Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 MAART 2009. - Ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-03-2009 en tekstbijwerking tot 12-05-2021)
Titre
5 MARS 2009. - Ordonnance relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-03-2009 et mise à jour au 12-05-2021)
Documentinformatie
Numac: 2009031120
Datum: 2009-03-05
Info du document
Numac: 2009031120
Date: 2009-03-05
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Doel.
Begripsomschrijvingen.
[1Uitoefening van bevoegdheden]1
[1Mede-eigendom]1
HOOFDSTUK II. - Identificatie van verontreinigd...
Afdeling I. - Aangifteplicht.
Aangifte.
Afdeling II. - Inventaris van de bodemtoestand.
Inhoud.
Vervollediging van de inventaris van de bodemto...
Validatie van de gedetailleerde informatie
Wijziging van de gedetailleerde informatie van ...
Afdeling III. - Toegang tot de informatie en ka...
Toegang tot de informatie.
Kaart van de bodemtoestand.
Afdeling IV. - Informatieplicht en bodemattest.
Bodemattest.
Informatieplicht.
Afdeling V. - Verkennend bodemonderzoek.
[1Onderafdeling I - Aanleidinggevende feiten]1
[1 Algemene bepaling]1
[1Onderafdeling II - Bijzondere aanleidinggeven...
[1Onteigening]1
[1Faillissement]1
[1Gedwongen verkoop]1
[1Onderafdeling III - Vrijstellingen ]1
[1Vrijstellingen om een verkennend bodemonderzo...
[1Afwijking betreffende de gedwongen mede-eigen...
[1Onderafdeling IV - Inhoud en uitvoering van h...
Doel en inhoud
Uitvoering, kennisgeving en gelijkvormigheidsve...
Gezamenlijke onderzoeken.
HOOFDSTUK III. - Behandeling van verontreinigde...
Afdeling I. - Beginselen.
Termijnen voor de behandeling van de verontrein...
Normen en waarden.
[1 Realisatie van een gedetailleerd onderzoek]1
Behandeling van de verontreiniging door middel ...
Behandeling van de verontreiniging door sanerin...
Afwijkingen.
Vrijwillige behandeling van de verontreiniging ...
Aansprakelijkheid.
Afdeling II. - Gedetailleerd onderzoek.
Doel en inhoud.
Uitvoering en kennisgeving.
Gelijkvormigheidsverklaring.
Gezamenlijke onderzoeken.
HOOFDSTUK IV. - Risicobeheer.
Afdeling I. - Risico-onderzoek.
Doel en inhoud.
Uitvoering en kennisgeving.
Gelijkvormigheidsverklaring.
Geldigheidsduur.
Doel en inhoud.
Uitvoering en kennisgeving.
Gelijkvormigheidsverklaring.
Equivalentie.
Afdeling III. - Risicobeheersmaatregelen.
Uitvoering van de risicobeheersmaatregelen.
Aanpassing van de risicobeheersmaatregelen.
Eindbeoordeling.
Slotverklaring.
HOOFDSTUK V. - Sanering.
Afdeling I. - Saneringsvoorstel.
Doel en inhoud.
Uitvoering en kennisgeving.
Gelijkvormigheidsverklaring.
Equivalentie.
Afdeling II. - Saneringswerken.
Uitvoering van de saneringswerken.
Aanpassing van de saneringswerken.
Eindbeoordeling.
Slotverklaring.
HOOFDSTUK VI. - Overige maatregelen.
Veiligheidsmaatregelen.
Follow-upmaatregelen.
HOOFDSTUK VII. - Raadpleging en aanplakking.
Advies en openbaar onderzoek.
Aanplakking.
Gebruiksbeperkingen.
[1Controlecommissie]1
Rapportering aan de Regering en het Parlement.
HOOFDSTUK VIII. - Beroep.
Beroep bij het Milieucollege.
Beroep bij de Regering.
Termijn voor de indiening van het beroep.
HOOFDSTUK IX. - Bijzondere bepalingen.
Afdeling I. Bijzondere aanleidinggevende feiten}
Onteigening.
Faillissement.
Afdeling II.
Verkennend bodemonderzoek.
Gedwongen mede-eigendom.
Afdelingn III. Identificatie en specifieke beha...
Onderafdeling I. [1 Minieme behandeling en beha...
[1 Minieme behandeling]1
[1 Behandeling van beperkte duur]1
[1 Vrijstelling]1
[1 Eindbeoordeling en slotverklaring]1
[1 Onderafdeling I/1. Gasolietank]1
[1 Toepassingsgebied]1
[1 Gasolietank gerelateerd bodemonderzoek]1
[1 Behandeling]1
[1 Vrijstelling]1
[1 Eindbeoordeling en slotverklaring]1
Onderafdeling II. Overige procedures en bijzond...
Beperking van de risico's.
Herziening van de saneringsdoelstellingen.
Ingedeelde inrichtingen.
Afdeling IV. - Overige maatregelen.
Verspreiding van de verontreiniging.
[1Publieke behandeling]1
Financiële zekerheden.
Uitgegraven en aangevulde grond.
HOOFDSTUK IX. - Financiering.
[1 Fondsen, premies en subsidies]1
Sectorale overeenkomsten.
HOOFDSTUK X. - Sancties.
Strafrechtelijke sancties.
Nietigverklaring en niet-tegenstelbaarheid van ...
Aanvankelijke bodemtoestand.
Herstel.
HOOFDSTUK XII. - Wijzigingsbepalingen.
Afdeling I. - Wijziging van de ordonnantie van ...
Afdeling II. - Wijziging van de ordonnantie van...
Afdeling III. - Wijziging van het koninklijk be...
HOOFDSTUK XIII. - Overgangsbepalingen, opheffin...
Inventarissen.
Vervreemding van zakelijke rechten.
Onderzoeken, werken en maatregelen.
Opheffing.
Inwerkingtreding.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Objectif.
Définitions.
1Exercice des compétences]1
[1 Coproprieté]1
CHAPITRE II. - Identification des terrains poll...
Section Ire. - Obligation de déclaration.
Déclaration.
Section II. - Inventaire de l'état du sol.
Contenu.
Alimentation de l'inventaire de l'état du sol.
Validation des informations détaillées et inscr...
Modification des informations détaillées de l'i...
Section III. - Accès aux informations et carte ...
Accès aux informations.
Carte de l'état du sol.
Section IV. - Obligation d'information et attes...
Attestation du sol.
Obligation d'information.
Section V. - Reconnaissance de l'état du sol.
[1 Sous-section Ire - Faits générateurs ]1
[1 Disposition générale]1
[1 Sous-section II - Faits générateurs particul...
[1Expropriation]1
[1Faillite]1
[1Vente forcée]1
[1Dispenses]1
[1Dispenses de réaliser une reconnaissance de l...
[1Dérogation relative à la copropriété forcée1
[1 Sous-section IV - Contenu et réalisation de ...
Objectif et contenu.
Réalisation, notification et déclaration de con...
Etudes conjointes.
CHAPITRE III. - Traitement des terrains pollués.
Section Ire. - Principes.
Délais de traitement de la pollution.
Normes et valeurs.
Réalisation d'une étude détaillée [...].
Traitement de la pollution par gestion du risqu...
Traitement de la pollution par assainissement e...
Dérogations.
Traitement volontaire de la pollution et autres...
Responsabilité.
Section II. - Etude détaillée.
Objectif et contenu.
Réalisation et notification.
Déclaration de conformité.
Etudes conjointes.
CHAPITRE IV. - Gestion du risque.
Section Ire. - Etude de risque.
Objectif et contenu.
Réalisation et notification.
Déclaration de conformité.
Duree de validité.
Objectif et contenu.
Réalisation et notification.
Declaration de conformité.
Equivalence.
Section III. - Mesures de gestion du risque.
Mise en oeuvre des mesures de gestion du risque.
Adaptation des mesures de gestion du risque.
Evaluation finale.
Déclaration finale.
CHAPITRE V. - Assainissement.
Section Ire. - Projet d'assainissement.
Objectif et contenu.
Réalisation et notification.
Déclaration de conformité.
Equivalence.
Section II. - Travaux d'assainissement.
Exécution des travaux d'assainissement.
Adaptation des travaux d'assainissement.
Evaluation finale.
Déclaration finale.
CHAPITRE VI. - Autres mesures.
Mesures de sécurité.
Mesures de suivi.
CHAPITRE VII. - Consultation et information.
Avis et enquête publique.
Information.
Restrictions d'usage.
[1 Commission de contrôle]1
Rapport au gouvernement et au parlement.
CHAPITRE VIII. - Recours.
Recours au Collège d'environnement.
Recours au gouvernement.
Délais d'introduction des recours.
CHAPITRE IX. - Dispositions particulières.
Section Ire. Faits générateurs particuliers.
Expropriation.
Faillite.
Section II. - Dispenses.
Reconnaissance de l'état du sol.
Copropriété forcée.
Section III. - Identification et traitement par...
Sous-section Ire. [1 Traitement minime et trait...
[1Traitement minime]1
Art.63.[1 § 1er. Le traitement de durée limitée...
Art.64.[1 Le traitement minime ou de durée limi...
Art.65.[1 § 1er. A l'issue de l'exécution du tr...
[1 Sous-section 1/1. Citerne à gasoil]1
Sous-section II. - Autres procédures et objecti...
Art.66. L'institut peut limiter le contenu des ...
Art.67.§ 1er. Si, en raison des caractéristique...
Art.68. Le gouvernement peut déterminer pour ce...
Section IV. - Autres mesures.
Art.69.§ 1er. Lorsqu'il apparaît [2 après réali...
Art.70.§ 1er. L'Institut peut à tout moment se ...
Art.71.§ 1er. Les titulaires de l'obligation de...
Art.72. Afin d'éviter la contamination des sols...
[1Fonds, primes et subventions ]1
Art.73.[1 § 1.]1 Dans les limites budgétaires d...
Art.74. Le gouvernement peut contribuer à la mi...
CHAPITRE XI. - Sanctions.
Art.75.Est puni [1 de la peine prévue à l'artic...
Art.76.§ 1er.[1 La nullité de toute aliénation ...
Art.77.Sans préjudice des [1 articles 13/4, 13/...
Art.78.Sans préjudice des [1 articles 13/4, 13/...
Section Ire. - Modification de l'ordonnance du ...
Art.79. § 1er. Il est ajouté au § 1er de l'arti...
Art.80. § 1er. Dans l'ordonnance du 25 mars 199...
Art.81. Dans l'arrêté royal du 8 mars 1989 créa...
CHAPITRE XIII. - Dispositions transitoires, abr...
Art.82. § 1er. Les terrains inscrits à l'invent...
Art.83. L'article 12, § 1er, de la présente ord...
Art.84. § 1er. Les études du sol réalisées avan...
Art.85. L'ordonnance du 13 mai 2004 relative à ...
Tekst (232)
Texte (232)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1. La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Doel.
Objectif.
Art.2. Deze ordonnantie wil het ontstaan van bodemverontreiniging voorkomen, de potentiële bronnen van verontreiniging identificeren, de bodemonderzoeken voor het vaststellen van het bestaan van een verontreiniging regelen en de modaliteiten bepalen voor de sanering of het beheer van de verontreinigde bodems, teneinde de bodemverontreiniging te doen verdwijnen, te controleren, in te dijken of te beperken.
Ze wil tevens de toegang tot informatie over bodemverontreiniging regelen.
Deze ordonnantie doet geen afbreuk aan andere, strengere wetgevingen die deze materie regelen.
Ze wil tevens de toegang tot informatie over bodemverontreiniging regelen.
Deze ordonnantie doet geen afbreuk aan andere, strengere wetgevingen die deze materie regelen.
Art.2. La présente ordonnance vise à prévenir l'apparition de la pollution du sol, à identifier les sources potentielles de pollution, à organiser les études du sol permettant d'établir l'existence d'une pollution et à déterminer les modalités de l'assainissement des sols pollués ou de leur gestion et ce, en vue de garantir la suppression, le contrôle, l'endiguement ou la réduction de la pollution du sol.
Elle vise également à organiser l'accès aux informations relatives à la pollution des sols.
La présente ordonnance s'applique sans préjudice d'autres législations plus strictes régissant ces matières.
Elle vise également à organiser l'accès aux informations relatives à la pollution des sols.
La présente ordonnance s'applique sans préjudice d'autres législations plus strictes régissant ces matières.
Begripsomschrijvingen.
Définitions.
Art.3. Voor de toepassing van deze ordonnantie wordt verstaan onder :
1° bodem : vast gedeelte van de grond, met inbegrip van grondwater en overige aanwezige elementen en organismen;
2° bodemverontreiniging : elke bodemaantasting die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk is of schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid of de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologische potentieel van de bodem en de watermassa's, doordat er rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen zijn aangebracht aan de oppervlakte of zijn binnengedrongen in de bodem;
3° risicoactiviteit : de uitbating van een ingedeelde inrichting, geïdentificeerd als mogelijke bron van bodemverontreiniging; de Regering legt een lijst van de risicoactiviteiten vast;
4° exploitant : iedere [2 huidige exploitant of]2 persoon die een ingedeelde inrichting overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen uitbaat of voor wiens rekening een dergelijke inrichting wordt uitgebaat;
[2 4° /1 huidige exploitant : elke exploitant waarvan de uitbating nog steeds aan de gang is of die, hoewel hij zijn activiteiten heeft stopgezet :
- de identificatieverplichting of verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging die hem desgevallend werden opgelegd, nog niet heeft vervuld, ongeacht of dit op grond van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems of op grond van deze ordonnantie is ;
- of die de wettelijke verplichting nog niet heeft vervuld om de plaats van een inrichting opnieuw in een zodanige toestand te brengen dat er zich geen gevaar, hinder of ongemak voordoet, zoals vastgelegd door de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, wat door het Instituut op elk moment kan worden gecontroleerd; ]2
5° instituut : het Brussels Instituut voor Milieubeheer;
[1 5° /1. de leidend ambtenaar van het Instituut : de directeur-generaal van het Instituut, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig artikel 3/1, § 2;
5° /2. de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut : de adjunct-directeur-generaal van het Instituut, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig de artikelen 3/1, § 2, b) en c) en 3/1, § 4, b) [2 en c)]2; ]1
6° gemachtigde ambtenaar : de gemachtigde ambtenaar bedoeld in artikel 5 van het BWRO;
7° terrein : de bodem en/of de constructies en inrichtingen die rechtstreeks op of in de bodem zijn opgericht, begrensd door een perceel, een deel van een perceel of verschillende percelen; de Regering kan bepaalde constructies en inrichtingen uitsluiten;
8° perceel : kadastraal perceel of, bij ontstentenis van een kadastrale referentie, zone afgebakend door elke andere door het Instituut bepaalde identificerende eenheid;
9° site : de bodem begrensd door [2 ...]2 de kadastrale percelen [2 met risicoactiviteiten onderworpen aan ]2 een milieuvergunning;
10° interventienormen : concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, vastgelegd per kwetsbaarheidszone, waarboven de risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu als niet te verwaarlozen beschouwd worden en een behandeling van de verontreiniging vereist is;
11° saneringsnormen : concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, waaronder de risico's voor de volksgezondheid en het milieu als nihil beschouwd worden en de bodem al zijn functies kan vervullen;
12° kwetsbaarheidszone : groepering van de zones die zijn afgebakend in de bodembestemmingsplannen, op basis van een gelijkwaardige gevoeligheid voor de risico's voor de volksgezondheid en het milieu. [2 Een aantal zones die zijn afgebakend in de bodembestemmingsplannen, kunnen, afhankelijk van hun situatie, in een verschillende kwetsbaarheidszone worden ondergebracht ;]2
13° risicowaarde : concentratie van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, berekend via een risico-onderzoek, waarboven de risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu als niet toelaatbaar beschouwd worden en risicobeheer vereist is;
14° inventaris van de bodemtoestand : register van de het Instituut beschikbare gegevens over bodemverontreiniging;
15° bodemtoestandcategorie : onderverdeling van de percelen in de inventaris van de bodemtoestand :
- categorie 0 : mogelijk verontreinigde percelen, d.w.z. percelen waarvoor een vermoeden van bodemverontreiniging bestaat, met inbegrip van de percelen waarop een risicoactiviteit wordt [2 of werd]2 uitgeoefend [2 en de percelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een gebeurtenis die een bodemverontreiniging kan veroorzaken, zoals ongevallen, incidenten of verspreiding van verontreinigingen vanaf de naburige percelen;]2
- categorie 1 : percelen die voldoen aan de saneringsnormen;
- categorie 2 : percelen die voldoen aan de interventienormen, maar niet aan de saneringsnormen;
- categorie 3 : percelen die niet voldoen aan de interventienormen en die onder risicobeheer zijn gesteld, d.w.z. percelen waarvan de risico's aanvaardbaar zijn of aanvaardbaar zijn gemaakt;
- categorie 4 : percelen [2 ...]2 en die behandeld moeten worden of in behandeling zijn, d.w.z. percelen die worden onderzocht, waarvoor [2 een sanering, of een risicobeheer of een behandeling van beperkte duur wordt uitgevoerd of waarvoor dringende maatregelen uitgevoerd worden.]2 [2 In categorie 4 worden de volgende subcategorieën onderscheiden :
- categorie 4a : percelen van categorie 4 die niet of nog niet het voorwerp zijn geweest van een risicobeheer, een sanering of een behandeling van beperkte duur ;
- categorie 4b : percelen van categorie 4 waarvoor een risicobeheer, een sanering of een behandeling van beperkte duur aan de gang is ;
- categorie 4c : percelen van categorie 4 die momenteel het voorwerp uitmaken van follow-upmaatregelen vóór de eindbeoordeling .]2
[2 Wanneer een perceel opgenomen is in categorie 1, 2, 3 of 4 en er een risicoactiviteit wordt uitgeoefend of er een nieuwe verontreiniging wordt vermoed of ten minste één risicoactiviteit niet volledig kon worden onderzocht, dan wordt dit perceel respectievelijk opgenomen in categorie 0 gecombineerd met 1, 0 gecombineerd met 2, 0 gecombineerd met 3 of 0 gecombineerd met 4 ; ]2
16° eenmalige verontreiniging : apart identificeerbare bodemverontreiniging, veroorzaakt door een [2 huidige]2 exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein of, indien de verontreiniging is veroorzaakt na 20 januari 2005, door een [2 ander]2 eenduidig geïdentificeerde persoon;
17° gemengde verontreiniging : bodemverontreiniging veroorzaakt door verschillende personen in niet afzonderlijke identificeerbare proporties, onder wie een [2 huidige]2 exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein; of, indien de verontreiniging is veroorzaakt na 20 januari 2005, een [2 ander]2 eenduidig geïdentificeerde persoon;
18° weesverontreiniging : bodemverontreiniging [2 andere dan degene]2 bedoeld in punten 16° en 17° [2 , met name een bodemverontreiniging die wordt veroorzaakt in één van volgende gevallen :
- door één of meer personen die niet eenduidig kunnen worden geïdentificeerd ;
- door één of meer eenduidig geïdentificeerde personen die evenwel niet meer bestaan ;
- vóór 20 januari 2005, door één of meer eenduidig geïdentificeerde personen van wie er geen enkele houder van zakelijke rechten op het betrokken terrein of een huidige exploitant is;]2
19° bodemverontreiniging veroorzaakt door één persoon : bodemverontreiniging waarvoor een objectief oorzakelijk verband kan worden aangetoond met één of meer activiteiten van deze persoon of een of meer gebeurtenissen die deze persoon heeft veroorzaakt, met uitzondering van marginale verontreiniging;
20° behandeling van de bodemverontreiniging : de uitvoering van een gedetailleerd onderzoek in overeenstemming met deze ordonnantie gepaard gaande met ofwel de uitvoering van een risico-onderzoek en eventueel het opstellen van een risicobeheersvoorstel en de toepassing van risicobeheersmaatregelen, ofwel het opstellen van een saneringsvoorstel en de uitvoering van saneringswerken [2 ofwel de uitvoering van een behandeling van beperkte duur, ofwel een behandeling zoals bedoeld in artikel 65/3 ]2;
21° risicobeheer : behandeling van de bodemverontreiniging om de risico's voor de volksgezondheid en het milieu te beoordelen en deze te handhaven of aanvaardbaar te maken;
22° sanering : behandeling van de bodemverontreiniging om aan de saneringsnormen te voldoen of om een toename van de verontreiniging uit te sluiten;
23° [2 noodmaatregel ]2 : tijdelijke maatregel met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en het milieu in afwachting van de behandeling van de bodemverontreiniging, met inbegrip van de maatregelen voor gebruiksbeperking, toezicht op en indijking van de verontreiniging;
24° follow-upmaatregel : maatregel voor het controleren en zonodig het handhaven van het aanvaardbaar karakter van de door bodemverontreiniging veroorzaakte risico's voor de volksgezondheid en het milieu, met inbegrip van de maatregelen voor gebruiksbeperking en toezicht op de verontreiniging;
25° [2 toename van de verontreiniging : stijging van de concentratie van verontreinigende stoffen indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
- de gemeten concentratie overschrijdt de saneringsnormen ;
- de verontreiniging werd na 20 januari 2005 veroorzaakt door een huidige exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betrokken terrein of een andere eenduidig geïdentificeerde persoon ;
- de stijging werd vastgesteld door vergelijking met de resultaten van een door het Instituut goedgekeurd of gelijkvormig verklaard of geacht bodemonderzoek, met uitzondering van stijgingen van de concentratie van verontreinigende stoffen in de bodem als gevolg van een verspreiding van een verontreiniging vanaf een naburig perceel of een herverspreiding van reeds bij het eerste bodemonderzoek in de grond aanwezige verontreinigende stoffen.
De Regering kan maatregelen nemen die afwijken van deze definitie, in het kader van de voorwaarden die zijn vastgelegd in uitvoering van artikel 72; ]2
26° eindbeoordeling : eindverslag opgemaakt door een bodemverontreinigingsdeskundige na de uitvoering van de [2 een risicobeheer, ]2 [2 van een sanering]2 of [2 ...]2 [2 van een behandeling van beperkte duur bedoeld in artikel 63 of een eindbeoordeling bedoeld in artikel 65/5 ;]2
27° beste beschikbare technieken : de beste beschikbare technische saneringsoplossingen die met succes in de praktijk worden gebracht en waarvan de kostprijs niet onredelijk is in verhouding tot het bereikte resultaat voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu; de Regering legt de methodologie voor de identificatie van de beste beschikbare technieken vast; deze methodologie kan rekening houden met de bestemming die gedefinieerd is in de bodembestemmingsplannen;
28° vervreemding van een zakelijk recht : iedere overdragende, vestigende, declaratieve of abdicatieve rechtshandeling onder levenden, onder bezwarende titel of om niet, met betrekking tot een zakelijk recht, met inbegrip van de inbreng en overdracht van vermogen in een vennootschap, en de vastlegging van de statuten van het gebouw als bedoeld in artikel 577-4 van het Burgerlijk Wetboek of de registratie van de instemming van de mede-eigenaars met de afwijking bedoeld in artikel 577-3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, met name in geval van een eenzijdige wilsverklaring, met uitsluiting van akten van familiale aard opgesomd door de Regering;
[2 De fusies, overnemingen en splitsingen van vennootschappen die houder zijn van zakelijke rechten vormen een vervreemding van zakelijke rechten.
Vormen geen vervreemding van zakelijke rechten in de zin van deze ordonnantie :
1° de verlenging van erfpacht of rechten van opstal als ze zijn uitgeoefend vóór de vervaltermijn ;
2° de tijdelijke vervreemdingen van zakelijke rechten opgelegd door een wettelijke bepaling uitsluitend voor openbare financieringsdoeleinden ;
3° de verandering van lessor vóór de vervaltermijn van een contract van onroerende leasing ;
4° de akte waarbij, na het verstrijken van het leasingcontract, de lessee, die de vereniging van mede-eigenaars is van het onroerend goed, voorwerp van de leasing, volle eigenaar wordt door overname van de zakelijke rechten van de lessor; ]2
29° zakelijk recht : volle eigendom, blote eigendom, vruchtgebruik, opstal, erfpacht, recht van gebruik, onroerende leasing;
30° bodemverontreinigingsdeskundige : erkende onafhankelijke deskundige, die voldoet aan de door de Regering vastgelegde voorwaarden, in overeenstemming met artikelen 70 tot 78 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, voor de uitvoering van de door deze ordonnantie omschreven opdrachten;
31° bodemsaneringsaannemer : aannemer geregistreerd, die voldoet aan de door de Regering vastgelegde voorwaarden in overeenstemming met artikel 78/1 tot 78/7 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen voor de uitvoering van de door deze ordonnantie omschreven opdrachten;
[2 32° samenwerkingsakkoord " gasolietanks " : samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations en gasolietanks voor verwarmingsdoeleinden;]2
[2 33° gasoliefonds : de rechtspersoon erkend overeenkomstig artikel 14 van het samenwerkingsakkoord " gasolietanks " ; ]2
[2 34° aanvrager van de tussenkomst : de eigenaar, de gebruiker, de exploitant of zijn gemandateerde die zich aanmeldt bij een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem ;]2
[2 35° gasolietank : elke opslagplaats voor ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 55° C maar niet hoger dan 100° C, ongeacht het inhoudsvermogen, die gebruikt wordt of werd voor de verwarming van gebouwen en die gelegen is of was bij de eindverbruiker, met inbegrip van alle leidingen van en naar de tank en aansluitingen met de verwarmingsinstallatie ;]2
[2 36° gedwongen verkoop : verkoop binnen het kader van een procedure van insolventie behalve die van faillissement. ]2
1° bodem : vast gedeelte van de grond, met inbegrip van grondwater en overige aanwezige elementen en organismen;
2° bodemverontreiniging : elke bodemaantasting die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk is of schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid of de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologische potentieel van de bodem en de watermassa's, doordat er rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen zijn aangebracht aan de oppervlakte of zijn binnengedrongen in de bodem;
3° risicoactiviteit : de uitbating van een ingedeelde inrichting, geïdentificeerd als mogelijke bron van bodemverontreiniging; de Regering legt een lijst van de risicoactiviteiten vast;
4° exploitant : iedere [2 huidige exploitant of]2 persoon die een ingedeelde inrichting overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen uitbaat of voor wiens rekening een dergelijke inrichting wordt uitgebaat;
[2 4° /1 huidige exploitant : elke exploitant waarvan de uitbating nog steeds aan de gang is of die, hoewel hij zijn activiteiten heeft stopgezet :
- de identificatieverplichting of verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging die hem desgevallend werden opgelegd, nog niet heeft vervuld, ongeacht of dit op grond van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems of op grond van deze ordonnantie is ;
- of die de wettelijke verplichting nog niet heeft vervuld om de plaats van een inrichting opnieuw in een zodanige toestand te brengen dat er zich geen gevaar, hinder of ongemak voordoet, zoals vastgelegd door de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, wat door het Instituut op elk moment kan worden gecontroleerd; ]2
5° instituut : het Brussels Instituut voor Milieubeheer;
[1 5° /1. de leidend ambtenaar van het Instituut : de directeur-generaal van het Instituut, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig artikel 3/1, § 2;
5° /2. de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut : de adjunct-directeur-generaal van het Instituut, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig de artikelen 3/1, § 2, b) en c) en 3/1, § 4, b) [2 en c)]2; ]1
6° gemachtigde ambtenaar : de gemachtigde ambtenaar bedoeld in artikel 5 van het BWRO;
7° terrein : de bodem en/of de constructies en inrichtingen die rechtstreeks op of in de bodem zijn opgericht, begrensd door een perceel, een deel van een perceel of verschillende percelen; de Regering kan bepaalde constructies en inrichtingen uitsluiten;
8° perceel : kadastraal perceel of, bij ontstentenis van een kadastrale referentie, zone afgebakend door elke andere door het Instituut bepaalde identificerende eenheid;
9° site : de bodem begrensd door [2 ...]2 de kadastrale percelen [2 met risicoactiviteiten onderworpen aan ]2 een milieuvergunning;
10° interventienormen : concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, vastgelegd per kwetsbaarheidszone, waarboven de risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu als niet te verwaarlozen beschouwd worden en een behandeling van de verontreiniging vereist is;
11° saneringsnormen : concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, waaronder de risico's voor de volksgezondheid en het milieu als nihil beschouwd worden en de bodem al zijn functies kan vervullen;
12° kwetsbaarheidszone : groepering van de zones die zijn afgebakend in de bodembestemmingsplannen, op basis van een gelijkwaardige gevoeligheid voor de risico's voor de volksgezondheid en het milieu. [2 Een aantal zones die zijn afgebakend in de bodembestemmingsplannen, kunnen, afhankelijk van hun situatie, in een verschillende kwetsbaarheidszone worden ondergebracht ;]2
13° risicowaarde : concentratie van verontreinigende stoffen in de bodem en in het grondwater, berekend via een risico-onderzoek, waarboven de risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu als niet toelaatbaar beschouwd worden en risicobeheer vereist is;
14° inventaris van de bodemtoestand : register van de het Instituut beschikbare gegevens over bodemverontreiniging;
15° bodemtoestandcategorie : onderverdeling van de percelen in de inventaris van de bodemtoestand :
- categorie 0 : mogelijk verontreinigde percelen, d.w.z. percelen waarvoor een vermoeden van bodemverontreiniging bestaat, met inbegrip van de percelen waarop een risicoactiviteit wordt [2 of werd]2 uitgeoefend [2 en de percelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een gebeurtenis die een bodemverontreiniging kan veroorzaken, zoals ongevallen, incidenten of verspreiding van verontreinigingen vanaf de naburige percelen;]2
- categorie 1 : percelen die voldoen aan de saneringsnormen;
- categorie 2 : percelen die voldoen aan de interventienormen, maar niet aan de saneringsnormen;
- categorie 3 : percelen die niet voldoen aan de interventienormen en die onder risicobeheer zijn gesteld, d.w.z. percelen waarvan de risico's aanvaardbaar zijn of aanvaardbaar zijn gemaakt;
- categorie 4 : percelen [2 ...]2 en die behandeld moeten worden of in behandeling zijn, d.w.z. percelen die worden onderzocht, waarvoor [2 een sanering, of een risicobeheer of een behandeling van beperkte duur wordt uitgevoerd of waarvoor dringende maatregelen uitgevoerd worden.]2 [2 In categorie 4 worden de volgende subcategorieën onderscheiden :
- categorie 4a : percelen van categorie 4 die niet of nog niet het voorwerp zijn geweest van een risicobeheer, een sanering of een behandeling van beperkte duur ;
- categorie 4b : percelen van categorie 4 waarvoor een risicobeheer, een sanering of een behandeling van beperkte duur aan de gang is ;
- categorie 4c : percelen van categorie 4 die momenteel het voorwerp uitmaken van follow-upmaatregelen vóór de eindbeoordeling .]2
[2 Wanneer een perceel opgenomen is in categorie 1, 2, 3 of 4 en er een risicoactiviteit wordt uitgeoefend of er een nieuwe verontreiniging wordt vermoed of ten minste één risicoactiviteit niet volledig kon worden onderzocht, dan wordt dit perceel respectievelijk opgenomen in categorie 0 gecombineerd met 1, 0 gecombineerd met 2, 0 gecombineerd met 3 of 0 gecombineerd met 4 ; ]2
16° eenmalige verontreiniging : apart identificeerbare bodemverontreiniging, veroorzaakt door een [2 huidige]2 exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein of, indien de verontreiniging is veroorzaakt na 20 januari 2005, door een [2 ander]2 eenduidig geïdentificeerde persoon;
17° gemengde verontreiniging : bodemverontreiniging veroorzaakt door verschillende personen in niet afzonderlijke identificeerbare proporties, onder wie een [2 huidige]2 exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein; of, indien de verontreiniging is veroorzaakt na 20 januari 2005, een [2 ander]2 eenduidig geïdentificeerde persoon;
18° weesverontreiniging : bodemverontreiniging [2 andere dan degene]2 bedoeld in punten 16° en 17° [2 , met name een bodemverontreiniging die wordt veroorzaakt in één van volgende gevallen :
- door één of meer personen die niet eenduidig kunnen worden geïdentificeerd ;
- door één of meer eenduidig geïdentificeerde personen die evenwel niet meer bestaan ;
- vóór 20 januari 2005, door één of meer eenduidig geïdentificeerde personen van wie er geen enkele houder van zakelijke rechten op het betrokken terrein of een huidige exploitant is;]2
19° bodemverontreiniging veroorzaakt door één persoon : bodemverontreiniging waarvoor een objectief oorzakelijk verband kan worden aangetoond met één of meer activiteiten van deze persoon of een of meer gebeurtenissen die deze persoon heeft veroorzaakt, met uitzondering van marginale verontreiniging;
20° behandeling van de bodemverontreiniging : de uitvoering van een gedetailleerd onderzoek in overeenstemming met deze ordonnantie gepaard gaande met ofwel de uitvoering van een risico-onderzoek en eventueel het opstellen van een risicobeheersvoorstel en de toepassing van risicobeheersmaatregelen, ofwel het opstellen van een saneringsvoorstel en de uitvoering van saneringswerken [2 ofwel de uitvoering van een behandeling van beperkte duur, ofwel een behandeling zoals bedoeld in artikel 65/3 ]2;
21° risicobeheer : behandeling van de bodemverontreiniging om de risico's voor de volksgezondheid en het milieu te beoordelen en deze te handhaven of aanvaardbaar te maken;
22° sanering : behandeling van de bodemverontreiniging om aan de saneringsnormen te voldoen of om een toename van de verontreiniging uit te sluiten;
23° [2 noodmaatregel ]2 : tijdelijke maatregel met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en het milieu in afwachting van de behandeling van de bodemverontreiniging, met inbegrip van de maatregelen voor gebruiksbeperking, toezicht op en indijking van de verontreiniging;
24° follow-upmaatregel : maatregel voor het controleren en zonodig het handhaven van het aanvaardbaar karakter van de door bodemverontreiniging veroorzaakte risico's voor de volksgezondheid en het milieu, met inbegrip van de maatregelen voor gebruiksbeperking en toezicht op de verontreiniging;
25° [2 toename van de verontreiniging : stijging van de concentratie van verontreinigende stoffen indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
- de gemeten concentratie overschrijdt de saneringsnormen ;
- de verontreiniging werd na 20 januari 2005 veroorzaakt door een huidige exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betrokken terrein of een andere eenduidig geïdentificeerde persoon ;
- de stijging werd vastgesteld door vergelijking met de resultaten van een door het Instituut goedgekeurd of gelijkvormig verklaard of geacht bodemonderzoek, met uitzondering van stijgingen van de concentratie van verontreinigende stoffen in de bodem als gevolg van een verspreiding van een verontreiniging vanaf een naburig perceel of een herverspreiding van reeds bij het eerste bodemonderzoek in de grond aanwezige verontreinigende stoffen.
De Regering kan maatregelen nemen die afwijken van deze definitie, in het kader van de voorwaarden die zijn vastgelegd in uitvoering van artikel 72; ]2
26° eindbeoordeling : eindverslag opgemaakt door een bodemverontreinigingsdeskundige na de uitvoering van de [2 een risicobeheer, ]2 [2 van een sanering]2 of [2 ...]2 [2 van een behandeling van beperkte duur bedoeld in artikel 63 of een eindbeoordeling bedoeld in artikel 65/5 ;]2
27° beste beschikbare technieken : de beste beschikbare technische saneringsoplossingen die met succes in de praktijk worden gebracht en waarvan de kostprijs niet onredelijk is in verhouding tot het bereikte resultaat voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu; de Regering legt de methodologie voor de identificatie van de beste beschikbare technieken vast; deze methodologie kan rekening houden met de bestemming die gedefinieerd is in de bodembestemmingsplannen;
28° vervreemding van een zakelijk recht : iedere overdragende, vestigende, declaratieve of abdicatieve rechtshandeling onder levenden, onder bezwarende titel of om niet, met betrekking tot een zakelijk recht, met inbegrip van de inbreng en overdracht van vermogen in een vennootschap, en de vastlegging van de statuten van het gebouw als bedoeld in artikel 577-4 van het Burgerlijk Wetboek of de registratie van de instemming van de mede-eigenaars met de afwijking bedoeld in artikel 577-3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, met name in geval van een eenzijdige wilsverklaring, met uitsluiting van akten van familiale aard opgesomd door de Regering;
[2 De fusies, overnemingen en splitsingen van vennootschappen die houder zijn van zakelijke rechten vormen een vervreemding van zakelijke rechten.
Vormen geen vervreemding van zakelijke rechten in de zin van deze ordonnantie :
1° de verlenging van erfpacht of rechten van opstal als ze zijn uitgeoefend vóór de vervaltermijn ;
2° de tijdelijke vervreemdingen van zakelijke rechten opgelegd door een wettelijke bepaling uitsluitend voor openbare financieringsdoeleinden ;
3° de verandering van lessor vóór de vervaltermijn van een contract van onroerende leasing ;
4° de akte waarbij, na het verstrijken van het leasingcontract, de lessee, die de vereniging van mede-eigenaars is van het onroerend goed, voorwerp van de leasing, volle eigenaar wordt door overname van de zakelijke rechten van de lessor; ]2
29° zakelijk recht : volle eigendom, blote eigendom, vruchtgebruik, opstal, erfpacht, recht van gebruik, onroerende leasing;
30° bodemverontreinigingsdeskundige : erkende onafhankelijke deskundige, die voldoet aan de door de Regering vastgelegde voorwaarden, in overeenstemming met artikelen 70 tot 78 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, voor de uitvoering van de door deze ordonnantie omschreven opdrachten;
31° bodemsaneringsaannemer : aannemer geregistreerd, die voldoet aan de door de Regering vastgelegde voorwaarden in overeenstemming met artikel 78/1 tot 78/7 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen voor de uitvoering van de door deze ordonnantie omschreven opdrachten;
[2 32° samenwerkingsakkoord " gasolietanks " : samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations en gasolietanks voor verwarmingsdoeleinden;]2
[2 33° gasoliefonds : de rechtspersoon erkend overeenkomstig artikel 14 van het samenwerkingsakkoord " gasolietanks " ; ]2
[2 34° aanvrager van de tussenkomst : de eigenaar, de gebruiker, de exploitant of zijn gemandateerde die zich aanmeldt bij een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem ;]2
[2 35° gasolietank : elke opslagplaats voor ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 55° C maar niet hoger dan 100° C, ongeacht het inhoudsvermogen, die gebruikt wordt of werd voor de verwarming van gebouwen en die gelegen is of was bij de eindverbruiker, met inbegrip van alle leidingen van en naar de tank en aansluitingen met de verwarmingsinstallatie ;]2
[2 36° gedwongen verkoop : verkoop binnen het kader van een procedure van insolventie behalve die van faillissement. ]2
Art.3. Pour l'application de la présente ordonnance, on entend par :
1° sol : la partie fixe de la terre, y compris les eaux souterraines et les autres éléments et organismes qui y sont présents;
2° pollution du sol : toute contamination du sol qui est préjudiciable ou risque d'être préjudiciable, directement ou indirectement, à la santé humaine ou à l'état écologique, chimique ou quantitatif, ou au potentiel écologique du sol et des masses d'eau, du fait de l'introduction directe ou indirecte en surface ou dans le sol de substances, préparations, organismes ou microorganismes;
3° activité à risque : installation classée identifiée comme susceptible de causer une pollution du sol; le gouvernement arrête la liste des activités à risque;
4° exploitant : toute personne exploitant [2 actuel ou ayant exploité]2 une installation classée telle que visée par l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ou pour le compte de laquelle une telle installation est exploitée;
[2 4°/1 exploitant actuel : tout exploitant dont l'exploitation est toujours en cours ou qui, bien qu'ayant cessé ses activités :
- n'a pas encore rempli les obligations d'identification ou de traitement de la pollution qui lui ont été imposées le cas échéant, que ce soit en vertu de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués ou en vertu de la présente ordonnance ;
- ou n'a pas encore rempli son obligation légale de remettre les lieux dans un état tel qu'il ne s'y manifeste aucun danger, nuisance ou inconvénient, comme prévu par l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ce qui peut être constaté par l'Institut à tout moment; ]2
5° Institut : l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement;
[1 5° /1. le fonctionnaire dirigeant de l'Institut : le directeur général de l'Institut, remplacé le cas échéant dans l'exercice de ses compétences conformément à l'article 3/1, § 2;
5° /2. le fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut : le directeur général adjoint de l'Institut, remplacé le cas échéant dans l'exercice de ses compétences conformément aux articles 3/1, § 2, b) et c) et 3/1, § 4, b).[2 et c)]2];]1
6° le fonctionnaire délégué : le fonctionnaire délégué visé à l'article 5 du COBAT;
7° terrain : le sol et/ou les constructions et installations érigées directement sur ou dans le sol, délimité par une parcelle, une partie de parcelle ou plusieurs parcelles; le gouvernement peut exclure certaines constructions et installations;
8° parcelle : parcelle cadastrale ou, à défaut de référence cadastrale, zone délimitée par tout autre identifiant déterminé par l'Institut;
9° site : le sol délimité par [2 les]2 parcelles [2 abritant des activités à risque soumises à]2 un permis d'environnement;
10° normes d'intervention : concentrations en polluants du sol et de l'eau souterraine, établies par classe de sensibilité, au-delà desquelles les risques pour la santé humaine et/ou pour l'environnement sont considérés comme non négligeables et un traitement de la pollution est requis;
11° normes d'assainissement : concentrations en polluants du sol et de l'eau souterraine sous lesquelles les risques pour la santé humaine et pour l'environnement sont considérés comme nuls, et qui permettent au sol de remplir toutes ses fonctions;
12° classe de sensibilité : regroupement de zones définies par les plans d'affectation du sol sur [2 base]2 d'une sensibilité équivalente aux risques pour la santé humaine et pour l'environnement. [2 Certaines zones définies par les plans d'affectations peuvent être versées, selon leur situation, dans une classe de sensibilité différente ; ]2
13° valeurs de risque : concentrations en polluants du sol et de l'eau souterraine, calculées par une étude de risque, au-delà desquelles les risques pour la santé humaine et/ ou pour l'environnement sont considérés comme non tolérables et une gestion du risque est requise;
14° inventaire de l'état du sol : registre des données disponibles à l'Institut relatives à la pollution des sols;
15° catégorie de l'état du sol : regroupement de parcelles au sein de l'inventaire de l'état du sol, réparties comme suit :
- catégorie 0 : parcelles potentiellement polluées, c'est-à-dire pour lesquelles il existe une présomption de pollution du sol, y compris les parcelles sur lesquelles s'exerce [2 ou s'est exercée]2 une activité à risque [2 et les parcelles ayant été l'objet d'un événement pouvant engendrer une pollution du sol tels que les accidents ou incidents ou les disséminations de pollutions depuis les parcelles voisines;]2
- catégorie 1 : parcelles respectant les normes d'assainissement;
- catégorie 2 : parcelles respectant les normes d'intervention, mais pas les normes d'assainissement;
- catégorie 3 : parcelles ne respectant pas les normes d'intervention et pour lesquelles les risques sont ou ont été rendus tolérables;
- catégorie 4 : parcelles [2 ...]2 à traiter ou en cours de traitement, c'est-à-dire en étude, en cours [2 ...]2 d'assainissement ou de mise en oeuvre de mesures de gestion du risque [2 de traitement de durée limitée ou de mesures d'urgence.]2 [2 Les sous-catégories suivantes sont distinguées au sein de la catégorie 4 :
- catégorie 4a : parcelles en catégorie 4 qui n'ont pas ou pas encore fait l'objet d'une gestion du risque, d'un assainissement ou d'un traitement de durée limitée ;
- catégorie 4b : parcelles en catégorie 4, et sur lesquelles une gestion du risque, un assainissement ou un traitement de durée limitée est en cours ;
- catégorie 4c : parcelles en catégorie 4 qui font actuellement l'objet de mesures de suivi avant évaluation finale].-2
[2 Lorsqu'une parcelle est en catégorie 1, 2, 3 ou 4, et que soit une activité à risque y est exercée, soit une nouvelle pollution y est suspectée, soit au moins une activité à risque n'a pas pu être investiguée entièrement, alors cette parcelle est reprise respectivement en catégorie 0 combinée à 1, 0 combinée à 2, 0 combinée à 3 ou 0 combinée à 4 ;]2
16° pollution unique : pollution du sol, identifiable distinctement, générée par un exploitant [2 actuel]2, par un titulaire de droits réels sur le terrain concerné ou, si la pollution a été engendrée après le 20 janvier 2005, par une [2 autre]2 personne clairement identifiée;
17° pollution mélangée : pollution du sol générée par plusieurs personnes dans des proportions non identifiables distinctement, dont un exploitant [2 actuel]2, un titulaire de droits réels sur le terrain concerné ou, si la pollution a été engendrée après le 20 janvier 2005, une [2 autre ]2 personne clairement identifiée;
18° pollution orpheline : pollution du sol [2 , autre que celles ]2 visées aux points 16° et 17° [2 , à savoir une pollution du sol générée notamment dans un des cas suivants :
- par une ou plusieurs personne(s) qui ne peu(ven)t être clairement identifiée(s) ;
- par une ou plusieurs personne(s) clairement identifiée(s) mais qui a(ont) cessé d'exister ;
- avant le 20 janvier 2005, par une ou plusieurs personne(s) clairement identifiée(s) dont aucune n'est titulaire de droits réels sur le terrain concerné ou un exploitant actuel;]2
19° pollution du sol générée par une personne : pollution du sol pour laquelle un lien objectif de causalité peut être établi avec une ou des activités de cette personne ou un ou plusieurs événements dont cette personne est l'auteur, à l'exclusion de contaminant en proportion marginale;
20° traitement de la pollution : la réalisation, conformément à la présente ordonnance, d'une étude détaillée et, soit la réalisation d'une étude de risque et éventuellement la réalisation d'un projet de gestion du risque et la mise en oeuvre de mesures de gestion du risque, soit la réalisation d'un projet d'assainissement et l'exécution [2 d'un assainissement, soit la réalisation d'un traitement de durée limitée, soit un traitement tel que prévu à l'article 65/3 ]2;
21° gestion du risque : traitement de la pollution du sol visant à évaluer les risques pour la santé humaine et l'environnement et à les maintenir ou à les rendre tolérables;
22° assainissement : traitement de la pollution du sol visant à atteindre les normes d'assainissement ou à éliminer l'accroissement de pollution;
23° [2 mesure d'urgence]2 : mesure temporaire visant à protéger la santé humaine et l'environnement dans l'attente du traitement d'une pollution du sol, y compris des mesures de restriction d'usage, de surveillance et d'endiguement de la pollution;
24° mesure de suivi : mesure visant à contrôler et, le cas échéant, à maintenir le caractère tolérable des risques pour la santé humaine et pour l'environnement engendrés par une pollution du sol, y compris des mesures de restriction d'usage et de surveillance de la pollution;
25° [2 accroissement de pollution : augmentation de la teneur en polluants du sol lorsque les conditions suivantes sont cumulativement rencontrées :
- la concentration mesurée dépasse les normes d'assainissement ;
- la pollution a été engendrée après le 20 janvier 2005 par un exploitant actuel, un titulaire de droits réels sur le terrain concerné ou une autre personne clairement identifiée ;
- l'augmentation a été détectée par comparaison avec les résultats d'une étude du sol approuvée, déclarée ou réputée conforme par l'Institut, à l'exclusion des augmentations de teneurs en polluants du sol engendrées par une dissémination de pollution depuis une parcelle voisine ou un relargage de polluants déjà présents dans le sol lors de la première étude du sol.
Le Gouvernement peut prendre des dispositions dérogatoires à la présente définition, dans le cadre des dispositions arrêtées en exécution de l'article 72; ]2
26° évaluation finale : rapport final réalisé par un expert en pollution du sol à l'issue de la mise en oeuvre des [2 d'une ]2 gestion du risque [2 , d'un assainissement]2 ou [2 ...]2 [2 d'un traitement de durée limitée visé à l'article 63 ou d'une évaluation finale visée à l'article 65/5 ;]2
27° meilleures techniques disponibles : les meilleures solutions techniques d'assainissement disponibles mises en pratique avec succès et dont le coût n'est pas déraisonnable par rapport au résultat atteint pour la protection de la santé humaine et de l'environnement; le gouvernement arrête la méthodologie d'identification des meilleures techniques disponibles; cette méthodologie peut tenir compte de l'affectation définie par les plans d'affectation du sol;
28° aliénation d'un droit réel : tout acte entre vifs, à titre onéreux ou gratuit, translatif, constitutif, déclaratif ou abdicatif de droits réels, en ce compris l'apport et le transfert de patrimoine en société, ainsi que l'établissement des statuts de l'immeuble tels que visés à l'article 577-4 du Code civil ou l'enregistrement de l'assentiment des copropriétaires à la dérogation telle que visée à l'article 577-3, alinéa premier, du Code civil, notamment en cas de manifestation de volonté unilatérale, à l'exclusion des actes à caractère familial énumérés par le Gouvernement;
[2 Les fusions, absorptions ou scissions de sociétés titulaires de droits réels constituent des aliénations de droits réels.
Ne constituent pas une aliénation de droits réels au sens de la présente ordonnance :
1° les prolongations d'emphytéoses ou de droits de superficie si elles sont opérées avant échéance ;
2° les aliénations temporaires de droits réels imposées par une disposition légale uniquement à des fins de financement public ;
3° les changements de lessor avant le terme d'un contrat de leasing immobilier ;
4° l'acte prévu à l'échéance du contrat de leasing, par lequel le lessee, qui est l'association des copropriétaires de l'immeuble objet du leasing, devient plein propriétaire par consolidation de ses droits avec ceux du lessor;]2
29° droit réel : la pleine propriété, la nue-propriété, l'usufruit, le droit de superficie, l'emphytéose, le droit d'usage, le leasing immobilier;
30° expert en pollution du sol : expert indépendant agréé respectant les conditions arrêtées par le gouvernement, conformément aux articles 70 à 78 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, pour l'exécution des missions définies par la présente ordonnance;
31° entrepreneur en assainissement du sol : entrepreneur enregistré respectant les conditions arrêtées par le gouvernement conformément aux articles 78/1 à 78/7 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, pour l'exécution des missions définies par la présente ordonnance.
[2 32° accord de coopération " citernes à gasoil " : accord de coopération entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'exécution et au financement de l'assainissement du sol des stations- service et des citernes de gasoil à des fins de chauffage ;]2
[2 33° fonds gasoil : la personne morale agréée conformément à l'article 14 de l'accord de coopération " citernes à gasoil; ]2
[2 34° demandeur de l'intervention : le propriétaire, l'utilisateur, l'exploitant ou son mandataire qui s'annonce auprès d'un fonds sectoriel d'assainissement du sol ;]2
[2 35° citerne à gasoil : tout dépôt de liquide inflammable dont le point d'éclair est supérieur à 55° C mais ne dépasse pas 100° C, quelle que soit sa capacité, qui est ou qui a été utilisé pour le chauffage des bâtiments et qui est ou était situé chez le consommateur final, y compris toutes les tuyauteries d'entrée et de sortie du réservoir et les raccordements à l'installation de chauffage ;]2
[2 36° vente forcée : vente intervenant dans le cadre d'une procédure d'insolvabilité autre que la faillite. ]2
1° sol : la partie fixe de la terre, y compris les eaux souterraines et les autres éléments et organismes qui y sont présents;
2° pollution du sol : toute contamination du sol qui est préjudiciable ou risque d'être préjudiciable, directement ou indirectement, à la santé humaine ou à l'état écologique, chimique ou quantitatif, ou au potentiel écologique du sol et des masses d'eau, du fait de l'introduction directe ou indirecte en surface ou dans le sol de substances, préparations, organismes ou microorganismes;
3° activité à risque : installation classée identifiée comme susceptible de causer une pollution du sol; le gouvernement arrête la liste des activités à risque;
4° exploitant : toute personne exploitant [2 actuel ou ayant exploité]2 une installation classée telle que visée par l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ou pour le compte de laquelle une telle installation est exploitée;
[2 4°/1 exploitant actuel : tout exploitant dont l'exploitation est toujours en cours ou qui, bien qu'ayant cessé ses activités :
- n'a pas encore rempli les obligations d'identification ou de traitement de la pollution qui lui ont été imposées le cas échéant, que ce soit en vertu de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués ou en vertu de la présente ordonnance ;
- ou n'a pas encore rempli son obligation légale de remettre les lieux dans un état tel qu'il ne s'y manifeste aucun danger, nuisance ou inconvénient, comme prévu par l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ce qui peut être constaté par l'Institut à tout moment; ]2
5° Institut : l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement;
[1 5° /1. le fonctionnaire dirigeant de l'Institut : le directeur général de l'Institut, remplacé le cas échéant dans l'exercice de ses compétences conformément à l'article 3/1, § 2;
5° /2. le fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut : le directeur général adjoint de l'Institut, remplacé le cas échéant dans l'exercice de ses compétences conformément aux articles 3/1, § 2, b) et c) et 3/1, § 4, b).[2 et c)]2];]1
6° le fonctionnaire délégué : le fonctionnaire délégué visé à l'article 5 du COBAT;
7° terrain : le sol et/ou les constructions et installations érigées directement sur ou dans le sol, délimité par une parcelle, une partie de parcelle ou plusieurs parcelles; le gouvernement peut exclure certaines constructions et installations;
8° parcelle : parcelle cadastrale ou, à défaut de référence cadastrale, zone délimitée par tout autre identifiant déterminé par l'Institut;
9° site : le sol délimité par [2 les]2 parcelles [2 abritant des activités à risque soumises à]2 un permis d'environnement;
10° normes d'intervention : concentrations en polluants du sol et de l'eau souterraine, établies par classe de sensibilité, au-delà desquelles les risques pour la santé humaine et/ou pour l'environnement sont considérés comme non négligeables et un traitement de la pollution est requis;
11° normes d'assainissement : concentrations en polluants du sol et de l'eau souterraine sous lesquelles les risques pour la santé humaine et pour l'environnement sont considérés comme nuls, et qui permettent au sol de remplir toutes ses fonctions;
12° classe de sensibilité : regroupement de zones définies par les plans d'affectation du sol sur [2 base]2 d'une sensibilité équivalente aux risques pour la santé humaine et pour l'environnement. [2 Certaines zones définies par les plans d'affectations peuvent être versées, selon leur situation, dans une classe de sensibilité différente ; ]2
13° valeurs de risque : concentrations en polluants du sol et de l'eau souterraine, calculées par une étude de risque, au-delà desquelles les risques pour la santé humaine et/ ou pour l'environnement sont considérés comme non tolérables et une gestion du risque est requise;
14° inventaire de l'état du sol : registre des données disponibles à l'Institut relatives à la pollution des sols;
15° catégorie de l'état du sol : regroupement de parcelles au sein de l'inventaire de l'état du sol, réparties comme suit :
- catégorie 0 : parcelles potentiellement polluées, c'est-à-dire pour lesquelles il existe une présomption de pollution du sol, y compris les parcelles sur lesquelles s'exerce [2 ou s'est exercée]2 une activité à risque [2 et les parcelles ayant été l'objet d'un événement pouvant engendrer une pollution du sol tels que les accidents ou incidents ou les disséminations de pollutions depuis les parcelles voisines;]2
- catégorie 1 : parcelles respectant les normes d'assainissement;
- catégorie 2 : parcelles respectant les normes d'intervention, mais pas les normes d'assainissement;
- catégorie 3 : parcelles ne respectant pas les normes d'intervention et pour lesquelles les risques sont ou ont été rendus tolérables;
- catégorie 4 : parcelles [2 ...]2 à traiter ou en cours de traitement, c'est-à-dire en étude, en cours [2 ...]2 d'assainissement ou de mise en oeuvre de mesures de gestion du risque [2 de traitement de durée limitée ou de mesures d'urgence.]2 [2 Les sous-catégories suivantes sont distinguées au sein de la catégorie 4 :
- catégorie 4a : parcelles en catégorie 4 qui n'ont pas ou pas encore fait l'objet d'une gestion du risque, d'un assainissement ou d'un traitement de durée limitée ;
- catégorie 4b : parcelles en catégorie 4, et sur lesquelles une gestion du risque, un assainissement ou un traitement de durée limitée est en cours ;
- catégorie 4c : parcelles en catégorie 4 qui font actuellement l'objet de mesures de suivi avant évaluation finale].-2
[2 Lorsqu'une parcelle est en catégorie 1, 2, 3 ou 4, et que soit une activité à risque y est exercée, soit une nouvelle pollution y est suspectée, soit au moins une activité à risque n'a pas pu être investiguée entièrement, alors cette parcelle est reprise respectivement en catégorie 0 combinée à 1, 0 combinée à 2, 0 combinée à 3 ou 0 combinée à 4 ;]2
16° pollution unique : pollution du sol, identifiable distinctement, générée par un exploitant [2 actuel]2, par un titulaire de droits réels sur le terrain concerné ou, si la pollution a été engendrée après le 20 janvier 2005, par une [2 autre]2 personne clairement identifiée;
17° pollution mélangée : pollution du sol générée par plusieurs personnes dans des proportions non identifiables distinctement, dont un exploitant [2 actuel]2, un titulaire de droits réels sur le terrain concerné ou, si la pollution a été engendrée après le 20 janvier 2005, une [2 autre ]2 personne clairement identifiée;
18° pollution orpheline : pollution du sol [2 , autre que celles ]2 visées aux points 16° et 17° [2 , à savoir une pollution du sol générée notamment dans un des cas suivants :
- par une ou plusieurs personne(s) qui ne peu(ven)t être clairement identifiée(s) ;
- par une ou plusieurs personne(s) clairement identifiée(s) mais qui a(ont) cessé d'exister ;
- avant le 20 janvier 2005, par une ou plusieurs personne(s) clairement identifiée(s) dont aucune n'est titulaire de droits réels sur le terrain concerné ou un exploitant actuel;]2
19° pollution du sol générée par une personne : pollution du sol pour laquelle un lien objectif de causalité peut être établi avec une ou des activités de cette personne ou un ou plusieurs événements dont cette personne est l'auteur, à l'exclusion de contaminant en proportion marginale;
20° traitement de la pollution : la réalisation, conformément à la présente ordonnance, d'une étude détaillée et, soit la réalisation d'une étude de risque et éventuellement la réalisation d'un projet de gestion du risque et la mise en oeuvre de mesures de gestion du risque, soit la réalisation d'un projet d'assainissement et l'exécution [2 d'un assainissement, soit la réalisation d'un traitement de durée limitée, soit un traitement tel que prévu à l'article 65/3 ]2;
21° gestion du risque : traitement de la pollution du sol visant à évaluer les risques pour la santé humaine et l'environnement et à les maintenir ou à les rendre tolérables;
22° assainissement : traitement de la pollution du sol visant à atteindre les normes d'assainissement ou à éliminer l'accroissement de pollution;
23° [2 mesure d'urgence]2 : mesure temporaire visant à protéger la santé humaine et l'environnement dans l'attente du traitement d'une pollution du sol, y compris des mesures de restriction d'usage, de surveillance et d'endiguement de la pollution;
24° mesure de suivi : mesure visant à contrôler et, le cas échéant, à maintenir le caractère tolérable des risques pour la santé humaine et pour l'environnement engendrés par une pollution du sol, y compris des mesures de restriction d'usage et de surveillance de la pollution;
25° [2 accroissement de pollution : augmentation de la teneur en polluants du sol lorsque les conditions suivantes sont cumulativement rencontrées :
- la concentration mesurée dépasse les normes d'assainissement ;
- la pollution a été engendrée après le 20 janvier 2005 par un exploitant actuel, un titulaire de droits réels sur le terrain concerné ou une autre personne clairement identifiée ;
- l'augmentation a été détectée par comparaison avec les résultats d'une étude du sol approuvée, déclarée ou réputée conforme par l'Institut, à l'exclusion des augmentations de teneurs en polluants du sol engendrées par une dissémination de pollution depuis une parcelle voisine ou un relargage de polluants déjà présents dans le sol lors de la première étude du sol.
Le Gouvernement peut prendre des dispositions dérogatoires à la présente définition, dans le cadre des dispositions arrêtées en exécution de l'article 72; ]2
26° évaluation finale : rapport final réalisé par un expert en pollution du sol à l'issue de la mise en oeuvre des [2 d'une ]2 gestion du risque [2 , d'un assainissement]2 ou [2 ...]2 [2 d'un traitement de durée limitée visé à l'article 63 ou d'une évaluation finale visée à l'article 65/5 ;]2
27° meilleures techniques disponibles : les meilleures solutions techniques d'assainissement disponibles mises en pratique avec succès et dont le coût n'est pas déraisonnable par rapport au résultat atteint pour la protection de la santé humaine et de l'environnement; le gouvernement arrête la méthodologie d'identification des meilleures techniques disponibles; cette méthodologie peut tenir compte de l'affectation définie par les plans d'affectation du sol;
28° aliénation d'un droit réel : tout acte entre vifs, à titre onéreux ou gratuit, translatif, constitutif, déclaratif ou abdicatif de droits réels, en ce compris l'apport et le transfert de patrimoine en société, ainsi que l'établissement des statuts de l'immeuble tels que visés à l'article 577-4 du Code civil ou l'enregistrement de l'assentiment des copropriétaires à la dérogation telle que visée à l'article 577-3, alinéa premier, du Code civil, notamment en cas de manifestation de volonté unilatérale, à l'exclusion des actes à caractère familial énumérés par le Gouvernement;
[2 Les fusions, absorptions ou scissions de sociétés titulaires de droits réels constituent des aliénations de droits réels.
Ne constituent pas une aliénation de droits réels au sens de la présente ordonnance :
1° les prolongations d'emphytéoses ou de droits de superficie si elles sont opérées avant échéance ;
2° les aliénations temporaires de droits réels imposées par une disposition légale uniquement à des fins de financement public ;
3° les changements de lessor avant le terme d'un contrat de leasing immobilier ;
4° l'acte prévu à l'échéance du contrat de leasing, par lequel le lessee, qui est l'association des copropriétaires de l'immeuble objet du leasing, devient plein propriétaire par consolidation de ses droits avec ceux du lessor;]2
29° droit réel : la pleine propriété, la nue-propriété, l'usufruit, le droit de superficie, l'emphytéose, le droit d'usage, le leasing immobilier;
30° expert en pollution du sol : expert indépendant agréé respectant les conditions arrêtées par le gouvernement, conformément aux articles 70 à 78 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, pour l'exécution des missions définies par la présente ordonnance;
31° entrepreneur en assainissement du sol : entrepreneur enregistré respectant les conditions arrêtées par le gouvernement conformément aux articles 78/1 à 78/7 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, pour l'exécution des missions définies par la présente ordonnance.
[2 32° accord de coopération " citernes à gasoil " : accord de coopération entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'exécution et au financement de l'assainissement du sol des stations- service et des citernes de gasoil à des fins de chauffage ;]2
[2 33° fonds gasoil : la personne morale agréée conformément à l'article 14 de l'accord de coopération " citernes à gasoil; ]2
[2 34° demandeur de l'intervention : le propriétaire, l'utilisateur, l'exploitant ou son mandataire qui s'annonce auprès d'un fonds sectoriel d'assainissement du sol ;]2
[2 35° citerne à gasoil : tout dépôt de liquide inflammable dont le point d'éclair est supérieur à 55° C mais ne dépasse pas 100° C, quelle que soit sa capacité, qui est ou qui a été utilisé pour le chauffage des bâtiments et qui est ou était situé chez le consommateur final, y compris toutes les tuyauteries d'entrée et de sortie du réservoir et les raccordements à l'installation de chauffage ;]2
[2 36° vente forcée : vente intervenant dans le cadre d'une procédure d'insolvabilité autre que la faillite. ]2
[1Uitoefening van bevoegdheden]1
1Exercice des compétences]1
Art. 3/1. [1 § 1. De bevoegdheden toevertrouwd aan het Instituut door de huidige ordonnantie worden uitgeoefend door de leidend ambtenaar van het Instituut, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig § 2.
§ 2. De bevoegdheden die worden toegewezen aan de leidend ambtenaar van het Instituut worden op de volgende wijze uitgeoefend :
a) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, door de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut;
b) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut en van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut, door de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft;
c) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut en van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere aangewezen directeur-hoofd van de dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren.
§ 3. De Regering stelt de gevallen vast waarin de bevoegdheden van de leidend ambtenaar van het Instituut, voorzien door huidige ordonnantie, en onder voorbehoud van toepassing van § 5, zullen worden uitgeoefend door de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.
§ 4. De bevoegdheden die overeenkomstig de §§ 3 en 6 aan de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, worden toegewezen, worden als volgt uitgeoefend :
a) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut;
b) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, en van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut, door de leidend ambtenaar van het Instituut.
[2 c) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut en van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere directeur-hoofd van de dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren. ]2
§ 5. De leidend ambtenaar van het Instituut kan zich in de plaats stellen van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, in de uitoefening van de bevoegdheden vastgesteld krachtens § 3.
§ 6. De leidend ambtenaar van het Instituut is bevoegd om bepaalde bevoegdheden die door deze ordonnantie worden toegewezen aan het Instituut te delegeren aan de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.]1
§ 2. De bevoegdheden die worden toegewezen aan de leidend ambtenaar van het Instituut worden op de volgende wijze uitgeoefend :
a) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, door de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut;
b) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut en van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut, door de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft;
c) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut en van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere aangewezen directeur-hoofd van de dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren.
§ 3. De Regering stelt de gevallen vast waarin de bevoegdheden van de leidend ambtenaar van het Instituut, voorzien door huidige ordonnantie, en onder voorbehoud van toepassing van § 5, zullen worden uitgeoefend door de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.
§ 4. De bevoegdheden die overeenkomstig de §§ 3 en 6 aan de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, worden toegewezen, worden als volgt uitgeoefend :
a) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut;
b) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, en van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut, door de leidend ambtenaar van het Instituut.
[2 c) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut en van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere directeur-hoofd van de dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren. ]2
§ 5. De leidend ambtenaar van het Instituut kan zich in de plaats stellen van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, in de uitoefening van de bevoegdheden vastgesteld krachtens § 3.
§ 6. De leidend ambtenaar van het Instituut is bevoegd om bepaalde bevoegdheden die door deze ordonnantie worden toegewezen aan het Instituut te delegeren aan de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.]1
Art. 3/1. [1 § 1er. Les compétences confiées à l'Institut par la présente ordonnance sont exercées par le fonctionnaire dirigeant de l'Institut, remplacé le cas échéant dans l'exercice de ses compétences conformément au § 2.
§ 2. Les compétences attribuées au fonctionnaire dirigeant de l'Institut sont exercées de la manière suivante :
a) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de l'Institut, par le fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut;
b) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de l'Institut et du fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut, par le directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions;
c) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de l'Institut, du fonctionnaire dirigeant adjoint et du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par un autre directeur-chef de service désigné par l'une de ces trois autorités.
§ 3. Le Gouvernement détermine les cas dans lesquels les compétences du fonctionnaire dirigeant de l'Institut prévues par la présente ordonnance seront, sous réserve d'application du § 5, exercées par le directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions.
§ 4. Les compétences attribuées au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, en vertu des §§ 3 et 6, sont exercées de la manière suivante :
a) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par le fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut;
b) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions et du fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut, par le fonctionnaire dirigeant de l'Institut.
[2 c) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de l'Institut, du fonctionnaire dirigeant adjoint et du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par un autre directeur-chef de service désigné par l'une de ces trois autorités. ]2
§ 5. Le fonctionnaire dirigeant de l'Institut peut se substituer au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions dans l'exercice des compétences déterminées en vertu du § 3.
§ 6. Le fonctionnaire dirigeant de l'Institut est autorisé à déléguer au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions certaines des compétences qui sont attribuées à l'Institut par la présente ordonnance.]1
§ 2. Les compétences attribuées au fonctionnaire dirigeant de l'Institut sont exercées de la manière suivante :
a) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de l'Institut, par le fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut;
b) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de l'Institut et du fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut, par le directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions;
c) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de l'Institut, du fonctionnaire dirigeant adjoint et du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par un autre directeur-chef de service désigné par l'une de ces trois autorités.
§ 3. Le Gouvernement détermine les cas dans lesquels les compétences du fonctionnaire dirigeant de l'Institut prévues par la présente ordonnance seront, sous réserve d'application du § 5, exercées par le directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions.
§ 4. Les compétences attribuées au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, en vertu des §§ 3 et 6, sont exercées de la manière suivante :
a) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par le fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut;
b) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions et du fonctionnaire dirigeant adjoint de l'Institut, par le fonctionnaire dirigeant de l'Institut.
[2 c) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de l'Institut, du fonctionnaire dirigeant adjoint et du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par un autre directeur-chef de service désigné par l'une de ces trois autorités. ]2
§ 5. Le fonctionnaire dirigeant de l'Institut peut se substituer au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions dans l'exercice des compétences déterminées en vertu du § 3.
§ 6. Le fonctionnaire dirigeant de l'Institut est autorisé à déléguer au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions certaines des compétences qui sont attribuées à l'Institut par la présente ordonnance.]1
[1Mede-eigendom]1
[1 Coproprieté]1
Art. 3/2. [1 In het kader van deze ordonnantie richt het Instituut zich bij een gedwongen mede-eigendom zoals bepaald in de artikelen 577-3 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, tot de vereniging van mede-eigenaars voor de communicatie van elke beslissing die in uitvoering van de huidige ordonnantie wordt genomen. ]1
Art. 3/2. [1 Dans le cadre de la présente ordonnance, en cas de copropriété forcée telle que définie aux articles 577-3 et suivants du Code civil, l'Institut s'adresse à l'association des copropriétaires pour lui communiquer toute décision prise en exécution de la présente ordonnance. ]1
HOOFDSTUK II. - Identificatie van verontreinigde terreinen.
CHAPITRE II. - Identification des terrains pollués.
Afdeling I. - Aangifteplicht.
Section Ire. - Obligation de déclaration.
Aangifte.
Déclaration.
Art.4. § 1. Iedere ontdekking van een bodemverontreiniging moet door de persoon die de ontdekking gedaan heeft, zo spoedig mogelijk aangegeven worden bij de houder van zakelijke rechten en de exploitant van het betreffede terrein of, als deze personen niet geïdentificeerd kunnen worden, bij het Instituut.
Iedere ontdekking van een bodemverontreiniging moet zo spoedig mogelijk aangegeven worden bij het Instituut door de houder van zakelijke rechten en de exploitant van een risicoactiviteit op het betreffende terrein, wanneer deze personen kennis hadden van de gebeurtenis of de ontdekking.
§ 2. Iedere gebeurtenis die kan leiden tot een dreigende bodemverontreiniging moet door degene die de gebeurtenis heeft veroorzaakt, zo spoedig mogelijk aangegeven worden bij het Instituut, de houders van zakelijke rechten, indien deze geïdentificeerd kunnen worden, en de exploitant van het betreffende terrein.
§ 3. [1 Op het moment van de kennisneming van een bodemattest bedoeld in artikel 11, moeten de huidige exploitant en de houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein elke risicoactiviteit die niet wordt vermeld in dit attest en waarvan zij kennis hebben, zo spoedig mogelijk aangeven bij het Instituut. ]1
Iedere ontdekking van een bodemverontreiniging moet zo spoedig mogelijk aangegeven worden bij het Instituut door de houder van zakelijke rechten en de exploitant van een risicoactiviteit op het betreffende terrein, wanneer deze personen kennis hadden van de gebeurtenis of de ontdekking.
§ 2. Iedere gebeurtenis die kan leiden tot een dreigende bodemverontreiniging moet door degene die de gebeurtenis heeft veroorzaakt, zo spoedig mogelijk aangegeven worden bij het Instituut, de houders van zakelijke rechten, indien deze geïdentificeerd kunnen worden, en de exploitant van het betreffende terrein.
§ 3. [1 Op het moment van de kennisneming van een bodemattest bedoeld in artikel 11, moeten de huidige exploitant en de houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein elke risicoactiviteit die niet wordt vermeld in dit attest en waarvan zij kennis hebben, zo spoedig mogelijk aangeven bij het Instituut. ]1
Art.4. § 1er. Toute découverte d'une pollution du sol doit être déclarée, dans les plus brefs délais, au titulaire de droits réels et à l'exploitant du terrain concerné ou, à défaut de pouvoir les identifier, à l'Institut, par l'auteur de cette découverte.
Toute découverte d'une pollution du sol doit être déclarée, dans les plus brefs délais, à l'Institut par le titulaire de droits réels et l'exploitant d'une activité à risque sur le terrain concerné, ayant eu connaissance de la découverte.
§ 2. Tout évènement susceptible d'entraîner une pollution du sol imminente doit être déclaré par l'auteur de cet évènement dans les plus brefs délais à l'Institut et, s'ils peuvent être identifiés, au titulaire de droits réels et à l'exploitant du terrain concerné.
§ 3. [1 Au moment de la prise de connaissance d'une attestation du sol visée à l'article 11, l'exploitant actuel et le titulaire de droits réels sur le terrain concerné doivent déclarer dans les plus brefs délais à l'Institut toute activité à risque non reprise dans ladite attestation et dont ils ont connaissance. ]1
Toute découverte d'une pollution du sol doit être déclarée, dans les plus brefs délais, à l'Institut par le titulaire de droits réels et l'exploitant d'une activité à risque sur le terrain concerné, ayant eu connaissance de la découverte.
§ 2. Tout évènement susceptible d'entraîner une pollution du sol imminente doit être déclaré par l'auteur de cet évènement dans les plus brefs délais à l'Institut et, s'ils peuvent être identifiés, au titulaire de droits réels et à l'exploitant du terrain concerné.
§ 3. [1 Au moment de la prise de connaissance d'une attestation du sol visée à l'article 11, l'exploitant actuel et le titulaire de droits réels sur le terrain concerné doivent déclarer dans les plus brefs délais à l'Institut toute activité à risque non reprise dans ladite attestation et dont ils ont connaissance. ]1
Wijzigingen
Afdeling II. - Inventaris van de bodemtoestand.
Section II. - Inventaire de l'état du sol.
Inhoud.
Contenu.
Art.5. § 1. Het Instituut maakt een inventaris op van de bodemtoestand en houdt deze actueel. Deze inventaris bevat de gegevens die aan het Instituut werden doorgegeven of waarover het Instituut beschikt met betrekking tot de bodemverontreiniging en het beheer ervan.
De geografische eenheid van de inventaris van de bodemtoestand is het perceel.
§ 2. De inventaris van de bodemtoestand bevat voor elk perceel dat erin is opgenomen, de volgende gedetailleerde informatie :
1° de identificatie van het perceel : het postadres, de kadastrale referenties of, bij ontstentenis daarvan, de door het Instituut [2 ...]2;
2° de kwetsbaarheidszone;
[2 3 °]2 de risicoactiviteiten die erop worden uitgeoefend;
[2 4 °]2 de risicoactiviteiten die erop werden uitgeoefend;
[ 5 °]2 de identificatie van de exploitant(en) van de risicoactiviteiten uitgeoefend na 1 januari 1993 en de periode daarvoor indien deze gegevens beschikbaar zijn;
[2 6 °]2 de gebeurtenissen die vallen buiten de uitbating van een risicoactiviteit en die een vermoeden van bodemverontreiniging rechtvaardigen of die een bewezen bodemverontreiniging hebben teweeggebracht;
[2 7 °]2 de daders van deze gebeurtenissen, indien deze bekend zijn;
[2 8 °]2 de bodemtoestandcategorie;
[2 9 °]2 de door het Instituut gelijkvormig verklaarde of geachte verkennende bodemonderzoeken, gedetailleerde onderzoeken, risico-onderzoeken, saneringsvoorstellen [1 , de voorafgaande behandelingsaangiften bedoeld in artikelen 63 en 65/3]1 en risicobeheersvoorstellen;
[2 10 °]2 De eindbeoordelingen en slotverklaringen [2 ...]2;
[2 11 °]2 de krachtens deze ordonnantie opgelegde [1 nood]1 en follow-upmaatregelen.
De Regering kan de bovenstaande lijst van de vereiste gedetailleerde informatie uitbreiden.
De geografische eenheid van de inventaris van de bodemtoestand is het perceel.
§ 2. De inventaris van de bodemtoestand bevat voor elk perceel dat erin is opgenomen, de volgende gedetailleerde informatie :
1° de identificatie van het perceel : het postadres, de kadastrale referenties of, bij ontstentenis daarvan, de door het Instituut [2 ...]2;
2° de kwetsbaarheidszone;
[2 3 °]2 de risicoactiviteiten die erop worden uitgeoefend;
[2 4 °]2 de risicoactiviteiten die erop werden uitgeoefend;
[ 5 °]2 de identificatie van de exploitant(en) van de risicoactiviteiten uitgeoefend na 1 januari 1993 en de periode daarvoor indien deze gegevens beschikbaar zijn;
[2 6 °]2 de gebeurtenissen die vallen buiten de uitbating van een risicoactiviteit en die een vermoeden van bodemverontreiniging rechtvaardigen of die een bewezen bodemverontreiniging hebben teweeggebracht;
[2 7 °]2 de daders van deze gebeurtenissen, indien deze bekend zijn;
[2 8 °]2 de bodemtoestandcategorie;
[2 9 °]2 de door het Instituut gelijkvormig verklaarde of geachte verkennende bodemonderzoeken, gedetailleerde onderzoeken, risico-onderzoeken, saneringsvoorstellen [1 , de voorafgaande behandelingsaangiften bedoeld in artikelen 63 en 65/3]1 en risicobeheersvoorstellen;
[2 10 °]2 De eindbeoordelingen en slotverklaringen [2 ...]2;
[2 11 °]2 de krachtens deze ordonnantie opgelegde [1 nood]1 en follow-upmaatregelen.
De Regering kan de bovenstaande lijst van de vereiste gedetailleerde informatie uitbreiden.
Art.5. § 1er. L'Institut établit et actualise un inventaire de l'état du sol. Cet inventaire répertorie les données relatives à la pollution des sols et à sa gestion qui lui ont été transmises ou qui sont en sa possession.
L'unité géographique de l'inventaire de l'état du sol est la parcelle.
§ 2. L'inventaire de l'état du sol comprend, pour chaque parcelle inscrite, les informations détaillées suivantes :
1° l'identification de la parcelle : l'adresse postale, les références cadastrales ou, à défaut, l'identifiant parcellaire déterminé par l'Institut[2 ...]2;
2° la classe de sensibilité;
[2 3°]2 les activités à risque en cours d'exploitation;
[2 4°]2 les activités à risque qui ont été exploitées;
[2 5°]2 l'identification du ou des exploitants des activités à risque exploitées après le 1er janvier 1993, et antérieurement si les données sont disponibles;
[2 6°]2 les évènements autres que l'exploitation d'une activité à risque qui motivent une présomption de pollution du sol ou qui ont engendré une pollution du sol avérée;
[2 7°]2 les auteurs de ces évènements, lorsqu'ils sont connus;
[2 8°]2la catégorie de l'état du sol;
[2 9°]2 les reconnaissances de l'état du sol, les études détaillées, les études de risques, les projets d'assainissement, [2 les déclarations préalables de traitement visé aux articles 63 et 65/3,]2 les projets de gestion du risque déclarés ou réputés conformes par l'Institut;
[2 10°]2 les évaluations finales et les déclarations finales [2 ...]2;
[2 11°]2 les [1 mesures d'urgence]1 et de suivi imposées en vertu de la présente ordonnance.
Le gouvernement peut étendre la liste des informations détaillées susmentionnées.
L'unité géographique de l'inventaire de l'état du sol est la parcelle.
§ 2. L'inventaire de l'état du sol comprend, pour chaque parcelle inscrite, les informations détaillées suivantes :
1° l'identification de la parcelle : l'adresse postale, les références cadastrales ou, à défaut, l'identifiant parcellaire déterminé par l'Institut[2 ...]2;
2° la classe de sensibilité;
[2 3°]2 les activités à risque en cours d'exploitation;
[2 4°]2 les activités à risque qui ont été exploitées;
[2 5°]2 l'identification du ou des exploitants des activités à risque exploitées après le 1er janvier 1993, et antérieurement si les données sont disponibles;
[2 6°]2 les évènements autres que l'exploitation d'une activité à risque qui motivent une présomption de pollution du sol ou qui ont engendré une pollution du sol avérée;
[2 7°]2 les auteurs de ces évènements, lorsqu'ils sont connus;
[2 8°]2la catégorie de l'état du sol;
[2 9°]2 les reconnaissances de l'état du sol, les études détaillées, les études de risques, les projets d'assainissement, [2 les déclarations préalables de traitement visé aux articles 63 et 65/3,]2 les projets de gestion du risque déclarés ou réputés conformes par l'Institut;
[2 10°]2 les évaluations finales et les déclarations finales [2 ...]2;
[2 11°]2 les [1 mesures d'urgence]1 et de suivi imposées en vertu de la présente ordonnance.
Le gouvernement peut étendre la liste des informations détaillées susmentionnées.
Vervollediging van de inventaris van de bodemtoestand.
Alimentation de l'inventaire de l'état du sol.
Art.6. De overheden of administratieve diensten die vallen onder het Gewest, en de gemeenten bezorgen het Instituut op zijn eerste verzoek de informatie in hun bezit die kan helpen bij het opstellen van de inventaris van de bodemtoestand. Ze brengen het Instituut eveneens op de hoogte van [1 elke wijziging]1 van deze gegevens.
[1 Via het platform Nova informeert het Instituut de vergunningafleverende overheden over de beslissingen die bij uitvoering van deze ordonnantie worden genomen met betrekking tot een terrein.]1
[1 Via het platform Nova informeert het Instituut de vergunningafleverende overheden over de beslissingen die bij uitvoering van deze ordonnantie worden genomen met betrekking tot een terrein.]1
Art.6. Les autorités ou services administratifs ressortissant de la Région et les communes transmettent à l'Institut, à la première demande, les informations en leur possession susceptibles de permettre l'élaboration de l'inventaire de l'état du sol. Elles informent également l'Institut de [1 toute modification ]1 de ces données.
[1 L'Institut informe via la plateforme Nova les autorités délivrantes de permis des décisions relatives à un terrain prises en exécution de la présente ordonnance. ]1
[1 L'Institut informe via la plateforme Nova les autorités délivrantes de permis des décisions relatives à un terrain prises en exécution de la présente ordonnance. ]1
Wijzigingen
Validatie van de gedetailleerde informatie
Validation des informations détaillées et inscription à l'inventaire de l'état du sol
Art.7. § 1. Het Instituut stelt de houders van zakelijke rechten en de [7 huidige]7 exploitanten van een risicoactiviteit op deze percelen, per aangetekend schrijven [3 of via elektronische weg]3 in kennis van zijn voornemen om één of meer percelen in de inventaris van de bodemtoestand op te nemen.
[8 In toepassing van artikel 3/2 stelt het Instituut de vereniging van mede-eigenaars in kennis van dit voornemen, die alle mede-eigenaars binnen een termijn van tien dagen op de hoogte brengt.]8
[8 De]8 kennisgeving vermeldt met name :
- de gedetailleerde informatie waarover het Instituut beschikt;
[8 De redenen die het Instituut ertoe hebben gebracht om een bodemverontreiniging te vermoeden ; ]8
- de gevolgen van de opname in de inventaris van de bodemtoestand;
- de validatieprocedure voor [8 De]8 gedetailleerde informatie en de mogelijke correctiewijzen.
De gedetailleerde informatie bedoeld in artikel 5, § 2, 10° en 11°, hoeft niet integraal door het Instituut te worden doorgegeven, maar er moet melding van worden gemaakt, evenals van de datum waarop deze onderzoeken, voorstellen of beoordelingen werden uitgevoerd en de conclusies ervan.
§ 2. Binnen de 90 dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in § 1 kunnen de houders van zakelijke rechten en de [7 huidige]7 exploitanten van een risicoactiviteit het Instituut per aangetekend schrijven [2 , via elektronische weg]2 [4 ...]4 op de hoogte brengen van :
- hetzij hun opmerkingen met betrekking tot de gedetailleerde informatie;
- hetzij hun bereidheid een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In dat geval wordt het verkennend bodemonderzoek betekend aan het Instituut per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 met bericht van ontvangst [5 ...]5, binnen de 180 dagen na de kennisgeving van het Instituut bedoeld in § 1.
Bij niet-naleving van bovenvermelde termijnen neemt het Instituut het perceel of de percelen op in de inventaris van de bodemtoestand binnen de 10 dagen na het verstrijken van deze termijnen en ten laatste vóór de afgifte van bodemattesten voor deze percelen. Binnen dezelfde termijn brengt het Instituut de houder of houders van zakelijke rechten en de [6 huidige]6 exploitant van de risicoactiviteit op de hoogte van de opname [8 per aangetekend schrijven of via elektronische weg.]8.
§ 3. Binnen de 60 dagen [8 na ontvangst van het geheel van opmerkingen]8 zal het Instituut in voorkomend geval de gedetailleerde informatie wijzigen of aanvullen en de personen bedoeld in § 1 [8 , per aangetekend schrijven of via elektronische weg, ]8 in kennis stellen van zijn beslissing het perceel of de percelen al dan niet op te nemen in de inventaris van de bodemtoestand. Deze beslissing wordt met redenen omkleed en vermeldt de bodemtoestandcategorie evenals de gevolgen van een dergelijke opname.
Binnen de 10 dagen na deze kennisgeving en ten laatste voor de afgifte van bodemattesten voor de betreffende percelen actualiseert het Instituut de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand.
§ 4. In afwijking van de procedure bedoeld in § 1 tot § 3 neemt het Instituut het perceel of de percelen van de site waarvoor een milieuvergunning voor een risicoactiviteit is aangevraagd, op in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand binnen de 10 dagen na de afgifte van de vergunning of de kennisgeving van deze afgifte door de gemeente. Binnen dezelfde termijn brengt het Instituut de houder(s) van zakelijke rechten en de [8 huidige]8 exploitant van de risicoactiviteit [8 , per aangetekend schrijven of via elektronische weg, ]8 op de hoogte van de opname.
[8 § 4/1. In afwijking van de procedure bedoeld in §§ 1 tot 3 kan het Instituut zijn beslissing om het (de) perce(e)l(en) al dan niet op te nemen in de inventaris van de bodemtoestand kenbaar maken in een gelijkvormigheidsverklaring of een slotverklaring of bij het opleggen van dringende maatregelen.]8
§ 5. De verandering van bodemtoestandcategorie van een perceel in de inventaris van de bodemtoestand is onderworpen aan de bepalingen van artikel 8.
§ 6. De Regering kan de procedure bedoeld in dit artikel nader bepalen.
[8 In toepassing van artikel 3/2 stelt het Instituut de vereniging van mede-eigenaars in kennis van dit voornemen, die alle mede-eigenaars binnen een termijn van tien dagen op de hoogte brengt.]8
[8 De]8 kennisgeving vermeldt met name :
- de gedetailleerde informatie waarover het Instituut beschikt;
[8 De redenen die het Instituut ertoe hebben gebracht om een bodemverontreiniging te vermoeden ; ]8
- de gevolgen van de opname in de inventaris van de bodemtoestand;
- de validatieprocedure voor [8 De]8 gedetailleerde informatie en de mogelijke correctiewijzen.
De gedetailleerde informatie bedoeld in artikel 5, § 2, 10° en 11°, hoeft niet integraal door het Instituut te worden doorgegeven, maar er moet melding van worden gemaakt, evenals van de datum waarop deze onderzoeken, voorstellen of beoordelingen werden uitgevoerd en de conclusies ervan.
§ 2. Binnen de 90 dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in § 1 kunnen de houders van zakelijke rechten en de [7 huidige]7 exploitanten van een risicoactiviteit het Instituut per aangetekend schrijven [2 , via elektronische weg]2 [4 ...]4 op de hoogte brengen van :
- hetzij hun opmerkingen met betrekking tot de gedetailleerde informatie;
- hetzij hun bereidheid een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In dat geval wordt het verkennend bodemonderzoek betekend aan het Instituut per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 met bericht van ontvangst [5 ...]5, binnen de 180 dagen na de kennisgeving van het Instituut bedoeld in § 1.
Bij niet-naleving van bovenvermelde termijnen neemt het Instituut het perceel of de percelen op in de inventaris van de bodemtoestand binnen de 10 dagen na het verstrijken van deze termijnen en ten laatste vóór de afgifte van bodemattesten voor deze percelen. Binnen dezelfde termijn brengt het Instituut de houder of houders van zakelijke rechten en de [6 huidige]6 exploitant van de risicoactiviteit op de hoogte van de opname [8 per aangetekend schrijven of via elektronische weg.]8.
§ 3. Binnen de 60 dagen [8 na ontvangst van het geheel van opmerkingen]8 zal het Instituut in voorkomend geval de gedetailleerde informatie wijzigen of aanvullen en de personen bedoeld in § 1 [8 , per aangetekend schrijven of via elektronische weg, ]8 in kennis stellen van zijn beslissing het perceel of de percelen al dan niet op te nemen in de inventaris van de bodemtoestand. Deze beslissing wordt met redenen omkleed en vermeldt de bodemtoestandcategorie evenals de gevolgen van een dergelijke opname.
Binnen de 10 dagen na deze kennisgeving en ten laatste voor de afgifte van bodemattesten voor de betreffende percelen actualiseert het Instituut de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand.
§ 4. In afwijking van de procedure bedoeld in § 1 tot § 3 neemt het Instituut het perceel of de percelen van de site waarvoor een milieuvergunning voor een risicoactiviteit is aangevraagd, op in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand binnen de 10 dagen na de afgifte van de vergunning of de kennisgeving van deze afgifte door de gemeente. Binnen dezelfde termijn brengt het Instituut de houder(s) van zakelijke rechten en de [8 huidige]8 exploitant van de risicoactiviteit [8 , per aangetekend schrijven of via elektronische weg, ]8 op de hoogte van de opname.
[8 § 4/1. In afwijking van de procedure bedoeld in §§ 1 tot 3 kan het Instituut zijn beslissing om het (de) perce(e)l(en) al dan niet op te nemen in de inventaris van de bodemtoestand kenbaar maken in een gelijkvormigheidsverklaring of een slotverklaring of bij het opleggen van dringende maatregelen.]8
§ 5. De verandering van bodemtoestandcategorie van een perceel in de inventaris van de bodemtoestand is onderworpen aan de bepalingen van artikel 8.
§ 6. De Regering kan de procedure bedoeld in dit artikel nader bepalen.
Wijzigingen
Art.7. § 1er. L'Institut notifie son intention d'inscrire une ou plusieurs parcelles à l'inventaire de l'état du sol aux titulaires de droits réels et aux exploitants [7 actuels]7 d'une activité à risque sur ces parcelles, par envoi recommandé à la poste [3 ou par voie électronique]3.
[8 En application de l'article 3/2, l'Institut notifie cette intention à l'association des copropriétaires, qui en informe tous les copropriétaires dans un délai de 10 jours. ]8
[8 La]8 notification mentionne notamment :
- les informations détaillées dont dispose l'Institut;
[8 - les motifs ayant amené l'Institut à présumer une pollution du sol ; ]8
- les conséquences d'une inscription à l'inventaire de l'état du sol;
- la procédure de validation de ces informations détaillées et les modes de correction possibles.
Les informations détaillées visées à l'article 5, § 2, 10° et 11°, ne doivent pas être transmises intégralement par l'Institut mais il doit en être fait mention, ainsi que de la date de réalisation de ces études, projets ou évaluations et de leurs conclusions.
§ 2. Dans les 90 jours de la réception de la notification visée au § 1er, les titulaires de droits réels et les exploitants [7 actuels]7 d'une activité à risque peuvent communiquer à l'Institut, par lettre recommandée [2 , par voie électronique]2 -[4 ...]4:
- soit leurs observations sur les informations détaillées;
- soit leur volonté de réaliser une reconnaissance de l'état du sol. Dans ce cas, la reconnaissance de l'état du sol est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [5 ...]5 [4 ...]4, dans les 180 jours à dater de la notification de l'Institut visée au § 1er.
A défaut du respect des délais susmentionnés, l'Institut inscrit la ou les parcelles à l'inventaire de l'état du sol, dans les 10 jours suivant l'expiration de ces délais et au plus tard avant toute délivrance d'attestations du sol relatives aux parcelles concernées. Dans ce même délai, l'Institut informe le ou les titulaires de droits réels et l'exploitant [6 actuel]6 de l'activité à risque de cette inscription [8 par lettre recommandée ou par voie électronique.]8.
§ 3. Dans les 60 jours de la réception [8 de l'ensemble]8 des observations, l'Institut, s'il échet, modifie ou complète les informations détaillées et notifie [8 , par lettre recommandée ou par voie électronique,]8 aux personnes visées au § 1er sa décision d'inscrire ou non la ou les parcelles à l'inventaire de l'état du sol. Cette décision est motivée et précise la catégorie de l'état du sol ainsi que les conséquences d'une telle inscription.
L'Institut actualise les informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol dans les 10 jours de cette notification et au plus tard avant toute délivrance d'attestations du sol relatives aux parcelles concernées.
§ 4. En dérogation à la procédure visée aux §§ 1er à 3, l'Institut inscrit la ou les parcelles du site concerné par un permis d'environnement relatif à une activité à risque, dans les 10 jours de la délivrance du permis ou de l'information par la commune de cette délivrance, dans la catégorie 0 de l'inventaire de l'état du sol. Dans ce même délai, l'Institut informe [8 , par lettre recommandée ou par voie électronique, ]8 le ou les titulaires de droits réels et l'exploitant [8 actuel ]8 de l'activité à risque de cette inscription.
[8 § 4/1. En dérogation à la procédure visée aux §§ 1er à 3, l'Institut peut notifier sa décision d'inscrire ou non la ou les parcelles à l'inventaire de l'état du sol dans une déclaration de conformité ou une déclaration finale, ou lors de l'imposition de mesures d'urgence. ]8
§ 5. Le changement de catégorie de l'état du sol d'une parcelle au sein de l'inventaire de l'état du sol est soumis aux dispositions de l'article 8.
§ 6. Le gouvernement peut préciser la procédure visée au présent article.
[8 En application de l'article 3/2, l'Institut notifie cette intention à l'association des copropriétaires, qui en informe tous les copropriétaires dans un délai de 10 jours. ]8
[8 La]8 notification mentionne notamment :
- les informations détaillées dont dispose l'Institut;
[8 - les motifs ayant amené l'Institut à présumer une pollution du sol ; ]8
- les conséquences d'une inscription à l'inventaire de l'état du sol;
- la procédure de validation de ces informations détaillées et les modes de correction possibles.
Les informations détaillées visées à l'article 5, § 2, 10° et 11°, ne doivent pas être transmises intégralement par l'Institut mais il doit en être fait mention, ainsi que de la date de réalisation de ces études, projets ou évaluations et de leurs conclusions.
§ 2. Dans les 90 jours de la réception de la notification visée au § 1er, les titulaires de droits réels et les exploitants [7 actuels]7 d'une activité à risque peuvent communiquer à l'Institut, par lettre recommandée [2 , par voie électronique]2 -[4 ...]4:
- soit leurs observations sur les informations détaillées;
- soit leur volonté de réaliser une reconnaissance de l'état du sol. Dans ce cas, la reconnaissance de l'état du sol est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [5 ...]5 [4 ...]4, dans les 180 jours à dater de la notification de l'Institut visée au § 1er.
A défaut du respect des délais susmentionnés, l'Institut inscrit la ou les parcelles à l'inventaire de l'état du sol, dans les 10 jours suivant l'expiration de ces délais et au plus tard avant toute délivrance d'attestations du sol relatives aux parcelles concernées. Dans ce même délai, l'Institut informe le ou les titulaires de droits réels et l'exploitant [6 actuel]6 de l'activité à risque de cette inscription [8 par lettre recommandée ou par voie électronique.]8.
§ 3. Dans les 60 jours de la réception [8 de l'ensemble]8 des observations, l'Institut, s'il échet, modifie ou complète les informations détaillées et notifie [8 , par lettre recommandée ou par voie électronique,]8 aux personnes visées au § 1er sa décision d'inscrire ou non la ou les parcelles à l'inventaire de l'état du sol. Cette décision est motivée et précise la catégorie de l'état du sol ainsi que les conséquences d'une telle inscription.
L'Institut actualise les informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol dans les 10 jours de cette notification et au plus tard avant toute délivrance d'attestations du sol relatives aux parcelles concernées.
§ 4. En dérogation à la procédure visée aux §§ 1er à 3, l'Institut inscrit la ou les parcelles du site concerné par un permis d'environnement relatif à une activité à risque, dans les 10 jours de la délivrance du permis ou de l'information par la commune de cette délivrance, dans la catégorie 0 de l'inventaire de l'état du sol. Dans ce même délai, l'Institut informe [8 , par lettre recommandée ou par voie électronique, ]8 le ou les titulaires de droits réels et l'exploitant [8 actuel ]8 de l'activité à risque de cette inscription.
[8 § 4/1. En dérogation à la procédure visée aux §§ 1er à 3, l'Institut peut notifier sa décision d'inscrire ou non la ou les parcelles à l'inventaire de l'état du sol dans une déclaration de conformité ou une déclaration finale, ou lors de l'imposition de mesures d'urgence. ]8
§ 5. Le changement de catégorie de l'état du sol d'une parcelle au sein de l'inventaire de l'état du sol est soumis aux dispositions de l'article 8.
§ 6. Le gouvernement peut préciser la procédure visée au présent article.
Wijzigingen
Wijziging van de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand
Modification des informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol
Art.8. § 1. Het Instituut actualiseert de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand binnen de 10 dagen na de betekening van een gelijkvormigsheidsverklaring, een slotverklaring of de oplegging van [1 noodmaatregelen]1, of binnen de 10 dagen na een stilzwijgende beslissing ten gevolge van de overschrijding van de termijnen die deze kennisgeving regelen, en ten laatste voor de afgifte van bodemattesten voor de betreffende percelen. [3 De bijwerking van de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand kan worden meegedeeld in een gelijkvormigheidsverklaring of in een slotverklaring of tijdens de oplegging van noodmaatregelen. ]3
§ 2. De houders van zakelijke rechten en de [2 huidige]2 exploitanten van een risicoactiviteit brengen het Instituut op de hoogte van alle wijzigingen of pertinente fouten in de gedetailleerde informatie die op hen betrekking heeft.
Binnen de 30 dagen na ontvangst van deze informatie zal het Instituut in voorkomend geval de gedetailleerde informatie wijzigen of aanvullen en zal het deze personen in kennis stellen van zijn met redenen omklede beslissing.
[3 § 3. Het Instituut actualiseert de gedetailleerde informatie van een in de inventaris van de bodemtoestand ingeschreven perceel op basis van de informatie die de validatie van de gedetailleerde informatie voorafgaat, uitsluitend indien deze voorafgaande informatie wordt overgemaakt door een derde en dat haar actualisatie door deze zelfde derde is gevraagd. ]3
§ 2. De houders van zakelijke rechten en de [2 huidige]2 exploitanten van een risicoactiviteit brengen het Instituut op de hoogte van alle wijzigingen of pertinente fouten in de gedetailleerde informatie die op hen betrekking heeft.
Binnen de 30 dagen na ontvangst van deze informatie zal het Instituut in voorkomend geval de gedetailleerde informatie wijzigen of aanvullen en zal het deze personen in kennis stellen van zijn met redenen omklede beslissing.
[3 § 3. Het Instituut actualiseert de gedetailleerde informatie van een in de inventaris van de bodemtoestand ingeschreven perceel op basis van de informatie die de validatie van de gedetailleerde informatie voorafgaat, uitsluitend indien deze voorafgaande informatie wordt overgemaakt door een derde en dat haar actualisatie door deze zelfde derde is gevraagd. ]3
Art.8. § 1er. L'Institut actualise les informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol dans les 10 jours de la notification d'une déclaration de conformité, d'une déclaration finale ou de l'imposition de [1 mesures d'urgence]1, ou dans les 10 jours d'une décision tacite découlant du dépassement des délais organisant ces notifications, et au plus tard avant toute délivrance d'attestations du sol relatives aux parcelles concernées. [3 L'actualisation des informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol peut être communiquée dans la déclaration de conformité ou dans la déclaration finale ou lors de l'imposition de mesures d'urgence. ]3
§ 2. Les titulaires de droits réels et les exploitants [2 actuels]2 d'une activité à risque informent l'Institut de toutes modifi cations ou erreurs manifestes des informations détaillées les concernant.
Dans les 30 jours de la réception de ces informations, l'Institut, s'il échet, modifie ou complète les informations détaillées et notifie à ces personnes sa décision motivée.
[3 § 3. L'Institut actualise les informations détaillées d'une parcelle inscrite à l'inventaire de l'état du sol au moyen d'informations antérieures à la validation des informations détaillées, uniquement lorsque ces informations antérieures sont transmises par un tiers et que leur actualisation est demandée par ce même tiers.]3
§ 2. Les titulaires de droits réels et les exploitants [2 actuels]2 d'une activité à risque informent l'Institut de toutes modifi cations ou erreurs manifestes des informations détaillées les concernant.
Dans les 30 jours de la réception de ces informations, l'Institut, s'il échet, modifie ou complète les informations détaillées et notifie à ces personnes sa décision motivée.
[3 § 3. L'Institut actualise les informations détaillées d'une parcelle inscrite à l'inventaire de l'état du sol au moyen d'informations antérieures à la validation des informations détaillées, uniquement lorsque ces informations antérieures sont transmises par un tiers et que leur actualisation est demandée par ce même tiers.]3
Afdeling III. - Toegang tot de informatie en kaart van de bodemtoestand.
Section III. - Accès aux informations et carte de l'état du sol.
Toegang tot de informatie.
Accès aux informations.
Art.9. De gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand is voor het publiek toegankelijk onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt. De Regering bepaalt onder andere de uurroosters, de prijs van de kopieën en de technische toegangsmodaliteiten tot de inventaris.
De niet-technische samenvattingen van de bodemonderzoeken en de voorstellen ter uitvoering van deze ordonnantie zijn voor iedereen toegankelijk volgens de door de Regering vastgelegde modaliteiten.
[1 Behalve indien het verzoek uitgaat van een houder van zakelijke rechten of een huidige exploitant of een plichthouder of eender welke vervanger op het betrokken terrein of een vergunningafleverende overheid of een Brusselse publieke speler, zijn de bodemonderzoeken en de voorstellen ter uitvoering van deze ordonnantie voor iedereen toegankelijk, mits het schriftelijk akkoord van de persoon die ze heeft laten uitvoeren, of de huidige plichthouder, of de houder van zakelijke rechten, of de huidige exploitant of de vervanger, overeenkomstig de door de Regering vastgelegde modaliteiten.
In afwijking van het vorige lid deelt het Instituut aan de bodemverontreinigingsdeskundigen, op hun verzoek, de informatie mee waarover het beschikt en die nuttig is voor de voltooiing van hun opdrachten ter uitvoering van deze ordonnantie. ]1
De niet-technische samenvattingen van de bodemonderzoeken en de voorstellen ter uitvoering van deze ordonnantie zijn voor iedereen toegankelijk volgens de door de Regering vastgelegde modaliteiten.
[1 Behalve indien het verzoek uitgaat van een houder van zakelijke rechten of een huidige exploitant of een plichthouder of eender welke vervanger op het betrokken terrein of een vergunningafleverende overheid of een Brusselse publieke speler, zijn de bodemonderzoeken en de voorstellen ter uitvoering van deze ordonnantie voor iedereen toegankelijk, mits het schriftelijk akkoord van de persoon die ze heeft laten uitvoeren, of de huidige plichthouder, of de houder van zakelijke rechten, of de huidige exploitant of de vervanger, overeenkomstig de door de Regering vastgelegde modaliteiten.
In afwijking van het vorige lid deelt het Instituut aan de bodemverontreinigingsdeskundigen, op hun verzoek, de informatie mee waarover het beschikt en die nuttig is voor de voltooiing van hun opdrachten ter uitvoering van deze ordonnantie. ]1
Art.9. Les informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol sont accessibles au public dans les conditions et selon les modalités fixées par le gouvernement. Le gouvernement arrête, entre autres, les horaires, le prix des copies et les modalités techniques d'accès à l'inventaire.
Les résumés non techniques des études du sol et des projets réalisés en exécution de la présente ordonnance sont accessibles à toute personne, selon les modalités arrêtées par le gouvernement.
[1 Sauf lorsque la demande émane d'un titulaire de droits réels, ou d'un exploitant actuel ou d'un titulaire d'obligation, ou de toute personne s'y substituant, sur le terrain concerné, ou d'une autorité délivrante de permis ou d'un opérateur public bruxellois, les études du sol et les projets réalisés en exécution de la présente ordonnance sont accessibles moyennant l'accord écrit de la personne qui a fait réaliser l'étude ou le projet, ou du titulaire actuel d'obligations, ou du titulaire de droits réels, ou de l'exploitant actuel ou d'une personne qui s'y substitue, selon les modalités arrêtées par le Gouvernement.]1
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, à leur demande, l'Institut communique aux experts en pollution du sol les informations en sa possession, utiles à l'accomplissement de leurs missions en exécution de la présente ordonnance.]1
Les résumés non techniques des études du sol et des projets réalisés en exécution de la présente ordonnance sont accessibles à toute personne, selon les modalités arrêtées par le gouvernement.
[1 Sauf lorsque la demande émane d'un titulaire de droits réels, ou d'un exploitant actuel ou d'un titulaire d'obligation, ou de toute personne s'y substituant, sur le terrain concerné, ou d'une autorité délivrante de permis ou d'un opérateur public bruxellois, les études du sol et les projets réalisés en exécution de la présente ordonnance sont accessibles moyennant l'accord écrit de la personne qui a fait réaliser l'étude ou le projet, ou du titulaire actuel d'obligations, ou du titulaire de droits réels, ou de l'exploitant actuel ou d'une personne qui s'y substitue, selon les modalités arrêtées par le Gouvernement.]1
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, à leur demande, l'Institut communique aux experts en pollution du sol les informations en sa possession, utiles à l'accomplissement de leurs missions en exécution de la présente ordonnance.]1
Wijzigingen
Kaart van de bodemtoestand.
Carte de l'état du sol.
Art.10. § 1. Het Instituut stelt een kaart van de bodemtoestand op en houdt deze actueel. Deze kaart is een grafische weergave van de percelen die in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen, ingedeeld in de door de Regering vastgelegde bodemtoestandcategorieën van de categorieën bedoeld in artikel 3, 15°.
De geografische eenheid van de kaart van de bodemtoestand is het perceel.
§ 2. Voor elk perceel dat op de kaart van de bodemtoestand is opgenomen, wordt door het Instituut een identificatiefiche opgesteld en actueel gehouden met daarop een samenvatting van de meest recente gedetailleerde informatie betreffende dit perceel die is opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand.
De Regering kan de type-inhoud van de identificatiefiche bepalen.
§ 3. Het Instituut publiceert de kaart van de bodemtoestand en de identificatiefiches op het internet.
De geografische eenheid van de kaart van de bodemtoestand is het perceel.
§ 2. Voor elk perceel dat op de kaart van de bodemtoestand is opgenomen, wordt door het Instituut een identificatiefiche opgesteld en actueel gehouden met daarop een samenvatting van de meest recente gedetailleerde informatie betreffende dit perceel die is opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand.
De Regering kan de type-inhoud van de identificatiefiche bepalen.
§ 3. Het Instituut publiceert de kaart van de bodemtoestand en de identificatiefiches op het internet.
Art.10. § 1er. L'institut établit et actualise une carte de l'état du sol. Cette carte reprend sous forme graphique les parcelles inscrites à l'inventaire de l'état du sol dans les catégories de l'état du sol déterminées par le gouvernement parmi celles visées à l'article 3, 15°.
L'unité géographique de la carte de l'état du sol est la parcelle.
§ 2. Pour chaque parcelle inscrite sur la carte de l'état du sol, l'Institut établit et actualise une fiche d'identification qui présente un résumé des informations détaillées les plus actuelles de l'inventaire de l'état du sol relatives à cette parcelle.
Le gouvernement peut arrêter le contenu type de la fiche d'identification.
§ 3. L'Institut publie sur Internet la carte de l'état du sol ainsi que les fiches d'identification.
L'unité géographique de la carte de l'état du sol est la parcelle.
§ 2. Pour chaque parcelle inscrite sur la carte de l'état du sol, l'Institut établit et actualise une fiche d'identification qui présente un résumé des informations détaillées les plus actuelles de l'inventaire de l'état du sol relatives à cette parcelle.
Le gouvernement peut arrêter le contenu type de la fiche d'identification.
§ 3. L'Institut publie sur Internet la carte de l'état du sol ainsi que les fiches d'identification.
Afdeling IV. - Informatieplicht en bodemattest.
Section IV. - Obligation d'information et attestation du sol.
Bodemattest.
Attestation du sol.
Art.11. Het bodemattest vermeldt de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand met betrekking tot een perceel, naar behoren geactualiseerd op datum van zijn afgifte. [1 ...]1
Het bodemattest vermeldt in voorkomend geval bovendien de verplichtingen en de houders van verplichtingen die volgen uit de toepassing van de ordonnantie en de door het Instituut toegekende afwijking bedoeld [1 in artikel 17, §§ 2 tot 5]1.
De Regering kan de type-inhoud van het bodemattest nader bepalen.
Het bodemattest vermeldt in voorkomend geval bovendien de verplichtingen en de houders van verplichtingen die volgen uit de toepassing van de ordonnantie en de door het Instituut toegekende afwijking bedoeld [1 in artikel 17, §§ 2 tot 5]1.
De Regering kan de type-inhoud van het bodemattest nader bepalen.
Art.11. L'attestation du sol mentionne les informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol relatives à une parcelle, dûment mises à jour à la date de sa délivrance. [1 ...]1
L'attestation du sol mentionne en outre, le cas échéant, les obligations et les titulaires d'obligations découlant de l'application de l'ordonnance et la dérogation accordée par l'Institut visée [1 à l'article 17, §§ 2 à 5 ]1.
Le gouvernement peut préciser le contenu type de l'attestation du sol.
L'attestation du sol mentionne en outre, le cas échéant, les obligations et les titulaires d'obligations découlant de l'application de l'ordonnance et la dérogation accordée par l'Institut visée [1 à l'article 17, §§ 2 à 5 ]1.
Le gouvernement peut préciser le contenu type de l'attestation du sol.
Wijzigingen
Informatieplicht.
Obligation d'information.
Art.12. § 1. [2 Bij elke vervreemding ]2 van een zakelijk recht op een terrein [2 zoals bepaald in artikel 3, 28°, met inbegrip van de uitzonderingen die erin worden vermeld, vraagt (vragen) de overdrager(s) per aangetekend schrijven ]2 of langs elektronische weg aan het Instituut een bodemattest voor het betreffende perceel of de betreffende percelen en bezorgt deze attesten [2 aan de overnemer(s) ]2 vóór [2 het afsluiten van de akte, ]2 van de overeenkomst of het aanbod betreffende de vervreemding van het zakelijk recht.
De overeenkomst of het aanbod en, in voorkomend geval, de authentieke akte betreffende die vervreemding bevat :
- de verklaring van de overnemer dat hij op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest of de bodemattesten;
- de verklaring van de overdrager dat hij niet beschikt over aanvullende informatie die de inhoud van de door het Instituut afgeleverde bodemattesten zou kunnen wijzigen.
De overeenkomst of het aanbod betreffende de vervreemding van het zakelijk recht kan een opschortende voorwaarde bevatten betreffende de afl evering van het bodemattest en, in voorkomend geval, betreffende de verplichtingen inzake identificering en behandeling van de bodemverontreiniging.
§ 2. [2 De overdrager van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit vraagt aan het Instituut per aangetekend schrijven of via elektronische weg een bodemattest voor het betreffende perceel of de betreffende percelen en bezorgt dit attest of deze attesten aan de overnemer vóór de overdracht. De aangifte van de overdracht aan de afleverende overheid bevat : ]2
- de verklaring van de overnemer dat hij op de hoogte is van de inhoud van het bodemattest of de bodemattesten;
- de verklaring van de overdrager dat hij niet beschikt over aanvullende informatie die de inhoud van de door het Instituut afgeleverde bodemattesten zou kunnen wijzigen.
§ 3. Het Instituut geeft een bodemattest af aan iedere persoon die een bodemattest aanvraagt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1.
§ 4. Het bodemattest wordt door het Instituut afgegeven per aangetekend schrijven of via electronische weg, binnen de 20 dagen na de aanvraag mits betaling van een vergoeding door de aanvrager.
De Regering bepaalt de geldigheidsduur van het bodemattest, de aanvraag- en afgiftemodaliteiten evenals het bedrag van de vergoeding.
De overeenkomst of het aanbod en, in voorkomend geval, de authentieke akte betreffende die vervreemding bevat :
- de verklaring van de overnemer dat hij op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest of de bodemattesten;
- de verklaring van de overdrager dat hij niet beschikt over aanvullende informatie die de inhoud van de door het Instituut afgeleverde bodemattesten zou kunnen wijzigen.
De overeenkomst of het aanbod betreffende de vervreemding van het zakelijk recht kan een opschortende voorwaarde bevatten betreffende de afl evering van het bodemattest en, in voorkomend geval, betreffende de verplichtingen inzake identificering en behandeling van de bodemverontreiniging.
§ 2. [2 De overdrager van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit vraagt aan het Instituut per aangetekend schrijven of via elektronische weg een bodemattest voor het betreffende perceel of de betreffende percelen en bezorgt dit attest of deze attesten aan de overnemer vóór de overdracht. De aangifte van de overdracht aan de afleverende overheid bevat : ]2
- de verklaring van de overnemer dat hij op de hoogte is van de inhoud van het bodemattest of de bodemattesten;
- de verklaring van de overdrager dat hij niet beschikt over aanvullende informatie die de inhoud van de door het Instituut afgeleverde bodemattesten zou kunnen wijzigen.
§ 3. Het Instituut geeft een bodemattest af aan iedere persoon die een bodemattest aanvraagt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1.
§ 4. Het bodemattest wordt door het Instituut afgegeven per aangetekend schrijven of via electronische weg, binnen de 20 dagen na de aanvraag mits betaling van een vergoeding door de aanvrager.
De Regering bepaalt de geldigheidsduur van het bodemattest, de aanvraag- en afgiftemodaliteiten evenals het bedrag van de vergoeding.
Art.12. § 1er. [2 Lors de toute aliénation]2 d'un droit réel sur un terrain [2 telle que prévue à l'article 3, 28°, en ce compris les exceptions y figurant, le ou les cédant(s) demande(nt) à l'Institut par lettre recommandée]2 ou par voie électronique à l'Institut une attestation du sol pour la ou les parcelles concernées et la ou les transmet [2 au(x) cessionnaire(s) ]2 avant la [2 conclusion de l'acte, de]2 la convention ou [2 de]2 l'offre relative à l'aliénation de droits réels.
La convention ou l'offre et, le cas échéant, l'acte authentique relatifs à cette aliénation mentionnent :
- la déclaration du cessionnaire établissant qu'il a été informé du contenu de l'attestation ou des attestations du sol;
- la déclaration du cédant établissant qu'il ne détient pas d'information supplémentaire susceptible de modifier le contenu des attestations du sol délivrées par l'Institut.
La convention ou l'offre relatives à l'aliénation de droits réels peuvent être assorties d'une condition suspensive relative à la transmission de l'attestation du sol, et le cas échéant, relative aux obligations d'identification et de traitement de la pollution du sol.
§ 2. [2 Le cédant d'un permis d'environnement relatif à une activité à risque demande à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique une attestation du sol pour la ou les parcelles concernées et la ou les transmet au cessionnaire avant la cession. La déclaration de cession auprès de l'autorité délivrante mentionne :]2
- la déclaration du cessionnaire établissant qu'il a été informé du contenu de l'attestation ou des attestations du sol;
- la déclaration du cédant établissant qu'il ne détient pas d'information supplémentaire susceptible de modifier le contenu des attestations du sol délivrées par l'Institut.
§ 3. L'Institut délivre une attestation du sol à toute personne qui en fait la demande par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1.
§ 4. L'attestation du sol est délivrée par l'Institut, par lettre recommandée ou par voie électronique, moyennant paiement d'une rétribution à charge du demandeur, dans les 20 jours de la demande.
Le gouvernement fixe la durée de validité de l'attestation du sol, les modalités de demande et de délivrance, ainsi que le montant de la rétribution.
La convention ou l'offre et, le cas échéant, l'acte authentique relatifs à cette aliénation mentionnent :
- la déclaration du cessionnaire établissant qu'il a été informé du contenu de l'attestation ou des attestations du sol;
- la déclaration du cédant établissant qu'il ne détient pas d'information supplémentaire susceptible de modifier le contenu des attestations du sol délivrées par l'Institut.
La convention ou l'offre relatives à l'aliénation de droits réels peuvent être assorties d'une condition suspensive relative à la transmission de l'attestation du sol, et le cas échéant, relative aux obligations d'identification et de traitement de la pollution du sol.
§ 2. [2 Le cédant d'un permis d'environnement relatif à une activité à risque demande à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique une attestation du sol pour la ou les parcelles concernées et la ou les transmet au cessionnaire avant la cession. La déclaration de cession auprès de l'autorité délivrante mentionne :]2
- la déclaration du cessionnaire établissant qu'il a été informé du contenu de l'attestation ou des attestations du sol;
- la déclaration du cédant établissant qu'il ne détient pas d'information supplémentaire susceptible de modifier le contenu des attestations du sol délivrées par l'Institut.
§ 3. L'Institut délivre une attestation du sol à toute personne qui en fait la demande par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1.
§ 4. L'attestation du sol est délivrée par l'Institut, par lettre recommandée ou par voie électronique, moyennant paiement d'une rétribution à charge du demandeur, dans les 20 jours de la demande.
Le gouvernement fixe la durée de validité de l'attestation du sol, les modalités de demande et de délivrance, ainsi que le montant de la rétribution.
Afdeling V. - Verkennend bodemonderzoek.
Section V. - Reconnaissance de l'état du sol.
[1Onderafdeling I - Aanleidinggevende feiten]1
[1 Sous-section Ire - Faits générateurs ]1
[1 Algemene bepaling]1
[1 Disposition générale]1
Art.13. § 1. Vóór de vervreemding van een zakelijk recht op een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0 [3 of een categorie gecombineerd met 0]3 is opgenomen, moet er ten laste van de houder van zakelijke rechten een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd op de percelen die het terrein afbakenen.
§ 2. Er moet een verkennend bodemonderzoek ten laste van de [2 huidige]2 exploitant van een risicoactiviteit worden uitgevoerd op de site waar deze risicoactiviteit wordt uitgeoefend en dit :
1°[3 uiterlijk zes maanden na de stopzetting van deze activiteit ;]3
2° vóór de overdracht van de milieuvergunning voor deze risicoactiviteit;
3° [3 in de gevallen voorzien door artikel 18 van het besluit van 21 november 2013 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriële emissies, vóór de eerste actualisering van de voor de inrichting afgeleverde milieuvergunning na 7 januari 2013 ;]3
4° [3 in het kader van een procedure van verlenging van de milieuvergunning voor een risicoactiviteit wanneer de afleverende overheid vaststelt dat de inrichting voor de volledige duur van haar exploitatie niet was uitgerust met preventiemaatregelen ter garantie van de bodembescherming of dat die maatregelen onvoldoende werden gecontroleerd en onderhouden. ]3
§ 3. Er moet een verkennend bodemonderzoek ten laste van de aanvrager van een milieuvergunning voor het uitoefenen van een risicoactiviteit of ten laste van de aanvrager van een uitbreiding van een milieuvergunning, indien het gaat om de toevoeging van een nieuwe risicoactiviteit aan de genoemde vergunning, worden uitgevoerd op de site waar deze risicoactiviteit zal worden uitgeoefend en dit vóór de afgifte van deze nieuwe of uitgebreide milieuvergunning.
§ 4. [3 Vóór de aflevering van de vergunning moet een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning voor handelingen of werken in contact met de bodem op meer dan 20m op een perceel dat in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0 en dat het voorwerp uitmaakt van deze aanvraag. ]3
§ 5. [3 Vóór de aflevering van de vergunning moet een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de aanvrager van een milieuvergunning voor handelingen of werken in contact met de bodem op meer dan 20 m2 op een perceel dat in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0 en dat het voorwerp uitmaakt van deze aanvraag.]3
§ 6. [3 Indien er bij de voorbereiding of de uitvoering van uitgravingswerken]3 een bodemverontreiniging wordt ontdekt moet er binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn op de percelen die het betreffende terrein afbakenen, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de persoon die de uitgravingswerken verricht of voor wiens rekening deze werken verricht worden, of, bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten.
§ 7. Wanneer er op een terrein een gebeurtenis plaatsvindt die bodemverontreiniging veroorzaakt, moet er binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn op de percelen die het terrein afbakenen, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de persoon die de gebeurtenis heeft veroorzaakt of, wanneer het onmogelijk blijkt deze persoon te identificeren, ten laste van de [1 huidige ]1 exploitant van het terrein, of bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten op het terrein.
[3 Vóór of tijdens de uitvoering van een in dit artikel vastgelegd verkennend bodemonderzoek kunnen overeenkomstig artikel 49 noodmaatregelen worden ingevoerd om de onmiddellijke risico's weg te nemen.]3
§ 2. Er moet een verkennend bodemonderzoek ten laste van de [2 huidige]2 exploitant van een risicoactiviteit worden uitgevoerd op de site waar deze risicoactiviteit wordt uitgeoefend en dit :
1°[3 uiterlijk zes maanden na de stopzetting van deze activiteit ;]3
2° vóór de overdracht van de milieuvergunning voor deze risicoactiviteit;
3° [3 in de gevallen voorzien door artikel 18 van het besluit van 21 november 2013 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriële emissies, vóór de eerste actualisering van de voor de inrichting afgeleverde milieuvergunning na 7 januari 2013 ;]3
4° [3 in het kader van een procedure van verlenging van de milieuvergunning voor een risicoactiviteit wanneer de afleverende overheid vaststelt dat de inrichting voor de volledige duur van haar exploitatie niet was uitgerust met preventiemaatregelen ter garantie van de bodembescherming of dat die maatregelen onvoldoende werden gecontroleerd en onderhouden. ]3
§ 3. Er moet een verkennend bodemonderzoek ten laste van de aanvrager van een milieuvergunning voor het uitoefenen van een risicoactiviteit of ten laste van de aanvrager van een uitbreiding van een milieuvergunning, indien het gaat om de toevoeging van een nieuwe risicoactiviteit aan de genoemde vergunning, worden uitgevoerd op de site waar deze risicoactiviteit zal worden uitgeoefend en dit vóór de afgifte van deze nieuwe of uitgebreide milieuvergunning.
§ 4. [3 Vóór de aflevering van de vergunning moet een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning voor handelingen of werken in contact met de bodem op meer dan 20m op een perceel dat in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0 en dat het voorwerp uitmaakt van deze aanvraag. ]3
§ 5. [3 Vóór de aflevering van de vergunning moet een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de aanvrager van een milieuvergunning voor handelingen of werken in contact met de bodem op meer dan 20 m2 op een perceel dat in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0 en dat het voorwerp uitmaakt van deze aanvraag.]3
§ 6. [3 Indien er bij de voorbereiding of de uitvoering van uitgravingswerken]3 een bodemverontreiniging wordt ontdekt moet er binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn op de percelen die het betreffende terrein afbakenen, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de persoon die de uitgravingswerken verricht of voor wiens rekening deze werken verricht worden, of, bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten.
§ 7. Wanneer er op een terrein een gebeurtenis plaatsvindt die bodemverontreiniging veroorzaakt, moet er binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn op de percelen die het terrein afbakenen, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de persoon die de gebeurtenis heeft veroorzaakt of, wanneer het onmogelijk blijkt deze persoon te identificeren, ten laste van de [1 huidige ]1 exploitant van het terrein, of bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten op het terrein.
[3 Vóór of tijdens de uitvoering van een in dit artikel vastgelegd verkennend bodemonderzoek kunnen overeenkomstig artikel 49 noodmaatregelen worden ingevoerd om de onmiddellijke risico's weg te nemen.]3
Art.13. § 1er. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge du titulaire de droits réels sur un terrain inscrit à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 [3 ou une catégorie combinée à 0] ]3, sur les parcelles le délimitant, et ce avant l'aliénation d'un droit réel sur celui-ci.
§ 2. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge de l'exploitant [2 actuel ]2 d'une activité à risque, sur le site où est exploitée cette activité à risque, et ce :
1° [3 au plus tard six mois après la cessation de cette activité ;]3
2° avant la cession du permis d'environnement relatif à cette activité à risque;
3° [3 dans les cas prévus par l'article 18 de l'arrêté du 21 novembre 2013 du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la prévention et la réduction intégrées de la pollution due aux émissions industrielles, avant la première actualisation du permis d'environnement délivrée à l'installation qui intervient après le 7 janvier 2013 ;]3
4° [3 dans le cadre d'une procédure de prolongation du permis d'environnement d'une activité à risque lorsque l'autorité délivrante constate que l'installation n'a pas été équipée pendant toute la durée de son exploitation de mesures de prévention garantissant la protection du sol, ou que celles-ci sont insuffisamment contrôlées et entretenues. ]3
§ 3. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge du demandeur d'un permis d'environnement relatif à l'exploitation d'une activité à risque ou du demandeur d'une extension de permis d'environnement lorsque celle-ci porte sur l'adjonction d'une nouvelle activité à risque audit permis, sur le site où s'exploitera cette activité à risque, et ce avant la délivrance de ce permis d'environnement ou de cette extension.
§ 4. [3 Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge du demandeur d'un permis d'urbanisme visant des actes ou travaux en contact avec le sol sur plus de 20m sur une parcelle inscrite à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0, impliquée par cette demande, et ce avant la délivrance du permis. ]3
§ 5.[3 Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge du demandeur d'un permis d'environnement visant des actes ou travaux en contact avec le sol sur plus de 20 m sur une parcelle inscrite à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0, impliquée par cette demande, et ce avant la délivrance du permis.]3
§ 6. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge de la personne exécutant les travaux d'excavation ou pour le compte de laquelle ces travaux sont exécutés ou, à défaut, du titulaire de droits réels, lorsqu'une pollution du sol est découverte pendant [3 la préparation ou ]3 l'exécution de travaux d'excavation, sur les parcelles délimitant le terrain concerné par cette découverte, dans un délai raisonnable fixé par l'Institut.
§ 7. Lorsqu'un événement ayant engendré une pollution du sol survient sur un terrain, une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée, sur les parcelles délimitant ce terrain, à charge de l'auteur de cet évènement ou, à défaut de pouvoir l'identifier, de l'exploitant [1 actuel ]1du terrain, ou à défaut d'exploitant [3 actuel ]3, du titulaire de droits réels sur ce terrain, dans un délai raisonnable fixé par l'Institut.
[3 Des mesures d'urgence visant l'élimination de risques immédiats peuvent être mises en oeuvre conformément à l'article 49, avant ou pendant la réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol prévue au présent article. ]3
§ 2. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge de l'exploitant [2 actuel ]2 d'une activité à risque, sur le site où est exploitée cette activité à risque, et ce :
1° [3 au plus tard six mois après la cessation de cette activité ;]3
2° avant la cession du permis d'environnement relatif à cette activité à risque;
3° [3 dans les cas prévus par l'article 18 de l'arrêté du 21 novembre 2013 du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la prévention et la réduction intégrées de la pollution due aux émissions industrielles, avant la première actualisation du permis d'environnement délivrée à l'installation qui intervient après le 7 janvier 2013 ;]3
4° [3 dans le cadre d'une procédure de prolongation du permis d'environnement d'une activité à risque lorsque l'autorité délivrante constate que l'installation n'a pas été équipée pendant toute la durée de son exploitation de mesures de prévention garantissant la protection du sol, ou que celles-ci sont insuffisamment contrôlées et entretenues. ]3
§ 3. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge du demandeur d'un permis d'environnement relatif à l'exploitation d'une activité à risque ou du demandeur d'une extension de permis d'environnement lorsque celle-ci porte sur l'adjonction d'une nouvelle activité à risque audit permis, sur le site où s'exploitera cette activité à risque, et ce avant la délivrance de ce permis d'environnement ou de cette extension.
§ 4. [3 Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge du demandeur d'un permis d'urbanisme visant des actes ou travaux en contact avec le sol sur plus de 20m sur une parcelle inscrite à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0, impliquée par cette demande, et ce avant la délivrance du permis. ]3
§ 5.[3 Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge du demandeur d'un permis d'environnement visant des actes ou travaux en contact avec le sol sur plus de 20 m sur une parcelle inscrite à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0, impliquée par cette demande, et ce avant la délivrance du permis.]3
§ 6. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge de la personne exécutant les travaux d'excavation ou pour le compte de laquelle ces travaux sont exécutés ou, à défaut, du titulaire de droits réels, lorsqu'une pollution du sol est découverte pendant [3 la préparation ou ]3 l'exécution de travaux d'excavation, sur les parcelles délimitant le terrain concerné par cette découverte, dans un délai raisonnable fixé par l'Institut.
§ 7. Lorsqu'un événement ayant engendré une pollution du sol survient sur un terrain, une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée, sur les parcelles délimitant ce terrain, à charge de l'auteur de cet évènement ou, à défaut de pouvoir l'identifier, de l'exploitant [1 actuel ]1du terrain, ou à défaut d'exploitant [3 actuel ]3, du titulaire de droits réels sur ce terrain, dans un délai raisonnable fixé par l'Institut.
[3 Des mesures d'urgence visant l'élimination de risques immédiats peuvent être mises en oeuvre conformément à l'article 49, avant ou pendant la réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol prévue au présent article. ]3
[1Onderafdeling II - Bijzondere aanleidinggevende feiten]1
[1 Sous-section II - Faits générateurs particuliers1
[1Onteigening]1
[1Expropriation]1
Art. 13/1. [1 § 1. De overheid die een terrein wenst te onteigenen, verzoekt het Instituut per aangetekend schrijven of via elektronische weg om een bodemattest voor elk betrokken perceel, en dit vóór het voorlopig vonnis. Het attest of de attesten worden verstrekt in overeenstemming met de modaliteiten bedoeld in artikel 12, §§ 3 en 4.
§ 2. Voor een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, moet er op dit terrein een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de onteigenende overheid, vóór het voorlopig vonnis betreffende deze onteigening.
De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, op voorwaarde dat de onteigenende overheid alle verplichtingen vervult inzake onderzoeken en behandeling van de verontreiniging. ]1
§ 2. Voor een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, moet er op dit terrein een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd ten laste van de onteigenende overheid, vóór het voorlopig vonnis betreffende deze onteigening.
De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, op voorwaarde dat de onteigenende overheid alle verplichtingen vervult inzake onderzoeken en behandeling van de verontreiniging. ]1
Art. 13/1. [1 § 1er. L'autorité qui souhaite exproprier un terrain demande par lettre recommandée ou par voie électronique à l'Institut une attestation du sol pour chaque parcelle concernée, avant le jugement provisionnel. La ou les attestations sont délivrées selon les modalités visées à l'article 12, §§ 3 et 4.
§ 2. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge de l'autorité expropriante d'un terrain inscrit à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0, ou dans une catégorie combinée à 0, sur ce terrain, et ce avant le jugement provisoire relatif à cette expropriation.
Les dispositions de la présente ordonnance s'appliquent par analogie, moyennant l'exécution de l'ensemble des obligations relatives aux études et au traitement de la pollution par l'autorité expropriante.]1
§ 2. Une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à charge de l'autorité expropriante d'un terrain inscrit à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0, ou dans une catégorie combinée à 0, sur ce terrain, et ce avant le jugement provisoire relatif à cette expropriation.
Les dispositions de la présente ordonnance s'appliquent par analogie, moyennant l'exécution de l'ensemble des obligations relatives aux études et au traitement de la pollution par l'autorité expropriante.]1
[1Faillissement]1
[1Faillite]1
Art. 13/2. [1 § 1. Wanneer de huidige exploitant van een risicoactiviteit failliet wordt verklaard, brengt de curator het Instituut hiervan binnen 30 dagen na de uitspraak van het vonnis van faillietverklaring op de hoogte.
§ 2. Onverminderd andere wettelijke bepalingen die het faillissement regelen, moet er binnen de termijn die het Instituut heeft bepaald, op initiatief van de curator en ten laste van de boedel, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd op de site waar de risicoactiviteiten plaatsvonden.
De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, doordat de curator de verplichtingen van de gefailleerde ten laste van de boedel vervult. ]1
§ 2. Onverminderd andere wettelijke bepalingen die het faillissement regelen, moet er binnen de termijn die het Instituut heeft bepaald, op initiatief van de curator en ten laste van de boedel, een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd op de site waar de risicoactiviteiten plaatsvonden.
De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, doordat de curator de verplichtingen van de gefailleerde ten laste van de boedel vervult. ]1
Art. 13/2. [1 § 1er. Lorsque l'exploitant actuel d'une activité à risque est déclaré en faillite, le curateur en informe l'Institut dans les 30 jours du prononcé du jugement de déclaration de faillite.
§ 2. Sans préjudice d'autres dispositions légales organisant la faillite, une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à l'initiative du curateur et à charge de la masse, sur le site où a été exploitée l'activité à risque, et ce dans le délai fixé par l'Institut.
Les dispositions de la présente ordonnance s'appliquent par analogie, moyennant la prise en charge des obligations du failli par le curateur à charge de la masse. ]1
§ 2. Sans préjudice d'autres dispositions légales organisant la faillite, une reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée à l'initiative du curateur et à charge de la masse, sur le site où a été exploitée l'activité à risque, et ce dans le délai fixé par l'Institut.
Les dispositions de la présente ordonnance s'appliquent par analogie, moyennant la prise en charge des obligations du failli par le curateur à charge de la masse. ]1
[1Gedwongen verkoop]1
[1Vente forcée]1
Art. 13/3. [1 Artikel 13/3. In afwijking van artikel 13, § 1 kan het verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd binnen een termijn van 120 dagen na het ogenblik waarop de verkoop definitief is geworden ten laste van de koper of de schuldeiser, mits het stellen van een financiële zekerheid uiterlijk op het ogenblik waarop de prijs wordt betaald, indien een perceel dat is opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0 of in een categorie gecombineerd met 0, het voorwerp uitmaakt van een gedwongen verkoop.
De situatie van het goed in de inventaris van de bodemtoestand wordt duidelijk vermeld in de akte van gedwongen verkoop, evenals het bedrag ter financiële zekerheid dat moet worden gesteld overeenkomstig artikel 71, § 1/1.
De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, doordat de koper of de schuldeiser de verplichtingen van de verkoper ten laste neemt. ]1
De situatie van het goed in de inventaris van de bodemtoestand wordt duidelijk vermeld in de akte van gedwongen verkoop, evenals het bedrag ter financiële zekerheid dat moet worden gesteld overeenkomstig artikel 71, § 1/1.
De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, doordat de koper of de schuldeiser de verplichtingen van de verkoper ten laste neemt. ]1
Art. 13/3. [1 En dérogation à l'article 13, § 1er, lorsqu'une parcelle inscrite en catégorie 0 ou dans une catégorie combinée à 0 à l'inventaire de l'état du sol est concernée par une vente forcée, la reconnaissance de l'état du sol peut être réalisée dans les 120 jours après le moment où la vente est devenue définitive, et à charge de l'acheteur ou du créancier moyennant la constitution d'une garantie financière au plus tard au moment du paiement du prix.
La situation du bien à l'inventaire de l'état du sol est clairement mentionnée dans l'acte de vente forcée ainsi que le montant de la garantie financière devant être constituée conformément à l'article 71, § 1er/1.
Les dispositions de la présente ordonnance s'appliquent par analogie, moyennant la prise en charge des obligations du vendeur par l'acheteur ou le créancier. ]1
La situation du bien à l'inventaire de l'état du sol est clairement mentionnée dans l'acte de vente forcée ainsi que le montant de la garantie financière devant être constituée conformément à l'article 71, § 1er/1.
Les dispositions de la présente ordonnance s'appliquent par analogie, moyennant la prise en charge des obligations du vendeur par l'acheteur ou le créancier. ]1
[1Onderafdeling III - Vrijstellingen ]1
[1Dispenses]1
[1Vrijstellingen om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren]1
[1Dispenses de réaliser une reconnaissance de l'état du sol1
Art. 13/4. [1 § 1. Er moet geen nieuw verkennend bodemonderzoek, vereist krachtens deze ordonnantie, worden uitgevoerd indien het betreffende perceel of de betreffende percelen het voorwerp hebben uitgemaakt van een verkennend bodemonderzoek, of in voorkomend geval, van een risico-onderzoek dat concludeerde dat er geen risico's zijn of van een eindbeoordeling, die minder dan een jaar geleden door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht, en indien er zich intussen geen incident heeft voorgedaan dat een bodemverontreiniging zou kunnen veroorzaken en er geen wijziging van de kwetsbaarheidszone heeft plaatsgevonden die de interventienormen strikter zou maken.
§ 2. Er moet geen verkennend bodemonderzoek, vereist krachtens artikel 13, § 3, worden uitgevoerd in de volgende gevallen :
- indien het betrokken perceel of de betrokken percelen niet zijn opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand. Teneinde een eventuele toename van de verontreiniging door het uitoefenen van de risicoactiviteit te identificeren, wordt de bodemtoestand in dat geval op het betreffende perceel of de betreffende percelen bij de aanvang van de risicoactiviteit beschouwd als in overeenstemming met de saneringsnormen ;
- indien het betrokken perceel of de betrokken percelen in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen in een andere categorie dan categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0. Teneinde een eventuele toename van de verontreiniging door het uitoefenen van een risicoactiviteit te identificeren, wordt de bodemtoestand van het betreffende perceel of de betreffende percelen in dat geval bij de aanvang van de risicoactiviteit vastgelegd door het Instituut, op basis van een recent gelijkvormig verklaard of geacht verkennend bodemonderzoek en, in voorkomend geval, op basis van een recent risico-onderzoek dat concludeerde dat er geen risico's zijn of van een recente eindbeoordeling waarvoor een slotverklaring is afgegeven door het Instituut ;
- indien het betreffende perceel of de betreffende percelen in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0 en er minder dan vijftien jaar geleden een verkennend bodemonderzoek, of in voorkomend geval een risico-onderzoek dat concludeerde dat er geen risico's zijn of een eindbeoordeling, door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht. Teneinde een eventuele toename van de verontreiniging door het uitoefenen van een risicoactiviteit te identificeren, wordt de bodemtoestand van het betreffende perceel of de betreffende percelen in dat geval bij de aanvang van de risicoactiviteit vastgelegd door het Instituut, op basis van het meest recent gelijkvormig verklaard of geacht verkennend bodemonderzoek en, in voorkomend geval, op basis van het meest recente risico-onderzoek dat concludeerde dat er geen risico's zijn, of van de meest recente eindbeoordeling waarvoor een slotverklaring is afgegeven door het Instituut.
De persoon die het verkennend bodemonderzoek krachtens artikel 13, § 3, moet uitvoeren, brengt het Instituut ten minste 30 dagen voor het bedoelde aanleidinggevende feit per aangetekend schrijven of via elektronische weg op de hoogte van zijn wens om de bepaling van het eerste lid toe te passen. Bij ontstentenis van een dergelijke kennisgeving kan de bepaling van het eerste lid niet worden toegepast. Het Instituut bevestigt de ontvangst van de kennisgeving per aangetekend schrijven of via elektronische weg binnen 15 dagen na de ontvangst ervan.
§ 3. Het Instituut kan een houder van verplichtingen vrijstellen van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek, vereist op grond van een aanleidinggevend feit bedoeld in artikel 13, uit te voeren of kan de inhoud van dit onderzoek beperken :
- ofwel indien het betrokken perceel of de betrokken percelen in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen in categorie 4, eventueel gecombineerd met 0 ;
- ofwel indien het betrokken perceel of de betrokken percelen in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, waarvoor preventieve maatregelen ter bescherming van de bodem uitgevoerd, gehandhaafd en regelmatig gecontroleerd werden, sinds er een verkennend bodemonderzoek of, in voorkomend geval, een eindbeoordeling die het geheel van het betreffende perceel of de betreffende percelen omvat, door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht en indien de exploitatie niet wordt stopgezet ;
- ofwel indien het technisch niet mogelijk is de nodige boringen geheel of gedeeltelijk uit te voeren of dit wordt verhinderd door een onmogelijkheid in verband met een toegangs- of eigendomsrecht ;
- ofwel indien de gedeeltelijke of volledige uitvoering van de nodige boringen een economische activiteit ernstig zou kunnen verstoren en de desbetreffende activiteit niet wordt stopgezet ;
- ofwel indien het betrokken perceel of de betrokken percelen door meerdere huidige exploitanten worden gebruikt. In dat geval kan een huidige exploitant die het voorwerp uitmaakt van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, aan het Instituut vragen om de omvang van het verkennend bodemonderzoek te beperken tot zijn exploitatieperimeter.
Om volledig te worden vrijgesteld van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, vraagt de persoon die het verkennend bodemonderzoek krachtens artikel 13 moet uitvoeren per aangetekend schrijven of via elektronische weg de vrijstelling bedoeld in deze paragraaf aan bij het Instituut. In dat verband voegt hij bij zijn verzoek de nodige verantwoordings- en bewijsstukken.
Als er een gedeeltelijke vrijstelling wordt gevraagd, moet de aanvraag om vrijstelling gelijktijdig met het verkennend bodemonderzoek worden ingediend, en een gedetailleerde door een erkende bodemverontreinigingsdeskundige opgestelde motivering en de nodige bewijsstukken omvatten. De beslissing van het Instituut over het verzoek om vrijstelling wordt gelijktijdig met de kennisgeving van zijn beslissing over de gelijkvormigheid van het verkennend bodemonderzoek betekend.
Met uitzondering van de gevallen waar er om een gedeeltelijke vrijstelling wordt gevraagd, stelt het Instituut de aanvrager binnen 30 dagen na zijn aanvraag per aangetekend schrijven of via elektronische weg in kennis van zijn beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen of om al dan niet de inhoud van het onderzoek te beperken. De beslissing van het Instituut is met redenen omkleed en stipuleert, in voorkomend geval, de toekenningsvoorwaarden. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het verzoek geacht te zijn goedgekeurd.
§ 4. In het kader van het Gasoliefonds kan het Instituut een houder van verplichtingen vrijstellen van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek, vereist op grond van een aanleidinggevend feit bedoeld in artikel 13, § 1, § 2, 1° en 2°, § 4 en § 5, uit te voeren indien aan volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan :
1° het betrokken perceel of de betrokken percelen zijn in de inventaris van de bodemtoestand opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, uitsluitend omwille van een huidige of vroegere uitbating van één of meerdere gasolietanks, zoals gedefinieerd in artikel 3, 35° ;
2° de site maakt het voorwerp uit van een ontvankelijke en volledige aanvraag tot behandeling van deze tanks bij het Gasoliefonds ;
3° de aanvrager van de tussenkomst verbindt er zich toe om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren in het geval het bodemonderzoek betreffende een gasolietank, om welke reden ook, niet door het Gasoliefonds zou worden uitgevoerd.
De houder van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren stuurt per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut, de bewijzen van de bovengenoemde elementen, zijnde enerzijds de verklaring tot ontvankelijkheid en volledigheid door het sectoraal fonds voor de sanering van de bodem van de aanvraag tot tussenkomst en anderzijds van de verbintenis om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren indien het sectoraal fonds dit bodemonderzoek betreffende een gasolietank niet ten laste neemt. Het Instituut brengt de aanvrager binnen 30 dagen na de aanvraag per aangetekend schrijven of via elektronische weg op de hoogte van zijn beslissing om de vrijstelling al dan niet toe te kennen.
§ 5. Een verkennend bodemonderzoek, zoals vereist in artikel 13, § 1, dient niet uitgevoerd te worden indien het enige motief dat de inschrijving van het of de percelen in de categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, in de inventaris van de bodemtoestand rechtvaardigt, de aflevering van een milieuvergunning is voor een risicoactiviteit die niet of nog niet in gebruik is genomen. In dat geval legt de overdrager van de zakelijke rechten hiervan een verklaring af voor de notaris die gelast is met het verlijden van de authentieke akte. ]1
§ 2. Er moet geen verkennend bodemonderzoek, vereist krachtens artikel 13, § 3, worden uitgevoerd in de volgende gevallen :
- indien het betrokken perceel of de betrokken percelen niet zijn opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand. Teneinde een eventuele toename van de verontreiniging door het uitoefenen van de risicoactiviteit te identificeren, wordt de bodemtoestand in dat geval op het betreffende perceel of de betreffende percelen bij de aanvang van de risicoactiviteit beschouwd als in overeenstemming met de saneringsnormen ;
- indien het betrokken perceel of de betrokken percelen in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen in een andere categorie dan categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0. Teneinde een eventuele toename van de verontreiniging door het uitoefenen van een risicoactiviteit te identificeren, wordt de bodemtoestand van het betreffende perceel of de betreffende percelen in dat geval bij de aanvang van de risicoactiviteit vastgelegd door het Instituut, op basis van een recent gelijkvormig verklaard of geacht verkennend bodemonderzoek en, in voorkomend geval, op basis van een recent risico-onderzoek dat concludeerde dat er geen risico's zijn of van een recente eindbeoordeling waarvoor een slotverklaring is afgegeven door het Instituut ;
- indien het betreffende perceel of de betreffende percelen in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0 en er minder dan vijftien jaar geleden een verkennend bodemonderzoek, of in voorkomend geval een risico-onderzoek dat concludeerde dat er geen risico's zijn of een eindbeoordeling, door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht. Teneinde een eventuele toename van de verontreiniging door het uitoefenen van een risicoactiviteit te identificeren, wordt de bodemtoestand van het betreffende perceel of de betreffende percelen in dat geval bij de aanvang van de risicoactiviteit vastgelegd door het Instituut, op basis van het meest recent gelijkvormig verklaard of geacht verkennend bodemonderzoek en, in voorkomend geval, op basis van het meest recente risico-onderzoek dat concludeerde dat er geen risico's zijn, of van de meest recente eindbeoordeling waarvoor een slotverklaring is afgegeven door het Instituut.
De persoon die het verkennend bodemonderzoek krachtens artikel 13, § 3, moet uitvoeren, brengt het Instituut ten minste 30 dagen voor het bedoelde aanleidinggevende feit per aangetekend schrijven of via elektronische weg op de hoogte van zijn wens om de bepaling van het eerste lid toe te passen. Bij ontstentenis van een dergelijke kennisgeving kan de bepaling van het eerste lid niet worden toegepast. Het Instituut bevestigt de ontvangst van de kennisgeving per aangetekend schrijven of via elektronische weg binnen 15 dagen na de ontvangst ervan.
§ 3. Het Instituut kan een houder van verplichtingen vrijstellen van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek, vereist op grond van een aanleidinggevend feit bedoeld in artikel 13, uit te voeren of kan de inhoud van dit onderzoek beperken :
- ofwel indien het betrokken perceel of de betrokken percelen in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen in categorie 4, eventueel gecombineerd met 0 ;
- ofwel indien het betrokken perceel of de betrokken percelen in de inventaris van de bodemtoestand zijn opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, waarvoor preventieve maatregelen ter bescherming van de bodem uitgevoerd, gehandhaafd en regelmatig gecontroleerd werden, sinds er een verkennend bodemonderzoek of, in voorkomend geval, een eindbeoordeling die het geheel van het betreffende perceel of de betreffende percelen omvat, door het Instituut gelijkvormig werd verklaard of geacht en indien de exploitatie niet wordt stopgezet ;
- ofwel indien het technisch niet mogelijk is de nodige boringen geheel of gedeeltelijk uit te voeren of dit wordt verhinderd door een onmogelijkheid in verband met een toegangs- of eigendomsrecht ;
- ofwel indien de gedeeltelijke of volledige uitvoering van de nodige boringen een economische activiteit ernstig zou kunnen verstoren en de desbetreffende activiteit niet wordt stopgezet ;
- ofwel indien het betrokken perceel of de betrokken percelen door meerdere huidige exploitanten worden gebruikt. In dat geval kan een huidige exploitant die het voorwerp uitmaakt van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, aan het Instituut vragen om de omvang van het verkennend bodemonderzoek te beperken tot zijn exploitatieperimeter.
Om volledig te worden vrijgesteld van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, vraagt de persoon die het verkennend bodemonderzoek krachtens artikel 13 moet uitvoeren per aangetekend schrijven of via elektronische weg de vrijstelling bedoeld in deze paragraaf aan bij het Instituut. In dat verband voegt hij bij zijn verzoek de nodige verantwoordings- en bewijsstukken.
Als er een gedeeltelijke vrijstelling wordt gevraagd, moet de aanvraag om vrijstelling gelijktijdig met het verkennend bodemonderzoek worden ingediend, en een gedetailleerde door een erkende bodemverontreinigingsdeskundige opgestelde motivering en de nodige bewijsstukken omvatten. De beslissing van het Instituut over het verzoek om vrijstelling wordt gelijktijdig met de kennisgeving van zijn beslissing over de gelijkvormigheid van het verkennend bodemonderzoek betekend.
Met uitzondering van de gevallen waar er om een gedeeltelijke vrijstelling wordt gevraagd, stelt het Instituut de aanvrager binnen 30 dagen na zijn aanvraag per aangetekend schrijven of via elektronische weg in kennis van zijn beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen of om al dan niet de inhoud van het onderzoek te beperken. De beslissing van het Instituut is met redenen omkleed en stipuleert, in voorkomend geval, de toekenningsvoorwaarden. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het verzoek geacht te zijn goedgekeurd.
§ 4. In het kader van het Gasoliefonds kan het Instituut een houder van verplichtingen vrijstellen van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek, vereist op grond van een aanleidinggevend feit bedoeld in artikel 13, § 1, § 2, 1° en 2°, § 4 en § 5, uit te voeren indien aan volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan :
1° het betrokken perceel of de betrokken percelen zijn in de inventaris van de bodemtoestand opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, uitsluitend omwille van een huidige of vroegere uitbating van één of meerdere gasolietanks, zoals gedefinieerd in artikel 3, 35° ;
2° de site maakt het voorwerp uit van een ontvankelijke en volledige aanvraag tot behandeling van deze tanks bij het Gasoliefonds ;
3° de aanvrager van de tussenkomst verbindt er zich toe om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren in het geval het bodemonderzoek betreffende een gasolietank, om welke reden ook, niet door het Gasoliefonds zou worden uitgevoerd.
De houder van de verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren stuurt per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut, de bewijzen van de bovengenoemde elementen, zijnde enerzijds de verklaring tot ontvankelijkheid en volledigheid door het sectoraal fonds voor de sanering van de bodem van de aanvraag tot tussenkomst en anderzijds van de verbintenis om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren indien het sectoraal fonds dit bodemonderzoek betreffende een gasolietank niet ten laste neemt. Het Instituut brengt de aanvrager binnen 30 dagen na de aanvraag per aangetekend schrijven of via elektronische weg op de hoogte van zijn beslissing om de vrijstelling al dan niet toe te kennen.
§ 5. Een verkennend bodemonderzoek, zoals vereist in artikel 13, § 1, dient niet uitgevoerd te worden indien het enige motief dat de inschrijving van het of de percelen in de categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, in de inventaris van de bodemtoestand rechtvaardigt, de aflevering van een milieuvergunning is voor een risicoactiviteit die niet of nog niet in gebruik is genomen. In dat geval legt de overdrager van de zakelijke rechten hiervan een verklaring af voor de notaris die gelast is met het verlijden van de authentieke akte. ]1
Art. 13/4. [1 § 1er. Une nouvelle reconnaissance de l'état du sol, requise en vertu de la présente ordonnance, ne doit pas être réalisée lorsque la ou les parcelles concernées ont fait l'objet d'une reconnaissance de l'état du sol ou, le cas échéant, d'une étude de risque concluant à l'absence de risque ou d'une évaluation finale, qui a été déclarée ou réputée conforme par l'Institut il y a moins d'un an et qu'il ne s'y est pas produit entre-temps ni d'incident susceptible de causer une pollution du sol, ni de changement de classe de sensibilité rendant les normes d'intervention plus strictes.
§ 2. Une reconnaissance de l'état du sol, requise en vertu de l'article 13, § 3, ne doit pas être réalisée dans les cas suivants :
- lorsque la ou les parcelles concernées ne sont pas reprises à l'inventaire de l'état du sol. Dans ce cas, afin d'identifier un éventuel accroissement de pollution engendré par l'exploitation de l'activité à risque, l'état du sol de la ou des parcelles concernées au démarrage de l'activité à risque est considéré comme respectant les normes d'assainissement ;
- lorsque la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans une autre catégorie que la catégorie 0 ou les catégories combinées à 0. Dans ce cas, afin d'identifier un éventuel accroissement de pollution engendré par l'exploitation de l'activité à risque, l'état du sol de la ou des parcelles concernées au démarrage de l'activité à risque est fixé par l'Institut, sur la base de la reconnaissance de l'état du sol déclarée ou réputée conforme et, le cas échéant, d'une étude de risque concluant à l'absence de risque ou de l'évaluation finale pour laquelle une déclaration finale a été délivrée par l'Institut, les plus récentes ;
- lorsque la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0, ou une catégorie combinée à 0, et qu'une reconnaissance de l'état du sol et, le cas échéant, une étude de risque concluant à l'absence de risque ou une évaluation finale, a été déclarée ou réputée conforme par l'Institut il y a moins de quinze ans. Dans ce cas, afin d'identifier un éventuel accroissement de pollution engendré par l'exploitation de l'activité à risque, l'état du sol de la ou des parcelles concernées au démarrage de l'activité à risque est fixé par l'Institut, sur la base de la reconnaissance de l'état du sol la plus récente, ou de l'étude de risque la plus récente concluant à l'absence de risque déclarée ou réputée conforme et, le cas échéant, de l'évaluation finale la plus récente pour laquelle une déclaration finale la plus récente a été délivrée par l'Institut.
La personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol en vertu de l'article 13, § 3, notifie à l'Institut par lettre recommandée, ou par voie électronique sa volonté de mettre en application la disposition de l'alinéa 1er, au moins 30 jours avant l'accomplissement du fait générateur visé. A défaut d'une telle notification, la disposition de l'alinéa 1er ne peut être mise en application. L'institut accuse réception de la notification par lettre recommandée ou par voie électronique dans les 15 jours de sa réception.
§ 3. L'institut peut dispenser un titulaire d'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol requise en vertu d'un fait générateur visé à l'article 13, ou limiter le contenu de cette étude :
- soit lorsque la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 4, éventuellement combinée à 0 ;
- soit lorsque la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0 pour laquelle des mesures de prévention garantissant la protection du sol ont été mises en place, entretenues et régulièrement contrôlées depuis qu'une reconnaissance de l'état du sol ou, le cas échéant, une évaluation finale, couvrant l'entièreté de la ou des parcelles concernées, a été déclarée ou réputée conforme par l'Institut et qu'il n'est pas mis fin à l'exploitation ;
- soit lorsqu'une impossibilité technique ou liée à un droit d'accès ou de propriété empêche la réalisation complète ou partielle des forages nécessaires ;
- soit lorsque la réalisation totale ou partielle des forages nécessaires risquerait de perturber gravement une activité économique et qu'il n'est pas mis fin à l'activité en question ;
- soit lorsque la ou les parcelles concernées sont occupées par plusieurs exploitants actuels. Dans ce cas, un exploitant actuel concerné par l'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol peut demander à l'Institut de limiter l'étendue de la reconnaissance de l'état du sol à son périmètre d'exploitation.
Pour une dispense totale de réaliser une reconnaissance de l'état du sol, la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol en vertu de l'article 13 demande à l'Institut par courrier recommandé ou par voie électronique la dispense visée au présent paragraphe. A cette fin, elle joint à sa demande les pièces justificatives et preuves nécessaires.
Si la dispense demandée est partielle, la demande de dispense est introduite simultanément à la reconnaissance de l'état du sol qui comprend une motivation détaillée rédigée par l'expert agréé en pollution du sol ainsi que les pièces justificatives nécessaires. La notification de la décision de l'Institut concernant la demande de dispense est alors réalisée simultanément à la notification de sa décision concernant la conformité de la reconnaissance de l'état du sol.
Hormis les cas où la demande de dispense est partielle, l'Institut notifie au demandeur sa décision d'accorder ou non la dispense ou de limiter le contenu de l'étude à réaliser par lettre recommandée ou par voie électronique dans les 30 jours de la demande. La décision de l'Institut est motivée et précise, le cas échéant, les conditions liées à son accord. En l'absence de notification par l'Institut dans ce délai, la demande est réputée acceptée.
§ 4. Dans le cadre du Fonds gasoil, l'institut peut dispenser un titulaire d'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol requise en vertu d'un fait générateur visé à l'article 13, § 1er, § 2, 1° et 2°, § 4 et § 5, lorsque les conditions suivantes sont remplies de manière cumulative :
1° la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0 exclusivement en raison de l'exploitation passée ou actuelle d'une ou plusieurs citernes à gasoil de chauffage telles que définies à l'article 3, 35° ;
2° le site fait l'objet d'une demande d'intervention recevable et complète concernant ces citernes auprès du Fonds gasoil ;
3° le demandeur de l'intervention s'engage à réaliser une reconnaissance de l'état du sol dans le cas où l'étude de sol relative à une citerne à gasoil, pour quelque raison que ce soit, ne serait pas réalisée par le Fonds gasoil.
La personne tenue de réaliser une reconnaissance de l'état du sol envoie à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique, les preuves des éléments susmentionnés, c'est-à-dire d'une part la preuve de la déclaration de recevabilité et de complétude par le fonds sectoriel d'assainissement du sol de la demande d'intervention et d'autre part de l'engagement à réaliser une reconnaissance de l'état du sol si le fonds sectoriel ne réalise pas l'étude de sol relative à une citerne à gasoil. L'Institut notifie au demandeur sa décision d'accorder ou non la dispense par lettre recommandée ou par voie électronique dans les 30 jours de la demande.
§ 5. Une reconnaissance de l'état du sol, requise en vertu de l'article 13, § 1er, ne doit pas être réalisée lorsque le seul motif justifiant l'inscription de la ou des parcelles à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0, est la délivrance d'un permis d'environnement pour une activité à risque qui n'est pas, ou pas encore, mise en oeuvre. Dans ce cas, le cédant de droits réels en fait la déclaration devant le notaire chargé de passer l'acte authentique.]1
§ 2. Une reconnaissance de l'état du sol, requise en vertu de l'article 13, § 3, ne doit pas être réalisée dans les cas suivants :
- lorsque la ou les parcelles concernées ne sont pas reprises à l'inventaire de l'état du sol. Dans ce cas, afin d'identifier un éventuel accroissement de pollution engendré par l'exploitation de l'activité à risque, l'état du sol de la ou des parcelles concernées au démarrage de l'activité à risque est considéré comme respectant les normes d'assainissement ;
- lorsque la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans une autre catégorie que la catégorie 0 ou les catégories combinées à 0. Dans ce cas, afin d'identifier un éventuel accroissement de pollution engendré par l'exploitation de l'activité à risque, l'état du sol de la ou des parcelles concernées au démarrage de l'activité à risque est fixé par l'Institut, sur la base de la reconnaissance de l'état du sol déclarée ou réputée conforme et, le cas échéant, d'une étude de risque concluant à l'absence de risque ou de l'évaluation finale pour laquelle une déclaration finale a été délivrée par l'Institut, les plus récentes ;
- lorsque la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0, ou une catégorie combinée à 0, et qu'une reconnaissance de l'état du sol et, le cas échéant, une étude de risque concluant à l'absence de risque ou une évaluation finale, a été déclarée ou réputée conforme par l'Institut il y a moins de quinze ans. Dans ce cas, afin d'identifier un éventuel accroissement de pollution engendré par l'exploitation de l'activité à risque, l'état du sol de la ou des parcelles concernées au démarrage de l'activité à risque est fixé par l'Institut, sur la base de la reconnaissance de l'état du sol la plus récente, ou de l'étude de risque la plus récente concluant à l'absence de risque déclarée ou réputée conforme et, le cas échéant, de l'évaluation finale la plus récente pour laquelle une déclaration finale la plus récente a été délivrée par l'Institut.
La personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol en vertu de l'article 13, § 3, notifie à l'Institut par lettre recommandée, ou par voie électronique sa volonté de mettre en application la disposition de l'alinéa 1er, au moins 30 jours avant l'accomplissement du fait générateur visé. A défaut d'une telle notification, la disposition de l'alinéa 1er ne peut être mise en application. L'institut accuse réception de la notification par lettre recommandée ou par voie électronique dans les 15 jours de sa réception.
§ 3. L'institut peut dispenser un titulaire d'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol requise en vertu d'un fait générateur visé à l'article 13, ou limiter le contenu de cette étude :
- soit lorsque la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 4, éventuellement combinée à 0 ;
- soit lorsque la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0 pour laquelle des mesures de prévention garantissant la protection du sol ont été mises en place, entretenues et régulièrement contrôlées depuis qu'une reconnaissance de l'état du sol ou, le cas échéant, une évaluation finale, couvrant l'entièreté de la ou des parcelles concernées, a été déclarée ou réputée conforme par l'Institut et qu'il n'est pas mis fin à l'exploitation ;
- soit lorsqu'une impossibilité technique ou liée à un droit d'accès ou de propriété empêche la réalisation complète ou partielle des forages nécessaires ;
- soit lorsque la réalisation totale ou partielle des forages nécessaires risquerait de perturber gravement une activité économique et qu'il n'est pas mis fin à l'activité en question ;
- soit lorsque la ou les parcelles concernées sont occupées par plusieurs exploitants actuels. Dans ce cas, un exploitant actuel concerné par l'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol peut demander à l'Institut de limiter l'étendue de la reconnaissance de l'état du sol à son périmètre d'exploitation.
Pour une dispense totale de réaliser une reconnaissance de l'état du sol, la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol en vertu de l'article 13 demande à l'Institut par courrier recommandé ou par voie électronique la dispense visée au présent paragraphe. A cette fin, elle joint à sa demande les pièces justificatives et preuves nécessaires.
Si la dispense demandée est partielle, la demande de dispense est introduite simultanément à la reconnaissance de l'état du sol qui comprend une motivation détaillée rédigée par l'expert agréé en pollution du sol ainsi que les pièces justificatives nécessaires. La notification de la décision de l'Institut concernant la demande de dispense est alors réalisée simultanément à la notification de sa décision concernant la conformité de la reconnaissance de l'état du sol.
Hormis les cas où la demande de dispense est partielle, l'Institut notifie au demandeur sa décision d'accorder ou non la dispense ou de limiter le contenu de l'étude à réaliser par lettre recommandée ou par voie électronique dans les 30 jours de la demande. La décision de l'Institut est motivée et précise, le cas échéant, les conditions liées à son accord. En l'absence de notification par l'Institut dans ce délai, la demande est réputée acceptée.
§ 4. Dans le cadre du Fonds gasoil, l'institut peut dispenser un titulaire d'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol requise en vertu d'un fait générateur visé à l'article 13, § 1er, § 2, 1° et 2°, § 4 et § 5, lorsque les conditions suivantes sont remplies de manière cumulative :
1° la ou les parcelles concernées sont reprises à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0 exclusivement en raison de l'exploitation passée ou actuelle d'une ou plusieurs citernes à gasoil de chauffage telles que définies à l'article 3, 35° ;
2° le site fait l'objet d'une demande d'intervention recevable et complète concernant ces citernes auprès du Fonds gasoil ;
3° le demandeur de l'intervention s'engage à réaliser une reconnaissance de l'état du sol dans le cas où l'étude de sol relative à une citerne à gasoil, pour quelque raison que ce soit, ne serait pas réalisée par le Fonds gasoil.
La personne tenue de réaliser une reconnaissance de l'état du sol envoie à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique, les preuves des éléments susmentionnés, c'est-à-dire d'une part la preuve de la déclaration de recevabilité et de complétude par le fonds sectoriel d'assainissement du sol de la demande d'intervention et d'autre part de l'engagement à réaliser une reconnaissance de l'état du sol si le fonds sectoriel ne réalise pas l'étude de sol relative à une citerne à gasoil. L'Institut notifie au demandeur sa décision d'accorder ou non la dispense par lettre recommandée ou par voie électronique dans les 30 jours de la demande.
§ 5. Une reconnaissance de l'état du sol, requise en vertu de l'article 13, § 1er, ne doit pas être réalisée lorsque le seul motif justifiant l'inscription de la ou des parcelles à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0, est la délivrance d'un permis d'environnement pour une activité à risque qui n'est pas, ou pas encore, mise en oeuvre. Dans ce cas, le cédant de droits réels en fait la déclaration devant le notaire chargé de passer l'acte authentique.]1
[1Afwijking betreffende de gedwongen mede-eigendom]1
[1Dérogation relative à la copropriété forcée1
Art. 13/5. [1 In afwijking van artikel 13, § 1 kan het Instituut een houder van zakelijke rechten op een kavel die deel uitmaakt van een gedwongen mede-eigendom, als gedefinieerd in artikel 577-3 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, vrijstelling verlenen van de verplichting een verkennend bodemonderzoek uit te voeren of de inhoud van dit onderzoek beperken, indien de mede-eigendom een terrein omvat dat in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 0 of een categorie gecombineerd met 0, indien de aanwijzing op verontreiniging niet enkel deze kavel betreft.
Elke aanvraag om vrijstelling moet per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut worden gericht. Het Instituut stelt de aanvrager binnen 30 dagen na de aanvraag per aangetekend schrijven of via elektronische weg in kennis van zijn met redenen omklede beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen of om al dan niet de inhoud van het onderzoek te beperken. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het verzoek geacht te zijn goedgekeurd. Een vrijstelling, met inbegrip van degene die goedgekeurd is geacht, is slechts geldig als vooraf een geldig bodemattest werd afgeleverd door het Instituut.
§ 2. In het geval bedoeld in § 1, indien het vermoeden van verontreiniging niet enkel op een andere kavel betrekking heeft, kan het Instituut opleggen dat de verplichting tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en de eventuele verplichtingen die daaruit zouden voortvloeien, ten laste zijn van de vereniging van mede-eigenaars. Deze beslissing wordt met redenen omkleed en binnen 30 dagen na de vrijstellingsaanvraag betekend aan de vereniging van mede-eigenaars.
§ 3. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van dit artikel bepalen. ]1
Elke aanvraag om vrijstelling moet per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut worden gericht. Het Instituut stelt de aanvrager binnen 30 dagen na de aanvraag per aangetekend schrijven of via elektronische weg in kennis van zijn met redenen omklede beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen of om al dan niet de inhoud van het onderzoek te beperken. Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het verzoek geacht te zijn goedgekeurd. Een vrijstelling, met inbegrip van degene die goedgekeurd is geacht, is slechts geldig als vooraf een geldig bodemattest werd afgeleverd door het Instituut.
§ 2. In het geval bedoeld in § 1, indien het vermoeden van verontreiniging niet enkel op een andere kavel betrekking heeft, kan het Instituut opleggen dat de verplichting tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en de eventuele verplichtingen die daaruit zouden voortvloeien, ten laste zijn van de vereniging van mede-eigenaars. Deze beslissing wordt met redenen omkleed en binnen 30 dagen na de vrijstellingsaanvraag betekend aan de vereniging van mede-eigenaars.
§ 3. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van dit artikel bepalen. ]1
Art. 13/5. [1 En dérogation à l'article 13, § 1er, l'Institut peut dispenser de la réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou limiter le contenu de cette étude à charge d'un titulaire de droits réels sur un lot compris au sein d'une copropriété forcée, telle que définie aux articles 577-3 et suivants du Code civil, si la copropriété comprend un terrain inscrit à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 ou une catégorie combinée à 0, lorsque la présomption de pollution ne concerne pas exclusivement ce lot.
Toute demande de dispense doit être adressée à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique. L'Institut notifie au demandeur sa décision motivée d'accorder ou non la dispense ou de limiter le contenu de l'étude à réaliser par lettre recommandée ou par voie électronique dans les 30 jours de la demande. En l'absence de notification par l'Institut dans ce délai, la dispense est réputée accordée. Une dispense, en ce compris celle réputée accordée, n'est valide que si une attestation du sol valide a déjà été délivrée au préalable par l'Institut.
§ 2. Dans le cas visé au § 1er, lorsque la présomption de pollution ne concerne pas exclusivement un autre lot, l'Institut peut imposer que l'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol et les éventuelles obligations qui en découleraient reposent sur l'association des copropriétaires. Cette décision est motivée et notifiée à l'association des copropriétaires dans les 30 jours de la demande de dispense.
§ 3. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application du présent article.]1
Toute demande de dispense doit être adressée à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique. L'Institut notifie au demandeur sa décision motivée d'accorder ou non la dispense ou de limiter le contenu de l'étude à réaliser par lettre recommandée ou par voie électronique dans les 30 jours de la demande. En l'absence de notification par l'Institut dans ce délai, la dispense est réputée accordée. Une dispense, en ce compris celle réputée accordée, n'est valide que si une attestation du sol valide a déjà été délivrée au préalable par l'Institut.
§ 2. Dans le cas visé au § 1er, lorsque la présomption de pollution ne concerne pas exclusivement un autre lot, l'Institut peut imposer que l'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol et les éventuelles obligations qui en découleraient reposent sur l'association des copropriétaires. Cette décision est motivée et notifiée à l'association des copropriétaires dans les 30 jours de la demande de dispense.
§ 3. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application du présent article.]1
[1Onderafdeling IV - Inhoud en uitvoering van het verkennend bodemonderzoek ]1
[1 Sous-section IV - Contenu et réalisation de la reconnaissance de l'état du sol]1
Doel en inhoud
Objectif et contenu.
Art.14. § 1. Het verkennend bodemonderzoek bepaalt de toestand van de bodem door een eventuele bodemverontreiniging aan het licht te brengen. Het houdt een beperkte monsterneming in, rekening houdend met onder andere de vermoedelijke locatie van de verontreiniging, waarvan de analyseresultaten met de interventie- en saneringsnormen worden vergeleken.
§ 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op een zone waarvan de grenzen overeenstemmen met de grenzen van één of meer percelen [1 , behoudens bepaling zoals bedoeld in artikel 13/1, § 2.]1.
[1 Onverminderd de bepalingen zoals bedoeld in artikel 13/4 kan het Instituut de omvang van de zone die het voorwerp uitmaakt van een verkennend bodemonderzoek beperken op basis van een met redenen omkleed verzoek dat per aangetekend schrijven of via elektronische weg werd overgemaakt. Het Instituut beslist over een dergelijk verzoek binnen 30 dagen.]1
§ 3. Het verkennend bodemonderzoek formuleert met redenen omklede conclusies per perceel wat betreft de raming van de omvang en de aard van de verontreiniging, de noodzaak om al dan niet een gedetailleerd onderzoek uit te voeren en in voorkomend geval de termijn waarbinnen een dergelijk onderzoek aan het Instituut betekend moet [1 worden ]1.
Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name het potentiële gevaar van de verontreiniging voor het milieu en de gezondheid alsmede het gebruik van het terrein.
[1 Het verkennend bodemonderzoek bepaalt eveneens het type of de types van verontreiniging (eenmalige verontreiniging, gemengde verontreiniging of weesverontreiniging) en in voorkomend geval de te nemen follow-up- of noodmaatregelen. Het onderscheidt eventueel de toename van de verontreiniging. Het kan de bodemverontreiniging afbakenen. ]1
[1 § 3/1. Het verkennend bodemonderzoek geldt als gedetailleerd onderzoek indien het verkennend bodemonderzoek de bodemverontreiniging reeds heeft afgebakend. In dat geval bepaalt het de termijn waarbinnen een risico-onderzoek of een saneringsvoorstel aan het Instituut moet worden betekend.
Het verkennend bodemonderzoek omvat een vereenvoudigde risicobeoordeling indien het gaat om een weesverontreiniging in de gevallen bedoeld in artikel 19, § 1, 2°, en deze beoordeling geldt als risico-onderzoek.]1
§ 4. De Regering bepaalt de type-inhoud en de algemene uitvoeringsmodaliteiten van het verkennend bodemonderzoek.
§ 5. De Regering bepaalt de criteria op basis waarvan een krachtens andere wetgevingen uitgevoerd bodemonderzoek kan worden gelijkgesteld met een verkennend bodemonderzoek krachtens deze ordonnantie.
§ 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op een zone waarvan de grenzen overeenstemmen met de grenzen van één of meer percelen [1 , behoudens bepaling zoals bedoeld in artikel 13/1, § 2.]1.
[1 Onverminderd de bepalingen zoals bedoeld in artikel 13/4 kan het Instituut de omvang van de zone die het voorwerp uitmaakt van een verkennend bodemonderzoek beperken op basis van een met redenen omkleed verzoek dat per aangetekend schrijven of via elektronische weg werd overgemaakt. Het Instituut beslist over een dergelijk verzoek binnen 30 dagen.]1
§ 3. Het verkennend bodemonderzoek formuleert met redenen omklede conclusies per perceel wat betreft de raming van de omvang en de aard van de verontreiniging, de noodzaak om al dan niet een gedetailleerd onderzoek uit te voeren en in voorkomend geval de termijn waarbinnen een dergelijk onderzoek aan het Instituut betekend moet [1 worden ]1.
Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name het potentiële gevaar van de verontreiniging voor het milieu en de gezondheid alsmede het gebruik van het terrein.
[1 Het verkennend bodemonderzoek bepaalt eveneens het type of de types van verontreiniging (eenmalige verontreiniging, gemengde verontreiniging of weesverontreiniging) en in voorkomend geval de te nemen follow-up- of noodmaatregelen. Het onderscheidt eventueel de toename van de verontreiniging. Het kan de bodemverontreiniging afbakenen. ]1
[1 § 3/1. Het verkennend bodemonderzoek geldt als gedetailleerd onderzoek indien het verkennend bodemonderzoek de bodemverontreiniging reeds heeft afgebakend. In dat geval bepaalt het de termijn waarbinnen een risico-onderzoek of een saneringsvoorstel aan het Instituut moet worden betekend.
Het verkennend bodemonderzoek omvat een vereenvoudigde risicobeoordeling indien het gaat om een weesverontreiniging in de gevallen bedoeld in artikel 19, § 1, 2°, en deze beoordeling geldt als risico-onderzoek.]1
§ 4. De Regering bepaalt de type-inhoud en de algemene uitvoeringsmodaliteiten van het verkennend bodemonderzoek.
§ 5. De Regering bepaalt de criteria op basis waarvan een krachtens andere wetgevingen uitgevoerd bodemonderzoek kan worden gelijkgesteld met een verkennend bodemonderzoek krachtens deze ordonnantie.
Art.14. § 1er. La reconnaissance de l'état du sol détermine l'état du sol en mettant en évidence une pollution éventuelle du sol. Elle implique un prélèvement limité d'échantillons tenant compte, entre autres, de la localisation présumée de la pollution, dont les résultats d'analyse sont comparés aux normes d'intervention et d'assainissement.
§ 2. La reconnaissance de l'état du sol est réalisée sur une zone délimitée par l'entièreté d'une ou de plusieurs parcelles [1 , sauf disposition prévue à l'article 13/1, § 2.]1.
[1 Sans préjudice des dispositions prévues à l'article 13/4, l'Institut peut réduire l'étendue de la zone couverte par une reconnaissance de l'état du sol sur la base d'une demande motivée introduite par lettre recommandée ou par voie électronique. L'Institut statue sur une telle demande dans un délai de 30 jours. ]1
§ 3. La reconnaissance de l'état du sol formule des conclusions motivées par parcelle, quant à l'estimation de l'ampleur et de la nature de la pollution, à la nécessité ou non de réaliser une étude détaillée et, le cas échéant, quant au délai de notification à l'Institut d'une telle étude.
Ce délai tient notamment compte du danger potentiel de la pollution pour l'environnement et la santé ainsi que de l'utilisation du terrain.
[1 La reconnaissance de l'état du sol détermine également le ou les types de pollutions (pollution unique, mélangée ou orpheline) et, le cas échéant, les mesures de suivi ou d'urgence à prendre. Elle distingue éventuellement l'accroissement de pollution. Elle peut délimiter la pollution du sol. ]1
[1 § 3/1. La reconnaissance de l'état du sol vaut étude détaillée lorsque la reconnaissance de l'état du sol a déjà délimité la pollution du sol, auquel cas elle détermine le délai de notification à l'Institut d'une étude de risque ou d'un projet d'assainissement.
La reconnaissance de l'état du sol comprend une évaluation simplifiée des risques lorsqu'il s'agit d'une pollution orpheline dans les cas visés à l'article 19, § 1er, 2°, et cette évaluation vaut étude de risque. ]1
§ 4. Le gouvernement arrête le contenu type et les modalités générales d'exécution de la reconnaissance de l'état du sol.
§ 5. Le gouvernement arrête les critères d'assimilation à une reconnaissance de l'état du sol par l'Institut, d'études du sol réalisées en vertu d'autres législations.
§ 2. La reconnaissance de l'état du sol est réalisée sur une zone délimitée par l'entièreté d'une ou de plusieurs parcelles [1 , sauf disposition prévue à l'article 13/1, § 2.]1.
[1 Sans préjudice des dispositions prévues à l'article 13/4, l'Institut peut réduire l'étendue de la zone couverte par une reconnaissance de l'état du sol sur la base d'une demande motivée introduite par lettre recommandée ou par voie électronique. L'Institut statue sur une telle demande dans un délai de 30 jours. ]1
§ 3. La reconnaissance de l'état du sol formule des conclusions motivées par parcelle, quant à l'estimation de l'ampleur et de la nature de la pollution, à la nécessité ou non de réaliser une étude détaillée et, le cas échéant, quant au délai de notification à l'Institut d'une telle étude.
Ce délai tient notamment compte du danger potentiel de la pollution pour l'environnement et la santé ainsi que de l'utilisation du terrain.
[1 La reconnaissance de l'état du sol détermine également le ou les types de pollutions (pollution unique, mélangée ou orpheline) et, le cas échéant, les mesures de suivi ou d'urgence à prendre. Elle distingue éventuellement l'accroissement de pollution. Elle peut délimiter la pollution du sol. ]1
[1 § 3/1. La reconnaissance de l'état du sol vaut étude détaillée lorsque la reconnaissance de l'état du sol a déjà délimité la pollution du sol, auquel cas elle détermine le délai de notification à l'Institut d'une étude de risque ou d'un projet d'assainissement.
La reconnaissance de l'état du sol comprend une évaluation simplifiée des risques lorsqu'il s'agit d'une pollution orpheline dans les cas visés à l'article 19, § 1er, 2°, et cette évaluation vaut étude de risque. ]1
§ 4. Le gouvernement arrête le contenu type et les modalités générales d'exécution de la reconnaissance de l'état du sol.
§ 5. Le gouvernement arrête les critères d'assimilation à une reconnaissance de l'état du sol par l'Institut, d'études du sol réalisées en vertu d'autres législations.
Wijzigingen
Uitvoering, kennisgeving en gelijkvormigheidsverklaring.
Réalisation, notification et déclaration de conformité.
Art.15. § 1. Het verkennend bodemonderzoek wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige uitgevoerd.
§ 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3.
§ 3. Na ontvangst van het verkennend bodemonderzoek [6 ,waaronder ook de verkennende bodemonderzoeken volgens artikel 14, § 3/1]6 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om :
- ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [5 aanvullingen]5 op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het verkennend bodemonderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.
§ 4. In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het verkennend bodemonderzoek de termijn waarbinnen het gedetailleerd onderzoek [6 , het risico-onderzoek en het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel ]6 in voorkomend geval aan het Instituut betekend moet worden. De gelijkvormigheidsverklaring bepaalt [6 ...]6 het type of de types verontreiniging. Het Instituut kan eveneens [2 noodmaatregelen]2 voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de [4 huidige]4 exploitant van een risicoactiviteit op het terrein.
§ 5. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 3, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies goedgekeurd geacht en wordt het verkennend bodemonderzoek als gelijkvormig beschouwd.
[6 § 6. - Indien een perceel in de inventaris van de bodemtoestand wordt opgenomen in categorie 2 naar aanleiding van een verkennend bodemonderzoek, blijft dit geldig zolang de elementen die in aanmerking worden genomen om de kwetsbaarheidszone en bijgevolg de interventienormen te bepalen, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, niet worden gewijzigd. Bij afgifte, na het verkennend bodemonderzoek, van een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning voor dit perceel die er de kwetsbaarheidszone zodanig van wijzigt dat de interventienormen strikter worden, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, moet het verkennend bodemonderzoek vóór de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van deze attesten, stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, worden geactualiseerd ten laste van de aanvrager van het attest of de vergunning. ]6
§ 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3.
§ 3. Na ontvangst van het verkennend bodemonderzoek [6 ,waaronder ook de verkennende bodemonderzoeken volgens artikel 14, § 3/1]6 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om :
- ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [5 aanvullingen]5 op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het verkennend bodemonderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.
§ 4. In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het verkennend bodemonderzoek de termijn waarbinnen het gedetailleerd onderzoek [6 , het risico-onderzoek en het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel ]6 in voorkomend geval aan het Instituut betekend moet worden. De gelijkvormigheidsverklaring bepaalt [6 ...]6 het type of de types verontreiniging. Het Instituut kan eveneens [2 noodmaatregelen]2 voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de [4 huidige]4 exploitant van een risicoactiviteit op het terrein.
§ 5. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 3, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies goedgekeurd geacht en wordt het verkennend bodemonderzoek als gelijkvormig beschouwd.
[6 § 6. - Indien een perceel in de inventaris van de bodemtoestand wordt opgenomen in categorie 2 naar aanleiding van een verkennend bodemonderzoek, blijft dit geldig zolang de elementen die in aanmerking worden genomen om de kwetsbaarheidszone en bijgevolg de interventienormen te bepalen, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, niet worden gewijzigd. Bij afgifte, na het verkennend bodemonderzoek, van een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning voor dit perceel die er de kwetsbaarheidszone zodanig van wijzigt dat de interventienormen strikter worden, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, moet het verkennend bodemonderzoek vóór de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van deze attesten, stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, worden geactualiseerd ten laste van de aanvrager van het attest of de vergunning. ]6
Wijzigingen
Art.15. § 1er. La reconnaissance de l'état du sol est réalisée par un expert en pollution du sol.
§ 2. La reconnaissance de l'état du sol est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3.
§ 3. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de la reconnaissance de l'état du sol [6 , en ce compris les reconnaissances prévues à l'article 14, § 3/1, ]6 pour :
- soit la déclarer conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit imposer des [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour déclarer la reconnaissance de l'état du sol conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
§ 4. Dans la déclaration de conformité, l'Institut détermine, sur la base des conclusions de la reconnaissance de l'état du sol, le délai dans lequel l'étude détaillée [6 , l'étude de risque ou le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement ]6 doit, le cas échéant, lui être notifiée. La déclaration de conformité détermine[6 ...]6 le ou les types de pollutions. L'Institut peut également prescrire des [2 mesures d'urgence]2 La déclaration de conformité est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol, au titulaire de droits réels et, le cas échéant, à l'exploitant [4 actuel ]4 d'une activité à risque sur le terrain.
§ 5. En l'absence de déclaration de conformité par l'Institut dans les délais visés au § 3, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et la reconnaissance de l'état du sol est réputée conforme.
[6 § 6. - Lorsqu'une parcelle est inscrite en catégorie 2 à l'inventaire de l'état du sol suite à une reconnaissance de l'état du sol, celle-ci reste valide aussi longtemps que les éléments pris en compte pour déterminer la classe de sensibilité, et en conséquence les normes d'intervention, conformément à l'article 3, 10° et 12°, ne sont pas modifiés. En cas de délivrance, postérieure à la reconnaissance de l'état du sol, d'un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif à cette parcelle, qui en modifie la classe de sensibilité de telle manière que les normes d'intervention deviennent plus strictes, conformément à l'article 3, 10° et 12°, une actualisation de la reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée avant les actes et travaux couverts par ces certificats, permis d'urbanisme ou permis de lotir, à charge du demandeur du certificat ou permis. ]6
§ 2. La reconnaissance de l'état du sol est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3.
§ 3. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de la reconnaissance de l'état du sol [6 , en ce compris les reconnaissances prévues à l'article 14, § 3/1, ]6 pour :
- soit la déclarer conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit imposer des [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour déclarer la reconnaissance de l'état du sol conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
§ 4. Dans la déclaration de conformité, l'Institut détermine, sur la base des conclusions de la reconnaissance de l'état du sol, le délai dans lequel l'étude détaillée [6 , l'étude de risque ou le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement ]6 doit, le cas échéant, lui être notifiée. La déclaration de conformité détermine[6 ...]6 le ou les types de pollutions. L'Institut peut également prescrire des [2 mesures d'urgence]2 La déclaration de conformité est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol, au titulaire de droits réels et, le cas échéant, à l'exploitant [4 actuel ]4 d'une activité à risque sur le terrain.
§ 5. En l'absence de déclaration de conformité par l'Institut dans les délais visés au § 3, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et la reconnaissance de l'état du sol est réputée conforme.
[6 § 6. - Lorsqu'une parcelle est inscrite en catégorie 2 à l'inventaire de l'état du sol suite à une reconnaissance de l'état du sol, celle-ci reste valide aussi longtemps que les éléments pris en compte pour déterminer la classe de sensibilité, et en conséquence les normes d'intervention, conformément à l'article 3, 10° et 12°, ne sont pas modifiés. En cas de délivrance, postérieure à la reconnaissance de l'état du sol, d'un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif à cette parcelle, qui en modifie la classe de sensibilité de telle manière que les normes d'intervention deviennent plus strictes, conformément à l'article 3, 10° et 12°, une actualisation de la reconnaissance de l'état du sol doit être réalisée avant les actes et travaux couverts par ces certificats, permis d'urbanisme ou permis de lotir, à charge du demandeur du certificat ou permis. ]6
Wijzigingen
Gezamenlijke onderzoeken.
Etudes conjointes.
Art.16. De persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren, kan onmiddellijk na het verkennend bodemonderzoek voor eigen rekening een gedetailleerd onderzoek laten uitvoeren, zonder tussentijdse kennisgeving aan het Instituut van het eerste onderzoek. [1 De bodemverontreinigingsdeskundige moet de houder van verplichtingen informeren over de voordelen van deze combinatie van onderzoeken.]1
In dat geval worden het verkennend bodemonderzoek en het gedetailleerd onderzoek gezamenlijk betekend aan het Instituut. De bepalingen van artikelen 15, 26 en 27 zijn naar analogie van toepassing.
In dat geval worden het verkennend bodemonderzoek en het gedetailleerd onderzoek gezamenlijk betekend aan het Instituut. De bepalingen van artikelen 15, 26 en 27 zijn naar analogie van toepassing.
Art.16. La personne tenue de réaliser une reconnaissance de l'état du sol peut faire réaliser, à sa charge, une étude détaillée immédiatement après la reconnaissance de l'état du sol sans notification intermédiaire de cette dernière à l'Institut. [1 L'expert en pollution du sol doit informer le titulaire d'obligations des avantages que présente cette combinaison d'étude. ]1
Dans ce cas, la reconnaissance de l'état du sol et l'étude détaillée sont notifiées simultanément à l'Institut. Les dispositions des articles 15, 26 et 27 s'appliquent par analogie.
Dans ce cas, la reconnaissance de l'état du sol et l'étude détaillée sont notifiées simultanément à l'Institut. Les dispositions des articles 15, 26 et 27 s'appliquent par analogie.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Behandeling van verontreinigde terreinen.
CHAPITRE III. - Traitement des terrains pollués.
Afdeling I. - Beginselen.
Section Ire. - Principes.
Termijnen voor de behandeling van de verontreiniging.
Délais de traitement de la pollution.
Art.17. § 1. De verplichte behandeling van de bodemverontreiniging die voortvloeit uit de conclusies van een door het Instituut gelijkvormig verklaard of geacht verkennend bodemonderzoek [2 of van een bodemonderzoek betreffende een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem ]2, moet vervuld worden vóór :
1° [2 de vervreemding van zakelijke rechten op het terrein waarop deze verplichting betrekking heeft, behalve in een van de volgende hypotheses :
- de persoon die de zakelijke rechten vervreemdt heeft geen financiële, toezichts- of beheersband met de houder van een verplichting inzake behandeling van verontreiniging ;
- de vervreemding van zakelijke rechten heeft betrekking op een kavel in een gedwongen mede-eigendom, zoals bepaald in artikelen 577-3 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en hetzij de verplichting tot behandeling niet enkel de houder van zakelijke rechten van deze kavel toekomt, hetzij deze kavel niet in contact is met de bodem ;
- de vervreemding van zakelijke rechten gebeurt via een onteigeningsprocedure, als bedoeld in artikel 13/1 ; ]2
2° [2 ...]2
3° de uitvoering van handelingen en werken of de ingebruikneming van een inrichting die van dien aard zijn dat ze de behandeling of latere controle van de bodemverontreiniging belemmeren, of van dien aard zijn dat ze de blootstelling van personen of het milieu aan de door de bodemverontreiniging veroorzaakte risico's op het terrein waarop deze verplichting betrekking heeft, verhogen;
§ 2. In afwijking van § 1, 1°[2 ...]2°, [2 kan]2 de vervreemding van een zakelijk recht [2 ...]2 plaatsvinden vóór de behandeling van de bodemverontreiniging, indien aan volgende voorwaarden voldaan is :
[2 ...]2
[2 1°]2 de houder van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging heeft zich ertoe verbonden om deze binnen een door het Instituut goedgekeurd tijdschema te vervullen;
[2 2°]2 er is een financiële zekerheid gesteld die deze verbintenis dekt in overeenstemming met artikel 71 [2 , § 1;]2
[2 3° voor zover het onderstaande gelijkvormig verklaard of geacht werd :
- een verkennend bodemonderzoek indien het gaat om weesverontreinigingen ;
- een risico-onderzoek, indien het gaat om gemengde of eenmalige verontreinigingen die moeten worden behandeld door middel van risicobeheer ;
- een gedetailleerd onderzoek, indien het gaat om gemengde of eenmalige verontreinigingen die moeten worden behandeld door middel van een sanering;]2
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut een voorstel betreffende het tijdschema van behandeling van de bodemverontreiniging en betreffende het bedrag van de financiële zekerheid. Na ontvangst van deze voorstellen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen.
[2 § 3. In afwijking van § 1, 1° kan de vervreemding van een zakelijk recht plaatsvinden vóór de behandeling van de gemengde of eenmalige bodemverontreiniging, ongeacht het type van behandeling, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° een verkennend bodemonderzoek werd gelijkvormig verklaard of geacht ;
2° de houder van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging heeft zich ertoe verbonden om deze binnen een door het Instituut goedgekeurd tijdschema te vervullen ;
3° er is een financiële zekerheid gesteld die deze verbintenis dekt in overeenstemming met artikel 71, § 1/1.
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut een voorstel betreffende het tijdschema van behandeling van de bodemverontreiniging en betreffende het bedrag van de financiële zekerheid. Na ontvangst van deze voorstellen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen. Na het verstrijken van deze termijn wordt het voorstel geacht te zijn aanvaard.]2
[2 § 4. In afwijking van § 1, 1° kan de vervreemding van een zakelijk recht plaatsvinden vóór de behandeling van de bodemverontreiniging die voortvloeit uit een bodemonderzoek betreffende een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de behandeling betreft uitsluitend een verontreiniging die ten laste wordt genomen door een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem ;
2° de houder van de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging, verbindt er zich solidair met de aanvrager van de tussenkomst toe om de behandeling van de verontreiniging uit te voeren in het geval deze, om welke reden dan ook, niet door het sectoraal fonds voor de sanering van de bodem zou worden uitgevoerd.
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven of via elektronische weg, de bewijzen van de bovengenoemde elementen, zijnde enerzijds de verklaring tot ontvankelijkheid en volledigheid door het sectoraal fonds voor de sanering van de bodem van de aanvraag tot tussenkomst en anderzijds van de verbintenissen, solidair genomen met de aanvrager van de tussenkomst, om de verontreiniging te behandelen indien het sectoraal fonds deze verontreiniging niet ten laste neemt.
Na ontvangst van deze documenten heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen. Na het verstrijken van deze termijn wordt het voorstel geacht te zijn aanvaard.]2
[2 § 5. Bij afwijking van § 1, 1°, kan de vervreemding van een zakelijk recht ook plaatsvinden vóór de behandeling van de bodemverontreiniging, wanneer de behandeling uitsluitend betrekking heeft op een verontreiniging die wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 70.]2
[2 § 6. Wanneer de behandeling tezelfdertijd verontreinigingen beoogt die door een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem ten laste worden genomen en andere niet, dan kunnen de bepalingen van § 2, § 3, § 4 en § 5 simultaan worden toegepast. ]2
1° [2 de vervreemding van zakelijke rechten op het terrein waarop deze verplichting betrekking heeft, behalve in een van de volgende hypotheses :
- de persoon die de zakelijke rechten vervreemdt heeft geen financiële, toezichts- of beheersband met de houder van een verplichting inzake behandeling van verontreiniging ;
- de vervreemding van zakelijke rechten heeft betrekking op een kavel in een gedwongen mede-eigendom, zoals bepaald in artikelen 577-3 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en hetzij de verplichting tot behandeling niet enkel de houder van zakelijke rechten van deze kavel toekomt, hetzij deze kavel niet in contact is met de bodem ;
- de vervreemding van zakelijke rechten gebeurt via een onteigeningsprocedure, als bedoeld in artikel 13/1 ; ]2
2° [2 ...]2
3° de uitvoering van handelingen en werken of de ingebruikneming van een inrichting die van dien aard zijn dat ze de behandeling of latere controle van de bodemverontreiniging belemmeren, of van dien aard zijn dat ze de blootstelling van personen of het milieu aan de door de bodemverontreiniging veroorzaakte risico's op het terrein waarop deze verplichting betrekking heeft, verhogen;
§ 2. In afwijking van § 1, 1°[2 ...]2°, [2 kan]2 de vervreemding van een zakelijk recht [2 ...]2 plaatsvinden vóór de behandeling van de bodemverontreiniging, indien aan volgende voorwaarden voldaan is :
[2 ...]2
[2 1°]2 de houder van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging heeft zich ertoe verbonden om deze binnen een door het Instituut goedgekeurd tijdschema te vervullen;
[2 2°]2 er is een financiële zekerheid gesteld die deze verbintenis dekt in overeenstemming met artikel 71 [2 , § 1;]2
[2 3° voor zover het onderstaande gelijkvormig verklaard of geacht werd :
- een verkennend bodemonderzoek indien het gaat om weesverontreinigingen ;
- een risico-onderzoek, indien het gaat om gemengde of eenmalige verontreinigingen die moeten worden behandeld door middel van risicobeheer ;
- een gedetailleerd onderzoek, indien het gaat om gemengde of eenmalige verontreinigingen die moeten worden behandeld door middel van een sanering;]2
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut een voorstel betreffende het tijdschema van behandeling van de bodemverontreiniging en betreffende het bedrag van de financiële zekerheid. Na ontvangst van deze voorstellen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen.
[2 § 3. In afwijking van § 1, 1° kan de vervreemding van een zakelijk recht plaatsvinden vóór de behandeling van de gemengde of eenmalige bodemverontreiniging, ongeacht het type van behandeling, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° een verkennend bodemonderzoek werd gelijkvormig verklaard of geacht ;
2° de houder van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging heeft zich ertoe verbonden om deze binnen een door het Instituut goedgekeurd tijdschema te vervullen ;
3° er is een financiële zekerheid gesteld die deze verbintenis dekt in overeenstemming met artikel 71, § 1/1.
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut een voorstel betreffende het tijdschema van behandeling van de bodemverontreiniging en betreffende het bedrag van de financiële zekerheid. Na ontvangst van deze voorstellen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen. Na het verstrijken van deze termijn wordt het voorstel geacht te zijn aanvaard.]2
[2 § 4. In afwijking van § 1, 1° kan de vervreemding van een zakelijk recht plaatsvinden vóór de behandeling van de bodemverontreiniging die voortvloeit uit een bodemonderzoek betreffende een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de behandeling betreft uitsluitend een verontreiniging die ten laste wordt genomen door een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem ;
2° de houder van de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging, verbindt er zich solidair met de aanvrager van de tussenkomst toe om de behandeling van de verontreiniging uit te voeren in het geval deze, om welke reden dan ook, niet door het sectoraal fonds voor de sanering van de bodem zou worden uitgevoerd.
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven of via elektronische weg, de bewijzen van de bovengenoemde elementen, zijnde enerzijds de verklaring tot ontvankelijkheid en volledigheid door het sectoraal fonds voor de sanering van de bodem van de aanvraag tot tussenkomst en anderzijds van de verbintenissen, solidair genomen met de aanvrager van de tussenkomst, om de verontreiniging te behandelen indien het sectoraal fonds deze verontreiniging niet ten laste neemt.
Na ontvangst van deze documenten heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen. Na het verstrijken van deze termijn wordt het voorstel geacht te zijn aanvaard.]2
[2 § 5. Bij afwijking van § 1, 1°, kan de vervreemding van een zakelijk recht ook plaatsvinden vóór de behandeling van de bodemverontreiniging, wanneer de behandeling uitsluitend betrekking heeft op een verontreiniging die wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 70.]2
[2 § 6. Wanneer de behandeling tezelfdertijd verontreinigingen beoogt die door een sectoraal fonds voor de sanering van de bodem ten laste worden genomen en andere niet, dan kunnen de bepalingen van § 2, § 3, § 4 en § 5 simultaan worden toegepast. ]2
Art.17. § 1er. L'obligation de traitement de la pollution du sol qui découle des conclusions d'une reconnaissance de l'état du sol déclarée ou réputée conforme [2 ou d'une étude de sol relative à un fonds sectoriel d'assainissement du sol ]2 doit être réalisée avant :
1° [2 l'aliénation de droits réels sur le terrain visé par cette obligation, sauf dans l'une des hypothèses suivantes :
- la personne qui aliène les droits réels n'a pas de lien financier, de contrôle ou de gérance avec le titulaire de l'obligation de traitement ;
- l'aliénation de droits réels concerne un lot dans une copropriété forcée telle que définie aux articles 577-3 et suivants du Code civil, et soit le titulaire de droits réels sur ce lot n'est pas le seul concerné par l'obligation de traitement, soit ce lot n'est pas en contact avec le sol ;
- l'aliénation de droits réels a lieu dans une procédure d'expropriation telle que visée à l'article 13/1 ;]2
2° [2 ...]2
3° l'exécution d'actes et travaux ou la mise en exploitation d'une installation qui sont de nature à entraver le traitement ou le contrôle ultérieur de la pollution du sol, ou sont de nature à augmenter l'exposition des personnes ou de l'environnement aux risques engendrés par la pollution du sol, sur le terrain visé par cette obligation.
§ 2. En dérogation au § 1er, 1°[2 ...]2, l'aliénation d'un droit réel [2 ...]2 peut se produire préalablement au traitement de la pollution du sol lorsque les conditions suivantes sont remplies :
[2 ...]2
- [2 1°]2 la personne titulaire de l'obligation de traitement de la pollution du sol s'est engagée à l'exécuter dans un calendrier approuvé par l'Institut;
- [2 2°]2 une garantie financière couvrant cet engagement est constituée conformément à l'article 71 [2 , § 1er ;]2
[2 3° pour autant qu'ait été déclarée ou réputée conforme :
- une reconnaissance de l'état du sol, lorsqu'il s'agit de pollutions orphelines ;
- une étude de risque, lorsqu'il s'agit de pollutions mélangées ou uniques devant être traitées par gestion du risque ;
- une étude détaillée, lorsqu'il s'agit de pollutions mélangées ou uniques devant être traitées par assainissement.]2
Le titulaire de l'obligation envoie à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 une proposition de calendrier de traitement de la pollution du sol et de montant de garantie financière. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de ces propositions pour marquer son accord ou non sur celles-ci. [2 Passé ce délai, la proposition est réputée acceptée.]2
[2 § 3. En dérogation au § 1er, 1°, l'aliénation d'un droit réel peut se produire préalablement au traitement de la pollution du sol mélangée ou unique, quel que soit le type de traitement, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° une reconnaissance de l'état du sol a été déclarée ou réputée conforme ;
2° la personne titulaire de l'obligation de traitement de la pollution du sol s'est engagée à l'exécuter dans un calendrier approuvé par l'Institut ;
3° une garantie financière couvrant cet engagement est constituée conformément à l'article 71, § 1er/1.
Le titulaire de l'obligation envoie à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique une proposition de calendrier de traitement de la pollution du sol et de montant de garantie financière. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de ces propositions pour marquer son accord ou non sur celles-ci. Passé ce délai, la proposition est réputée acceptée.]2
[2 § 4. En dérogation au § 1er, 1°, l'aliénation d'un droit réel peut se produire préalablement au traitement de la pollution du sol qui découle d'une étude de sol relative à un fonds sectoriel d'assainissement du sol, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° le traitement concerne exclusivement une pollution prise en charge par un fonds sectoriel d'assainissement du sol ;
2° le titulaire de l'obligation de traitement de la pollution du sol, solidairement avec le demandeur de l'intervention, s'engage à exécuter le traitement de la pollution dans le cas où celui-ci, pour quelque raison que ce soit, ne serait pas réalisé par le fonds sectoriel d'assainissement du sol.
Le titulaire d'obligation envoie à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique, les preuves des éléments susmentionnés, c'est-à-dire d'une part, la preuve de la déclaration de recevabilité et de complétude par le fonds sectoriel d'assainissement du sol de la demande d'intervention, et d'autre part, de l'engagement, pris solidairement avec le demandeur de l'intervention, de traiter la pollution si le fonds sectoriel ne prend pas en charge cette pollution.
L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de ces documents pour marquer son accord ou non sur ceux-ci. Passé ce délai, la proposition est réputée acceptée.]2
[2 § 5. En dérogation au § 1er, 1°, l'aliénation d'un droit réel peut se produire préalablement au traitement de la pollution du sol, lorsque le traitement concerne exclusivement une pollution prise en charge conformément à l'article 70.]2
[2 § 6. Lorsque le traitement doit viser à la fois des pollutions prises en charge par un fonds sectoriel d'assainissement du sol et d'autres qui ne le sont pas, les dispositions des § 2, § 3, § 4 et § 5 peuvent être appliquées simultanément. ]2
1° [2 l'aliénation de droits réels sur le terrain visé par cette obligation, sauf dans l'une des hypothèses suivantes :
- la personne qui aliène les droits réels n'a pas de lien financier, de contrôle ou de gérance avec le titulaire de l'obligation de traitement ;
- l'aliénation de droits réels concerne un lot dans une copropriété forcée telle que définie aux articles 577-3 et suivants du Code civil, et soit le titulaire de droits réels sur ce lot n'est pas le seul concerné par l'obligation de traitement, soit ce lot n'est pas en contact avec le sol ;
- l'aliénation de droits réels a lieu dans une procédure d'expropriation telle que visée à l'article 13/1 ;]2
2° [2 ...]2
3° l'exécution d'actes et travaux ou la mise en exploitation d'une installation qui sont de nature à entraver le traitement ou le contrôle ultérieur de la pollution du sol, ou sont de nature à augmenter l'exposition des personnes ou de l'environnement aux risques engendrés par la pollution du sol, sur le terrain visé par cette obligation.
§ 2. En dérogation au § 1er, 1°[2 ...]2, l'aliénation d'un droit réel [2 ...]2 peut se produire préalablement au traitement de la pollution du sol lorsque les conditions suivantes sont remplies :
[2 ...]2
- [2 1°]2 la personne titulaire de l'obligation de traitement de la pollution du sol s'est engagée à l'exécuter dans un calendrier approuvé par l'Institut;
- [2 2°]2 une garantie financière couvrant cet engagement est constituée conformément à l'article 71 [2 , § 1er ;]2
[2 3° pour autant qu'ait été déclarée ou réputée conforme :
- une reconnaissance de l'état du sol, lorsqu'il s'agit de pollutions orphelines ;
- une étude de risque, lorsqu'il s'agit de pollutions mélangées ou uniques devant être traitées par gestion du risque ;
- une étude détaillée, lorsqu'il s'agit de pollutions mélangées ou uniques devant être traitées par assainissement.]2
Le titulaire de l'obligation envoie à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 une proposition de calendrier de traitement de la pollution du sol et de montant de garantie financière. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de ces propositions pour marquer son accord ou non sur celles-ci. [2 Passé ce délai, la proposition est réputée acceptée.]2
[2 § 3. En dérogation au § 1er, 1°, l'aliénation d'un droit réel peut se produire préalablement au traitement de la pollution du sol mélangée ou unique, quel que soit le type de traitement, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° une reconnaissance de l'état du sol a été déclarée ou réputée conforme ;
2° la personne titulaire de l'obligation de traitement de la pollution du sol s'est engagée à l'exécuter dans un calendrier approuvé par l'Institut ;
3° une garantie financière couvrant cet engagement est constituée conformément à l'article 71, § 1er/1.
Le titulaire de l'obligation envoie à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique une proposition de calendrier de traitement de la pollution du sol et de montant de garantie financière. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de ces propositions pour marquer son accord ou non sur celles-ci. Passé ce délai, la proposition est réputée acceptée.]2
[2 § 4. En dérogation au § 1er, 1°, l'aliénation d'un droit réel peut se produire préalablement au traitement de la pollution du sol qui découle d'une étude de sol relative à un fonds sectoriel d'assainissement du sol, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° le traitement concerne exclusivement une pollution prise en charge par un fonds sectoriel d'assainissement du sol ;
2° le titulaire de l'obligation de traitement de la pollution du sol, solidairement avec le demandeur de l'intervention, s'engage à exécuter le traitement de la pollution dans le cas où celui-ci, pour quelque raison que ce soit, ne serait pas réalisé par le fonds sectoriel d'assainissement du sol.
Le titulaire d'obligation envoie à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique, les preuves des éléments susmentionnés, c'est-à-dire d'une part, la preuve de la déclaration de recevabilité et de complétude par le fonds sectoriel d'assainissement du sol de la demande d'intervention, et d'autre part, de l'engagement, pris solidairement avec le demandeur de l'intervention, de traiter la pollution si le fonds sectoriel ne prend pas en charge cette pollution.
L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de ces documents pour marquer son accord ou non sur ceux-ci. Passé ce délai, la proposition est réputée acceptée.]2
[2 § 5. En dérogation au § 1er, 1°, l'aliénation d'un droit réel peut se produire préalablement au traitement de la pollution du sol, lorsque le traitement concerne exclusivement une pollution prise en charge conformément à l'article 70.]2
[2 § 6. Lorsque le traitement doit viser à la fois des pollutions prises en charge par un fonds sectoriel d'assainissement du sol et d'autres qui ne le sont pas, les dispositions des § 2, § 3, § 4 et § 5 peuvent être appliquées simultanément. ]2
Normen en waarden.
Normes et valeurs.
Art.18. [2 § 1. De Regering definieert de kwetsbaarheidszones. ]2
[2 § 2.]2 (§ 1 anc.)De Regering bepaalt de interventienormen per kwetsbaarheidszone waarboven een gedetailleerd onderzoek verplicht is.
[2 § 3.]2 (§ 2 anc.)De Regering bepaalt de saneringsnormen die door de uitvoering van de [1 sanering]1 bereikt moeten worden, waarbij met name rekening gehouden wordt met de concentraties verontreinigende stoffen die van nature aanwezig zijn in de bodem op gewestelijk niveau.
[2 § 4.]2 (§ 3 anc.) De Regering bepaalt de berekeningsmethode van de risicowaarden en de [2 verontreinigingsdrempels ]2 die bepalen of de risico's voor de volksgezondheid en het milieu al dan niet aanvaardbaar zijn.
[2 § 2.]2 (§ 1 anc.)De Regering bepaalt de interventienormen per kwetsbaarheidszone waarboven een gedetailleerd onderzoek verplicht is.
[2 § 3.]2 (§ 2 anc.)De Regering bepaalt de saneringsnormen die door de uitvoering van de [1 sanering]1 bereikt moeten worden, waarbij met name rekening gehouden wordt met de concentraties verontreinigende stoffen die van nature aanwezig zijn in de bodem op gewestelijk niveau.
[2 § 4.]2 (§ 3 anc.) De Regering bepaalt de berekeningsmethode van de risicowaarden en de [2 verontreinigingsdrempels ]2 die bepalen of de risico's voor de volksgezondheid en het milieu al dan niet aanvaardbaar zijn.
Art.18. [2 § 1er. Le Gouvernement définit les classes de sensibilité. ]2
[2 § 2.]2 (§ 1 anc.) Le gouvernement fixe les normes d'intervention par classe de sensibilité, au-delà desquelles la réalisation d'une étude détaillée est obligatoire.
[2 §3.]2 (§ 2 anc.) Le gouvernement fixe les normes d'assainissement, qui doivent être atteintes par l'exécution [1 d'un assainissement]1, en tenant notamment compte des concentrations en polluants naturellement présentes dans le sol au niveau régional.
[2 §4.]2 (§ 3 anc.) Le gouvernement arrête la méthodologie de calcul des valeurs de risque et les seuils de pollution déterminant le caractère tolérable ou non des risques pour la santé humaine et pour l'environnement.
[2 § 2.]2 (§ 1 anc.) Le gouvernement fixe les normes d'intervention par classe de sensibilité, au-delà desquelles la réalisation d'une étude détaillée est obligatoire.
[2 §3.]2 (§ 2 anc.) Le gouvernement fixe les normes d'assainissement, qui doivent être atteintes par l'exécution [1 d'un assainissement]1, en tenant notamment compte des concentrations en polluants naturellement présentes dans le sol au niveau régional.
[2 §4.]2 (§ 3 anc.) Le gouvernement arrête la méthodologie de calcul des valeurs de risque et les seuils de pollution déterminant le caractère tolérable ou non des risques pour la santé humaine et pour l'environnement.
[1 Realisatie van een gedetailleerd onderzoek]1
Réalisation d'une étude détaillée [...].
Art.19. § 1. Wanneer een verkennend bodemonderzoek wijst op ofwel een overschrijding van de interventienormen ofwel[1 ...]1 een toename van de verontreiniging, moet er een gedetailleerd onderzoek naar deze verontreiniging worden uitgevoerd [1 , tenzij het behoort tot een van de volgende uitzonderingen :
1° de verontreiniging stemt overeen met een verontreiniging van natuurlijke oorsprong, zoals bepaald of erkend door het Instituut ;
2° de verontreiniging heeft uitsluitend betrekking op zware metalen of polycyclische aromatische koolwaterstoffen die aanwezig zijn in aanvulgronden, en is een weesverontreiniging.]1
§ 2.[1 ...]1
1° de verontreiniging stemt overeen met een verontreiniging van natuurlijke oorsprong, zoals bepaald of erkend door het Instituut ;
2° de verontreiniging heeft uitsluitend betrekking op zware metalen of polycyclische aromatische koolwaterstoffen die aanwezig zijn in aanvulgronden, en is een weesverontreiniging.]1
§ 2.[1 ...]1
Art.19. § 1er. Lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol indique soit un dépassement des normes d'intervention, soit [1 ...]1 un accroissement de pollution, une étude détaillée relative à cette pollution doit être réalisée [1 , à moins de figurer dans un des cas d'exception suivants :
1° la pollution correspond à une pollution d'origine naturelle telle que définie ou reconnue par l'Institut ;
2° la pollution concerne uniquement des métaux lourds ou des hydrocarbures aromatiques polycycliques contenus dans les terres de remblai et est orpheline.]1
[1 ...]1
1° la pollution correspond à une pollution d'origine naturelle telle que définie ou reconnue par l'Institut ;
2° la pollution concerne uniquement des métaux lourds ou des hydrocarbures aromatiques polycycliques contenus dans les terres de remblai et est orpheline.]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Behandeling van de verontreiniging door middel van risicobeheer en houder van de verplichting
Traitement de la pollution par gestion du risque et titulaire de l'obligation
Art.20. § 1. [2 Wanneer een verkennend bodemonderzoek wijst op de aanwezigheid van een weesverontreiniging, moeten een gedetailleerd onderzoek en een risico-onderzoek worden uitgevoerd met betrekking tot deze verontreiniging ten laste van de houder van zakelijke rechten op het terrein getroffen door de verontreiniging. ]2
§ 2.[2 Wanneer een verkennend bodemonderzoek wijst op de aanwezigheid van een gemengde verontreiniging, moeten een gedetailleerd onderzoek en een risico-onderzoek met betrekking tot deze verontreiniging solidair worden uitgevoerd ten laste van :
- de huidige exploitant die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt ;
- de houder van zakelijke rechten die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt ;
- de geïdentificeerde persoon die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt. ]2
§ 3. Wanneer het risico-onderzoek-3 wijst op een overschrijding van de risicowaarden, moeten de risico's aanvaardbaar voor de volksgezondheid en het milieu gemaakt worden door de [2 opstelling van risicobeheersvoorstel en de uitvoering van een risicobeheer ]2, of eventueel door de uitvoering van een saneringsvoorstel of saneringswerken ten laste van de persoon die het in §§ 1 en 2 bedoelde [2 risico-onderzoek]2 dient uit te voeren
§ 2.[2 Wanneer een verkennend bodemonderzoek wijst op de aanwezigheid van een gemengde verontreiniging, moeten een gedetailleerd onderzoek en een risico-onderzoek met betrekking tot deze verontreiniging solidair worden uitgevoerd ten laste van :
- de huidige exploitant die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt ;
- de houder van zakelijke rechten die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt ;
- de geïdentificeerde persoon die een deel van deze verontreiniging heeft veroorzaakt. ]2
§ 3. Wanneer het risico-onderzoek-3 wijst op een overschrijding van de risicowaarden, moeten de risico's aanvaardbaar voor de volksgezondheid en het milieu gemaakt worden door de [2 opstelling van risicobeheersvoorstel en de uitvoering van een risicobeheer ]2, of eventueel door de uitvoering van een saneringsvoorstel of saneringswerken ten laste van de persoon die het in §§ 1 en 2 bedoelde [2 risico-onderzoek]2 dient uit te voeren
Wijzigingen
[1]niet in nederlands
Art.20. § 1er. [2 Lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol indique la présence d'une pollution orpheline, une étude détaillée et une étude de risque relatives à cette pollution doivent être réalisées à charge du titulaire de droits réels sur le terrain concerné par la pollution. ]2
§ 2.[2 Lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol indique la présence d'une pollution mélangée, une étude détaillée et une étude de risque relatives à cette pollution doivent être réalisées solidairement à charge :
- de l'exploitant actuel ayant généré une partie de cette pollution ;
- du titulaire de droits réels ayant généré une partie de cette pollution ;
- de la personne identifiée ayant généré une partie de cette pollution.]2
§ 3. Lorsque l'étude de risque indique un dépassement des valeurs de risque, les risques pour la santé humaine et pour l'environnement doivent être rendus tolérables, par la réalisation d'un projet de gestion du risque et la mise en oeuvre [1 d'une gestion du risque]1, ou éventuellement par la réalisation d'un projet d'assainissement et l'exécution [2 d'un assainissement]2, à charge de la personne tenue de réaliser l'étude de risque visée aux §§ 1er et 2.
§ 2.[2 Lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol indique la présence d'une pollution mélangée, une étude détaillée et une étude de risque relatives à cette pollution doivent être réalisées solidairement à charge :
- de l'exploitant actuel ayant généré une partie de cette pollution ;
- du titulaire de droits réels ayant généré une partie de cette pollution ;
- de la personne identifiée ayant généré une partie de cette pollution.]2
§ 3. Lorsque l'étude de risque indique un dépassement des valeurs de risque, les risques pour la santé humaine et pour l'environnement doivent être rendus tolérables, par la réalisation d'un projet de gestion du risque et la mise en oeuvre [1 d'une gestion du risque]1, ou éventuellement par la réalisation d'un projet d'assainissement et l'exécution [2 d'un assainissement]2, à charge de la personne tenue de réaliser l'étude de risque visée aux §§ 1er et 2.
Behandeling van de verontreiniging door sanering en houder van de verplichting
Traitement de la pollution par assainissement et titulaire de l'obligation
Art.21. § 1. [1 Wanneer een verkennend bodemonderzoek wijst op de aanwezigheid van een eenmalige verontreiniging, moeten een gedetailleerd onderzoek, een saneringsvoorstel en een sanering betreffende deze verontreiniging worden uitgevoerd ten laste van :
- de huidige exploitant die deze verontreiniging heeft veroorzaakt ;
- de houder van zakelijke rechten die deze verontreiniging heeft veroorzaakt ;
- de geïdentificeerde persoon die deze verontreiniging heeft veroorzaakt.]1
§ 2. [1 De sanering heeft]1 tot doel te voldoen aan de saneringsnormen.
In geval van toename van de verontreiniging [1 kan de sanering]1 echter minstens tot doel hebben deze toename teniet te doen.
- de huidige exploitant die deze verontreiniging heeft veroorzaakt ;
- de houder van zakelijke rechten die deze verontreiniging heeft veroorzaakt ;
- de geïdentificeerde persoon die deze verontreiniging heeft veroorzaakt.]1
§ 2. [1 De sanering heeft]1 tot doel te voldoen aan de saneringsnormen.
In geval van toename van de verontreiniging [1 kan de sanering]1 echter minstens tot doel hebben deze toename teniet te doen.
Art.21. [1 § 1er. Lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol indique la présence d'une pollution unique, une étude détailllée, un projet d'assainissement et un assainissement relatifs à cette pollution doivent être réalisés à charge :
- de l'exploitant actuel ayant généré cette pollution ;
- du titulaire de droits réels ayant généré cette pollution ;
- de la personne identifiée ayant généré cette pollution.]1
§ 2. [1 L'assainissement vise]1 à atteindre les normes d'assainissement.
Toutefois, en cas d'accroissement de pollution, [1 l'assainissement peut]1 viser au minimum à éliminer cet accroissement.
- de l'exploitant actuel ayant généré cette pollution ;
- du titulaire de droits réels ayant généré cette pollution ;
- de la personne identifiée ayant généré cette pollution.]1
§ 2. [1 L'assainissement vise]1 à atteindre les normes d'assainissement.
Toutefois, en cas d'accroissement de pollution, [1 l'assainissement peut]1 viser au minimum à éliminer cet accroissement.
Wijzigingen
Afwijkingen.
Dérogations.
Art.22. § 1. In afwijking van artikel 20, § 2, indien [2 het verkennend bodemonderzoek of ]2 [2 gedetailleerd]2 onderzoek aangeeft dat de gemengde verontreiniging volledig werd veroorzaakt door de personen bedoeld in deze paragraaf, moeten de saneringswerken van deze verontreiniging solidair uitgevoerd worden door de personen die de verontreiniging hebben veroorzaakt.
§ 2. In afwijking van artikel 21, § 1, indien[2 het verkennend bodemonderzoek of ]2 het gedetailleerd onderzoek aantoont dat de verontreiniging volledig veroorzaakt werd [2 voor ]2 1 januari 1993, moet een behandeling van de verontreiniging door risicobeheer uitgevoerd worden ten laste van de [1 huidige]1 exploitant of de houder van zakelijke rechten die de verontreiniging veroorzaakt heeft.
[2 § 3. In afwijking van de paragrafen 1 en 2, indien het onmogelijk is om vast te stellen dat de verontreiniging volledig werd veroorzaakt vóór 1 januari 1993 en indien wordt aangetoond dat de verontreiniging voornamelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari 1993, kan een behandeling van deze verontreiniging door middel van risicobeheer worden uitgevoerd ten laste van de huidige exploitant, de houder van zakelijke rechten of de geïdentificeerde persoon die de verontreiniging heeft veroorzaakt. ]2
[2 § 4. Wordt het type van een verontreiniging gewijzigd na de gelijkvormigheidsverklaring van een verkennend bodemonderzoek, dan zijn de personen bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22, §§ 1 tot 3, naar analogie belast met de verdere behandeling van deze verontreiniging, rekening houdend met het nieuwe type verontreiniging. ]2
§ 2. In afwijking van artikel 21, § 1, indien[2 het verkennend bodemonderzoek of ]2 het gedetailleerd onderzoek aantoont dat de verontreiniging volledig veroorzaakt werd [2 voor ]2 1 januari 1993, moet een behandeling van de verontreiniging door risicobeheer uitgevoerd worden ten laste van de [1 huidige]1 exploitant of de houder van zakelijke rechten die de verontreiniging veroorzaakt heeft.
[2 § 3. In afwijking van de paragrafen 1 en 2, indien het onmogelijk is om vast te stellen dat de verontreiniging volledig werd veroorzaakt vóór 1 januari 1993 en indien wordt aangetoond dat de verontreiniging voornamelijk werd veroorzaakt vóór 1 januari 1993, kan een behandeling van deze verontreiniging door middel van risicobeheer worden uitgevoerd ten laste van de huidige exploitant, de houder van zakelijke rechten of de geïdentificeerde persoon die de verontreiniging heeft veroorzaakt. ]2
[2 § 4. Wordt het type van een verontreiniging gewijzigd na de gelijkvormigheidsverklaring van een verkennend bodemonderzoek, dan zijn de personen bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22, §§ 1 tot 3, naar analogie belast met de verdere behandeling van deze verontreiniging, rekening houdend met het nieuwe type verontreiniging. ]2
Art.22. § 1er. Par dérogation à l'article 20, § 2, si [2 la reconnaissance de l'état du sol ou ]2 l'étude détaillée indique que la pollution mélangée a été entièrement générée par des personnes visées à ce paragraphe, un traitement de cette pollution par assainissement doit être réalisé solidairement à charge des personnes ayant généré la pollution.
§ 2. Par dérogation à l'article 21, § 1er, si [2 la reconnaissance de l'état du sol ou ]2 l'étude détaillée démontre que la pollution a été entièrement générée avant le 1er janvier 1993, un traitement de cette pollution par gestion du risque doit être réalisé à charge de l'exploitant [1 actuel]1 ou du titulaire de droits réels ayant généré la pollution.
[2 § 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, s'il n'est pas possible d'établir que la pollution a été entièrement générée avant le 1er janvier 1993 et qu'il est démontré que la pollution a été principalement générée avant le 1er janvier 1993, un traitement de cette pollution par gestion du risque peut être réalisé à charge de l'exploitant actuel, du titulaire de droits réels ou de la personne identifiée ayant généré la pollution.]2
[2 § 4. Lorsque le type d'une pollution est modifié après la déclaration de conformité d'une reconnaissance de l'état du sol, la suite du traitement de cette pollution revient par analogie aux personnes visées aux articles 20, 21 et 22, §§ 1er à 3, en tenant compte du nouveau type de pollution. ]2
§ 2. Par dérogation à l'article 21, § 1er, si [2 la reconnaissance de l'état du sol ou ]2 l'étude détaillée démontre que la pollution a été entièrement générée avant le 1er janvier 1993, un traitement de cette pollution par gestion du risque doit être réalisé à charge de l'exploitant [1 actuel]1 ou du titulaire de droits réels ayant généré la pollution.
[2 § 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, s'il n'est pas possible d'établir que la pollution a été entièrement générée avant le 1er janvier 1993 et qu'il est démontré que la pollution a été principalement générée avant le 1er janvier 1993, un traitement de cette pollution par gestion du risque peut être réalisé à charge de l'exploitant actuel, du titulaire de droits réels ou de la personne identifiée ayant généré la pollution.]2
[2 § 4. Lorsque le type d'une pollution est modifié après la déclaration de conformité d'une reconnaissance de l'état du sol, la suite du traitement de cette pollution revient par analogie aux personnes visées aux articles 20, 21 et 22, §§ 1er à 3, en tenant compte du nouveau type de pollution. ]2
Vrijwillige behandeling van de verontreiniging en andere houders van verplichting
Traitement volontaire de la pollution et autres titulaires de l'obligation
Art.23. § 1. Iedere persoon kan een verkennend bodemonderzoek laten uitvoeren en in voorkomend geval een bodemverontreiniging op zijn kosten laten behandelen, buiten de feiten die aanleiding geven tot de identificatieverplichting of verplichting tot behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van de onderhavige ordonnantie.
§ 2. Iedere persoon die verplicht is de bodemverontreiniging te behandelen door middel van [2 een risicobeheer ]2, mag deze verontreiniging behandelen door saneringswerken uit te voeren.
§ 3. Iedere persoon die houder is van een verplichting om bodemverontreiniging te behandelen, kan deze verplichting overdragen aan een derde persoon, indien aan de volgende voorwaarden voldaan is :
- een verkennend bodemonderzoek werd gelijkvormig verklaard of geacht;
- de overnemende derde persoon heeft zich ertoe verbonden om de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging binnen een door het Instituut goedgekeurd tijdschema te vervullen;
- er is een financiële zekerheid gesteld die deze verbintenis dekt in overeenstemming met artikel 71.
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut een voorstel betreffende het tijdschema voor de behandeling van de bodemverontreiniging en betreffende het bedrag van de financiële zekerheid. Na ontvangst van deze voorstellen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen.
Wanneer de voorwaarden van het eerste lid zijn vervuld, zal de derde die zich ertoe heeft verbonden om de verplichtingen inzake behandeling van de verontreiniging te vervullen, de houder van de verplichtingen in de zin van deze ordonnantie worden.
De overdracht van de verplichting tot behandeling van de verontreiniging kan gezamenlijk gebeuren met de toepassing van de afwijking bedoeld in artikel 17, § 2 [2 tot § 5]2 .
§ 4. Indien een natuurlijke of rechtspersoon bij volmacht een aanzienlijke economische macht heeft verworven over de technische werking van een exploitatie, wordt deze persoon op dezelfde wijze als de exploitant geacht een verkennend bodemonderzoek uit te voeren of de bodemverontreiniging te behandelen.
§ 5. De in dit artikel bedoelde behandeling van de bodemverontreiniging moet in overeenstemming met de bepalingen van deze ordonnantie uitgevoerd worden.
§ 2. Iedere persoon die verplicht is de bodemverontreiniging te behandelen door middel van [2 een risicobeheer ]2, mag deze verontreiniging behandelen door saneringswerken uit te voeren.
§ 3. Iedere persoon die houder is van een verplichting om bodemverontreiniging te behandelen, kan deze verplichting overdragen aan een derde persoon, indien aan de volgende voorwaarden voldaan is :
- een verkennend bodemonderzoek werd gelijkvormig verklaard of geacht;
- de overnemende derde persoon heeft zich ertoe verbonden om de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging binnen een door het Instituut goedgekeurd tijdschema te vervullen;
- er is een financiële zekerheid gesteld die deze verbintenis dekt in overeenstemming met artikel 71.
De houder van de verplichting stuurt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut een voorstel betreffende het tijdschema voor de behandeling van de bodemverontreiniging en betreffende het bedrag van de financiële zekerheid. Na ontvangst van deze voorstellen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om er al dan niet mee in te stemmen.
Wanneer de voorwaarden van het eerste lid zijn vervuld, zal de derde die zich ertoe heeft verbonden om de verplichtingen inzake behandeling van de verontreiniging te vervullen, de houder van de verplichtingen in de zin van deze ordonnantie worden.
De overdracht van de verplichting tot behandeling van de verontreiniging kan gezamenlijk gebeuren met de toepassing van de afwijking bedoeld in artikel 17, § 2 [2 tot § 5]2 .
§ 4. Indien een natuurlijke of rechtspersoon bij volmacht een aanzienlijke economische macht heeft verworven over de technische werking van een exploitatie, wordt deze persoon op dezelfde wijze als de exploitant geacht een verkennend bodemonderzoek uit te voeren of de bodemverontreiniging te behandelen.
§ 5. De in dit artikel bedoelde behandeling van de bodemverontreiniging moet in overeenstemming met de bepalingen van deze ordonnantie uitgevoerd worden.
Art.23. § 1er. Toute personne peut faire réaliser une reconnaissance de l'état du sol et, le cas échéant, traiter une pollution du sol a sa charge, en dehors des faits générateurs d'obligations d'identification ou de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance.
§ 2. Toute personne titulaire d'une obligation de traitement de la pollution du sol par la mise en oeuvre [2 d'une gestion du risque ]2 peut traiter cette pollution par l'exécution de travaux d'assainissement.
§ 3. Toute personne titulaire d'une obligation de traitement de la pollution du sol peut céder cette obligation à une tierce personne, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
- une reconnaissance de l'état du sol a été déclarée ou réputée conforme;
- la tierce personne cessionnaire s'est engagée à exécuter dans un calendrier approuvé par l'Institut l'obligation de traitement de la pollution;
- une garantie financière couvrant cet engagement est constituée conformément à l'article 71.
Le titulaire de l'obligation envoie à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 une proposition de calendrier de traitement de la pollution du sol et de montant de garantie financière. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de ces propositions pour marquer son accord ou non sur celles-ci.
Lorsque les conditions de l'alinéa 1er sont remplies, la tierce personne qui s'est engagée à exécuter l'obligation de traitement de la pollution devient le titulaire de l'obligation au sens de la présente ordonnance.
La cession de l'obligation de traitement de la pollution peut se faire conjointement à la mise en application de la dérogation visée à l'article 17, § 2 [2 à § 5.]2.
§ 4. Lorsqu'une personne physique ou morale a reçu par délégation un pouvoir économique important sur le fonctionnement technique d'une exploitation, elle est tenue au même titre que l'exploitant de l'obligation de réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou de traitement de la pollution du sol.
§ 5. Le traitement de la pollution du sol visé au présent article doit être exécuté selon les dispositions de la présente ordonnance.
§ 2. Toute personne titulaire d'une obligation de traitement de la pollution du sol par la mise en oeuvre [2 d'une gestion du risque ]2 peut traiter cette pollution par l'exécution de travaux d'assainissement.
§ 3. Toute personne titulaire d'une obligation de traitement de la pollution du sol peut céder cette obligation à une tierce personne, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
- une reconnaissance de l'état du sol a été déclarée ou réputée conforme;
- la tierce personne cessionnaire s'est engagée à exécuter dans un calendrier approuvé par l'Institut l'obligation de traitement de la pollution;
- une garantie financière couvrant cet engagement est constituée conformément à l'article 71.
Le titulaire de l'obligation envoie à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 une proposition de calendrier de traitement de la pollution du sol et de montant de garantie financière. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de ces propositions pour marquer son accord ou non sur celles-ci.
Lorsque les conditions de l'alinéa 1er sont remplies, la tierce personne qui s'est engagée à exécuter l'obligation de traitement de la pollution devient le titulaire de l'obligation au sens de la présente ordonnance.
La cession de l'obligation de traitement de la pollution peut se faire conjointement à la mise en application de la dérogation visée à l'article 17, § 2 [2 à § 5.]2.
§ 4. Lorsqu'une personne physique ou morale a reçu par délégation un pouvoir économique important sur le fonctionnement technique d'une exploitation, elle est tenue au même titre que l'exploitant de l'obligation de réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou de traitement de la pollution du sol.
§ 5. Le traitement de la pollution du sol visé au présent article doit être exécuté selon les dispositions de la présente ordonnance.
Aansprakelijkheid.
Responsabilité.
Art.24. § 1. Hij die een bodemverontreiniging heeft veroorzaakt is aansprakelijk voor de kosten gemaakt voor de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek en voor de behandeling van de verontreiniging door de houder(s) van deze verplichtingen [1 , of door het Gewestelijk fonds voor de behandeling van weesverontreinigingen, ]1 in uitvoering van de onderhavige ordonnantie, evenals voor de schade die door deze onderzoeken, [1 behandelingen en andere ]1 maatregelen [1 ...]1wordt teweeggebracht.
§ 2. De exploitant van een inrichting die is onderworpen aan een milieuvergunning of een aangifte krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, is aansprakelijk voor de kosten bedoeld in de vorige paragraaf, indien de bodemverontreiniging werd veroorzaakt door de uitbating van deze inrichting.
De exploitant is echter niet aansprakelijk voor deze kosten, indien hij kan bewijzen dat hij geen fout of nalatigheid heeft begaan en dat de bodemverontreiniging te wijten is aan een emissie die of een voorval dat uitdrukkelijk toegestaan is, met naleving van alle voorwaarden die verband houden met een op de datum van de emissie of het voorval van toepassing zijnde vergunning of aangifte die uitgereikt of verlengd werd krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
§ 3. Wanneer verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde bodemverontreiniging, zijn ze solidair aansprakelijk.
§ 4. De bepalingen van deze ordonnantie doen geen afbreuk aan het recht van de aansprakelijke persoon om andere rechtsmiddelen aan te wenden om verhaal te zoeken.
§ 5. De bepalingen van deze ordonnantie doen geen afbreuk aan de andere rechten die de benadeelde personen of personen die kosten aangaan, inroepen tegen de aansprakelijke of andere personen.
§ 2. De exploitant van een inrichting die is onderworpen aan een milieuvergunning of een aangifte krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, is aansprakelijk voor de kosten bedoeld in de vorige paragraaf, indien de bodemverontreiniging werd veroorzaakt door de uitbating van deze inrichting.
De exploitant is echter niet aansprakelijk voor deze kosten, indien hij kan bewijzen dat hij geen fout of nalatigheid heeft begaan en dat de bodemverontreiniging te wijten is aan een emissie die of een voorval dat uitdrukkelijk toegestaan is, met naleving van alle voorwaarden die verband houden met een op de datum van de emissie of het voorval van toepassing zijnde vergunning of aangifte die uitgereikt of verlengd werd krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
§ 3. Wanneer verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde bodemverontreiniging, zijn ze solidair aansprakelijk.
§ 4. De bepalingen van deze ordonnantie doen geen afbreuk aan het recht van de aansprakelijke persoon om andere rechtsmiddelen aan te wenden om verhaal te zoeken.
§ 5. De bepalingen van deze ordonnantie doen geen afbreuk aan de andere rechten die de benadeelde personen of personen die kosten aangaan, inroepen tegen de aansprakelijke of andere personen.
Art.24. § 1er. Celui qui a généré une pollution du sol est responsable des frais exposés pour la réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol et pour le traitement de cette pollution par le ou les titulaires de ces obligations [1 , ou par le fonds régional de traitement des pollutions orphelines du sol,]1 en exécution de la présente ordonnance, ainsi que pour les dommages causés par ces études, [1 traitements et autres]1 mesures [1 ...]1.
§ 2. L'exploitant d'une installation soumise à permis d'environnement ou à déclaration en vertu de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement est responsable des frais visés au précédent paragraphe, si la pollution du sol a été engendrée par l'exploitation de cette installation.
L'exploitant n'est cependant pas tenu responsable de ces frais s'il apporte la preuve qu'il n'a pas commis de faute ou de négligence et que la pollution du sol est due à une émission ou à un évènement expressément autorisé et respectant toutes les conditions liées à un permis ou à une déclaration qui est d'application au moment de l'émission ou de l'évènement, délivrés ou renouvelés en vertu de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 3. Lorsque plusieurs personnes sont responsables de la même pollution du sol, elles sont solidairement responsables.
§ 4. Les dispositions de la présente ordonnance ne portent pas atteinte à la faculté dont dispose la personne responsable d'invoquer d'autres moyens de droit pour exercer son recours.
§ 5. Les dispositions de la présente ordonnance ne portent pas atteinte aux autres droits exercés par les personnes lésées ou exposant des frais contre les personnes responsables ou contre d'autres personnes.
§ 2. L'exploitant d'une installation soumise à permis d'environnement ou à déclaration en vertu de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement est responsable des frais visés au précédent paragraphe, si la pollution du sol a été engendrée par l'exploitation de cette installation.
L'exploitant n'est cependant pas tenu responsable de ces frais s'il apporte la preuve qu'il n'a pas commis de faute ou de négligence et que la pollution du sol est due à une émission ou à un évènement expressément autorisé et respectant toutes les conditions liées à un permis ou à une déclaration qui est d'application au moment de l'émission ou de l'évènement, délivrés ou renouvelés en vertu de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 3. Lorsque plusieurs personnes sont responsables de la même pollution du sol, elles sont solidairement responsables.
§ 4. Les dispositions de la présente ordonnance ne portent pas atteinte à la faculté dont dispose la personne responsable d'invoquer d'autres moyens de droit pour exercer son recours.
§ 5. Les dispositions de la présente ordonnance ne portent pas atteinte aux autres droits exercés par les personnes lésées ou exposant des frais contre les personnes responsables ou contre d'autres personnes.
Wijzigingen
Afdeling II. - Gedetailleerd onderzoek.
Section II. - Etude détaillée.
Doel en inhoud.
Objectif et contenu.
Art.25. § 1. Het gedetailleerd onderzoek bakent de bodemverontreiniging die door een verkennend bodemonderzoek aan het licht is gebracht, verticaal en horizontaal af [2 , en onderscheidt, bevestigt of vernietigt eventueel de toename van de verontreiniging ]2 en het type of de types verontreiniging : eenmalige, wees- of gemengde verontreiniging.
[2 Voor de weesverontreinigingen moet de afbakening niet verder gaan dan de zone die wordt afgebakend door het perceel of de percelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van het verkennend bodemonderzoek.]2
§ 2. Het gedetailleerd onderzoek bevat met redenen omklede conclusies [2 per perceel]2 betreffende de omvang en de aard van de verontreiniging, het type of de types verontreiniging en de termijn waarbinnen een risico-onderzoek of een saneringsvoorstel aan het Instituut moet worden betekend. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name het potentiële gevaar van de verontreiniging voor het milieu en de gezondheid alsmede het gebruik van het terrein. Het gedetailleerd onderzoek bepaalt eveneens, in voorkomend geval, welke [1 noodmaatregelen]1 er genomen moeten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud en de algemene uitvoeringsmodaliteiten van het gedetailleerd onderzoek.
[2 Voor de weesverontreinigingen moet de afbakening niet verder gaan dan de zone die wordt afgebakend door het perceel of de percelen die het voorwerp hebben uitgemaakt van het verkennend bodemonderzoek.]2
§ 2. Het gedetailleerd onderzoek bevat met redenen omklede conclusies [2 per perceel]2 betreffende de omvang en de aard van de verontreiniging, het type of de types verontreiniging en de termijn waarbinnen een risico-onderzoek of een saneringsvoorstel aan het Instituut moet worden betekend. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name het potentiële gevaar van de verontreiniging voor het milieu en de gezondheid alsmede het gebruik van het terrein. Het gedetailleerd onderzoek bepaalt eveneens, in voorkomend geval, welke [1 noodmaatregelen]1 er genomen moeten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud en de algemene uitvoeringsmodaliteiten van het gedetailleerd onderzoek.
Art.25. § 1er. L'étude détaillée délimite verticalement et horizontalement la pollution du sol mise en évidence par une reconnaissance de l'état du sol [2 , elle confirme ou infirme ]2 le ou les types de pollution : unique, orpheline ou mélangée [2 et éventuellement, distingue, confirme ou infirme l'accroissement de pollution.]2.
[2 Pour les pollutions orphelines, la délimitation ne doit pas s'étendre au-delà de la zone délimitée par la ou les parcelles ayant fait l'objet de la reconnaissance de l'état du sol. ]2
§ 2. L'étude détaillée formule des conclusions motivées [2 , par parcelle, ]2 quant à l'ampleur et la nature de la pollution, le ou les types de pollution, le délai de notification à l'Institut d'une étude de risque ou d'un projet d'assainissement. Ce délai tient notamment compte du danger potentiel de la pollution pour l'environnement et la santé ainsi que de l'utilisation du terrain. L'étude détaillée détermine également, le cas échéant, les [1 mesures d'urgence]1 à prendre.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type et les modalités générales d'exécution de l'étude détaillée.
[2 Pour les pollutions orphelines, la délimitation ne doit pas s'étendre au-delà de la zone délimitée par la ou les parcelles ayant fait l'objet de la reconnaissance de l'état du sol. ]2
§ 2. L'étude détaillée formule des conclusions motivées [2 , par parcelle, ]2 quant à l'ampleur et la nature de la pollution, le ou les types de pollution, le délai de notification à l'Institut d'une étude de risque ou d'un projet d'assainissement. Ce délai tient notamment compte du danger potentiel de la pollution pour l'environnement et la santé ainsi que de l'utilisation du terrain. L'étude détaillée détermine également, le cas échéant, les [1 mesures d'urgence]1 à prendre.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type et les modalités générales d'exécution de l'étude détaillée.
Uitvoering en kennisgeving.
Réalisation et notification.
Art.26. § 1. Het gedetailleerd onderzoek wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige uitgevoerd.
§ 2. Het gedetailleerd onderzoek wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken.
Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven [2 , via elektronische weg]2 [3 ...]3. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. Het gedetailleerd onderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [4 ...]4.
§ 2. Het gedetailleerd onderzoek wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken.
Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven [2 , via elektronische weg]2 [3 ...]3. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. Het gedetailleerd onderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [4 ...]4.
Art.26. § 1er. L'étude détaillée est réalisée par un expert en pollution du sol.
§ 2. L'étude détaillée est notifiée à l'Institut dans le délai fixé par celui-ci sur la base des études antérieures.
Une prolongation du délai peut être accordée, suite à une demande écrite et motivée de la personne tenue de la réaliser, notifiée à l'Institut par lettre recommandée [2 , par voie électronique]2 [3 ...]3. L'Institut statue dans les 7 jours sur le délai de la prolongation. Passé ce délai, la demande de prolongation est réputée accordée.
§ 3. L'étude détaillée est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [4 ...]4.
§ 2. L'étude détaillée est notifiée à l'Institut dans le délai fixé par celui-ci sur la base des études antérieures.
Une prolongation du délai peut être accordée, suite à une demande écrite et motivée de la personne tenue de la réaliser, notifiée à l'Institut par lettre recommandée [2 , par voie électronique]2 [3 ...]3. L'Institut statue dans les 7 jours sur le délai de la prolongation. Passé ce délai, la demande de prolongation est réputée accordée.
§ 3. L'étude détaillée est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [4 ...]4.
Gelijkvormigheidsverklaring.
Déclaration de conformité.
Art.27. § 1. Na ontvangst van het gedetailleerd onderzoek heeft het Instituut 30 dagen de tijd om :
- ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [5 aanvullingen]5 op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het gedetailleerd onderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon belast met het gedetailleerd onderzoek, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen
§ 2. In de gelijkvormigheidsverklaring [6 bevestigt of vernietigt]6 het [6 Instituut]6 op basis van de conclusies van het gedetailleerd onderzoek het type of de types bodemverontreiniging [6 bepaalt ]6 de termijn waarbinnen het risico-onderzoek en/of het saneringsvoorstel aan het Instituut betekend moeten worden. Het Instituut kan eveneens [2 noodmaatregelen ]2 voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de persoon die het gedetailleerd onderzoek moet uitvoeren, de personen die het risico-onderzoek moeten uitvoeren en/of het saneringsvoorstel moeten opstellen, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de [4 huidige]4 exploitant van een risicoactiviteit op het terrein.
§ 3. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt het gedetailleerd onderzoek als gelijkvormig beschouwd.
- ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [5 aanvullingen]5 op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het gedetailleerd onderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon belast met het gedetailleerd onderzoek, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen
§ 2. In de gelijkvormigheidsverklaring [6 bevestigt of vernietigt]6 het [6 Instituut]6 op basis van de conclusies van het gedetailleerd onderzoek het type of de types bodemverontreiniging [6 bepaalt ]6 de termijn waarbinnen het risico-onderzoek en/of het saneringsvoorstel aan het Instituut betekend moeten worden. Het Instituut kan eveneens [2 noodmaatregelen ]2 voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de persoon die het gedetailleerd onderzoek moet uitvoeren, de personen die het risico-onderzoek moeten uitvoeren en/of het saneringsvoorstel moeten opstellen, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de [4 huidige]4 exploitant van een risicoactiviteit op het terrein.
§ 3. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt het gedetailleerd onderzoek als gelijkvormig beschouwd.
Wijzigingen
Art.27. § 1er. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de l'étude détaillée pour :
- soit la déclarer conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit imposer des [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour déclarer l'étude détaillée conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de réaliser l'étude détaillee, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
§ 2. Dans la déclaration de conformité, l'Institut [6 confirme ou infirme]6, sur la base des conclusions de l'étude détaillée, le ou les types de pollution du sol et [6 détermine ]6 le délai dans lequel l'étude de risque et/ou le projet d'assainissement doivent lui être notifiés. L'Institut peut également prescrire des [2 mesures d'urgence]2. La déclaration de conformité est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser l'étude détaillée, aux personnes tenues de réaliser l'étude de risque et/ou le projet d'assainissement, au titulaire de droits réels et, le cas échéant, à l'exploitant [4 actuel ]4 d'une activité à risque sur le terrain.
§ 3. En l'absence de déclaration de conformité par l'Institut dans les délais visés au § 1er, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'étude détaillée est réputée conforme.
- soit la déclarer conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit imposer des [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour déclarer l'étude détaillée conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de réaliser l'étude détaillee, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
§ 2. Dans la déclaration de conformité, l'Institut [6 confirme ou infirme]6, sur la base des conclusions de l'étude détaillée, le ou les types de pollution du sol et [6 détermine ]6 le délai dans lequel l'étude de risque et/ou le projet d'assainissement doivent lui être notifiés. L'Institut peut également prescrire des [2 mesures d'urgence]2. La déclaration de conformité est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser l'étude détaillée, aux personnes tenues de réaliser l'étude de risque et/ou le projet d'assainissement, au titulaire de droits réels et, le cas échéant, à l'exploitant [4 actuel ]4 d'une activité à risque sur le terrain.
§ 3. En l'absence de déclaration de conformité par l'Institut dans les délais visés au § 1er, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'étude détaillée est réputée conforme.
Wijzigingen
Gezamenlijke onderzoeken.
Etudes conjointes.
Art.28. Binnen de termijn bedoeld in artikel 15, § 4, kan de persoon die het gedetailleerd onderzoek moet uitvoeren, onmiddellijk na het gedetailleerd onderzoek voor eigen rekening een risico-onderzoek laten uitvoeren, zonder tussentijdse kennisgeving aan het Instituut van het eerste onderzoek. [1 De bodemverontreinigingsdeskundige moet de houder van verplichtingen informeren over de voordelen van deze combinatie van onderzoeken.]1
In dat geval worden het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek gezamenlijk betekend aan het Instituut. De bepalingen van artikelen 26, 27, 30 en 31 zijn naar analogie van toepassing.
Indien het verkennend bodemonderzoek, het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek gezamenlijk betekend worden, worden de in artikel 31 bedoelde termijnen toegekend aan het Instituut verlengd tot 60 dagen.
In dat geval worden het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek gezamenlijk betekend aan het Instituut. De bepalingen van artikelen 26, 27, 30 en 31 zijn naar analogie van toepassing.
Indien het verkennend bodemonderzoek, het gedetailleerd onderzoek en het risico-onderzoek gezamenlijk betekend worden, worden de in artikel 31 bedoelde termijnen toegekend aan het Instituut verlengd tot 60 dagen.
Art.28. Dans le respect du délai visé à l'article 15, § 4, la personne tenue de réaliser une étude détaillée peut faire réaliser, à sa charge, une étude de risque immédiatement après l'étude détaillée sans notification intermédiaire de cette dernière à l'Institut [1 L'expert en pollution du sol doit informer le titulaire d'obligations des avantages que présente cette combinaison d'études. ]1.
Dans ce cas, l'étude détaillée et l'étude de risque sont notifiées simultanément à l'Institut. Les dispositions des articles 26, 27, 30 et 31 s'appliquent par analogie.
En cas de notification simultanée d'une reconnaissance de l'état du sol, d'une étude détaillée et d'une étude de risque, les délais accordés à l'Institut visés à l'article 31 sont portés à 60 jours.
Dans ce cas, l'étude détaillée et l'étude de risque sont notifiées simultanément à l'Institut. Les dispositions des articles 26, 27, 30 et 31 s'appliquent par analogie.
En cas de notification simultanée d'une reconnaissance de l'état du sol, d'une étude détaillée et d'une étude de risque, les délais accordés à l'Institut visés à l'article 31 sont portés à 60 jours.
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - Risicobeheer.
CHAPITRE IV. - Gestion du risque.
Afdeling I. - Risico-onderzoek.
Section Ire. - Etude de risque.
Doel en inhoud.
Objectif et contenu.
Art.29. § 1. Het risico-onderzoek beoordeelt de risico's die een bodemverontreiniging met zich [2 meebrengt]2 voor de volksgezondheid en het milieu.
§ 2. De risicobeoordeling omvat de volgende drie aspecten : het risico van blootstelling voor de mens, het risico van aantasting van de ecosystemen en het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen.
[2 De risicobeoordeling onderzoekt :
1° de huidige risico's, rekening houdend met het huidige geoorloofd feitelijk gebruik van het terrein ; en
2° de potentiële risico's, rekening houdend met het huidige geoorloofd feitelijk gebruik van het terrein en de bestemmingen die toegestaan zijn volgens de bodembestemmingsplannen ; en
3° de toekomstige risico's, als ze gekend zijn, rekening houdend met de bestemming, volgens de geldige stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen voor het terrein die nog niet uitgevoerd zijn. ]2
De Regering kan voor elke zone die vastgelegd wordt in de bodembestemmingsplannen, opgeven met welke bestemmingen er rekening gehouden moet worden.
§ 3. Het risico-onderzoek formuleert met redenen omklede conclusies [2 per perceel]2 betreffende de aanvaardbaarheid van de risico's van de verontreiniging, de dringendheid van risicobeheer, de noodzaak een risicobeheersvoorstel of eventueel een saneringsvoorstel op te stellen en de termijnen waarbinnen dergelijke voorstellen aan het Instituut betekend moeten worden. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van het risicobeheer en het gebruik van het terrein. Het risico-onderzoek bepaalt in voorkomend geval eveneens welke [1 nood]1- of followupmaatregelen er genomen moeten worden.
§ 4. De Regering [2 kan de type-inhoud van het risico-onderzoek bepalen.]2.
§ 2. De risicobeoordeling omvat de volgende drie aspecten : het risico van blootstelling voor de mens, het risico van aantasting van de ecosystemen en het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen.
[2 De risicobeoordeling onderzoekt :
1° de huidige risico's, rekening houdend met het huidige geoorloofd feitelijk gebruik van het terrein ; en
2° de potentiële risico's, rekening houdend met het huidige geoorloofd feitelijk gebruik van het terrein en de bestemmingen die toegestaan zijn volgens de bodembestemmingsplannen ; en
3° de toekomstige risico's, als ze gekend zijn, rekening houdend met de bestemming, volgens de geldige stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen voor het terrein die nog niet uitgevoerd zijn. ]2
De Regering kan voor elke zone die vastgelegd wordt in de bodembestemmingsplannen, opgeven met welke bestemmingen er rekening gehouden moet worden.
§ 3. Het risico-onderzoek formuleert met redenen omklede conclusies [2 per perceel]2 betreffende de aanvaardbaarheid van de risico's van de verontreiniging, de dringendheid van risicobeheer, de noodzaak een risicobeheersvoorstel of eventueel een saneringsvoorstel op te stellen en de termijnen waarbinnen dergelijke voorstellen aan het Instituut betekend moeten worden. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van het risicobeheer en het gebruik van het terrein. Het risico-onderzoek bepaalt in voorkomend geval eveneens welke [1 nood]1- of followupmaatregelen er genomen moeten worden.
§ 4. De Regering [2 kan de type-inhoud van het risico-onderzoek bepalen.]2.
Art.29. § 1er. L'étude de risque évalue les risques engendrés par une pollution du sol pour la santé humaine et pour l'environnement.
§ 2. L'évaluation des risques intègre les trois dimensions suivantes : le risque d'exposition des personnes, le risque d'atteinte aux écosystèmes et le risque de dissémination de contaminants.
[2 L'évaluation des risques étudie :
1° les risques actuels, compte tenu de l'utilisation actuelle de fait, licite, du terrain ; et
2° les risques potentiels, compte tenu de son utilisation actuelle de fait, licite, et des affectations autorisées par les plans d'affectation du sol ; et
3° les risques futurs, s'ils sont connus, compte tenu de sa destination telle que prévue dans les certificats, les permis d'urbanisme et les permis de lotir en cours de validité et non encore mis en oeuvre relatifs au terrain.]2
Le gouvernement peut préciser pour chaque zone définie par les plans d'affectation du sol, les affectations qu'il y a lieu de prendre en compte.
§ 3. L'étude de risque formule des conclusions motivées [2 , par parcelle, ]2 quant au caractère tolérable ou non des risques engendrés par la pollution, quant à l'urgence d'une gestion du risque, quant à la nécessité ou non de réaliser un projet de gestion du risque ou éventuellement un projet d'assainissement et quant au délai de notification à l'Institut de tels projets. Ce délai tient notamment compte de l'urgence de la gestion du risque et de l'utilisation du terrain. L'étude de risque détermine également, le cas échéant, les [1 mesures d'urgence]1 ou de suivi à prendre.
§ 4. Le gouvernement [2 peut arrêter]2 le contenu type de l'étude de risque.
§ 2. L'évaluation des risques intègre les trois dimensions suivantes : le risque d'exposition des personnes, le risque d'atteinte aux écosystèmes et le risque de dissémination de contaminants.
[2 L'évaluation des risques étudie :
1° les risques actuels, compte tenu de l'utilisation actuelle de fait, licite, du terrain ; et
2° les risques potentiels, compte tenu de son utilisation actuelle de fait, licite, et des affectations autorisées par les plans d'affectation du sol ; et
3° les risques futurs, s'ils sont connus, compte tenu de sa destination telle que prévue dans les certificats, les permis d'urbanisme et les permis de lotir en cours de validité et non encore mis en oeuvre relatifs au terrain.]2
Le gouvernement peut préciser pour chaque zone définie par les plans d'affectation du sol, les affectations qu'il y a lieu de prendre en compte.
§ 3. L'étude de risque formule des conclusions motivées [2 , par parcelle, ]2 quant au caractère tolérable ou non des risques engendrés par la pollution, quant à l'urgence d'une gestion du risque, quant à la nécessité ou non de réaliser un projet de gestion du risque ou éventuellement un projet d'assainissement et quant au délai de notification à l'Institut de tels projets. Ce délai tient notamment compte de l'urgence de la gestion du risque et de l'utilisation du terrain. L'étude de risque détermine également, le cas échéant, les [1 mesures d'urgence]1 ou de suivi à prendre.
§ 4. Le gouvernement [2 peut arrêter]2 le contenu type de l'étude de risque.
Uitvoering en kennisgeving.
Réalisation et notification.
Art.30. § 1. Het risico-onderzoek wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige uitgevoerd.
§ 2. Het risico-onderzoek wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken.
Er kan een verlenging van de termijn toegekend worden indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven [5 of]5 [2 , via elektronische weg]2 [3 ...]3. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. Het risico-onderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [4 ...]4.
§ 2. Het risico-onderzoek wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken.
Er kan een verlenging van de termijn toegekend worden indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven [5 of]5 [2 , via elektronische weg]2 [3 ...]3. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. Het risico-onderzoek wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [4 ...]4.
Wijzigingen
Art.30. § 1er. L'étude de risque est réalisée par un expert en pollution du sol.
§ 2. L'étude de risque est notifiée à l'Institut dans le délai fixé par celui-ci sur la base des études antérieures.
Une prolongation du délai peut être accordée, suite à une demande écrite et motivée de la personne tenue de la réaliser, notifiée à l'Institut par lettre recommandée [5 ou]5 [2 , par voie électronique]2 [3 ...]3. L'Institut statue dans les 7 jours sur le délai de la prolongation. Passé ce délai, la demande de prolongation est réputée accordée.
§ 3. L'étude de risque est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [4 ...]4.
§ 2. L'étude de risque est notifiée à l'Institut dans le délai fixé par celui-ci sur la base des études antérieures.
Une prolongation du délai peut être accordée, suite à une demande écrite et motivée de la personne tenue de la réaliser, notifiée à l'Institut par lettre recommandée [5 ou]5 [2 , par voie électronique]2 [3 ...]3. L'Institut statue dans les 7 jours sur le délai de la prolongation. Passé ce délai, la demande de prolongation est réputée accordée.
§ 3. L'étude de risque est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [4 ...]4.
Wijzigingen
Gelijkvormigheidsverklaring.
Déclaration de conformité.
Art.31. § 1. Na ontvangst van het risico-onderzoek heeft het Instituut 30 dagen de tijd om :
- ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [5 aanvullingen]5n op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het risico-onderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
- In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon belast met het risico-onderzoek, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.
§ 2. In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het Instituut, in voorkomend geval, op basis van de conclusies van het risico-onderzoek, de termijn waarbinnen het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel aan het Instituut betekend moet worden. Het Instituut kan eveneens [2 nood]2 follow-upmaatregelen voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de persoon die het risico-onderzoek moet uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de [4 huidige]4 exploitant van een risicoactiviteit op het terrein.
§ 3. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt het risico-onderzoek als gelijkvormig beschouwd.
- ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [5 aanvullingen]5n op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het risico-onderzoek al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
- In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon belast met het risico-onderzoek, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.
§ 2. In de gelijkvormigheidsverklaring bepaalt het Instituut, in voorkomend geval, op basis van de conclusies van het risico-onderzoek, de termijn waarbinnen het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel aan het Instituut betekend moet worden. Het Instituut kan eveneens [2 nood]2 follow-upmaatregelen voorschrijven. De gelijkvormigheidsverklaring wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de persoon die het risico-onderzoek moet uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en, in voorkomend geval, de [4 huidige]4 exploitant van een risicoactiviteit op het terrein.
§ 3. Bij ontstentenis van een gelijkvormigheidsverklaring door het Instituut binnen de termijnen bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt het risico-onderzoek als gelijkvormig beschouwd.
Wijzigingen
Art.31. § 1er. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception de l'étude de risque pour :
- soit la déclarer conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit imposer des [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour déclarer l'étude de risque conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de réaliser l'étude de risque, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
§ 2. Dans la déclaration de conformite, l'Institut détermine, le cas échéant, sur la base des conclusions de l'étude de risque, le délai dans lequel le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement doit lui être notifié. L'Institut peut également prescrire des [2 mesures d'urgence ]2 ou des mesures de suivi. La déclaration de conformité est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser l'étude de risque, au titulaire de droits réels et, le cas échéant, à l'exploitant [4 actuel ]4 d'une activité à risque sur le terrain.
§ 3. En l'absence de déclaration de conformité par l'Institut dans les délais visés au § 1er, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'étude de risque est réputée conforme
- soit la déclarer conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit imposer des [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour déclarer l'étude de risque conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de réaliser l'étude de risque, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
§ 2. Dans la déclaration de conformite, l'Institut détermine, le cas échéant, sur la base des conclusions de l'étude de risque, le délai dans lequel le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement doit lui être notifié. L'Institut peut également prescrire des [2 mesures d'urgence ]2 ou des mesures de suivi. La déclaration de conformité est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser l'étude de risque, au titulaire de droits réels et, le cas échéant, à l'exploitant [4 actuel ]4 d'une activité à risque sur le terrain.
§ 3. En l'absence de déclaration de conformité par l'Institut dans les délais visés au § 1er, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'étude de risque est réputée conforme
Wijzigingen
Geldigheidsduur.
Duree de validité.
Art.32. § 1. Een risico-onderzoek is geldig zolang er zich geen wijziging heeft voorgedaan in de elementen waarmee rekening is gehouden in dit onderzoek om de risico's van blootstelling voor de mens, aantasting van de ecosystemen en verspreiding van verontreinigende stoffen te bepalen, met inbegrip van de gegevens van het gedetailleerd onderzoek en het bodembestemmingsplan die voor het onderzoek gebruikt werden. [1 Een risico-onderzoek is niet meer geldig als een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning voor het terrein wordt afgeleverd na dit onderzoek en een van de door dit onderzoek in aanmerking genomen elementen wijzigt.]1
[1 Wanneer een risico-onderzoek betreffende een perceel niet langer geldig is, moet er door de personen bedoeld in de artikelen 20 tot 22 of door de aanvrager van de afgeleverde, maar nog niet uitgevoerde stedenbouwkundige vergunning een bijwerking van het onderzoek betreffende dat perceel worden uitgevoerd vóór de feiten bedoeld in artikel 17, § 1. Als het risico-onderzoek wordt geactualiseerd om de toekomstige risico's te beoordelen, rekening houdend met de bestemming volgens de geldige stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen voor het terrein, en als dit risico-onderzoek hetzij een onaanvaardbaar risico, hetzij geen onaanvaardbaar risico maar wel een vermindering van de huidige gebruiksbeperkingen vaststelt, moet een risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel worden opgesteld om ofwel het beoogde risico te beheren, ofwel het risicobeheer te beschrijven dat de wijziging van de gebruiksbeperkingen beoogt. Het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel en hun uitvoering zijn ten laste van de persoon die het risico-onderzoek actualiseert .]1
§ 2. [1 Het Instituut bepaalt of, desgevallend, bevestigt of vernietigt, op basis van de vorige onderzoeken en de resultaten van de follow-upmaatregelen, of de gegevens van het gedetailleerd onderzoek of zelfs van het verkennend bodemonderzoek die in het kader van een risico-onderzoek worden gebruikt nog voldoende actueel zijn om een exact beeld te geven van de actuele staat van bodemverontreiniging. Worden deze gegevens niet langer als voldoende actueel beschouwd, dan dient het nieuwe risico-onderzoek, vereist krachtens § 1, te worden voorafgegaan door een bijwerking van dit gedetailleerd onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig afdeling II van hoofdstuk III of zelfs door een bijwerking van het verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd overeenkomstig afdeling V van hoofdstuk II.]1
[1 Wanneer een risico-onderzoek betreffende een perceel niet langer geldig is, moet er door de personen bedoeld in de artikelen 20 tot 22 of door de aanvrager van de afgeleverde, maar nog niet uitgevoerde stedenbouwkundige vergunning een bijwerking van het onderzoek betreffende dat perceel worden uitgevoerd vóór de feiten bedoeld in artikel 17, § 1. Als het risico-onderzoek wordt geactualiseerd om de toekomstige risico's te beoordelen, rekening houdend met de bestemming volgens de geldige stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen voor het terrein, en als dit risico-onderzoek hetzij een onaanvaardbaar risico, hetzij geen onaanvaardbaar risico maar wel een vermindering van de huidige gebruiksbeperkingen vaststelt, moet een risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel worden opgesteld om ofwel het beoogde risico te beheren, ofwel het risicobeheer te beschrijven dat de wijziging van de gebruiksbeperkingen beoogt. Het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel en hun uitvoering zijn ten laste van de persoon die het risico-onderzoek actualiseert .]1
§ 2. [1 Het Instituut bepaalt of, desgevallend, bevestigt of vernietigt, op basis van de vorige onderzoeken en de resultaten van de follow-upmaatregelen, of de gegevens van het gedetailleerd onderzoek of zelfs van het verkennend bodemonderzoek die in het kader van een risico-onderzoek worden gebruikt nog voldoende actueel zijn om een exact beeld te geven van de actuele staat van bodemverontreiniging. Worden deze gegevens niet langer als voldoende actueel beschouwd, dan dient het nieuwe risico-onderzoek, vereist krachtens § 1, te worden voorafgegaan door een bijwerking van dit gedetailleerd onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig afdeling II van hoofdstuk III of zelfs door een bijwerking van het verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd overeenkomstig afdeling V van hoofdstuk II.]1
Art.32. § 1er. Une étude de risque est valide tant que les éléments pris en compte par cette étude pour évaluer les risques d'exposition des personnes, d'atteinte aux écosystèmes et de dissémination de contaminants, y compris les données de l'étude détaillée utilisées et l'affectation planologique du sol, n'ont pas été modifiés. [1 Une étude de risque n'est plus valide si un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif au terrain est délivré après cette étude, modifiant un des éléments pris en compte par cette étude. ]1
Lorsqu'une étude de risque relative à une parcelle [1 ...]1 n'est plus valide, une nouvelle étude de risque relative à cette parcelle doit être réalisée avant les faits visés à l'article 17, § 1er, par les personnes visées [1 aux articles 20 à 22 ou par le demandeur du permis d'urbanisme délivré mais pas encore mis en oeuvre. Si une actualisation de l'étude de risque est établie en vue d'analyser les risques futurs, compte tenu de la destination telle que prévue dans les certificats, les permis d'urbanisme et les permis de lotir en cours de validité relatifs au terrain, et si cette étude de risque établit soit un risque intolérable, soit une absence de risque intolérable mais une diminution des restrictions d'usage actuelles, alors un projet de gestion de risque ou un projet d'assainissement doit être établi pour soit gérer le risque prévu, soit décrire la gestion du risque visant la modification des restrictions d'usage. Le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement et leur mise en oeuvre sont à charge de la personne qui actualise l'étude de risque]1.
§ 2. [1 L'Institut détermine, ou, le cas échéant, confirme ou infirme, sur la base des études antérieures et des résultats des mesures de suivi, si les données de l'étude détaillée, voire de la reconnaissance de l'état du sol, utilisées par une étude de risque sont encore suffisamment actuelles pour donner une image exacte de l'état actuel de pollution du sol. Dans le cas où ces données ne sont plus considérées comme suffisamment actuelles, la nouvelle étude de risque, requise en vertu du § 1er, doit être précédée d'une actualisation de cette étude détaillée, réalisée conformément à la section II du chapitre III, voire d'une actualisation de la reconnaissance de l'état du sol, conformément à la section V du chapitre II.]1
Lorsqu'une étude de risque relative à une parcelle [1 ...]1 n'est plus valide, une nouvelle étude de risque relative à cette parcelle doit être réalisée avant les faits visés à l'article 17, § 1er, par les personnes visées [1 aux articles 20 à 22 ou par le demandeur du permis d'urbanisme délivré mais pas encore mis en oeuvre. Si une actualisation de l'étude de risque est établie en vue d'analyser les risques futurs, compte tenu de la destination telle que prévue dans les certificats, les permis d'urbanisme et les permis de lotir en cours de validité relatifs au terrain, et si cette étude de risque établit soit un risque intolérable, soit une absence de risque intolérable mais une diminution des restrictions d'usage actuelles, alors un projet de gestion de risque ou un projet d'assainissement doit être établi pour soit gérer le risque prévu, soit décrire la gestion du risque visant la modification des restrictions d'usage. Le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement et leur mise en oeuvre sont à charge de la personne qui actualise l'étude de risque]1.
§ 2. [1 L'Institut détermine, ou, le cas échéant, confirme ou infirme, sur la base des études antérieures et des résultats des mesures de suivi, si les données de l'étude détaillée, voire de la reconnaissance de l'état du sol, utilisées par une étude de risque sont encore suffisamment actuelles pour donner une image exacte de l'état actuel de pollution du sol. Dans le cas où ces données ne sont plus considérées comme suffisamment actuelles, la nouvelle étude de risque, requise en vertu du § 1er, doit être précédée d'une actualisation de cette étude détaillée, réalisée conformément à la section II du chapitre III, voire d'une actualisation de la reconnaissance de l'état du sol, conformément à la section V du chapitre II.]1
Wijzigingen
Doel en inhoud.
Objectif et contenu.
Art.33. § 1. Het risicobeheersvoorstel bepaalt het type en de uitvoeringswijze van [3 het risicobeheer]3 [6 ...]6 om de [5 huidige]5 via een risico-onderzoek geïdentificeerde risico's [6 , overeenkomstig artikel 29, § 2, tweede lid, 1°, ]6 aanvaardbaar te maken voor de volksgezondheid en het milieu.
[6 Het risicobeheersvoorstel bepaalt eveneens het type en de uitvoeringswijze van het risicobeheer om de toekomstige risico's geïdentificeerd door een risico-onderzoek, overeenkomstig artikel 29, § 2, tweede lid, 2° en 3°, aanvaardbaar te maken voor de volksgezondheid en het milieu indien het geoorloofd feitelijk gebruik van het terrein zal worden gewijzigd, rekening houdend met :
- de bestemming, volgens de geldige stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen voor het terrein ;
- een afgeleverd en geldig, maar nog niet uitgevoerd(e) stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning ;
- andere bestemmingen die zijn toegestaan volgens de bodembestemmingsplannen.
Het risicobeheersvoorstel wordt opgesteld door de personen bedoeld in de artikelen 20 tot 22 of door de aanvrager van de afgeleverde, maar nog niet uitgevoerde stedenbouwkundige vergunning. ]6
§ 2. Het risicobeheersvoorstel beschrijft [6 het gekozen risicobeheer]6,[6 ]na het te hebben vergeleken]6 [6 [4 met andere denkbare risicobeheren]6 ]4 doeltreffendheid, kostprijs, milieueffecten en uitvoeringstermijn. Op basis van dezelfde criteria vergelijkt het risicobeheersvoorstel op beknopte wijze [6 het gekozen risicobeheer ]6 met [1 een sanering]1 volgens een aan de situatie op het terrein aangepaste techniek. Het risicobeheersvoorstel verduidelijkt eveneens de procedure om na de uitvoering van [6 het gekozen risicobeheer]6 de geboekte resultaten inzake blootstelling van de mens en het milieu te meten, evenals de termijn [6 waarbinnen dit risicobeheer uitgevoerd moet worden]6. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van het risicobeheer en het gebruik van het terrein. Het risicobeheersvoorstel bepaalt in voorkomend geval eveneens welke [2 nood]2- of follow-upmaatregelen er genomen moeten worden.
De effecten van het ontwerp worden beoordeeld onverminderd de andere wetgevingen op dat gebied.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van het risicobeheersvoorstel.
[6 Het risicobeheersvoorstel bepaalt eveneens het type en de uitvoeringswijze van het risicobeheer om de toekomstige risico's geïdentificeerd door een risico-onderzoek, overeenkomstig artikel 29, § 2, tweede lid, 2° en 3°, aanvaardbaar te maken voor de volksgezondheid en het milieu indien het geoorloofd feitelijk gebruik van het terrein zal worden gewijzigd, rekening houdend met :
- de bestemming, volgens de geldige stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen voor het terrein ;
- een afgeleverd en geldig, maar nog niet uitgevoerd(e) stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning ;
- andere bestemmingen die zijn toegestaan volgens de bodembestemmingsplannen.
Het risicobeheersvoorstel wordt opgesteld door de personen bedoeld in de artikelen 20 tot 22 of door de aanvrager van de afgeleverde, maar nog niet uitgevoerde stedenbouwkundige vergunning. ]6
§ 2. Het risicobeheersvoorstel beschrijft [6 het gekozen risicobeheer]6,[6 ]na het te hebben vergeleken]6 [6 [4 met andere denkbare risicobeheren]6 ]4 doeltreffendheid, kostprijs, milieueffecten en uitvoeringstermijn. Op basis van dezelfde criteria vergelijkt het risicobeheersvoorstel op beknopte wijze [6 het gekozen risicobeheer ]6 met [1 een sanering]1 volgens een aan de situatie op het terrein aangepaste techniek. Het risicobeheersvoorstel verduidelijkt eveneens de procedure om na de uitvoering van [6 het gekozen risicobeheer]6 de geboekte resultaten inzake blootstelling van de mens en het milieu te meten, evenals de termijn [6 waarbinnen dit risicobeheer uitgevoerd moet worden]6. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van het risicobeheer en het gebruik van het terrein. Het risicobeheersvoorstel bepaalt in voorkomend geval eveneens welke [2 nood]2- of follow-upmaatregelen er genomen moeten worden.
De effecten van het ontwerp worden beoordeeld onverminderd de andere wetgevingen op dat gebied.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van het risicobeheersvoorstel.
Wijzigingen
Art.33. § 1er. Le projet de gestion du risque détermine le type et le mode d'exécution [5 de la gestion du risque]5 [6 ...]6 pour rendre les risques [6 actuels ]6 identifiés par une étude de risque [6 , conformément à l'article 29, § 2, alinéa 2, 1°, ]6 tolérables pour la santé humaine et l'environnement.
[6 Le projet de gestion du risque détermine également le type et le mode d'exécution de la gestion du risque pour rendre les risques futurs identifiés par une étude de risque, conformément à l'article 29, § 2, alinéa 2, 2° et 3°, tolérables pour la santé humaine et l'environnement, lorsque l'utilisation de fait, licite, du terrain, sera modifiée compte tenu :
- de sa destination telle que prévue dans les certificats, les permis d'urbanisme et les permis de lotir en cours de validité relatifs au terrain ;
- d'un certificat ou permis d'urbanisme délivré et valide, mais pas encore mis en oeuvre ;
- des autres affectations autorisées par les plans d'affectation du sol.]6
[6 Le projet de gestion du risque est réalisé par les personnes visées aux articles 20 à 22 ou par le demandeur du permis d'urbanisme délivré mais pas encore mis en oeuvre. ]6
§ 2. Le projet de gestion du risque décrit [3 la gestion du risque]3 retenue[6 ...]6, après [6 l'avoir comparée]6 avec d'autres [4 gestions du risque]4 envisageables quant à leur efficacité, leur coût, leurs incidences sur l'environnement et leur délai d'exécution. Sur la base des mêmes critères, le projet de gestion du risque compare succinctement [3 la gestion du risque]3 retenue[6 ...]6 par rapport à [1 un assainissement]1 de la pollution suivant une technique appropriée à la situation de terrain. Le projet de gestion du risque précise également la procédure qui permettra de mesurer les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement suite à la mise en oeuvre [5 de la gestion du risque]5 retenue[6 ...]6, ainsi que le délai dans lequel [6 cette gestion du risque doit être mise en oeuvre]6. Ce délai tient notamment compte de l'urgence de la gestion du risque et de l'utilisation du terrain. Le projet de gestion de risque détermine également le cas échéant les [2 mesures d'urgence ]2 et de suivi à prendre.
L'évaluation des incidences du projet s'effectue sans préjudice d'autres législations en la matière.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type du projet de gestion du risque.
[6 Le projet de gestion du risque détermine également le type et le mode d'exécution de la gestion du risque pour rendre les risques futurs identifiés par une étude de risque, conformément à l'article 29, § 2, alinéa 2, 2° et 3°, tolérables pour la santé humaine et l'environnement, lorsque l'utilisation de fait, licite, du terrain, sera modifiée compte tenu :
- de sa destination telle que prévue dans les certificats, les permis d'urbanisme et les permis de lotir en cours de validité relatifs au terrain ;
- d'un certificat ou permis d'urbanisme délivré et valide, mais pas encore mis en oeuvre ;
- des autres affectations autorisées par les plans d'affectation du sol.]6
[6 Le projet de gestion du risque est réalisé par les personnes visées aux articles 20 à 22 ou par le demandeur du permis d'urbanisme délivré mais pas encore mis en oeuvre. ]6
§ 2. Le projet de gestion du risque décrit [3 la gestion du risque]3 retenue[6 ...]6, après [6 l'avoir comparée]6 avec d'autres [4 gestions du risque]4 envisageables quant à leur efficacité, leur coût, leurs incidences sur l'environnement et leur délai d'exécution. Sur la base des mêmes critères, le projet de gestion du risque compare succinctement [3 la gestion du risque]3 retenue[6 ...]6 par rapport à [1 un assainissement]1 de la pollution suivant une technique appropriée à la situation de terrain. Le projet de gestion du risque précise également la procédure qui permettra de mesurer les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement suite à la mise en oeuvre [5 de la gestion du risque]5 retenue[6 ...]6, ainsi que le délai dans lequel [6 cette gestion du risque doit être mise en oeuvre]6. Ce délai tient notamment compte de l'urgence de la gestion du risque et de l'utilisation du terrain. Le projet de gestion de risque détermine également le cas échéant les [2 mesures d'urgence ]2 et de suivi à prendre.
L'évaluation des incidences du projet s'effectue sans préjudice d'autres législations en la matière.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type du projet de gestion du risque.
Wijzigingen
Uitvoering en kennisgeving.
Réalisation et notification.
Art.34. § 1. Het risicobeheersvoorstel wordt door een bodemverontreinigingsdeskundige opgesteld.
§ 2. Het risicobeheersvoorstel wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken. [6 Het kan eveneens gelijktijdig met een risico-onderzoek worden betekend, dat eventueel wordt gecombineerd met een gedetailleerd onderzoek, alleen of in combinatie met een verkennend bodemonderzoek.]6
Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven [6 of]6 [2 , via elektronische weg]2 [4 ...]4. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. Het risicobeheersvoorstel wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 met bericht van ontvangst [5 ...]5.
[6 Vanaf de datum van ontvangst van het risicobeheersvoorstel en voor zover de voorafgaande onderzoeken gelijkvormig werden verklaard, heeft het Instituut 15 dagen de tijd ]6 om aan de persoon die het risicobeheersvoorstel moet opstellen, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekening te doen van ofwel een ontvangstbewijs voor het volledige dossier, ofwel een verzoek om aanvullingen, die binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [3 , via elektronische weg]3 [4 ...]4.
§ 2. Het risicobeheersvoorstel wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken. [6 Het kan eveneens gelijktijdig met een risico-onderzoek worden betekend, dat eventueel wordt gecombineerd met een gedetailleerd onderzoek, alleen of in combinatie met een verkennend bodemonderzoek.]6
Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het onderzoek moet uitvoeren, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven [6 of]6 [2 , via elektronische weg]2 [4 ...]4. Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. Het risicobeheersvoorstel wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 met bericht van ontvangst [5 ...]5.
[6 Vanaf de datum van ontvangst van het risicobeheersvoorstel en voor zover de voorafgaande onderzoeken gelijkvormig werden verklaard, heeft het Instituut 15 dagen de tijd ]6 om aan de persoon die het risicobeheersvoorstel moet opstellen, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekening te doen van ofwel een ontvangstbewijs voor het volledige dossier, ofwel een verzoek om aanvullingen, die binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [3 , via elektronische weg]3 [4 ...]4.
Wijzigingen
Art.34. § 1er. Le projet de gestion du risque est rédigé par un expert en pollution du sol.
§ 2. Le projet de gestion du risque est notifié à l'Institut dans le délai fixe par celui-ci sur la base des études antérieures. [6 Il peut également être notifié simultanément à une étude de risque, éventuellement combinée à une étude détaillée, seule ou en combinaison avec une reconnaissance de l'état du sol.]6
Une prolongation du délai peut être accordée, suite à une demande écrite et motivée de la personne tenue de le réaliser, notifiée à l'Institut par lettre recommandée [6 ou]6 [2 , par voie électronique]2 [4 ...]4. L'Institut statue dans les 7 jours sur le délai de la prolongation. Passé ce délai, la demande de prolongation est réputée accordée.
§ 3. Le projet de gestion du risque est notifié à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [5 ...]5.
[6 A compter de la date de réception du projet de gestion du risque et pour autant que les études préalables aient été déclarées conformes, l'Institut dispose de 15 jours ]6 pour notifier, par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1, à la personne tenue de le réaliser, soit un accusé de réception de dossier complet, soit une demande de compléments a lui notifier par courrier recommandé [3 , par voie électronique]3 [4 ...]4 dans un délai raisonnable qu'il fixe.
§ 2. Le projet de gestion du risque est notifié à l'Institut dans le délai fixe par celui-ci sur la base des études antérieures. [6 Il peut également être notifié simultanément à une étude de risque, éventuellement combinée à une étude détaillée, seule ou en combinaison avec une reconnaissance de l'état du sol.]6
Une prolongation du délai peut être accordée, suite à une demande écrite et motivée de la personne tenue de le réaliser, notifiée à l'Institut par lettre recommandée [6 ou]6 [2 , par voie électronique]2 [4 ...]4. L'Institut statue dans les 7 jours sur le délai de la prolongation. Passé ce délai, la demande de prolongation est réputée accordée.
§ 3. Le projet de gestion du risque est notifié à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [5 ...]5.
[6 A compter de la date de réception du projet de gestion du risque et pour autant que les études préalables aient été déclarées conformes, l'Institut dispose de 15 jours ]6 pour notifier, par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1, à la personne tenue de le réaliser, soit un accusé de réception de dossier complet, soit une demande de compléments a lui notifier par courrier recommandé [3 , par voie électronique]3 [4 ...]4 dans un délai raisonnable qu'il fixe.
Wijzigingen
Gelijkvormigheidsverklaring.
Declaration de conformité.
Art.35. § 1. Na ontvangst van de ontvangstbewijs voor het volledige dossier of, desgevallend, de adviezen bedoeld in artikel 51 of na het verstrijken van de in artikelen 34, § 3 en 51 gestelde termijnen om de adviezen in te dienen, heeft het Instituut 45 dagen de tijd om :
- ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [6 aanvullingen]6 op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [6 aanvullingen]6 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het risicobeheersvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
Indien het Instituut geen gelijkvormigheidsverklaring kan betekenen volgens de binnen deze bepaling toegestane termijn, richt het aan de persoon die het risicobeheer uitvoert een voorstel van verlenging van een maximum van 30 dagen van deze termijn. In dit voorstel zijn de in artikelen 55 tot 57 georganiseerde beroepen vermeld.
§ 2. In de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het risicobeheersvoorstel, de milieueffecten ervan en de ontvangen adviezen, [7 overeenkomstig welke voorwaarden het risicobeheer uitgevoerd moet worden, welke resultaten behaald moeten worden met de uitvoering van dit beheer en binnen welke termijn dit beheer moet zijn uitgevoerd. Het Instituut kan eveneens nood- of follow-upmaatregelen voorschrijven. ]7
§ 3. De gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan de volgende personen betekend :
1° de persoon die [5 het risicobeheer ]5moet uitvoeren;
2° de houders van zakelijke rechten en de [4 huidige]4 exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;
3° het College van Burgemeester en Schepenen;
4° de afgevaardigd ambtenaar, indien deze om advies gevraagd werd ter uitvoering van artikel 51.
- ofwel het al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [6 aanvullingen]6 op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [6 aanvullingen]6 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het risicobeheersvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
Indien het Instituut geen gelijkvormigheidsverklaring kan betekenen volgens de binnen deze bepaling toegestane termijn, richt het aan de persoon die het risicobeheer uitvoert een voorstel van verlenging van een maximum van 30 dagen van deze termijn. In dit voorstel zijn de in artikelen 55 tot 57 georganiseerde beroepen vermeld.
§ 2. In de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het risicobeheersvoorstel, de milieueffecten ervan en de ontvangen adviezen, [7 overeenkomstig welke voorwaarden het risicobeheer uitgevoerd moet worden, welke resultaten behaald moeten worden met de uitvoering van dit beheer en binnen welke termijn dit beheer moet zijn uitgevoerd. Het Instituut kan eveneens nood- of follow-upmaatregelen voorschrijven. ]7
§ 3. De gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan de volgende personen betekend :
1° de persoon die [5 het risicobeheer ]5moet uitvoeren;
2° de houders van zakelijke rechten en de [4 huidige]4 exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;
3° het College van Burgemeester en Schepenen;
4° de afgevaardigd ambtenaar, indien deze om advies gevraagd werd ter uitvoering van artikel 51.
Wijzigingen
Art.35. § 1er. Dans les 45 jours à dater de l'accusé de réception de dossier complet ou, le cas échéant, de la réception des avis visés à l'article 51 ou de l'expiration des délais pour les communiquer prescrits aux articles 34, § 3 et 51, l'Institut :
- soit le déclare conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit impose des [6 compléments ]6 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [6 compléments ]6 pour déclarer le projet de gestion du risque conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
Si l'Institut ne peut notifier une déclaration de conformité dans le délai imparti selon la présente disposition, il adresse à la personne tenue de réaliser la gestion du risque, une proposition de prolongation de ce délai de maximum 30 jours. Cette proposition mentionne les recours organisés aux articles 55 à 57.
§ 2. Dans la déclaration de conformité du projet de gestion du risque, l'Institut fixe, sur la base des conclusions du projet de gestion du risque, de ses incidences sur l'environnement, des avis reçus, [7 les conditions auxquelles la gestion du risque doit être mise en oeuvre, les résultats auxquels sa mise en oeuvre doit aboutir et les délais dans lesquels elle doit avoir été mise en oeuvre. L'Institut peut également prescrire des mesures d'urgence ou de suivi. ]7
§ 3. La déclaration de conformité du projet de gestion du risque est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 aux personnes suivantes :
1° la personne tenue de mettre en oeuvre [5 la gestion du risque]5;
2° les titulaires de droits réels et les exploitants [4 actuels]4 d'une activité à risque sur les parcelles concernées;
3° le collège des bourgmestre et échevins;
4° le fonctionnaire délégué, si son avis a été demandé en exécution de l'article 51.
- soit le déclare conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit impose des [6 compléments ]6 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [3 ...]3, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [6 compléments ]6 pour déclarer le projet de gestion du risque conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
Si l'Institut ne peut notifier une déclaration de conformité dans le délai imparti selon la présente disposition, il adresse à la personne tenue de réaliser la gestion du risque, une proposition de prolongation de ce délai de maximum 30 jours. Cette proposition mentionne les recours organisés aux articles 55 à 57.
§ 2. Dans la déclaration de conformité du projet de gestion du risque, l'Institut fixe, sur la base des conclusions du projet de gestion du risque, de ses incidences sur l'environnement, des avis reçus, [7 les conditions auxquelles la gestion du risque doit être mise en oeuvre, les résultats auxquels sa mise en oeuvre doit aboutir et les délais dans lesquels elle doit avoir été mise en oeuvre. L'Institut peut également prescrire des mesures d'urgence ou de suivi. ]7
§ 3. La déclaration de conformité du projet de gestion du risque est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 aux personnes suivantes :
1° la personne tenue de mettre en oeuvre [5 la gestion du risque]5;
2° les titulaires de droits réels et les exploitants [4 actuels]4 d'une activité à risque sur les parcelles concernées;
3° le collège des bourgmestre et échevins;
4° le fonctionnaire délégué, si son avis a été demandé en exécution de l'article 51.
Wijzigingen
Equivalentie.
Equivalence.
Art.36. Indien het risicobeheersvoorstel inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvat die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning geldt de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel als de vereiste vergunning of aangifte.
Art.36. Si le projet de gestion du risque comprend des installations, des actes ou travaux soumis à autorisation en exécution de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines, à déclaration environnementale, à permis d'environnement ou à permis d'urbanisme, la déclaration de conformité du projet de gestion du risque vaut l'autorisation, la déclaration ou le permis requis.
Afdeling III. - Risicobeheersmaatregelen.
Section III. - Mesures de gestion du risque.
Uitvoering van de risicobeheersmaatregelen.
Mise en oeuvre des mesures de gestion du risque.
Art.37. § 1. [1 Het risicobeheer ]1 [3 wordt uitgevoerd]3 door een bodemsaneringsaannemer, onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige, binnen de termijnen die het Instituut heeft gesteld in de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel.
§ 2. [1 Het risicobeheer ]1 [3 wordt uitgevoerd]3 in overeenstemming met de bepalingen in het risicobeheersvoorstel en de voorwaarden vastgelegd in de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel.
§ 3. De Regering kan een standaardprocedure vastleggen voor de uitvoering van [2 het risicobeheer ]2.
§ 2. [1 Het risicobeheer ]1 [3 wordt uitgevoerd]3 in overeenstemming met de bepalingen in het risicobeheersvoorstel en de voorwaarden vastgelegd in de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel.
§ 3. De Regering kan een standaardprocedure vastleggen voor de uitvoering van [2 het risicobeheer ]2.
Art.37. § 1er. [1 La gestion du risque]1 [3 est mise oeuvre]3par un entrepreneur en assainissement du sol, sous la supervision d'un expert en pollution du sol, dans les délais fixés par l'Institut dans la déclaration de conformité du projet de gestion du risque.
§ 2. [1 la gestion du risque]1 [3 est mise oeuvre]3 conformément aux dispositions reprises dans le projet de gestion du risque et aux conditions fixées dans la déclaration de conformité du projet de gestion du risque.
§ 3. Le gouvernement peut arrêter une procédure standard organisant la mise en oeuvre [2 de la gestion du risque]2.
§ 2. [1 la gestion du risque]1 [3 est mise oeuvre]3 conformément aux dispositions reprises dans le projet de gestion du risque et aux conditions fixées dans la déclaration de conformité du projet de gestion du risque.
§ 3. Le gouvernement peut arrêter une procédure standard organisant la mise en oeuvre [2 de la gestion du risque]2.
Aanpassing van de risicobeheersmaatregelen.
Adaptation des mesures de gestion du risque.
Art.38. § 1. Indien [6 na de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel, en uiterlijk]6 tijdens de uitvoering van [4 het risicobeheer]4 blijkt dat [6 dit]6 [6 niet de verwachte resultaten zal opleveren ]6, dat de uitvoeringsvoorwaarden niet langer geschikt zijn om milieuhinder te voorkomen of te verminderen of dat de resultaten behaald kunnen worden door de toepassing van [4 het risicobeheer ]4 tegen lagere kostprijs,[6 kan het risicobeheer aangepast worden]6 door wijzigingen of aanvullingen, op verzoek van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren of op [6 verzoek]6 zoek van het Instituut, in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.
§ 2. Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van [4 het risicobeheer]4 moet worden opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige die is aangesteld door de persoon die moet instaan voor het risicobeheer, en moet [6 in voorkomend geval ]6 vergezeld zijn van het advies van een bodemsaneringsaannemer. De kennisgeving aan het Instituut gebeurt per aangetekend schrijven [6 of]6 [2 , via elektronische weg]2 [3 ...]3.
Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van [4 het risicobeheer]4 moet de aard en de gevolgen stipuleren van deze aanpassing gelet op de criteria die in het gelijkvormig verklaarde of geachte risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden. Indien het verzoek om aanpassing uitgaat van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, moeten in het verzoek ook de redenen van de aanpassing toegelicht worden.
§ 3. De persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, betekent zijn verzoek om aanpassing van [4 het risicobeheer]4 aan het Instituut [6 per aangetekend schrijven of via elektronische weg ]6.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek stelt het Instituut de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 ervan in kennis :
- ofwel dat het Instituut niet akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, wanneer het meent dat deze niet overeenstemt met de voorwaarden beschreven in § 1 of dat deze een toename van de risico's voor de volksgezondheid of het milieu kan veroorzaken;
- ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt om [5 aanvullingen]5, die per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 heeft het instituut 15 dagen de tijd om de gevraagde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn, wordt het verzoek om aanpassing van [4 het risicobeheer]4 geacht [6 ...]6 te zijn goedgekeurd.
§ 4. Het Instituut deelt aan de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, de redelijke termijn mee waarbinnen een voorstel tot aanpassing van [4 het risicobeheer]4, ten laste van deze persoon, moet worden betekend aan het Instituut. Het verzoek van het Instituut is met redenen omkleed.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het voorstel stelt het Instituut de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 ervan in kennis :
- ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de voorgestelde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt om [5 aanvullingen]5, die per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 aanvullingen heeft het Instituut 15 dagen de tijd om de voorgestelde aanpassing al dan niet goed te keuren of te eisen dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het voorstel tot aanpassing van de [3 het risicobeheer]]3 [6 ...]6 goedgekeurd geacht.
§ 5. De Regering kan de lijst vastleggen van de aanpassingen waarvoor vanwege hun minieme belang geen voorafgaande kennisgeving aan het Instituut vereist is, alsmede de lijst van de aanpassingen waarvoor vanwege hun aanzienlijke belang een nieuw risicobeheersvoorstel moet worden opgesteld.
§ 2. Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van [4 het risicobeheer]4 moet worden opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige die is aangesteld door de persoon die moet instaan voor het risicobeheer, en moet [6 in voorkomend geval ]6 vergezeld zijn van het advies van een bodemsaneringsaannemer. De kennisgeving aan het Instituut gebeurt per aangetekend schrijven [6 of]6 [2 , via elektronische weg]2 [3 ...]3.
Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van [4 het risicobeheer]4 moet de aard en de gevolgen stipuleren van deze aanpassing gelet op de criteria die in het gelijkvormig verklaarde of geachte risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden. Indien het verzoek om aanpassing uitgaat van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, moeten in het verzoek ook de redenen van de aanpassing toegelicht worden.
§ 3. De persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, betekent zijn verzoek om aanpassing van [4 het risicobeheer]4 aan het Instituut [6 per aangetekend schrijven of via elektronische weg ]6.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek stelt het Instituut de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 ervan in kennis :
- ofwel dat het Instituut niet akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, wanneer het meent dat deze niet overeenstemt met de voorwaarden beschreven in § 1 of dat deze een toename van de risico's voor de volksgezondheid of het milieu kan veroorzaken;
- ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt om [5 aanvullingen]5, die per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 heeft het instituut 15 dagen de tijd om de gevraagde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn, wordt het verzoek om aanpassing van [4 het risicobeheer]4 geacht [6 ...]6 te zijn goedgekeurd.
§ 4. Het Instituut deelt aan de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, de redelijke termijn mee waarbinnen een voorstel tot aanpassing van [4 het risicobeheer]4, ten laste van deze persoon, moet worden betekend aan het Instituut. Het verzoek van het Instituut is met redenen omkleed.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het voorstel stelt het Instituut de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 ervan in kennis :
- ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de voorgestelde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het risicobeheersvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt om [5 aanvullingen]5, die per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de [5 aanvullingen]5 aanvullingen heeft het Instituut 15 dagen de tijd om de voorgestelde aanpassing al dan niet goed te keuren of te eisen dat er een nieuw risicobeheersvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling II van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het voorstel tot aanpassing van de [3 het risicobeheer]]3 [6 ...]6 goedgekeurd geacht.
§ 5. De Regering kan de lijst vastleggen van de aanpassingen waarvoor vanwege hun minieme belang geen voorafgaande kennisgeving aan het Instituut vereist is, alsmede de lijst van de aanpassingen waarvoor vanwege hun aanzienlijke belang een nieuw risicobeheersvoorstel moet worden opgesteld.
Wijzigingen
Art.38.. § 1er. S'il apparaît [6 , après déclaration de conformité du projet de gestion du risque, et au plus tard ]6 au cours de la mise en oeuvre [4 de la gestion du risque]4 que [6 celle-ci ]6 ne [6 conduira]6 pas aux résultats attendus, que les conditions de [6 sa]6 mise en oeuvre ne sont plus appropriées pour éviter ou réduire les nuisances environnementales, ou que les résultats [7 peut]7 être atteints par la mise en oeuvre [6 d'une]6 gestion du risque au coût inférieur, [4 la gestion du risque ]4 [6 peut]6 être [6 adaptée]6 par des modifications ou compléments, à la demande de la personne tenue de réaliser la gestion du risque ou à la demande de l'Institut, conformément aux dispositions du présent article.
§ 2. Toute demande ou proposition d'adaptation [4 de la gestion du risque]4 est rédigée par un expert en pollution du sol désigné par la personne tenue de réaliser la gestion du risque et est accompagnée [7 le cas échéant]7 d'un avis d'un entrepreneur en assainissement du sol. Elle est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [6 ou]6 [2 , par voie électronique]2 [3 ...]3.
Toute demande ou proposition d'adaptation [4 de la gestion du risque ]4 précise la nature et les incidences de cette adaptation eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque déclaré ou répute conforme. Lorsqu'elle émane de la personne tenue de réaliser la gestion du risque, la demande d'adaptation précise également la motivation de cette demande.
§ 3. La personne tenue de réaliser la gestion du risque notifie à l'Institut sa demande d'adaptation [4 de la gestion du risque]4 [6 par lettre recommandée ou par voie électronique]6.
Dans les 15 jours à dater de la réception de la demande, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser la gestion du risque :
- soit son désaccord sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée, lorsqu'il estime que celle-ci n'est pas conforme aux conditions décrites au § 1er ou qu'elle est susceptible d'entrainer une aggravation des risques pour la santé humaine ou l'environnement;
- soit son accord sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée, éventuellement conditionné au respect de certaines dispositions de mise en oeuvre, lorsqu'il estime que celle-ci est mineure eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque;
- soit une demande de rédiger un nouveau projet de gestion du risque, conformément aux dispositions de la section II du présent chapitre, lorsqu'il estime que l'adaptation demandée est substantielle eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque;
- soit une demande de [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1. L'institut dispose de 15 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour notifier son accord ou non sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée ou pour demander la rédaction d'un nouveau projet de gestion du risque, conformément aux dispositions de la section II du présent chapitre.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais, la demande d'adaptation [4 de la gestion du risque ]4 est réputée [7 ...]7 acceptée.
§ 4. L'Institut notifie à la personne tenue de réaliser la gestion du risque le délai raisonnable dans lequel une proposition d'adaptation [4 de la gestion du risque ]4, à charge de cette personne, doit lui être notifiée. La demande de l'Institut est motivée.
Dans les 15 jours à dater de la réception de la proposition, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser la gestion du risque :
- soit son accord sur la mise en oeuvre de l'adaptation proposée, éventuellement conditionné au respect de certaines dispositions de mise en oeuvre, lorsqu'il estime que celle-ci est mineure eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque;
- soit une demande de rédiger un nouveau projet de gestion du risque, conformément aux dispositions de la section II du présent chapitre, lorsqu'il estime que l'adaptation proposée est substantielle eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque;
- soit une demande de [5 compléments]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1. L'institut dispose de 15 jours à dater de la réception des [6 compléments ]6 pour notifier son accord ou non sur la mise en oeuvre de l'adaptation proposée ou pour demander la rédaction d'un nouveau projet de gestion de risque, conformément aux dispositions de la section II du présent chapitre.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais, la proposition d'adaptation des mesures de gestion du risque est réputée [6 ...]6 acceptée.
§ 5. Le gouvernement peut arrêter la liste des adaptations pour lesquelles aucune notification préalable ne doit être faite à l'Institut en raison de leur minime importance ainsi que la liste des adaptations pour lesquelles la rédaction d'un nouveau projet de gestion du risque doit obligatoirement être réalisée en raison de leur importance significative.
§ 2. Toute demande ou proposition d'adaptation [4 de la gestion du risque]4 est rédigée par un expert en pollution du sol désigné par la personne tenue de réaliser la gestion du risque et est accompagnée [7 le cas échéant]7 d'un avis d'un entrepreneur en assainissement du sol. Elle est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [6 ou]6 [2 , par voie électronique]2 [3 ...]3.
Toute demande ou proposition d'adaptation [4 de la gestion du risque ]4 précise la nature et les incidences de cette adaptation eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque déclaré ou répute conforme. Lorsqu'elle émane de la personne tenue de réaliser la gestion du risque, la demande d'adaptation précise également la motivation de cette demande.
§ 3. La personne tenue de réaliser la gestion du risque notifie à l'Institut sa demande d'adaptation [4 de la gestion du risque]4 [6 par lettre recommandée ou par voie électronique]6.
Dans les 15 jours à dater de la réception de la demande, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser la gestion du risque :
- soit son désaccord sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée, lorsqu'il estime que celle-ci n'est pas conforme aux conditions décrites au § 1er ou qu'elle est susceptible d'entrainer une aggravation des risques pour la santé humaine ou l'environnement;
- soit son accord sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée, éventuellement conditionné au respect de certaines dispositions de mise en oeuvre, lorsqu'il estime que celle-ci est mineure eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque;
- soit une demande de rédiger un nouveau projet de gestion du risque, conformément aux dispositions de la section II du présent chapitre, lorsqu'il estime que l'adaptation demandée est substantielle eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque;
- soit une demande de [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1. L'institut dispose de 15 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour notifier son accord ou non sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée ou pour demander la rédaction d'un nouveau projet de gestion du risque, conformément aux dispositions de la section II du présent chapitre.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais, la demande d'adaptation [4 de la gestion du risque ]4 est réputée [7 ...]7 acceptée.
§ 4. L'Institut notifie à la personne tenue de réaliser la gestion du risque le délai raisonnable dans lequel une proposition d'adaptation [4 de la gestion du risque ]4, à charge de cette personne, doit lui être notifiée. La demande de l'Institut est motivée.
Dans les 15 jours à dater de la réception de la proposition, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser la gestion du risque :
- soit son accord sur la mise en oeuvre de l'adaptation proposée, éventuellement conditionné au respect de certaines dispositions de mise en oeuvre, lorsqu'il estime que celle-ci est mineure eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque;
- soit une demande de rédiger un nouveau projet de gestion du risque, conformément aux dispositions de la section II du présent chapitre, lorsqu'il estime que l'adaptation proposée est substantielle eu égard aux critères analysés dans le projet de gestion du risque;
- soit une demande de [5 compléments]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1. L'institut dispose de 15 jours à dater de la réception des [6 compléments ]6 pour notifier son accord ou non sur la mise en oeuvre de l'adaptation proposée ou pour demander la rédaction d'un nouveau projet de gestion de risque, conformément aux dispositions de la section II du présent chapitre.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais, la proposition d'adaptation des mesures de gestion du risque est réputée [6 ...]6 acceptée.
§ 5. Le gouvernement peut arrêter la liste des adaptations pour lesquelles aucune notification préalable ne doit être faite à l'Institut en raison de leur minime importance ainsi que la liste des adaptations pour lesquelles la rédaction d'un nouveau projet de gestion du risque doit obligatoirement être réalisée en raison de leur importance significative.
Wijzigingen
Eindbeoordeling.
Evaluation finale.
Art.39. § 1. Na de uitvoering van [3 het risicobeheer ]3 wordt er door een bodemverontreinigingdeskundige een eindbeoordeling [4 ...]4 gemaakt ten laste van de persoon [4 die het moet uitvoeren ]4. De eindbeoordeling wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [2 ...]2.
§ 2. Deze eindbeoordeling omvat minstens de volgende elementen :
- een gedetailleerde omschrijving van de uitgevoerde risicobeheersmaatregelen;
- de verkregen resultaten wat betreft de blootstelling van personen en het milieu op basis van de in het gelijkvormig verklaard of geacht risicobeheersvoorstel beschreven procedure;
- de aard en de duur van de eventuele follow-upmaatregelen.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling.
§ 2. Deze eindbeoordeling omvat minstens de volgende elementen :
- een gedetailleerde omschrijving van de uitgevoerde risicobeheersmaatregelen;
- de verkregen resultaten wat betreft de blootstelling van personen en het milieu op basis van de in het gelijkvormig verklaard of geacht risicobeheersvoorstel beschreven procedure;
- de aard en de duur van de eventuele follow-upmaatregelen.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling.
Art.39. § 1er. A l'issue de la mise en oeuvre [3 de la gestion du risque]3, une évaluation finale [4 ...]4 est effectuée par un expert en pollution du sol à charge de la personne tenue de [4 la]4 mettre en oeuvre. Elle est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [2 ...]2.
§ 2. Cette évaluation finale comprend au moins les éléments suivants :
- une description détaillée [3 de la gestion du risque]3 mises en oeuvre;
- les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement sur la base de la procédure décrite dans le projet de gestion du risque déclaré ou réputé conforme;
- la nature et la durée des mesures de suivi éventuelles à mettre en oeuvre.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type de l'évaluation finale.
§ 2. Cette évaluation finale comprend au moins les éléments suivants :
- une description détaillée [3 de la gestion du risque]3 mises en oeuvre;
- les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement sur la base de la procédure décrite dans le projet de gestion du risque déclaré ou réputé conforme;
- la nature et la durée des mesures de suivi éventuelles à mettre en oeuvre.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type de l'évaluation finale.
Slotverklaring.
Déclaration finale.
Art.40. § 1. Binnen de 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling betekent het Instituut, op basis van deze eindbeoordeling en de volgens de gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel vereiste resultaten, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [5 ...]5 :
[5 1°]5 ofwel [5 aan de personen bedoeld in artikel 35, § 3]5 een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie voldaan is, eventueel onder voorwaarde van follow-upmaatregelen;
[5 2°]5 [5 ofwel aan de persoon bedoeld in artikel 35, § 3, 1° :]5
- ofwel een verzoek om aanvulling [3 van het risicobeheer ]3. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 38, § 1, § 2 en § 4, naar analogie van toepassing. De eindbeoordeling wordt geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvulling, ten laste van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 39;
- ofwel een verzoek om [4 aanvullingen]4 aan de eindbeoordeling die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [2 ...]2 binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [4 aanvullingen]4 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring te betekenen.
[5 In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.]5
§ 2. Bij ontstentenis van een slotverklaring van het Instituut binnen de termijn [5 ...]5 bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies goedgekeurd geacht en wordt de slotverklaring als gelijkvormig beschouwd.
§ 3. De Regering kan de type-inhoud van de eindbeoordeling bepalen.
[5 § 4 - Indien een perceel in de inventaris van de bodemtoestand wordt opgenomen in categorie 2 naar aanleiding van een eindbeoordeling, blijft dit geldig zolang de elementen die in aanmerking worden genomen om de kwetsbaarheidszone en bijgevolg de interventienormen te bepalen, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, niet worden gewijzigd. Bij afgifte, na de eindbeoordeling, van een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning voor dit perceel die er de kwetsbaarheidszone zodanig van wijzigt dat de interventienormen strikter worden, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, moet de eindbeoordeling vóór de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van deze stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, worden geactualiseerd ten laste van de aanvrager van het attest of de vergunning. ]5
[5 1°]5 ofwel [5 aan de personen bedoeld in artikel 35, § 3]5 een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie voldaan is, eventueel onder voorwaarde van follow-upmaatregelen;
[5 2°]5 [5 ofwel aan de persoon bedoeld in artikel 35, § 3, 1° :]5
- ofwel een verzoek om aanvulling [3 van het risicobeheer ]3. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 38, § 1, § 2 en § 4, naar analogie van toepassing. De eindbeoordeling wordt geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvulling, ten laste van de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 39;
- ofwel een verzoek om [4 aanvullingen]4 aan de eindbeoordeling die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [2 ...]2 binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [4 aanvullingen]4 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring te betekenen.
[5 In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die het risicobeheer moet uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.]5
§ 2. Bij ontstentenis van een slotverklaring van het Instituut binnen de termijn [5 ...]5 bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies goedgekeurd geacht en wordt de slotverklaring als gelijkvormig beschouwd.
§ 3. De Regering kan de type-inhoud van de eindbeoordeling bepalen.
[5 § 4 - Indien een perceel in de inventaris van de bodemtoestand wordt opgenomen in categorie 2 naar aanleiding van een eindbeoordeling, blijft dit geldig zolang de elementen die in aanmerking worden genomen om de kwetsbaarheidszone en bijgevolg de interventienormen te bepalen, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, niet worden gewijzigd. Bij afgifte, na de eindbeoordeling, van een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning voor dit perceel die er de kwetsbaarheidszone zodanig van wijzigt dat de interventienormen strikter worden, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, moet de eindbeoordeling vóór de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van deze stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, worden geactualiseerd ten laste van de aanvrager van het attest of de vergunning. ]5
Wijzigingen
Art.40. § 1er. Dans les 30 jours à dater de la réception de l'évaluation finale, sur la base de celle-ci et des résultats à obtenir conformément à la déclaration de conformité du projet de gestion du risque, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [5 ...]5 :
[5 1° ]5 soit [5 aux personnes visées à l'article 35, § 3,]5 une déclaration finale attestant de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance, éventuellement conditionnée à la mise en oeuvre de mesures de suivi;
[5 2° soit à la personne visée à l'article 35, § 3, § 1° ;]5
- soit une demande de complément [3 à la gestion du risque]3. Dans ce cas, les dispositions de l'article 38, §§ 1er, 2 et 4, s'appliquent par analogie. Une actualisation de l'évaluation finale est effectuée à l'issue de la mise en oeuvre du complément demandé, à charge de la personne tenue de réaliser la gestion du risque, conformément aux dispositions de l'article 39;
- soit une demande de [4 compléments ]4 à l'évaluation finale à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [2 ...]2, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [4 compléments ]4 pour notifier une déclaration finale ou non.
[5 De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de mettre en oeuvre la gestion du risque, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours]5;
§ 2. En l'absence de déclaration finale par l'Institut dans les délais [5 ...]5 visés au § 1er, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'évaluation finale est réputée conforme.
§ 3. Le gouvernement peut fixer le contenu type de la déclaration finale.
[5 § 4 - Lorsqu'une parcelle est inscrite en catégorie 2 à l'inventaire de l'état du sol suite à une évaluation finale, celle-ci reste valide aussi longtemps que les éléments pris en compte pour déterminer la classe de sensibilité, et en conséquence les normes d'intervention, conformément à l'article 3 10° et 12°, ne sont pas modifiés. En cas de délivrance, postérieure à l'évaluation finale, d'un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif à cette parcelle, qui en modifie la classe de sensibilité de telle manière que les normes d'intervention deviennent plus strictes, conformément à l'article 3, 10° et 12°, une actualisation de l'évaluation finale doit être réalisée avant les actes et travaux couverts par ces certificats, permis d'urbanisme ou permis de lotir, à charge du demandeur du certificat ou permis.]5
[5 1° ]5 soit [5 aux personnes visées à l'article 35, § 3,]5 une déclaration finale attestant de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance, éventuellement conditionnée à la mise en oeuvre de mesures de suivi;
[5 2° soit à la personne visée à l'article 35, § 3, § 1° ;]5
- soit une demande de complément [3 à la gestion du risque]3. Dans ce cas, les dispositions de l'article 38, §§ 1er, 2 et 4, s'appliquent par analogie. Une actualisation de l'évaluation finale est effectuée à l'issue de la mise en oeuvre du complément demandé, à charge de la personne tenue de réaliser la gestion du risque, conformément aux dispositions de l'article 39;
- soit une demande de [4 compléments ]4 à l'évaluation finale à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [2 ...]2, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [4 compléments ]4 pour notifier une déclaration finale ou non.
[5 De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de mettre en oeuvre la gestion du risque, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours]5;
§ 2. En l'absence de déclaration finale par l'Institut dans les délais [5 ...]5 visés au § 1er, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'évaluation finale est réputée conforme.
§ 3. Le gouvernement peut fixer le contenu type de la déclaration finale.
[5 § 4 - Lorsqu'une parcelle est inscrite en catégorie 2 à l'inventaire de l'état du sol suite à une évaluation finale, celle-ci reste valide aussi longtemps que les éléments pris en compte pour déterminer la classe de sensibilité, et en conséquence les normes d'intervention, conformément à l'article 3 10° et 12°, ne sont pas modifiés. En cas de délivrance, postérieure à l'évaluation finale, d'un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif à cette parcelle, qui en modifie la classe de sensibilité de telle manière que les normes d'intervention deviennent plus strictes, conformément à l'article 3, 10° et 12°, une actualisation de l'évaluation finale doit être réalisée avant les actes et travaux couverts par ces certificats, permis d'urbanisme ou permis de lotir, à charge du demandeur du certificat ou permis.]5
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Sanering.
CHAPITRE V. - Assainissement.
Afdeling I. - Saneringsvoorstel.
Section Ire. - Projet d'assainissement.
Doel en inhoud.
Objectif et contenu.
Art.41. § 1. Het saneringsvoorstel bepaalt het type en de uitvoeringswijze van [1 een sanering]1 die uitgevoerd moeten worden om aan de saneringsnormen te voldoen of om een toename van de verontreiniging uit te sluiten.
§ 2. Het saneringsvoorstel beschrijft de gekozen saneringstechnieken, na ze te hebben vergeleken met andere denkbare saneringstechnieken wat betreft doeltreffendheid, kostprijs, milieueffecten en uitvoeringstermijn. Het saneringsvoorstel verduidelijkt eveneens de procedure om na de uitvoering van de gekozen saneringswerken de resultaten inzake blootstelling van de mens en het milieu te meten, evenals de termijn waarbinnen [3 deze sanering uitgevoerd moet worden ]3. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van de sanering en het gebruik van het terrein. Het saneringsvoorstel bepaalt in voorkomend geval eveneens welke [2 nood]2- en followupmaatregelen er genomen moeten worden.
De effecten van het ontwerp worden beoordeeld onverminderd de andere wetgevingen op dat gebied.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van het saneringsvoorstel.
§ 2. Het saneringsvoorstel beschrijft de gekozen saneringstechnieken, na ze te hebben vergeleken met andere denkbare saneringstechnieken wat betreft doeltreffendheid, kostprijs, milieueffecten en uitvoeringstermijn. Het saneringsvoorstel verduidelijkt eveneens de procedure om na de uitvoering van de gekozen saneringswerken de resultaten inzake blootstelling van de mens en het milieu te meten, evenals de termijn waarbinnen [3 deze sanering uitgevoerd moet worden ]3. Deze termijn wordt bepaald rekening houdend met met name de dringendheid van de sanering en het gebruik van het terrein. Het saneringsvoorstel bepaalt in voorkomend geval eveneens welke [2 nood]2- en followupmaatregelen er genomen moeten worden.
De effecten van het ontwerp worden beoordeeld onverminderd de andere wetgevingen op dat gebied.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van het saneringsvoorstel.
Art.41. § 1er. Le projet d'assainissement détermine le type et le mode d'exécution [1 de l'assainissement]1 du sol à réaliser pour atteindre les normes d'assainissement ou éliminer un accroissement de pollution.
§ 2. Le projet d'assainissement décrit les techniques d'assainissement retenues, après les avoir comparées avec d'autres techniques d'assainissement envisageables quant à leur efficacité, leur coût, leurs incidences sur l'environnement et leur délai d'exécution. Le projet d'assainissement précise également la procédure qui permettra de mesurer les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement suite à l'exécution [1 de l'assainissement ]1 retenus, ainsi que le délai dans lequel [3 cet assainissement doit ]3 être exécutés. Ce délai tient notamment compte de l'urgence de l'assainissement et de l'utilisation du terrain. Le projet d'assainissement détermine également le cas échéant les [2 mesures d'urgence ]2 et de suivi à prendre.
L'évaluation des incidences du projet s'effectue sans préjudice d'autres législations en la matière.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type du projet d'assainissement.
§ 2. Le projet d'assainissement décrit les techniques d'assainissement retenues, après les avoir comparées avec d'autres techniques d'assainissement envisageables quant à leur efficacité, leur coût, leurs incidences sur l'environnement et leur délai d'exécution. Le projet d'assainissement précise également la procédure qui permettra de mesurer les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement suite à l'exécution [1 de l'assainissement ]1 retenus, ainsi que le délai dans lequel [3 cet assainissement doit ]3 être exécutés. Ce délai tient notamment compte de l'urgence de l'assainissement et de l'utilisation du terrain. Le projet d'assainissement détermine également le cas échéant les [2 mesures d'urgence ]2 et de suivi à prendre.
L'évaluation des incidences du projet s'effectue sans préjudice d'autres législations en la matière.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type du projet d'assainissement.
Uitvoering en kennisgeving.
Réalisation et notification.
Art.42. § 1. Het saneringsvoorstel wordt opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige.
§ 2. Het saneringsvoorstel wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken. [6 Het kan eveneens gelijktijdig met een gedetailleerd onderzoek worden meegedeeld, dat eventueel wordt gecombineerd met een verkennend bodemonderzoek.]6
Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het voorstel moet opstellen, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven [6 of]6 [2 via elektronische weg]2 [4 ...]4.
Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. Het saneringsvoorstel wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [5 ...]5.
[6 Vanaf de datum van ontvangst van het saneringsvoorstel en voor zover de voorafgaande onderzoeken gelijkvormig werden verklaard, heeft het Instituut 15 dagen de tijd ]6 om aan de persoon die het saneringsvoorstel moet opstellen, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekening te doen van ofwel een ontvangstbewijs voor het volledige dossier, ofwel een verzoek om aanvullingen, die binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [ of][3 , via elektronische weg]3 [4 ...]4,
§ 2. Het saneringsvoorstel wordt aan het Instituut betekend binnen de termijn die het Instituut bepaald heeft op basis van eerdere onderzoeken. [6 Het kan eveneens gelijktijdig met een gedetailleerd onderzoek worden meegedeeld, dat eventueel wordt gecombineerd met een verkennend bodemonderzoek.]6
Er kan een verlenging van de termijn worden toegekend indien de persoon die het voorstel moet opstellen, daartoe een schriftelijke en met redenen omklede aanvraag indient bij het Instituut per aangetekend schrijven [6 of]6 [2 via elektronische weg]2 [4 ...]4.
Het Instituut beslist binnen de 7 dagen over de termijn van de verlenging. Na het verstrijken van deze termijn wordt de aanvraag tot verlenging geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. Het saneringsvoorstel wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [5 ...]5.
[6 Vanaf de datum van ontvangst van het saneringsvoorstel en voor zover de voorafgaande onderzoeken gelijkvormig werden verklaard, heeft het Instituut 15 dagen de tijd ]6 om aan de persoon die het saneringsvoorstel moet opstellen, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekening te doen van ofwel een ontvangstbewijs voor het volledige dossier, ofwel een verzoek om aanvullingen, die binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [ of][3 , via elektronische weg]3 [4 ...]4,
Wijzigingen
Art.42. § 1er. Le projet d'assainissement est rédigé par un expert en pollution du sol.
§ 2. Le projet d'assainissement est notifié à l'Institut dans le délai fixé par celui-ci sur la base des études antérieures. [6 Il peut également être notifié simultanément à une étude détaillée, éventuellement combinée à une reconnaissance de l'état du sol ]6
Une prolongation du délai peut être accordee, suite à une demande écrite et motivée de la personne tenue de le réaliser, notifiée à l'Institut par lettre recommandée [6 ou]6[2 , par voie électronique]2 [4 ...]4.
L'Institut statue dans les 7 jours sur le délai de la prolongation. Passé ce délai, la demande de prolongation est réputee accordée.
§ 3. Le projet d'assainissement est notifié à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [5 ...]5 [4 ...]4.
[6 A compter de la date de la réception du projet, et à partir du moment où les études préalables ont été déclarées conformes, l'Institut dispose de 15 jours ]6 pour notifier, par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1, a la personne tenue de le réaliser, soit un accusé de réception de dossier complet, soit une demande de compléments à lui notifier par courrier recommandé [3 [6 ou]6 , par voie électronique]3 [4 ...]4 dans un délai raisonnable qu'il fixe.
§ 2. Le projet d'assainissement est notifié à l'Institut dans le délai fixé par celui-ci sur la base des études antérieures. [6 Il peut également être notifié simultanément à une étude détaillée, éventuellement combinée à une reconnaissance de l'état du sol ]6
Une prolongation du délai peut être accordee, suite à une demande écrite et motivée de la personne tenue de le réaliser, notifiée à l'Institut par lettre recommandée [6 ou]6[2 , par voie électronique]2 [4 ...]4.
L'Institut statue dans les 7 jours sur le délai de la prolongation. Passé ce délai, la demande de prolongation est réputee accordée.
§ 3. Le projet d'assainissement est notifié à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [5 ...]5 [4 ...]4.
[6 A compter de la date de la réception du projet, et à partir du moment où les études préalables ont été déclarées conformes, l'Institut dispose de 15 jours ]6 pour notifier, par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1, a la personne tenue de le réaliser, soit un accusé de réception de dossier complet, soit une demande de compléments à lui notifier par courrier recommandé [3 [6 ou]6 , par voie électronique]3 [4 ...]4 dans un délai raisonnable qu'il fixe.
Wijzigingen
Gelijkvormigheidsverklaring.
Déclaration de conformité.
Art.43. § 1. Na ontvangst van de ontvangstbewijs voor het volledige dossier of, desgevallend, de adviezen bedoeld in artikel 51 of na het verstrijken van de in artikelen 42, § 3 en 51 gestelde termijnen om de adviezen in te dienen, heeft het Instituut 45 dagen de tijd om :
- ofwel het saneringsvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [6 aanvullingen]6 op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [4 ...]4 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [6 aanvullingen]6 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het saneringsvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
Indien het Instituut geen gelijkvormigheidsverklaring kan betekenen volgens de binnen deze bepaling toegestane termijn, richt het aan de persoon die de sanering uitvoert een voorstel van verlenging van een maximum van 30 dagen van deze termijn. In dit voorstel zijn de in artikelen 55 tot 57 georganiseerde beroepen vermeld.
§ 2. In de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het saneringsvoorstel, de milieueffecten ervan, de saneringsnormen en de ontvangen adviezen, op welke voorwaarden [7 de sanering uitgevoerd moet worden]7, welke resultaten behaald moeten worden met de uitvoering van [7 deze sanering]7 en binnen welke termijnen [7 de sanering voltooid moet zijn]7. Het Instituut kan eveneens [3 noodmaatregelen]3 voorschrijven.
§ 3. De gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan de volgende personen betekend :
1° de persoon die [2 de sanering]2 moet uitvoeren;
2° de houders van zakelijke rechten en de [5 huidige]5 exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;
3° het College van Burgemeester en Schepenen;
4° de afgevaardigd ambtenaar, indien deze om advies gevraagd werd ter uitvoering van artikel 51.
- ofwel het saneringsvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren;
- ofwel [6 aanvullingen]6 op te leggen die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [4 ...]4 gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de [6 aanvullingen]6 heeft het Instituut 30 dagen de tijd om het saneringsvoorstel al dan niet gelijkvormig met de bepalingen van deze ordonnantie te verklaren.
Indien het Instituut geen gelijkvormigheidsverklaring kan betekenen volgens de binnen deze bepaling toegestane termijn, richt het aan de persoon die de sanering uitvoert een voorstel van verlenging van een maximum van 30 dagen van deze termijn. In dit voorstel zijn de in artikelen 55 tot 57 georganiseerde beroepen vermeld.
§ 2. In de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel bepaalt het Instituut op basis van de conclusies van het saneringsvoorstel, de milieueffecten ervan, de saneringsnormen en de ontvangen adviezen, op welke voorwaarden [7 de sanering uitgevoerd moet worden]7, welke resultaten behaald moeten worden met de uitvoering van [7 deze sanering]7 en binnen welke termijnen [7 de sanering voltooid moet zijn]7. Het Instituut kan eveneens [3 noodmaatregelen]3 voorschrijven.
§ 3. De gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan de volgende personen betekend :
1° de persoon die [2 de sanering]2 moet uitvoeren;
2° de houders van zakelijke rechten en de [5 huidige]5 exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;
3° het College van Burgemeester en Schepenen;
4° de afgevaardigd ambtenaar, indien deze om advies gevraagd werd ter uitvoering van artikel 51.
Wijzigingen
Art.43. § 1er. Dans les 45 jours à dater de l'accusé de réception de dossier complet ou, le cas échéant, de la réception des avis visés à l'article 51 ou de l'expiration des délais pour les communiquer prescrits aux articles 42, § 3 et 51, l'Institut :
- soit le déclare conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit impose des [6 compléments]6 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [4 ...]4, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [6 compléments ]6 pour déclarer le projet d'assainissement conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
Si l'Institut ne peut notifier une déclaration de conformité dans le délai imparti selon la présente disposition, il adresse à la personne tenue de réaliser l'assainissement une proposition de prolongation de ce délai de maximum 30 jours. Cette proposition mentionne les recours organisés aux articles 55 à 57.
§ 2. Dans la déclaration de conformité du projet d'assainissement, l'Institut fixe, sur la base des conclusions du projet d'assainissement, de ses incidences sur l'environnement, des normes d'assainissement, des avis reçus, les conditions auxquelles [7 l'assainissement doit être exécuté ]7, les résultats auxquels l'exécution de [7 cet assainissement]7 doit aboutir et les délais dans lesquels [7 il doit]7 être exécutés. L'Institut peut également prescrire des [3 mesures d'urgence ]3.
§ 3. La déclaration de conformité du projet d'assainissement est notifiee par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 aux personnes suivantes :
1° la personne tenue d'exécuter [2 l'assainissement]2;
2° les titulaires de droits réels et les exploitants [5 actuels]5 d'une activité à risque sur les parcelles concernées;
3° le collège des bourgmestre et échevins;
4° le fonctionnaire délegué, si son avis a été demandé en exécution de l'article 51.
- soit le déclare conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance;
- soit impose des [6 compléments]6 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [4 ...]4, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des [6 compléments ]6 pour déclarer le projet d'assainissement conforme ou non aux dispositions de la présente ordonnance.
Si l'Institut ne peut notifier une déclaration de conformité dans le délai imparti selon la présente disposition, il adresse à la personne tenue de réaliser l'assainissement une proposition de prolongation de ce délai de maximum 30 jours. Cette proposition mentionne les recours organisés aux articles 55 à 57.
§ 2. Dans la déclaration de conformité du projet d'assainissement, l'Institut fixe, sur la base des conclusions du projet d'assainissement, de ses incidences sur l'environnement, des normes d'assainissement, des avis reçus, les conditions auxquelles [7 l'assainissement doit être exécuté ]7, les résultats auxquels l'exécution de [7 cet assainissement]7 doit aboutir et les délais dans lesquels [7 il doit]7 être exécutés. L'Institut peut également prescrire des [3 mesures d'urgence ]3.
§ 3. La déclaration de conformité du projet d'assainissement est notifiee par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 aux personnes suivantes :
1° la personne tenue d'exécuter [2 l'assainissement]2;
2° les titulaires de droits réels et les exploitants [5 actuels]5 d'une activité à risque sur les parcelles concernées;
3° le collège des bourgmestre et échevins;
4° le fonctionnaire délegué, si son avis a été demandé en exécution de l'article 51.
Wijzigingen
Equivalentie.
Equivalence.
Art.44. Indien het saneringsvoorstel inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvat die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning, geldt de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel als de vereiste vergunning of aangifte.
Art.44. Si le projet d'assainissement comprend des installations, des actes ou travaux soumis à autorisation en exécution de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines, à déclaration environnementale, à permis d'environnement ou à permis d'urbanisme, la déclaration de conformité du projet d'assainissement vaut l'autorisation, la déclaration ou le permis requis.
Afdeling II. - Saneringswerken.
Section II. - Travaux d'assainissement.
Uitvoering van de saneringswerken.
Exécution des travaux d'assainissement.
Art.45. § 1. [2 De sanering wordt uitgevoerd]2 door een bodemsaneringsaannemer, onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige, binnen de termijnen die het Instituut heeft gesteld in de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel.
§ 2. [1 De sanering wordt uitgevoerd]1 in overeenstemming met de bepalingen in het saneringsvoorstel en de voorwaarden vastgelegd in de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel.
§ 3. De Regering kan een standaardprocedure vastleggen voor de uitvoering van de [2 saneringen ]2.
§ 2. [1 De sanering wordt uitgevoerd]1 in overeenstemming met de bepalingen in het saneringsvoorstel en de voorwaarden vastgelegd in de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel.
§ 3. De Regering kan een standaardprocedure vastleggen voor de uitvoering van de [2 saneringen ]2.
Art.45. § 1er. [1 L'assainissement]1 [2 est exécuté]2 par un entrepreneur en assainissement du sol, sous la supervision d'un expert en pollution du sol, dans les délais fixés par l'Institut dans la déclaration de conformité du projet d'assainissement.
§ 2. [1 L'assainissement]1 [2 est exécuté]2 conformément aux dispositions reprises dans le projet d'assainissement et aux conditions fixees dans la déclaration de conformité du projet d'assainissement.
§ 3. Le gouvernement peut arrêter une procédure standard organisant l'exécution des [1 assainissements]1.
§ 2. [1 L'assainissement]1 [2 est exécuté]2 conformément aux dispositions reprises dans le projet d'assainissement et aux conditions fixees dans la déclaration de conformité du projet d'assainissement.
§ 3. Le gouvernement peut arrêter une procédure standard organisant l'exécution des [1 assainissements]1.
Aanpassing van de saneringswerken.
Adaptation des travaux d'assainissement.
Art.46. § 1. Indien [6 na de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel, en uiterlijk ]6 tijdens de uitvoering van [3 een sanering]3 blijkt dat [6 die]6 niet de verwachte resultaten [6 zal]6 opleveren of dat de uitvoeringsvoorwaarden niet langer geschikt zijn om milieuhinder te voorkomen of te verminderen of dat de resultaten behaald [6 kan]6 worden door de uitvoering van [6 een sanering]6 tegen lagere kostprijs, met inbegrip van het gebruik van de beste beschikbare technieken, [6 kan de sanering aangepast worden]6 aangepast worden door wijzigingen of aanvullingen, op verzoek van de persoon die de sanering moet uitvoeren of op verzoek van het Instituut, in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.
§ 2. Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van [4 de sanering]4 moet worden opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige die is aangesteld door de persoon die de sanering moet uitvoeren, en moet [6 in voorkomend geval ]6 vergezeld zijn van het advies van een bodemsaneringsaannemer. De kennisgeving aan het Instituut gebeurt per aangetekend schrijven [6 of]6 [2 , via elektronische weg]2 [6 ...]6.
Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van [4 de sanering]4 moet de aard en de gevolgen stipuleren van deze aanpassing gelet op de criteria die in het gelijkvormig verklaarde of geachte saneringsvoorstel geanalyseerd worden. Indien het verzoek om aanpassing uitgaat van de persoon die de sanering moet uitvoeren, moeten in het verzoek ook de redenen van de aanpassing toegelicht worden.
§ 3. De persoon die de sanering moet uitvoeren, betekent zijn verzoek om aanpassing van [4 de sanering]4 aan het Instituut [6 per aangetekend schrijven of via elektronische weg]6.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek stelt het Instituut de persoon die de sanering moet uitvoeren, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 ervan in kennis :
- ofwel dat het Instituut niet akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, wanneer het meent dat deze niet overeenstemt met de voorwaarden beschreven in § 1 of dat deze een toename van de risico's voor de volksgezondheid of het milieu kan veroorzaken;
- ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt om [5 aanvullingen ]5, die per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de [5 aanvullingen ]5 heeft het instituut 15 dagen de tijd om de gevraagde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het verzoek om aanpassing van [4 de sanering]4 geacht [6 ...]6 te zijn goedgekeurd.
§ 4. Het Instituut deelt aan de persoon die de sanering moet uitvoeren, de redelijke termijn mee waarbinnen een voorstel tot aanpassing van [4 de sanering]4, ten laste van deze persoon, moet worden betekend aan het Instituut.
Het verzoek van het Instituut is met redenen omkleed.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het voorstel stelt het Instituut de persoon die de sanering moet uitvoeren, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 ervan in kennis :
- ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de voorgestelde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt om [5 aanvullingen ]5, die per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de [5 aanvullingen ]5 heeft het Instituut 15 dagen de tijd om de voorgestelde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het voorstel tot aanpassing van [4 de sanering]4 geacht [6 ...]6 te zijn goedgekeurd.
§ 5. De Regering kan de lijst vastleggen van de aanpassingen waarvoor vanwege hun minieme belang geen voorafgaande kennisgeving aan het Instituut vereist is, alsmede de lijst van de aanpassingen waarvoor vanwege hun aanzienlijke belang een nieuw saneringsvoorstel opgesteld moet worden.
§ 2. Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van [4 de sanering]4 moet worden opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige die is aangesteld door de persoon die de sanering moet uitvoeren, en moet [6 in voorkomend geval ]6 vergezeld zijn van het advies van een bodemsaneringsaannemer. De kennisgeving aan het Instituut gebeurt per aangetekend schrijven [6 of]6 [2 , via elektronische weg]2 [6 ...]6.
Elke vraag of elk voorstel met betrekking tot de aanpassing van [4 de sanering]4 moet de aard en de gevolgen stipuleren van deze aanpassing gelet op de criteria die in het gelijkvormig verklaarde of geachte saneringsvoorstel geanalyseerd worden. Indien het verzoek om aanpassing uitgaat van de persoon die de sanering moet uitvoeren, moeten in het verzoek ook de redenen van de aanpassing toegelicht worden.
§ 3. De persoon die de sanering moet uitvoeren, betekent zijn verzoek om aanpassing van [4 de sanering]4 aan het Instituut [6 per aangetekend schrijven of via elektronische weg]6.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek stelt het Instituut de persoon die de sanering moet uitvoeren, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 ervan in kennis :
- ofwel dat het Instituut niet akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, wanneer het meent dat deze niet overeenstemt met de voorwaarden beschreven in § 1 of dat deze een toename van de risico's voor de volksgezondheid of het milieu kan veroorzaken;
- ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de gevraagde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt om [5 aanvullingen ]5, die per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de [5 aanvullingen ]5 heeft het instituut 15 dagen de tijd om de gevraagde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het verzoek om aanpassing van [4 de sanering]4 geacht [6 ...]6 te zijn goedgekeurd.
§ 4. Het Instituut deelt aan de persoon die de sanering moet uitvoeren, de redelijke termijn mee waarbinnen een voorstel tot aanpassing van [4 de sanering]4, ten laste van deze persoon, moet worden betekend aan het Instituut.
Het verzoek van het Instituut is met redenen omkleed.
Binnen de 15 dagen na ontvangst van het voorstel stelt het Instituut de persoon die de sanering moet uitvoeren, per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 ervan in kennis :
- ofwel dat het Instituut akkoord gaat met de voorgestelde aanpassing, eventueel verbonden aan bepaalde uitvoeringsvoorwaarden, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van minder belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut wil dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk, wanneer het meent dat het gaat om een aanpassing van substantieel belang gelet op de criteria die in het saneringsvoorstel geanalyseerd worden;
- ofwel dat het Instituut verzoekt om [5 aanvullingen ]5, die per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden. Na ontvangst van de [5 aanvullingen ]5 heeft het Instituut 15 dagen de tijd om de voorgestelde aanpassing al dan niet goed te keuren of te vragen dat er een nieuw saneringsvoorstel wordt opgesteld, in overeenstemming met de bepalingen van afdeling I van dit hoofdstuk.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de gestelde termijn wordt het voorstel tot aanpassing van [4 de sanering]4 geacht [6 ...]6 te zijn goedgekeurd.
§ 5. De Regering kan de lijst vastleggen van de aanpassingen waarvoor vanwege hun minieme belang geen voorafgaande kennisgeving aan het Instituut vereist is, alsmede de lijst van de aanpassingen waarvoor vanwege hun aanzienlijke belang een nieuw saneringsvoorstel opgesteld moet worden.
Wijzigingen
Art.46. § 1er. S'il apparaît [6 après déclaration de conformité du projet d'assainissement, et au plus tard ]6 au cours de l'exécution [3 de l'assainissement]3, que [6 celui-ci ]6 ne [6 conduira]6 pas aux résultats attendus ou que les conditions de [6 son]6 exécution ne sont plus appropriées pour éviter ou réduire les nuisances environnementales, ou que les résultats [6 peut]6 être atteints par la mise en oeuvre [6 d'un assainissement ]6 au coût inférieur, y compris l'utilisation des meilleures techniques disponibles, [4 l'assainissement]4 [6 peut ]6 être [6 adapté]6 par des modifications ou compléments, à la demande de la personne tenue de réaliser l'assainissement ou à la demande de l'Institut, conformément aux dispositions du présent article.
§ 2. Toute demande ou proposition d'adaptation [3 de l'assainissement]3 est rédigée par un expert en pollution du sol désigné par la personne tenue de réaliser l'assainissement et est accompagnée [6 le cas échéant]6 d'un avis d'un entrepreneur en assainissement du sol. Elle est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [6 ou ]6 [2 , par voie électronique]2 [6 ...]6.
Toute demande ou proposition d'adaptation [3 de l'assainissement]3 précise la nature et les incidences de cette adaptation eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement declaré ou réputé conforme. Lorsqu'elle émane de la personne tenue de réaliser l'assainissement, la demande d'adaptation précise également la motivation de cette demande.
§ 3. La personne tenue de réaliser l'assainissement notifie à l'Institut sa demande d'adaptation de[3 l'assainissement]3 [6 par lettre recommandée ou par voie électronique ]6.
Dans les 15 jours à dater de la réception de la demande, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser l'assainissement :
- soit son désaccord sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée, lorsqu'il estime que celle-ci n'est pas conforme aux conditions décrites au § 1er ou qu'elle est susceptible d'entraîner une aggravation des risques pour la santé humaine ou l'environnement;
- soit son accord sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée, éventuellement conditionné au respect de certaines dispositions de mise en oeuvre, lorsqu'il estime que celle-ci est mineure eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement;
- soit une demande de rédiger un nouveau projet d'assainissement, conformément aux dispositions de la section I du présent chapitre, lorsqu'il estime que l'adaptation demandée est substantielle eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement;
- soit une demande de [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1. L'institut dispose de 15 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour notifier son accord ou non sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée ou pour demander la rédaction d'un nouveau projet d'assainissement, conformément aux dispositions de la section I du présent chapitre.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais, la demande d'adaptation [3 de l'assainissement]3 est reputée [6 ...]6 acceptée.
§ 4. L'Institut notifie à la personne tenue de réaliser l'assainissement le délai raisonnable dans lequel une proposition d'adaptation [3 de l'assainissement]3, à charge de cette personne, doit lui être notifiée.
La demande de l'Institut est motivée.
Dans les 15 jours à dater de la réception de la proposition, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser l'assainissement :
- soit son accord sur la mise en oeuvre de l'adaptation proposée, éventuellement conditionné au respect de certaines dispositions de mise en oeuvre, lorsqu'il estime que celle-ci est mineure eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement;
- soit une demande de rédiger un nouveau projet d'assainissement, conformément aux dispositions de la section I du présent chapitre, lorsqu'il estime que l'adaptation proposée est substantielle eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement;
- soit une demande de [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1. L'institut dispose de 15 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour notifier son accord ou non sur la mise en oeuvre de l'adaptation proposée ou pour demander la rédaction d'un nouveau projet d'assainissement, conformément aux dispositions de la section I du présent chapitre.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais, la proposition d'adaptation [3 de l'assainissement]3 est réputée [6 ...]6 acceptée.
§ 5. Le gouvernement peut arrêter la liste des adaptations pour lesquelles aucune notification préalable ne doit être faite à l'Institut en raison de leur minime importance ainsi que la liste des adaptations pour lesquelles la rédaction d'un nouveau projet d'assainissement doit obligatoirement être réalisée en raison de leur importance significative.
§ 2. Toute demande ou proposition d'adaptation [3 de l'assainissement]3 est rédigée par un expert en pollution du sol désigné par la personne tenue de réaliser l'assainissement et est accompagnée [6 le cas échéant]6 d'un avis d'un entrepreneur en assainissement du sol. Elle est notifiée à l'Institut par lettre recommandée [6 ou ]6 [2 , par voie électronique]2 [6 ...]6.
Toute demande ou proposition d'adaptation [3 de l'assainissement]3 précise la nature et les incidences de cette adaptation eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement declaré ou réputé conforme. Lorsqu'elle émane de la personne tenue de réaliser l'assainissement, la demande d'adaptation précise également la motivation de cette demande.
§ 3. La personne tenue de réaliser l'assainissement notifie à l'Institut sa demande d'adaptation de[3 l'assainissement]3 [6 par lettre recommandée ou par voie électronique ]6.
Dans les 15 jours à dater de la réception de la demande, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser l'assainissement :
- soit son désaccord sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée, lorsqu'il estime que celle-ci n'est pas conforme aux conditions décrites au § 1er ou qu'elle est susceptible d'entraîner une aggravation des risques pour la santé humaine ou l'environnement;
- soit son accord sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée, éventuellement conditionné au respect de certaines dispositions de mise en oeuvre, lorsqu'il estime que celle-ci est mineure eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement;
- soit une demande de rédiger un nouveau projet d'assainissement, conformément aux dispositions de la section I du présent chapitre, lorsqu'il estime que l'adaptation demandée est substantielle eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement;
- soit une demande de [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1. L'institut dispose de 15 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour notifier son accord ou non sur la mise en oeuvre de l'adaptation demandée ou pour demander la rédaction d'un nouveau projet d'assainissement, conformément aux dispositions de la section I du présent chapitre.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais, la demande d'adaptation [3 de l'assainissement]3 est reputée [6 ...]6 acceptée.
§ 4. L'Institut notifie à la personne tenue de réaliser l'assainissement le délai raisonnable dans lequel une proposition d'adaptation [3 de l'assainissement]3, à charge de cette personne, doit lui être notifiée.
La demande de l'Institut est motivée.
Dans les 15 jours à dater de la réception de la proposition, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 à la personne tenue de réaliser l'assainissement :
- soit son accord sur la mise en oeuvre de l'adaptation proposée, éventuellement conditionné au respect de certaines dispositions de mise en oeuvre, lorsqu'il estime que celle-ci est mineure eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement;
- soit une demande de rédiger un nouveau projet d'assainissement, conformément aux dispositions de la section I du présent chapitre, lorsqu'il estime que l'adaptation proposée est substantielle eu égard aux critères analysés dans le projet d'assainissement;
- soit une demande de [5 compléments ]5 à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1. L'institut dispose de 15 jours à dater de la réception des [5 compléments ]5 pour notifier son accord ou non sur la mise en oeuvre de l'adaptation proposée ou pour demander la rédaction d'un nouveau projet d'assainissement, conformément aux dispositions de la section I du présent chapitre.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais, la proposition d'adaptation [3 de l'assainissement]3 est réputée [6 ...]6 acceptée.
§ 5. Le gouvernement peut arrêter la liste des adaptations pour lesquelles aucune notification préalable ne doit être faite à l'Institut en raison de leur minime importance ainsi que la liste des adaptations pour lesquelles la rédaction d'un nouveau projet d'assainissement doit obligatoirement être réalisée en raison de leur importance significative.
Wijzigingen
Eindbeoordeling.
Evaluation finale.
Art.47. § 1. Na de uitvoering van de [2 sanering]2 wordt er door een bodemverontreinigingdeskundige een eindbeoordeling van [3 deze sanering ]3 gemaakt ten laste van de persoon die de maatregelen moet uitvoeren. De eindbeoordeling wordt aan het Instituut betekend per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [3 ...]3.
§ 2. De eindbeoordeling omvat minstens de volgende elementen :
- een gedetailleerde omschrijving van [3 de uitgevoerde sanering]3;
- de resultaten wat betreft de blootstelling van personen en het milieu op basis van de procedure die beschreven wordt in het gelijkvormig verklaard of geacht saneringsvoorstel.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling.
§ 2. De eindbeoordeling omvat minstens de volgende elementen :
- een gedetailleerde omschrijving van [3 de uitgevoerde sanering]3;
- de resultaten wat betreft de blootstelling van personen en het milieu op basis van de procedure die beschreven wordt in het gelijkvormig verklaard of geacht saneringsvoorstel.
§ 3. De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling.
Art.47. § 1er. A l'issue de l'exécution [2 de l'assainissement]2 , une évaluation finale de [3 cet assainissement]3 est effectuée par un expert en pollution du sol à charge de la personne tenue de [3 l'exécuter]3. Elle est notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1[3 à l'Institut]3.
§ 2. L'évaluation finale comprend au moins les éléments suivants :
- une description détaillée des travaux d'assainissement [3 exécuté ]3;
- les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement sur la base de la procédure décrite dans le projet d'assainissement déclaré ou réputé conforme.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type de l'évaluation finale.
§ 2. L'évaluation finale comprend au moins les éléments suivants :
- une description détaillée des travaux d'assainissement [3 exécuté ]3;
- les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement sur la base de la procédure décrite dans le projet d'assainissement déclaré ou réputé conforme.
§ 3. Le gouvernement arrête le contenu type de l'évaluation finale.
Slotverklaring.
Déclaration finale.
Art.48. § 1. Binnen de 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling betekent het Instituut op basis van deze eindbeoordeling en de volgens de gelijkvormigheidsverklaring van het saneringsvoorstel vereiste resultaten per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 [2 ...]2 :
[2 1°]2 ofwel [2 aan de personen bedoeld in artikel 43, § 3]2 een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie voldaan is;
[2 2°ofwel aan de persoon bedoeld in artikel 43, § 3, 1° :
- ofwel een verzoek om aanvulling van de sanering. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 46, § 1, § 2 en § 4, naar analogie van toepassing. De eindbeoordeling wordt geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvulling, ten laste van de persoon die de sanering moet uitvoeren, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 47.
- ofwel een verzoek om aanvullingen aan de eindbeoordeling, dat aan het Instituut meegedeeld moet worden per aangetekend schrijven of via elektronische weg binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring mee te delen.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die de sanering moet uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.]2
In dat geval zijn de bepalingen van artikel 46, § 1, § 2 en § 4, naar analogie van toepassing. De eindbeoordeling wordt geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvulling, ten laste van de persoon die de saneringswerken moet uitvoeren, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 47;
- ofwel een verzoek om wijzigingen of aanvullingen aan de eindbeoordeling, die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring te betekenen.
§ 2. Bij ontstentenis van een slotverklaring van het Instituut binnen de termijn [2 ...]2 bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt de slotverklaring als gelijkvormig beschouwd.
§ 3. De Regering kan de type-inhoud van de eindbeoordeling bepalen.
[2 § 4 - Indien een perceel in de inventaris van de bodemtoestand wordt opgenomen in categorie 2 naar aanleiding van een eindbeoordeling, blijft dit geldig zolang de elementen die in aanmerking worden genomen om de kwetsbaarheidszone en bijgevolg de interventienormen te bepalen, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, niet worden gewijzigd. Bij afgifte, na de eindbeoordeling, van een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning voor dit perceel die er de kwetsbaarheidszone zodanig van wijzigt dat de interventienormen strikter worden, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, moet de eindbeoordeling vóór de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van deze stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, worden geactualiseerd ten laste van de aanvrager van het attest of de vergunning. ]2
[2 1°]2 ofwel [2 aan de personen bedoeld in artikel 43, § 3]2 een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie voldaan is;
[2 2°ofwel aan de persoon bedoeld in artikel 43, § 3, 1° :
- ofwel een verzoek om aanvulling van de sanering. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 46, § 1, § 2 en § 4, naar analogie van toepassing. De eindbeoordeling wordt geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvulling, ten laste van de persoon die de sanering moet uitvoeren, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 47.
- ofwel een verzoek om aanvullingen aan de eindbeoordeling, dat aan het Instituut meegedeeld moet worden per aangetekend schrijven of via elektronische weg binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring mee te delen.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die de sanering moet uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.]2
In dat geval zijn de bepalingen van artikel 46, § 1, § 2 en § 4, naar analogie van toepassing. De eindbeoordeling wordt geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvulling, ten laste van de persoon die de saneringswerken moet uitvoeren, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 47;
- ofwel een verzoek om wijzigingen of aanvullingen aan de eindbeoordeling, die aan het Instituut betekend moeten worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 met bericht van ontvangst of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het hoofdkantoor van het Instituut binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de wijzigingen of aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring te betekenen.
§ 2. Bij ontstentenis van een slotverklaring van het Instituut binnen de termijn [2 ...]2 bedoeld in § 1, worden de door de bodemverontreinigingsdeskundige geformuleerde conclusies geacht te zijn goedgekeurd en wordt de slotverklaring als gelijkvormig beschouwd.
§ 3. De Regering kan de type-inhoud van de eindbeoordeling bepalen.
[2 § 4 - Indien een perceel in de inventaris van de bodemtoestand wordt opgenomen in categorie 2 naar aanleiding van een eindbeoordeling, blijft dit geldig zolang de elementen die in aanmerking worden genomen om de kwetsbaarheidszone en bijgevolg de interventienormen te bepalen, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, niet worden gewijzigd. Bij afgifte, na de eindbeoordeling, van een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning voor dit perceel die er de kwetsbaarheidszone zodanig van wijzigt dat de interventienormen strikter worden, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, moet de eindbeoordeling vóór de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van deze stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, worden geactualiseerd ten laste van de aanvrager van het attest of de vergunning. ]2
Art.48. § 1er. Dans les 30 jours à dater de la réception de l'évaluation finale, sur la base de celle-ci et des résultats à obtenir conformément à la déclaration de conformité du projet d'assainissement, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 [2 ...]2 :
[2 1°]2 soit [2 aux personnes visées à l'article 43 § 3,]2 une déclaration finale attestant de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance;
[2 2° soit à la personne visée à l'article 43, § 3, 1° :
- soit une demande de complément d'assainissement. Dans ce cas, les dispositions de l'article 46, §§ 1er, 2 et 4 s'appliquent par analogie. Une actualisation de l'évaluation finale est effectuée à l'issue de la mise en oeuvre du complément demandé, à charge de la personne tenue d'exécuter l'assainissement, conformément aux dispositions de l'article 47.
- soit une demande de compléments à l'évaluation finale à notifier à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique, dans un délai raisonnable que l'Institut fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des compléments pour notifier une déclaration finale ou non.
De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de réaliser l'assainissement, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.]2
Dans ce cas, les dispositions de l'article 46, §§ 1er, 2 et 4, s'appliquent par analogie. Une actualisation de l'évaluation finale est effectuée à l'issue de la mise en uvre du complément demandé, à charge de la personne tenue d'exécuter les travaux d'assainissement, conformément aux dispositions de l'article 47;
soit une demande de modifications ou d'additions à l'évaluation finale à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 avec accusé de réception ou contre récépissé au siège de l'Institut, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des modifications ou des additions pour notifier une déclaration finale ou non.
§ 2. En l'absence de déclaration finale par l'Institut dans les délais [2 ...]2 visés au § 1er, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'évaluation finale est réputée conforme.
§ 3. Le gouvernement peut fixer le contenu type de la declaration finale.
[2 § 4 - Lorsqu'une parcelle est inscrite en catégorie 2 à l'inventaire de l'état du sol suite à une évaluation finale, celle-ci reste valide aussi longtemps que les éléments pris en compte pour déterminer la classe de sensibilité, et en conséquence les normes d'intervention, conformément à l'article 3 10° et 12°, ne sont pas modifiés. En cas de délivrance, postérieure à l'évaluation finale, d'un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif à cette parcelle, qui en modifie la classe de sensibilité de telle manière que les normes d'intervention deviennent plus strictes, conformément à l'article 3, 10° et 12°, une actualisation de l'évaluation finale doit être réalisée avant les actes et travaux couverts par ces certificats, permis d'urbanisme ou permis de lotir, à charge du demandeur du certificat ou permis.]2
[2 1°]2 soit [2 aux personnes visées à l'article 43 § 3,]2 une déclaration finale attestant de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance;
[2 2° soit à la personne visée à l'article 43, § 3, 1° :
- soit une demande de complément d'assainissement. Dans ce cas, les dispositions de l'article 46, §§ 1er, 2 et 4 s'appliquent par analogie. Une actualisation de l'évaluation finale est effectuée à l'issue de la mise en oeuvre du complément demandé, à charge de la personne tenue d'exécuter l'assainissement, conformément aux dispositions de l'article 47.
- soit une demande de compléments à l'évaluation finale à notifier à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique, dans un délai raisonnable que l'Institut fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des compléments pour notifier une déclaration finale ou non.
De commun accord entre l'Institut et la personne tenue de réaliser l'assainissement, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.]2
Dans ce cas, les dispositions de l'article 46, §§ 1er, 2 et 4, s'appliquent par analogie. Une actualisation de l'évaluation finale est effectuée à l'issue de la mise en uvre du complément demandé, à charge de la personne tenue d'exécuter les travaux d'assainissement, conformément aux dispositions de l'article 47;
soit une demande de modifications ou d'additions à l'évaluation finale à lui notifier par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 avec accusé de réception ou contre récépissé au siège de l'Institut, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des modifications ou des additions pour notifier une déclaration finale ou non.
§ 2. En l'absence de déclaration finale par l'Institut dans les délais [2 ...]2 visés au § 1er, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'évaluation finale est réputée conforme.
§ 3. Le gouvernement peut fixer le contenu type de la declaration finale.
[2 § 4 - Lorsqu'une parcelle est inscrite en catégorie 2 à l'inventaire de l'état du sol suite à une évaluation finale, celle-ci reste valide aussi longtemps que les éléments pris en compte pour déterminer la classe de sensibilité, et en conséquence les normes d'intervention, conformément à l'article 3 10° et 12°, ne sont pas modifiés. En cas de délivrance, postérieure à l'évaluation finale, d'un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif à cette parcelle, qui en modifie la classe de sensibilité de telle manière que les normes d'intervention deviennent plus strictes, conformément à l'article 3, 10° et 12°, une actualisation de l'évaluation finale doit être réalisée avant les actes et travaux couverts par ces certificats, permis d'urbanisme ou permis de lotir, à charge du demandeur du certificat ou permis.]2
HOOFDSTUK VI. - Overige maatregelen.
CHAPITRE VI. - Autres mesures.
Veiligheidsmaatregelen.
Mesures de sécurité.
Art.49. § 1. Indien het Instituut van mening is dat een bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar betekent voor de volksgezondheid of het milieu, kan het op elk ogenblik de uitvoering van [2 noodmaatregelen]2 opleggen ten laste van de houder van de verplichting om een bodemverkennend onderzoek of behandeling van de verontreiniging uit te voeren of, bij ontstentenis van dergelijke geïdentificeerde persoon of wanneer het onmogelijk blijkt deze persoon te identificeren, ten laste van de [3 huidige ]3 exploitant van het betreffende terrein, of bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein, binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van andere overheden om [2 noodmaatregelen]2 te nemen.
De door het Instituut opgelegde [2 noodmaatregelen]2 zijn met redenen omkleed en worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de volgende personen :
1° de persoon die ze moet uitvoeren;
2° de houders van zakelijke rechten en de [4 huidige]4 exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;
3° het College van Burgemeester en Schepenen.
De [2 noodmaatregelen]2, met uitzondering van de gebruiksbeperkingen, worden uitgevoerd onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige.
Indien de door het Instituut opgelegde [2 noodmaatregelen]2 inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvatten die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning, geldt de beslissing van het Instituut als de vereiste vergunning of aangifte.
§ 2. Indien een bodemverontreinigingsdeskundige bij de uitvoering van een opdracht krachtens deze ordonnantie van mening is dat een bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar betekent voor de volksgezondheid of het milieu en dat er [2 noodmaatregelen]2 nodig zijn, moet hij het Instituut daarvan zo snel mogelijk op de hoogte stellen. In dat geval deelt de bodemverontreinigingsdeskundige aan het Instituut mee welke [2 noodmaatregelen]2n hij aanbeveelt rekening houdend met de situatie van het terrein.
§ 3. Zodra er zich een bodemverontreiniging voordoet of ontdekt wordt, moet de [3 huidige ]3 exploitant van het betreffende terrein of, bij ontstentenis van deze, de houder van zakelijke rechten op dit terrein, onmiddellijk op eigen initiatief en te zijnen laste alle eerste [2 noodmaatregelen]2 nemen die nodig zijn om de bodemverontreiniging te beperken en de risico's voor de volksgezondheid en het milieu te beperken of te voorkomen.
De persoon bedoeld in het eerste lid stelt het Instituut zo snel mogelijk op de hoogte van de maatregelen die hij getroffen heeft, in voorkomend geval op het moment van de aangifte bedoeld in artikel 4.
§ 4. Onverminderd artikel 13, § 7 kan het Instituut, indien het van mening is dat een bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar betekent voor de volksgezondheid of het milieu, de termijn bepalen waarbinnen een verkennend bodemonderzoek ten laste van de [3 huidige ]3 exploitant van het betreffende terrein, of bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein, aan het Instituut moet worden betekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15. De beslissing van het Instituut is met redenen omkleed en wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de volgende personen :
1° de persoon die het verkennend onderzoek moet uitvoeren;
2° de houders van zakelijke rechten en de [4 huidige ]4 exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;
3° het College van burgemeester en schepenen.
De door het Instituut opgelegde [2 noodmaatregelen]2 zijn met redenen omkleed en worden per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de volgende personen :
1° de persoon die ze moet uitvoeren;
2° de houders van zakelijke rechten en de [4 huidige]4 exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;
3° het College van Burgemeester en Schepenen.
De [2 noodmaatregelen]2, met uitzondering van de gebruiksbeperkingen, worden uitgevoerd onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige.
Indien de door het Instituut opgelegde [2 noodmaatregelen]2 inrichtingen, handelingen of werkzaamheden omvatten die onderworpen zijn aan een vergunning krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater of aan een milieuaangifte, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning, geldt de beslissing van het Instituut als de vereiste vergunning of aangifte.
§ 2. Indien een bodemverontreinigingsdeskundige bij de uitvoering van een opdracht krachtens deze ordonnantie van mening is dat een bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar betekent voor de volksgezondheid of het milieu en dat er [2 noodmaatregelen]2 nodig zijn, moet hij het Instituut daarvan zo snel mogelijk op de hoogte stellen. In dat geval deelt de bodemverontreinigingsdeskundige aan het Instituut mee welke [2 noodmaatregelen]2n hij aanbeveelt rekening houdend met de situatie van het terrein.
§ 3. Zodra er zich een bodemverontreiniging voordoet of ontdekt wordt, moet de [3 huidige ]3 exploitant van het betreffende terrein of, bij ontstentenis van deze, de houder van zakelijke rechten op dit terrein, onmiddellijk op eigen initiatief en te zijnen laste alle eerste [2 noodmaatregelen]2 nemen die nodig zijn om de bodemverontreiniging te beperken en de risico's voor de volksgezondheid en het milieu te beperken of te voorkomen.
De persoon bedoeld in het eerste lid stelt het Instituut zo snel mogelijk op de hoogte van de maatregelen die hij getroffen heeft, in voorkomend geval op het moment van de aangifte bedoeld in artikel 4.
§ 4. Onverminderd artikel 13, § 7 kan het Instituut, indien het van mening is dat een bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar betekent voor de volksgezondheid of het milieu, de termijn bepalen waarbinnen een verkennend bodemonderzoek ten laste van de [3 huidige ]3 exploitant van het betreffende terrein, of bij ontstentenis van deze, ten laste van de houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein, aan het Instituut moet worden betekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15. De beslissing van het Instituut is met redenen omkleed en wordt per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 betekend aan de volgende personen :
1° de persoon die het verkennend onderzoek moet uitvoeren;
2° de houders van zakelijke rechten en de [4 huidige ]4 exploitanten van een risicoactiviteit op de betreffende percelen;
3° het College van burgemeester en schepenen.
Art.49. § 1er. Lorsque l'Institut estime qu'une pollution du sol constitue un danger immédiat pour la santé humaine ou pour l'environnement, il peut à tout moment imposer la mise en oeuvre de [2 mesures d'urgence ]2 à charge du titulaire de l'obligation de réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou de traitement de la pollution, ou à défaut d'une telle personne identifiée, de l'exploitant [3 actuel]3 du terrain concerné, [5 ou à défaut d'exploitant actuel ]5, du titulaire de droits réels sur le terrain concerné, dans un délai raisonnable qu'il fixe. Cette compétence ne porte pas atteinte à la compétence d'autres autorités de prendre des [2 mesures d'urgence]2.
Les [2 mesures d'urgence ]2 imposées par l'Institut sont motivées et notifiées par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 aux personnes suivantes :
1° la personne tenue de les mettre en oeuvre;
2° les titulaires de droits réels et les exploitants [4 actuels]4 d'une activité à risque sur les parcelles concernées;
3° le collège des bourgmestre et échevins.
A l'exclusion des restrictions d'usage, les [2 mesures d'urgence ]2 imposées par l'Institut sont mises en oeuvre sous la supervision d'un expert en pollution du sol.
Si les [2 mesures d'urgence ]2 imposées par l'Institut comprennent des installations, des actes ou travaux soumis à autorisation en exécution de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines, à déclaration environnementale, à permis d'environnement ou à permis d'urbanisme, la décision de l'Institut vaut l'autorisation, la déclaration ou le permis requis.
§ 2. Un expert en pollution du sol qui, dans le cadre de l'exécution d'une mission en vertu de la présente ordonnance, estime qu'une pollution du sol constitue un danger immédiat pour la santé humaine ou pour l'environnement et que des [2 mesures d'urgence ]2 sont requises, en informe l'Institut dans les plus brefs délais. Dans ce cas, l'expert en pollution du sol notifie à l'Institut les [2 mesures d'urgence ]2 qu'il préconise et motive sa proposition compte tenu de la situation de terrain.
§ 3. L'exploitant[3 actuel]3 , ou à défaut d'exploitant [3 actuel]3, le titulaire de droits réels prend d'initiative et à sa charge toutes les premières [2 mesures d'urgence ]2 nécessaires afin de limiter la pollution du sol et de limiter ou de prévenir les risques pour la santé humaine et pour l'environnement, immédiatement après la survenance d'une pollution sol ou de sa découverte sur le terrain qui le concerne.
La personne visée à l'alinéa 1er informe l'Institut des mesures qu'il a prises dans les plus brefs délais, le cas échéant, lors de la déclaration visée à l'article 4.
§ 4. Sans préjudice de l'article 13, § 7, lorsque l'Institut estime qu'une pollution du sol constitue un danger immédiat pour la santé humaine ou pour l'environnement, il peut fixer le délai dans lequel une reconnaissance de l'état du sol, a charge de l'exploitant [3 actuel]3du terrain concerné, ou à défaut d'exploitant [3 actuel ]3, du titulaire de droits réels sur le terrain concerné, doit lui être notifiée, conformément aux dispositions de l'article 15. La décision de l'Institut est motivée et notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 aux personnes suivantes :
1° la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol;
2° les titulaires de droits réels et les exploitants [4 actuels]4d'une activité à risque sur les parcelles concernees;
3° le collège des bourgmestre et échevins.
Les [2 mesures d'urgence ]2 imposées par l'Institut sont motivées et notifiées par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 aux personnes suivantes :
1° la personne tenue de les mettre en oeuvre;
2° les titulaires de droits réels et les exploitants [4 actuels]4 d'une activité à risque sur les parcelles concernées;
3° le collège des bourgmestre et échevins.
A l'exclusion des restrictions d'usage, les [2 mesures d'urgence ]2 imposées par l'Institut sont mises en oeuvre sous la supervision d'un expert en pollution du sol.
Si les [2 mesures d'urgence ]2 imposées par l'Institut comprennent des installations, des actes ou travaux soumis à autorisation en exécution de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines, à déclaration environnementale, à permis d'environnement ou à permis d'urbanisme, la décision de l'Institut vaut l'autorisation, la déclaration ou le permis requis.
§ 2. Un expert en pollution du sol qui, dans le cadre de l'exécution d'une mission en vertu de la présente ordonnance, estime qu'une pollution du sol constitue un danger immédiat pour la santé humaine ou pour l'environnement et que des [2 mesures d'urgence ]2 sont requises, en informe l'Institut dans les plus brefs délais. Dans ce cas, l'expert en pollution du sol notifie à l'Institut les [2 mesures d'urgence ]2 qu'il préconise et motive sa proposition compte tenu de la situation de terrain.
§ 3. L'exploitant[3 actuel]3 , ou à défaut d'exploitant [3 actuel]3, le titulaire de droits réels prend d'initiative et à sa charge toutes les premières [2 mesures d'urgence ]2 nécessaires afin de limiter la pollution du sol et de limiter ou de prévenir les risques pour la santé humaine et pour l'environnement, immédiatement après la survenance d'une pollution sol ou de sa découverte sur le terrain qui le concerne.
La personne visée à l'alinéa 1er informe l'Institut des mesures qu'il a prises dans les plus brefs délais, le cas échéant, lors de la déclaration visée à l'article 4.
§ 4. Sans préjudice de l'article 13, § 7, lorsque l'Institut estime qu'une pollution du sol constitue un danger immédiat pour la santé humaine ou pour l'environnement, il peut fixer le délai dans lequel une reconnaissance de l'état du sol, a charge de l'exploitant [3 actuel]3du terrain concerné, ou à défaut d'exploitant [3 actuel ]3, du titulaire de droits réels sur le terrain concerné, doit lui être notifiée, conformément aux dispositions de l'article 15. La décision de l'Institut est motivée et notifiée par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 aux personnes suivantes :
1° la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol;
2° les titulaires de droits réels et les exploitants [4 actuels]4d'une activité à risque sur les parcelles concernees;
3° le collège des bourgmestre et échevins.
Follow-upmaatregelen.
Mesures de suivi.
Art.50. Het Instituut kan in [2 elke gelijkvormigheidsverklaring, slotverklaring of beslissing van het Instituut betreffende de voorafgaande aangifte bedoeld in artikelen 63, § 4 en 65/3, § 2]2, de uitvoering van follow-upmaatregelen opleggen ten laste van de persoon die moet instaan voor [2 de behandeling]2. In voorkomend geval vermeldt het Instituut de termijnen waarbinnen een verslag van de resultaten van de opgelegde followupmaatregelen per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 aan het Instituut betekend moeten worden.
De follow-upmaatregelen, met uitzondering van de gebruiksbeperkingen, worden uitgevoerd onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige. Het verslag bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige.
De follow-upmaatregelen, met uitzondering van de gebruiksbeperkingen, worden uitgevoerd onder toezicht van een bodemverontreinigingsdeskundige. Het verslag bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld door een bodemverontreinigingsdeskundige.
Art.50. L'institut peut imposer dans [2 toute déclaration de conformité, déclaration finale ou décision de l'Institut relative à la déclaration préalable visée aux articles 63, § 4 et 65/3, § 2 ]2, la mise en oeuvre de mesures de suivi à charge de la personne tenue de réaliser [2 le traitement ]2. Le cas échéant, l'Institut précise les échéances suivant lesquelles un rapport présentant le résultat des mesures de suivi imposées doit lui être notifié par courrier recommandé [1 ou par voie électronique]1.
A l'exclusion des restrictions d'usage, les mesures de suivi imposees par l'Institut sont mises en oeuvre sous la supervision d'un expert en pollution du sol. Le rapport visé à l'alinéa 1er est rédigé par un expert en pollution du sol.
A l'exclusion des restrictions d'usage, les mesures de suivi imposees par l'Institut sont mises en oeuvre sous la supervision d'un expert en pollution du sol. Le rapport visé à l'alinéa 1er est rédigé par un expert en pollution du sol.
HOOFDSTUK VII. - Raadpleging en aanplakking.
CHAPITRE VII. - Consultation et information.
Advies en openbaar onderzoek.
Avis et enquête publique.
Art.51. § 1. Binnen de 5 dagen na kennisgeving van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier bezorgt het Instituut een kopie van het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel voor advies aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente waar zich het perceel of de percelen bevinden waarop het voorstel betrekking heeft.
[1 Het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel kan via elektronische weg aan het college van burgemeester en schepenen bezorgd worden.]1
[3 Het College van burgemeester en schepenen betekent]3 zijn advies aan het Instituut binnen de 30 dagen na ontvangst van het voorstel. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn.
[3 § 2. Indien het voorstel de realisatie van een bovengrondse inrichting met permanent karakter omvat of betrekking heeft op gevrijwaard erfgoed in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]3, bezorgt het Instituut eveneens binnen de 5 dagen na de betekening van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier, een kopie van het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel aan de afgevaardigd ambtenaar voor advies.
Binnen de 30 dagen na ontvangst van het voorstel betekent de afgevaardigd ambtenaar zijn advies aan het Instituut en het College van burgemeester en schepenen.
Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn [3 tenzij het gaat om gevrijwaard erfgoed in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in welkdanig geval het advies wordt geacht ongunstig te zijn. In dit laatste geval stuurt het Instituut een herinnering naar de gemachtigde ambtenaar binnen de 10 dagen na het overschrijden van de termijn. Deze laatste heeft dan opnieuw 30 dagen de tijd om zijn advies te verlenen. Bij gebrek aan reactie op deze nieuwe termijn wordt het advies van de gemachtigde ambtenaar geacht gunstig te zijn.]3
[1 Het advies van het college van burgemeester en schepenen kan via elektronische weg worden betekend.
Het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel kan via elektronische weg aan de afgevaardigd ambtenaar bezorgd worden.
Het advies van de afgevaardigd ambtenaar kan via elektronische weg worden betekend.]1
[3 ...]3
[3 § 3.]3 Binnen dezelfde termijn van 5 dagen na de betekening van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier brengt het Instituut de houders van zakelijke rechten en de [2 huidige]2 exploitanten van een risicoactiviteit op de percelen ervan op de hoogte dat er een dergelijk voorstel aan het Instituut betekend is.
[1 Die inkennisstelling kan via elektronische weg gebeuren.]1
Deze personen kunnen het voorstel inkijken bij het gemeentebestuur.
[1 Het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel kan via elektronische weg aan het college van burgemeester en schepenen bezorgd worden.]1
[3 Het College van burgemeester en schepenen betekent]3 zijn advies aan het Instituut binnen de 30 dagen na ontvangst van het voorstel. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn.
[3 § 2. Indien het voorstel de realisatie van een bovengrondse inrichting met permanent karakter omvat of betrekking heeft op gevrijwaard erfgoed in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]3, bezorgt het Instituut eveneens binnen de 5 dagen na de betekening van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier, een kopie van het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel aan de afgevaardigd ambtenaar voor advies.
Binnen de 30 dagen na ontvangst van het voorstel betekent de afgevaardigd ambtenaar zijn advies aan het Instituut en het College van burgemeester en schepenen.
Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn [3 tenzij het gaat om gevrijwaard erfgoed in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in welkdanig geval het advies wordt geacht ongunstig te zijn. In dit laatste geval stuurt het Instituut een herinnering naar de gemachtigde ambtenaar binnen de 10 dagen na het overschrijden van de termijn. Deze laatste heeft dan opnieuw 30 dagen de tijd om zijn advies te verlenen. Bij gebrek aan reactie op deze nieuwe termijn wordt het advies van de gemachtigde ambtenaar geacht gunstig te zijn.]3
[1 Het advies van het college van burgemeester en schepenen kan via elektronische weg worden betekend.
Het risicobeheersvoorstel of saneringsvoorstel kan via elektronische weg aan de afgevaardigd ambtenaar bezorgd worden.
Het advies van de afgevaardigd ambtenaar kan via elektronische weg worden betekend.]1
[3 ...]3
[3 § 3.]3 Binnen dezelfde termijn van 5 dagen na de betekening van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier brengt het Instituut de houders van zakelijke rechten en de [2 huidige]2 exploitanten van een risicoactiviteit op de percelen ervan op de hoogte dat er een dergelijk voorstel aan het Instituut betekend is.
[1 Die inkennisstelling kan via elektronische weg gebeuren.]1
Deze personen kunnen het voorstel inkijken bij het gemeentebestuur.
Art.51. § 1er. Dans les 5 jours de la notification de l'accusé de réception de dossier complet, l'Institut transmet une copie du projet de gestion du risque ou du projet d'assainissement au collège des bourgmestre et échevins de la commune où se situent la ou les parcelles concernées par ce projet.
[1 Le projet de gestion du risque ou projet d'assainissement peut être transmis au collège des bourgmestre et échevins par voie électronique.]1
§ 2. [3 Le]3, collège des bourgmestre et échevins notifie son avis à l'Institut, dans les 30 jours de la réception du projet. A defaut de notification dans ce délai, l'avis est reputé favorable.
[3 § 2. Lorsque le projet comprend la réalisation d'un aménagement hors sol à caractère permanent ou qu'il concerne un patrimoine immobilier protégé en Région de Bruxelles-Capitale ]3, l'Institut transmet également pour avis au fonctionnaire délégué, dans les 5 jours de la notification de l'accusé de réception de dossier complet, une copie du projet de gestion du risque ou du projet d'assainissement.
Le fonctionnaire délégué notifie son avis à l'Institut et au collège des bourgmestre et échevins dans les 30 jours de la réception du projet.
A defaut de notification dans ce délai, l'avis est reputé favorable [3 , à moins qu'il s'agisse d'un patrimoine immobilier protégé en Région de Bruxelles-Capitale, auquel cas l'avis est réputé défavorable. Dans ce dernier cas, l'Institut adresse un rappel au fonctionnaire délégué dans les 10 jours de dépassement du délai. Ce dernier dispose à nouveau de 30 jours pour remettre son avis. Sans réaction dans ce nouveau délai, l'avis du fonctionnaire délégué est réputé positif. ]3
[1 L'avis du collège des bourgmestre et échevins peut être notifié par voie électronique.
Le projet de gestion du risque ou projet d'assainissement peut être transmis au fonctionnaire délégué par voie électronique.
L'avis du fonctionnaire délégué peut être notifié par voie électronique.]1
[3 ...]3
§ [3 3]3 Dans le même délai de 5 jours de la notification de l'accusé de réception de dossier complet, l'Institut informe les titulaires de droits réels et les exploitants [2 actuels]2 d'une activité à risque sur ces parcelles de la notification du projet de gestion du risque ou du projet d'assainissement à l'Institut.
[1 Cette information peut se faire par voie électronique.]1
Ces personnes peuvent consulter le projet auprès de l'administration communale.
[1 Le projet de gestion du risque ou projet d'assainissement peut être transmis au collège des bourgmestre et échevins par voie électronique.]1
§ 2. [3 Le]3, collège des bourgmestre et échevins notifie son avis à l'Institut, dans les 30 jours de la réception du projet. A defaut de notification dans ce délai, l'avis est reputé favorable.
[3 § 2. Lorsque le projet comprend la réalisation d'un aménagement hors sol à caractère permanent ou qu'il concerne un patrimoine immobilier protégé en Région de Bruxelles-Capitale ]3, l'Institut transmet également pour avis au fonctionnaire délégué, dans les 5 jours de la notification de l'accusé de réception de dossier complet, une copie du projet de gestion du risque ou du projet d'assainissement.
Le fonctionnaire délégué notifie son avis à l'Institut et au collège des bourgmestre et échevins dans les 30 jours de la réception du projet.
A defaut de notification dans ce délai, l'avis est reputé favorable [3 , à moins qu'il s'agisse d'un patrimoine immobilier protégé en Région de Bruxelles-Capitale, auquel cas l'avis est réputé défavorable. Dans ce dernier cas, l'Institut adresse un rappel au fonctionnaire délégué dans les 10 jours de dépassement du délai. Ce dernier dispose à nouveau de 30 jours pour remettre son avis. Sans réaction dans ce nouveau délai, l'avis du fonctionnaire délégué est réputé positif. ]3
[1 L'avis du collège des bourgmestre et échevins peut être notifié par voie électronique.
Le projet de gestion du risque ou projet d'assainissement peut être transmis au fonctionnaire délégué par voie électronique.
L'avis du fonctionnaire délégué peut être notifié par voie électronique.]1
[3 ...]3
§ [3 3]3 Dans le même délai de 5 jours de la notification de l'accusé de réception de dossier complet, l'Institut informe les titulaires de droits réels et les exploitants [2 actuels]2 d'une activité à risque sur ces parcelles de la notification du projet de gestion du risque ou du projet d'assainissement à l'Institut.
[1 Cette information peut se faire par voie électronique.]1
Ces personnes peuvent consulter le projet auprès de l'administration communale.
Aanplakking.
Information.
Art.52. De persoon die het risicobeheer of de sanering moet realiseren, moet de afgifte van een gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel [1 of ]1 het saneringsvoorstel [1 ...]1 bekendmaken door aanplakking op de plaats [1 waar de behandeling zal plaatsvinden.]1 [1 In geval van een behandeling van beperkte duur bedoeld in artikel 63 of een behandeling bedoeld in artikel 65/3, moet de persoon die de behandeling moet uitvoeren, de verzending van een voorafgaande aangifte, bedoeld in artikel 63, § 4 of 65/3 § 2, bekendmaken door aanplakking. ]1
Als er beroep wordt aangetekend tegen de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel, het saneringsvoorstel,[1 tegen de beslissing van het Instituut betreffende de voorafgaande aangifte of tegen het ontbreken van beslissing betreffende de voorafgaande aangifte binnen de termijnen zoals bedoeld in de artikelen 63 en 65/3 ]1 of tegen de beslissing van het Instituut om de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie te beperken, is deze persoon er eveneens toe gehouden de beslissing van het Milieucollege en in voorkomend geval van de Regering aan te plakken.
[1 De bekendmaking door aanplakking dient plaats te vinden vóór de uitvoering van het risicobeheer, de sanering of de behandeling van beperkte duur, bedoeld in artikelen 63 en 65/3 en uiterlijk hetzij binnen de 15 dagen vanaf de kennisgeving van de gelijkvormigheidsverklaring van het voorstel, hetzij op de dag zelf van de voorafgaande aangifte van behandeling zoals bedoeld in artikel 63 § 4 of artikel 65/3 § 2. De bekendmaking door aanplakking dient te worden gehandhaafd tot de datum van kennisgeving van de slotverklaring. ]1
De Regering kan de modaliteiten bepalen voor de aanplakking bedoeld in dit artikel.
Als er beroep wordt aangetekend tegen de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van het risicobeheersvoorstel, het saneringsvoorstel,[1 tegen de beslissing van het Instituut betreffende de voorafgaande aangifte of tegen het ontbreken van beslissing betreffende de voorafgaande aangifte binnen de termijnen zoals bedoeld in de artikelen 63 en 65/3 ]1 of tegen de beslissing van het Instituut om de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie te beperken, is deze persoon er eveneens toe gehouden de beslissing van het Milieucollege en in voorkomend geval van de Regering aan te plakken.
[1 De bekendmaking door aanplakking dient plaats te vinden vóór de uitvoering van het risicobeheer, de sanering of de behandeling van beperkte duur, bedoeld in artikelen 63 en 65/3 en uiterlijk hetzij binnen de 15 dagen vanaf de kennisgeving van de gelijkvormigheidsverklaring van het voorstel, hetzij op de dag zelf van de voorafgaande aangifte van behandeling zoals bedoeld in artikel 63 § 4 of artikel 65/3 § 2. De bekendmaking door aanplakking dient te worden gehandhaafd tot de datum van kennisgeving van de slotverklaring. ]1
De Regering kan de modaliteiten bepalen voor de aanplakking bedoeld in dit artikel.
Art.52. La personne tenue de réaliser la gestion du risque ou l'assainissement affiche un avis informant de la délivrance de la déclaration de conformité relative au projet de gestion du risque [1 ou]1 au projet d'assainissement [1 ...]1 aux lieux où [1 est projeté le traitement]1. [1 En cas de traitement de durée limitée visé à l'article 63 ou de traitement visé à l'article 65/3, la personne tenue de réaliser le traitement affiche un avis informant de l'envoi d'une déclaration préalable visée à l'article 63, § 4 ou 65/3 § 2. ]1
En cas de recours contre la déclaration de conformité ou de non-conformité du projet de gestion du risque, du projet d'assainissement ou [1 contre la décision de l'Institut relative à la déclaration préalable, ou contre l'absence de décision relative à la déclaration préalable dans les délais prévus aux articles 63 et 65/3]1, ou contre la décision de l'Institut de limiter le contenu des obligations issues de la présente ordonnance, cette personne est également tenue d'afficher la décision du Collège d'environnement, et le cas échéant, du gouvernement.
[1 L'affichage doit être réalisé avant la mise en oeuvre de la gestion du risque, l'exécution de l'assainissement, ou la mise en oeuvre du traitement visé aux articles 63 et 65/3, et au plus tard soit dans les 15 jours à dater de la notification de la déclaration de conformité du projet, soit le jour même de la déclaration préalable du traitement visé à l'article 63 § 4 ou 65/3 § 2. L'affichage doit être maintenu jusqu'à la date de notification de la déclaration finale. ]1
Le gouvernement peut arrêter les modalités de l'affichage visé au présent article.
En cas de recours contre la déclaration de conformité ou de non-conformité du projet de gestion du risque, du projet d'assainissement ou [1 contre la décision de l'Institut relative à la déclaration préalable, ou contre l'absence de décision relative à la déclaration préalable dans les délais prévus aux articles 63 et 65/3]1, ou contre la décision de l'Institut de limiter le contenu des obligations issues de la présente ordonnance, cette personne est également tenue d'afficher la décision du Collège d'environnement, et le cas échéant, du gouvernement.
[1 L'affichage doit être réalisé avant la mise en oeuvre de la gestion du risque, l'exécution de l'assainissement, ou la mise en oeuvre du traitement visé aux articles 63 et 65/3, et au plus tard soit dans les 15 jours à dater de la notification de la déclaration de conformité du projet, soit le jour même de la déclaration préalable du traitement visé à l'article 63 § 4 ou 65/3 § 2. L'affichage doit être maintenu jusqu'à la date de notification de la déclaration finale. ]1
Le gouvernement peut arrêter les modalités de l'affichage visé au présent article.
Wijzigingen
Gebruiksbeperkingen.
Restrictions d'usage.
Art.53. Indien de door het Instituut voorgeschreven [1 nood]1- of follow-upmaatregelen gebruiksbeperkingen inhouden, brengt de persoon die belast is met de uitvoering ervan, de houders van personenrechten op de betreffende percelen schriftelijk op de hoogte. Het instituut kan eveneens aanplakking van de gebruiksbeperkingen op de plaats waar ze van toepassing zijn verplicht stellen.
De Regering kan de voorwaarden en modaliteiten bepalen voor de aanplakking bedoeld in dit artikel.
De Regering kan de voorwaarden en modaliteiten bepalen voor de aanplakking bedoeld in dit artikel.
Art.53. Lorsque des [1 mesures d'urgence ]1 ou des mesures de suivi prescrites par l'Institut comportent des restrictions d'usage, la personne tenue de les mettre en oeuvre en informe par écrit les titulaires de droits personnels sur les parcelles concernées. L'institut peut également imposer l'affichage des restrictions d'usage au lieu où elles s'appliquent.
Le gouvernement peut arrêter les conditions et modalités de l'affichage visé au présent article.
Le gouvernement peut arrêter les conditions et modalités de l'affichage visé au présent article.
[1Controlecommissie]1
[1 Commission de contrôle]1
Art. 53/1. [1 § 1. Er wordt een commissie opgericht voor de controle van de prestaties van de bodemverontreinigingsdeskundigen en van de bodemsaneringsaannemers.
§ 2. De commissie heeft als opdracht om, op verzoek van het Instituut, een gemotiveerd en niet-bindend advies te formuleren bij elke klacht van een verplichtinghouder [2 of van Leefmilieu Brussel]2 tegen een bodemverontreinigingsdeskundige of tegen een bodemsaneringsaannemer die verband houdt met de toepassing van deze ordonnantie en van het besluit van 15 december 2011 betreffende de erkenning van de bodemverontreinigings-deskundigen en de registratie van de bodemsaneringsaannemers.
§ 3. De commissie heeft tevens als opdracht om, op verzoek van het Instituut, een gemotiveerd en niet-bindend advies te verstrekken in het kader :
1° van een procedure tot schorsing of intrekking van de erkenning van een bodemverontreinigingsdeskundige als bedoeld in Titel II, Hoofdstuk V van voornoemd besluit van 15 december 2011 ;
2° van een procedure tot schorsing of intrekking van de erkenning van een bodemsaneringsaannemer als bedoeld in Titel III, Hoofdstuk V van voornoemd besluit van 15 december 2011.
§ 4. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de oprichting, de organisatie en de werking van de commissie.
§ 5. De Regering kan bijkomende taken toewijzen aan de commissie in zoverre die taken verband houden met voorliggende ordonnantie. ]1
§ 2. De commissie heeft als opdracht om, op verzoek van het Instituut, een gemotiveerd en niet-bindend advies te formuleren bij elke klacht van een verplichtinghouder [2 of van Leefmilieu Brussel]2 tegen een bodemverontreinigingsdeskundige of tegen een bodemsaneringsaannemer die verband houdt met de toepassing van deze ordonnantie en van het besluit van 15 december 2011 betreffende de erkenning van de bodemverontreinigings-deskundigen en de registratie van de bodemsaneringsaannemers.
§ 3. De commissie heeft tevens als opdracht om, op verzoek van het Instituut, een gemotiveerd en niet-bindend advies te verstrekken in het kader :
1° van een procedure tot schorsing of intrekking van de erkenning van een bodemverontreinigingsdeskundige als bedoeld in Titel II, Hoofdstuk V van voornoemd besluit van 15 december 2011 ;
2° van een procedure tot schorsing of intrekking van de erkenning van een bodemsaneringsaannemer als bedoeld in Titel III, Hoofdstuk V van voornoemd besluit van 15 december 2011.
§ 4. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de oprichting, de organisatie en de werking van de commissie.
§ 5. De Regering kan bijkomende taken toewijzen aan de commissie in zoverre die taken verband houden met voorliggende ordonnantie. ]1
Art. 53/1. [1 § 1er. Il est créé une commission de contrôle des prestations des experts en pollution des sols et des entrepreneurs en assainissement du sol.
§ 2. La commission a pour mission d'émettre, à la demande de l'Institut, un avis motivé et non contraignant sur toute plainte émanant d'un titulaire d'obligations [2 ou de Bruxelles Environnement]2 contre un expert en pollution du sol ou un entrepreneur en assainissement du sol relative à l'application de la présente ordonnance et de l'arrêté du 15 décembre 2011 relatif à l'agrément des experts en pollution du sol et à l'enregistrement des entrepreneurs en assainissement des sols.
§ 3. La Commission a également pour autre mission d'émettre, à la demande de l'Institut, un avis motivé et non contraignant dans le cadre :
1° d'une procédure de suspension ou de retrait de l'agrément d'un expert en pollution des sols visée au Titre II, Chapitre V de l'arrêté précité du 15 décembre 2011 ;
2° d'une procédure de suspension ou de retrait de l'enregistrement d'un entrepreneur en assainissement du sol visée au Titre III, Chapitre V de l'arrêté précité du 15 décembre 2011.
§ 4. Le Gouvernement arrête les modalités de constitution, d'organisation et de fonctionnement de la commission.
§ 5. Le Gouvernement peut confier des tâches complémentaires à la commission dans la mesure où ces tâches sont en rapport avec la présente ordonnance. ]1
§ 2. La commission a pour mission d'émettre, à la demande de l'Institut, un avis motivé et non contraignant sur toute plainte émanant d'un titulaire d'obligations [2 ou de Bruxelles Environnement]2 contre un expert en pollution du sol ou un entrepreneur en assainissement du sol relative à l'application de la présente ordonnance et de l'arrêté du 15 décembre 2011 relatif à l'agrément des experts en pollution du sol et à l'enregistrement des entrepreneurs en assainissement des sols.
§ 3. La Commission a également pour autre mission d'émettre, à la demande de l'Institut, un avis motivé et non contraignant dans le cadre :
1° d'une procédure de suspension ou de retrait de l'agrément d'un expert en pollution des sols visée au Titre II, Chapitre V de l'arrêté précité du 15 décembre 2011 ;
2° d'une procédure de suspension ou de retrait de l'enregistrement d'un entrepreneur en assainissement du sol visée au Titre III, Chapitre V de l'arrêté précité du 15 décembre 2011.
§ 4. Le Gouvernement arrête les modalités de constitution, d'organisation et de fonctionnement de la commission.
§ 5. Le Gouvernement peut confier des tâches complémentaires à la commission dans la mesure où ces tâches sont en rapport avec la présente ordonnance. ]1
Rapportering aan de Regering en het Parlement.
Rapport au gouvernement et au parlement.
Art.54. Vanaf de inwerkingtreding van de ordonnantie legt het Instituut elke drie jaar een rapport over de toepassing van deze ordonnantie voor aan de Regering en het Parlement.
Art.54. Tous les trois ans à dater de l'entrée en vigueur de l'ordonnance, l'Institut remet un rapport au gouvernement et au parlement relatif à l'application de la présente ordonnance.
HOOFDSTUK VIII. - Beroep.
CHAPITRE VIII. - Recours.
Beroep bij het Milieucollege.
Recours au Collège d'environnement.
Art.55. § 1. Er kan beroep worden aangetekend bij het Milieucollege tegen :
1° de inschrijving door het Instituut van een perceel op te nemen in de inventaris van de bodemtoestand bedoeld in artikel 7 § 2, tweede lid, artikel 7, § 3, eerste lid en art. 7, § 4;
2° de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van een verkennend bodemonderzoek bedoeld in artikel 15, § 3, of tegen de stilzwijgende gelijkvormigheid resulterend uit het overschrijden van de termijnen bedoeld in artikel 15, § 5, [6 ...]6;
3° de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van een gedetailleerd onderzoek bedoeld in artikel 27, § 1, of tegen de stilzwijgende gelijkvormigheid resulterend uit het overschrijden van de termijnen bedoeld in artikel 27, § 3, indien het type verontreiniging [6 ...]6 vastgesteld door het verkennend bodemonderzoek dat hieraan voorafging [6 werd gewijzigd]6;
4° de verklaring van gelijkvormigheid of van niet-gelijkvormigheid van een risicobeheerproject, bedoeld in artikel 35, § 1, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in artikel 35, § 1, tweede lid, bedoelde termijnen;
5° de verklaring van gelijkvormigheid of van niet-gelijkvormigheid van een [6 [saneringsvoorstel]6, bedoeld in artikel 43, § 1, eerste lid, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in artikel 43, § 1, tweede lid, bedoelde termijnen;
6° de [6 beslissing van het Instituut]6, bedoeld in [6 artikel 63, § 4, derde lid]6, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in [6 artikel 63, § 4, derde lid]6, bedoelde termijnen;
7° het akkoord of het niet-akkoord van het Instituut met betrekking tot een verzoek of voorstel tot aanpassing van [5 het risicobeheer ]5 of [3 sanering]3 bedoeld in artikel 38, § 3, tweede lid, artikel 38, § 4, tweede lid, artikel 46, § 3, tweede lid en artikel 46, § 4, tweede lid, of de stilzwijgende [6 aanvaarding]6 bedoeld in artikel 38, § 3, derde lid, artikel 38, § 4, derde lid, artikel 46, § 3, derde lid en artikel 46, § 4, derde lid;
8° het verzoek van het Instituut om aanpassing van[4 het risicobeheer]4 of [2 de sanering]2 bedoeld in artikel 38, § 4, eerste lid en artikel 46, § 4, eerste lid;
9° de beslissing van het Instituut om de inhoud van de verplichtingen krachtens deze ordonnantie bij toepassing van artikel 66 te beperken.
Volgende personen kunnen beroep instellen :
- de houder van de verplichtingen resulterend uit de akte waartegen beroep wordt aangetekend;
- iedere natuurlijke of rechtspersoon die getroffen wordt of kan worden door de gevolgen van de uitvoering van de handelingen bedoeld in het 1e lid;
- elke natuurlijke of rechtspersoon die een belang kan aantonen.
Elke vereniging die ijvert voor de bescherming van het milieu op het grondgebied van het Gewest, wordt geacht een belang te hebben, op voorwaarde dat :
a) de vereniging een VZW is;
b) de VZW reeds bestond vóór de datum van de kennisgeving door het Instituut bedoeld in artikel 7, § 1, 1e lid, vóór de datum van de kennisgeving aan het Instituut van het bodemonderzoek waarvan de gelijkvormigheidsverklaring het voorwerp van het beroep is, of vóór de datum van de kennisgeving van het Instituut dat de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie beperkt wordt;
c) in de statuten van de VZW bepaald is dat het doel van de VZW de bescherming van het milieu is;
d) het geschonden belang dat aangevoerd wordt in het beroep, kadert in het statutaire doel van de VZW, zoals het is op de datum van de kennisgeving door het Instituut bedoeld in artikel 7, § 1, eerste lid, op de datum van de kennisgeving aan het Instituut van het bodemonderzoek waarvan de gelijkvormigheidsverklaring het voorwerp van het beroep is, of op de datum van de kennisgeving van het Instituut dat de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie beperkt wordt.
§ 2. De eiser of zijn raadsman, alsook het Instituut of zijn afgevaardigde, worden op hun verzoek door het Milieucollege gehoord. Als één partij vraagt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen uitgenodigd om te verschijnen.
§ 3. De beslissing van het Milieucollege wordt betekend aan de eiser, aan het Instituut, aan de houder van de zakelijke rechten en de [3 huidige]3 exploitant van een risico-activiteit op het betrokken terrein en, naargelang de akte die het voorwerp van het beroep is, aan de andere personen en overheden bedoeld in artikelen 15, § 4, 27, § 2, 35, § 3, 43, § 3 en 63, § 5. De beslissingen betreffende een van de akten bedoeld in artikel 38 en 46 worden eveneens betekend aan de andere personen en overheden bedoeld in respectievelijk artikelen 35, § 3 en 43, § 3. De beslissing betreffende een beslissing van het Instituut bedoeld in artikel 66 wordt eveneens betekend aan de houder van de beperkte verplichting.
[1 Het Milieucollege deelt zijn beslissing mee binnen 60 dagen vanaf de datum van de ter post ingediende aangetekende zending met het eerste beroep. Indien meermaals beroep wordt ingediend tegen eenzelfde akte, wordt de termijn van 60 dagen verlengd met het aantal dagen tussen de data van indiening ter post van de aangetekende zending met het eerste en het laatste beroep; dat aantal wordt niettemin beperkt tot 25. In dat geval, deelt het Milieucollege de partijen de datum mee waarop de kennisgevingstermijn ingaat. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn verlengd met 15 dagen. [6 ...]6]1
Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen deze termijn wordt de akte die het voorwerp van het beroep uitmaakt, als bevestigd beschouwd.
[6 § 3/1. Een dossierrecht waarvan de opbrengst integraal en rechtstreeks aan het Gewestelijk fonds voor bodemsanering wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die beroep aantekent bij het Milieucollege. Het bedrag van het dossierrecht wordt vastgelegd op 125 euro.]6
§ 4. De Regering kan de procedure voor het beroep bedoeld in dit artikel nader bepalen.
1° de inschrijving door het Instituut van een perceel op te nemen in de inventaris van de bodemtoestand bedoeld in artikel 7 § 2, tweede lid, artikel 7, § 3, eerste lid en art. 7, § 4;
2° de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van een verkennend bodemonderzoek bedoeld in artikel 15, § 3, of tegen de stilzwijgende gelijkvormigheid resulterend uit het overschrijden van de termijnen bedoeld in artikel 15, § 5, [6 ...]6;
3° de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring van een gedetailleerd onderzoek bedoeld in artikel 27, § 1, of tegen de stilzwijgende gelijkvormigheid resulterend uit het overschrijden van de termijnen bedoeld in artikel 27, § 3, indien het type verontreiniging [6 ...]6 vastgesteld door het verkennend bodemonderzoek dat hieraan voorafging [6 werd gewijzigd]6;
4° de verklaring van gelijkvormigheid of van niet-gelijkvormigheid van een risicobeheerproject, bedoeld in artikel 35, § 1, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in artikel 35, § 1, tweede lid, bedoelde termijnen;
5° de verklaring van gelijkvormigheid of van niet-gelijkvormigheid van een [6 [saneringsvoorstel]6, bedoeld in artikel 43, § 1, eerste lid, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in artikel 43, § 1, tweede lid, bedoelde termijnen;
6° de [6 beslissing van het Instituut]6, bedoeld in [6 artikel 63, § 4, derde lid]6, of tegen het uitblijven van een beslissing tegen de in [6 artikel 63, § 4, derde lid]6, bedoelde termijnen;
7° het akkoord of het niet-akkoord van het Instituut met betrekking tot een verzoek of voorstel tot aanpassing van [5 het risicobeheer ]5 of [3 sanering]3 bedoeld in artikel 38, § 3, tweede lid, artikel 38, § 4, tweede lid, artikel 46, § 3, tweede lid en artikel 46, § 4, tweede lid, of de stilzwijgende [6 aanvaarding]6 bedoeld in artikel 38, § 3, derde lid, artikel 38, § 4, derde lid, artikel 46, § 3, derde lid en artikel 46, § 4, derde lid;
8° het verzoek van het Instituut om aanpassing van[4 het risicobeheer]4 of [2 de sanering]2 bedoeld in artikel 38, § 4, eerste lid en artikel 46, § 4, eerste lid;
9° de beslissing van het Instituut om de inhoud van de verplichtingen krachtens deze ordonnantie bij toepassing van artikel 66 te beperken.
Volgende personen kunnen beroep instellen :
- de houder van de verplichtingen resulterend uit de akte waartegen beroep wordt aangetekend;
- iedere natuurlijke of rechtspersoon die getroffen wordt of kan worden door de gevolgen van de uitvoering van de handelingen bedoeld in het 1e lid;
- elke natuurlijke of rechtspersoon die een belang kan aantonen.
Elke vereniging die ijvert voor de bescherming van het milieu op het grondgebied van het Gewest, wordt geacht een belang te hebben, op voorwaarde dat :
a) de vereniging een VZW is;
b) de VZW reeds bestond vóór de datum van de kennisgeving door het Instituut bedoeld in artikel 7, § 1, 1e lid, vóór de datum van de kennisgeving aan het Instituut van het bodemonderzoek waarvan de gelijkvormigheidsverklaring het voorwerp van het beroep is, of vóór de datum van de kennisgeving van het Instituut dat de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie beperkt wordt;
c) in de statuten van de VZW bepaald is dat het doel van de VZW de bescherming van het milieu is;
d) het geschonden belang dat aangevoerd wordt in het beroep, kadert in het statutaire doel van de VZW, zoals het is op de datum van de kennisgeving door het Instituut bedoeld in artikel 7, § 1, eerste lid, op de datum van de kennisgeving aan het Instituut van het bodemonderzoek waarvan de gelijkvormigheidsverklaring het voorwerp van het beroep is, of op de datum van de kennisgeving van het Instituut dat de inhoud van de verplichtingen voortvloeiend uit deze ordonnantie beperkt wordt.
§ 2. De eiser of zijn raadsman, alsook het Instituut of zijn afgevaardigde, worden op hun verzoek door het Milieucollege gehoord. Als één partij vraagt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen uitgenodigd om te verschijnen.
§ 3. De beslissing van het Milieucollege wordt betekend aan de eiser, aan het Instituut, aan de houder van de zakelijke rechten en de [3 huidige]3 exploitant van een risico-activiteit op het betrokken terrein en, naargelang de akte die het voorwerp van het beroep is, aan de andere personen en overheden bedoeld in artikelen 15, § 4, 27, § 2, 35, § 3, 43, § 3 en 63, § 5. De beslissingen betreffende een van de akten bedoeld in artikel 38 en 46 worden eveneens betekend aan de andere personen en overheden bedoeld in respectievelijk artikelen 35, § 3 en 43, § 3. De beslissing betreffende een beslissing van het Instituut bedoeld in artikel 66 wordt eveneens betekend aan de houder van de beperkte verplichting.
[1 Het Milieucollege deelt zijn beslissing mee binnen 60 dagen vanaf de datum van de ter post ingediende aangetekende zending met het eerste beroep. Indien meermaals beroep wordt ingediend tegen eenzelfde akte, wordt de termijn van 60 dagen verlengd met het aantal dagen tussen de data van indiening ter post van de aangetekende zending met het eerste en het laatste beroep; dat aantal wordt niettemin beperkt tot 25. In dat geval, deelt het Milieucollege de partijen de datum mee waarop de kennisgevingstermijn ingaat. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn verlengd met 15 dagen. [6 ...]6]1
Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen deze termijn wordt de akte die het voorwerp van het beroep uitmaakt, als bevestigd beschouwd.
[6 § 3/1. Een dossierrecht waarvan de opbrengst integraal en rechtstreeks aan het Gewestelijk fonds voor bodemsanering wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die beroep aantekent bij het Milieucollege. Het bedrag van het dossierrecht wordt vastgelegd op 125 euro.]6
§ 4. De Regering kan de procedure voor het beroep bedoeld in dit artikel nader bepalen.
Wijzigingen
Art.55. § 1er. Un recours est ouvert auprès du Collège d'environnement contre :
1° l'inscription par l'Institut d'une parcelle à l'inventaire de l'état du sol visée à l'article 7, § 2, alinéa 2, à l'article 7, § 3, alinéa 1er et à l'article 7, § 4;
2° la déclaration de conformité ou de non-conformité d'une reconnaissance de l'état du sol visée à l'article 15, § 3, ou contre sa conformité tacite découlant du dépassement des délais visés à l'article 15, § 5[6 ...]6;
3° la déclaration de conformité ou de non-conformité d'une étude détaillée visée à l'article 27, § 1er, ou contre sa conformite tacite découlant du dépassement des délais visés à l'article 27, § 3, si le type de pollution [6 ...]6 déterminé par la reconnaissance de l'état du sol à laquelle elle succède [6 est modifié ]6;
4° la déclaration de conformité ou de non-conformité d'un projet de gestion du risque, visée à l'article 35, § 1er, alinéa 1er, ou contre l'absence de décision dans les délais visés à l'article 35, § 1er, alinéa 2;
5° la déclaration de conformité ou de non-conformité d'un projet d'assainissement visée à l'article 43, § 1er, alinéa 1er, ou contre l'absence de décision dans les délais visés à l'article 43, § 1er, alinéa 2;
6° la [6 décision de l'Institut]6 visée à [6 l'article 63, § 4, alinéa 3]6, ou contre l'absence de décision dans les délais visés à [6 l'article 63, § 4, alinéa 3]6;
7° l'accord ou désaccord de l'Institut relatif à la demande ou proposition d'adaptation [5 de la gestion du risque]5 ou [2 de l'assainissement]2 visé à l'article 38, § 3, alinéa 2 et § 4, alinéa 2, à l'article 46, § 3, alinéa 2 et § 4, alinéa 2, ou à leur [6 acceptation]6 tacite visée à l'article 38, § 3, alinéa 3 et § 4, alinéa 3, et à l'article 46, § 3, alinéa 3 et § 4, alinéa 3;
8° la demande de l'Institut d'adapter [4 la gestion du risque]4 ou [2 l'assainissement]2 visée à l'article 38, § 4, alinéa 1er et à l'article 46, § 4, alinéa 1er;
9° la décision de l'Institut de limiter le contenu des obligations issues de la présente ordonnance en application de l'article 66.
Ce recours est ouvert aux personnes suivantes :
- le titulaire des obligations générées par l'acte objet du recours;
- toute personne physique ou morale qui est touchée ou qui risque d'être touchée par les incidences de la mise en oeuvre des actes vises à l'alinéa 1er;
- toute personne physique ou morale qui justifie d'un intérêt.
Toute association qui oeuvre en faveur de la protection de l'environnement sur le territoire de la Région est réputée avoir un intérêt, à la condition que :
a) l'association soit constituée en ASBL;
b) l'ASBL préexiste à la date de la notification par l'Institut visée à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, à la date de la notification à l'Institut de l'étude de sol dont la déclaration de conformite est l'objet du recours, ou à la date de la notification par l'Institut de la limitation du contenu des obligations issues de la présente ordonnance;
c) l'objet statutaire de l'ASBL soit la protection de l'environnement;
d) l'intérêt dont la lésion est invoquée dans le recours entre dans le cadre de l'objet statutaire de l'ASBL tel qu'il ressort à la date de la notification par l'Institut visée à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, à la date de la notification à l'Institut de l'étude de sol dont la déclaration de conformité est l'objet du recours, ou à la date de la notification par l'Institut de la limitation du contenu des obligations issues de la présente ordonnance.
§ 2. Le requérant ou son conseil, ainsi que l'Institut ou son délégué sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsqu'une partie demande à être entendue, les autres parties sont invitées à comparaître.
§ 3. La décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant, à l'Institut, au titulaire de droits réels et à l'exploitant [3 actuel ]3 d'une activité à risque sur le terrain concerné, et, selon l'acte qui est l'objet du recours, aux autres personnes et autorités visées aux articles 15, § 4, 27, § 2, 35, § 3, 43, § 3 et 63, § 5. Les décisions relatives à un des actes visés aux articles 38 et 46 sont également notifiées aux autres personnes et autorités visées respectivement aux articles 35, § 3 et 43, § 3. La décision relative à une décision de l'Institut visée à l'article 66 est également notifiée à la personne titulaire de l'obligation limitée.
[1 Le Collège d'environnement notifie sa décision dans les 60 jours de la date de dépôt, à la poste, de l'envoi recommandé contenant le premier recours. Si plusieurs recours sont introduits contre le même acte, le délai de 60 jours est augmenté du nombre de jours séparant les dates de dépôt, à la poste, des envois recommandés du premier et du dernier de ces recours, ce nombre étant toutefois plafonné à 25. Dans cette hypothèse, le Collège d'environnement informe les parties de la date constituant le point de départ du délai de notification. Lorsque les parties sont entendues, le délai est prolongé de 15 jours. [6 ...]6]1
A défaut de notification de la décision dans ce délai, l'acte objet du recours est réputée confirmé.
[6 § 3/1. Un droit de dossier dont le produit est versé directement et intégralement au Fonds régional de traitement du sol est levé à charge de toute personne physique ou morale qui exerce un recours auprès du Collège d'Environnement. Le montant du droit de dossier est fixé à 125 euros.]6
§ 4. Le gouvernement peut préciser la procédure de recours visée au présent article.
1° l'inscription par l'Institut d'une parcelle à l'inventaire de l'état du sol visée à l'article 7, § 2, alinéa 2, à l'article 7, § 3, alinéa 1er et à l'article 7, § 4;
2° la déclaration de conformité ou de non-conformité d'une reconnaissance de l'état du sol visée à l'article 15, § 3, ou contre sa conformité tacite découlant du dépassement des délais visés à l'article 15, § 5[6 ...]6;
3° la déclaration de conformité ou de non-conformité d'une étude détaillée visée à l'article 27, § 1er, ou contre sa conformite tacite découlant du dépassement des délais visés à l'article 27, § 3, si le type de pollution [6 ...]6 déterminé par la reconnaissance de l'état du sol à laquelle elle succède [6 est modifié ]6;
4° la déclaration de conformité ou de non-conformité d'un projet de gestion du risque, visée à l'article 35, § 1er, alinéa 1er, ou contre l'absence de décision dans les délais visés à l'article 35, § 1er, alinéa 2;
5° la déclaration de conformité ou de non-conformité d'un projet d'assainissement visée à l'article 43, § 1er, alinéa 1er, ou contre l'absence de décision dans les délais visés à l'article 43, § 1er, alinéa 2;
6° la [6 décision de l'Institut]6 visée à [6 l'article 63, § 4, alinéa 3]6, ou contre l'absence de décision dans les délais visés à [6 l'article 63, § 4, alinéa 3]6;
7° l'accord ou désaccord de l'Institut relatif à la demande ou proposition d'adaptation [5 de la gestion du risque]5 ou [2 de l'assainissement]2 visé à l'article 38, § 3, alinéa 2 et § 4, alinéa 2, à l'article 46, § 3, alinéa 2 et § 4, alinéa 2, ou à leur [6 acceptation]6 tacite visée à l'article 38, § 3, alinéa 3 et § 4, alinéa 3, et à l'article 46, § 3, alinéa 3 et § 4, alinéa 3;
8° la demande de l'Institut d'adapter [4 la gestion du risque]4 ou [2 l'assainissement]2 visée à l'article 38, § 4, alinéa 1er et à l'article 46, § 4, alinéa 1er;
9° la décision de l'Institut de limiter le contenu des obligations issues de la présente ordonnance en application de l'article 66.
Ce recours est ouvert aux personnes suivantes :
- le titulaire des obligations générées par l'acte objet du recours;
- toute personne physique ou morale qui est touchée ou qui risque d'être touchée par les incidences de la mise en oeuvre des actes vises à l'alinéa 1er;
- toute personne physique ou morale qui justifie d'un intérêt.
Toute association qui oeuvre en faveur de la protection de l'environnement sur le territoire de la Région est réputée avoir un intérêt, à la condition que :
a) l'association soit constituée en ASBL;
b) l'ASBL préexiste à la date de la notification par l'Institut visée à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, à la date de la notification à l'Institut de l'étude de sol dont la déclaration de conformite est l'objet du recours, ou à la date de la notification par l'Institut de la limitation du contenu des obligations issues de la présente ordonnance;
c) l'objet statutaire de l'ASBL soit la protection de l'environnement;
d) l'intérêt dont la lésion est invoquée dans le recours entre dans le cadre de l'objet statutaire de l'ASBL tel qu'il ressort à la date de la notification par l'Institut visée à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, à la date de la notification à l'Institut de l'étude de sol dont la déclaration de conformité est l'objet du recours, ou à la date de la notification par l'Institut de la limitation du contenu des obligations issues de la présente ordonnance.
§ 2. Le requérant ou son conseil, ainsi que l'Institut ou son délégué sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsqu'une partie demande à être entendue, les autres parties sont invitées à comparaître.
§ 3. La décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant, à l'Institut, au titulaire de droits réels et à l'exploitant [3 actuel ]3 d'une activité à risque sur le terrain concerné, et, selon l'acte qui est l'objet du recours, aux autres personnes et autorités visées aux articles 15, § 4, 27, § 2, 35, § 3, 43, § 3 et 63, § 5. Les décisions relatives à un des actes visés aux articles 38 et 46 sont également notifiées aux autres personnes et autorités visées respectivement aux articles 35, § 3 et 43, § 3. La décision relative à une décision de l'Institut visée à l'article 66 est également notifiée à la personne titulaire de l'obligation limitée.
[1 Le Collège d'environnement notifie sa décision dans les 60 jours de la date de dépôt, à la poste, de l'envoi recommandé contenant le premier recours. Si plusieurs recours sont introduits contre le même acte, le délai de 60 jours est augmenté du nombre de jours séparant les dates de dépôt, à la poste, des envois recommandés du premier et du dernier de ces recours, ce nombre étant toutefois plafonné à 25. Dans cette hypothèse, le Collège d'environnement informe les parties de la date constituant le point de départ du délai de notification. Lorsque les parties sont entendues, le délai est prolongé de 15 jours. [6 ...]6]1
A défaut de notification de la décision dans ce délai, l'acte objet du recours est réputée confirmé.
[6 § 3/1. Un droit de dossier dont le produit est versé directement et intégralement au Fonds régional de traitement du sol est levé à charge de toute personne physique ou morale qui exerce un recours auprès du Collège d'Environnement. Le montant du droit de dossier est fixé à 125 euros.]6
§ 4. Le gouvernement peut préciser la procédure de recours visée au présent article.
Beroep bij de Regering.
Recours au gouvernement.
Art.56. § 1. De personen bedoeld in artikel 55, § 1, kunnen bij het Instituut bij de Regering beroep instellen tegen de beslissing van het Milieucollege of tegen de stilzwijgende beslissing van bevestiging bedoeld in artikel 55, § 3, derde lid.
§ 2. De eiser of zijn raadsman, alsook het Milieucollege of zijn afgevaardigde, worden op hun verzoek gehoord door de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt. Als één partij vraagt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen uitgenodigd om te verschijnen.
[1 § 2/1. Een dossierrecht waarvan de opbrengst integraal en rechtstreeks aan het Gewestelijk fonds voor bodemsanering wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die beroep aantekent bij de Regering. Het bedrag van het dossierrecht wordt vastgelegd op 125 euro.]1
§ 3. De beslissing van de Regering wordt betekend aan de eiser, aan het Milieucollege, aan het Instituut en, naargelang de akte die het voorwerp van het beroep is, aan de personen en overheden bedoeld in artikel 55, § 3, binnen een termijn van 60 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met het beroep. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn verlengd met 15 dagen.
Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de gestelde termijn kan de houder van de verplichtingen resulterend uit de akte waartegen beroep is aangetekend, per aangetekend schrijven een aanmaning richten aan de Regering. Indien bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met de aanmaning deze persoon geen beslissing heeft ontvangen, wordt de beslissing die het voorwerp van het beroep uitmaakt, ook al was ze stilzwijgend, als bevestigd beschouwd.
§ 4. De Regering kan de procedure voor het beroep bedoeld in dit artikel nader bepalen.
§ 2. De eiser of zijn raadsman, alsook het Milieucollege of zijn afgevaardigde, worden op hun verzoek gehoord door de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt. Als één partij vraagt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen uitgenodigd om te verschijnen.
[1 § 2/1. Een dossierrecht waarvan de opbrengst integraal en rechtstreeks aan het Gewestelijk fonds voor bodemsanering wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die beroep aantekent bij de Regering. Het bedrag van het dossierrecht wordt vastgelegd op 125 euro.]1
§ 3. De beslissing van de Regering wordt betekend aan de eiser, aan het Milieucollege, aan het Instituut en, naargelang de akte die het voorwerp van het beroep is, aan de personen en overheden bedoeld in artikel 55, § 3, binnen een termijn van 60 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met het beroep. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn verlengd met 15 dagen.
Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de gestelde termijn kan de houder van de verplichtingen resulterend uit de akte waartegen beroep is aangetekend, per aangetekend schrijven een aanmaning richten aan de Regering. Indien bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen na de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met de aanmaning deze persoon geen beslissing heeft ontvangen, wordt de beslissing die het voorwerp van het beroep uitmaakt, ook al was ze stilzwijgend, als bevestigd beschouwd.
§ 4. De Regering kan de procedure voor het beroep bedoeld in dit artikel nader bepalen.
Art.56. § 1er. Un recours est ouvert aux personnes définies à l'article 55, § 1er, et à l'Institut auprès du gouvernement contre la décision du Collège d'environnement ou contre la décision tacite de confirmation visée à l'article 55, § 3, alinéa 3.
§ 2. Le requérant ou son conseil, ainsi que le Collège d'environnement ou son délégué sont, à leur demande, entendus par le gouvernement ou par la personne qu'il délègue à cette fin. Lorsqu'une partie demande à être entendue, les autres parties sont invitées à comparaître.
[1 § 2/1. Un droit de dossier dont le produit est versé directement et intégralement au Fonds régional de traitement du sol est levé à charge de toute personne physique ou morale qui exerce un recours auprès du Gouvernement. Le montant du droit de dossier est fixé à 125 euros.]1
§ 3. La décision du gouvernement est notifiée au requérant, au Collège d'environnement, à l'Institut et, selon l'acte qui est l'objet du recours, aux personnes et aux autorités visées à l'article 55, § 3, dans les 60 jours de la date de dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le recours. Lorsque les parties sont entendues, le délai est prolongé de 15 jours.
A défaut de notification de la décision dans ce délai, la personne titulaire des obligations générée par l'acte objet du recours peut, par lettre recommandée, adresser un rappel au gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de 30 jours, prenant cours à la date du dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le rappel, cette personne n'a pas reçu de décision, la décision qui fait l'objet du recours, fût elle tacite, est confirmée.
§ 4. Le gouvernement peut préciser la procédure de recours visée au présent article.
§ 2. Le requérant ou son conseil, ainsi que le Collège d'environnement ou son délégué sont, à leur demande, entendus par le gouvernement ou par la personne qu'il délègue à cette fin. Lorsqu'une partie demande à être entendue, les autres parties sont invitées à comparaître.
[1 § 2/1. Un droit de dossier dont le produit est versé directement et intégralement au Fonds régional de traitement du sol est levé à charge de toute personne physique ou morale qui exerce un recours auprès du Gouvernement. Le montant du droit de dossier est fixé à 125 euros.]1
§ 3. La décision du gouvernement est notifiée au requérant, au Collège d'environnement, à l'Institut et, selon l'acte qui est l'objet du recours, aux personnes et aux autorités visées à l'article 55, § 3, dans les 60 jours de la date de dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le recours. Lorsque les parties sont entendues, le délai est prolongé de 15 jours.
A défaut de notification de la décision dans ce délai, la personne titulaire des obligations générée par l'acte objet du recours peut, par lettre recommandée, adresser un rappel au gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de 30 jours, prenant cours à la date du dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le rappel, cette personne n'a pas reçu de décision, la décision qui fait l'objet du recours, fût elle tacite, est confirmée.
§ 4. Le gouvernement peut préciser la procédure de recours visée au présent article.
Wijzigingen
Termijn voor de indiening van het beroep.
Délais d'introduction des recours.
Art.57. § 1. Het beroep moet per aangetekend schrijven aan de bevoegde overheid worden gericht binnen de 30 dagen na :
1° ontvangst van de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring, indien het beroep bij het Milieucollege uitgaat van een persoon aan wie deze beslissing betekend moet worden;
2° het verstrijken van de termijn voor het betekenen van de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet gelijkvormigheidsverklaring, indien het beroep bij het Milieucollege uitgaat van een persoon aan wie deze beslissing betekend had moet worden;
3° ontvangst van de beslissing van het Milieucollege, indien het beroep bij de Regering uitgaat van een van de personen aan wie deze beslissing werd betekend krachtens artikel 55, § 3;
4° aanplakking van het bericht of de beslissing bedoeld in artikel 52.
§ 2. In geval van ernstig gevaar of onherstelbare schade, kan de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring binnen een periode van 5 werkdagen na het indienen van het beroep opgeschort worden door de voorzitter van het Milieucollege of het lid dat hij daartoe aanstelt.
§ 3. De Regering kan de procedure voor de opschorting bedoeld in dit artikel nader bepalen.
1° ontvangst van de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring, indien het beroep bij het Milieucollege uitgaat van een persoon aan wie deze beslissing betekend moet worden;
2° het verstrijken van de termijn voor het betekenen van de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet gelijkvormigheidsverklaring, indien het beroep bij het Milieucollege uitgaat van een persoon aan wie deze beslissing betekend had moet worden;
3° ontvangst van de beslissing van het Milieucollege, indien het beroep bij de Regering uitgaat van een van de personen aan wie deze beslissing werd betekend krachtens artikel 55, § 3;
4° aanplakking van het bericht of de beslissing bedoeld in artikel 52.
§ 2. In geval van ernstig gevaar of onherstelbare schade, kan de beslissing, de gelijkvormigheidsverklaring of niet-gelijkvormigheidsverklaring binnen een periode van 5 werkdagen na het indienen van het beroep opgeschort worden door de voorzitter van het Milieucollege of het lid dat hij daartoe aanstelt.
§ 3. De Regering kan de procedure voor de opschorting bedoeld in dit artikel nader bepalen.
Art.57. § 1er. Le recours est adressé à l'autorité compétente, par lettre recommandée dans les 30 jours :
1° de la réception de la décision ou de la déclaration de conformité ou non, quand le recours au College d'environnement émane d'une personne à qui cette décision doit être notifiée;
2° du dépassement des délais pour notifier la décision ou la déclaration de conformité ou non, quand le recours au Collège d'environnement émane d'une personne à qui cette décision aurait du être notifiee;
3° de la réception de la décision du Collège d'environnement quand le recours au gouvernement émane d'une des personnes à qui cette décision a été notifiée en vertu de l'article 55, § 3;
4° de l'affichage de l'avis ou de la décision visé à l'article 52.
§ 2. En cas de péril grave ou de dommage irréparable, la suspension de la déclaration de conformité ou non ou de la décision peut être ordonnée dans les 5 jours ouvrables de l'introduction du recours par le président du Collège d'environnement ou par le membre qu'il désigne à cette fin.
§ 3. Le gouvernement peut préciser la procédure de suspension visée au présent article.
1° de la réception de la décision ou de la déclaration de conformité ou non, quand le recours au College d'environnement émane d'une personne à qui cette décision doit être notifiée;
2° du dépassement des délais pour notifier la décision ou la déclaration de conformité ou non, quand le recours au Collège d'environnement émane d'une personne à qui cette décision aurait du être notifiee;
3° de la réception de la décision du Collège d'environnement quand le recours au gouvernement émane d'une des personnes à qui cette décision a été notifiée en vertu de l'article 55, § 3;
4° de l'affichage de l'avis ou de la décision visé à l'article 52.
§ 2. En cas de péril grave ou de dommage irréparable, la suspension de la déclaration de conformité ou non ou de la décision peut être ordonnée dans les 5 jours ouvrables de l'introduction du recours par le président du Collège d'environnement ou par le membre qu'il désigne à cette fin.
§ 3. Le gouvernement peut préciser la procédure de suspension visée au présent article.
HOOFDSTUK IX. - Bijzondere bepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions particulières.
Afdeling I. Bijzondere aanleidinggevende feiten}
Section Ire. Faits générateurs particuliers.
Onteigening.
Expropriation.
Faillissement.
Faillite.
Afdeling II.
Section II. - Dispenses.
Verkennend bodemonderzoek.
Reconnaissance de l'état du sol.
Gedwongen mede-eigendom.
Copropriété forcée.
Afdelingn III. Identificatie en specifieke behandeling van de verontreiniging
Section III. - Identification et traitement particulier de la pollution.
Onderafdeling I. [1 Minieme behandeling en behandeling van beperkte duur]1
Sous-section Ire. [1 Traitement minime et traitement de durée limitée]1
[1 Minieme behandeling]1
[1Traitement minime]1
Art.62. [1 § 1. De minieme behandeling bestaat uit de uitvoering van een afgebakende behandeling van een verontreiniging over een minieme oppervlakte die aan het licht wordt gebracht door de resultaten van de bodemonderzoeken die worden uitgevoerd in het kader van een lopend verkennend bodemonderzoek, door te voldoen aan de saneringsnormen of de toename van de verontreiniging uit te sluiten, voor de door middel van een sanering te behandelen verontreinigingen, en door de concentraties van de bodemverontreiniging onder de interventienormen te brengen voor de door middel van risicobeheer te behandelen verontreinigingen.
De deskundige die belast is met het verkennend bodemonderzoek moet de persoon die een verkennend bodemonderzoek laat uitvoeren, informeren over de voordelen van de minieme behandeling.
De minieme behandeling die voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 62 en 65, geldt als behandeling van de bodemverontreiniging, met inbegrip van de eindbeoordeling.
§ 2. De persoon die een verkennend bodemonderzoek laat uitvoeren met toepassing van de artikelen 13 en 13/1 tot 13/3 kan een minieme behandeling laten uitvoeren indien de deskundige die belast is met het verkennend bodemonderzoek concludeert dat er sprake is van een overschrijding van de interventie- of saneringsnormen en hij, na de afbakening van de verontreiniging, van mening is dat de behandeling van de verontreiniging betrekking zou moeten hebben op een zone met een oppervlakte van minder dan 20 m.
§ 3. De minieme behandeling wordt als volgt uitgevoerd :
1° ze wordt uitgevoerd tijdens het verkennend bodemonderzoek : in aansluiting op de conclusies van de deskundige betreffende de concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem, overeenkomstig artikel 14, § 3, en vóór de kennisgeving van het verkennend bodemonderzoek aan het Instituut, overeenkomstig artikel 15, § 2 ;
2° ze wordt uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder het toezicht van de bodemverontreinigingsdeskundige en volgens de codes van goede praktijk ;
3° ze bestaat uitsluitend uit grondafgravingen en aanaardingen zonder wijziging van het oorspronkelijke reliëf, met onmiddellijke verwijdering van de afvalstoffen en zonder lozing van vloeistoffen of gassen op of in de omgeving van het behandelde terrein ;
4° ze voldoet aan de saneringsnormen en sluit de toename van de verontreiniging uit voor de door middel van een sanering te behandelen verontreinigingen of brengt de concentraties terug onder de interventienormen voor de door middel van risicobeheer te behandelen verontreinigingen. Het bepalen van de uitvoering van een behandeling van de verontreiniging door sanering of door risicobeheer gebeurt naar analogie met de artikelen 20 tot en met 22 ;
5° ze wordt uitgevoerd volgens complementaire voorwaarden die de Regering mag bepalen ter bescherming van het milieu en de personen die bij een dergelijke behandeling betrokken zijn.
De minieme behandeling wordt uitgevoerd ten laste van de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren. ]1
De deskundige die belast is met het verkennend bodemonderzoek moet de persoon die een verkennend bodemonderzoek laat uitvoeren, informeren over de voordelen van de minieme behandeling.
De minieme behandeling die voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 62 en 65, geldt als behandeling van de bodemverontreiniging, met inbegrip van de eindbeoordeling.
§ 2. De persoon die een verkennend bodemonderzoek laat uitvoeren met toepassing van de artikelen 13 en 13/1 tot 13/3 kan een minieme behandeling laten uitvoeren indien de deskundige die belast is met het verkennend bodemonderzoek concludeert dat er sprake is van een overschrijding van de interventie- of saneringsnormen en hij, na de afbakening van de verontreiniging, van mening is dat de behandeling van de verontreiniging betrekking zou moeten hebben op een zone met een oppervlakte van minder dan 20 m.
§ 3. De minieme behandeling wordt als volgt uitgevoerd :
1° ze wordt uitgevoerd tijdens het verkennend bodemonderzoek : in aansluiting op de conclusies van de deskundige betreffende de concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem, overeenkomstig artikel 14, § 3, en vóór de kennisgeving van het verkennend bodemonderzoek aan het Instituut, overeenkomstig artikel 15, § 2 ;
2° ze wordt uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder het toezicht van de bodemverontreinigingsdeskundige en volgens de codes van goede praktijk ;
3° ze bestaat uitsluitend uit grondafgravingen en aanaardingen zonder wijziging van het oorspronkelijke reliëf, met onmiddellijke verwijdering van de afvalstoffen en zonder lozing van vloeistoffen of gassen op of in de omgeving van het behandelde terrein ;
4° ze voldoet aan de saneringsnormen en sluit de toename van de verontreiniging uit voor de door middel van een sanering te behandelen verontreinigingen of brengt de concentraties terug onder de interventienormen voor de door middel van risicobeheer te behandelen verontreinigingen. Het bepalen van de uitvoering van een behandeling van de verontreiniging door sanering of door risicobeheer gebeurt naar analogie met de artikelen 20 tot en met 22 ;
5° ze wordt uitgevoerd volgens complementaire voorwaarden die de Regering mag bepalen ter bescherming van het milieu en de personen die bij een dergelijke behandeling betrokken zijn.
De minieme behandeling wordt uitgevoerd ten laste van de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren. ]1
Art. 62. [1 Le traitement minime consiste à réaliser un traitement circonscrit d'une pollution de surface minime, mise en évidence par les résultats des analyses de sol réalisées dans le cadre d'une reconnaissance de l'état du sol en cours, en atteignant les normes d'assainissement ou en éliminant l'accroissement de pollution, pour les pollutions à traiter par assainissement, et en ramenant les concentrations de la pollution du sol sous les normes d'intervention pour les pollutions à traiter par gestion du risque.
L'expert chargé de la reconnaissance de l'état du sol doit informer la personne faisant réaliser une reconnaissance du sol des avantages que présente le traitement minime.
Le traitement minime conforme aux conditions des articles 62 et 65 vaut traitement de la pollution du sol, en ce compris l'évaluation finale.
§ 2. La personne faisant réaliser une reconnaissance de l'état du sol en application des articles 13 et 13/1 à 13/3 peut faire réaliser un traitement minime lorsque l'expert chargé de la reconnaissance de l'état du sol conclut au dépassement des normes d'intervention ou d'assainissement et qu'il estime, après délimitation de la pollution, que le traitement de la pollution devrait concerner une zone d'une superficie inférieure à 20 m.
§ 3. Le traitement minime est réalisé de la manière suivante :
1° il est réalisé au cours de la reconnaissance de l'état du sol : postérieurement aux conclusions de l'expert concernant les concentrations de la pollution du sol conformément à l'article 14, § 3, et antérieurement à la notification à l'Institut de la reconnaissance de l'état du sol, conformément à l'article 15, § 2 ;
2° il est réalisé par un entrepreneur en assainissement, sous la supervision d'un expert en pollution du sol, selon les codes de bonnes pratiques ;
3° il consiste exclusivement en des opérations d'excavation de sol et de remblai sans modification du relief initial, avec évacuation immédiate des déchets et sans rejet liquide ou gazeux sur ou à proximité du terrain traité ;
4° il atteint les normes d'assainissement ou élimine l'accroissement de pollution pour les pollutions à traiter par assainissement ou ramène les concentrations sous les normes d'intervention pour les pollutions à traiter par gestion du risque. La détermination de la réalisation d'un traitement de la pollution par assainissement ou par gestion du risque se fait par analogie aux articles 20 à 22 ;
5° il est réalisé selon les conditions complémentaires que le Gouvernement peut arrêter pour protéger l'environnement et les personnes concernées par un tel traitement.
Le traitement minime est réalisé à charge de la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol. ]1
L'expert chargé de la reconnaissance de l'état du sol doit informer la personne faisant réaliser une reconnaissance du sol des avantages que présente le traitement minime.
Le traitement minime conforme aux conditions des articles 62 et 65 vaut traitement de la pollution du sol, en ce compris l'évaluation finale.
§ 2. La personne faisant réaliser une reconnaissance de l'état du sol en application des articles 13 et 13/1 à 13/3 peut faire réaliser un traitement minime lorsque l'expert chargé de la reconnaissance de l'état du sol conclut au dépassement des normes d'intervention ou d'assainissement et qu'il estime, après délimitation de la pollution, que le traitement de la pollution devrait concerner une zone d'une superficie inférieure à 20 m.
§ 3. Le traitement minime est réalisé de la manière suivante :
1° il est réalisé au cours de la reconnaissance de l'état du sol : postérieurement aux conclusions de l'expert concernant les concentrations de la pollution du sol conformément à l'article 14, § 3, et antérieurement à la notification à l'Institut de la reconnaissance de l'état du sol, conformément à l'article 15, § 2 ;
2° il est réalisé par un entrepreneur en assainissement, sous la supervision d'un expert en pollution du sol, selon les codes de bonnes pratiques ;
3° il consiste exclusivement en des opérations d'excavation de sol et de remblai sans modification du relief initial, avec évacuation immédiate des déchets et sans rejet liquide ou gazeux sur ou à proximité du terrain traité ;
4° il atteint les normes d'assainissement ou élimine l'accroissement de pollution pour les pollutions à traiter par assainissement ou ramène les concentrations sous les normes d'intervention pour les pollutions à traiter par gestion du risque. La détermination de la réalisation d'un traitement de la pollution par assainissement ou par gestion du risque se fait par analogie aux articles 20 à 22 ;
5° il est réalisé selon les conditions complémentaires que le Gouvernement peut arrêter pour protéger l'environnement et les personnes concernées par un tel traitement.
Le traitement minime est réalisé à charge de la personne tenue de réaliser la reconnaissance de l'état du sol. ]1
Wijzigingen
[1 Behandeling van beperkte duur]1
Art.63.[1 § 1er. Le traitement de durée limitée consiste à réaliser un traitement d'une durée limitée d'une pollution mise en évidence par l'expert en pollution du sol, par gestion du risque ou par assainissement.
Art.63. [1 § 1. De behandeling van beperkte duur bestaat in de uitvoering van een behandeling, over een beperkte looptijd, van een verontreiniging die aan het licht wordt gebracht door een bodemverontreinigingsdeskundige, door middel van risicobeheer of een sanering.
De bodemverontreinigingsdeskundige moet de houder van verplichtingen informeren over de voordelen van de behandeling van beperkte duur.
De behandeling van beperkte duur die voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 63 en 65, geldt als behandeling van de bodemverontreiniging. In het geval zoals voorzien in § 2, 1°, a) geldt de behandeling van beperkte duur die overeenstemt met de voorwaarden van de artikelen 63 en 65 als verkennend bodemonderzoek voor het betrokken perceel of de betrokken percelen die het voorwerp uitmaken van een behandeling van beperkte duur.
§ 2. De behandeling van beperkte duur kan worden uitgevoerd in de gevallen die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° ze wordt uitgevoerd op vraag van een van de volgende personen :
a)de persoon die een verkennend bodemonderzoek moet laten uitvoeren, met toepassing van de artikelen 13, § 6 en § 7, of 49, § 4 ;
b)de persoon die een risicobeheersvoorstel of een saneringsvoorstel moet laten uitvoeren ;
c)de houder van een uit te voeren stedenbouwkundige vergunning ;
2° indien de interventie- of saneringsnormen worden overschreden en de uitvoeringstermijn van de werken en de eindbeoordeling van de behandeling lager is dan of gelijk is aan 180 dagen, volgens de bodemverontreinigingsdeskundige ;
3° voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden, naargelang het geval :
a)in het geval bedoeld in § 2, 1°, a), indien de bodemverontreinigingsdeskundige concludeert dat de behandeling van beperkte duur zal bestaan in een sanering als de behandeling van beperkte duur wordt uitgevoerd in het kader van een verkennend bodemonderzoek op grond van artikel 13, § 7 en, in elk geval, indien de behandeling van beperkte duur zal volstaan opdat de lopende handelingen en werken de latere behandeling van het deel niet belemmeren waarop de behandeling van beperkte duur geen betrekking heeft en dat nog het voorwerp moet uitmaken van een verkennend bodemonderzoek ;
b)in het geval bedoeld in § 2, 1°, b), indien de bodemverontreinigingsdeskundige concludeert dat de doelstellingen van de behandeling van beperkte duur identiek zijn aan degene van het risicobeheers- of saneringsvoorstel waarvan wordt afgeweken ;
c)in het geval bedoeld in § 2, 1°, c), indien het perceel dat het voorwerp zal uitmaken van de behandeling van beperkte duur, het terrein is waarop de vergunning betrekking heeft, en indien het in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 3, eventueel gecombineerd met 0 ;
4° met inachtneming van de voorwaarden die zijn opgenomen in de §§ 3 en volgende.
§ 3. In het geval van een bovengrondse inrichting met permanent karakter moet deze laatste vóór de behandeling van beperkte duur worden toegestaan op grond van het BWRO. Heeft de behandeling van beperkte duur betrekking op gevrijwaard erfgoed in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dan moet ze ook van tevoren worden toegestaan met toepassing van het BWRO.
§ 4. De personen die gebruik wensen te maken van een behandeling van beperkte duur, bezorgen een voorafgaande aangifte aan het Instituut vóór de behandeling van beperkte duur en binnen de volgende termijn :
1° in het geval bedoeld in § 2, 1°, a), tijdens het verkennend bodemonderzoek : in aansluiting op de conclusies van de deskundige betreffende de concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem, overeenkomstig artikel 14, § 3 en uiterlijk op de vervaldag van de termijn waarbinnen het verkennend bodemonderzoek aan het Instituut zou moeten meegedeeld zijn, overeenkomstig artikel 15, § 2 ;
2° in het geval bedoeld in § 2, 1°, b), in aansluiting op de conclusies van de deskundige betreffende het type van behandeling van de verontreiniging in de bodem en uiterlijk op de vervaldag van de termijn waarbinnen het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel aan het Instituut zou moeten meegedeeld zijn.
De aangifte gebeurt aan de hand van een formulier dat per aangetekend schrijven of via elektronische weg naar het Instituut wordt gestuurd. De Regering legt het model en de inhoud van dit formulier vast, waarin ten minste het bewijs wordt uiteengezet dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden bedoeld in § 2, 1° tot 3°.
Na ontvangst van de voorafgaande aangifte heeft het Instituut 10 dagen de tijd om per aangetekend schrijven of via elektronische weg, desgevallend, het volgende te sturen :
- ofwel een beslissing waaruit blijkt dat de aangifte onvolledig is en waarin de aangever wordt verzocht om ze te vervolledigen, in welk geval de in deze paragraaf vermelde procedure wordt hervat ;
- ofwel een beslissing die zich verzet tegen de behandeling van beperkte duur wegens niet-naleving van de §§ 2 tot 4 ;
- ofwel een beslissing die per aangetekend schrijven of via elektronische weg wordt verstuurd en aan de aangever aanvullende voorwaarden oplegt bij de uitvoering van de behandeling van beperkte duur.
§ 5. De behandeling van beperkte duur wordt als volgt uitgevoerd :
1° ze kan worden aangevat na ontvangst van de eventuele beslissing van het Instituut tot het opleggen van voorwaarden aan de aangever of vanaf de dag na het verstrijken van de termijn waarover het Instituut beschikt om een van de in § 4, derde lid, opgenomen beslissingen te versturen, als de aangever geen enkele beslissing heeft ontvangen ;
2° ze wordt uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder het toezicht van de bodemverontreinigingsdeskundige en volgens de codes van goede praktijk ;
3° ze brengt de concentraties terug onder de risicowaarden voor de door middel van risicobeheer te behandelen verontreinigingen en voldoet aan de saneringsnormen of sluit de toename van de verontreiniging uit bij een behandeling door middel van een sanering ;
4° de behandeling volstaat opdat de lopende handelingen of werken de latere behandeling van het deel niet belemmeren waarop de behandeling van beperkte duur geen betrekking heeft en dat nog het voorwerp moet uitmaken van een verkennend bodemonderzoek, en vóór het einde van de behandeling van beperkte duur bakent de expert belast met het toezicht op de werken het type van verontreiniging af ten minste voor de zone waar de lopende handelingen en werken een latere behandeling kunnen belemmeren en verduidelijkt het ;
5° ze wordt uitgevoerd volgens complementaire voorwaarden die de Regering mag bepalen ter bescherming van het milieu en de personen die bij een dergelijke behandeling betrokken zijn.
De behandeling van beperkte duur wordt uitgevoerd ten laste van de persoon die gebruik kan maken van de behandeling van beperkte duur. ]1
De bodemverontreinigingsdeskundige moet de houder van verplichtingen informeren over de voordelen van de behandeling van beperkte duur.
De behandeling van beperkte duur die voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 63 en 65, geldt als behandeling van de bodemverontreiniging. In het geval zoals voorzien in § 2, 1°, a) geldt de behandeling van beperkte duur die overeenstemt met de voorwaarden van de artikelen 63 en 65 als verkennend bodemonderzoek voor het betrokken perceel of de betrokken percelen die het voorwerp uitmaken van een behandeling van beperkte duur.
§ 2. De behandeling van beperkte duur kan worden uitgevoerd in de gevallen die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° ze wordt uitgevoerd op vraag van een van de volgende personen :
a)de persoon die een verkennend bodemonderzoek moet laten uitvoeren, met toepassing van de artikelen 13, § 6 en § 7, of 49, § 4 ;
b)de persoon die een risicobeheersvoorstel of een saneringsvoorstel moet laten uitvoeren ;
c)de houder van een uit te voeren stedenbouwkundige vergunning ;
2° indien de interventie- of saneringsnormen worden overschreden en de uitvoeringstermijn van de werken en de eindbeoordeling van de behandeling lager is dan of gelijk is aan 180 dagen, volgens de bodemverontreinigingsdeskundige ;
3° voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden, naargelang het geval :
a)in het geval bedoeld in § 2, 1°, a), indien de bodemverontreinigingsdeskundige concludeert dat de behandeling van beperkte duur zal bestaan in een sanering als de behandeling van beperkte duur wordt uitgevoerd in het kader van een verkennend bodemonderzoek op grond van artikel 13, § 7 en, in elk geval, indien de behandeling van beperkte duur zal volstaan opdat de lopende handelingen en werken de latere behandeling van het deel niet belemmeren waarop de behandeling van beperkte duur geen betrekking heeft en dat nog het voorwerp moet uitmaken van een verkennend bodemonderzoek ;
b)in het geval bedoeld in § 2, 1°, b), indien de bodemverontreinigingsdeskundige concludeert dat de doelstellingen van de behandeling van beperkte duur identiek zijn aan degene van het risicobeheers- of saneringsvoorstel waarvan wordt afgeweken ;
c)in het geval bedoeld in § 2, 1°, c), indien het perceel dat het voorwerp zal uitmaken van de behandeling van beperkte duur, het terrein is waarop de vergunning betrekking heeft, en indien het in de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen in categorie 3, eventueel gecombineerd met 0 ;
4° met inachtneming van de voorwaarden die zijn opgenomen in de §§ 3 en volgende.
§ 3. In het geval van een bovengrondse inrichting met permanent karakter moet deze laatste vóór de behandeling van beperkte duur worden toegestaan op grond van het BWRO. Heeft de behandeling van beperkte duur betrekking op gevrijwaard erfgoed in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dan moet ze ook van tevoren worden toegestaan met toepassing van het BWRO.
§ 4. De personen die gebruik wensen te maken van een behandeling van beperkte duur, bezorgen een voorafgaande aangifte aan het Instituut vóór de behandeling van beperkte duur en binnen de volgende termijn :
1° in het geval bedoeld in § 2, 1°, a), tijdens het verkennend bodemonderzoek : in aansluiting op de conclusies van de deskundige betreffende de concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem, overeenkomstig artikel 14, § 3 en uiterlijk op de vervaldag van de termijn waarbinnen het verkennend bodemonderzoek aan het Instituut zou moeten meegedeeld zijn, overeenkomstig artikel 15, § 2 ;
2° in het geval bedoeld in § 2, 1°, b), in aansluiting op de conclusies van de deskundige betreffende het type van behandeling van de verontreiniging in de bodem en uiterlijk op de vervaldag van de termijn waarbinnen het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel aan het Instituut zou moeten meegedeeld zijn.
De aangifte gebeurt aan de hand van een formulier dat per aangetekend schrijven of via elektronische weg naar het Instituut wordt gestuurd. De Regering legt het model en de inhoud van dit formulier vast, waarin ten minste het bewijs wordt uiteengezet dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden bedoeld in § 2, 1° tot 3°.
Na ontvangst van de voorafgaande aangifte heeft het Instituut 10 dagen de tijd om per aangetekend schrijven of via elektronische weg, desgevallend, het volgende te sturen :
- ofwel een beslissing waaruit blijkt dat de aangifte onvolledig is en waarin de aangever wordt verzocht om ze te vervolledigen, in welk geval de in deze paragraaf vermelde procedure wordt hervat ;
- ofwel een beslissing die zich verzet tegen de behandeling van beperkte duur wegens niet-naleving van de §§ 2 tot 4 ;
- ofwel een beslissing die per aangetekend schrijven of via elektronische weg wordt verstuurd en aan de aangever aanvullende voorwaarden oplegt bij de uitvoering van de behandeling van beperkte duur.
§ 5. De behandeling van beperkte duur wordt als volgt uitgevoerd :
1° ze kan worden aangevat na ontvangst van de eventuele beslissing van het Instituut tot het opleggen van voorwaarden aan de aangever of vanaf de dag na het verstrijken van de termijn waarover het Instituut beschikt om een van de in § 4, derde lid, opgenomen beslissingen te versturen, als de aangever geen enkele beslissing heeft ontvangen ;
2° ze wordt uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder het toezicht van de bodemverontreinigingsdeskundige en volgens de codes van goede praktijk ;
3° ze brengt de concentraties terug onder de risicowaarden voor de door middel van risicobeheer te behandelen verontreinigingen en voldoet aan de saneringsnormen of sluit de toename van de verontreiniging uit bij een behandeling door middel van een sanering ;
4° de behandeling volstaat opdat de lopende handelingen of werken de latere behandeling van het deel niet belemmeren waarop de behandeling van beperkte duur geen betrekking heeft en dat nog het voorwerp moet uitmaken van een verkennend bodemonderzoek, en vóór het einde van de behandeling van beperkte duur bakent de expert belast met het toezicht op de werken het type van verontreiniging af ten minste voor de zone waar de lopende handelingen en werken een latere behandeling kunnen belemmeren en verduidelijkt het ;
5° ze wordt uitgevoerd volgens complementaire voorwaarden die de Regering mag bepalen ter bescherming van het milieu en de personen die bij een dergelijke behandeling betrokken zijn.
De behandeling van beperkte duur wordt uitgevoerd ten laste van de persoon die gebruik kan maken van de behandeling van beperkte duur. ]1
Art. 63. [1 § 1er. Le traitement de durée limitée consiste à réaliser un traitement d'une durée limitée d'une pollution mise en évidence par l'expert en pollution du sol, par gestion du risque ou par assainissement.
L'expert en pollution du sol doit informer le titulaire des obligations des avantages que présente le traitement de durée limitée.
Le traitement de durée limitée conforme aux conditions des articles 63 et 65 vaut traitement de la pollution du sol. Dans le cas visé au § 2, 1°, a), le traitement de durée limitée conforme aux conditions des articles 63 et 65 vaut reconnaissance de l'état du sol pour la partie de la ou des parcelles concernées couvertes par le traitement de durée limitée.
§ 2. Le traitement de durée limitée peut être réalisé dans les cas répondant aux conditions cumulatives suivantes :
1° il est réalisé à la demande d'une des personnes suivantes :
a)la personne tenue de faire réaliser une reconnaissance de l'état du sol, en application des articles 13, §§ 6 et 7, ou 49, § 4 ;
b)la personne tenue de faire réaliser un projet de gestion du risque ou un projet d'assainissement ;
c)le titulaire d'un permis d'urbanisme à mettre en oeuvre ;
2° lorsque les normes d'intervention ou d'assainissement sont dépassées et le délai d'exécution des travaux et d'évaluation finale du traitement est inférieur ou égal à 180 jours, selon l'expert en pollution du sol ;
3° pour autant que les circonstances suivantes soient rencontrées, selon le cas :
a)dans le cas visé au § 2, 1°, a), lorsque l'expert en pollution du sol conclut que le traitement de durée limitée consistera en un assainissement si le traitement de durée limitée est exécuté dans le cadre d'une reconnaissance de l'état du sol en exécution de l'article 13, § 7 et, dans tous les cas, que le traitement de durée limitée sera suffisant pour que les actes ou travaux en cours n'entravent pas le traitement ultérieur de la partie non concernée par le traitement de durée limitée et devant encore faire l'objet d'une reconnaissance de l'état du sol ;
b)dans le cas visé au § 2, 1°, b), lorsque l'expert en pollution du sol conclut que les objectifs du traitement de durée limitée sont identiques à ceux du projet de gestion du risque ou d'assainissement auquel il est dérogé ;
c)dans le cas visé au § 2, 1°, c), lorsque la parcelle qui fera l'objet du traitement de durée limitée est le terrain concerné par le permis et lorsqu'elle est en catégorie 3, éventuellement combinée à 0, à l'inventaire de l'état du sol ;
4° dans le respect des conditions prévues aux §§ 3 et suivants.
§ 3. En cas d'aménagement hors sol à caractère permanent, celui-ci doit être autorisé en application du Cobat, préalablement au traitement de durée limitée. Si le traitement de durée limitée a lieu au droit d'un patrimoine immobilier protégé en Région de Bruxelles-Capitale, il doit également être autorisé préalablement en application du CoBAT.
§ 4. Les personnes souhaitant bénéficier d'un traitement de durée limitée font une déclaration préalable à l'Institut avant le démarrage du traitement de durée limitée, et dans le délai suivant :
1° dans le cas visé au § 2, 1°, a), au cours de la reconnaissance de l'état du sol : postérieurement aux conclusions de l'expert concernant les concentrations de la pollution du sol conformément à l'article 14, § 3 et au plus tard à l'échéance du délai dans lequel la reconnaissance de l'état du sol aurait dû être notifiée à l'Institut conformément à l'article 15, § 2 ;
2° dans le cas visé au § 2, 1°, b), postérieurement aux conclusions de l'expert concernant le type de traitement de la pollution du sol et au plus tard à l'échéance du délai dans lequel le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement aurait dû être notifié à l'Institut.
La déclaration se fait au moyen d'un formulaire envoyé à l'Institut par envoi recommandé ou par voie électronique. Le Gouvernement fixe le modèle et le contenu de ce formulaire, dans lequel est au moins exposée la démonstration de la réunion des conditions d'application visées au § 2, 1° à 3°.
L'Institut dispose de 10 jours à dater de la réception de la déclaration préalable pour envoyer par courrier recommandé ou par voie électronique, le cas échéant :
- soit une décision indiquant que la déclaration est incomplète et invitant le déclarant à la compléter, auquel cas la procédure prévue au présent paragraphe recommence ;
- soit une décision s'opposant au traitement de durée limitée pour non respect des §§ 2 à 4 ;
- soit une décision imposant des conditions complémentaires à l'exécution du traitement de durée limitée, par envoi recommandé à la poste, ou par voie électronique au déclarant.
§ 5. Le traitement de durée limitée est réalisé de la manière suivante :
1° il peut démarrer dès réception de la décision éventuelle de l'Institut imposant des conditions au déclarant ou dès le lendemain de l'expiration du délai dont dispose l'Institut pour envoyer une des décisions prévues au § 4, alinéa 3, si aucune décision ne lui est parvenue ;
2° il est réalisé par un entrepreneur en assainissement, sous la supervision d'un expert en pollution du sol, selon les codes de bonnes pratiques ;
3° il ramène les concentrations sous les valeurs de risque pour les pollutions à traiter par gestion du risque et il atteint les normes d'assainissement ou élimine l'accroissement de pollution s'il s'agit d'un traitement par assainissement ;
4° le traitement est suffisant pour que les actes ou travaux en cours n'entravent pas le traitement ultérieur de la partie non concernée par le traitement de durée limitée et devant encore faire l'objet d'une reconnaissance de l'état du sol et, avant la fin du traitement de durée limitée, l'expert chargé de superviser les travaux délimite et précise le type de pollution au moins sur la zone où des actes et travaux en cours peuvent entraver un traitement ultérieur ;
5° il est réalisé selon les conditions complémentaires que le Gouvernement peut arrêter pour protéger l'environnement et les personnes concernées par un tel traitement.
Le traitement de durée limitée est réalisé à charge de la personne pouvant bénéficier du traitement de durée limitée. ]1
L'expert en pollution du sol doit informer le titulaire des obligations des avantages que présente le traitement de durée limitée.
Le traitement de durée limitée conforme aux conditions des articles 63 et 65 vaut traitement de la pollution du sol. Dans le cas visé au § 2, 1°, a), le traitement de durée limitée conforme aux conditions des articles 63 et 65 vaut reconnaissance de l'état du sol pour la partie de la ou des parcelles concernées couvertes par le traitement de durée limitée.
§ 2. Le traitement de durée limitée peut être réalisé dans les cas répondant aux conditions cumulatives suivantes :
1° il est réalisé à la demande d'une des personnes suivantes :
a)la personne tenue de faire réaliser une reconnaissance de l'état du sol, en application des articles 13, §§ 6 et 7, ou 49, § 4 ;
b)la personne tenue de faire réaliser un projet de gestion du risque ou un projet d'assainissement ;
c)le titulaire d'un permis d'urbanisme à mettre en oeuvre ;
2° lorsque les normes d'intervention ou d'assainissement sont dépassées et le délai d'exécution des travaux et d'évaluation finale du traitement est inférieur ou égal à 180 jours, selon l'expert en pollution du sol ;
3° pour autant que les circonstances suivantes soient rencontrées, selon le cas :
a)dans le cas visé au § 2, 1°, a), lorsque l'expert en pollution du sol conclut que le traitement de durée limitée consistera en un assainissement si le traitement de durée limitée est exécuté dans le cadre d'une reconnaissance de l'état du sol en exécution de l'article 13, § 7 et, dans tous les cas, que le traitement de durée limitée sera suffisant pour que les actes ou travaux en cours n'entravent pas le traitement ultérieur de la partie non concernée par le traitement de durée limitée et devant encore faire l'objet d'une reconnaissance de l'état du sol ;
b)dans le cas visé au § 2, 1°, b), lorsque l'expert en pollution du sol conclut que les objectifs du traitement de durée limitée sont identiques à ceux du projet de gestion du risque ou d'assainissement auquel il est dérogé ;
c)dans le cas visé au § 2, 1°, c), lorsque la parcelle qui fera l'objet du traitement de durée limitée est le terrain concerné par le permis et lorsqu'elle est en catégorie 3, éventuellement combinée à 0, à l'inventaire de l'état du sol ;
4° dans le respect des conditions prévues aux §§ 3 et suivants.
§ 3. En cas d'aménagement hors sol à caractère permanent, celui-ci doit être autorisé en application du Cobat, préalablement au traitement de durée limitée. Si le traitement de durée limitée a lieu au droit d'un patrimoine immobilier protégé en Région de Bruxelles-Capitale, il doit également être autorisé préalablement en application du CoBAT.
§ 4. Les personnes souhaitant bénéficier d'un traitement de durée limitée font une déclaration préalable à l'Institut avant le démarrage du traitement de durée limitée, et dans le délai suivant :
1° dans le cas visé au § 2, 1°, a), au cours de la reconnaissance de l'état du sol : postérieurement aux conclusions de l'expert concernant les concentrations de la pollution du sol conformément à l'article 14, § 3 et au plus tard à l'échéance du délai dans lequel la reconnaissance de l'état du sol aurait dû être notifiée à l'Institut conformément à l'article 15, § 2 ;
2° dans le cas visé au § 2, 1°, b), postérieurement aux conclusions de l'expert concernant le type de traitement de la pollution du sol et au plus tard à l'échéance du délai dans lequel le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement aurait dû être notifié à l'Institut.
La déclaration se fait au moyen d'un formulaire envoyé à l'Institut par envoi recommandé ou par voie électronique. Le Gouvernement fixe le modèle et le contenu de ce formulaire, dans lequel est au moins exposée la démonstration de la réunion des conditions d'application visées au § 2, 1° à 3°.
L'Institut dispose de 10 jours à dater de la réception de la déclaration préalable pour envoyer par courrier recommandé ou par voie électronique, le cas échéant :
- soit une décision indiquant que la déclaration est incomplète et invitant le déclarant à la compléter, auquel cas la procédure prévue au présent paragraphe recommence ;
- soit une décision s'opposant au traitement de durée limitée pour non respect des §§ 2 à 4 ;
- soit une décision imposant des conditions complémentaires à l'exécution du traitement de durée limitée, par envoi recommandé à la poste, ou par voie électronique au déclarant.
§ 5. Le traitement de durée limitée est réalisé de la manière suivante :
1° il peut démarrer dès réception de la décision éventuelle de l'Institut imposant des conditions au déclarant ou dès le lendemain de l'expiration du délai dont dispose l'Institut pour envoyer une des décisions prévues au § 4, alinéa 3, si aucune décision ne lui est parvenue ;
2° il est réalisé par un entrepreneur en assainissement, sous la supervision d'un expert en pollution du sol, selon les codes de bonnes pratiques ;
3° il ramène les concentrations sous les valeurs de risque pour les pollutions à traiter par gestion du risque et il atteint les normes d'assainissement ou élimine l'accroissement de pollution s'il s'agit d'un traitement par assainissement ;
4° le traitement est suffisant pour que les actes ou travaux en cours n'entravent pas le traitement ultérieur de la partie non concernée par le traitement de durée limitée et devant encore faire l'objet d'une reconnaissance de l'état du sol et, avant la fin du traitement de durée limitée, l'expert chargé de superviser les travaux délimite et précise le type de pollution au moins sur la zone où des actes et travaux en cours peuvent entraver un traitement ultérieur ;
5° il est réalisé selon les conditions complémentaires que le Gouvernement peut arrêter pour protéger l'environnement et les personnes concernées par un tel traitement.
Le traitement de durée limitée est réalisé à charge de la personne pouvant bénéficier du traitement de durée limitée. ]1
Wijzigingen
[1 Vrijstelling]1
Art.64.[1 Le traitement minime ou de durée limitée peut avoir lieu sans la déclaration environnementale, le permis d'environnement ou l'autorisation requise en exécution de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines éventuellement requis pour les actes et travaux qu'il comprend. ]1
Art.64. [1 De minieme behandeling of behandeling van beperkte duur kan plaatsvinden zonder de milieuaangifte, de milieuvergunning of de krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater vereiste vergunning die eventueel vereist zijn voor de handelingen of werken die ze omvat. ]1
Art. 64. [1 Le traitement minime ou de durée limitée peut avoir lieu sans la déclaration environnementale, le permis d'environnement ou l'autorisation requise en exécution de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines éventuellement requis pour les actes et travaux qu'il comprend. ]1
Wijzigingen
[1 Eindbeoordeling en slotverklaring]1
Art.65.[1 § 1er. A l'issue de l'exécution du traitement minime, la reconnaissance de l'état du sol contient une indication du dépassement des normes d'intervention ou d'assainissement antérieur au traitement minime, une indication du dépassement des normes d'intervention ou d'assainissement postérieur au traitement minime, et contient la description du traitement minime.
Art.65. [1 § 1. Na afloop van de uitvoering van de minieme behandeling bevat het verkennend bodemonderzoek een vermelding van de overschrijding van de interventie- of saneringsnormen voorafgaand aan de minieme behandeling, een vermelding van de overschrijding van de interventie- en saneringsnormen na de minieme behandeling, en omvat het een beschrijving van de minieme behandeling.
§ 2. Na afloop van de behandeling van beperkte duur voert een bodemverontreinigingsdeskundige een eindbeoordeling uit ten laste van de persoon die ze moet uitvoeren.
De eindbeoordeling wordt per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut meegedeeld binnen een periode van 180 dagen na de kennisgeving van de voorafgaande aangifte van de behandeling van beperkte duur.
Deze eindbeoordeling omvat ten minste de volgende elementen :
1° een gedetailleerde beschrijving van de uitgevoerde behandeling ;
2° de verkregen resultaten in termen van blootstelling van personen of het milieu ;
3° de aard en de duur van de eventueel te nemen follow-upmaatregelen ;
4° in geval van een behandeling van beperkte duur uitgevoerd met toepassing van artikel 63, § 2, 1°, a), een verkennend bodemonderzoek voor het betrokken perceel of de betrokken percelen die niet het voorwerp uitmaken van de behandeling van beperkte duur.
De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling.
§ 3. Bij ontstentenis van de kennisgeving van de eindbeoordeling binnen de in § 2 vastgelegde termijn kan het Instituut de volgende maatregelen opleggen :
1° in geval van een behandeling van beperkte duur uitgevoerd met toepassing van artikel 63, § 2, 1°, a), de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek voor het betrokken perceel of de betrokken percelen die het voorwerp uitmaken van de behandeling van beperkte duur ;
2° in geval van een behandeling van beperkte duur uitgevoerd met toepassing van artikel 63, § 2, b) of c), de uitvoering van een risicobeheersvoorstel of een saneringsvoorstel.
Het verkennend bodemonderzoek, het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel moeten aan het Instituut worden meegedeeld binnen een door het Instituut vastgelegde redelijke termijn.
§ 4. Binnen 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling van een behandeling van beperkte duur deelt het Instituut op basis van deze eindbeoordeling en de voorafgaande aangifte, overeenkomstig artikel 63, per aangetekend schrijven of via elektronische weg mee :
- ofwel, aan de persoon die de behandeling van beperkte duur heeft laten uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en de huidige exploitant, een slotverklaring waarin wordt bevestigd dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie is voldaan ;
- ofwel, aan de persoon die de behandeling van beperkte duur heeft laten uitvoeren, een verzoek om een gedetailleerd onderzoek uit te voeren ten laste van de persoon bedoeld in de artikelen 20 tot 22, dat aan het Instituut meegedeeld moet worden binnen een door het Instituut vastgelegde redelijke termijn ;
- ofwel, aan de persoon die de beperkte behandeling heeft laten uitvoeren, een verzoek om aanvullingen aan de eindbeoordeling, die aan het Instituut meegedeeld moet worden per aangetekend schrijven of via elektronische weg binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring mee te delen.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die de behandeling van beperkte duur heeft laten uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de in deze paragraaf vastgelegde termijnen worden de conclusies van de bodemverontreinigingsdeskundige geacht te zijn goedgekeurd en wordt de eindbeoordeling als gelijkvormig beschouwd.
§ 5. De Regering kan de type-inhoud van de slotverklaring bepalen.
§ 6. Indien een perceel in de inventaris van de bodemtoestand wordt opgenomen in categorie 2 naar aanleiding van een eindbeoordeling, blijft dit geldig zolang de elementen die in aanmerking worden genomen om de kwetsbaarheidszone en bijgevolg de interventienormen te bepalen, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, niet worden gewijzigd. Bij afgifte, na de eindbeoordeling, van een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning voor dit perceel die er de kwetsbaarheidszone zodanig van wijzigt dat de interventienormen strikter worden, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, moet de eindbeoordeling vóór de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van deze stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, worden geactualiseerd ten laste van de aanvrager van het attest of de vergunning. ]1
§ 2. Na afloop van de behandeling van beperkte duur voert een bodemverontreinigingsdeskundige een eindbeoordeling uit ten laste van de persoon die ze moet uitvoeren.
De eindbeoordeling wordt per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut meegedeeld binnen een periode van 180 dagen na de kennisgeving van de voorafgaande aangifte van de behandeling van beperkte duur.
Deze eindbeoordeling omvat ten minste de volgende elementen :
1° een gedetailleerde beschrijving van de uitgevoerde behandeling ;
2° de verkregen resultaten in termen van blootstelling van personen of het milieu ;
3° de aard en de duur van de eventueel te nemen follow-upmaatregelen ;
4° in geval van een behandeling van beperkte duur uitgevoerd met toepassing van artikel 63, § 2, 1°, a), een verkennend bodemonderzoek voor het betrokken perceel of de betrokken percelen die niet het voorwerp uitmaken van de behandeling van beperkte duur.
De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling.
§ 3. Bij ontstentenis van de kennisgeving van de eindbeoordeling binnen de in § 2 vastgelegde termijn kan het Instituut de volgende maatregelen opleggen :
1° in geval van een behandeling van beperkte duur uitgevoerd met toepassing van artikel 63, § 2, 1°, a), de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek voor het betrokken perceel of de betrokken percelen die het voorwerp uitmaken van de behandeling van beperkte duur ;
2° in geval van een behandeling van beperkte duur uitgevoerd met toepassing van artikel 63, § 2, b) of c), de uitvoering van een risicobeheersvoorstel of een saneringsvoorstel.
Het verkennend bodemonderzoek, het risicobeheersvoorstel of het saneringsvoorstel moeten aan het Instituut worden meegedeeld binnen een door het Instituut vastgelegde redelijke termijn.
§ 4. Binnen 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling van een behandeling van beperkte duur deelt het Instituut op basis van deze eindbeoordeling en de voorafgaande aangifte, overeenkomstig artikel 63, per aangetekend schrijven of via elektronische weg mee :
- ofwel, aan de persoon die de behandeling van beperkte duur heeft laten uitvoeren, de houder van zakelijke rechten en de huidige exploitant, een slotverklaring waarin wordt bevestigd dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging in uitvoering van deze ordonnantie is voldaan ;
- ofwel, aan de persoon die de behandeling van beperkte duur heeft laten uitvoeren, een verzoek om een gedetailleerd onderzoek uit te voeren ten laste van de persoon bedoeld in de artikelen 20 tot 22, dat aan het Instituut meegedeeld moet worden binnen een door het Instituut vastgelegde redelijke termijn ;
- ofwel, aan de persoon die de beperkte behandeling heeft laten uitvoeren, een verzoek om aanvullingen aan de eindbeoordeling, die aan het Instituut meegedeeld moet worden per aangetekend schrijven of via elektronische weg binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring mee te delen.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die de behandeling van beperkte duur heeft laten uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de in deze paragraaf vastgelegde termijnen worden de conclusies van de bodemverontreinigingsdeskundige geacht te zijn goedgekeurd en wordt de eindbeoordeling als gelijkvormig beschouwd.
§ 5. De Regering kan de type-inhoud van de slotverklaring bepalen.
§ 6. Indien een perceel in de inventaris van de bodemtoestand wordt opgenomen in categorie 2 naar aanleiding van een eindbeoordeling, blijft dit geldig zolang de elementen die in aanmerking worden genomen om de kwetsbaarheidszone en bijgevolg de interventienormen te bepalen, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, niet worden gewijzigd. Bij afgifte, na de eindbeoordeling, van een stedenbouwkundig attest, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning voor dit perceel die er de kwetsbaarheidszone zodanig van wijzigt dat de interventienormen strikter worden, overeenkomstig artikel 3, 10° en 12°, moet de eindbeoordeling vóór de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van deze stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, worden geactualiseerd ten laste van de aanvrager van het attest of de vergunning. ]1
Art. 65. [1 § 1er. A l'issue de l'exécution du traitement minime, la reconnaissance de l'état du sol contient une indication du dépassement des normes d'intervention ou d'assainissement antérieur au traitement minime, une indication du dépassement des normes d'intervention ou d'assainissement postérieur au traitement minime, et contient la description du traitement minime.
§ 2. A l'issue de l'exécution du traitement de durée limitée, une évaluation finale est effectuée par un expert en pollution du sol à charge de la personne tenue de l'exécuter.
Elle est notifiée à l'Institut, par lettre recommandée ou par voie électronique, dans les 180 jours de la déclaration préalable du traitement de durée limitée.
Cette évaluation finale comprend au moins les éléments suivants :
1° une description détaillée du traitement mis en oeuvre ;
2° les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement ;
3° la nature et la durée des mesures de suivi éventuelles à mettre en oeuvre ;
4° en cas de traitement de durée limitée réalisé en application de l'article 63, § 2, 1°, a), une reconnaissance de l'état du sol pour la partie de la ou des parcelles concernées non couvertes par le traitement de durée limitée.
Le Gouvernement arrête le contenu type de l'évaluation finale.
§ 3. En l'absence de notification de l'évaluation finale dans le délai prévu au § 2, l'Institut peut imposer les mesures suivantes :
1° en cas de traitement de durée limitée réalisé en application de l'article 63, § 2, 1°, a), la réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol pour la ou les parcelles concernées couvertes par le traitement de durée limitée ;
2° en cas de traitement de durée limitée réalisé en application de l'article 63, § 2, b) ou c), la réalisation d'un projet de gestion du risque ou d'un projet d'assainissement.
La reconnaissance de l'état du sol ou le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement sont à notifier à l'Institut dans un délai raisonnable que l'Institut fixe.
§ 4. Dans les 30 jours à dater de la réception de l'évaluation finale d'un traitement de durée limitée, l'Institut notifie, sur la base de celle-ci et de la déclaration préalable conformément à l'article 63, par lettre recommandée ou par voie électronique :
- soit, à la personne ayant fait réaliser le traitement de durée limitée, au titulaire de droits réels et à l'exploitant actuel, une déclaration finale attestant de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance ;
- soit, à la personne ayant fait réaliser le traitement de durée limitée, une demande de réaliser une étude détaillée à charge de la personne visée aux articles 20 à 22, à lui notifier dans un délai raisonnable qu'il fixe ;
- soit, à la personne ayant fait réaliser le traitement de durée limitée, une demande de compléments à l'évaluation finale à lui notifier par lettre recommandée ou par voie électronique, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des compléments pour notifier une déclaration finale ou non.
De commun accord entre l'Institut et la personne ayant fait réaliser le traitement de durée limitée, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais visés au présent paragraphe, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'évaluation finale est réputée conforme.
§ 5. Le Gouvernement peut fixer le contenu type de la déclaration finale.
§ 6. Lorsqu'une parcelle est inscrite en catégorie 2 à l'inventaire de l'état du sol suite à une évaluation finale, celle-ci reste valide aussi longtemps que les éléments pris en compte pour déterminer la classe de sensibilité, et en conséquence les normes d'intervention, conformément à l'article 3, 10° et 12°, ne sont pas modifiés. En cas de délivrance, postérieure à l'évaluation finale, d'un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif à cette parcelle, qui en modifie la classe de sensibilité de telle manière que les normes d'intervention deviennent plus strictes, conformément à l'article 3, 10° et 12°, une actualisation de l'évaluation finale doit être réalisée avant les actes et travaux couverts par ces certificats, permis d'urbanisme ou permis de lotir, à charge du demandeur du certificat ou permis.]1
§ 2. A l'issue de l'exécution du traitement de durée limitée, une évaluation finale est effectuée par un expert en pollution du sol à charge de la personne tenue de l'exécuter.
Elle est notifiée à l'Institut, par lettre recommandée ou par voie électronique, dans les 180 jours de la déclaration préalable du traitement de durée limitée.
Cette évaluation finale comprend au moins les éléments suivants :
1° une description détaillée du traitement mis en oeuvre ;
2° les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement ;
3° la nature et la durée des mesures de suivi éventuelles à mettre en oeuvre ;
4° en cas de traitement de durée limitée réalisé en application de l'article 63, § 2, 1°, a), une reconnaissance de l'état du sol pour la partie de la ou des parcelles concernées non couvertes par le traitement de durée limitée.
Le Gouvernement arrête le contenu type de l'évaluation finale.
§ 3. En l'absence de notification de l'évaluation finale dans le délai prévu au § 2, l'Institut peut imposer les mesures suivantes :
1° en cas de traitement de durée limitée réalisé en application de l'article 63, § 2, 1°, a), la réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol pour la ou les parcelles concernées couvertes par le traitement de durée limitée ;
2° en cas de traitement de durée limitée réalisé en application de l'article 63, § 2, b) ou c), la réalisation d'un projet de gestion du risque ou d'un projet d'assainissement.
La reconnaissance de l'état du sol ou le projet de gestion du risque ou le projet d'assainissement sont à notifier à l'Institut dans un délai raisonnable que l'Institut fixe.
§ 4. Dans les 30 jours à dater de la réception de l'évaluation finale d'un traitement de durée limitée, l'Institut notifie, sur la base de celle-ci et de la déclaration préalable conformément à l'article 63, par lettre recommandée ou par voie électronique :
- soit, à la personne ayant fait réaliser le traitement de durée limitée, au titulaire de droits réels et à l'exploitant actuel, une déclaration finale attestant de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance ;
- soit, à la personne ayant fait réaliser le traitement de durée limitée, une demande de réaliser une étude détaillée à charge de la personne visée aux articles 20 à 22, à lui notifier dans un délai raisonnable qu'il fixe ;
- soit, à la personne ayant fait réaliser le traitement de durée limitée, une demande de compléments à l'évaluation finale à lui notifier par lettre recommandée ou par voie électronique, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des compléments pour notifier une déclaration finale ou non.
De commun accord entre l'Institut et la personne ayant fait réaliser le traitement de durée limitée, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais visés au présent paragraphe, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'évaluation finale est réputée conforme.
§ 5. Le Gouvernement peut fixer le contenu type de la déclaration finale.
§ 6. Lorsqu'une parcelle est inscrite en catégorie 2 à l'inventaire de l'état du sol suite à une évaluation finale, celle-ci reste valide aussi longtemps que les éléments pris en compte pour déterminer la classe de sensibilité, et en conséquence les normes d'intervention, conformément à l'article 3, 10° et 12°, ne sont pas modifiés. En cas de délivrance, postérieure à l'évaluation finale, d'un certificat, permis d'urbanisme ou permis de lotir relatif à cette parcelle, qui en modifie la classe de sensibilité de telle manière que les normes d'intervention deviennent plus strictes, conformément à l'article 3, 10° et 12°, une actualisation de l'évaluation finale doit être réalisée avant les actes et travaux couverts par ces certificats, permis d'urbanisme ou permis de lotir, à charge du demandeur du certificat ou permis.]1
Wijzigingen
[1 Onderafdeling I/1. Gasolietank]1
[1 Sous-section 1/1. Citerne à gasoil]1
[1 Toepassingsgebied]1
Art. 65/1. [1 Les dispositions de la présente sous-section sont exclusivement d'application aux pollutions du sol pour lesquelles une demande d'intervention a été formulée au Fonds gasoil et a été déclarée recevable et complète dans le cadre du titre III de l'Accord de coopération " citernes à gasoil ". ]1
Art. 65/1. [1 De bepalingen van deze onderafdeling zijn uitsluitend van toepassing op bodemverontreinigingen waarvoor een aanvraag tot tussenkomst bij het Gasoliefonds werd gedaan, die ontvankelijk en volledig werd verklaard in het kader van titel III van het Samenwerkingsakkoord " gasolietanks ". ]1
Art. 65/1. [1 Les dispositions de la présente sous-section sont exclusivement d'application aux pollutions du sol pour lesquelles une demande d'intervention a été formulée au Fonds gasoil et a été déclarée recevable et complète dans le cadre du titre III de l'Accord de coopération " citernes à gasoil ". ]1
[1 Gasolietank gerelateerd bodemonderzoek]1
Art. 65/2.[1 § 1er. Après que le Fonds gasoil a déclaré recevable et complète une demande d'intervention, une étude de sol relative à une citerne à gasoil sur le terrain concerné par la citerne à gasoil est réalisée à charge du Fonds gasoil.
Art. 65/2. [1 § 1. Nadat het Gasoliefonds een aanvraag tot tussenkomst volledig en ontvankelijk heeft verklaard, wordt een gasolietank gerelateerd bodemonderzoek uitgevoerd op het betrokken terrein ten laste van het Gasoliefonds.
Het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de Regering vastgelegde type-inhoud. Bij het ontbreken van een dergelijke type-inhoud wordt het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek uitgevoerd volgens de codes van goede praktijk.
Het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek brengt een eventuele bodemverontreiniging aan het licht op basis van een beperkte monsterneming en beoordeelt desgevallend de omvang en de aard van de bodemverontreiniging.
§ 2. Indien de interventienormen worden overschreden of er een toename van de verontreiniging is en de uitvoeringstermijn van de werken en de eindbeoordeling van de behandeling volgens de bodemverontreinigingsdeskundige lager is dan of gelijk is aan 180 dagen, omvat het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek eveneens de uitvoeringswijze en -termijn van de sanering of het risicobeheer, rekening houdend met de beste beschikbare technieken, de procedure om de geboekte resultaten inzake blootstelling van personen en het milieu te meten, de doelstellingen, de sanerings- of risicobeheersmaatregelen betreffende de bodemverontreiniging en de uitvoeringstermijnen ervan.
Het bepalen van de uitvoering van een behandeling van de verontreiniging door sanering of door risicobeheer gebeurt naar analogie met artikelen 20 tot en met 22.
§ 3. Indien de interventienormen worden overschreden of er een toename van de verontreiniging is en de uitvoeringstermijn van de werken en de eindbeoordeling van de behandeling volgens de bodemverontreinigingsdeskundige hoger is dan 180 dagen, wordt het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek samen met het overeenkomstig artikel 65/3, § 1 opgesteld saneringsvoorstel of risicobeheersvoorstel aan het Instituut overgemaakt.
§ 4. Indien de interventienormen niet worden overschreden en het gaat om een gasolietank van meer dan 10.000 liter, maakt het Gasoliefonds aan het Instituut, via elektronische weg, een kopie over van het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek om de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand te kunnen actualiseren.
§ 5. Binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek spreekt het Gasoliefonds zich uit over de toepassing van de §§ 2, 3 of 4 op de bodemverontreiniging waarvoor het verzoek tot tussenkomst werd geformuleerd en deelt het mee aan de aanvrager van de tussenkomst. ]1
Het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de Regering vastgelegde type-inhoud. Bij het ontbreken van een dergelijke type-inhoud wordt het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek uitgevoerd volgens de codes van goede praktijk.
Het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek brengt een eventuele bodemverontreiniging aan het licht op basis van een beperkte monsterneming en beoordeelt desgevallend de omvang en de aard van de bodemverontreiniging.
§ 2. Indien de interventienormen worden overschreden of er een toename van de verontreiniging is en de uitvoeringstermijn van de werken en de eindbeoordeling van de behandeling volgens de bodemverontreinigingsdeskundige lager is dan of gelijk is aan 180 dagen, omvat het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek eveneens de uitvoeringswijze en -termijn van de sanering of het risicobeheer, rekening houdend met de beste beschikbare technieken, de procedure om de geboekte resultaten inzake blootstelling van personen en het milieu te meten, de doelstellingen, de sanerings- of risicobeheersmaatregelen betreffende de bodemverontreiniging en de uitvoeringstermijnen ervan.
Het bepalen van de uitvoering van een behandeling van de verontreiniging door sanering of door risicobeheer gebeurt naar analogie met artikelen 20 tot en met 22.
§ 3. Indien de interventienormen worden overschreden of er een toename van de verontreiniging is en de uitvoeringstermijn van de werken en de eindbeoordeling van de behandeling volgens de bodemverontreinigingsdeskundige hoger is dan 180 dagen, wordt het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek samen met het overeenkomstig artikel 65/3, § 1 opgesteld saneringsvoorstel of risicobeheersvoorstel aan het Instituut overgemaakt.
§ 4. Indien de interventienormen niet worden overschreden en het gaat om een gasolietank van meer dan 10.000 liter, maakt het Gasoliefonds aan het Instituut, via elektronische weg, een kopie over van het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek om de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand te kunnen actualiseren.
§ 5. Binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek spreekt het Gasoliefonds zich uit over de toepassing van de §§ 2, 3 of 4 op de bodemverontreiniging waarvoor het verzoek tot tussenkomst werd geformuleerd en deelt het mee aan de aanvrager van de tussenkomst. ]1
Art. 65/2. [1 § 1er. Après que le Fonds gasoil a déclaré recevable et complète une demande d'intervention, une étude de sol relative à une citerne à gasoil sur le terrain concerné par la citerne à gasoil est réalisée à charge du Fonds gasoil.
L'étude de sol relative à une citerne à gasoil est réalisée conformément au contenu type arrêté par le Gouvernement. En l'absence d'un tel contenu type, l'étude de sol relative à une citerne à gasoil est réalisée selon les codes de bonnes pratiques.
L'étude de sol relative à une citerne à gasoil met en évidence une éventuelle pollution du sol sur la base d'un prélèvement limité d'échantillons et estime, le cas échéant, l'étendue et la nature de la pollution du sol.
§ 2. Lorsque les normes d'intervention sont dépassées ou lorsqu'il y a un accroissement de pollution et que le délai d'exécution des travaux et d'évaluation finale du traitement est inférieur ou égal à 180 jours selon l'expert en pollution du sol, l'étude de sol relative à une citerne à gasoil contient également le mode et le délai d'exécution de l'assainissement ou de la gestion du risque en tenant compte des meilleures techniques disponibles, la procédure qui permet de mesurer les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement, les objectifs, les mesures d'assainissement ou de gestion du risque de la pollution du sol et leurs délais d'exécution.
La détermination de la réalisation d'un traitement de la pollution par assainissement ou par gestion du risque se fait par analogie aux articles 20 à 22.
§ 3. Lorsque les normes d'intervention sont dépassées ou lorsqu'il y a un accroissement de pollution et que le délai d'exécution des travaux et d'évaluation finale du traitement est supérieur à 180 jours selon l'expert en pollution du sol, l'étude de sol relative à une citerne à gasoil est transmise à l'Institut en même temps que le projet d'assainissement ou le projet de gestion du risque réalisé conformément à l'article 65/3, § 1er.
§ 4. Lorsque les normes d'intervention ne sont pas dépassées et qu'il s'agit d'une citerne à gasoil de plus de 10.000 litres, le Fonds gasoil transmet, par voie électronique, une copie de l'étude de sol relative à une citerne à gasoil à l'Institut aux fins d'actualisation des informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol.
§ 5. Dans un délai de 60 jours à dater de la réception de l'étude de sol relative à une citerne à gasoil, le Fonds gasoil se prononce sur l'application des §§ 2, 3 ou 4 à la pollution du sol pour laquelle la demande d'intervention a été formulée et le notifie au demandeur de l'intervention. ]1
L'étude de sol relative à une citerne à gasoil est réalisée conformément au contenu type arrêté par le Gouvernement. En l'absence d'un tel contenu type, l'étude de sol relative à une citerne à gasoil est réalisée selon les codes de bonnes pratiques.
L'étude de sol relative à une citerne à gasoil met en évidence une éventuelle pollution du sol sur la base d'un prélèvement limité d'échantillons et estime, le cas échéant, l'étendue et la nature de la pollution du sol.
§ 2. Lorsque les normes d'intervention sont dépassées ou lorsqu'il y a un accroissement de pollution et que le délai d'exécution des travaux et d'évaluation finale du traitement est inférieur ou égal à 180 jours selon l'expert en pollution du sol, l'étude de sol relative à une citerne à gasoil contient également le mode et le délai d'exécution de l'assainissement ou de la gestion du risque en tenant compte des meilleures techniques disponibles, la procédure qui permet de mesurer les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement, les objectifs, les mesures d'assainissement ou de gestion du risque de la pollution du sol et leurs délais d'exécution.
La détermination de la réalisation d'un traitement de la pollution par assainissement ou par gestion du risque se fait par analogie aux articles 20 à 22.
§ 3. Lorsque les normes d'intervention sont dépassées ou lorsqu'il y a un accroissement de pollution et que le délai d'exécution des travaux et d'évaluation finale du traitement est supérieur à 180 jours selon l'expert en pollution du sol, l'étude de sol relative à une citerne à gasoil est transmise à l'Institut en même temps que le projet d'assainissement ou le projet de gestion du risque réalisé conformément à l'article 65/3, § 1er.
§ 4. Lorsque les normes d'intervention ne sont pas dépassées et qu'il s'agit d'une citerne à gasoil de plus de 10.000 litres, le Fonds gasoil transmet, par voie électronique, une copie de l'étude de sol relative à une citerne à gasoil à l'Institut aux fins d'actualisation des informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol.
§ 5. Dans un délai de 60 jours à dater de la réception de l'étude de sol relative à une citerne à gasoil, le Fonds gasoil se prononce sur l'application des §§ 2, 3 ou 4 à la pollution du sol pour laquelle la demande d'intervention a été formulée et le notifie au demandeur de l'intervention. ]1
[1 Behandeling]1
Art. 65/3. [1 § 1er. Dans le cas visé à l'article 65/2, § 3, le projet d'assainissement ou le projet de gestion du risque est réalisé par analogie aux articles 33 à 48. La détermination de la réalisation d'un traitement de la pollution par assainissement ou par gestion du risque se fait par analogie aux articles 20 à 22.
Art. 65/3. [1 § 1. In het geval bedoeld in artikel 65/2, § 3, wordt het saneringsvoorstel of het risicobeheersvoorstel uitgevoerd naar analogie met de artikelen 33 tot 48. Het bepalen van de uitvoering van een behandeling van de verontreiniging door sanering of door risicobeheer gebeurt naar analogie met de artikelen 20 tot en met 22.
§ 2. In het geval bedoeld in artikel 65/2, § 2, doet het Gasoliefonds een voorafgaande aangifte aan het Instituut vóór de aanvang van de behandeling.
De aangifte gebeurt aan de hand van een formulier dat per aangetekend schrijven of via elektronische weg wordt verstuurd. De Regering legt het model en de inhoud van dit formulier vast, waarin ten minste het bewijs wordt uiteengezet dat is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 65/2, § 2 en deze paragraaf. Het formulier wordt per aangetekend schrijven of via elektrische weg naar de zetel van het Instituut gestuurd.
Na ontvangst van de voorafgaande aangifte heeft het Instituut 10 dagen de tijd om per aangetekend schrijven of via elektronische weg, desgevallend, het volgende te sturen :
- ofwel een beslissing waaruit blijkt dat de aangifte onvolledig is en waarin de aangever wordt verzocht om ze te vervolledigen, in welk geval de in deze paragraaf vermelde procedure van de voorafgaande aangifte wordt hervat ;
- ofwel een beslissing die zich verzet tegen de behandeling wegens niet-naleving van artikel 65/2, § 2 en van deze paragraaf ;
- ofwel een beslissing die per aangetekend schrijven of via elektronische weg wordt verstuurd en aan de aangever aanvullende voorwaarden oplegt bij de uitvoering van de behandeling.
§ 3. De behandeling bedoeld in § 2 wordt als volgt uitgevoerd ten laste van het Gasoliefonds :
1° ze kan worden aangevat na ontvangst van de eventuele beslissing van het Instituut tot het opleggen van voorwaarden aan de aangever of vanaf de dag na het verstrijken van de termijn waarover het Instituut beschikt om een van de in § 2, vierde lid, opgenomen beslissingen te versturen, als de aangever geen enkele beslissing heeft ontvangen ;
2° ze wordt uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder het toezicht van de bodemverontreinigingsdeskundige en volgens de codes van goede praktijk ;
3° ze brengt de concentraties terug onder de risicowaarden voor de door middel van risicobeheer te behandelen verontreinigingen en voldoet aan de saneringsnormen of sluit de toename van de verontreiniging uit bij een behandeling door middel van een sanering ;
4° ze wordt uitgevoerd volgens complementaire voorwaarden die de Regering mag bepalen ter bescherming van het milieu en de personen die bij een dergelijke behandeling betrokken zijn.
De behandeling wordt uitgevoerd ten laste van het Gasoliefonds. ]1
§ 2. In het geval bedoeld in artikel 65/2, § 2, doet het Gasoliefonds een voorafgaande aangifte aan het Instituut vóór de aanvang van de behandeling.
De aangifte gebeurt aan de hand van een formulier dat per aangetekend schrijven of via elektronische weg wordt verstuurd. De Regering legt het model en de inhoud van dit formulier vast, waarin ten minste het bewijs wordt uiteengezet dat is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 65/2, § 2 en deze paragraaf. Het formulier wordt per aangetekend schrijven of via elektrische weg naar de zetel van het Instituut gestuurd.
Na ontvangst van de voorafgaande aangifte heeft het Instituut 10 dagen de tijd om per aangetekend schrijven of via elektronische weg, desgevallend, het volgende te sturen :
- ofwel een beslissing waaruit blijkt dat de aangifte onvolledig is en waarin de aangever wordt verzocht om ze te vervolledigen, in welk geval de in deze paragraaf vermelde procedure van de voorafgaande aangifte wordt hervat ;
- ofwel een beslissing die zich verzet tegen de behandeling wegens niet-naleving van artikel 65/2, § 2 en van deze paragraaf ;
- ofwel een beslissing die per aangetekend schrijven of via elektronische weg wordt verstuurd en aan de aangever aanvullende voorwaarden oplegt bij de uitvoering van de behandeling.
§ 3. De behandeling bedoeld in § 2 wordt als volgt uitgevoerd ten laste van het Gasoliefonds :
1° ze kan worden aangevat na ontvangst van de eventuele beslissing van het Instituut tot het opleggen van voorwaarden aan de aangever of vanaf de dag na het verstrijken van de termijn waarover het Instituut beschikt om een van de in § 2, vierde lid, opgenomen beslissingen te versturen, als de aangever geen enkele beslissing heeft ontvangen ;
2° ze wordt uitgevoerd door een bodemsaneringsaannemer, onder het toezicht van de bodemverontreinigingsdeskundige en volgens de codes van goede praktijk ;
3° ze brengt de concentraties terug onder de risicowaarden voor de door middel van risicobeheer te behandelen verontreinigingen en voldoet aan de saneringsnormen of sluit de toename van de verontreiniging uit bij een behandeling door middel van een sanering ;
4° ze wordt uitgevoerd volgens complementaire voorwaarden die de Regering mag bepalen ter bescherming van het milieu en de personen die bij een dergelijke behandeling betrokken zijn.
De behandeling wordt uitgevoerd ten laste van het Gasoliefonds. ]1
Art. 65/3. [1 § 1er. Dans le cas visé à l'article 65/2, § 3, le projet d'assainissement ou le projet de gestion du risque est réalisé par analogie aux articles 33 à 48. La détermination de la réalisation d'un traitement de la pollution par assainissement ou par gestion du risque se fait par analogie aux articles 20 à 22.
§ 2. Dans le cas visé à l'article 65/2, § 2, le Fonds gasoil fait une déclaration préalable à l'Institut avant le démarrage du traitement.
La déclaration se fait au moyen d'un formulaire envoyé par recommandé ou envoi électronique. Le Gouvernement fixe le modèle et le contenu de ce formulaire, dans lequel est au moins exposée la démonstration de la réunion des conditions visées à l'article 65/2, § 2 et au présent paragraphe. Le formulaire est adressé, par envoi recommandé à la poste ou par voie électronique, au siège de l'Institut.
L'Institut dispose de 10 jours à dater de la réception de la déclaration préalable pour envoyer par courrier recommandé ou par voie électronique, le cas échéant :
- soit une décision indiquant que la déclaration est incomplète et invitant le déclarant à la compléter, auquel cas la procédure de déclaration préalable prévue au présent paragraphe recommence ;
- soit une décision s'opposant au traitement pour non respect de l'article 65/2, § 2 et du présent paragraphe ;
- soit une décision imposant des conditions complémentaires à l'exécution du traitement, par envoi recommandé à la poste, ou par voie électronique, au déclarant.
§ 3. Le traitement visé au § 2 est réalisé, à charge du Fonds gasoil, de la manière suivante :
1° il peut démarrer dès réception de la décision éventuelle de l'Institut imposant des conditions au déclarant ou dès le lendemain de l'expiration du délai dont dispose l'Institut pour envoyer une des décisions prévues au § 2, alinéa 4, si aucune décision ne lui est parvenue ;
2° il est réalisé par un entrepreneur en assainissement, sous la supervision d'un expert en pollution du sol, selon les codes de bonnes pratiques ;
3° il ramène les concentrations sous les valeurs de risque s'il s'agit d'un traitement par gestion du risque et il atteint les normes d'assainissement ou élimine l'accroissement de pollution s'il s'agit d'un traitement par assainissement ;
4° il est réalisé selon les conditions complémentaires que le Gouvernement peut arrêter pour protéger l'environnement et les personnes concernées par un tel traitement.
Le traitement est réalisé à charge du Fonds gasoil. ]1
§ 2. Dans le cas visé à l'article 65/2, § 2, le Fonds gasoil fait une déclaration préalable à l'Institut avant le démarrage du traitement.
La déclaration se fait au moyen d'un formulaire envoyé par recommandé ou envoi électronique. Le Gouvernement fixe le modèle et le contenu de ce formulaire, dans lequel est au moins exposée la démonstration de la réunion des conditions visées à l'article 65/2, § 2 et au présent paragraphe. Le formulaire est adressé, par envoi recommandé à la poste ou par voie électronique, au siège de l'Institut.
L'Institut dispose de 10 jours à dater de la réception de la déclaration préalable pour envoyer par courrier recommandé ou par voie électronique, le cas échéant :
- soit une décision indiquant que la déclaration est incomplète et invitant le déclarant à la compléter, auquel cas la procédure de déclaration préalable prévue au présent paragraphe recommence ;
- soit une décision s'opposant au traitement pour non respect de l'article 65/2, § 2 et du présent paragraphe ;
- soit une décision imposant des conditions complémentaires à l'exécution du traitement, par envoi recommandé à la poste, ou par voie électronique, au déclarant.
§ 3. Le traitement visé au § 2 est réalisé, à charge du Fonds gasoil, de la manière suivante :
1° il peut démarrer dès réception de la décision éventuelle de l'Institut imposant des conditions au déclarant ou dès le lendemain de l'expiration du délai dont dispose l'Institut pour envoyer une des décisions prévues au § 2, alinéa 4, si aucune décision ne lui est parvenue ;
2° il est réalisé par un entrepreneur en assainissement, sous la supervision d'un expert en pollution du sol, selon les codes de bonnes pratiques ;
3° il ramène les concentrations sous les valeurs de risque s'il s'agit d'un traitement par gestion du risque et il atteint les normes d'assainissement ou élimine l'accroissement de pollution s'il s'agit d'un traitement par assainissement ;
4° il est réalisé selon les conditions complémentaires que le Gouvernement peut arrêter pour protéger l'environnement et les personnes concernées par un tel traitement.
Le traitement est réalisé à charge du Fonds gasoil. ]1
[1 Vrijstelling]1
Art. 65/4. [1 Le traitement visé à l'article 65/3, § 2, peut avoir lieu sans la déclaration environnementale, le permis d'environnement ou l'autorisation requise en exécution de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines éventuellement requis pour les actes et travaux qu'il comprend. ]1
Art. 65/4. [1 De behandeling bedoeld in artikel 65/3, § 2, kan plaatsvinden zonder de milieuaangifte, de milieuvergunning of de krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater vereiste vergunning die eventueel vereist zijn voor de handelingen of werken die ze omvat. ]1
Art. 65/4. [1 Le traitement visé à l'article 65/3, § 2, peut avoir lieu sans la déclaration environnementale, le permis d'environnement ou l'autorisation requise en exécution de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines éventuellement requis pour les actes et travaux qu'il comprend. ]1
[1 Eindbeoordeling en slotverklaring]1
Art. 65/5. [1 § 1er. A l'issue de l'assainissement ou de la mise en oeuvre de la gestion du risque, une évaluation finale de cet assainissement ou de la mise en oeuvre de la gestion du risque est effectuée par un expert en pollution du sol à charge de la personne tenue de l'exécuter ou de la mettre en oeuvre.
Art. 65/5. [1 § 1. Na afloop van de sanering of de uitvoering van het risicobeheer voert een bodemverontreinigingsdeskundige een eindbeoordeling van deze sanering of van de uitvoering van het risicobeheer uit ten laste van de persoon die ze moet uitvoeren of toepassen.
De eindbeoordeling wordt per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut meegedeeld binnen een periode van 180 dagen na de voorafgaande aangifte.
Deze eindbeoordeling heeft enkel betrekking op de zone die het voorwerp uitmaakt van de studies en de behandeling van de bodemverontreiniging met betrekking tot de gasolietank. Deze eindbeoordeling omvat ten minste de volgende elementen :
1° een gedetailleerde beschrijving van de uitgevoerde behandeling ;
2° de verkregen resultaten met betrekking tot de blootstelling van personen en het milieu op basis van de procedure beschreven in ofwel aan een gasolietank gerelateerd bodemonderzoek, ofwel het gelijkvormig verklaard saneringsvoorstel of risicobeheersvoorstel ;
3° de aard en de duur van de eventueel te nemen follow-upmaatregelen.
De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling.
§ 2. Bij ontstentenis van de kennisgeving van de eindbeoordeling binnen de in § 1 vastgelegde termijn, kan het Instituut de uitvoering van een risicobeheersvoorstel of een saneringsvoorstel opleggen, dat aan het Instituut meegedeeld moet worden binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn.
§ 3. Binnen 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling deelt het Instituut op basis van deze eindbeoordeling, de voorafgaande aangifte en de doelstellingen vermeld et in het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek mee, overeenkomstig artikel 65/2, § 2, per aangetekend schrijven of via elektronische weg, aan de aanvrager van de tussenkomst en het Gasoliefonds :
- ofwel een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging ter uitvoering van deze ordonnantie voldaan is ;
- ofwel een verzoek om aanvullingen van de behandeling. In dat geval wordt de eindbeoordeling geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvullingen, in overeenstemming met § 1 ;
- ofwel een verzoek om aanvullingen aan de eindbeoordeling, dat aan het Instituut meegedeeld moet worden per aangetekend schrijven of via elektronische weg binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring mee te delen of een nieuw verzoek tot aanvullingen aan de slotverklaring mee te delen.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die de behandeling heeft laten uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de in deze paragraaf vastgelegde termijnen worden de conclusies van de bodemverontreinigingsdeskundige geacht te zijn goedgekeurd en wordt de eindbeoordeling als gelijkvormig beschouwd.
§ 4. De Regering kan de type-inhoud van de slotverklaring bepalen.
§ 5. Op basis van de eindbeoordeling en de slotverklaring actualiseert het Instituut de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand. ]1
De eindbeoordeling wordt per aangetekend schrijven of via elektronische weg aan het Instituut meegedeeld binnen een periode van 180 dagen na de voorafgaande aangifte.
Deze eindbeoordeling heeft enkel betrekking op de zone die het voorwerp uitmaakt van de studies en de behandeling van de bodemverontreiniging met betrekking tot de gasolietank. Deze eindbeoordeling omvat ten minste de volgende elementen :
1° een gedetailleerde beschrijving van de uitgevoerde behandeling ;
2° de verkregen resultaten met betrekking tot de blootstelling van personen en het milieu op basis van de procedure beschreven in ofwel aan een gasolietank gerelateerd bodemonderzoek, ofwel het gelijkvormig verklaard saneringsvoorstel of risicobeheersvoorstel ;
3° de aard en de duur van de eventueel te nemen follow-upmaatregelen.
De Regering bepaalt de type-inhoud van de eindbeoordeling.
§ 2. Bij ontstentenis van de kennisgeving van de eindbeoordeling binnen de in § 1 vastgelegde termijn, kan het Instituut de uitvoering van een risicobeheersvoorstel of een saneringsvoorstel opleggen, dat aan het Instituut meegedeeld moet worden binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn.
§ 3. Binnen 30 dagen na ontvangst van de eindbeoordeling deelt het Instituut op basis van deze eindbeoordeling, de voorafgaande aangifte en de doelstellingen vermeld et in het gasolietank gerelateerd bodemonderzoek mee, overeenkomstig artikel 65/2, § 2, per aangetekend schrijven of via elektronische weg, aan de aanvrager van de tussenkomst en het Gasoliefonds :
- ofwel een slotverklaring waarin bevestigd wordt dat aan de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging ter uitvoering van deze ordonnantie voldaan is ;
- ofwel een verzoek om aanvullingen van de behandeling. In dat geval wordt de eindbeoordeling geactualiseerd na de uitvoering van de gevraagde aanvullingen, in overeenstemming met § 1 ;
- ofwel een verzoek om aanvullingen aan de eindbeoordeling, dat aan het Instituut meegedeeld moet worden per aangetekend schrijven of via elektronische weg binnen een door het Instituut gestelde redelijke termijn. Na ontvangst van de aanvullingen heeft het Instituut 30 dagen de tijd om al dan niet een slotverklaring mee te delen of een nieuw verzoek tot aanvullingen aan de slotverklaring mee te delen.
In onderlinge overeenstemming tussen het Instituut en de persoon die de behandeling heeft laten uitvoeren, kunnen de termijnen van 30 dagen bedoeld in het eerste lid verlengd worden tot 60 dagen.
Bij ontstentenis van een kennisgeving van het Instituut binnen de in deze paragraaf vastgelegde termijnen worden de conclusies van de bodemverontreinigingsdeskundige geacht te zijn goedgekeurd en wordt de eindbeoordeling als gelijkvormig beschouwd.
§ 4. De Regering kan de type-inhoud van de slotverklaring bepalen.
§ 5. Op basis van de eindbeoordeling en de slotverklaring actualiseert het Instituut de gedetailleerde informatie van de inventaris van de bodemtoestand. ]1
Art. 65/5. [1 § 1er. A l'issue de l'assainissement ou de la mise en oeuvre de la gestion du risque, une évaluation finale de cet assainissement ou de la mise en oeuvre de la gestion du risque est effectuée par un expert en pollution du sol à charge de la personne tenue de l'exécuter ou de la mettre en oeuvre.
Elle est notifiée à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique, dans les 180 jours de la déclaration préalable.
Cette évaluation finale ne porte que sur la zone concernée par les études et le traitement de la pollution du sol relative à la citerne à gasoil. Cette évaluation finale comprend au moins les éléments suivants :
1° une description détaillée du traitement mis en oeuvre ;
2° les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement sur la base de la procédure décrite soit dans l'étude de sol relative à une citerne à gasoil, soit dans le projet d'assainissement ou le projet de gestion du risque déclaré conforme ;
3° la nature et la durée des mesures de suivi éventuelles à mettre en oeuvre.
Le Gouvernement arrête le contenu type de l'évaluation finale.
§ 2. En l'absence de notification de l'évaluation finale dans le délai prévu au § 1er, l'Institut peut imposer la réalisation d'un projet de gestion du risque ou d'un projet d'assainissement, à lui notifier dans un délai raisonnable qu'il fixe.
§ 3. Dans les 30 jours à dater de la réception de l'évaluation finale, l'Institut notifie, sur la base de celle-ci, de la déclaration préalable et des objectifs mentionnés dans l'étude de sol relative à une citerne à gasoil conformément à l'article 65/2, § 2, par lettre recommandée ou par voie électronique, au demandeur de l'intervention et au Fonds gasoil :
- soit une déclaration finale attestant de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance ;
- soit une demande de compléments au traitement. Dans ce cas, l'évaluation finale est actualisée après réalisation des compléments demandés, conformément au § 1er ;
- soit une demande de compléments à l'évaluation finale à lui notifier par lettre recommandée ou par voie électronique, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des compléments pour notifier une déclaration finale ou non, ou pour notifier une nouvelle demande de compléments à l'évaluation finale.
De commun accord entre l'Institut et la personne ayant fait réaliser le traitement, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais visés au présent paragraphe, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'évaluation finale est réputée conforme.
§ 4. Le Gouvernement peut fixer le contenu type de la déclaration finale.
§ 5. Sur la base de l'évaluation finale et de la déclaration finale, l'Institut actualise les informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol. ]1
Elle est notifiée à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique, dans les 180 jours de la déclaration préalable.
Cette évaluation finale ne porte que sur la zone concernée par les études et le traitement de la pollution du sol relative à la citerne à gasoil. Cette évaluation finale comprend au moins les éléments suivants :
1° une description détaillée du traitement mis en oeuvre ;
2° les résultats obtenus en termes d'exposition des personnes et de l'environnement sur la base de la procédure décrite soit dans l'étude de sol relative à une citerne à gasoil, soit dans le projet d'assainissement ou le projet de gestion du risque déclaré conforme ;
3° la nature et la durée des mesures de suivi éventuelles à mettre en oeuvre.
Le Gouvernement arrête le contenu type de l'évaluation finale.
§ 2. En l'absence de notification de l'évaluation finale dans le délai prévu au § 1er, l'Institut peut imposer la réalisation d'un projet de gestion du risque ou d'un projet d'assainissement, à lui notifier dans un délai raisonnable qu'il fixe.
§ 3. Dans les 30 jours à dater de la réception de l'évaluation finale, l'Institut notifie, sur la base de celle-ci, de la déclaration préalable et des objectifs mentionnés dans l'étude de sol relative à une citerne à gasoil conformément à l'article 65/2, § 2, par lettre recommandée ou par voie électronique, au demandeur de l'intervention et au Fonds gasoil :
- soit une déclaration finale attestant de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol en exécution de la présente ordonnance ;
- soit une demande de compléments au traitement. Dans ce cas, l'évaluation finale est actualisée après réalisation des compléments demandés, conformément au § 1er ;
- soit une demande de compléments à l'évaluation finale à lui notifier par lettre recommandée ou par voie électronique, dans un délai raisonnable qu'il fixe. L'Institut dispose de 30 jours à dater de la réception des compléments pour notifier une déclaration finale ou non, ou pour notifier une nouvelle demande de compléments à l'évaluation finale.
De commun accord entre l'Institut et la personne ayant fait réaliser le traitement, les délais de 30 jours visés à l'alinéa 1er peuvent être étendus à 60 jours.
En l'absence de notification par l'Institut dans ces délais visés au présent paragraphe, les conclusions formulées par l'expert en pollution du sol sont réputées approuvées et l'évaluation finale est réputée conforme.
§ 4. Le Gouvernement peut fixer le contenu type de la déclaration finale.
§ 5. Sur la base de l'évaluation finale et de la déclaration finale, l'Institut actualise les informations détaillées de l'inventaire de l'état du sol. ]1
Onderafdeling II. Overige procedures en bijzondere doelstellingen.
Sous-section II. - Autres procédures et objectifs particuliers.
Beperking van de risico's.
Art.66. L'institut peut limiter le contenu des obligations issues de la présente ordonnance lorsqu'il estime, sur la base des conclusions d'un expert en pollution du sol, que l'exécution de ces obligations augmenterait durablement les risques pour la santé humaine ou pour l'environnement.
Art.66. Het Instituut kan de inhoud van de verplichtingen die voortvloeien uit deze verordening, beperken indien het, op basis van de conclusies van een bodemverontreinigingsdeskundige, van mening is dat de vervulling van de verplichtingen zou leiden tot een blijvende verhoging van de risico's voor de volksgezondheid en het milieu.
Het Instituut vermeldt de aard van de beperkingen, met name in de gelijkvormigheidsverklaringen en in de bodemattesten die het afgeeft.
Het Instituut vermeldt de aard van de beperkingen, met name in de gelijkvormigheidsverklaringen en in de bodemattesten die het afgeeft.
Art. 66. L'institut peut limiter le contenu des obligations issues de la présente ordonnance lorsqu'il estime, sur la base des conclusions d'un expert en pollution du sol, que l'exécution de ces obligations augmenterait durablement les risques pour la santé humaine ou pour l'environnement.
L'Institut mentionne la nature de ces limitations, notamment, dans les déclarations de conformite et les attestations du sol qu'il délivre.
L'Institut mentionne la nature de ces limitations, notamment, dans les déclarations de conformite et les attestations du sol qu'il délivre.
Herziening van de saneringsdoelstellingen.
Art.67.§ 1er. Si, en raison des caractéristiques de la pollution du sol ou du terrain pollué, il s'avère localement impossible d'atteindre les normes d'assainissement en utilisant les meilleures techniques disponibles, l'assainissement du sol doit au moins atteindre, dans les zones concernées du terrain, les normes d'intervention applicables.
Art.67. § 1. Indien het vanwege de kenmerken van de bodemverontreiniging of het verontreinigd terrein plaatselijk niet mogelijk is de saneringsnormen te halen met gebruik van de beste beschikbare technieken, moeten in de betreffende zones van het terrein minstens de van toepassing zijnde interventienormen bereikt worden met de bodemsanering.
In afwijking van artikel 41, § 1, moet het saneringsvoorstel of, in voorkomend geval, het verzoek of het voorstel met betrekking tot de aanpassing van de [1 sanering]1 bedoeld in artikel 46, in dat geval de herziene saneringsdoelstellingen vermelden en motiveren op basis van de methodologie bedoeld in artikel 3, 27°. [2 De herziening van de saneringsdoelstellingen kan in het kader van een behandeling van beperkte duur aangekondigd worden in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 63, § 4, of indien het gaat om een behandeling door middel van een sanering, in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 65/3. ]2
In afwijking van artikel 46, §§ 3 en 4, bedraagt de antwoordtermijn van het Instituut in dat geval 30 dagen na ontvangst van het verzoek om of voorstel tot aanpassing van de [1 sanering]1.
§ 2. Indien het vanwege de kenmerken van de bodemverontreiniging of het verontreinigd terrein plaatselijk niet mogelijk is de van toepassing zijnde interventienormen te halen of de toename van de verontreiniging uit sluiten met gebruik van de beste beschikbare technieken, moeten in de betreffende zones van het terrein door de bodemsanering concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en het grondwater gehaald worden die een aanvaardbaar risico voor de volksgezondheid en het milieu vormen.
In afwijking van artikel 41, § 1, moet het saneringsvoorstel of, in voorkomend geval, het verzoek of het voorstel met betrekking tot de aanpassing van de [1 sanering]1 bedoeld in artikel 46, in dat geval de herziene saneringsdoelstellingen vermelden en motiveren op basis van de methodologie bedoeld in artikel 3, 27°, en een risico-onderzoek. Het risico-onderzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikelen 29 en 32. [2 De herziening van de saneringsdoelstellingen kan in het kader van een behandeling van beperkte duur aangekondigd worden in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 63, § 4, of indien het gaat om een behandeling door middel van een sanering, in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 65/3. ]2
In afwijking van artikel 46, § 3 en § 4, bedraagt de antwoordtermijn van het Instituut in dat geval 30 dagen na ontvangst van het verzoek om of voorstel tot aanpassing van de [1 sanering]1.
In afwijking van artikel 41, § 1, moet het saneringsvoorstel of, in voorkomend geval, het verzoek of het voorstel met betrekking tot de aanpassing van de [1 sanering]1 bedoeld in artikel 46, in dat geval de herziene saneringsdoelstellingen vermelden en motiveren op basis van de methodologie bedoeld in artikel 3, 27°. [2 De herziening van de saneringsdoelstellingen kan in het kader van een behandeling van beperkte duur aangekondigd worden in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 63, § 4, of indien het gaat om een behandeling door middel van een sanering, in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 65/3. ]2
In afwijking van artikel 46, §§ 3 en 4, bedraagt de antwoordtermijn van het Instituut in dat geval 30 dagen na ontvangst van het verzoek om of voorstel tot aanpassing van de [1 sanering]1.
§ 2. Indien het vanwege de kenmerken van de bodemverontreiniging of het verontreinigd terrein plaatselijk niet mogelijk is de van toepassing zijnde interventienormen te halen of de toename van de verontreiniging uit sluiten met gebruik van de beste beschikbare technieken, moeten in de betreffende zones van het terrein door de bodemsanering concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem en het grondwater gehaald worden die een aanvaardbaar risico voor de volksgezondheid en het milieu vormen.
In afwijking van artikel 41, § 1, moet het saneringsvoorstel of, in voorkomend geval, het verzoek of het voorstel met betrekking tot de aanpassing van de [1 sanering]1 bedoeld in artikel 46, in dat geval de herziene saneringsdoelstellingen vermelden en motiveren op basis van de methodologie bedoeld in artikel 3, 27°, en een risico-onderzoek. Het risico-onderzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikelen 29 en 32. [2 De herziening van de saneringsdoelstellingen kan in het kader van een behandeling van beperkte duur aangekondigd worden in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 63, § 4, of indien het gaat om een behandeling door middel van een sanering, in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 65/3. ]2
In afwijking van artikel 46, § 3 en § 4, bedraagt de antwoordtermijn van het Instituut in dat geval 30 dagen na ontvangst van het verzoek om of voorstel tot aanpassing van de [1 sanering]1.
Art. 67. § 1er. Si, en raison des caractéristiques de la pollution du sol ou du terrain pollué, il s'avère localement impossible d'atteindre les normes d'assainissement en utilisant les meilleures techniques disponibles, l'assainissement du sol doit au moins atteindre, dans les zones concernées du terrain, les normes d'intervention applicables.
Dans ce cas, en dérogation à l'article 41, § 1er, le projet d'assainissement, ou, le cas échéant, la demande ou proposition d'adaptation [1 de l'assainissement]1 visée à l'article 46, présente et motive, sur la base de la méthodologie visée à l'article 3, 27°, les objectifs d'assainissement révisés. [2 La révision des objectifs d'assainissement peut également être annoncée dans la déclaration préalable visée à l'article 63, § 4 dans le cadre d'un traitement de durée limitée, soit dans la déclaration préalable visée à l'article 65/3 lorsqu'il s'agit d'un traitement par assainissement.]2
En dérogation à l'article 46, §§ 3 et 4, le délai de réponse de l'Institut est porté à 30 jours à dater de la réception de la demande ou proposition d'adaptation [1 de l'assainissement]1.
§ 2. Si, en raison des caractéristiques de la pollution du sol ou du terrain pollué, il s'avère localement impossible d'atteindre les normes d'intervention applicables ou d'éliminer l'accroissement de pollution en utilisant les meilleures techniques disponibles, l'assainissement du sol doit au moins atteindre, dans les zones concernées du terrain, des concentrations en polluants du sol et de l'eau souterraine permettant de garantir un risque tolerable pour la santé humaine et pour l'environnement.
Dans ce cas, en dérogation à l'article 41, § 1er, le projet d'assainissement ou, le cas échéant, la demande ou proposition d'adaptation [1 de l'assainissement]1 visée à l'article 46, présente et motive, sur la base de la méthodologie visée à l'article 3, 27° et d'une étude de risque, les objectifs d'assainissement révisés. L'étude de risque est réalisée conformément aux articles 29 et 32. [2 La révision des objectifs d'assainissement peut également être annoncée dans la déclaration préalable visée à l'article 63, § 4 dans le cadre d'un traitement de durée limitée, soit dans la déclaration préalable visée à l'article 65/3 lorsqu'il s'agit d'un traitement par assainissement.]2
En dérogation à l'article 46, §§ 3 et 4, le délai de réponse de l'Institut est porté à 30 jours à dater de la réception de la demande ou proposition d'adaptation [1 de l'assainissement]1.
Dans ce cas, en dérogation à l'article 41, § 1er, le projet d'assainissement, ou, le cas échéant, la demande ou proposition d'adaptation [1 de l'assainissement]1 visée à l'article 46, présente et motive, sur la base de la méthodologie visée à l'article 3, 27°, les objectifs d'assainissement révisés. [2 La révision des objectifs d'assainissement peut également être annoncée dans la déclaration préalable visée à l'article 63, § 4 dans le cadre d'un traitement de durée limitée, soit dans la déclaration préalable visée à l'article 65/3 lorsqu'il s'agit d'un traitement par assainissement.]2
En dérogation à l'article 46, §§ 3 et 4, le délai de réponse de l'Institut est porté à 30 jours à dater de la réception de la demande ou proposition d'adaptation [1 de l'assainissement]1.
§ 2. Si, en raison des caractéristiques de la pollution du sol ou du terrain pollué, il s'avère localement impossible d'atteindre les normes d'intervention applicables ou d'éliminer l'accroissement de pollution en utilisant les meilleures techniques disponibles, l'assainissement du sol doit au moins atteindre, dans les zones concernées du terrain, des concentrations en polluants du sol et de l'eau souterraine permettant de garantir un risque tolerable pour la santé humaine et pour l'environnement.
Dans ce cas, en dérogation à l'article 41, § 1er, le projet d'assainissement ou, le cas échéant, la demande ou proposition d'adaptation [1 de l'assainissement]1 visée à l'article 46, présente et motive, sur la base de la méthodologie visée à l'article 3, 27° et d'une étude de risque, les objectifs d'assainissement révisés. L'étude de risque est réalisée conformément aux articles 29 et 32. [2 La révision des objectifs d'assainissement peut également être annoncée dans la déclaration préalable visée à l'article 63, § 4 dans le cadre d'un traitement de durée limitée, soit dans la déclaration préalable visée à l'article 65/3 lorsqu'il s'agit d'un traitement par assainissement.]2
En dérogation à l'article 46, §§ 3 et 4, le délai de réponse de l'Institut est porté à 30 jours à dater de la réception de la demande ou proposition d'adaptation [1 de l'assainissement]1.
Ingedeelde inrichtingen.
Art.68. Le gouvernement peut déterminer pour certaines installations classées, qui sont ou qui ont été exploitées, une procédure d'identification ou de traitement de la pollution du sol particulière, pour autant qu'elle rencontre au moins les objectifs et les résultats de la présente ordonnance.
Art.68. De Regering kan voor bepaalde ingedeelde inrichtingen die uitgebaat worden of werden een specifieke procedure bepalen voor de identificatie of de behandeling van de bodemverontreiniging, op voorwaarde dat deze procedure minstens voldoet aan de doelstellingen en de resultaten van deze ordonnantie.
Art. 68. Le gouvernement peut déterminer pour certaines installations classées, qui sont ou qui ont été exploitées, une procédure d'identification ou de traitement de la pollution du sol particulière, pour autant qu'elle rencontre au moins les objectifs et les résultats de la présente ordonnance.
Afdeling IV. - Overige maatregelen.
Section IV. - Autres mesures.
Verspreiding van de verontreiniging.
Art.69.§ 1er. Lorsqu'il apparaît [2 après réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou]2 au cours de la réalisation d'une étude détaillée [2 , qu'une pollution du sol unique ou mélangée]2 dépasse les limites de la ou des parcelles delimitant le terrain ou le site sur lequel existe une obligation de traitement de la pollution[2 ...]2, l'étude détaillée doit couvrir l'ensemble de la zone polluée, à charge de la personne tenue de la réaliser, afin de délimiter l'entièreté de la pollution.
Art.69. § 1. Indien [2 na de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek of ]2 tijdens de uitvoering van een gedetailleerd onderzoek blijkt dat de bodemverontreiniging niet beperkt is tot het perceel of de percelen van het terrein of de site waarvoor er een verplichting om de verontreiniging te behandelen bestaat, [2 ...]2 moet het gedetailleerd onderzoek het geheel van de verontreinigde zone dekken ten laste van de persoon die dit onderzoek moet uitvoeren, teneinde de verontreiniging in haar geheel af te bakenen.
[2 In dat geval wordt de verplichting inzake de behandeling van de verontreiniging volgend uit het gedetailleerd onderzoek uitgevoerd ten laste van de houder van de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging voor het betreffende terrein of de betreffende site, voor het geheel van de verontreinigde zone, ongeacht de kadastrale grenzen.]2
[2 §2. Indien na de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek of tijdens de uitvoering van een gedetailleerd onderzoek blijkt dat de weesverontreiniging niet beperkt is tot het perceel of de percelen van het terrein of de site waarvoor er een verplichting om de verontreiniging te behandelen bestaat, wordt de behandeling van de verontreiniging, met inbegrip van het gedetailleerd onderzoek, uitgevoerd voor elk betrokken perceel ten laste van de houder van zakelijke rechten op dit perceel. ]2
§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 moet de behandeling van de verontreiniging op een perceel dat grenst aan het betreffende terrein of de betreffende site niet uitgevoerd worden ten laste van de personen bedoeld in deze paragrafen, indien de houder van zakelijke rechten op dit perceel zich hiertegen verzet. In dat geval wordt het bedoelde perceel opgenomen in [2 de inventaris van de bodemtoestand, in de categorie 0 of in een categorie gecombineerd met 0 indien het perceel reeds was ingeschreven in een andere categorie dan de categorie 0.]2.
§ 4. Als een vermoeden bestaat dat [2 de oorsprong van ]2 de bodemverontreiniging [2 die zich verspreidt op de aangrenzende percelen zich op een geïdentificeerd terrein bevindt ]2, kan het Instituut [2 ambtshalve te zijnen laste een verkennend bodemonderzoek uitvoeren op dit terrein ]2.
In dat geval verhaalt het Instituut de kosten op de persoon die de verontreiniging veroorzaakt heeft of op de persoon die verantwoordelijk is krachtens artikel 24, indien de veroorzaker niet geïdentificeerd kan worden. De bepalingen van artikel 70, § 2, zijn van toepassing. Een maand voor de toepassing van deze bepaling, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de [1 huidige ]1 exploitant van het betrokken terrein op de hoogte.
[2 ...]2
[2 In dat geval wordt de verplichting inzake de behandeling van de verontreiniging volgend uit het gedetailleerd onderzoek uitgevoerd ten laste van de houder van de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging voor het betreffende terrein of de betreffende site, voor het geheel van de verontreinigde zone, ongeacht de kadastrale grenzen.]2
[2 §2. Indien na de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek of tijdens de uitvoering van een gedetailleerd onderzoek blijkt dat de weesverontreiniging niet beperkt is tot het perceel of de percelen van het terrein of de site waarvoor er een verplichting om de verontreiniging te behandelen bestaat, wordt de behandeling van de verontreiniging, met inbegrip van het gedetailleerd onderzoek, uitgevoerd voor elk betrokken perceel ten laste van de houder van zakelijke rechten op dit perceel. ]2
§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 moet de behandeling van de verontreiniging op een perceel dat grenst aan het betreffende terrein of de betreffende site niet uitgevoerd worden ten laste van de personen bedoeld in deze paragrafen, indien de houder van zakelijke rechten op dit perceel zich hiertegen verzet. In dat geval wordt het bedoelde perceel opgenomen in [2 de inventaris van de bodemtoestand, in de categorie 0 of in een categorie gecombineerd met 0 indien het perceel reeds was ingeschreven in een andere categorie dan de categorie 0.]2.
§ 4. Als een vermoeden bestaat dat [2 de oorsprong van ]2 de bodemverontreiniging [2 die zich verspreidt op de aangrenzende percelen zich op een geïdentificeerd terrein bevindt ]2, kan het Instituut [2 ambtshalve te zijnen laste een verkennend bodemonderzoek uitvoeren op dit terrein ]2.
In dat geval verhaalt het Instituut de kosten op de persoon die de verontreiniging veroorzaakt heeft of op de persoon die verantwoordelijk is krachtens artikel 24, indien de veroorzaker niet geïdentificeerd kan worden. De bepalingen van artikel 70, § 2, zijn van toepassing. Een maand voor de toepassing van deze bepaling, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de [1 huidige ]1 exploitant van het betrokken terrein op de hoogte.
[2 ...]2
Art. 69. § 1er. Lorsqu'il apparaît [2 après réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou]2 au cours de la réalisation d'une étude détaillée [2 , qu'une pollution du sol unique ou mélangée]2 dépasse les limites de la ou des parcelles delimitant le terrain ou le site sur lequel existe une obligation de traitement de la pollution[2 ...]2, l'étude détaillée doit couvrir l'ensemble de la zone polluée, à charge de la personne tenue de la réaliser, afin de délimiter l'entièreté de la pollution.
(anc. §2)Dans ce cas, l'obligation de traitement de la pollution subséquente à l'étude détaillée est réalisée à charge du titulaire de l'obligation de traitement de la pollution relative au terrain ou au site concerné, sur l'ensemble de la zone polluée indépendamment des limites cadastrales rencontrees.
[2 § 2. Lorsqu'il apparaît après réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou au cours de la réalisation d'une étude détaillée, qu'une pollution orpheline dépasse les limites de la ou des parcelles délimitant le terrain ou le site sur lequel existe une obligation de traitement de la pollution, le traitement de la pollution, en ce compris l'étude détaillée, est réalisé pour chaque parcelle concernée à charge du titulaire de droits réels sur celle-ci. ]2
§ 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, le traitement de la pollution sur une parcelle adjacente au terrain ou au site concerné, ne doit pas être réalisé à charge des personnes visées à ces paragraphes, lorsque le titulaire de droits réels sur cette parcelle s'y oppose. Dans ce cas, la parcelle concernée est inscrite à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 [2 ou dans une catégorie combinée à 0 dans le cas où la parcelle était déjà inscrite dans une autre catégorie que la catégorie 0. ]2.
§ 4. Lorsqu'il existe une suspicion [2 l'origine de]2 que la pollution du sol [2 se disséminant sur des parcelles voisines se trouve sur un terrain identifié ]2, l'Institut peut [2 faire réaliser d'office à sa charge une reconnaissance de l'état du sol sur ce terrain]2
Dans ce cas, l'Institut récupère les frais encourus à charge de la personne ayant généré la pollution ou responsable en vertu de l'article 24 lorsqu'elle peut être identifiée. Les dispositions de l'article 70, § 2, sont d'application. Un mois avant la mise en oeuvre de la présente disposition, l'Institut en informe le titulaire de droits réels et l'exploitant [1 actuel]1 du terrain concerné.
[2 ...]2
(anc. §2)Dans ce cas, l'obligation de traitement de la pollution subséquente à l'étude détaillée est réalisée à charge du titulaire de l'obligation de traitement de la pollution relative au terrain ou au site concerné, sur l'ensemble de la zone polluée indépendamment des limites cadastrales rencontrees.
[2 § 2. Lorsqu'il apparaît après réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou au cours de la réalisation d'une étude détaillée, qu'une pollution orpheline dépasse les limites de la ou des parcelles délimitant le terrain ou le site sur lequel existe une obligation de traitement de la pollution, le traitement de la pollution, en ce compris l'étude détaillée, est réalisé pour chaque parcelle concernée à charge du titulaire de droits réels sur celle-ci. ]2
§ 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, le traitement de la pollution sur une parcelle adjacente au terrain ou au site concerné, ne doit pas être réalisé à charge des personnes visées à ces paragraphes, lorsque le titulaire de droits réels sur cette parcelle s'y oppose. Dans ce cas, la parcelle concernée est inscrite à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0 [2 ou dans une catégorie combinée à 0 dans le cas où la parcelle était déjà inscrite dans une autre catégorie que la catégorie 0. ]2.
§ 4. Lorsqu'il existe une suspicion [2 l'origine de]2 que la pollution du sol [2 se disséminant sur des parcelles voisines se trouve sur un terrain identifié ]2, l'Institut peut [2 faire réaliser d'office à sa charge une reconnaissance de l'état du sol sur ce terrain]2
Dans ce cas, l'Institut récupère les frais encourus à charge de la personne ayant généré la pollution ou responsable en vertu de l'article 24 lorsqu'elle peut être identifiée. Les dispositions de l'article 70, § 2, sont d'application. Un mois avant la mise en oeuvre de la présente disposition, l'Institut en informe le titulaire de droits réels et l'exploitant [1 actuel]1 du terrain concerné.
[2 ...]2
[1Publieke behandeling]1
Art.70.§ 1er. L'Institut peut à tout moment se substituer à un débiteur d'obligation défaillant et faire réaliser, mettre en oeuvre ou exécuter d'office et à la place de ce dernier, une reconnaissance de l'état du sol, un traitement de la pollution du sol, des [2 mesures d'urgence ]2 ou des mesures de suivi. Dans les mêmes conditions, l'Institut peut également mettre en oeuvre les obligations d'information visées aux articles 52 et 53.
Art.70. § 1. Het Instituut op elk ogenblik de plaats innemen van een in gebreke gebleven houder van verplichtingen en ambtshalve uit diens naam een verkennend bodemonderzoek, een behandeling van de bodemverontreiniging, [2 noodmaatregelen]2 of follow-upmaatregelen laten uitvoeren. In diezelfde omstandigheden kan het Instituut eveneens de bekendmakingsverplichtingen bedoeld in artikelen 52 en 53 vervullen.
Tijdens de drie voorafgaande maanden betekent het Instituut per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 minstens één waarschuwing en één ingebrekestelling aan het adres van de in gebreke gebleven houder van de verplichtingen.
Een maand voor de toepassing van het eerste lid, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de [3 huidige]3 exploitant van het betrokken terrein op de hoogte.
Het Instituut verhaalt de gemaakte kosten op de in gebreke gebleven houder van de verplichtingen of de persoon die aansprakelijk is krachtens artikel 24.
§ 2. Als het Instituut § 1, eerste lid, toepast, beschikt het over een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de nalatige personen bedoeld in § 1 en kan een wettelijke hypotheek leggen op het goed waarop de verplichtingen bedoeld in § 1 niet nagekomenwerden.
Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten bedoeld in artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de inschrijvingsdatum krachtens de gelijkvormigheidsverklaring van het verkennend bodemonderzoek, de behandeling van de bodemverontreiniging of de [2 nood]2- of follow-upmaatregelen. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar die daartoe door de Regering aangesteld wordt.
§ 3. [4 Het Instituut kan op eender welk ogenblik, ambtshalveen op eigen kosten, laten overgaan tot een verkennend bodemonderzoek of een behandeling van de bodemverontreiniging dat of die geen enkele persoon, afzonderlijk geïdentificeerd krachtens deze ordonnantie, gehouden is uit te voeren.]4
Een maand voor de toepassing van deze paragraaf, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de [3 huidige]3 exploitant van het betrokken terrein op de hoogte.
[4 § 4. Het Instituut kan de uitvoering van de behandeling bedoeld in huidig artikel, laten uitvoeren door een andere Brusselse overheidsinstelling.]4
Tijdens de drie voorafgaande maanden betekent het Instituut per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 minstens één waarschuwing en één ingebrekestelling aan het adres van de in gebreke gebleven houder van de verplichtingen.
Een maand voor de toepassing van het eerste lid, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de [3 huidige]3 exploitant van het betrokken terrein op de hoogte.
Het Instituut verhaalt de gemaakte kosten op de in gebreke gebleven houder van de verplichtingen of de persoon die aansprakelijk is krachtens artikel 24.
§ 2. Als het Instituut § 1, eerste lid, toepast, beschikt het over een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de nalatige personen bedoeld in § 1 en kan een wettelijke hypotheek leggen op het goed waarop de verplichtingen bedoeld in § 1 niet nagekomenwerden.
Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten bedoeld in artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de inschrijvingsdatum krachtens de gelijkvormigheidsverklaring van het verkennend bodemonderzoek, de behandeling van de bodemverontreiniging of de [2 nood]2- of follow-upmaatregelen. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar die daartoe door de Regering aangesteld wordt.
§ 3. [4 Het Instituut kan op eender welk ogenblik, ambtshalveen op eigen kosten, laten overgaan tot een verkennend bodemonderzoek of een behandeling van de bodemverontreiniging dat of die geen enkele persoon, afzonderlijk geïdentificeerd krachtens deze ordonnantie, gehouden is uit te voeren.]4
Een maand voor de toepassing van deze paragraaf, brengt het Instituut de houder van zakelijke rechten en de [3 huidige]3 exploitant van het betrokken terrein op de hoogte.
[4 § 4. Het Instituut kan de uitvoering van de behandeling bedoeld in huidig artikel, laten uitvoeren door een andere Brusselse overheidsinstelling.]4
Art. 70. § 1er. L'Institut peut à tout moment se substituer à un débiteur d'obligation défaillant et faire réaliser, mettre en oeuvre ou exécuter d'office et à la place de ce dernier, une reconnaissance de l'état du sol, un traitement de la pollution du sol, des [2 mesures d'urgence ]2 ou des mesures de suivi. Dans les mêmes conditions, l'Institut peut également mettre en oeuvre les obligations d'information visées aux articles 52 et 53.
Dans les 3 mois qui précedent, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 au moins un avertissement et une mise en demeure au débiteur d'obligation défaillant.
Un mois avant la mise en oeuvre de l'alinéa 1er, l'Institut en informe le titulaire de droits réels et l'exploitant [3 actuel]3 du terrain concerné.
L'Institut récupère les frais encourus à charge de la personne défaillante tenue des obligations ou de la personne responsable en vertu de l'article 24.
§ 2. Lorsque l'Institut met en oeuvre le § 1er, alinéa 1er, il dispose d'un privilège général sur tous les biens meubles des personnes défaillantes visées au § 1er et peut constituer une hypothèque légale sur le bien sur lequel les obligations visées au § 1er n'ont pas été exécutées.
Le privilège prend rang immédiatement après les privilèges visés aux articles 19 et 20 de la loi du 16 décembre 1851.
Le rang de l'hypothèque légale est fixé par la date d'inscription prise en vertu de la déclaration de conformité relative à la reconnaissance de l'état du sol, au traitement de la pollution du sol ou en vertu des mesures de sécurité ou des mesures de suivi. L'hypothèque est inscrite à la demande du fonctionnaire désigné à cet effet par le gouvernement.
§ 3. [4 L'Institut peut à tout moment faire réaliser d'office à sa charge une reconnaissance de l'état du sol ou un traitement de la pollution du sol qu'aucune personne distinctement identifiée en vertu de la présente ordonnance n'est tenue de réaliser.]4
Un mois avant la mise en oeuvre du présent paragraphe, l'Institut en informe le titulaire de droits réels et l'exploitant du terrain concerné.
[4 § 4 . L'institut peut déléguer la réalisation du traitement visé au présent article à une autre institution publique bruxelloise. ]4
Dans les 3 mois qui précedent, l'Institut notifie par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 au moins un avertissement et une mise en demeure au débiteur d'obligation défaillant.
Un mois avant la mise en oeuvre de l'alinéa 1er, l'Institut en informe le titulaire de droits réels et l'exploitant [3 actuel]3 du terrain concerné.
L'Institut récupère les frais encourus à charge de la personne défaillante tenue des obligations ou de la personne responsable en vertu de l'article 24.
§ 2. Lorsque l'Institut met en oeuvre le § 1er, alinéa 1er, il dispose d'un privilège général sur tous les biens meubles des personnes défaillantes visées au § 1er et peut constituer une hypothèque légale sur le bien sur lequel les obligations visées au § 1er n'ont pas été exécutées.
Le privilège prend rang immédiatement après les privilèges visés aux articles 19 et 20 de la loi du 16 décembre 1851.
Le rang de l'hypothèque légale est fixé par la date d'inscription prise en vertu de la déclaration de conformité relative à la reconnaissance de l'état du sol, au traitement de la pollution du sol ou en vertu des mesures de sécurité ou des mesures de suivi. L'hypothèque est inscrite à la demande du fonctionnaire désigné à cet effet par le gouvernement.
§ 3. [4 L'Institut peut à tout moment faire réaliser d'office à sa charge une reconnaissance de l'état du sol ou un traitement de la pollution du sol qu'aucune personne distinctement identifiée en vertu de la présente ordonnance n'est tenue de réaliser.]4
Un mois avant la mise en oeuvre du présent paragraphe, l'Institut en informe le titulaire de droits réels et l'exploitant du terrain concerné.
[4 § 4 . L'institut peut déléguer la réalisation du traitement visé au présent article à une autre institution publique bruxelloise. ]4
Financiële zekerheden.
Art.71.§ 1er. Les titulaires de l'obligation de traitement de la pollution du sol qui souhaitent mettre en oeuvre la dérogation visée à l'article 17, § 2, ou céder cette obligation conformément à l'article 23, § 3, proposent à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 un montant de garantie financière, correspondant au coût [2 ...]2 estimé de réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol. Ce montant est calculé et justifié par un expert en pollution du sol en tenant compte de la situation réelle de terrain[2 ...]2.
Art.71. § 1. De houders van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging die de afwijking bedoeld in artikel 17, § 2, wensen toe te passen of de verplichting bedoeld in artikel 23, § 3, wensen over te dragen, stellen aan het Instituut per aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg]1 een bedrag ter financiële zekerheid voor dat overeenstemt met de [2 ...]2 geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging. Dat bedrag wordt berekend en verantwoord door een bodemverontreinigingsdeskundige, rekening houdend met de reële situatie van het terrein [2 ...]2.
[2 § 1/1. De houders van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging die de afwijking bedoeld in artikel 17, § 3 wensen toe te passen of deze verplichting bedoeld in artikel 23, § 3 wensen over te dragen, stellen aan het Instituut per aangetekend schrijven of via elektronische weg een bedrag ter financiële zekerheid voor dat overeenstemt met de maximale geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging. Dat bedrag wordt berekend en verantwoord door een bodemverontreinigingsdeskundige, rekening houdend met de reële situatie van het terrein en, in voorkomend geval, de financieel minst gunstige hypothesen. ]2
§ 2. Deze financiële zekerheden kunnen de vorm aannemen van waarborgen, bankgaranties, of van het inpandgeven van gelden of effecten in handen van de instrumenterende notaris of verzekeringen. Ze worden gesteld ten voordele [2 van de overnemer van de zakelijke rechten ]2, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die het Instituut bepaalt, onverminderd de bepalingen in § 3. De financiële zekerheden kunnen progressief vrijgegeven worden naar gelang de vorderingen van de uitvoering van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging [2 , mits het gunstig advies van het Instituut. Een overnemer die gebruik wil maken van de financiële garantie, brengt het Instituut en de huidige houder van de verplichting er per aangetekend schrijven of via elektronische weg van op de hoogte dat hij houder van de verplichting inzake behandeling wil worden. ]2
§ 3. De Regering kan de aard en de modaliteiten voor de berekening en de samenstelling van de financiële zekerheden nader bepalen.
[2 § 1/1. De houders van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging die de afwijking bedoeld in artikel 17, § 3 wensen toe te passen of deze verplichting bedoeld in artikel 23, § 3 wensen over te dragen, stellen aan het Instituut per aangetekend schrijven of via elektronische weg een bedrag ter financiële zekerheid voor dat overeenstemt met de maximale geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging. Dat bedrag wordt berekend en verantwoord door een bodemverontreinigingsdeskundige, rekening houdend met de reële situatie van het terrein en, in voorkomend geval, de financieel minst gunstige hypothesen. ]2
§ 2. Deze financiële zekerheden kunnen de vorm aannemen van waarborgen, bankgaranties, of van het inpandgeven van gelden of effecten in handen van de instrumenterende notaris of verzekeringen. Ze worden gesteld ten voordele [2 van de overnemer van de zakelijke rechten ]2, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die het Instituut bepaalt, onverminderd de bepalingen in § 3. De financiële zekerheden kunnen progressief vrijgegeven worden naar gelang de vorderingen van de uitvoering van de verplichting inzake behandeling van de bodemverontreiniging [2 , mits het gunstig advies van het Instituut. Een overnemer die gebruik wil maken van de financiële garantie, brengt het Instituut en de huidige houder van de verplichting er per aangetekend schrijven of via elektronische weg van op de hoogte dat hij houder van de verplichting inzake behandeling wil worden. ]2
§ 3. De Regering kan de aard en de modaliteiten voor de berekening en de samenstelling van de financiële zekerheden nader bepalen.
Art. 71. § 1er. Les titulaires de l'obligation de traitement de la pollution du sol qui souhaitent mettre en oeuvre la dérogation visée à l'article 17, § 2, ou céder cette obligation conformément à l'article 23, § 3, proposent à l'Institut par lettre recommandée [1 ou par voie électronique]1 un montant de garantie financière, correspondant au coût [2 ...]2 estimé de réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol. Ce montant est calculé et justifié par un expert en pollution du sol en tenant compte de la situation réelle de terrain[2 ...]2.
[2 § 1er/1. Les titulaires de l'obligation de traitement de la pollution du sol qui souhaitent mettre en oeuvre la dérogation visée à l'article 17, § 3 ou céder cette obligation conformément à l'article 23, § 3 proposent à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique un montant de garantie financière, correspondant au coût maximal estimé de réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol. Ce montant est calculé et justifié par un expert en pollution du sol en tenant compte de la situation réelle de terrain et, le cas échéant, en posant les hypothèses les moins favorables financièrement. ]2
§ 2. Ces garanties financières peuvent prendre la forme de sûretés, de garanties bancaires, de gages de sommes ou de titres constitués dans les mains du notaire instrumentant ou d'assurances. Elles sont constituées au bénéfice [2 du cessionnaire des droits réels ]2, dans le délai et selon les modalités [2 que l'Institut ]2 fixe, sans préjudice des dispositions visées au § 3. Les garanties financières peuvent être libérées progressivement avec l'avancement de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol [2 moyennant l'avis favorable de l'Institut. Un cessionnaire qui compte bénéficier de la garantie financière notifie à l'institut et au titulaire actuel de l'obligation par lettre recommandée ou par voie électronique qu'il souhaite devenir titulaire de l'obligation de traitement.]2.
§ 3. Le gouvernement peut préciser la nature et les modalités de calcul et de constitution des garanties financières.
[2 § 1er/1. Les titulaires de l'obligation de traitement de la pollution du sol qui souhaitent mettre en oeuvre la dérogation visée à l'article 17, § 3 ou céder cette obligation conformément à l'article 23, § 3 proposent à l'Institut par lettre recommandée ou par voie électronique un montant de garantie financière, correspondant au coût maximal estimé de réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol. Ce montant est calculé et justifié par un expert en pollution du sol en tenant compte de la situation réelle de terrain et, le cas échéant, en posant les hypothèses les moins favorables financièrement. ]2
§ 2. Ces garanties financières peuvent prendre la forme de sûretés, de garanties bancaires, de gages de sommes ou de titres constitués dans les mains du notaire instrumentant ou d'assurances. Elles sont constituées au bénéfice [2 du cessionnaire des droits réels ]2, dans le délai et selon les modalités [2 que l'Institut ]2 fixe, sans préjudice des dispositions visées au § 3. Les garanties financières peuvent être libérées progressivement avec l'avancement de la réalisation de l'obligation de traitement de la pollution du sol [2 moyennant l'avis favorable de l'Institut. Un cessionnaire qui compte bénéficier de la garantie financière notifie à l'institut et au titulaire actuel de l'obligation par lettre recommandée ou par voie électronique qu'il souhaite devenir titulaire de l'obligation de traitement.]2.
§ 3. Le gouvernement peut préciser la nature et les modalités de calcul et de constitution des garanties financières.
Uitgegraven en aangevulde grond.
Art.72. Afin d'éviter la contamination des sols, le gouvernement arrête les conditions d'utilisation, de transport, de dépôt, de traitement et de traçabilité des terres de remblai et de déblai.
Art.72. Om bodemaantasting te voorkomen, legt de Regering de voorwaarden vast voor het gebruik, het transport, de opslag, de behandeling en de traceerbaarheid van uitgegraven en aangevulde grond.
Art. 72. Afin d'éviter la contamination des sols, le gouvernement arrête les conditions d'utilisation, de transport, de dépôt, de traitement et de traçabilité des terres de remblai et de déblai.
HOOFDSTUK IX. - Financiering.
[1Fonds, primes et subventions ]1
[1 Fondsen, premies en subsidies]1
Art.73.[1 § 1.]1 Dans les limites budgétaires disponibles, l'Institut peut octroyer des primes pour la réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou pour le traitement d'une pollution du sol orpheline.
Art.73. [1 §1.]1 Binnen de grenzen van het beschikbare budget kan het Instituut premies toekennen voor de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek of de behandeling van een weesverontreiniging van de bodem.
De Regering bepaalt het bedrag, de begunstigden, de toekenningsvoorwaarden en de aanvraag- en toekenningsprocedure van de premies.
[1 Deze premies dekken de totale kostprijs van het verkennend bodemonderzoek indien er geen verontreiniging vastgesteld is of in het geval van een weesverontreiniging. Bij aanwezigheid van een weesverontreiniging dekken deze premies ook de totale kostprijs van de daaropvolgende onderzoeken en voorstellen. De Regering kan, uitzonderlijk, in feite of in rechte, de premies voor risicobeheer of de sanering van weesverontreinigingen verhogen. De redenen waarom een aanvullende financiële steun toegekend zou kunnen worden, worden in een uitvoeringsbesluit vastgelegd ;]1
[1 § 2. Een gewestelijk fonds voor de behandeling van weesverontreinigingen in de bodem kan opgericht worden, dat hierna " het Fonds " wordt genoemd.
De opdracht van het Fonds is om alle of een deel van de kosten terug te betalen die ter uitvoering van deze ordonnantie voor de behandeling van deze verontreiniging werden gemaakt door de houders van verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van de ordonnantie of door het Instituut met toepassing van de ordonnantie. Elke tussenkomst van het Fonds maakt het voorwerp uit van een overeenkomst tussen het Fonds en de begunstigde.
De Regering kan onder meer het financieringsbeleid, de voorwaarden en de tegemoetkomingsgrenzen van het Fonds bepalen en de tussenkomstprocedure verduidelijken. ]1
De Regering bepaalt het bedrag, de begunstigden, de toekenningsvoorwaarden en de aanvraag- en toekenningsprocedure van de premies.
[1 Deze premies dekken de totale kostprijs van het verkennend bodemonderzoek indien er geen verontreiniging vastgesteld is of in het geval van een weesverontreiniging. Bij aanwezigheid van een weesverontreiniging dekken deze premies ook de totale kostprijs van de daaropvolgende onderzoeken en voorstellen. De Regering kan, uitzonderlijk, in feite of in rechte, de premies voor risicobeheer of de sanering van weesverontreinigingen verhogen. De redenen waarom een aanvullende financiële steun toegekend zou kunnen worden, worden in een uitvoeringsbesluit vastgelegd ;]1
[1 § 2. Een gewestelijk fonds voor de behandeling van weesverontreinigingen in de bodem kan opgericht worden, dat hierna " het Fonds " wordt genoemd.
De opdracht van het Fonds is om alle of een deel van de kosten terug te betalen die ter uitvoering van deze ordonnantie voor de behandeling van deze verontreiniging werden gemaakt door de houders van verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van de ordonnantie of door het Instituut met toepassing van de ordonnantie. Elke tussenkomst van het Fonds maakt het voorwerp uit van een overeenkomst tussen het Fonds en de begunstigde.
De Regering kan onder meer het financieringsbeleid, de voorwaarden en de tegemoetkomingsgrenzen van het Fonds bepalen en de tussenkomstprocedure verduidelijken. ]1
Art. 73. [1 § 1.]1 Dans les limites budgétaires disponibles, l'Institut peut octroyer des primes pour la réalisation d'une reconnaissance de l'état du sol ou pour le traitement d'une pollution du sol orpheline.
Le gouvernement arrête le montant, les benéficiaires, les conditions d'octroi ainsi que la procédure de demande et d'octroi des primes.
[1 Ces primes couvrent le prix total de la reconnaissance de l'état du sol lorsqu'il est reconnu qu'il n'y a pas de pollution ou qu'il s'agit d'une pollution orpheline. En présence d'une pollution orpheline, ces primes couvrent également le prix total des études et projets subséquents. Le Gouvernement peut, à titre exceptionnel, de fait ou de droit, augmenter les primes pour la gestion du risque ou l'assainissement des pollutions orphelines. Les motifs pour lesquels une aide financière complémentaire pourrait être accordée seront fixés dans un arrêté d'exécution ]1
[1 § 2. Un fonds régional de traitement des pollutions orphelines du sol peut être créé, dénommé ci-après le Fonds.
Le Fonds a pour mission de rembourser, en tout ou en partie, les frais exposés pour le traitement de cette pollution en exécution de la présente ordonnance par les titulaires d'obligations découlant de l'application de l'ordonnance ou par l'Institut en exécution de l'ordonnance. Chaque intervention du Fonds fait l'objet d'une convention entre le Fonds et le bénéficiaire.
Le Gouvernement peut arrêter notamment la politique de financement, les conditions et les limites d'intervention du Fonds ainsi que préciser la procédure d'intervention. ]1
Le gouvernement arrête le montant, les benéficiaires, les conditions d'octroi ainsi que la procédure de demande et d'octroi des primes.
[1 Ces primes couvrent le prix total de la reconnaissance de l'état du sol lorsqu'il est reconnu qu'il n'y a pas de pollution ou qu'il s'agit d'une pollution orpheline. En présence d'une pollution orpheline, ces primes couvrent également le prix total des études et projets subséquents. Le Gouvernement peut, à titre exceptionnel, de fait ou de droit, augmenter les primes pour la gestion du risque ou l'assainissement des pollutions orphelines. Les motifs pour lesquels une aide financière complémentaire pourrait être accordée seront fixés dans un arrêté d'exécution ]1
[1 § 2. Un fonds régional de traitement des pollutions orphelines du sol peut être créé, dénommé ci-après le Fonds.
Le Fonds a pour mission de rembourser, en tout ou en partie, les frais exposés pour le traitement de cette pollution en exécution de la présente ordonnance par les titulaires d'obligations découlant de l'application de l'ordonnance ou par l'Institut en exécution de l'ordonnance. Chaque intervention du Fonds fait l'objet d'une convention entre le Fonds et le bénéficiaire.
Le Gouvernement peut arrêter notamment la politique de financement, les conditions et les limites d'intervention du Fonds ainsi que préciser la procédure d'intervention. ]1
Wijzigingen
Sectorale overeenkomsten.
Art.74. Le gouvernement peut contribuer à la mise sur pied de fonds sectoriels d'assainissement du sol.
Art.74. De Regering kan bijdragen aan de oprichting van sectorale fondsen voor de sanering van de bodem.
Tot dat doel kan de regering volgens de door haar bepaalde voorwaarden een accreditering toekennen aan een organisatie die een bepaalde activiteitensector vertegenwoordigt, en deze organisatie belasten met het beheer van een dergelijk fonds en een adviesopdracht inzake de preventie en behandeling van bodemverontreiniging veroorzaakt door deze sector.
Tot dat doel kan de regering volgens de door haar bepaalde voorwaarden een accreditering toekennen aan een organisatie die een bepaalde activiteitensector vertegenwoordigt, en deze organisatie belasten met het beheer van een dergelijk fonds en een adviesopdracht inzake de preventie en behandeling van bodemverontreiniging veroorzaakt door deze sector.
Art. 74. Le gouvernement peut contribuer à la mise sur pied de fonds sectoriels d'assainissement du sol.
A cette fin, le gouvernement peut délivrer aux conditions qu'il détermine un agrément à une organisation représentative d'un secteur d'activite donné, chargée de la gestion d'un tel fonds et d'une mission de conseil en matière de prévention et de traitement de la pollution du sol engendrée par ce secteur.
A cette fin, le gouvernement peut délivrer aux conditions qu'il détermine un agrément à une organisation représentative d'un secteur d'activite donné, chargée de la gestion d'un tel fonds et d'une mission de conseil en matière de prévention et de traitement de la pollution du sol engendrée par ce secteur.
HOOFDSTUK X. - Sancties.
CHAPITRE XI. - Sanctions.
Strafrechtelijke sancties.
Art.75.Est puni [1 de la peine prévue à l'article 31, § 3, b), du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1 :
Art.75. Met [1 de straf voorzien in artikel 31, § 3, b), van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1 wordt gestraft :
- de persoon die een opdracht uitvoert die krachtens deze ordonnantie uitgevoerd dient te worden door een erkende deskundige in bodemverontreiniging of een geregistreerde saneringsaannemer zonder over deze erkenning of registratie te beschikken;
- de deskundige in bodemverontreiniging of aannemer in bodemsanering die de erkennings- of registratievoorwaarden niet heeft nageleefd;
[5 hij die de aangifteplicht van een gebeurtenis die aanleiding kan geven tot een dreigende bodemverontreiniging zoals bedoeld in artikel 4, § 2, niet in acht neemt]5
- de overdrager van een zakelijk recht of een milieuvergunning die de overnemer niet ingelicht heeft of het bodemattest niet aan de overnemer bezorgd heeft in overeenstemming met artikel 12, § 1 en § 2;
- de curator die de meldingsverplichting bedoeld in [5 artikel 13/2]5 niet naleeft;
- hij die zich niet houdt aan de verplichting een verkennend bodemonderzoek, een gedetailleerd onderzoek of een risico-onderzoek uit te voeren;
- hij die zich niet houdt aan de verplichting een saneringsvoorstel [5 ...]5 op te stellen of [2 een sanering]2 uit te voeren;
- hij die zich niet houdt aan de verplichting een risicobeheersvoorstel op te stellen of [4 een risicobeheer ]4 uit te voeren;
[5 hij die zich niet houdt aan de verplichting een risicobeheer of een sanering uit te voeren overeenkomstig de voorwaarden van de gelijkvormigheidsverklaring van het voorstel ;]5
[5 hij die zich niet houdt aan de voorwaarden voor een minieme behandeling of een behandeling van beperkte duur ;]5
- hij die zich niet houdt aan de verplichting een eindbeoordeling op te stellen;
- hij die zich niet houdt aan de bijzondere identificatie en behandelingsprocedure van de bodemverontreiniging bedoeld in artikel 68;
- hij die zich niet houdt aan de verplichting [3 nood]3- of follow-upmaatregelen te nemen [5 , met inbegrip van de gebruiksbeperkingen]5;
- hij die zich niet houdt aan de bekendmakingsverplichtingen bedoeld in artikelen 52 en 53;
- hij die zich niet houdt aan de voorwaarden voor het gebruik, het transport, de opslag, de behandeling en de tracering van uitgegraven en aangevulde grond;
- hij die geen financiële zekerheid stelt in overeenstemming met artikel 17, § 2, 23, § 3 en artikel 71.
De bepalingen van hoofdstuk VII en artikel 85 van het Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken op de bepalingen van deze ordonnantie.
- de persoon die een opdracht uitvoert die krachtens deze ordonnantie uitgevoerd dient te worden door een erkende deskundige in bodemverontreiniging of een geregistreerde saneringsaannemer zonder over deze erkenning of registratie te beschikken;
- de deskundige in bodemverontreiniging of aannemer in bodemsanering die de erkennings- of registratievoorwaarden niet heeft nageleefd;
[5 hij die de aangifteplicht van een gebeurtenis die aanleiding kan geven tot een dreigende bodemverontreiniging zoals bedoeld in artikel 4, § 2, niet in acht neemt]5
- de overdrager van een zakelijk recht of een milieuvergunning die de overnemer niet ingelicht heeft of het bodemattest niet aan de overnemer bezorgd heeft in overeenstemming met artikel 12, § 1 en § 2;
- de curator die de meldingsverplichting bedoeld in [5 artikel 13/2]5 niet naleeft;
- hij die zich niet houdt aan de verplichting een verkennend bodemonderzoek, een gedetailleerd onderzoek of een risico-onderzoek uit te voeren;
- hij die zich niet houdt aan de verplichting een saneringsvoorstel [5 ...]5 op te stellen of [2 een sanering]2 uit te voeren;
- hij die zich niet houdt aan de verplichting een risicobeheersvoorstel op te stellen of [4 een risicobeheer ]4 uit te voeren;
[5 hij die zich niet houdt aan de verplichting een risicobeheer of een sanering uit te voeren overeenkomstig de voorwaarden van de gelijkvormigheidsverklaring van het voorstel ;]5
[5 hij die zich niet houdt aan de voorwaarden voor een minieme behandeling of een behandeling van beperkte duur ;]5
- hij die zich niet houdt aan de verplichting een eindbeoordeling op te stellen;
- hij die zich niet houdt aan de bijzondere identificatie en behandelingsprocedure van de bodemverontreiniging bedoeld in artikel 68;
- hij die zich niet houdt aan de verplichting [3 nood]3- of follow-upmaatregelen te nemen [5 , met inbegrip van de gebruiksbeperkingen]5;
- hij die zich niet houdt aan de bekendmakingsverplichtingen bedoeld in artikelen 52 en 53;
- hij die zich niet houdt aan de voorwaarden voor het gebruik, het transport, de opslag, de behandeling en de tracering van uitgegraven en aangevulde grond;
- hij die geen financiële zekerheid stelt in overeenstemming met artikel 17, § 2, 23, § 3 en artikel 71.
De bepalingen van hoofdstuk VII en artikel 85 van het Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken op de bepalingen van deze ordonnantie.
Wijzigingen
Art. 75. Est puni [1 de la peine prévue à l'article 31, § 3, b), du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1 :
- la personne qui exécute une mission devant être réalisée selon la présente ordonnance par un expert en pollution des sols agréé ou par un entrepreneur en assainissement enregistré, sans disposer de l'agrément ou de l'enregistrement requis;
- l'expert en pollution des sols ou l'entrepreneur en assainissement des sols qui n'a pas respecté les conditions d'agrément ou d'enregistrement;
[5 - celui qui ne respecte pas l'obligation de déclaration d'évènement susceptible d'entraîner une pollution du sol imminente prévue à l'article 4, § 2;]5
- le cédant d'un droit réel ou d'un permis d'environnement qui n'a pas informé le cessionnaire ou transmis l'attestation du sol au cessionnaire, conformément à l'article 12, §§ 1er et 2;
- le curateur qui ne respecte pas l'obligation d'information visée à [5 l'article 13/2]5;
- celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol, une étude détaillée ou une étude de risque;
- celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser un projet d'assainissement, [5 ...]5 ou d'exécuter [2 un assainissement]2;
- celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser un projet de gestion du risque ou de mettre en oeuvre [4 une gestion du risque]4;
[5 -celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une gestion du risque ou un assainissement aux conditions de la déclaration de conformité du projet ;
-celui qui ne respecte pas les conditions prévues pour un traitement minime ou un traitement de durée limitée ;]5
- celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une évaluation finale;
- celui qui ne respecte pas la procédure d'identification et de traitement de la pollution du sol particulière visée à l'article 68;
- celui qui ne respecte pas l'obligation de mettre en oeuvre des [3 mesures d'urgence ]3 ou des mesures de suivi [5 , en ce compris les restrictions d'usage]5;
- celui qui ne respecte pas les obligations d'information visées aux articles 52 et 53;
- celui qui ne respecte pas les conditions d'utilisation, de transport, de dépôt, de traitement et de traçage des terres de remblai et de déblai;
- celui qui ne constitue pas une garantie financière conformément aux articles 17, § 2, 23, § 3 et 71.
Les dispositions du chapitre VII et de l'article 85 du Code pénal s'appliquent aux infractions aux dispositions de la présente ordonnance.
- la personne qui exécute une mission devant être réalisée selon la présente ordonnance par un expert en pollution des sols agréé ou par un entrepreneur en assainissement enregistré, sans disposer de l'agrément ou de l'enregistrement requis;
- l'expert en pollution des sols ou l'entrepreneur en assainissement des sols qui n'a pas respecté les conditions d'agrément ou d'enregistrement;
[5 - celui qui ne respecte pas l'obligation de déclaration d'évènement susceptible d'entraîner une pollution du sol imminente prévue à l'article 4, § 2;]5
- le cédant d'un droit réel ou d'un permis d'environnement qui n'a pas informé le cessionnaire ou transmis l'attestation du sol au cessionnaire, conformément à l'article 12, §§ 1er et 2;
- le curateur qui ne respecte pas l'obligation d'information visée à [5 l'article 13/2]5;
- celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol, une étude détaillée ou une étude de risque;
- celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser un projet d'assainissement, [5 ...]5 ou d'exécuter [2 un assainissement]2;
- celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser un projet de gestion du risque ou de mettre en oeuvre [4 une gestion du risque]4;
[5 -celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une gestion du risque ou un assainissement aux conditions de la déclaration de conformité du projet ;
-celui qui ne respecte pas les conditions prévues pour un traitement minime ou un traitement de durée limitée ;]5
- celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une évaluation finale;
- celui qui ne respecte pas la procédure d'identification et de traitement de la pollution du sol particulière visée à l'article 68;
- celui qui ne respecte pas l'obligation de mettre en oeuvre des [3 mesures d'urgence ]3 ou des mesures de suivi [5 , en ce compris les restrictions d'usage]5;
- celui qui ne respecte pas les obligations d'information visées aux articles 52 et 53;
- celui qui ne respecte pas les conditions d'utilisation, de transport, de dépôt, de traitement et de traçage des terres de remblai et de déblai;
- celui qui ne constitue pas une garantie financière conformément aux articles 17, § 2, 23, § 3 et 71.
Les dispositions du chapitre VII et de l'article 85 du Code pénal s'appliquent aux infractions aux dispositions de la présente ordonnance.
Wijzigingen
Nietigverklaring en niet-tegenstelbaarheid van de overdracht.
Art.76.§ 1er.[1 La nullité de toute aliénation de droits réels peut être poursuivie devant les cours et tribunaux de l'ordre judiciaire par le cessionnaire, à défaut pour la personne visée à l'article 13, § 1er, d'avoir respecté les obligations qui lui sont imposées en vertu des articles 12, 13, § 1er, et 17.
Art.76. § 1. [1 De overnemer kan de nietigheid van eender welke vervreemding van zakelijke rechten vorderen voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde wanneer de persoon zoals bedoeld in artikel 13, § 1, de verplichtingen niet in acht heeft genomen die op hem rusten krachtens de artikelen 12, 13, § 1, en 17.
De overnemer kan de nietigheid van elke akte van familiale aard vorderen voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde wanneer de overdrager van een zakelijk recht de verplichtingen niet in acht heeft genomen die op hem rusten krachtens artikel 12. ]1
§ 2. [1 De nietigheid bedoeld in § 1 kan ]1 niet meer worden ingeroepen indien [1 de overnemer er uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan, door het in de authentieke akte te vermelden ]1
§ 3. Elke vervreemding van zakelijke rechten op een terrein dat opgenomen is in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand, uitgevoerd in overtreding met de bepalingen van deze ordonnantie, is niet tegenstelbaar aan het Instituut.
De overnemer kan de nietigheid van elke akte van familiale aard vorderen voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde wanneer de overdrager van een zakelijk recht de verplichtingen niet in acht heeft genomen die op hem rusten krachtens artikel 12. ]1
§ 2. [1 De nietigheid bedoeld in § 1 kan ]1 niet meer worden ingeroepen indien [1 de overnemer er uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan, door het in de authentieke akte te vermelden ]1
§ 3. Elke vervreemding van zakelijke rechten op een terrein dat opgenomen is in categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand, uitgevoerd in overtreding met de bepalingen van deze ordonnantie, is niet tegenstelbaar aan het Instituut.
Art. 76. § 1er.[1 La nullité de toute aliénation de droits réels peut être poursuivie devant les cours et tribunaux de l'ordre judiciaire par le cessionnaire, à défaut pour la personne visée à l'article 13, § 1er, d'avoir respecté les obligations qui lui sont imposées en vertu des articles 12, 13, § 1er, et 17.
La nullité de tout acte à caractère familial peut être poursuivie devant les Cours et Tribunaux de l'Ordre judiciaire par le cessionnaire, à défaut pour le cédant d'un droit réel d'avoir respecté les obligations imposées en vertu de l'article 12. ]1
" § 2.[1 La ]1nullité visée au § 1er [1 ...]1 ne peut être invoquée si [1 le cessionnaire y a renoncé expressément, par mention dans l'acte authentique.]1
§ 3. Toute alienation de droits réels sur un terrain inscrit à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0, réalisée en violation des dispositions de la présente ordonnance, est inopposable à l'Institut.
La nullité de tout acte à caractère familial peut être poursuivie devant les Cours et Tribunaux de l'Ordre judiciaire par le cessionnaire, à défaut pour le cédant d'un droit réel d'avoir respecté les obligations imposées en vertu de l'article 12. ]1
" § 2.[1 La ]1nullité visée au § 1er [1 ...]1 ne peut être invoquée si [1 le cessionnaire y a renoncé expressément, par mention dans l'acte authentique.]1
§ 3. Toute alienation de droits réels sur un terrain inscrit à l'inventaire de l'état du sol dans la catégorie 0, réalisée en violation des dispositions de la présente ordonnance, est inopposable à l'Institut.
Wijzigingen
Aanvankelijke bodemtoestand.
Art.77.Sans préjudice des [1 articles 13/4, 13/5 ]1 et 66, lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol n'a pas été réalisée sur un site préalablement au début ou à la poursuite d'une activité à risque conformément à l'article 13, § 2, 3° et 4° et § 3, l'état du sol de ce site au moment ou cette reconnaissance de l'état du sol aurait dû être réalisée est considéré, pour les obligations d'identification et de traitement de la pollution du sol à charge de l'exploitant [2 actuel]2, et notamment pour déterminer un éventuel accroissement de pollution engendré par l'exploitation de l'activité à risque, comme respectant les normes d'assainissement.
Art.77. Indien er geen verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd op een site vóór de aanvang of de voortzetting van een risicoactiviteit in overeenstemming met artikel 13 § 2, 3° en 4° en § 3, wordt er onverminderd [1 artikelen 13/4, 13/5 ]1 en 66 van uitgegaan dat de bodemtoestand op die site op het ogenblik waarop het verkennend bodemonderzoek had moeten plaatsvinden, met het oog op de verplichtingen inzake identificatie en behandeling van de bodemverontreiniging ten laste van de [2 huidige]2 exploitant en met name om een eventuele toename van de verontreiniging als gevolg van de uitbating van de risicoactiviteit vast te stellen, voldeed aan de saneringsnormen.
Art. 77. Sans préjudice des [1 articles 13/4, 13/5 ]1 et 66, lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol n'a pas été réalisée sur un site préalablement au début ou à la poursuite d'une activité à risque conformément à l'article 13, § 2, 3° et 4° et § 3, l'état du sol de ce site au moment ou cette reconnaissance de l'état du sol aurait dû être réalisée est considéré, pour les obligations d'identification et de traitement de la pollution du sol à charge de l'exploitant [2 actuel]2, et notamment pour déterminer un éventuel accroissement de pollution engendré par l'exploitation de l'activité à risque, comme respectant les normes d'assainissement.
Herstel.
Art.78.Sans préjudice des [1 articles 13/4, 13/5 ]1 et 66, lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol n'a pas été réalisée sur un terrain conformément à l'article 13, §§ 4, 5 et 6, l'Institut peut imposer la remise du terrain concerné dans l'état où il se trouvait au moment où cette reconnaissance de l'état du sol aurait dû être réalisée, à charge du contrevenant, si la réalisation de la reconnaissance de l'état du sol et le traitement éventuel de la pollution du sol l'exige.
Art.78. Indien er geen verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd op een terrein in overeenstemming met artikel 13, § 4, § 5 en § 6, kan het Instituut, onverminderd de [1 artikelen 13/4, 13/5 ]1 en 66, eisen dat het betreffende terrein ten laste van de overtreder wordt hersteld in de toestand waarin het zich bevond op het ogenblik waarop het verkennend bodemonderzoek had moeten plaatsvinden, indien de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek en de eventuele behandeling van de verontreiniging dit vereisen.
Art. 78. Sans préjudice des [1 articles 13/4, 13/5 ]1 et 66, lorsqu'une reconnaissance de l'état du sol n'a pas été réalisée sur un terrain conformément à l'article 13, §§ 4, 5 et 6, l'Institut peut imposer la remise du terrain concerné dans l'état où il se trouvait au moment où cette reconnaissance de l'état du sol aurait dû être réalisée, à charge du contrevenant, si la réalisation de la reconnaissance de l'état du sol et le traitement éventuel de la pollution du sol l'exige.
HOOFDSTUK XII. - Wijzigingsbepalingen.
Section Ire. - Modification de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
Afdeling I. - Wijziging van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
Art.79. § 1er. Il est ajouté au § 1er de l'article 59 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement un second alinéa rédigé comme suit :
Art.79. § 1. Aan § 1 van artikel 59 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt een tweede lid als volgt toegevoegd :
" In het geval dat verplichtingen inzake identificatie en de behandeling van de bodemverontreiniging moeten worden vervuld vóór de uitvoering van een milieuvergunning in uitvoering van de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, wordt deze termijn van rechtswege opgeschort tot het Instituut heeft vastgesteld dat deze verplichtingen correct uitgevoerd werden. "
§ 2. De laatste zin van artikel 63, § 1, 6°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Deze aangifte wordt ondertekend door de overdrager en de overnemer van de vergunning. De overnemer van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit in de zin van artikel 3, 3°, van de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, moet instaan voor de verplichtingen die worden voorgeschreven in voormelde ordonnantie. Zolang hij niet alle zijn verplichtingen in overeenstemming met voormelde ordonnantie vervuld heeft, blijft hij houder van de overgedragen milieuvergunning. "
§ 3. In artikel 63, § 2 van de voormelde ordonnantie wordt de laatste zin vervangen door de volgende bepaling :
" Wanneer het herstel leidt tot de identificatie en behandeling van een bodemverontreiniging, is de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems van toepassing. "
§ 4. Het tweede lid van artikel 79 van voormelde ordonnantie wordt vervangen door volgende bepaling :
" Het Milieucollege bestaat uit 9 deskundigen, benoemd door de Regering, op een dubbele lijst van kandidaten voorgedragen door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. De mandaten worden voor 6 jaar toegekend en zijn eenmaal hernieuwbaar. Het Milieucollege wordt om de 3 jaar voor een derde van zijn leden hernieuwd. "
" In het geval dat verplichtingen inzake identificatie en de behandeling van de bodemverontreiniging moeten worden vervuld vóór de uitvoering van een milieuvergunning in uitvoering van de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, wordt deze termijn van rechtswege opgeschort tot het Instituut heeft vastgesteld dat deze verplichtingen correct uitgevoerd werden. "
§ 2. De laatste zin van artikel 63, § 1, 6°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Deze aangifte wordt ondertekend door de overdrager en de overnemer van de vergunning. De overnemer van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit in de zin van artikel 3, 3°, van de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, moet instaan voor de verplichtingen die worden voorgeschreven in voormelde ordonnantie. Zolang hij niet alle zijn verplichtingen in overeenstemming met voormelde ordonnantie vervuld heeft, blijft hij houder van de overgedragen milieuvergunning. "
§ 3. In artikel 63, § 2 van de voormelde ordonnantie wordt de laatste zin vervangen door de volgende bepaling :
" Wanneer het herstel leidt tot de identificatie en behandeling van een bodemverontreiniging, is de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems van toepassing. "
§ 4. Het tweede lid van artikel 79 van voormelde ordonnantie wordt vervangen door volgende bepaling :
" Het Milieucollege bestaat uit 9 deskundigen, benoemd door de Regering, op een dubbele lijst van kandidaten voorgedragen door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. De mandaten worden voor 6 jaar toegekend en zijn eenmaal hernieuwbaar. Het Milieucollege wordt om de 3 jaar voor een derde van zijn leden hernieuwd. "
Art. 79. § 1er. Il est ajouté au § 1er de l'article 59 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement un second alinéa rédigé comme suit :
" Au cas où des obligations relatives à l'identification et au traitement de la pollution du sol doivent être réalisées avant la mise en oeuvre du permis d'environnement en exécution de l'ordonnance du ... relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués, ce délai est suspendu de plein droit jusqu'à la constatation par l'Institut de la bonne exécution de ces obligations. "
§ 2. La dernière phrase de l'article 63, § 1er, 6°, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement est remplacée par la disposition suivante :
" Cette déclaration est signée par le cédant et le cessionnaire de permis. Le cédant d'un permis d'environnement relatif à une activité à risque au sens de l'article 3, 3°, de l'ordonnance du ... relative a la gestion et à l'assainissement des sols pollués est responsable des obligations prescrites par l'ordonnance precitée. Il reste en outre titulaire du permis d'environnement cédé, aussi longtemps qu'il n'a pas accompli toutes ses obligations conformément à l'ordonnance précitee. "
§ 3. A l'article 63, § 2, de l'ordonnance précitée, la dernière phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Lorsque la remise en état entraîne l'identification et le traitement d'une pollution du sol, l'ordonnance du ... relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués s'applique. "
§ 4. Le deuxième alinéa de l'article 79 de l'ordonnance précitée est remplacé par la disposition suivante :
" Le Collège d'environnement est composé de 9 experts, nommés par le Gouvernement, sur une liste double de candidats présentés par le Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale. Les mandats sont conférés pour 6 ans et renouvelables une fois. Le Collège d'environnement est renouvelé tous les 3 ans par tiers. "
" Au cas où des obligations relatives à l'identification et au traitement de la pollution du sol doivent être réalisées avant la mise en oeuvre du permis d'environnement en exécution de l'ordonnance du ... relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués, ce délai est suspendu de plein droit jusqu'à la constatation par l'Institut de la bonne exécution de ces obligations. "
§ 2. La dernière phrase de l'article 63, § 1er, 6°, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement est remplacée par la disposition suivante :
" Cette déclaration est signée par le cédant et le cessionnaire de permis. Le cédant d'un permis d'environnement relatif à une activité à risque au sens de l'article 3, 3°, de l'ordonnance du ... relative a la gestion et à l'assainissement des sols pollués est responsable des obligations prescrites par l'ordonnance precitée. Il reste en outre titulaire du permis d'environnement cédé, aussi longtemps qu'il n'a pas accompli toutes ses obligations conformément à l'ordonnance précitee. "
§ 3. A l'article 63, § 2, de l'ordonnance précitée, la dernière phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Lorsque la remise en état entraîne l'identification et le traitement d'une pollution du sol, l'ordonnance du ... relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués s'applique. "
§ 4. Le deuxième alinéa de l'article 79 de l'ordonnance précitée est remplacé par la disposition suivante :
" Le Collège d'environnement est composé de 9 experts, nommés par le Gouvernement, sur une liste double de candidats présentés par le Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale. Les mandats sont conférés pour 6 ans et renouvelables une fois. Le Collège d'environnement est renouvelé tous les 3 ans par tiers. "
Afdeling II. - Wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu.
Art.80. § 1er. Dans l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à la recherche, la constatation, la poursuite et la répression des infractions en matière d'environnement, le 17° de l'article 2 est remplacé par la disposition suivante :
Art.80. § 1. In de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu wordt 17° van artikel 2 vervangen door de volgende bepaling :
" 17° de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems ".
§ 2. In voormelde ordonnantie wordt 12° van artikel 32 vervangen door de volgende bepaling :
" 12° in de zin van de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems :
a) de overdrager van een zakelijk recht of een milieuvergunning die de overnemer niet ingelicht heeft of het bodemattest niet aan de overnemer bezorgd heeft in overeenstemming met artikel 12, § 1 en § 2;
b) de curator die de meldingsplicht bedoeld in artikel 59 niet naleeft;
c) hij die zich niet houdt aan de bekendmakingsverplichtingen bedoeld in artikelen 52 en 53;
d) hij die geen financiële zekerheid stelt in overeenstemming met artikel 17, § 2, 23, § 3 en artikel 71. "
§ 3. In voormelde ordonnantie wordt 12° van het artikel 33 vervangen door de volgende bepaling :
" 12° in de zin van de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems :
a) hij die een opdracht uitvoert die krachtens deze ordonnantie uitgevoerd dient te worden door een erkende deskundige in bodemverontreiniging of een geregistreerde saneringsaannemer zonder over deze erkenning of registratie te beschikken;
b) de deskundige in bodemverontreiniging of aannemer in bodemsanering die de erkennings- of registratievoorwaarden niet heeft nageleefd;
c) hij die zich niet houdt aan de verplichting een verkennend bodemonderzoek, een gedetailleerd onderzoek of een risico-onderzoek uit te voeren;
d) hij die zich niet houdt aan de verplichting een saneringsvoorstel of beperkt saneringsvoorstel op te stellen of saneringswerken uit te voeren;
e) hij die zich niet houdt aan de verplichting een risicobeheersvoorstel op te stellen of risicobeheersmaatregelen uit te voeren;
f) hij die zich niet houdt aan de verplichting een eindbeoordeling op te stellen;
g) hij die zich niet houdt aan de bijzondere identificatieen behandelingsprocedure van de bodemverontreiniging bedoeld in artikel 68;
h) hij die zich niet houdt aan de verplichting veiligheids- of follow-upmaatregelen te nemen;
i) hij die zich niet houdt aan de voorwaarden voor het gebruik, de opslag, het transport, de behandeling en de tracering van uitgegraven en aangevulde grond. "
" 17° de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems ".
§ 2. In voormelde ordonnantie wordt 12° van artikel 32 vervangen door de volgende bepaling :
" 12° in de zin van de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems :
a) de overdrager van een zakelijk recht of een milieuvergunning die de overnemer niet ingelicht heeft of het bodemattest niet aan de overnemer bezorgd heeft in overeenstemming met artikel 12, § 1 en § 2;
b) de curator die de meldingsplicht bedoeld in artikel 59 niet naleeft;
c) hij die zich niet houdt aan de bekendmakingsverplichtingen bedoeld in artikelen 52 en 53;
d) hij die geen financiële zekerheid stelt in overeenstemming met artikel 17, § 2, 23, § 3 en artikel 71. "
§ 3. In voormelde ordonnantie wordt 12° van het artikel 33 vervangen door de volgende bepaling :
" 12° in de zin van de ordonnantie van ... betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems :
a) hij die een opdracht uitvoert die krachtens deze ordonnantie uitgevoerd dient te worden door een erkende deskundige in bodemverontreiniging of een geregistreerde saneringsaannemer zonder over deze erkenning of registratie te beschikken;
b) de deskundige in bodemverontreiniging of aannemer in bodemsanering die de erkennings- of registratievoorwaarden niet heeft nageleefd;
c) hij die zich niet houdt aan de verplichting een verkennend bodemonderzoek, een gedetailleerd onderzoek of een risico-onderzoek uit te voeren;
d) hij die zich niet houdt aan de verplichting een saneringsvoorstel of beperkt saneringsvoorstel op te stellen of saneringswerken uit te voeren;
e) hij die zich niet houdt aan de verplichting een risicobeheersvoorstel op te stellen of risicobeheersmaatregelen uit te voeren;
f) hij die zich niet houdt aan de verplichting een eindbeoordeling op te stellen;
g) hij die zich niet houdt aan de bijzondere identificatieen behandelingsprocedure van de bodemverontreiniging bedoeld in artikel 68;
h) hij die zich niet houdt aan de verplichting veiligheids- of follow-upmaatregelen te nemen;
i) hij die zich niet houdt aan de voorwaarden voor het gebruik, de opslag, het transport, de behandeling en de tracering van uitgegraven en aangevulde grond. "
Art. 80. § 1er. Dans l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à la recherche, la constatation, la poursuite et la répression des infractions en matière d'environnement, le 17° de l'article 2 est remplacé par la disposition suivante :
" 17° l'ordonnance du ... relative à la gestion et a l'assainissement des sols pollués ".
§ 2. Dans l'ordonnance précitée, le 12° de l'article 32 est remplacé par la disposition suivante :
" 12° au sens de l'ordonnance du ... relative a la gestion et à l'assainissement des sols pollués :
a) le cédant d'un droit réel ou d'un permis d'environnement qui n'a pas informé le cessionnaire ou transmis l'attestation du sol au cessionnaire, conformément à l'article 12, §§ 1er et 2;
b) le curateur qui ne respecte pas l'obligation d'information visée à l'article 59;
c) celui qui ne respecte pas les obligations d'information visées aux articles 52 et 53;
d) celui qui ne constitue pas une garantie financière conformément aux articles 17, § 2, 23, § 3 et 71. "
§ 3. Dans l'ordonnance précitée, le 12° de l'article 33 est remplacé par la disposition suivante :
" 12° au sens de l'ordonnance du ... relative à la gestion et a l'assainissement des sols pollués :
a) celui qui exécute une mission devant être réalisée selon la présente ordonnance par un expert en pollution des sols agrée ou par un entrepreneur en assainissement enregistré, sans disposer de l'agrément ou de l'enregistrement requis;
b) l'expert en pollution des sols ou l'entrepreneur en assainissement des sols qui n'a pas respecte les conditions d'agrément ou d'enregistrement;
c) celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol, une étude détaillée ou une étude de risque;
d) celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser un projet d'assainissement, un projet d'assainissement limité ou d'exécuter des travaux d'assainissement;
e) celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser un projet de gestion du risque ou de mettre en oeuvre des mesures de gestion du risque;
f) celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une évaluation finale;
g) celui qui ne respecte pas la procédure d'identification et de traitement de la pollution du sol particulière visée à l'article 68;
h) celui qui ne respecte pas l'obligation de mettre en oeuvre des mesures de sécurité ou des mesures de suivi;
i) celui qui ne respecte pas les conditions d'utilisation, de transport, de dépôt, de traitement et de traçage des terres de remblai et de déblai. "
" 17° l'ordonnance du ... relative à la gestion et a l'assainissement des sols pollués ".
§ 2. Dans l'ordonnance précitée, le 12° de l'article 32 est remplacé par la disposition suivante :
" 12° au sens de l'ordonnance du ... relative a la gestion et à l'assainissement des sols pollués :
a) le cédant d'un droit réel ou d'un permis d'environnement qui n'a pas informé le cessionnaire ou transmis l'attestation du sol au cessionnaire, conformément à l'article 12, §§ 1er et 2;
b) le curateur qui ne respecte pas l'obligation d'information visée à l'article 59;
c) celui qui ne respecte pas les obligations d'information visées aux articles 52 et 53;
d) celui qui ne constitue pas une garantie financière conformément aux articles 17, § 2, 23, § 3 et 71. "
§ 3. Dans l'ordonnance précitée, le 12° de l'article 33 est remplacé par la disposition suivante :
" 12° au sens de l'ordonnance du ... relative à la gestion et a l'assainissement des sols pollués :
a) celui qui exécute une mission devant être réalisée selon la présente ordonnance par un expert en pollution des sols agrée ou par un entrepreneur en assainissement enregistré, sans disposer de l'agrément ou de l'enregistrement requis;
b) l'expert en pollution des sols ou l'entrepreneur en assainissement des sols qui n'a pas respecte les conditions d'agrément ou d'enregistrement;
c) celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une reconnaissance de l'état du sol, une étude détaillée ou une étude de risque;
d) celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser un projet d'assainissement, un projet d'assainissement limité ou d'exécuter des travaux d'assainissement;
e) celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser un projet de gestion du risque ou de mettre en oeuvre des mesures de gestion du risque;
f) celui qui ne respecte pas l'obligation de réaliser une évaluation finale;
g) celui qui ne respecte pas la procédure d'identification et de traitement de la pollution du sol particulière visée à l'article 68;
h) celui qui ne respecte pas l'obligation de mettre en oeuvre des mesures de sécurité ou des mesures de suivi;
i) celui qui ne respecte pas les conditions d'utilisation, de transport, de dépôt, de traitement et de traçage des terres de remblai et de déblai. "
Afdeling III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer.
Art.81. Dans l'arrêté royal du 8 mars 1989 créant l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement, le 9e tiret de l'article 3, § 2, est remplacé par la disposition suivante :
Art.81. In het Koninklijk Besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer wordt het 9e streepje van artikel 3, § 2, vervangen door de volgende bepaling :
" - toezicht houden op en een inventaris opmaken van de bodemkwaliteit en zorgen voor de behandeling van bodemverontreiniging. "
" - toezicht houden op en een inventaris opmaken van de bodemkwaliteit en zorgen voor de behandeling van bodemverontreiniging. "
Art. 81. Dans l'arrêté royal du 8 mars 1989 créant l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement, le 9e tiret de l'article 3, § 2, est remplacé par la disposition suivante :
" - surveiller et inventorier la qualité des sols, et veiller au traitement de la pollution du sol. "
" - surveiller et inventorier la qualité des sols, et veiller au traitement de la pollution du sol. "
HOOFDSTUK XIII. - Overgangsbepalingen, opheffingsbepaling en slotbepaling.
CHAPITRE XIII. - Dispositions transitoires, abrogatoire et finale.
Inventarissen.
Art.82. § 1er. Les terrains inscrits à l'inventaire des sols pollués ou pour lesquels existent de fortes présomptions de pollution importantes, conformément aux articles 6 et 7 de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués, sont d'office inscrits, par parcelle, dans les catégories de l'état du sol correspondantes de l'inventaire de l'état du sol.
Art.82. § 1. De terreinen die opgenomen zijn in de inventaris van de verontreinigde bodems of waarvoor er sterke aanwijzingen op omvangrijke verontreiniging bestaan, worden in overeenstemming met artikelen 6 en 7 van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems ambtshalve per perceel opgenomen in de overeenkomstige bodemtoestandcategorieën in de inventaris van de bodemtoestand.
§ 2. De terreinen waarvoor een verkennend bodemonderzoek, een risico-onderzoek of controlemaatregelen, uitgevoerd ter uitvoering van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems, aantonen dat ze vallen onder bodemtoestandcategorieën 1 of 2 van de inventaris van de bodemtoestand, worden ambtshalve per perceel opgenomen in deze categorieën.
§ 3. Artikel 7 van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems blijft van toepassing op de terreinen waarvoor de in onderhavig artikel besproken procedure begonnen werd vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie.
§ 2. De terreinen waarvoor een verkennend bodemonderzoek, een risico-onderzoek of controlemaatregelen, uitgevoerd ter uitvoering van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems, aantonen dat ze vallen onder bodemtoestandcategorieën 1 of 2 van de inventaris van de bodemtoestand, worden ambtshalve per perceel opgenomen in deze categorieën.
§ 3. Artikel 7 van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems blijft van toepassing op de terreinen waarvoor de in onderhavig artikel besproken procedure begonnen werd vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie.
Art. 82. § 1er. Les terrains inscrits à l'inventaire des sols pollués ou pour lesquels existent de fortes présomptions de pollution importantes, conformément aux articles 6 et 7 de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués, sont d'office inscrits, par parcelle, dans les catégories de l'état du sol correspondantes de l'inventaire de l'état du sol.
§ 2. Les terrains pour lesquels une reconnaissance de l'état du sol, une étude de risque ou des mesures de contrôle réalisées en exécution de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués permet d'indiquer qu'ils relèvent des catégories de l'état du sol 1 ou 2 de l'inventaire de l'état du sol, sont d'office inscrits, par parcelle, dans ces catégories.
§ 3. L'article 7 de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués reste d'application pour les terrains pour lesquels la procédure décrite à cet article a été entamée avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
§ 2. Les terrains pour lesquels une reconnaissance de l'état du sol, une étude de risque ou des mesures de contrôle réalisées en exécution de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués permet d'indiquer qu'ils relèvent des catégories de l'état du sol 1 ou 2 de l'inventaire de l'état du sol, sont d'office inscrits, par parcelle, dans ces catégories.
§ 3. L'article 7 de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués reste d'application pour les terrains pour lesquels la procédure décrite à cet article a été entamée avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
Vervreemding van zakelijke rechten.
Art.83. L'article 12, § 1er, de la présente ordonnance ne s'applique pas aux aliénations de droits réels suivantes :
Art.83. Artikel 12, § 1 is niet van toepassing op volgende vervreemdingen van zakelijke rechten :
- de verkopen uit de hand waarvoor de onderhandse overeenkomst is getekend vóór de inwerkingtreding van onderhavige ordonnantie;
- de openbare verkopingen waarvan het lastenkohier is getekend vóór de inwerkingtreding van onderhavige or donnantie en op voorwaarde dat de publiciteit reeds is verschenen op het ogenblik van de inwerkingtreding van onderhavige ordonnantie;
- wat betreft andere overdrachten van zakelijke rechten :
- de vervreemdingen met consensueel karakter waarvoor de overeenkomst is getekend vóór de inwerkingtreding van onderhavige ordonnantie;
- de vervreemdingen met plechtig karakter waarvan de authentieke akte is verleden vóór de inwerkingtreding van onderhavige ordonnantie. ".
- de verkopen uit de hand waarvoor de onderhandse overeenkomst is getekend vóór de inwerkingtreding van onderhavige ordonnantie;
- de openbare verkopingen waarvan het lastenkohier is getekend vóór de inwerkingtreding van onderhavige or donnantie en op voorwaarde dat de publiciteit reeds is verschenen op het ogenblik van de inwerkingtreding van onderhavige ordonnantie;
- wat betreft andere overdrachten van zakelijke rechten :
- de vervreemdingen met consensueel karakter waarvoor de overeenkomst is getekend vóór de inwerkingtreding van onderhavige ordonnantie;
- de vervreemdingen met plechtig karakter waarvan de authentieke akte is verleden vóór de inwerkingtreding van onderhavige ordonnantie. ".
Art. 83. L'article 12, § 1er, de la présente ordonnance ne s'applique pas aux aliénations de droits réels suivantes :
- les ventes de gré à gré dont la convention sous seing prive est signée antérieurement à l'entrée en vigueur de la présente ordonnance;
- les ventes publiques dont le cahier des charges est signé antérieurement à l'entrée en vigueur de la presente ordonnance et à condition que la publicité soit déjà parue au moment de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance;
- en ce qui concerne les autres aliénations de droits réels :
- les aliénations à caractère consensuel dont la convention est signée antérieurement à l'entrée en vigueur de la présente ordonnance;
- les aliénations a caractère solennel dont l'acte authentique est reçu antérieurement à l'entrée en vigueur de la présente ordonnance. ".
- les ventes de gré à gré dont la convention sous seing prive est signée antérieurement à l'entrée en vigueur de la présente ordonnance;
- les ventes publiques dont le cahier des charges est signé antérieurement à l'entrée en vigueur de la presente ordonnance et à condition que la publicité soit déjà parue au moment de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance;
- en ce qui concerne les autres aliénations de droits réels :
- les aliénations à caractère consensuel dont la convention est signée antérieurement à l'entrée en vigueur de la présente ordonnance;
- les aliénations a caractère solennel dont l'acte authentique est reçu antérieurement à l'entrée en vigueur de la présente ordonnance. ".
Onderzoeken, werken en maatregelen.
Art.84. § 1er. Les études du sol réalisées avant le 20 janvier 2005 peuvent être assimilées par l'Institut à des études du sol en exécution de la présente ordonnance, si elles correspondent aux critères fixes par le gouvernement.
Art.84. § 1. De bodemonderzoeken die vóór 20 januari 2005 uitgevoerd werden, kunnen door het Instituut gelijkgesteld worden met bodemonderzoeken ter uitvoering van deze ordonnantie, indien ze voldoen aan de door de Regering bepaalde criteria.
§ 2. De ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems is van toepassing op de onderzoeken, de voorstellen, de maatregelen en de werken die in uitvoering zijn op het ogenblik waarop deze ordonnantie van kracht wordt. De daaropvolgende verplichtingen betreffende deze onderzoeken, voorstellen, maatregelen en werkzaamheden worden door deze ordonnantie geregeld.
§ 3. De verkennende bodemonderzoeken, risico-onderzoeken en saneringsvoorstellen die door het Instituut goedgekeurd zijn ter uitvoering van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems, worden voor de toepassing van deze ordonnantie beschouwd als gelijkgesteld aan respectievelijk de verkennende bodemonderzoeken, de risico-onderzoeken en de saneringsvoorstellen die door deze ordonnantie opgelegd worden. Diezelfde onderzoeken of voorstellen kunnen door het Instituut gelijkgesteld worden met de gedetailleerde onderzoeken en de risicobeheersvoorstellen die door deze ordonnantie opgelegd worden.
§ 2. De ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems is van toepassing op de onderzoeken, de voorstellen, de maatregelen en de werken die in uitvoering zijn op het ogenblik waarop deze ordonnantie van kracht wordt. De daaropvolgende verplichtingen betreffende deze onderzoeken, voorstellen, maatregelen en werkzaamheden worden door deze ordonnantie geregeld.
§ 3. De verkennende bodemonderzoeken, risico-onderzoeken en saneringsvoorstellen die door het Instituut goedgekeurd zijn ter uitvoering van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems, worden voor de toepassing van deze ordonnantie beschouwd als gelijkgesteld aan respectievelijk de verkennende bodemonderzoeken, de risico-onderzoeken en de saneringsvoorstellen die door deze ordonnantie opgelegd worden. Diezelfde onderzoeken of voorstellen kunnen door het Instituut gelijkgesteld worden met de gedetailleerde onderzoeken en de risicobeheersvoorstellen die door deze ordonnantie opgelegd worden.
Art. 84. § 1er. Les études du sol réalisées avant le 20 janvier 2005 peuvent être assimilées par l'Institut à des études du sol en exécution de la présente ordonnance, si elles correspondent aux critères fixes par le gouvernement.
§ 2. L'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués s'applique pour les études, les projets, les mesures et les travaux en cours d'exécution au moment de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance. Les obligations subséquentes à ces études, projets, mesures et travaux sont régies par la présente ordonnance.
§ 3. Les reconnaissances de l'etat du sol, les études de risque et les projets d'assainissement approuvés par l'Institut en exécution de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués sont considérés, pour la mise en oeuvre de la présente ordonnance, comme équivalents respectivement aux reconnaissances de l'état du sol, aux études de risque et aux projets d'assainissement institués par la présente ordonnance. Ces mêmes études ou projets peuvent être assimilés par l'Institut à des études détaillées et des projets de gestion du risque institués par la présente ordonnance.
§ 2. L'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués s'applique pour les études, les projets, les mesures et les travaux en cours d'exécution au moment de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance. Les obligations subséquentes à ces études, projets, mesures et travaux sont régies par la présente ordonnance.
§ 3. Les reconnaissances de l'etat du sol, les études de risque et les projets d'assainissement approuvés par l'Institut en exécution de l'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués sont considérés, pour la mise en oeuvre de la présente ordonnance, comme équivalents respectivement aux reconnaissances de l'état du sol, aux études de risque et aux projets d'assainissement institués par la présente ordonnance. Ces mêmes études ou projets peuvent être assimilés par l'Institut à des études détaillées et des projets de gestion du risque institués par la présente ordonnance.
Opheffing.
Art.85. L'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués est abrogée, à l'exception des articles 10, 2° et 11, 1°, jusqu'à la date fixée par le gouvernement tenant compte de la procédure de validation des informations détaillées de l'inventaire de l'etat du sol.
Art.85. De ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems wordt opgeheven, met uitzondering van artikel 10, 2° en artikel 11, 1° tot de datum die de Regering vaststelt rekening houdend met de validatieprocedure voor de gedetailleerde gegevens van de inventaris van de bodemtoestand.
Art. 85. L'ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués est abrogée, à l'exception des articles 10, 2° et 11, 1°, jusqu'à la date fixée par le gouvernement tenant compte de la procédure de validation des informations détaillées de l'inventaire de l'etat du sol.
Inwerkingtreding.
Art. 86. La présente ordonnance entre en vigueur à la date fixée par le Gouvernement, et au plus tard le 1er janvier 2010.
Art. 86. Deze ordonnantie treedt in werking op de datum die door de Regering bepaald wordt, en uiterlijk op 1 januari 2010.
Art. 86. La présente ordonnance entre en vigueur à la date fixée par le Gouvernement, et au plus tard le 1er janvier 2010.