorden " inspecteur-generaal ".
Art. 190. § 1er. Dans les articles 6, § 3, et 7 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques, modifié par le décret du 13 avril 1999, les mots " inspecteur général coordinateur, visé à l'article 20, § 1er, 13, du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection et aux services d'encadrement pédagogique " sont remplacés par les mots " inspecteur général ", visé à l'article 61, 3°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.
  § 2. A l'article 8, § 3, et l'article 18, § 1 et § 2, du même décret, modifié par le décret du 13 avril 1999, les mots " inspecteur général coordinateur " sont remplacés par les mots " inspecteur général ".
Art. 191. § 1. In artikel 9 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Artikel 51 tot en met artikel 57 en artikel 59 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn van toepassing op de tijdelijke en vastbenoemde leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. ";
  2° in § 2 worden de woorden " artikel 19 " vervangen door de woorden " artikel 58 ".
Art. 191. § 1er. A l'article 9 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Les articles 51 à 57 et l'article 59 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement sont d'application aux membres temporaires et nommés à titre définitif de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques. ";
  2° au § 2, les mots " l'article 19 " sont remplacés par les mots " l'article 58 ".
Art. 192. Artikel 19 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  " Artikel 19, artikel 125 en artikel 127 tot en met artikel 136 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. ".
Art. 192. L'article 19 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 19. L'article 125 et les articles 127 à 136 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement sont d'application aux membres de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques. ".
Art. 193. Artikel 21 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  " Artikel 21. § 1. Artikel 139 tot en met artikel 148 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met dien verstande dat de vastbenoemde leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken wel ter beschikking kunnen worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking.
  § 2. Een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, kan zijn aanspraak laten gelden op een ander ambt en gedurende twee jaar op verhoging van zijn salaris.
  § 3. De vastbenoemde leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken kunnen ter beschikking gesteld worden wegens volledige ontstentenis van betrekking als gevolg van :
  1° de vaststelling of een wijziging van de personeelsformatie;
  2° een wijziging in de onderwijsorganisatie;
  3° een beslissing van de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst waarbij het personeelslid definitief ongeschikt verklaard wordt om op normale en regelmatige wijze zijn ambt uit te oefenen, maar geschikt bevonden wordt om tewerkgesteld te worden onder bepaalde voorwaarden.
  § 4. De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking wordt opgelegd overeenkomstig de door de Vlaamse Regering te bepalen regels en mits de door haar vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
  § 5. De personeelsleden, vermeld in § 3, die ter beschikking worden gesteld wegens volledige ontstentenis van betrekking, krijgen onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden een wachtgeld. "
Art. 193. L'article 21 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 21. § 1er. Les articles 139 à 148 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement sont d'application aux membres de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques, étant entendu que les membres définitifs de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques peuvent être mis en disponibilité par défaut d'emploi.
  § 2. Un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi peut faire valoir ses droits à une autre fonction et pendant deux ans à une augmentation de son traitement.
  § 3. Les membres nommés à titre définitif de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques peuvent être mis en disponibilité par défaut total d'emploi suite à :
  1° la fixation ou une modification du cadre organique;
  2° une modification de l'organisation de l'enseignement;
  3° une décision de la commission des pensions du service administratif de santé par laquelle le membre du personnel est déclaré définitivement inapte à exercer sa fonction d'une façon normale et régulière, mais apte à être mis au travail à certaines conditions.
  § 4. La mise en disponibilité par défaut d'emploi est imposée conformément aux modalités à déterminer par le Gouvernement flamand et pourvu que les conditions fixées par lui soient remplies.
  § 5. Les membres du personnel, visés au § 3, mis en disponibilité par défaut total d'emploi, reçoivent un traitement d'attente à des conditions à fixer par le Gouvernement flamand. ".
Art. 194. In artikel 22 van hetzelfde decreet wordt § 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. Artikel 149 tot en met artikel 152 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met dien verstande dat de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken niet kunnen worden ontslagen als gevolg van een evaluatie met eindconclusie onvoldoende.
  Voor zover niet anders is bepaald, worden de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld ambtshalve en zonder opzegging uit hun ambt ontslagen :
  1° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;
  2° op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid;
  3° door toepassing van de reglementering op de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking;
  4° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid vast wordt benoemd in deze betrekking;
  5° door afschaffing van de betrekking. "
Art. 194. A l'article 22 du même décret, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Les articles 149 à 152 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement sont d'application aux membres de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques, étant entendu que les membres définitifs de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques ne peuvent pas être licenciés suite à une évaluation portant la conclusion finale " insuffisant ".
  Sauf disposition contraire, les membres du personnel qui sont désignés temporairement sont démis sans préavis de leurs fonctions :
  1° lors du retour du titulaire de l'emploi ou du membre du personnel qui le remplace temporairement;
  2° au moment où l'emploi du membre du personnel temporairement désigné est attribué à un membre du personnel nommé à titre définitif;
  3° par application de la réglementation sur la mise en disponibilité par défaut d'emploi;
  4° au moment ou le membre du personnel temporaire est nommé à titre définitif dans cet emploi;
  5° par la suppression de l'emploi. ".
Art. 195. In artikel 31 van hetzelfde decreet worden de woorden " artikel 19 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten, gewijzigd bij het decreet van 23 oktober 1991 en bij decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV " vervangen door de woorden " artikel 59 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende kwaliteit van onderwijs ".
Art. 195. A l'article 31 du même décret, les mots " l'article 19 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection et aux services d'encadrement pédagogique, modifié par le décret du 23 octobre 1991 et le décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement IV " sont remplacés par les mots " l'article 59 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ".
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in het decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen
CHAPITRE V. - Modifications au décret du 16 avril 1996 relatif au tutorat et à la formation continuée en Flandre
Art. 196. In het opschrift van het decreet van decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen, gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, worden de woorden " en de nascholing in Vlaanderen " geschrapt.
Art. 196. Dans l'intitulé du décret du 16 avril 1996 relatif au tutorat et à la formation continuée en Flandre, modifié par le décret du 15 décembre 2006, les mots " et à la formation continuée en Flandre " sont supprimés.
Art. 197. In hetzelfde decreet wordt titel IV, bestaande uit artikel 43 tot en met 56, laatst gewijzigd bij decreet van 19 december 2008, opgeheven.
Art. 197. Dans le même décret, le titre IV, comprenant l'article 43 à 56, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2008, est abrogé.
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
CHAPITRE VI. - Modifications au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental
Art. 198. In artikel 3, 39°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden de woorden " het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en de begeleidingsdiensten " vervangen door de woorden " het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs ".
Art. 198. Dans l'article 3, 39°, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, les mots " décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection et aux services d'encadrement pédagogique " sont remplacés par les mots " décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ".
Art. 199. Artikel 63 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  " Artikel 63. De Vlaamse Regering kent de erkenning toe op advies van de inspectie, overeenkomstig artikel 35 van het decreet van [...] betreffende de kwaliteit van onderwijs. "
Art. 199. L'article 63 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 63. Le Gouvernement flamand attribue la reconnaissance sur avis de l'inspection, conformément à l'article 35 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 200. In artikel 64 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. De Vlaamse Regering kan de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot en met artikel 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. ";
  2° § 2 en § 3 worden opgeheven.
Art. 200. A l'article 64 du même décret, modifié par le décret du 14 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le Gouvernement flamand peut supprimer la reconnaissance d'une école ou d'une implantation en tenant compte des articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ";
  2° les §§ 2 et 3 sont abrogés.
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs
CHAPITRE VII. - Modifications au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental
Art. 201. In artikel 28, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, vervangen bij het decreet van 22 juni 2007, worden de woorden " Secundair Onderwijs " geschrapt.
Art. 201. A l'article 28, § 2, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, remplacé par le décret du 22 juin 2007, les mots " Enseignement secondaire " sont supprimés.
Art. 202. In artikel 38, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007, worden de woorden " Secundair Onderwijs " geschrapt.
Art. 202. A l'article 38, § 2, du même décret, modifié par le décret du 22 juin 2007, les mots " Enseignement secondaire " sont supprimés.
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE VIII. - Modifications au décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves
Art. 203. In artikel 2 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 16° worden de woorden " van de centra, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten " vervangen door de woorden " vermeld in het decreet van 8 meei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs ";
  2° punt 21° wordt opgeheven.
Art. 203. A l'article 2 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 16°, les mots " des Centres, visée à l'article 4, deuxième alinéa, du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'Inspection et aux services d'encadrement pédagogique " sont remplacés par les mots " visée au décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ";
  2° le point 21° est abrogé.
Art. 204. In artikel 40, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden " van de centra " geschrapt.
Art. 204. A l'article 40, premier alinéa, du même décret, les mots " des Centres " sont supprimés.
Art. 205. In artikel 59, § 2, van hetzelfde decreet wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " De bemiddelingscommissie bestaat uit :
  - de inspecteur-generaal van de onderwijsinspectie die voorzitter is;
  - vier leden van de inspectie, aangeduid door de inspecteur-generaal. "
Art. 205. Dans l'article 59, § 2, du même décret, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " La Commission de médiation se compose :
  - de l'inspecteur général de l'inspection de l'enseignement, qui la préside;
  - de quatre membres de l'inspection, désignés par l'inspecteur général. ".
HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen in het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek
CHAPITRE IX. - Modifications au décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII - Mosaïque
Art. 206. In artikel IX.1 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek worden punten 3°, 4°, 5°, 6° en 7° vervangen door wat volgt :
  " 3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
  4° de personeelsleden, bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. "
Art. 206. A l'article IX.1er du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement XIII - Mosaïque, les points 3°, 4°, 5°, 6° et 7° sont remplacés par ce qui suit :
  " 3° membres de l'inspection, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;
  4° personnels tels que visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques. ".
HOOFDSTUK X. - Wijzigingen in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen
CHAPITRE X. - Modifications au décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre
Art. 207. In artikel 9nonies, 2°, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004, worden punten c), d) en e), vervangen door wat volgt :
  " c) artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs; ".
Art. 207. A l'article 9nonies, 2°, du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre, inséré par le décret du 19 mars 2004, les points c), d) et e) sont remplacés par ce qui suit :
  " c) à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement; ".
HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen aan het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
CHAPITRE XI. - Modifications au décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes
Art. 208. In artikel 44 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs worden de woorden " zoals vermeld in artikel 89 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten " vervangen door de woorden " als vermeld in artikel 16 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs ".
Art. 208. A l'article 44 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, les mots " tel que visé à l'article 89 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection et aux services d'encadrement pédagogique " sont remplacés par les mots " tel que visé à l'article 16 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ".
Art. 209. In artikel 49 van hetzelfde decreet worden de woorden " artikel 92bis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten " vervangen door de woorden " artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs ".
Art. 209. Dans l'article 49, du même décret, les mots " l'article 92bis du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection et aux services d'encadrement pédagogique " sont remplacés par les mots " l'article 28 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ".
Art. 210. In artikel 57 van hetzelfde decreet worden het tweede en het derde lid vervangen door wat volgt :
  " De opheffing van de erkenning gebeurt met inachtname van artikel 36 tot en met artikel 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. "
Art. 210. A l'article 57 du même décret, les deuxième et troisième alinéas sont remplacés par ce qui suit :
  " La suppression de la reconnaissance s'effectue en tenant compte des articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 211. In artikel 59 van hetzelfde decreet worden het tweede en het derde lid vervangen door wat volgt :
  " De opname in de erkenning gebeurt met inachtname van artikel 35 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. "
Art. 211. A l'article 59 du même décret, les deuxième et troisième alinéas sont remplacés par ce qui suit :
  " La suppression de la reconnaissance s'effectue en tenant compte des articles 35 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 212. In artikel 61, § 2, van hetzelfde decreet worden het tweede en het derde lid vervangen door wat volgt :
  " De opname in de erkenning gebeurt met inachtname van artikel 35 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. "
Art. 212. A l'article 61, § 2, du même décret, les deuxième et troisième alinéas sont remplacés par ce qui suit :
  " La suppression de la reconnaissance s'effectue en tenant compte des articles 35 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 213. Artikel 178 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  " Artikel 178. Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs is niet van toepassing op de specifieke lerarenopleiding, met uitzondering van de bepalingen onder deel II, titel I en titel II. "
Art. 213. L'article 178 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 178. Le décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement n'est pas applicable à la formation spécifique des enseignants, à l'exception des dispositions de la partie II, titre Ier et titre II. ".
HOOFDSTUK XII. - Wijzigingen aan het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap
CHAPITRE XII. - Modifications au décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande
Art. 214. In artikel 10, § 4, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  " De Vlaamse Regering kan de erkenning van een school of vestigingsplaats ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot en met artikel 42 van het decreet van [...] betreffende de kwaliteit van onderwijs. ";
  2° het tweede en derde lid worden opgeheven.
Art. 214. A l'article 10, § 4, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Gouvernement flamand peut supprimer la reconnaissance d'une école ou d'une implantation en tenant compte des articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ";
  2° les deuxième et troisième alinéas sont abrogés.
TITEL IV. - Opheffings- en overgangsbepalingen
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et transitoires
Art. 215. [1 § 1. De instellingen en CLB's die uiterlijk op 30 juni 2018 een beperkt gunstig advies hebben gekregen, worden geacht een "gunstig advies" als vermeld in artikel 39, § 5, 1°, te hebben gekregen.
   § 2. De instellingen en CLB's die uiterlijk op 30 juni 2018 een ongunstig advies hebben gekregen, worden geacht een "ongunstig advies" als vermeld in artikel 39, § 5, 2°, a), te hebben gekregen.
   Een nieuwe doorlichting volgt binnen een periode van negentig kalenderdagen na de periode van opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning, die is meegedeeld door de Vlaamse Regering aan het bestuur.
   § 3. De doorlichting, vermeld in paragraaf 2, wordt uitgevoerd door een paritair college van inspecteurs dat de Vlaamse Regering heeft samengesteld. Dat college bestaat voor de helft uit inspectieleden die afkomstig zijn uit het vrij onderwijs, en voor de helft uit inspectieleden die afkomstig zijn uit het officieel onderwijs. De Vlaamse Regering kan aan dat paritair college een voorzitter toevoegen, die niet behoort tot de onderwijsinspectie.
   Het paritair college kan een beroep doen op externe deskundigen. De externe deskundige neemt niet deel aan de deliberaties. Zijn rapport, dat hij onafhankelijk opstelt, wordt bij de eindbespreking van het paritair college ter bespreking voorgelegd.
   Bij staking van stemmen bepaalt de inspecteur-generaal het advies nadat hij het college heeft gehoord.
   § 4. Na de doorlichting brengt het paritair college aan de Vlaamse Regering een definitief advies uit over de verdere erkenning van de instelling. Dat advies kan alleen betrekking hebben op de elementen die in het eerdere advies expliciet zijn opgesomd.
   Het advies, dat betrekking heeft op de hele instelling of op een of meer structuuronderdelen, kan op twee manieren worden uitgebracht :
   1° "gunstig advies" als vermeld in artikel 39, § 5, 1° ;
   2° "ongunstig advies" als vermeld in artikel 39, § 5, 2°.]1

  
Art. 215. [1 § 1er. Les établissements et les CLB qui, le 30 juin 2018 au plus tard, ont obtenu un avis favorable avec réserves, sont censés avoir obtenu un " avis favorable " tel que visé à l'article 39, § 5, 1°.
   § 2. Les établissements et les CLB qui, le 30 juin 2018 au plus tard, ont reçu un avis défavorable, sont censés avoir obtenu un " avis défavorable " tel que visé à l'article 39, § 5, 2°, a).
   Un nouvel audit est mené dans une période de quatre-vingt-dix jours calendaires après la période de suspension de la procédure de retrait de l'agrément, qui est notifiée par le Gouvernement flamand à l'autorité.
   § 3. L'audit visé au paragraphe 2 est mené par un collège paritaire d'inspecteurs composé par le Gouvernement flamand. Ce collège se compose pour moitié de membres de l'inspection de l'enseignement libre et pour moitié de membres de l'inspection de l'enseignement officiel. Le Gouvernement flamand peut rattacher à ce collège paritaire un président n'appartenant pas à l'inspection de l'enseignement.
   Le collège paritaire peut faire appel à des experts externes. L'expert externe ne participe pas aux délibérations. Son rapport qu'il élabore de façon indépendante est présenté pour discussion au collège paritaire lors de la discussion finale.
   En cas de partage des voix, l'inspecteur général décide de l'avis, après avoir entendu le collège.
   § 4. Après l'audit, le collège paritaire rend son avis définitif au Gouvernement flamand sur la prolongation de l'agrément de l'établissement. Cet avis ne peut porter que sur les éléments énumérés explicitement dans l'avis précédent.
   L'avis portant soit sur l'ensemble de l'établissement soit sur une ou plusieurs subdivisions structurelles peut être émis de deux façons :
   1° " avis favorable " tel que visé à l'article 39, § 5, 1° ;
   2° " avis défavorable " tel que visé à l'article 39, § 5, 2°.]1

  
Art. 217. In afwijking van artikel 28, § 3 en § 4 van onderhavig decreet, wordt het krediet, vermeld in artikel 28, § 1, aan de pedagogische begeleidingsdiensten die in uitvoering van artikel 92ter van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten een samenwerkingsovereenkomst gesloten hebben, toegekend gedurende de resterende looptijd van deze overeenkomst, indien voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld door artikel 92ter van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten.
  [1 In afwijking van artikel 28, § 4, wordt de in 2008 afgesloten vijfjaarlijkse samenwerkingsovereenkomst tussen de Vlaamse Regering en de pedagogische begeleidingsdiensten over de aanwending van de toegekende middelen en de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 28, § 1, verlengd tot uitvoering is gegeven aan de evaluatie, zoals vermeld in artikel 30. Deze verlenging kan maximum twee jaar duren.]1
  
Art. 217. Par dérogation à l'article 28, §§ 3 et 4, du présent décret, il est attribué aux services d'encadrement pédagogique ayant conclu un accord de coopération en exécution de l'article 92ter du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique, le crédit, visé à l'article 28, § 1er, pendant la validité restante de cet accord, s'il a été satisfait aux conditions imposées par l'article 92ter du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique.
  [1 Par dérogation à l'article 28, § 4, est prolongé l'accord quinquennal de coopération conclu en 2008 entre le Gouvernement flamand et les services d'encadrement pédagogique sur les conditions d'affectation des moyens attribués et l'exécution des missions, visées à l'article 28, § 1er, jusqu'à l'évaluation, telle que visée à l'article 30, est mise à exécution. Cette prolongation ne peut excéder deux ans.]1
  
Art. 218. § 1. De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 als coördinerend inspecteur op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten tijdelijk zijn aangesteld, een mandaat bekleden of vastbenoemd zijn, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld, mandaathouder of vastbenoemd in het ambt van coördinerend inspecteur, indien ze werden aangesteld conform artikel 34 tot en met 47 van voornoemd decreet. Ze behouden de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten verbonden aan het ambt van coördinerend inspecteur, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling voor dat ambt gunstiger is.
  De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 als inspecteur-generaal basisonderwijs of inspecteur-generaal secundair onderwijs op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten tijdelijk zijn aangesteld, een mandaat bekleden of vastbenoemd zijn, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld, mandaathouder of vastbenoemd in het ambt van coördinerend inspecteur, indien ze werden aangesteld conform artikel 34 tot en met 47 van voornoemd decreet. Ze behouden de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten verbonden aan het ambt van inspecteur-generaal basisonderwijs of inspecteur-generaal secundair onderwijs, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling voor het ambt van coördinerend inspecteur gunstiger is.
  De diensten tot 31 augustus 2009 gepresteerd in het ambt van coördinerend inspecteur, van inspecteur-generaal basisonderwijs of inspecteur-generaal secundair onderwijs worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van coördinerend inspecteur.
  § 2. Het personeelslid dat op 31 augustus 2009 als coördinerend inspecteur-generaal op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten vastbenoemd is, wordt vanaf 1 september 2009 beschouwd als vastbenoemd in het ambt van inspecteur-generaal. Het behoudt de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten verbonden aan het ambt van coördinerend inspecteur-generaal, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling voor het ambt van inspecteur-generaal gunstiger is.
  De diensten tot 31 augustus 2009 gepresteerd in het ambt van coördinerend inspecteur-generaal worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur-generaal.
  § 3. De personeelsleden vermeld in § 1, worden op hun verzoek de eerste dag van de maand volgend op hun verzoek vastbenoemd in het ambt van coördinerend inspecteur indien zij :
  - de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt;
  - ten minste vier jaar het mandaat van coördinerend inspecteur hebben uitgeoefend of ten minste vier jaar tijdelijk zijn aangesteld in voormelde ambt.
  § 4. De personeelsleden vermeld in § 1 en die gebruik maken van de benoemingsmogelijkheid voorzien in § 3, behouden ook na hun benoeming de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten die hen op basis van § 1 werd toegekend.
  § 5. De personeelsleden die in toepassing van § 1, tweede lid, geconcordeerd worden in het ambt van coördinerend inspecteur en die voorheen bij mandaat waren aangesteld in het ambt van inspecteur-generaal basisonderwijs of in het ambt van inspecteur-generaal secundair onderwijs mogen ten persoonlijken titel verder de naam van het ambt gebruiken dat zij op 31 augustus 2009 uitoefenden en dit ook nadat zij in toepassing van § 3 vastbenoemd worden in het ambt van coördinerend inspecteur.
Art. 218. § 1er. Les membres du personnel de l'inspection qui sont désignés temporairement comme inspecteur coordinateur, investis d'un mandat ou nommés à titre définitif au 31 août 2009 sur la base du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique, sont censés être respectivement désignés temporairement comme inspecteur coordinateur, investis d'un mandat ou nommés à titre définitif à partir du 1er septembre 2009, s'ils étaient désignés conformément aux articles 34 à 47 inclus du décret précité. Ils conservent l'échelle de traitement et l'indemnité forfaitaire pour les frais de voyage, de séjour et de fonctionnement liées à la fonction d'inspecteur coordinateur, à moins que le nouveau statut pécuniaire de cette fonction ne soit plus favorable.
  Les membres du personnel de l'inspection qui sont désignés temporairement comme inspecteur général de l'enseignement fondamental ou inspecteur général de l'enseignement secondaire, investis d'un mandat ou nommés à titre définitif au 31 août 2009 sur la base du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique, sont censés être respectivement désignés temporairement comme inspecteur coordinateur, investis d'un mandat ou nommés à titre définitif à partir du 1er septembre 2009, s'ils étaient désignés conformément aux articles 34 à 47 inclus du décret précité. Ils conservent l'échelle de traitement et l'indemnité forfaitaire pour les frais de voyage, de séjour et de fonctionnement liées à la fonction d'inspecteur général de l'enseignement fondamental ou d'inspecteur général de l'enseignement secondaire, à moins que le nouveau statut pécuniaire de la fonction d'inspecteur coordinateur ne soit plus favorable.
  Les services prestés jusqu'au 31 août 2009 dans la fonction d'inspecteur coordinateur, d'inspecteur général de l'enseignement fondamental ou d'inspecteur général de l'enseignement secondaire, sont censés être prestés dans la fonction d'inspecteur coordinateur à partir du 1er septembre 2009.
  § 2. Le membre du personnel qui, au 31 août 2009, est nommé comme inspecteur général coordinateur sur la base du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique, est censé être nommé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur général à partir du 1er septembre 2009. Il conserve l'échelle de traitement et l'indemnité forfaitaire pour les frais de voyage, de séjour et de fonctionnement liées à la fonction d'inspecteur général coordinateur, à moins que le nouveau statut pécuniaire de la fonction d'inspecteur général ne soit plus favorable.
  Les services prestés jusqu'au 31 août 2009 dans la fonction d'inspecteur général coordinateur sont censés être des services prestés dans la fonction d'inspecteur général à partir du 1er septembre 2009.
  § 3. Les membres du personnel visés au § 1er, sont, à leur demande, nommés à titre définitif dans la fonction d'inspecteur coordinateur au premier jour du mois suivant leur demande s'ils :
  - ont atteint l'âge de 55 ans;
  - ont exercé le mandat d'inspecteur coordinateur pendant au moins quatre ans ou ont été désignés temporairement dans la fonction précitée pendant au moins quatre ans.
  § 4. Les membres du personnel visés au § 1er qui se prévalent de la possibilité de nomination prévue au § 3, conservent également après leur nomination l'échelle de traitement et l'indemnité forfaitaire pour les frais de voyage, de séjour et de fonctionnement qui leur étaient attribuées sur la base du § 1er.
  § 5. Les membres du personnel qui, en application du § 1er, deuxième alinéa, étaient concordés à la fonction d'inspecteur coordinateur et qui, auparavant, étaient désignés par mandat à la fonction d'inspecteur général de l'enseignement fondamental ou d'inspecteur général de l'enseignement secondaire, peuvent, à titre personnel, continuer à utiliser le nom de la fonction qu'ils exerçaient au 31 août 2009 et ce, également après leur nomination à titre définitif, en application du § 3, à la fonction d'inspecteur coordinateur.
Art. 219. De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 tijdelijk zijn aangesteld[1 ...]1 of vastbenoemd zijn in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld, tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is.
  De diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur.
  
Art. 219. Les membres du personnel de l'inspection qui, au 31 août 2009, sont désignés temporairement[1 ...]1 ou nommés à titre définitif dans la fonction d'inspecteur de l'enseignement fondamental, d'inspecteur de l'enseignement secondaire, d'inspecteur de l'enseignement artistique, d'inspecteur de l'éducation des adultes ou d'inspecteur des centres sur la base du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique, sont censés être respectivement désignés à titre temporaire[1 ...]1 ou nommés à titre définitif dans la fonction d'inspecteur. Ils conservent l'échelle de traitement et l'indemnité forfaitaire pour les frais de voyage, de séjour et de fonctionnement, à moins que le nouveau statut pécuniaire ne soit plus favorable.
  Les services prestés dans la fonction d'inspecteur de l'enseignement fondamental, d'inspecteur de l'enseignement secondaire, d'inspecteur de l'enseignement artistique, d'inspecteur de l'éducation des adultes ou d'inspecteur des centres sont censés être prestés dans la fonction d'inspecteur.
  
Art. 220. In afwijking van artikel 62, wordt, zolang er kandidaten zijn opgenomen op een lijst, vermeld in artikel 28 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten en voor zover de periode van vier jaar te rekenen vanaf de datum van het afsluiten van de werkzaamheden van de selectiecommissie nog niet verstreken is, aan deze kandidaten prioritair de mogelijkheid geboden om zich kandidaat te stellen wanneer er een vacature ontstaat voor het ambt van inspecteur. Zij worden vrijgesteld van de eerste fase van de selectieprocedure. Zij ontvangen een oproep zoals vermeld in artikel 65, § 1. De bepalingen, vermeld in artikel 65, § 1 tot en met § 6, zijn van toepassing. Indien er zich geen enkele kandidaat uit voormelde lijst kandidaat stelt of indien er geen enkele kandidaat geslaagd is in de tweede fase van de selectie, wordt de selectieprocedure, vermeld in artikel 63 tot en met 65, gevolgd.
Art. 220. Par dérogation à l'article 62, la priorité est donnée, aussi longtemps qu'il y a des candidats sur une liste, visée à l'article 28 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique et pour autant que la période de quatre ans à compter de la date de la clôture des travaux de la commission de sélection ne soit pas expirée, à ces candidats pour se porter candidat si une vacance d'emploi est créée pour la fonction d'inspecteur. Ils sont exemptés de la première phase de la procédure de sélection. Ils reçoivent l'appel tel que visé à l'article 65, § 1er. Les dispositions visées à l'article 65, § 1er à § 6, sont d'application. Si aucun candidat de la liste précitée ne se porte candidat ou si aucun candidat n'a passé la deuxième phase de la sélection, la procédure de sélection visée aux articles 63 à 65 est suivie.
Art. 221. Personeelsleden van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling die op 31 augustus 2009 vastbenoemd[1 ...]1 of tijdelijk zijn aangesteld in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of in het ambt van navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is.
  De diensten gepresteerd in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur.
  
Art. 221. Les membres du personnel du Service d'Etudes, qui, au 31 août 2009, étaient nommés à titre définitif[1 ...]1 ou désignés à titre temporaire dans la fonction de conseiller auprès du Service d'Etudes ou dans la fonction de chercheur auprès du Service d'Etude sur la base du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique, sont censés être respectivement nommés à titre définitif[1 ...]1 ou désignés à titre temporaire à compter du 1er septembre 2009 dans la fonction d'inspecteur. Ils conservent l'échelle de traitement et l'indemnité forfaitaire pour les frais de voyage, de séjour et de fonctionnement, à moins que le nouveau statut pécuniaire ne soit plus favorable.
  Les services prestés dans la fonction de conseiller auprès du Service d'Etudes ou de chercheur auprès du Service d'Etude sont censés être des services prestés dans la fonction d'inspecteur.
  
Art. 222. Het personeelslid dat op 31 augustus 2009 vastbenoemd is in het ambt van directeur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, wordt vanaf 1 september 2009 beschouwd als vastbenoemd in het ambt van coördinerend inspecteur. Hij behoudt daarbij de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten verbonden aan het ambt van directeur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, tenzij de bezoldigingsregeling verbonden aan het ambt van coördinerend inspecteur gunstiger is. Hij mag eveneens ten persoonlijken titel verder de naam van het ambt gebruiken dat hij op 31 augustus 2009 uitoefende.
  De diensten gepresteerd in het ambt van directeur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van coördinerend inspecteur.
Art. 222. Le membre du personnel qui, au 31 août 2009, est nommé à titre définitif dans la fonction de directeur auprès du Service d'Etudes sur la base du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique, est censé être nommé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur coordinateur à partir du 1er septembre 2009. Il conserve l'échelle de traitement et l'indemnité forfaitaire pour les frais de voyage, de séjour et de fonctionnement liées à la fonction de directeur auprès du Service d'Etudes, à moins que le statut pécuniaire lié à la fonction d'inspecteur coordinateur ne soit plus favorable. Il peut également continuer à utiliser, à titre personnel, le nom de la fonction qu'il exerçait au 31 août 2009.
  Les services prestés dans la fonction de directeur auprès du Service d'Etudes sont considérés comme des services prestés dans la fonction d'inspecteur coordinateur.
Art. 225. Er kunnen geen personeelsleden [2 ...]2 vastbenoemd worden in het ambt van inspecteur, zolang het percentage, vermeld in artikel 62, § 2, bereikt of overschreden is.
  [1 [2 ]2.]1
  
Art. 225. Aucun membre du personnel ne peut être [2 ...]2nommé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur, aussi longtemps que le pourcentage, visé à l'article 62, § 2, est atteint ou dépassé.
  [1 [2 ...]2]1
  
TITEL V. - Slotbepaling
TITRE V. - Disposition finale
Art. 226. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2009, met uitzondering van :
  1° artikel 26, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2009;
  2° artikel 185, dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2009;
  3° artikel 224, dat uitwerking heeft met ingang van 1 mei 2009.
Art. 226. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2009, à l'exception de :
  1° l'article 26, qui produit ses effets le 1er janvier 2009;
  2° l'article 185, qui produit ses effets le 1er avril 2009;
  3° l'article 224, qui produit ses effets le 1er mai 2009.