Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 MEI 2009. - Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten wat betreft de installaties voor het beheer van winningsafval
Titre
27 MAI 2009. - Arrêté du Gouvernement wallon modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées, pour ce qui concerne les installations de gestion de déchets d'extraction
Documentinformatie
Info du document
Tekst (6)
Texte (6)
Artikel 1. Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG wordt gedeeltelijk omgezet bij dit besluit.
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement la Directive 2006/21/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2006 concernant la gestion des déchets de l'industrie extractive et modifiant la Directive 2004/35/CE.
Art. 2. Het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten wordt aangevuld met een artikel 3quater, luidend als volgt :
" Art. 3quater. De installaties bedoeld in rubriek 90.27 van bijlage I zijn installaties voor het beheer van afval van winningsindustrieën wanneer ze uitgebaat worden in het kader van een opsporing of een concessie zoals bedoeld in het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen. "
" Art. 3quater. De installaties bedoeld in rubriek 90.27 van bijlage I zijn installaties voor het beheer van afval van winningsindustrieën wanneer ze uitgebaat worden in het kader van een opsporing of een concessie zoals bedoeld in het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen. "
Art. 2. Dans l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées, il est ajouté un article 3quater formulé comme suit :
" Art. 3quater. Les installations visées à la rubrique 90.27 de l'annexe Ire constituent des installations de gestion de déchets d'extraction minière lorsqu'elles sont exploitées dans le cadre d'une recherche ou d'une concession telles que visées par le décret du 7 juillet 1988 des mines. "
" Art. 3quater. Les installations visées à la rubrique 90.27 de l'annexe Ire constituent des installations de gestion de déchets d'extraction minière lorsqu'elles sont exploitées dans le cadre d'une recherche ou d'une concession telles que visées par le décret du 7 juillet 1988 des mines. "
Art. 3. Bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten wordt aangevuld met een rubriek 90.27, luidend als volgt :
Art. 3. Dans l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées, il est ajouté une rubrique 90.27 formulée comme suit :
| Nummer - Installatie of activiteit | Klasse | EIE | Te raadplegen organen | Deelfactoren ZH ZHR ZI |
| 90.27 Installaties voor het beheer van winningsafval | ||||
| 90.27.01 Installatie voor het beheer van winningsafval zoals omschreven in het besluit van de Waalse Regering van... houdende sectorale en integrale voorwaarden van de installaties voor het beheer van winningsafval en betreffende de opvolging na sluiting; | ||||
| 90.27.01.01 Installatie voor het beheer van inert afval en van niet-verontreinigde grond, alsook de afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening bedoeld in rubriek 90.27.01.03. | 3 | |||
| 90.27.01.02 Installaties voor het beheer van andere afval dan die bedoeld in de rubrieken 90.27.01.01 en 90.27.01.03. | 2 | |||
| 90.27.01.03 Installatie voor afvalbeheer: | ||||
| 1° waarvan een defect of slechte exploitatie, zoals de instorting van een steenberg of de breuk van een dam, zou kunnen leiden tot een zwaar ongeval, op basis van een risicobeoordeling waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals de huidige of toekomstige omvang, de ligging en de gevolgen voor het milieu van de afvalinstallatie; overeenkomstig de criteria vermeld in bijlage II, A,: | ||||
| a) als de voorspelbare gevolgen van het ongeval op korte of lange termijn van niet-verwaarloosbaar belang zijn wat betreft het effect op het leefmilieu; | 1 | X | ||
| b) als de voorspelbare gevolgen van het ongeval op korte of lange termijn van verwaarloosbaar belang zijn wat betreft het effect op het leefmilieu; | 1 | |||
| of | ||||
| 2° dat gevaarlijk afval bevat in de mate bedoeld in bijlage II, B, of | 1 | X | OWD | |
| 3° dat gevaarlijke stoffen of preparaten bevat in de mate bedoeld in bijlage II, C. | 1 | X | OWD |
| Numéro - Installation ou activité | Classe | EIE | Organismes à consulter | Facteurs de division ZH ZHR ZI |
| 90.27 Installation de gestion de déchets d'extraction | ||||
| 90.27.01 Installation de gestion de déchets d'extraction telle que définie par l'arrêté du Gouvernement wallon du ... portant conditions sectorielles et intégrales des installations de gestion de déchets d'extraction et relatif au suivi après fermeture. | ||||
| 90.27.01.01 Installation de gestion de déchets inertes et de terres non polluées, ainsi que les déchets provenant de l'extraction, du traitement et du stockage de tourbe, à moins qu'ils ne soient déposés dans une installation de gestion de déchets visée par la rubrique 90.27.01.03. | 3 | |||
| 90.27.01.02 Installation de gestion de déchets autres que celles visées aux rubriques 90.27.01.01 et 90.27.01.03. | 2 | |||
| 90.27.01.03 Installation de gestion de déchets : | ||||
| 1° dont une défaillance ou une mauvaise exploitation, telle que l'effondrement d'un terril ou la rupture d'une digue, pourrait donner lieu à un accident majeur, sur la base d'une évaluation du risque tenant compte de facteurs tels que la taille actuelle ou future, la localisation et l'incidence de l'installation sur l'environnement, conformément aux critères figurant à l'annexe II, A : | ||||
| a) si les conséquences prévisibles à court ou long terme de l'accident sont d'importance non négligeable en ce qui concerne un impact sur l'environnement; | 1 | X | ||
| b) si les conséquences prévisibles à court ou long terme de l'accident sont d'importance négligeable en ce qui concerne un impact sur l'environnement. | 1 | |||
| ou | ||||
| 2° qui contient des déchets dangereux dans les proportions déterminées à l'annexe II, B, ou | 1 | X | OWD | |
| 3° qui contient des substances ou des préparations dangereuses dans les proportions déterminées à l'annexe II, C. | 1 | X | OWD |
Nummer - Installatie of activiteit KlasseEIETe raadplegen organenDeelfactoren
ZH ZHR ZI
90.27 Installaties voor het beheer van winningsafval
90.27.01 Installatie voor het beheer van winningsafval zoals omschreven in het besluit van de Waalse Regering van... houdende sectorale en integrale voorwaarden van de installaties voor het beheer van winningsafval en betreffende de opvolging na sluiting;
90.27.01.01 Installatie voor het beheer van inert afval en van niet-verontreinigde grond, alsook de afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening bedoeld in rubriek 90.27.01.03.3
90.27.01.02 Installaties voor het beheer van andere afval dan die bedoeld in de rubrieken 90.27.01.01 en 90.27.01.03.2
90.27.01.03 Installatie voor afvalbeheer:
1° waarvan een defect of slechte exploitatie, zoals de instorting van een steenberg of de breuk van een dam, zou kunnen leiden tot een zwaar ongeval, op basis van een risicobeoordeling waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals de huidige of toekomstige omvang, de ligging en de gevolgen voor het milieu van de afvalinstallatie; overeenkomstig de criteria vermeld in bijlage II, A,:
a) als de voorspelbare gevolgen van het ongeval op korte of lange termijn van niet-verwaarloosbaar belang zijn wat betreft het effect op het leefmilieu;1X
b) als de voorspelbare gevolgen van het ongeval op korte of lange termijn van verwaarloosbaar belang zijn wat betreft het effect op het leefmilieu;1
of
2° dat gevaarlijk afval bevat in de mate bedoeld in bijlage II, B, of1XOWD
3° dat gevaarlijke stoffen of preparaten bevat in de mate bedoeld in bijlage II, C.1XOWD
ZH ZHR ZI
90.27 Installaties voor het beheer van winningsafval
90.27.01 Installatie voor het beheer van winningsafval zoals omschreven in het besluit van de Waalse Regering van... houdende sectorale en integrale voorwaarden van de installaties voor het beheer van winningsafval en betreffende de opvolging na sluiting;
90.27.01.01 Installatie voor het beheer van inert afval en van niet-verontreinigde grond, alsook de afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening bedoeld in rubriek 90.27.01.03.3
90.27.01.02 Installaties voor het beheer van andere afval dan die bedoeld in de rubrieken 90.27.01.01 en 90.27.01.03.2
90.27.01.03 Installatie voor afvalbeheer:
1° waarvan een defect of slechte exploitatie, zoals de instorting van een steenberg of de breuk van een dam, zou kunnen leiden tot een zwaar ongeval, op basis van een risicobeoordeling waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals de huidige of toekomstige omvang, de ligging en de gevolgen voor het milieu van de afvalinstallatie; overeenkomstig de criteria vermeld in bijlage II, A,:
a) als de voorspelbare gevolgen van het ongeval op korte of lange termijn van niet-verwaarloosbaar belang zijn wat betreft het effect op het leefmilieu;1X
b) als de voorspelbare gevolgen van het ongeval op korte of lange termijn van verwaarloosbaar belang zijn wat betreft het effect op het leefmilieu;1
of
2° dat gevaarlijk afval bevat in de mate bedoeld in bijlage II, B, of1XOWD
3° dat gevaarlijke stoffen of preparaten bevat in de mate bedoeld in bijlage II, C.1XOWD
Numéro - Installation ou activité ClasseEIEOrganismes à consulterFacteurs de division
ZH ZHR ZI
90.27 Installation de gestion de déchets d'extraction
90.27.01 Installation de gestion de déchets d'extraction telle que définie par l'arrêté du Gouvernement wallon du ... portant conditions sectorielles et intégrales des installations de gestion de déchets d'extraction et relatif au suivi après fermeture.
90.27.01.01 Installation de gestion de déchets inertes et de terres non polluées, ainsi que les déchets provenant de l'extraction, du traitement et du stockage de tourbe, à moins qu'ils ne soient déposés dans une installation de gestion de déchets visée par la rubrique 90.27.01.03.3
90.27.01.02 Installation de gestion de déchets autres que celles visées aux rubriques 90.27.01.01 et 90.27.01.03.2
90.27.01.03 Installation de gestion de déchets :
1° dont une défaillance ou une mauvaise exploitation, telle que l'effondrement d'un terril ou la rupture d'une digue, pourrait donner lieu à un accident majeur, sur la base d'une évaluation du risque tenant compte de facteurs tels que la taille actuelle ou future, la localisation et l'incidence de l'installation sur l'environnement, conformément aux critères figurant à l'annexe II, A :
a) si les conséquences prévisibles à court ou long terme de l'accident sont d'importance non négligeable en ce qui concerne un impact sur l'environnement;1X
b) si les conséquences prévisibles à court ou long terme de l'accident sont d'importance négligeable en ce qui concerne un impact sur l'environnement.1
ou
2° qui contient des déchets dangereux dans les proportions déterminées à l'annexe II, B, ou1XOWD
3° qui contient des substances ou des préparations dangereuses dans les proportions déterminées à l'annexe II, C. 1XOWD
ZH ZHR ZI
90.27 Installation de gestion de déchets d'extraction
90.27.01 Installation de gestion de déchets d'extraction telle que définie par l'arrêté du Gouvernement wallon du ... portant conditions sectorielles et intégrales des installations de gestion de déchets d'extraction et relatif au suivi après fermeture.
90.27.01.01 Installation de gestion de déchets inertes et de terres non polluées, ainsi que les déchets provenant de l'extraction, du traitement et du stockage de tourbe, à moins qu'ils ne soient déposés dans une installation de gestion de déchets visée par la rubrique 90.27.01.03.3
90.27.01.02 Installation de gestion de déchets autres que celles visées aux rubriques 90.27.01.01 et 90.27.01.03.2
90.27.01.03 Installation de gestion de déchets :
1° dont une défaillance ou une mauvaise exploitation, telle que l'effondrement d'un terril ou la rupture d'une digue, pourrait donner lieu à un accident majeur, sur la base d'une évaluation du risque tenant compte de facteurs tels que la taille actuelle ou future, la localisation et l'incidence de l'installation sur l'environnement, conformément aux critères figurant à l'annexe II, A :
a) si les conséquences prévisibles à court ou long terme de l'accident sont d'importance non négligeable en ce qui concerne un impact sur l'environnement;1X
b) si les conséquences prévisibles à court ou long terme de l'accident sont d'importance négligeable en ce qui concerne un impact sur l'environnement.1
ou
2° qui contient des déchets dangereux dans les proportions déterminées à l'annexe II, B, ou1XOWD
3° qui contient des substances ou des préparations dangereuses dans les proportions déterminées à l'annexe II, C. 1XOWD
Art. 4. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage II, luidend als volgt:
" Bijlage II - Toepassingscriteria van de rubriek 90.27.01.03 : installaties voor het beheer van winningsafval
A. Rubriek: 90.27.01.03 (punt 1°).
Een installatie voor het beheer van winningsafval valt onder punt 1° van rubriek 90.27.01.03 als de voorspelde gevolgen op korte of lange termijn van een ongeval ten gevolge van een verlies van de structurele integriteit of een onjuiste handeling van de installatie voor afvalbeheer van niet-verwaarloosbaar belang is wat betreft :
c) een risico op levensgevaar,
d) een gevaar voor de volksgezondheid of
e) een effect op het leefmilieu.
De volledige levenscyclus van de installatie, met inbegrip van de fase na de sluiting, wordt in aanmerking genomen voor de evaluatie van het risicopotentieel ervan.
Bij het onderzoek van de hierboven omschreven elementen wordt rekening gehouden met het volgende :
a) onder structurele integriteit van de beheersinstallatie wordt verstaan het vermogen om de afval op de voorziene wijze binnen de grenzen van de installatie te houden;
b) het verlies van de structurele integriteit betreft alle mogelijke ongevalmechanismen i.v.m. de gedekte structuren;
c) de evaluatie van de gevolgen van het verlies van de structurele integriteit houdt rekening met de directe impact van om het even welk materiaal dat ten gevolge van het ongeval uit de installatie wordt verplaatst en de hieruit voortvloeiende effecten op korte en lange termijn;
d) onder onjuiste handelingen wordt verstaan elke handeling die tot een zwaar ongeval kan leiden, met inbegrip van het slecht functioneren van milieubeschermingsmaatregelen en een foutief of ondoelmatig project;
e) de bepaling van het vrijkomen van verontreinigende stoffen ten gevolge van onjuiste handelingen moet rekening houden zowel met een totale afgifte op korte termijn als met het vrijkomen op lange termijn van verontreinigende stoffen. Bij deze bepaling wordt de operationele periode van de installatie bestreken, alsmede de periode na de sluiting op lange termijn. Daarbij worden ook de mogelijke gevaren beoordeeld van installaties die reactief afval bevatten, ongeacht of de afval als gevaarlijk of ongevaarlijk ingedeeld is.
Het mogelijke levensgevaar of gevaar voor de volksgezondheid wordt als van niet noemenswaardig belang beschouwd wanneer mogelijke slachtoffers (met uitzondering van de werknemers) niet permanent of gedurende lange periodes aanwezig zijn in het risicogebied. Letsels die tot invaliditeit of een langdurige slechte gezondheidstoestand leiden, moeten als een ernstig gevaar voor de volksgezondheid worden beschouwd.
Het mogelijke gevaar voor het milieu wordt als verwaarloosbaar beschouwd als:
- de intensiteit van de mogelijke bron van de verontreinigende stof binnen korte tijd significant afneemt;
- het ongeval niet tot permanente of langdurige milieuschade leidt en,
- het getroffen milieu door geringe reinigings- en saneringswerkzaamheden kan worden hersteld.
Bij de bepaling van het mogelijke levensgevaar, gevaar voor de volksgezondheid of effect voor het milieu wordt de specifieke beoordeling van de omvang van de mogelijke effecten in overweging genomen rekening houdend met de context van de keten bron-route-receptor. Wanneer er geen route tussen de bron en de receptor is, wordt de beheersinstallatie niet op basis van een ongeval ten gevolge van een verlies van de structurele integriteit of een onjuiste handeling in categorie 1 ingedeeld.
Bij verlies van de structurele integriteit van de dammen van de voor afval bestemde bezinkingsbekkens worden mensenlevens geacht te worden bedreigd wanneer het water- of slibniveau ten minste 0,7 m boven de bodem ligt of wanneer de water- of slibsnelheid hoger is dan 0,5 m/s. De bepaling van het mogelijke levensgevaar en gevaar voor de volksgezondheid omvat ten minste de volgende factoren :
- de omvang en eigenschappen van de installatie, inclusief het ontwerp;
- de hoeveelheid en de kwaliteit, inclusief de fysische en chemische eigenschappen, van de afvalstoffen in de installatie;
- de topografie van de locatie van de installatie, met inbegrip van de elementen of kenmerken van het reliëf die de modderstromen kunnen dempen;
- de verplaatsingstijd van een vloedgolf naar gebieden waar zich mensen bevinden;
- de voortplantingssnelheid van de vloedgolf;
- het water- of slibniveau;
- de stijgsnelheid van het water- of slibniveau, en
- elke locatiespecifieke factor die het levensgevaar of ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan beïnvloeden.
Bij verschuivingen in afvalbergen wordt een afvalmassa in beweging geacht levensgevaarlijk te zijn als er zich binnen het bereik van de bewegende afvalmassa mensen bevinden. Ten minste de volgende factoren worden in acht genomen:
- de omvang en eigenschappen, met inbegrip van het " design " van de installatie;
- de hoeveelheid en kwaliteit, inclusief de fysische en chemische eigenschappen, van de afvalstoffen in de installatie;
- de hellingsgraad van de berg;
- de mogelijkheid dat zich binnen de afvalberg intern grondwater ophoopt;
- de ondergrondse stabiliteit;
- de topografie, de nabijheid van waterlopen, constructies, gebouwen, enz, en
- mijnwerken;
- andere locatiespecifieke factoren die een significante bijdrage kunnen bijdragen in het risico dat de structuur oplevert.
B. Rubriek: 90.27.01.03 (punt 2°)
Als de ratio (1) van het gewicht van al de gevaarlijke afval die naar verwachting aan het einde van de geplande periode voor de handeling in de installatie aanwezig zal zijn en het gewicht dat naar verwachting aan het einde van dezelfde periode in de installatie aanwezig zal zijn groter is dan 50 %, valt de installatie onder punt 2° van rubriek 90.27.01.03.
(1) Deze ratio moet op basis van het drooggewicht worden bepaald.
Als deze ratio tussen 5 % en 50 % ligt, valt de installatie ook onder punt 2° van rubriek 90.27.01.03. Dat is niet het geval indien de exploitant een rechtvaardiging overlegt op basis van een locatiespecifieke risicobeoordeling, met een specifiek onderzoek naar de effecten van de gevaarlijke afval, die rekening houdt met de gevolgen van een ongeval ten gevolge van een verlies van de integriteit of een onjuiste handeling, en waarbij wordt aangetoond dat de installatie niet onder punt 2° van rubriek 90.27.01.03. valt.
Als de ratio kleiner is dan 5 %, valt de installatie niet onder punt 2° van rubriek 90.27.01.03.
C. Rubriek: 90.27.01.03 (punt 3°)
Om te bepalen of een installatie onder punt 3° van rubriek 90.27.01.03 valt naar gelang van de gevaarlijke stoffen of preparaten aanwezig in de afval, dienen de volgende principes te worden toegepast :
1° Voor de geplande bezinkingsbekkens wordt de volgende methodologie gebruikt :
a) er wordt een inventaris opgemaakt van de stoffen en preparaten die bij het proces worden gebruikt en die bezinkingsslib in de bezinkingsbekkens bevatten;
b) Voor elke stof en elk preparaat worden de hoeveelheden geschat die elk jaar bij het proces worden gebruikt. Die schatting wordt voor elk jaar van de geplande duur van de handeling uitgevoerd;
c) Voor elke stof en preparaat moet worden bepaald of het gaat om een gevaarlijke stof in de zin van Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of van Richtlijn 1999/45/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
d ) De gemiddelde hoeveelheid bijkomend water (OQ) jaarlijks opgeslagen in de bezinkingsbekkens moet onder evenwichtsomstandigheden worden berekend volgens de volgende formule:
OQi = (OMi/D)*P
waarbij :
OQi = hoeveelheid bijkomend water (OQ) jaarlijks opgeslagen in de bezinkingsbekkens (m.3 /jaar) in het jaar "i"
OMi = jaarlijkse massa van de in bekkens geloosde stoffen (drooggewicht in ton/jaar) in het jaar "i"
D = gemiddelde droge dichtheid (ton/m.3 )
P = gemiddelde porositeit van de gesedimenteerde stoffen (m.3 /m.3 ), gedefinieerd als de ratio van het volume van de poriën en van het totale volume.
Als er geen exacte gegevens beschikbaar zijn, worden als standaardwaarden 1,4 ton/m.3 voor de droge dichtheid en 0,5 m.3 /m.3 voor de porositeit gebruikt.
e) Voor elke gevaarlijke stof of preparaat, zoals bepaald overeenkomstig punt (a), wordt de maximale concentratie (C max) in de waterfase aan de hand van volgende formule geschat:
C max = het maximum van de volgende waarde: Si/ OQi
waarbij:
Si = jaarlijkse massa van elke stof en preparaat in het bekken zoals bepaald in punt a.
Als de waterfase op basis van de schatting van de maximale concentraties (C max) als gevaarlijk wordt beschouwd in de zin van Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of van Richtlijn 1999/45/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, valt de installatie onder rubriek 90.27.01.03.
2° Voor de bezinkingsbekkens in exploitatie wordt de indeling gebaseerd op de in punt 1 omschreven methodologie of op een directe chemische analyse van het water en de vaste stoffen in de installatie. Als de waterfase en de inhoud ervan als gevaarlijk preparaat worden beschouwd in de zin van Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of van Richtlijn 1999/45/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, valt de installatie onder punt 3° van rubriek 90.27.01.03. "
" Bijlage II - Toepassingscriteria van de rubriek 90.27.01.03 : installaties voor het beheer van winningsafval
A. Rubriek: 90.27.01.03 (punt 1°).
Een installatie voor het beheer van winningsafval valt onder punt 1° van rubriek 90.27.01.03 als de voorspelde gevolgen op korte of lange termijn van een ongeval ten gevolge van een verlies van de structurele integriteit of een onjuiste handeling van de installatie voor afvalbeheer van niet-verwaarloosbaar belang is wat betreft :
c) een risico op levensgevaar,
d) een gevaar voor de volksgezondheid of
e) een effect op het leefmilieu.
De volledige levenscyclus van de installatie, met inbegrip van de fase na de sluiting, wordt in aanmerking genomen voor de evaluatie van het risicopotentieel ervan.
Bij het onderzoek van de hierboven omschreven elementen wordt rekening gehouden met het volgende :
a) onder structurele integriteit van de beheersinstallatie wordt verstaan het vermogen om de afval op de voorziene wijze binnen de grenzen van de installatie te houden;
b) het verlies van de structurele integriteit betreft alle mogelijke ongevalmechanismen i.v.m. de gedekte structuren;
c) de evaluatie van de gevolgen van het verlies van de structurele integriteit houdt rekening met de directe impact van om het even welk materiaal dat ten gevolge van het ongeval uit de installatie wordt verplaatst en de hieruit voortvloeiende effecten op korte en lange termijn;
d) onder onjuiste handelingen wordt verstaan elke handeling die tot een zwaar ongeval kan leiden, met inbegrip van het slecht functioneren van milieubeschermingsmaatregelen en een foutief of ondoelmatig project;
e) de bepaling van het vrijkomen van verontreinigende stoffen ten gevolge van onjuiste handelingen moet rekening houden zowel met een totale afgifte op korte termijn als met het vrijkomen op lange termijn van verontreinigende stoffen. Bij deze bepaling wordt de operationele periode van de installatie bestreken, alsmede de periode na de sluiting op lange termijn. Daarbij worden ook de mogelijke gevaren beoordeeld van installaties die reactief afval bevatten, ongeacht of de afval als gevaarlijk of ongevaarlijk ingedeeld is.
Het mogelijke levensgevaar of gevaar voor de volksgezondheid wordt als van niet noemenswaardig belang beschouwd wanneer mogelijke slachtoffers (met uitzondering van de werknemers) niet permanent of gedurende lange periodes aanwezig zijn in het risicogebied. Letsels die tot invaliditeit of een langdurige slechte gezondheidstoestand leiden, moeten als een ernstig gevaar voor de volksgezondheid worden beschouwd.
Het mogelijke gevaar voor het milieu wordt als verwaarloosbaar beschouwd als:
- de intensiteit van de mogelijke bron van de verontreinigende stof binnen korte tijd significant afneemt;
- het ongeval niet tot permanente of langdurige milieuschade leidt en,
- het getroffen milieu door geringe reinigings- en saneringswerkzaamheden kan worden hersteld.
Bij de bepaling van het mogelijke levensgevaar, gevaar voor de volksgezondheid of effect voor het milieu wordt de specifieke beoordeling van de omvang van de mogelijke effecten in overweging genomen rekening houdend met de context van de keten bron-route-receptor. Wanneer er geen route tussen de bron en de receptor is, wordt de beheersinstallatie niet op basis van een ongeval ten gevolge van een verlies van de structurele integriteit of een onjuiste handeling in categorie 1 ingedeeld.
Bij verlies van de structurele integriteit van de dammen van de voor afval bestemde bezinkingsbekkens worden mensenlevens geacht te worden bedreigd wanneer het water- of slibniveau ten minste 0,7 m boven de bodem ligt of wanneer de water- of slibsnelheid hoger is dan 0,5 m/s. De bepaling van het mogelijke levensgevaar en gevaar voor de volksgezondheid omvat ten minste de volgende factoren :
- de omvang en eigenschappen van de installatie, inclusief het ontwerp;
- de hoeveelheid en de kwaliteit, inclusief de fysische en chemische eigenschappen, van de afvalstoffen in de installatie;
- de topografie van de locatie van de installatie, met inbegrip van de elementen of kenmerken van het reliëf die de modderstromen kunnen dempen;
- de verplaatsingstijd van een vloedgolf naar gebieden waar zich mensen bevinden;
- de voortplantingssnelheid van de vloedgolf;
- het water- of slibniveau;
- de stijgsnelheid van het water- of slibniveau, en
- elke locatiespecifieke factor die het levensgevaar of ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan beïnvloeden.
Bij verschuivingen in afvalbergen wordt een afvalmassa in beweging geacht levensgevaarlijk te zijn als er zich binnen het bereik van de bewegende afvalmassa mensen bevinden. Ten minste de volgende factoren worden in acht genomen:
- de omvang en eigenschappen, met inbegrip van het " design " van de installatie;
- de hoeveelheid en kwaliteit, inclusief de fysische en chemische eigenschappen, van de afvalstoffen in de installatie;
- de hellingsgraad van de berg;
- de mogelijkheid dat zich binnen de afvalberg intern grondwater ophoopt;
- de ondergrondse stabiliteit;
- de topografie, de nabijheid van waterlopen, constructies, gebouwen, enz, en
- mijnwerken;
- andere locatiespecifieke factoren die een significante bijdrage kunnen bijdragen in het risico dat de structuur oplevert.
B. Rubriek: 90.27.01.03 (punt 2°)
Als de ratio (1) van het gewicht van al de gevaarlijke afval die naar verwachting aan het einde van de geplande periode voor de handeling in de installatie aanwezig zal zijn en het gewicht dat naar verwachting aan het einde van dezelfde periode in de installatie aanwezig zal zijn groter is dan 50 %, valt de installatie onder punt 2° van rubriek 90.27.01.03.
(1) Deze ratio moet op basis van het drooggewicht worden bepaald.
Als deze ratio tussen 5 % en 50 % ligt, valt de installatie ook onder punt 2° van rubriek 90.27.01.03. Dat is niet het geval indien de exploitant een rechtvaardiging overlegt op basis van een locatiespecifieke risicobeoordeling, met een specifiek onderzoek naar de effecten van de gevaarlijke afval, die rekening houdt met de gevolgen van een ongeval ten gevolge van een verlies van de integriteit of een onjuiste handeling, en waarbij wordt aangetoond dat de installatie niet onder punt 2° van rubriek 90.27.01.03. valt.
Als de ratio kleiner is dan 5 %, valt de installatie niet onder punt 2° van rubriek 90.27.01.03.
C. Rubriek: 90.27.01.03 (punt 3°)
Om te bepalen of een installatie onder punt 3° van rubriek 90.27.01.03 valt naar gelang van de gevaarlijke stoffen of preparaten aanwezig in de afval, dienen de volgende principes te worden toegepast :
1° Voor de geplande bezinkingsbekkens wordt de volgende methodologie gebruikt :
a) er wordt een inventaris opgemaakt van de stoffen en preparaten die bij het proces worden gebruikt en die bezinkingsslib in de bezinkingsbekkens bevatten;
b) Voor elke stof en elk preparaat worden de hoeveelheden geschat die elk jaar bij het proces worden gebruikt. Die schatting wordt voor elk jaar van de geplande duur van de handeling uitgevoerd;
c) Voor elke stof en preparaat moet worden bepaald of het gaat om een gevaarlijke stof in de zin van Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of van Richtlijn 1999/45/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
d ) De gemiddelde hoeveelheid bijkomend water (OQ) jaarlijks opgeslagen in de bezinkingsbekkens moet onder evenwichtsomstandigheden worden berekend volgens de volgende formule:
OQi = (OMi/D)*P
waarbij :
OQi = hoeveelheid bijkomend water (OQ) jaarlijks opgeslagen in de bezinkingsbekkens (m.3 /jaar) in het jaar "i"
OMi = jaarlijkse massa van de in bekkens geloosde stoffen (drooggewicht in ton/jaar) in het jaar "i"
D = gemiddelde droge dichtheid (ton/m.3 )
P = gemiddelde porositeit van de gesedimenteerde stoffen (m.3 /m.3 ), gedefinieerd als de ratio van het volume van de poriën en van het totale volume.
Als er geen exacte gegevens beschikbaar zijn, worden als standaardwaarden 1,4 ton/m.3 voor de droge dichtheid en 0,5 m.3 /m.3 voor de porositeit gebruikt.
e) Voor elke gevaarlijke stof of preparaat, zoals bepaald overeenkomstig punt (a), wordt de maximale concentratie (C max) in de waterfase aan de hand van volgende formule geschat:
C max = het maximum van de volgende waarde: Si/ OQi
waarbij:
Si = jaarlijkse massa van elke stof en preparaat in het bekken zoals bepaald in punt a.
Als de waterfase op basis van de schatting van de maximale concentraties (C max) als gevaarlijk wordt beschouwd in de zin van Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of van Richtlijn 1999/45/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, valt de installatie onder rubriek 90.27.01.03.
2° Voor de bezinkingsbekkens in exploitatie wordt de indeling gebaseerd op de in punt 1 omschreven methodologie of op een directe chemische analyse van het water en de vaste stoffen in de installatie. Als de waterfase en de inhoud ervan als gevaarlijk preparaat worden beschouwd in de zin van Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of van Richtlijn 1999/45/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, valt de installatie onder punt 3° van rubriek 90.27.01.03. "
Art. 4. Dans le même arrêté, il est ajouté une annexe II rédigée comme suit :
" Annexe II - Critères d'application de la rubrique 90.27.01.03 : installations de gestion de déchets d'extraction.
A. Rubrique : 90.27.01.03 (point 1°).
Une installation de gestion de déchets d'extraction est visée par le point 1° de la rubrique 90.27.01.03 si les conséquences prévisibles à court ou long terme d'un accident dû à la perte de l'intégrité structurelle ou à une opération incorrecte de l'installation de gestion de déchets sont d'importance non négligeable en ce qui concerne :
c) un risque de perte de vies humaines,
d) un danger pour la santé humaine ou
e) un impact sur l'environnement.
Le cycle de vie entier de l'installation, en ce compris la phase postérieure à la fermeture, doit être pris en considération dans l'évaluation du potentiel de risques de l'installation.
Lors de l'examen des éléments décrits ci-dessus, les considérations suivantes sont prises en compte :
a) l'intégrité structurelle de l'installation de gestion signifie sa capacité à contenir les déchets dans les limites de l'installation de la manière prévue;
b) la perte de l'intégrité structurelle concerne tous les mécanismes possibles d'accident en rapport avec les structures couvertes;
c) l'évaluation des conséquences d'une perte de l'intégrité structurelle prend en considération l'impact immédiat de n'importe quel matériau transporté de l'installation comme conséquence de l'accident et les effets en résultant à court et à long terme;
d) les opérations incorrectes signifient tous les opérations qui peuvent faire naître un accident majeur, en ce compris le dysfonctionnement de mesures de protection environnementale et un projet erroné ou inefficace;
e) la détermination de la fuite de contaminants résultants d'opérations incorrectes doit prendre en compte autant les effets dus aux épisodes de relargage de courte durée que de fuites à long terme de contaminants " et doit couvrir la période opérationnelle de l'installation autant que la période à long terme suivant la fermeture. Elle inclut une évaluation des risques potentiels constitués par les installations contenant des déchets réactifs, sans égard pour la classification de déchets dangereux ou non dangereux.
Le risque d'une perte de vies humaines ou d'un danger pour la santé humaine est considéré comme d'importance négligeable si les personnes (à l'exception des travailleurs) qui pourraient être affectées ne se trouvent pas d'un manière permanente ou pour des périodes prolongées sur le territoire à risque. Des blessures conduisant à des handicaps ou des états prolongés de maladie doivent être considérés comme des dangers sérieux pour la santé humaine.
Le risque d'impact sur l'environnement est considéré comme d'importance négligeable si :
- l'intensité de la force de la source potentiellement contaminante décroît de manière significative à court terme;
- l'accident ne conduit pas à un dommage environnemental permanent ou de longue durée et
- l'environnement affecté peut être restauré à l'aide de mesures limitées de nettoyage et de remise en état.
En établissant le risque de perte de vies humaines, de danger pour la santé humaine et d'impact sur l'environnement, les évaluations spécifiques de l'étendue des impacts potentiels doivent être pris en considération dans le contexte de la chaîne " source-transfert-récepteur ". S'il n'y a pas de transfert entre la source et le récepteur, l'installation de gestion ne figure pas en classe 1 sur la base d'un accident dû à la perte de l'intégrité structurelle ou à une opération incorrecte.
En cas de perte de l'intégrité structurelle de digues des bassins de décantation destinés aux déchets fins, il faut considérer que les vies humaines sont menacées si l'eau ou les niveaux de boue s'élèvent au minimum à 0.7 m au-dessus du sol et dépassent une vitesse de 0.5 m/s. Dans la détermination du risque de perte de vies humaines et de danger pour la santé humaine, au minimum les facteurs suivants sont pris en compte :
- la taille et les propriétés de l'installation, en ce compris le mode de conception;
- la quantité et la qualité, en ce compris les propriétés physiques et chimiques des déchets dans l'installation;
- la topographie du site de l'installation, en ce compris les éléments ou caractéristiques du relief susceptibles d'amortir les phénomènes de coulées de boues;
- le temps de trajet des vagues de flots vers les lieux où des gens sont présents;
- la vitesse de propagation des vagues de flots;
- l'eau ou les niveaux de boue;
- le taux de montée de l'eau ou des niveaux de boue et
- n'importe quel facteur spécifique au site qui peut influencer le risque de perte de vies humains ou de danger sérieux pour la santé humaine.
Pour les glissements de tas de déchets, il faut considérer que n'importe quelle masse de déchets en mouvement est susceptible de menacer des vies humaines si des personnes se trouvent dans le périmètre de la masse de déchets qui se déplace. Au minimum les facteurs suivants sont pris en considération :
- la taille et les propriétés, en ce compris le " design " de l'installation;
- la quantité et la qualité, en ce compris les propriétés physiques et chimiques des déchets dans l'installation;
- le degré d'inclinaison du tas;
- la probabilité de constitution d'une nappe d'eau à l'intérieur du tas de déchets;
- la stabilité du sous-sol;
- la topographie, la proximité de cours d'eau, de constructions, d'immeubles, etc. et
- les travaux miniers;
- tout autre facteur spécifique au site qui peut contribuer de manière significative au risque posé par la structure.
B. Rubrique : 90.27.01.03 (point 2°).
Quand le ratio (1) du poids de tous les déchets dangereux prévus pour être présents dans l'installation à la fin de la période planifiée pour l'opération et du poids des déchets prévus pour être présents dans l'installation à la fin de cette même période dépasse 50 %, l'installation est visée par le point 2° de la rubrique 90.27.01.03.
(1) Ce ratio doit être déterminé sur base des poids secs.
Quand ce ratio est compris entre 5 % et 50 %, l'installation est également visée par le point 2° de la rubrique 90.27.01.03. Toutefois, l'installation n'est pas visée si l'exploitant produit une justification sur la base d'une détermination du risque spécifique au site, avec un examen spécifique des effets des déchets dangereux, prenant en considération les conséquences d'un accident dû à une perte d'intégrité ou une opération incorrecte, et démontrant que l'installation n'est pas visée par le point 2° de la rubrique 90.27.01.03.
Quand ce ratio est inférieur à 5 %, l'installation n'est pas visée par le point 2° de la rubrique 90.27.01.03.
C. Rubrique : 90.27.01.03 (point 3°).
Pour déterminer si une installation est visé par le point 3° de la rubrique 90.27.01.03 en fonction des substances ou des préparations dangereuses présentes dans les déchets, il convient d'appliquer les principes suivants :
1° Pour les bassins de décantation prévus, les méthodologies suivantes sont utilisées :
a) Un inventaire des substances et préparations utilisées dans le processus et conséquemment chargées de boues de décantation dans les bassins de décantation doit être réalisé;
b) Pour chaque substance et préparation, les quantités annuelles utilisées dans le processus doivent être estimées. Cette estimation doit être réalisée pour chaque année de la durée prévue de l'opération;
c) Pour chaque substance et préparation, il faut déterminer s'il s'agit d'une substance dangereuse au sens de la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses ou de la Directive 1999/45/CE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la classification, à l'emballage et à l'étiquetage des préparations dangereuses;
d) La quantité moyenne d'eau supplémentaire (OQ) stockée annuellement dans les bassins de décantation doit être calculée, dans des conditions d'état constant, selon la formule suivante :
OQi = (|aOMi/D)*P
où :
OQi = quantité d'eau supplémentaire (OQ) stockée annuellement dans les bassins de décantation (m.3 /an) durant l'année " i "
OMi = masse annuelle de matières dans les bassins (poids sec en tonnes/an) durant l'année " i "
D = moyenne de la densité apparente sèche (tonnes/m.3 )
P = porosité moyenne des matières sédimentées (m.3 /m.3 ) définie comme le ratio du volume des vides et du volume total.
Si des données exactes ne sont pas accessibles, des valeurs par défaut de 1.4 tonnes/m.3 pour la densité apparente sèche et 0.5 m.3 /m.3 pour la porosité doivent être utilisées;
e) Pour chaque substance et préparation identifiée au point (a ), la concentration maximale (C max) dans la phase aqueuse doit être estimée selon la formule suivante :
C max = le maximum de la valeur suivante : Si/ OQi
où :
Si = masse annuelle de chaque substance et préparation se trouvant dans le bassin tel qu'identifié au point a.
Si, sur base de l'estimation des concentrations maximales (C max), la phase aqueuse est considérée comme " dangereuse " au sens de la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses ou de la Directive 1999/45/CE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la classification, à l'emballage et à l'étiquetage des préparations dangereuses, l'installation est visée par la rubrique 90.27.01.03.
2° Pour les bassins de décantation en fonctionnement, la classification doit être basée sur la méthodologie décrite au point 1°, ou sur une analyse chimique directe de l'eau et des matières solides contenue dans l'installation. Si la phase aqueuse et son contenu doivent être considérés comme une préparation dangereuse au sens de la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses ou de la Directive 1999/45/CE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la classification, à l'emballage et à l'étiquetage des préparations dangereuses, l'installation est visée par le point 3° de la rubrique 90.27.01.03. "
" Annexe II - Critères d'application de la rubrique 90.27.01.03 : installations de gestion de déchets d'extraction.
A. Rubrique : 90.27.01.03 (point 1°).
Une installation de gestion de déchets d'extraction est visée par le point 1° de la rubrique 90.27.01.03 si les conséquences prévisibles à court ou long terme d'un accident dû à la perte de l'intégrité structurelle ou à une opération incorrecte de l'installation de gestion de déchets sont d'importance non négligeable en ce qui concerne :
c) un risque de perte de vies humaines,
d) un danger pour la santé humaine ou
e) un impact sur l'environnement.
Le cycle de vie entier de l'installation, en ce compris la phase postérieure à la fermeture, doit être pris en considération dans l'évaluation du potentiel de risques de l'installation.
Lors de l'examen des éléments décrits ci-dessus, les considérations suivantes sont prises en compte :
a) l'intégrité structurelle de l'installation de gestion signifie sa capacité à contenir les déchets dans les limites de l'installation de la manière prévue;
b) la perte de l'intégrité structurelle concerne tous les mécanismes possibles d'accident en rapport avec les structures couvertes;
c) l'évaluation des conséquences d'une perte de l'intégrité structurelle prend en considération l'impact immédiat de n'importe quel matériau transporté de l'installation comme conséquence de l'accident et les effets en résultant à court et à long terme;
d) les opérations incorrectes signifient tous les opérations qui peuvent faire naître un accident majeur, en ce compris le dysfonctionnement de mesures de protection environnementale et un projet erroné ou inefficace;
e) la détermination de la fuite de contaminants résultants d'opérations incorrectes doit prendre en compte autant les effets dus aux épisodes de relargage de courte durée que de fuites à long terme de contaminants " et doit couvrir la période opérationnelle de l'installation autant que la période à long terme suivant la fermeture. Elle inclut une évaluation des risques potentiels constitués par les installations contenant des déchets réactifs, sans égard pour la classification de déchets dangereux ou non dangereux.
Le risque d'une perte de vies humaines ou d'un danger pour la santé humaine est considéré comme d'importance négligeable si les personnes (à l'exception des travailleurs) qui pourraient être affectées ne se trouvent pas d'un manière permanente ou pour des périodes prolongées sur le territoire à risque. Des blessures conduisant à des handicaps ou des états prolongés de maladie doivent être considérés comme des dangers sérieux pour la santé humaine.
Le risque d'impact sur l'environnement est considéré comme d'importance négligeable si :
- l'intensité de la force de la source potentiellement contaminante décroît de manière significative à court terme;
- l'accident ne conduit pas à un dommage environnemental permanent ou de longue durée et
- l'environnement affecté peut être restauré à l'aide de mesures limitées de nettoyage et de remise en état.
En établissant le risque de perte de vies humaines, de danger pour la santé humaine et d'impact sur l'environnement, les évaluations spécifiques de l'étendue des impacts potentiels doivent être pris en considération dans le contexte de la chaîne " source-transfert-récepteur ". S'il n'y a pas de transfert entre la source et le récepteur, l'installation de gestion ne figure pas en classe 1 sur la base d'un accident dû à la perte de l'intégrité structurelle ou à une opération incorrecte.
En cas de perte de l'intégrité structurelle de digues des bassins de décantation destinés aux déchets fins, il faut considérer que les vies humaines sont menacées si l'eau ou les niveaux de boue s'élèvent au minimum à 0.7 m au-dessus du sol et dépassent une vitesse de 0.5 m/s. Dans la détermination du risque de perte de vies humaines et de danger pour la santé humaine, au minimum les facteurs suivants sont pris en compte :
- la taille et les propriétés de l'installation, en ce compris le mode de conception;
- la quantité et la qualité, en ce compris les propriétés physiques et chimiques des déchets dans l'installation;
- la topographie du site de l'installation, en ce compris les éléments ou caractéristiques du relief susceptibles d'amortir les phénomènes de coulées de boues;
- le temps de trajet des vagues de flots vers les lieux où des gens sont présents;
- la vitesse de propagation des vagues de flots;
- l'eau ou les niveaux de boue;
- le taux de montée de l'eau ou des niveaux de boue et
- n'importe quel facteur spécifique au site qui peut influencer le risque de perte de vies humains ou de danger sérieux pour la santé humaine.
Pour les glissements de tas de déchets, il faut considérer que n'importe quelle masse de déchets en mouvement est susceptible de menacer des vies humaines si des personnes se trouvent dans le périmètre de la masse de déchets qui se déplace. Au minimum les facteurs suivants sont pris en considération :
- la taille et les propriétés, en ce compris le " design " de l'installation;
- la quantité et la qualité, en ce compris les propriétés physiques et chimiques des déchets dans l'installation;
- le degré d'inclinaison du tas;
- la probabilité de constitution d'une nappe d'eau à l'intérieur du tas de déchets;
- la stabilité du sous-sol;
- la topographie, la proximité de cours d'eau, de constructions, d'immeubles, etc. et
- les travaux miniers;
- tout autre facteur spécifique au site qui peut contribuer de manière significative au risque posé par la structure.
B. Rubrique : 90.27.01.03 (point 2°).
Quand le ratio (1) du poids de tous les déchets dangereux prévus pour être présents dans l'installation à la fin de la période planifiée pour l'opération et du poids des déchets prévus pour être présents dans l'installation à la fin de cette même période dépasse 50 %, l'installation est visée par le point 2° de la rubrique 90.27.01.03.
(1) Ce ratio doit être déterminé sur base des poids secs.
Quand ce ratio est compris entre 5 % et 50 %, l'installation est également visée par le point 2° de la rubrique 90.27.01.03. Toutefois, l'installation n'est pas visée si l'exploitant produit une justification sur la base d'une détermination du risque spécifique au site, avec un examen spécifique des effets des déchets dangereux, prenant en considération les conséquences d'un accident dû à une perte d'intégrité ou une opération incorrecte, et démontrant que l'installation n'est pas visée par le point 2° de la rubrique 90.27.01.03.
Quand ce ratio est inférieur à 5 %, l'installation n'est pas visée par le point 2° de la rubrique 90.27.01.03.
C. Rubrique : 90.27.01.03 (point 3°).
Pour déterminer si une installation est visé par le point 3° de la rubrique 90.27.01.03 en fonction des substances ou des préparations dangereuses présentes dans les déchets, il convient d'appliquer les principes suivants :
1° Pour les bassins de décantation prévus, les méthodologies suivantes sont utilisées :
a) Un inventaire des substances et préparations utilisées dans le processus et conséquemment chargées de boues de décantation dans les bassins de décantation doit être réalisé;
b) Pour chaque substance et préparation, les quantités annuelles utilisées dans le processus doivent être estimées. Cette estimation doit être réalisée pour chaque année de la durée prévue de l'opération;
c) Pour chaque substance et préparation, il faut déterminer s'il s'agit d'une substance dangereuse au sens de la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses ou de la Directive 1999/45/CE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la classification, à l'emballage et à l'étiquetage des préparations dangereuses;
d) La quantité moyenne d'eau supplémentaire (OQ) stockée annuellement dans les bassins de décantation doit être calculée, dans des conditions d'état constant, selon la formule suivante :
OQi = (|aOMi/D)*P
où :
OQi = quantité d'eau supplémentaire (OQ) stockée annuellement dans les bassins de décantation (m.3 /an) durant l'année " i "
OMi = masse annuelle de matières dans les bassins (poids sec en tonnes/an) durant l'année " i "
D = moyenne de la densité apparente sèche (tonnes/m.3 )
P = porosité moyenne des matières sédimentées (m.3 /m.3 ) définie comme le ratio du volume des vides et du volume total.
Si des données exactes ne sont pas accessibles, des valeurs par défaut de 1.4 tonnes/m.3 pour la densité apparente sèche et 0.5 m.3 /m.3 pour la porosité doivent être utilisées;
e) Pour chaque substance et préparation identifiée au point (a ), la concentration maximale (C max) dans la phase aqueuse doit être estimée selon la formule suivante :
C max = le maximum de la valeur suivante : Si/ OQi
où :
Si = masse annuelle de chaque substance et préparation se trouvant dans le bassin tel qu'identifié au point a.
Si, sur base de l'estimation des concentrations maximales (C max), la phase aqueuse est considérée comme " dangereuse " au sens de la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses ou de la Directive 1999/45/CE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la classification, à l'emballage et à l'étiquetage des préparations dangereuses, l'installation est visée par la rubrique 90.27.01.03.
2° Pour les bassins de décantation en fonctionnement, la classification doit être basée sur la méthodologie décrite au point 1°, ou sur une analyse chimique directe de l'eau et des matières solides contenue dans l'installation. Si la phase aqueuse et son contenu doivent être considérés comme une préparation dangereuse au sens de la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses ou de la Directive 1999/45/CE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la classification, à l'emballage et à l'étiquetage des préparations dangereuses, l'installation est visée par le point 3° de la rubrique 90.27.01.03. "
Art. 5. Dit besluit is niet van toepassing op de installaties voor het beheer van winningsafval die :
- vóór 1 mei 2006 zijn gestopt met het aanvaarden van afval,
- de sluitingsprocedures afronden overeenkomstig de vergunning die op hen van toepassing is, en
- die uiterlijk 31 december 2010 daadwerkelijk gesloten zullen zijn.
- vóór 1 mei 2006 zijn gestopt met het aanvaarden van afval,
- de sluitingsprocedures afronden overeenkomstig de vergunning die op hen van toepassing is, en
- die uiterlijk 31 december 2010 daadwerkelijk gesloten zullen zijn.
Art. 5. Le présent arrêté ne s'applique pas aux installations de gestion de déchets d'extraction qui :
- ont cessé d'accepter des déchets avant le 1er mai 2006;
- achèvent les procédures de fermeture conformément au permis qui les vise, et
- qui seront effectivement fermées d'ici au 31 décembre 2010.
- ont cessé d'accepter des déchets avant le 1er mai 2006;
- achèvent les procédures de fermeture conformément au permis qui les vise, et
- qui seront effectivement fermées d'ici au 31 décembre 2010.
Art. 6. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Namen, 27 mei 2009.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme,
B. LUTGEN
Namen, 27 mei 2009.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme,
B. LUTGEN
Art. 6. Le Ministre de l'Environnement est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Namur, le 27 mai 2009.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Agriculture, de la Ruralité, de l'Environnement et du Tourisme,
B. LUTGEN
Namur, le 27 mai 2009.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Agriculture, de la Ruralité, de l'Environnement et du Tourisme,
B. LUTGEN