Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
4 JUNI 2009. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Titre
4 JUIN 2009. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale modifiant l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale
Documentinformatie
Numac: 2009031393
Datum: 2009-06-04
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2009031393
Date: 2009-06-04
Moniteur: Voir
Tekst (114)
Texte (114)
Artikel 1. Artikel 2, vierde lid, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt opgeheven.
Article 1er. L'article 2, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale est supprimé
Art. 2. Een Hoofdstuk Ibis, bestaand uit een artikel 3bis wordt ingevoegd in Titel II van Boek I van hetzelfde besluit, met als opschrift :
  " Hoofdstuk Ibis. Rechten en plichten
  Art. 3bis § 1. De ambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen.
  Hij dient daartoe :
  1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;
  2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;
  3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren.
  § 2. De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten.
  Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden.
  § 3. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van [elke onwettigheid] of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft.(ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  § 4. De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen.
  Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt.
  § 5. De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt.
  § 6. De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed.
  Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte.
  In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen.
  De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van [de directieraad] of van diens afgevaardigde, vragen over een toestand waarin hij zich bevindt, dit om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  § 7. De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.
  Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de mededingingspositie van het organisme waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden.
  De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd.
  § 8. De ambtenaar heeft recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling.
  De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
  De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst.
  § 9. De ambtenaar heeft recht op opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan.
  Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit.
  § 10. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. ".
Art. 2. Un Chapitre Ierbis intitulé comme suit comprenant un article 3bis est inséré dans le Titre II du Livre I du même arrêté :
  " Chapitre Ierbis. Des droits et devoirs
  Art. 3bis § 1er. L'agent remplit ses fonctions avec loyauté, conscience et intégrité sous l'autorité de ses supérieurs hiérarchiques.
  A cet effet, il est tenu de :
  1° respecter les lois et règlements en vigueur ainsi que les directives parmi lesquelles les règles de conduite concernant la déontologie, de l'autorité dont il relève;
  2° formuler ses avis et rédiger ses rapports avec rigueur et exactitude;
  3° exécuter les décisions avec diligence et conscience professionnelle.
  § 2. L' agent a le droit d'être traité avec dignité et courtoisie tant par ses supérieurs hiérarchiques, ses collègues que ses subordonnés.
  Il a le devoir de traiter ses collègues, ses supérieurs hiérarchiques et ses subordonnés avec dignité et courtoisie. Il évite toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourrait compromettre cette dignité et cette courtoisie ou obérer le bon fonctionnement du service.
  § 3. Sans préjudice de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, l'agent informe son supérieur hiérarchique ou, si nécessaire, un supérieur hiérarchique plus élevé, de toute illégalité ou irrégularité dont il a connaissance.
  § 4. L'agent traite les usagers de ses services avec bienveillance. Dans la manière dont il répond aux demandes des usagers ou dont il traite les dossiers, il respecte strictement les principes de neutralité, d'égalité de traitement et de respect des lois, règlements et directives.
  Même en dehors de l'exercice de ses fonctions, l'agent évite tout comportement contraire à la dignité de ses fonctions. Il évite aussi toute situation où, même par personne interposée, il pourrait être associé à des occupations contraires à la dignité de ses fonctions.
  § 5. L'agent ne peut solliciter, exiger ou recevoir, directement ou par personne interposée, même en-dehors de ses fonctions mais à raison de celles-ci, des dons, gratifications ou avantages quelconques. Ne sont pas visés les cadeaux symboliques de faible valeur échangés entre agents dans l'exercice normal de leurs fonctions.
  § 6. L'agent ne se place pas et ne se laisse pas placer dans une situation de conflits d'intérêts, c'est-à-dire une situation dans laquelle il a par lui-même ou par personne interposée un intérêt personnel susceptible d'influer sur l'exercice impartial et objectif de ses fonctions ou à créer la suspicion légitime d'une telle influence.
  Lorsqu'un agent estime qu'il a un conflit d'intérêt ou qu'il craint d'en avoir un, il en informe immédiatement son supérieur hiérarchique. Celui-ci lui en donne acte par écrit.
  En cas de conflit d'intérêt avéré, le supérieur hiérarchique prend les mesures adéquates pour y mettre fin.
  L'agent peut solliciter par écrit l'avis du président du conseil de direction ou de son délégué sur une situation dans laquelle il se trouve afin de savoir si elle est constitutive d'un conflit d'intérêt.
  § 7. L'agent jouit de la liberté d'expression à l'égard des faits dont il a connaissance dans l'exercice de ses fonctions.
  Il lui est uniquement interdit de révéler des faits qui ont trait à la sécurité nationale, à la protection de l'ordre public, aux intérêts financiers de l'autorité, à la prévention et à la répression des faits délictueux, au secret médical, aux droits et libertés du citoyen, et notamment le droit au respect de la vie privée; cette interdiction vaut également pour les faits qui ont trait à la préparation de toutes les décisions aussi longtemps qu'une décision finale n'a pas encore été prise, ainsi que pour les faits qui, lorsqu'ils sont divulgués, peuvent porter préjudice à la position de concurrence de l'organisme dans lequel l'agent est occupé.
  Les dispositions des alinéas précédents s'appliquent également à l'agent qui a cessé ses fonctions.
  § 8. L'agent a droit à l'information pour tous les aspects utiles à l'exercice de ses tâches.
  L'agent se tient au courant d'une façon permanente de l'évolution des techniques, réglementations et recherches dans les matières dont il est professionnellement chargé.
  L'agent participe activement au partage des connaissances au sein du service public.
  § 9. L'agent a droit à la formation utile à son travail au sein de l'organisation. L'autorité pourvoit à cette formation et garantit à cet effet l'accès à la formation continue entre autres en vue du développement de la carrière professionnelle.
  Les périodes d'absence justifiées par la participation aux activités obligatoires de formation, sont à tout point de vue assimilées à des périodes d'activité de service.
  § 10. Tout agent a le droit de consulter son dossier personnel. ".
Art. 3. In artikel 8 van hetzelfde besluit, worden het tweede en derde lid vervangen door volgende leden :
  " Zij bepaalt, op voorstel van de directieraad, onder de betrekkingen van eerste attaché van rang A 2 het aantal expertbetrekkingen van hoog niveau.
  Voor de toepassing van dit artikel dient te worden verstaan onder expertbetrekking van hoog niveau, een betrekking waarbij de klemtoon wordt gelegd op de uitgebreide gespecialiseerde kennis betreffende de behandelde aangelegenheden, die worden vereist voor de uitoefening van de betrekking. ".
Art. 3. A l'article 8 du même arrêté, les alinéas 2 et 3 sont remplacés par les alinéas suivants :
  " Il fixe, sur proposition du conseil de direction, parmi les emplois de premier attaché de rang A 2 le nombre d'emplois d'expert de haut niveau.
  Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre par emploi d'expert de haut niveau, un emploi pour lequel l'accent est mis sur les connaissances spécialisées approfondies relatives aux matières traitées, qui sont exigées pour exercer l'emploi. ".
Art. 4. In artikel 19, eerste lid, 2° en tweede lid, van het zelfde besluit wordt het woord A3 vervangen door de woorden " A2 ten minste ".
Art. 4. A l'article 19, alinéa 1er, 2° et 2, du même arrêté, le mot " A3 " est remplacé par les mots " A2 au moins ".
Art. 5. Hoofdstuk I van Titel III van Boek I van hetzelfde besluit, bestaand uit artikel 25 tot 30, gewijzigd door het besluit van 25 april 2006 (zesde wijziging), wordt vervangen als volgt :
  " Hoofdstuk I. De werving
  Afdeling 1. Toekenningswijzen van de betrekkingen, de wervingsvoorwaarden en de wervingsgraden.
  Art. 25. Een vacante betrekking wordt toegewezen aan een kandidaat van de interne mobiliteit, een laureaat van een vergelijkend overgangsexamen naar een hoger niveau of een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen
  De geslaagde van een vergelijkend overgangsexamen naar een hoger niveau heeft voorrang ten opzichte van een kandidaat voor de interne mobiliteit.
  Art. 25bis. § 1. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelaatbaarheidsvereisten vervullen;
  2° slagen voor het voorgeschreven vergelijkend wervingsexamen;
  3° met goed gevolg de stage volbrengen;
  4° bewijzen dat hij de eventuele vereiste medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt bezit.
  § 2. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten :
  1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de Staat, van een Gemeenschap of van een Gewest te behartigen;
  2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;
  3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens de bij dit besluit gevoegde tabel. Hiervan kan, voorafgaand aan het vergelijkend wervingsexamen, door de minister, na advies van de afgevaardigde bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid (afgekort tot " SELOR "), bij gemotiveerde beslissing worden afgeweken in geval van schaarste op de arbeidsmarkt.
  Art. 26. Vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd voor de graden van rang A1, B1, C1, D1 en E1.
  Worden beschouwd als wervingsgraden :
  in niveau A, rang A1 : attaché
  ingenieur
  in niveau B, rang B1 : assistent
  in niveau C, rang C1 : adjunct
  in niveau D, rang D1 : klerk
  in niveau E, rang E1 : beambte.
  Afdeling 2. Organisatie van de wervingsexamens en samenstelling van de examenjury's
  Art. 27. (6) De vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd door SELOR. De afgevaardigde bestuurder kan echter onder zijn toezicht de organisatie van deze wervingsexamens geheel of gedeeltelijk opdragen aan het ministerie, met instemming van de minister. De minister maakt de organisatie van de vergelijkende wervingsexamens bekend ten minste door een bericht in het Belgisch Staatsblad.
  Art. 27bis § 1. Wervingsexamenjury's worden samengesteld voor elk vergelijkend wervingsexamen.
  De jury's bestaan uit de voorzitter, die de afgevaardigde bestuurder is, of zijn vertegenwoordiger, en ten minste twee assessoren of hun plaatsvervangers. De voorzitter en de assessoren of hun plaatsvervangers zijn stemgerechtigd. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen.
  De minister in overeenstemming met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, wijst de juryleden aan onder :
  1° de statutaire personeelsleden, titularis van een betrekking van een niveau dat minstens gelijk is aan het niveau van de te begeven betrekking, die een anciënniteit hebben van minstens 3 jaar;
  2° leden van het onderwijzend personeel die ten minste het niveau hebben van de te begeven betrekking; zij moeten behoren of hebben behoord tot onderwijsinstellingen van de Staat of een Gemeenschap of tot door hen gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen;
  3° personen die, wegens hun bevoegdheid of hun specialisatie, bijzonder geschikt zijn.
  Een vergoeding kan worden toegekend aan de leden van de jury bedoeld in 2° en 3° van het derde lid van deze paragraaf. De minister bepaalt het bedrag van deze vergoeding.
  § 2. De afgevaardigden van de representatieve vakbondsorganisaties mogen de zittingen bijwonen.. Zij mogen geen contact hebben met de kandidaten. Zij worden minstens acht dagen vóór de datum van elk gedeelte opgeroepen.
  Zij mogen de zitting pas verlaten na het verstrijken van de tijd vermeld in de uitnodiging of met de instemming van de voorzitter. Zij mogen niet aanwezig zijn tijdens de deliberatie.
  § 3. De afgevaardigde bestuurder van SELOR organiseert het verloop van de proeven in overeenstemming met de minister of zijn afgevaardigde.
  Art. 27ter. Bij het organiseren van een vergelijkend wervingsexamen stelt de minister of zijn afgevaardigde de datum vast waarop de kandidaten moeten voldoen aan de vereisten inzake diploma's of studiegetuigschriften en in voorkomend geval, aan de vereiste inzake minimumleeftijd of aan de bijzondere vereisten inzake beroepsbekwaamheid.
  Het bericht vermeldt ten minste de uiterste datum van de kandidaatstelling en of er eventueel een reserve van de geslaagden wordt aangelegd. In voorkomend geval wordt de duur en de omvang ervan meegedeeld.
  De kandidaten beschikken over ten minste veertien dagen om zich kandidaat te stellen.
  De afgevaardigde bestuurder van SELOR of zijn afgevaardigde legt de datum en de plaats van het examen vast, stelt de lijst van de kandidaten vast en roept ze minstens acht dagen vóór de datum van elk selectiegedeelte op. Deze termijn begint vanaf de verzendingsdatum van de oproep. De kandidaten die afwezig zijn, worden uitgesloten.
  Zodra de afgevaardigde bestuurder van SELOR, tijdens een vergelijkend wervingsexamen, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan een van de algemene of bijzondere toelaatbaarheidsvereisten vereist voor de functie waarnaar de betrokkene mededingt, sluit hij deze van het vergelijkend wervingsexamen uit en brengt hem hiervan op de hoogte.
  Afdeling 3. Vorming van de reserves van de geslaagden
  Art. 28. De minister bepaalt voor elk wervingsexamen of er al dan niet een reserve van geslaagden, algemene reserve genaamd, wordt aangelegd.
  Zo de minister beslist om bijkomende proeven te organiseren, zoals bedoeld in artikel 29quinquies van dit besluit, beslist hij of er al dan niet een of meerdere reserves van de geslaagden, bijzondere reserves genaamd, moeten worden aangelegd.
  De reserve heeft een geldigheidsduur van twee jaar. De minister kan na raadpleging van de afgevaardigde bestuurder van SELOR een andere duur bepalen. Hij licht de kandidaten ter zake in.
  De minister kan ook de [geldigheidsduur] van een bestaande reserve met telkens een jaar verlengen indien de behoeften van de diensten dit rechtvaardigen. Hij licht de laureaten ter zake in. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  Voorafgaand aan de vorming van een wervingsreserve, kan de minister het aantal toelaatbare geslaagden in deze reserve bepalen.
  Afdeling 4. Functiebeschrijving, programma van het wervingsexamen en andere eventuele wervingsvoorwaarden.
  Art. 29. Na overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, bepaalt de minister :
  1° de functiebeschrijving van de betrekking(en) overeenstemmend met de wervingsgraad en de vereiste kwalificatie van de te werven ambtenaren;
  2° het programma van het vergelijkend wervingsexamen.
  Eveneens na overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, kan de minister :
  1° bijzondere wervingsvoorwaarden opleggen wanneer de aard van het ambt het vereist;
  2° nader bepalen welke diploma's in het bijzonder toegang verlenen tot het ambt waarvoor een vergelijkend wervingsexamen wordt uitgeschreven;
  3° voor een bepaald vergelijkend wervingsexamen een minimumleeftijd voorschrijven;
  4° voor een bepaald vergelijkend wervingsexamen bijzondere eisen stellen inzake beroepsbekwaamheid verworven door het bezit van praktische kennis of de uitoefening van een vorige werkzaamheid, wanneer de aard van de te verlenen betrekkingen zodanige eisen wettigt;
  5° tot een bepaald examen de studenten toelaten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift. wanneer de minister in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden op te leveren; in dat geval worden zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen ook tot dat wervingsexamen toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze wervingsexamens zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de afgevaardigde bestuurder van SELOR het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen;
  6° behalve de in artikel 25bis, § 2, 4°, vermelde diploma's en getuigschriften de volgende, door hem aan te wijzen diploma's en getuigschriften aanvaarden voor het wervingsexamen in een bepaalde graad en wanneer de vereisten van het uit te oefenen ambt dit toelaten :
  a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;
  b) diploma's en getuigschriften van het technisch, kunst of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;
  7° voor het vergelijkend wervingsexamen in bepaalde functies van niveaus D en E het bezit van door hem aan te wijzen studie of opleidingsdiploma's eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;
  8° voor het vergelijkend wervingsexamen in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de houders van door hem aan te wijzen vormingsdiploma's en vormingsgetuigschriften aanvaarden als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van het uit te oefenen ambt en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in [artikel 25bis, § 2, 4°]. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  Afdeling 5. Bepaling van de punten
  Art. 29bis. In overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, bepaalt de minister met name :
  1° het aantal punten dat aan het volledig examen, aan iedere proef en desgevallend aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend.
  2° het minimum aantal punten dat voor het volledig examen, voor iedere proef of voor elk vak afzonderlijk of voor iedere vakkengroep wordt vereist.
  Afdeling 6. Voorexamen
  Art. 29ter. Na het afsluiten van de inschrijvingen, kan de minister, in overeenstemming met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, wanneer hij oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten het rechtvaardigt, aan het programma van het vergelijkend examen een voorexamen toevoegen.
  Hij bepaalt, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de aard van het voorexamen en in voorkomend geval de examenstof waarop het betrekking heeft.
  Op basis van de uitslagen van het voorexamen stelt de commissie het aantal tot het vergelijkend examen toe te laten kandidaten vast en maakt er vervolgens de lijst van op.
  Voor de rangschikking van de geslaagden voor het vergelijkend examen wordt geen rekening gehouden met de uitslag die zij op het voorexamen hebben behaald.
  Afdeling 7. Organisatie van het wervingsexamen buiten de aanvullende proef en algemene rangschikking van de geslaagden
  Art. 29quater. § 1. Indien voor [eenzelfde] vergelijkend examen, meerdere proeven worden georganiseerd buiten de aanvullende proef, bedoeld in artikel 29quinquies van dit besluit, bepaalt de minister voor deze proeven, in overeenstemming met de afgevaardigde bestuurder van SELOR : (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  1° het maximum aantal kandidaten bepalen dat, onder voorbehoud van het behalen van het vastgestelde minimumaantal punten, tot een volgende proef wordt toegelaten;
  2° de regels volgens [dewelke] de kandidaten worden toegelaten tot de volgende proef. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  § 2. Een rangschikking van de geslaagden, algemene rangschikking genaamd, wordt opgemaakt op basis van de door de geslaagden behaalde resultaten voor de proeven georganiseerd buiten de aanvullende proef bedoeld in artikel 29quinquies van dit besluit.
  De minister bepaalt, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, voorafgaandelijk aan het vergelijkende examen, de proef of proeven die in aanmerking komen voor het opmaken van de algemene rangschikking.
  Afdeling 8. Aanvullende proef en bijzondere rangschikking van de geslaagden
  Art. 29quinquies. § 1. De minister kan, in overeenstemming met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, beslissen om een of meerdere aanvullende proeven te organiseren op basis van een bepaalde functiebeschrijving of typefuncties.
  De minister of zijn afgevaardigde bepaalt, rekening houdend met de volgorde van de algemene rangschikking bedoeld in artikel 29quater, het aantal geslaagden dat moet worden ingelicht over de betrekking waarvoor een aanvullende proef wordt georganiseerd.
  De geslaagden die werden ingelicht in overeenstemming met het voorgaande lid, betekenen hun belangstelling voor de betrekking met een aangetekende brief.
  De minister of zijn afgevaardigde bepaalt, rekening houdend met de volgorde van de algemene rangschikking bedoeld in artikel 29quater, het aantal geslaagden bedoeld in het voorgaande lid, dat mag deelnemen aan de aanvullende proef.
  Indien, na afloop van de aanvullende proef, die werd georganiseerd voor de in het vorige lid bedoelde geslaagden, geen enkele van deze laatsten geschikt wordt geacht voor de functie, bepaalt de minister of zijn afgevaardigde opnieuw het aantal geslaagden, volgend in de algemene rangschikking, die mogen deelnemen aan de genoemde proef. Hij herhaalt deze handeling, zoveel als nodig is, telkens met inachtneming van de volgorde van de rangschikking.
  De deelname aan de aanvullende proef is niet verplicht.
  De kandidaten voor de aanvullende proef worden door de minister of zijn afgevaardigde opgeroepen in de volgorde van de algemene rangschikking, bedoeld in artikel 29quater. Zij worden opgeroepen per brief minstens tien dagen voor de datum van de proef. Deze termijn begint vanaf de verzendingdatum van de oproep. De afwezige kandidaten worden uitgesloten.
  § 2. De geslaagden voor de aanvullende proef die door de commissie worden geschikt bevonden voor de uit te oefenen functie worden opgenomen in een bijzondere rangschikking, apart van de algemene rangschikking.
  De afgevaardigde bestuurder van SELOR of zijn vertegenwoordiger stelt het proces-verbaal met de bijzondere rangschikking van de kandidaten op.
  De algemene rangschikking wordt gehandhaafd naast de op basis van de aanvullende proef opgestelde bijzondere rangschikking.
  § 3. Onverminderd de toepassing van artikel 28, vijfde lid, van dit besluit, indien de minister beslist om een bijzondere reserve te vormen voor een aanvullende proef, worden de niet batig gerangschikte geslaagden van deze aanvullende proef daarin opgenomen. Zij behouden tegelijkertijd hun algemene rangschikking in de algemene reserve.
  De geslaagden voor een of meerdere aanvullende proeven kunnen deel uitmaken van een of meerdere bijzondere reserves en, tegelijkertijd, van de algemene reserve.
  De geslaagden voor een aanvullende proef, die niet geslaagd zijn voor deze proef of er niet aan deelgenomen hebben, behouden hun algemene rangschikking evenals hun bijzondere rangschikking vastgesteld op basis van andere aanvullende proeven waarvoor zij wel slaagden.
  Afdeling 9. Regels voor de toelating van de geslaagden
  Art. 29sexies. [§ 1.] De afgevaardigde bestuurder van SELOR of zijn vertegenwoordiger stelt het proces-verbaal met de rangschikking van de kandidaten vast. Hij maakt ze bekend in het Belgisch Staatsblad, tenzij de lijst aan alle deelnemers aan het vergelijkend examen wordt medegedeeld.
  Elke geslaagde krijgt kennisgeving van zijn resultaat. Dit wordt in het individueel dossier opgenomen zodra hij tot ambtenaar wordt benoemd. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  § 2. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend wervingsexamen vergewist de afgevaardigde bestuurder van SELOR zich ervan dat de geslaagden aan de gestelde eisen voldoen. Zij die voldoen worden door hem toegelaten verklaard.
  Wanneer de afgevaardigde bestuurder van SELOR vaststelt dat een nader onderzoek geboden is om uit te maken of een geslaagde er een gedrag op na houdt dat beantwoordt aan [de toe te kennen functie], wordt deze voorlopig geweerd zolang dat onderzoek loopt. De kandidaat wordt daarover ingelicht. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  De geslaagden die het vereiste diploma of studiegetuigschrift nog niet bezitten of deze documenten niet kunnen voorleggen, kunnen zich, met het oog op een benoeming, pas beroepen op hun rangschikking onder de geslaagden vanaf de dag waarop zij dat diploma of studiegetuigschrift aan de afgevaardigde bestuurder van SELOR hebben voorgelegd. De geslaagden moeten er het bewijs van leveren.
  § 3. De geslaagden kunnen vragen om tijdelijk niet meer geraadpleegd te worden. Op hun schriftelijk verzoek wordt met hun kandidatuur opnieuw rekening gehouden bij de eerstvolgende raadpleging.
  § 4. De geslaagden die een oproep om een betrekking te bekleden niet beantwoorden, worden van ambtswege geschorst en worden niet meer opgeroepen zolang zij het niet per aangetekend schrijven aanvragen.
  § 5. De geslaagden van de aanvullende proef kunnen een voorgestelde betrekking weigeren. Na de derde weigering worden ze niet meer opgeroepen en van ambtswege uit de algemene reserve en de bijzondere reserves geschrapt.
  Na vijf maal niet geslaagd te zijn voor aanvullende proeven voor eenzelfde vergelijkend examen wordt de geslaagde eveneens niet meer opgeroepen en van ambtswege uit de algemene reserve en de bijzondere reserves geschrapt
  De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die, na deze aanvaarding, weigeren in dienst te treden, worden niet meer opgeroepen en uit de genoemde reserves geschrapt.
  § 6. Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende wervingsexamens, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de minst recente datum werd afgesloten.
  § 7. Na het afsluiten van het proces-verbaal van de aanvullende proef, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun specifieke rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben medegedongen.
  Zij worden voor een vacante vaste betrekking van die graad aangewezen.
  De geslaagden die voorlopig werden geweerd doch naderhand aan de gestelde eisen voldoen, worden tot de stage toegelaten in de graad waarvoor zij hebben medegedongen. Zij, die aan deze eisen niet voldoen, worden uitgesloten.
  Afdeling 10. Oproep tot de reserves behorende tot andere overheden
  Art. 29septies. Middels het akkoord van de federale of de andere gefedereerde overheden, kan de minister, voor een werving in een betrekking van het ministerie, beroep doen op de reserves van de geslaagden die behoren tot deze overheden.
  De minister kan, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, beslissen om een of meerdere aanvullende proeven te organiseren volgens de regels die in artikel 29quinquies van dit besluit voorzien zijn.
  Afdeling 11. Oproep tot indiensttreding van de geslaagden
  Art. 30. Wanneer een vacante betrekking moet worden ingevuld door een geslaagde van een vergelijkend wervingsexamen en indien geen [enkele] aanvullende proef voor de uit te oefenen functie werd georganiseerd, is de minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, gebonden door de algemene rangschikking van de geslaagden; hij houdt rekening met de volgorde [van deze rangschikking en richt een verzoek] in deze zin aan de afgevaardigde bestuurder van SELOR. (6) (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  Voor een werving, uitgevoerd na een aanvullende proef, is de minister of zijn afgevaardigde, gebonden door de bijzondere rangschikking opgesteld op basis van de aanvullende proef; hij houdt rekening met de volgorde [van deze rangschikking en richt een verzoek] in deze zin aan de afgevaardigde bestuurder van SELOR. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  De minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, roept de geselecteerde kandidaat in dienst. De minister of zijn afgevaardigde stelt een maximumtermijn vast voor de indiensttreding van de geselecteerde kandidaat.
  Indien meerdere betrekkingen gelijktijdig worden aangeboden aan de geslaagden van een wervingsreserve, kan het ministerie of zijn afgevaardigde beroep doen op de geselecteerde kandidaat hetzij na afsluiting van elke bijkomende proef, hetzij van meerdere proeven. Indien de oproep plaats heeft na de afsluiting van meerdere bijkomende proeven, kan de geselecteerde kandidaat kiezen uit de betrekkingen waarvoor hij werd geselecteerd.
  Wanneer evenwel de geslaagde die werd aangeworven bij arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur bij zijn werkgever een opzeggingstermijn moet eerbiedigen, wordt hij in dienst geroepen de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van deze termijn.
  De geslaagden die de functie niet binnen de gestelde termijnen vervullen, kunnen niet meer worden opgeroepen en worden van ambtswege geschrapt uit de algemene reserve en de bijzondere reserves, die in voorkomend geval werden gevormd voor het betrokken vergelijkend examen.
Art. 5. Le chapitre 1er du Titre III du Livre premier du même arrêté comprenant les articles 25 à 30, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), est remplacé comme suit :
  " Chapitre Ier. Du recrutement
  Section Ire. Des modes d'attribution des emplois, des conditions de recrutement et des grades de recrutement
  Art. 25. Un emploi vacant est attribué à un candidat à la mobilité interne, à un lauréat d'un concours d'accession au niveau supérieur ou à un lauréat d'un concours de recrutement.
  Le lauréat d'un concours d'accession au niveau supérieur a priorité par rapport à un candidat à la mobilité interne.
  Art. 25bis. § 1er. Nul ne peut être nommé agent s'il ne satisfait aux conditions suivantes :
  1° réunir les conditions d'admissibilité imposées pour l'emploi à conférer;
  2° réussir le concours de recrutement prévu;
  3° accomplir avec succès le stage probatoire;
  4° justifier de la possession de l'aptitude médicale éventuellement exigée pour la fonction à exercer.
  § 2. Nul ne peut être nommé agent s'il ne remplit les conditions générales d'admissibilité qui suivent :
  1° être Belge lorsque les fonctions à exercer sont liées à l'exercice de la puissance publique et destinées à sauvegarder les intérêts généraux de l'Etat, d'une Communauté ou d'une Région;
  2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction;
  3° jouir des droits civils et politiques;
  4° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études en rapport avec le niveau du grade à conférer selon le tableau annexé au présent arrêté. Préalablement au concours de recrutement, il peut être dérogé par décision motivée à cette condition par le ministre, après avis de l'administrateur délégué du Bureau de sélection de l'Administration fédérale (en abrégé " SELOR "), dans le cas d'une pénurie sur le marché du travail.
  Art. 26. Des concours de recrutement sont organisés pour les grades des rangs A1, B1, C1, D1 et E1.
  Sont considérés comme grades de recrutement :
  au niveau A, rang A1 : attaché
  ingénieur
  au niveau B, rang B1 : assistant
  au niveau C, rang C1 : adjoint
  au niveau D, rang D1 : commis
  au niveau E, rang E1 : préposé.
  Section 2. Organisation des concours de recrutement et constitution des jurys d'examens
  Art. 27. (6) Les concours de recrutement sont organisés par SELOR. L'administrateur délégué peut toutefois, sous sa surveillance, confier au ministère tout ou partie de l'organisation des concours, en accord avec le ministre. Le ministre annonce l'organisation des concours de recrutement au moins par un avis au Moniteur belge.
  Art. 27bis § 1er. Des jurys d'examens de recrutement sont constitués lors de chaque concours de recrutement.
  Les jurys comprennent le président, qui est l'administrateur délégué, ou son représentant ainsi que deux assesseurs au moins ou leurs suppléants. Le président et les assesseurs ou leurs suppléants ont voix délibérative. Les décisions sont prises à la majorité des voix.
  Le ministre, en accord avec l'administrateur délégué de SELOR, désigne les membres du jury parmi :
  1° les membres du personnel statutaire, titulaires d'un emploi d'un niveau au moins égal au niveau de l'emploi à conférer et possédant une ancienneté de niveau de 3 ans au moins;
  2° les membres du personnel enseignant ayant au moins le niveau de l'emploi à conférer; ils doivent appartenir ou avoir appartenu à des établissements d'enseignements de l'Etat ou d'une Communauté ou à des établissements d'enseignement subventionnés ou reconnus par ceux-ci;
  3° les personnalités particulièrement qualifiées en raison de leur compétence.
  Une allocation peut être accordée aux membres du jury visés aux 2° et 3° de l'alinéa 3 du présent paragraphe. Le ministre fixe le montant de cette allocation.
  § 2. Les délégués des organisations syndicales représentatives peuvent assister aux séances. Ils ne peuvent avoir de contacts avec les candidats. Ils sont invités au moins huit jours avant chaque épreuve.
  Ils ne peuvent quitter la séance qu'après l'expiration du temps mentionné dans l'invitation ou de l'accord du président. Ils ne peuvent assister aux délibérations.
  § 3. L'administrateur délégué de SELOR organise le déroulement des épreuves en accord avec le ministre ou son délégué.
  Art. 27ter. Lors de l'organisation d'un concours de recrutement le Ministre ou son délégué fixe la date à laquelle les candidats doivent satisfaire aux conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études et le cas échéant à la condition d'un âge minimum ou à des conditions spéciales d'aptitudes professionnelles.
  L'avis du moniteur mentionne au moins la date limite de candidature et la constitution éventuelle d'une réserve des lauréats. Le cas échéant, il précise la durée et l'importance de cette réserve.
  Les candidats disposent d'au moins quatorze jours pour se porter candidat.
  L'administrateur délégué de SELOR ou son délégué fixe la date et le lieu de l'examen, arrête la liste des candidats et les convoque par lettre au moins huit jours avant la date de chaque épreuve de sélection. Ce délai commence à partir de la date d'envoi de la convocation. Les candidats absents, sont exclus.
  Dès que l'administrateur délégué de SELOR constate que, pendant un concours de recrutement, un candidat ne remplit pas, ou ne pourra pas remplir, une des conditions générales ou spéciales d'admissibilité requises pour la fonction pour laquelle l'intéressé concourt, celui-ci est exclu du concours et en est informé
  Section 3. De la constitution des réserves de lauréats.
  Art. 28. Le ministre décide pour chaque concours de recrutement si une réserve de lauréats, appelée réserve générale, doit ou non être constituée.
  Lorsque le ministre décide de l'organisation d'épreuves complémentaires telles que visées à l'article 29quinquies du présent arrêté, il décide si une ou plusieurs réserves de lauréats, appelées réserves spécifiques, doivent ou non être constituées.
  La réserve a une durée de validité de deux ans. Le ministre peut, après consultation de l'administrateur délégué de SELOR, fixer une autre durée. Il en informe les candidats.
  Le ministre peut également prolonger la durée de validité d'une réserve existante par [périodes] d'un an lorsque les besoins des services le justifient. Il en informe les lauréats. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12948)
  Le ministre peut déterminer préalablement à la constitution d'une réserve le nombre de lauréats admis dans cette réserve.
  Section 4. De la description des fonctions, du programme du concours de recrutement et des autres conditions de recrutement éventuelles
  Art. 29. Après concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, le ministre fixe :
  1° la description de fonction de l'emploi ou des emplois correspondant au grade de recrutement et la qualification requise des agents à recruter;
  2° le programme du concours de recrutement.
  De plus, après concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, le ministre peut :
  1° imposer des conditions particulières de recrutement lorsque la nature de la fonction l'exige;
  2° préciser quels diplômes confèrent l'accès à la fonction pour laquelle un concours de recrutement est organisé;
  3° imposer, pour un concours déterminé, la condition d'un âge minimum;
  4° imposer, pour un concours déterminé, des conditions spéciales d'aptitudes professionnelles acquises consistant dans des connaissances pratiques ou dans l'exercice d'une activité antérieure, lorsque de telles conditions sont justifiées par la nature des emplois à conférer;
  5° admettre à un concours déterminé, les étudiants qui accomplissent la dernière année d'études requises pour qu'ils obtiennent le diplôme ou le certificat d'études exigé lorsque le ministre, en concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, présume que les participants ne seront pas assez nombreux pour qu'il y ait suffisamment de candidats ou de lauréats; en ce cas, sont également admis à cette sélection ceux qui ont satisfait à l'épreuve relative à l'avant-dernière année et qui déclarent qu'ils se présenteront devant le jury de leur Communauté pour l'épreuve relative à la dernière année; les lauréats de ces concours ne peuvent toutefois faire valoir, en vue d'une nomination, le bénéfice de leur classement qu'à partir du jour où ils auront produit devant l'administrateur délégué de SELOR, le diplôme ou certificat d'études exigé;
  6° admettre, pour le concours de recrutement à un grade déterminé et lorsque les exigences des fonctions à exercer ne s'y opposent pas, outre les diplômes et certificats d'études indiqués à l'article 25bis, § 2, 4°, d'autres diplômes et certificats qu'il désigne parmi les suivants :
  a) diplômes et certificats d'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement artistique de promotion socioculturelle;
  b) diplômes et certificats d'enseignement technique, artistique ou professionnel secondaire de plein exercice;
  7° exiger, pour le concours de recrutement à des fonctions déterminées des niveaux D et E, la possession de diplômes et certificats d'études ou de formation qu'il désigne lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer;
  8° admettre, pour le concours de recrutement à des grades déterminésdes niveaux A, B et C, les porteurs de diplômes ou certificats de formation qu'il désigne lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer, et pour autant que les détenteurs de ces diplômes ou certificats soient également porteurs d'un des titres d'études prévus à l'article 25bis, § 2, 4°.
  Section 5. De la détermination des points
  Art. 29bis. En concertation avec l'administrateur [délégué] de SELOR, le ministre détermine notamment : (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12948)
  1° le nombre de points attribués à l'ensemble du concours, à chacune des épreuves et, le cas échéant, à leurs subdivisions,
  2° le minimum de points qui est exigé pour l'ensemble du concours, pour chaque épreuve ou pour chaque matière déterminée ou pour chaque groupe de matières.
  Section 6. De l'épreuve préalable
  Art. 29ter. Après la clôture des inscriptions, le ministre, en accord avec l'administrateur délégué de SELOR, peut, lorsqu'il estime que le nombre des candidats inscrits le justifie, ajouter au programme du concours une épreuve préalable.
  Il détermine, en concertation avec l'administrateur [délégué] de SELOR, la nature de l'épreuve préalable, et, le cas échéant, la matière sur laquelle elle portera. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12948)
  Sur base des résultats de l'épreuve préalable, le jury arrête le nombre de candidats admissibles au concours et en dresse ensuite la liste.
  Pour le classement des lauréats du concours, il n'est pas tenu compte des résultats obtenus à l'épreuve préalable.
  Section 7. De l'organisation du concours en dehors de l'épreuve complémentaire et du classement général des lauréats
  Art. 29quater. § 1er. Si pour un même concours, plusieurs épreuves sont organisées en dehors de l'épreuve complémentaire visée à l'article 29quinquies du présent arrêté, le ministre détermine pour ces épreuves, en accord avec l'administrateur délégué de SELOR :
  1° le nombre maximum de candidats qui, sous réserve de l'obtention du minimum de points fixés, sont admis à une épreuve suivante;
  2° les règles suivant lesquelles les candidats sont admis à l'épreuve suivante.
  § 2. Un classement des lauréats, appelé classement général, est établi sur base des résultats obtenus par les lauréats pour les épreuves organisées en dehors de l'épreuve complémentaire visée à l'article 29quinquies du présent arrêté.
  Le ministre, en concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, détermine préalablement au concours la ou les épreuves prises en compte pour l'établissement du classement général.
  Section 8. De l'épreuve complémentaire et du classement spécifique des lauréats
  Art. 29quinquies. § 1er. Le ministre, en accord avec l'administrateur délégué de SELOR, peut décider d'organiser une ou plusieurs épreuves complémentaires, sur base d'une description de fonction déterminée ou de fonctions-type.
  Le ministre ou son délégué fixe, en tenant compte de l'ordre du classement général visé à l'article 29quater, le nombre de lauréats devant être informés de l'emploi pour lequel une épreuve complémentaire est organisée.
  Les lauréats qui ont été informés conformément à l'alinéa précédent notifient leur marque d'intérêt pour l'emploi par lettre recommandée à la poste.
  Le ministre ou son délégué fixe, en tenant compte de l'ordre du classement général visé à l'article 29quater, le nombre de lauréats visés à l'alinéa précédent qui peuvent participer à l'épreuve complémentaire.
  Si, à l'issue de l'épreuve complémentaire organisée pour les lauréats visés à l'alinéa précédent, aucun de ceux-ci n'est jugé apte à la fonction, le ministre ou son délégué fixe à nouveau le nombre de lauréats se trouvant à la suite du classement général qui peuvent participer à ladite épreuve. Il renouvelle cette opération autant de fois qu'il est nécessaire, en respectant chaque fois l'ordre du classement.
  La participation à l'épreuve complémentaire est facultative.
  Les candidats à l'épreuve complémentaire sont convoqués par le ministre ou son délégué dans l'ordre du classement général visé à l'article 29quater. Ils sont convoqués par lettre au moins dix jours avant la date de l'épreuve. Ce délai commence à partir de la date d'envoi de la convocation. Les candidats absents, sont exclus.
  § 2. Les lauréats de l'épreuve complémentaire jugés aptes par le jury pour la fonction à exercer font l'objet d'un classement spécifique, distinct du classement général.
  L'administrateur délégué de SELOR ou son délégué établit le procès-verbal fixant le classement spécifique des candidats.
  Le classement général est maintenu à côté du classement spécifique établi sur base de l'épreuve complémentaire.
  § 3. Sans préjudice de l'application de l'article 28, alinéa 5, du présent arrêté, si, pour une épreuve complémentaire, le ministre décide de la constitution d'une réserve spécifique, les lauréats de cette épreuve complémentaire non classés en ordre utile y sont versés. Ils maintiennent en même temps leur classement général dans la réserve générale.
  Les lauréats d'une ou de plusieurs épreuves complémentaires peuvent faire partie d'une ou de plusieurs réserves spécifiques et, en même temps, de la réserve générale.
  Les lauréats d'une épreuve complémentaire qui n'ont pas réussi celle-ci ou qui n'y ont pas participé, maintiennent leur classement général, ainsi que leur classement spécifique établi sur base d'autres épreuves complémentaires qu'ils ont réussies.
  Section 9. Des modalités d'admission des lauréats
  Art. 29 sexies. § 1er. L'administrateur délégué de SELOR ou son délégué établit le procès-verbal fixant le classement des candidats. Il en assure la publication au moniteur belge à moins que la liste ne soit notifiée à tous les candidats qui ont participé au concours.
  Chaque lauréat reçoit communication de ses résultats. Ceux-ci figurent au dossier individuel dès sa nomination en qualité d'agent.
  § 2. Après la clôture du procès-verbal du concours de recrutement, l'administrateur délégué de SELOR s'assure que les lauréats réunissent les conditions requises. Il déclare admis les lauréats qui y satisfont.
  Lorsque l'administrateur délégué de SELOR constate qu'une enquête complémentaire s'impose afin d'apprécier si un lauréat jouit d'une conduite en rapport avec la fonction à conférer, ce dernier est écarté provisoirement pendant le temps de l'enquête. Le candidat en est informé.
  Les lauréats qui ne sont pas encore porteurs du diplôme ou du certificat d'études exigé ou qui ne peuvent produire ces documents ne peuvent faire valoir, en vue d'une nomination, le bénéfice de leur classement parmi les lauréats qu'à partir du jour où ils auront produit devant l'administrateur délégué de SELOR ce diplôme ou certificat d'études. Il incombe aux lauréats d'en apporter la preuve.
  § 3. Les lauréats peuvent demander à ne plus être consultés temporairement. A leur demande écrite, leur candidature est de nouveau prise en considération lors de la consultation suivante.
  § 4. Les lauréats qui ne répondent pas à un appel pour occuper un emploi sont d'office en sursis et ne sont plus appelés aussi longtemps qu'ils n'en font pas la demande par lettre recommandée.
  § 5. Les lauréats de l'épreuve complémentaire peuvent refuser un emploi proposé. Après le troisième refus, ils ne sont plus appelés et ils sont rayés d'office de la réserve générale et des réserves spécifiques.
  Après avoir échoué cinq fois à des épreuves complémentaires d'un même concours, le lauréat n'est également plus appelé et il est rayé d'office de la réserve générale et des réserves spécifiques.
  Les lauréats qui acceptent un emploi s'engagent à l'occuper. Ceux qui, après cette acceptation, refusent d'entrer en fonction, ne sont plus appelés et sont rayés d'office desdites réserves.
  § 6. Entre lauréats de deux ou plusieurs concours de recrutement, les lauréats du concours dont le procès-verbal a été clos à la date la plus ancienne ont priorité.
  § 7. Après clôture du procès-verbal de l'épreuve complémentaire, les lauréats classés en ordre utile et qui satisfont aux conditions requises sont, dans l'ordre de leur classement spécifique, admis en stage dans la fonction pour laquelle ils ont concouru.
  Ils sont affectés à un emploi permanent vacant de ce grade.
  Les lauréats qui ont été provisoirement écartés mais satisfont toutefois par après aux conditions requises, sont admis en stage au grade pour lequel ils ont concouru. Ceux qui ne satisfont pas à ces conditions sont exclus.
  Section 10. De l'appel aux réserves relevant des autres autorités
  Art. 29septies. Moyennant l'accord des autorités fédérales ou des autres autorités fédérées, le ministre peut, pour un recrutement dans un emploi du ministère, faire appel aux réserves de lauréats qui relèvent de ces autorités.
  Le ministre, en concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, peut décider d'organiser une ou plusieurs épreuves complémentaires selon les règles prévues à l'article 29quinquies du présent arrêté.
  Section 11. De l'appel en service des lauréats
  Art. 30. Lorsqu'un emploi vacant doit être occupé par un lauréat d'un concours de recrutement et si aucune épreuve complémentaire n'a été organisée pour la fonction à exercer, le ministre ou l'agent qu'il désigne à cet effet, est lié par le classement général des lauréats; il tient compte de l'ordre de ce classement et adresse une demande en ce sens à l'administrateur délégué de SELOR. (6)
  Pour un recrutement effectué après une épreuve complémentaire, le ministre ou son délégué est lié par le classement spécifique établi sur base de l'épreuve complémentaire; il tient compte de l'ordre de ce classement et adresse une demande en ce sens à l'administrateur délégué de SELOR.
  Le ministre ou l'agent qu'il désigne à cet effet, appelle en service le candidat sélectionné. Le ministre ou son délégué fixe un délai maximum pour l'entrée en service du candidat sélectionné.
  Lorsque plusieurs emplois sont proposés simultanément aux lauréats d'une réserve de recrutement, le ministre ou son délégué peut appeler le candidat sélectionné après la clôture soit de chacune des épreuves complémentaires, soit de plusieurs d'entre elles. Si l'appel a lieu après la clôture de plusieurs épreuves complémentaires, le candidat sélectionné dispose du choix de l'emploi parmi ceux dans lesquels il est sélectionné.
  Toutefois, lorsque le lauréat qui se trouve sous les liens d'un contrat à durée indéterminée doit encore respecter un délai de préavis chez son employeur, il est appelé en service le premier jour du mois qui suit l'expiration de ce délai.
  Les lauréats qui n'occupent pas l'emploi dans les délais fixés ne peuvent plus être appelés et ils sont d'office rayés de la réserve générale et des réserves spécifiques constituées, le cas échéant, pour le concours concerné.
Art. 6. Een opschrift, luidend als volgt, wordt ingevoegd in Titel III van Boek I van hetzelfde besluit tussen artikel 30 en 30bis : " Hoofdstuk Ibis. Toekenning van de mandaatbetrekkingen via een open procedure ".
Art. 6. Un intitulé rédigé comme suit est inséré dans le Titre III du Livre I du même arrêté entre les articles 30 et 30bis : " Chapitre premier bis. De l'attribution des emplois de mandats par procédure ouverte ".
Art. 7. In artikel 34, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) worden de woorden " , 10 werkdagen " vervangen door de woorden " en 8°, vijftien dagen ".
Art. 7. A l'article 34, alinéa 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), les mots " ,plus de 10 jours ouvrables " sont remplacés par les mots " et 8°, plus de 15 jours "
Art. 8. Artikel 35 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De secretaris-generaal of de adjunct secretaris-generaal kan de stagiair toestaan zijn stage te vervullen in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. De stagiair die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet is onderworpen aan de regels van dit besluit inzake stage. Het verlof van de stagiair voor detachering in een ministerieel kabinet is gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. ".
Art. 8. L'article 35 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), est complété par l'alinéa suivant :
  " Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint peut autoriser le stagiaire à accomplir son stage au sein d'un cabinet ministériel du Gouvernement de la Région de [Bruxelles-Capitale]. Le stagiaire qui accomplit son stage dans un cabinet ministériel est soumis aux règles du présent arrêté en matière de stage. Le congé du stagiaire pour détachement dans un cabinet ministériel est assimilé à une période d'activité de service. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12948)".
Art. 9. Artikel 36 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging) wordt aangevuld met het volgende lid :
  " In afwijking van de voorgaande leden, wijst de minister die de stagiair, die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet, onder zijn gezag heeft, het personeelslid van zijn kabinet aan, dat belast wordt met de stageleiding, overeenkomstig de taalrol van de stagiair. Dit personeelslid heeft dezelfde prerogatieven als die uitgeoefend door de ambtenaar belast met de stageleiding krachtens dit besluit. ".
Art. 9. L'article 36 du même arrêté modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), est complété par l'alinéa suivant :
  " Par dérogation aux alinéas précédents, lorsque le stage est accompli dans un cabinet ministériel, le ministre qui a le stagiaire sous son autorité désigne le membre du personnel de son cabinet chargé d'assurer la direction du stage, selon le rôle linguistique du stagiaire. Ce membre du personnel exerce les mêmes prérogatives que celles exercées par l'agent chargé de la direction du stage en vertu du présent arrêté. ".
Art. 10. Artikel 37 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid :
  " In afwijking van de voorgaande leden, is het personeelslid belast met de stageleiding, verantwoordelijk voor de vorming van de stagiair, die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet. Hij zorgt voor de vorming betreffende de in het kabinet behandelde materies en werkt samen met de vormingsdienst van het ministerie. Deze laatste licht de stagiair in over de dienstactiviteiten van het ministerie en bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair moet deelnemen. Het ministerie zorgt enkel voor de vormingen in verband met het onthaal van de stagiair. ".
Art. 10. L'article 37 du même arrêté est complété par l'alinéa suivant :
  " Par dérogation aux alinéas précédents, lorsque le stagiaire accomplit son stage dans un cabinet ministériel, le membre du personnel chargé de la direction du stage est responsable de la formation du stagiaire. Il s'occupe de la formation portant sur les matières traitées au sein du cabinet et collabore avec le service de formation du ministère. Celui-ci informe le stagiaire des activités des services du ministère et détermine les activités de formation auxquelles le stagiaire est tenu de participer. Le ministère prend en charge uniquement les formations en rapport avec l'accueil du stagiaire. ".
Art. 11. Artikel 40 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 24 maart 2005 wordt aangevuld met het volgende lid :
  " In afwijking van [het voorgaande lid], stelt de stagiair die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet, een eindverhandeling op, waarvan het onderwerp wordt bepaald in overleg met het personeelslid van het ministerieel kabinet belast met de stageleiding en de vormingsdienst van het ministerie. ". (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
Art. 11. L'article 40 du même arrêté modifié par l'arrêté du 24 mars 2005, est complété par l'alinéa suivant :
  " Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsque le stagiaire accomplit son stage dans un cabinet ministériel, il rédige un mémoire de stage dont le sujet est déterminé en concertation avec le membre du personnel de cabinet ministériel chargé de la direction du stage et le service de formation du ministère. ".
Art. 12. In artikel 41 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° Het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " Na de 1ste, 3de, 6de, 8ste, 10de en 12de maand van de stage, organiseert de ambtenaar belast met de leiding van de stage een evaluatiegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kan hij besluiten tot bijkomende gesprekken. Het onderhoud verloopt met name over : "
  2° Tussen het tweede en het derde lid wordt volgend lid ingevoegd :
  " Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de ambtenaar belast met de leiding van de stage de stagiair een verwittiging. Bij een tweede verwittiging, licht hij de gemachtigde hiërarchische meerdere, evenals het HRM, hierover in. De tweede verwittiging mag alleen worden uitgesproken na een termijn van één maand die direct volgt op de eerste verwittiging ".
Art. 12. A l'article 41 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° L'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
  " A l'issue des 1er, 3e, 6e, 8e, 10e et 12e mois du stage, l'agent chargé de la direction du stage organise un entretien d'évaluation relatif au déroulement du stage. Lorsqu'il le juge nécessaire, il peut décider d'entretiens supplémentaires. L'entretien se déroule notamment au sujet : "
  2° Entre les alinéas 2 et 3 est inséré l'alinéa suivant :
  " Il vise également à permettre une appréciation tant des faits favorables que défavorables. En cas de constatation de faits défavorables, l'agent chargé de la direction du stage donne un avertissement au stagiaire. Au second avertissement, il en avise le supérieur hiérarchique habilité ainsi que la grh. Le second avertissement ne peut être prononcé qu'après un délai d'un mois qui suit directement le premier avertissement "
Art. 13. In artikel 44, tweede lid van hetzelfde besluit worden de woorden " tien werkdagen " vervangen door de woorden " vijftien dagen ".
Art. 13. A l'article 44, alinéa 2 du même arrêté, les mots " dix jours ouvrables " sont remplacés par les mots " quinze jours ".
Art. 14. Er wordt een artikel 47bis ingevoegd in de afdeling 4 van Hoofdstuk II van Titel III van Boek I :
  " Art. 47bis. Indien, in de loop van de stage, de stagiair twee verwittigingen heeft gekregen van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, legt deze laatste onmiddellijk een ongunstig verslag voor aan de ambtenaren bedoeld in artikel 46 van dit besluit. Zij stellen het ontslag van de stagiair voor, wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van de functie. ".
Art. 14. Un article 47bis est inséré dans la section 4 du chapitre II du Titre III du Livre I du même arrêté :
  " Art. 47bis. Si au cours du stage, le stagiaire a reçu deux avertissements de l'agent chargé de la direction du stage, celui-ci remet immédiatement un rapport défavorable aux fonctionnaires visés à l'article 46 du présent arrêté, lesquels proposent le licenciement du stagiaire pour inaptitude à l'exercice de la fonction. ".
Art. 15. In artikel 48, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) :
  - worden de woorden " en 47bis " ingevoegd tussen de woorden " 47 " en " , legt de secretaris-generaal ".
  - wordt het woord " en " voor het getal 47 geschrapt.
Art. 15. A l'article 48, alinéa 1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification),
  - sont insérés les mots " et 47bis " entre les mots " 47 " et ", le secrétaire général ".
  - est supprimé le mot " et " figurant avant le nombre 47.
Art. 16. In artikel 59, § 2, eerste lid van hetzelfde besluit worden de woorden " vijftien werkdagen " vervangen door de woorden " twintig dagen ".
Art. 16. A l'article 59, § 2, alinéa 1 du même arrêté, les mots " quinze jours ouvrables " sont remplacés par les mots " vingt jours ".
Art. 17. In artikel 61, eerste lid van hetzelfde besluit worden de woorden " kaderbetrekkingen en de expertbetrekkingen " vervangen door de woorden " betrekkingen van eerste attaché ".
Art. 17. A l'article 61,alinéa 1, du même arrêté, les mots " d'encadrement et d'expert " sont remplacés par les mots " de premier attaché ".
Art. 18. In artikel 62 van hetzelfde besluit worden de woorden " ambtenaren met de graad van eerste attaché van rang A2, die titularis zijn van een kader- of expertbetrekking " vervangen door de woorden " andere titularissen van met de graad van eerste attaché van rang A2 ".
Art. 18. A l'article 62 du même arrêté, les mots " titulaires du grade de premier attaché de rang A2 qui sont titulaires d'un emploi d'encadrement et d'expert. " sont remplacés par les mots " autres titulaires du grade de premier attaché de rang A2. ".
Art. 19. In artikel 65, eerste lid van hetzelfde besluit worden de woorden " een kaderbetrekking van rang A2 of voor " geschrapt.
Art. 19. A l'article 65, alinéa 1, du même arrêté, les mots " d'encadrement de rang A2 ou à un emploi " sont supprimés.
Art. 20. In artikel 66 van hetzelfde besluit wordt het woord " voldoende " vervangen door het woord " gunstig ".
Art. 20. A l'article 66 du même arrêté, le mot " satisfaisant " est remplacé par le mot " favorable ".
Art. 21. In artikel 69 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) wordt het derde lid vervangen als volgt :
  " De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad.
  De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 274ter van dit besluit. ".
Art. 21. A l'article 69 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), l'alinéa 3 est remplacé par les deux alinéas suivants :
  " L'agent qui s'estime lésé peut, dans les quinze jours, introduire une réclamation auprès du président du conseil de direction.
  Les notifications et les délais visés au présent article sont régis selon les mêmes règles que celles visées à l'article 274ter du présent arrêté. ".
Art. 22. In artikel 75 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) wordt het derde lid vervangen als volgt :
  " De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad.
  De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens de zelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 274ter van dit besluit. ".
Art. 22. A l'article 75 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), l'alinéa 3 est remplacé par les deux alinéas suivants :
  " L'agent qui s'estime lésé peut, dans les quinze jours, introduire une réclamation auprès du président du conseil de direction.
  Les notifications et les délais visés au présent article sont régis selon les mêmes règles que celles visées à l'article 274ter du présent arrêté. ".
Art. 23. In artikel 79, vierde lid, 2° van hetzelfde besluit wordt het woord " voldoende " vervangen door het woord " gunstig ".
Art. 23. A l'article 79, alinéa 4, 2°, du même arrêté, le mot " satisfaisant " est remplacé par le mot " favorable ".
Art. 24. In artikel 80, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 24 maart 2005 worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord " voldoende " wordt vervangen door het woord " gunstig ".
  2° het woord " succesvol " wordt ingevoegd tussen de woorden " door het " en de woorden " afwerken van een programma ".
Art. 24. A l'article 80, alinéa 1, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 24 mars 2005, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le mot " satisfaisant " est remplacé par le mot " favorable ";
  2° les mots " avec succès " sont insérés entre les mots " en terminant " et les mots " avant qu'il ne compte ".
Art. 25. In artikel 88bis, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) worden de woorden " twintig werkdagen " vervangen door de woorden " dertig dagen ".
Art. 25. A l'article 88bis, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), les mots " vingt jours ouvrables " sont remplacés par les mots " trente jours ".
Art. 26. Hoofdstuk IV van Titel IV van Boek I van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) en het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging) wordt vervangen als volgt :
  " Hoofdstuk IV. De bevordering door overgang naar een hoger niveau
  Afdeling 1. Algemene bepalingen
  Art. 94. De overgang naar een hoger niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend examen georganiseerd door SELOR.
  De afgevaardigde bestuurder van SELOR kan, onder zijn toezicht, de organisatie van de vergelijkende examens geheel of gedeeltelijk toevertrouwen aan het ministerie, met akkoord van de minister of zijn afgevaardigde.
  Art. 95. De bevordering door overgang naar een hoger niveau is alleen mogelijk als er een betrekking in de wervingsgraad van dat niveau vacant is.
  Art. 95bis. § 1. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau dient een ambtenaar zich in een administratieve stand te bevinden waarbij hij op de bevordering aanspraak kan maken en de evaluatievermelding " gunstig " te hebben gekregen.
  § 2. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A dient een ambtenaar van niveau B of C bovendien in een van beide of in beide niveaus een niveauanciënniteit van ten minste 3 jaar te hebben.
  Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau B, C en D dient een ambtenaar in het niveau dat voorafgaat aan datgene waartoe de te verlenen graad behoort bovendien een niveauanciënniteit van ten minste 3 jaar te hebben.
  § 3. De gestelde deelnemingsvoorwaarden bedoeld in §§ 1 en 2 van dit artikel dienen vervuld te zijn op de datum waarop de inschrijvingen voor de eerste proef worden afgesloten.
  § 4. De inschrijvingen voor de eerste proef zijn onbeperkt.
  Art. 96. De vergelijkende examens worden georganiseerd voor zover er voldoende vacante betrekkingen in de personeelsformatie zijn.
  De minister of zijn afgevaardigde bepaalt, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de samenstelling van de examencommissies en wijst de voorzitter aan evenals de assessoren en hun plaatsvervangers.
  De regels betreffende de examencommissies, bedoeld in artikel 27bis §§ 2 tot 3 van dit besluit, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
  Afdeling 2. Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau A.
  Art. 97. De overgang naar niveau A staat open voor ambtenaren van de niveaus B en C.
  Art. 98. Het vergelijkende examen voor overgang naar niveau A bestaat uit twee eerste schiftingsproeven gevolgd door drie brevetten en een mondelinge proef.
  Enkel de geslaagden voor de eerste proef kunnen deelnemen aan de tweede proef en de geslaagden voor de tweede proef kunnen de drie brevetten en de mondelinge proef afleggen.
  Om de mondelinge proef af te leggen, moeten de kandidaten bovendien slagen voor elk brevet.
  Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % der punten behalen voor het geheel van de proeven en brevetten en ten minste 50 % voor elke proef en elk brevet.
  De eerste twee schiftingsproeven, waarvoor de kandidaat ten minste 60 % van de punten heeft behaald zijn definitief verworven.
  Elk brevet waarvoor de kandidaat 50 % van de punten heeft behaald is definitief verworven.
  Art. 99. De minister of zijn afgevaardigde bepaalt, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de aard en de materies van de proeven en de brevetten, bedoeld in artikel 98.
  Art. 100. De geslaagden voor het vergelijkend examen worden gerangschikt volgens de punten behaald voor het geheel van de proeven, bedoeld in artikel 98.
  Afdeling 3. De vergelijkende examens voor overgang naar niveau B, C en D
  Art. 101. De overgang naar niveaus B, C en D staat open voor de ambtenaren van respectievelijk niveaus C, D en E.
  Art. 102. Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau B of C omvat een algemeen gedeelte en een bijzonder gedeelte.
  De minister of zijn afgevaardigde bepaalt, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de aard en de materies van de proeven, bedoeld in het eerste lid.
  Art. 103. Alleen wie slaagt voor het algemene examengedeelte kan deelnemen aan het specifieke examengedeelte.
  Om te slagen moeten de kandidaten minstens 50 % van de punten voor elk gedeelte behalen en 60 % van de punten voor het geheel van het examen.
  Een kandidaat die 60 % behaalde voor het eerste gedeelte maar niet voor het tweede, wordt vrijgesteld van het eerste gedeelte als hij nogmaals aan een vergelijkend examen voor overgang naar hetzelfde niveau deelneemt.
  De geslaagden worden gerangschikt volgens de in beide examengedeelten behaalde punten.
  Art. 104. Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau D bestaat uit een eenmalige proef gebaseerd op de voor het hogere niveau vereiste kwalificaties en geschiktheden.
  De minister of zijn afgevaardigde bepaalt, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de aard en de materies van de proef, bedoeld in het eerste lid.
  Om te slagen moeten de kandidaten 60 % van de punten behalen.
  De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde punten.
  Afdeling 4. Aanvullende mondelinge proef.
  Art. 104bis. § 1. Aan het einde van het vergelijkend examen, wordt een aanvullende mondelinge proef georganiseerd op basis van een beschrijving van bepaalde functies of typefuncties.
  De kandidaten voor een aanvullende proef worden opgeroepen in de volgorde van hun eerste rangschikking.
  De geslaagden die geschikt worden bevonden voor de uit te oefenen functie worden opgenomen in een bijzondere rangschikking, verschillend van de eerste rangschikking.
  Zij die niet geschikt werden bevonden voor de uit te oefenen functie behouden hun eerste rangschikking en kunnen deelnemen aan andere aanvullende proeven.
  De geslaagden worden in functie geroepen in de volgorde van hun bijzondere rangschikking
  Afdeling 5. Proefperiode
  Art. 104ter. In geval van selectie van een geslaagde, wordt laatstgenoemde toegelaten tot een proefperiode van zes maanden vanaf zijn infunctietreding.
  De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal wijst in hun diensten de [ambtenaren met een hogere graad] aan die de supervisie van de proefperiode waarnemen. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948)
  Na de 1ste en 6de maand organiseren ze een evaluatiegesprek over het verloop van de proefperiode. Ze kunnen besluiten tot bijkomende gesprekken. Ze stellen de verslagen van deze gesprekken op en overhandigen ze aan de dienst HRM.
  Tijdens de proefperiode zijn de geslaagden van een overgangsexamen naar niveau A of B gehouden een activiteitenverslag op te stellen.
  Bij het verstrijken van de proefperiode wordt de kandidatuur van de ambtenaar definitief aanvaard of verworpen door de door de secretaris-generaal gemachtigde ambtenaar. Hij betekent zijn beslissing aan de ambtenaar en motiveert zijn beslissing.
  Zowel de ambtenaar als de gemachtigde ambtenaar kunnen de proefperiode voortijdig beëindigen. Laatstgenoemde kan dat enkel indien op grond van een gemotiveerd verslag is aangetoond dat de kandidaat niet voldoet aan de vereisten van het ambt, alsook bij tuchtstraffen.
  Tijdens de proefperiode, wordt de evaluatie van de ambtenaar opgeschort. Er kan geen melding worden gemaakt van de motivering die een einde maakt aan de proefperiode in het evaluatiedossier van de ambtenaar.
  De ambtenaren die niet slaagden voor hun proefperiode of die de betrekking opgeven, hernemen hun oorspronkelijke graad en behouden hun eerste rangschikking, evenals hun eventuele rangschikking op basis van een andere functiebeschrijving. Zij hernemen hun voormalige betrekking of een gelijkgestelde betrekking
  Afdeling 6. De procedure inzake beroep tegen de beslissing van de gemachtigde ambtenaar
  Art. 104quater. De ambtenaar kan beroep indienen bij de commissie van beroep binnen acht dagen na de betekening van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar. Het beroep is opschortend.
  De voorzitter van de commissie roept de ambtenaar op binnen vijftien dagen na de indiening van het beroep. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze.
  De gemachtigde ambtenaar brengt verslag uit bij de commissie van beroep betreffende het verloop van de proefperiode en wordt gehoord door de commissie.
  De commissie beslist om de beslissing van de gemachtigde ambtenaar te bevestigen of te vernietigen. Deze beslissing wordt genomen binnen een termijn van een maand na de indiening van het beroep en wordt betekend aan de ambtenaar, de gemachtigde ambtenaar en de verantwoordelijke van de HRM.
  De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit hoofdstuk worden geregeld volgens [dezelfde] bepalingen als die bedoeld in artikel 274ter van dit besluit. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948) ".
Art. 26. Le chapitre IV du Titre IV du Livre I du même arrêté modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification) et l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modifications), est remplacé par le chapitre IV suivant :
  " Chapitre IV. De la promotion par accession au niveau supérieur
  Section Ire. Dispositions générales
  Art. 94. L'accession au niveau supérieur est accordée par le biais d'un concours organisé par SELOR.
  L'administrateur délégué de SELOR peut, sous sa surveillance, confier au ministère tout ou partie de l'organisation des concours, en accord avec le ministre ou son délégué.
  Art. 95. La promotion par accession au niveau supérieur est possible uniquement si, à ce niveau, il y a un emploi vacant dans un grade de recrutement.
  Art. 95bis. § 1er. Pour participer à un concours d'accession au niveau supérieur, l'agent doit se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion et avoir obtenu une mention d'évaluation " favorable ".
  § 2. Pour participer à un concours d'accession au niveau A l'agent de niveau B ou C doit en outre compter une ancienneté de niveau de 3 ans au moins, dans un de ces niveaux ou dans les deux.
  Pour participer à un concours d'accession aux niveaux B, C et D, l'agent doit en outre compter une ancienneté de niveau de 3 ans au moins dans le niveau immédiatement inférieur à celui du grade à conférer.
  § 3. Les conditions de participation visées aux §§ 1er et 2 du présent article doivent être remplies à la date limite d'inscription à la première épreuve.
  § 4. Les inscriptions aux épreuves sont illimitées.
  Art. 96. Les concours sont organisés pour autant qu'il y ait suffisamment d'emplois vacants au cadre.
  Le ministre ou son délégué, en concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, détermine la composition des jurys et désigne le président ainsi que les assesseurs et leurs suppléants.
  Les règles relatives aux jurys d'examens visés à l'article 27bis §§ 2 à 3 du présent arrêté sont d'application au présent chapitre.
  Section 2. Du concours d'accession au niveau A.
  Art. 97. La promotion par accession au niveau A est ouverte aux agents des niveaux B et C.
  Art. 98. Le concours d'accession au niveau A consiste en deux premières épreuves à caractère éliminatoire suivies de trois brevets et d'une épreuve orale.
  Seuls les lauréats de la première épreuve peuvent participer à la seconde épreuve et ceux de la seconde épreuve peuvent passer les trois brevets et l'épreuve orale.
  Pour passer l'épreuve orale, les candidats doivent en outre avoir réussi chaque brevet.
  Pour réussir, les candidats doivent obtenir au moins 60 % des points pour l'ensemble des épreuves et brevets et au moins 50 % pour chaque épreuve et chaque brevet.
  Les deux premières épreuves à caractère éliminatoire pour lesquelles le candidat a obtenu 60 % des points au moins sont acquises à titre définitif.
  Chaque brevet pour lequel le candidat a obtenu 50 % des points est acquis à titre définitif.
  Art. 99. Le ministre ou son délégué, en concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, détermine la nature et les matières des épreuves et des brevets visés à l'article 98.
  Art. 100. Les lauréats du concours sont classés en fonctions des points qu'ils ont obtenus à l'ensemble des épreuves et brevets visés à l'article 98.
  Section 3. Des concours d'accession aux niveaux B, C et D.
  Art. 101. L'accession aux niveaux B, C et D est ouverte aux agents respectivement des niveaux C, D et E.
  Art. 102. Les concours d'accession au niveau B ou C comportent une épreuve générale et une épreuve spécifique.
  Le ministre ou son délégué, en concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, détermine la nature et les matières des épreuves visées à l'alinéa 1er.
  Art. 103. Seul le candidat qui réussit l'épreuve générale peut participer à l'épreuve spécifique.
  Pour réussir les candidats doivent obtenir au moins 50 % des points pour chacune des épreuves et 60 % des points sur l'ensemble des épreuves.
  Un candidat qui a obtenu 60 % pour la première épreuve mais pas pour la seconde, est, lorsqu'il présente à nouveau un concours d'accession au même niveau, dispensé de cette première épreuve.
  Les lauréats sont classés en fonction des points obtenus aux deux épreuves du concours.
  Art. 104. Le concours d'accession au niveau D consiste en une seule épreuve basée sur les qualifications et les aptitudes requises pour le niveau supérieur.
  Le ministre ou son délégué, en concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, détermine la nature et les matières de l'épreuve visée à l'alinéa 1er.
  Pour réussir, les candidats doivent obtenir 60 % des points.
  Les lauréats sont classés en fonction des points obtenus.
  Section 4. De l'épreuve orale complémentaire
  Art. 104bis. § 1er. A l'issue du concours, une épreuve orale complémentaire est organisée sur base d'une description de fonctions déterminée ou de fonctions-type.
  Les candidats à une épreuve complémentaire sont convoqués dans l'ordre de leur premier classement.
  Les lauréats jugés aptes pour la fonction à exercer font l'objet d'un classement spécifique, distinct du premier classement.
  Ceux qui n'ont pas été jugés aptes pour la fonction à exercer maintiennent leur premier classement et peuvent participer à d'autres épreuves complémentaires.
  Les lauréats sont appelés en fonction dans l'ordre de leur classement spécifique.
  Section 5. De la période d'essai
  Art. 104ter. En cas de sélection d'un lauréat, celui-ci est soumis à une période d'essai de six mois à partir de son entrée en fonction.
  Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint désigne dans leurs services les agents d'un grade supérieur auxquels il confie la supervision de la période d'essai.
  Ceux-ci organisent à l'issue du 1er et du 6ième mois un entretien d'évaluation relatif au déroulement de la période d'essai. Ils peuvent décider d'entretiens supplémentaires. Ils rédigent les rapports de ces entretiens et les transmettent à la DRH.
  Durant la période d'essai, les lauréats d'un concours d'accession au niveau A ou B sont tenus de rédiger un rapport d'activités.
  A l'issue de la période d'essai, la candidature de l'agent est définitivement acceptée ou refusée par l'agent habilité par le secrétaire général. Il notifie sa décision à l'agent et motive sa décision.
  Tant l'agent que le fonctionnaire habilité peuvent mettre fin prématurément à la période d'essai. Ce dernier ne peut le faire que s'il est démontré sur la base d'un rapport motivé que le candidat ne répond pas aux exigences de la fonction, ainsi qu'en cas de sanctions disciplinaires.
  Pendant la période d'essai, l'évaluation de l'agent est suspendue. Il ne peut être fait mention dans le dossier d'évaluation de l'agent, de la motivation de la décision mettant fin à la période d'essai.
  Les agents qui n'ont pas réussi leur période d'essai ou qui renoncent à l'emploi reprennent leur grade d'origine et maintiennent leur premier classement ainsi que leur classement éventuel établi sur base d'une autre description de fonction. Ils réintègrent leur ancienne fonction ou une fonction équivalente.
  Section 6. De la procédure en matière de recours à l'encontre de la décision du fonctionnaire habilité
  Art. 104quater. L'agent peut introduire un recours auprès de la commission de recours dans les huit jours de la notification de la décision du fonctionnaire habilité. Le recours est suspensif.
  Le président de la commission convoque l'agent dans les quinze jours de l'introduction du recours. Ce dernier peut être assisté d'une personne de son choix.
  Le fonctionnaire habilité fait rapport auprès de la commission de recours quant au déroulement de la période d'essai et est entendu par la commission.
  La commission décide de confirmer ou d'annuler la décision du fonctionnaire habilité. Cette décision est prise dans le délai d'un mois à partir de l'introduction du recours et est notifiée à l'agent, au fonctionnaire habilité et au responsable de la DRH.
  Les notifications et les délais visés au présent chapitre sont régis selon les mêmes règles que celles visées à l'article 274ter du présent arrêté. ".
Art. 27. In artikel 115 van hetzelfde besluit worden de woorden " 7, 11 en 12 " vervangen door de woorden " 7, 12 of 11 en 9, § 1 ".
Art. 27. A l'article 115 du même arrêté, les mots " 7, 11 et 12 " sont remplacés par les mots " 7, 12 ou 11 et 9, § 1er ".
Art. 28. In artikel 119 van hetzelfde besluit worden de woorden " Als de ambtenaar het verslag van het functiegesprek niet tekent voor ontvangst, wordt het verslag hem aangetekend opgestuurd. " ingevoegd tussen de woorden " Dit verslag wordt geviseerd door de ambtenaar. " en " De gemachtigde hiërarchische meerdere ".
Art. 28. A l'article 119 du même arrêté, les mots " Si l'agent ne vise pas pour réception le rapport d'entretien de fonction, celui-ci lui est envoyé par lettre recommandée. " sont insérés entre les mots " Ce rapport est visé par l'agent. " et ".Le supérieur hiérarchique ".
Art. 29. Artikel 122 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 122. Dit [evaluatiegesprek] heeft plaats om de twee jaar tussen 15 januari en 15 maart voor de ambtenaren van niveau A en B, het jaar daarop voor de ambtenaren van de andere niveaus. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948-12949)
  Als het evaluatiegesprek niet kan plaatshebben tussen 15 januari en 15 maart, kan het plaatshebben op een andere datum, voor zover de periode van effectieve prestaties van de geëvalueerde ambtenaar sinds het functiegesprek minstens zes maanden bedraagt.
  Dit evaluatiegesprek handelt over de verwezenlijking van de doelstellingen en de elementen bedoeld in artikel 118 opgesteld tijdens het functiegesprek.
  Bij toekenning van een vermelding " met voorbehoud " of " onvoldoende " moet een nieuwe evaluatie plaatshebben na een termijn van een jaar. Deze termijn kan op vraag van de ambtenaar tot zes maanden worden teruggebracht. "
  Deze laatste evaluatie moet worden gevolgd door een nieuw functiegesprek; [het nieuwe evaluatiegesprek] kan plaatshebben tussen 15 januari en 15 maart aan het einde van de lopende evaluatieperiode voor zover de effectieve prestaties een periode van minstens zes maanden bestrijken. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12948-12949) ".
Art. 29. L'article 122 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 122. Cet entretien d'évaluation a lieu, tous les deux ans entre le 15 janvier et le 15 mars, une année pour les agents des niveaux A et B, l'année suivante pour ceux des autres niveaux.
  Si l'entretien d'évaluation ne peut avoir lieu entre le 15 janvier et le 15 mars, il pourra avoir lieu à une autre date pour autant que la période de prestations effectives de l'agent évalué soit de six mois au moins depuis l'entretien de fonction.
  Cet entretien d'évaluation porte sur la réalisation des objectifs et sur les éléments visés à l'article 118 fixés lors de l'entretien de fonction.
  En cas d'attribution d'une mention " avec réserve " ou " insuffisant ", une nouvelle évaluation doit avoir lieu après un délai d'un an, ce délai pouvant, à la demande de l'agent, être réduit à six mois. ".
  Cette dernière évaluation doit être suivie d'un nouvel entretien de fonction; le nouvel entretien d'évaluation pourra avoir lieu entre les 15 janvier et 15 mars à l'issue de la période d'évaluation en cours pour autant qu'il y ait au moins 6 mois de prestations effectives. ".
Art. 30. In artikel 123 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging) worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord " voldoende " wordt vervangen door het woord " gunstig ";
  2° artikel 123 wordt aangevuld als volgt :
  " Indien de ambtenaar het evaluatieverslag niet tekent voor gezien, wordt het hem aangetekend opgestuurd. "
Art. 30. A l'article 123 du même arrêté modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),sont apportées les modifications suivantes :
  1° le mot " satisfaisant " est remplacé par le mot " favorable ";
  2° l'article 123 est complété comme suit :
  " Si l'agent ne vise pas pour réception le rapport d'évaluation, celui-ci lui est envoyé par lettre recommandée. ".
Art. 31. Artikel 124, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging) wordt aangevuld als volgt :
  " Hij stuurt hem een afschrift van het verslag van het functiegesprek en het evaluatieverslag.
Art. 31. L'article 124, alinéa 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),est complété comme suit :
  " Il lui transmet copie des rapports d'entretien de fonction et d'évaluation. "
Art. 32. In artikel 125, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging) worden de woorden " tussen 15 oktober en 15 december " vervangen door de woorden " tussen 15 januari en 15 maart "
Art. 32. A l'article 125, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), les mots " entre le 15 octobre et le 15 décembre " sont remplacés par les mots " entre le 15 janvier et le 15 mars ".
Art. 33. Artikel 126, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging) wordt aangevuld als volgt :
  " Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, krijgt de ambtenaar die om welke reden dan ook niet werd geëvalueerd, een gunstige evaluatie, ongeacht de periode tijdens dewelke hij effectief zijn prestaties leverde, behalve als hij bewust weigerde geëvalueerd te worden.
  Na afloop van de stage, krijgt de benoemde ambtenaar van ambtswege een gunstige evaluatie. ".
Art. 33. L'article 126 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), est complété par les deux alinéas suivants :
  " Hormis les cas visés à l'alinéa 1er du présent article, l'agent qui n'a pas été évalué [pour quelque raison] que ce soit, reçoit une évaluation favorable, quelle que soit la période durant laquelle il a effectivement effectué ses prestations, sauf s'il a refusé délibérément d'être évalué. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)
  A l'issue du stage l'agent nommé reçoit d'office une évaluation favorable. ".
Art. 34. In artikel 130 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 april 2007, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " tien werkdagen " worden vervangen door de woorden " vijftien dagen ";
  2° volgend lid wordt ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid :
  " De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens [dezelfde] bepalingen als die bedoeld in artikel 274ter van dit besluit. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949) ".
Art. 34. A l'article 130 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 avril 2007, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " dix jours ouvrables " sont remplacés par les mots " quinze jours ";
  2° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1 et 2 :
  " Les notifications et les délais visés au présent article sont régis selon les mêmes règles que celles visées à l'article 274ter du présent arrêté. ".
Art. 35. In artikel 132 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden de woorden " tien werkdagen " vervangen door de woorden " vijftien dagen ".
Art. 35. A l'article 132 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), les mots " dix jours ouvrables " sont remplacés par les mots " quinze jours ".
Art. 36. Artikel 133, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), wordt vervangen door volgende bepaling :
  " Art. 133. Deze termijn is berekend volgens [dezelfde] bepalingen als die bedoeld in artikel 274ter van dit besluit. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949) ".
Art. 36. L'article 133, alinéa 1, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 133. Ce délai est calculé selon les mêmes règles que celles visées à l'article 274ter du présent arrêté. ".
Art. 37. De Nederlandse versie van artikel 134, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende versie :
  " Art. 134. Elk beroep dient te worden ingeschreven binnen een maand na de plaatsing op de agenda van de commissie van beroep. ".
Art. 37. La version néerlandaise de l'article 134, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), du même arrêté est remplacée par la version suivante :
  " Art. 134. Elk beroep dient te worden ingeschreven binnen een maand na de plaatsing op de agenda van de commissie van beroep. ".
Art. 38. In artikel 137, § 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " tien werkdagen " vervangen door de woorden " vijftien dagen ";
  2° het tweede lid wordt vervangen door volgende bepaling :
  " Deze termijn is berekend volgens [dezelfde] bepalingen als die bedoeld in artikel 274ter van dit besluit. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)".
Art. 38. A l'article 137, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " dix jours ouvrables " sont remplacés par les mots " quinze jours ";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " Ce délai est calculé selon les mêmes règles que celles visées à l'article 274ter du présent arrêté. ".
Art. 39. Artikel 137, § 3, tweede lid, van hetzelfde besluit,, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), wordt vervangen door de volgende leden :
  " Aan de wegens beroepsongeschiktheid ontslagen ambtenaar wordt een vergoeding wegens ontslag toegekend.
  Deze vergoeding is gelijk aan twaalf maal de laatste maandbezoldiging van de ambtenaar indien hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang de ambtenaar tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
  Voor de toepassing van dit artikel moet onder " bezoldiging " worden verstaan elke wedde, elk loon of elke vergoeding geldend als wedde of loon, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. De in aanmerking te nemen bezoldiging is die welke verschuldigd is voor volledige prestaties, eventueel met inbegrip van de haard- of standplaatstoelage, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. ".
Art. 39. L'article 137, § 3, alinéa 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),est remplacé par les alinéas suivants :
  " Une indemnité de départ est accordée à l'agent licencié pour inaptitude professionnelle.
  Cette indemnité est égale à douze fois la dernière rémunération mensuelle de l'agent si celui-ci compte au moins vingt années de service, à huit fois ou à six fois cette rémunération selon que l'agent compte dix ans de service ou moins de dix ans de service.
  Pour l'application du présent article, il faut entendre par " rémunération ", tout traitement, salaire ou indemnité tenant lieu de traitement ou de salaire, compte tenu des augmentations ou des diminutions dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation. La rémunération à prendre en considération est celle qui est due pour des prestations complètes, en ce compris éventuellement l'allocation de foyer ou de résidence, compte tenu des augmentations ou des diminutions dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation. ".
Art. 40. In artikel 139 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de Franse versie van het eerste lid, worden het woord " autre " ingevoegd tussen de woorden " agent à un " en het woord " emploi ".
  2° in alinea 2, worden de woorden " ,tweede en derde lid " geschrapt.
Art. 40. A l'article 139 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la version française de l'alinéa 1, le mot " autre " est inséré entre les mots " agent à un " et le mot " emploi ";
  2° à l'alinéa 2, les mots ", alinéas 2 et 3 " sont supprimés.
Art. 41. In artikel 143 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het zesde lid wordt aangevuld als volgt :
  " Deze termijn kan worden verlengd tot maximaal zes maanden op basis van het advies van de directieraad. ".
  2° artikel 143 wordt aangevuld met volgend lid :
  " De bij interne mobiliteit overgeplaatste ambtenaar is verplicht zijn nieuwe functie uit te oefenen gedurende een periode van minimaal drie jaar, behoudens afwijking vanwege de directieraad. " .
Art. 41. A l'article 143 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 6 est complété comme suit :
  " Ce délai peut-être porté à six mois maximum sur base de l'avis du conseil de direction. ".
  2° l'article 143 est complété par l'alinéa suivant :
  " L'agent transféré par mobilité interne a l'obligation d'exercer ses nouvelles fonctions pour une durée de trois ans minimum sauf dérogation du conseil de direction. ".
Art. 42. In artikel 146, derde lid van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), wordt het woord " zesde " vervangen door het woord " zevende ".
Art. 42. A l'article 146, alinéa 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), le chiffre " 6 " est remplacé par le chiffre " 7 ".
Art. 43. Artikel 147 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), wordt aangevuld met volgend lid :
  " Tot ambtshalve mutatie kan eveneens [worden] beslist indien zij gerechtvaardigd is door dienstbehoeften of -noodwendigheden. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949) " .
Art. 43. L'article 147 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),est complété par l'alinéa suivant :
  " La mutation d'office peut également être décidée si elle est justifiée par des besoins ou des nécessités du service. ".
Art. 44. In artikel 157 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 2 wordt aangevuld met volgende leden :
  " Het wachtgeld wordt vastgesteld op grondslag van de laatste activiteitswedde.
  In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt. ".
  2° In § 3, eerste lid worden de woorden " de sociaal-medische rijksdienst " vervangen door de woorden " het Bestuur van de medische expertise van de Staat ".
Art. 44. A l'article 157 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 2 est complété par les deux alinéas suivants :
  " Le traitement d'attente est établi sur base du dernier traitement d'activité.
  En cas de cumul de fonctions, le traitement d'attente n'est accordé qu'en raison de la fonction principale. ".
  2° au § 3, alinéa 1, les mots " l'Office médico-social " sont remplacés par les mots " l'Administration de l'expertise médicale ".
Art. 45. Artikel 184, § 3 wordt aangevuld met volgend lid :
  " Bij definitieve ambtsneerlegging of inpensioenstelling voor de periode bedoeld in § 2, heeft de ambtenaar recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen die samenvielen met een niet-werkdag in de periode dat hij nog wel in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof. ".
Art. 45. L'article 184, § 3, est complété par l'alinéa suivant :
  " En cas de démission de ses fonctions ou de mise à la pension avant la période visée au § 2, l'agent a droit à un nombre de jours de congé égal au nombre de jours fériés qui coïncidaient avec un jour non-ouvrable au cours de la période où il était encore en service. Ceux-ci peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances. ".
Art. 46. In artikel 189, eerste lid worden de woorden " of de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg " ingevoegd tussen de woorden " [de adoptie van een kind] " en de woorden " , maximum drie maanden ". (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
Art. 46. A l'article 189, alinéa 1, les mots " ou le placement d'un enfant dans une famille d'accueil dans le cadre de la politique d'accueil. " sont insérés entre les mots " l'adoption d'un enfant " et les mots " Ce congé ".
Art. 47. Het opschrift van onderafdeling 4 van afdeling 3 van Hoofdstuk IV van Titel VII van Boek I van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
  " of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing. "
Art. 47. L'intitulé de la sous-section 4 de la section 3 du chapitre IV du Titre VII du Livre premier du même arrêté est complété comme suit :
  " ou du placement dans une famille d'accueil à la suite d'une décision judiciaire "
Art. 48. Artikel 191 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepalingen :
  " Art. 191. De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie.
  Het verlof bedraagt ten hoogste 6 weken. Het verlof kan gesplitst worden in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de vier maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar. Op vraag van de ambtenaar kan ten hoogste 3 weken van dit verlof opgenomen worden vooraleer het kind effectief [in het gezin wordt opgenomen] (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door [een lichamelijke of geestelijke] ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
  De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert, de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  De ambtenaar dient de volgende documenten voor te leggen :
  1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de Gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan de ambtenaar, wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste 3 weken te verkrijgen vooraleer het kind opgenomen wordt in het gezin;
  2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen. ".
Art. 48. L'article 191 du même arrêté est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 191. L'agent peut obtenir un congé lorsqu'un enfant de moins de dix ans est accueilli dans sa famille en vue de son adoption.
  Le congé est de 6 semaines au plus. Le congé peut être fractionné par semaine et doit être pris au plus tard dans les quatre mois qui suivent l'accueil de l'enfant dans la famille de l'agent. A la demande de l'agent, 3 semaines au plus de ce congé peuvent être prises avant que l'enfant n'ait été effectivement accueilli dans la famille.
  La durée maximum du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans [le pilier de l'échelle médico-sociale], au sens de la réglementation relative aux allocations familiales. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)
  L'agent qui désire bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.
  L'agent doit présenter les documents suivants :
  1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale compétente de la Communauté, qui confirme l'attribution de l'enfant à l'agent pour obtenir le congé de 3 semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille;
  2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers pour pouvoir prendre le congé restant. ".
Art. 49. Een artikel 191bis luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde besluit :
  " Art. 191bis. De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op pleegvoogdij. Hij kan ook dit verlof krijgen wanneer hij een minderjarige opneemt in zijn gezin ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin.
  De maximumduur van het verlof bedraagt vier weken indien het opgenomen kind ouder is dan drie jaar en zes weken indien het die leeftijd nog niet heeft bereikt. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
  De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door [een lichamelijke of geestelijke] ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)".
Art. 49. Un article 191bis rédigé comme suit est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 191bis. L'agent peut obtenir un congé d'accueil lorsqu'un enfant de moins de dix ans est accueilli dans sa famille en vue de sa tutelle officieuse. Il peut obtenir également ce congé lorsqu'il accueille un mineur dans sa famille suite à une décision judiciaire de placement dans une famille d'accueil.
  La durée maximum du congé est de quatre semaines si l'enfant accueilli a atteint l'âge de trois ans et de six semaines s'il n'a pas encore atteint cet âge. Le congé débute le jour où l'enfant est accueilli dans la famille et ne peut pas être fractionné.
  La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans [le pilier de l'échelle médico-sociale], au sens de la réglementation relative aux allocations familiales. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949) ".
Art. 50. Artikel 192 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling :
  " Art. 192. Het verlof voor de opvang met het oog op adoptie, pleegvoogdij en plaatsing in een onthaalgezin van een minderjarige naar aanleiding van een rechterlijke beslissing wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. ".
Art. 50. L'article 192 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 192. Le congé d'accueil en vue de l'adoption, de la tutelle officieuse et du placement d'un mineur suite à une décision judiciaire de placement est rémunéré et assimilé à une période d'activité. ".
Art. 51. In artikel 193 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 30 april 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 2, eerste lid wordt het getal " zeventien " vervangen door het getal " negentien ";
  2° § 2 wordt aangevuld met volgende leden :
  " De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 193ter, mag niet meer dan één week bestrijken.
  De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 193 septies, § 5 mag niet meer dan 24 weken bestrijken. ";
  3° in § 3, eerste lid wordt het cijfer " zes " vervangen door het cijfer " vijf ";
  4° in § 3, tweede lid wordt het cijfer " acht " vervangen door het cijfer " zeven ";
Art. 51. A l'article 193 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 30 avril 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 2, alinéa 1, le chiffre " dix-sept " est remplacé par le chiffre " dix-neuf ";
  2° le § 2 est complété par les alinéas suivants :
  " La rémunération due pour la prolongation du congé postnatal accordée en application de l'article 193ter, ne peut couvrir plus d'une semaine.
  La rémunération due pour la prolongation du repos postnatal accordé en application de l'article 193 septies, § 5 ne peut couvrir plus de 24 semaines. ";
  3° au § 3, alinéa 1, le chiffre " six " est remplacé par le chiffre " cinq ";
  4° au § 3, alinéa 2, le chiffre " huit " est remplacé par le chiffre " sept ";
Art. 52. In artikel 193bis van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 30 april 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste en tweede lid worden § 1;
  2° een § 2, luidend als volgt, wordt ingevoegd in artikel 193bis :
  " § 2. Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. " ;
  3° artikel 193ter wordt § 3 van het artikel 193bis.
Art. 52. A l'article 193bis du même arrêté, modifié par l'arrêté du 30 avril 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les alinéas 1 et 2 deviennent le § 1er;
  2° un § 2 rédigé comme suit est inséré dans l'article 193bis :
  " § 2. A la demande de l'agent féminin, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 prolongé, après la neuvième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à travailler à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquels elle a travaillé pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement. ";
  3° l'article 193ter devient le § 3 de l'article 193bis.
Art. 53. Een nieuw artikel 193ter, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde besluit :
  " Art. 193ter. Op vraag van de vrouwelijke ambtenaar wordt de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, verlengd met één week, wanneer de vrouwelijke ambtenaar afwezig is geweest wegens ziekte gedurende de ganse periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de werkelijke datum van de bevalling, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.
  Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd, verlengd met een periode van maximaal twee weken. ".
Art. 53. Un article 193ter nouveau rédigé comme suit est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 193ter. A la demande de l'agent féminin, la période d'interruption de travail est prolongée, après la neuvième semaine, d'une période d'une semaine, lorsque l'agent féminin a été absent pour maladie pendant l'ensemble de la période à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue.
  En cas de naissance multiple, à la demande de l'agent féminin, la période d'interruption de travail après la neuvième semaine, éventuellement prolongée, est prolongée au maximum d'une période de deux semaines. ".
Art. 54. In artikel 193quinquies, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 30 april 2003, worden de woorden " en het artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector " ingevoegd tussen de woorden " van 16 maart 1971 " en de woorden " is vrijgesteld van arbeid ".
Art. 54. A l'article 193quinquies, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 30 avril 2003, les mots " et de l'article 18 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public " sont insérés entre les mots " [de la loi du 16 mars 1971 sur le travail] " et les mots " [, est dispensé de travail] ". (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)
Art. 55. Artikel 193septies, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 30 april 2003, wordt aangevuld met een § 5 luidend als volgt :
  " § 5. Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
  1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
  2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname. ".
Art. 55. L'article 193septies du même arrêté, modifié par l'arrêté du 30 avril 2003, est complété par un § 5 rédigé comme suit :
  " § 5. Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de l'agent féminin, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, l'agent féminin remet à l'autorité dont elle relève :
  1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
  2° le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans le présent alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation. ".
Art. 56. Een artikel 193octies, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde besluit :
  " Art. 193octies § 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot zeven maanden na de geboorte van het kind.
  In uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de gezondheidstoestand van het kind en voor zover één en ander blijkt uit een medisch getuigschrift, kan de totale duur tijdens welke de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op borstvoedingspauzes, met maximum twee maanden worden verlengd.
  § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer.
  De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.
  De vrouwelijke ambtenaar dient met de overheid waaronder zij ressorteert overeen te komen op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden.
  § 3. De vrouwelijke ambtenaar die wenst de borstvoedingspauzes te genieten brengt schriftelijk twee weken op voorhand de overheid waaronder ze ressorteert hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, O.N.E. of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.
  Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waarvan zij afhangt elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan. ".
Art. 56. Un article 193octies rédigé comme suit est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 193octies § 1er. L'agent féminin a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait jusqu'à sept mois après la naissance de l'enfant.
  Dans des circonstances exceptionnelles liées à l'état de santé de l'enfant, attestées par un certificat médical, la période totale pendant laquelle l'agent féminin a le droit de prendre des pauses d'allaitement peut être prolongée de deux mois maximum.
  § 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure. L'agent féminin qui preste quatre heures ou plus par journée de travail a droit à une pause à prendre pendant ce même jour. L'agent féminin qui preste au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour. Lorsque l'agent féminin a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois sur cette même journée.
  La durée de la ou des pause(s) d'allaitement est incluse dans la durée des prestations de la journée de travail.
  Le(s) moment(s) de la journée au(x)quel(s) l'agent féminin peut prendre la ou les pause(s) d'allaitement est (sont) à convenir entre l'agent et l'autorité dont elle relève. A défaut d'accord, les pauses d'allaitement suivent ou précèdent directement les temps de repos prévus au règlement du travail.
  § 3. L'agent féminin qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement avertit par écrit deux semaines à l'avance l'autorité dont elle relève, à moins que celle-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de l'intéressée.
  Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement. La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement apportée, au choix de l'agent féminin, par une attestation d'un centre de consultation des nourrissons (O.N.E., Kind en Gezin ou Dienst für Kind und Familie) ou par un certificat médical.
  Une attestation ou un certificat médical doit ensuite être remis par l'agent féminin chaque mois à l'autorité dont elle relève, à la date anniversaire de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement. ".
Art. 57. Een afdeling zes met volgend opschrift wordt ingevoegd in Hoofdstuk IV van Titel VII van Boek I van hetzelfde besluit :
  " Afdeling 6. Uitzonderlijk verlof "
Art. 57. Une section six intitulée comme suit est insérée dans le chapitre IV du Titre VII du Livre premier du même arrêté
  " Section 6. - Congés exceptionnels "
Art. 58. In sectie zes van Hoofdstuk IV van Titel VII van Boek I van hetzelfde besluit wordt een artikel 200bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 200bis. § 1. De ambtenaar kan verlof krijgen om gevolg te geven aan een wederoproeping als reservist
  § 2. De ambtenaar bekomt een verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen en dit tijdens de duur van de zitting.
  § 3. Deze verloven worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. ".
Art. 58. Dans la section six du chapitre IV du Titre VII du Livre premier du même arrêté est inséré un article 200bis rédigé comme suit :
  " Art. 200bis. § 1er. L'agent peut obtenir un congé pour effectuer un rappel à l'armée en tant que réserviste.
  § 2. L'agent obtient un congé pour participer à un jury de Cour d'Assises et ce, pour la durée de la session.
  § 3.Ces congés sont assimilés à une période d'activité de service. ".
Art. 59. In artikel 205, derde lid van hetzelfde besluit wordt het woord in de Franse versie " normale " geschrapt.
Art. 59. A l'article 205, alinéa 3, du même arrêté, le mot " normale " est supprimé.
Art. 60. In artikel 218 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging), wordt het woord " wettelijke " geschrapt.
Art. 60. A l'article 218 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), le mot " légale " est supprimé.
Art. 61. In artikel 222 van hetzelfde besluit worden de woorden " de federale Administratieve Gezondheidsdienst " vervangen door de woorden " het Bestuur van de medische expertise van de Staat ".
Art. 61. A l'article 222 du même arrêté, les mots " du Service fédéral de Santé Administratif " sont remplacés par les mots " de l'Administration de l'expertise médicale de l'Etat ".
Art. 62. Afdeling 3 van Hoofdstuk VI van Titel VII van Boek I van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 30 april 2003, wordt vervangen door volgende afdeling :
  " Afdeling 3. De verminderde prestaties wegens ziekte
  Art. 224bis. Met het oog op zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, kan een ambtenaar zijn ambt met verminderde prestaties wegens ziekte uitoefenen. Deze verminderde prestaties moeten onmiddellijk aansluiten bij een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen.
  De verminderde prestaties worden elke dag verricht.
  Art. 225. Onverminderd wat voor de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte bepaald is in de artikelen [157, 158 en 222], oordeelt de medische controledienst bedoeld in artikel 221, eerste lid of een ambtenaar met ziekteverlof in staat is om zijn ambt terug op te nemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
  De ambtenaar met ziekteverlof wordt onderworpen aan de arbitrageprocedure bedoeld in artikel 221, tweede lid.
  De ambtenaar met ziekteverlof kan zelf vragen zijn ambt weder te mogen opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties.
  Deze ambtenaar dient een geneeskundig getuigschrift en een plan voor reïntegratie voor te leggen van zijn [behandelende arts]. In het plan voor reïntegratie vermeldt de [behandelende arts] de vermoedelijke datum van de volledige werkhervatting. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
  De medische controledienst geeft kennis van zijn beslissing aan de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal.
  Art. 226. De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal roept de ambtenaar opnieuw in dienst en staan hem toe die verminderde prestaties te verrichten, tenzij die maatregel niet in overeenstemming kan worden gebracht met de eisen van de goede werking van de dienst.
  Art. 227. [De ambtenaar] zal zijn ambt opnieuw kunnen opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum dertig kalenderdagen. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
  Verlengingen voor ten hoogste dezelfde periode mogen worden toegestaan, indien de medische controledienst zich bij een nieuw onderzoek in die zin uitspreekt.
  De duur van de verminderde prestaties bedoeld in deze afdeling bedraagt maximaal een jaar in een loopbaan tenzij de aandoening waaraan de ambtenaar lijdt erkend is als ernstige ziekte en van lange duur door het Bestuur van de medische expertise van de Staat.
  Art. 228. De dagen dat een ambtenaar afwezig is tijdens een periode van verminderde prestaties wegens ziekte worden beschouwd als verlof.
  Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  Niettemin moet de ambtenaar, die zijn ambt uitoefent met verminderde prestaties wegens ziekte, zijn vakantieverlofdagen opnemen met volledige dagen. ".
Art. 62. La section 3 du chapitre VI du Titre VII du Livre premier du même arrêté, modifié par l'arrêté du 30 avril 2003, est remplacée par la section suivante :
  " Section 3. Des prestations réduites pour cause de maladie
  Art. 224bis. En vue de se réadapter au rythme normal de travail, un agent peut exercer ses fonctions par prestations réduites pour maladie, Ces prestations réduites doivent succéder directement à une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours.
  Les prestations réduites s'effectuent chaque jour.
  Art. 225. Sans préjudice de ce qui est prévu pour l'agent en disponibilité pour maladie aux articles 157, 158 et 222, le service de contrôle médical visé à l'article 221, alinéa 1er apprécie si l'agent en congé de maladie est apte à reprendre l'exercice de ses fonctions à concurrence de 50 %, de 60 % ou de 80 % des prestations normales.
  L'agent en congé de maladie est soumis à la procédure d'arbitrage prévue à l'article 221, alinéa 2.
  L'agent en congé de maladie peut lui-même demander à [reprendre ses fonctions à concurrence de] 50 %, de 60 % ou de 80 % de ses prestation normales. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)
  Cet agent doit produire un certificat médical et un plan de réintégration établis par son médecin traitant. Dans le plan de réintégration, le médecin traitant mentionne la date probable de reprise intégrale du travail
  Le service de contrôle médical avise le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint de sa décision.
  Art. 226. Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint rappelle l'agent en service en lui permettant d'accomplir lesdites prestations réduites, pour autant que celles-ci soient compatibles avec les exigences imposées par le bon fonctionnement du service.
  Art. 227. L'agent peut reprendre ses fonctions à concurrence de 50 %, de 60 % ou de 80 % des prestations normales pour une période de trente jours calendrier au maximum.
  Des prolongations peuvent être accordées, au maximum pour une période équivalente, si le service de contrôle médical se prononce dans ce sens lors d'un nouvel examen.
  La durée des prestations réduites visées dans la présente section est de maximum un an au cours d'une carrière sauf si l'affection dont l'agent souffre est reconnue comme maladie grave et de longue durée par l'Administration de l'expertise médicale de l'Etat.
  Art. 228. Les jours d'absence d'un agent qui effectue des prestations réduites pour cause de maladie sont considérées comme congé.
  Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
  Toutefois, l'agent qui exerce ses fonctions par prestations réduites pour maladie est tenu de prendre ses jours de congé de vacances par jour entier. ".
Art. 63. Artikel 238 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 238. De ambtenaar krijgt een vrijstelling van dienst van twee dagen per maand voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten :
  a) gemeenteraadslid dat noch burgemeester noch schepen noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is;
  b) lid van een raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter uitgezonderd;
  c) lid van een districtsraad, de bureauleden en de voorzitter uitgezonderd;
  d) provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie.
Art. 63. L'article 238 du même arrêté est remplacé comme suit :
  " Art. 238. L'agent peut obtenir une dispense de service 2 jours par mois pour l'exercice des mandats politiques suivants :
  a) conseiller communal qui n'est ni bourgmestre ni échevin ni président d'un conseil de l'aide sociale;
  b) membre d'un conseil de l'aide sociale, autre que le président;
  c) membre d'un conseil de district, autre que les membres du bureau et le président;
  d) conseiller provincial non membre de la députation permanente.
Art. 64. Artikel 240 en 241 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 30 april 2003, worden vervangen door de volgende bepalingen :
  " Art. 240. De ambtenaar kan, binnen de hierna bepaalde grenzen, op zijn aanvraag een facultatief politiek verlof krijgen voor de uitoefening van volgende politieke mandaten :
  1° gemeenteraadslid dat noch burgemeester noch schepen noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is, lid van een raad voor maatschappelijk welzijn dat noch voorzitter noch lid van het vast bureau is, of lid van een districtsraad, dat noch voorzitter noch lid van het bureau is, van een gemeente :
  a) tot 80.000 inwoners : 2 dagen per maand;
  b) meer dan 80.000 inwoners : 4 dagen per maand;
  2° schepen, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of lid van het bureau van een districtsraad van een gemeente :
  a) tot 30.000 inwoners : 4 dagen per maand;
  b) van 30.001 tot 50.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
  c) van 50.001 tot 80.000 inwoners : de h elft van een voltijds ambt;
  3° burgemeester van een gemeente of voorzitter van een districtsraad van een gemeente :
  a) tot 30 000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
  b) van 30 001 tot 50 000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
  4° lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente :
  a) tot 10 000 inwoners : 1 of 2 dagen per maand;
  b) van 10 001 tot 20 000 inwoners : 1, 2 of 3 dagen per maand;
  c) meer dan 20 000 inwoners : 1, 2, 3, 4 of 5 dagen per maand;
  5° provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie : 4 dagen per maand;
  Art. 241. De ambtenaar is, binnen de hierna bepaalde grenzen, in politiek verlof van ambtswege voor de uitoefening van volgende politieke mandaten :
  1° burgemeester van een gemeente :
  a) tot 20 000 inwoners : 3 dagen per maand;
  b) van 20 001 tot 30 000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
  c) van 30 001 tot 50 000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
  d) meer dan 50 000 inwoners : voltijds;
  2° de voorzitter van een districtsraad van een gemeente wordt wat betreft het politiek verlof van ambtswege gelijkgesteld met een burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof beperkt wordt tot het percentage van de wedde van die burgemeester die hij ontvangt;
  3° schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente :
  a) tot 20 000 inwoners : 2 dagen per maand;
  b) van 20 001 tot 30 000 inwoners : 4 dagen per maand;
  c) van 30 001 tot 50 000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
  d) van 50 001 tot 80 000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
  e) meer dan 80 000 inwoners : voltijds;
  4° een lid van het bureau van een districtsraad van een gemeente wordt wat betreft het politiek verlof van ambtswege gelijkgesteld met een schepen van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof wordt beperkt tot het percentage van de wedde van die schepen die hij ontvangt;
  5° lid van de bestendige deputatie van een provincieraad : voltijds. "
Art. 64. Les articles 240 du même arrêté modifié par l'arrêté du 30 avril 2003, et l'article 241, sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Art. 240. L'agent peut, dans les limites fixées ci-après, obtenir un congé politique facultatif pour l'exercice des mandats politiques suivants :
  1° conseiller communal qui n'est ni bourgmestre ni échevin ni président d'un conseil de l'aide sociale, membre d'un conseil de l'aide sociale, qui n'est ni président ni membre du bureau permanent, ou membre d'un conseil de district qui n'est ni président ni membre du bureau, d'une commune comptant :
  a) jusqu'à 80 000 habitants : 2 jour par mois;
  b) plus de 80 000 habitants : 4 jours par mois;
  2° échevin, président du conseil de l'aide sociale ou membre du bureau d'un conseil de district d'une commune comptant :
  a) jusqu'à 30 000 habitants : 4 jours par mois;
  b) de 30 001 à 50 000 habitants : le quart d'un emploi à temps plein;
  c) de 50 001 à 80 000 habitants : la moitié d'un emploi à temps plein;
  3° bourgmestre d'une commune ou président d'un conseil de district d'une commune :
  a) jusqu'à 30 000 habitants : un quart d'un emploi à temps plein;
  b) de 30 001 à 50 000 habitants : la moitié d'un emploi à temps plein
  4° membre du bureau permanent d'un conseil de l'aide sociale dans une commune comptant :
  a) jusqu'à 10 000 habitants : 1 ou 2 jours par mois;
  b) de 10 001 à 20 000 habitants : 1, 2 ou 3 jours par mois;
  c) plus de 20 000 habitants : 1, 2, 3, 4 ou 5 jours par mois
  5° conseiller provincial n'étant pas membre de la députation permanente : 4 jours par mois;
  Art. 241. L'agent est, dans les limites fixées ci-après, en congé politique d'office pour l'exercice des mandats politiques suivants :
  1° bourgmestre d'une commune comptant :
  a) jusqu'à 20 000 habitants : 3 jours par mois;
  b) de 20 001 à 30 000 habitants : le quart d'un emploi à temps plein;
  c) de 30 001 à 50 000 habitants : la moitié d'un emploi à temps plein;
  d) plus de 50 000 habitants : à temps plein;
  2° le président d'un conseil de district d'une commune est assimilé, en ce qui concerne le congé politique d'office, à un bourgmestre d'une commune dont le nombre d'habitants correspond à celui du district, la durée du congé politique d'office étant limitée au pourcentage du traitement de ce bourgmestre qu'il perçoit;
  3° échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune comptant :
  a) jusqu'à 20 000 habitants : 2 jours par mois;
  b) de 20 001 à 30 000 habitants : 4 jours par mois;
  c) de 30 001 à 50 000 habitants : le quart d'un emploi à temps plein;
  d) de 50 001 à 80 000 habitants : la moitié d'un emploi à temps plein;
  e) plus de 80 000 habitants : à temps plein;
  4° un membre d'un conseil de district d'une commune est assimilé, en ce qui concerne le congé politique d'office, à un échevin d'une commune dont le nombre d'habitants correspond à celui du district, la durée du congé politique d'office étant limitée au pourcentage du traitement de cet échevin qu'il perçoit;
  5° membre de la députation permanente d'un conseil provincial : à temps plein. ".
Art. 65. In artikel 244 van hetzelfde besluit worden de getallen " 245, 247 en 248 " vervangen door de getallen " 238, 240 en 241 ".
Art. 65. A l'article 244 du même arrêté les chiffres " 245, 247 et 248 " sont remplacés par les chiffres " 238, 240 et 241 ".
Art. 66. Artikel 245 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met volgend lid :
  " [...] Het aantal politieke verlofdagen wordt vastgesteld in verhouding tot de effectief door het personeelslid gepresteerde diensten. ". (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
Art. 66. L'article 245 du même arrêté est complété par l'alinéa suivant :
  " [...] Le nombre de jours de congé politique est fixé proportionnellement aux services effectivement prestés par le membre du personnel ". (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)
Art. 67. In artikel 250 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) en het besluit van 30 april 2003, worden de woorden " , inzake verlof voor opdracht " ingevoegd tussen de woorden " in geval van disponibiliteit wegens ziekte " en de woorden " en in geval van ontslag van ambtswege ".
Art. 67. A l'article 250 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification) et l'arrêté du 30 avril 2003, les mots " ,pour un congé pour mission " sont insérés entre les mots " en cas de disponibilité pour maladie " et les mots " et en cas de démission d'office ".
Art. 68. In artikel 251 van hetzelfde besluit wordt de lettergreep " werk " geschrapt.
Art. 68. A l'article 251 du même arrêté, le mot " ouvrable " est supprimé.
Art. 69. Artikel 257 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling :
  [Art. 257.] Het vormingsplan wordt opgesteld in samenwerking met de vormingsverantwoordelijke(n) die in ieder bestuur worden aangewezen door de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal. Deze laatsten bespreken de vormingsnoden vooraf met de chef van hun bestuur. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
Art. 69. L'article 257 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante;
  [Art. 257.] Le plan de formation est établi en collaboration avec le ou les correspondants de la formation qui sont désignés dans chaque administration par le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint. Ceux-ci définissent au préalable avec le chef de leur administration les besoins en formation. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)
Art. 71. In afdeling 3 van Hoofdstuk II van Titel VIII van Boek I van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het opschrift van afdeling 3 wordt vervangen door een opschrift, luidende als volgt :
  " Afdeling 3. De vorming inzake vergelijkende examens voor overgang naar hoger niveau ";
  2° artikel 264 wordt opgeheven;
  3° [artikelen] 265 en 266 worden vervangen door volgende bepalingen : (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12949)
  " Art. 265. De ambtenaar heeft recht op een opleiding die hem voorbereidt op de in artikel 98, 102 et 104 van dit besluit bedoelde examens.
  Hij mag evenwel slechts tweemaal dezelfde opleiding volgen.
  Art. 266. Indien de opleidingen worden gegeven tijdens de diensturen, geniet hij dienstvrijstelling.
  Op zijn verzoek, krijgt hij een studieverlof van ten hoogste vijf dagen voor het vergelijkend examen voor overgang naar niveau A en B en van ten hoogste 2 dagen voor de vergelijkende examens voor overgang naar niveau C en D.
  Hij heeft recht op een dag studieverlof voor de eerste proef.
  Wat betreft het vergelijkend examen voor overgang naar niveau A heeft de ambtenaar recht op een dag studieverlof per proef of brevet. ".
Art. 71. A la section 3 du chapitre II du Titre VIII du Livre premier du même arrêté, modifiée par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'intitulé de la section 3 est remplacé par un intitulé rédigé comme suit :
  " Section 3. De la formation en matière de concours au niveau supérieur ";
  2° l'article 264 est abrogé;
  3° les articles 265 et 266 sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Art. 265. L'agent a droit à une formation préparatoire aux examens visés aux articles 98, 102 et 104 du présent arrêté.
  Il ne peut toutefois bénéficier plus de deux fois de la même formation.
  Art. 266. Dans le cas où les formations sont données durant les heures de services, l'agent bénéficie d'une dispense de service.
  A sa demande, il obtient un congé d'étude de cinq jours maximum pour le concours d'accession aux niveaux A et B et de deux jours maximum pour les concours d'accession aux niveaux C et D.
  Il a droit à un jour de congé d'étude pour la première épreuve.
  En ce qui concerne le concours d'accession au niveau A, l'agent a droit à un jour de congé d'étude par épreuve ou brevet. ".
Art. 72. In artikel 267 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de nummering " 3°, 4°, 5° en 6° " wordt respectievelijk de volgende nummering " 4°, 5°, 6° en 8° ";
  2° volgende tuchtstraffen worden ingevoegd :
  " 3° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  7° het ontslag van ambtswege; ".
Art. 72. Dans l'article 267 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), sont apportées les modifications suivantes :
  1° la numérotation " 3°, 4°, 5° et 6° " devient respectivement la numérotation suivante " 4°, 5°, 6° et 8° ";
  2° sont insérées les peines disciplinaires suivantes :
  " 3° le déplacement disciplinaire;
  7° la démission d'office; ".
Art. 73. Artikel 268bis, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde besluit :
  " Art. 268bis. De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanwijzing noch overplaatsing bekomen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald. ".
Art. 73. L'article 268bis rédigé comme suit est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 268bis. L'agent déplacé par mesure disciplinaire, ne peut obtenir à sa demande ni une nouvelle affectation, ni un transfert pendant le délai qui est fixé pour l'effacement de sa peine disciplinaire. ".
Art. 74. In artikel 269, vierde lid worden de woorden " kan een inhouding van wedde ondergaan " worden vervangen door de woorden " ondergaat een inhouding van wedde ".
Art. 74. A l'article 269, alinéa 4, les mots " peut lui être infligée " sont remplacés par les mots " lui est infligée ".
Art. 75. In artikel 271 worden het woord " verbreekt " vervangen door de woorden " en het ontslag van ambtswege verbreken ".
Art. 75. A l'article 271 le mot " rompt " est remplacé par les mots " et la démission d'office rompent ".
Art. 76. In artikel 274bis van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden de woorden " zijn dossier consulteren, " ingevoegd tussen de woorden " voor zijn verdediging, " en de woorden " gehoord en bijgestaan worden ".
Art. 76. A l'article 274bis, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), les mots " consulter son dossier, " sont insérés entre les mots " pour sa défense, " et les mots " être entendu ".
Art. 77. Een artikel 274ter, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde besluit :
  " Art. 274ter. § 1er. De betekeningen bedoeld in deze titel IX gebeuren :
  - hetzij middels de afgifte van een stuk tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs
  - hetzij middels de aangetekende verzending van een stuk.
  § 2. Elke termijn wordt berekend vanaf de dag volgend op de afgifte van het stuk of vanaf de derde dag volgend op de aangetekende verzending ervan, postdatum ter staving, behoudens tegenbewijs van de verzender. De termijn omvat alle dagen, zelfs zaterdagen, zondagen en de feestdagen bedoeld in artikel 184, § 1.
  De vervaldag wordt inbegrepen in de termijn. Wanneer deze dag evenwel valt op een zaterdag, een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 184, § 1, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Als deze dag valt tussen Kerstmis en Nieuwjaar, wordt hij verplaatst naar de eerstvolgende werkdag na Nieuwjaar. ".
Art. 77. Un article 274ter rédigé comme suit est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 274ter. § 1er. Les notifications visées dans le présent titre IX consistent :
  - soit en la remise d'une pièce contre accusé de réception daté et signé;
  - soit par l'envoi par lettre recommandée d'une pièce.
  § 2. Tout délai est calculé à partir du lendemain de la remise de la pièce ou du troisième jour ouvrable qui suit l'envoi par lettre recommandée de celle-ci, la date de la poste faisant foi, sauf preuve contraire du destinataire. Le délai comprend tous les jours, même le samedi, le dimanche et les jours fériés visés à l'article 184, § 1er.
  Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié visé à l'article 184, § 1er, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable. Lorsque ce jour tombe entre Noël et Nouvel An, il est reporté au premier jour ouvrable après le Nouvel An. ".
Art. 78. Een artikel 274quater, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde besluit :
  Art. 274quater. Tijdens elke tuchtprocedure wijst de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal de gemachtigde hiërarchische meerdere tot het voorstellen van de tuchtstraf krachtens artikelen 275, 1° en 301, 1°, aan.
Art. 78. Un article 274quater rédigé comme suit est inséré dans le même arrêté :
  Art. 274quater. Lors de chaque procédure disciplinaire, le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint désigne le supérieur hiérarchique habilité à proposer la peine disciplinaire en vertu des articles 275, 1° et 301, 1°.
Art. 79. Een artikel 275, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde besluit :
  " Art. 275. Kunnen een voorstel van tuchtstraffen opmaken :
  1° een gemachtigde hiërarchische meerdere, voor de terechtwijzing, de inhouding van wedde, de verplaatsing bij tuchtmaatregel [en de tuchtschorsing jegens de ambtenaren] van rang A3 of lager; (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12950)
  2° de directieraad voor de lagere inschaling, de terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege en de afzetting jegens de ambtenaren van rang A3 of lager;
  3° een minister of een Staatssecretaris, aangewezen door de Regering voor alle straffen jegens ambtenaren van rang A4 of hoger.
Art. 79. L'article 275 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 275. Peuvent formuler une proposition de peines disciplinaires :
  1° un supérieur hiérarchique habilité pour le rappel à l'ordre, la retenue de traitement, le déplacement disciplinaire et la suspension disciplinaire à l'égard des agents de rang A3 ou d'un rang inférieur;
  2° le conseil de direction pour la régression barémique, la rétrogradation, la démission d'office et la révocation à l'égard des agents de rang A3 ou d'un rang inférieur;
  3° un ministre ou un Secrétaire d'Etat, désigné par le Gouvernement, pour toutes les peines à l'encontre des agents de rang A4 ou d'un rang supérieur.
Art. 80. In artikel 276 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de Nederlandse tekst van het eerste lid worden de woorden " De bedoelde overheden bedoeld in artikel 275 " vervangen door de woorden " De in artikel 275 bedoelde overheden ";
  2° een lid, luidend als volgt, wordt ingevoegd tussen het tweede en derde lid :
  " Het voorstel van straf wordt eveneens gelijktijdig betekend aan de overheid die de straf uitspreekt. ".
  3° het laatste lid wordt geschrapt.
Art. 80. A l'article 276 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le texte néerlandais de l'alinéa 1, les mots " De bedoelde overheden bedoeld in artikel 275 " sont remplacés par les mots " De in artikel 275 bedoelde overheden ";
  2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " La proposition de peine est également notifiée en même temps à l'autorité qui prononce la peine. ".
  3° le dernier alinéa est supprimé.
Art. 81. Afdeling 3 van Hoofdstuk II van Titel IX van Boek I van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) en het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), bestaand uit artikel 277 tot 282 wordt opgeheven.
Art. 81. La section 3 du chapitre II du Titre IX du Livre premier du même arrêté, modifiée par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification) et l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), comprenant les articles 277 à 282 est abrogée.
Art. 82. Artikel 283 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepalingen :
  " Art. 283. De ambtenaar tegen wie de straf werd voorgesteld, kan, binnen twintig dagen na de betekening van het voorstel, hetzij persoonlijk, hetzij door zijn advocaat, beroep indienen bij de raad van beroep van het ministerie of de gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal, naargelang zijn graad. Bij ontvangst van het beroep, informeert de griffier ervan de bevoegde overheid die de straf uitspreekt.
  Het beroep wordt aangetekend aan de voorzitter gericht op het adres vastgesteld door het huishoudelijk reglement. ".
Art. 82. L'article 283 du même arrêté est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 283. L'agent à l'encontre duquel la sanction est proposée, [peut introduire, soit personnellement, soit par son avocat,] dans les vingt jours de la notification de la proposition, un recours contre celle-ci auprès de la chambre de recours du ministère ou auprès de la chambre de recours régionale des fonctionnaires généraux, selon son grade. Dès réception du recours, le greffier en informe l'autorité compétente pour prononcer la peine. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)
  Le recours est adressé au président par lettre recommandée à l'adresse fixée par le règlement d'ordre intérieur. ".
Art. 83. Artikel 284 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 83. L'article 284 du même arrêté est abrogé.
Art. 84. In artikel 286, § 1, 4°, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), wordt het woord "Regering " vervangen door de woorden " secretaris-generaal of de Adjunct-Secretaris-generaal ".
Art. 84. A l'article 286, § 1er, 4°, du même arrêté modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),le mot " Gouvernement " est remplacé par les mots " Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ".
Art. 85. Een artikel 286bis wordt ingevoegd in hetzelfde besluit :
  " Art. 286bis. De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op en leggen het ter goedkeuring aan de Regering voor. ".
Art. 85. Un article 286bis est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 286bis. Les sections réunies établissent leur règlement d'ordre intérieur commun et le soumettent à l'approbation du Gouvernement. ".
Art. 86. In artikel 289 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " de aangevochten straf " vervangen door de woorden " het aangevochten voorstel van straf ".
  2° in de Nederlandse tekst van het tweede lid wordt het woord " geëerbiedigd " vervangen door de woorden " in acht genomen ".
Art. 86. A l'article 289 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1, les mots " la peine contestée " sont remplacés par les mots " la proposition de peine contestée ";
  2° dans le texte néerlandais de l'alinéa 2, le mot " geëerbiedigd " est remplacé par les mots " in acht genomen ".
Art. 87. In artikel 292 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden " of vertegenwoordigen " geschrapt.
  2° een lid, luidend als volgt, wordt ingevoegd tussen het tweede en derde lid :
  " Ingeval van overmacht of ziekte, kan hij zich laten vertegenwoordigen door een persoon naar keuze. ".
Art. 87. A l'article 292 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 2, les mots " ou se faire représenter " sont supprimés;
  2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Il peut se faire représenter en cas de force majeure ou de maladie par la personne de son choix. ".
Art. 88. [In artikel 293 van hetzelfde besluit,] gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging) en het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht : (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12950)
  1° in het eerste lid worden de woorden " § § 1 tot 3 " vervangen door de woorden " 1° tot 4° ";
  2° in de Nederlandse tekst van het tweede lid worden de woorden " brengt de voorzitter de afvoering van de zaak ter kennis van " vervangen door de woorden " betekent de voorzitter de afvoering van de zaak aan ".
  3° de laatste zin van het tweede lid wordt geschrapt.
Art. 88. A l'article 293 du même arrêté modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification) et l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " §§ 1er à 3 " sont remplacés par les mots " 1° à 4° ".
  2° dans le texte néerlandais de l'alinéa 2, les mots " brengt de voorzitter de afvoering van de zaakter kennis van " sont remplacés par les mots " betekent de voorzitter de afvoering van de zaak aan ".
  3° la dernière phrase de l'alinéa 2 est supprimée.
Art. 89. Het eerste lid van artikel 294 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepalingen :
  " De eiser heeft het recht een of meerdere assessoren te wraken Dit recht kan slechts eenmaal worden uitgeoefend voor eenzelfde zaak
  De griffier-verslaggever betekent aan de eiser, per aangetekend schrijven, de lijst van effectieve assessoren en plaatsvervangers die voor de zaak die hem aanbelangt werden opgeroepen.
  Binnen een termijn van acht dagen vanaf de betekening van de lijst, stuurt de eiser ze aangetekend terug naar de griffie met aanduiding van de naam van de assessoren die hij wraakt. De wraking moet worden gemotiveerd.
  Na deze termijn, bepaald in het derde lid, wordt de eiser geacht af te zien van zijn recht op wraking.
  Alvorens in te gaan op de grond van de zaak, beslist de voorzitter of er reden is om de vraag tot wraking in te willigen. ".
Art. 89. L'alinéa 1 de l'article 294 du même arrêté est remplacé par les alinéas suivants :
  " Le requérant a le droit de récuser un ou plusieurs assesseurs. Ce droit ne peut être exercé qu'une seule fois pour une même affaire.
  Le greffier-rapporteur notifie au requérant, par lettre recommandée à la poste, la liste des assesseurs effectifs et suppléants convoqués pour l'affaire le concernant.
  Dans un délai de huit jours à partir de la notification de la liste, le requérant renvoie celle-ci, par lettre recommandée à la poste, au greffe en y indiquant le nom des assesseurs qu'il récuse. La récusation doit être motivée.
  Passé ce délai fixé à l'alinéa 3, le requérant est censé renoncer à son droit de récusation.
  Avant d'aborder le fond de l'affaire, le président décide s'il y a lieu de faire droit à la demande de récusation. ".
Art. 90. Artikel 295 wordt aangevuld met volgende leden :
  " Zij beraadslagen in afwezigheid van de eiser en zijn raadgevers en van de ambtenaar die het standpunt van de overheid verdedigt.
  Zij oordelen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep. ".
Art. 90. L'article 295 est complété par les alinéas suivants :
  " Elles délibèrent en l'absence du requérant et de son conseil et de l'agent qui défend la position de l'autorité.
  Elles jugent de la recevabilité du recours et du bien fondé de celui-ci. ".
Art. 91. In artikel 297 van hetzelfde besluit wordt een lid, luidend als volgt, ingevoegd tussen het tweede en derde lid.
  " Elk lid, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd. "
Art. 91. A l'article 297 du même arrêté, l'alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Chaque membre, y compris le président, a voix délibérative. ".
Art. 92. In artikel 299 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door volgend lid, luidend als volgt :
  " De betrokken raad van beroep stuurt haar advies alsook het volledige dossier naar de bevoegde overheid bedoeld in artikel 301, 1° tot 4°, ten laatste twintig dagen na het uitbrengen van het advies ". Het advies vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de stemming werd bereikt. "
  2° het tweede lid wordt vervangen door volgend lid, luidend als volgt :
  " De raad betekent het advies aan de ambtenaar binnen dezelfde termijn. ".
Art. 92. A l'article 299 du même arrêté modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification),,sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1 est remplacé par l'alinéa suivant rédigé comme suit :
  " La chambre de recours concernée envoie son avis ainsi que le dossier complet à l'autorité compétente visée à l'article 301, 1° à 4°, au plus tard vingt jours après que l'avis ait été rendu. L'avis mentionne par quel nombre de voix, pour ou contre, le vote a été acquis. "
  2° l'alinéa 2 est remplacé par l'alinéa suivant rédigé comme suit :
  " La chambre notifie dans le même délai l'avis à l'agent. ".
Art. 93. De woorden " na beroep " van de titel van hoofdstuk IV van Titel IX van Boek I van hetzelfde besluit worden geschrapt.
Art. 93. Les mots " à la suite du recours " figurant dans l'intitulé du Chapitre IV du Titre IX du Livre Ier du même arrêté sont supprimés.
Art. 94. Artikel 301 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging), wordt vervangen door volgende bepalingen :
  " Art. 301. Volgende overheden spreken de tuchtstraf uit :
  1° een gemachtigde hiërarchische meerdere voor de terechtwijzing, de inhouding van wedde, de verplaatsing bij tuchtmaatregel en de tuchtschorsing jegens de ambtenaren van rang A3 of lager; deze meerdere mag niet diegene zijn die krachtens artikel 275, 1°, de tuchtstraf heeft voorgesteld. In afwezigheid van een hiërarchische meerdere, spreekt de directieraad de straf uit.
  2° de benoemende overheid voor de lagere inschaling, de terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege en de afzetting jegens de ambtenaren van rang A3 of lager;
  3° twee Ministers of Staatssecretarissen, aangewezen door de Regering voor de terechtwijzing, de inhouding van wedde, de verplaatsing bij tuchtmaatregel en de tuchtschorsing uit jegens de ambtenaren van rang A4 of hoger.
  4° de benoemende overheid voor de lagere inschaling, de terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege en de afzetting jegens de ambtenaren van rang A4 of hoger.
  De bevoegde overheid kan geen zwaardere straf uitspreken dan de voorgestelde straf en kan alsook geen andere feiten inroepen dan die welke het voorstel van straf hebben gemotiveerd. ".
Art. 94. L'article 301 du même arrêté modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 301. Prononcent la peine disciplinaire, les autorités suivantes :
  1° un supérieur hiérarchique habilité pour le rappel à l'ordre, la retenue de traitement, le déplacement disciplinaire et la suspension disciplinaire à l'égard des agents de rang A3 ou d'un rang inférieur; ce supérieur ne peut être celui qui, en vertu de l'article 275, 1°, a proposé la peine; en l'absence de supérieur hiérarchique, le conseil de direction prononce la peine;
  2° l'autorité investie du pouvoir de nomination pour la régression barémique, la rétrogradation, la démission d'office et la révocation à l'égard des agents de rang A3 ou d'un rang inférieur;
  3° deux Ministres ou Secrétaires d'Etat désignés par le Gouvernement pour le rappel à l'ordre, la retenue de traitement, le déplacement disciplinaire et la suspension disciplinaire à l'égard des agents de rang A4 ou d'un rang supérieur.
  4° L'autorité investie du pouvoir de nomination pour la régression barémique, la rétrogradation, la démission d'office et la révocation l'égard des agents de rang A4 ou d'un rang supérieur.
  L'autorité compétente ne peut prononcer une peine plus lourde que celle proposée ni ne peut invoquer d'autres faits que ceux ayant motivé la proposition. ".
Art. 95. In artikel 302 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (eerste wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " eerste lid " geschrapt;
  2° in het tweede lid worden de woorden " tien werkdagen " vervangen door de woorden " vijftien dagen "
Art. 95. A l'article 302 du même arrêté modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (1ère modification), sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1, les mots " alinéa 1er " sont supprimés;
  2° à l'alinéa 2, les mots " dix jours ouvrables " sont remplacés par les mots " quinze jours ".
Art. 96. In artikel 304 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt nummering " 3° en 4° " vervangen door volgende nummering " 4° en 5° ".
  2° in het eerste lid wordt een nieuw 3° ingevoegd, luidend als volgt :
  " 3° achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel; ";
  3° het tweede lid wordt vervangen door volgende bepaling :
  " De termijn gaat in vanaf de betekening van de straf. ".
Art. 96. A l'article 304 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1, la numérotation suivante " 3° et 4° " devient respectivement la numérotation " 4° et 5° ".
  2° à l'alinéa 1, un nouveau 3° est inséré comme suit :
  " 3° dix-huit mois pour le déplacement disciplinaire; ";
  3° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " Le délai prend cours à partir de la notification de la sanction. ".
Art. 97. In artikel 307 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden " tien werkdagen " vervangen door " vijftien dagen ";
  2° het vierde lid wordt vervangen door volgend lid :
  " De schorsingsbeslissing wordt betekend volgens de regels bedoeld in artikel 274ter. ".
Art. 97. A l'article 307 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 2, les mots " dix jours ouvrables " sont remplacés par les mots " quinze jours ";
  2° l'alinéa 4 est remplacé par l'alinéa suivant :
  " La décision de suspension est notifiée selon les règles visées à l'article 274ter. ".
Art. 98. Artikel 308 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling :
  " Art. 308. De ambtenaar kan binnen acht dagen na de betekening zoals bedoeld in artikel 274ter, in beroep gaan bij een der raden van beroep bedoeld in artikel 285 naargelang zijn graad. ".
Art. 98. L'article 308 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 308. L'agent peut, dans les huit jours de la notification telle que visée à l'article 274ter, introduire un recours devant une des chambres de recours visées à l'article 285 selon son grade. ".
Art. 99. Artikel 309 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
  " Zij kan worden verlengd met zesmaandelijkse termijnen in geval van strafrechtelijke vervolging. ".
Art. 99. L'article 309 du même arrêté est complété comme suit :
  " Elle peut être renouvelée par périodes de six mois en cas de poursuite pénale. ".
Art. 100. In artikel 318 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden de woorden " twintig worden de woorden " twintig werkdagen " vervangen door de woorden " dertig dagen ".
Art. 100. A l'article 318 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification),les mots " vingt jours ouvrables " sont remplacés par les mots " trente jours ".
Art. 101. Titel XII van Boek I van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), wordt als volgt vervangen :
  " TITEL XII. DE INSCHAKELING VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP
  Art. 319bis. § 1. Het ministerie moet een aantal gehandicapte personen tewerkstellen dat gelijk is aan twee percent van de personeelsformatie.
  § 2. Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder " erkenningsinstellingen " de vier volgende instellingen :
  1° [het Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées, in het kort A.W.I.P.H.]; (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12950)
  2° de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);
  3° het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", voorheen het " Vlaams Fonds voor Personen met een Handicap "
  4° de Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden.
  5° de persoon die in het bezit is van een attest afgeleverd door de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen.
  § 3. De betrekkingen die voor gehandicapte personen bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen :
  1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in § 2 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale of gemeenschapsoverheid is genomen;
  2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest overleggen van het Fonds voor Arbeidsongevallen of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;
  3° [door een beroepsziekte] zijn getroffen en een attest voorleggen van het Fonds voor Beroepsziekten of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd; (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12950)
  4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeven afschrift [van het vonnis overleggen waarbij] een handicap of een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd; (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12950)
  5° het slachtoffer zijn geweest van een thuisongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling overleggen waarbij een vaste ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;
  6° een inkomensvervangende- of integratietegemoetkoming genieten krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan de gehandicapten.
  Art. 319ter. De gehandicapte persoon heeft de mogelijkheid om deel te nemen aan een vergelijkend wervingsexamen bedoeld in artikel 25 en volgende van het hoofdstuk Werving van dit besluit. Hij kan, bij deze gelegenheid, SELOR - Selectiebureau van de Federale overheid, vragen om een behoorlijke inrichting tijdens zijn deelname aan de proeven.
  Voor elk vergelijkend wervingsexamen, worden, buiten de lijsten bedoeld in het hoofdstuk betreffende de werving, bijzondere lijsten van de geslaagde gehandicapte personen aangelegd. Deze laatsten worden er slechts in opgenomen op hun vraag [en voor zover ze een attest hebben voorgelegd] dat hen de hoedanigheid van gehandicapte persoon in de zin van artikel 319bis verleent. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12950)
  De gehandicapte personen opgenomen in de bijzondere lijst bedoeld in het eerste lid behouden hun rangschikking zonder tijdsbeperking.
  Onverminderd de bepalingen van voorgaand artikel, zijn de regels betreffende de in dit besluit bedoelde werving van toepassing op de selectie en werving van gehandicapte personen.
  Als het percentage dat bepaald is in artikel 319bis,§ 1, eerste lid, van dit besluit niet bereikt is, kan de minister of zijn afgevaardigde bij de aanwerving voorrang geven aan personen met een handicap die laureaat zijn.
  Art. 319quater. § 1 De modaliteiten van de examens voor overgang tot een hoger niveau en van de vormingen ter voorbereiding op een bevordering zijn aangepast aan de beperkingen opgelegd door de handicaps.
  § 2. In geval van verandering van betrekking kan het advies van de arbeidsgeneesheer vereist worden om de bekwaamheid van de gehandicapte persoon tot het bekleden van de nieuwe betrekking na te gaan.
  § 3. De secretaris-generaal of de adjunct- secretaris-generaal kan in samenwerking met [de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 319bis, § 2], het onthaal, de vorming en de inschakeling in het arbeidsproces van de gehandicapte personen organiseren. (ERRATUM, zie B.St. 25-02-2010, p. 12950)".
Art. 101. Le Titre XII du Livre premier du même arrêté modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), est remplacé comme suit :
  " TITRE XII DE L'INTEGRATION DES PERSONNES HANDICAPEES
  Art. 319bis. § 1er. Le ministère est tenu d'occuper un nombre de personnes handicapées fixé à deux pour cent de l'effectif prévu au cadre organique.
  § 2. Pour l'application du présent titre, il y a lieu d'entendre par " organismes de reconnaissance " les quatre organismes suivants :
  1° l'Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées, en abrégé A.W.I.P.H.;
  2° l'Office de la Communauté germanophone pour les personnes handicapées (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);
  3° la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", anciennement le " Vlaams Fonds voor Personen met een Handicap "
  4° le Service bruxellois francophone des personnes handicapées.
  5° la personne qui est en possession d'une attestation délivrée par la Direction Générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale pour l'octroi des avantages sociaux et fiscaux.
  § 3. Peuvent occuper un emploi du quota réservé aux personnes handicapées les candidats qui remplissent au moment du recrutement au moins l'une des conditions suivantes :
  1° avoir été enregistré auprès d'un des organismes de reconnaissance visés au § 2, ou avoir fait l'objet d'une décision d'intervention de la part d'un de ceux-ci, et avoir communiqué à un de ceux-ci toute décision relative aux dispositions d'aide ou d'intégration sociale ou professionnelle prise par le pouvoir fédéral ou communautaire;
  2° avoir été victime d'un accident du travail et fournir une attestation délivrée par le Fonds des Accidents du Travail ou par l'Office médico-social de l'Etat certifiant une incapacité d'au moins 66 %;
  3° avoir été victime d'une maladie professionnelle et fournir une attestation délivrée par le Fonds des Maladies professionnelles ou par l'Office médico-social de l'Etat certifiant une incapacité d'au moins 66 %;
  4° avoir été victime d'un accident de droit commun et fournir une copie du jugement délivré par le greffe du tribunal certifiant que le handicap ou l'incapacité est d'au moins 66 %;
  5° avoir été victime d'un accident domestique et fournir une copie de la décision de l'organe assureur certifiant que l'incapacité permanente est d'au moins 66 %;
  6° bénéficier d'une allocation de remplacement de revenu ou d'intégration en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés.
  Art. 319ter. La personne handicapée a la possibilité de participer à un concours de recrutement visé aux articles 25 et suivants du chapitre recrutement du présent arrêté. Elle peut, à cette occasion, demander à SELOR- Bureau de sélection de l'Administration fédérale de bénéficier d'aménagements raisonnables lors de sa participation aux épreuves.
  Pour chaque concours de recrutement, il est établi, outre les listes des lauréats visées au chapitre relatif au recrutement, des listes spécifiques des personnes handicapées lauréates. Celles-ci n'y figurent qu'à leur demande et pour autant qu'elles aient produit une attestation leur conférant la qualité de personne handicapée au sens de l'article 319bis.
  Les personnes handicapées reprises dans la liste spécifique visée à l'alinéa précédent gardent le bénéfice de leur classement sans limite de temps.
  Sans préjudice des dispositions du présent article, les règles relatives au recrutement visées au présent arrêté, sont applicables à la sélection et au recrutement des personnes handicapées.
  Si le pourcentage fixé à l'article 319bis, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté n'est pas atteint, le ministre ou son délégué peut donner priorité, lors du recrutement, aux personnes handicapées lauréates.
  Art. 319quater § 1er. Les modalités des concours d'accession au niveau supérieur et des formations préparatoires à la promotion sont adaptées aux contraintes liées aux handicaps.
  § 2. En cas de changement d'affectation, l'avis du médecin du travail peut être requis en vue de vérifier l'aptitude de la personne handicapée à occuper le nouvel emploi.
  § 3. Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint peut organiser, en collaboration avec [les organismes de reconnaissance visés à l'article 319bis, § 2,] l'accueil, la formation et l'intégration professionnelle des personnes handicapées. (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)".
Art. 102. In de Franse tekst van artikel 322, eerste lid van hetzelfde besluit worden de woorden " à dans l'annexe I au présent arrêté " vervangen door de woorden " dans l'annexe I du présent arrêté ".
Art. 102. Dans le texte français de l'article 322, alinéa 1, du même arrêté, les mots " à dans l'annexe I au présent arrêté " sont remplacés par les mots " dans l'annexe I du présent arrêté ".
Art. 103. In artikel 335 van hetzelfde besluit worden de woorden " en eigen aan de functie " ingevoegd tussen de woorden " als normaal " en de woorden " kunnen worden beschouwd ".
Art. 103. A l'article 335 du même arrêté, les mots " et inhérentes à la fonction " sont insérés entre les mots " comme normales " et les mots " peut donner lieu "
Art. 104. In artikel 342 van hetzelfde besluit de cijfers " 08.00 " vervangen door de cijfers " 07.30 ".
Art. 104. A l'article 342 du même arrêté, les chiffres " 08.00 " sont remplacés par les chiffres " 07.30 ".
Art. 105. In artikel 343 van hetzelfde besluit de cijfers " 07.00 " vervangen door de cijfers " 07.30 ".
Art. 105. A l'article 343 du même arrêté, les chiffres " 07.00 " sont remplacés par les chiffres " 07.30 ".
Art. 106. In artikel 349 van hetzelfde besluit worden de woorden " De toelagen mogen niet samengevoegd worden met de toelagen " vervangen door de woorden " De toelagen, bedoeld in deze afdeling, mogen niet gecumuleerd worden met de toelagen ".
Art. 106. A l'article 349 du même arrêté, les mots " Les allocations ne peuvent être jointes aux allocations " sont remplacés par les mots " Les allocations visées dans la présente section ne peuvent être cumulées avec les allocations ".
Art. 107. Artikel 351 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 107. L'article 351 du même arrêté est abrogé.
Art. 108. Een afdeling 2bis, bestaande uit het artikel 351bis wordt ingevoegd in het Hoofdstuk III van Titel II van Boek II van hetzelfde besluit :
  " Afdeling 2bis. - Stelsel van toelagen toegekend aan de winterdienst van het ministerie
  Art. 351bis. In afwijking van afdeling 1 en 2 van dit hoofdstuk, kan de Regering voorzien in een bijzonder stelsel van toelagen aan de ambtenaren die behoren tot de winterdienst van het ministerie. ".
Art. 108. Une section 2bis comprenant l'article 351bis est insérée comme suit dans le chapitre III du Titre II du Livre II du même arrêté :
  " Section 2bis. Du régime des allocations octroyées au service d'hiver du ministère
  Art. 351bis. En dérogation aux sections 1 et 2 du présent chapitre, le Gouvernement peut prévoir un régime particulier d'allocations aux agents faisant partie du service d'hiver du ministère. ".
Art. 109. In artikel 353bis van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 26 september 2002 (vierde wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid worden de woorden " Aan de gewone en buitengewone rekenplichtigen " vervangen door de woorden " Aan de rekenplichtigen van de ontvangsten en de beheerders van de voorschotten ";
  2° § 2 wordt geschrapt;
  3° in § 4 worden de woorden " of aan de plaatsvervangend beheerders van de voorschotten " ingevoegd tussen de woorden " plaatsvervangend rekenplichtige " en de woorden " toegekend naar rato ";
  4° in § 5 worden de woorden " of de plaatsvervangend beheerder van de voorschotten " ingevoegd tussen de woorden " waarvoor de rekenplichtige " en de woorden " verantwoordelijk is ".
Art. 109. A l'article 353bis du même arrêté modifié par l'arrêté du 26 septembre 2002 (4ième modification), sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, alinéa 1, les mots " ordinaires et extraordinaires " sont remplacés par les mots " des recettes et aux régisseurs d'avance ";
  2° le § 2 est supprimé;
  3° au § 4, les mots " ou au régisseur d'avance suppléant " sont insérés entre les mots " comptable suppléant " et les mots " au prorata ";
  4° au § 5, les mots " [ou du régisseur d'avance] " sont insérés entre les mots " compétence du comptable " et les mots " n'atteignent pas ". (ERRATUM, voir M.B. 25-02-2010, p. 12949)
Art. 110. In artikel 358 sexies van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 24 maart 2005, wordt het woord " voldoende " vervangen door het woord " gunstig ".
Art. 110. A l'article 358 sexies, du même arrêté, modifié par l'arrêté du 24 mars 2005, le mot " satisfaisant " est remplacé par le mot " favorable ".
Art. 111. In bijlage IV, Hoofdstuk I van hetzelfde besluit, gewijzigd door het besluit van 25 april 2002 (zesde wijziging), worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° onder het opschrift NIVEAU A wordt volgende onderverdeling ingevoegd :
  " 5) Diploma van master uitgereikt door een universiteit of een hogeschool na een masteropleiding van de 2e cyclus van ten minste 60 studiepunten. ".
  2° onder het opschrift NIVEAU B, in 7) worden de woorden " in het economisch hoger of het sociaal hoger onderwijs " vervangen door de woorden " in het economisch, paramedisch, pedagogisch, landbouwkundig of sociaal hoger onderwijs ".
  3° onder het opschrift NIVEAU B wordt volgende onderverdeling ingevoegd :
  " 9) Diploma van bachelor uitgereikt na een opleiding van één cyclus of na de eerste cyclus van een opleiding van twee cycli na ten minste 180 studiepunten uitgereikt door een universiteit of een Hogeschool of door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie. ".
Art. 111. Dans l'annexe IV, chapitre I du même arrêté, modifié par l'arrêté du 25 avril 2002 (6ième modification), sont apportées les modifications suivantes :
  1° sous l'intitulé NIVEAU A, est insérée la subdivision suivante :
  " 5) Diplôme de master sanctionnant des études de 2e cycle, valorisables pour au moins 60 crédits, délivré par une université ou une Haute Ecole. ".;
  2° sous l'intitulé NIVEAU B, au 7), les mots ", paramédical, pédagogique ou agricole " sont insérés entre les mots " l'enseignement supérieur économique " et les mots " ou supérieur social du type court ".
  3° sous l'intitulé NIVEAU B, est insérée la subdivision suivante :
  " 9) Diplôme de bachelier, sanctionnant des études d'un cycle ou de premier cycle, valorisables pour au moins 180 crédits, délivré par une université ou une Haute Ecole ou un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés. ".
Art. 112. Volgende bepalingen worden bij wijze van overgangsmaatregel ingevoerd :
  1° de kader- en expertbetrekkingen van eerste attaché van rang A2 bedoeld in hetzelfde besluit worden omgezet in betrekkingen van eerste attaché van rang A2; de ambtenaren die titularis zijn van deze betrekkingen bij de inwerkingtreding van dit besluit behouden de graad van eerste attaché;
  2° de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 september 1969 betreffende de vergelijkende examens en examens georganiseerd voor de werving en de loopbaan van het Rijkspersoneel blijven van toepassing op de op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit aan gang zijnde vergelijkende examens en examens;
  3° de bepalingen van dit besluit betreffende de bevordering door overgang naar het hoger niveau die van kracht zijn voor de inwerkingtreding van dit besluit blijven van toepassing voor de lopende vergelijkende overgangsexamens;
  4° twee vergelijkende overgangsexamenperiodes kunnen, in voorkomend geval, nog worden georganiseerd op basis van het voor de inwerkingtreding van dit besluit van kracht zijnde stelsel ten gunste van ambtenaren die zijn geslaagd voor een of meerdere op basis van het genoemde systeem georganiseerde vergelijkende examenproeven; artikelen 109bis tot 109ter zijn niettemin van toepassing op deze ambtenaren; de ambtenaren kunnen kiezen voor het afleggen van een vergelijkende examen op basis van dit hogerbedoeld systeem; deze keuze is eenmalig; geen enkele vorming zal worden gegeven in het kader van deze vergelijkende examens;
  5° de nog bij de inwerkingtreding van dit besluit lopende tuchtprocedures blijven geregeld door de bepalingen van de tuchtregeling van hetzelfde besluit.
Art. 112. Sont adoptées à titre transitoire les mesures suivantes :
  1° les emplois de premier attaché d'encadrement et d'expert de rang A2 visés au même arrêté sont convertis en emplois de premier attaché de rang A2; les agents titulaires de ces emplois au moment de la mise en vigueur du présent arrêté continuent à porter le grade de premier attaché;
  2° les dispositions de l'arrêté royal du 17 septembre 1969 concernant les concours et examens organisés en vue du recrutement et de la carrière des agents de l'Etat restent d'application aux concours et examens en cours d'organisation à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
  3° les dispositions du même arrêté relatives à la promotion par accession au niveau supérieur en vigueur avant la mise en vigueur du présent arrêté restent d'application pour les concours d'accession toujours en cours au moment de la mise en vigueur du présent arrêté;
  4° deux sessions de concours d'accession au niveau supérieur pourront le cas échéant être encore organisées sur base du système en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté en faveur des agents qui sont lauréats d'une ou de plusieurs épreuves de concours organisés sur base dudit système; les articles 109 à 109ter sont toutefois applicables auxdits agents; les agents peuvent choisir de passer un concours sur base de ce système visé ci-dessus; ce choix ne peut se faire qu'une seule fois; aucune formation ne sera plus donnée toutefois dans le cadre de ces concours;
  5° les procédures disciplinaires toujours en cours au moment de la mise en vigueur du présent arrêté restent régies par les dispositions du statut disciplinaire du même arrêté.
Art. 113. Wordt opgeheven voor het ministerie, het koninklijk besluit van 17 september 1969 betreffende de vergelijkende examens en examens georganiseerd voor de werving en de loopbaan van het Rijkspersoneel.
Art. 113. Est abrogé pour le ministère l'arrêté royal du 17 septembre 1969 concernant les concours et examens organisés en vue du recrutement et de la carrière des agents de l'Etat.
Art. 114. De artikels 63 en 64 van dit besluit treden in werking bij de eerstvolgende algehele vernieuwing van de gemeenteraden.
Art. 114. Les articles 63 et 64 du présent arrêté entrent en vigueur lors du prochain renouvellement intégral des conseils communaux.
Art. 115. De Minister bevoegd voor Openbaar Ambt wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 4 juni 2009.
  Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
  De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
  Ch. PICQUE
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen.
  G. VANHENGEL
Art. 115. Le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Bruxelles, 4 juin 2009.
  Pour le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale,
  Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargé des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du Territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine, du Logement, de la Propreté publique et de la Coopération au Développement,
  Ch. PICQUE
  Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargé des Finances, du Budget, de la Fonction publique et des Relations extérieures.
  G. VANHENGEL