Artikel 1. § 1. De bevoegdheden van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering zijn de volgende :
1° advies verlenen over de functionele bevoegdheden van het lid van de Vlaamse Regering en over die aspecten van het regeringsbeleid, waar de regering collegiaal over beslist;
2° advies verlenen over de inhoudelijke voorstellen van de administratie op het vlak van beleidsondersteuning en op het vlak van aansturing en opvolging van de beleidsuitvoering;
3° advies verlenen over aangelegenheden die invloed kunnen uitoefenen op het algemeen beleid van de Vlaamse Regering of op de werkzaamheden van het Vlaams Parlement;
4° verzorgen van het secretariaat van het lid van de Vlaamse Regering en de behandeling van de persoonlijke briefwisseling van het lid van de Vlaamse Regering;
5° instaan voor het woordvoerderschap inzake het beleid van het lid van de Vlaamse Regering.
§ 2. De samenwerking tussen Vlaamse Regering en administratie, op het vlak van taken en verantwoordelijkheden, informatie-uitwisseling en woordvoerderschap, wordt geconcretiseerd in een generiek afsprakenkader, dat door elk lid van de Vlaamse Regering kan worden aangevuld met specifieke praktische werkregelingen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 JULI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-08-2009 en tekstbijwerking tot 31-10-2025)
Titre
24 JUILLET 2009. - Arrêté du Gouvernement flamand portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-08-2009 et mise à jour au 31-10-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheden
HOOFDSTUK II. - Samenstelling van de kabinetten
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Stafleden
Afdeling 3. - Uitvoerende personeelsleden
Afdeling 4. - Aanvullende personeelsleden
Afdeling 5. - Tijdelijke ondersteuning uittrede...
HOOFDSTUK III. - Werking
Hoofdstuk III/1. [1 - Interne werking]1
HOOFDSTUK IV. - Financieel statuut [1 en rechts...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Terugbetaling aan de instelling v...
Afdeling 3. [1 - Vergoedingen, toelagen en soci...
Afdeling 4. [1 Verloven en afwezigheden]1
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Compétences
CHAPITRE II. - Composition des cabinets
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Cadres
Section 3. - Membres du personnel d'exécution
Section 4. - Membres du personnel de complément
Section 5. - Soutien temporaire des Ministres s...
CHAPITRE III. - Fonctionnement
Chapitre III/1. [1 - Fonctionnement interne]1
CHAPITRE IV. - Statut financier [1 et statut ju...
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Remboursement à l'institution d'or...
Section 3. [1 - Indemnités, allocations et avan...
Section 4. [1 Congés et absences]1
CHAPITRE V. - Dispositions finales
Tekst (49)
Texte (49)
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheden
CHAPITRE Ier. - Compétences
Article 1er. § 1er. Les compétences des cabinets des membres du Gouvernement flamand sont les suivants :
1° rendre des avis sur les compétences fonctionnelles du membre du Gouvernement flamand et sur les aspects de la politique gouvernementale dont le Gouvernement décide de manière collégiale;
2° rendre des avis sur les propositions de fond formulées par l'administration au niveau de l'aide à la décision politique et au niveau du pilotage et du suivi de l'exécution de la politique;
3° rendre des avis sur des matières susceptibles d'exercer une influence sur la politique générale du Gouvernement flamand ou sur les activités du Parlement flamand;
4° assurer le secrétariat du membre du Gouvernement flamand et le traitement de la correspondance personnelle du membre du Gouvernement flamand;
5° assurer la fonction de porte-parole en matière de gestion du membre du Gouvernement flamand.
§ 2. La coopération entre le Gouvernement flamand et l'administration, au niveau des tâches et responsabilités, des échanges d'information et de la fonction de porte-parole, sera concrétisée dans un cadre générique d'accords, qui peut être complété par chaque membre du Gouvernement flamand avec des régimes de travail pratiques spécifiques.
1° rendre des avis sur les compétences fonctionnelles du membre du Gouvernement flamand et sur les aspects de la politique gouvernementale dont le Gouvernement décide de manière collégiale;
2° rendre des avis sur les propositions de fond formulées par l'administration au niveau de l'aide à la décision politique et au niveau du pilotage et du suivi de l'exécution de la politique;
3° rendre des avis sur des matières susceptibles d'exercer une influence sur la politique générale du Gouvernement flamand ou sur les activités du Parlement flamand;
4° assurer le secrétariat du membre du Gouvernement flamand et le traitement de la correspondance personnelle du membre du Gouvernement flamand;
5° assurer la fonction de porte-parole en matière de gestion du membre du Gouvernement flamand.
§ 2. La coopération entre le Gouvernement flamand et l'administration, au niveau des tâches et responsabilités, des échanges d'information et de la fonction de porte-parole, sera concrétisée dans un cadre générique d'accords, qui peut être complété par chaque membre du Gouvernement flamand avec des régimes de travail pratiques spécifiques.
HOOFDSTUK II. - Samenstelling van de kabinetten
CHAPITRE II. - Composition des cabinets
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 2. Bij de indienstneming op een kabinet zal gestreefd worden naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen.
Art. 2. Lors des engagements à un cabinet, on visera une représentation plus équilibrée d'hommes et de femmes.
Art. 3. De leden van de Vlaamse Regering beschikken over een kabinet dat bestaat uit stafleden, uitvoerend personeel en aanvullend personeel.
Art. 3. Les membres du Gouvernement flamand disposent d'un cabinet composé de cadres, de personnel d'exécution et de personnel de complément.
Art. 4. De personeelsleden van de kabinetten kunnen gedetacheerd of aangesteld worden.
[1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° gedetacheerd personeelslid: een personeelslid dat met instemming van zijn werkgever van herkomst tijdelijk op een kabinet werkt en van wie het salaris verder betaald wordt door de werkgever van herkomst.
2° aangestelde personeelslid: een personeelslid van wie het salaris niet betaald wordt door een werkgever van herkomst maar door het kabinet als vermeld in artikel 20, § 1 3° en § 2 2°. ]1
[1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° gedetacheerd personeelslid: een personeelslid dat met instemming van zijn werkgever van herkomst tijdelijk op een kabinet werkt en van wie het salaris verder betaald wordt door de werkgever van herkomst.
2° aangestelde personeelslid: een personeelslid van wie het salaris niet betaald wordt door een werkgever van herkomst maar door het kabinet als vermeld in artikel 20, § 1 3° en § 2 2°. ]1
Art. 4. Les membres du personnel des cabinets peuvent être détachés ou désignés.
[1 Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° membre du personnel détaché : un membre du personnel qui, avec l'accord de son employeur d'origine, travaille temporairement dans un cabinet et dont le traitement reste à la charge de l'employeur d'origine.
2° membre du personnel désigné : un membre du personnel dont le traitement n'est pas à la charge de l'employeur d'origine mais du cabinet tel que visé à l'article 20, § 1er, 3° et § 2, 2°.]1
[1 Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° membre du personnel détaché : un membre du personnel qui, avec l'accord de son employeur d'origine, travaille temporairement dans un cabinet et dont le traitement reste à la charge de l'employeur d'origine.
2° membre du personnel désigné : un membre du personnel dont le traitement n'est pas à la charge de l'employeur d'origine mais du cabinet tel que visé à l'article 20, § 1er, 3° et § 2, 2°.]1
Wijzigingen
Art. 5. Met uitzondering van de personeelsleden van de onderwijsinrichtingen georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, van de universitaire ziekenhuizen en van de provinciale en lokale besturen, mogen de personeelsleden van de openbare diensten, aangewezen om deel uit te maken van een kabinet, noch hun betrekking, noch de bevoegdheden ervan verder blijven uitoefenen.
[1 In geen geval mogen medewerkers door werkgevers kosteloos ter beschikking worden gesteld van een kabinet van de Vlaamse Regering.]1
[1 In geen geval mogen medewerkers door werkgevers kosteloos ter beschikking worden gesteld van een kabinet van de Vlaamse Regering.]1
Art. 5. A l'exception des membres du personnel des établissements d'enseignement, organisés ou subventionnés par la Communauté flamande, des hôpitaux universitaires et des pouvoirs provinciaux et locaux, les membres du personnel des services publics désignés à faire partie d'un cabinet, ne peuvent continuer à exercer ni leur fonction, ni les compétences y afférentes.
[1 Des collaborateurs par des employeurs ne peuvent en aucun cas être mis à la disposition d'un cabinet du Gouvernement flamand à titre gratuit.]1
[1 Des collaborateurs par des employeurs ne peuvent en aucun cas être mis à la disposition d'un cabinet du Gouvernement flamand à titre gratuit.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Stafleden
Section 2. - Cadres
Art. 6. § 1. Voor de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in artikel 1, kan een beroep worden gedaan :
1° bij het kabinet van de minister-president, en met uitsluiting van het bepaalde in 3°, op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet van de minister-president;
b) één kabinetschef, belast met [3 de inhoudelijke beleidsmateries van de minister-president]3;
c) één woordvoerder;
d) één privé-secretaris;
e) één kabinetssecretaris;
f) zestien raadgevers;
2° bij het kabinet van een viceminister-president, en met uitsluiting van het bepaalde in 3° en het bepaalde in § 2, op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet van de viceminister-president;
b) één kabinetschef, belast met inhoudelijke beleidsmateries van de viceminister-president;
c) één woordvoerder;
d) één privé-secretaris;
e) één kabinetssecretaris;
f) zestien raadgevers;
3° bij het kabinet van een Vlaamse minister op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet;
b) dertien raadgevers voor de beleidsondersteuning, voor de functie van kabinetssecretaris en/of privé-secretaris en voor het woordvoerderschap;
4° [2 ...]2
§ 2. [1 Onverminderd het bepaalde in § 1, 3° kunnen negen stafleden verdeeld toegewezen worden aan een Vlaams minister in functie van de bevoegdheidsverdeling binnen de Vlaamse Regering.]1
§ 3. De minister-president en de viceminister-presidenten kunnen aan vijf raadgevers de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen.
De Vlaamse minister kan aan twee raadgevers de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen. In functie van een correcte vervulling van de toegewezen bevoegdheden kan een minister mits toelating minister-president bijkomend één raadgever de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen.
Het lid van de Vlaamse Regering kan één raadgever belasten met een bijzondere en tijdelijke opdracht van een dergelijk niveau, dat de gelijkstelling van deze functie met de rang van kabinetschef toegelaten is.
1° bij het kabinet van de minister-president, en met uitsluiting van het bepaalde in 3°, op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet van de minister-president;
b) één kabinetschef, belast met [3 de inhoudelijke beleidsmateries van de minister-president]3;
c) één woordvoerder;
d) één privé-secretaris;
e) één kabinetssecretaris;
f) zestien raadgevers;
2° bij het kabinet van een viceminister-president, en met uitsluiting van het bepaalde in 3° en het bepaalde in § 2, op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet van de viceminister-president;
b) één kabinetschef, belast met inhoudelijke beleidsmateries van de viceminister-president;
c) één woordvoerder;
d) één privé-secretaris;
e) één kabinetssecretaris;
f) zestien raadgevers;
3° bij het kabinet van een Vlaamse minister op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet;
b) dertien raadgevers voor de beleidsondersteuning, voor de functie van kabinetssecretaris en/of privé-secretaris en voor het woordvoerderschap;
4° [2 ...]2
§ 2. [1 Onverminderd het bepaalde in § 1, 3° kunnen negen stafleden verdeeld toegewezen worden aan een Vlaams minister in functie van de bevoegdheidsverdeling binnen de Vlaamse Regering.]1
§ 3. De minister-president en de viceminister-presidenten kunnen aan vijf raadgevers de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen.
De Vlaamse minister kan aan twee raadgevers de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen. In functie van een correcte vervulling van de toegewezen bevoegdheden kan een minister mits toelating minister-president bijkomend één raadgever de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen.
Het lid van de Vlaamse Regering kan één raadgever belasten met een bijzondere en tijdelijke opdracht van een dergelijk niveau, dat de gelijkstelling van deze functie met de rang van kabinetschef toegelaten is.
Art. 6. § 1er. Pour l'exercice des attributions énumérées à l'article 1er, il peut être fait appel à :
1° au cabinet du Ministre-Président, et à l'exclusion des dispositions au 3°, :
a) un chef de cabinet chargé de la direction générale du cabinet du Ministre-Président;
b) un chef de cabinet chargé [3 des matières politiques de fond du Ministre-Président]3;
c) un porte-parole;
d) un secrétaire privé;
e) un secrétaire de cabinet;
f) seize conseillers;
2° au cabinet d'un Vice-Ministre-Président, et à l'exclusion des dispositions au 3° et des dispositions au § 2, :
a) un chef de cabinet chargé de la direction générale du cabinet du Vice-Ministre-Président;
b) un chef de cabinet chargé de matières politiques de fond du Vice-Ministre-Président;
c) un porte-parole;
d) un secrétaire privé;
e) un secrétaire de cabinet;
f) seize conseillers;
3° au cabinet d'un Ministre flamand :
a) un chef de cabinet chargé de la direction générale du cabinet;
b) treize conseillers pour l'aide à la décision politique, pour la fonction de secrétaire de cabinet et/ou secrétaire privé et pour la fonction de porte-parole;
4° [2 ...]2
§ 2. [1 Sans préjudice des dispositions du § 1er, 3°, neuf cadres peuvent être attribués à un Ministre flamand en fonction de la répartition des compétences au sein du Gouvernement flamand.]1
§ 3. Le Ministre-Président et les Vice-ministres-Présidents peuvent confier à cinq conseillers la fonction de chef de cabinet adjoint.
Le Ministre flamand peut confier à deux conseillers la fonction de chef de cabinet adjoint. En fonction d'un accomplissement correct des compétences attribuées, un Ministre peut en outre confier à un conseiller la fonction de chef de cabinet adjoint, moyennant l'autorisation du Ministre-Président.
Le membre du Gouvernement flamand peut conférer à un conseiller une mission spéciale et temporaire d'un niveau tel que l'équivalence de cette fonction avec le rang de chef de cabinet est autorisée.
1° au cabinet du Ministre-Président, et à l'exclusion des dispositions au 3°, :
a) un chef de cabinet chargé de la direction générale du cabinet du Ministre-Président;
b) un chef de cabinet chargé [3 des matières politiques de fond du Ministre-Président]3;
c) un porte-parole;
d) un secrétaire privé;
e) un secrétaire de cabinet;
f) seize conseillers;
2° au cabinet d'un Vice-Ministre-Président, et à l'exclusion des dispositions au 3° et des dispositions au § 2, :
a) un chef de cabinet chargé de la direction générale du cabinet du Vice-Ministre-Président;
b) un chef de cabinet chargé de matières politiques de fond du Vice-Ministre-Président;
c) un porte-parole;
d) un secrétaire privé;
e) un secrétaire de cabinet;
f) seize conseillers;
3° au cabinet d'un Ministre flamand :
a) un chef de cabinet chargé de la direction générale du cabinet;
b) treize conseillers pour l'aide à la décision politique, pour la fonction de secrétaire de cabinet et/ou secrétaire privé et pour la fonction de porte-parole;
4° [2 ...]2
§ 2. [1 Sans préjudice des dispositions du § 1er, 3°, neuf cadres peuvent être attribués à un Ministre flamand en fonction de la répartition des compétences au sein du Gouvernement flamand.]1
§ 3. Le Ministre-Président et les Vice-ministres-Présidents peuvent confier à cinq conseillers la fonction de chef de cabinet adjoint.
Le Ministre flamand peut confier à deux conseillers la fonction de chef de cabinet adjoint. En fonction d'un accomplissement correct des compétences attribuées, un Ministre peut en outre confier à un conseiller la fonction de chef de cabinet adjoint, moyennant l'autorisation du Ministre-Président.
Le membre du Gouvernement flamand peut conférer à un conseiller une mission spéciale et temporaire d'un niveau tel que l'équivalence de cette fonction avec le rang de chef de cabinet est autorisée.
Afdeling 3. - Uitvoerende personeelsleden
Section 3. - Membres du personnel d'exécution
Art. 7. Bij het kabinet van de minister-president en de viceminister-presidenten bestaat het uitvoerend personeel uit maximaal vijftien personeelsleden, met uitsluiting van het bepaalde in het tweede lid.
Bij het kabinet van de Vlaamse minister bestaat het uitvoerend personeel uit maximaal negen uitvoerende personeelsleden.
[1 ...]1
Bij het kabinet van de Vlaamse minister bestaat het uitvoerend personeel uit maximaal negen uitvoerende personeelsleden.
[1 ...]1
Art. 7. Le personnel d'exécution du cabinet du Ministre-Président et des Vice-Ministres-Présidents est composé de quinze membres du personnel au maximum, à l'exclusion des dispositions de l'alinéa deux.
Le personnel d'exécution du cabinet du Ministre flamand est composé de neuf membres du personnel au maximum.
[1 ...]1
Le personnel d'exécution du cabinet du Ministre flamand est composé de neuf membres du personnel au maximum.
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 8. Binnen de perken van de kabinetsbegroting kunnen de leden van de Vlaamse Regering een functie van uitvoerend personeelslid omzetten in een functie van staflid.
Art. 8. Dans les limites du budget du cabinet, les membres du Gouvernement flamand peuvent transposer une fonction de membre du personnel d'exécution en une fonction de cadre.
Afdeling 4. - Aanvullende personeelsleden
Section 4. - Membres du personnel de complément
Art. 9. Bij het kabinet van de minister-president en de viceminister-presidenten bestaat het aanvullend personeel uit maximaal vijf personeelsleden, met uitsluiting van het bepaalde in het tweede lid.
Bij het kabinet van de Vlaamse minister bestaat het aanvullend personeel uit maximaal drie personeelsleden.
[1 Mits een gemotiveerd besluit van de minister-president kan een viceminister-president functies van aanvullend personeelslid afstaan en toewijzen aan een kabinet van een Vlaamse minister.]1
Ambtenaren van niveau A en titularissen van gelijkwaardige graden die behoren tot andere openbare diensten of tot de gesubsidieerde onderwijsinrichtingen, mogen geen deel uitmaken van het aanvullend personeel.
Bij het kabinet van de Vlaamse minister bestaat het aanvullend personeel uit maximaal drie personeelsleden.
[1 Mits een gemotiveerd besluit van de minister-president kan een viceminister-president functies van aanvullend personeelslid afstaan en toewijzen aan een kabinet van een Vlaamse minister.]1
Ambtenaren van niveau A en titularissen van gelijkwaardige graden die behoren tot andere openbare diensten of tot de gesubsidieerde onderwijsinrichtingen, mogen geen deel uitmaken van het aanvullend personeel.
Art. 9. Le personnel de complément du cabinet du Ministre-Président et des Vice-Ministres-Présidents est composé de cinq membres du personnel au maximum, à l'exclusion des dispositions de l'alinéa deux.
Le personnel de complément du cabinet du Ministre flamand est composé de trois membres du personnel au maximum.
[1 Moyennant un arrêté motivé du Ministre-Président, un Vice-Ministre-Président peut céder des fonctions de personnel de complément et les assigner à un cabinet d'un Ministre flamand.]1
Les fonctionnaires du niveau A et les titulaires de grades équivalents appartenant à d'autres services publics ou à des établissements d'enseignement subventionnés, ne peuvent faire partie du personnel de complément.
Le personnel de complément du cabinet du Ministre flamand est composé de trois membres du personnel au maximum.
[1 Moyennant un arrêté motivé du Ministre-Président, un Vice-Ministre-Président peut céder des fonctions de personnel de complément et les assigner à un cabinet d'un Ministre flamand.]1
Les fonctionnaires du niveau A et les titulaires de grades équivalents appartenant à d'autres services publics ou à des établissements d'enseignement subventionnés, ne peuvent faire partie du personnel de complément.
Wijzigingen
Art. 10. Binnen de perken van de kabinetsbegroting kunnen de leden van de Vlaamse Regering een functie van aanvullend personeelslid omzetten in een functie van staflid of uitvoerend personeelslid.
Art. 10. Dans les limites du budget du cabinet, les membres du Gouvernement flamand peuvent transposer une fonction de membre du personnel de complément en une fonction de cadre ou de membre du personnel d'exécution.
Art. 11. Voor het vervullen van facilitaire ondersteunende taken (schoonmaak, onthaal, catering, verzending, ICT, economaat, vervoer, ...) kunnen de leden van de Vlaamse Regering een beroep doen op personeelsleden uit de Vlaamse administratie, in overleg met de betrokken leidend ambtenaar en in overeenstemming met de bepalingen van het Vlaams Personeelsstatuut.
Art. 11. Pour l'accomplissement de tâches d'appui techniques (nettoyage, accueil, restauration, expédition, TIC, économat, transport, ...) les membres du Gouvernement flamand peuvent faire appel aux membres du personnel de l'administration flamande, en concertation avec le fonctionnaire dirigeant concerné et conformément aux dispositions du Statut du personnel flamand.
Afdeling 5. - Tijdelijke ondersteuning uittredende ministers
Section 5. - Soutien temporaire des Ministres sortants
Art. 12. [1 Bij het kabinet van de minister-president wordt een cel opgericht waarbij per uittredend lid van de Vlaamse Regering dat geen ministeriële functie meer uitoefent, noch deel uitmaakt van een wetgevende vergadering, in een medewerker wordt voorzien gedurende maximaal twee jaar te rekenen vanaf de datum van het beëindigen van de functie in de Vlaamse Regering.
Het salaris van de medewerker van een uittredend lid van de Vlaamse Regering mag de salarisschaal A212 niet overschrijden.
De medewerkers van deze cel maken deel uit van het kabinet van de minister-president, maar worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal stafleden en leden van het uitvoerend en aanvullend personeel waarover de minister-president volgens artikel 6, § 1, 1°, artikel 7, eerste lid, en artikel 9, eerste lid, kan beschikken.]1
Het salaris van de medewerker van een uittredend lid van de Vlaamse Regering mag de salarisschaal A212 niet overschrijden.
De medewerkers van deze cel maken deel uit van het kabinet van de minister-president, maar worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal stafleden en leden van het uitvoerend en aanvullend personeel waarover de minister-president volgens artikel 6, § 1, 1°, artikel 7, eerste lid, en artikel 9, eerste lid, kan beschikken.]1
Art. 12. [1 Au cabinet du Ministre-Président, il est créé une cellule dans laquelle est prévu, par membre sortant du Gouvernement flamand qui n'exerce plus de fonction ministérielle, ni fait partie d'une assemblée législative, un collaborateur pendant au maximum deux ans à compter de la date de cessation de la fonction au sein du Gouvernement flamand.
Le traitement d'un collaborateur d'un membre sortant du Gouvernement flamand ne peut pas dépasser l'échelle de traitement A212.
Les membres de cette cellule font partie du cabinet du Ministre-Président, mais ne sont pas pris en compte pour le calcul du nombre de cadres et de membres de personnel d'exécution et de complément et dont le Ministre-Président peut disposer conformément à l'article 6, § 1er, 1°, l'article 7, alinéa premier, et l'article 9, alinéa premier.]1
Le traitement d'un collaborateur d'un membre sortant du Gouvernement flamand ne peut pas dépasser l'échelle de traitement A212.
Les membres de cette cellule font partie du cabinet du Ministre-Président, mais ne sont pas pris en compte pour le calcul du nombre de cadres et de membres de personnel d'exécution et de complément et dont le Ministre-Président peut disposer conformément à l'article 6, § 1er, 1°, l'article 7, alinéa premier, et l'article 9, alinéa premier.]1
HOOFDSTUK III. - Werking
CHAPITRE III. - Fonctionnement
Art. 13. [1 § 1. Elke minister benoemt en ontslaat de personeelsleden van het eigen kabinet. Elke minister brengt de Vlaamse Regering met een mededeling op de hoogte van de benoeming en het ontslag van de kabinetschef en de adjunct-kabinetschef.
§ 2. Als het mandaat van een minister in de loop van een regeerperiode eindigt, zijn de personeelsleden van het eigen kabinet van rechtswege ontslagen met ingang van de datum van de beëindiging van het mandaat van de minister.
Aan het einde van een regeerperiode zijn alle personeelsleden van de kabinetten van rechtswege ontslagen met ingang van de datum van de beëdiging van de nieuwe Vlaamse Regering.]1
§ 2. Als het mandaat van een minister in de loop van een regeerperiode eindigt, zijn de personeelsleden van het eigen kabinet van rechtswege ontslagen met ingang van de datum van de beëindiging van het mandaat van de minister.
Aan het einde van een regeerperiode zijn alle personeelsleden van de kabinetten van rechtswege ontslagen met ingang van de datum van de beëdiging van de nieuwe Vlaamse Regering.]1
Art. 13. [1 § 1er. Chaque ministre désigne et licencie les membres du personnel de son propre cabinet. Chaque ministre informe le Gouvernement flamand de la désignation et du licenciement du chef de cabinet et du chef de cabinet adjoint par communication.
§ 2. Si le mandat d'un ministre prend fin au cours d'une législature, les membres du personnel de son cabinet sont licenciés de plein droit à compter de la date de cessation du mandat du ministre.
A la fin d'une législature, tous les membres du personnel des cabinets sont licenciés de plein droit à compter de la date de prestation de serment du nouveau Gouvernement flamand.]1
§ 2. Si le mandat d'un ministre prend fin au cours d'une législature, les membres du personnel de son cabinet sont licenciés de plein droit à compter de la date de cessation du mandat du ministre.
A la fin d'une législature, tous les membres du personnel des cabinets sont licenciés de plein droit à compter de la date de prestation de serment du nouveau Gouvernement flamand.]1
Wijzigingen
Art. 14. De kabinetschef kan [1 door het lid van de Vlaamse Regering dat de betrokkene benoemt en ontslaat,]1 gemachtigd worden de eretitel van zijn ambt te voeren, op voorwaarde dat hij dat ambt in een kabinet van de Vlaamse Regering gedurende ten minste twee jaar heeft waargenomen.
Art. 14. Le chef de cabinet peut être autorisé [1 par le membre du Gouvernement flamand qui nomme et licencie la personne concernée, ]1 à porter le titre honorifique de ses fonctions, à condition qu'il ait exercé ces fonctions dans un cabinet du Gouvernement flamand pendant au moins deux ans.
Wijzigingen
Art. 15. De kabinetschef of de adjunct-kabinetschef zendt de instructies en nota's van het lid van de Vlaamse Regering aan de departementen of de verzelfstandigde agentschappen door via hun respectievelijke leidend ambtenaar.
In zeer dringende gevallen of bij gebruik van e-mail kan hij van deze regel afwijken, voor zover hij de betrokken leidend ambtenaren onmiddellijk en ook schriftelijk, hetzij via dezelfde e-mail op de hoogte brengt.
In zeer dringende gevallen of bij gebruik van e-mail kan hij van deze regel afwijken, voor zover hij de betrokken leidend ambtenaren onmiddellijk en ook schriftelijk, hetzij via dezelfde e-mail op de hoogte brengt.
Art. 15. Le chef de cabinet ou le chef de cabinet adjoint envoie les instructions et les notes du membre du Gouvernement flamand aux départements ou aux agences autonomisées via leur fonctionnaire dirigeant respectif.
En cas d'urgence ou d'envoi par e-mail, il peut déroger à cette règle dans la mesure où les fonctionnaires dirigeants concernés en sont informés sans délai et également par écrit, soit par le même e-mail.
En cas d'urgence ou d'envoi par e-mail, il peut déroger à cette règle dans la mesure où les fonctionnaires dirigeants concernés en sont informés sans délai et également par écrit, soit par le même e-mail.
Hoofdstuk III/1. [1 - Interne werking]1
Chapitre III/1. [1 - Fonctionnement interne]1
Art. 15/1. [1 § 1. [2 Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 4 van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie.]2
§ 2. Het lid van de Vlaamse Regering, hierna de werkgever te noemen, stelt voor het personeel van zijn kabinet een informatiedocument op waarin de belangrijkste elementen van de arbeidsverhouding zijn vervat.
Het model van het informatiedocument, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
De werkgever brengt het informatiedocument schriftelijk ter kennis van zijn personeel, of deelt schriftelijk de plaats mee waar het kan worden geraadpleegd.
Door de werkgever aangebrachte wijzigingen aan het informatiedocument worden eveneens schriftelijk ter kennis gebracht van het personeel, of de werkgever deelt schriftelijk de plaats mee waar het kan worden geraadpleegd.]1
§ 2. Het lid van de Vlaamse Regering, hierna de werkgever te noemen, stelt voor het personeel van zijn kabinet een informatiedocument op waarin de belangrijkste elementen van de arbeidsverhouding zijn vervat.
Het model van het informatiedocument, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
De werkgever brengt het informatiedocument schriftelijk ter kennis van zijn personeel, of deelt schriftelijk de plaats mee waar het kan worden geraadpleegd.
Door de werkgever aangebrachte wijzigingen aan het informatiedocument worden eveneens schriftelijk ter kennis gebracht van het personeel, of de werkgever deelt schriftelijk de plaats mee waar het kan worden geraadpleegd.]1
Art. 15/1. [1 § 1er. [2 Le présent arrêté prévoit la transposition de l'article 4 de la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne.]2
§ 2. Le membre du Gouvernement flamand, dénommé ci-après l'employeur, établit pour le personnel de son cabinet un document d'information contenant les éléments principaux de sa relation de travail.
Le modèle du document d'information, visé à l'alinéa premier, est fixé par le Gouvernement flamand.
L'employeur informe son personnel par écrit du document d'information, ou communique par écrit l'endroit où il peut être consulté.
Les modifications que l'employeur apporte au document d'information, sont également communiquées par écrit au personnel, ou l'employeur communique par écrit l'endroit où il peut être consulté.]1
§ 2. Le membre du Gouvernement flamand, dénommé ci-après l'employeur, établit pour le personnel de son cabinet un document d'information contenant les éléments principaux de sa relation de travail.
Le modèle du document d'information, visé à l'alinéa premier, est fixé par le Gouvernement flamand.
L'employeur informe son personnel par écrit du document d'information, ou communique par écrit l'endroit où il peut être consulté.
Les modifications que l'employeur apporte au document d'information, sont également communiquées par écrit au personnel, ou l'employeur communique par écrit l'endroit où il peut être consulté.]1
Art. 15/2. [1 De [3 administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel]3 neemt de juridische beslissing met betrekking tot de erkenning van arbeidsongevallen en van ongevallen op de weg naar en van het werk, en met betrekking tot de toekenning van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, wat betreft de personeelsleden van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering. Hij kan de bevoegdheden, die hem in dit besluit zijn toegewezen inzake arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten delegeren aan een andere lijnmanager van een entiteit van een Vlaams ministerie.]1
Art. 15/2. [1 L' [3 administrateur général de l'Agence de la Fonction publique]3 prend la décision juridique concernant la reconnaissance d'accidents du travail et d'accidents survenus sur le chemin du travail et concernant l'octroi d'une indemnité en cas d'accident du travail, d'accident survenu sur le chemin du travail et de maladies professionnelles dans le secteur public, en ce qui concerne les membres du personnel des cabinets des membres du Gouvernement flamand. Il peut déléguer les compétences, lui attribuées dans le présent arrêté en ce qui concerne les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles, à un autre manager de ligne d'une entité d'un ministère flamand.]1
HOOFDSTUK IV. - Financieel statuut [1 en rechtspositie van de personeelsleden van de kabinetten]1
CHAPITRE IV. - Statut financier [1 et statut juridique des membres du personnel des cabinets]1
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art.15/3. [1 De personeelsleden van de kabinetten zijn onderworpen aan een regeling sui generis. Hun aanstelling of detachering is uitsluitend het gevolg van eenzijdige administratieve handelingen van een minister of de Vlaamse Regering met individuele strekking. De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is niet van toepassing, behalve in de uitzonderingsgevallen vermeld in dit besluit.
De gedetacheerde personeelsleden blijven onderworpen aan het sociale zekerheidsstatuut van hun werkgever van herkomst.
De aangestelde personeelsleden zijn onderworpen aan hetzelfde sociale zekerheidsstatuut als het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid en in het kader daarvan zijn hun werkgevers de ministeries van de Vlaamse Gemeenschap.]1
De gedetacheerde personeelsleden blijven onderworpen aan het sociale zekerheidsstatuut van hun werkgever van herkomst.
De aangestelde personeelsleden zijn onderworpen aan hetzelfde sociale zekerheidsstatuut als het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid en in het kader daarvan zijn hun werkgevers de ministeries van de Vlaamse Gemeenschap.]1
Art. 15/3. [1 Les membres du personnel des cabinets sont soumis à un régime sui generis. Leur désignation ou détachement sont uniquement le fruit d'actes administratifs unilatéraux à portée individuelle émanant d'un ministre ou du Gouvernement flamand. La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ne s'applique pas, sauf dans les cas exceptionnels prévus par le présent arrêté.
Les membres du personnel détachés restent soumis au statut de sécurité sociale de son employeur d'origine.
Les membres du personnel désignés sont soumis au même statut de sécurité sociale que le personnel contractuel des services de l'Autorité flamande et, dans ce cadre, leurs employeurs sont les ministères de la Communauté flamande.]1
Les membres du personnel détachés restent soumis au statut de sécurité sociale de son employeur d'origine.
Les membres du personnel désignés sont soumis au même statut de sécurité sociale que le personnel contractuel des services de l'Autorité flamande et, dans ce cadre, leurs employeurs sont les ministères de la Communauté flamande.]1
Art. 16. De loonlast van het personeel van de kabinetten wordt aangerekend op de kabinetsbegroting.
Art. 16. Les charges salariales du personnel des cabinets sont imputées au budget de cabinet.
Art. 17. Binnen de perken van de kabinetsbegroting wordt het salaris van het gedetacheerd en aangesteld kabinetspersoneel vastgesteld bij de aanwerving.
Art. 17. Dans les limites du budget du cabinet, le traitement du personnel de cabinet détaché et désigné est fixé lors du recrutement.
Art. 18. Het salaris van het personeel van de kabinetten wordt maandelijks na vervallen termijn uitbetaald.
Art. 18. Le traitement du personnel des cabinets est payé mensuellement à terme échu.
Art. 19. De salarissen zijn aan 100 % en volgen de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en onverminderd artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
De bedragen tegen 100 % worden gekoppeld aan het indexcijfer 138.01 (102.02).
De maandbedragen zijn gelijk aan 1/12 van de jaarbedragen.
Wanneer het maandbedrag niet volledig verschuldigd is wordt het gedeeltelijk uitbetaald overeenkomstig de regeling die in de diensten van de Vlaamse overheid van toepassing is inzake de betaling van het gedeeltelijk maandsalaris.
De bedragen tegen 100 % worden gekoppeld aan het indexcijfer 138.01 (102.02).
De maandbedragen zijn gelijk aan 1/12 van de jaarbedragen.
Wanneer het maandbedrag niet volledig verschuldigd is wordt het gedeeltelijk uitbetaald overeenkomstig de regeling die in de diensten van de Vlaamse overheid van toepassing is inzake de betaling van het gedeeltelijk maandsalaris.
Art. 19. Les traitements égalent 100 % et suivent l'évolution de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions prescrites par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifiée par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982 et sans préjudice de l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 en exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
Les montants à 100 % sont rattachés à l'indice-pivot 138.01 (102.02).
Les montants mensuels égalent 1/12 des montants annuels.
Lorsque le montant mensuel n'est pas entièrement dû, il est payé partiellement conformément au régime applicable dans les services de l'Autorité flamande en ce qui concerne le paiement du traitement mensuel partiel.
Les montants à 100 % sont rattachés à l'indice-pivot 138.01 (102.02).
Les montants mensuels égalent 1/12 des montants annuels.
Lorsque le montant mensuel n'est pas entièrement dû, il est payé partiellement conformément au régime applicable dans les services de l'Autorité flamande en ce qui concerne le paiement du traitement mensuel partiel.
Afdeling 2. - Terugbetaling aan de instelling van herkomst
Section 2. - Remboursement à l'institution d'origine
Art. 20. § 1. De geldelijke toestand van de personeelsleden van een kabinet die behoren tot een ministerie, een andere openbare dienst of een gesubsidieerde onderwijsinrichting, wordt als volgt geregeld :
1° De gedetacheerde personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid worden verder gesalarieerd door [2 hun entiteit]2 van herkomst. Dit salaris wordt door [2 de entiteit]2 voor de duur van de detachering aangerekend op de kabinetsbegroting. De personeelsleden ontvangen verder een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen.
2° Voor de gedetacheerde personeelsleden van andere ministeries, openbare diensten of gesubsidieerde onderwijsinrichtingen stort, indien de werkgever ermee instemt de betaling van het salaris voort te zetten, het lid van de Vlaamse Regering het salaris van het personeelslid, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en alle toelagen en vergoedingen inherent aan de uitgeoefende functie, alle berekend volgens de bepalingen die in de instelling van herkomst op hem van toepassing zijn, eventueel verhoogd met de werkgeversbijdragen aan de dienst van herkomst terug. De personeelsleden ontvangen verder een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen.
3° Indien de werkgever van de personeelsleden, genoemd in 2°, de betaling van het salaris stopzet, krijgen de personeelsleden hun salaris in toepassing van artikel 17 van dit besluit.
§ 2. De geldelijke toestand van de personeelsleden van een kabinet die niet behoren tot een ministerie, een andere openbare dienst of een gesubsidieerde onderwijsinrichting, wordt als volgt geregeld :
1° Indien de werkgever ermee instemt de betaling van het salaris voort te zetten, ontvangen de personeelsleden een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen. Het bevoegde lid van de Vlaamse Regering stort het salaris van het personeelslid, eventueel verhoogd met de werkgeversbijdragen aan de instelling van herkomst terug.
2° Indien de werkgever de betaling van het salaris stopzet, krijgen de personeelsleden hun salaris in toepassing van [1 artikel 17]1 van dit besluit.
§ 3. Het salariscomplement, vermeld in § 1 en § 2, wordt beschouwd als een toelage. Dat salariscomplement wordt in aanmerking genomen voor de berekening van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage.
[2 Het salariscomplement is niet verschuldigd bij een afwezigheid, met uitzondering van een afwezigheid omwille van moederschapsrust, die langer duurt dan 35 dagen.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt rekening gehouden met afwezigheden die starten vanaf 1 november 2025.]2
1° De gedetacheerde personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid worden verder gesalarieerd door [2 hun entiteit]2 van herkomst. Dit salaris wordt door [2 de entiteit]2 voor de duur van de detachering aangerekend op de kabinetsbegroting. De personeelsleden ontvangen verder een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen.
2° Voor de gedetacheerde personeelsleden van andere ministeries, openbare diensten of gesubsidieerde onderwijsinrichtingen stort, indien de werkgever ermee instemt de betaling van het salaris voort te zetten, het lid van de Vlaamse Regering het salaris van het personeelslid, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en alle toelagen en vergoedingen inherent aan de uitgeoefende functie, alle berekend volgens de bepalingen die in de instelling van herkomst op hem van toepassing zijn, eventueel verhoogd met de werkgeversbijdragen aan de dienst van herkomst terug. De personeelsleden ontvangen verder een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen.
3° Indien de werkgever van de personeelsleden, genoemd in 2°, de betaling van het salaris stopzet, krijgen de personeelsleden hun salaris in toepassing van artikel 17 van dit besluit.
§ 2. De geldelijke toestand van de personeelsleden van een kabinet die niet behoren tot een ministerie, een andere openbare dienst of een gesubsidieerde onderwijsinrichting, wordt als volgt geregeld :
1° Indien de werkgever ermee instemt de betaling van het salaris voort te zetten, ontvangen de personeelsleden een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen. Het bevoegde lid van de Vlaamse Regering stort het salaris van het personeelslid, eventueel verhoogd met de werkgeversbijdragen aan de instelling van herkomst terug.
2° Indien de werkgever de betaling van het salaris stopzet, krijgen de personeelsleden hun salaris in toepassing van [1 artikel 17]1 van dit besluit.
§ 3. Het salariscomplement, vermeld in § 1 en § 2, wordt beschouwd als een toelage. Dat salariscomplement wordt in aanmerking genomen voor de berekening van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage.
[2 Het salariscomplement is niet verschuldigd bij een afwezigheid, met uitzondering van een afwezigheid omwille van moederschapsrust, die langer duurt dan 35 dagen.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt rekening gehouden met afwezigheden die starten vanaf 1 november 2025.]2
Art. 20. § 1er. La position pécuniaire des membres du personnel d'un cabinet qui relèvent d'un Ministère, d'un autre service public ou d'un établissement d'enseignement subventionné, est réglée comme suit :
1° Les membres du personnel détachés des services de l'Autorité flamande continuent à être rémunérés par [2 leur entité]2 d'origine. Ce traitement est imputé au budget du cabinet par [2 l'entité]2 pour la durée du détachement. Les membres du personnel bénéficient en outre d'un complément de traitement, fixé par le Ministre dans les limites des moyens budgétaires attribués à cet effet.
2° Pour les membres du personnel détachés d'autres Ministères, services publics ou établissements d'enseignement subventionnés, le membre du Gouvernement flamand rembourse au service d'origine, si l'employeur donne son accord à la continuation du paiement du traitement, le traitement du membre du personnel, le pécule de vacances, l'allocation de fin d'année et toutes allocations et indemnités inhérentes à la fonction exercée, tous calculés selon les dispositions applicables à lui dans l'institution d'origine, éventuellement majorés des cotisations patronales. Les membres du personnel bénéficient en outre d'un complément de traitement, fixé par le Ministre dans les limites des moyens budgétaires attribués à cet effet.
3° Si l'employeur des membres du personnel, visés au 2°, arrête le paiement du traitement, les membres du personnel reçoivent leur traitement en application de l'article 17 du présent arrêté.
§ 2. La position pécuniaire des membres du personnel d'un cabinet qui ne relèvent pas d'un Ministère, d'un autre service public ou d'un établissement d'enseignement subventionné, est réglée comme suit :
1° Si l'employeur donne son accord à la continuation du paiement du traitement, les membres du personnel bénéficient d'un complément de traitement, fixé par le Ministre dans les limites des moyens budgétaires attribués à cet effet. Le membre compétent du Gouvernement flamand rembourse le traitement du membre du personnel, éventuellement majoré des cotisations patronales, à l'institution d'origine.
2° Si l'employeur arrête le paiement du traitement, les membres du personnel reçoivent leur traitement en application de [1 l'article 17]1 du présent arrêté.
§ 3. Le complément de traitement, visé aux §§ 1er et 2, est considéré comme une allocation. Ce complément de traitement est pris en compte pour le calcul du pécule de vacances et de l'allocation de fin d'année.
[2 Le complément de traitement n'est pas dû en cas d'absence dépassant de 35 jours, à l'exception d'une absence en raison d'un congé de maternité.
Aux fins de l'application l'alinéa précédent, les absences débutant à partir du 1er novembre 2025 sont prises en compte. ]2
1° Les membres du personnel détachés des services de l'Autorité flamande continuent à être rémunérés par [2 leur entité]2 d'origine. Ce traitement est imputé au budget du cabinet par [2 l'entité]2 pour la durée du détachement. Les membres du personnel bénéficient en outre d'un complément de traitement, fixé par le Ministre dans les limites des moyens budgétaires attribués à cet effet.
2° Pour les membres du personnel détachés d'autres Ministères, services publics ou établissements d'enseignement subventionnés, le membre du Gouvernement flamand rembourse au service d'origine, si l'employeur donne son accord à la continuation du paiement du traitement, le traitement du membre du personnel, le pécule de vacances, l'allocation de fin d'année et toutes allocations et indemnités inhérentes à la fonction exercée, tous calculés selon les dispositions applicables à lui dans l'institution d'origine, éventuellement majorés des cotisations patronales. Les membres du personnel bénéficient en outre d'un complément de traitement, fixé par le Ministre dans les limites des moyens budgétaires attribués à cet effet.
3° Si l'employeur des membres du personnel, visés au 2°, arrête le paiement du traitement, les membres du personnel reçoivent leur traitement en application de l'article 17 du présent arrêté.
§ 2. La position pécuniaire des membres du personnel d'un cabinet qui ne relèvent pas d'un Ministère, d'un autre service public ou d'un établissement d'enseignement subventionné, est réglée comme suit :
1° Si l'employeur donne son accord à la continuation du paiement du traitement, les membres du personnel bénéficient d'un complément de traitement, fixé par le Ministre dans les limites des moyens budgétaires attribués à cet effet. Le membre compétent du Gouvernement flamand rembourse le traitement du membre du personnel, éventuellement majoré des cotisations patronales, à l'institution d'origine.
2° Si l'employeur arrête le paiement du traitement, les membres du personnel reçoivent leur traitement en application de [1 l'article 17]1 du présent arrêté.
§ 3. Le complément de traitement, visé aux §§ 1er et 2, est considéré comme une allocation. Ce complément de traitement est pris en compte pour le calcul du pécule de vacances et de l'allocation de fin d'année.
[2 Le complément de traitement n'est pas dû en cas d'absence dépassant de 35 jours, à l'exception d'une absence en raison d'un congé de maternité.
Aux fins de l'application l'alinéa précédent, les absences débutant à partir du 1er novembre 2025 sont prises en compte. ]2
Afdeling 3. [1 - Vergoedingen, toelagen en sociale voordelen]1
Section 3. [1 - Indemnités, allocations et avantages sociaux]1
Art. 21. De regeling voor het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid inzake gezinsbijslag, haard- of standplaatstoelage, maaltijdcheques, [3 ecocheques,]3 vakantiegeld, eindejaarstoelage en andere toelagen zijn van overeenkomstige toepassing op het personeel van de kabinetten, met uitzondering van de toelage voor het presteren van overuren en de toelage voor nacht-, zaterdag- en zondagswerk. [3 In uitzondering op het voorgaande, worden aan de personeelsleden vermeld in artikel 20 de maaltijdcheques en de ecocheques alleen toegekend wanneer deze niet worden toegekend bij de instelling van herkomst. Voor de gedetacheerde personeelsleden van andere ministeries, openbare diensten of gesubsidieerde onderwijsinrichtingen, die geen maaltijdcheques of ecocheques toegekend krijgen bij de instelling van herkomst, kan de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen maaltijdcheques of ecocheques toekennen.]3
[2 Het aangestelde personeel van de kabinetten heeft recht op een aanvullend pensioen op dezelfde wijze als bepaald voor het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid. Daarvoor wordt toegetreden tot het Vlaams Pensioenfonds, waaraan de uitvoering van dat aanvullend pensioen wordt toevertrouwd.
In het tweede lid wordt verstaan onder Vlaams Pensioenfonds, het pensioenfonds, vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 23 november 2018 betreffende het Vlaams Pensioenfonds en het publieke pensioenstelsel voor de werknemers van de diensten van de Vlaamse overheid en andere besturen. Het aangesteld kabinetspersoneel valt onder de aanvullende pensioentoezegging vanaf de datum van de aanstelling en ten vroegste vanaf 1 januari 2018.]2
De regeling voor het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid inzake de aanvullende moederschapsuitkering is van toepassing op het aangestelde personeel van de kabinetten dat tijdens het bevallingsverlof van de moederschapsuitkeringen geniet.
[1 De vervangers van de aangestelde personeelsleden die met bevallingsverlof zijn en van de moederschapsuitkering of de aanvullende moederschapsuitkering genieten, alsook de vervangers van de aangestelde personeelsleden die langer dan 35 werkdagen afwezig zijn wegens ziekte, worden voor de duur van de vervanging niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal personeelsleden overeenkomstig de artikelen 6, §§ 1 en 2, 7, en 9, eerste en tweede lid, van dit besluit. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing wat de vervangers van de gedetacheerde contractuele personeelsleden betreft.]1
[2 Het aangestelde personeel van de kabinetten heeft recht op een aanvullend pensioen op dezelfde wijze als bepaald voor het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid. Daarvoor wordt toegetreden tot het Vlaams Pensioenfonds, waaraan de uitvoering van dat aanvullend pensioen wordt toevertrouwd.
In het tweede lid wordt verstaan onder Vlaams Pensioenfonds, het pensioenfonds, vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 23 november 2018 betreffende het Vlaams Pensioenfonds en het publieke pensioenstelsel voor de werknemers van de diensten van de Vlaamse overheid en andere besturen. Het aangesteld kabinetspersoneel valt onder de aanvullende pensioentoezegging vanaf de datum van de aanstelling en ten vroegste vanaf 1 januari 2018.]2
De regeling voor het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid inzake de aanvullende moederschapsuitkering is van toepassing op het aangestelde personeel van de kabinetten dat tijdens het bevallingsverlof van de moederschapsuitkeringen geniet.
[1 De vervangers van de aangestelde personeelsleden die met bevallingsverlof zijn en van de moederschapsuitkering of de aanvullende moederschapsuitkering genieten, alsook de vervangers van de aangestelde personeelsleden die langer dan 35 werkdagen afwezig zijn wegens ziekte, worden voor de duur van de vervanging niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal personeelsleden overeenkomstig de artikelen 6, §§ 1 en 2, 7, en 9, eerste en tweede lid, van dit besluit. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing wat de vervangers van de gedetacheerde contractuele personeelsleden betreft.]1
Art. 21. Le régime pour le personnel des services de l'Autorité flamande concernant les allocations familiales, l'allocation de foyer ou de résidence, les chèques de repas, [3 les écochèques,]3 le pécule de vacances, l'allocation de fin d'année et d'autres allocations, s'applique par analogie au personnel des cabinets, à l'exception de l'allocation pour l'accomplissement d'heures supplémentaires et l'allocation pour les prestations effectuées la nuit, le samedi et le dimanche. [3 Par exception à ce qui précède, les chèque-repas et les écochèques ne sont accordés aux membres du personnel visés à l'article 20 que lorsqu'ils ne sont pas accordés dans l'établissement d'origine. Pour les membres du personnel détachés d'autres ministères, services publics ou établissements d'enseignement subventionnés, qui ne bénéficient pas de chèques-repas ou d'écochèques dans leur établissement d'origine, le ministre peut accorder des chèques-repas ou des écochèques dans les limites des moyens budgétaires attribués à cet effet.]3
[2 Le personnel désigné des cabinets a droit à une pension complémentaire suivant les mêmes modalités que celles définies pour le personnel contractuel des services de l'Autorité flamande. Il est à cet effet accédé au Fonds de pension flamand (" Vlaams Pensioenfonds "), auquel la mise en oeuvre de cette pension complémentaire est confiée.
A l'alinéa deux, il y a lieu d'entendre par Fonds de pension flamand le fonds de pension spécifié au chapitre II du décret du 23 novembre 2018 relatif au Fonds de pension flamand et au régime de pension public pour les travailleurs des services de l'Autorité flamande et d'autres administrations. Le personnel de cabinet désigné relève de l'engagement de pension complémentaire à compter de la date de désignation, et ce au plus tôt à dater du 1er janvier 2018.]2
Le régime pour le personnel contractuel des services de l'Autorité flamande en ce qui concerne l'allocation de maternité complémentaire s'applique par analogie au personnel désigné des cabinets qui bénéficie des allocations de maternité pendant le congé de maternité.
[1 Les remplaçants du personnel désigné en congé de maternité, qui bénéficie de l'allocation de maternité ou de l'allocation de maternité complémentaire, ainsi que les remplaçants du personnel désigné qui est absent pour cause de maladie pendant plus de 35 jours ouvrables, ne sont pas pris en compte, pour la durée du remplacement, pour le calcul du nombre de membres du personnel conformément aux articles 6, §§ 1er et 2, 7 et 9, alinéas premier et deux, du présent arrêté. Cette disposition s'applique par analogie aux remplaçants des membres du personnel contractuels détachés.]1
[2 Le personnel désigné des cabinets a droit à une pension complémentaire suivant les mêmes modalités que celles définies pour le personnel contractuel des services de l'Autorité flamande. Il est à cet effet accédé au Fonds de pension flamand (" Vlaams Pensioenfonds "), auquel la mise en oeuvre de cette pension complémentaire est confiée.
A l'alinéa deux, il y a lieu d'entendre par Fonds de pension flamand le fonds de pension spécifié au chapitre II du décret du 23 novembre 2018 relatif au Fonds de pension flamand et au régime de pension public pour les travailleurs des services de l'Autorité flamande et d'autres administrations. Le personnel de cabinet désigné relève de l'engagement de pension complémentaire à compter de la date de désignation, et ce au plus tôt à dater du 1er janvier 2018.]2
Le régime pour le personnel contractuel des services de l'Autorité flamande en ce qui concerne l'allocation de maternité complémentaire s'applique par analogie au personnel désigné des cabinets qui bénéficie des allocations de maternité pendant le congé de maternité.
[1 Les remplaçants du personnel désigné en congé de maternité, qui bénéficie de l'allocation de maternité ou de l'allocation de maternité complémentaire, ainsi que les remplaçants du personnel désigné qui est absent pour cause de maladie pendant plus de 35 jours ouvrables, ne sont pas pris en compte, pour la durée du remplacement, pour le calcul du nombre de membres du personnel conformément aux articles 6, §§ 1er et 2, 7 et 9, alinéas premier et deux, du présent arrêté. Cette disposition s'applique par analogie aux remplaçants des membres du personnel contractuels détachés.]1
Art. 22. Aan het personeelslid met de functie van chauffeur wordt een forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten toegekend van 3.050 euro op jaarbasis. [1 De vergoeding voor verblijfskosten is tegen 100% en volgt de evolutie van het indexcijfer als vermeld in artikel 19. Het te betalen bedrag wordt afgerond op de hogere cent.]1
De vergoeding voor verblijfkosten wordt maandelijks en na vervallen termijn uitbetaald.
[1 De betaling van de vergoeding voor verblijfskosten wordt stopgezet in een van de volgende gevallen:
1° als er geen salaris wordt betaald;
2° bij een afwezigheid, met inbegrip van de afwezigheid wegens arbeidsongeval, van meer dan 35 werkdagen.]1
De vergoeding voor verblijfkosten is niet cumuleerbaar met de in artikel 23 bedoelde of met andere vergoedingen voor verblijfkosten en wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 26 bedoelde ontslagtoelage.
De vergoeding voor verblijfkosten wordt maandelijks en na vervallen termijn uitbetaald.
[1 De betaling van de vergoeding voor verblijfskosten wordt stopgezet in een van de volgende gevallen:
1° als er geen salaris wordt betaald;
2° bij een afwezigheid, met inbegrip van de afwezigheid wegens arbeidsongeval, van meer dan 35 werkdagen.]1
De vergoeding voor verblijfkosten is niet cumuleerbaar met de in artikel 23 bedoelde of met andere vergoedingen voor verblijfkosten en wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 26 bedoelde ontslagtoelage.
Art. 22. Au membre du personnel ayant la fonction de chauffeur, il est octroyé une indemnité forfaitaire pour frais de séjour de 3.050 euros sur base annuelle. [1 L'indemnité pour frais de séjour est à 100% et suit l'évolution de l'indice tel que visé à l'article 19. Le montant à payer est arrondi à l'eurocent supérieur.]1
L'indemnité pour frais de séjour est payée mensuellement à terme échu.
[1 Le paiement de l'indemnité pour frais de séjour est arrêté dans un des cas suivants :
1° si aucun traitement n'est payé ;
2° en cas d'une absence, y compris l'absence pour cause d'accident du travail, de plus de 35 jours ouvrables.]1
L'indemnité pour frais de séjour n'est pas cumulable avec l'indemnité visée à l'article 23 ou avec d'autres indemnités pour frais de séjour, et n'est pas prise en compte pour le calcul de l'indemnité de départ visée à l'article 26.
L'indemnité pour frais de séjour est payée mensuellement à terme échu.
[1 Le paiement de l'indemnité pour frais de séjour est arrêté dans un des cas suivants :
1° si aucun traitement n'est payé ;
2° en cas d'une absence, y compris l'absence pour cause d'accident du travail, de plus de 35 jours ouvrables.]1
L'indemnité pour frais de séjour n'est pas cumulable avec l'indemnité visée à l'article 23 ou avec d'autres indemnités pour frais de séjour, et n'est pas prise en compte pour le calcul de l'indemnité de départ visée à l'article 26.
Wijzigingen
Art. 23. § 1. De regeling voor reis- en maaltijdvergoeding voor binnenlandse reizen en de regeling voor de vergoedingen voor buitenlandse reizen voor het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is van overeenkomstige toepassing op het personeel van de kabinetten.
§ 2. De kabinetschef mag voor dienstreizen gebruik maken van zijn eigen wagen onder de voorwaarden die in de diensten van de Vlaamse overheid worden bepaald voor de secretarissen-generaal.
Het andere personeelslid mag zijn eigen wagen gebruiken onder de voorwaarden die in de diensten van de Vlaamse overheid worden bepaald.
§ 2. De kabinetschef mag voor dienstreizen gebruik maken van zijn eigen wagen onder de voorwaarden die in de diensten van de Vlaamse overheid worden bepaald voor de secretarissen-generaal.
Het andere personeelslid mag zijn eigen wagen gebruiken onder de voorwaarden die in de diensten van de Vlaamse overheid worden bepaald.
Art. 23. § 1er. Le régime de l'indemnité de parcours et de repas pour déplacements intérieurs et le régime des indemnités pour voyages à l'étranger pour le personnel des services de l'Autorité flamande, s'appliquent par analogie au personnel des cabinets.
§ 2. Pour des voyages de service, le chef de cabinet peut utiliser son propre véhicule aux conditions qui sont fixées au sein des services de l'Autorité flamande pour les secrétaires généraux.
L'autre membre du personnel peut utiliser son propre véhicule aux conditions qui sont fixées au sein des services de l'Autorité flamande.
§ 2. Pour des voyages de service, le chef de cabinet peut utiliser son propre véhicule aux conditions qui sont fixées au sein des services de l'Autorité flamande pour les secrétaires généraux.
L'autre membre du personnel peut utiliser son propre véhicule aux conditions qui sont fixées au sein des services de l'Autorité flamande.
Art. 24. De regeling voor het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid inzake de werkgeversbijdrage in het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer is van overeenkomstige toepassing op het personeel van de kabinetten. Voor de kabinetschef en de adjunct-kabinetschef is het supplement voor een abonnement in eerste klasse ten laste van de kabinetsbegroting.
[1 De personeelsleden van de kabinetten met een handicap die aan de voorwaarden voldoen om over een parkeerkaart te beschikken, die is uitgereikt door de bevoegde federale overheid hebben recht op de tegemoetkoming van het woon-werkverkeer voor personeelsleden met een handicap als vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.]1
[1 De personeelsleden van de kabinetten met een handicap die aan de voorwaarden voldoen om over een parkeerkaart te beschikken, die is uitgereikt door de bevoegde federale overheid hebben recht op de tegemoetkoming van het woon-werkverkeer voor personeelsleden met een handicap als vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.]1
Art. 24. Le régime pour le personnel des services de l'Autorité flamande en ce qui concerne l'intervention de l'employeur dans les frais de la migration pendulaire par les transports en commun, s'applique par analogie au personnel des cabinets. Pour le chef de cabinet et le chef de cabinet adjoint, le supplément à payer pour un abonnement de première classe, reste à charge du budget du cabinet.
[1 Les membres du personnel des cabinets ayant un handicap qui remplissent les conditions pour disposer d'une carte de stationnement délivrée par l'autorité fédérale compétente ont droit à l'intervention dans les frais de la migration pendulaire pour les membres du personnel ayant un handicap telle que visée dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.]1
[1 Les membres du personnel des cabinets ayant un handicap qui remplissent les conditions pour disposer d'une carte de stationnement délivrée par l'autorité fédérale compétente ont droit à l'intervention dans les frais de la migration pendulaire pour les membres du personnel ayant un handicap telle que visée dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.]1
Wijzigingen
Art.24/1. [1 Na akkoord van de minister kunnen de aangestelde personeelsleden van de kabinetten beroep doen op de regeling over de fietsleasing vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.
De personeelsleden van de kabinetten gedetacheerd door een werkgever die niet behoort tot de diensten van de Vlaamse overheid zoals gedefinieerd in artikel I 2 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 kunnen na akkoord van de minister beroep doen op de in het eerste lid vermelde regeling op voorwaarde dat:
1° zij bij de werkgever van herkomst geen beroep kunnen doen op fietsleasing;
2° het budget voor de fietsleasing uitsluitend bestaat uit de door het kabinet toegekende eindejaarstoelage en/of maximum 11 vakantiedagen.]1
De personeelsleden van de kabinetten gedetacheerd door een werkgever die niet behoort tot de diensten van de Vlaamse overheid zoals gedefinieerd in artikel I 2 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 kunnen na akkoord van de minister beroep doen op de in het eerste lid vermelde regeling op voorwaarde dat:
1° zij bij de werkgever van herkomst geen beroep kunnen doen op fietsleasing;
2° het budget voor de fietsleasing uitsluitend bestaat uit de door het kabinet toegekende eindejaarstoelage en/of maximum 11 vakantiedagen.]1
Art. 24/1. [1 Avec l'accord du ministre, les membres du personnel désignés des cabinets peuvent utiliser le système du leasing vélo visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.
Les membres du personnel des cabinets détachés par un employeur qui n'appartient pas aux services de l'Autorité flamande au sens de l'article I 2 du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 peuvent, moyennant l'accord du ministre, utiliser le système visé à l'alinéa 1er à condition que :
1° ils ne puissent pas bénéficier d'un système de leasing vélo auprès de leur employeur d'origine ;
2° le budget destiné au leasing vélo soit exclusivement constitué de l'allocation de fin d'année accordée par le cabinet et/ou d'un maximum de 11 jours de congé.]1
Les membres du personnel des cabinets détachés par un employeur qui n'appartient pas aux services de l'Autorité flamande au sens de l'article I 2 du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 peuvent, moyennant l'accord du ministre, utiliser le système visé à l'alinéa 1er à condition que :
1° ils ne puissent pas bénéficier d'un système de leasing vélo auprès de leur employeur d'origine ;
2° le budget destiné au leasing vélo soit exclusivement constitué de l'allocation de fin d'année accordée par le cabinet et/ou d'un maximum de 11 jours de congé.]1
Art. 25. De regeling voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse overheid inzake vergoeding voor begrafeniskosten is van toepassing op het personeel van de kabinetten.
Art. 25. Le régime pour les fonctionnaires des services de l'Autorité flamande en ce qui concerne l'indemnité pour frais funéraires, s'applique au personnel des cabinets.
Art. 26. § 1. [2 In geval van ontslag op basis van artikel 13, § 1, kent de minister een forfaitaire toelage wegens ontslag toe aan personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
In geval van ontslag op basis van artikel 13 § 2 wordt een forfaitaire toelage wegens ontslag van rechtswege toegekend aan de personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
De forfaitaire toelage wegens ontslag, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt toegekend aan de personen die functies in een kabinet van de Vlaamse Regering hebben waargenomen en geen beroepsinkomen, vervangingsinkomen of rustpensioen krijgen. Een overlevingspensioen of een uitkering van het gewaarborgd minimum door een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd.]2
§ 2. Deze toelage beloopt :
1° één maand salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode [1 op een kabinet van de Vlaamse Regering]1 vanaf één tot zes maanden;
2° twee maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf zes maanden tot één jaar;
3° drie maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf 1 tot 11/2 jaar;
4° vier maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf 11/2 tot twee jaar;
5° maximaal vijf maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf twee jaar en meer.
§ 3. De toelage wegens ontslag wordt in maandelijkse schijven uitbetaald. Om van deze toelage te kunnen genieten dient belanghebbende maandelijks een verklaring op erewoord in te sturen waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode generlei beroepsactiviteit uitoefende, of dat hij zich bevindt in één van de voorwaarden voorzien in § 4.
§ 4. In afwijking van § 1, kent het lid van de Vlaamse Regering een forfaitaire toelage wegens ontslag toe aan personen die [1 functies in een kabinet van de Vlaamse Regering]1 hebben waargenomen en uitsluitend titularis zijn van één of meer onvolledige functies of genieten van één of meer pensioenen ten laste van de Schatkist die betrekking hebben op één of meer onvolledige loopbanen of die een werkloosheidsuitkering of een vervangingsinkomen ingevolge ziekte of zwangerschap genieten.
In dit geval wordt de toelage wegens ontslag vastgesteld overeenkomstig § 2, enkel verminderd met de totale som die aan de betrokkene voor de overeenstemmende periode is verschuldigd als :
1° hetzij salaris voor de onvolledige functies, voor zover betrokkene na de datum van het ontslag op het kabinet titularis werd van deze functies,
2° hetzij pensioen voor een onvolledige loopbaan, voor zover het recht op dit pensioen ontstond of door betrokkene werd aangewend na de datum van het ontslag op het kabinet;
3° hetzij werkloosheidsuitkering;
4° hetzij vervangingsinkomen ingevolge ziekte of zwangerschap.
Er wordt voor de toepassing van het tweede lid geen rekening gehouden met het salaris voor onvolledige functies waarvan betrokkene titularis was voor de datum van het ontslag op het kabinet of het pensioen voor een onvolledige loopbaan dat aan betrokkene werd uitbetaald voor de datum van het ontslag op het kabinet.
§ 5. Er is geen toelage wegens ontslag verschuldigd aan hen die uit eigen beweging hun ambt neerleggen.
[1 § 6. De ontslagen aangestelde personeelsleden die gedurende een onafgebroken periode van twee jaar op een Vlaams kabinet tewerkgesteld waren en niet uit eigen beweging het ambt hebben neergelegd, kunnen gebruik maken van outplacementbegeleiding onder analoge voorwaarden als de personeelsleden van de Vlaamse overheid. Aanvragen die worden ingediend binnen een periode van één maand, te rekenen van de datum van de aangetekende zending die het geëigende aanvraagformulier bevat, zijn ontvankelijk.]1
In geval van ontslag op basis van artikel 13 § 2 wordt een forfaitaire toelage wegens ontslag van rechtswege toegekend aan de personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
De forfaitaire toelage wegens ontslag, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt toegekend aan de personen die functies in een kabinet van de Vlaamse Regering hebben waargenomen en geen beroepsinkomen, vervangingsinkomen of rustpensioen krijgen. Een overlevingspensioen of een uitkering van het gewaarborgd minimum door een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd.]2
§ 2. Deze toelage beloopt :
1° één maand salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode [1 op een kabinet van de Vlaamse Regering]1 vanaf één tot zes maanden;
2° twee maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf zes maanden tot één jaar;
3° drie maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf 1 tot 11/2 jaar;
4° vier maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf 11/2 tot twee jaar;
5° maximaal vijf maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf twee jaar en meer.
§ 3. De toelage wegens ontslag wordt in maandelijkse schijven uitbetaald. Om van deze toelage te kunnen genieten dient belanghebbende maandelijks een verklaring op erewoord in te sturen waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode generlei beroepsactiviteit uitoefende, of dat hij zich bevindt in één van de voorwaarden voorzien in § 4.
§ 4. In afwijking van § 1, kent het lid van de Vlaamse Regering een forfaitaire toelage wegens ontslag toe aan personen die [1 functies in een kabinet van de Vlaamse Regering]1 hebben waargenomen en uitsluitend titularis zijn van één of meer onvolledige functies of genieten van één of meer pensioenen ten laste van de Schatkist die betrekking hebben op één of meer onvolledige loopbanen of die een werkloosheidsuitkering of een vervangingsinkomen ingevolge ziekte of zwangerschap genieten.
In dit geval wordt de toelage wegens ontslag vastgesteld overeenkomstig § 2, enkel verminderd met de totale som die aan de betrokkene voor de overeenstemmende periode is verschuldigd als :
1° hetzij salaris voor de onvolledige functies, voor zover betrokkene na de datum van het ontslag op het kabinet titularis werd van deze functies,
2° hetzij pensioen voor een onvolledige loopbaan, voor zover het recht op dit pensioen ontstond of door betrokkene werd aangewend na de datum van het ontslag op het kabinet;
3° hetzij werkloosheidsuitkering;
4° hetzij vervangingsinkomen ingevolge ziekte of zwangerschap.
Er wordt voor de toepassing van het tweede lid geen rekening gehouden met het salaris voor onvolledige functies waarvan betrokkene titularis was voor de datum van het ontslag op het kabinet of het pensioen voor een onvolledige loopbaan dat aan betrokkene werd uitbetaald voor de datum van het ontslag op het kabinet.
§ 5. Er is geen toelage wegens ontslag verschuldigd aan hen die uit eigen beweging hun ambt neerleggen.
[1 § 6. De ontslagen aangestelde personeelsleden die gedurende een onafgebroken periode van twee jaar op een Vlaams kabinet tewerkgesteld waren en niet uit eigen beweging het ambt hebben neergelegd, kunnen gebruik maken van outplacementbegeleiding onder analoge voorwaarden als de personeelsleden van de Vlaamse overheid. Aanvragen die worden ingediend binnen een periode van één maand, te rekenen van de datum van de aangetekende zending die het geëigende aanvraagformulier bevat, zijn ontvankelijk.]1
Art. 26. § 1er. [2 1er. En cas de licenciement sur la base de l'article 13, § 1er, le ministre accorde une indemnité forfaitaire de licenciement aux personnes qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 3.
En cas de licenciement sur la base de l'article 13, § 2, une indemnité forfaitaire de licenciement est accordée de plein droit aux personnes qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 3.
L'indemnité forfaitaire de licenciement visée aux alinéas 1er et 2 est accordée aux personnes qui ont exercé des fonctions dans un cabinet du Gouvernement flamand et qui ne bénéficient pas d'un revenu professionnel, d'un revenu de remplacement ou d'une pension de retraite. Une pension de survie ou l'octroi du revenu minimum garanti par un Centre public d'action sociale n'est pas considéré comme un revenu de remplacement.]2
§ 2. Cette allocation s'élève :
1° au traitement d'un mois pour une période d'activité ininterrompue [1 à un cabinet du Gouvernement flamand]1 d'un à six mois;
2° au traitement de deux mois pour une période d'activité ininterrompue de six mois à un an;
3° au traitement de trois mois pour une période d'activité ininterrompue de 1 à 1 1/2 an;
4° au traitement de quatre mois pour une période d'activité ininterrompue de 1 1/2 à 2 ans;
5° au traitement de cinq mois au maximum pour une période d'activité ininterrompue de 2 ans et plus.
§ 3. L'indemnité de départ est payée en tranches mensuelles. Pour pouvoir bénéficier de cette allocation, l'intéressé doit mensuellement envoyer une déclaration sur l'honneur démontrant qu'il n'exerçait, pendant la période concernée, aucune activité professionnelle, ou qu'il se trouve dans une des conditions visées au § 4.
§ 4. Par dérogation au § 1er, le membre du Gouvernement flamand octroie une allocation forfaitaire de départ aux personnes qui ont exercé [1 des fonctions dans un cabinet du Gouvernement flamand]1 et qui sont uniquement titulaire d'une ou de plusieurs fonctions incomplètes, ou bénéficient d'une ou de plusieurs pensions à charge de la Trésorerie, qui concernent une ou plusieurs carrières incomplètes ou qui bénéficient d'une allocation de chômage ou d'un revenu de remplacement en raison d'une maladie ou d'une grossesse.
Dans ce cas, l'allocation de départ, fixée conformément au § 2, est uniquement diminuée de la somme totale due à l'intéressé pour la période correspondante en tant que :
1° soit traitement pour fonctions incomplètes, dans la mesure où l'intéressé est devenu le titulaire de ces fonctions après la date de licenciement au cabinet,
2° soit pension pour une carrière incomplète, dans la mesure où le droit à cette pension s'est établi ou a été utilisé par l'intéressé après la date du licenciement au cabinet;
3° soit allocation de chômage;
4° soit revenu de remplacement en raison d'une maladie ou d'une grossesse.
Pour l'application de l'alinéa deux, il n'est pas tenu compte du traitement pour fonctions incomplètes dont l'intéressé était titulaire avant la date du licenciement au cabinet, ou de la pension pour une carrière incomplète qui a été payée à l'intéressé avant la date du licenciement au cabinet.
§ 5. Aucune allocation de départ n'est due à ceux qui cessent leur fonction d'initiative.
[1 § 6. Les membres du personnel désignés licenciés qui étaient employés, pendant une période ininterrompue de deux ans, à un cabinet flamand et qui n'ont pas cessé leurs fonctions de leur propre gré, peuvent faire appel à l'accompagnement d'outplacement sous des conditions analogues à celles fixées pour les membres du personnel de l'Autorité flamande. Les demandes introduites dans une période d'un mois, à compter de la date de l'envoi recommandé comportant le formulaire de demande approprié, sont recevables.]1
En cas de licenciement sur la base de l'article 13, § 2, une indemnité forfaitaire de licenciement est accordée de plein droit aux personnes qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 3.
L'indemnité forfaitaire de licenciement visée aux alinéas 1er et 2 est accordée aux personnes qui ont exercé des fonctions dans un cabinet du Gouvernement flamand et qui ne bénéficient pas d'un revenu professionnel, d'un revenu de remplacement ou d'une pension de retraite. Une pension de survie ou l'octroi du revenu minimum garanti par un Centre public d'action sociale n'est pas considéré comme un revenu de remplacement.]2
§ 2. Cette allocation s'élève :
1° au traitement d'un mois pour une période d'activité ininterrompue [1 à un cabinet du Gouvernement flamand]1 d'un à six mois;
2° au traitement de deux mois pour une période d'activité ininterrompue de six mois à un an;
3° au traitement de trois mois pour une période d'activité ininterrompue de 1 à 1 1/2 an;
4° au traitement de quatre mois pour une période d'activité ininterrompue de 1 1/2 à 2 ans;
5° au traitement de cinq mois au maximum pour une période d'activité ininterrompue de 2 ans et plus.
§ 3. L'indemnité de départ est payée en tranches mensuelles. Pour pouvoir bénéficier de cette allocation, l'intéressé doit mensuellement envoyer une déclaration sur l'honneur démontrant qu'il n'exerçait, pendant la période concernée, aucune activité professionnelle, ou qu'il se trouve dans une des conditions visées au § 4.
§ 4. Par dérogation au § 1er, le membre du Gouvernement flamand octroie une allocation forfaitaire de départ aux personnes qui ont exercé [1 des fonctions dans un cabinet du Gouvernement flamand]1 et qui sont uniquement titulaire d'une ou de plusieurs fonctions incomplètes, ou bénéficient d'une ou de plusieurs pensions à charge de la Trésorerie, qui concernent une ou plusieurs carrières incomplètes ou qui bénéficient d'une allocation de chômage ou d'un revenu de remplacement en raison d'une maladie ou d'une grossesse.
Dans ce cas, l'allocation de départ, fixée conformément au § 2, est uniquement diminuée de la somme totale due à l'intéressé pour la période correspondante en tant que :
1° soit traitement pour fonctions incomplètes, dans la mesure où l'intéressé est devenu le titulaire de ces fonctions après la date de licenciement au cabinet,
2° soit pension pour une carrière incomplète, dans la mesure où le droit à cette pension s'est établi ou a été utilisé par l'intéressé après la date du licenciement au cabinet;
3° soit allocation de chômage;
4° soit revenu de remplacement en raison d'une maladie ou d'une grossesse.
Pour l'application de l'alinéa deux, il n'est pas tenu compte du traitement pour fonctions incomplètes dont l'intéressé était titulaire avant la date du licenciement au cabinet, ou de la pension pour une carrière incomplète qui a été payée à l'intéressé avant la date du licenciement au cabinet.
§ 5. Aucune allocation de départ n'est due à ceux qui cessent leur fonction d'initiative.
[1 § 6. Les membres du personnel désignés licenciés qui étaient employés, pendant une période ininterrompue de deux ans, à un cabinet flamand et qui n'ont pas cessé leurs fonctions de leur propre gré, peuvent faire appel à l'accompagnement d'outplacement sous des conditions analogues à celles fixées pour les membres du personnel de l'Autorité flamande. Les demandes introduites dans une période d'un mois, à compter de la date de l'envoi recommandé comportant le formulaire de demande approprié, sont recevables.]1
Afdeling 4. [1 Verloven en afwezigheden]1
Section 4. [1 Congés et absences]1
Art.26/1. [1 § 1 De personeelsleden van de kabinetten hebben, rekening houdend met de noodwendigheden en met de goede werking van het kabinet, een jaarlijks recht op 35 vakantiedagen en het recht om die vakantiedagen over te dragen binnen de kabinetsperiode als vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006. De bijkomende vakantiedagen vanaf de leeftijd van 55 jaar zoals bepaald in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 kunnen worden toegekend na akkoord van de minister.
Na akkoord van de minister worden de niet-opgenomen vakantiedagen bij ontslag uitbetaald conform de regeling, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, behalve aan de personeelsleden van de kabinetten gedetacheerd vanuit een entiteit, raad of instelling van de diensten van de Vlaamse overheid.
§ 2. De personeelsleden van de kabinetten hebben recht op de feestdagen en de vervangende vakantiedagen tussen Kerst en Nieuw zoals voorzien in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006. Personeelsleden van de kabinetten hebben geen recht op compensatie omwille van werken op een feestdag.
In afwijking op het vorige lid is 15 november voor de personeelsleden van de kabinetten een gunst.
§ 3. Deze paragraaf voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 `betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad' dat minimumvoorschriften en individuele rechten voorziet met betrekking tot vaderschapsverlof, ouderschapsverlof en zorgverlof.
De personeelsleden van de kabinetten hebben recht op de volgende verloven volgens de modaliteiten en voor de duur die is bepaald in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006:
1° moederschapsrust;
2° geboorteverlof;
3° opvangverlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij;
4° pleegzorgverlof;
5° pleegouderverlof;
6° omstandigheidsverlof;
7° federale zorgverlof: ouderschapsverlof.
De personeelsleden van de kabinetten kunnen een beroep doen op de volgende verloven, als gunst, na akkoord van de minister, waarbij er geen afbreuk mag worden gedaan aan de continuïteit van de dienst, conform de voorwaarden en voor de duur die is bepaald voor de contractuele personeelsleden, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006:
1° vader- of meemoederschapsverlof;
2° het Vlaams zorgkrediet;
3° de federale zorgverloven: palliatief verlof, medisch bijstandsverlof en mantelzorgverlof;
4° gestandaardiseerd gunstverlof.
In afwijking van punt 4° hebben de personeelsleden van de kabinetten een recht op vijf dagen onbetaald zorgverlof per kalenderjaar om persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een familielid of aan een persoon die deel uitmaakt van hetzelfde huishouden als het personeelslid wanneer deze om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun.
De gedetacheerde personeelsleden van de kabinetten kunnen een salaris of een uitkering krijgen overeenkomstig het personeelsstatuut bij de werkgever van herkomst. De aangestelde personeelsleden van de kabinetten kunnen een salaris of een uitkering krijgen zoals bepaald voor de contractuele personeelsleden, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.]1
Na akkoord van de minister worden de niet-opgenomen vakantiedagen bij ontslag uitbetaald conform de regeling, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, behalve aan de personeelsleden van de kabinetten gedetacheerd vanuit een entiteit, raad of instelling van de diensten van de Vlaamse overheid.
§ 2. De personeelsleden van de kabinetten hebben recht op de feestdagen en de vervangende vakantiedagen tussen Kerst en Nieuw zoals voorzien in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006. Personeelsleden van de kabinetten hebben geen recht op compensatie omwille van werken op een feestdag.
In afwijking op het vorige lid is 15 november voor de personeelsleden van de kabinetten een gunst.
§ 3. Deze paragraaf voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 `betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad' dat minimumvoorschriften en individuele rechten voorziet met betrekking tot vaderschapsverlof, ouderschapsverlof en zorgverlof.
De personeelsleden van de kabinetten hebben recht op de volgende verloven volgens de modaliteiten en voor de duur die is bepaald in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006:
1° moederschapsrust;
2° geboorteverlof;
3° opvangverlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij;
4° pleegzorgverlof;
5° pleegouderverlof;
6° omstandigheidsverlof;
7° federale zorgverlof: ouderschapsverlof.
De personeelsleden van de kabinetten kunnen een beroep doen op de volgende verloven, als gunst, na akkoord van de minister, waarbij er geen afbreuk mag worden gedaan aan de continuïteit van de dienst, conform de voorwaarden en voor de duur die is bepaald voor de contractuele personeelsleden, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006:
1° vader- of meemoederschapsverlof;
2° het Vlaams zorgkrediet;
3° de federale zorgverloven: palliatief verlof, medisch bijstandsverlof en mantelzorgverlof;
4° gestandaardiseerd gunstverlof.
In afwijking van punt 4° hebben de personeelsleden van de kabinetten een recht op vijf dagen onbetaald zorgverlof per kalenderjaar om persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een familielid of aan een persoon die deel uitmaakt van hetzelfde huishouden als het personeelslid wanneer deze om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun.
De gedetacheerde personeelsleden van de kabinetten kunnen een salaris of een uitkering krijgen overeenkomstig het personeelsstatuut bij de werkgever van herkomst. De aangestelde personeelsleden van de kabinetten kunnen een salaris of een uitkering krijgen zoals bepaald voor de contractuele personeelsleden, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.]1
Art. 26/1. [1 § 1er En tenant compte des nécessités et du bon fonctionnement du cabinet, les membres du personnel des cabinets ont droit à 35 jours de congé par an et ont le droit de reporter ces jours de congé au sein de la période pendant laquelle le cabinet est en fonction tel que visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. Les jours de congé supplémentaires à partir de l'âge de 55 ans, tels que fixés par le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, peuvent être accordés moyennant l'accord du ministre.
Après accord du ministre, les jours de congé non pris sont indemnisés en cas de licenciement conformément au règlement visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, sauf pour les membres du personnel des cabinets détachés d'une entité, d'un conseil ou d'une institution des services de l'Autorité flamande.
§ 2. Les membres du personnel des cabinets ont droit aux jours fériés et aux jours fériés de compensation entre Noël et le Nouvel An tel que prévu dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. Les membres du personnel des cabinets n'ont pas droit à une compensation pour le travail effectué un jour férié.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le 15 novembre est une faveur pour les membres du personnel des cabinets.
§ 3. Le présent paragraphe prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2019/1158 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 concernant l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée des parents et des aidants et abrogeant la directive 2010/18/UE du Conseil qui prévoit des exigences minimales et des droits individuels en matière de congé de paternité, de congé parental et de congé d'aidant.
Les membres du personnel des cabinets ont droit aux congés suivants selon les modalités et pour la durée fixées par le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 :
1° le congé de maternité ;
2° le congé de naissance ;
3° le congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse ;
4° le congé dans le cadre du placement familial ;
5° le congé parental d'accueil ;
6° le congé de circonstance ;
7° le congé pour soins fédéral ; le congé parental.
Les membres du personnel des cabinets peuvent faire appel aux congés suivants, à titre de faveur et après accord du ministre, pour autant que la continuité du service ne soit compromise, conformément aux conditions et pour la durée fixées pour les membres du personnel contractuels, visées dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 :
1° le congé de paternité ou de comaternité ;
2° le crédit-soins flamand ;
3° les congés pour soins fédéraux : le congé pour soins palliatifs, le congé d'assistance médicale et le congé d'aidant proche ;
4° le congé de faveur standardisé.
Par dérogation au point 4°, les membres du personnel des cabinets ont droit à 5 jours de congé pour soins non rémunéré par année calendaire afin d'apporter des soins ou une aide personnels à un membre de la famille ou à une personne faisant partie du même ménage que le membre du personnel lorsque cette personne nécessite des soins ou une aide importants pour une raison médicale grave.
Les membres du personnel détachés des cabinets peuvent bénéficier d'un traitement ou d'une allocation conformément au statut du personnel auprès de l'employeur d'origine. Les membres du personnel désignés des cabinets peuvent bénéficier d'un traitement ou une allocation tels que fixés pour les membres du personnel contractuels visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.]1
Après accord du ministre, les jours de congé non pris sont indemnisés en cas de licenciement conformément au règlement visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, sauf pour les membres du personnel des cabinets détachés d'une entité, d'un conseil ou d'une institution des services de l'Autorité flamande.
§ 2. Les membres du personnel des cabinets ont droit aux jours fériés et aux jours fériés de compensation entre Noël et le Nouvel An tel que prévu dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006. Les membres du personnel des cabinets n'ont pas droit à une compensation pour le travail effectué un jour férié.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le 15 novembre est une faveur pour les membres du personnel des cabinets.
§ 3. Le présent paragraphe prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2019/1158 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 concernant l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée des parents et des aidants et abrogeant la directive 2010/18/UE du Conseil qui prévoit des exigences minimales et des droits individuels en matière de congé de paternité, de congé parental et de congé d'aidant.
Les membres du personnel des cabinets ont droit aux congés suivants selon les modalités et pour la durée fixées par le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 :
1° le congé de maternité ;
2° le congé de naissance ;
3° le congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse ;
4° le congé dans le cadre du placement familial ;
5° le congé parental d'accueil ;
6° le congé de circonstance ;
7° le congé pour soins fédéral ; le congé parental.
Les membres du personnel des cabinets peuvent faire appel aux congés suivants, à titre de faveur et après accord du ministre, pour autant que la continuité du service ne soit compromise, conformément aux conditions et pour la durée fixées pour les membres du personnel contractuels, visées dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 :
1° le congé de paternité ou de comaternité ;
2° le crédit-soins flamand ;
3° les congés pour soins fédéraux : le congé pour soins palliatifs, le congé d'assistance médicale et le congé d'aidant proche ;
4° le congé de faveur standardisé.
Par dérogation au point 4°, les membres du personnel des cabinets ont droit à 5 jours de congé pour soins non rémunéré par année calendaire afin d'apporter des soins ou une aide personnels à un membre de la famille ou à une personne faisant partie du même ménage que le membre du personnel lorsque cette personne nécessite des soins ou une aide importants pour une raison médicale grave.
Les membres du personnel détachés des cabinets peuvent bénéficier d'un traitement ou d'une allocation conformément au statut du personnel auprès de l'employeur d'origine. Les membres du personnel désignés des cabinets peuvent bénéficier d'un traitement ou une allocation tels que fixés pour les membres du personnel contractuels visé dans le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.]1
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
CHAPITRE V. - Dispositions finales
Art. 27. Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2001 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering wordt opgeheven.
Art. 27. L'arrêté du Gouvernement flamand du 14 septembre 2001 portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand est abrogé.
Art. 28. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009.
Art. 28. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2009.
Art. 29. De leden van de Vlaamse Regering zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 29. Les membres du Gouvernement flamand sont chargés, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exécution du présent arrêté.