Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° [1 FWO: het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap, vermeld in artikel 15, § 2, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, en opgericht bij de notariële akte van 21 juni 2005 in de vorm van de privaatrechtelijke stichting van openbaar nut Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen;]1
2° specialisatiebeurzen : de doctoraatsbeurzen toegekend door het [1 [2 Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie]2]1 in de periode tussen 1 oktober 1994 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
3° strategisch basisonderzoek : kwalitatief hoogwaardig generisch onderzoek, dat beoogt wetenschappelijke of technologische capaciteit op te bouwen als basis voor economische en/of maatschappelijke toepassingen die :
a) bij de aanvang van het onderzoek nog niet duidelijk zijn gedefinieerd;
b) slechts effectief kunnen worden ontwikkeld door middel van vervolgonderzoek;
4° beurstermijn : de beursperiode die na evaluatie van de beursaanvraag aan de kandidaat-bursaal wordt toegekend.
5° hoger-onderwijsinstelling : een universiteit of een hogeschool;
6° [1 onderzoekscentrum: een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als vermeld in artikel 2, punt 83 van de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;]1
[2 7° Codex Hoger Onderwijs: het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 tot de codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs, zoals gewijzigd.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
29 MEI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de toekenning van doctoraatsbeurzen voor de uitvoering van projecten van strategisch basisonderzoek(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-09-2009 en tekstbijwerking tot 11-07-2024)
Titre
29 MAI 2009. - Arrêté du Gouvernement flamand réglant l'octroi de bourses de doctorat pour la réalisation de projets de recherche stratégique de base(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 04-09-2009 et mise à jour au 11-07-2024)
Documentinformatie
Numac: 2009035734
Datum: 2009-05-29
Info du document
Numac: 2009035734
Date: 2009-05-29
Tekst (23)
Texte (23)
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° [1 FWO : l'agence autonomisée externe de droit privé, visée à l'article 15, § 2 du décret du 30 avril 2009 relatif à l'organisation et au financement de la politique en matière de sciences et d'innovation, et constituée par acte notarié du 21 juin 2005 sous forme d'une fondation privée d'intérêt public "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen" (Fonds de la recherche scientifique en Flandre) ;]1
2° bourses de spécialisation : les bourses de doctorat octroyées par [1 le " [2 Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie]2 "]1 dans la période entre le 1er octobre 1994 et la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
3° recherche stratégique de base : une recherche générique qualitativement supérieure, qui vise le développement d'une capacité scientifique ou technologique, qui constitue la base d'applications économiques et/ou sociales qui :
a) ne sont pas encore définies clairement au début de la recherche;
b) ne peuvent être développées effectivement qu'au moyen de recherches complémentaires;
4° période de bourse : la période de bourse qui est octroyée au candidat boursier après l'évaluation de la demande de bourse.
5° institution d'enseignement supérieur : une université ou un institut supérieur;
6° [1 centre de recherche : un organisme de recherche et de diffusion des connaissances tel que visé à l'article 2, point 83 du Règlement (CE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché interne en application des articles 107 et 108 du Traité;]1
[2 7° Code de l'enseignement supérieur : l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 octobre 2013 portant codification des dispositions décrétales relatives à l'enseignement supérieur, tel qu'amendé.]2
1° [1 FWO : l'agence autonomisée externe de droit privé, visée à l'article 15, § 2 du décret du 30 avril 2009 relatif à l'organisation et au financement de la politique en matière de sciences et d'innovation, et constituée par acte notarié du 21 juin 2005 sous forme d'une fondation privée d'intérêt public "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen" (Fonds de la recherche scientifique en Flandre) ;]1
2° bourses de spécialisation : les bourses de doctorat octroyées par [1 le " [2 Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie]2 "]1 dans la période entre le 1er octobre 1994 et la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
3° recherche stratégique de base : une recherche générique qualitativement supérieure, qui vise le développement d'une capacité scientifique ou technologique, qui constitue la base d'applications économiques et/ou sociales qui :
a) ne sont pas encore définies clairement au début de la recherche;
b) ne peuvent être développées effectivement qu'au moyen de recherches complémentaires;
4° période de bourse : la période de bourse qui est octroyée au candidat boursier après l'évaluation de la demande de bourse.
5° institution d'enseignement supérieur : une université ou un institut supérieur;
6° [1 centre de recherche : un organisme de recherche et de diffusion des connaissances tel que visé à l'article 2, point 83 du Règlement (CE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché interne en application des articles 107 et 108 du Traité;]1
[2 7° Code de l'enseignement supérieur : l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 octobre 2013 portant codification des dispositions décrétales relatives à l'enseignement supérieur, tel qu'amendé.]2
Art.2. § 1 Het [1 FWO]1 is belast met het wetenschappelijk, administratief en financieel beheer van het stelsel van de doctoraatsbeurzen voor de uitvoering van projecten van strategisch basisonderzoek ten bate van doctorandi aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.
§ 2 De [2 raad van bestuur]2 van het [1 FWO]1 kent de doctoraatsbeurzen aan de kandidaat-bursalen toe na advies van de commissies van deskundigen.
§ 3 De beurzen dienen aan de genieters ervan de mogelijkheid te bieden een doctoraatsproefschrift voor te bereiden als neerslag van de uitvoering van het door hen geformuleerde onderzoeksproject onder de wetenschappelijke begeleiding van een lid van het zelfstandig academisch personeel (ZAP), een onderzoeksdirecteur van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, of een andere onderzoeker verbonden aan de universiteit op voorwaarde dat de universitaire overheid garant staat voor de kwaliteit en de continuïteit van de begeleiding.
Het geformuleerde onderzoeksproject situeert zich als strategisch basisonderzoek door :
1° zijn potentieel voor een economische toepasbaarheid op termijn;
2° zijn potentieel voor een maatschappelijke toepasbaarheid op termijn.
§ 2 De [2 raad van bestuur]2 van het [1 FWO]1 kent de doctoraatsbeurzen aan de kandidaat-bursalen toe na advies van de commissies van deskundigen.
§ 3 De beurzen dienen aan de genieters ervan de mogelijkheid te bieden een doctoraatsproefschrift voor te bereiden als neerslag van de uitvoering van het door hen geformuleerde onderzoeksproject onder de wetenschappelijke begeleiding van een lid van het zelfstandig academisch personeel (ZAP), een onderzoeksdirecteur van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, of een andere onderzoeker verbonden aan de universiteit op voorwaarde dat de universitaire overheid garant staat voor de kwaliteit en de continuïteit van de begeleiding.
Het geformuleerde onderzoeksproject situeert zich als strategisch basisonderzoek door :
1° zijn potentieel voor een economische toepasbaarheid op termijn;
2° zijn potentieel voor een maatschappelijke toepasbaarheid op termijn.
Art.2. § 1er. [1 Le "FWO"]1 est chargé de la gestion scientifique, administrative et financière du régime des bourses de doctorat pour la réalisation de projets de recherche stratégique de base au bénéfice de doctorants aux universités en Région flamande.
§ 2. [2 Le conseil d'administration]2 [1 du FWO]1 octroie ces bourses de doctorat aux candidats boursiers sur avis des commissions d'experts.
§ 3. Les bourses doivent offrir à leurs bénéficiaires la possibilité de préparer une thèse de doctorat en tant que résultat de la réalisation du projet de recherche formulé par eux, sous l'encadrement scientifique d'un membre du personnel académique autonome (ZAP), d'un directeur de recherche du "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen", ou d'un autre chercheur lié à l'université, à condition que l'autorité universitaire se porte garant pour la qualité et la continuité de l'encadrement.
Le projet de recherche formulé se situe comme recherche stratégique de base par :
1° son potentiel pour une applicabilité économique à terme;
2° son potentiel pour une applicabilité sociale à terme.
§ 2. [2 Le conseil d'administration]2 [1 du FWO]1 octroie ces bourses de doctorat aux candidats boursiers sur avis des commissions d'experts.
§ 3. Les bourses doivent offrir à leurs bénéficiaires la possibilité de préparer une thèse de doctorat en tant que résultat de la réalisation du projet de recherche formulé par eux, sous l'encadrement scientifique d'un membre du personnel académique autonome (ZAP), d'un directeur de recherche du "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen", ou d'un autre chercheur lié à l'université, à condition que l'autorité universitaire se porte garant pour la qualité et la continuité de l'encadrement.
Le projet de recherche formulé se situe comme recherche stratégique de base par :
1° son potentiel pour une applicabilité économique à terme;
2° son potentiel pour une applicabilité sociale à terme.
Art.3. [1 Bij de start van het mandaat dient de kandidaat-bursaal houder te zijn van een diploma dat minstens gelijkwaardig is met een masterdiploma dat aansluit op een bachelordiploma en uitgereikt werd door de daartoe bevoegde instellingen van of gevestigd in een van de landen van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Diploma's die uitgereikt werden door de daartoe bevoegde instellingen in een van de landen van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, of diploma's die uitgereikt werden door de daartoe bevoegde instellingen uit de Franstalige Gemeenschap, worden erkend als gelijkwaardig met diploma's die uitgereikt werden door de daartoe bevoegde instellingen uit de Vlaamse Gemeenschap overeenkomstig de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, de toepasselijke Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord.]1
Art.3. [1 Au début du mandat, le candidat boursier doit être titulaire d'un diplôme au moins équivalent à un diplôme de Master qui suit un diplôme de Bachelor, délivré par les établissements compétents à cet effet de l'un des pays de l'Espace économique européen ou établis dans un de ces pays ou en Suisse. Les diplômes délivrés par les institutions compétentes d'un des pays de l'Espace économique européen ou de la Suisse, ou les diplômes délivrés par les institutions compétentes de la Communauté française, sont reconnus comme équivalents aux diplômes délivrés par les institutions compétentes de la Communauté flamande conformément au Code de l'enseignement supérieur du 11 octobre 2013, aux directives européennes applicables ou à un accord bilatéral.]1
Wijzigingen
Art.5. [1 Voor beursaanvragen tot en met startdatum 1 januari 2019, geldt dat het masterdiploma of daarmee gelijkwaardig diploma minstens met de vermelding onderscheiding moet behaald zijn, of anders met een dergelijke vermelding als evenwaardig verklaard door de universiteit en is maximaal 5 jaar voor de beursaanvraag behaald. Bij kandidaten die houder zijn van meerdere masterdiploma's zijn beide bepalingen van toepassing op het diploma dat inhoudelijk het meest aansluit bij het doctoraatsonderzoek voor zover dit diploma behaald werd binnen een termijn van maximaal vijf jaar na het behalen van het eerste masterdiploma.
Voor beursaanvragen met startdatum 1 november 2019 of later is het masterdiploma of een daarmee gelijkwaardig diploma van de kandidaat, op basis waarvan de aanvraag wordt ingediend, maximum drie jaar voor de uiterste indiendatum van de oproep behaald.]1
Voor beursaanvragen met startdatum 1 november 2019 of later is het masterdiploma of een daarmee gelijkwaardig diploma van de kandidaat, op basis waarvan de aanvraag wordt ingediend, maximum drie jaar voor de uiterste indiendatum van de oproep behaald.]1
Art.5. [1 Pour les demandes de bourse dont la date de début est le 1er janvier 2019 inclus, le diplôme de Master ou le diplôme équivalent doit être obtenu au moins avec la mention " distinction ", ou sinon être déclaré comme étant équivalent avec une pareille mention par l'université, et doit être obtenu au maximum 5 ans avant la demande de bourse. Dans le cas des candidats titulaires de plus d'une maîtrise, les deux dispositions s'appliquent au diplôme qui correspond le mieux au contenu de la recherche doctorale, dans la mesure où ce diplôme a été obtenu dans un délai maximal de cinq ans après l'obtention de la première maîtrise.
Pour les demandes de bourse dont la date de début est le 1er novembre 2019 ou plus tard, le diplôme de Master ou une qualification équivalente du candidat, sur la base duquel la demande est soumise, n'a pas été obtenu plus de trois ans avant la date limite de soumission de l'appel à propositions.]1
Pour les demandes de bourse dont la date de début est le 1er novembre 2019 ou plus tard, le diplôme de Master ou une qualification équivalente du candidat, sur la base duquel la demande est soumise, n'a pas été obtenu plus de trois ans avant la date limite de soumission de l'appel à propositions.]1
Wijzigingen
Art.6. Bij de beoordeling van de ingediende beursaanvragen zijn de volgende evaluatiecriteria van toepassing :
1° [1 potentiële bekwaamheid tot het zelfstandig uitvoeren van doctoraatsonderzoek als innovatiegerichte onderzoeker]1;
2° de wetenschappelijke kwaliteit en relevantie van het onderzoeksproject, en de realiseerbaarheid ervan binnen een periode van vier jaar;
3° de strategische aard van het onderzoeksproject m.b.t. het potentieel voor een economische en/of maatschappelijke toepasbaarheid van de resultaten op termijn.
1° [1 potentiële bekwaamheid tot het zelfstandig uitvoeren van doctoraatsonderzoek als innovatiegerichte onderzoeker]1;
2° de wetenschappelijke kwaliteit en relevantie van het onderzoeksproject, en de realiseerbaarheid ervan binnen een periode van vier jaar;
3° de strategische aard van het onderzoeksproject m.b.t. het potentieel voor een economische en/of maatschappelijke toepasbaarheid van de resultaten op termijn.
Art.6. Pour l'évaluation des demandes de bourse introduites, les critères d'évaluation suivants s'appliquent :
1° [1 compétence potentielle pour mener de manière indépendante des recherches doctorales en tant que chercheur orienté vers l'innovation]1;
2° la qualité et la pertinence scientifiques du projet de recherche, et sa faisabilité dans une période de quatre ans;
3° la nature stratégique du projet de recherche en ce qui concerne le potentiel d'une applicabilité économique et/ou sociale des résultats à terme.
1° [1 compétence potentielle pour mener de manière indépendante des recherches doctorales en tant que chercheur orienté vers l'innovation]1;
2° la qualité et la pertinence scientifiques du projet de recherche, et sa faisabilité dans une période de quatre ans;
3° la nature stratégique du projet de recherche en ce qui concerne le potentiel d'une applicabilité économique et/ou sociale des résultats à terme.
Wijzigingen
Art.7. [1 De [2 raad van bestuur]2 van het FWO legt in een uitvoerend reglement de nadere regels vast betreffende de vorm en de inhoud, de behandeling en selectie van de beursaanvragen, binnen de selectievoorwaarden vastgelegd in dit besluit.]1
Art.7. [1 [2 Le conseil d'administration]2 du FWO établit, dans un règlement exécutif, les règles spécifiques relatives à la forme et au contenu, au traitement et à la sélection des demandes de bourse, au sein des conditions de sélection fixées dans le présent arrêté.]1
Art.8. De beoordeling van de ingediende beursaanvragen voor de 1ste beurstermijn gebeurt door een commissie van deskundigen samengesteld door de [2 raad van bestuur]2 van het IWT. Het aantal, de samenstelling en de werking van deze commissies wordt door de [2 raad van bestuur]2 van het [1 FWO]1 in het reglement, vermeld in artikel 7, nader bepaald. De commissies van deskundigen adviseren de [2 raad van bestuur]2 van het IWT voor zijn beslissing over elke beursaanvraag.
De [2 raad van bestuur]2 van het IWT draagt zorg voor een regelmatige vernieuwing en een optimale samenstelling van deze commissies. [3 Afhankelijk van het beoogde potentieel voor economische of maatschappelijke toepasbaarheid, vermeld in artikel 2, § 3, tweede lid, is ten minste een derde van het aantal leden rechtstreeks betrokken bij respectievelijk onderzoek en ontwikkeling in het bedrijfsleven dan wel bij de socialprofitsector of de overheid.]3
De [2 raad van bestuur]2 van het IWT draagt zorg voor een regelmatige vernieuwing en een optimale samenstelling van deze commissies. [3 Afhankelijk van het beoogde potentieel voor economische of maatschappelijke toepasbaarheid, vermeld in artikel 2, § 3, tweede lid, is ten minste een derde van het aantal leden rechtstreeks betrokken bij respectievelijk onderzoek en ontwikkeling in het bedrijfsleven dan wel bij de socialprofitsector of de overheid.]3
Art.8. L'évaluation des demandes de bourse introduites pour la première période de bourse se fait par une commission d'experts composée par [2 le conseil d'administration]2 de l'IWT. Le nombre, la composition et le fonctionnement de ces commissions sont déterminés par [2 le conseil d'administration]2 [1 du FWO]1 dans le règlement, visé à l'article 7. Les commissions d'experts conseillent [2 le conseil d'administration]2 [1 du FWO]1 pour sa décision sur chaque demande de bourse.
[2 Le conseil d'administration]2 [1 du FWO]1 assure un renouvellement régulier et une composition optimale de ces commissions. [3 En fonction du potentiel visé pour une applicabilité économique ou sociale figurant à l'article 2, § 3, alinéa 2, au moins un tiers du nombre de membres est directement associé respectivement à la recherche et au développement dans les entreprises ou au secteur non marchand ou aux pouvoirs publics.]3
[2 Le conseil d'administration]2 [1 du FWO]1 assure un renouvellement régulier et une composition optimale de ces commissions. [3 En fonction du potentiel visé pour une applicabilité économique ou sociale figurant à l'article 2, § 3, alinéa 2, au moins un tiers du nombre de membres est directement associé respectivement à la recherche et au développement dans les entreprises ou au secteur non marchand ou aux pouvoirs publics.]3
Art.9. [1 De raad van bestuur bepaalt de voorwaarden en bepalingen voor de toekenning en het behoud van de beurs welke, binnen de beperkingen van de toelatings- en selectievoorwaarden die vastgelegd zijn in dit besluit, worden opgenomen in een overeenkomst die het FWO sluit met de bursaal. De beurs wordt beëindigd zodra de bursaal de voormelde voorwaarden niet meer naleeft. Als de bursaal zijn doctoraatsproefschrift heeft verdedigd voor het einde van de termijn, loopt de beurs toch door tot het einde van de termijn.]1
Art.9. [1 Le conseil d'administration déterminera les conditions et les modalités d'attribution et de maintien de la bourse, qui seront fixées dans un accord entre le FWO et le boursier, dans les limites des conditions d'admission et de sélection fixées par le présent décret. Il sera mis fin à la bourse dès que le boursier ne remplit plus les conditions ci-dessus. Si le doctorant boursier a soutenu sa thèse de doctorat avant la fin du délai, la bourse se poursuivra jusqu'à la fin du délai.]1
Wijzigingen
Art.10. [1 De doctoraatsbeurzen voor strategisch basisonderzoek worden toegekend als twee aaneensluitende beurstermijnen van twee jaar. In de loop van de eerste beurstermijn dient de bursaal bij het beslissingscomité bij het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2 voor beurzen gestart voor 1/1/2016 en bij de raad van bestuur van het FWO voor beurzen gestart na 1/1/2016 een beursaanvraag voor een 2e beurstermijn in, samen met een voortgangsverslag en het advies van de promotor over de aangevraagde verlenging van de beurs. Op basis van deze documenten beslist het beslissingscomité bij het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2 voor beurzen gestart voor 1/1/2016 en de raad van bestuur van het FWO voor beurzen gestart na 1/1/2016 over de toekenning van de tweede beurstermijn. Bij deze beslissing volgt het beslissingscomité bij het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2 of de raad van bestuur van het FWO het advies van de promotor maar heeft het beslissingscomité bij het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2 of de raad van bestuur van het FWO het recht om promotor en/of bursaal op gelijk welk ogenblik op te roepen om toelichtingen te verschaffen over het verloop van de doctoraatswerkzaamheden.
De bursaal heeft het recht, ongeacht het advies van de promotor, om het beslissingscomité bij het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2 of de raad van bestuur van het FWO te verzoeken voor een commissie van externe deskundigen te kunnen verschijnen voor de verdediging van zijn beursaanvraag.
Het oordeel over al dan niet toekenning van de beursverlenging van de commissie heeft steeds voorrang op het advies van de promotor.]1
De bursaal heeft het recht, ongeacht het advies van de promotor, om het beslissingscomité bij het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2 of de raad van bestuur van het FWO te verzoeken voor een commissie van externe deskundigen te kunnen verschijnen voor de verdediging van zijn beursaanvraag.
Het oordeel over al dan niet toekenning van de beursverlenging van de commissie heeft steeds voorrang op het advies van de promotor.]1
Art.10. [1 Les bourses de doctorat pour la recherche stratégique de base sont octroyées comme deux périodes de bourse consécutives de deux ans. Au cours de la première période de validité de la bourse, le boursier dépose, auprès du comité de décision [2 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2 pour des bourses prenant cours avant le 1/1/2016 et auprès du conseil d'administration du FWO pour des bourses prenant cours après le 1/1/2016, une demande de bourse pour une deuxième période de validité de la bourse, ainsi qu'un rapport d'avancement et l'avis du promoteur sur la prolongation demandée de la bourse. Sur la base de ces documents, le comité de décision [2 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2 pour des bourses prenant cours avant le 1/1/2016 et le conseil d'administration du FWO pour des bourses prenant cours après le 1/1/2016 décide de l'octroi de la deuxième période de bourse. Pour cette décision, le comité de décision [2 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2 ou le conseil d'administration du FWO suit l'avis du promoteur, mais le comité de décision [2 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2 ou le conseil d'administration du FWO a le droit de convoquer à tout moment le promoteur et/ou le boursier pour expliquer l'avancement des travaux de doctorat.
Le boursier a le droit, quel que soit l'avis du promoteur, de demander au comité de décision [2 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2 ou au conseil d'administration du FWO à pouvoir se présenter devant une commission d'experts externes pour la défense de sa demande de bourse.
L'avis sur l'octroi ou non de la prolongation de bourse de la commission a toujours la priorité sur l'avis du promoteur.]1
Le boursier a le droit, quel que soit l'avis du promoteur, de demander au comité de décision [2 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2 ou au conseil d'administration du FWO à pouvoir se présenter devant une commission d'experts externes pour la défense de sa demande de bourse.
L'avis sur l'octroi ou non de la prolongation de bourse de la commission a toujours la priorité sur l'avis du promoteur.]1
Art.11. [1 Jaarlijks vóór 1 oktober stelt het beslissingscomité bij het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2 voor wat betreft de overeenkomsten afgesloten voor 1 januari 2016 de nieuwe bedragen van de doctoraatsbeurzen eerste en tweede beurstermijn voor het komende academiejaar vast zodat de globale evolutie van hun nettobedrag gelijke tred houdt met de globale evolutie van het netto-salaris van de leden van het assisterend academisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Het beslissingscomité bij het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2 houdt rekening met het indexcijfer van de salarissen van het assisterend academisch personeel op 1 oktober (WB1).
Van het netto-bedrag van de beurs wordt per maand een bedrag van 24,79 euro ingehouden. Het gecumuleerde bedrag van deze inhoudingen wordt uitbetaald aan de bursaal in de vorm van een premie indien de betrokken bursaal zijn doctoraatsproefschrift heeft verdedigd voor de afloop van de tweede beurstermijn of binnen de zes maanden na het einde van de tweede beurstermijn.
Voor de beurzen die starten vanaf 1 januari 2016 via het FWO is het bedrag van de beurs beperkt tot het nettoloon dat de begunstigde zou ontvangen als assistent aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap (salarisschalen van toepassing op het Assisterend Academisch Personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap volgens het Besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2011). De beurs wordt aangepast aan de toegekende geldelijke anciënniteit van de betrokkene. De beurs houdt rekening met de gezinstoestand en is onderworpen aan de Sociale Zekerheid. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage stemt overeen met het vakantiegeld en de eindejaarstoelage dat de begunstigde zou ontvangen als een assistent aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap.]1
Van het netto-bedrag van de beurs wordt per maand een bedrag van 24,79 euro ingehouden. Het gecumuleerde bedrag van deze inhoudingen wordt uitbetaald aan de bursaal in de vorm van een premie indien de betrokken bursaal zijn doctoraatsproefschrift heeft verdedigd voor de afloop van de tweede beurstermijn of binnen de zes maanden na het einde van de tweede beurstermijn.
Voor de beurzen die starten vanaf 1 januari 2016 via het FWO is het bedrag van de beurs beperkt tot het nettoloon dat de begunstigde zou ontvangen als assistent aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap (salarisschalen van toepassing op het Assisterend Academisch Personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap volgens het Besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2011). De beurs wordt aangepast aan de toegekende geldelijke anciënniteit van de betrokkene. De beurs houdt rekening met de gezinstoestand en is onderworpen aan de Sociale Zekerheid. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage stemt overeen met het vakantiegeld en de eindejaarstoelage dat de begunstigde zou ontvangen als een assistent aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap.]1
Art.11. [1 Chaque année, avant le 1er octobre, le comité de décision [2 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2 arrête, pour les conventions conclues avant le 1er janvier 2016, les nouveaux montants des bourses de doctorat des première et deuxième périodes de bourse pour l'année académique suivante de sorte que l'évolution globale de leur montant net est au même niveau que l'évolution globale du salaire net des membres du personnel académique assistant des universités dans la Communauté flamande. Le comité de décision [2 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2 tient compte de l'indice des salaires du personnel académique assistant au 1er octobre (WB1).
Par mois, un montant de 24,79 euros est retenu sur le montant net de la bourse. Le montant cumulé de ces retenues est payé au boursier sous la forme d'une prime si le boursier concerné a soutenu sa thèse de doctorat avant l'expiration de la deuxième période de validité de la bourse ou dans les six mois suivant la fin de la deuxième période de validité de la bourse.
Pour les bourses prenant cours le 1er janvier 2016 via le FWO le montant de la bourse est limité au salaire net que le bénéficiaire obtiendrait en tant qu'assistant à une université de la Communauté flamande (échelles de traitement applicables au personnel académique assistant des universités en Communauté flamande conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2011). La bourse est ajustée à l'ancienneté pécuniaire attribuée à la personne concernée. La bourse tient compte de la situation familiale et est soumise à la Sécurité sociale. Le pécule de vacances et l'allocation de fin d'année correspond au pécule de vacances et à l'allocation de fin d'année que le bénéficiaire recevrait comme assistant à une université de la Communauté flamande.]1
Par mois, un montant de 24,79 euros est retenu sur le montant net de la bourse. Le montant cumulé de ces retenues est payé au boursier sous la forme d'une prime si le boursier concerné a soutenu sa thèse de doctorat avant l'expiration de la deuxième période de validité de la bourse ou dans les six mois suivant la fin de la deuxième période de validité de la bourse.
Pour les bourses prenant cours le 1er janvier 2016 via le FWO le montant de la bourse est limité au salaire net que le bénéficiaire obtiendrait en tant qu'assistant à une université de la Communauté flamande (échelles de traitement applicables au personnel académique assistant des universités en Communauté flamande conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2011). La bourse est ajustée à l'ancienneté pécuniaire attribuée à la personne concernée. La bourse tient compte de la situation familiale et est soumise à la Sécurité sociale. Le pécule de vacances et l'allocation de fin d'année correspond au pécule de vacances et à l'allocation de fin d'année que le bénéficiaire recevrait comme assistant à une université de la Communauté flamande.]1
Art.12. § 1. Tegelijkertijd met de beurs wordt een projectkostenvergoeding toegekend. De projectkostenvergoeding dekt de kosten van de universiteit voor de uitvoering van de activiteiten van het doctoraatsproject.
§ 2. Het bedrag van de projectkostenvergoeding wordt door [1 het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3]1 uniform voor alle bursalen, en per termijn van twee jaar vastgesteld, rekening houdend met de middelen die daarvoor uitgetrokken zijn in de toelage, vermeld in artikel 14.
§ 3. De projectkostenvergoeding wordt uitbetaald per maand tegelijkertijd met de uitbetaling van de beurs en in de mate dat die uitbetaling verschuldigd is.
§ 4. Op het ogenblik dat de bursaal zijn activiteiten voor het project definitief staakt, eindigt het recht op de projectkostenvergoeding voor de universiteit.
[2 Wanneer]2 [1 het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3]1 een einde stelt aan de beurs van de bursaal, eindigt het recht op de projectkostenvergoeding voor de universiteit op het einde van de maand, [2 waarin]2 IWT zijn beslissing mededeelt aan de bursaal en aan de universiteit.
§ 5. De gemachtigde van de universiteit verbindt er zich namens zijn instelling in de overeenkomst tot toekenning van de beurs toe om in verband met de projectkostenvergoeding de volgende gebruiksvoorwaarden in het algemeen na te doen leven :
1° kosten alleen als projectkosten te verrekenen met de schriftelijke goedkeuring van de bursaal en de wetenschappelijk promotor;
2° geen aandeel te verrekenen van centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1993 tot regeling van de centrale beheerskosten en de algemene exploitatiekosten van de universiteiten, verbonden aan de uitvoering van de wetenschappelijke activiteiten die door de Vlaamse gemeenschap gefinancierd worden;
3° geen uitgaven te imputeren, die al werden aangerekend op een andere financiering.
§ 6. [1 De gemachtigde van de universiteit verklaart er zich tevens toe bereid om tegenover het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3 of zijn aangestelde de toepassing van de gebruiksvoorwaarden, vermeld in voorgaande paragraaf, te bewijzen volgens de modaliteiten die het beslissingscomité bij het Hermesfonds per universiteit bepaalt.]1
§ 7. [1 Indien het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3 vaststelt dat aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 5, 1° niet is voldaan zal de universiteit zich onmiddellijk in regel stellen met dit voorschrift voor alle projecten die op dat ogenblik lopen.
Indien blijkt dat niet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 5, 2° en 3°, wordt voldaan, zal de aanrekening op de projectkostenvergoeding van elk op dat ogenblik lopend project beperkt worden tot de betalingen op de originele facturen van de leveranciers, die de terechte aanrekening als specifieke uitgave voor het project kunnen verantwoorden en betaalt de universiteit aan het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3 voor elk project het verschil terug tussen die aanrekeningen en de ontvangen projectkostenvergoedingen.]1
§ 8. [1 In geval de universiteit niet meewerkt aan de bewijsregeling, vermeld in paragraaf 6 of in gebreke blijft ten opzichte van de regeling, vermeld in paragraaf 7, kan het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3 de verdere uitbetaling van de projectkostenvergoeding geheel of gedeeltelijk opschorten voor alle of een gedeelte van de lopende projecten bij die universiteit.]1
§ 9. De [2 raad van bestuur]2 van het IWT kan detailaspecten in verband met de projectkostenvergoeding volgens dit artikel regelen in een aanvullend reglement.
§ 10. In toepassing van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2006/C 323/01) verbinden alle begunstigden van de projectkostenvergoeding zich ertoe de kosten en financiering van de door hen eventuele uitgeoefende economische activiteiten duidelijk te onderscheiden van de in het kader van dit besluit ontvangen projectkostenvergoeding.
[1 § 11. Voor de beurzen die starten vanaf 1 januari 2016 via het FWO gelden paragraaf 1 tot en met 10 niet. De begunstigde van de beurs toegekend vanaf 1 januari 2016 ontvangt een werkingstoelage. De [2 raad van bestuur]2 van het FWO legt de modaliteiten vast in een intern reglement.]1
§ 2. Het bedrag van de projectkostenvergoeding wordt door [1 het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3]1 uniform voor alle bursalen, en per termijn van twee jaar vastgesteld, rekening houdend met de middelen die daarvoor uitgetrokken zijn in de toelage, vermeld in artikel 14.
§ 3. De projectkostenvergoeding wordt uitbetaald per maand tegelijkertijd met de uitbetaling van de beurs en in de mate dat die uitbetaling verschuldigd is.
§ 4. Op het ogenblik dat de bursaal zijn activiteiten voor het project definitief staakt, eindigt het recht op de projectkostenvergoeding voor de universiteit.
[2 Wanneer]2 [1 het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3]1 een einde stelt aan de beurs van de bursaal, eindigt het recht op de projectkostenvergoeding voor de universiteit op het einde van de maand, [2 waarin]2 IWT zijn beslissing mededeelt aan de bursaal en aan de universiteit.
§ 5. De gemachtigde van de universiteit verbindt er zich namens zijn instelling in de overeenkomst tot toekenning van de beurs toe om in verband met de projectkostenvergoeding de volgende gebruiksvoorwaarden in het algemeen na te doen leven :
1° kosten alleen als projectkosten te verrekenen met de schriftelijke goedkeuring van de bursaal en de wetenschappelijk promotor;
2° geen aandeel te verrekenen van centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1993 tot regeling van de centrale beheerskosten en de algemene exploitatiekosten van de universiteiten, verbonden aan de uitvoering van de wetenschappelijke activiteiten die door de Vlaamse gemeenschap gefinancierd worden;
3° geen uitgaven te imputeren, die al werden aangerekend op een andere financiering.
§ 6. [1 De gemachtigde van de universiteit verklaart er zich tevens toe bereid om tegenover het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3 of zijn aangestelde de toepassing van de gebruiksvoorwaarden, vermeld in voorgaande paragraaf, te bewijzen volgens de modaliteiten die het beslissingscomité bij het Hermesfonds per universiteit bepaalt.]1
§ 7. [1 Indien het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3 vaststelt dat aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 5, 1° niet is voldaan zal de universiteit zich onmiddellijk in regel stellen met dit voorschrift voor alle projecten die op dat ogenblik lopen.
Indien blijkt dat niet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 5, 2° en 3°, wordt voldaan, zal de aanrekening op de projectkostenvergoeding van elk op dat ogenblik lopend project beperkt worden tot de betalingen op de originele facturen van de leveranciers, die de terechte aanrekening als specifieke uitgave voor het project kunnen verantwoorden en betaalt de universiteit aan het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3 voor elk project het verschil terug tussen die aanrekeningen en de ontvangen projectkostenvergoedingen.]1
§ 8. [1 In geval de universiteit niet meewerkt aan de bewijsregeling, vermeld in paragraaf 6 of in gebreke blijft ten opzichte van de regeling, vermeld in paragraaf 7, kan het beslissingscomité bij het [3 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]3 de verdere uitbetaling van de projectkostenvergoeding geheel of gedeeltelijk opschorten voor alle of een gedeelte van de lopende projecten bij die universiteit.]1
§ 9. De [2 raad van bestuur]2 van het IWT kan detailaspecten in verband met de projectkostenvergoeding volgens dit artikel regelen in een aanvullend reglement.
§ 10. In toepassing van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2006/C 323/01) verbinden alle begunstigden van de projectkostenvergoeding zich ertoe de kosten en financiering van de door hen eventuele uitgeoefende economische activiteiten duidelijk te onderscheiden van de in het kader van dit besluit ontvangen projectkostenvergoeding.
[1 § 11. Voor de beurzen die starten vanaf 1 januari 2016 via het FWO gelden paragraaf 1 tot en met 10 niet. De begunstigde van de beurs toegekend vanaf 1 januari 2016 ontvangt een werkingstoelage. De [2 raad van bestuur]2 van het FWO legt de modaliteiten vast in een intern reglement.]1
Art.12. § 1er. Simultanément avec la bourse, une indemnité des frais de projet est accordée. L'indemnité des frais de projet couvre les frais exposés par l'université pour la réalisation des activités du projet de doctorat.
§ 2. Le montant de l'indemnité des frais de projet est arrêté par [1 le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3]1, de manière uniforme pour tous les boursiers, et par période de deux ans, en tenant compte des ressources prévues à cet effet à l'allocation visée à l'article 14.
§ 3. L'indemnité des frais de projet est payée par mois, simultanément avec le paiement de la bourse, et dans la mesure où ce paiement est dû.
§ 4. Au moment où le boursier cesse définitivement ses activités pour le projet, le droit à l'indemnité des frais de projet pour l'université prend fin.
Lorsque [1 le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3]1 met fin à la bourse du boursier, le droit à l'indemnité des frais de projet pour l'université prend fin à la fin du mois auquel l'IWT communique sa décision au boursier et à l'université.
§ 5. Le mandataire de l'université s'engage au nom de l'institution dans la convention d'octroi de la bourse à faire respecter les conditions d'utilisation générales suivantes en ce qui concerne l'indemnité des frais de projet :
1° ne porter en compte des frais en tant que frais de projet que moyennant l'approbation écrite du boursier et du promoteur scientifique;
2° ne pas porter en compte une partie des frais de gestion centrale et des frais généraux d'exploitation, tels que visés à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 1993 réglant le remboursement des frais de gestion centrale et des frais généraux d'exploitation des universités, ayant trait à la réalisation des activités scientifiques financées par la Communauté flamande;
3° ne pas imputer des dépenses qui ont déjà été imputées sur un autre financement.
§ 6. [1 Le mandataire de l'université se déclare également prêt à prouver, à l'égard du comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3 ou son préposé, l'application des conditions d'utilisation visées au paragraphe précédent, selon les modalités fixées par université par le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3.]1
§ 7. [1 Si le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3 constate que les conditions visées au paragraphe 5, 1°, ne sont pas remplies, l'université se conformera immédiatement à cette directive pour tous les projets en cours à ce moment-là.
Lorsqu'il s'avère que les conditions visées au paragraphe 5, 2° et 3°, ne sont pas observées, les paiements à porter en compte pour l'indemnité des frais de projet seront limités pour chaque projet en cours au montant des factures originales des fournisseurs dont l'imputation à bon droit en tant que dépense spécifique du projet peut être justifiée, et l'université rembourse [3 au Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3 pour chaque projet la différence entre ces imputations et les indemnités des frais de projet reçues.]1
§ 8. [1 Si l'université n'apporte son concours au régime de la preuve, visé au paragraphe 6, ou reste en défaut par rapport au régime, visé au paragraphe 7, le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3 peut suspendre le paiement ultérieur de l'indemnité des frais de projet en tout ou en partie pour l'ensemble ou une partie des projets en cours auprès de cette université.]1
§ 9. Le [2 conseil d'administration]2 de l'IWT peut régler des aspects de détail relatifs à l'indemnité des frais de projet selon le présent article dans un règlement complémentaire.
§ 10. En application de l'encadrement communautaire des aides d'Etat à la recherche, au développement et à l'innovation (2006/C 323/01), les bénéficiaires de l'indemnité des frais de projet s'engagent à établir une distinction claire entre les frais et le fonctionnement des activités économiques éventuellement exercées par eux et l'indemnité des frais de projet reçue dans le cadre du présent arrêté.
[1 § 11. Aux bourses prenant cours le 1er janvier 2016 via le FWO, les paragraphes 1 à 10 ne s'appliquent pas. Le bénéficiaire de la bourse attribuée à partir du 1er janvier 2016 reçoit une allocation de fonctionnement. Le [2 conseil d'administration]2 du FWO détermine les modalités dans un règlement interne.]1
§ 2. Le montant de l'indemnité des frais de projet est arrêté par [1 le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3]1, de manière uniforme pour tous les boursiers, et par période de deux ans, en tenant compte des ressources prévues à cet effet à l'allocation visée à l'article 14.
§ 3. L'indemnité des frais de projet est payée par mois, simultanément avec le paiement de la bourse, et dans la mesure où ce paiement est dû.
§ 4. Au moment où le boursier cesse définitivement ses activités pour le projet, le droit à l'indemnité des frais de projet pour l'université prend fin.
Lorsque [1 le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3]1 met fin à la bourse du boursier, le droit à l'indemnité des frais de projet pour l'université prend fin à la fin du mois auquel l'IWT communique sa décision au boursier et à l'université.
§ 5. Le mandataire de l'université s'engage au nom de l'institution dans la convention d'octroi de la bourse à faire respecter les conditions d'utilisation générales suivantes en ce qui concerne l'indemnité des frais de projet :
1° ne porter en compte des frais en tant que frais de projet que moyennant l'approbation écrite du boursier et du promoteur scientifique;
2° ne pas porter en compte une partie des frais de gestion centrale et des frais généraux d'exploitation, tels que visés à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 1993 réglant le remboursement des frais de gestion centrale et des frais généraux d'exploitation des universités, ayant trait à la réalisation des activités scientifiques financées par la Communauté flamande;
3° ne pas imputer des dépenses qui ont déjà été imputées sur un autre financement.
§ 6. [1 Le mandataire de l'université se déclare également prêt à prouver, à l'égard du comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3 ou son préposé, l'application des conditions d'utilisation visées au paragraphe précédent, selon les modalités fixées par université par le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3.]1
§ 7. [1 Si le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3 constate que les conditions visées au paragraphe 5, 1°, ne sont pas remplies, l'université se conformera immédiatement à cette directive pour tous les projets en cours à ce moment-là.
Lorsqu'il s'avère que les conditions visées au paragraphe 5, 2° et 3°, ne sont pas observées, les paiements à porter en compte pour l'indemnité des frais de projet seront limités pour chaque projet en cours au montant des factures originales des fournisseurs dont l'imputation à bon droit en tant que dépense spécifique du projet peut être justifiée, et l'université rembourse [3 au Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3 pour chaque projet la différence entre ces imputations et les indemnités des frais de projet reçues.]1
§ 8. [1 Si l'université n'apporte son concours au régime de la preuve, visé au paragraphe 6, ou reste en défaut par rapport au régime, visé au paragraphe 7, le comité de décision [3 du Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]3 peut suspendre le paiement ultérieur de l'indemnité des frais de projet en tout ou en partie pour l'ensemble ou une partie des projets en cours auprès de cette université.]1
§ 9. Le [2 conseil d'administration]2 de l'IWT peut régler des aspects de détail relatifs à l'indemnité des frais de projet selon le présent article dans un règlement complémentaire.
§ 10. En application de l'encadrement communautaire des aides d'Etat à la recherche, au développement et à l'innovation (2006/C 323/01), les bénéficiaires de l'indemnité des frais de projet s'engagent à établir une distinction claire entre les frais et le fonctionnement des activités économiques éventuellement exercées par eux et l'indemnité des frais de projet reçue dans le cadre du présent arrêté.
[1 § 11. Aux bourses prenant cours le 1er janvier 2016 via le FWO, les paragraphes 1 à 10 ne s'appliquent pas. Le bénéficiaire de la bourse attribuée à partir du 1er janvier 2016 reçoit une allocation de fonctionnement. Le [2 conseil d'administration]2 du FWO détermine les modalités dans un règlement interne.]1
Art.13. De bursaal rapporteert op het einde van elke beurstermijn over de uitvoering van het onderzoeksproject. Er is tevens een rapportageplicht indien de bursaal zelf vraagt het genot van de beurs om welke reden dan ook te staken.
Art.13. A la fin de chaque période de bourse, le boursier fait rapport sur l'exécution du projet de recherche. Il y a également une obligation de faire rapport si le boursier lui-même demande d'arrêter le bénéfice de la bourse pour quelque raison que ce soit.
Art.14. De Vlaamse Gemeenschap stelt jaarlijks financiële middelen ter beschikking van het [1 FWO]1 voor de bekostiging van de doctoraatsbeurzen [2 , inclusief de projectkostenvergoeding]2.
De financiële middelen worden maandelijks per twaalfde voor de twintigste van elke maand ter beschikking gesteld van het IWT.
De financiële middelen worden maandelijks per twaalfde voor de twintigste van elke maand ter beschikking gesteld van het IWT.
Art.14. La Communauté flamande met annuellement des moyens financiers à disposition de l'IWT pour payer les bourses de doctorat [2 , y compris le remboursement des frais de projet]2.
Les moyens financiers sont mis à disposition [1 du FWO]1 mensuellement par douzième, avant le vingtième jour de chaque mois.
Les moyens financiers sont mis à disposition [1 du FWO]1 mensuellement par douzième, avant le vingtième jour de chaque mois.
Art.16. Het [1 FWO]1 kan ten hoogste 2 % van de toelage, vermeld in artikel 14, aanwenden voor het dekken van de beheerskosten.
Art.16. [1 Le FWO]1 peut affecter au maximum 2 % de l'allocation, visée à l'article 14, pour couvrir les frais de gestion.
Wijzigingen
Art.17. Het [1 FWO]1 rapporteert jaarlijks over het wetenschappelijk, administratief en financieel beheer van het stelsel van de doctoraatsbeurzen. Het jaarverslag omvat minimaal een overzicht van alle aangevraagde en toegekende doctoraatsbeurzen met vermelding van de onderzoeksprojecten, een verdeling van de bursalen per universiteit en per wetenschapsdomein, en een gedetailleerd financieel verslag.
Het jaarverslag bevat ook een hoofdstuk gewijd aan de ontwikkeling van het stelsel en aan de beleidsuitgangspunten en beleidsactiviteit ter zake.
Het jaarverslag bevat ook een hoofdstuk gewijd aan de ontwikkeling van het stelsel en aan de beleidsuitgangspunten en beleidsactiviteit ter zake.
Art.17. [1 Le FWO]1 fait annuellement rapport relatif à la gestion scientifique, administrative et financière du régime des bourses de doctorat. Le rapport annuel comprend au minimum un aperçu de toutes les bourses de doctorat demandées et octroyées, avec mention des projets de recherche, une division des boursiers par université et par domaine scientifique, et un rapport financier détaillé.
Le rapport annuel comprend également un chapitre consacré au développement du régime et aux points de départ et à l'activité de politique en la matière.
Le rapport annuel comprend également un chapitre consacré au développement du régime et aux points de départ et à l'activité de politique en la matière.
Wijzigingen
Art.18. Indien uit het jaarverslag, vermeld in artikel 17, blijkt dat het [1 FWO]1 een deel van de overheidsbijdrage heeft gebruikt voor doeleinden in strijd met dit besluit, wordt een overeenkomstig bedrag in mindering gebracht van de maandelijkse termijnen, dan wel teruggevorderd.
Art.18. S'il résulte du rapport annuel, visé à l'article 17, que [1 du FWO]1 a utilisé une partie de la contribution publique à des fins contraires au présent arrêté, un montant correspondant est déduit des mensualités, soit recouvré.
Wijzigingen
Art.19. Het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 1994 houdende regeling van de toekenning van specialisatiebeurzen door het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de Industrie, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994, 14 februari 1996 en 19 december 1997, wordt opgeheven.
Art.19. L'arrêté du Gouvernement flamand du 26 janvier 1994 réglant l'octroi de bourses de spécialisation par le "Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie" (IWT) (Institut flamand pour la promotion de la recherche scientifique-technologique dans l'industrie), modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 juin 1994, 14 février 1996 et 19 décembre 1997, est abrogé.
Art.20. Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch staatsblad, met uitzondering van artikel 2, § 3, tweede lid, 2° [1 , dat in werking treedt]1 op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.
Art.20. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l'exception de l'article 2, § 3, alinéa deux, 2° [1 , qui entre en vigueur]1 à une date à fixer par le Gouvernement flamand.
Wijzigingen
Art.21. De Vlaamse minister, bevoegd voor het technologisch innovatiebeleid, is belast met uitvoering van dit besluit.
Art.21. Le Ministre flamand qui a la politique de l'innovation technologique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Toelichting bij het besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de toekenning van doctoraatsbeurzen voor de uitvoering van projecten van strategisch basisonderzoek.
Toelichting
Dit besluit vervangt het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 1994 houdende regeling van de toekenning van specialisatiebeurzen door het IWT en de hierop volgende besluiten van de Vlaamse Regering (29 juni 1994, 14 februari 1996 en 19 december 1997 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 1994).
De wijzigingen t.o.v. het besluit van 1994 kunnen in drie grote stappen samengevat worden.
1. Een wijziging van de finaliteit.
a. Een focus van het onderwerp op strategisch basisonderzoek.
b. De afschaffing van de beperking op basis van diploma's (studiegebieden) om toegang te krijgen tot het stelsel.
2. De afschaffing van de beperking tot EU-nationaliteit om toegang te krijgen tot het stelsel.
3. Vereenvoudiging van de evaluatie voor een tweede termijnbeurs.
Art. 1. 3° Definitie van strategisch basisonderzoek.
In het besluit wordt de definitie uit het decreet overgenomen. In de context van doctoraatsbeurs wordt de term strategisch basisonderzoek begrepen als doctoraatswaardig en vernieuwend onderzoek dat, in geval van succes, op langere termijn aanleiding kan geven tot toepassingen in de industrie en de maatschappij.
Voor doctoraatsbeurzen voldoet strategisch basisonderzoek steeds aan minstens twee basiscriteria :
1. het onderzoek is vernieuwend en biedt voldoende intellectuele uitdagingen om een doctoraat uit te voeren;
2. het onderzoek biedt een duidelijk potentieel voor latere toepassingen met een economische of maatschappelijke finaliteit.
De mogelijkheid om te resulteren in een toepassing in geval van succes en de adequate afstemming van de onderzoeksstrategie op deze mogelijkheid zijn beide essentiële elementen van het strategisch karakter van een doctoraatsaanvraag m.b.t. het potentieel voor latere toepassingen.
6° Voor de definitie van een onderzoeksorganisatie wordt de definitie overgenomen zoals bepaald in de Europese kaderregeling (2006/C 323/01).
Art. 2. De finaliteit van het strategisch basisonderzoek kan zowel economisch als maatschappelijk zijn. Een economische finaliteit kan een bedrijfseconomische toepassing zijn in een aantal specifieke bedrijven, maar ook een collectief voordeel voor een sector, of een voordeel van socio-economische aard.
Het Artikel 2 voorziet de mogelijkheid dat naast leden van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) en onderzoeksdirecteurs van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen ook andere onderzoekers verbonden aan de universiteit kunnen optreden als wetenschappelijke begeleider, maar enkel op voorwaarde dat de universitaire overheid garant staat voor continuïteit en kwaliteit van de begeleiding.
Om voldoende kwaliteit en continuïteit te kunnen bieden dient de begeleider minstens houder te zijn van een doctoraat en minstens een vooruitzicht op een aanstelling te hebben die de duur van het mandaat overspant. De verklaring van de universitaire overheid dient minstens deze twee punten te bevestigen.
Art. 3. Het stelsel van de doctoraatsbeurzen voor de uitvoering van projecten van strategisch basisonderzoek staat ook open voor buitenlanders. De kandidaten voor een doctoraatsbeurs dienen ofwel onderdaan te zijn van een E.E.R.- lidstaat (E.U. uitgebreid met IJsland Noorwegen en Liechtenstein) of van Zwitserland, ofwel houder te zijn van een diploma uitgereikt door een E.E.R.-lidstaat of Zwitserland. De diplomavereisten slaan op het diploma dat voldoet aan de diplomavereisten voor kandidaatstelling zoals toegelicht in Art. 4.
Art. 4. In tegenstelling tot het voorgaande besluit van 26 januari 1994 is er niet langer een beperking op basis van studiegebied. De basisvereiste is dat de kandidaat houder is van een diploma dat minstens evenwaardig is aan een volwaardig Master-diploma (= Master diploma dat aansluit op een Bachelor-diploma) uitgereikt in België.
Art. 5. Er zijn twee beperkingen die gelegd worden op het Master-diploma dat toegang geeft tot het doctoraatsonderzoek. Ten eerste dient dit diploma behaald te zijn met de vermelding onderscheiding of evenwaardig. Ten tweede dient dit diploma behaald te zijn binnen vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag.
Wanneer een kandidaat meerdere Master-diploma's bezit zijn beide bepalingen van toepassing op het diploma dat aansluit bij het doctoraatsonderzoek. De reden hiervoor is om te vermijden dat kandidaten die na een eerste Master-diploma een tweede Master-diploma behalen, en doctoraatsonderzoek opstarten op basis van dit tweede diploma, zouden afgerekend worden op het eerste diploma dat niet langer relevant is voor hun doctoraatsonderzoek. Indien kandidaten met een tweede Master-diploma er toch zouden voor kiezen om een doctoraatsonderzoek op te starten dat aansluit bij hun eerste diploma, maar manifest geen relatie heeft met hun tweede diploma, wordt het eerste diploma in rekening genomen voor beide bepalingen. Bij kandidaten met meerdere Master-diploma's kunnen beide bepalingen enkel in rekening gebracht worden voor een ander dan het eerste diploma voor zover dit diploma behaald werd binnen een termijn van maximaal vijf jaar na het behalen van het eerste Master-diploma.
Art. 6. Voor de evaluatie gelden drie grote beoordelingscriteria
1. De kwaliteit van de kandidaat-bursaal. Dit betreft zowel de wetenschappelijke vakkennis als zijn/haar potentiële bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van een doctoraatsonderzoek. Redeneervermogen en kritische geest zijn hierbij twee belangrijke aandachtspunten.
2. De kwaliteit van het onderzoeksproject. Dit omvat de wetenschappelijke kwaliteit van het voorstel, maar ook de realiseerbaarheid binnen de beursperiode.
3. De strategische aard van het onderzoeksproject m.b.t. een mogelijke economische en/of maatschappelijke toepasbaarheid van de resultaten op termijn.
Gezien het langetermijn-karakter en de opleidingscomponent mogen toepasbaarheid en strategisch karakter bij een doctoraatsbeurs niet te beperkend geïnterpreteerd te worden. De essentie is dat het doctoraatsonderzoek van een [1 FWO]1-beurs niet langer enkel gepositioneerd wordt in functie van kennisopbouw maar tevens gezien wordt als middel om een bijdrage te leveren aan industrie en maatschappij.
Het toepassingsgericht karakter wordt steeds benaderd vanuit de invalshoek dat de toekenning van beurzen opleiding van onderzoekers betreft. Het is de bedoeling de kandidaten te stimuleren onderzoek uit te voeren dat op lange termijn een bijdrage kan leveren aan de maatschappij of het bedrijfsleven. Het is geenszins de bedoeling om enkel nog zaken te steunen die renderen' op korte termijn. Er dient dus steeds voldoende ruimte te worden voorzien om te experimenteren en risico's te nemen. De toegevoegde waarde van het toepassingsgericht aspect ligt niet zozeer in de rechtstreekse valorisatie van de resultaten, maar in de opleiding van onderzoekers die leren denken vanuit een strategisch kader en leren hun onderzoek te positioneren in een ruimer toegepast kader.
Bij de evaluatie van toepasbaarheid zal een appreciatie gegeven worden vanuit verschillende invalshoeken zoals hieronder toegelicht.
- Strategisch belang van de onderzoeksaanpak voor de beoogde toepassingen (= relevantie).
Draagt het onderzoek in geval van succes effectief bij tot de beoogde toepassingen ? Is de gekozen onderzoeksaanpak de beste om de beoogde toepassing te bereiken ? Hierbij dient rekening gehouden te worden met de complexiteit van de toepassing in verschillende domeinen.
-Strategisch belang van de potentiële toepassingen voor mogelijke gebruikers.
Aannemend dat de onderzoeksaanpak effectief gericht is naar een toepassing : is deze toepassing relevant ? Is er een aantoonbare impact voor industrie en maatschappij ? Is de impact van de toepassingen zoals beschreven in de aanvraag realistisch en geloofwaardig ? Is dit, rekening houdend met de complexiteit van de toepassing in verschillende domeinen, in de praktijk haalbaar ?
Bij dit criterium wordt voor de beurzen met een economische finaliteit de meerwaarde voor de industrie in Vlaanderen opgenomen als een bonus, hoewel het geen vereiste is.
- Aansluiting bij een ruimere strategische ambitie van het laboratorium.
Is de toepassingsgerichte beursaanvraag een alleenstaand feit of sluit dit aan bij een ruimere ambitie van het laboratorium naar strategisch onderzoek ? Inpassing van een dergelijk doctoraatsproject in een bestaand strategisch onderzoekskader zal de geloofwaardigheid en haalbaarheid van de beoogde toepassing ten goede komen. Bij evaluatie mag deze invalshoek evenwel niet resulteren in een positieve discriminatie van kandidaten uit succesvolle laboratoria terwijl nieuwe initiatieven uit kleinere onderzoekgroepen gefnuikt zouden worden.
- Bijdrage aan vorming van de student
Biedt de beurs de mogelijkheid bij te dragen tot de vorming van de studenten m.b.t. toepassingsgericht onderzoek en is daar aandacht voor in de aanvraag ?
Deze vier invalshoeken vormen de peilers waarop de score voor toepasbaarheid steunt. Voor projecten met een economische en maatschappelijke finaliteit gelden dezelfde deelcriteria, maar zal de invulling aangepast worden aan de specifieke finaliteit. De manier waarop de vier deelcriteria bijdragen tot één score zal verder uitgewerkt worden in een richtlijn door de Raad van Bestuur die door alle commissies van deskundigen op een eenvormige wijze zal geïmplementeerd worden. Dit is een onderdeel van het interne reglement waarvan sprake in het artikel 7. De toekenning van een bonus' voor de meerwaarde voor de industrie in Vlaanderen zal op een transparante en objectiveerbare manier opgenomen worden in bovenvernoemde richtlijn.
Art. 8. De Raad van Bestuur stelt de commissies van deskundigen samen. De Raad van Bestuur regelt de werking van deze commissies in een intern reglement, waarbij aandacht zal geschonken worden aan het vermijden van mogelijke belangenconflicten. De Raad van Bestuur zal hierbij een duidelijk richtlijn uitvaardigen om te bepalen wanneer deskundigen uitgesloten worden op basis van affiliatie in geval deze te sterk overlapt met de affiliatie van de kandidaat. De Raad van Bestuur zal in het reglement ook voorzien in de ondertekening van een confidentialiteitsverklaring om vertrouwelijkheid te vrijwaren.
Voor een optimale samenstelling van de commissies van deskundigen geldt dat ten minste een derde van het aantal leden betrokken dient te zijn bij onderzoek en ontwikkeling in de bedrijfswereld. Om een evenwicht te behouden werd dit artikel uitgebreid met de bepaling dat ten minste een derde van de leden dient verbonden te zijn aan een hoger onderwijsinstelling of een onderzoekscentrum.
Art. 10. De doctoraatsbeurzen worden toegekend als twee aaneensluitende beurstermijnen. De evaluatie, toekenning en opvolging van de eerste beurstermijn verlopen grotendeels zoals gangbaar bij uitvoering van het besluit van 26 januari 1994. De toekenning van de tweede beurstermijn werd ingrijpend vereenvoudigd. De huidige procedure steunt op onderstaande elementen.
Voor het bekomen van een tweede beurstermijn, moet de bursaal een beursaanvraag (inclusief een voortgangsrapport) en een advies van de promotor indienen bij het [1 FWO]1. Bij de beslissing over de toekenning van een tweede beurstermijn baseert het [1 FWO]1 zich op het advies van de promotor maar heeft het [1 FWO]1 het recht om de promotor en/of bursaal op eender welk ogenblik op te roepen om toelichtingen te verschaffen over het verloop van de werkzaamheden.
De bursaal heeft het recht, ongeacht het advies van de promotor, om het [1 FWO]1 te verzoeken voor een commissie van externe deskundigen te verschijnen voor de verdediging van de beursaanvraag. Het oordeel van deze commissie heeft steeds voorrang op het advies van de promotor bij de al dan niet toekenning van de beursverlenging. De raad van bestuur van het [1 FWO]1 legt in een reglement de modaliteiten hiervoor vast.
De mogelijkheid om op eender welk ogenblik de promotor en/of bursaal op te roepen, is belangrijk om, in afwezigheid van een tussentijdse evaluatie door het [1 FWO]1, misbruik te voorkomen. Voor de mogelijke repercussie bij het vaststellen van misbruik of niet correcte invulling van de afspraken bij steunverlening is geen nieuwe regelgeving vereist, daar dit neerkomt op een normale opvolging van de uitvoering van de contractuele afspraken.
Een bijzondere vorm van opvolging betreft de invulling van de strategische doelstellingen waarvoor steun toegekend was.
Bij evaluatie is de keuze voor onderzoeksonderwerpen met een potentieel voor economische of maatschappelijke toepasbaarheid op termijn een belangrijk selectiecriterium. Het is evident dat ook bij de uitvoering deze keuze dient gerespecteerd te blijven. Vanzelfsprekend zijn verschuivingen in werkplan en innovatiedoel mogelijk, maar het grotendeels achterwege blijven van de strategische context zou in strijd zijn met het principe van toekenning. Daarom zal het [1 FWO]1 het tussentijds verslag nazien op de invulling van het toegepaste karakter en bij twijfel over correcte uitvoering de kandidaat of promotor ter verantwoording roepen. Hierbij wordt de performantie van de kandidaat niet in vraag gesteld, maar ligt de nadruk op de correcte uitvoering van de projectdoelstellingen.
Art. 11. Het artikel 11 regelt de modaliteiten voor het vaststellen van het beursbedrag. Tegelijkertijd met de beurs wordt een projectonkostenvergoeding toegekend. De modaliteiten voor deze projectonkostenvergoeding worden geregeld in het artikel 12.
Art. 21. Het besluit treedt in werking op datum van publicatie, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2, § 3, tweede lid 2° en artikel 3, 2°. Deze treden in werking op de datum die door de Vlaamse regering zal worden vastgesteld. Deze artikels betreffen de openstelling naar een maatschappelijke finaliteit en de openstelling naar kandidaten die geen onderdaan zijn van een E.E.R.-lidstaat of Zwitserland.
In het huidige besluit wordt de mogelijkheid voorzien om beurzen te steunen met een potentiële economische of maatschappelijke toepasbaarheid. Bij inwerkingtreding van het besluit zal de toekenning beperkt blijven tot beurzen met een economische toepasbaarheid. De implementatie van beurzen met een zuivere maatschappelijke toepasbaarheid blijft vervolgens afhankelijk van een latere beslissing van de Vlaamse Regering.
In artikel 3, 2° wordt de openstelling voorzien voor kandidaten die geen onderdaan zijn van een E.E.R. lidstaat of Zwitserland. Bij inwerkingtreding van het besluit blijft de toekenning van beurzen beperkt tot onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Later zal dit verruimd worden naar kandidaten die in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een lidstaat van de E.E.R. of Zwitserland ongeacht hun nationaliteit, op de datum die door de Vlaamse regering zal worden vastgesteld
Toelichting
Dit besluit vervangt het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 1994 houdende regeling van de toekenning van specialisatiebeurzen door het IWT en de hierop volgende besluiten van de Vlaamse Regering (29 juni 1994, 14 februari 1996 en 19 december 1997 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 1994).
De wijzigingen t.o.v. het besluit van 1994 kunnen in drie grote stappen samengevat worden.
1. Een wijziging van de finaliteit.
a. Een focus van het onderwerp op strategisch basisonderzoek.
b. De afschaffing van de beperking op basis van diploma's (studiegebieden) om toegang te krijgen tot het stelsel.
2. De afschaffing van de beperking tot EU-nationaliteit om toegang te krijgen tot het stelsel.
3. Vereenvoudiging van de evaluatie voor een tweede termijnbeurs.
Art. 1. 3° Definitie van strategisch basisonderzoek.
In het besluit wordt de definitie uit het decreet overgenomen. In de context van doctoraatsbeurs wordt de term strategisch basisonderzoek begrepen als doctoraatswaardig en vernieuwend onderzoek dat, in geval van succes, op langere termijn aanleiding kan geven tot toepassingen in de industrie en de maatschappij.
Voor doctoraatsbeurzen voldoet strategisch basisonderzoek steeds aan minstens twee basiscriteria :
1. het onderzoek is vernieuwend en biedt voldoende intellectuele uitdagingen om een doctoraat uit te voeren;
2. het onderzoek biedt een duidelijk potentieel voor latere toepassingen met een economische of maatschappelijke finaliteit.
De mogelijkheid om te resulteren in een toepassing in geval van succes en de adequate afstemming van de onderzoeksstrategie op deze mogelijkheid zijn beide essentiële elementen van het strategisch karakter van een doctoraatsaanvraag m.b.t. het potentieel voor latere toepassingen.
6° Voor de definitie van een onderzoeksorganisatie wordt de definitie overgenomen zoals bepaald in de Europese kaderregeling (2006/C 323/01).
Art. 2. De finaliteit van het strategisch basisonderzoek kan zowel economisch als maatschappelijk zijn. Een economische finaliteit kan een bedrijfseconomische toepassing zijn in een aantal specifieke bedrijven, maar ook een collectief voordeel voor een sector, of een voordeel van socio-economische aard.
Het Artikel 2 voorziet de mogelijkheid dat naast leden van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) en onderzoeksdirecteurs van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen ook andere onderzoekers verbonden aan de universiteit kunnen optreden als wetenschappelijke begeleider, maar enkel op voorwaarde dat de universitaire overheid garant staat voor continuïteit en kwaliteit van de begeleiding.
Om voldoende kwaliteit en continuïteit te kunnen bieden dient de begeleider minstens houder te zijn van een doctoraat en minstens een vooruitzicht op een aanstelling te hebben die de duur van het mandaat overspant. De verklaring van de universitaire overheid dient minstens deze twee punten te bevestigen.
Art. 3. Het stelsel van de doctoraatsbeurzen voor de uitvoering van projecten van strategisch basisonderzoek staat ook open voor buitenlanders. De kandidaten voor een doctoraatsbeurs dienen ofwel onderdaan te zijn van een E.E.R.- lidstaat (E.U. uitgebreid met IJsland Noorwegen en Liechtenstein) of van Zwitserland, ofwel houder te zijn van een diploma uitgereikt door een E.E.R.-lidstaat of Zwitserland. De diplomavereisten slaan op het diploma dat voldoet aan de diplomavereisten voor kandidaatstelling zoals toegelicht in Art. 4.
Art. 4. In tegenstelling tot het voorgaande besluit van 26 januari 1994 is er niet langer een beperking op basis van studiegebied. De basisvereiste is dat de kandidaat houder is van een diploma dat minstens evenwaardig is aan een volwaardig Master-diploma (= Master diploma dat aansluit op een Bachelor-diploma) uitgereikt in België.
Art. 5. Er zijn twee beperkingen die gelegd worden op het Master-diploma dat toegang geeft tot het doctoraatsonderzoek. Ten eerste dient dit diploma behaald te zijn met de vermelding onderscheiding of evenwaardig. Ten tweede dient dit diploma behaald te zijn binnen vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag.
Wanneer een kandidaat meerdere Master-diploma's bezit zijn beide bepalingen van toepassing op het diploma dat aansluit bij het doctoraatsonderzoek. De reden hiervoor is om te vermijden dat kandidaten die na een eerste Master-diploma een tweede Master-diploma behalen, en doctoraatsonderzoek opstarten op basis van dit tweede diploma, zouden afgerekend worden op het eerste diploma dat niet langer relevant is voor hun doctoraatsonderzoek. Indien kandidaten met een tweede Master-diploma er toch zouden voor kiezen om een doctoraatsonderzoek op te starten dat aansluit bij hun eerste diploma, maar manifest geen relatie heeft met hun tweede diploma, wordt het eerste diploma in rekening genomen voor beide bepalingen. Bij kandidaten met meerdere Master-diploma's kunnen beide bepalingen enkel in rekening gebracht worden voor een ander dan het eerste diploma voor zover dit diploma behaald werd binnen een termijn van maximaal vijf jaar na het behalen van het eerste Master-diploma.
Art. 6. Voor de evaluatie gelden drie grote beoordelingscriteria
1. De kwaliteit van de kandidaat-bursaal. Dit betreft zowel de wetenschappelijke vakkennis als zijn/haar potentiële bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van een doctoraatsonderzoek. Redeneervermogen en kritische geest zijn hierbij twee belangrijke aandachtspunten.
2. De kwaliteit van het onderzoeksproject. Dit omvat de wetenschappelijke kwaliteit van het voorstel, maar ook de realiseerbaarheid binnen de beursperiode.
3. De strategische aard van het onderzoeksproject m.b.t. een mogelijke economische en/of maatschappelijke toepasbaarheid van de resultaten op termijn.
Gezien het langetermijn-karakter en de opleidingscomponent mogen toepasbaarheid en strategisch karakter bij een doctoraatsbeurs niet te beperkend geïnterpreteerd te worden. De essentie is dat het doctoraatsonderzoek van een [1 FWO]1-beurs niet langer enkel gepositioneerd wordt in functie van kennisopbouw maar tevens gezien wordt als middel om een bijdrage te leveren aan industrie en maatschappij.
Het toepassingsgericht karakter wordt steeds benaderd vanuit de invalshoek dat de toekenning van beurzen opleiding van onderzoekers betreft. Het is de bedoeling de kandidaten te stimuleren onderzoek uit te voeren dat op lange termijn een bijdrage kan leveren aan de maatschappij of het bedrijfsleven. Het is geenszins de bedoeling om enkel nog zaken te steunen die renderen' op korte termijn. Er dient dus steeds voldoende ruimte te worden voorzien om te experimenteren en risico's te nemen. De toegevoegde waarde van het toepassingsgericht aspect ligt niet zozeer in de rechtstreekse valorisatie van de resultaten, maar in de opleiding van onderzoekers die leren denken vanuit een strategisch kader en leren hun onderzoek te positioneren in een ruimer toegepast kader.
Bij de evaluatie van toepasbaarheid zal een appreciatie gegeven worden vanuit verschillende invalshoeken zoals hieronder toegelicht.
- Strategisch belang van de onderzoeksaanpak voor de beoogde toepassingen (= relevantie).
Draagt het onderzoek in geval van succes effectief bij tot de beoogde toepassingen ? Is de gekozen onderzoeksaanpak de beste om de beoogde toepassing te bereiken ? Hierbij dient rekening gehouden te worden met de complexiteit van de toepassing in verschillende domeinen.
-Strategisch belang van de potentiële toepassingen voor mogelijke gebruikers.
Aannemend dat de onderzoeksaanpak effectief gericht is naar een toepassing : is deze toepassing relevant ? Is er een aantoonbare impact voor industrie en maatschappij ? Is de impact van de toepassingen zoals beschreven in de aanvraag realistisch en geloofwaardig ? Is dit, rekening houdend met de complexiteit van de toepassing in verschillende domeinen, in de praktijk haalbaar ?
Bij dit criterium wordt voor de beurzen met een economische finaliteit de meerwaarde voor de industrie in Vlaanderen opgenomen als een bonus, hoewel het geen vereiste is.
- Aansluiting bij een ruimere strategische ambitie van het laboratorium.
Is de toepassingsgerichte beursaanvraag een alleenstaand feit of sluit dit aan bij een ruimere ambitie van het laboratorium naar strategisch onderzoek ? Inpassing van een dergelijk doctoraatsproject in een bestaand strategisch onderzoekskader zal de geloofwaardigheid en haalbaarheid van de beoogde toepassing ten goede komen. Bij evaluatie mag deze invalshoek evenwel niet resulteren in een positieve discriminatie van kandidaten uit succesvolle laboratoria terwijl nieuwe initiatieven uit kleinere onderzoekgroepen gefnuikt zouden worden.
- Bijdrage aan vorming van de student
Biedt de beurs de mogelijkheid bij te dragen tot de vorming van de studenten m.b.t. toepassingsgericht onderzoek en is daar aandacht voor in de aanvraag ?
Deze vier invalshoeken vormen de peilers waarop de score voor toepasbaarheid steunt. Voor projecten met een economische en maatschappelijke finaliteit gelden dezelfde deelcriteria, maar zal de invulling aangepast worden aan de specifieke finaliteit. De manier waarop de vier deelcriteria bijdragen tot één score zal verder uitgewerkt worden in een richtlijn door de Raad van Bestuur die door alle commissies van deskundigen op een eenvormige wijze zal geïmplementeerd worden. Dit is een onderdeel van het interne reglement waarvan sprake in het artikel 7. De toekenning van een bonus' voor de meerwaarde voor de industrie in Vlaanderen zal op een transparante en objectiveerbare manier opgenomen worden in bovenvernoemde richtlijn.
Art. 8. De Raad van Bestuur stelt de commissies van deskundigen samen. De Raad van Bestuur regelt de werking van deze commissies in een intern reglement, waarbij aandacht zal geschonken worden aan het vermijden van mogelijke belangenconflicten. De Raad van Bestuur zal hierbij een duidelijk richtlijn uitvaardigen om te bepalen wanneer deskundigen uitgesloten worden op basis van affiliatie in geval deze te sterk overlapt met de affiliatie van de kandidaat. De Raad van Bestuur zal in het reglement ook voorzien in de ondertekening van een confidentialiteitsverklaring om vertrouwelijkheid te vrijwaren.
Voor een optimale samenstelling van de commissies van deskundigen geldt dat ten minste een derde van het aantal leden betrokken dient te zijn bij onderzoek en ontwikkeling in de bedrijfswereld. Om een evenwicht te behouden werd dit artikel uitgebreid met de bepaling dat ten minste een derde van de leden dient verbonden te zijn aan een hoger onderwijsinstelling of een onderzoekscentrum.
Art. 10. De doctoraatsbeurzen worden toegekend als twee aaneensluitende beurstermijnen. De evaluatie, toekenning en opvolging van de eerste beurstermijn verlopen grotendeels zoals gangbaar bij uitvoering van het besluit van 26 januari 1994. De toekenning van de tweede beurstermijn werd ingrijpend vereenvoudigd. De huidige procedure steunt op onderstaande elementen.
Voor het bekomen van een tweede beurstermijn, moet de bursaal een beursaanvraag (inclusief een voortgangsrapport) en een advies van de promotor indienen bij het [1 FWO]1. Bij de beslissing over de toekenning van een tweede beurstermijn baseert het [1 FWO]1 zich op het advies van de promotor maar heeft het [1 FWO]1 het recht om de promotor en/of bursaal op eender welk ogenblik op te roepen om toelichtingen te verschaffen over het verloop van de werkzaamheden.
De bursaal heeft het recht, ongeacht het advies van de promotor, om het [1 FWO]1 te verzoeken voor een commissie van externe deskundigen te verschijnen voor de verdediging van de beursaanvraag. Het oordeel van deze commissie heeft steeds voorrang op het advies van de promotor bij de al dan niet toekenning van de beursverlenging. De raad van bestuur van het [1 FWO]1 legt in een reglement de modaliteiten hiervoor vast.
De mogelijkheid om op eender welk ogenblik de promotor en/of bursaal op te roepen, is belangrijk om, in afwezigheid van een tussentijdse evaluatie door het [1 FWO]1, misbruik te voorkomen. Voor de mogelijke repercussie bij het vaststellen van misbruik of niet correcte invulling van de afspraken bij steunverlening is geen nieuwe regelgeving vereist, daar dit neerkomt op een normale opvolging van de uitvoering van de contractuele afspraken.
Een bijzondere vorm van opvolging betreft de invulling van de strategische doelstellingen waarvoor steun toegekend was.
Bij evaluatie is de keuze voor onderzoeksonderwerpen met een potentieel voor economische of maatschappelijke toepasbaarheid op termijn een belangrijk selectiecriterium. Het is evident dat ook bij de uitvoering deze keuze dient gerespecteerd te blijven. Vanzelfsprekend zijn verschuivingen in werkplan en innovatiedoel mogelijk, maar het grotendeels achterwege blijven van de strategische context zou in strijd zijn met het principe van toekenning. Daarom zal het [1 FWO]1 het tussentijds verslag nazien op de invulling van het toegepaste karakter en bij twijfel over correcte uitvoering de kandidaat of promotor ter verantwoording roepen. Hierbij wordt de performantie van de kandidaat niet in vraag gesteld, maar ligt de nadruk op de correcte uitvoering van de projectdoelstellingen.
Art. 11. Het artikel 11 regelt de modaliteiten voor het vaststellen van het beursbedrag. Tegelijkertijd met de beurs wordt een projectonkostenvergoeding toegekend. De modaliteiten voor deze projectonkostenvergoeding worden geregeld in het artikel 12.
Art. 21. Het besluit treedt in werking op datum van publicatie, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2, § 3, tweede lid 2° en artikel 3, 2°. Deze treden in werking op de datum die door de Vlaamse regering zal worden vastgesteld. Deze artikels betreffen de openstelling naar een maatschappelijke finaliteit en de openstelling naar kandidaten die geen onderdaan zijn van een E.E.R.-lidstaat of Zwitserland.
In het huidige besluit wordt de mogelijkheid voorzien om beurzen te steunen met een potentiële economische of maatschappelijke toepasbaarheid. Bij inwerkingtreding van het besluit zal de toekenning beperkt blijven tot beurzen met een economische toepasbaarheid. De implementatie van beurzen met een zuivere maatschappelijke toepasbaarheid blijft vervolgens afhankelijk van een latere beslissing van de Vlaamse Regering.
In artikel 3, 2° wordt de openstelling voorzien voor kandidaten die geen onderdaan zijn van een E.E.R. lidstaat of Zwitserland. Bij inwerkingtreding van het besluit blijft de toekenning van beurzen beperkt tot onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Later zal dit verruimd worden naar kandidaten die in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een lidstaat van de E.E.R. of Zwitserland ongeacht hun nationaliteit, op de datum die door de Vlaamse regering zal worden vastgesteld
Art. N. (Annexe non traduite, voir version néerlandaise)