Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 DECEMBER 2009. - Programmawet (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2009 en tekstbijwerking tot 25-09-2018)
Titre
23 DECEMBRE 2009. - Loi-programme (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2009 et mise à jour au 25-09-2018)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITEL 2. - Mobiliteit en vervoer
HOOFDSTUK 1. - Samenwerking Federaal Planbureau...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 6 decem...
HOOFDSTUK 3. - Oprichting van begrotingsfondsen
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 19 de...
TITEL 3. - Begroting
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 22 me...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 22 me...
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 29 okto...
HOOFDSTUK 4. - De controle van de vastleggingen
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 5 septe...
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 16 mei ...
HOOFDSTUK 7. - Inwerkingtreding
TITEL 4. - Volksgezondheid
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet betreffen...
Afdeling 1. - Geneesmiddelen
Afdeling 2. - Forfaitarisering geneesmiddelen
Afdeling 3. - Persoonlijk aandeel
Afdeling 4. - Bijdrage doelstelling evenwicht s...
Afdeling 5. - Overeenkomsten- en akkoordencommi...
Afdeling 6. - Heffingen op de omzet
Afdeling 7. - Administratiekosten van de verzek...
Afdeling 8. - Financiële verantwoordelijkheid v...
HOOFDSTUK 2. - Financiering van de representati...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 27 ap...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet betreffen...
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de organieke wet v...
HOOFDSTUK 6. - Prijsblokkering
TITEL 5. - Sociale zaken
HOOFDSTUK 1. - Alternatieve financiering
HOOFDSTUK 2. - Sociale fraude
Afdeling 1. - Regularisaties
Afdeling 2. - Forfaitaire beroepskosten
Afdeling 3. - Elektronische registratie van de ...
Afdeling 4. - Wijziging van artikel 30bis van d...
Afdeling 5. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 3. - Sigedis
HOOFDSTUK 4. - Beroepsziekten
HOOFDSTUK 5. - Dotaties sociale zekerheid
HOOFDSTUK 6. - Fonds voor de toekomst van de ge...
HOOFDSTUK 7. - Aanpassing van de grenzen voor d...
TITEL 6. - Zelfstandigen en kmo's
HOOFDSTUK 1. - Fonds voor het welzijn der zelfs...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk bes...
Afdeling 1. - Verzoening tussen het professione...
Afdeling 2. - Vrijstelling van de sociale bijdr...
Afdeling 3. - Administratieve sanctie in geval ...
HOOFDSTUK 3. - Diverse wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Jaarlijkse bijdrage ten laste va...
HOOFDSTUK 5. - Financiering van het Asbestfonds
TITEL 7. - Werk
HOOFDSTUK 1. - Betaald educatief verlof
HOOFDSTUK 2. - Afroming van de reserves van de ...
HOOFDSTUK 3. - Arbeidsongevallen
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van hoofdstuk VI van T...
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 30 juni...
TITEL 8. - Financiën
HOOFDSTUK 1. - Inkomstenbelastingen
Afdeling 1. - Wijzigingen met betrekking tot na...
Afdeling 2. - Wijzigingen met betrekking tot re...
Afdeling 3. - Wijzigingen met betrekking tot de...
Afdeling 4. - Steun aan de landbouw
HOOFDSTUK 2. - Belasting over de toegevoegde wa...
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Wetboek van de...
HOOFDSTUK 4. - Gegevensuitwisseling
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van d...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van d...
Afdeling 3. - Wijzigingen van het Wetboek diver...
Afdeling 4. - Wijzigingen van het Wetboek der r...
Afdeling 5. - Wijzigingen van het Wetboek der s...
Afdeling 6. - Wijzigingen van de algemene wet i...
Afdeling 7. - Wijzigingen van het Wetboek van d...
HOOFDSTUK 5. - Accijnzen
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 22 ma...
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de economische her...
HOOFDSTUK 8. - Dotaties
TITEL 9. - Energie
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 11 apri...
HOOFDSTUK 2. - Fonds voor de bevordering en de ...
TITEL 10. - Diverse bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Fonds ter bestrijding van de ove...
HOOFDSTUK 2. - Federaal Agentschap voor de Veil...
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 9 dece...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk be...
HOOFDSTUK 3. - Oprichting van een Staatsdienst ...
HOOFDSTUK 4. - Spoorwegen
HOOFDSTUK 5. - Kruispuntbank van Ondernemingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 16 jan...
Afdeling 2. - Wijziging van de organieke wet va...
HOOFDSTUK 6. - Overdracht middelen BIPT naar de...
Inhoud
TITRE 1er. - Disposition générale
TITRE 2. - Mobilité et transports
CHAPITRE 1er. - Coopération entre le Bureau féd...
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 6 décem...
CHAPITRE 3. - Création de fonds budgétaires
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 19 déc...
TITRE 3. - Budget
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 22 m...
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 22 mai...
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 29 octo...
CHAPITRE 4. - Du contrôle des engagements
CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 5 septe...
CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 16 mai ...
CHAPITRE 7. - Entrée en vigueur
TITRE 4. - Santé publique
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi relativ...
Section 1re. - Médicaments
Section 2. - Forfaitarisation médicaments
Section 3. - Intervention personnelle
Section 4. - Contribution à l'objectif d'équili...
Section 5. - Commissions de conventions et d'ac...
Section 6. - Cotisations sur le chiffre d'affaires
Section 7. - Frais d'administration des organis...
Section 8. - Responsabilité financière des orga...
CHAPITRE 2. - Financement des coupoles représen...
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 27 avr...
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi relative ...
CHAPITRE 5. - Modification de la loi organique ...
CHAPITRE 6. - Blocage des prix
TITRE 5. - Affaires sociales
CHAPITRE 1er. - Financement alternatif
CHAPITRE 2. - Fraude sociale
Section 1re. - Régularisations
Section 2. - Frais professionnel forfaitaire
Section 3. - Enregistrement électronique de la ...
Section 4. - Modification de l'article 30bis de...
Section 5. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 3. - Sigedis
CHAPITRE 4. - Maladies professionnelles
CHAPITRE 5. - Dotations sécurité sociale
CHAPITRE 6. - Fonds pour l'avenir des soins de ...
CHAPITRE 7. - Adaptation des bornes de réductio...
TITRE 6. - Indépendants et pme
CHAPITRE 1er. - Fonds pour le bien-être des ind...
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté royal n°...
Section 1re. - Conciliation entre la vie profes...
Section 2. - Dispenses de cotisations sociales
Section 3. - Sanction administrative en cas de ...
CHAPITRE 3. - Modifications diverses
CHAPITRE 4. - Cotisation annuelle à charge de c...
CHAPITRE 5. - Financement du Fonds Amiante
TITRE 7. - Emploi
CHAPITRE 1er. - Congé-éducation payé
CHAPITRE 2. - Prélèvement sur les réserves des ...
CHAPITRE 3. - Accidents de travail
CHAPITRE 4. - Modification du Chapitre VI du Ti...
CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 30 juin...
TITRE 8. - Finances
CHAPITRE 1er. - Impôts sur les revenus
Section 1re. - Modifications concernant les per...
Section 2. - Modifications concernant les perso...
Section 3. - Modifications en matière d'établis...
Section 4. - Aide à l'agriculture
CHAPITRE 2. - Taxe sur la valeur ajoutée en mat...
CHAPITRE 3. - Modification du Code des taxes as...
CHAPITRE 4. - Echange de données
Section 1re. - Modifications du Code des impôts...
Section 2. - Modifications du Code de la taxe s...
Section 3. - Modifications du Code des droits e...
Section 4. - Modifications du Code des droits d...
Section 5. - Modifications du Code des droits d...
Section 6. - Modifications de la loi générale s...
Section 7. - Modifications du Code des taxes as...
CHAPITRE 5. - Accises
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 22 mar...
CHAPITRE 7. - Modification de la loi de relance...
CHAPITRE 8. - Dotations
TITRE 9. - Energie
CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 11 av...
CHAPITRE 2. - Fonds pour la promotion et le sou...
TITRE 10. - Dispositions diverses
CHAPITRE 1er. - Fonds de traitement du surendet...
CHAPITRE 2. - Agence fédérale pour la Sécurité ...
Section 1re. - Modifications de la loi du 9 déc...
Section 2. - Modifications de l'arrêté royal du...
CHAPITRE 3. - Création d'un service de l'Etat à...
CHAPITRE 4. - Chemins de fer
CHAPITRE 5. - Banque-Carrefour des Entreprises
Section 1re. - Modifications de la loi du 16 ja...
Section 2. - Modification de la loi organique d...
CHAPITRE 6. - Transfert moyens IBPT vers le SPF...
Tekst (301)
Texte (301)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL 2. - Mobiliteit en vervoer
TITRE 2. - Mobilité et transports
HOOFDSTUK 1. - Samenwerking Federaal Planbureau en de FOD Mobiliteit en Vervoer
CHAPITRE 1er. - Coopération entre le Bureau fédéral du Plan et le SPF Mobilité et Transports
Art. 2. In artikel 127, § 2, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd bij de programmawet van 17 juni 2009, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
" Voor wat de mobiliteit aangaat, bezorgt het Federaal Planbureau de FOD Mobiliteit en Vervoer statistische inlichtingen. Het ontwikkelt en onderhoudt een geïntegreerde gegevensbank met vervoersindicatoren en opmaak van satellietrekeningen voor transport. Op vraag van en in overleg met de FOD Mobiliteit en Vervoer maakt het ook regelmatig transportsimulaties met een impactanalyse en analyseert het de beleidsopties. Deze diensten worden verleend op basis van een samenwerkingsakkoord tussen beide partijen dat een beschrijving geeft van het jaarlijkse werkprogramma, de uitvoeringswijze en de timing waarmee de diensten worden gerealiseerd, en de wijze waarop de informatie wordt gecommuniceerd. ".
" Voor wat de mobiliteit aangaat, bezorgt het Federaal Planbureau de FOD Mobiliteit en Vervoer statistische inlichtingen. Het ontwikkelt en onderhoudt een geïntegreerde gegevensbank met vervoersindicatoren en opmaak van satellietrekeningen voor transport. Op vraag van en in overleg met de FOD Mobiliteit en Vervoer maakt het ook regelmatig transportsimulaties met een impactanalyse en analyseert het de beleidsopties. Deze diensten worden verleend op basis van een samenwerkingsakkoord tussen beide partijen dat een beschrijving geeft van het jaarlijkse werkprogramma, de uitvoeringswijze en de timing waarmee de diensten worden gerealiseerd, en de wijze waarop de informatie wordt gecommuniceerd. ".
Art. 2. Dans l'article 127, § 2, de la loi du 21 décembre 1994 portant sur les dispositions sociales et diverses, modifié par la loi-programme du 17 juin 2009, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
" En matière de mobilité, le Bureau fédéral du Plan fournit au SPF Mobilité et Transports des informations statistiques, avec développement et entretien d'une base de données intégrée d'indicateurs de transport et calcul de comptes satellites transport. De plus, il réalise régulièrement des simulations de transport avec analyse d'impact et des analyses de politiques, à la demande et en concertation avec le SPF Mobilité et Transports. Ces prestations sont fournies sur base d'un accord de collaboration conclu entre les 2 parties, décrivant notamment le programme de travail annuel, les modalités et le timing de réalisation des prestations, et les modalités de la communication des informations. ".
" En matière de mobilité, le Bureau fédéral du Plan fournit au SPF Mobilité et Transports des informations statistiques, avec développement et entretien d'une base de données intégrée d'indicateurs de transport et calcul de comptes satellites transport. De plus, il réalise régulièrement des simulations de transport avec analyse d'impact et des analyses de politiques, à la demande et en concertation avec le SPF Mobilité et Transports. Ces prestations sont fournies sur base d'un accord de collaboration conclu entre les 2 parties, décrivant notamment le programme de travail annuel, les modalités et le timing de réalisation des prestations, et les modalités de la communication des informations. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 6 décembre 2005 relative à l'établissement et financement de plans d'action en matière de sécurité routière
Art. 3. In artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid, gewijzigd bij de programmawet van 8 juni 2008, wordt een eerste streepje ingevoegd, luidend als volgt :
" - het door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaald bedrag, dat toegekend wordt aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer voor de opvolging van het verkeersveiligheidsbeleid van de politiediensten in overleg met de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. ".
" - het door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaald bedrag, dat toegekend wordt aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer voor de opvolging van het verkeersveiligheidsbeleid van de politiediensten in overleg met de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. ".
Art. 3. A l'article 5, § 1er, 2°, de la loi du 6 décembre 2005 relative à l'établissement et financement de plans d'action en matière de sécurité routière, modifié par la loi-programme du 8 juin 2008, un premier tiret est inséré, libellé comme suit :
" - le montant fixé par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, qui est octroyé au Service public fédéral Mobilité et Transports pour le suivi de la politique en matière de sécurité routière des services de police, en concertation avec le Service public fédéral Intérieur. ".
" - le montant fixé par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, qui est octroyé au Service public fédéral Mobilité et Transports pour le suivi de la politique en matière de sécurité routière des services de police, en concertation avec le Service public fédéral Intérieur. ".
HOOFDSTUK 3. - Oprichting van begrotingsfondsen
CHAPITRE 3. - Création de fonds budgétaires
Art. 4. § 1. Bij toepassing van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, wordt een begrotingsfonds betreffende de werking van het onderzoeksorgaan voor de spoorwegongevallen opgericht.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 24 december 1993, wordt de rubriek 33 - Mobiliteit en Vervoer, aangevuld als volgt :
" Benaming van het organiek begrotingsfonds :
33-10 Fonds betreffende de werking van het onderzoeksorgaan voor de spoorwegongevallen.
Aard van de toegewezen ontvangsten
De bijdragen die door de infrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen verschuldigd zijn als deelneming in de werkingskosten van het onderzoeksorgaan voor de spoorwegongevallen.
Aard van de toegestane uitgaven
Personeels- en werkingskosten van allerhande aard met betrekking tot het onderzoeksorgaan voor de spoorwegongevallen. ".
§ 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 24 december 1993, wordt de rubriek 33 - Mobiliteit en Vervoer, aangevuld als volgt :
" Benaming van het organiek begrotingsfonds :
33-10 Fonds betreffende de werking van het onderzoeksorgaan voor de spoorwegongevallen.
Aard van de toegewezen ontvangsten
De bijdragen die door de infrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen verschuldigd zijn als deelneming in de werkingskosten van het onderzoeksorgaan voor de spoorwegongevallen.
Aard van de toegestane uitgaven
Personeels- en werkingskosten van allerhande aard met betrekking tot het onderzoeksorgaan voor de spoorwegongevallen. ".
Art. 4. § 1er. Par application de l'article 62 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, un fonds budgétaire relatif au fonctionnement de l'organisme d'enquête sur les accidents ferroviaires est créé.
§ 2. Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant les fonds budgétaires, modifié par la loi du 24 décembre 1993, la rubrique 33 - Mobilité et Transports, est complétée comme suit :
" Dénomination du fonds budgétaire organique :
33-10 Fonds relatif au fonctionnement de l'organisme d'enquête sur les accidents ferroviaires.
Nature des recettes affectées
Les contributions à charge du gestionnaire d'infrastructure et des entreprises ferroviaires en tant que participation aux frais de fonctionnement de l'organisme d'enquête sur les accidents ferroviaires.
Nature des dépenses autorisées
Frais de personnel et de fonctionnement de toute nature concernant l'organisme d'enquête sur les accidents ferroviaires. ".
§ 2. Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant les fonds budgétaires, modifié par la loi du 24 décembre 1993, la rubrique 33 - Mobilité et Transports, est complétée comme suit :
" Dénomination du fonds budgétaire organique :
33-10 Fonds relatif au fonctionnement de l'organisme d'enquête sur les accidents ferroviaires.
Nature des recettes affectées
Les contributions à charge du gestionnaire d'infrastructure et des entreprises ferroviaires en tant que participation aux frais de fonctionnement de l'organisme d'enquête sur les accidents ferroviaires.
Nature des dépenses autorisées
Frais de personnel et de fonctionnement de toute nature concernant l'organisme d'enquête sur les accidents ferroviaires. ".
Art. 5. § 1. Bij toepassing van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, wordt een begrotingsfonds betreffende de werking van de Veiligheidsinstantie van de spoorwegen opgericht.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 24 december 1993, wordt de rubriek 33 - Mobiliteit en Vervoer, aangevuld als volgt :
" Benaming van het organiek begrotingsfonds :
33-9 Fonds betreffende de werking van de Veiligheidsinstantie van de spoorwegen.
Aard van de toegewezen ontvangsten
- vergoedingen, verschuldigd door de aanvragers, voor de prestaties te verlenen door de Veiligheidsinstantie van de spoorwegen;
- jaarlijkse bijdrage ten laste van de infrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen voor het toezicht op de veiligheid.
Aard van de toegestane uitgaven
Personeels- en werkingskosten van allerhande aard met betrekking tot de Veiligheidsinstantie van de spoorwegen. ".
§ 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 24 december 1993, wordt de rubriek 33 - Mobiliteit en Vervoer, aangevuld als volgt :
" Benaming van het organiek begrotingsfonds :
33-9 Fonds betreffende de werking van de Veiligheidsinstantie van de spoorwegen.
Aard van de toegewezen ontvangsten
- vergoedingen, verschuldigd door de aanvragers, voor de prestaties te verlenen door de Veiligheidsinstantie van de spoorwegen;
- jaarlijkse bijdrage ten laste van de infrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen voor het toezicht op de veiligheid.
Aard van de toegestane uitgaven
Personeels- en werkingskosten van allerhande aard met betrekking tot de Veiligheidsinstantie van de spoorwegen. ".
Art. 5. § 1er. Par application de l'article 62 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, un fonds budgétaire relatif au fonctionnement de l'Autorité de sécurité ferroviaire est créé.
§ 2. Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant les fonds budgétaires, modifié par la loi du 24 décembre 1993, la rubrique 33 - Mobilité et Transports, est complétée comme suit :
" Dénomination du fonds budgétaire organique :
33-9 Fonds relatif au fonctionnement de l'Autorité de sécurité ferroviaire.
Nature des recettes affectées
- redevances dues par les demandeurs pour les prestations fournies par l'Autorité de sécurité ferroviaire;
- contribution annuelle à charge du gestionnaire d'infrastructure et des entreprises ferroviaires pour la surveillance de la sécurité.
Nature des dépenses autorisées
Frais de personnel et de fonctionnement de toute nature concernant l'Autorité de sécurité ferroviaire. ".
§ 2. Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant les fonds budgétaires, modifié par la loi du 24 décembre 1993, la rubrique 33 - Mobilité et Transports, est complétée comme suit :
" Dénomination du fonds budgétaire organique :
33-9 Fonds relatif au fonctionnement de l'Autorité de sécurité ferroviaire.
Nature des recettes affectées
- redevances dues par les demandeurs pour les prestations fournies par l'Autorité de sécurité ferroviaire;
- contribution annuelle à charge du gestionnaire d'infrastructure et des entreprises ferroviaires pour la surveillance de la sécurité.
Nature des dépenses autorisées
Frais de personnel et de fonctionnement de toute nature concernant l'Autorité de sécurité ferroviaire. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 19 décembre 2006 relative à la sécurité d'exploitation ferroviaire
Art. 6. In artikel 12 van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
" 1° de toelating tot ingebruikname van de subsystemen van structurele aard die samen het spoorwegsysteem vormen en het controleren of deze subsystemen worden geëxploiteerd en onderhouden overeenkomstig de essentiële eisen die erop betrekking hebben; ";
2° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° de toelating tot ingebruikname van voertuigen; ".
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
" 1° de toelating tot ingebruikname van de subsystemen van structurele aard die samen het spoorwegsysteem vormen en het controleren of deze subsystemen worden geëxploiteerd en onderhouden overeenkomstig de essentiële eisen die erop betrekking hebben; ";
2° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° de toelating tot ingebruikname van voertuigen; ".
Art. 6. A l'article 12 de la loi du 19 décembre 2006 relative à la sécurité d'exploitation ferroviaire, modifié par la loi-programme du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° l'autorisation de la mise en service des sous-systèmes de nature structurelle constituant le système ferroviaire et la vérification de ce qu'ils sont exploités et entretenus conformément aux exigences essentielles les concernant; ";
2° le 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° l'autorisation de la mise en service des véhicules; ".
1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° l'autorisation de la mise en service des sous-systèmes de nature structurelle constituant le système ferroviaire et la vérification de ce qu'ils sont exploités et entretenus conformément aux exigences essentielles les concernant; ";
2° le 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° l'autorisation de la mise en service des véhicules; ".
Art. 7. In artikel 14/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de paragrafen 1, 2 en 3 worden vervangen als volgt :
" § 1. De aanvrager van een toelating als bedoeld in artikel 12, 1° of 3° is, als deelneming in de kosten van het onderzoek door de veiligheidsinstantie, een aan de kostprijs van dat onderzoek gerelateerde bijdrage verschuldigd.
§ 2. De aanvrager van een toelating als bedoeld in artikel 12, 1° of 3° is, als deelneming in de administratieve kosten van de veiligheidsinstantie, voor de aflevering van die toelating een geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 750 euro.
§ 3. De titularis van een toelating als bedoeld in artikel 12, 1° of 3° is, als deelname in de kosten van de controle door de veiligheidsinstantie, een aan de kostprijs van die controle gerelateerde bijdrage verschuldigd. ";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
1° de paragrafen 1, 2 en 3 worden vervangen als volgt :
" § 1. De aanvrager van een toelating als bedoeld in artikel 12, 1° of 3° is, als deelneming in de kosten van het onderzoek door de veiligheidsinstantie, een aan de kostprijs van dat onderzoek gerelateerde bijdrage verschuldigd.
§ 2. De aanvrager van een toelating als bedoeld in artikel 12, 1° of 3° is, als deelneming in de administratieve kosten van de veiligheidsinstantie, voor de aflevering van die toelating een geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 750 euro.
§ 3. De titularis van een toelating als bedoeld in artikel 12, 1° of 3° is, als deelname in de kosten van de controle door de veiligheidsinstantie, een aan de kostprijs van die controle gerelateerde bijdrage verschuldigd. ";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 7. A l'article 14/1 de la même loi, inséré par la loi-programme du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° les paragraphes 1er, 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
" § 1er. Le demandeur de l'autorisation visée à l'article 12, 1° ou 3° est redevable, à titre de participation dans les frais d'examen de l'autorité de sécurité, d'une redevance liée au prix de revient de cet examen.
§ 2. Le demandeur de l'autorisation visée à l'article 12, 1° ou 3° est redevable, à titre de participation dans les frais d'examen de l'autorité de sécurité, d'une redevance indexée pour l'octroi de cette autorisation.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 750 euros.
§ 3. Le titulaire d'une autorisation visée à l'article 12, 1° ou 3° est redevable, à titre de participation dans les frais de contrôle de l'autorité de sécurité, d'une redevance liée au prix de revient de ce contrôle. ";
2° le paragraphe 4 est abrogé.
1° les paragraphes 1er, 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
" § 1er. Le demandeur de l'autorisation visée à l'article 12, 1° ou 3° est redevable, à titre de participation dans les frais d'examen de l'autorité de sécurité, d'une redevance liée au prix de revient de cet examen.
§ 2. Le demandeur de l'autorisation visée à l'article 12, 1° ou 3° est redevable, à titre de participation dans les frais d'examen de l'autorité de sécurité, d'une redevance indexée pour l'octroi de cette autorisation.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 750 euros.
§ 3. Le titulaire d'une autorisation visée à l'article 12, 1° ou 3° est redevable, à titre de participation dans les frais de contrôle de l'autorité de sécurité, d'une redevance liée au prix de revient de ce contrôle. ";
2° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 8. In artikel 14/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2008, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
" De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 20 euro. ".
" De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 20 euro. ".
Art. 8. A l'article 14/2 de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2008, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
" La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 20 euros. ".
" La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 20 euros. ".
Art. 9. In artikel 14/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt het woord " register " vervangen door de woorden " nationaal voertuigregister ";
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 2 euro. ";
4° paragraaf 4 wordt opgeheven.
1° paragraaf 1 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt het woord " register " vervangen door de woorden " nationaal voertuigregister ";
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 2 euro. ";
4° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 9. A l'article 14/3 de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est abrogé;
2° au paragraphe 2, le mot " registre " est remplacé par les mots " registre national des véhicules ";
3° le paragraphe 2 est complété par l'alinéa suivant :
" La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 2 euros. ";
4° le paragraphe 4 est abrogé.
1° le paragraphe 1er est abrogé;
2° au paragraphe 2, le mot " registre " est remplacé par les mots " registre national des véhicules ";
3° le paragraphe 2 est complété par l'alinéa suivant :
" La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 2 euros. ";
4° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 10. In artikel 14/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt het woord " geïndexeerde " ingevoegd tussen het woord " een " en het woord " bijdrage ";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 280 euro. ".
1° in het eerste lid wordt het woord " geïndexeerde " ingevoegd tussen het woord " een " en het woord " bijdrage ";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 280 euro. ".
Art. 10. A l'article 14/4 de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, le mot " indexée " est ajouté après le mot " redevance ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 280 euros. ".
1° à l'alinéa 1er, le mot " indexée " est ajouté après le mot " redevance ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 280 euros. ".
Art. 11. In titel II, hoofdstuk II, afdeling 2/1 van dezelfde wet wordt een artikel 14/4bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 14/4bis. § 1. De bijdrage bedoeld in het artikel 14/1, § 1, wordt berekend per dagprestatie en fractie van een dagprestatie die door de veiligheidsinstanties aan de gevraagde dienst worden besteed.
De vergoeding voor een dagprestatie bedraagt 750 euro en is geïndexeerd.
§ 2. Het bedrag van de in artikelen 14/1 tot 14/4 bedoelde forfaitaire bijdragen en van de in § 1 bedoelde dagprestatie wordt gekoppeld aan de gezondheidsindex van december 2009.
Voor de volgende jaren wordt het totale bedrag jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van december van het jaar voor het betrokken jaar.
§ 3. De in de artikelen 14/1 tot 14/4 bedoelde bijdragen worden betaald aan de FOD Mobiliteit en Vervoer ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de uitnodiging tot betaling en volgens de instructies die in die uitnodiging zijn opgenomen. ".
" Art. 14/4bis. § 1. De bijdrage bedoeld in het artikel 14/1, § 1, wordt berekend per dagprestatie en fractie van een dagprestatie die door de veiligheidsinstanties aan de gevraagde dienst worden besteed.
De vergoeding voor een dagprestatie bedraagt 750 euro en is geïndexeerd.
§ 2. Het bedrag van de in artikelen 14/1 tot 14/4 bedoelde forfaitaire bijdragen en van de in § 1 bedoelde dagprestatie wordt gekoppeld aan de gezondheidsindex van december 2009.
Voor de volgende jaren wordt het totale bedrag jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van december van het jaar voor het betrokken jaar.
§ 3. De in de artikelen 14/1 tot 14/4 bedoelde bijdragen worden betaald aan de FOD Mobiliteit en Vervoer ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de uitnodiging tot betaling en volgens de instructies die in die uitnodiging zijn opgenomen. ".
Art. 11. Dans le titre II, chapitre II, section 2/1 de la même loi, il est inséré un article 14/4bis, rédigé comme suit :
" Art. 14/4bis. § 1er. La redevance visée à l'article 14/1, § 1er, est calculée par prestation journalière et par fraction de prestation journalière fournie par l'Autorité de sécurité pour le service demandé.
La rémunération pour une prestation journalière s'élève à 750 euros et est indexée.
§ 2. Le montant des redevances forfaitaires visées aux articles 14/1 à 14/4 et de la prestation journalière visée au § 1er est lié à l'indice santé de décembre 2009.
Pour les années suivantes, le montant total est adapté chaque année sur base de l'indice santé de décembre de l'année précédant l'année en question.
§ 3. Les redevances visées aux articles 14/1 à 14/4 sont payées au Service public fédéral Mobilité et Transports, au plus tard trente jours après la date de l'invitation à payer et en suivant les instructions figurant dans cette invitation. ".
" Art. 14/4bis. § 1er. La redevance visée à l'article 14/1, § 1er, est calculée par prestation journalière et par fraction de prestation journalière fournie par l'Autorité de sécurité pour le service demandé.
La rémunération pour une prestation journalière s'élève à 750 euros et est indexée.
§ 2. Le montant des redevances forfaitaires visées aux articles 14/1 à 14/4 et de la prestation journalière visée au § 1er est lié à l'indice santé de décembre 2009.
Pour les années suivantes, le montant total est adapté chaque année sur base de l'indice santé de décembre de l'année précédant l'année en question.
§ 3. Les redevances visées aux articles 14/1 à 14/4 sont payées au Service public fédéral Mobilité et Transports, au plus tard trente jours après la date de l'invitation à payer et en suivant les instructions figurant dans cette invitation. ".
Art. 12. In titel II, hoofdstuk IV, van dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling 3 vervangen als volgt :
" Afdeling 3. - Bijdragen naar aanleiding van de aanvraag of het bezit van een veiligheidsvergunning of een veiligheidscertificaat ".
" Afdeling 3. - Bijdragen naar aanleiding van de aanvraag of het bezit van een veiligheidsvergunning of een veiligheidscertificaat ".
Art. 12. Au titre II, chapitre IV, de la même loi, le titre de la section 3 est remplacé par ce qui suit :
" Section 3. - La redevance liée à la demande ou à la détention d'un agrément de sécurité ou d'un certificat de sécurité ".
" Section 3. - La redevance liée à la demande ou à la détention d'un agrément de sécurité ou d'un certificat de sécurité ".
Art. 13. Artikel 33 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt :
" Art. 33. § 1. De aanvrager van een veiligheidscertificaat deel A of deel B is als deelneming in de kosten van de Veiligheidsinstantie voor het onderzoek van het dossier een geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 5.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel A.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 2.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die op jaarbasis minder dan 200 miljoen reizigers-kilometers presteert.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 10.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die op jaarbasis 200 miljoen reizigers-kilometers of meer presteert.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 2.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die, op jaarbasis, minder dan 500 miljoen ton-kilometers goederenvervoer presteert.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 10.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die, op jaarbasis, 500 miljoen ton-kilometers of meer goederenvervoer presteert.
Voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die zowel reizigers als goederen vervoert, worden de bedragen die overeenkomstig het derde tot het zesde lid van toepassing zijn, opgeteld.
§ 2. De aanvrager van een veiligheidsvergunning is als deelneming in de kosten van de Veiligheidsinstantie voor het onderzoek van het dossier een geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 25.000 euro.
§ 3. Het bedrag van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde bijdragen wordt gekoppeld aan de gezondheidsindex van december 2009. Voor de volgende jaren wordt het totale bedrag jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van december van het jaar vóór het betrokken jaar.
De bijdragen worden betaald aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de uitnodiging tot betaling en volgens de instructies die in die uitnodiging zijn opgenomen.
De bijdragen worden niet teruggestort bij intrekking van het veiligheidscertificaat deel A, van het veiligheidscertificaat deel B of van de veiligheidsvergunning of bij stopzetting van de activiteiten waarvoor deze certificaten of deze vergunning gelden. ".
" Art. 33. § 1. De aanvrager van een veiligheidscertificaat deel A of deel B is als deelneming in de kosten van de Veiligheidsinstantie voor het onderzoek van het dossier een geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 5.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel A.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 2.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die op jaarbasis minder dan 200 miljoen reizigers-kilometers presteert.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 10.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die op jaarbasis 200 miljoen reizigers-kilometers of meer presteert.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 2.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die, op jaarbasis, minder dan 500 miljoen ton-kilometers goederenvervoer presteert.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 10.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die, op jaarbasis, 500 miljoen ton-kilometers of meer goederenvervoer presteert.
Voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die zowel reizigers als goederen vervoert, worden de bedragen die overeenkomstig het derde tot het zesde lid van toepassing zijn, opgeteld.
§ 2. De aanvrager van een veiligheidsvergunning is als deelneming in de kosten van de Veiligheidsinstantie voor het onderzoek van het dossier een geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
De in het eerste lid bedoelde bijdrage is vastgesteld op 25.000 euro.
§ 3. Het bedrag van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde bijdragen wordt gekoppeld aan de gezondheidsindex van december 2009. Voor de volgende jaren wordt het totale bedrag jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex van december van het jaar vóór het betrokken jaar.
De bijdragen worden betaald aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de uitnodiging tot betaling en volgens de instructies die in die uitnodiging zijn opgenomen.
De bijdragen worden niet teruggestort bij intrekking van het veiligheidscertificaat deel A, van het veiligheidscertificaat deel B of van de veiligheidsvergunning of bij stopzetting van de activiteiten waarvoor deze certificaten of deze vergunning gelden. ".
Art. 13. L'article 33 de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 33. § 1er. Il est dû par le demandeur d'un certificat de sécurité, partie A ou partie B, au titre de participation aux coûts de l'examen du dossier par l'Autorité de sécurité, une redevance indexée.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 5.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie A.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 2.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui réalise, sur base annuelle, moins de 200 millions de voyageurs-kilomètres.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 10.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui réalise, sur base annuelle, 200 millions de voyageurs-kilomètres ou plus.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 2.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui réalise, sur base annuelle, moins de 500 millions de tonnes-kilomètres de transport de marchandises.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 10.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui réalise, sur base annuelle, 500 millions de tonnes-kilomètres ou plus de transport de marchandises.
Pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui transporte aussi bien des voyageurs que des marchandises, les montants d'application sur base des alinéas trois à six sont additionnés.
§ 2. Il est dû par le demandeur d'un agrément de sécurité, au titre de participation aux coûts de l'examen du dossier par l'Autorité de sécurité, une redevance indexée.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 25.000 euros.
§ 3. Le montant des redevances visées aux paragraphes 1er et 2 est lié à l'indice santé de décembre 2009. Pour les années suivantes, le montant total est adapté chaque année sur base de l'indice santé de décembre de l'année précédant l'année en question.
Les redevances sont payées au Service public fédéral Mobilité et Transports, au plus tard trente jours après la date de l'invitation à payer et en suivant les instructions figurant dans cette invitation.
Les redevances ne sont pas remboursées en cas de retrait du certificat de sécurité partie A, du certificat de sécurité partie B ou de l'agrément de sécurité, ou en cas de cessation de l'exercice des activités couvertes par ces certificats ou cet agrément. ".
" Art. 33. § 1er. Il est dû par le demandeur d'un certificat de sécurité, partie A ou partie B, au titre de participation aux coûts de l'examen du dossier par l'Autorité de sécurité, une redevance indexée.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 5.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie A.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 2.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui réalise, sur base annuelle, moins de 200 millions de voyageurs-kilomètres.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 10.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui réalise, sur base annuelle, 200 millions de voyageurs-kilomètres ou plus.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 2.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui réalise, sur base annuelle, moins de 500 millions de tonnes-kilomètres de transport de marchandises.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 10.000 euros pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui réalise, sur base annuelle, 500 millions de tonnes-kilomètres ou plus de transport de marchandises.
Pour le demandeur d'un certificat de sécurité partie B qui transporte aussi bien des voyageurs que des marchandises, les montants d'application sur base des alinéas trois à six sont additionnés.
§ 2. Il est dû par le demandeur d'un agrément de sécurité, au titre de participation aux coûts de l'examen du dossier par l'Autorité de sécurité, une redevance indexée.
La redevance visée à l'alinéa 1er est fixée à 25.000 euros.
§ 3. Le montant des redevances visées aux paragraphes 1er et 2 est lié à l'indice santé de décembre 2009. Pour les années suivantes, le montant total est adapté chaque année sur base de l'indice santé de décembre de l'année précédant l'année en question.
Les redevances sont payées au Service public fédéral Mobilité et Transports, au plus tard trente jours après la date de l'invitation à payer et en suivant les instructions figurant dans cette invitation.
Les redevances ne sont pas remboursées en cas de retrait du certificat de sécurité partie A, du certificat de sécurité partie B ou de l'agrément de sécurité, ou en cas de cessation de l'exercice des activités couvertes par ces certificats ou cet agrément. ".
Art. 14. In titel II, hoofdstuk IV, afdeling 3, van dezelfde wet, wordt een artikel 33/1 ingevoegd, luidende :
" Art. 33/1. § 1. De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B die gebruik maken van het netwerk zijn, als deelneming in de kosten van de Veiligheidsinstantie voor het toezicht op de veiligheid van het spoorvervoer en de ontwikkeling van de regelgeving, een jaarlijkse, geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
De Koning bepaalt het bedrag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Per kwartaal is één vierde van het jaarbedrag verschuldigd.
De bijdrage wordt omgeslagen over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B.
Het aandeel van de houder van een veiligheidsvergunning is dertig procent van het totale bedrag.
Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B is zeventig procent van het globale bedrag. Dat aandeel wordt verdeeld over de houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft.
§ 2. In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. ".
" Art. 33/1. § 1. De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B die gebruik maken van het netwerk zijn, als deelneming in de kosten van de Veiligheidsinstantie voor het toezicht op de veiligheid van het spoorvervoer en de ontwikkeling van de regelgeving, een jaarlijkse, geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
De Koning bepaalt het bedrag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Per kwartaal is één vierde van het jaarbedrag verschuldigd.
De bijdrage wordt omgeslagen over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B.
Het aandeel van de houder van een veiligheidsvergunning is dertig procent van het totale bedrag.
Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B is zeventig procent van het globale bedrag. Dat aandeel wordt verdeeld over de houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft.
§ 2. In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. ".
Art. 14. Au titre II, chapitre IV, section 3, de la même loi, il est inséré un article 33/1, rédigé comme suit :
" Art. 33/1. § 1. Il est dû par le détenteur d'un agrément de sécurité et par les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B qui utilisent le réseau, au titre de participation aux coûts du contrôle, par l'Autorité de sécurité, de la sécurité du transport ferroviaire et du développement de la réglementation, une redevance annuelle indexée.
Le Roi fixe le montant par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Par trimestre, un quart du montant annuel est dû.
La redevance est répartie entre le détenteur d'un agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B.
La part du détenteur d'un agrément de sécurité s'élève à trente pour cent du montant total.
La part des détenteurs d'un certificat de sécurité partie B s'élève à septante pour cent du montant total. Cette part est répartie entre les détenteurs en proportion du nombre de train-kilomètres qu'ils ont prestés au courant de l'année concernée par la redevance.
§ 2. En cas de non-paiement, l'agrément de sécurité ou le certificat de sécurité peut être suspendu. ".
" Art. 33/1. § 1. Il est dû par le détenteur d'un agrément de sécurité et par les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B qui utilisent le réseau, au titre de participation aux coûts du contrôle, par l'Autorité de sécurité, de la sécurité du transport ferroviaire et du développement de la réglementation, une redevance annuelle indexée.
Le Roi fixe le montant par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Par trimestre, un quart du montant annuel est dû.
La redevance est répartie entre le détenteur d'un agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B.
La part du détenteur d'un agrément de sécurité s'élève à trente pour cent du montant total.
La part des détenteurs d'un certificat de sécurité partie B s'élève à septante pour cent du montant total. Cette part est répartie entre les détenteurs en proportion du nombre de train-kilomètres qu'ils ont prestés au courant de l'année concernée par la redevance.
§ 2. En cas de non-paiement, l'agrément de sécurité ou le certificat de sécurité peut être suspendu. ".
Art. 15. In titel II, hoofdstuk IV, afdeling 3, van dezelfde wet wordt een artikel 33/2 ingevoegd, luidende :
" Art. 33/2. § 1. De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B die gebruik maken van het netwerk zijn, met het oog op de dekking van de kosten van het Onderzoeksorgaan voor het onderzoek van ongevallen en van het algemeen veiligheidsniveau, een jaarlijkse, geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
§ 2. De Koning bepaalt het bedrag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Per kwartaal is één vierde van het jaarbedrag verschuldigd.
§ 3. De bijdrage wordt omgeslagen over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B.
Het aandeel van de houder van een veiligheidsvergunning is dertig procent van het totale bedrag.
Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B is zeventig procent van het totale bedrag.
Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B wordt verdeeld over die houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft.
§ 4. In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. ".
" Art. 33/2. § 1. De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B die gebruik maken van het netwerk zijn, met het oog op de dekking van de kosten van het Onderzoeksorgaan voor het onderzoek van ongevallen en van het algemeen veiligheidsniveau, een jaarlijkse, geïndexeerde bijdrage verschuldigd.
§ 2. De Koning bepaalt het bedrag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Per kwartaal is één vierde van het jaarbedrag verschuldigd.
§ 3. De bijdrage wordt omgeslagen over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B.
Het aandeel van de houder van een veiligheidsvergunning is dertig procent van het totale bedrag.
Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B is zeventig procent van het totale bedrag.
Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B wordt verdeeld over die houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft.
§ 4. In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. ".
Art. 15. Au titre II, chapitre IV, section 3, de la même loi, il est inséré un article 33/2, rédigé comme suit :
" Art. 33/2. § 1er. Il est dû par le détenteur d'un agrément de sécurité et par les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B qui utilisent le réseau, au titre de participation au recouvrement des coûts de l'Organe d'enquête pour les enquêtes d'accident et pour le niveau général de sécurité, une redevance annuelle indexée.
§ 2. Le Roi fixe le montant par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Par trimestre, un quart du montant annuel est dû.
§ 3. La redevance est répartie entre le détenteur d'un agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B.
La part du détenteur d'un agrément de sécurité s'élève à trente pour cent du montant total.
La part des détenteurs d'un certificat de sécurité partie B s'élève à septante pour cent du montant total.
La part des détenteurs d'un certificat partie B est répartie entre ces détenteurs en proportion du nombre de train-kilomètres qu'ils ont réalisé au courant de l'année concernée par la redevance.
§ 4. En cas de non-paiement, l'agrément de sécurité ou le certificat de sécurité peut être suspendu. ".
" Art. 33/2. § 1er. Il est dû par le détenteur d'un agrément de sécurité et par les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B qui utilisent le réseau, au titre de participation au recouvrement des coûts de l'Organe d'enquête pour les enquêtes d'accident et pour le niveau général de sécurité, une redevance annuelle indexée.
§ 2. Le Roi fixe le montant par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Par trimestre, un quart du montant annuel est dû.
§ 3. La redevance est répartie entre le détenteur d'un agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B.
La part du détenteur d'un agrément de sécurité s'élève à trente pour cent du montant total.
La part des détenteurs d'un certificat de sécurité partie B s'élève à septante pour cent du montant total.
La part des détenteurs d'un certificat partie B est répartie entre ces détenteurs en proportion du nombre de train-kilomètres qu'ils ont réalisé au courant de l'année concernée par la redevance.
§ 4. En cas de non-paiement, l'agrément de sécurité ou le certificat de sécurité peut être suspendu. ".
Art. 16. In titel II, hoofdstuk IV, afdeling 3, van dezelfde wet wordt een artikel 33/3 ingevoegd, luidende :
" Art. 33/3. § 1. De houders van een veiligheidscertificaat deel B betalen de in artikel 33/1 en 33/2 bedoelde bijdragen aan de houder van de veiligheidsvergunning.
De houder van de veiligheidsvergunning betaalt zijn bijdrage aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer bij het begin van het kwartaal, ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de uitnodiging tot betaling en volgens de instructies die in die uitnodiging zijn opgenomen.
De houder van de veiligheidsvergunning stort de door de houders van een veiligheidscertificaat deel B te betalen bedragen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, samen met zijn eigen aandeel.
§ 2. In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. ".
" Art. 33/3. § 1. De houders van een veiligheidscertificaat deel B betalen de in artikel 33/1 en 33/2 bedoelde bijdragen aan de houder van de veiligheidsvergunning.
De houder van de veiligheidsvergunning betaalt zijn bijdrage aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer bij het begin van het kwartaal, ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de uitnodiging tot betaling en volgens de instructies die in die uitnodiging zijn opgenomen.
De houder van de veiligheidsvergunning stort de door de houders van een veiligheidscertificaat deel B te betalen bedragen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, samen met zijn eigen aandeel.
§ 2. In geval van niet-betaling kan de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat worden geschorst. ".
Art. 16. Au titre II, chapitre IV, section 3, de la même loi, il est inséré un article 33/3, rédigé comme suit :
" Art. 33/3. § 1er. Les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B paient les redevances visées aux articles 33/1 et 33/2 au détenteur de l'agrément de sécurité.
Le détenteur de l'agrément de sécurité paie sa contribution au Service public fédéral Mobilité et Transports au début du trimestre, au plus tard trente jours après la date de l'invitation à payer et en suivant les instructions figurant dans cette invitation.
Le détenteur de l'agrément de sécurité verse les montants dus par les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B, en même temps que sa propre part, au Service public fédéral Mobilité et Transports.
§ 2. En cas de non-paiement, l'agrément de sécurité ou le certificat de sécurité peut être suspendu. ".
" Art. 33/3. § 1er. Les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B paient les redevances visées aux articles 33/1 et 33/2 au détenteur de l'agrément de sécurité.
Le détenteur de l'agrément de sécurité paie sa contribution au Service public fédéral Mobilité et Transports au début du trimestre, au plus tard trente jours après la date de l'invitation à payer et en suivant les instructions figurant dans cette invitation.
Le détenteur de l'agrément de sécurité verse les montants dus par les détenteurs d'un certificat de sécurité partie B, en même temps que sa propre part, au Service public fédéral Mobilité et Transports.
§ 2. En cas de non-paiement, l'agrément de sécurité ou le certificat de sécurité peut être suspendu. ".
Art. 17. De bepalingen van hoofdstuk 4 treden in werking op 1 januari 2010.
Art. 17. Les dispositions du chapitre 4 entrent en vigueur le 1er janvier 2010.
TITEL 3. - Begroting
TITRE 3. - Budget
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral
Art. 18. In artikel 72 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat worden de woorden " 31 maart " vervangen door de woorden " 30 juni ".
Art. 18. Dans l'article 72 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, les mots " 31 mars " sont remplacés par les mots " 30 juin ".
Art. 19. In artikel 73 van dezelfde wet worden de woorden " 1 maart " vervangen door de woorden " 1 juni ".
Art. 19. Dans l'article 73 de la même loi, les mots " 1er mars " sont remplacés par les mots " 1er juin ".
Art. 20. In artikel 75 van dezelfde wet worden de woorden " 31 mei " vervangen door de woorden " 31 augustus ".
Art. 20. Dans l'article 75 de la même loi, les mots " 31 mai " sont remplacés par les mots " 31 août ".
Art. 21. In artikel 76 van dezelfde wet worden de woorden " 30 juni " vervangen door de woorden " 30 september ".
Art. 21. Dans l'article 76 de la même loi, les mots " 30 juin " sont remplacés par les mots " 30 septembre ".
Art. 22. Artikel 134 van dezelfde wet, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt :
" Art. 134. In afwijking van artikel 133, hebben de bepalingen van Titel II, van hoofdstuk I van Titel III en van Titels IV, V en VI, met uitzondering van artikel 38, uitwerking op 1 januari 2009 voor wat betreft de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en treden in werking op 1 januari 2010 voor wat betreft de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie.
In afwijking van het eerste lid, zijn de artikelen 19, 20, 21 en 26 van Titel II en hoofdstuk I van Titel III eveneens van toepassing gedurende de begrotingsjaren 2009 en 2010 op de andere federale en programmatorische overheidsdiensten van het algemeen bestuur.
Voor de in het tweede lid bedoelde diensten dekken, voor het begrotingsjaar 2010, de vereffeningskredieten de bedragen die tijdens het begrotingsjaar worden geordonnanceerd in uitvoering van de voorafgaandelijk vastgelegde verbintenissen.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, treedt hoofdstuk 1 van Titel V eveneens in werking op 1 januari 2010 voor wat betreft de andere federale en programmatorische overheidsdiensten van het algemeen bestuur. ".
" Art. 134. In afwijking van artikel 133, hebben de bepalingen van Titel II, van hoofdstuk I van Titel III en van Titels IV, V en VI, met uitzondering van artikel 38, uitwerking op 1 januari 2009 voor wat betreft de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en treden in werking op 1 januari 2010 voor wat betreft de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie.
In afwijking van het eerste lid, zijn de artikelen 19, 20, 21 en 26 van Titel II en hoofdstuk I van Titel III eveneens van toepassing gedurende de begrotingsjaren 2009 en 2010 op de andere federale en programmatorische overheidsdiensten van het algemeen bestuur.
Voor de in het tweede lid bedoelde diensten dekken, voor het begrotingsjaar 2010, de vereffeningskredieten de bedragen die tijdens het begrotingsjaar worden geordonnanceerd in uitvoering van de voorafgaandelijk vastgelegde verbintenissen.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, treedt hoofdstuk 1 van Titel V eveneens in werking op 1 januari 2010 voor wat betreft de andere federale en programmatorische overheidsdiensten van het algemeen bestuur. ".
Art. 22. L'article 134 de la même loi, inséré par la loi-programme du 22 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 134. Par dérogation à l'article 133, les dispositions du Titre II, du chapitre Ier du Titre III, et des Titres IV, V et VI, à l'exception de l'article 38, produisent leurs effets le 1er janvier 2009 en ce qui concerne les SPF Chancellerie du Premier Ministre, SPF Budget et Contrôle de la Gestion, SPF Personnel et Organisation, SPF Technologie de l'Information et de la Communication et SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, et entrent en vigueur le 1er janvier 2010 en ce qui concerne les SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 19, 20, 21 et 26 du Titre II et le chapitre Ier du Titre III sont également applicables pendant les années budgétaires 2009 et 2010 aux autres services publics fédéraux et de programmation de l'administration générale.
Pour les services visés à l'alinéa 2, pour l'année budgétaire 2010, les crédits de liquidation couvrent les sommes qui sont ordonnancées au cours de l'année budgétaire en exécution des obligations préalablement engagées.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, le chapitre 1er du Titre V entre également en vigueur le 1er janvier 2010 en ce qui concerne les autres services publics fédéraux et de programmation de l'administration générale. ".
" Art. 134. Par dérogation à l'article 133, les dispositions du Titre II, du chapitre Ier du Titre III, et des Titres IV, V et VI, à l'exception de l'article 38, produisent leurs effets le 1er janvier 2009 en ce qui concerne les SPF Chancellerie du Premier Ministre, SPF Budget et Contrôle de la Gestion, SPF Personnel et Organisation, SPF Technologie de l'Information et de la Communication et SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, et entrent en vigueur le 1er janvier 2010 en ce qui concerne les SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 19, 20, 21 et 26 du Titre II et le chapitre Ier du Titre III sont également applicables pendant les années budgétaires 2009 et 2010 aux autres services publics fédéraux et de programmation de l'administration générale.
Pour les services visés à l'alinéa 2, pour l'année budgétaire 2010, les crédits de liquidation couvrent les sommes qui sont ordonnancées au cours de l'année budgétaire en exécution des obligations préalablement engagées.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, le chapitre 1er du Titre V entre également en vigueur le 1er janvier 2010 en ce qui concerne les autres services publics fédéraux et de programmation de l'administration générale. ".
Art. 23. Artikel 135 van dezelfde wet, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt :
" Art. 135. In afwijking van artikel 66 mogen vanaf 1 januari 2009 aan de rekenplichtigen van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie, en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, en vanaf 1 januari 2010 aan de rekenplichtigen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie, voorschotten worden toegekend om de betaling van sommige uitgaven mogelijk te maken. De maximumbedragen van die voorschotten en van de betrokken uitgaven, alsook de aard van deze laatste worden in de bijzondere departementale wetsbepalingen vastgesteld. ".
" Art. 135. In afwijking van artikel 66 mogen vanaf 1 januari 2009 aan de rekenplichtigen van de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie, en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, en vanaf 1 januari 2010 aan de rekenplichtigen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie, voorschotten worden toegekend om de betaling van sommige uitgaven mogelijk te maken. De maximumbedragen van die voorschotten en van de betrokken uitgaven, alsook de aard van deze laatste worden in de bijzondere departementale wetsbepalingen vastgesteld. ".
Art. 23. L'article 135 de la même loi, inséré par la loi-programme du 22 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 135. Par dérogation à l'article 66, des avances peuvent être octroyées à partir du 1er janvier 2009 aux comptables des SPF Chancellerie du Premier Ministre, SPF Budget et Contrôle de la Gestion, SPF Personnel et Organisation, SPF Technologie de l'Information et de la Communication et SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, et à partir du 1er janvier 2010, aux comptables des SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale, afin de permettre le paiement de certaines dépenses. Les montants maximums de ces avances et des dépenses concernées, ainsi que la nature de ces dernières sont fixés dans les dispositions légales particulières départementales. ".
" Art. 135. Par dérogation à l'article 66, des avances peuvent être octroyées à partir du 1er janvier 2009 aux comptables des SPF Chancellerie du Premier Ministre, SPF Budget et Contrôle de la Gestion, SPF Personnel et Organisation, SPF Technologie de l'Information et de la Communication et SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, et à partir du 1er janvier 2010, aux comptables des SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale, afin de permettre le paiement de certaines dépenses. Les montants maximums de ces avances et des dépenses concernées, ainsi que la nature de ces dernières sont fixés dans les dispositions légales particulières départementales. ".
Art. 24. In dezelfde wet wordt een artikel 136 ingevoegd, luidende :
" Art. 136. In afwijking van artikel 16 zullen de diensten bedoeld in artikel 2 al hun vaste activa met al de nodige gegevens, overeenkomstig de balansklassen van het nieuwe algemene boekhoudplan bedoeld in artikel 5, uiterlijk op 31 december 2012 in het boekhoudsysteem opnemen. Daartoe zal de in artikel 16 bedoelde waardering van de vaste activa in het boekhoudsysteem worden ingevoerd volgens een door de diensten op te stellen en met hun jaarrekening te publiceren plan.
In dit raam zullen de in artikel 2, 1°, bedoelde diensten hun nieuw verkregen vaste activa in het boekhoudsysteem waarderen vanaf :
1° 1 januari 2009 voor de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
2° 1 januari 2010 voor de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie;
3° 1 januari 2011 voor de FOD Justitie, de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de FOD Financiën en de FOD Mobiliteit en Vervoer;
4° 1 januari 2012 voor de FOD Binnenlandse Zaken, het Ministerie van Landsverdediging, de Federale Politie en de POD Wetenschapsbeleid.
Alle financiële vaste activa worden bij de eerste presentatie van een balans onder de volledige algemene boekhouding gewaardeerd en gerapporteerd. ".
" Art. 136. In afwijking van artikel 16 zullen de diensten bedoeld in artikel 2 al hun vaste activa met al de nodige gegevens, overeenkomstig de balansklassen van het nieuwe algemene boekhoudplan bedoeld in artikel 5, uiterlijk op 31 december 2012 in het boekhoudsysteem opnemen. Daartoe zal de in artikel 16 bedoelde waardering van de vaste activa in het boekhoudsysteem worden ingevoerd volgens een door de diensten op te stellen en met hun jaarrekening te publiceren plan.
In dit raam zullen de in artikel 2, 1°, bedoelde diensten hun nieuw verkregen vaste activa in het boekhoudsysteem waarderen vanaf :
1° 1 januari 2009 voor de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
2° 1 januari 2010 voor de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie;
3° 1 januari 2011 voor de FOD Justitie, de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de FOD Financiën en de FOD Mobiliteit en Vervoer;
4° 1 januari 2012 voor de FOD Binnenlandse Zaken, het Ministerie van Landsverdediging, de Federale Politie en de POD Wetenschapsbeleid.
Alle financiële vaste activa worden bij de eerste presentatie van een balans onder de volledige algemene boekhouding gewaardeerd en gerapporteerd. ".
Art. 24. Dans la même loi, il est inséré un article 136, rédigé comme suit :
" Art. 136. Par dérogation à l'article 16, les services visés à l'article 2 intégreront dans leur système comptable, au plus tard le 31 décembre 2012, toutes leurs immobilisations ainsi que toutes les données nécessaires, conformément aux classes de bilan du nouveau plan comptable général visé à l'article 5. A cet effet, l'évaluation des immobilisations, visée à l'article 16, sera intégrée dans le système comptable, selon un plan à établir et à publier par les services avec leurs comptes annuels.
Dans ce cadre, les services visés à l'article 2, 1°, évalueront leurs immobilisations nouvellement acquises dans le système comptable à partir du :
1° 1er janvier 2009 pour le SPF Chancellerie du Premier Ministre, le SPF Budget et Contrôle de la Gestion, le SPF Personnel et Organisation, le SPF Technologie de l'Information et de la Communication et le SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement;
2° 1er janvier 2010 pour le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, le SPF Sécurité sociale, le SPF Economie, PME, Classes moyennes et Energie et le SPP Intégration sociale, Lutte contre la pauvreté et Economie sociale;
3° 1er janvier 2011 pour le SPF Justice, le SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement, le SPF Finances et le SPF Mobilité et Transports;
4° 1er janvier 2012 pour le SPF Intérieur, le Ministère de la Défense, la Police fédérale et le SPP Politique scientifique.
Toutes les immobilisations financières feront l'objet d'une évaluation et d'un rapportage lors de la première présentation d'un bilan sous la comptabilité générale complète. ".
" Art. 136. Par dérogation à l'article 16, les services visés à l'article 2 intégreront dans leur système comptable, au plus tard le 31 décembre 2012, toutes leurs immobilisations ainsi que toutes les données nécessaires, conformément aux classes de bilan du nouveau plan comptable général visé à l'article 5. A cet effet, l'évaluation des immobilisations, visée à l'article 16, sera intégrée dans le système comptable, selon un plan à établir et à publier par les services avec leurs comptes annuels.
Dans ce cadre, les services visés à l'article 2, 1°, évalueront leurs immobilisations nouvellement acquises dans le système comptable à partir du :
1° 1er janvier 2009 pour le SPF Chancellerie du Premier Ministre, le SPF Budget et Contrôle de la Gestion, le SPF Personnel et Organisation, le SPF Technologie de l'Information et de la Communication et le SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement;
2° 1er janvier 2010 pour le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, le SPF Sécurité sociale, le SPF Economie, PME, Classes moyennes et Energie et le SPP Intégration sociale, Lutte contre la pauvreté et Economie sociale;
3° 1er janvier 2011 pour le SPF Justice, le SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement, le SPF Finances et le SPF Mobilité et Transports;
4° 1er janvier 2012 pour le SPF Intérieur, le Ministère de la Défense, la Police fédérale et le SPP Politique scientifique.
Toutes les immobilisations financières feront l'objet d'une évaluation et d'un rapportage lors de la première présentation d'un bilan sous la comptabilité générale complète. ".
Art. 25. De artikelen 18 tot 24 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2009.
Art. 25. Les articles 18 à 24 produisent leurs effets le 1er janvier 2009.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 22 mei 2003 tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 22 mai 2003 modifiant la loi du 29 octobre 1846 relative à la l'organisation de la Cour des comptes
Art. 26. Artikel 11 van de wet van 22 mei 2003 tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof, vervangen bij de programmawet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt :
" Art. 11. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2011. ".
" Art. 11. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2011. ".
Art. 26. L'article 11 de la loi du 22 mai 2003 modifiant la loi du 29 octobre 1846 relative à l'organisation de la Cour des comptes, remplacé par la loi-programme du 22 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 11. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2011. ".
" Art. 11. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2011. ".
Art. 27. In dezelfde wet wordt artikel 12, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 2008, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. In afwijking van artikel 11 treden de bepalingen van artikel 2 in werking op 1 januari 2010 voor wat betreft de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie. ".
" § 2. In afwijking van artikel 11 treden de bepalingen van artikel 2 in werking op 1 januari 2010 voor wat betreft de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie. ".
Art. 27. Dans la même loi, l'article 12, inséré par la loi-programme du 22 décembre 2008, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation à l'article 11, les dispositions de l'article 2 entrent en vigueur le 1er janvier 2010 pour le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale. ".
" § 2. Par dérogation à l'article 11, les dispositions de l'article 2 entrent en vigueur le 1er janvier 2010 pour le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 29 octobre 1846 relative à l'organisation de la Cour des comptes
Art. 28. In de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof wordt artikel 22, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 2008, waarvan de bestaande tekst het paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. Artikel 5, vierde lid, en de artikelen 14 en 15 zijn vanaf 1 januari 2010 niet meer van toepassing op de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie. ".
" § 2. Artikel 5, vierde lid, en de artikelen 14 en 15 zijn vanaf 1 januari 2010 niet meer van toepassing op de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie. ".
Art. 28. Dans la loi du 29 octobre 1846 relative à l'organisation de la Cour des comptes, l'article 22, inséré par la loi programme du 22 décembre 2008, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. L'article 5, alinéa 4, et les articles 14 et 15 ne sont plus d'application aux SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF économie, P.M.E., Classes moyennes et énergie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et économie sociale à partir du 1er janvier 2010. ".
" § 2. L'article 5, alinéa 4, et les articles 14 et 15 ne sont plus d'application aux SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF économie, P.M.E., Classes moyennes et énergie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et économie sociale à partir du 1er janvier 2010. ".
HOOFDSTUK 4. - De controle van de vastleggingen
CHAPITRE 4. - Du contrôle des engagements
Art. 29. Artikel 15 van de programmawet van 22 december 2008 wordt als volgt vervangen :
" Art. 15. De artikelen van dit hoofdstuk zijn enkel van toepassing op de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie, de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie. ".
" Art. 15. De artikelen van dit hoofdstuk zijn enkel van toepassing op de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie, de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de POD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie. ".
Art. 29. L'article 15 de la loi-programme du 22 décembre 2008 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 15. Les articles du présent chapitre sont applicables uniquement aux SPF Chancellerie du Premier Ministre, SPF Budget et Contrôle de la Gestion, SPF Personnel et Organisation, SPF Technologie de l'Information et de la Communication, SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, SPF économie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale. ".
" Art. 15. Les articles du présent chapitre sont applicables uniquement aux SPF Chancellerie du Premier Ministre, SPF Budget et Contrôle de la Gestion, SPF Personnel et Organisation, SPF Technologie de l'Information et de la Communication, SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, SPF Sécurité sociale, SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, SPF économie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et SPP Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds
CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 5 septembre 2001 portant garantie d'une réduction continue de la dette publique et création d'un Fonds de vieillissement
Art. 30. In artikel 8 van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds, worden de woorden " 30 april " vervangen door de woorden " 15 juni ".
Art. 30. Dans l'article 8 de la loi du 5 septembre 2001 portant garantie d'une réduction continue de la dette publique et création d'un Fonds de vieillissement, les mots " 30 avril " sont remplacés par les mots " 15 juin ".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof
CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des Communautés et des Régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes
Art. 31. In artikel 17 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, worden de woorden " 1 januari 2010 " vervangen door de woorden " 1 januari 2012 ".
Art. 31. A l'article 17 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des Communautés et des Régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes, les mots " 1er janvier 2010 " sont remplacés par les mots " 1er janvier 2012 ".
HOOFDSTUK 7. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 7. - Entrée en vigueur
Art. 32. De hoofdstukken 2 tot 6 treden in werking op 1 januari 2010.
Art. 32. Les chapitres 2 à 6 entrent en vigueur le 1er janvier 2010.
TITEL 4. - Volksgezondheid
TITRE 4. - Santé publique
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Afdeling 1. - Geneesmiddelen
Section 1re. - Médicaments
Art. 33. In artikel 34, eerste lid, 5°, c), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wetten van 22 december 2003, 13 december 2006 en 19 december 2008, wordt de bepaling onder 2) vervangen als volgt :
" 2) de specialiteiten vergund volgens artikel 2, eerste lid, 8°, a), tweede streepje, artikel 2, eerste lid, 8°, a), derde streepje of artikel 2, eerste lid, 8°, a), tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen, de specialiteiten vergund volgens artikel 6bis, § 1, derde lid, artikel 6bis, § 1, vijfde lid, tweede streepje, artikel 6bis, § 1, zevende lid, artikel 6bis, § 2 of artikel 6bis, § 11, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen onder de door de Koning te bepalen voorwaarden; ".
" 2) de specialiteiten vergund volgens artikel 2, eerste lid, 8°, a), tweede streepje, artikel 2, eerste lid, 8°, a), derde streepje of artikel 2, eerste lid, 8°, a), tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen, de specialiteiten vergund volgens artikel 6bis, § 1, derde lid, artikel 6bis, § 1, vijfde lid, tweede streepje, artikel 6bis, § 1, zevende lid, artikel 6bis, § 2 of artikel 6bis, § 11, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen onder de door de Koning te bepalen voorwaarden; ".
Art. 33. Dans l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié par les lois des 22 décembre 2003, 13 décembre 2006 et 19 décembre 2008, le 2) est remplacée par ce qui suit :
" 2) les spécialités autorisées conformément à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), deuxième tiret, à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), troisième tiret, ou à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1969 relatif à l'enregistrement des médicaments, les spécialités autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 3, à l'article 6bis, § 1er, alinéa 5, deuxième tiret, à l'article 6bis, § 1er, alinéa 7, à l'article 6bis, § 2 ou à l'article 6bis, § 11, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments dans des conditions à déterminer par le Roi; ".
" 2) les spécialités autorisées conformément à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), deuxième tiret, à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), troisième tiret, ou à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1969 relatif à l'enregistrement des médicaments, les spécialités autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 3, à l'article 6bis, § 1er, alinéa 5, deuxième tiret, à l'article 6bis, § 1er, alinéa 7, à l'article 6bis, § 2 ou à l'article 6bis, § 11, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments dans des conditions à déterminer par le Roi; ".
Art. 34. In artikel 35bis, § 2, eerste lid, 1°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2006, wordt de bepaling onder het derde streepje vervangen als volgt :
" - klasse 3 : specialiteiten vergund volgens artikel 2, eerste lid, 8°, a), tweede streepje, artikel 2, eerste lid, 8°, a), derde streepje of artikel 2, eerste lid, 8°, a), tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen, de specialiteiten vergund volgens artikel 6bis, § 1, derde lid, artikel 6bis, § 1, vijfde lid, tweede streepje, artikel 6bis, § 1, zevende lid, artikel 6bis, § 2 of artikel 6bis, § 11, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen onder de door de Koning te bepalen voorwaarden; ".
" - klasse 3 : specialiteiten vergund volgens artikel 2, eerste lid, 8°, a), tweede streepje, artikel 2, eerste lid, 8°, a), derde streepje of artikel 2, eerste lid, 8°, a), tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 1969 betreffende de registratie van geneesmiddelen, de specialiteiten vergund volgens artikel 6bis, § 1, derde lid, artikel 6bis, § 1, vijfde lid, tweede streepje, artikel 6bis, § 1, zevende lid, artikel 6bis, § 2 of artikel 6bis, § 11, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen onder de door de Koning te bepalen voorwaarden; ".
Art. 34. Dans l'article 35bis, § 2, alinéa 1er, 1°, de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2006, le troisième tiret est remplacé comme suit :
" - classe 3 : spécialités autorisées conformément à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), deuxième tiret, à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), troisième tiret ou à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1969 relatif à l'enregistrement des médicaments ou les spécialités autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 3, à l'article 6bis, § 1er, alinéa 5, deuxième tiret, à l'article 6bis, § 1er, alinéa 7, à l'article 6bis, § 2 ou à l'article 6bis, § 11, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, dans des conditions à déterminer par le Roi; ".
" - classe 3 : spécialités autorisées conformément à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), deuxième tiret, à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), troisième tiret ou à l'article 2, alinéa 1er, 8°, a), alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1969 relatif à l'enregistrement des médicaments ou les spécialités autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 3, à l'article 6bis, § 1er, alinéa 5, deuxième tiret, à l'article 6bis, § 1er, alinéa 7, à l'article 6bis, § 2 ou à l'article 6bis, § 11, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, dans des conditions à déterminer par le Roi; ".
Art. 35. In artikel 35ter van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 27 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 25 april 2007 en 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden tussen het eerste en het tweede lid twee leden ingevoegd, luidende :
" Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), voor de specialiteiten waarvan het of de voornaamste werkzame bestanddelen verschillende zouten, esters, ethers, isomeren, mengsels van isomeren, complexen of derivaten zijn van het of de voornaamste werkzame bestanddelen van de specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1) en 2).
De bepalingen van het eerste en het tweede lid kunnen niet op een zelfde specialiteit worden toegepast. ";
2° in paragraaf 1 wordt het huidige derde lid vervangen als volgt :
" De vergoedingsbasis van de specialiteiten waarvoor op grond van de bepalingen onder het eerste of tweede lid een nieuwe vergoedingsbasis werd vastgesteld, wordt twee jaar na het in werking treden van deze vergoedingsbasis, van rechtswege bijkomend verminderd met 4 pct.
De vergoedingsbasis van de specialiteiten waarvoor op grond van de bepalingen onder het eerste of tweede lid een nieuwe vergoedingsbasis werd vastgesteld, wordt vier jaar na het in werking treden van deze vergoedingsbasis, van rechtswege bijkomend verminderd met 3,5 pct.
De vermindering bedoeld in het vijfde en zesde lid is niet van toepassing op de specialiteiten waarop de bepalingen van artikel 35bis, § 4, vijfde lid, zijn toegepast. ";
3° in de tweede paragraaf, eerste lid, worden de woorden " als bedoeld in de eerste paragraaf " vervangen door de woorden " als bedoeld in de eerste paragraaf, eerste lid " vervangen;
4° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" § 2bis. De vermindering, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt niet toegepast wanneer wordt erkend dat de bedoelde specialiteiten een beduidende meerwaarde bieden voor de veiligheid en/of de doeltreffendheid ten opzichte van de specialiteiten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
Deze beduidende meerwaarde wordt erkend volgens de door de Koning bepaalde voorwaarden.
De lijst kan maandelijks en van rechtswege worden aangepast opdat rekening wordt gehouden met de erkende of ingetrokken uitzonderingen. ";
5° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Voor de specialiteiten waarvan de vergoedingsbasis is verlaagd op basis van paragraaf 1, moeten de aanvragers volgens de door de Koning vastgestelde regels en voorwaarden, tussen de drie volgende opties kiezen :
1° ofwel wordt de verkoopprijs aan publiek, of bij ontstentenis hiervan de verkoopprijs buiten bedrijf, verlaagd tot op een niveau dat gelijk is aan dit van de nieuwe vergoedingsbasis, vermeerderd met een veiligheidsmarge van 25 pct. van deze nieuwe vergoedingsbasis, met dien verstande dat deze veiligheidsmarge niet hoger kan zijn dan 10,80 euro;
2° ofwel wordt de verkoopprijs aan publiek, of bij ontstentenis hiervan de verkoopprijs buiten bedrijf, verlaagd tot op een niveau dat hoger is dan dit van de nieuwe vergoedingsbasis, maar lager dan het niveau, als berekend onder 1°;
3° ofwel wordt de verkoopprijs aan publiek, of bij ontstentenis hiervan de verkoopprijs buiten bedrijf, verlaagd tot het niveau van de nieuwe maximale vergoedingsbasis.
Indien de aanvrager niet kiest voor één van de drie bovenvermelde opties, wordt de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis, geschrapt uit de lijst.
De lijst kan maandelijks en van rechtswege worden aangepast opdat rekening wordt gehouden met de prijsverlagingen, bedoeld in eerste lid, 1°, 2° en 3°, of met de schrappingen van rechtswege, bedoeld in het voorgaande lid. ";
6° in paragraaf 4, eerste lid, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
" 1° ofwel, wanneer paragraaf 3, eerste lid, 1° of 2°, werd toegepast, wordt de vergoedingsbasis en de verkoopprijs aan publiek van rechtswege teruggebracht tot een bedrag dat gelijk is aan de oorspronkelijke verkoopprijs aan publiek, zoals van toepassing vóór de toepassing van de bepalingen van artikel 35ter ; ";
7° er wordt een paragraaf 4bis ingevoegd, luidende als volgt :
" § 4bis. Als na de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis op grond van paragraaf 1 blijkt dat er op de lijst geen enkele vergoedbare specialiteit meer voorkomt die aan de criteria voor de toepassing van paragraaf 1 voldoet, wordt de specialiteit die van rechtswege geschrapt werd volgens de bepalingen van artikel 35ter, § 3, tweede lid, zonder rekening te houden met de procedures bepaald bij artikel 35bis, van rechtswege opnieuw ingeschreven in de lijst, rekening houdend met de aanpassingen van de prijs, de vergoedingsbasis en de vergoedingsvoorwaarden die van toepassing zouden zijn geweest indien de specialiteit op de lijst ingeschreven gebleven was. ".
1° in paragraaf 1 worden tussen het eerste en het tweede lid twee leden ingevoegd, luidende :
" Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), voor de specialiteiten waarvan het of de voornaamste werkzame bestanddelen verschillende zouten, esters, ethers, isomeren, mengsels van isomeren, complexen of derivaten zijn van het of de voornaamste werkzame bestanddelen van de specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1) en 2).
De bepalingen van het eerste en het tweede lid kunnen niet op een zelfde specialiteit worden toegepast. ";
2° in paragraaf 1 wordt het huidige derde lid vervangen als volgt :
" De vergoedingsbasis van de specialiteiten waarvoor op grond van de bepalingen onder het eerste of tweede lid een nieuwe vergoedingsbasis werd vastgesteld, wordt twee jaar na het in werking treden van deze vergoedingsbasis, van rechtswege bijkomend verminderd met 4 pct.
De vergoedingsbasis van de specialiteiten waarvoor op grond van de bepalingen onder het eerste of tweede lid een nieuwe vergoedingsbasis werd vastgesteld, wordt vier jaar na het in werking treden van deze vergoedingsbasis, van rechtswege bijkomend verminderd met 3,5 pct.
De vermindering bedoeld in het vijfde en zesde lid is niet van toepassing op de specialiteiten waarop de bepalingen van artikel 35bis, § 4, vijfde lid, zijn toegepast. ";
3° in de tweede paragraaf, eerste lid, worden de woorden " als bedoeld in de eerste paragraaf " vervangen door de woorden " als bedoeld in de eerste paragraaf, eerste lid " vervangen;
4° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" § 2bis. De vermindering, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt niet toegepast wanneer wordt erkend dat de bedoelde specialiteiten een beduidende meerwaarde bieden voor de veiligheid en/of de doeltreffendheid ten opzichte van de specialiteiten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
Deze beduidende meerwaarde wordt erkend volgens de door de Koning bepaalde voorwaarden.
De lijst kan maandelijks en van rechtswege worden aangepast opdat rekening wordt gehouden met de erkende of ingetrokken uitzonderingen. ";
5° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Voor de specialiteiten waarvan de vergoedingsbasis is verlaagd op basis van paragraaf 1, moeten de aanvragers volgens de door de Koning vastgestelde regels en voorwaarden, tussen de drie volgende opties kiezen :
1° ofwel wordt de verkoopprijs aan publiek, of bij ontstentenis hiervan de verkoopprijs buiten bedrijf, verlaagd tot op een niveau dat gelijk is aan dit van de nieuwe vergoedingsbasis, vermeerderd met een veiligheidsmarge van 25 pct. van deze nieuwe vergoedingsbasis, met dien verstande dat deze veiligheidsmarge niet hoger kan zijn dan 10,80 euro;
2° ofwel wordt de verkoopprijs aan publiek, of bij ontstentenis hiervan de verkoopprijs buiten bedrijf, verlaagd tot op een niveau dat hoger is dan dit van de nieuwe vergoedingsbasis, maar lager dan het niveau, als berekend onder 1°;
3° ofwel wordt de verkoopprijs aan publiek, of bij ontstentenis hiervan de verkoopprijs buiten bedrijf, verlaagd tot het niveau van de nieuwe maximale vergoedingsbasis.
Indien de aanvrager niet kiest voor één van de drie bovenvermelde opties, wordt de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis, geschrapt uit de lijst.
De lijst kan maandelijks en van rechtswege worden aangepast opdat rekening wordt gehouden met de prijsverlagingen, bedoeld in eerste lid, 1°, 2° en 3°, of met de schrappingen van rechtswege, bedoeld in het voorgaande lid. ";
6° in paragraaf 4, eerste lid, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
" 1° ofwel, wanneer paragraaf 3, eerste lid, 1° of 2°, werd toegepast, wordt de vergoedingsbasis en de verkoopprijs aan publiek van rechtswege teruggebracht tot een bedrag dat gelijk is aan de oorspronkelijke verkoopprijs aan publiek, zoals van toepassing vóór de toepassing van de bepalingen van artikel 35ter ; ";
7° er wordt een paragraaf 4bis ingevoegd, luidende als volgt :
" § 4bis. Als na de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis op grond van paragraaf 1 blijkt dat er op de lijst geen enkele vergoedbare specialiteit meer voorkomt die aan de criteria voor de toepassing van paragraaf 1 voldoet, wordt de specialiteit die van rechtswege geschrapt werd volgens de bepalingen van artikel 35ter, § 3, tweede lid, zonder rekening te houden met de procedures bepaald bij artikel 35bis, van rechtswege opnieuw ingeschreven in de lijst, rekening houdend met de aanpassingen van de prijs, de vergoedingsbasis en de vergoedingsvoorwaarden die van toepassing zouden zijn geweest indien de specialiteit op de lijst ingeschreven gebleven was. ".
Art. 35. A l'article 35ter de la même loi, remplacé par la loi du 27 décembre 2005 et modifié par les lois des 25 avril 2007 et 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
" Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), pour les spécialités dont la ou les principales substances actives sont différents sels, esters, éthers, isomères, mélanges d'isomères, complexes ou dérivés de la ou des principales substances actives des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) et 2).
Les dispositions des alinéas 1er et 2 ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité. ";
2° l'actuel alinéa 3 du paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" La base de remboursement des spécialités pour lesquelles une nouvelle base de remboursement a été fixée sur base des dispositions de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 est diminuée de plein droit, deux ans après l'entrée en vigueur de cette base de remboursement, de 4 p.c. complémentaires.
La base de remboursement des spécialités pour lesquelles une nouvelle base de remboursement a été fixée sur base des dispositions de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 est diminuée de plein droit, quatre ans après l'entrée en vigueur de cette base de remboursement, de 3,5 p.c. complémentaires.
La réduction visée aux alinéas 5 et 6 n'est pas appliquée aux spécialités auxquelles les dispositions de l'article 35bis, § 4, alinéa 5, ont été appliquées. ";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " visée au § 1er " sont remplacés par les mots " visée au § 1er, alinéa 1er ";
4° il est inséré un paragraphe 2bis rédigé comme suit :
" § 2bis. La réduction visée au paragraphe 1er, alinéa 2, n'est pas appliquée lorsqu'il est reconnu que les spécialités visées présentent une plus-value substantielle au regard de la sécurité et/ou de l'efficacité par rapport aux spécialités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er.
Cette plus-value substantielle est reconnue selon les conditions définies par le Roi.
La liste peut être adaptée mensuellement et de plein droit pour tenir compte des exceptions reconnues ou retirées. ";
5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Pour les spécialités dont la base de remboursement a été réduite sur la base du paragraphe 1er, les demandeurs doivent opter, selon les règles et conditions définies par le Roi, entre les trois options suivantes :
1° soit le prix public, ou à défaut le prix de vente ex-usine, est réduit à un niveau qui est égal à celui de la nouvelle base de remboursement, augmenté d'une marge de sécurité de 25 p.c. de cette nouvelle base de remboursement, étant entendu que cette marge de sécurité ne peut excéder 10,80 euros;
2° soit le prix public, ou à défaut le prix de vente ex-usine, est réduit à un niveau qui est supérieur à celui de la nouvelle base de remboursement, mais inférieur au niveau tel que calculé sous 1°;
3° soit le prix public, ou à défaut le prix de vente ex-usine, est réduit au niveau de la nouvelle base de remboursement maximale.
Si le demandeur ne choisit pas une des trois options susmentionnées, la spécialité est supprimée de la liste, de plein droit et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis.
La liste peut être adaptée mensuellement et de plein droit pour tenir compte des réductions de prix visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, ou des suppressions de plein droit visées à l'alinéa précédent. ";
6° le paragraphe 4, alinéa 1er, 1°, est remplacé comme suit :
" 1° soit, lorsqu'il a été fait application du paragraphe 3, alinéa 1er, 1° ou 2°, la base de remboursement et le prix public sont ramenés de plein droit à un montant équivalent au prix public initial, tel qu'appliqué avant l'application des dispositions de l'article 35ter ; ";
7° il est inséré un paragraphe 4bis, rédigé comme suit :
" § 4bis. Si, postérieurement à la fixation de la nouvelle base de remboursement sur la base du paragraphe 1er, il s'avère qu'il n'y a plus dans la liste aucune spécialité remboursable qui réponde aux critères pouvant donner lieu à l'application du paragraphe 1er, la spécialité qui a été supprimée de plein droit selon les dispositions de l'article 35ter, § 3, deuxième alinéa, est de plein droit à nouveau inscrite sur la liste, sans tenir compte des procédures prévues à l'article 35bis, en tenant compte des adaptations de prix, de la base de remboursement et des conditions de remboursement qui auraient été d'application si la spécialité était restée inscrite sur la liste. ".
1° dans le paragraphe 1er, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
" Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), pour les spécialités dont la ou les principales substances actives sont différents sels, esters, éthers, isomères, mélanges d'isomères, complexes ou dérivés de la ou des principales substances actives des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) et 2).
Les dispositions des alinéas 1er et 2 ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité. ";
2° l'actuel alinéa 3 du paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" La base de remboursement des spécialités pour lesquelles une nouvelle base de remboursement a été fixée sur base des dispositions de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 est diminuée de plein droit, deux ans après l'entrée en vigueur de cette base de remboursement, de 4 p.c. complémentaires.
La base de remboursement des spécialités pour lesquelles une nouvelle base de remboursement a été fixée sur base des dispositions de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 est diminuée de plein droit, quatre ans après l'entrée en vigueur de cette base de remboursement, de 3,5 p.c. complémentaires.
La réduction visée aux alinéas 5 et 6 n'est pas appliquée aux spécialités auxquelles les dispositions de l'article 35bis, § 4, alinéa 5, ont été appliquées. ";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " visée au § 1er " sont remplacés par les mots " visée au § 1er, alinéa 1er ";
4° il est inséré un paragraphe 2bis rédigé comme suit :
" § 2bis. La réduction visée au paragraphe 1er, alinéa 2, n'est pas appliquée lorsqu'il est reconnu que les spécialités visées présentent une plus-value substantielle au regard de la sécurité et/ou de l'efficacité par rapport aux spécialités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er.
Cette plus-value substantielle est reconnue selon les conditions définies par le Roi.
La liste peut être adaptée mensuellement et de plein droit pour tenir compte des exceptions reconnues ou retirées. ";
5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Pour les spécialités dont la base de remboursement a été réduite sur la base du paragraphe 1er, les demandeurs doivent opter, selon les règles et conditions définies par le Roi, entre les trois options suivantes :
1° soit le prix public, ou à défaut le prix de vente ex-usine, est réduit à un niveau qui est égal à celui de la nouvelle base de remboursement, augmenté d'une marge de sécurité de 25 p.c. de cette nouvelle base de remboursement, étant entendu que cette marge de sécurité ne peut excéder 10,80 euros;
2° soit le prix public, ou à défaut le prix de vente ex-usine, est réduit à un niveau qui est supérieur à celui de la nouvelle base de remboursement, mais inférieur au niveau tel que calculé sous 1°;
3° soit le prix public, ou à défaut le prix de vente ex-usine, est réduit au niveau de la nouvelle base de remboursement maximale.
Si le demandeur ne choisit pas une des trois options susmentionnées, la spécialité est supprimée de la liste, de plein droit et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis.
La liste peut être adaptée mensuellement et de plein droit pour tenir compte des réductions de prix visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, ou des suppressions de plein droit visées à l'alinéa précédent. ";
6° le paragraphe 4, alinéa 1er, 1°, est remplacé comme suit :
" 1° soit, lorsqu'il a été fait application du paragraphe 3, alinéa 1er, 1° ou 2°, la base de remboursement et le prix public sont ramenés de plein droit à un montant équivalent au prix public initial, tel qu'appliqué avant l'application des dispositions de l'article 35ter ; ";
7° il est inséré un paragraphe 4bis, rédigé comme suit :
" § 4bis. Si, postérieurement à la fixation de la nouvelle base de remboursement sur la base du paragraphe 1er, il s'avère qu'il n'y a plus dans la liste aucune spécialité remboursable qui réponde aux critères pouvant donner lieu à l'application du paragraphe 1er, la spécialité qui a été supprimée de plein droit selon les dispositions de l'article 35ter, § 3, deuxième alinéa, est de plein droit à nouveau inscrite sur la liste, sans tenir compte des procédures prévues à l'article 35bis, en tenant compte des adaptations de prix, de la base de remboursement et des conditions de remboursement qui auraient été d'application si la spécialité était restée inscrite sur la liste. ".
Art. 36. Artikel 35quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 april 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2005 en 13 december 2006, wordt gewijzigd als volgt :
1° in het eerste lid worden de woorden " als bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1) " ingevoegd tussen de woorden " groepen specialiteiten " en de woorden " waarvan de indicaties ";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden " als bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1) " ingevoegd tussen de woorden " groepen specialiteiten " en de woorden " waarvan de indicaties ";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 36. L'article 35quater de la même loi, inséré par la loi du 27 avril 2005 et modifié par les lois des 27 décembre 2005 et 13 décembre 2006, est modifié comme suit :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " visés à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) " sont insérés entre les mots " groupes de spécialités " et les mots " dont les indications ";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er, les mots " visés à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) " sont insérés entre les mots " groupes de spécialités " et les mots " dont les indications ";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 37. In artikel 35quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 april 2005 en gewijzigd bij de wet van 13 december 2006, worden de woorden " 35bis, § 7, " ingevoegd tussen de woorden " 35bis, § 4, zesde lid, 2°, " en het woord " 35ter ".
Art. 37. Dans l'article 35quinquies de la même loi, inséré par la loi du 27 avril 2005 et modifié par la loi du 13 décembre 2006, les mots " 35bis, § 7, " sont insérés entre les mots " 35bis, § 4, alinéa 6, 2°, " et le mot " 35ter ".
Art. 38. Op 1 april 2010 :
a) wordt de vergoedingsbasis van de specialiteiten waarvoor na 1 april 2006 en vóór 1 april 2008 op grond van de bepalingen onder artikel 35ter, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een nieuwe vergoedingsbasis werd vastgesteld, eventueel met toepassing van artikel 35quater van dezelfde wet, van rechtswege bijkomend verminderd met 1,54 pct.;
b) wordt de vergoedingsbasis van de specialiteiten waarvoor vóór 1 april 2006 op grond van de bepalingen van artikel 35ter, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een nieuwe vergoedingsbasis werd vastgesteld, eventueel met toepassing van artikel 35quater van dezelfde wet, van rechtswege bijkomend verminderd met 4,98 pct..
Dit artikel is niet van toepassing op de specialiteiten waarop de bepalingen van artikel 35bis, § 4, vijfde lid, zijn toegepast.
De bepalingen van dit artikel en de bepalingen van artikel 35ter, § 1, vijfde en zesde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, kunnen niet gelijktijdig op eenzelfde specialiteit worden toegepast.
a) wordt de vergoedingsbasis van de specialiteiten waarvoor na 1 april 2006 en vóór 1 april 2008 op grond van de bepalingen onder artikel 35ter, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een nieuwe vergoedingsbasis werd vastgesteld, eventueel met toepassing van artikel 35quater van dezelfde wet, van rechtswege bijkomend verminderd met 1,54 pct.;
b) wordt de vergoedingsbasis van de specialiteiten waarvoor vóór 1 april 2006 op grond van de bepalingen van artikel 35ter, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een nieuwe vergoedingsbasis werd vastgesteld, eventueel met toepassing van artikel 35quater van dezelfde wet, van rechtswege bijkomend verminderd met 4,98 pct..
Dit artikel is niet van toepassing op de specialiteiten waarop de bepalingen van artikel 35bis, § 4, vijfde lid, zijn toegepast.
De bepalingen van dit artikel en de bepalingen van artikel 35ter, § 1, vijfde en zesde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, kunnen niet gelijktijdig op eenzelfde specialiteit worden toegepast.
Art. 38. Le 1er avril 2010 :
a) la base de remboursement des spécialités pour lesquelles une nouvelle base de remboursement a été fixée après le 1er avril 2006 et avant le 1er avril 2008 sur la base des dispositions de l'article 35ter, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, le cas échéant par l'application de l'article 35quater de la même loi, est diminuée de plein droit de 1,54 p.c. complémentaires;
b) la base de remboursement des spécialités pour lesquelles une nouvelle base de remboursement a été fixée avant le 1er avril 2006 sur la base des dispositions de l'article 35ter, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, le cas échéant par l'application de l'article 35quater de la même loi, est diminuée de plein droit de 4,98 p.c. complémentaires.
Le présent article ne s'applique pas aux spécialités auxquelles les dispositions de l'article 35bis, § 4, alinéa 5, ont été appliquées.
Les dispositions de cet article et les dispositions de l'article 35ter, § 1er, alinéas 5 et 6 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ne peuvent être appliquées simultanément à une même spécialité.
a) la base de remboursement des spécialités pour lesquelles une nouvelle base de remboursement a été fixée après le 1er avril 2006 et avant le 1er avril 2008 sur la base des dispositions de l'article 35ter, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, le cas échéant par l'application de l'article 35quater de la même loi, est diminuée de plein droit de 1,54 p.c. complémentaires;
b) la base de remboursement des spécialités pour lesquelles une nouvelle base de remboursement a été fixée avant le 1er avril 2006 sur la base des dispositions de l'article 35ter, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, le cas échéant par l'application de l'article 35quater de la même loi, est diminuée de plein droit de 4,98 p.c. complémentaires.
Le présent article ne s'applique pas aux spécialités auxquelles les dispositions de l'article 35bis, § 4, alinéa 5, ont été appliquées.
Les dispositions de cet article et les dispositions de l'article 35ter, § 1er, alinéas 5 et 6 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ne peuvent être appliquées simultanément à une même spécialité.
Afdeling 2. - Forfaitarisering geneesmiddelen
Section 2. - Forfaitarisation médicaments
Art. 39. In artikel 37 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt een paragraaf 3/2 ingevoegd, luidende :
" § 3/2. Voor de geneesmiddelen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, a), b) en c), die worden afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in bijzondere regels voorzien met betrekking tot de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging en het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden.
Dit persoonlijk aandeel kan bestaan in een vast bedrag per indicatie, behandeling of onderzoek, voor het geheel van de geneesmiddelen die voor deze indicatie, deze behandeling of dit onderzoek worden verstrekt. Het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden kan eveneens betrekking hebben op de in het vorige lid bedoelde geneesmiddelen die niet zijn opgenomen op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis.
De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan bepalen dat de in het eerste lid bedoelde geneesmiddelen worden vergoed op basis van een door Hem te bepalen forfaitair bedrag.
De apothekers mogen voor de kosten van de voornoemde geneesmiddelen geen andere bedragen ten laste van de rechthebbenden aanrekenen dan het persoonlijk aandeel zoals het door de Koning is vastgesteld. ".
" § 3/2. Voor de geneesmiddelen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, a), b) en c), die worden afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in bijzondere regels voorzien met betrekking tot de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging en het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden.
Dit persoonlijk aandeel kan bestaan in een vast bedrag per indicatie, behandeling of onderzoek, voor het geheel van de geneesmiddelen die voor deze indicatie, deze behandeling of dit onderzoek worden verstrekt. Het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden kan eveneens betrekking hebben op de in het vorige lid bedoelde geneesmiddelen die niet zijn opgenomen op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis.
De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan bepalen dat de in het eerste lid bedoelde geneesmiddelen worden vergoed op basis van een door Hem te bepalen forfaitair bedrag.
De apothekers mogen voor de kosten van de voornoemde geneesmiddelen geen andere bedragen ten laste van de rechthebbenden aanrekenen dan het persoonlijk aandeel zoals het door de Koning is vastgesteld. ".
Art. 39. Dans l'article 37 de la même loi, dernièrement modifié par la loi du 22 décembre 2008, il est inséré un paragraphe 3/2, rédigé comme suit :
" § 3/2. Pour les médicaments visés à l'article 34, alinéa 1er, 5°, a), b) et c), qui sont dispensés en officine ouverte au public, le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, peut prévoir des règles spécifiques à l'intervention de l'assurance soins de santé et à l'intervention personnelle des bénéficiaires.
Cette intervention personnelle peut consister en un montant fixe par indication, traitement ou examen, pour l'ensemble des médicaments dispensés pour cette indication, ce traitement ou cet examen. L'intervention personnelle des bénéficiaires peut également concerner les médicaments visés à l'alinéa précédent qui ne sont pas repris dans la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables visée à l'article 35bis.
Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, peut prévoir le remboursement des médicaments visés à l'alinéa 1er sur la base d'un montant forfaitaire qu'Il fixe.
Les pharmaciens ne peuvent, pour les coûts des médicaments précités, porter en compte d'autres montants à charge des bénéficiaires que l'intervention personnelle telle qu'elle est fixée par le Roi. ".
" § 3/2. Pour les médicaments visés à l'article 34, alinéa 1er, 5°, a), b) et c), qui sont dispensés en officine ouverte au public, le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, peut prévoir des règles spécifiques à l'intervention de l'assurance soins de santé et à l'intervention personnelle des bénéficiaires.
Cette intervention personnelle peut consister en un montant fixe par indication, traitement ou examen, pour l'ensemble des médicaments dispensés pour cette indication, ce traitement ou cet examen. L'intervention personnelle des bénéficiaires peut également concerner les médicaments visés à l'alinéa précédent qui ne sont pas repris dans la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables visée à l'article 35bis.
Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, peut prévoir le remboursement des médicaments visés à l'alinéa 1er sur la base d'un montant forfaitaire qu'Il fixe.
Les pharmaciens ne peuvent, pour les coûts des médicaments précités, porter en compte d'autres montants à charge des bénéficiaires que l'intervention personnelle telle qu'elle est fixée par le Roi. ".
Afdeling 3. - Persoonlijk aandeel
Section 3. - Intervention personnelle
Art. 40. In artikel 37, § 1, zevende lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 2007 en 22 december 2008, worden de woorden " op 85 % gebracht voor de forfaitaire honoraria, de forfaits B genoemd en op 90 % voor de forfaitaire honoraria, de forfaits C genoemd " vervangen door de woorden " op 90 pct. gebracht voor de forfaitaire honoraria, de forfaits B en C genoemd ".
Art. 40. Dans l'article 37, § 1er, alinéa 7, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2006 et modifié par les lois des 21 décembre 2007 et 22 décembre 2008, les mots " à 85 p.c. pour les honoraires forfaitaires, dits forfaits B et à 90 p.c. pour les honoraires forfaitaires, dits forfaits C " sont remplacés par les mots " à 90 p.c. pour les honoraires forfaitaires, dits forfaits B et C ".
Art. 41. Artikel 40 treedt in werking op 1 februari 2010.
Art. 41. L'article 40 entre en vigueur au 1er février 2010.
Afdeling 4. - Bijdrage doelstelling evenwicht sociale zekerheid
Section 4. - Contribution à l'objectif d'équilibre de la sécurité sociale
Art. 42. Artikel 40, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met een nieuw lid, dat als volgt luidt :
" Voor de jaren 2010 en 2011 worden bedragen van de globale begrotingsdoelstelling, van respectievelijk 350 miljoen euro en 450 miljoen euro, ter beschikking gesteld van de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969, tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van het globale financiële beheer in de statuut van de zelfstandige arbeiders, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996, strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Deze middelen zijn verdeeld volgens een verdeelsleutel van 90 pct. voor het voornoemde globale budgettair beheer van de werknemers en 10 pct. voor het voornoemde globale budgettaire beheer van de zelfstandigen. ".
" Voor de jaren 2010 en 2011 worden bedragen van de globale begrotingsdoelstelling, van respectievelijk 350 miljoen euro en 450 miljoen euro, ter beschikking gesteld van de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969, tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van het globale financiële beheer in de statuut van de zelfstandige arbeiders, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996, strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Deze middelen zijn verdeeld volgens een verdeelsleutel van 90 pct. voor het voornoemde globale budgettair beheer van de werknemers en 10 pct. voor het voornoemde globale budgettaire beheer van de zelfstandigen. ".
Art. 42. A l'article 40, § 1er, de la même loi est ajouté un nouvel alinéa, libellé comme suit :
" Pour les années 2010 et 2011, des montants de l'objectif budgétaire global, respectivement de 350 millions d'euros et de 450 millions d'euros, sont mis à disposition de l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, et de la gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Ces moyens sont répartis selon une clé de répartition de 90 p.c. pour la gestion globale précitée des travailleurs salariés et de 10 p.c. pour la gestion financière globale précitée des travailleurs indépendants. ".
" Pour les années 2010 et 2011, des montants de l'objectif budgétaire global, respectivement de 350 millions d'euros et de 450 millions d'euros, sont mis à disposition de l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, et de la gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Ces moyens sont répartis selon une clé de répartition de 90 p.c. pour la gestion globale précitée des travailleurs salariés et de 10 p.c. pour la gestion financière globale précitée des travailleurs indépendants. ".
Afdeling 5. - Overeenkomsten- en akkoordencommissies
Section 5. - Commissions de conventions et d'accords
Art. 43. Artikel 51, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
" Elke overeenkomst of akkoord moet verbintenissen bevatten inzake honoraria en prijzen. Ze kunnen ook verbintenissen bevatten inzake beheersen van het volume, het rationeel gebruik en het oordeelkundig voorschrijven van de verstrekkingen bedoeld in artikel 34 waartoe de betrokken zorgverleners gemachtigd zijn. ".
" Elke overeenkomst of akkoord moet verbintenissen bevatten inzake honoraria en prijzen. Ze kunnen ook verbintenissen bevatten inzake beheersen van het volume, het rationeel gebruik en het oordeelkundig voorschrijven van de verstrekkingen bedoeld in artikel 34 waartoe de betrokken zorgverleners gemachtigd zijn. ".
Art. 43. L'article 51, § 2, alinéa 1er, de la même loi, est remplacé par ce qui suit :
" Toute convention ou accord doit comprendre des engagements en matière d'honoraires et de prix. Ces mêmes conventions ou accords peuvent également comprendre des engagements en matière de gestion du volume, d'utilisation rationnelle et de prescription judicieuse des prestations visées à l'article 34 pour lesquelles les dispensateurs de soins concernés sont mandatés. ".
" Toute convention ou accord doit comprendre des engagements en matière d'honoraires et de prix. Ces mêmes conventions ou accords peuvent également comprendre des engagements en matière de gestion du volume, d'utilisation rationnelle et de prescription judicieuse des prestations visées à l'article 34 pour lesquelles les dispensateurs de soins concernés sont mandatés. ".
Art. 44. Art. 73, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 13 december 2006, 19 december 2008 en 22 december 2008, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De Nationale Commissie Geneesheren - Ziekenfondsen kan, in afwachting van de besluiten bedoeld in het vierde lid en het elfde lid, volgens de procedure bedoeld in de artikelen 50 en 51, in lopende en toekomstige akkoorden bijkomende verbintenissen opnemen die het voorschrijven van de minst dure vergoedbare farmaceutische specialiteiten bevorderen, voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de zorgen of aan de therapeutische noodwendigheden. ".
" De Nationale Commissie Geneesheren - Ziekenfondsen kan, in afwachting van de besluiten bedoeld in het vierde lid en het elfde lid, volgens de procedure bedoeld in de artikelen 50 en 51, in lopende en toekomstige akkoorden bijkomende verbintenissen opnemen die het voorschrijven van de minst dure vergoedbare farmaceutische specialiteiten bevorderen, voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de zorgen of aan de therapeutische noodwendigheden. ".
Art. 44. L'article 73, § 2, de la même loi, modifié par les lois du 13 décembre 2006, du 19 décembre 2008 et du 22 décembre 2008, est complété par l'alinéa suivant :
" La Commission nationale médico-mutualiste peut, en attendant les arrêtés visés à l'alinéa 4 et l'alinéa 11, selon la procédure visée aux articles 50 et 51, insérer des engagements complémentaires dans des accords en cours et à venir qui stimulent la prescription des spécialités pharmaceutiques remboursables les moins onéreuses, pour autant qu'il ne soit pas porté atteinte à la qualité des soins ou aux besoins thérapeutiques. ".
" La Commission nationale médico-mutualiste peut, en attendant les arrêtés visés à l'alinéa 4 et l'alinéa 11, selon la procédure visée aux articles 50 et 51, insérer des engagements complémentaires dans des accords en cours et à venir qui stimulent la prescription des spécialités pharmaceutiques remboursables les moins onéreuses, pour autant qu'il ne soit pas porté atteinte à la qualité des soins ou aux besoins thérapeutiques. ".
Art. 45. Artikel 44 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009.
Art. 45. L'article 44 produit ses effets au 1er janvier 2009.
Afdeling 6. - Heffingen op de omzet
Section 6. - Cotisations sur le chiffre d'affaires
Art. 46. In artikel 191, eerste lid, 15°, van dezelfde wet, vervangen door de wet van 22 februari 1998 en gewijzigd bij de wetten van 22 augustus 2002, 24 december 2002, 27 december 2004, 11 juli 2005, 27 december 2005, 10 juni 2006, 27 december 2006, 24 juli 2008, 19 december 2008 en 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het zesde lid, eerste zin, worden de woorden " 15°duodecies " ingevoegd tussen de woorden " 15°undecies " en de woorden " en 16°bis ";
2° het zevende lid wordt aangevuld als volgt :
" Voor de specialiteiten die worden terugbetaald krachtens artikel 35bis, § 7, van de wet en de daartoe door de Koning vastgestelde voorwaarden, wordt het omzetcijfer dat in aanmerking wordt genomen door de Koning vastgesteld op basis van het verwezenlijkte omzetcijfer, dat gecorrigeerd kan worden om rekening te houden met het type compensatieregels van de begrotingsrisico's die verbonden kunnen zijn aan de vergoedingsbasis en/of het beoogde volume en met de betrokken jaren. Het door de Koning vastgestelde omzetcijfer wordt eveneens in aanmerking genomen bij de berekening van de heffing die krachtens 15°novies, 15°decies, 15°undecies , 15°duodecies " verschuldigd is.
1° in het zesde lid, eerste zin, worden de woorden " 15°duodecies " ingevoegd tussen de woorden " 15°undecies " en de woorden " en 16°bis ";
2° het zevende lid wordt aangevuld als volgt :
" Voor de specialiteiten die worden terugbetaald krachtens artikel 35bis, § 7, van de wet en de daartoe door de Koning vastgestelde voorwaarden, wordt het omzetcijfer dat in aanmerking wordt genomen door de Koning vastgesteld op basis van het verwezenlijkte omzetcijfer, dat gecorrigeerd kan worden om rekening te houden met het type compensatieregels van de begrotingsrisico's die verbonden kunnen zijn aan de vergoedingsbasis en/of het beoogde volume en met de betrokken jaren. Het door de Koning vastgestelde omzetcijfer wordt eveneens in aanmerking genomen bij de berekening van de heffing die krachtens 15°novies, 15°decies, 15°undecies , 15°duodecies " verschuldigd is.
Art. 46. A l'article 191, alinéa 1er, 15°, de la même loi, remplacé par la loi du 22 février 1998 et modifié par les lois du 22 août 2002, 24 décembre 2002, 27 décembre 2004, 11 juillet 2005, 27 décembre 2005, 10 juin 2006, 27 décembre 2006, 24 juillet 2008, 19 décembre 2008 et 22 décembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1) au sixième alinéa, dans la première phrase, les mots " , 15°duodecies " sont insérés entre les mots " 15°undecies " et les mots " et 16°bis ";
2) le septième alinéa est complété comme suit :
" Pour les spécialités remboursées en vertu de l'article 35bis, § 7, de la loi et des dispositions prévues par le Roi à cet effet, le chiffre d'affaires pris en considération est déterminé par le Roi sur base du chiffre d'affaires réalisé, qui peut être corrigé pour tenir compte du type de modalité de compensation des risques budgétaires qui peut être lié à la base de remboursement et/ou au volume envisagé et des années concernées. Le chiffre d'affaires déterminé par le Roi est également pris en compte pour le calcul de la cotisation due en vertu des 15°novies, 15°decies, 15°undecies , 15°duodecies . ".
1) au sixième alinéa, dans la première phrase, les mots " , 15°duodecies " sont insérés entre les mots " 15°undecies " et les mots " et 16°bis ";
2) le septième alinéa est complété comme suit :
" Pour les spécialités remboursées en vertu de l'article 35bis, § 7, de la loi et des dispositions prévues par le Roi à cet effet, le chiffre d'affaires pris en considération est déterminé par le Roi sur base du chiffre d'affaires réalisé, qui peut être corrigé pour tenir compte du type de modalité de compensation des risques budgétaires qui peut être lié à la base de remboursement et/ou au volume envisagé et des années concernées. Le chiffre d'affaires déterminé par le Roi est également pris en compte pour le calcul de la cotisation due en vertu des 15°novies, 15°decies, 15°undecies , 15°duodecies . ".
Art. 47. In artikel 191, eerste lid, 15°novies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, van 21 december 2007, van 19 december 2008 en van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het derde lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" Voor 2010 wordt het bedrag van die bijdrage vastgesteld op ten hoogste 6,73 pct. van het in 2010 verwezenlijkte omzetcijfer. ";
b) in het vijfde lid, derde zin, wordt het woord " en " vervangen door de vermelding " , ", en wordt de zin aangevuld als volgt :
" en voor 1 mei 2011 voor het omzetcijfer dat in 2010 is gerealiseerd. ";
c) in het zevende lid, eerste zin, wordt het woord " en " vervangen door de vermelding " , ", wordt het woord " de " ingevoegd tussen de woorden " omzetcijfer 2007, " en " heffing " en de woorden " en de heffing op het omzetcijfer 2010 " worden ingevoegd tussen de woorden " omzetcijfer 2009 " en de woorden " worden via ";
d) het achtste lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" Voor 2010 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk voor 1 juni 2010 en 1 juni 2011 te worden gestort op de rekening van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, respectievelijk met vermelding " voorschot heffing omzetcijfer 2010 " en " saldo heffing omzetcijfer 2010 ". ";
e) het tiende lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" Voor 2010 wordt het voornoemde voorschot vastgesteld op 6,73 pct. van het in 2009 verwezenlijkte omzetcijfer. ";
f) het laatste lid wordt aangevuld als volgt :
" De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op het omzetcijfer 2010 worden opgenomen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor het dienstjaar 2010. ".
a) het derde lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" Voor 2010 wordt het bedrag van die bijdrage vastgesteld op ten hoogste 6,73 pct. van het in 2010 verwezenlijkte omzetcijfer. ";
b) in het vijfde lid, derde zin, wordt het woord " en " vervangen door de vermelding " , ", en wordt de zin aangevuld als volgt :
" en voor 1 mei 2011 voor het omzetcijfer dat in 2010 is gerealiseerd. ";
c) in het zevende lid, eerste zin, wordt het woord " en " vervangen door de vermelding " , ", wordt het woord " de " ingevoegd tussen de woorden " omzetcijfer 2007, " en " heffing " en de woorden " en de heffing op het omzetcijfer 2010 " worden ingevoegd tussen de woorden " omzetcijfer 2009 " en de woorden " worden via ";
d) het achtste lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" Voor 2010 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk voor 1 juni 2010 en 1 juni 2011 te worden gestort op de rekening van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, respectievelijk met vermelding " voorschot heffing omzetcijfer 2010 " en " saldo heffing omzetcijfer 2010 ". ";
e) het tiende lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" Voor 2010 wordt het voornoemde voorschot vastgesteld op 6,73 pct. van het in 2009 verwezenlijkte omzetcijfer. ";
f) het laatste lid wordt aangevuld als volgt :
" De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op het omzetcijfer 2010 worden opgenomen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor het dienstjaar 2010. ".
Art. 47. A l'article 191, alinéa 1er, 15°novies, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2005 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, du 21 décembre 2007, du 19 décembre 2008 et du 22 décembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
a) le troisième alinéa est complété par la disposition suivante :
" Pour 2010, le montant de cette cotisation est fixé à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2010. ";
b) au cinquième alinéa, dernière phrase, le mot " et " est remplacé par la mention " , " et la phrase est complétée comme suit :
" et avant le 1er mai 2011 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2010. ";
c) au septième alinéa, première phrase, le mot " et " est remplacé par la mention " , ", le mot " la " est inséré entre les mots " chiffre d'affaires 2007, " et " cotisation " et les mots " et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2010 " sont insérés entre les mots " chiffre d'affaires 2009 " et les mots " sont versées ";
d) le huitième alinéa est complété par la disposition suivante :
" Pour 2010, l'avance et le solde visés au précédent alinéa doivent être versés respectivement avant le 1er juin 2010 et le 1er juin 2011 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant respectivement la mention " avance cotisation chiffre d'affaires 2010 " et " solde cotisation chiffre d'affaires 2010 ". ";
e) le dixième alinéa est complété par la disposition suivante :
" Pour 2010 l'avance précitée est fixée à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé dans l'année 2009. ";
f) le dernier alinéa est complété par la phrase suivante :
" Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chiffre d'affaires 2010 seront inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé de l'exercice 2010. ".
a) le troisième alinéa est complété par la disposition suivante :
" Pour 2010, le montant de cette cotisation est fixé à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2010. ";
b) au cinquième alinéa, dernière phrase, le mot " et " est remplacé par la mention " , " et la phrase est complétée comme suit :
" et avant le 1er mai 2011 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2010. ";
c) au septième alinéa, première phrase, le mot " et " est remplacé par la mention " , ", le mot " la " est inséré entre les mots " chiffre d'affaires 2007, " et " cotisation " et les mots " et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2010 " sont insérés entre les mots " chiffre d'affaires 2009 " et les mots " sont versées ";
d) le huitième alinéa est complété par la disposition suivante :
" Pour 2010, l'avance et le solde visés au précédent alinéa doivent être versés respectivement avant le 1er juin 2010 et le 1er juin 2011 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant respectivement la mention " avance cotisation chiffre d'affaires 2010 " et " solde cotisation chiffre d'affaires 2010 ". ";
e) le dixième alinéa est complété par la disposition suivante :
" Pour 2010 l'avance précitée est fixée à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé dans l'année 2009. ";
f) le dernier alinéa est complété par la phrase suivante :
" Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chiffre d'affaires 2010 seront inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé de l'exercice 2010. ".
Art. 48. In artikel 191, eerste lid, 15°undecies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het zevende lid worden de woorden " dat is vastgesteld door de Koning, " ingevoegd tussen de woorden " jaarlijks budget " en " die niet ";
2° in het achtste lid wordt de tweede zin vervangen door het volgende :
" De farmaceutische specialiteiten die worden vergoed krachtens artikel 37, § 3, worden voor ten hoogste 75 pct. van die heffing vrijgesteld. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit op welke wijze de farmaceutische specialiteiten die worden vergoed overeenkomstig artikel 37, § 3, in rekening worden genomen in het omzetcijfer wanneer de hierboven vermelde percentages worden vastgesteld. ".
1° in het zevende lid worden de woorden " dat is vastgesteld door de Koning, " ingevoegd tussen de woorden " jaarlijks budget " en " die niet ";
2° in het achtste lid wordt de tweede zin vervangen door het volgende :
" De farmaceutische specialiteiten die worden vergoed krachtens artikel 37, § 3, worden voor ten hoogste 75 pct. van die heffing vrijgesteld. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit op welke wijze de farmaceutische specialiteiten die worden vergoed overeenkomstig artikel 37, § 3, in rekening worden genomen in het omzetcijfer wanneer de hierboven vermelde percentages worden vastgesteld. ".
Art. 48. Dans l'article 191, alinéa 1er, 15°undecies de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le septième alinéa, les mots " , déterminés par le Roi, " sont insérés entre les mots " budget annuel " et " qui n'ont pas ";
2° dans le huitième alinéa, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
" Les spécialités pharmaceutiques, remboursées conformément à l'article 37, § 3, sont exonérées de cette cotisation à concurrence d'un maximum de 75 p.c.. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres selon quelles modalités les spécialités pharmaceutiques remboursables, qui sont remboursées conformément à l'article 37, § 3, sont prises en compte dans le calcul du chiffre d'affaires lors de la détermination des pourcentages susmentionnés. ".
1° dans le septième alinéa, les mots " , déterminés par le Roi, " sont insérés entre les mots " budget annuel " et " qui n'ont pas ";
2° dans le huitième alinéa, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
" Les spécialités pharmaceutiques, remboursées conformément à l'article 37, § 3, sont exonérées de cette cotisation à concurrence d'un maximum de 75 p.c.. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres selon quelles modalités les spécialités pharmaceutiques remboursables, qui sont remboursées conformément à l'article 37, § 3, sont prises en compte dans le calcul du chiffre d'affaires lors de la détermination des pourcentages susmentionnés. ".
Art. 49. In artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, wordt een 15°duodecies ingevoegd, dat als volgt luidt :
" 15°duodecies . Voor het jaar t wordt, volgens de in 15° vastgestelde voorwaarden en modaliteiten, een bijdrageheffing op het in t gerealiseerde omzetcijfer ingevoerd.
Die bijdrage wordt gestort via een voorschot dat is vastgesteld op basis van het gedurende het jaar t-1 verwezenlijkte omzetcijfer, en via een afrekening die is vastgesteld op basis van het gedurende het jaar t gerealiseerde omzetcijfer. Het in de vorige zin beoogde saldo komt overeen met het verschil tussen de bijdrage zoals die is gedefinieerd in het 1e lid en het voorschot waarvan sprake is in de voorgaande zin.
Het voorschot op de bijdrage moet voor 1 juni van het jaar t worden gestort op het rekeningnummer van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering met vermelding " Voorschot bijdrageheffing jaar t ". Het saldo van de bijdrage moet voor 1 juni van het jaar t+1 worden gestort op het rekeningnummer van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering met vermelding " Saldo bijdrageheffing jaar t ".
De ontvangsten die voortvloeien uit die bijdrageheffing worden opgenomen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor het boekhoudjaar t.
Voor 2010 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van het in 2010 verwezenlijkte omzetcijfer en het ermee samenhangende voorschot op 1 pct. van het in 2009 verwezenlijkte omzetcijfer. ".
" 15°duodecies . Voor het jaar t wordt, volgens de in 15° vastgestelde voorwaarden en modaliteiten, een bijdrageheffing op het in t gerealiseerde omzetcijfer ingevoerd.
Die bijdrage wordt gestort via een voorschot dat is vastgesteld op basis van het gedurende het jaar t-1 verwezenlijkte omzetcijfer, en via een afrekening die is vastgesteld op basis van het gedurende het jaar t gerealiseerde omzetcijfer. Het in de vorige zin beoogde saldo komt overeen met het verschil tussen de bijdrage zoals die is gedefinieerd in het 1e lid en het voorschot waarvan sprake is in de voorgaande zin.
Het voorschot op de bijdrage moet voor 1 juni van het jaar t worden gestort op het rekeningnummer van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering met vermelding " Voorschot bijdrageheffing jaar t ". Het saldo van de bijdrage moet voor 1 juni van het jaar t+1 worden gestort op het rekeningnummer van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering met vermelding " Saldo bijdrageheffing jaar t ".
De ontvangsten die voortvloeien uit die bijdrageheffing worden opgenomen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor het boekhoudjaar t.
Voor 2010 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van het in 2010 verwezenlijkte omzetcijfer en het ermee samenhangende voorschot op 1 pct. van het in 2009 verwezenlijkte omzetcijfer. ".
Art. 49. Dans l'article 191, alinéa 1er, de la même loi, un 15°duodecies , rédigé comme suit, est inséré :
" 15°duodecies . Pour l'année t, il est instauré, selon les conditions et les modalités fixées au 15°, une cotisation contributive sur le chiffre d'affaires réalisé en t.
Cette cotisation est versée par le biais d'un acompte, établi sur base du chiffre d'affaires réalisé durant l'année t-1, et d'un décompte, établi sur base du chiffre d'affaires réalisé durant l'année t. Le solde visé à la phrase précédente étant la différence entre la cotisation telle que définie à l'alinéa 1er et l'acompte mentionné à la phrase précédente.
L'acompte de la cotisation doit être versé avant le 1er juin de l'année t sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant la mention " Avance cotisation contributive année t ". Le solde de la cotisation doit être versé avant le 1er juin de l'année t+1 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant la mention " Solde cotisation contributive année t ".
Les recettes qui résultent de cette cotisation contributives sont inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'année comptable t.
Pour l'année 2010, le montant de cette cotisation est fixé à 1 p.c. du chiffre d'affaire qui a été réalisé en 2010 et l'avance concernée est fixée à 1 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2009. ".
" 15°duodecies . Pour l'année t, il est instauré, selon les conditions et les modalités fixées au 15°, une cotisation contributive sur le chiffre d'affaires réalisé en t.
Cette cotisation est versée par le biais d'un acompte, établi sur base du chiffre d'affaires réalisé durant l'année t-1, et d'un décompte, établi sur base du chiffre d'affaires réalisé durant l'année t. Le solde visé à la phrase précédente étant la différence entre la cotisation telle que définie à l'alinéa 1er et l'acompte mentionné à la phrase précédente.
L'acompte de la cotisation doit être versé avant le 1er juin de l'année t sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant la mention " Avance cotisation contributive année t ". Le solde de la cotisation doit être versé avant le 1er juin de l'année t+1 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant la mention " Solde cotisation contributive année t ".
Les recettes qui résultent de cette cotisation contributives sont inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'année comptable t.
Pour l'année 2010, le montant de cette cotisation est fixé à 1 p.c. du chiffre d'affaire qui a été réalisé en 2010 et l'avance concernée est fixée à 1 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2009. ".
Afdeling 7. - Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen
Section 7. - Frais d'administration des organismes assureurs
Art. 50. In artikel 195, § 1, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 1997, en bij de wetten van 27 december 1994, 22 februari 1998, 22 augustus 2002, 27 december 2005, 27 december 2006, 26 maart 2007, 8 juni en 22 december 2008, worden de eerste en de tweede zin van het derde lid vervangen door de volgende bepalingen :
" Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgelegd op 766.483.000 euro voor 2003, 802.661.000 euro voor 2004, 832.359.000 euro voor 2005, 863.156.000 euro voor 2006, 895.524.000 euro voor 2007, 929.160.000 euro voor 2008, 972.546.000 euro voor 2009 en 1.012.057.000 euro voor 2010. Voor de Kas voor geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen wordt dit bedrag vastgesteld op 13.195.000 euro voor 2003, 13.818.000 euro voor 2004, 14.329.000 euro voor 2005, 14.859.000 euro voor 2006, 15.416.000 euro voor 2007, 15.995.000 euro voor 2008, 16.690.000 euro voor 2009 en 17.368.000 euro voor 2010. ".
" Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgelegd op 766.483.000 euro voor 2003, 802.661.000 euro voor 2004, 832.359.000 euro voor 2005, 863.156.000 euro voor 2006, 895.524.000 euro voor 2007, 929.160.000 euro voor 2008, 972.546.000 euro voor 2009 en 1.012.057.000 euro voor 2010. Voor de Kas voor geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen wordt dit bedrag vastgesteld op 13.195.000 euro voor 2003, 13.818.000 euro voor 2004, 14.329.000 euro voor 2005, 14.859.000 euro voor 2006, 15.416.000 euro voor 2007, 15.995.000 euro voor 2008, 16.690.000 euro voor 2009 en 17.368.000 euro voor 2010. ".
Art. 50. A l'article 195, § 1er, 2°, de la même loi, modifiée par l'arrêté royal du 25 avril 1997, et par les lois des 27 décembre 1994, 22 février 1998, 22 août 2002, 27 décembre 2005, 27 décembre 2006, 26 mars 2007, 8 juin et 22 décembre 2008, les première et deuxième phrases de l'alinéa 3 sont remplacées par les dispositions suivantes :
" Le montant des frais d'administration des cinq unions nationales est fixé à 766.483.000 euros pour 2003, 802.661.000 euros pour 2004, 832.359.000 euros pour 2005, 863.156.000 euros pour 2006, 895.524.000 euros pour 2007, 929.160.000 euros pour 2008, 972.546.000 euros pour 2009 et 1.012.057.000 euros pour 2010. Pour la caisse des soins de santé de la Société nationale des chemins de fer belges, ce montant est fixé à 13.195.000 euros pour 2003, 13.818.000 euros pour 2004, 14.329.000 euros pour 2005, 14.859.000 euros pour 2006, 15.416.000 euros pour 2007, 15.995.000 euros pour 2008, 16.690.000 euros pour 2009 et 17.368.000 euros pour 2010. ".
" Le montant des frais d'administration des cinq unions nationales est fixé à 766.483.000 euros pour 2003, 802.661.000 euros pour 2004, 832.359.000 euros pour 2005, 863.156.000 euros pour 2006, 895.524.000 euros pour 2007, 929.160.000 euros pour 2008, 972.546.000 euros pour 2009 et 1.012.057.000 euros pour 2010. Pour la caisse des soins de santé de la Société nationale des chemins de fer belges, ce montant est fixé à 13.195.000 euros pour 2003, 13.818.000 euros pour 2004, 14.329.000 euros pour 2005, 14.859.000 euros pour 2006, 15.416.000 euros pour 2007, 15.995.000 euros pour 2008, 16.690.000 euros pour 2009 et 17.368.000 euros pour 2010. ".
Afdeling 8. - Financiële verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen
Section 8. - Responsabilité financière des organismes assureurs
Art. 51. In artikel 197 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, wordt aangevuld met een nieuw lid, dat als volgt luidt :
" De Algemene Raad stelt ook de middelen vast die in de globale begrotingsdoelstelling zijn opgenomen en die niet van de thesaurie van de globale beheren naar het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering moeten worden overgeheveld. ".
b) paragraaf 3bis, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, wordt aangevuld als volgt :
" , alsmede de bedragen die in de globale begrotingsdoelstelling zijn opgenomen en die van de voorschotten aan de verzekeringsinstellingen zijn afgetrokken omdat ze worden afgehouden van de financieringsbehoeften van het Instituut zoals bedoeld in artikel 197, § 1, derde lid. ".
a) paragraaf 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, wordt aangevuld met een nieuw lid, dat als volgt luidt :
" De Algemene Raad stelt ook de middelen vast die in de globale begrotingsdoelstelling zijn opgenomen en die niet van de thesaurie van de globale beheren naar het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering moeten worden overgeheveld. ".
b) paragraaf 3bis, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, wordt aangevuld als volgt :
" , alsmede de bedragen die in de globale begrotingsdoelstelling zijn opgenomen en die van de voorschotten aan de verzekeringsinstellingen zijn afgetrokken omdat ze worden afgehouden van de financieringsbehoeften van het Instituut zoals bedoeld in artikel 197, § 1, derde lid. ".
Art. 51. A l'article 197 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
a) le paragraphe 1er, modifié par l'arrêté royal du 12 août 1994, est complété par un nouvel alinéa, libellé comme suit :
" Le Conseil général définit également les moyens compris dans l'objectif budgétaire global qui ne nécessitent pas un transfert de trésorerie des gestions globales vers l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. ".
b) le paragraphe 3bis, modifié par la loi du 14 janvier 2002, est complété par la phrase suivante :
" ainsi que les montants compris dans l'objectif budgétaire global qui ont été déduits des avances aux organismes assureurs en raison du fait qu'ils font l'objet d'une déduction des besoins de financement de l'Institut telle que visée à l'article 197, § 1er, alinéa 3. ".
a) le paragraphe 1er, modifié par l'arrêté royal du 12 août 1994, est complété par un nouvel alinéa, libellé comme suit :
" Le Conseil général définit également les moyens compris dans l'objectif budgétaire global qui ne nécessitent pas un transfert de trésorerie des gestions globales vers l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. ".
b) le paragraphe 3bis, modifié par la loi du 14 janvier 2002, est complété par la phrase suivante :
" ainsi que les montants compris dans l'objectif budgétaire global qui ont été déduits des avances aux organismes assureurs en raison du fait qu'ils font l'objet d'une déduction des besoins de financement de l'Institut telle que visée à l'article 197, § 1er, alinéa 3. ".
HOOFDSTUK 2. - Financiering van de representatieve patiëntenkoepels
CHAPITRE 2. - Financement des coupoles représentatives de patients
Art. 52. Artikel 245 van de programmawet(I) van 27 december 2006 wordt vervangen als volgt :
" Art. 245. § 1. De subsidies die ten laste vallen van de begroting van de administratiekosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoeld in artikel 12, 6°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden toegekend aan de twee volgende patiëntenverenigingen :
1° de vzw " Ligue des Usagers des Services de Santé ";
2° de vzw " Vlaams Patiëntenplatform ".
Onverminderd het derde lid bedraagt het globale bedrag van de voornoemde subsidies, die ten laste gelegd worden van de begroting van de administratiekosten van het Instituut, jaarlijks 90.000 euro, een bedrag dat volledig ten laste wordt genomen door de sector geneeskundige verzorging.
§ 2. Voor 2010 worden de subsidies die ingevolge paragraaf 1 worden toegekend aan de twee volgende patiëntenverenigingen verhoogd met respectievelijk 40.000 euro :
1° de VZW " Ligue des Usagers des Services de Santé ";
2° de VZW " Vlaams Patiëntenplatform ".
Voor 2010 worden subsidies toegekend aan de patiëntenvereniging VZW " Rare Diseases OrganisationBelgium " (Belgische Alliantie voor Zeldzame Ziekten). Deze subsidies bedragen 40.000 euro.
Deze subsidies vallen ten laste van de begroting van de administratiekosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoeld in artikel 12, 6°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
§ 3. De Koning stelt de regels en voorwaarden van de verdeling, de toekenning en de betaling van de subsidies vast, alsook de regels van opschorting en volledige of gedeeltelijke terugvordering ingeval de vastgestelde voorwaarden niet worden geëerbiedigd. ".
" Art. 245. § 1. De subsidies die ten laste vallen van de begroting van de administratiekosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoeld in artikel 12, 6°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden toegekend aan de twee volgende patiëntenverenigingen :
1° de vzw " Ligue des Usagers des Services de Santé ";
2° de vzw " Vlaams Patiëntenplatform ".
Onverminderd het derde lid bedraagt het globale bedrag van de voornoemde subsidies, die ten laste gelegd worden van de begroting van de administratiekosten van het Instituut, jaarlijks 90.000 euro, een bedrag dat volledig ten laste wordt genomen door de sector geneeskundige verzorging.
§ 2. Voor 2010 worden de subsidies die ingevolge paragraaf 1 worden toegekend aan de twee volgende patiëntenverenigingen verhoogd met respectievelijk 40.000 euro :
1° de VZW " Ligue des Usagers des Services de Santé ";
2° de VZW " Vlaams Patiëntenplatform ".
Voor 2010 worden subsidies toegekend aan de patiëntenvereniging VZW " Rare Diseases OrganisationBelgium " (Belgische Alliantie voor Zeldzame Ziekten). Deze subsidies bedragen 40.000 euro.
Deze subsidies vallen ten laste van de begroting van de administratiekosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoeld in artikel 12, 6°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
§ 3. De Koning stelt de regels en voorwaarden van de verdeling, de toekenning en de betaling van de subsidies vast, alsook de regels van opschorting en volledige of gedeeltelijke terugvordering ingeval de vastgestelde voorwaarden niet worden geëerbiedigd. ".
Art. 52. L'article 245 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 245. § 1er. Des subventions à charge du budget des frais d'administration de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 12, 6°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, sont accordées aux deux associations de patients suivantes :
1° l'ASBL " Ligue des Usagers des Services de Santé ";
2° l'ASBL " Vlaams Patiëntenplatform ".
Sans préjudice de l'alinéa 3, le montant global des subventions précitées, imputées au budget des frais d'administration de l'Institut, s'élève annuellement à 90.000 euros et est pris en charge intégralement par le secteur des soins de santé.
§ 2. Pour l'année 2010, les subventions, qui sont accordées par le paragraphe 1er aux deux associations de patients suivantes sont augmentées respectivement de 40.000 euros :
1° l'ASBL " Ligue des Usagers des Services de Santé ";
2° l'ASBL " Vlaams Patiëntenplatform ".
Pour l'année 2010, des subventions sont accordées à l'association de patients ASBL " Rare Diseases Organisation Belgium " (Alliance belge pour Maladies rares). Ces subventions s'élèvent à 40.000 euros.
Ces subventions sont à charge du budget des frais d'administration de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 12, 6°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
§ 3. Le Roi fixe les règles et les conditions de répartition, d'octroi et de paiement des subventions, ainsi que de suspension et de récupération totale ou partielle en cas de non-respect des conditions fixées. ".
" Art. 245. § 1er. Des subventions à charge du budget des frais d'administration de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 12, 6°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, sont accordées aux deux associations de patients suivantes :
1° l'ASBL " Ligue des Usagers des Services de Santé ";
2° l'ASBL " Vlaams Patiëntenplatform ".
Sans préjudice de l'alinéa 3, le montant global des subventions précitées, imputées au budget des frais d'administration de l'Institut, s'élève annuellement à 90.000 euros et est pris en charge intégralement par le secteur des soins de santé.
§ 2. Pour l'année 2010, les subventions, qui sont accordées par le paragraphe 1er aux deux associations de patients suivantes sont augmentées respectivement de 40.000 euros :
1° l'ASBL " Ligue des Usagers des Services de Santé ";
2° l'ASBL " Vlaams Patiëntenplatform ".
Pour l'année 2010, des subventions sont accordées à l'association de patients ASBL " Rare Diseases Organisation Belgium " (Alliance belge pour Maladies rares). Ces subventions s'élèvent à 40.000 euros.
Ces subventions sont à charge du budget des frais d'administration de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 12, 6°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
§ 3. Le Roi fixe les règles et les conditions de répartition, d'octroi et de paiement des subventions, ainsi que de suspension et de récupération totale ou partielle en cas de non-respect des conditions fixées. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 27 avril 2005 relative à la maitrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé
Art. 53. In artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, gewijzigd bij de wet van 19 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het vierde lid wordt vervangen door de volgende leden :
" Op 1 april 2010, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingbasissen van de specialiteiten van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvan, op 1 januari 2010, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar en minder dan vijftien jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, bijkomend verminderd met 1,16 pct.
Op 1 april 2010, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingbasissen van de specialiteiten van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvan, op 1 januari 2010, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, bijkomend verminderd met 1,19 pct.
Vervolgens worden telkens op 1 januari en op 1 juli, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 en XXII, de prijzen en vergoedingbasissen van de specialiteiten van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvan, in de loop van het voorafgaande semester, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met 15 pct. en in een specialiteit die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met 2,35 pct.
Op 1 april 2010, en vervolgens telkens op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar, worden de prijzen en vergoedingbasissen van de specialiteiten van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvoor na 31 december 2009 overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter of 35quater een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld werd of wordt, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 en XXII, verminderd met 17 pct., voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten. Indien de prijzen en vergoedingsbases van de specialiteiten reeds werden verminderd met 14 pct. of met 15 pct., conform de bepalingen van het derde of het zesde lid van dit artikel, worden de prijzen en vergoedingsbases verminderd met 2,35 pct. ".
De Koning kan de percentages bedoeld in de voorgaande leden wijzigen.
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Een uitzondering op de toepassing van het vierde en het vijfde lid wordt eveneens verleend aan de farmaceutische specialiteiten waarop de bepalingen van het zevende lid zijn toegepast. ".
1° het vierde lid wordt vervangen door de volgende leden :
" Op 1 april 2010, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingbasissen van de specialiteiten van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvan, op 1 januari 2010, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar en minder dan vijftien jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, bijkomend verminderd met 1,16 pct.
Op 1 april 2010, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingbasissen van de specialiteiten van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvan, op 1 januari 2010, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, bijkomend verminderd met 1,19 pct.
Vervolgens worden telkens op 1 januari en op 1 juli, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 en XXII, de prijzen en vergoedingbasissen van de specialiteiten van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvan, in de loop van het voorafgaande semester, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met 15 pct. en in een specialiteit die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met 2,35 pct.
Op 1 april 2010, en vervolgens telkens op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar, worden de prijzen en vergoedingbasissen van de specialiteiten van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvoor na 31 december 2009 overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter of 35quater een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld werd of wordt, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 en XXII, verminderd met 17 pct., voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten. Indien de prijzen en vergoedingsbases van de specialiteiten reeds werden verminderd met 14 pct. of met 15 pct., conform de bepalingen van het derde of het zesde lid van dit artikel, worden de prijzen en vergoedingsbases verminderd met 2,35 pct. ".
De Koning kan de percentages bedoeld in de voorgaande leden wijzigen.
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Een uitzondering op de toepassing van het vierde en het vijfde lid wordt eveneens verleend aan de farmaceutische specialiteiten waarop de bepalingen van het zevende lid zijn toegepast. ".
Art. 53. A l'article 69 de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, modifié par la loi du 19 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 4 est remplacé par les alinéas suivants :
" Au 1er avril 2010, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et les bases de remboursement des spécialités des chapitres Ier, II, et IV de l'annexe Ire de la liste jointe à l'arrêté royal du 21 décembre 2001, fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, dont, au 1er janvier 2010, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans et moins de quinze ans, sont diminués de 1,16 p.c.
Au 1er avril 2010, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et les bases de remboursement des spécialités des chapitres Ier, II, et IV de l'annexe Ire de la liste jointe à l'arrêté royal du 21 décembre 2001, fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, dont, au 1er janvier 2010, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de quinze ans, sont diminués de 1,19 p.c.
Ensuite, chaque 1er janvier et chaque 1er juillet, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et les bases de remboursement des spécialités des chapitres Ier, II, et IV de l'annexe Ire de la liste jointe à l'arrêté royal du 21 décembre 2001, fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, dont, dans le courant du semestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans sont diminués de 15 p.c. et dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de quinze ans sont diminués de 2,35 p.c.
Au 1er avril 2010, et ensuite chaque 1er janvier, chaque 1er avril, chaque 1er juillet et chaque 1er octobre de chaque année, les prix et bases de remboursement des spécialités des chapitres Ier, II, et IV de l'annexe Ire de la liste jointe à l'arrêté royal du 21 décembre 2001, fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement ont été ou sont fixés après le 31 décembre 2009, conformément aux dispositions de l'article 35ter ou 35quater, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 et XXII, sont diminués de 17 p.c., pour autant que les dispositions dudit article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités. Si les prix et les bases de remboursement des spécialités ont déjà été diminués de 14 p.c. ou de 15 p.c., conformément aux dispositions de l'alinéa 3 ou de l'alinéa 6, les prix et les bases de remboursement sont diminués de 2,35 p.c. ".
Le Roi peut modifier les pourcentages visés aux alinéas précités.
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Une exception à l'application des alinéas 4 et 5 est par ailleurs accordée aux spécialités pharmaceutiques auxquelles les dispositions de l'alinéa 7 ont été appliquées. ".
1° l'alinéa 4 est remplacé par les alinéas suivants :
" Au 1er avril 2010, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et les bases de remboursement des spécialités des chapitres Ier, II, et IV de l'annexe Ire de la liste jointe à l'arrêté royal du 21 décembre 2001, fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, dont, au 1er janvier 2010, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans et moins de quinze ans, sont diminués de 1,16 p.c.
Au 1er avril 2010, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et les bases de remboursement des spécialités des chapitres Ier, II, et IV de l'annexe Ire de la liste jointe à l'arrêté royal du 21 décembre 2001, fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, dont, au 1er janvier 2010, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de quinze ans, sont diminués de 1,19 p.c.
Ensuite, chaque 1er janvier et chaque 1er juillet, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et les bases de remboursement des spécialités des chapitres Ier, II, et IV de l'annexe Ire de la liste jointe à l'arrêté royal du 21 décembre 2001, fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, dont, dans le courant du semestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans sont diminués de 15 p.c. et dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de quinze ans sont diminués de 2,35 p.c.
Au 1er avril 2010, et ensuite chaque 1er janvier, chaque 1er avril, chaque 1er juillet et chaque 1er octobre de chaque année, les prix et bases de remboursement des spécialités des chapitres Ier, II, et IV de l'annexe Ire de la liste jointe à l'arrêté royal du 21 décembre 2001, fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement ont été ou sont fixés après le 31 décembre 2009, conformément aux dispositions de l'article 35ter ou 35quater, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, VII.9, VII.10 et XXII, sont diminués de 17 p.c., pour autant que les dispositions dudit article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités. Si les prix et les bases de remboursement des spécialités ont déjà été diminués de 14 p.c. ou de 15 p.c., conformément aux dispositions de l'alinéa 3 ou de l'alinéa 6, les prix et les bases de remboursement sont diminués de 2,35 p.c. ".
Le Roi peut modifier les pourcentages visés aux alinéas précités.
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Une exception à l'application des alinéas 4 et 5 est par ailleurs accordée aux spécialités pharmaceutiques auxquelles les dispositions de l'alinéa 7 ont été appliquées. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi relative aux hôpitaux et à d'autres établissements de soins, coordonnée le 10 juillet 2008
Art. 54. In artikel 97 van de wet betreffende de ziekenhuizen en ander verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " of een tweepatiëntenkamer " opgeheven;
2° in paragraaf 1, derde lid, van de Nederlandse tekst wordt het woord " respectievelijk " opgeheven;
3° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden " en in een tweepatiëntenkamer " opgeheven;
4° paragraaf 1, vierde lid, wordt opgeheven;
5° paragraaf 2, tweede lid, wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " of een tweepatiëntenkamer " opgeheven;
2° in paragraaf 1, derde lid, van de Nederlandse tekst wordt het woord " respectievelijk " opgeheven;
3° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden " en in een tweepatiëntenkamer " opgeheven;
4° paragraaf 1, vierde lid, wordt opgeheven;
5° paragraaf 2, tweede lid, wordt opgeheven.
Art. 54. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 97 de la loi relative aux hôpitaux et à d'autres établissements de soins, coordonnée le 10 juillet 2008 :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " ou en chambre de deux patients " sont abrogés;
2° au paragraphe 1er, troisième alinéa, dans le texte néerlandophone, le mot " respectievelijk " est abrogé;
3° au paragraphe 1er, troisième alinéa, les mots " et en chambre de deux patients " sont abrogés;
4° au paragraphe 1er, le quatrième alinéa est abrogé;
5° au paragraphe 2, le deuxième alinéa est abrogé.
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " ou en chambre de deux patients " sont abrogés;
2° au paragraphe 1er, troisième alinéa, dans le texte néerlandophone, le mot " respectievelijk " est abrogé;
3° au paragraphe 1er, troisième alinéa, les mots " et en chambre de deux patients " sont abrogés;
4° au paragraphe 1er, le quatrième alinéa est abrogé;
5° au paragraphe 2, le deuxième alinéa est abrogé.
Art. 55. In artikel 100 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" Onverminderd artikel 97, dekt het budget van financiële middelen op forfaitaire wijze de kosten die verband houden met het verblijf en de verstrekking van zorgen aan de patiënten in het ziekenhuis, met inbegrip van de patiënten in daghospitalisatie zoals omschreven door de Koning. ".
" Onverminderd artikel 97, dekt het budget van financiële middelen op forfaitaire wijze de kosten die verband houden met het verblijf en de verstrekking van zorgen aan de patiënten in het ziekenhuis, met inbegrip van de patiënten in daghospitalisatie zoals omschreven door de Koning. ".
Art. 55. A l'article 100 de la même loi, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Sans préjudice de l'article 97, le budget des moyens financiers couvre de manière forfaitaire les frais résultant du séjour et de la dispensation des soins aux patients de l'hôpital, en ce compris les patients en hospitalisation de jour telle que définie par le Roi. ".
" Sans préjudice de l'article 97, le budget des moyens financiers couvre de manière forfaitaire les frais résultant du séjour et de la dispensation des soins aux patients de l'hôpital, en ce compris les patients en hospitalisation de jour telle que définie par le Roi. ".
Art. 56. Opgeheven worden :
1° het koninklijk besluit van 29 september 2002 tot uitvoering van artikel 90, § 1, derde lid, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;
2° het koninklijk besluit van 14 juni 2006 tot uitvoering van artikel 90 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
1° het koninklijk besluit van 29 september 2002 tot uitvoering van artikel 90, § 1, derde lid, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;
2° het koninklijk besluit van 14 juni 2006 tot uitvoering van artikel 90 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
Art. 56. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 29 septembre 2002 portant exécution de l'article 90, § 1er, alinéa 3, de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987;
2° l'arrêté royal du 14 juin 2006 portant exécution de l'article 90 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
1° l'arrêté royal du 29 septembre 2002 portant exécution de l'article 90, § 1er, alinéa 3, de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987;
2° l'arrêté royal du 14 juin 2006 portant exécution de l'article 90 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
Art. 57. De artikelen 54 tot 56 van deze wet hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2010.
Art. 57. Les articles 54 à 56 de la présente loi produisent leur effet le 1er janvier 2010.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen
CHAPITRE 5. - Modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires
Art. 58. In de tabel die bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen is gevoegd, wordt de tekst onder de vermelding " Aard van de gemachtigde uitgaven " van subrubriek 31-2 Fonds voor de grondstoffen en de producten, vervangen bij de programmawet van 22 december 2008, aangevuld als volgt :
" - De betaling van de toegekende subsidies volgens de hierboven vermelde wet van 28 juli 1981 ter ondersteuning van het in werking treden van de Overeenkomst over de internationale handel van bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en de Bijlagen, opgesteld in Washington op 3 maart 1973 en de internationale projecten ontwikkelt in het kader van deze overeenkomst. ".
" - De betaling van de toegekende subsidies volgens de hierboven vermelde wet van 28 juli 1981 ter ondersteuning van het in werking treden van de Overeenkomst over de internationale handel van bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en de Bijlagen, opgesteld in Washington op 3 maart 1973 en de internationale projecten ontwikkelt in het kader van deze overeenkomst. ".
Art. 58. Dans le tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, le texte sous la mention " Nature des dépenses autorisées " de la sous-rubrique 31-2 Fonds pour les matières premières et les produits, remplacé par la loi programme du 22 décembre 2008, est complété comme suit :
" - Le payement de subsides octroyés en vertu de la loi susvisée du 28 juillet 1981 pour soutenir la mise en oeuvre de la Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction, et des Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973 et des projets internationaux développés dans le cadre de cette Convention. ".
" - Le payement de subsides octroyés en vertu de la loi susvisée du 28 juillet 1981 pour soutenir la mise en oeuvre de la Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction, et des Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973 et des projets internationaux développés dans le cadre de cette Convention. ".
HOOFDSTUK 6. - Prijsblokkering
CHAPITRE 6. - Blocage des prix
Art. 59. Vanaf 1 januari 2010 en tot en met 31 december 2010, mogen de prijzen van de in artikel 313, § 1, van de programmawet van 22 december 1989 bedoelde geneesmiddelen niet worden verhoogd.
Voor de prijsverhogingsaanvragen ingediend tussen 1 januari 2010 en 31 december 2010 nemen de in artikel 5, § 2, van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen, bedoelde termijnen een aanvang op 1 januari 2011.
Op aanvraag van de houder van de vergunning tot commercialisatie kan de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, in uitzonderingsgevallen, en voor zover dit door bijzondere redenen wordt gerechtvaardigd, een afwijking van de prijsblokkering toestaan. De minister deelt zijn beslissing binnen de 90 dagen mee aan de aanvrager. Indien de bij de aanvraag gevoegde inlichtingen niet toereikend zijn, laat hij de aanvrager onverwijld tot in bijzonderheden weten welke aanvullende inlichtingen vereist zijn en neemt hij zijn definitieve beslissing binnen 90 dagen na de ontvangst van deze aanvullende inlichtingen. In geval van een uitzonderlijk groot aantal aanvragen kan de termijn één keer worden verlengd met nog eens 60 dagen. De aanvrager wordt van een dergelijke verlenging in kennis gesteld voordat de oorspronkelijke termijn is verstreken.
Voor de prijsverhogingsaanvragen ingediend tussen 1 januari 2010 en 31 december 2010 nemen de in artikel 5, § 2, van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen, bedoelde termijnen een aanvang op 1 januari 2011.
Op aanvraag van de houder van de vergunning tot commercialisatie kan de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, in uitzonderingsgevallen, en voor zover dit door bijzondere redenen wordt gerechtvaardigd, een afwijking van de prijsblokkering toestaan. De minister deelt zijn beslissing binnen de 90 dagen mee aan de aanvrager. Indien de bij de aanvraag gevoegde inlichtingen niet toereikend zijn, laat hij de aanvrager onverwijld tot in bijzonderheden weten welke aanvullende inlichtingen vereist zijn en neemt hij zijn definitieve beslissing binnen 90 dagen na de ontvangst van deze aanvullende inlichtingen. In geval van een uitzonderlijk groot aantal aanvragen kan de termijn één keer worden verlengd met nog eens 60 dagen. De aanvrager wordt van een dergelijke verlenging in kennis gesteld voordat de oorspronkelijke termijn is verstreken.
Art. 59. Depuis le 1er janvier 2010 jusqu'au 31 décembre 2010 inclus, les prix des médicaments visés à l'article 313, § 1er, de la loi-programme du 22 décembre 1989, ne peuvent être augmentés.
Pour les demandes de hausse de prix introduites entre le 1er janvier 2010 et le 31 décembre 2010, les délais prévus à l'article 5, § 2, de l'arrêté ministériel du 29 décembre 1989 relatif aux prix des médicaments remboursables, ne commencent à courir qu'à partir du 1er janvier 2011.
Sur demande du détenteur de l'autorisation de commercialisation, le Ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions peut accorder une dérogation au blocage des prix dans des cas exceptionnels et pour autant que des raisons particulières le justifient. Le ministre communique sa décision dans les 90 jours au demandeur. Si les informations communiquées à l'appui de la demande sont insuffisantes, il notifie aussitôt au demandeur les renseignements complémentaires détaillés qui sont exigés et il prend sa décision finale dans un délai de 90 jours à compter de la réception de ces renseignements complémentaires. Si le nombre de demandes est exceptionnellement élevé, le délai peut être prorogé une seule fois de soixante jours. Le demandeur est informé d'une telle prorogation avant l'expiration du délai initial.
Pour les demandes de hausse de prix introduites entre le 1er janvier 2010 et le 31 décembre 2010, les délais prévus à l'article 5, § 2, de l'arrêté ministériel du 29 décembre 1989 relatif aux prix des médicaments remboursables, ne commencent à courir qu'à partir du 1er janvier 2011.
Sur demande du détenteur de l'autorisation de commercialisation, le Ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions peut accorder une dérogation au blocage des prix dans des cas exceptionnels et pour autant que des raisons particulières le justifient. Le ministre communique sa décision dans les 90 jours au demandeur. Si les informations communiquées à l'appui de la demande sont insuffisantes, il notifie aussitôt au demandeur les renseignements complémentaires détaillés qui sont exigés et il prend sa décision finale dans un délai de 90 jours à compter de la réception de ces renseignements complémentaires. Si le nombre de demandes est exceptionnellement élevé, le délai peut être prorogé une seule fois de soixante jours. Le demandeur est informé d'une telle prorogation avant l'expiration du délai initial.
TITEL 5. - Sociale zaken
TITRE 5. - Affaires sociales
HOOFDSTUK 1. - Alternatieve financiering
CHAPITRE 1er. - Financement alternatif
Art. 60. In artikel 66, § 3quinquies, tweede lid, van de programmawet van 2 januari 2001, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden " Voor het jaar 2008 wordt een bedrag, aanvullend op hetgeen voorzien is in § 2, 4°, voorafgenomen " vervangen door de woorden " Voor de jaren 2008, 2009 en 2010 wordt jaarlijks een bedrag, aanvullend op hetgeen voorzien is in § 2, 4°, voorafgenomen ".
Art. 60. Dans l'article 66, § 3quinquies, alinéa 2, de la loi-programme du 2 janvier 2001, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2008, les mots " Pour l'année 2008, un montant supplémentaire à celui visé au § 2, 4°, est prélevé " sont remplacés par les mots " Pour les années 2008, 2009 et 2010, un montant supplémentaire à celui visé au § 2, 4°, est prélevé annuellement ".
Art. 61. Artikel 66, § 2, 4°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 december 2001, wordt aangevuld met de volgende zin : " Voor het jaar 2011 is dit bedrag gelijk aan het bedrag van de bijdragen bedoeld ter financiering van het betaald educatief verlof verminderd met 30 miljoen euro. ".
Art. 61. L'article 66, § 2, 4°, de la même loi, inséré par la loi du 30 décembre 2001, est complété par la phrase suivante : " Pour l'année 2011, ce montant est égal au montant des cotisations destinées au financement du congé éducation payé diminué de 30 millions euros. ".
Art. 62. Artikel 60 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009 en artikel 61 treedt in werking op 1 januari 2011.
Art. 62. L'article 60 produit ses effets le 1er janvier 2009 et l'article 61 entre en vigueur le 1er janvier 2011.
HOOFDSTUK 2. - Sociale fraude
CHAPITRE 2. - Fraude sociale
Afdeling 1. - Regularisaties
Section 1re. - Régularisations
Art. 63. In artikel 22quater, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden " Wanneer een sociaal controleur of inspecteur " vervangen door de woorden " Wanneer een sociaal controleur, inspecteur of een officier van gerechtelijke politie ".
Art. 63. Dans l'article 22quater, alinéa 1er, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, inséré par la loi du 22 décembre 2008, les mots " Lorsqu'un contrôleur ou un inspecteur social " sont remplacés par les mots " Lorsqu'un contrôleur, un inspecteur social ou un officier de police judiciaire ".
Afdeling 2. - Forfaitaire beroepskosten
Section 2. - Frais professionnel forfaitaire
Art. 64. In artikel 14, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 juli 2008, wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. Bij betwisting van de realiteit van de kosten ten laste van de werkgever, dient de werkgever de realiteit van deze kosten aan te tonen door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Bij gebreke aan bewijskrachtige gegevens aangeleverd door de werkgever kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, op voorstel van de bevoegde inspectiediensten die de werkgever gehoord hebben, ambtshalve een bijkomende aangifte uitvoeren, rekening houdende met alle nuttige inlichtingen waarover zij beschikt. ".
" § 4. Bij betwisting van de realiteit van de kosten ten laste van de werkgever, dient de werkgever de realiteit van deze kosten aan te tonen door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Bij gebreke aan bewijskrachtige gegevens aangeleverd door de werkgever kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, op voorstel van de bevoegde inspectiediensten die de werkgever gehoord hebben, ambtshalve een bijkomende aangifte uitvoeren, rekening houdende met alle nuttige inlichtingen waarover zij beschikt. ".
Art. 64. L'article 14 de la même loi, modifié par la loi du 24 juillet 2008, est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. En cas de contestation quant au caractère réel des frais à charge de l'employeur, l'employeur doit démontrer la réalité de ces frais au moyen de documents probants ou, quand cela n'est pas possible, par tous autres moyens de preuve admis par le droit commun, sauf le serment.
En l'absence d'éléments probants fournis par l'employeur, l'Office national de sécurité sociale peut, sur proposition des services d'inspection compétents qui ont auditionné l'employeur, effectuer d'office une déclaration supplémentaire, compte tenu de toutes les informations utiles dont il dispose. ".
" § 4. En cas de contestation quant au caractère réel des frais à charge de l'employeur, l'employeur doit démontrer la réalité de ces frais au moyen de documents probants ou, quand cela n'est pas possible, par tous autres moyens de preuve admis par le droit commun, sauf le serment.
En l'absence d'éléments probants fournis par l'employeur, l'Office national de sécurité sociale peut, sur proposition des services d'inspection compétents qui ont auditionné l'employeur, effectuer d'office une déclaration supplémentaire, compte tenu de toutes les informations utiles dont il dispose. ".
Art. 65. In artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002 en 24 juli 2008 en het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, worden tussen het tweede en het derde lid twee leden ingevoegd, luidende :
" Bij betwisting van de realiteit van de kosten ten laste van de werkgever, dient de werkgever de realiteit van deze kosten aan te tonen door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Bij gebreke aan bewijskrachtige gegevens aangeleverd door de werkgever, kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, op voorstel van de bevoegde inspectiediensten die de werkgever gehoord hebben, ambtshalve een bijkomende aangifte uitvoeren, rekening houdende met alle nuttige inlichtingen waarover hij beschikt. ".
" Bij betwisting van de realiteit van de kosten ten laste van de werkgever, dient de werkgever de realiteit van deze kosten aan te tonen door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Bij gebreke aan bewijskrachtige gegevens aangeleverd door de werkgever, kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, op voorstel van de bevoegde inspectiediensten die de werkgever gehoord hebben, ambtshalve een bijkomende aangifte uitvoeren, rekening houdende met alle nuttige inlichtingen waarover hij beschikt. ".
Art. 65. Dans l'article 23 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié par les lois des 24 décembre 2002 et 24 juillet 2008 et l'arrêté royal du 8 août 1997, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 2 et 3 :
" En cas de contestation quant au caractère réel des frais à charge de l'employeur, l'employeur doit démontrer la réalité de ces frais au moyen de documents probants ou, quand cela n'est pas possible, par tous autres moyens de preuve admis par le droit commun, sauf le serment.
En l'absence d'éléments probants fournis par l'employeur, l'Office national de sécurité sociale peut, sur proposition des services d'inspection compétents qui ont auditionné l'employeur, effectuer d'office une déclaration supplémentaire, compte tenu de toutes les informations utiles dont il dispose. ".
" En cas de contestation quant au caractère réel des frais à charge de l'employeur, l'employeur doit démontrer la réalité de ces frais au moyen de documents probants ou, quand cela n'est pas possible, par tous autres moyens de preuve admis par le droit commun, sauf le serment.
En l'absence d'éléments probants fournis par l'employeur, l'Office national de sécurité sociale peut, sur proposition des services d'inspection compétents qui ont auditionné l'employeur, effectuer d'office une déclaration supplémentaire, compte tenu de toutes les informations utiles dont il dispose. ".
Afdeling 3. - Elektronische registratie van de aanwezigheid op de werven
Section 3. - Enregistrement électronique de la présence sur les chantiers
Art. 66. In artikel 7, § 4, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
" Hij kan in toepassing van het eerste lid de werkgevers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf verplichten om, onder de voorwaarden en volgens de vormen die Hij bepaalt, een dagelijkse elektronische registratie te verrichten van hun werknemers die op die dag arbeidsprestaties verrichten op de werf. ".
" Hij kan in toepassing van het eerste lid de werkgevers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf verplichten om, onder de voorwaarden en volgens de vormen die Hij bepaalt, een dagelijkse elektronische registratie te verrichten van hun werknemers die op die dag arbeidsprestaties verrichten op de werf. ".
Art. 66. Dans l'article 7, § 4, de l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié par la loi du 13 février 1998, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les 1er et 2 :
" En application de l'alinéa premier, Il peut obliger les employeurs qui relèvent de la Commission paritaire de la construction, dans les conditions et suivants les formes qu'Il détermine, de procéder à un enregistrement électronique journalier de leurs travailleurs qui effectuent ce jour des prestations de travail sur le chantier. "
" En application de l'alinéa premier, Il peut obliger les employeurs qui relèvent de la Commission paritaire de la construction, dans les conditions et suivants les formes qu'Il détermine, de procéder à un enregistrement électronique journalier de leurs travailleurs qui effectuent ce jour des prestations de travail sur le chantier. "
Afdeling 4. - Wijziging van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
Section 4. - Modification de l'article 30bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
Art. 67. In artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, vervangen door de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 7, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" De aannemer licht de voormelde Rijksdienst in over de begin- en einddatum van de werken. De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder begin- en einddatum van de werken. ";
2° in paragraaf 7, vierde lid, worden de woorden " binnen de vijftien dagen na de aanvankelijk voorziene begindatum " opgeheven;
3° paragraaf 8, laatste lid, wordt opgeheven.
1° paragraaf 7, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" De aannemer licht de voormelde Rijksdienst in over de begin- en einddatum van de werken. De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder begin- en einddatum van de werken. ";
2° in paragraaf 7, vierde lid, worden de woorden " binnen de vijftien dagen na de aanvankelijk voorziene begindatum " opgeheven;
3° paragraaf 8, laatste lid, wordt opgeheven.
Art. 67. A l'article 30bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, remplacé par la loi du 27 avril 2007 et modifié par la loi du 27 décembre 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 7, alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'entrepreneur informe l'Office national précité de la date de début et de fin des travaux. Le Roi définit ce que l'on entend par date de début et de fin des travaux. ";
2° dans le § 7, alinéa 4, les mots " dans les quinze jours qui suivent la date de début d'intervention initialement prévue " sont supprimés;
3° le § 8, alinéa dernier, est abrogé.
1° dans le § 7, alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'entrepreneur informe l'Office national précité de la date de début et de fin des travaux. Le Roi définit ce que l'on entend par date de début et de fin des travaux. ";
2° dans le § 7, alinéa 4, les mots " dans les quinze jours qui suivent la date de début d'intervention initialement prévue " sont supprimés;
3° le § 8, alinéa dernier, est abrogé.
Afdeling 5. - Inwerkingtreding
Section 5. - Entrée en vigueur
Art. 68. De afdelingen 1 en 2 treden in werking op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van de afdelingen 3 en 4.
De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van de afdelingen 3 en 4.
Art. 68. Les sections 1re et 2 entrent en vigueur le premier jour du trimestre qui suit celui de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la date d'entrée en vigueur des sections 3 et 4.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la date d'entrée en vigueur des sections 3 et 4.
HOOFDSTUK 3. - Sigedis
CHAPITRE 3. - Sigedis
Art. 69. In artikel 306, § 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld met een 5°, luidende :
" 5° de controle door de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van de inning van de bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3ter, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. ";
2° in het tweede lid worden de woorden " bedoeld in 1°, 2° en 3° " vervangen door de woorden " bedoeld in 1°, 2°, 3° en 5° ".
1° het eerste lid wordt aangevuld met een 5°, luidende :
" 5° de controle door de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van de inning van de bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3ter, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. ";
2° in het tweede lid worden de woorden " bedoeld in 1°, 2° en 3° " vervangen door de woorden " bedoeld in 1°, 2°, 3° en 5° ".
Art. 69. A l'article 306, § 2, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° le contrôle par l'Office national de sécurité sociale et l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales de la perception de la cotisation visée à l'article 38, § 3ter, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés. ";
2° dans le deuxième alinéa, les mots " mentionnée en 1°, 2° et 3° ", sont remplacés par les mots " mentionnée en 1°, 2°, 3° et 5° ".
1° l'alinéa 1er est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° le contrôle par l'Office national de sécurité sociale et l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales de la perception de la cotisation visée à l'article 38, § 3ter, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés. ";
2° dans le deuxième alinéa, les mots " mentionnée en 1°, 2° et 3° ", sont remplacés par les mots " mentionnée en 1°, 2°, 3° et 5° ".
HOOFDSTUK 4. - Beroepsziekten
CHAPITRE 4. - Maladies professionnelles
Art. 70. Artikel 35bis van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1987 en laatst gewijzigd bij de wet van 11 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
" Art. 35bis. § 1. Ingeval de graad van lichamelijke arbeidsongeschiktheid wordt gewijzigd of bevestigd na de leeftijd van 65 jaar, is de graad die overeenstemt met de vermindering van het normale vermogen tot verdienen veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt, vastgesteld vóór deze leeftijd, niet meer vatbaar voor veranderingen.
§ 2. Ingeval de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld na de leeftijd van 65 jaar, wordt bij de evaluatie van deze graad geen rekening gehouden met de vermindering van het normale vermogen tot verdienen veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt. ".
" Art. 35bis. § 1. Ingeval de graad van lichamelijke arbeidsongeschiktheid wordt gewijzigd of bevestigd na de leeftijd van 65 jaar, is de graad die overeenstemt met de vermindering van het normale vermogen tot verdienen veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt, vastgesteld vóór deze leeftijd, niet meer vatbaar voor veranderingen.
§ 2. Ingeval de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld na de leeftijd van 65 jaar, wordt bij de evaluatie van deze graad geen rekening gehouden met de vermindering van het normale vermogen tot verdienen veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt. ".
Art. 70. L'article 35bis des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970, inséré par l'arrêté royal du 31 mars 1987 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 35bis. § 1er. Si le taux d'incapacité physique de travail est modifié ou confirmé après l'âge de 65 ans, le taux correspondant à la diminution de la capacité de gain normale produite par la limitation effective des possibilités de travail sur le marché de l'emploi, déterminée avant cet âge, n'est plus susceptible de modification.
§ 2. Si le taux d'incapacité permanente de travail est déterminé après l'âge de 65 ans, la diminution de la capacité de gain normale produite par la limitation effective des possibilités de travail sur le marché de l'emploi n'est pas prise en considération dans l'évaluation de ce taux. ".
" Art. 35bis. § 1er. Si le taux d'incapacité physique de travail est modifié ou confirmé après l'âge de 65 ans, le taux correspondant à la diminution de la capacité de gain normale produite par la limitation effective des possibilités de travail sur le marché de l'emploi, déterminée avant cet âge, n'est plus susceptible de modification.
§ 2. Si le taux d'incapacité permanente de travail est déterminé après l'âge de 65 ans, la diminution de la capacité de gain normale produite par la limitation effective des possibilités de travail sur le marché de l'emploi n'est pas prise en considération dans l'évaluation de ce taux. ".
Art. 71. Voor het slachtoffer dat de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt voor 1 januari 2010, kent het Fonds voor beroepsziekten ambtshalve vanaf 1 januari 2010 opnieuw de graad toe die overeenstemt met de vermindering van zijn normale vermogen tot verdienen veroorzaakt door de feitelijke beperking van de arbeidsmogelijkheden op de arbeidsmarkt en die hem toegekend was voor deze leeftijd.
Art. 71. Pour la victime d'une maladie professionnelle qui a atteint l'âge de 65 ans avant le 1er janvier 2010, le Fonds des maladies professionnelles restitue d'office à partir du 1er janvier 2010 le taux correspondant à la diminution de la capacité de gain normale produite par la limitation effective des possibilités de travail sur le marché de l'emploi, qui lui avait été attribué avant cet âge.
Art. 72. De artikelen 70 en 71 treden in werking op 1 januari 2010.
Art. 72. Les articles 70 et 71 entrent en vigueur le 1er janvier 2010.
HOOFDSTUK 5. - Dotaties sociale zekerheid
CHAPITRE 5. - Dotations sécurité sociale
Art. 73. Voor de jaren 2010 en 2011 wordt een bijzonder bedrag aan rijkstoelage gestort aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en aan het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Dit bijzonder bedrag aan rijkstoelage wordt ingeschreven in de begroting van de FOD Sociale Zekerheid.
Het bijzonder bedrag aan rijkstoelage bedraagt 2.552.382.000 euro voor het jaar 2010 en 2.770.440.000 euro voor het jaar 2011. Deze bedragen worden verdeeld volgens een verdeelsleutel van 90 pct. voor het voormelde globaal beheer der werknemers en 10 pct. voor voormelde globaal financieel beheer der zelfstandigen.
De helft van dit bedrag wordt in het lopend jaar gestort in twaalf maandelijkse gelijke schijven; de resterende helft op 15 november van het lopende jaar.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de resterende helft, zoals bedoeld in het vorige lid, aanpassen, op basis van nieuwe gegevens betreffende het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, of op basis van nieuwe gegevens betreffende de algemene budgettaire situatie van de stelsels van sociale zekerheid voor het betrokken begrotingsjaar. Deze aanpassing kan gebeuren in de loop van het betrokken begrotingsjaar en uiterlijk op 30 juni van het daaropvolgende jaar. Indien de aanpassing gebeurt na 1 december van het betrokken begrotingsjaar (t) zal het effect ervan verrekend worden met ofwel het bedrag van de bijzondere dotatie van het volgende begrotingsjaar (t+1) ofwel met het bedrag van de gewone rijkstoelage zoals voorzien in respectievelijk titel I, hoofdstuk I, afdeling 1, van de wet houdende sociale bepalingen van 29 juni 1981 en artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de organisatie van het sociaal statuut van de zelfstandigen.
Het bijzonder bedrag aan rijkstoelage bedraagt 2.552.382.000 euro voor het jaar 2010 en 2.770.440.000 euro voor het jaar 2011. Deze bedragen worden verdeeld volgens een verdeelsleutel van 90 pct. voor het voormelde globaal beheer der werknemers en 10 pct. voor voormelde globaal financieel beheer der zelfstandigen.
De helft van dit bedrag wordt in het lopend jaar gestort in twaalf maandelijkse gelijke schijven; de resterende helft op 15 november van het lopende jaar.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de resterende helft, zoals bedoeld in het vorige lid, aanpassen, op basis van nieuwe gegevens betreffende het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, of op basis van nieuwe gegevens betreffende de algemene budgettaire situatie van de stelsels van sociale zekerheid voor het betrokken begrotingsjaar. Deze aanpassing kan gebeuren in de loop van het betrokken begrotingsjaar en uiterlijk op 30 juni van het daaropvolgende jaar. Indien de aanpassing gebeurt na 1 december van het betrokken begrotingsjaar (t) zal het effect ervan verrekend worden met ofwel het bedrag van de bijzondere dotatie van het volgende begrotingsjaar (t+1) ofwel met het bedrag van de gewone rijkstoelage zoals voorzien in respectievelijk titel I, hoofdstuk I, afdeling 1, van de wet houdende sociale bepalingen van 29 juni 1981 en artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de organisatie van het sociaal statuut van de zelfstandigen.
Art. 73. Pour les années 2010 et 2011, un montant particulier de la subvention de l'Etat est versé à l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, et à la gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. Ce montant particulier de la subvention de l'Etat est inscrit au budget du SPF Sécurité sociale.
Le montant particulier de la subvention de l'Etat s'élève à 2.552.382.000 euros pour l'année 2010 et à 2.770.440.000 euros pour l'année 2011. Ces montants sont répartis selon une clé de répartition de 90 p.c. pour la gestion globale précitée des travailleurs salariés et de 10 p.c. pour la gestion financière globale précitée des travailleurs indépendants.
La moitié de ce montant est versée pendant l'année en cours en douze tranches mensuelles égales, l'autre moitié le 15 novembre de l'année en cours.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter le montant de la moitié restante, visée dans l'alinéa précédent, sur la base des nouvelles données concernant le produit intérieur brut de l'exercice budgétaire concerné, telles que prévues dans le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, ou sur la base de nouvelles données concernant la situation budgétaire générale des régimes de sécurité sociale pour l'exercice budgétaire concerné. Cette adaptation peut s'effectuer dans le courant de l'exercice budgétaire et au plus tard le 30 juin de l'année suivante. Si l'adaptation a lieu après le 1er décembre de l'exercice budgétaire concerné (t), il sera tenu compte de l'effet de celle-ci soit pour le montant de la dotation spéciale de l'exercice budgétaire suivant (t+1), soit pour le montant de la subvention de l'Etat ordinaire, comme prévu respectivement au titre Ier, chapitre Ier, section 1re, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés et à l'article 19 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Le montant particulier de la subvention de l'Etat s'élève à 2.552.382.000 euros pour l'année 2010 et à 2.770.440.000 euros pour l'année 2011. Ces montants sont répartis selon une clé de répartition de 90 p.c. pour la gestion globale précitée des travailleurs salariés et de 10 p.c. pour la gestion financière globale précitée des travailleurs indépendants.
La moitié de ce montant est versée pendant l'année en cours en douze tranches mensuelles égales, l'autre moitié le 15 novembre de l'année en cours.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter le montant de la moitié restante, visée dans l'alinéa précédent, sur la base des nouvelles données concernant le produit intérieur brut de l'exercice budgétaire concerné, telles que prévues dans le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, ou sur la base de nouvelles données concernant la situation budgétaire générale des régimes de sécurité sociale pour l'exercice budgétaire concerné. Cette adaptation peut s'effectuer dans le courant de l'exercice budgétaire et au plus tard le 30 juin de l'année suivante. Si l'adaptation a lieu après le 1er décembre de l'exercice budgétaire concerné (t), il sera tenu compte de l'effet de celle-ci soit pour le montant de la dotation spéciale de l'exercice budgétaire suivant (t+1), soit pour le montant de la subvention de l'Etat ordinaire, comme prévu respectivement au titre Ier, chapitre Ier, section 1re, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés et à l'article 19 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Art. 73bis. [1 Voor de jaren 2012, 2013 en 2014 wordt een evenwichtsdotatie van de sociale zekerheid gestort aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en aan het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Deze evenwichtsdotatie van de sociale zekerheid wordt ingeschreven in de begroting van de FOD Sociale Zekerheid.
Teneinde het financieel evenwicht van de sociale zekerheid te bewaren en de continuïteit van de betalingen van de sociale prestaties te garanderen, bepaalt de Koning elk jaar, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de evenwichtsdotatie aan de sociale zekerheid op zodanige wijze dat de sociale zekerheid noch een overschot noch een tekort zou hebben op haar " rekeningen opgemaakt in het kader van het Europees systeem van nationale rekeningen (ESR) ".
Dit bedrag wordt verdeeld volgens een verdeelsleutel van 90 pct. voor het voormelde globaal beheer der werknemers en 10 pct. voor het voormelde globaal financieel beheer der zelfstandigen.
De helft van dit bedrag wordt in het lopende jaar gestort in twaalf maandelijkse gelijke schijven; de resterende helft op 15 november van het lopende jaar.]1
Teneinde het financieel evenwicht van de sociale zekerheid te bewaren en de continuïteit van de betalingen van de sociale prestaties te garanderen, bepaalt de Koning elk jaar, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de evenwichtsdotatie aan de sociale zekerheid op zodanige wijze dat de sociale zekerheid noch een overschot noch een tekort zou hebben op haar " rekeningen opgemaakt in het kader van het Europees systeem van nationale rekeningen (ESR) ".
Dit bedrag wordt verdeeld volgens een verdeelsleutel van 90 pct. voor het voormelde globaal beheer der werknemers en 10 pct. voor het voormelde globaal financieel beheer der zelfstandigen.
De helft van dit bedrag wordt in het lopende jaar gestort in twaalf maandelijkse gelijke schijven; de resterende helft op 15 november van het lopende jaar.]1
Art. 73bis. [1 Pour les années 2012, 2013 et 2014, une dotation d'équilibre de la sécurité sociale est versée à l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, et à la gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. Cette dotation d'équilibre de la sécurité sociale est inscrite au budget du SPF Sécurité sociale.
Afin d'assurer l'équilibre financier de la sécurité sociale et de garantir la continuité du paiement des prestations sociales, le Roi détermine chaque année, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant annuel de la dotation d'équilibre de la sécurité sociale de telle sorte que la sécurité sociale n'ait ni surplus ni déficit sur ses " comptes établis dans le cadre du système européen de comptabilité nationale (SEC) ".
Ce montant est réparti selon une clé de répartition de 90 p.c. pour la gestion globale des travailleurs salariés précitée et de 10 p.c. pour la gestion financière globale des travailleurs indépendants précitée.
La moitié de ce montant est versée pendant l'année en cours en douze tranches mensuelles égales; l'autre moitié le 15 novembre de l'année en cours.]1
Afin d'assurer l'équilibre financier de la sécurité sociale et de garantir la continuité du paiement des prestations sociales, le Roi détermine chaque année, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant annuel de la dotation d'équilibre de la sécurité sociale de telle sorte que la sécurité sociale n'ait ni surplus ni déficit sur ses " comptes établis dans le cadre du système européen de comptabilité nationale (SEC) ".
Ce montant est réparti selon une clé de répartition de 90 p.c. pour la gestion globale des travailleurs salariés précitée et de 10 p.c. pour la gestion financière globale des travailleurs indépendants précitée.
La moitié de ce montant est versée pendant l'année en cours en douze tranches mensuelles égales; l'autre moitié le 15 novembre de l'année en cours.]1
Art. 74. De Federale Staat kent de RSZ-globaal beheer, via de Administratie van de Thesaurie, een renteloze lening toe voor een bedrag van 1.712,80 miljoen euro in 2010 en 1.066,10 miljoen euro in 2011, uitbetaald als volgt :.
- 1.712,80 miljoen euro waarvan de ene helft de eerste donderdag van de maand februari 2010 en de andere helft op 5 december 2010;
- 1.066,10 miljoen euro waarvan de ene helft de eerste donderdag van de maand februari 2011 en de andere helft op 5 december 2011.
Deze lening wordt op 20 jaar terugbetaald, op basis van een twintigste vanaf 2012, betaalbaar en opeisbaar na vervallen termijn op 31 december van elk jaar en voor de eerste keer op 31 december 2012.
De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoeld bedragen aanpassen, op basis van nieuwe gegevens betreffende het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g ), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
- 1.712,80 miljoen euro waarvan de ene helft de eerste donderdag van de maand februari 2010 en de andere helft op 5 december 2010;
- 1.066,10 miljoen euro waarvan de ene helft de eerste donderdag van de maand februari 2011 en de andere helft op 5 december 2011.
Deze lening wordt op 20 jaar terugbetaald, op basis van een twintigste vanaf 2012, betaalbaar en opeisbaar na vervallen termijn op 31 december van elk jaar en voor de eerste keer op 31 december 2012.
De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoeld bedragen aanpassen, op basis van nieuwe gegevens betreffende het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g ), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
Art. 74. L'Etat fédéral, par l'intermédiaire de l'Administration de la Trésorerie, octroie à l'ONSS-gestion globale un prêt sans intérêts d'un montant de 1.712,80 millions d'euros en 2010 et 1.066,10 millions d'euros en 2011, selon les modalités suivantes :
- 1.712,80 millions d'euros dont la moitié le premier jeudi du mois de février 2010 et l'autre moitié le 5 décembre 2010;
- 1.066,10 millions d'euros dont la moitié le premier jeudi du mois de février 2011 et l'autre moitié le 5 décembre 2011.
Ce prêt est remboursé en 20 ans à raison d'un vingtième à partir de 2012, payable et exigible à terme échu le 31 décembre de chaque année et, pour la première fois le 31 décembre 2012.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter les montants visés à l'alinéa 1er, sur la base des nouvelles données concernant le produit intérieur brut de l'exercice budgétaire concerné, telles que prévues dans le budget économique visé à l'article 108, g ), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
- 1.712,80 millions d'euros dont la moitié le premier jeudi du mois de février 2010 et l'autre moitié le 5 décembre 2010;
- 1.066,10 millions d'euros dont la moitié le premier jeudi du mois de février 2011 et l'autre moitié le 5 décembre 2011.
Ce prêt est remboursé en 20 ans à raison d'un vingtième à partir de 2012, payable et exigible à terme échu le 31 décembre de chaque année et, pour la première fois le 31 décembre 2012.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter les montants visés à l'alinéa 1er, sur la base des nouvelles données concernant le produit intérieur brut de l'exercice budgétaire concerné, telles que prévues dans le budget économique visé à l'article 108, g ), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
Art. 75. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2010 [1 met uitzondering van artikel 73bis, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2012 en buiten werking treedt op 31 december 2014]1.
Art. 75. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2010 [1 à l'exception de l'article 73bis qui produit ses effets le 1er janvier 2012 et cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2014]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 6. - Fonds voor de toekomst van de geneeskundige verzorging
CHAPITRE 6. - Fonds pour l'avenir des soins de santé
Art. 76. In artikel 111 van de programmawet (I) van 27 december 2006, laatst gewijzigd bij artikel 114 van de programmawet van 22 december 2008, wordt een lid toegevoegd, luidende :
" Voor de jaren 2010 en 2011 worden de interesten die het fonds genereert, voor 90 pct. overgedragen aan de voormelde RSZ-globaal beheer en voor 10 pct. aan het voormeld globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen. ".
" Voor de jaren 2010 en 2011 worden de interesten die het fonds genereert, voor 90 pct. overgedragen aan de voormelde RSZ-globaal beheer en voor 10 pct. aan het voormeld globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen. ".
Art. 76. L'article 111 de la loi-programme(I) du 27 décembre 2006, modifié en dernier lieu par l'article 114 de la loi-programme du 22 décembre 2008, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Pour les années 2010 et 2011, les intérêts générés par le fonds sont transférés, à raison de 90 p.c. à l'ONSS-gestion globale précité et à raison de 10 p.c. à la gestion financière globale précitée dans le statut social des travailleurs indépendants. ".
" Pour les années 2010 et 2011, les intérêts générés par le fonds sont transférés, à raison de 90 p.c. à l'ONSS-gestion globale précité et à raison de 10 p.c. à la gestion financière globale précitée dans le statut social des travailleurs indépendants. ".
Art. 77. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2010.
Art. 77. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2010.
HOOFDSTUK 7. - Aanpassing van de grenzen voor de vermindering van de sociale bijdragen
CHAPITRE 7. - Adaptation des bornes de réduction de cotisations sociales
Art. 78. In artikel 331, zesde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, gewijzigd bij de wetten van 22 december 2003 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het zesde lid worden de woorden " jaarlijks de loongrenzen S0 en S1 " vervangen door de woorden " de loongrenzen S0 en S1 ";
2° het zesde lid wordt aangevuld met een zin, luidende :
" De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de wijze bepalen waarop de loongrens S0 voor de categorie 3 en de loongrens S1 automatisch worden aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. ".
1° in het zesde lid worden de woorden " jaarlijks de loongrenzen S0 en S1 " vervangen door de woorden " de loongrenzen S0 en S1 ";
2° het zesde lid wordt aangevuld met een zin, luidende :
" De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de wijze bepalen waarop de loongrens S0 voor de categorie 3 en de loongrens S1 automatisch worden aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. ".
Art. 78. A l'article 331, alinéa 6, de la loi-programme(I) du 24 décembre 2002, modifié par les lois du 22 décembre 2003 et 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 6, les mots " annuellement les plafonds salariaux S0 et S1 " sont remplacés par les mots " les plafonds salariaux S0 et S1 ".
2° l'alinéa 6 est complété avec une phrase, rédigée comme suit :
" Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil national du travail, déterminer les mécanismes par lesquels le plafond salarial S0 pour la catégorie 3 et le plafond salarial S1 sont automatiquement adaptés à l'évolution de l'indice des prix à la consommation. ".
1° dans l'alinéa 6, les mots " annuellement les plafonds salariaux S0 et S1 " sont remplacés par les mots " les plafonds salariaux S0 et S1 ".
2° l'alinéa 6 est complété avec une phrase, rédigée comme suit :
" Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil national du travail, déterminer les mécanismes par lesquels le plafond salarial S0 pour la catégorie 3 et le plafond salarial S1 sont automatiquement adaptés à l'évolution de l'indice des prix à la consommation. ".
TITEL 6. - Zelfstandigen en kmo's
TITRE 6. - Indépendants et pme
HOOFDSTUK 1. - Fonds voor het welzijn der zelfstandigen
CHAPITRE 1er. - Fonds pour le bien-être des indépendants
Art. 79. In het Nederlandse opschrift van Hoofdstuk III van Titel VI van de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden " de welvaart " vervangen door de woorden " het welzijn ".
Art. 79. Dans l'intitulé néerlandais du Chapitre III du Titre VI de la loi-programme(I) du 27 décembre 2006, les mots " de welvaart " sont remplacés par les mots " het welzijn ".
Art. 80. In artikel 253 van dezelfde programmawet, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Nederlandse tekst van het eerste lid worden de woorden " de welvaart " vervangen door de woorden " het welzijn ";
2° het artikel wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :
" De financiële opbrengsten die voortvloeien uit dit Fonds, zijn bestemd voor het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. ".
1° in de Nederlandse tekst van het eerste lid worden de woorden " de welvaart " vervangen door de woorden " het welzijn ";
2° het artikel wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :
" De financiële opbrengsten die voortvloeien uit dit Fonds, zijn bestemd voor het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. ".
Art. 80. A l'article 253 de la même loi-programme, modifié par la loi-programme du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais de l'alinéa 1er, les mots " de welvaart " sont remplacés par les mots " het welzijn ";
2° l'article est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Les produits financiers générés par ce Fonds sont destinés à la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. ".
1° dans le texte néerlandais de l'alinéa 1er, les mots " de welvaart " sont remplacés par les mots " het welzijn ";
2° l'article est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Les produits financiers générés par ce Fonds sont destinés à la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. ".
Art. 81. De artikelen 79 en 80 treden in werking op 31 december 2009.
Art. 81. Les articles 79 et 80 entrent en vigueur le 31 décembre 2009.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants
Afdeling 1. - Verzoening tussen het professionele leven en het privé-leven
Section 1re. - Conciliation entre la vie professionnelle et la vie privée
Art. 82. In artikel 15, § 4, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen wordt een bepaling onder 5° ingevoegd, luidende :
" 5° de gevallen waarin de zelfstandige van het betalen van bijdragen vrijgesteld is met het oog op een betere verzoening tussen het professionele leven en het privé-leven van de zelfstandigen; Hij bepaalt hiervoor de toekenningsmodaliteiten van deze vrijstelling. ".
" 5° de gevallen waarin de zelfstandige van het betalen van bijdragen vrijgesteld is met het oog op een betere verzoening tussen het professionele leven en het privé-leven van de zelfstandigen; Hij bepaalt hiervoor de toekenningsmodaliteiten van deze vrijstelling. ".
Art. 82. Dans l'article 15, § 4, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, il est inséré un 5° rédigé comme suit :
" 5° les cas dans lesquels le travailleur indépendant est dispensé de cotiser, en vue de favoriser la conciliation entre vie professionnelle et vie privée des travailleurs indépendants; Il fixe à cet effet les modalités d'octroi de cette dispense. ".
" 5° les cas dans lesquels le travailleur indépendant est dispensé de cotiser, en vue de favoriser la conciliation entre vie professionnelle et vie privée des travailleurs indépendants; Il fixe à cet effet les modalités d'octroi de cette dispense. ".
Afdeling 2. - Vrijstelling van de sociale bijdragen
Section 2. - Dispenses de cotisations sociales
Art. 83. In artikel 17 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij wet van 21 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het eerste en tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten hun staat van behoefte of hun toestand die de staat van behoefte benadert, bewijzen. Om hun staat van behoefte te beoordelen, houdt de Commissie inzonderheid rekening met de inkomsten en lasten van de personen die deel uitmaken van hun gezin, tenzij met betrekking tot deze personen wordt bewezen dat ze niets te maken hebben met de zelfstandige activiteit van de betrokken zelfstandigen en die bovendien niet de rechtsplicht hebben om die zelfstandigen te helpen of van levensmiddelen te voorzien. ";
2° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid geworden is, wordt het woord " bijkomende " ingevoegd tussen de woorden " Hij kan " en de woorden " voorwaarden en criteria ";
3° het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid geworden is, wordt vervangen als volgt :
" De Koning bepaalt de gevallen waarin de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen ingediend door zelfstandigen en de aanvragen tot ontheffing ingediend door hoofdelijk aansprakelijke personen niet in overweging worden genomen of geacht worden niet ingediend te zijn geweest. Wanneer de aanvraag niet in overweging genomen wordt of geacht wordt niet te zijn ingediend, informeert het betrokken sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen bedoeld bij artikel 20, § 1 of § 3, de zelfstandige of de hoofdelijk aansprakelijke daarover binnen een termijn en volgens een procedure vastgesteld door de Koning. "
1° tussen het eerste en tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten hun staat van behoefte of hun toestand die de staat van behoefte benadert, bewijzen. Om hun staat van behoefte te beoordelen, houdt de Commissie inzonderheid rekening met de inkomsten en lasten van de personen die deel uitmaken van hun gezin, tenzij met betrekking tot deze personen wordt bewezen dat ze niets te maken hebben met de zelfstandige activiteit van de betrokken zelfstandigen en die bovendien niet de rechtsplicht hebben om die zelfstandigen te helpen of van levensmiddelen te voorzien. ";
2° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid geworden is, wordt het woord " bijkomende " ingevoegd tussen de woorden " Hij kan " en de woorden " voorwaarden en criteria ";
3° het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid geworden is, wordt vervangen als volgt :
" De Koning bepaalt de gevallen waarin de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen ingediend door zelfstandigen en de aanvragen tot ontheffing ingediend door hoofdelijk aansprakelijke personen niet in overweging worden genomen of geacht worden niet ingediend te zijn geweest. Wanneer de aanvraag niet in overweging genomen wordt of geacht wordt niet te zijn ingediend, informeert het betrokken sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen bedoeld bij artikel 20, § 1 of § 3, de zelfstandige of de hoofdelijk aansprakelijke daarover binnen een termijn en volgens een procedure vastgesteld door de Koning. "
Art. 83. A l'article 17 du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Les travailleurs indépendants qui demandent une dispense des cotisations visées dans le présent article doivent prouver leur état de besoin ou leur situation voisine de l'état de besoin. Pour apprécier leur état de besoin, la Commission tient notamment compte des ressources et charges des personnes qui font partie de leur ménage, à l'exception des personnes pour lesquelles la preuve est apportée qu'elles sont étrangères à l'activité indépendante des travailleurs indépendants concernés et qu'elles sont en outre dénuées d'obligation légale de secours et d'aliments à l'égard de ces derniers. ";
2° dans l'alinéa 3 ancien, devenu l'alinéa 4, le mot " supplémentaires " est inséré entre les mots " des critères " et les mots " qui permettent ";
3° l'alinéa 4 ancien, devenu l'alinéa 5, est remplacé par ce qui suit :
" Le Roi détermine les cas dans lesquels les demandes de dispense de cotisations introduites par les travailleurs indépendants et les demandes de levée introduites par les personnes solidairement responsables ne sont pas prises en considération ou sont réputées n'avoir pas été introduites. Lorsque la demande n'est pas prise en considération ou est réputée n'avoir pas été introduite, la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants concernée visée à l'article 20, § 1er ou § 3, en informe le travailleur indépendant ou le responsable solidaire dans un délai et selon une procédure définis par le Roi. "
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Les travailleurs indépendants qui demandent une dispense des cotisations visées dans le présent article doivent prouver leur état de besoin ou leur situation voisine de l'état de besoin. Pour apprécier leur état de besoin, la Commission tient notamment compte des ressources et charges des personnes qui font partie de leur ménage, à l'exception des personnes pour lesquelles la preuve est apportée qu'elles sont étrangères à l'activité indépendante des travailleurs indépendants concernés et qu'elles sont en outre dénuées d'obligation légale de secours et d'aliments à l'égard de ces derniers. ";
2° dans l'alinéa 3 ancien, devenu l'alinéa 4, le mot " supplémentaires " est inséré entre les mots " des critères " et les mots " qui permettent ";
3° l'alinéa 4 ancien, devenu l'alinéa 5, est remplacé par ce qui suit :
" Le Roi détermine les cas dans lesquels les demandes de dispense de cotisations introduites par les travailleurs indépendants et les demandes de levée introduites par les personnes solidairement responsables ne sont pas prises en considération ou sont réputées n'avoir pas été introduites. Lorsque la demande n'est pas prise en considération ou est réputée n'avoir pas été introduite, la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants concernée visée à l'article 20, § 1er ou § 3, en informe le travailleur indépendant ou le responsable solidaire dans un délai et selon une procédure définis par le Roi. "
Art. 84. In artikel 22 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 30 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " het ministerie van Middenstand " vervangen door de woorden " de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ";
2° in het tweede lid worden de woorden " Zij beslist eveneens en zonder mogelijkheid van beroep over de aanvragen tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de solidariteits-, matigings-, consoliderings- en bijzondere bijdragen aan de zelfstandigen opgelegd krachtens de wetten van 2 februari 1982, 6 juli 1983 en 27 maart 1986 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning. " opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden " het ministerie van Middenstand " vervangen door de woorden " de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ";
2° in het tweede lid worden de woorden " Zij beslist eveneens en zonder mogelijkheid van beroep over de aanvragen tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de solidariteits-, matigings-, consoliderings- en bijzondere bijdragen aan de zelfstandigen opgelegd krachtens de wetten van 2 februari 1982, 6 juli 1983 en 27 maart 1986 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning. " opgeheven.
Art. 84. A l'article 22 du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 30 décembre 1992, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots " du ministère des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Sécurité sociale ";
2° à l'alinéa 2, les mots " Elle statue également et sans appel sur les demandes de dispense totale ou partielle des cotisations de solidarité, des cotisations de modération, des cotisations de consolidation et des cotisations spéciales imposées aux travailleurs indépendants en vertu des lois des 2 février 1982, 6 juillet 1983 et 27 mars 1986 accordant certains pouvoirs spéciaux au Roi. " sont supprimés.
1° à l'alinéa 1er, les mots " du ministère des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Sécurité sociale ";
2° à l'alinéa 2, les mots " Elle statue également et sans appel sur les demandes de dispense totale ou partielle des cotisations de solidarité, des cotisations de modération, des cotisations de consolidation et des cotisations spéciales imposées aux travailleurs indépendants en vertu des lois des 2 février 1982, 6 juillet 1983 et 27 mars 1986 accordant certains pouvoirs spéciaux au Roi. " sont supprimés.
Afdeling 3. - Administratieve sanctie in geval van zwartwerk als zelfstandige
Section 3. - Sanction administrative en cas de travail au noir comme travailleur indépendant
Art. 85. In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 14 december 1989, worden de woorden " uiterlijk op de dag van de aanvang van de zelfstandige beroepsactiviteit " ingevoegd tussen de woorden " gehouden " en " aan ";
2° in § 2, 1°, van hetzelfde besluit worden de woorden " en binnen welke termijn " geschrapt.
1° in § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 14 december 1989, worden de woorden " uiterlijk op de dag van de aanvang van de zelfstandige beroepsactiviteit " ingevoegd tussen de woorden " gehouden " en " aan ";
2° in § 2, 1°, van hetzelfde besluit worden de woorden " en binnen welke termijn " geschrapt.
Art. 85. A l'article 10 du même l'arrêté royal les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, alinéa 1er, modifié par la loi du 14 décembre 1989, les mots " au plus tard le jour où elle débute son activité professionnelle indépendante " sont insérés entre les mots " tenue " et " de ";
2° au § 2, 1°, du même arrêté les mots " et dans quel délai " sont supprimés.
1° au § 1er, alinéa 1er, modifié par la loi du 14 décembre 1989, les mots " au plus tard le jour où elle débute son activité professionnelle indépendante " sont insérés entre les mots " tenue " et " de ";
2° au § 2, 1°, du même arrêté les mots " et dans quel délai " sont supprimés.
Art. 86. In hoofdstuk II van hetzelfde besluit wordt een afdeling c) ingevoegd, luidend :
" c) Sancties "
" c) Sancties "
Art. 86. Dans le chapitre II, du même arrêté, il est inséré une section c) intitulé :
" c) Sanctions "
" c) Sanctions "
Art. 87. In afdeling c), ingevoegd bij artikel 86 wordt een artikel 17bis ingevoegd, luidende :
" Art. 17bis. § 1. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 2.000 euro per vastgestelde inbreuk op, iedere zelfstandige :
1° waarvan vastgesteld wordt door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door de persoon bedoeld in artikel 23bis dat hij een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent of uitgeoefend heeft uit hoofde waarvan hij gehouden was zich aan te sluiten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 20, § 1, of bij de Nationale Hulpkas bedoeld in artikel 20, § 3, zonder effectief te zijn aangesloten overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid;
2° waarvan vastgesteld wordt door een persoon bedoeld in artikel 23bis dat hij een andere zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent dan deze vermeld in de Kruispuntbank van ondernemingen krachtens artikel 6 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, en die niet reeds ten gevolge van deze genoemde feiten aan een administratieve of strafrechtelijke sanctie onderworpen wordt krachtens de artikelen 25 of 62 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;
3° waarvan het inkomen, bedoeld in artikel 11, § 2, naar boven toe werd aangepast ingevolge de vaststelling, gedaan door de administratie der belastingen, van een geval van fiscale fraude.
§ 2. De ambtenaar bedoeld bij artikel 17ter kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder het in § 1 vermelde minimumbedrag opleggen zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 pct. van dat minimumbedrag.
In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar kunnen de arbeidsgerechten, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete onder het in het artikel 17bis vermelde minimumbedrag verminderen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 pct. van het minimum van het in artikel 17bis bepaalde bedrag.
In dezelfde beslissing waarin hij een administratieve geldboete oplegt, kan de bevoegde ambtenaar geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van die geldboete toekennen.
Het uitstel is enkel mogelijk indien de bevoegde ambtenaar in de referteperiode geen andere administratieve geldboete heeft opgelegd aan de betrokkene.
De referteperiode is de periode van één jaar voorafgaand aan de datum waarop de inbreuk gepleegd wordt die achteraf aanleiding geeft tot de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete waarin de bevoegde ambtenaar het uitstel toekent.
Het uitstel geldt voor een proefperiode van één jaar. De proefperiode gaat in vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete.
Het uitstel wordt van rechtswege herroepen wanneer een nieuwe inbreuk wordt gepleegd binnen de proefperiode en deze nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot de oplegging van een nieuwe administratieve geldboete.
Het uitstel wordt herroepen in dezelfde beslissing waarin een administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk gepleegd gedurende de proefperiode.
De administratieve geldboete waarvan de betaling uitvoerbaar wordt door de herroeping van het uitstel, wordt zonder beperking samengevoegd met deze die wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk.
In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar hebben de arbeidsgerechten dezelfde bevoegdheden als deze ambtenaar wat betreft het uitstel. Alle voornoemde nadere regels betreffende het uitstel zijn van toepassing.
§ 3. Voor de toepassing van § 1, 3°, bepaalt de Koning wat dient te worden verstaan onder " vaststelling van een geval van fiscale fraude ".
§ 4. De sanctie bedoeld in § 1, 2° en 3°, is niet van toepassing op de zelfstandigen die tegelijk een vervangingsinkomen ontvangen en die ten gevolge van deze genoemde feiten tijdelijk het recht op dit vervangingsinkomen verliezen of om die reden aan een andere administratieve of strafrechtelijke sanctie onderworpen zijn. ".
" Art. 17bis. § 1. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 2.000 euro per vastgestelde inbreuk op, iedere zelfstandige :
1° waarvan vastgesteld wordt door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door de persoon bedoeld in artikel 23bis dat hij een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent of uitgeoefend heeft uit hoofde waarvan hij gehouden was zich aan te sluiten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 20, § 1, of bij de Nationale Hulpkas bedoeld in artikel 20, § 3, zonder effectief te zijn aangesloten overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid;
2° waarvan vastgesteld wordt door een persoon bedoeld in artikel 23bis dat hij een andere zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent dan deze vermeld in de Kruispuntbank van ondernemingen krachtens artikel 6 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, en die niet reeds ten gevolge van deze genoemde feiten aan een administratieve of strafrechtelijke sanctie onderworpen wordt krachtens de artikelen 25 of 62 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;
3° waarvan het inkomen, bedoeld in artikel 11, § 2, naar boven toe werd aangepast ingevolge de vaststelling, gedaan door de administratie der belastingen, van een geval van fiscale fraude.
§ 2. De ambtenaar bedoeld bij artikel 17ter kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder het in § 1 vermelde minimumbedrag opleggen zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 pct. van dat minimumbedrag.
In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar kunnen de arbeidsgerechten, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete onder het in het artikel 17bis vermelde minimumbedrag verminderen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 pct. van het minimum van het in artikel 17bis bepaalde bedrag.
In dezelfde beslissing waarin hij een administratieve geldboete oplegt, kan de bevoegde ambtenaar geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van die geldboete toekennen.
Het uitstel is enkel mogelijk indien de bevoegde ambtenaar in de referteperiode geen andere administratieve geldboete heeft opgelegd aan de betrokkene.
De referteperiode is de periode van één jaar voorafgaand aan de datum waarop de inbreuk gepleegd wordt die achteraf aanleiding geeft tot de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete waarin de bevoegde ambtenaar het uitstel toekent.
Het uitstel geldt voor een proefperiode van één jaar. De proefperiode gaat in vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete.
Het uitstel wordt van rechtswege herroepen wanneer een nieuwe inbreuk wordt gepleegd binnen de proefperiode en deze nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot de oplegging van een nieuwe administratieve geldboete.
Het uitstel wordt herroepen in dezelfde beslissing waarin een administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk gepleegd gedurende de proefperiode.
De administratieve geldboete waarvan de betaling uitvoerbaar wordt door de herroeping van het uitstel, wordt zonder beperking samengevoegd met deze die wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk.
In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar hebben de arbeidsgerechten dezelfde bevoegdheden als deze ambtenaar wat betreft het uitstel. Alle voornoemde nadere regels betreffende het uitstel zijn van toepassing.
§ 3. Voor de toepassing van § 1, 3°, bepaalt de Koning wat dient te worden verstaan onder " vaststelling van een geval van fiscale fraude ".
§ 4. De sanctie bedoeld in § 1, 2° en 3°, is niet van toepassing op de zelfstandigen die tegelijk een vervangingsinkomen ontvangen en die ten gevolge van deze genoemde feiten tijdelijk het recht op dit vervangingsinkomen verliezen of om die reden aan een andere administratieve of strafrechtelijke sanctie onderworpen zijn. ".
Art. 87. Dans la section c), insérée par l'article 86, il est inséré un article 17bis, rédigé comme suit :
" Art. 17bis. § 1er. Encourt une amende administrative de 500 à 2.000 euros par infraction constatée, tout travailleur indépendant :
1° dont il est constaté par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis qu'il exerce ou a exercé une activité professionnelle indépendante du chef de laquelle il était tenu de s'affilier à une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants dont question à l'article 20, § 1er, ou à la Caisse nationale auxiliaire visée à l'article 20, § 3, sans être effectivement affilié conformément à l'article 10, § 1er, alinéa 1er;
2° dont il est constaté par une personne visée à l'article 23bis qu'il exerce une autre activité professionnelle indépendante que celle mentionnée dans la Banque-Carrefour des entreprises en vertu de l'article 6 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions et qui, à la suite des faits précités n'est pas déjà soumis pour ce motif à une sanction administrative ou pénale en vertu des articles 25 ou 62 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre du commerce, création de guichets d'entreprises agréés et portant diverses dispositions;
3° dont les revenus visés à l'article 11, § 2, ont été revus à la hausse après constatation, faite par l'administration des contributions, d'un cas de fraude fiscale.
§ 2. Le fonctionnaire visé à l'article 17ter peut, s'il existe des circonstances atténuantes, infliger une amende administrative inférieure au montant minimum visé au § 1er, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 p.c. de ce montant minimum.
En cas de recours contre la décision du fonctionnaire compétent, les juridictions du travail peuvent, s'il existe des circonstances atténuantes, diminuer le montant d'une amende administrative infligée sous le montant minimum visé à l'article 17bis, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 p.c. du minimum du montant visé à l'article 17bis.
Par la même décision que celle par laquelle il inflige l'amende administrative, le fonctionnaire compétent peut accorder, en tout ou en partie, le sursis à l'exécution du paiement de cette amende.
Le sursis n'est possible que si le fonctionnaire compétent n'a pas infligé d'autre amende administrative à l'intéressé pendant la période de référence.
La période de référence est la période d'un an qui précède la date de la commission de l'infraction qui a donné lieu ultérieurement à la décision infligeant une amende administrative dans laquelle le fonctionnaire compétent accorde le sursis.
Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve d'un an. Le délai d'épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu'une nouvelle infraction est commise pendant le délai d'épreuve et que cette nouvelle infraction entraîne une décision infligeant une nouvelle amende administrative.
Le sursis est révoqué par la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise dans le délai d'épreuve.
L'amende administrative dont le paiement devient exécutoire suite à la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.
En cas de recours contre la décision du fonctionnaire compétent, les juridictions du travail ont les mêmes pouvoirs que ce fonctionnaire en matière de sursis. Toutes les modalités précitées relatives au sursis sont d'application.
§ 3. Pour l'application du § 1er, 3°, le Roi détermine ce qu'il convient d'entendre par " constatation d'un cas de fraude fiscale ".
§ 4. La sanction visée au paragraphe 1er, 2° et 3°, n'est pas applicable aux travailleurs indépendants qui perçoivent en même temps un revenu de remplacement et qui à la suite des faits précités perdent temporairement le droit à ce revenu de remplacement ou qui sont soumis pour ce motif à une autre sanction administrative ou pénale. ".
" Art. 17bis. § 1er. Encourt une amende administrative de 500 à 2.000 euros par infraction constatée, tout travailleur indépendant :
1° dont il est constaté par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis qu'il exerce ou a exercé une activité professionnelle indépendante du chef de laquelle il était tenu de s'affilier à une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants dont question à l'article 20, § 1er, ou à la Caisse nationale auxiliaire visée à l'article 20, § 3, sans être effectivement affilié conformément à l'article 10, § 1er, alinéa 1er;
2° dont il est constaté par une personne visée à l'article 23bis qu'il exerce une autre activité professionnelle indépendante que celle mentionnée dans la Banque-Carrefour des entreprises en vertu de l'article 6 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions et qui, à la suite des faits précités n'est pas déjà soumis pour ce motif à une sanction administrative ou pénale en vertu des articles 25 ou 62 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre du commerce, création de guichets d'entreprises agréés et portant diverses dispositions;
3° dont les revenus visés à l'article 11, § 2, ont été revus à la hausse après constatation, faite par l'administration des contributions, d'un cas de fraude fiscale.
§ 2. Le fonctionnaire visé à l'article 17ter peut, s'il existe des circonstances atténuantes, infliger une amende administrative inférieure au montant minimum visé au § 1er, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 p.c. de ce montant minimum.
En cas de recours contre la décision du fonctionnaire compétent, les juridictions du travail peuvent, s'il existe des circonstances atténuantes, diminuer le montant d'une amende administrative infligée sous le montant minimum visé à l'article 17bis, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 p.c. du minimum du montant visé à l'article 17bis.
Par la même décision que celle par laquelle il inflige l'amende administrative, le fonctionnaire compétent peut accorder, en tout ou en partie, le sursis à l'exécution du paiement de cette amende.
Le sursis n'est possible que si le fonctionnaire compétent n'a pas infligé d'autre amende administrative à l'intéressé pendant la période de référence.
La période de référence est la période d'un an qui précède la date de la commission de l'infraction qui a donné lieu ultérieurement à la décision infligeant une amende administrative dans laquelle le fonctionnaire compétent accorde le sursis.
Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve d'un an. Le délai d'épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu'une nouvelle infraction est commise pendant le délai d'épreuve et que cette nouvelle infraction entraîne une décision infligeant une nouvelle amende administrative.
Le sursis est révoqué par la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise dans le délai d'épreuve.
L'amende administrative dont le paiement devient exécutoire suite à la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.
En cas de recours contre la décision du fonctionnaire compétent, les juridictions du travail ont les mêmes pouvoirs que ce fonctionnaire en matière de sursis. Toutes les modalités précitées relatives au sursis sont d'application.
§ 3. Pour l'application du § 1er, 3°, le Roi détermine ce qu'il convient d'entendre par " constatation d'un cas de fraude fiscale ".
§ 4. La sanction visée au paragraphe 1er, 2° et 3°, n'est pas applicable aux travailleurs indépendants qui perçoivent en même temps un revenu de remplacement et qui à la suite des faits précités perdent temporairement le droit à ce revenu de remplacement ou qui sont soumis pour ce motif à une autre sanction administrative ou pénale. ".
Art. 88. In dezelfde afdeling c) wordt een artikel 17ter ingevoegd, luidende :
" Art. 17ter. De administratieve geldboete waarvan sprake in het vorige artikel wordt opgelegd door de houder van de managementfunctie van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21, § 5, belast met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut, of daartoe door hem aangewezen ambtenaren van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
De beslissing wordt genomen nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voren te brengen.
Deze beslissing vermeldt het bedrag van de geldboete en is met redenen omkleed. Deze beslissing wordt bij een ter post aangetekend schrijven meegedeeld aan de betrokken zelfstandige. Deze mededeling bevat eveneens een afschrift van de stukken die de toepassing van de administratieve geldboete staven, alsmede een verzoek tot betaling van de administratieve geldboete.
De kennisgeving van de mogelijkheid tot het opleggen van de administratieve geldboete dient te gebeuren binnen de 14 werkdagen, volgend op :
- de effectieve aansluiting bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen in de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 1°;
- de kennisname van het feit door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 2° en 3°.
De erkende sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen worden belast met de inning en de invordering van de administratieve geldboete.
Voor wat betreft de inning en de invordering ervan worden deze administratieve geldboeten gelijkgesteld met verschuldigde sociale bijdragen. ".
" Art. 17ter. De administratieve geldboete waarvan sprake in het vorige artikel wordt opgelegd door de houder van de managementfunctie van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21, § 5, belast met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut, of daartoe door hem aangewezen ambtenaren van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
De beslissing wordt genomen nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voren te brengen.
Deze beslissing vermeldt het bedrag van de geldboete en is met redenen omkleed. Deze beslissing wordt bij een ter post aangetekend schrijven meegedeeld aan de betrokken zelfstandige. Deze mededeling bevat eveneens een afschrift van de stukken die de toepassing van de administratieve geldboete staven, alsmede een verzoek tot betaling van de administratieve geldboete.
De kennisgeving van de mogelijkheid tot het opleggen van de administratieve geldboete dient te gebeuren binnen de 14 werkdagen, volgend op :
- de effectieve aansluiting bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen in de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 1°;
- de kennisname van het feit door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 2° en 3°.
De erkende sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen worden belast met de inning en de invordering van de administratieve geldboete.
Voor wat betreft de inning en de invordering ervan worden deze administratieve geldboeten gelijkgesteld met verschuldigde sociale bijdragen. ".
Art. 88. Dans la même section c), il est inséré un article 17ter, rédigé comme suit :
" Art. 17ter. L'amende administrative dont il est question dans l'article précédent, est imposée par le titulaire de la fonction de management de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, visé à l'article 21, § 5, chargé de la gestion journalière de l'Institut ou par des fonctionnaires au sein de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, désignés à cet effet par lui.
La décision est prise après avoir mis l'intéressé en mesure de présenter ses moyens de défense.
Cette décision mentionne le montant de l'amende et est assortie d'une motivation. Cette décision est envoyée au travailleur indépendant intéressé sous pli recommandé à la poste. Cet envoi renfermera également une copie des pièces qui justifient l'application de l'amende administrative, ainsi qu'une invitation à payer l'amende administrative.
La notification de la possibilité d'infliger l'amende administrative doit avoir lieu dans les 14 jours ouvrables qui suivent :
- l'affiliation effective auprès d'une caisse d'assurances sociales des indépendants dans les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 1°;
- la prise en considération du fait par l'Institut national pour les assurances sociales des travailleurs indépendants, pour ce qui concerne les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 2° et 3°.
Les caisses agréées d'assurances sociales pour travailleurs indépendants sont chargées d'encaisser et de percevoir l'amende administrative.
Ces amendes administratives sont assimilées, en ce qui concerne leur perception et leur recouvrement, aux cotisations sociales dues. ".
" Art. 17ter. L'amende administrative dont il est question dans l'article précédent, est imposée par le titulaire de la fonction de management de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, visé à l'article 21, § 5, chargé de la gestion journalière de l'Institut ou par des fonctionnaires au sein de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, désignés à cet effet par lui.
La décision est prise après avoir mis l'intéressé en mesure de présenter ses moyens de défense.
Cette décision mentionne le montant de l'amende et est assortie d'une motivation. Cette décision est envoyée au travailleur indépendant intéressé sous pli recommandé à la poste. Cet envoi renfermera également une copie des pièces qui justifient l'application de l'amende administrative, ainsi qu'une invitation à payer l'amende administrative.
La notification de la possibilité d'infliger l'amende administrative doit avoir lieu dans les 14 jours ouvrables qui suivent :
- l'affiliation effective auprès d'une caisse d'assurances sociales des indépendants dans les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 1°;
- la prise en considération du fait par l'Institut national pour les assurances sociales des travailleurs indépendants, pour ce qui concerne les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 2° et 3°.
Les caisses agréées d'assurances sociales pour travailleurs indépendants sont chargées d'encaisser et de percevoir l'amende administrative.
Ces amendes administratives sont assimilées, en ce qui concerne leur perception et leur recouvrement, aux cotisations sociales dues. ".
Art. 89. In dezelfde afdeling c), wordt een artikel 17quater ingevoegd, luidende :
" Art. 17quater. De zelfstandige die de beslissing, waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd, betwist, kan op straffe van verval binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep instellen bij de arbeidsrechtbank. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
De bepaling van het eerste lid wordt vermeld in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd. ".
" Art. 17quater. De zelfstandige die de beslissing, waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd, betwist, kan op straffe van verval binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep instellen bij de arbeidsrechtbank. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
De bepaling van het eerste lid wordt vermeld in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd. ".
Art. 89. Dans la même section c), il est inséré un article 17quater, rédigé comme suit :
" Art. 17quater. Le travailleur indépendant qui conteste la décision imposant l'amende administrative, peut, dans les deux mois de la notification et à peine de déchéance, saisir le tribunal du travail d'un recours sous forme de requête. Ce recours suspend l'exécution de la décision imposant l'amende administrative.
La disposition faisant l'objet du premier alinéa est mentionnée dans la décision imposant l'amende administrative. ".
" Art. 17quater. Le travailleur indépendant qui conteste la décision imposant l'amende administrative, peut, dans les deux mois de la notification et à peine de déchéance, saisir le tribunal du travail d'un recours sous forme de requête. Ce recours suspend l'exécution de la décision imposant l'amende administrative.
La disposition faisant l'objet du premier alinéa est mentionnée dans la décision imposant l'amende administrative. ".
Art. 90. In artikel 15, § 1, derde lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 6 februari 1976 worden de woorden " en de administratieve geldboete bedoeld in artikel 17bis " ingevoegd tussen de woorden " bijdragen " en " verschuldigde door hun vennoten en mandatarissen ".
Art. 90. A l'article 15, § 1er, alinéa trois, du même arrêté, modifié par la loi du 6 février 1976, les mots " et l'amende administrative visée à l'article 17bis " sont insérés entre les mots " cotisations " et " dues par leurs associés ou mandataires ".
Art. 91. In artikel 20, § 1, laatste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, worden de woorden " , evenals de bedragen van de geïnde administratieve geldboetes bedoeld in artikel 17bis, " ingevoegd tussen de woorden " intresten " en " over ".
Art. 91. A l'article 20, § 1er, dernier alinéa, du même arrêté, modifié par la loi du 30 mars 1994, les mots " , ainsi que les montants résultant de la perception des amendes administratives visées à l'article 17bis " sont insérés entre les mots " intérêts " et " à ".
Art. 92. In artikel 20, § 7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden " , alsmede de administratieve geldboete bedoeld in artikel 17bis, " ingevoegd tussen de woorden " zijn " en " eveneens ".
Art. 92. A l'article 20, § 7, du même arrêté, inséré par la loi du 20 juillet 2005, les mots " , ainsi que de l'amende administrative visée à l'article 17bis, " sont insérés entre les mots " dues " et " par ".
Art. 93. Artikel 23bis, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996 en vervangen bij de programmawet van 22 december 2008, wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De vaststellingen gedaan door de sociale inspecteurs van de andere sociale inspectiediensten, bedoeld in de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, de officieren van gerechtelijke politie of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen kunnen met hun bewijskracht gebruikt worden door de ambtenaren van het Rijksinstituut. ".
" De vaststellingen gedaan door de sociale inspecteurs van de andere sociale inspectiediensten, bedoeld in de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, de officieren van gerechtelijke politie of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen kunnen met hun bewijskracht gebruikt worden door de ambtenaren van het Rijksinstituut. ".
Art. 93. L'article 23bis, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 18 novembre 1996 et remplacé par la loi-programme du 22 décembre 2008, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Les constatations faites par les inspecteurs sociaux des autres services d'inspection sociale, visés dans la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail, les officiers de police judiciaire ou par les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect d'autres législations peuvent être utilisées, avec leur force probante, par les fonctionnaires de l'Institut national. ".
" Les constatations faites par les inspecteurs sociaux des autres services d'inspection sociale, visés dans la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail, les officiers de police judiciaire ou par les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect d'autres législations peuvent être utilisées, avec leur force probante, par les fonctionnaires de l'Institut national. ".
HOOFDSTUK 3. - Diverse wijzigingen
CHAPITRE 3. - Modifications diverses
Art. 94. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2008, wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende :
" 6° de geïnde administratieve geldboetes, bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. ".
" 6° de geïnde administratieve geldboetes, bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. ".
Art. 94. L'article 3 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, modifié par la loi-programme du 22 décembre 2008, est complété par un 6°, rédigé comme suit :
" 6° les recettes résultant de la perception des amendes administratives visées à l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants. ".
" 6° les recettes résultant de la perception des amendes administratives visées à l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants. ".
Art. 95. Artikel 43, § 1, eerste lid, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, wordt aangevuld met een bepaling onder 9°, luidende :
" 9° de rechtspersonen en natuurlijke personen die een inschrijving vragen in de Kruispuntbank van ondernemingen de volgende informatie meegeven :
- elke natuurlijke persoon die in België een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij dient te zijn aangesloten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, dient zich aan te sluiten uiterlijk op de dag van de aanvang van de zelfstandige activiteit;
- in geval van niet-naleving van deze verplichting, wordt een administratieve geldboete opgelegd krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
- hierbij zijn de rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete opgelegd aan hun vennoten of mandatarissen;
- de zelfstandige die een zelfstandige activiteit uitoefent waarvoor hij niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van ondernemingen, overeenkomstig de artikelen 5, 33 of 35 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, kan hiervoor bestraft worden krachtens de artikelen 25 of 62 van diezelfde wet, alsook krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. ".
" 9° de rechtspersonen en natuurlijke personen die een inschrijving vragen in de Kruispuntbank van ondernemingen de volgende informatie meegeven :
- elke natuurlijke persoon die in België een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij dient te zijn aangesloten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, dient zich aan te sluiten uiterlijk op de dag van de aanvang van de zelfstandige activiteit;
- in geval van niet-naleving van deze verplichting, wordt een administratieve geldboete opgelegd krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
- hierbij zijn de rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete opgelegd aan hun vennoten of mandatarissen;
- de zelfstandige die een zelfstandige activiteit uitoefent waarvoor hij niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van ondernemingen, overeenkomstig de artikelen 5, 33 of 35 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, kan hiervoor bestraft worden krachtens de artikelen 25 of 62 van diezelfde wet, alsook krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. ".
Art. 95. L'article 43, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions, est complété par un 9°, rédigé comme suit :
" 9° donner aux personnes morales et aux personnes physiques qui demandent d'être enregistrées dans la Banque-Carrefour des entreprises, les informations suivantes :
- toute personne physique qui exerce en Belgique une activité professionnelle indépendante du chef de laquelle elle doit être affiliée auprès d'une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, doit s'affilier au plus tard le jour du début de l'activité indépendante;
- en cas de non respect de cette obligation, une amende administrative est imposée en vertu de l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
- les personnes morales sont tenues solidairement au paiement de l'amende administrative imposée à leurs associés ou mandataires;
- le travailleur indépendant qui exerce une activité indépendante pour laquelle il n'est pas inscrit dans la Banque-Carrefour des entreprises, conformément aux articles 5, 33 ou 35 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre du commerce, création de guichets d'entreprises agréés et portant diverses dispositions, peut être puni en vertu des articles 25 ou 62 de la même loi précitée, ainsi qu'en vertu de l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants. ".
" 9° donner aux personnes morales et aux personnes physiques qui demandent d'être enregistrées dans la Banque-Carrefour des entreprises, les informations suivantes :
- toute personne physique qui exerce en Belgique une activité professionnelle indépendante du chef de laquelle elle doit être affiliée auprès d'une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, doit s'affilier au plus tard le jour du début de l'activité indépendante;
- en cas de non respect de cette obligation, une amende administrative est imposée en vertu de l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
- les personnes morales sont tenues solidairement au paiement de l'amende administrative imposée à leurs associés ou mandataires;
- le travailleur indépendant qui exerce une activité indépendante pour laquelle il n'est pas inscrit dans la Banque-Carrefour des entreprises, conformément aux articles 5, 33 ou 35 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre du commerce, création de guichets d'entreprises agréés et portant diverses dispositions, peut être puni en vertu des articles 25 ou 62 de la même loi précitée, ainsi qu'en vertu de l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants. ".
Art. 96. [1 Hoofdstuk 2, afdeling 3, en dit hoofdstuk treden in werking op 1 april 2010.]1
Art. 96. [1 Le chapitre 2, section 3, et le présent chapitre entrent en vigueur le 1er avril 2010.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen
CHAPITRE 4. - Cotisation annuelle à charge de certains organismes
Art. 97. In artikel 4, eerste lid, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen, worden de woorden " 20 procent " vervangen door de woorden " 23 procent ".
Art. 97. Dans l'article 4, alinéa 1er, de la loi du 13 juillet 2005 concernant l'instauration d'une cotisation annuelle à charge de certains organismes, les mots " 20 pour cent " sont remplacés par les mots " 23 pour cent ".
Art. 98. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2010.
Art. 98. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2010.
HOOFDSTUK 5. - Financiering van het Asbestfonds
CHAPITRE 5. - Financement du Fonds Amiante
Art. 99. In artikel 116, 3°, tweede lid, van de programmawet (I) van 27 december 2006, gewijzigd door de wet van 21 december 2007 houdende diverse bepalingen (I) en door de programmawet (I) van 22 december 2008, worden de woorden " voor elk van de jaren 2008 en 2009 " vervangen door de woorden " voor elk van de jaren 2008, 2009 en 2010 ".
Art. 99. A l'article 116, 3°, alinéa 2, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, modifié par la loi du 21 décembre 2007 portant des dispositions diverses (I) et par la loi-programme (I) du 22 décembre 2008, les mots " pour chacune des années 2008 et 2009 " sont remplacés par les mots " pour chacune des années 2008, 2009 et 2010 ".
Art. 100. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2010.
Art. 100. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2010.
TITEL 7. - Werk
TITRE 7. - Emploi
HOOFDSTUK 1. - Betaald educatief verlof
CHAPITRE 1er. - Congé-éducation payé
Art. 101. Artikel 121, § 3, van de herstelwet van 22 januari 1985, houdende sociale bepalingen, wordt aangevuld met het volgende lid :
" In afwijking van het eerste lid wordt het aandeel van de Belgische Staat voor het kalenderjaar 2011 verminderd met 30 miljoen euro. ".
" In afwijking van het eerste lid wordt het aandeel van de Belgische Staat voor het kalenderjaar 2011 verminderd met 30 miljoen euro. ".
Art. 101. L'article 121, § 3, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, est complété par l'alinéa suivant :
" En dérogation au premier alinéa, la part de l'Etat belge est diminuée de 30 millions d'euros pour l'année calendrier 2011. ".
" En dérogation au premier alinéa, la part de l'Etat belge est diminuée de 30 millions d'euros pour l'année calendrier 2011. ".
HOOFDSTUK 2. - Afroming van de reserves van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen
CHAPITRE 2. - Prélèvement sur les réserves des agences locales pour l'emploi
Art. 102. De plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, opgericht overeenkomstig artikel 8 van de besluitwet van 28 december1944, zijn verplicht om [1 ...]1 een éénmalig vast bedrag uit de traditionele activiteiten, dat bestemd is voor het globaal beheer van de sociale zekerheid, te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg en artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de criteria en de modaliteiten tot bepaling van het éénmalig vast bedrag uit de traditionele activiteiten per plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en de uitvoeringsmodaliteiten.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg en artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de criteria en de modaliteiten tot bepaling van het éénmalig vast bedrag uit de traditionele activiteiten per plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en de uitvoeringsmodaliteiten.
Art. 102. Les agences locales pour l'emploi, instituées conformément à l'article 8 de l'arrêté-loi du 28 décembre1944, sont tenues de verser à l'Office national de Sécurité sociale un montant fixe unique provenant des activités traditionnelles, destiné à la gestion globale de la sécurité sociale [1 ...]1.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de gestion de l'Office national de l'emploi, tel que visé à l'article 1er de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale et à l'article 2 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, les critères et les modalités fixant le montant unique provenant des activités traditionnelles par agence locale pour l'emploi et les modalités d'exécution.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de gestion de l'Office national de l'emploi, tel que visé à l'article 1er de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale et à l'article 2 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, les critères et les modalités fixant le montant unique provenant des activités traditionnelles par agence locale pour l'emploi et les modalités d'exécution.
Wijzigingen
Art. 103. De plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, opgericht overeenkomstig artikel 8 van de besluitwet van 28 december 1944, die overeenkomstig artikel 8bis van dezelfde besluitwet en artikel 2, § 2, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen een sui-generis-afdeling hebben opgericht, zijn verplicht om [1 ...]1 een éénmalig vast bedrag uit de dienstencheques-activiteiten, dat bestemd is voor het globaal beheer van de sociale zekerheid, te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg en artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de criteria en de modaliteiten tot bepaling van het éénmalig vast bedrag uit de dienstencheques-activiteiten per plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg en artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de criteria en de modaliteiten tot bepaling van het éénmalig vast bedrag uit de dienstencheques-activiteiten per plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
Art. 103. Les agences locales pour l'emploi, instituées conformément à l'article 8 de l'arrêté-loi du 28 décembre1944, qui ont créé une section sui generis aux termes de l'article 8bis du même arrêté-loi et de l'article 2, § 2, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, sont tenues de verser à l'Office national de Sécurité sociale un montant fixe unique provenant des activités titres-services, destiné à la gestion globale de la sécurité sociale [1 ...]1.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de gestion de l'Office national de l'emploi, tel que visé à l'article 1er de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale et à l'article 2 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, les critères et les modalités fixant le montant unique provenant des activités titres-services par agence locale pour l'emploi.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de gestion de l'Office national de l'emploi, tel que visé à l'article 1er de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale et à l'article 2 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, les critères et les modalités fixant le montant unique provenant des activités titres-services par agence locale pour l'emploi.
Wijzigingen
Art. 104. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2010.
Art. 104. Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2010.
HOOFDSTUK 3. - Arbeidsongevallen
CHAPITRE 3. - Accidents de travail
Art. 105. Artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) wordt aangevuld met een paragraaf 3undecies , luidende :
" Een specifieke werkgeversbijdrage van 0,02 pct. is verschuldigd door de werkgevers die onder de toepassing vallen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. De opbrengst van deze bijdrage wordt overgemaakt aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De Rijksdienst voor sociale zekerheid is belast met de berekening, de inning en de invordering van deze bijdrage.
Deze bijdrage is gelijkgesteld aan een socialezekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafsancties, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen. ".
" Een specifieke werkgeversbijdrage van 0,02 pct. is verschuldigd door de werkgevers die onder de toepassing vallen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. De opbrengst van deze bijdrage wordt overgemaakt aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De Rijksdienst voor sociale zekerheid is belast met de berekening, de inning en de invordering van deze bijdrage.
Deze bijdrage is gelijkgesteld aan een socialezekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafsancties, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen. ".
Art. 105. L'article 38 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2008 portant des dispositions diverses (I) du est complété par le paragraphe 3undecies , rédigé comme suit :
" Une cotisation spécifique à charge des employeurs de 0,02 p.c. est due par les employeurs qui tombent sous l'application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail. Le produit de cette cotisation est transféré à l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
L'Office national de sécurité sociale est chargé du calcul, de la perception et du recouvrement de cette cotisation.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations. ".
" Une cotisation spécifique à charge des employeurs de 0,02 p.c. est due par les employeurs qui tombent sous l'application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail. Le produit de cette cotisation est transféré à l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
L'Office national de sécurité sociale est chargé du calcul, de la perception et du recouvrement de cette cotisation.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations. ".
Art. 106. Artikel 105 treedt in werking op 1 januari 2010.
Art. 106. L'article 105 entre en vigueur le 1er janvier 2010.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van hoofdstuk VI van Titel XI van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen(I) betreffende de sociale zekerheidsbijdragen en inhoudingen verschuldigd op brugpensioenen, op aanvullende vergoedingen bij sommige socialezekerheidsuitkeringen en op uitkeringen voor invaliditeit
CHAPITRE 4. - Modification du Chapitre VI du Titre XI de la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses (I) relatif aux cotisations de sécurité sociale et retenues, dues sur des prépensions, sur des indemnités complémentaires à certaines allocations de sécurité sociale et sur des indemnités d'invalidité
Art. 107. In artikel 118 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende :
" § 2bis. Voor de bruggepensioneerden waarvan de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend werd na 15 oktober 2009 en waarvan het brugpensioen ingaat ten vroegste op 1 april 2010, bedraagt het percentage van de werkgeversbijdrage bedoeld in § 1 :
1° 50 pct. voor de bruggepensioneerde die op het ogenblik van de aanvang van het brugpensioen de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;
2° 40 pct. voor de bruggepensioneerde die op het ogenblik van de aanvang van het brugpensioen minstens 52 jaar is en de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
3° 30 pct. voor de bruggepensioneerde die op het ogenblik van de aanvang van het brugpensioen minstens 55 jaar is en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
4° 20 pct. voor de bruggepensioneerde die op het ogenblik van de aanvang van het brugpensioen minstens 58 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
5° 10 pct. voor de andere bruggepensioneerden. ";
b) er wordt een paragraaf 2ter ingevoegd, luidend als volgt :
" 2ter. Voor de bruggepensensioneerden die waren tewerkgesteld door werkgevers die behoren tot de non-profitsector, zoals bedoeld in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, en waarvan de aanvullende vergoeding wordt toegekend voor de eerste keer na 1 april 2010 als gevolg van de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 15 oktober 2009, wordt in afwijking van de bepalingen van § 2bis, het percentage van de bijzondere werkgeversbijdrage verlaagd tot :
1° 5 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde de leeftijd van 52 niet heeft bereikt;
2° 4 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 52 jaar is, de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
3° 3 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 55 jaar is, de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
4° 2 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 58 jaar is, de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt. ".
a) er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende :
" § 2bis. Voor de bruggepensioneerden waarvan de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend werd na 15 oktober 2009 en waarvan het brugpensioen ingaat ten vroegste op 1 april 2010, bedraagt het percentage van de werkgeversbijdrage bedoeld in § 1 :
1° 50 pct. voor de bruggepensioneerde die op het ogenblik van de aanvang van het brugpensioen de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;
2° 40 pct. voor de bruggepensioneerde die op het ogenblik van de aanvang van het brugpensioen minstens 52 jaar is en de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
3° 30 pct. voor de bruggepensioneerde die op het ogenblik van de aanvang van het brugpensioen minstens 55 jaar is en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
4° 20 pct. voor de bruggepensioneerde die op het ogenblik van de aanvang van het brugpensioen minstens 58 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
5° 10 pct. voor de andere bruggepensioneerden. ";
b) er wordt een paragraaf 2ter ingevoegd, luidend als volgt :
" 2ter. Voor de bruggepensensioneerden die waren tewerkgesteld door werkgevers die behoren tot de non-profitsector, zoals bedoeld in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, en waarvan de aanvullende vergoeding wordt toegekend voor de eerste keer na 1 april 2010 als gevolg van de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 15 oktober 2009, wordt in afwijking van de bepalingen van § 2bis, het percentage van de bijzondere werkgeversbijdrage verlaagd tot :
1° 5 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde de leeftijd van 52 niet heeft bereikt;
2° 4 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 52 jaar is, de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
3° 3 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 55 jaar is, de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
4° 2 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 58 jaar is, de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt. ".
Art. 107. A l'article 118 de la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses (I), les modifications suivantes sont apportées :
a) il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Pour les prépensionnés dont le préavis ou la rupture du contrat de travail a été notifié après le 15 octobre 2009 et dont la prépension prend cours au plus tôt le 1er avril 2010, le pourcentage de la cotisation patronale visée au § 1er s'élève à :
1° 50 p.c. pour le prépensionné qui lors de la prise de cours de la prépension n'a pas atteint l'âge de 52 ans;
2° 40 p.c. pour le prépensionné qui a lors de la prise de cours de la prépension au moins 52 ans et n'a pas atteint l'âge de 55 ans;
3° 30 p.c. pour le prépensionné, qui a lors de la prise de cours de la prépension au moins 55 ans et n'a pas atteint l'âge de 58 ans;
4° 20 p.c. pour le prépensionné, qui a lors de la prise de cours de la prépension au moins 58 ans et n'a pas atteint l'âge de 60 ans;
5° 10 p.c. pour les autres prépensionnés. ";
b) un paragraphe 2ter est inséré, rédigé comme suit :
" § 2ter. Pour les prépensionnés qui étaient occupés par des employeurs appartenant au secteur non marchand, tel que visé à l'article 1er, 1°, de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, et dont l'indemnité complémentaire est accordée pour la première fois après le 1er avril 2010 par suite d'un préavis ou d'une rupture du contrat de travail notifié après le 15 octobre 2009, le pourcentage de la cotisation patronale spéciale est, par dérogation à la disposition du § 2bis, réduit à :
1° 5 % pour chaque mois pendant lequel le prépensionné n'a pas atteint l'âge de 52 ans;
2° 4 % pour chaque mois pendant lequel le prépensionné, qui a au moins 52 ans, n'a pas atteint l'âge de 55 ans;
3° 3 % pour chaque mois pendant lequel le prépensionné, qui a au moins 55 ans, n'a pas atteint l'âge de 58 ans;
4° 2 % pour chaque mois pendant lequel le prépensionné, qui a au moins 58 ans, n'a pas atteint l'âge de 60 ans. ".
a) il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Pour les prépensionnés dont le préavis ou la rupture du contrat de travail a été notifié après le 15 octobre 2009 et dont la prépension prend cours au plus tôt le 1er avril 2010, le pourcentage de la cotisation patronale visée au § 1er s'élève à :
1° 50 p.c. pour le prépensionné qui lors de la prise de cours de la prépension n'a pas atteint l'âge de 52 ans;
2° 40 p.c. pour le prépensionné qui a lors de la prise de cours de la prépension au moins 52 ans et n'a pas atteint l'âge de 55 ans;
3° 30 p.c. pour le prépensionné, qui a lors de la prise de cours de la prépension au moins 55 ans et n'a pas atteint l'âge de 58 ans;
4° 20 p.c. pour le prépensionné, qui a lors de la prise de cours de la prépension au moins 58 ans et n'a pas atteint l'âge de 60 ans;
5° 10 p.c. pour les autres prépensionnés. ";
b) un paragraphe 2ter est inséré, rédigé comme suit :
" § 2ter. Pour les prépensionnés qui étaient occupés par des employeurs appartenant au secteur non marchand, tel que visé à l'article 1er, 1°, de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, et dont l'indemnité complémentaire est accordée pour la première fois après le 1er avril 2010 par suite d'un préavis ou d'une rupture du contrat de travail notifié après le 15 octobre 2009, le pourcentage de la cotisation patronale spéciale est, par dérogation à la disposition du § 2bis, réduit à :
1° 5 % pour chaque mois pendant lequel le prépensionné n'a pas atteint l'âge de 52 ans;
2° 4 % pour chaque mois pendant lequel le prépensionné, qui a au moins 52 ans, n'a pas atteint l'âge de 55 ans;
3° 3 % pour chaque mois pendant lequel le prépensionné, qui a au moins 55 ans, n'a pas atteint l'âge de 58 ans;
4° 2 % pour chaque mois pendant lequel le prépensionné, qui a au moins 58 ans, n'a pas atteint l'âge de 60 ans. ".
Art. 108. In artikel 120 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende zin :
" Dat percentage kan variëren naargelang van de leeftijd van de gerechtigde. ";
b) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. Voor de aanvullende uitkeringen toegekend voor de eerste keer na 1 april 2010 als gevolg van de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 15 oktober 2009, bedraagt het percentage van de werkgeversbijdrage bedoeld in § 1 :
1° 50 pct. voor elke gerechtigde die op het ogenblik van het verkrijgen van het recht op de aanvullende uitkering de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;
2° 40 pct. voor elke gerechtigde die op het ogenblik van het verkrijgen van het recht op de aanvullende uitkering de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt en de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
3° 30 pct. voor elke gerechtigde die op het ogenblik van het verkrijgen van het recht op de aanvullende uitkering de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
4° 20 pct. voor elke gerechtigde die op het ogenblik van het verkrijgen van het recht op de aanvullende uitkering de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
5° 10 pct. voor de andere rechtverkrijgenden op de aanvullende uitkering. ";
c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidend als volgt :
" § 4. Voor de aanvullende uitkeringen toegekend in de non-profitsector, zoals bedoeld in de artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, en waarvan de aanvullende vergoeding wordt toegekend voor de eerste keer na 1 april 2010 als gevolg van de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 15 oktober 2009, wordt in afwijking van de bepalingen van § 3, het percentage van de bijzondere werkgeversbijdrage verlaagd tot :
1° 5 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde de leeftijd van 52 niet heeft bereikt;
2° 4 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 52 jaar is, de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
3° 3 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 55 jaar is, de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
4° 2 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 58 jaar is, de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt. ".
a) paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende zin :
" Dat percentage kan variëren naargelang van de leeftijd van de gerechtigde. ";
b) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. Voor de aanvullende uitkeringen toegekend voor de eerste keer na 1 april 2010 als gevolg van de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 15 oktober 2009, bedraagt het percentage van de werkgeversbijdrage bedoeld in § 1 :
1° 50 pct. voor elke gerechtigde die op het ogenblik van het verkrijgen van het recht op de aanvullende uitkering de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;
2° 40 pct. voor elke gerechtigde die op het ogenblik van het verkrijgen van het recht op de aanvullende uitkering de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt en de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
3° 30 pct. voor elke gerechtigde die op het ogenblik van het verkrijgen van het recht op de aanvullende uitkering de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
4° 20 pct. voor elke gerechtigde die op het ogenblik van het verkrijgen van het recht op de aanvullende uitkering de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
5° 10 pct. voor de andere rechtverkrijgenden op de aanvullende uitkering. ";
c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidend als volgt :
" § 4. Voor de aanvullende uitkeringen toegekend in de non-profitsector, zoals bedoeld in de artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, en waarvan de aanvullende vergoeding wordt toegekend voor de eerste keer na 1 april 2010 als gevolg van de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 15 oktober 2009, wordt in afwijking van de bepalingen van § 3, het percentage van de bijzondere werkgeversbijdrage verlaagd tot :
1° 5 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde de leeftijd van 52 niet heeft bereikt;
2° 4 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 52 jaar is, de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
3° 3 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 55 jaar is, de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
4° 2 % voor elke maand waarin de bruggepensensioneerde, die minstens 58 jaar is, de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt. ".
Art. 108. A l'article 120, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
a) le paragraphe 1er est complété par la phrase suivante :
" Ce pourcentage peut varier en fonction de l'âge du bénéficiaire. ";
b) l'article est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Pour les indemnités complémentaires octroyées pour la première fois après le 1er avril 2010 par suite d'un préavis ou de la rupture du contrat de travail notifié après le 15 octobre 2009, le pourcentage de la cotisation patronale visée au § 1er s'élève à :
1° 50 p.c. pour chaque bénéficiaire qui au moment de l'obtention du droit à l'indemnité complémentaire n'a pas atteint l'âge de 52 ans;
2° 40 p.c. pour chaque bénéficiaire, qui au moment de l'obtention du droit à l'indemnité complémentaire a atteint l'âge de 52 ans, et n'a pas atteint l'âge de 55 ans;
3° 30 p.c. pour chaque bénéficiaire qui au moment de l'obtention du droit à l'indemnité complémentaire a atteint l'âge de 55 ans et n'a pas atteint l'âge de 58 ans;
4° 20 p.c. pour chaque bénéficiaire qui au moment de l'obtention du droit à l'indemnité complémentaire a atteint l'âge de 58 ans et n'a pas atteint l'âge de 60 ans;
5° 10 p.c. pour les autres ayant-droits à l'indemnité complémentaire. ";
c) l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Pour les indemnités complémentaires octroyées dans le secteur non marchand, telles que visées à l'article 1er, 1°, de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, et lorsque l'indemnité complémentaire est accordée pour la première fois après le 1er avril 2010 par suite d'un préavis ou de la rupture du contrat de travail notifié après le 15 octobre 2009, le pourcentage de la cotisation patronale spéciale est, par dérogation à la disposition du § 3, réduit à :
1° 5 % pour chaque mois pendant lequel le bénéficiaire de l'indemnité complémentaire n'a pas atteint l'âge de 52 ans;
2° 4 % pour chaque mois pendant lequel le bénéficiaire de l'indemnité complémentaire, qui a au moins 52 ans, n'a pas atteint l'âge de 55 ans;
3° 3 % pour chaque mois pendant lequel le bénéficiaire de l'indemnité, qui a au moins 55 ans, n'a pas atteint l'âge de 58 ans;
4° 2 % pour chaque mois pendant lequel le bénéficiaire de l'indemnité, qui a au moins 58 ans, n'a pas atteint l'âge de 60 ans. ".
a) le paragraphe 1er est complété par la phrase suivante :
" Ce pourcentage peut varier en fonction de l'âge du bénéficiaire. ";
b) l'article est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Pour les indemnités complémentaires octroyées pour la première fois après le 1er avril 2010 par suite d'un préavis ou de la rupture du contrat de travail notifié après le 15 octobre 2009, le pourcentage de la cotisation patronale visée au § 1er s'élève à :
1° 50 p.c. pour chaque bénéficiaire qui au moment de l'obtention du droit à l'indemnité complémentaire n'a pas atteint l'âge de 52 ans;
2° 40 p.c. pour chaque bénéficiaire, qui au moment de l'obtention du droit à l'indemnité complémentaire a atteint l'âge de 52 ans, et n'a pas atteint l'âge de 55 ans;
3° 30 p.c. pour chaque bénéficiaire qui au moment de l'obtention du droit à l'indemnité complémentaire a atteint l'âge de 55 ans et n'a pas atteint l'âge de 58 ans;
4° 20 p.c. pour chaque bénéficiaire qui au moment de l'obtention du droit à l'indemnité complémentaire a atteint l'âge de 58 ans et n'a pas atteint l'âge de 60 ans;
5° 10 p.c. pour les autres ayant-droits à l'indemnité complémentaire. ";
c) l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Pour les indemnités complémentaires octroyées dans le secteur non marchand, telles que visées à l'article 1er, 1°, de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, et lorsque l'indemnité complémentaire est accordée pour la première fois après le 1er avril 2010 par suite d'un préavis ou de la rupture du contrat de travail notifié après le 15 octobre 2009, le pourcentage de la cotisation patronale spéciale est, par dérogation à la disposition du § 3, réduit à :
1° 5 % pour chaque mois pendant lequel le bénéficiaire de l'indemnité complémentaire n'a pas atteint l'âge de 52 ans;
2° 4 % pour chaque mois pendant lequel le bénéficiaire de l'indemnité complémentaire, qui a au moins 52 ans, n'a pas atteint l'âge de 55 ans;
3° 3 % pour chaque mois pendant lequel le bénéficiaire de l'indemnité, qui a au moins 55 ans, n'a pas atteint l'âge de 58 ans;
4° 2 % pour chaque mois pendant lequel le bénéficiaire de l'indemnité, qui a au moins 58 ans, n'a pas atteint l'âge de 60 ans. ".
Art. 109. Een nieuw artikel 122bis wordt ingevoegd in dezelfde wet, luidende als volgt :
" Art. 122bis. De artikelen 121 en 122 zijn niet van toepassing op de bruggepensioneerden bedoeld in artikel 118, § 2bis en 2ter. ".
" Art. 122bis. De artikelen 121 en 122 zijn niet van toepassing op de bruggepensioneerden bedoeld in artikel 118, § 2bis en 2ter. ".
Art. 109. Un nouvel article 122bis est inséré dans la même loi, rédigé comme suit :
" Art. 122bis. Les articles 121 et 122 ne sont pas d'application aux prépensionnés visés à l'article 118, § 2bis et 2ter. ".
" Art. 122bis. Les articles 121 et 122 ne sont pas d'application aux prépensionnés visés à l'article 118, § 2bis et 2ter. ".
Art. 110. In artikel 124 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " bedoeld in artikel 118, §§ 2 en 3, in artikel 120, § 2, " vervangen door de worden " bedoeld in artikel 118, §§ 2, 2bis en 3, in artikel 120, §§ 2 en 3, ";
2° paragraaf 1 wordt aangevuld als volgt :
" De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de percentages bedoeld in artikel 118, § 2bis, verlagen voor ondernemingen erkend als onderneming in moeilijkheden en herstructurering, zoals vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het conventioneel brugpensioen in het kader van het Generatiepact. ";
3° in paragraaf 3 worden de woorden " van artikel 118, §§ 2 en 3, of van artikel 120, § 2, " vervangen door de woorden " van artikel 118, §§ 2, 2bis en 3, of van artikel 120, §§ 2 en 3, ".
1° in paragraaf 1 worden de woorden " bedoeld in artikel 118, §§ 2 en 3, in artikel 120, § 2, " vervangen door de worden " bedoeld in artikel 118, §§ 2, 2bis en 3, in artikel 120, §§ 2 en 3, ";
2° paragraaf 1 wordt aangevuld als volgt :
" De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de percentages bedoeld in artikel 118, § 2bis, verlagen voor ondernemingen erkend als onderneming in moeilijkheden en herstructurering, zoals vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het conventioneel brugpensioen in het kader van het Generatiepact. ";
3° in paragraaf 3 worden de woorden " van artikel 118, §§ 2 en 3, of van artikel 120, § 2, " vervangen door de woorden " van artikel 118, §§ 2, 2bis en 3, of van artikel 120, §§ 2 en 3, ".
Art. 110. A l'article 124 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " visés à l'article 118, §§ 2 et 3, à l'article 120, § 2, " sont remplacés par les mots " visés à l'article 118, §§ 2, 2bis et 3, à l'article 120, §§ 2 et 3, ";
2° le paragraphe 1er est complété comme suit :
" Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, réduire les pourcentages visés à l'article 118, § 2bis, pour les entreprises reconnues en difficulté et en restructuration, mentionnées dans l'arrêté royal du 3 mai 2007 fixant la prépension conventionnelle dans le cadre du Pacte de solidarité entre les générations. ";
3° au paragraphe 3, les mots " de l'article 118, §§ 2 et 3, ou de l'article 120, § 2, " sont remplacés par les mots " de l'article 118, §§ 2, 2bis et 3, ou de l'article 120, §§ 2 et 3, ".
1° au paragraphe 1er, les mots " visés à l'article 118, §§ 2 et 3, à l'article 120, § 2, " sont remplacés par les mots " visés à l'article 118, §§ 2, 2bis et 3, à l'article 120, §§ 2 et 3, ";
2° le paragraphe 1er est complété comme suit :
" Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, réduire les pourcentages visés à l'article 118, § 2bis, pour les entreprises reconnues en difficulté et en restructuration, mentionnées dans l'arrêté royal du 3 mai 2007 fixant la prépension conventionnelle dans le cadre du Pacte de solidarité entre les générations. ";
3° au paragraphe 3, les mots " de l'article 118, §§ 2 et 3, ou de l'article 120, § 2, " sont remplacés par les mots " de l'article 118, §§ 2, 2bis et 3, ou de l'article 120, §§ 2 et 3, ".
Art. 111. Dit hoofdstuk treedt in werking op 15 oktober 2009.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ondernemingen in herstructurering waarvan het collectief ontslag werd aangekondigd, zoals bepaald in het voormeld koninklijk besluit van 3 mei 2007, vóór deze datum.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de ondernemingen erkend in moeilijkheden of in herstructurering vóór 15 oktober 2009.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ondernemingen in herstructurering waarvan het collectief ontslag werd aangekondigd, zoals bepaald in het voormeld koninklijk besluit van 3 mei 2007, vóór deze datum.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de ondernemingen erkend in moeilijkheden of in herstructurering vóór 15 oktober 2009.
Art. 111. Le présent chapitre entre en vigueur le 15 octobre 2009.
Ce chapitre n'est pas d'application aux entreprises en restructuration dont le licenciement collectif a été annoncé, comme prévu dans l'arrêté royal du 3 mai 2007 précité, avant cette date.
Ce chapitre n'est pas d'application aux entreprises reconnues en difficulté ou en restructuration avant le 15 octobre 2009.
Ce chapitre n'est pas d'application aux entreprises en restructuration dont le licenciement collectif a été annoncé, comme prévu dans l'arrêté royal du 3 mai 2007 précité, avant cette date.
Ce chapitre n'est pas d'application aux entreprises reconnues en difficulté ou en restructuration avant le 15 octobre 2009.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten
CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales
Art. 112. In de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, wordt een artikel 13quater ingevoegd, luidende :
" Art. 13quater. § 1. Een persoon, die een hoofdactiviteit uitoefent als werknemer, zelfstandige of ambtenaar en die naast deze hoofdactiviteit, arbeid verricht, waarvoor de werkgever niet voldaan heeft aan de bepalingen van de artikelen 4 tot 6 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en voor zover :
- deze werknemer wetens en willens deze niet-aangegeven arbeid uitoefent, en
- er tegen de werkgever eveneens een proces-verbaal werd opgesteld voor deze inbreuk,
kan hiervoor een administratieve geldboete oplopen van 500 tot 2.000 euro.
Het voorgaande lid is niet van toepassing op de werknemers die tegelijk een vervangingsuitkering ontvangen en die ten gevolge van de in het eerste lid bedoelde tewerkstelling tijdelijk het recht op deze vervangingsuitkering kunnen verliezen of om die reden een andere administratieve of strafrechtelijke sanctie kunnen oplopen.
§ 2. De vaststelling van de inbreuk bedoeld in § 1, geschiedt middels een proces-verbaal dat wordt opgesteld door een ambtenaar bedoeld in artikel 12 van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002 of door een officier van gerechtelijke politie. Dit proces-verbaal heeft bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel, op voorwaarde dat een afschrift ervan naar de werknemer wordt gestuurd binnen een termijn van veertien dagen die ingaat op de dag volgend op de vaststelling van de inbreuk. Een exemplaar van het proces-verbaal waarin de inbreuk wordt vastgesteld, wordt naar de door de Koning aangewezen ambtenaar gestuurd.
§ 3. De door de Koning aangewezen ambtenaar beslist, nadat de werknemer de mogelijkheid werd geboden zijn verweermiddelen naar voren te brengen, of de administratieve geldboete bedoeld in § 1, moet worden opgelegd.
Deze administratieve geldboete wordt opgelegd volgens dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde regels bedoeld in de artikelen 1ter, 1quater, 7, § 4, eerste en derde lid, 8, 9 en 13. Wat betreft de artikelen 7, § 4, eerste lid, 8 en 9, moet het woord " werkgever " gelezen worden als " werknemer ".
De Koning bepaalt de termijn en de nadere regels voor de betaling van de administratieve geldboete die door de ambtenaar bedoeld in het eerste lid wordt opgelegd. De Koning bepaalt eveneens wat onder verweermiddelen dient te worden verstaan. ".
" Art. 13quater. § 1. Een persoon, die een hoofdactiviteit uitoefent als werknemer, zelfstandige of ambtenaar en die naast deze hoofdactiviteit, arbeid verricht, waarvoor de werkgever niet voldaan heeft aan de bepalingen van de artikelen 4 tot 6 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en voor zover :
- deze werknemer wetens en willens deze niet-aangegeven arbeid uitoefent, en
- er tegen de werkgever eveneens een proces-verbaal werd opgesteld voor deze inbreuk,
kan hiervoor een administratieve geldboete oplopen van 500 tot 2.000 euro.
Het voorgaande lid is niet van toepassing op de werknemers die tegelijk een vervangingsuitkering ontvangen en die ten gevolge van de in het eerste lid bedoelde tewerkstelling tijdelijk het recht op deze vervangingsuitkering kunnen verliezen of om die reden een andere administratieve of strafrechtelijke sanctie kunnen oplopen.
§ 2. De vaststelling van de inbreuk bedoeld in § 1, geschiedt middels een proces-verbaal dat wordt opgesteld door een ambtenaar bedoeld in artikel 12 van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002 of door een officier van gerechtelijke politie. Dit proces-verbaal heeft bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel, op voorwaarde dat een afschrift ervan naar de werknemer wordt gestuurd binnen een termijn van veertien dagen die ingaat op de dag volgend op de vaststelling van de inbreuk. Een exemplaar van het proces-verbaal waarin de inbreuk wordt vastgesteld, wordt naar de door de Koning aangewezen ambtenaar gestuurd.
§ 3. De door de Koning aangewezen ambtenaar beslist, nadat de werknemer de mogelijkheid werd geboden zijn verweermiddelen naar voren te brengen, of de administratieve geldboete bedoeld in § 1, moet worden opgelegd.
Deze administratieve geldboete wordt opgelegd volgens dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde regels bedoeld in de artikelen 1ter, 1quater, 7, § 4, eerste en derde lid, 8, 9 en 13. Wat betreft de artikelen 7, § 4, eerste lid, 8 en 9, moet het woord " werkgever " gelezen worden als " werknemer ".
De Koning bepaalt de termijn en de nadere regels voor de betaling van de administratieve geldboete die door de ambtenaar bedoeld in het eerste lid wordt opgelegd. De Koning bepaalt eveneens wat onder verweermiddelen dient te worden verstaan. ".
Art. 112. Dans la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales, il est inséré un article 13quater, rédigé comme suit :
" Art. 13quater. § 1er. Une personne qui exerce une activité à titre principal, dans le cadre d'un travail salarié, à titre d'indépendant ou comme fonctionnaire, et qui exécute, à côté de cette activité principale, un travail pour lequel l'employeur ne satisfait pas aux dispositions des articles 4 à 6 de l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, et pour autant :
- que ce travailleur effectue ce travail non déclaré sciemment, et
- qu'un procès-verbal ait également été dressé contre l'employeur pour cette infraction,
peut encourir une amende administrative de 500 à 2000 euros.
L'alinéa précédent n'est pas applicable aux travailleurs qui perçoivent en même temps une indemnité de remplacement et qui à la suite de l'occupation visée à l'alinéa 1er peuvent perdre temporairement le droit à cette indemnité ou qui peuvent encourir pour ce motif une autre sanction administrative ou pénale.
§ 2. La constatation de l'infraction visée au § 1er, se fait au moyen d'un procès-verbal dressé par un fonctionnaire visé à l'article 12 de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002 ou par un officier de police judiciaire. Ce procès-verbal fait foi jusqu'à preuve du contraire pour autant qu'une copie en soit communiquée au travailleur dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation de l'infraction. Un exemplaire du procès-verbal constatant l'infraction est transmis au fonctionnaire désigné par le Roi.
§ 3. Le fonctionnaire désigné par le Roi décide, après avoir mis le travailleur en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu d'infliger l'amende administrative visée au § 1er.
Cette amende administrative est infligée aux mêmes conditions et selon les mêmes règles que celles visées aux articles 1erter, 1erquater, 7, § 4, alinéas 1er et 3, 8, 9 et 13. En ce qui concerne les articles 7, § 4, alinéa 1er, 8 et 9, le mot " employeur " doit se lire comme " travailleur ".
Le Roi détermine le délai et les modalités de paiement de l'amende administrative qui est infligée par le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er. Le Roi détermine également ce qu'il faut entendre par moyens de défense. ".
" Art. 13quater. § 1er. Une personne qui exerce une activité à titre principal, dans le cadre d'un travail salarié, à titre d'indépendant ou comme fonctionnaire, et qui exécute, à côté de cette activité principale, un travail pour lequel l'employeur ne satisfait pas aux dispositions des articles 4 à 6 de l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, et pour autant :
- que ce travailleur effectue ce travail non déclaré sciemment, et
- qu'un procès-verbal ait également été dressé contre l'employeur pour cette infraction,
peut encourir une amende administrative de 500 à 2000 euros.
L'alinéa précédent n'est pas applicable aux travailleurs qui perçoivent en même temps une indemnité de remplacement et qui à la suite de l'occupation visée à l'alinéa 1er peuvent perdre temporairement le droit à cette indemnité ou qui peuvent encourir pour ce motif une autre sanction administrative ou pénale.
§ 2. La constatation de l'infraction visée au § 1er, se fait au moyen d'un procès-verbal dressé par un fonctionnaire visé à l'article 12 de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002 ou par un officier de police judiciaire. Ce procès-verbal fait foi jusqu'à preuve du contraire pour autant qu'une copie en soit communiquée au travailleur dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation de l'infraction. Un exemplaire du procès-verbal constatant l'infraction est transmis au fonctionnaire désigné par le Roi.
§ 3. Le fonctionnaire désigné par le Roi décide, après avoir mis le travailleur en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu d'infliger l'amende administrative visée au § 1er.
Cette amende administrative est infligée aux mêmes conditions et selon les mêmes règles que celles visées aux articles 1erter, 1erquater, 7, § 4, alinéas 1er et 3, 8, 9 et 13. En ce qui concerne les articles 7, § 4, alinéa 1er, 8 et 9, le mot " employeur " doit se lire comme " travailleur ".
Le Roi détermine le délai et les modalités de paiement de l'amende administrative qui est infligée par le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er. Le Roi détermine également ce qu'il faut entendre par moyens de défense. ".
Art. 113. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 april 2010.
Art. 113. Ce chapitre entre en vigueur le 1er avril 2010.
TITEL 8. - Financiën
TITRE 8. - Finances
HOOFDSTUK 1. - Inkomstenbelastingen
CHAPITRE 1er. - Impôts sur les revenus
Afdeling 1. - Wijzigingen met betrekking tot natuurlijke personen
Section 1re. - Modifications concernant les personnes physiques
Art. 114. Artikel 36 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Bij de vaststelling van het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig houdt de Koning evenwel rekening met het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers, het type van brandstofvoorziening van de motor en het CO2-uitstootgehalte van het voertuig. ".
" Bij de vaststelling van het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig houdt de Koning evenwel rekening met het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers, het type van brandstofvoorziening van de motor en het CO2-uitstootgehalte van het voertuig. ".
Art. 114. L'article 36 du Code des impôts sur les revenus 1992, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Toutefois, pour la détermination de l'avantage de toute nature résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition, le Roi tient compte du nombre de kilomètres parcourus à des fins personnelles, du type d'alimentation du moteur et de l'émission de CO2 du véhicule. ".
" Toutefois, pour la détermination de l'avantage de toute nature résultant de l'utilisation à des fins personnelles d'un véhicule mis gratuitement à disposition, le Roi tient compte du nombre de kilomètres parcourus à des fins personnelles, du type d'alimentation du moteur et de l'émission de CO2 du véhicule. ".
Art. 115. In artikel 51 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 6 juli 1994, bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996, 20 juli 2000 en 13 juli 2001, bij de wetten van 10 augustus 2001 en 24 december 2002, en bij de koninklijke besluiten van 29 november 2006, 23 maart 2007 en 6 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, 2°, worden de woorden " 5 pct. " vervangen door de woorden " 3 pct. ";
2° in het derde lid, worden de woorden " in het tweede lid, 1° tot 4°. " vervangen door de woorden " in het tweede lid, 1°, 3° en 4°, noch meer dan 1.555,50 euro voor het geheel van de inkomsten als vermeld in het tweede lid, 2°. ".
1° in het tweede lid, 2°, worden de woorden " 5 pct. " vervangen door de woorden " 3 pct. ";
2° in het derde lid, worden de woorden " in het tweede lid, 1° tot 4°. " vervangen door de woorden " in het tweede lid, 1°, 3° en 4°, noch meer dan 1.555,50 euro voor het geheel van de inkomsten als vermeld in het tweede lid, 2°. ".
Art. 115. A l'article 51 du même Code, modifié par les lois du 28 décembre 1992 et du 6 juillet 1994, par les arrêtés royaux des 20 décembre 1996, 20 juillet 2000 et 13 juillet 2001, par les lois des 10 août 2001 et 24 décembre 2002, et par les arrêtés royaux des 29 novembre 2006, 23 mars 2007 et 6 avril 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, 2°, les mots " 5 p.c. " sont remplacés par les mots " 3 p.c. ";
2° à l'alinéa 3, les mots " à l'alinéa 2, 1° à 4°. " sont remplacés par les mots " à l'alinéa 2, 1°, 3° et 4°, ni 1.555,50 euros pour l'ensemble des revenus visés à l'alinéa 2, 2°. ".
1° à l'alinéa 2, 2°, les mots " 5 p.c. " sont remplacés par les mots " 3 p.c. ";
2° à l'alinéa 3, les mots " à l'alinéa 2, 1° à 4°. " sont remplacés par les mots " à l'alinéa 2, 1°, 3° et 4°, ni 1.555,50 euros pour l'ensemble des revenus visés à l'alinéa 2, 2°. ".
Art. 116. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, A, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 63/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
" Art. 63/1. De oplaadstations voor elektrische voertuigen mogen, wat de investeringen gedaan in de jaren 2010 tot 2012 betreft, worden afgeschreven met twee vaste annuïteiten. ".
" Art. 63/1. De oplaadstations voor elektrische voertuigen mogen, wat de investeringen gedaan in de jaren 2010 tot 2012 betreft, worden afgeschreven met twee vaste annuïteiten. ".
Art. 116. Dans le titre II, chapitre II, section IV, sous-section III, A, du même Code, il est inséré un article 63/1, rédigé comme suit :
" Art. 63/1. Les stations de rechargement des véhicules électriques peuvent, en ce qui concerne les investissements des années 2010 à 2012, être amorties en deux annuités fixes. ".
" Art. 63/1. Les stations de rechargement des véhicules électriques peuvent, en ce qui concerne les investissements des années 2010 à 2012, être amorties en deux annuités fixes. ".
Art. 117. Artikel 66, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt :
" § 1. Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn slechts tot 75 pct. aftrekbaar. ".
" § 1. Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn slechts tot 75 pct. aftrekbaar. ".
Art. 117. L'article 66, § 1er, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les frais professionnels afférents à l'utilisation des véhicules visés à l'article 65 ne sont déductibles qu'à concurrence de 75 p.c. ".
" § 1er. Les frais professionnels afférents à l'utilisation des véhicules visés à l'article 65 ne sont déductibles qu'à concurrence de 75 p.c. ".
Art. 118. Artikel 69, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 april 2003 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004, 7 december 2006, 24 april 2007 en 6 mei 2009, wordt aangevuld als volgt :
" e) wat de investeringen gedaan in de jaren 2010 tot 2012 betreft, de oplaadstations voor elektrische voertuigen; ".
" e) wat de investeringen gedaan in de jaren 2010 tot 2012 betreft, de oplaadstations voor elektrische voertuigen; ".
Art. 118. L'article 69, § 1er, 2°, du même Code, remplacé par la loi du 8 avril 2003 et modifié par les lois des 27 décembre 2004, 7 décembre 2006, 24 avril 2007 et 6 mai 2009, est complété par ce qui suit :
" e) pour les investissements des années 2010 à 2012, les stations de rechargement des véhicules électriques; ".
" e) pour les investissements des années 2010 à 2012, les stations de rechargement des véhicules électriques; ".
Art. 119. Artikel 113, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994, 6 juli 2004, 27 december 2005, 1 maart 2007 en 22 december 2008, wordt aangevuld met de volgende leden :
" In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn de uitgaven gedaan voor de opvang van kinderen met een zware handicap die de leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt, eveneens aftrekbaar onder dezelfde voorwaarden.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder " kind met zware handicap " verstaan, het kind dat recht heeft op de verhoogde kinderbijslag op basis van een van de volgende criteria :
1° ofwel, meer dan 80 pct. lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid met 7 tot 9 punten van de graad van zelfstandigheid gemeten aan de hand van de gids gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;
2° ofwel, een totaal van minstens 15 punten, vastgesteld volgens de medisch-sociale schaal overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor de loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002. ".
" In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn de uitgaven gedaan voor de opvang van kinderen met een zware handicap die de leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt, eveneens aftrekbaar onder dezelfde voorwaarden.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder " kind met zware handicap " verstaan, het kind dat recht heeft op de verhoogde kinderbijslag op basis van een van de volgende criteria :
1° ofwel, meer dan 80 pct. lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid met 7 tot 9 punten van de graad van zelfstandigheid gemeten aan de hand van de gids gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;
2° ofwel, een totaal van minstens 15 punten, vastgesteld volgens de medisch-sociale schaal overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor de loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002. ".
Art. 119. L'article 113, § 1er, du même Code, modifié par les lois des 6 juillet 1994, 6 juillet 2004, 27 décembre 2005, 1er mars 2007 et 22 décembre 2008, est complété par les alinéas suivants :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, les dépenses pour gardes d'enfants avec un handicap lourd qui n'ont pas atteint l'âge de dix-huit ans sont également déductibles aux mêmes conditions.
Pour l'application du présent article, on entend par " enfant avec un handicap lourd ", l'enfant qui est bénéficiaire d'allocations familiales majorées sur base d'un des critères suivants :
1° soit, plus de 80 p.c. d'incapacité physique ou mentale avec 7 à 9 points de degré d'autonomie, mesuré à l'aide du guide annexé à l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales;
2° soit, un total de 15 points au moins, établi selon l'échelle médico-sociale conformément à l'arrêté royal du 28 mars 2003 portant exécution des articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 88 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, les dépenses pour gardes d'enfants avec un handicap lourd qui n'ont pas atteint l'âge de dix-huit ans sont également déductibles aux mêmes conditions.
Pour l'application du présent article, on entend par " enfant avec un handicap lourd ", l'enfant qui est bénéficiaire d'allocations familiales majorées sur base d'un des critères suivants :
1° soit, plus de 80 p.c. d'incapacité physique ou mentale avec 7 à 9 points de degré d'autonomie, mesuré à l'aide du guide annexé à l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales;
2° soit, un total de 15 points au moins, établi selon l'échelle médico-sociale conformément à l'arrêté royal du 28 mars 2003 portant exécution des articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 88 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. ".
Art. 120. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van onderafdeling IIquinquies, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 27 april 2007 en 27 maart 2009, vervangen als volgt :
" Onderafdeling IIquinquies. Vermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning ".
" Onderafdeling IIquinquies. Vermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning ".
Art. 120. Dans le titre II, chapitre III, section Ire, du même Code, l'intitulé de la sous-section IIquinquies, inséré par la loi du 10 août 2001 et modifié par les lois des 27 avril 2007 et 27 mars 2009, est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section IIquinquies. Réduction pour des dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation ".
" Sous-section IIquinquies. Réduction pour des dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation ".
Art. 121. In artikel 14524 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 5 augustus 2003, 31 juli 2004, 27 december 2005, 27 december 2006, 27 april 2007 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
" c) zijn bedoeld in het eerste lid, 1° en 4° tot 7°, wanneer de uitgaven betrekking hebben op werken die worden verricht aan een woning waarvan de ingebruikneming minder dan vijf jaar voorafgaat aan de aanvang van die werken. ";
b) in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden " in het eerste lid, 2° of 3°. " vervangen door de woorden " in het eerste lid, 3°. ";
c) paragraaf 1, zevende lid, wordt aangevuld met de woorden " en de volgorde waarin de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangerekend ";
d) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " een passiefhuis " telkens vervangen door de woorden " een lage energiewoning, een passiefwoning of een nul energiewoning ";
e) in paragraaf 2 worden het tweede tot het vierde lid vervangen door de volgende leden :
" Onder lage energiewoning wordt verstaan een woning die is gelegen in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarvan de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling moet beperkt blijven tot 30 kWh/m2 geklimatiseerde vloeroppervlakte.
Onder passiefwoning wordt verstaan een woning die is gelegen in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling moet beperkt blijven tot 15 kWh/m2 geklimatiseerde vloeroppervlakte;
2° bij een luchtdichtheidsproef (overeenkomstig de norm NBN EN 13829) met een drukverschil tussen binnen- en buitenomgeving van 50 pascal is het luchtverlies niet groter dan 60 pct. van het volume van de woning per uur (n50 niet groter dan 0,6/uur).
Onder nulenergiewoning wordt verstaan een woning gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die voldoet aan de voorwaarden van een passiefwoning en waarin de resterende energievraag voor ruimteverwarming en koeling volledig wordt gecompenseerd door ter plaatse opgewekte hernieuwbare energie. De Koning bepaalt op welke wijze de opwekking van hernieuwbare energie wordt in aanmerking genomen voor de compensatie.
De belastingvermindering wordt verleend gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin is vastgesteld dat de woning een lage energiewoning, een passiefwoning of een nul energiewoning is. Die vaststelling blijkt uit een certificaat dat wordt uitgereikt door een door de Koning erkende instelling of door de bevoegde gewestelijke administratie of een gelijkaardige instelling of bevoegde administratie die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Wanneer evenwel gedurende één van de in het vijfde lid bedoelde tien belastbare tijdperken uit een nieuw certificaat blijkt dat de woning voldoet aan strengere normen dan de norm of normen waaraan werd voldaan blijkens een vorig certificaat, wordt voor de resterende belastbare tijdperken de belastingvermindering verleend waarop het behalen van die strengere normen recht geeft.
De belastingvermindering bedraagt :
1° 300 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een lage energiewoning;
2° 600 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een passiefwoning;
3° 1.200 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een nul energiewoning. ";
f) in het zesde lid van paragraaf 2, dat het negende lid is geworden, worden de woorden " voor de uitgaven " opgeheven;
g) [het achtste lid van paragraaf 2, dat het elfde lid is geworden, wordt vervangen als volgt :] (ERRATUM, zie B.St. 25-06-2010, p. 39368)
" De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het certificaat als bedoeld in het vijfde lid. De erkende instelling of de bevoegde gewestelijke administratie stelt de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis van het uitreiken van een certificaat. Deze kennisgeving geschiedt in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt. In voorkomend geval moet de belastingplichtige het certificaat dat wordt uitgereikt door de gelijkwaardige instelling of bevoegde administratie die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, ter beschikking van de fiscale administratie houden. ";
h) in het negende lid van paragraaf 2, dat het twaalfde lid is geworden, worden de woorden " in het vierde lid " en " in het tweede lid " respectievelijk vervangen door de woorden " in het vijfde lid " en " in het derde lid ".
a) paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
" c) zijn bedoeld in het eerste lid, 1° en 4° tot 7°, wanneer de uitgaven betrekking hebben op werken die worden verricht aan een woning waarvan de ingebruikneming minder dan vijf jaar voorafgaat aan de aanvang van die werken. ";
b) in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden " in het eerste lid, 2° of 3°. " vervangen door de woorden " in het eerste lid, 3°. ";
c) paragraaf 1, zevende lid, wordt aangevuld met de woorden " en de volgorde waarin de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangerekend ";
d) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " een passiefhuis " telkens vervangen door de woorden " een lage energiewoning, een passiefwoning of een nul energiewoning ";
e) in paragraaf 2 worden het tweede tot het vierde lid vervangen door de volgende leden :
" Onder lage energiewoning wordt verstaan een woning die is gelegen in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarvan de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling moet beperkt blijven tot 30 kWh/m2 geklimatiseerde vloeroppervlakte.
Onder passiefwoning wordt verstaan een woning die is gelegen in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling moet beperkt blijven tot 15 kWh/m2 geklimatiseerde vloeroppervlakte;
2° bij een luchtdichtheidsproef (overeenkomstig de norm NBN EN 13829) met een drukverschil tussen binnen- en buitenomgeving van 50 pascal is het luchtverlies niet groter dan 60 pct. van het volume van de woning per uur (n50 niet groter dan 0,6/uur).
Onder nulenergiewoning wordt verstaan een woning gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die voldoet aan de voorwaarden van een passiefwoning en waarin de resterende energievraag voor ruimteverwarming en koeling volledig wordt gecompenseerd door ter plaatse opgewekte hernieuwbare energie. De Koning bepaalt op welke wijze de opwekking van hernieuwbare energie wordt in aanmerking genomen voor de compensatie.
De belastingvermindering wordt verleend gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin is vastgesteld dat de woning een lage energiewoning, een passiefwoning of een nul energiewoning is. Die vaststelling blijkt uit een certificaat dat wordt uitgereikt door een door de Koning erkende instelling of door de bevoegde gewestelijke administratie of een gelijkaardige instelling of bevoegde administratie die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Wanneer evenwel gedurende één van de in het vijfde lid bedoelde tien belastbare tijdperken uit een nieuw certificaat blijkt dat de woning voldoet aan strengere normen dan de norm of normen waaraan werd voldaan blijkens een vorig certificaat, wordt voor de resterende belastbare tijdperken de belastingvermindering verleend waarop het behalen van die strengere normen recht geeft.
De belastingvermindering bedraagt :
1° 300 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een lage energiewoning;
2° 600 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een passiefwoning;
3° 1.200 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een nul energiewoning. ";
f) in het zesde lid van paragraaf 2, dat het negende lid is geworden, worden de woorden " voor de uitgaven " opgeheven;
g) [het achtste lid van paragraaf 2, dat het elfde lid is geworden, wordt vervangen als volgt :] (ERRATUM, zie B.St. 25-06-2010, p. 39368)
" De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het certificaat als bedoeld in het vijfde lid. De erkende instelling of de bevoegde gewestelijke administratie stelt de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis van het uitreiken van een certificaat. Deze kennisgeving geschiedt in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt. In voorkomend geval moet de belastingplichtige het certificaat dat wordt uitgereikt door de gelijkwaardige instelling of bevoegde administratie die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, ter beschikking van de fiscale administratie houden. ";
h) in het negende lid van paragraaf 2, dat het twaalfde lid is geworden, worden de woorden " in het vierde lid " en " in het tweede lid " respectievelijk vervangen door de woorden " in het vijfde lid " en " in het derde lid ".
Art. 121. Dans l'article 14524 du même Code, inséré par la loi du 10 août 2001 et modifié par les lois des 5 août 2003, 31 juillet 2004, 27 décembre 2005, 27 décembre 2006, 27 avril 2007 et 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
a) le paragraphe 1er, alinéa 2, est complétée par ce qui suit :
" c) sont visées à l'alinéa 1er, 1° et 4° à 7°, lorsque les dépenses concernent des travaux effectués à une habitation dont la première occupation précède de moins de cinq ans le début de ces travaux. ";
b) dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots " à l'alinéa 1er, 2° ou 3°. " sont remplacés par les mots " à l'alinéa 1er, 3°. ";
c) le paragraphe 1er, alinéa 7, est complété par les mots " et l'ordre dans lequel les réductions visées au présent paragraphe doivent être imputées ";
d) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " d'une maison passive " sont chaque fois remplacés par les mots " d'une habitation basse énergie, d'une habitation passive ou d'une habitation zéro énergie " et les mots " en une maison passive " sont remplacés par les mots " en une habitation basse énergie, une habitation passive ou une habitation zéro énergie ";
e) dans le paragraphe 2, les alinéas 2 à 4 sont remplacés par les alinéas suivants :
" On entend par habitation basse énergie une habitation sise dans un Etat membre de l'Espace économique européen dont la demande énergétique totale pour le chauffage et le refroidissement des pièces doit rester limitée à 30 kWh/m2 de superficie climatisée.
On entend par habitation passive une habitation sise dans un Etat membre de l'Espace économique européen et qui répond aux conditions suivantes :
1° la demande énergétique totale pour le chauffage et le refroidissement des pièces doit rester limitée à 15 kWh/m2 de superficie climatisée;
2° lors d'un test d'étanchéité à l'air (conforme à la norme NBN EN 13829) avec une différence de pression de 50 pascals entre l'intérieur et l'extérieur, la perte d'air n'excède pas 60 p.c. du volume de l'habitation par heure (n50 n'excède pas 0,6/heure).
On entend par habitation zéro énergie, une habitation sise dans un Etat membre de l'Espace économique européen et qui répond aux conditions d'une habitation passive et dans laquelle la demande résiduelle d'énergie pour le chauffage et le refroidissement des pièces est compensée totalement par l'énergie renouvelable produite sur place. Le Roi fixe la manière dont la production d'énergie renouvelable est prise en considération pour la compensation.
La réduction d'impôt est accordée durant 10 périodes imposables successives à partir de la période imposable au cours de laquelle il est constaté que l'habitation est une habitation basse énergie, une habitation passive ou une habitation zéro énergie. Cette constatation ressort d'un certificat délivré par une institution agréée par le Roi ou par l'administration régionale compétente ou une institution ou administration compétente analogue établie dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen.
Toutefois, lorsqu'il ressort d'un nouveau certificat, pendant une des 10 périodes imposables visées à l'alinéa 5, que l'habitation satisfait à des normes plus strictes que la norme ou les normes auxquelles elle satisfait selon un certificat antérieur, il est accordé, pour les périodes imposables restantes, la réduction d'impôt à laquelle donne droit le respect des normes plus strictes.
La réduction d'impôt s'élève à :
1° 300 euros par période imposable et par habitation pour une habitation basse énergie;
2° 600 euros par période imposable et par habitation pour une habitation passive;
3° 1.200 euros par période imposable et par habitation pour une habitation zéro énergie. ";
f) dans l'alinéa 6 du paragraphe 2, qui est devenu l'alinéa 9, les mots " pour les dépenses relatives " sont remplacés par le mot " relative ";
g) l'alinéa 8 du paragraphe 2, qui est devenu l'alinéa 11, est remplacé par ce qui suit :
" Le Roi fixe la forme et le contenu du certificat visé à l'alinéa 5. L'institution agréée ou l'administration régionale compétente informe le Ministre des Finances ou son délégué de la délivrance d'un certificat. Cette information se fait dans la forme et le délai déterminés par le Roi. Le cas échéant, le contribuable doit tenir à la disposition de l'administration fiscale le certificat délivré par une institution ou une administration compétente analogue établie dans un autre état membre de l'Espace économique européen. ";
h) dans l'alinéa 9 du paragraphe 2, qui est devenu l'alinéa 12, les mots " à l'alinéa 4 " et " à l'alinéa 2. " sont respectivement remplacés par les mots " à l'alinéa 5 " et les mots " à l'alinéa 3. ".
a) le paragraphe 1er, alinéa 2, est complétée par ce qui suit :
" c) sont visées à l'alinéa 1er, 1° et 4° à 7°, lorsque les dépenses concernent des travaux effectués à une habitation dont la première occupation précède de moins de cinq ans le début de ces travaux. ";
b) dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots " à l'alinéa 1er, 2° ou 3°. " sont remplacés par les mots " à l'alinéa 1er, 3°. ";
c) le paragraphe 1er, alinéa 7, est complété par les mots " et l'ordre dans lequel les réductions visées au présent paragraphe doivent être imputées ";
d) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " d'une maison passive " sont chaque fois remplacés par les mots " d'une habitation basse énergie, d'une habitation passive ou d'une habitation zéro énergie " et les mots " en une maison passive " sont remplacés par les mots " en une habitation basse énergie, une habitation passive ou une habitation zéro énergie ";
e) dans le paragraphe 2, les alinéas 2 à 4 sont remplacés par les alinéas suivants :
" On entend par habitation basse énergie une habitation sise dans un Etat membre de l'Espace économique européen dont la demande énergétique totale pour le chauffage et le refroidissement des pièces doit rester limitée à 30 kWh/m2 de superficie climatisée.
On entend par habitation passive une habitation sise dans un Etat membre de l'Espace économique européen et qui répond aux conditions suivantes :
1° la demande énergétique totale pour le chauffage et le refroidissement des pièces doit rester limitée à 15 kWh/m2 de superficie climatisée;
2° lors d'un test d'étanchéité à l'air (conforme à la norme NBN EN 13829) avec une différence de pression de 50 pascals entre l'intérieur et l'extérieur, la perte d'air n'excède pas 60 p.c. du volume de l'habitation par heure (n50 n'excède pas 0,6/heure).
On entend par habitation zéro énergie, une habitation sise dans un Etat membre de l'Espace économique européen et qui répond aux conditions d'une habitation passive et dans laquelle la demande résiduelle d'énergie pour le chauffage et le refroidissement des pièces est compensée totalement par l'énergie renouvelable produite sur place. Le Roi fixe la manière dont la production d'énergie renouvelable est prise en considération pour la compensation.
La réduction d'impôt est accordée durant 10 périodes imposables successives à partir de la période imposable au cours de laquelle il est constaté que l'habitation est une habitation basse énergie, une habitation passive ou une habitation zéro énergie. Cette constatation ressort d'un certificat délivré par une institution agréée par le Roi ou par l'administration régionale compétente ou une institution ou administration compétente analogue établie dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen.
Toutefois, lorsqu'il ressort d'un nouveau certificat, pendant une des 10 périodes imposables visées à l'alinéa 5, que l'habitation satisfait à des normes plus strictes que la norme ou les normes auxquelles elle satisfait selon un certificat antérieur, il est accordé, pour les périodes imposables restantes, la réduction d'impôt à laquelle donne droit le respect des normes plus strictes.
La réduction d'impôt s'élève à :
1° 300 euros par période imposable et par habitation pour une habitation basse énergie;
2° 600 euros par période imposable et par habitation pour une habitation passive;
3° 1.200 euros par période imposable et par habitation pour une habitation zéro énergie. ";
f) dans l'alinéa 6 du paragraphe 2, qui est devenu l'alinéa 9, les mots " pour les dépenses relatives " sont remplacés par le mot " relative ";
g) l'alinéa 8 du paragraphe 2, qui est devenu l'alinéa 11, est remplacé par ce qui suit :
" Le Roi fixe la forme et le contenu du certificat visé à l'alinéa 5. L'institution agréée ou l'administration régionale compétente informe le Ministre des Finances ou son délégué de la délivrance d'un certificat. Cette information se fait dans la forme et le délai déterminés par le Roi. Le cas échéant, le contribuable doit tenir à la disposition de l'administration fiscale le certificat délivré par une institution ou une administration compétente analogue établie dans un autre état membre de l'Espace économique européen. ";
h) dans l'alinéa 9 du paragraphe 2, qui est devenu l'alinéa 12, les mots " à l'alinéa 4 " et " à l'alinéa 2. " sont respectivement remplacés par les mots " à l'alinéa 5 " et les mots " à l'alinéa 3. ".
Art. 122. Het opschrift van titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling IInonies, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 en de wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, wordt vervangen als volgt :
" Onderafdeling IInonies. Vermindering voor de uitgaven met het oog op de verwerving van een elektrisch voertuig of met het oog op de installatie van een oplaadpunt voor elektrische voertuigen ".
" Onderafdeling IInonies. Vermindering voor de uitgaven met het oog op de verwerving van een elektrisch voertuig of met het oog op de installatie van een oplaadpunt voor elektrische voertuigen ".
Art. 122. L'intitulé du titre II, chapitre III, section première, sous-section IInonies, du même Code, inséré par la loi du 9 juillet 2004 et modifié par la loi du 27 décembre 2006 et la loi du 22 décembre 2009 portant des dispositions fiscales et diverses, est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section IInonies. Réduction pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule électrique ou en vue de l'installation d'une borne de rechargement de véhicules électriques ".
" Sous-section IInonies. Réduction pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule électrique ou en vue de l'installation d'une borne de rechargement de véhicules électriques ".
Art. 123. In artikel 14528 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus of " ingevoegd tussen de woorden " in nieuwe staat van " en de woorden " een motorfiets, ";
2° de inleidende zin van paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de aanschaffingswaarde bij de aankoop van een motorfiets, een driewieler of een vierwieler met een maximum van : ";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor de uitgaven betaald in de jaren 2010 tot 2012, is de belastingvermindering gelijk aan 30 pct. van de aanschaffingswaarde met een maximum van 6.500 euro bij de aankoop van een uitsluitend door een elektrische motor aangedreven personenwagen, wagen dubbel gebruik of minibus. ";
4° het wordt aangevuld met een paragraaf 3 die luidt als volgt :
" § 3. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die werkelijk zijn betaald gedurende de belastbare tijdperken 2010 tot 2012 met het oog op de installatie van een aan de buitenkant van een woning geplaatst oplaadpunt voor elektrische voertuigen.
De belastingvermindering is gelijk aan 40 pct. van de werkelijk gedane uitgaven bedoeld in het eerste lid met een maximum van 180 euro.
De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die :
a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 14524, 14525, 14530 en14531.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de in het eerste lid bedoelde uitgaven evenredig omgedeeld in functie van het belastbaar inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de belastbare inkomsten van de beide echtgenoten. ".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus of " ingevoegd tussen de woorden " in nieuwe staat van " en de woorden " een motorfiets, ";
2° de inleidende zin van paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de aanschaffingswaarde bij de aankoop van een motorfiets, een driewieler of een vierwieler met een maximum van : ";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor de uitgaven betaald in de jaren 2010 tot 2012, is de belastingvermindering gelijk aan 30 pct. van de aanschaffingswaarde met een maximum van 6.500 euro bij de aankoop van een uitsluitend door een elektrische motor aangedreven personenwagen, wagen dubbel gebruik of minibus. ";
4° het wordt aangevuld met een paragraaf 3 die luidt als volgt :
" § 3. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die werkelijk zijn betaald gedurende de belastbare tijdperken 2010 tot 2012 met het oog op de installatie van een aan de buitenkant van een woning geplaatst oplaadpunt voor elektrische voertuigen.
De belastingvermindering is gelijk aan 40 pct. van de werkelijk gedane uitgaven bedoeld in het eerste lid met een maximum van 180 euro.
De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die :
a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 14524, 14525, 14530 en14531.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de in het eerste lid bedoelde uitgaven evenredig omgedeeld in functie van het belastbaar inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de belastbare inkomsten van de beide echtgenoten. ".
Art. 123. A l'article 14528 du même Code, rétabli par la loi du 22 décembre 2009 portant des dispositions fiscales et diverses, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " une voiture, une voiture mixte ou un minibus ou " sont insérés entre les mots " à l'état neuf " et les mots " une motocyclette, ";
2° la phrase liminaire du paragraphe 1er, alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
" En cas d'acquisition d'une motocyclette, d'un tricycle ou d'un quadricycle, la réduction d'impôt est égale à 15 p.c. de la valeur d'acquisition avec un maximum de : ";
3° le paragraphe 1er est complété par l'alinéa suivant :
" La réduction d'impôt est, pour les dépenses payées durant les années 2010 à 2012, égale à 30 p.c. de la valeur d'acquisition, avec un maximum de 6.500 euros, en cas d'acquisition d'une voiture, une voiture mixte ou un minibus propulsé exclusivement par un moteur électrique. ";
4° il est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Il est accordé une réduction d'impôt pour les dépenses effectivement payées pendant les périodes imposables 2010 à 2012 en vue de l'installation à l'extérieur d'une habitation d'une borne de rechargement électrique.
La réduction d'impôt est égale à 40 p.c. des dépenses réellement faites visées à l'alinéa 1er avec un maximum de 180 euros.
La réduction d'impôt n'est pas applicable aux dépenses qui :
a) sont prises en considération à titre de frais professionnels réels;
b) donnent droit à la déduction pour investissement visée à l'article 69;
c) entrent en considération pour l'application des articles 104, 8°, 14524, 14525, 14530 et 14531.
Lorsqu'une imposition commune est établie, la réduction d'impôt pour les dépenses visées à l'alinéa 1er est répartie proportionnellement en fonction du revenu imposable de chaque conjoint dans l'ensemble des revenus imposables des deux conjoints. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " une voiture, une voiture mixte ou un minibus ou " sont insérés entre les mots " à l'état neuf " et les mots " une motocyclette, ";
2° la phrase liminaire du paragraphe 1er, alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
" En cas d'acquisition d'une motocyclette, d'un tricycle ou d'un quadricycle, la réduction d'impôt est égale à 15 p.c. de la valeur d'acquisition avec un maximum de : ";
3° le paragraphe 1er est complété par l'alinéa suivant :
" La réduction d'impôt est, pour les dépenses payées durant les années 2010 à 2012, égale à 30 p.c. de la valeur d'acquisition, avec un maximum de 6.500 euros, en cas d'acquisition d'une voiture, une voiture mixte ou un minibus propulsé exclusivement par un moteur électrique. ";
4° il est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Il est accordé une réduction d'impôt pour les dépenses effectivement payées pendant les périodes imposables 2010 à 2012 en vue de l'installation à l'extérieur d'une habitation d'une borne de rechargement électrique.
La réduction d'impôt est égale à 40 p.c. des dépenses réellement faites visées à l'alinéa 1er avec un maximum de 180 euros.
La réduction d'impôt n'est pas applicable aux dépenses qui :
a) sont prises en considération à titre de frais professionnels réels;
b) donnent droit à la déduction pour investissement visée à l'article 69;
c) entrent en considération pour l'application des articles 104, 8°, 14524, 14525, 14530 et 14531.
Lorsqu'une imposition commune est établie, la réduction d'impôt pour les dépenses visées à l'alinéa 1er est répartie proportionnellement en fonction du revenu imposable de chaque conjoint dans l'ensemble des revenus imposables des deux conjoints. ".
Art. 124. In artikel 156bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008 en gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° de in de belastbare tijdperken 2009 tot 2012 werkelijk betaalde energiebesparende uitgaven bedoeld in artikel 14524, § 1, eerste lid, 5°, en het overeenkomstig artikel 14524, § 1, vijfde lid, overgedragen overschot van de vermindering betreffende die uitgaven. ";
b) het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 3° die luidt als volgt :
" 3° de in de belastbare tijdperken 2010 tot 2012 werkelijk betaalde energiebesparende uitgaven bedoeld in artikel 14524, § 1, eerste lid, 1°, 4°, 6° en 7°, en het overeenkomstig artikel 14524, § 1, vijfde lid, overgedragen overschot van de vermindering betreffende die uitgaven. ".
a) het eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° de in de belastbare tijdperken 2009 tot 2012 werkelijk betaalde energiebesparende uitgaven bedoeld in artikel 14524, § 1, eerste lid, 5°, en het overeenkomstig artikel 14524, § 1, vijfde lid, overgedragen overschot van de vermindering betreffende die uitgaven. ";
b) het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 3° die luidt als volgt :
" 3° de in de belastbare tijdperken 2010 tot 2012 werkelijk betaalde energiebesparende uitgaven bedoeld in artikel 14524, § 1, eerste lid, 1°, 4°, 6° en 7°, en het overeenkomstig artikel 14524, § 1, vijfde lid, overgedragen overschot van de vermindering betreffende die uitgaven. ".
Art. 124. Dans l'article 156bis du même Code, inséré par la loi du 8 juin 2008 et modifié par la loi du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
a) l'alinéa 1er, 2°, est remplacé par ce qui suit :
" 2° les dépenses effectivement payées pendant les périodes imposables 2009 à 2012 en vue d'économiser l'énergie visées à l'article 14524, § 1er, alinéa 1er, 5°, et l'excédent reporté de la réduction relative à ces dépenses conformément à l'article 14524, § 1er, alinéa 5. ";
b) l'alinéa 1er est complété par un 3°, rédigé suit :
" 3° les dépenses effectivement payées pendant les périodes imposables 2010 à 2012 en vue d'économiser l'énergie visées à l'article 14524, § 1er, alinéa 1er, 1°, 4°, 6° et 7°, et l'excédent reporté de la réduction relative à ces dépenses conformément à l'article 14524, § 1er, alinéa 5. ".
a) l'alinéa 1er, 2°, est remplacé par ce qui suit :
" 2° les dépenses effectivement payées pendant les périodes imposables 2009 à 2012 en vue d'économiser l'énergie visées à l'article 14524, § 1er, alinéa 1er, 5°, et l'excédent reporté de la réduction relative à ces dépenses conformément à l'article 14524, § 1er, alinéa 5. ";
b) l'alinéa 1er est complété par un 3°, rédigé suit :
" 3° les dépenses effectivement payées pendant les périodes imposables 2010 à 2012 en vue d'économiser l'énergie visées à l'article 14524, § 1er, alinéa 1er, 1°, 4°, 6° et 7°, et l'excédent reporté de la réduction relative à ces dépenses conformément à l'article 14524, § 1er, alinéa 5. ".
Art. 125. Artikel 147 van de programmawet van 27 april 2007 wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende :
" § 6. Dit artikel is niet van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald om een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus in nieuwe staat te verwerven die uitsluitend wordt aangedreven door een elektrische motor. ".
" § 6. Dit artikel is niet van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald om een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus in nieuwe staat te verwerven die uitsluitend wordt aangedreven door een elektrische motor. ".
Art. 125. L'article 147 de la loi-programme du 27 avril 2007 est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Le présent article n'est pas applicable aux dépenses effectivement payées pour acquérir à l'état neuf une voiture, une voiture mixte ou un minibus qui est propulsé exclusivement par un moteur électrique. ".
" § 6. Le présent article n'est pas applicable aux dépenses effectivement payées pour acquérir à l'état neuf une voiture, une voiture mixte ou un minibus qui est propulsé exclusivement par un moteur électrique. ".
Art. 126. Artikel 124, a), is van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1 januari 2009.
Artikel 121, c), is van toepassing vanaf aanslagjaar 2010.
De artikelen 114 en 117 treden in werking op 1 januari 2010.
Artikel 119 is van toepassing op de uitgaven die zijn betaald vanaf 1 januari 2010.
De artikelen 122, 123 en 125 zijn van toepassing op de uitgaven die zijn betaald in de jaren 2010 tot 2012.
De artikelen 120, 121, a), en 124, b), zijn van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1 januari 2010.
De artikelen 115 en 121, d), tot h), zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2011.
[1 De artikelen 116 en 118 zijn van toepassing op de investeringen gedaan in de jaren 2010 tot 2012.]1
Artikel 121, b), is van toepassing vanaf aanslagjaar 2012.
Artikel 121, c), is van toepassing vanaf aanslagjaar 2010.
De artikelen 114 en 117 treden in werking op 1 januari 2010.
Artikel 119 is van toepassing op de uitgaven die zijn betaald vanaf 1 januari 2010.
De artikelen 122, 123 en 125 zijn van toepassing op de uitgaven die zijn betaald in de jaren 2010 tot 2012.
De artikelen 120, 121, a), en 124, b), zijn van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1 januari 2010.
De artikelen 115 en 121, d), tot h), zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2011.
[1 De artikelen 116 en 118 zijn van toepassing op de investeringen gedaan in de jaren 2010 tot 2012.]1
Artikel 121, b), is van toepassing vanaf aanslagjaar 2012.
Art. 126. L'article 124, a), est applicable aux dépenses effectivement payées à partir du 1er janvier 2009.
L'article 121, c), est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2010.
Les articles 114 et 117 entrent en vigueur le 1er janvier 2010.
L'article 119 est applicable aux dépenses payées à partir du 1er janvier 2010.
Les articles 122, 123 et 125 sont applicables aux dépenses payées dans les années 2010 à 2012.
Les articles 120, 121, a), et 124, b), sont applicables aux dépenses effectivement payées à partir du 1er janvier 2010.
Les articles 115 en 121,d) à h), sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2011.
[1 Les articles 116 et 118 sont applicables aux investissements des années 2010 à 2012.]1
L'article 121, b), est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2012.
L'article 121, c), est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2010.
Les articles 114 et 117 entrent en vigueur le 1er janvier 2010.
L'article 119 est applicable aux dépenses payées à partir du 1er janvier 2010.
Les articles 122, 123 et 125 sont applicables aux dépenses payées dans les années 2010 à 2012.
Les articles 120, 121, a), et 124, b), sont applicables aux dépenses effectivement payées à partir du 1er janvier 2010.
Les articles 115 en 121,d) à h), sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2011.
[1 Les articles 116 et 118 sont applicables aux investissements des années 2010 à 2012.]1
L'article 121, b), est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2012.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Wijzigingen met betrekking tot rechtspersonen
Section 2. - Modifications concernant les personnes morales
Art. 127. In artikel 190bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008 worden de woorden " de in artikel 64ter bedoelde kosten, " vervangen door de woorden " de in artikel 64ter en artikel 198bis, eerste lid, 1°, a, bedoelde kosten, ".
Art. 127. Dans l'article 190bis du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 8 juin 2008, les mots " à l'article 64ter, " sont remplacés par les mots " aux articles 64ter et 198bis, alinéa 1er, 1°, a, ".
Art. 128. In artikel 198, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt de bepaling onder 10° hersteld in volgende lezing :
" 10° onverminderd de toepassing van artikel 219, de betalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn verricht naar Staten die in artikel 307, § 1, derde lid, zijn bedoeld, en die niet zijn aangegeven overeenkomstig genoemd artikel 307, § 1, derde lid, of, als ze toch aangegeven zijn, waarvoor de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen bewijst dat zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht; ".
" 10° onverminderd de toepassing van artikel 219, de betalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn verricht naar Staten die in artikel 307, § 1, derde lid, zijn bedoeld, en die niet zijn aangegeven overeenkomstig genoemd artikel 307, § 1, derde lid, of, als ze toch aangegeven zijn, waarvoor de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen bewijst dat zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht; ".
Art. 128. Dans l'article 198, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, le 10° est rétabli dans la rédaction suivante :
" 10° sans préjudice de l'application de l'article 219, les paiements effectués directement ou indirectement vers des Etats visés à l'article 307, § 1er, alinéa 3, et qui n'ont pas été déclarés conformément audit article 307, § 1er, alinéa 3, ou, si les paiements ont été déclarés, pour lesquels le contribuable ne justifie pas par toutes voies de droit qu'ils sont effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères et avec des personnes autres que des constructions artificielles; ".
" 10° sans préjudice de l'application de l'article 219, les paiements effectués directement ou indirectement vers des Etats visés à l'article 307, § 1er, alinéa 3, et qui n'ont pas été déclarés conformément audit article 307, § 1er, alinéa 3, ou, si les paiements ont été déclarés, pour lesquels le contribuable ne justifie pas par toutes voies de droit qu'ils sont effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères et avec des personnes autres que des constructions artificielles; ".
Art. 129. In artikel 198bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. de inleidende zin van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Uitgezonderd voor de brandstofkosten, wordt het in artikel 66, § 1, vermelde percentage : ";
B. in het eerste lid wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
" 1° wat het tarief van aftrekbaarheid betreft, naargelang het geval, gebracht op of verminderd tot :
a) 120 pct. voor de voertuigen die een uitstoot hebben van 0 gram CO2 per kilometer;
b) voor de voertuigen met een dieselmotor :
- 100 pct. indien ze een uitstoot hebben tot maximaal 60 gram CO2 per kilometer;
- 90 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 60 gram CO2 per kilometer tot maximaal 105 gram CO2 per kilometer;
- 80 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 105 gram CO2 per kilometer tot maximaal 115 gram CO2 per kilometer;
- 75 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 115 gram CO2 per kilometer tot maximaal 145 gram CO2 per kilometer;
- 70 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 145 gram CO2 per kilometer tot maximaal 170 gram CO2 per kilometer;
- 60 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 170 gram CO2 per kilometer tot maximaal 195 gram CO2 per kilometer;
- 50 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 195 gram CO2 per kilometer of indien geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de Dienst voor inschrijving van de voertuigen;
c) voor de voertuigen met een benzinemotor :
- 100 pct. indien ze een uitstoot hebben tot maximaal 60 gram CO2 per kilometer;
- 90 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 60 gram CO2 per kilometer tot maximaal 105 gram CO2 per kilometer;
- 80 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 105 gram CO2 per kilometer tot maximaal 125 gram CO2 per kilometer;
- 75 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 125 gram CO2 per kilometer tot maximaal 155 gram CO2 per kilometer;
- 70 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 155 gram CO2 per kilometer tot maximaal 180 gram CO2 per kilometer;
- 60 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 180 gram CO2 per kilometer tot maximaal 205 gram CO2 per kilometer;
- 50 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 205 gram CO2 per kilometer of indien geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de Dienst voor inschrijving van de voertuigen; ";
C. het wordt aangevuld met de volgende leden :
" Wanneer de in het eerste lid, 1°, a, bedoelde kosten bestaan uit afschrijvingen, wordt het aftrekbare bedrag per belastbaar tijdperk bekomen door het normale bedrag van de afschrijvingen van dat tijdperk met 20 pct. te verhogen.
De afschrijvingen die overeenkomstig het eerste lid, 1°, a, worden aanvaard boven de aanschaffings- of beleggingswaarde van de bedoelde voertuigen, komen niet in aanmerking voor het bepalen van de latere meerwaarden of minderwaarden van die voertuigen. ".
A. de inleidende zin van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Uitgezonderd voor de brandstofkosten, wordt het in artikel 66, § 1, vermelde percentage : ";
B. in het eerste lid wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
" 1° wat het tarief van aftrekbaarheid betreft, naargelang het geval, gebracht op of verminderd tot :
a) 120 pct. voor de voertuigen die een uitstoot hebben van 0 gram CO2 per kilometer;
b) voor de voertuigen met een dieselmotor :
- 100 pct. indien ze een uitstoot hebben tot maximaal 60 gram CO2 per kilometer;
- 90 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 60 gram CO2 per kilometer tot maximaal 105 gram CO2 per kilometer;
- 80 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 105 gram CO2 per kilometer tot maximaal 115 gram CO2 per kilometer;
- 75 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 115 gram CO2 per kilometer tot maximaal 145 gram CO2 per kilometer;
- 70 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 145 gram CO2 per kilometer tot maximaal 170 gram CO2 per kilometer;
- 60 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 170 gram CO2 per kilometer tot maximaal 195 gram CO2 per kilometer;
- 50 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 195 gram CO2 per kilometer of indien geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de Dienst voor inschrijving van de voertuigen;
c) voor de voertuigen met een benzinemotor :
- 100 pct. indien ze een uitstoot hebben tot maximaal 60 gram CO2 per kilometer;
- 90 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 60 gram CO2 per kilometer tot maximaal 105 gram CO2 per kilometer;
- 80 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 105 gram CO2 per kilometer tot maximaal 125 gram CO2 per kilometer;
- 75 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 125 gram CO2 per kilometer tot maximaal 155 gram CO2 per kilometer;
- 70 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 155 gram CO2 per kilometer tot maximaal 180 gram CO2 per kilometer;
- 60 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 180 gram CO2 per kilometer tot maximaal 205 gram CO2 per kilometer;
- 50 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 205 gram CO2 per kilometer of indien geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de Dienst voor inschrijving van de voertuigen; ";
C. het wordt aangevuld met de volgende leden :
" Wanneer de in het eerste lid, 1°, a, bedoelde kosten bestaan uit afschrijvingen, wordt het aftrekbare bedrag per belastbaar tijdperk bekomen door het normale bedrag van de afschrijvingen van dat tijdperk met 20 pct. te verhogen.
De afschrijvingen die overeenkomstig het eerste lid, 1°, a, worden aanvaard boven de aanschaffings- of beleggingswaarde van de bedoelde voertuigen, komen niet in aanmerking voor het bepalen van de latere meerwaarden of minderwaarden van die voertuigen. ".
Art. 129. Dans l'article 198bis du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007 et modifié par la loi du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
A. la phrase liminaire de l'alinéa 1er est remplacée par ce qui suit :
" Exception faite des frais de carburant, le pourcentage prévu à l'article 66, § 1er, est : "
B. dans l'alinéa 1er, le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° en ce qui concerne le taux de déductibilité, selon le cas, porté ou réduit à :
a) 120 p.c. pour les véhicules qui émettent 0 gramme de CO2 par kilomètre;
b) pour les véhicules à moteur alimenté au diesel :
- 100 p.c. s'ils émettent au maximum 60 grammes de CO2 par kilomètre;
- 90 p.c. s'ils émettent plus de 60 grammes de CO2 par kilomètre à 105 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 80 p.c. s'ils émettent plus de 105 grammes de CO2 par kilomètre à 115 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 75 p.c. s'ils émettent plus de 115 grammes de CO2 par kilomètre à 145 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 70 p.c. s'ils émettent plus de 145 grammes de CO2 par kilomètre à 170 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 60 p.c. s'ils émettent plus de 170 grammes de CO2 par kilomètre à 195 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 50 p.c. s'ils émettent plus de 195 grammes de CO2 par kilomètre ou si aucune donnée relative à l'émission de CO2 n'est disponible au sein de la Direction de l'immatriculation des véhicules;
c) pour les véhicules à moteur alimenté à l'essence :
- 100 p.c. s'ils émettent au maximum 60 grammes de CO2 par kilomètre;
- 90 p.c. s'ils émettent plus de 60 grammes de CO2 par kilomètre à 105 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 80 p.c. s'ils émettent plus de 105 grammes de CO2 par kilomètre à 125 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 75 p.c. s'ils émettent plus de 125 grammes de CO2 par kilomètre à 155 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 70 p.c. s'ils émettent plus de 155 grammes de CO2 par kilomètre à 180 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 60 p.c. s'ils émettent plus de 180 grammes de CO2 par kilomètre à 205 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 50 p.c. s'ils émettent plus de 205 grammes de CO2 par kilomètre ou si aucune donnée relative à l'émission de CO2 n'est disponible au sein de la Direction de l'immatriculation des véhicules; ";
C. il est complété par les alinéas suivants :
" Lorsque les frais visés à l'alinéa 1er, 1°, a, se composent d'amortissements, le montant déductible par période imposable est obtenu en majorant de 20 p.c. le montant normal des amortissements de cette période.
Les amortissements qui, conformément à l'alinéa 1er, 1°, a, sont pris en considération au-delà de la valeur d'investissement ou de revient des véhicules concernés n'entrent pas en compte pour la détermination des plus-values ou moins-values ultérieures afférentes à ces véhicules. ".
A. la phrase liminaire de l'alinéa 1er est remplacée par ce qui suit :
" Exception faite des frais de carburant, le pourcentage prévu à l'article 66, § 1er, est : "
B. dans l'alinéa 1er, le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° en ce qui concerne le taux de déductibilité, selon le cas, porté ou réduit à :
a) 120 p.c. pour les véhicules qui émettent 0 gramme de CO2 par kilomètre;
b) pour les véhicules à moteur alimenté au diesel :
- 100 p.c. s'ils émettent au maximum 60 grammes de CO2 par kilomètre;
- 90 p.c. s'ils émettent plus de 60 grammes de CO2 par kilomètre à 105 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 80 p.c. s'ils émettent plus de 105 grammes de CO2 par kilomètre à 115 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 75 p.c. s'ils émettent plus de 115 grammes de CO2 par kilomètre à 145 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 70 p.c. s'ils émettent plus de 145 grammes de CO2 par kilomètre à 170 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 60 p.c. s'ils émettent plus de 170 grammes de CO2 par kilomètre à 195 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 50 p.c. s'ils émettent plus de 195 grammes de CO2 par kilomètre ou si aucune donnée relative à l'émission de CO2 n'est disponible au sein de la Direction de l'immatriculation des véhicules;
c) pour les véhicules à moteur alimenté à l'essence :
- 100 p.c. s'ils émettent au maximum 60 grammes de CO2 par kilomètre;
- 90 p.c. s'ils émettent plus de 60 grammes de CO2 par kilomètre à 105 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 80 p.c. s'ils émettent plus de 105 grammes de CO2 par kilomètre à 125 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 75 p.c. s'ils émettent plus de 125 grammes de CO2 par kilomètre à 155 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 70 p.c. s'ils émettent plus de 155 grammes de CO2 par kilomètre à 180 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 60 p.c. s'ils émettent plus de 180 grammes de CO2 par kilomètre à 205 grammes de CO2 au maximum par kilomètre;
- 50 p.c. s'ils émettent plus de 205 grammes de CO2 par kilomètre ou si aucune donnée relative à l'émission de CO2 n'est disponible au sein de la Direction de l'immatriculation des véhicules; ";
C. il est complété par les alinéas suivants :
" Lorsque les frais visés à l'alinéa 1er, 1°, a, se composent d'amortissements, le montant déductible par période imposable est obtenu en majorant de 20 p.c. le montant normal des amortissements de cette période.
Les amortissements qui, conformément à l'alinéa 1er, 1°, a, sont pris en considération au-delà de la valeur d'investissement ou de revient des véhicules concernés n'entrent pas en compte pour la détermination des plus-values ou moins-values ultérieures afférentes à ces véhicules. ".
Art. 130. In artikel 202, § 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wet van 11 december 2008, worden de woorden " ten minste 1.200.000 euro; " vervangen door de woorden " ten minste 2.500.000 euro; ".
Art. 130. Dans l'article 202, § 2, alinéa 1er, 1°, du même Code, remplacé par la loi du 24 décembre 2002 et modifié par la loi du 11 décembre 2008, les mots " au moins 1.200.000 euros; " sont remplacés par les mots " au moins 2.500.000 euros; ".
Art. 131. In artikel 205, § 2, eerste lid, 6°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992 en 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, en bij de wetten van 11 mei 2007 en 22 december 2008, worden de woorden " , met uitzondering van de brandstofkosten " opgeheven.
Art. 131. A l'article 205, § 2, alinéa 1er, 6°, du même Code, modifié par les lois des 28 juillet 1992 et 20 décembre 1995, par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, par les lois des 11 mai 2007 et 22 décembre 2008, les mots " , à l'exception des frais de carburant " sont abrogés.
Art. 132. In afwijking van artikel 205quater, § 5, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het maximale tarief dat van toepassing is voor de aftrek voor risicokapitaal voor de aanslagjaren 2011 en 2012 verminderd tot 3,8 pct.
Art. 132. Par dérogation à l'article 205quater, § 5, alinéa 1er, du même Code, le taux maximum applicable pour la déduction pour capital à risque est, pour les exercices d'imposition 2011 et 2012, réduit à 3,8 p.c.
Art. 133. De artikelen 127, 129 en 131 zijn van toepassing op de kosten die vanaf 1 januari 2010 zijn gedaan of gedragen.
Artikel 128 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2010 voor de betalingen die vanaf 1 januari 2010 worden gedaan.
Artikel 130 is van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2010 worden toegekend of betaalbaar gesteld.
Artikel 128 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2010 voor de betalingen die vanaf 1 januari 2010 worden gedaan.
Artikel 130 is van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2010 worden toegekend of betaalbaar gesteld.
Art. 133. Les articles 127, 129 et 131 sont applicables aux frais faits ou supportés à partir du 1er janvier 2010.
L'article 128 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2010 pour les paiements effectués à partir du 1er janvier 2010.
L'article 130 est applicable aux revenus attribués ou mis en paiement à partir du 1er janvier 2010.
L'article 128 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2010 pour les paiements effectués à partir du 1er janvier 2010.
L'article 130 est applicable aux revenus attribués ou mis en paiement à partir du 1er janvier 2010.
Afdeling 3. - Wijzigingen met betrekking tot de vestiging en de invordering van de belastingen
Section 3. - Modifications en matière d'établissement et de recouvrement des impôts
Art. 134. Artikel 307, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld met de volgende leden :
" De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of, overeenkomstig artikel 227, 2°, aan de belasting van niet-inwoners, zijn gehouden aangifte te doen van alle betalingen die zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gedaan aan personen gevestigd in een Staat die :
a) ofwel gedurende het volledige belastbaar tijdperk waarin de betaling heeft plaatsgevonden, door het Mondiaal Forum van de OESO inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen, na een grondige beoordeling van de mate waarin de OESO-standaard op het gebied van uitwisseling van inlichtingen in deze Staat is toegepast, werd aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel deze standaard toepast;
b) ofwel voorkomt op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting.
Voor de toepassing van het derde lid wordt onder Staat zonder of met een lage belasting verstaan een Staat waarvan het nominaal tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 10 pct.
De lijst van Staten zonder of met een lage belasting wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Deze lijst wordt herzien bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De in het derde lid bedoelde aangifte moet slechts worden gedaan voor zover het totaal van de betalingen die tijdens het belastbaar tijdperk werden gedaan, een minimum bedrag van 100.000 euro bereikt. De aangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en gevoegd bij de in artikel 305, eerste lid, bedoelde aangifte. ".
" De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of, overeenkomstig artikel 227, 2°, aan de belasting van niet-inwoners, zijn gehouden aangifte te doen van alle betalingen die zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gedaan aan personen gevestigd in een Staat die :
a) ofwel gedurende het volledige belastbaar tijdperk waarin de betaling heeft plaatsgevonden, door het Mondiaal Forum van de OESO inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen, na een grondige beoordeling van de mate waarin de OESO-standaard op het gebied van uitwisseling van inlichtingen in deze Staat is toegepast, werd aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel deze standaard toepast;
b) ofwel voorkomt op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting.
Voor de toepassing van het derde lid wordt onder Staat zonder of met een lage belasting verstaan een Staat waarvan het nominaal tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 10 pct.
De lijst van Staten zonder of met een lage belasting wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Deze lijst wordt herzien bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De in het derde lid bedoelde aangifte moet slechts worden gedaan voor zover het totaal van de betalingen die tijdens het belastbaar tijdperk werden gedaan, een minimum bedrag van 100.000 euro bereikt. De aangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en gevoegd bij de in artikel 305, eerste lid, bedoelde aangifte. ".
Art. 134. L'article 307, § 1er, du même Code, modifié par l'arrêté royal du 20 décembre 1996 et par la loi du 10 août 2001, est complété par les alinéas suivants :
" Les contribuables assujettis à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents conformément à l'article 227, 2°, sont tenus de déclarer tous les paiements effectués directement ou indirectement à des personnes établies dans un Etat qui :
a) soit pour toute la période imposable au cours de laquelle le paiement a eu lieu, est considéré par le Forum mondial de l'OCDE sur la transparence et l'échange d'informations, au terme d'un examen approfondi de la mesure dans laquelle le standard de l'OCDE d'échange d'informations est appliqué par cet Etat, comme un Etat n'ayant pas mis substantiellement et effectivement en oeuvre ce standard;
b) soit figure sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée.
Pour l'application de l'alinéa 3, on entend par Etat à fiscalité inexistante ou peu élevée un Etat dont le taux nominal de l'impôt sur les sociétés est inférieur à 10 p.c.
La liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée est fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. Cette liste est mise à jour par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
La déclaration visée à l'alinéa 3 doit être faite uniquement si la totalité des paiements effectués au cours de la période imposable atteint un montant minimum de 100.000 euros. La déclaration est faite sur une formulaire dont le modèle est fixé par le Roi et est annexée à la déclaration visée à l'article 305, alinéa 1er. ".
" Les contribuables assujettis à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents conformément à l'article 227, 2°, sont tenus de déclarer tous les paiements effectués directement ou indirectement à des personnes établies dans un Etat qui :
a) soit pour toute la période imposable au cours de laquelle le paiement a eu lieu, est considéré par le Forum mondial de l'OCDE sur la transparence et l'échange d'informations, au terme d'un examen approfondi de la mesure dans laquelle le standard de l'OCDE d'échange d'informations est appliqué par cet Etat, comme un Etat n'ayant pas mis substantiellement et effectivement en oeuvre ce standard;
b) soit figure sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée.
Pour l'application de l'alinéa 3, on entend par Etat à fiscalité inexistante ou peu élevée un Etat dont le taux nominal de l'impôt sur les sociétés est inférieur à 10 p.c.
La liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée est fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. Cette liste est mise à jour par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
La déclaration visée à l'alinéa 3 doit être faite uniquement si la totalité des paiements effectués au cours de la période imposable atteint un montant minimum de 100.000 euros. La déclaration est faite sur une formulaire dont le modèle est fixé par le Roi et est annexée à la déclaration visée à l'article 305, alinéa 1er. ".
Art. 135. Artikel 340 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 340. Ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld kan de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met inbegrip van de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, maar met uitzondering van de eed.
De processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. ".
" Art. 340. Ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld kan de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met inbegrip van de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, maar met uitzondering van de eed.
De processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. ".
Art. 135. L'article 340 du même Code, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 340. Pour établir l'existence et le montant de la dette d'impôt, l'administration peut avoir recours à tous les moyens de preuve admis par le droit commun, y compris les procès-verbaux des agents du Service public fédéral Finances, sauf le serment.
Les procès-verbaux ont force probante jusqu'à preuve du contraire. ".
" Art. 340. Pour établir l'existence et le montant de la dette d'impôt, l'administration peut avoir recours à tous les moyens de preuve admis par le droit commun, y compris les procès-verbaux des agents du Service public fédéral Finances, sauf le serment.
Les procès-verbaux ont force probante jusqu'à preuve du contraire. ".
Art. 136. Artikel 134 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2010 voor de betalingen die vanaf 1 januari 2010 worden gedaan.
Art. 136. L'article 134 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2010 pour les paiements effectués à partir du 1er janvier 2010.
Afdeling 4. - Steun aan de landbouw
Section 4. - Aide à l'agriculture
Art. 137. § 1. Voor de toepassing van de personenbelasting en, voor de in artikel 227, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde belastingplichtigen, van de belasting van niet inwoners, zijn kapitaal- en interestsubsidies die [1 tijdens de jaren 2008 tot 2014]1, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers worden betaald in het raam van de steun aan de landbouw, om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, vrijgestelde inkomsten ten name van deze laatste.
§ 2. In geval van vervreemding van één van de in § 1, vermelde vaste activa, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de vrijstelling met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van dit belastbaar tijdperk.
§ 2. In geval van vervreemding van één van de in § 1, vermelde vaste activa, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de vrijstelling met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van dit belastbaar tijdperk.
Art. 137. § 1er. Pour l'application de l'impôt des personnes physiques et, pour les contribuables visés à l'article 227, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, de l'impôt des non résidents, les subsides en capital et en intérêts qui, [1 pendant les années 2008 à 2014]1, sont payés, dans le respect de la réglementation européenne en matière d'aide d'état, à des agriculteurs par les institutions régionales compétentes dans le cadre de l'aide à l'agriculture en vue de l'acquisition ou de la constitution d'immobilisations incorporelles et corporelles, sont des revenus exonérés dans le chef de ceux-ci.
§ 2. En cas d'aliénation d'une des immobilisations visées au § 1er, sauf à l'occasion d'un sinistre, d'une expropriation, d'une réquisition en propriété ou d'un autre événement analogue, survenue dans les trois premières années de l'investissement, l'exonération relative à cette immobilisation n'est plus accordée à partir de la période imposable pendant laquelle l'aliénation a eu lieu et le montant des bénéfices antérieurement exonérés est considéré comme un bénéfice de cette période imposable.
§ 2. En cas d'aliénation d'une des immobilisations visées au § 1er, sauf à l'occasion d'un sinistre, d'une expropriation, d'une réquisition en propriété ou d'un autre événement analogue, survenue dans les trois premières années de l'investissement, l'exonération relative à cette immobilisation n'est plus accordée à partir de la période imposable pendant laquelle l'aliénation a eu lieu et le montant des bénéfices antérieurement exonérés est considéré comme un bénéfice de cette période imposable.
Wijzigingen
Art. 138. In afwijking van artikel 171, 4°, i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de zoogkoeienpremies en de premies in het kader van de bedrijfstoeslagrechten ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector die [1 tijdens de jaren 2008 tot 2014]1 worden betaald, belast tegen een aanslagvoet van 12,5 pct. behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 130 tot 168 van hetzelfde Wetboek op het geheel van de belastbare inkomsten.
Voor de vestiging van de belasting, worden de in het eerste lid bedoelde inkomsten op dezelfde manier behandeld als de in artikel 171, 4°, i, van hetzelfde Wetboek bedoelde inkomsten.
Voor de vestiging van de belasting, worden de in het eerste lid bedoelde inkomsten op dezelfde manier behandeld als de in artikel 171, 4°, i, van hetzelfde Wetboek bedoelde inkomsten.
Art. 138. Par dérogation à l'article 171, 4°, i, du Code des impôts sur les revenus 1992, les primes à la vache allaitante et les primes de droits au paiement unique instaurées en tant qu'aide au secteur agricole par les Communautés européennes qui sont payées [1 pendant les années 2008 à 2014]1, sont imposées au taux de 12,5 p.c. sauf si l'impôt ainsi calculé, majoré de l'impôt afférent aux autres revenus, est supérieur à celui que donnerait l'application des articles 130 à 168 du même Code à l'ensemble des revenus imposables.
Pour l'établissement de l'impôt, les revenus visés à l'alinéa 1er sont traités de la même manière que les revenus visés à l'article 171, 4°, i, du même Code.
Pour l'établissement de l'impôt, les revenus visés à l'alinéa 1er sont traités de la même manière que les revenus visés à l'article 171, 4°, i, du même Code.
Wijzigingen
Art. 139. § 1. In afwijking van de artikelen 215 en 246, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het tarief van de vennootschapsbelasting of, voor de in artikel 227, 2°, van hetzelfde Wetboek vermelde belastingplichtigen, van de belasting van niet-inwoners bepaald op 5 pct., met betrekking tot de kapitaal- en interestsubsidies die [1 tijdens de jaren 2008 tot 2014]1, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers worden toegekend in het raam van de steun aan de landbouw, om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen.
Het in het eerste lid vermelde tarief geldt als de subsidies betrekking hebben op investeringen in materiële vaste activa of immateriële vaste activa die afschrijfbaar zijn en die niet als herbelegging worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter, 47 en 194quater van hetzelfde Wetboek.
§ 2. Geen van de bij de artikelen 199 tot 206 van hetzelfde Wetboek bepaalde aftrekken noch enige compensatie met het verlies van het belastbaar tijdperk mag worden verricht op de grondslag van de in paragraaf 1 vermelde belasting.
In afwijking van artikel 276 van hetzelfde Wetboek mag geen voorheffing, noch forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting, noch belastingkrediet worden verrekend op de in paragraaf 1 vermelde belasting.
§ 3. Artikel 463bis van hetzelfde Wetboek is niet van toepassing op de belasting die berekend is overeenkomstig de paragrafen 1 en 2.
§ 4. In geval van vervreemding van een in paragraaf 1, vermeld vast actief, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de verlaagde belasting met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden.
Het in het eerste lid vermelde tarief geldt als de subsidies betrekking hebben op investeringen in materiële vaste activa of immateriële vaste activa die afschrijfbaar zijn en die niet als herbelegging worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter, 47 en 194quater van hetzelfde Wetboek.
§ 2. Geen van de bij de artikelen 199 tot 206 van hetzelfde Wetboek bepaalde aftrekken noch enige compensatie met het verlies van het belastbaar tijdperk mag worden verricht op de grondslag van de in paragraaf 1 vermelde belasting.
In afwijking van artikel 276 van hetzelfde Wetboek mag geen voorheffing, noch forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting, noch belastingkrediet worden verrekend op de in paragraaf 1 vermelde belasting.
§ 3. Artikel 463bis van hetzelfde Wetboek is niet van toepassing op de belasting die berekend is overeenkomstig de paragrafen 1 en 2.
§ 4. In geval van vervreemding van een in paragraaf 1, vermeld vast actief, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de verlaagde belasting met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden.
Art. 139. § 1er. Par dérogation aux articles 215 et 246, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, le taux de l'impôt des sociétés ou, pour les contribuables visés à l'article 227, 2°, du même Code, de l'impôt des non-résidents est fixé à 5 p.c., en ce qui concerne les subsides en capital et en intérêts qui sont attribués [1 pendant les années 2008 à 2014]1, dans le respect de la réglementation européenne en matière d'aide d'état, à des agriculteurs par les institutions régionales compétentes dans le cadre de l'aide à l'agriculture en vue de l'acquisition ou de la constitution d'immobilisations incorporelles et corporelles.
Le taux visé à l'alinéa 1er est valable lorsque les subsides sont relatifs à des investissements en immobilisations corporelles ou en immobilisations incorporelles qui sont amortissables et qui ne sont pas considérées comme un remploi en vertu des articles 44bis, 44ter, 47 et 194quater du même Code.
§ 2. Aucune des déductions prévues aux articles 199 à 206 du même Code ni aucune compensation avec la perte de la période imposable ne peut être opérée sur l'assiette de l'impôt visé au paragraphe 1er.
Par dérogation à l'article 276 du même Code, aucun précompte, quotité forfaitaire d'impôt étranger ou crédit d'impôt ne peut être imputé sur l'impôt visé au paragraphe 1er.
§ 3. L'article 463bis du même Code ne s'applique pas à l'impôt calculé conformément aux paragraphes 1er et 2.
§ 4. En cas d'aliénation d'une des immobilisations visées au paragraphe 1er, sauf à l'occasion d'un sinistre, d'une expropriation, d'une réquisition en propriété ou d'un autre événement analogue, survenue dans les trois premières années de l'investissement, la taxation réduite relative à cette immobilisation n'est plus accordée à partir de la période imposable pendant laquelle l'aliénation a eu lieu.
Le taux visé à l'alinéa 1er est valable lorsque les subsides sont relatifs à des investissements en immobilisations corporelles ou en immobilisations incorporelles qui sont amortissables et qui ne sont pas considérées comme un remploi en vertu des articles 44bis, 44ter, 47 et 194quater du même Code.
§ 2. Aucune des déductions prévues aux articles 199 à 206 du même Code ni aucune compensation avec la perte de la période imposable ne peut être opérée sur l'assiette de l'impôt visé au paragraphe 1er.
Par dérogation à l'article 276 du même Code, aucun précompte, quotité forfaitaire d'impôt étranger ou crédit d'impôt ne peut être imputé sur l'impôt visé au paragraphe 1er.
§ 3. L'article 463bis du même Code ne s'applique pas à l'impôt calculé conformément aux paragraphes 1er et 2.
§ 4. En cas d'aliénation d'une des immobilisations visées au paragraphe 1er, sauf à l'occasion d'un sinistre, d'une expropriation, d'une réquisition en propriété ou d'un autre événement analogue, survenue dans les trois premières années de l'investissement, la taxation réduite relative à cette immobilisation n'est plus accordée à partir de la période imposable pendant laquelle l'aliénation a eu lieu.
Wijzigingen
Art. 140. § 1. Wanneer in 2008 en 2009 in artikel 137 of in artikel 139 bedoelde kapitaal- en interestsubsidies zijn betaald of toegekend of wanneer in 2008 in artikel 138 bedoelde zoogkoeienpremies en premies in het kader van de bedrijfstoeslagrechten ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector zijn betaald, kan de belastingplichtige, voor zover de betaling of toekenning is gedaan tijdens een belastbaar tijdperk dat verbonden is aan de aanslagjaren 2008 en 2009, de administratie verzoeken bij de vestiging van de aanslag voor het betrokken aanslagjaar rekening te houden met het specifieke belastingstelsel zoals het blijkt uit de genoemde artikelen. Daartoe voegt hij bij de aangifte een door de Koning vastgesteld formulier.
Dit formulier vormt vanaf de datum van indiening een integrerend deel van de aangifte van het desbetreffende aanslagjaar. De administratie houdt hiermee rekening bij de vestiging van de belasting overeenkomstig de artikelen 339 tot 342 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Wanneer de aangifte reeds is ingediend doch op grond van die aangifte nog geen aanslag werd gevestigd, houdt de administratie, van zodra ze het in het eerste lid bedoelde formulier heeft ontvangen, bij de vestiging van de aanslag rekening met de gegevens die de belastingplichtige door middel van dat formulier heeft verstrekt en met de in de artikelen 137 tot 139 vermelde aanslagstelsels.
§ 2. Ingeval de aanslag op grond van de aangegeven inkomsten en andere gegevens reeds is gevestigd alvorens het in paragraaf 1 bedoelde formulier werd ingediend, wordt die indiening beschouwd als een verzoek tot ambtshalve ontheffing op grond van artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De artikelen 137 tot 139 vormen een in het genoemde artikel 376, paragraaf 1, bedoelde nieuwe feit.
Dit formulier vormt vanaf de datum van indiening een integrerend deel van de aangifte van het desbetreffende aanslagjaar. De administratie houdt hiermee rekening bij de vestiging van de belasting overeenkomstig de artikelen 339 tot 342 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Wanneer de aangifte reeds is ingediend doch op grond van die aangifte nog geen aanslag werd gevestigd, houdt de administratie, van zodra ze het in het eerste lid bedoelde formulier heeft ontvangen, bij de vestiging van de aanslag rekening met de gegevens die de belastingplichtige door middel van dat formulier heeft verstrekt en met de in de artikelen 137 tot 139 vermelde aanslagstelsels.
§ 2. Ingeval de aanslag op grond van de aangegeven inkomsten en andere gegevens reeds is gevestigd alvorens het in paragraaf 1 bedoelde formulier werd ingediend, wordt die indiening beschouwd als een verzoek tot ambtshalve ontheffing op grond van artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De artikelen 137 tot 139 vormen een in het genoemde artikel 376, paragraaf 1, bedoelde nieuwe feit.
Art. 140. § 1er. Lorsque des subsides en capital et en intérêts visés à l'article 137 ou à l'article 139 sont payés ou attribués en 2008 et 2009, ou lorsque des primes à la vache allaitante et des primes de droits au paiement unique instaurées en tant qu'aide au secteur agricole par les Communautés européennes visées à l'article 138 sont payées en 2008, le contribuable peut, pour autant que le paiement ou l'attribution soit fait pendant une période imposable qui est liée aux exercices d'imposition 2008 et 2009, inviter l'administration à tenir compte du régime d'imposition spécifique comme il ressort des articles cités lors de l'établissement de l'impôt pour l'exercice d'imposition y relatif. Pour cela, il joint à la déclaration un formulaire déterminé par le Roi.
Ce formulaire fait partie intégrante de la déclaration de l'exercice d'imposition concerné à partir de la date de sa remise. L'administration en tient compte pour l'établissement de l'impôt conformément aux articles 339 à 342 du Code des impôts sur les revenus 1992.
Lorsque la déclaration est déjà déposée mais que sur base de cette déclaration aucune imposition n'a pas encore été établie, l'administration tient compte pour l'établissement de l'impôt, pour autant qu'elle ait reçu le formulaire visé à l'alinéa 1er, des éléments que le contribuable a communiqués au moyen de ce formulaire et des régimes d'imposition visés aux articles 137 à 139.
§ 2. Dans le cas où l'imposition a déjà été établie sur base des revenus déclarés et autres éléments avant la remise du formulaire visé au paragraphe 1er, celle-ci est considérée comme une demande de dégrèvement d'office sur base de l'article 376 du Code des impôts sur les revenus 1992. Les articles 137 à 139 constituent un fait nouveau visé à l'article 376, paragraphe 1er, précité.
Ce formulaire fait partie intégrante de la déclaration de l'exercice d'imposition concerné à partir de la date de sa remise. L'administration en tient compte pour l'établissement de l'impôt conformément aux articles 339 à 342 du Code des impôts sur les revenus 1992.
Lorsque la déclaration est déjà déposée mais que sur base de cette déclaration aucune imposition n'a pas encore été établie, l'administration tient compte pour l'établissement de l'impôt, pour autant qu'elle ait reçu le formulaire visé à l'alinéa 1er, des éléments que le contribuable a communiqués au moyen de ce formulaire et des régimes d'imposition visés aux articles 137 à 139.
§ 2. Dans le cas où l'imposition a déjà été établie sur base des revenus déclarés et autres éléments avant la remise du formulaire visé au paragraphe 1er, celle-ci est considérée comme une demande de dégrèvement d'office sur base de l'article 376 du Code des impôts sur les revenus 1992. Les articles 137 à 139 constituent un fait nouveau visé à l'article 376, paragraphe 1er, précité.
Art. 141. [1 Artikel 137 is van toepassing op de kapitaal- en interestsubsidies die in 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 worden betaald.
Artikel 138 is van toepassing op de premies die in 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 worden betaald.
Artikel 139 is van toepassing op de kapitaal- en interestsubsidies die in 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 worden toegekend en voor zover die subsidies ten vroegste op 1 januari 2008 zijn betekend.
Artikel 140 is van toepassing voor de aanslagjaren 2008 en 2009.]1
Artikel 138 is van toepassing op de premies die in 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 worden betaald.
Artikel 139 is van toepassing op de kapitaal- en interestsubsidies die in 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 worden toegekend en voor zover die subsidies ten vroegste op 1 januari 2008 zijn betekend.
Artikel 140 is van toepassing voor de aanslagjaren 2008 en 2009.]1
Art. 141. [1 L'article 137 est applicable aux subsides en capital et en intérêts payés en 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 et 2014.
L'article 138 est applicable aux primes payées en 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 et 2014.
L'article 139 est applicable aux subsides en capital et en intérêts attribués en 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 et 2014 et pour autant que lesdits subsides soient notifiés au plus tôt le 1er janvier 2008.
L'article 140 est applicable pour les exercices d'imposition 2008 et 2009.]1
L'article 138 est applicable aux primes payées en 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 et 2014.
L'article 139 est applicable aux subsides en capital et en intérêts attribués en 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 et 2014 et pour autant que lesdits subsides soient notifiés au plus tôt le 1er janvier 2008.
L'article 140 est applicable pour les exercices d'imposition 2008 et 2009.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Belasting over de toegevoegde waarde met betrekking
CHAPITRE 2. - Taxe sur la valeur ajoutée en matière de livraison
Art. 142. In artikel 1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt paragraaf 9, ingevoegd bij de programmawet van 2 augustus 2002, vervangen als volgt :
" § 9. Voor de toepassing van dit Wetboek dient te worden verstaan :
1° onder gebouw of een gedeelte van een gebouw, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden;
2° onder bijhorend terrein, het terrein waarvoor de toelating werd verkregen om er op te bouwen en dat door éénzelfde persoon wordt overgedragen tegelijk met het gebouw waartoe het behoort. ".
" § 9. Voor de toepassing van dit Wetboek dient te worden verstaan :
1° onder gebouw of een gedeelte van een gebouw, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden;
2° onder bijhorend terrein, het terrein waarvoor de toelating werd verkregen om er op te bouwen en dat door éénzelfde persoon wordt overgedragen tegelijk met het gebouw waartoe het behoort. ".
Art. 142. Dans l'article 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, le paragraphe 9, inséré par la loi-programme du 2 août 2002, est remplacé par ce qui suit :
" § 9. Pour l'application du présent Code, il y a lieu d'entendre :
1° par bâtiment ou fraction de bâtiment, toute construction incorporée au sol;
2° par sol y attenant, le terrain sur lequel il est permis de bâtir et qui est cédé par la même personne, en même temps que le bâtiment et attenant à celui-ci. ".
" § 9. Pour l'application du présent Code, il y a lieu d'entendre :
1° par bâtiment ou fraction de bâtiment, toute construction incorporée au sol;
2° par sol y attenant, le terrain sur lequel il est permis de bâtir et qui est cédé par la même personne, en même temps que le bâtiment et attenant à celui-ci. ".
Art. 143. Artikel 8 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, wordt vervangen als volgt :
" Art. 8. § 1. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met voldoening van de belasting, en het uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat goed, onder bezwarende titel vervreemdt, heeft ten aanzien van de vervreemding van dit goed en het bijhorende terrein de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vervreemding te doen met voldoening van de belasting.
§ 2. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop hij, vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, heeft ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vestiging van dit zakelijk recht te doen met voldoening van de belasting.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde vestiging van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein.
§ 3. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, dat met voldoening van de belasting te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen, binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel, overdraagt of wederoverdraagt, heeft ten aanzien van de overdracht of wederoverdracht van dit zakelijk recht op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het zakelijk recht met voldoening van de belasting over te dragen of weder over te dragen.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde overdracht of wederoverdracht van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein. ".
" Art. 8. § 1. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met voldoening van de belasting, en het uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat goed, onder bezwarende titel vervreemdt, heeft ten aanzien van de vervreemding van dit goed en het bijhorende terrein de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vervreemding te doen met voldoening van de belasting.
§ 2. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop hij, vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, heeft ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vestiging van dit zakelijk recht te doen met voldoening van de belasting.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde vestiging van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein.
§ 3. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, dat met voldoening van de belasting te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen, binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel, overdraagt of wederoverdraagt, heeft ten aanzien van de overdracht of wederoverdracht van dit zakelijk recht op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het zakelijk recht met voldoening van de belasting over te dragen of weder over te dragen.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde overdracht of wederoverdracht van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein. ".
Art. 143. L'article 8, du même Code, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la loi-programme du 2 août 2002, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 8. § 1er. La personne qui, autrement que dans l'exercice d'une activité économique, a construit, fait construire ou acquis avec application de la taxe, un bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, qu'elle cède à titre onéreux, au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de ce bien, a pour la cession de ce bien et du sol y attenant, la qualité d'assujetti lorsqu'elle a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention de les céder avec application de la taxe.
§ 2. La personne qui, autrement que dans l'exercice d'une activité économique, a construit, fait construire ou acquis avec application de la taxe, un bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, sur lequel, dans le délai prévu au paragraphe 1er, elle constitue à titre onéreux un droit réel au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, a la qualité d'assujetti pour cette constitution, lorsqu'elle a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention de constituer ce droit réel avec application de la taxe.
Cette personne a également la qualité d'assujetti, lorsque la constitution du droit réel visée à l'alinéa 1er porte en outre sur le sol y attenant.
§ 3. La personne qui, autrement que dans l'exercice d'une activité économique, cède ou rétrocède à titre onéreux, dans le délai prévu au paragraphe 1er, un droit réel au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, qui a été constitué à son profit ou qui lui a été cédé avec application de la taxe, a pour la cession ou rétrocession de ce droit réel portant sur un bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, la qualité d'assujetti, lorsqu'elle a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention de céder ou de rétrocéder le droit réel avec application de la taxe.
Cette personne a également la qualité d'assujetti, lorsque la cession ou rétrocession du droit réel visée à l'alinéa 1er porte en outre sur le sol y attenant. ".
" Art. 8. § 1er. La personne qui, autrement que dans l'exercice d'une activité économique, a construit, fait construire ou acquis avec application de la taxe, un bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, qu'elle cède à titre onéreux, au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de ce bien, a pour la cession de ce bien et du sol y attenant, la qualité d'assujetti lorsqu'elle a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention de les céder avec application de la taxe.
§ 2. La personne qui, autrement que dans l'exercice d'une activité économique, a construit, fait construire ou acquis avec application de la taxe, un bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, sur lequel, dans le délai prévu au paragraphe 1er, elle constitue à titre onéreux un droit réel au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, a la qualité d'assujetti pour cette constitution, lorsqu'elle a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention de constituer ce droit réel avec application de la taxe.
Cette personne a également la qualité d'assujetti, lorsque la constitution du droit réel visée à l'alinéa 1er porte en outre sur le sol y attenant.
§ 3. La personne qui, autrement que dans l'exercice d'une activité économique, cède ou rétrocède à titre onéreux, dans le délai prévu au paragraphe 1er, un droit réel au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, qui a été constitué à son profit ou qui lui a été cédé avec application de la taxe, a pour la cession ou rétrocession de ce droit réel portant sur un bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, la qualité d'assujetti, lorsqu'elle a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention de céder ou de rétrocéder le droit réel avec application de la taxe.
Cette personne a également la qualité d'assujetti, lorsque la cession ou rétrocession du droit réel visée à l'alinéa 1er porte en outre sur le sol y attenant. ".
Art. 144. In artikel 12 van hetzelfde Wetboek wordt paragraaf 2, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, vervangen als volgt :
" § 2. De belastingplichtige die geregeld goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, onder bezwarende titel vervreemdt, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
De belastingplichtige die geregeld onder bezwarende titel zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, vestigt op goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde belastingplichtige in wiens voordeel een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, met voldoening van de belasting werd gevestigd of aan wie een dergelijk recht met voldoening van de belasting werd overgedragen, wordt geacht dat recht dat bij het verstrijken van de in het tweede lid gestelde termijn niet is overgedragen of wederovergedragen voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer het in artikel 1, § 9, 1°, beoogde goed waarop het zakelijk recht betrekking heeft op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het zakelijk recht op het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld. ".
" § 2. De belastingplichtige die geregeld goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, onder bezwarende titel vervreemdt, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
De belastingplichtige die geregeld onder bezwarende titel zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, vestigt op goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde belastingplichtige in wiens voordeel een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, met voldoening van de belasting werd gevestigd of aan wie een dergelijk recht met voldoening van de belasting werd overgedragen, wordt geacht dat recht dat bij het verstrijken van de in het tweede lid gestelde termijn niet is overgedragen of wederovergedragen voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer het in artikel 1, § 9, 1°, beoogde goed waarop het zakelijk recht betrekking heeft op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het zakelijk recht op het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld. ".
Art. 144. Dans l'article 12, du même Code, le paragraphe 2, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la loi-programme du 2 août 2002, est remplacé par ce qui suit :
" § 2. L'assujetti qui, d'une manière habituelle cède à titre onéreux des biens visés à l'article 1er, § 9, 1°, qu'il a construits, fait construire ou acquis, avec application de la taxe, au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu leur première occupation ou leur première utilisation, est censé prélever pour ses propres besoins le bien non cédé à l'expiration du délai précité, lorsque ce bien n'a pas encore fait l'objet à ce moment de l'utilisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°. Cet assujetti est également censé prélever pour ses propres besoins le sol y attenant lorsque celui-ci a ouvert droit à une déduction complète ou partielle de la taxe. Le prélèvement qu'il est censé effectuer à cette date est assimilé à une livraison à titre onéreux.
L'assujetti qui, d'une manière habituelle constitue à titre onéreux des droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, portant sur des biens visés à l'article 1er, § 9, 1°, qu'il a construits, fait construire ou acquis, avec application de la taxe, au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu leur première occupation ou leur première utilisation, est censé prélever pour ses propres besoins le bien non cédé à l'expiration du délai précité, lorsque ce bien n'a pas encore fait l'objet à ce moment de l'utilisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°. Cet assujetti est également censé prélever pour ses propres besoins le sol y attenant lorsque celui-ci a ouvert droit à une déduction complète ou partielle de la taxe. Le prélèvement qu'il est censé effectuer à cette date est assimilé à une livraison à titre onéreux.
L'assujetti visé aux alinéas 1er et 2, au profit de qui un droit réel au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, a été constitué avec application de la taxe ou à qui un tel droit a été cédé avec application de la taxe, est censé prélever, pour ses propres besoins, le droit non cédé ou rétrocédé à l'expiration du délai prévu à l'alinéa 2, lorsque le bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, sur lequel porte le droit réel n'a pas encore fait l'objet à ce moment de l'utilisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°. Cet assujetti est également censé prélever pour ses propres besoins le droit réel portant sur le sol y attenant lorsque celui-ci a ouvert droit à une déduction complète ou partielle de la taxe. Le prélèvement qu'il est censé effectuer à cette date est assimilé à une livraison à titre onéreux. ".
" § 2. L'assujetti qui, d'une manière habituelle cède à titre onéreux des biens visés à l'article 1er, § 9, 1°, qu'il a construits, fait construire ou acquis, avec application de la taxe, au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu leur première occupation ou leur première utilisation, est censé prélever pour ses propres besoins le bien non cédé à l'expiration du délai précité, lorsque ce bien n'a pas encore fait l'objet à ce moment de l'utilisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°. Cet assujetti est également censé prélever pour ses propres besoins le sol y attenant lorsque celui-ci a ouvert droit à une déduction complète ou partielle de la taxe. Le prélèvement qu'il est censé effectuer à cette date est assimilé à une livraison à titre onéreux.
L'assujetti qui, d'une manière habituelle constitue à titre onéreux des droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, portant sur des biens visés à l'article 1er, § 9, 1°, qu'il a construits, fait construire ou acquis, avec application de la taxe, au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu leur première occupation ou leur première utilisation, est censé prélever pour ses propres besoins le bien non cédé à l'expiration du délai précité, lorsque ce bien n'a pas encore fait l'objet à ce moment de l'utilisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°. Cet assujetti est également censé prélever pour ses propres besoins le sol y attenant lorsque celui-ci a ouvert droit à une déduction complète ou partielle de la taxe. Le prélèvement qu'il est censé effectuer à cette date est assimilé à une livraison à titre onéreux.
L'assujetti visé aux alinéas 1er et 2, au profit de qui un droit réel au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, a été constitué avec application de la taxe ou à qui un tel droit a été cédé avec application de la taxe, est censé prélever, pour ses propres besoins, le droit non cédé ou rétrocédé à l'expiration du délai prévu à l'alinéa 2, lorsque le bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, sur lequel porte le droit réel n'a pas encore fait l'objet à ce moment de l'utilisation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°. Cet assujetti est également censé prélever pour ses propres besoins le droit réel portant sur le sol y attenant lorsque celui-ci a ouvert droit à une déduction complète ou partielle de la taxe. Le prélèvement qu'il est censé effectuer à cette date est assimilé à une livraison à titre onéreux. ".
Art. 145. In artikel 16, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder 2°, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, vervangen als volgt :
" 2° ter zake van de vervreemding van goederen bedoeld in artikel 1, § 9, alsook van de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, op zulke goederen, uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 44, § 3, 1°, bepaalde termijn. ".
" 2° ter zake van de vervreemding van goederen bedoeld in artikel 1, § 9, alsook van de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, op zulke goederen, uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 44, § 3, 1°, bepaalde termijn. ".
Art. 145. Dans l'article 16, § 1er, alinéa 3, du même Code, le 2°, inséré par la loi du 28 décembre 1992, est remplacé par ce qui suit :
" 2° au plus tard à l'expiration du délai prévu à l'article 44, § 3, 1°, pour les cessions de biens visés à l'article 1er, § 9, ainsi que pour les constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, portant sur de tels biens. ".
" 2° au plus tard à l'expiration du délai prévu à l'article 44, § 3, 1°, pour les cessions de biens visés à l'article 1er, § 9, ainsi que pour les constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, portant sur de tels biens. ".
Art. 146. Artikel 30 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
" Art. 30. Wanneer een belastingplichtige voor een niet gesplitste prijs een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijhorende terrein met voldoening van de belasting vervreemdt samen met een andere grond dan het bijhorende terrein, wordt de belasting berekend over de bedongen prijs en lasten, onder aftrek van de verkoopwaarde van de andere grond dan het bijhorende terrein, geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van deze grond vóór de aanvang van het werk. ".
" Art. 30. Wanneer een belastingplichtige voor een niet gesplitste prijs een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijhorende terrein met voldoening van de belasting vervreemdt samen met een andere grond dan het bijhorende terrein, wordt de belasting berekend over de bedongen prijs en lasten, onder aftrek van de verkoopwaarde van de andere grond dan het bijhorende terrein, geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van deze grond vóór de aanvang van het werk. ".
Art. 146. L'article 30, du même Code, remplacé par la loi du 28 décembre 1992, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 30. Lorsqu'un assujetti cède un bâtiment ou une fraction de bâtiment et le sol y attenant, avec application de la taxe en même temps qu'un fonds autre que le sol y attenant, moyennant un prix unique, la taxe est calculée sur une base obtenue en déduisant du prix et des charges stipulés, la valeur vénale du fonds autre que le sol y attenant à la date de la cession, compte tenu de l'état de ce fonds avant le commencement des travaux. ".
" Art. 30. Lorsqu'un assujetti cède un bâtiment ou une fraction de bâtiment et le sol y attenant, avec application de la taxe en même temps qu'un fonds autre que le sol y attenant, moyennant un prix unique, la taxe est calculée sur une base obtenue en déduisant du prix et des charges stipulés, la valeur vénale du fonds autre que le sol y attenant à la date de la cession, compte tenu de l'état de ce fonds avant le commencement des travaux. ".
Art. 147. In artikel 36, § 1, van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder a), vervangen bij de wet van 28 december 1992, vervangen als volgt :
" a) de met voldoening van de belasting vervreemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9; ".
" a) de met voldoening van de belasting vervreemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9; ".
Art. 147. Dans l'article 36, § 1er, du même Code, le a), remplacé par la loi du 28 décembre 1992, est remplacé par ce qui suit :
" a) les biens visés à l'article 1er, § 9, cédés avec application de la taxe; ".
" a) les biens visés à l'article 1er, § 9, cédés avec application de la taxe; ".
Art. 148. In artikel 44, § 3, van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder 1°, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, vervangen als volgt :
" 1° de volgende handelingen :
a) de levering van uit hun aard onroerende goederen.
Worden evenwel uitgesloten de levering van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, wanneer hun vervreemding wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, door :
- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen;
- hetzij een in artikel 8, § 1, beoogde belastingplichtige;
- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling een dergelijke vervreemding te verrichten met voldoening van de belasting;
b) de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten, in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, op uit hun aard onroerende goederen.
Worden evenwel uitgesloten de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van dergelijke zakelijke rechten op gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, wanneer zij worden verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, door :
- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die binnen de voornoemde termijn één van de bedoelde zakelijke rechten vestigt op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, dat hij heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen of die binnen dezelfde termijn, een dergelijk zakelijk recht dat te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen met voldoening van de belasting, overdraagt of wederoverdraagt;
- hetzij een in artikel 8, §§ 2 of 3, beoogde belastingplichtige;
- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op een door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling om dergelijk zakelijk recht te vestigen, over te dragen of weder over te dragen met voldoening van de belasting.
De datum van het contract kan alleen worden aangetoond door bewijsmiddelen die tegen derden kunnen worden ingeroepen; ".
" 1° de volgende handelingen :
a) de levering van uit hun aard onroerende goederen.
Worden evenwel uitgesloten de levering van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, wanneer hun vervreemding wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, door :
- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen;
- hetzij een in artikel 8, § 1, beoogde belastingplichtige;
- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling een dergelijke vervreemding te verrichten met voldoening van de belasting;
b) de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten, in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, op uit hun aard onroerende goederen.
Worden evenwel uitgesloten de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van dergelijke zakelijke rechten op gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, wanneer zij worden verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, door :
- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die binnen de voornoemde termijn één van de bedoelde zakelijke rechten vestigt op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, dat hij heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen of die binnen dezelfde termijn, een dergelijk zakelijk recht dat te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen met voldoening van de belasting, overdraagt of wederoverdraagt;
- hetzij een in artikel 8, §§ 2 of 3, beoogde belastingplichtige;
- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op een door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling om dergelijk zakelijk recht te vestigen, over te dragen of weder over te dragen met voldoening van de belasting.
De datum van het contract kan alleen worden aangetoond door bewijsmiddelen die tegen derden kunnen worden ingeroepen; ".
Art. 148. Dans l'article 44, § 3, du même Code, le 1°, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la loi-programme du 2 août 2002, est remplacé par ce qui suit :
" 1° les opérations suivantes :
a) les livraisons de biens immeubles par nature.
Sont toutefois exceptées, les livraisons de bâtiments, fractions de bâtiments et du sol y attenant visés à l'article 1er, § 9, lorsque leurs cessions sont effectuées au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation des biens visés à l'article 1er, § 9, 1°, par :
- soit un assujetti visé à l'article 12, § 2, qui a construit, fait construire ou acquis avec application de la taxe, lesdits biens visés à l'article 1er, § 9, 1°;
- soit un assujetti visé à l'article 8, § 1er;
- soit tout autre assujetti, lorsqu'il a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention d'effectuer une telle cession avec application de la taxe;
b) les constitutions, cessions et rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, portant sur des biens immeubles par nature.
Sont toutefois exceptées, les constitutions, cessions et rétrocessions de tels droits réels portant sur des bâtiments ou fractions de bâtiments et le sol y attenant visés à l'article 1er, § 9, lorsqu'elles sont effectuées au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de biens visés à l'article 1er, § 9, 1°, par :
- soit un assujetti visé à l'article 12, § 2, qui constitue dans le délai précité un desdits droits réels sur un bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, qu'il a construit, fait construire ou acquis avec application de la taxe ou qui cède ou rétrocède dans le même délai un tel droit réel, qui a été constitué à son profit ou qui lui a été cédé, avec application de la taxe;
- soit un assujetti visé à l'article 8, §§ 2 ou 3;
- soit tout autre assujetti, lorsqu'il a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention de constituer, de céder ou de rétrocéder un tel droit réel avec application de la taxe.
La date du contrat ne peut être établie que par les modes de preuve opposables aux tiers; ".
" 1° les opérations suivantes :
a) les livraisons de biens immeubles par nature.
Sont toutefois exceptées, les livraisons de bâtiments, fractions de bâtiments et du sol y attenant visés à l'article 1er, § 9, lorsque leurs cessions sont effectuées au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation des biens visés à l'article 1er, § 9, 1°, par :
- soit un assujetti visé à l'article 12, § 2, qui a construit, fait construire ou acquis avec application de la taxe, lesdits biens visés à l'article 1er, § 9, 1°;
- soit un assujetti visé à l'article 8, § 1er;
- soit tout autre assujetti, lorsqu'il a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention d'effectuer une telle cession avec application de la taxe;
b) les constitutions, cessions et rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, portant sur des biens immeubles par nature.
Sont toutefois exceptées, les constitutions, cessions et rétrocessions de tels droits réels portant sur des bâtiments ou fractions de bâtiments et le sol y attenant visés à l'article 1er, § 9, lorsqu'elles sont effectuées au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de biens visés à l'article 1er, § 9, 1°, par :
- soit un assujetti visé à l'article 12, § 2, qui constitue dans le délai précité un desdits droits réels sur un bien visé à l'article 1er, § 9, 1°, qu'il a construit, fait construire ou acquis avec application de la taxe ou qui cède ou rétrocède dans le même délai un tel droit réel, qui a été constitué à son profit ou qui lui a été cédé, avec application de la taxe;
- soit un assujetti visé à l'article 8, §§ 2 ou 3;
- soit tout autre assujetti, lorsqu'il a manifesté, dans la forme et de la manière déterminées par le Roi, l'intention de constituer, de céder ou de rétrocéder un tel droit réel avec application de la taxe.
La date du contrat ne peut être établie que par les modes de preuve opposables aux tiers; ".
Art. 149. De artikelen 142 tot 148 treden in werking op 1 januari 2011.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
Art. 149. Les articles 142 à 148 entrent en vigueur le 1er janvier 2011.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer une date d'entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l'alinéa 1er.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer une date d'entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
CHAPITRE 3. - Modification du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus
Art. 150. Artikel 33 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, opgeheven bij de wet van 25 januari 1999, wordt hersteld als volgt :
" Art. 33. § 1. Indien de niet-betaling wordt vastgesteld op de openbare weg, moet de bestuurder van het voertuig de ontdoken verkeersbelasting en de boete in handen van de verbalisant betalen op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding.
§ 2. In geval van niet-betaling van de in paragraaf 1 bedoelde sommen, wordt het voertuig aangehaald tot de verschuldigde sommen betaald zijn. Zijn deze niet betaald binnen zesennegentig uur na de vaststelling van de overtreding, dan wordt het voertuig in beslag genomen.
Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen aan de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs van het voertuig gezonden.
Het risico en de eventuele kosten voortvloeiend uit de aanhaling en het beslag zijn ten laste van de eigenaar, de ondernemer, de houder of de bestuurder van het voertuig overeenkomstig de artikelen 6 en 21.
Het beslag wordt na betaling van de verschuldigde sommen en kosten opgeheven.
§ 3. Bij niet-betaling van deze sommen en kosten veroordeelt de rechtbank tot betaling ervan en gelast zij de verkoop van het in beslag genomen voertuig. De gerechtskosten, de verkeersbelasting, de boete en de andere kosten worden aangerekend op de opbrengst van de verkoop van het voertuig en het eventueel overschot wordt aan de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs van het voertuig terugbetaald.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel zijn de wets- en verordeningsbepalingen inzake douane en accijnzen betreffende de aanhaling, de inbeslagneming en de verkoop, het opstellen en het viseren van de processen-verbaal, het afgeven van het afschrift ervan, de bewijskracht van die akten en de wijze van vervolging van toepassing. ".
" Art. 33. § 1. Indien de niet-betaling wordt vastgesteld op de openbare weg, moet de bestuurder van het voertuig de ontdoken verkeersbelasting en de boete in handen van de verbalisant betalen op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding.
§ 2. In geval van niet-betaling van de in paragraaf 1 bedoelde sommen, wordt het voertuig aangehaald tot de verschuldigde sommen betaald zijn. Zijn deze niet betaald binnen zesennegentig uur na de vaststelling van de overtreding, dan wordt het voertuig in beslag genomen.
Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen aan de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs van het voertuig gezonden.
Het risico en de eventuele kosten voortvloeiend uit de aanhaling en het beslag zijn ten laste van de eigenaar, de ondernemer, de houder of de bestuurder van het voertuig overeenkomstig de artikelen 6 en 21.
Het beslag wordt na betaling van de verschuldigde sommen en kosten opgeheven.
§ 3. Bij niet-betaling van deze sommen en kosten veroordeelt de rechtbank tot betaling ervan en gelast zij de verkoop van het in beslag genomen voertuig. De gerechtskosten, de verkeersbelasting, de boete en de andere kosten worden aangerekend op de opbrengst van de verkoop van het voertuig en het eventueel overschot wordt aan de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs van het voertuig terugbetaald.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel zijn de wets- en verordeningsbepalingen inzake douane en accijnzen betreffende de aanhaling, de inbeslagneming en de verkoop, het opstellen en het viseren van de processen-verbaal, het afgeven van het afschrift ervan, de bewijskracht van die akten en de wijze van vervolging van toepassing. ".
Art. 150. L'article 33 du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, abrogé par la loi du 25 janvier 1999 est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 33. § 1er. Si l'absence de paiement est constatée sur la voie publique, le conducteur du véhicule acquitte la taxe de circulation éludée et l'amende entre les mains de l'agent verbalisant, au moment de la constatation de l'infraction.
§ 2. A défaut de paiement des sommes visées au paragraphe 1er, le véhicule est retenu jusqu'au paiement des sommes dues. Si celles-ci ne sont pas acquittées dans les nonante-six heures de la constatation de l'infraction, le véhicule est saisi.
Un avis de saisie est envoyé à la personne physique ou morale qui est ou doit être reprise au certificat d'immatriculation du véhicule dans les deux jours ouvrables.
Les risques et frais éventuels résultant de la rétention et de la saisie sont à charge du propriétaire, de l'exploitant, du détenteur ou du conducteur du véhicule conformément aux articles 6 et 21.
La saisie est levée après paiement des sommes et des frais dus.
§ 3. A défaut de paiement de ces sommes et frais, le tribunal condamne à leur paiement et ordonne la vente du véhicule saisi. Les frais de justice, la taxe de circulation, l'amende et les autres frais sont déduits du produit de la vente du véhicule et l'excédent éventuel est remboursé à la personne physique ou morale qui est ou doit être reprise au certificat d'immatriculation du véhicule.
§ 4. Pour l'application du présent article, les dispositions légales et réglementaires sur les douanes et accises relatives à la rétention, la saisie et la vente, la rédaction et le visa des procès-verbaux, la remise de la copie de ceux-ci, la foi due à ces actes et le mode de poursuites sont d'application. ".
" Art. 33. § 1er. Si l'absence de paiement est constatée sur la voie publique, le conducteur du véhicule acquitte la taxe de circulation éludée et l'amende entre les mains de l'agent verbalisant, au moment de la constatation de l'infraction.
§ 2. A défaut de paiement des sommes visées au paragraphe 1er, le véhicule est retenu jusqu'au paiement des sommes dues. Si celles-ci ne sont pas acquittées dans les nonante-six heures de la constatation de l'infraction, le véhicule est saisi.
Un avis de saisie est envoyé à la personne physique ou morale qui est ou doit être reprise au certificat d'immatriculation du véhicule dans les deux jours ouvrables.
Les risques et frais éventuels résultant de la rétention et de la saisie sont à charge du propriétaire, de l'exploitant, du détenteur ou du conducteur du véhicule conformément aux articles 6 et 21.
La saisie est levée après paiement des sommes et des frais dus.
§ 3. A défaut de paiement de ces sommes et frais, le tribunal condamne à leur paiement et ordonne la vente du véhicule saisi. Les frais de justice, la taxe de circulation, l'amende et les autres frais sont déduits du produit de la vente du véhicule et l'excédent éventuel est remboursé à la personne physique ou morale qui est ou doit être reprise au certificat d'immatriculation du véhicule.
§ 4. Pour l'application du présent article, les dispositions légales et réglementaires sur les douanes et accises relatives à la rétention, la saisie et la vente, la rédaction et le visa des procès-verbaux, la remise de la copie de ceux-ci, la foi due à ces actes et le mode de poursuites sont d'application. ".
Art. 151. In artikel 36bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 februari 2001 en 9 juli 2004, worden de woorden " , met uitzondering van artikel 33, " ingevoegd tussen de woorden " VIII en X " en de woorden " zijn niet van toepassing op ".
Art. 151. Dans l'article 36bis, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois des 19 février 2001 et 9 juillet 2004, les mots " , à l'exception de l'article 33, " sont insérés entre les mots " VIII et X " et les mots " ne sont pas applicables ".
Art. 152. In artikel 95 van hetzelfde Wetboek wordt het woord " 33, " ingevoegd tussen het woord " artikelen " en het woord " 37, ".
Art. 152. Dans l'article 95, du même Code, le mot " 33, " est inséré entre le mot " articles " et le mot " 37, ".
HOOFDSTUK 4. - Gegevensuitwisseling
CHAPITRE 4. - Echange de données
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Section 1re. - Modifications du Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 153. Artikel 335 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt vervangen als volgt :
" Art. 335. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
" Art. 335. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
Art. 153. L'article 335 du Code des impôts sur les revenus 1992 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 335. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
" Art. 335. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
Art. 154. In artikel 336 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " van een fiscaal staatsbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ".
Art. 154. Dans l'article 336 du même Code, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Section 2. - Modifications du Code de la taxe sur la valeur ajoutée
Art. 155. In artikel 93quater decies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989 en gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, de programmawet van 20 juli 2006 en de wet van 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " van een fiscaal rijksbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " van een fiscaal rijksbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
Art. 155. Dans l'article 93quater decies du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, inséré par la loi du 22 décembre 1989 et modifié par la loi du 28 décembre 1999, la loi-programme du 20 juillet 2006 et la loi du 1er mars 2007, les modifications suivantes sont apportés :
1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen
Section 3. - Modifications du Code des droits et taxes divers
Art. 156. In artikel 211 van het Wetboek diverse rechten en taksen, gewijzigd bij de wet van 19 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, worden de woorden " van een fiscaal rijksbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wettelijk werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
1° in paragraaf 2, worden de woorden " van een fiscaal rijksbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wettelijk werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
Art. 156. Dans l'article 211 du Code des droits et taxes divers, modifié par la loi du 19 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportés :
1° dans le paragraphe 2, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
1° dans le paragraphe 2, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
Afdeling 4. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Section 4. - Modifications du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe
Art. 157. In artikel 289 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " van een fiscaal rijksbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wettelijk werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " van een fiscaal rijksbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wettelijk werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
Art. 157. Dans l'article 289 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
Afdeling 5. - Wijzigingen van het Wetboek der successierechten
Section 5. - Modifications du Code des droits de succession
Art. 158. In het Eerste Boek van het Wetboek der successierechten, wordt een hoofdstuk XIbis ingevoegd, dat het artikel 104/1 bevat, luidende :
" HOOFDSTUK XIbis. - Aan alle belastingen gemene bepalingen
Art. 104/1. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën of van een fiscaal rijksbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provinciën, de agglomeraties en de gemeenten, evenals de openbare instellingen of inrichtingen, kan door de Staat worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Onder openbare instellingen of inrichtingen worden verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een Gemeenschap of een Gewest mede beheert, waaraan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale regering of een Gemeenschaps- of Gewestregering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring. ".
" HOOFDSTUK XIbis. - Aan alle belastingen gemene bepalingen
Art. 104/1. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën of van een fiscaal rijksbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provinciën, de agglomeraties en de gemeenten, evenals de openbare instellingen of inrichtingen, kan door de Staat worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Onder openbare instellingen of inrichtingen worden verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een Gemeenschap of een Gewest mede beheert, waaraan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale regering of een Gemeenschaps- of Gewestregering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring. ".
Art. 158. Dans le Livre Ier du Code des droits de successions, il est inséré un chapitre XIbis comportant un article 104/1, rédigé comme suit :
" CHAPITRE XIbis. - Disposition commune à tous les impôts
Art. 104/1. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat.
Tout renseignement, pièce, procès-verbal ou acte, découvert ou obtenu dans l'exercice de ses fonctions par un agent du Service public fédéral Finances ou d'une administration fiscale de l'Etat, soit directement, soit par l'entremise d'un service administratif de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et tribunaux, les administrations des Communautés et des Régions de l'Etat belge, des provinces, des agglomérations et des communes, ainsi que les établissements et organismes publics, peut être invoqué par l'Etat pour la recherche de toute somme due en vertu des lois d'impôts.
Par établissements et organismes publics, il faut entendre les institutions, sociétés, associations, établissements et offices à l'administration desquels l'Etat, une Communauté ou une Région participe, auxquels l'Etat, une Communauté ou une Région fournit une garantie, sur l'activité desquels l'Etat, une Communauté ou une Région exerce une surveillance ou dont le personnel de direction est désigné par le gouvernement fédéral ou un gouvernement de Communauté ou de Région, sur sa proposition ou moyennant son approbation. ".
" CHAPITRE XIbis. - Disposition commune à tous les impôts
Art. 104/1. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat.
Tout renseignement, pièce, procès-verbal ou acte, découvert ou obtenu dans l'exercice de ses fonctions par un agent du Service public fédéral Finances ou d'une administration fiscale de l'Etat, soit directement, soit par l'entremise d'un service administratif de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et tribunaux, les administrations des Communautés et des Régions de l'Etat belge, des provinces, des agglomérations et des communes, ainsi que les établissements et organismes publics, peut être invoqué par l'Etat pour la recherche de toute somme due en vertu des lois d'impôts.
Par établissements et organismes publics, il faut entendre les institutions, sociétés, associations, établissements et offices à l'administration desquels l'Etat, une Communauté ou une Région participe, auxquels l'Etat, une Communauté ou une Région fournit une garantie, sur l'activité desquels l'Etat, une Communauté ou une Région exerce une surveillance ou dont le personnel de direction est désigné par le gouvernement fédéral ou un gouvernement de Communauté ou de Région, sur sa proposition ou moyennant son approbation. ".
Afdeling 6. - Wijzigingen van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977
Section 6. - Modifications de la loi générale sur les douane et accises du 18 juillet 1977
Art. 159. In artikel 210 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 worden de woorden " van een fiscaal rijksbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
1° in paragraaf 2 worden de woorden " van een fiscaal rijksbestuur " vervangen door de woorden " van de Federale Overheidsdienst Financiën ";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ".
Art. 159. Dans l'article 210 de la loi générale du 18 juillet 1977 sur les douanes et accises, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service Public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
1° dans le paragraphe 2, les mots " d'une administration fiscale de l'Etat " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Finances ";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Toutes les administrations qui ressortissent du Service public fédéral Finances sont tenues de mettre à disposition de tous les agents dudit Service Public régulièrement chargés de l'établissement ou du recouvrement des impôts tous les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, qui contribuent à la poursuite de la mission de ces agents en vue de l'établissement ou du recouvrement de n'importe quel impôt établi par l'Etat.
Tout agent du Service public fédéral Finances, régulièrement chargé d'effectuer un contrôle ou une enquête, est de plein droit habilité à prendre, rechercher ou recueillir les renseignements adéquats, pertinents et non excessifs, qui contribuent à assurer l'établissement ou le recouvrement de n'importe quel autre impôt établi par l'Etat. ".
Afdeling 7. - Wijzigingen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Section 7. - Modifications du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus
Art. 160. In artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gewijzigd bij de wetten van 8 april 2003, 10 augustus 2005 en 25 april 2007, wordt het woord " 337 " vervangen door de woorden " 335 tot 337 ".
Art. 160. Dans l'article 2, alinéa premier, du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, modifié par les lois des 8 avril 2003, 10 août 2005 et 25 avril 2007, le mot " 337 " est remplacé par les mots " 335 à 337 ".
HOOFDSTUK 5. - Accijnzen
CHAPITRE 5. - Accises
Art. 161. In artikel 419 van de programmawet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepalingen onder b) en c) worden vervangen als volgt :
" b) ongelode benzine van de GN-code 2710 11 49
i) met een hoog zwavelgehalte en/of aromatische verbindingen :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 354,5238 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
ii)* met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 339,5238 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
** met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen, aangevuld met ten minste 7 pct. vol bio-ethanol van de GN-code 2207 10 00 met een alcohol-volumegehalte van ten minste 99 pct. vol, zuiver of onder de vorm van ETBE van de GN-code 2909 19 00, en die niet van synthetische oorsprong is :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 296,5739 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
c) ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 41 en 2710 11 45 :
i) onvermengd :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 339,5238 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
ii) aangevuld met ten minste 7 pct. vol bio-ethanol van de GN-code 2207 10 00 met een alcohol-volumegehalte van ten minste 99 pct. vol, zuiver of onder de vorm van ETBE van de GN-code 2909 19 00, en die niet van synthetische oorsprong is :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 296,5739 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C; ";
2° de bepaling onder e), i) wordt vervangen door :
" e) gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49 met een zwavelgehalte van meer dan 10 mg/kg :
i) gebruikt als motorbrandstof :
- accijns : 198,3148 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 154,7063 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1.000 liter bij 15 °C; ";
3° de bepaling onder f), i) wordt vervangen door :
" f) gasolie van de GN code 2710 19 41 met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg :
i) gebruikt als motorbrandstof :
* onvermengd :
- accijns : 198,3148 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 139,7063 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
** aangevuld met ten minste 5 pct. vol FAME van de GN-code 3824 90 99 die voldoet aan de NBN-EN-norm 14214 :
- accijns : 198,3148 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 122,0616 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1.000 liter bij 15 °C; ".
1° de bepalingen onder b) en c) worden vervangen als volgt :
" b) ongelode benzine van de GN-code 2710 11 49
i) met een hoog zwavelgehalte en/of aromatische verbindingen :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 354,5238 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
ii)* met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 339,5238 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
** met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen, aangevuld met ten minste 7 pct. vol bio-ethanol van de GN-code 2207 10 00 met een alcohol-volumegehalte van ten minste 99 pct. vol, zuiver of onder de vorm van ETBE van de GN-code 2909 19 00, en die niet van synthetische oorsprong is :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 296,5739 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
c) ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 41 en 2710 11 45 :
i) onvermengd :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 339,5238 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
ii) aangevuld met ten minste 7 pct. vol bio-ethanol van de GN-code 2207 10 00 met een alcohol-volumegehalte van ten minste 99 pct. vol, zuiver of onder de vorm van ETBE van de GN-code 2909 19 00, en die niet van synthetische oorsprong is :
- accijns : 245,4146 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 296,5739 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 28,6317 euro per 1.000 liter bij 15 °C; ";
2° de bepaling onder e), i) wordt vervangen door :
" e) gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49 met een zwavelgehalte van meer dan 10 mg/kg :
i) gebruikt als motorbrandstof :
- accijns : 198,3148 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 154,7063 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1.000 liter bij 15 °C; ";
3° de bepaling onder f), i) wordt vervangen door :
" f) gasolie van de GN code 2710 19 41 met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg :
i) gebruikt als motorbrandstof :
* onvermengd :
- accijns : 198,3148 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 139,7063 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
** aangevuld met ten minste 5 pct. vol FAME van de GN-code 3824 90 99 die voldoet aan de NBN-EN-norm 14214 :
- accijns : 198,3148 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijzondere accijns : 122,0616 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
- bijdrage op de energie : 14,8736 euro per 1.000 liter bij 15 °C; ".
Art. 161. A l'article 419 de la loi-programme du 27 décembre 2004, les modifications suivantes sont apportées :
1° les b) et c) sont remplacés par ce qui suit :
" b) essence sans plomb relevant du code NC 2710 11 49 :
i) à haute teneur en soufre et/ou en aromatiques :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 354,5238 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C;
ii)* à faible teneur en soufre et en aromatiques :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 339,5238 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C;
** à faible teneur en soufre et en aromatiques, complétée à concurrence d'au moins 7 p.c. vol de bioéthanol relevant du code NC 2207 10 00 d'un titre alcoométrique volumique d'au moins 99 p.c. vol, pur ou sous la forme d'ETBE relevant du code NC 2909 19 00, et qui n'est pas d'origine synthétique :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 296,5739 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C;
c) essence sans plomb relevant des codes NC 2710 11 41 et 2710 11 45 :
i) non mélangée :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 339,5238 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C;
ii) complétée à concurrence d'au moins 7 p.c. vol de bioéthanol relevant du code NC 2207 10 00 d'un titre alcoométrique volumique d'au moins 99 p.c. vol, pur ou sous la forme d'ETBE relevant du code NC 2909 19 00, et qui n'est pas d'origine synthétique :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 296,5739 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C; ";
2° le e), i) est remplacé par :
" e) gasoil relevant des codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49 d'une teneur en poids de soufre excédant 10 mg/kg :
i) utilisé comme carburant :
- droit d'accise : 198,3148 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 154,7063 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1.000 litres à 15 °C; ";
3° le f), i) est remplacé par :
" f) gasoil relevant du code NC 2710 19 41 d'une teneur en poids de soufre n'excédant pas 10 mg/kg :
i) utilisé comme carburant :
* non mélangé :
- droit d'accise : 198,3148 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 139,7063 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1.000 litres à 15 °C;
** complété à concurrence d'au moins 5 p.c. vol d'EMAG relevant du code NC 3824 90 99 et correspondant à la norme NBN-EN 14214 :
- droit d'accise : 198,3148 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 122,0616 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1.000 litres à 15 °C; ".
1° les b) et c) sont remplacés par ce qui suit :
" b) essence sans plomb relevant du code NC 2710 11 49 :
i) à haute teneur en soufre et/ou en aromatiques :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 354,5238 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C;
ii)* à faible teneur en soufre et en aromatiques :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 339,5238 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C;
** à faible teneur en soufre et en aromatiques, complétée à concurrence d'au moins 7 p.c. vol de bioéthanol relevant du code NC 2207 10 00 d'un titre alcoométrique volumique d'au moins 99 p.c. vol, pur ou sous la forme d'ETBE relevant du code NC 2909 19 00, et qui n'est pas d'origine synthétique :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 296,5739 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C;
c) essence sans plomb relevant des codes NC 2710 11 41 et 2710 11 45 :
i) non mélangée :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 339,5238 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C;
ii) complétée à concurrence d'au moins 7 p.c. vol de bioéthanol relevant du code NC 2207 10 00 d'un titre alcoométrique volumique d'au moins 99 p.c. vol, pur ou sous la forme d'ETBE relevant du code NC 2909 19 00, et qui n'est pas d'origine synthétique :
- droit d'accise : 245,4146 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 296,5739 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 28,6317 euros par 1.000 litres à 15 °C; ";
2° le e), i) est remplacé par :
" e) gasoil relevant des codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49 d'une teneur en poids de soufre excédant 10 mg/kg :
i) utilisé comme carburant :
- droit d'accise : 198,3148 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 154,7063 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1.000 litres à 15 °C; ";
3° le f), i) est remplacé par :
" f) gasoil relevant du code NC 2710 19 41 d'une teneur en poids de soufre n'excédant pas 10 mg/kg :
i) utilisé comme carburant :
* non mélangé :
- droit d'accise : 198,3148 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 139,7063 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1.000 litres à 15 °C;
** complété à concurrence d'au moins 5 p.c. vol d'EMAG relevant du code NC 3824 90 99 et correspondant à la norme NBN-EN 14214 :
- droit d'accise : 198,3148 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- droit d'accise spécial : 122,0616 euros par 1.000 litres à 15 °C;
- cotisation sur l'énergie : 14,8736 euros par 1.000 litres à 15 °C; ".
Art. 162. Artikel 420, § 3, a), van dezelfde programmawet, wordt vervangen als volgt :
" § 3 a) Het tarief van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, e), i) en f), i), voor gasolie van de GN-codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49 zal verhogen, met ingang van 1 januari 2010, met een maximumbedrag van 40 euro per 1.000 liter bij 15 °C en met ingang van 1 januari 2011, met een maximumbedrag van 40 euro per 1.000 liter bij 15 °C, overeenkomstig de procedure bepaald onder b). ".
" § 3 a) Het tarief van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, e), i) en f), i), voor gasolie van de GN-codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49 zal verhogen, met ingang van 1 januari 2010, met een maximumbedrag van 40 euro per 1.000 liter bij 15 °C en met ingang van 1 januari 2011, met een maximumbedrag van 40 euro per 1.000 liter bij 15 °C, overeenkomstig de procedure bepaald onder b). ".
Art. 162. L'article 420, § 3, a), de la même loi-programme, est remplacé par ce qui suit :
" § 3 a) Le taux du droit d'accise spécial fixé à l'article 419, e), i) et f), i), pour le gasoil des codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49, augmentera, à partir du 1er janvier 2010, d'un montant maximum de 40 euros par 1.000 litres à 15 °C et à partir du 1er janvier 2011, d'un montant maximum de 40 euros par 1.000 litres à 15 °C, selon la procédure prévue sur b). ".
" § 3 a) Le taux du droit d'accise spécial fixé à l'article 419, e), i) et f), i), pour le gasoil des codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49, augmentera, à partir du 1er janvier 2010, d'un montant maximum de 40 euros par 1.000 litres à 15 °C et à partir du 1er janvier 2011, d'un montant maximum de 40 euros par 1.000 litres à 15 °C, selon la procédure prévue sur b). ".
Art. 163. In artikel 429, § 5, 1), van dezelfde programmawet, wordt de inleidende zin vervangen als volgt :
" De gasolie bedoeld in artikel 419, f), i), is vrijgesteld van de verhoging van de bijzondere accijns na 1 januari 2010, aan de hand van een terugbetaling, die verhoging vastgesteld zijnde op basis van het referentiebelastingniveau van 116,8116 euro per 1.000 liter bij 15 °C, indien deze gasolie wordt gebruikt voor : ".
" De gasolie bedoeld in artikel 419, f), i), is vrijgesteld van de verhoging van de bijzondere accijns na 1 januari 2010, aan de hand van een terugbetaling, die verhoging vastgesteld zijnde op basis van het referentiebelastingniveau van 116,8116 euro per 1.000 liter bij 15 °C, indien deze gasolie wordt gebruikt voor : ".
Art. 163. A l'article 429, § 5, 1), de la même loi-programme, la phrase liminaire est remplacée comme suit :
" Le gasoil visé à l'article 429, f), i), est exempté de l'augmentation du droit d'accise spécial intervenant après le 1er janvier 2010, par la voie d'un remboursement, l'augmentation étant fixée par rapport au taux de référence de 116,8116 euros par 1.000 litres à 15 °C, lorsqu'il est utilisé aux fins ci-après : ".
" Le gasoil visé à l'article 429, f), i), est exempté de l'augmentation du droit d'accise spécial intervenant après le 1er janvier 2010, par la voie d'un remboursement, l'augmentation étant fixée par rapport au taux de référence de 116,8116 euros par 1.000 litres à 15 °C, lorsqu'il est utilisé aux fins ci-après : ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, en het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, à la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement, et à l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à promouvoir la stabilité financière et instituant en particulier une garantie d'Etat relative aux crédits octroyés et autres opérations effectuées dans le cadre de la stabilité financière, en ce qui concerne la protection des dépôts et des assurances sur la vie, et modifiant la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
Art. 164. In artikel 110bis 2, § 2, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gewijzigd bij de wet van 17 december 1998 en de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 14 november 2008, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" Voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld uiterlijk op 6 oktober 2008 voorzien de depositobeschermingsregelingen ingesteld of beheerd door het Fonds, ten belope van ten minste 20.000 euro of de tegenwaarde van dit bedrag, in terugbetaling van de deposito's en kasbons, obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen op naam, gedematerialiseerd of in open bewaargeving die in de oprichtingsakte van deze regelingen zijn gedefinieerd overeenkomstig het Europees recht en zijn uitgedrukt in euro of in de munt van een Lidstaat die de eenheidsmunt niet heeft aangenomen. Tot 31 december 1999 wordt voornoemd bedrag van 20.000 euro vervangen door het bedrag van 15.000 euro. Het voornoemde bedrag van 20.000 euro wordt, voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld vanaf 7 oktober 2008 en uiterlijk op 31 december 2010, vervangen door het bedrag van 50.000 euro. Voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld vanaf 1 januari 2011 doet het Fonds slechts een terugbetaling in de mate dat zijn interventiereserve en de staatswaarborg bedoeld in artikel 110sexies volstaan om eerst de financiële instrumenten bedoeld in artikel 113, § 2, eerste lid, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen en vervolgens de voormelde deposito's, kasbons, obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen, alsook de gelddeposito's bedoeld in artikel 113, § 2, tweede lid, van de voormelde wet van 6 april 1995 terug te betalen of te vergoeden. Deze terugbetaling door het Fonds is tevens beperkt tot de tegemoetkoming van maximum 100.000 euro door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ".
" Voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld uiterlijk op 6 oktober 2008 voorzien de depositobeschermingsregelingen ingesteld of beheerd door het Fonds, ten belope van ten minste 20.000 euro of de tegenwaarde van dit bedrag, in terugbetaling van de deposito's en kasbons, obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen op naam, gedematerialiseerd of in open bewaargeving die in de oprichtingsakte van deze regelingen zijn gedefinieerd overeenkomstig het Europees recht en zijn uitgedrukt in euro of in de munt van een Lidstaat die de eenheidsmunt niet heeft aangenomen. Tot 31 december 1999 wordt voornoemd bedrag van 20.000 euro vervangen door het bedrag van 15.000 euro. Het voornoemde bedrag van 20.000 euro wordt, voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld vanaf 7 oktober 2008 en uiterlijk op 31 december 2010, vervangen door het bedrag van 50.000 euro. Voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld vanaf 1 januari 2011 doet het Fonds slechts een terugbetaling in de mate dat zijn interventiereserve en de staatswaarborg bedoeld in artikel 110sexies volstaan om eerst de financiële instrumenten bedoeld in artikel 113, § 2, eerste lid, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen en vervolgens de voormelde deposito's, kasbons, obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen, alsook de gelddeposito's bedoeld in artikel 113, § 2, tweede lid, van de voormelde wet van 6 april 1995 terug te betalen of te vergoeden. Deze terugbetaling door het Fonds is tevens beperkt tot de tegemoetkoming van maximum 100.000 euro door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ".
Art. 164. Dans l'article 110bis 2, § 2, de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, modifié par la loi du 17 décembre 1998 et par les arrêtés royaux des 20 juillet 2000 et 14 novembre 2008, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Pour les cas de défaillance constatés au plus tard le 6 octobre 2008, les systèmes de protection des dépôts institués ou gérés par le Fonds prévoient le remboursement, à concurrence d'au moins 20.000 euros, ou de la contrevaleur de cette somme, des dépôts et des bons de caisse, obligations et autres titres bancaires de créances nominatifs, dématérialisés ou en dépôts à découvert, libellés en euro ou en devises d'Etats membres qui n'ont pas adopté la monnaie unique, tels que ces dépôts et titres sont définis, conformément au droit européen, par les actes constitutifs de ces systèmes. La somme précitée de 20.000 euros est, jusqu'au 31 décembre 1999, remplacée par celle de 15.000 euros. La somme précitée de 20.000 euros est, pour les cas de défaillance constatés à partir du 7 octobre 2008 et au plus tard le 31 décembre 2010, remplacée par celle de 50.000 euros. Pour les cas de défaillance constatés à partir du 1er janvier 2011, le Fonds ne rembourse que dans la mesure où sa réserve d'intervention et la garantie d'Etat visée à l'article 110sexies sont suffisantes pour rembourser ou indemniser d'abord les instruments financiers visés à l'article 113, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement et ensuite les dépôts, bons de caisse, obligations et autres titres bancaires de créances précités, ainsi que les dépôts de fonds visés à l'article 113, § 2, alinéa 2, de la loi du 6 avril 1995 précitée. Ce remboursement par le Fonds est aussi limité à l'intervention d'un maximum de 100.000 euros par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie, visés à l'article 6, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à promouvoir la stabilité financière et instituant en particulier une garantie d'Etat relative aux crédits octroyés et autres opérations effectuées dans le cadre de la stabilité financière, en ce qui concerne la protection des dépôts et des assurances sur la vie, et modifiant la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. ".
" Pour les cas de défaillance constatés au plus tard le 6 octobre 2008, les systèmes de protection des dépôts institués ou gérés par le Fonds prévoient le remboursement, à concurrence d'au moins 20.000 euros, ou de la contrevaleur de cette somme, des dépôts et des bons de caisse, obligations et autres titres bancaires de créances nominatifs, dématérialisés ou en dépôts à découvert, libellés en euro ou en devises d'Etats membres qui n'ont pas adopté la monnaie unique, tels que ces dépôts et titres sont définis, conformément au droit européen, par les actes constitutifs de ces systèmes. La somme précitée de 20.000 euros est, jusqu'au 31 décembre 1999, remplacée par celle de 15.000 euros. La somme précitée de 20.000 euros est, pour les cas de défaillance constatés à partir du 7 octobre 2008 et au plus tard le 31 décembre 2010, remplacée par celle de 50.000 euros. Pour les cas de défaillance constatés à partir du 1er janvier 2011, le Fonds ne rembourse que dans la mesure où sa réserve d'intervention et la garantie d'Etat visée à l'article 110sexies sont suffisantes pour rembourser ou indemniser d'abord les instruments financiers visés à l'article 113, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement et ensuite les dépôts, bons de caisse, obligations et autres titres bancaires de créances précités, ainsi que les dépôts de fonds visés à l'article 113, § 2, alinéa 2, de la loi du 6 avril 1995 précitée. Ce remboursement par le Fonds est aussi limité à l'intervention d'un maximum de 100.000 euros par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie, visés à l'article 6, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à promouvoir la stabilité financière et instituant en particulier une garantie d'Etat relative aux crédits octroyés et autres opérations effectuées dans le cadre de la stabilité financière, en ce qui concerne la protection des dépôts et des assurances sur la vie, et modifiant la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. ".
Art. 165. In artikel 113, § 2, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 november 2008, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
" Voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld uiterlijk op 6 oktober 2008 houdt de schadeloosstelling van beleggers de terugbetaling in, ten belope van de in het eerste lid vastgestelde bedragen, van de gelddeposito's die voor rekening van de beleggers worden gehouden in het vooruitzicht dat zij voor de verwerving van financiële instrumenten of hun terugbetaling zullen worden aangewend. Het in het eerste lid vastgestelde bedrag van 20.000 euro wordt, voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld vanaf 7 oktober 2008 en uiterlijk op 31 december 2010, vervangen door het bedrag van 50.000 euro vastgesteld in artikel 110bis 2, § 2, eerste lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. Voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld vanaf 1 januari 2011 doet het Fonds slechts een terugbetaling in de mate dat zijn interventiereserve en de staatswaarborg bedoeld in artikel 110sexies van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen volstaan om eerst de financiële instrumenten bedoeld in het eerste lid en vervolgens de voormelde gelddeposito's, alsook de deposito's, kasbons, obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen bedoeld in artikel 110bis 2, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 22 maart 1993 terug te betalen of te vergoeden. Deze terugbetaling door het Fonds is tevens beperkt tot de tegemoetkoming van maximum 100.000 euro door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen, waarvan sprake in artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ".
" Voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld uiterlijk op 6 oktober 2008 houdt de schadeloosstelling van beleggers de terugbetaling in, ten belope van de in het eerste lid vastgestelde bedragen, van de gelddeposito's die voor rekening van de beleggers worden gehouden in het vooruitzicht dat zij voor de verwerving van financiële instrumenten of hun terugbetaling zullen worden aangewend. Het in het eerste lid vastgestelde bedrag van 20.000 euro wordt, voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld vanaf 7 oktober 2008 en uiterlijk op 31 december 2010, vervangen door het bedrag van 50.000 euro vastgesteld in artikel 110bis 2, § 2, eerste lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. Voor de gevallen van het in gebreke blijven vastgesteld vanaf 1 januari 2011 doet het Fonds slechts een terugbetaling in de mate dat zijn interventiereserve en de staatswaarborg bedoeld in artikel 110sexies van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen volstaan om eerst de financiële instrumenten bedoeld in het eerste lid en vervolgens de voormelde gelddeposito's, alsook de deposito's, kasbons, obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen bedoeld in artikel 110bis 2, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 22 maart 1993 terug te betalen of te vergoeden. Deze terugbetaling door het Fonds is tevens beperkt tot de tegemoetkoming van maximum 100.000 euro door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen, waarvan sprake in artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ".
Art. 165. Dans l'article 113, § 2, de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement, modifié par l'arrêté royal du 14 novembre 2008, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Pour les cas de défaillance constatés au plus tard le 6 octobre 2008, l'indemnisation des investisseurs comprend, à concurrence des montants fixés à l'alinéa 1er, le remboursement des dépôts de fonds détenus pour le compte des investisseurs en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers ou en attente de restitution. Le montant de 20.000 euros fixé à l'alinéa 1er est, pour les cas de défaillance constatés à partir du 7 octobre 2008 et au plus tard le 31 décembre 2010, remplacé par le montant de 50.000 euros fixé par l'article 110bis 2, § 2, alinéa 1er, de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit. Pour les cas de défaillance constatés à partir du 1er janvier 2011, le Fonds ne rembourse que dans la mesure où sa réserve d'intervention et la garantie de l'Etat visé à l'article 110sexies de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit sont suffisantes pour rembourser ou indemniser d'abord les instruments financiers visés à l'alinéa 1er, et ensuite les dépôts de fonds précités, ainsi que les dépôts, bons de caisse, obligations et autres titres bancaires de créances visés à l'article 110bis 2, § 2, alinéa 1er, de la loi du 22 mars 1993 précitée. Ce remboursement par le Fonds est aussi limité à l'intervention d'un maximum de 100.000 euros par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie, visés à l'article 6, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à promouvoir la stabilité financière et instituant en particulier une garantie d'Etat relative aux crédits octroyés et autres opérations effectuées dans le cadre de la stabilité financière, en ce qui concerne la protection des dépôts et des assurances sur la vie, et modifiant la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. ".
" Pour les cas de défaillance constatés au plus tard le 6 octobre 2008, l'indemnisation des investisseurs comprend, à concurrence des montants fixés à l'alinéa 1er, le remboursement des dépôts de fonds détenus pour le compte des investisseurs en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers ou en attente de restitution. Le montant de 20.000 euros fixé à l'alinéa 1er est, pour les cas de défaillance constatés à partir du 7 octobre 2008 et au plus tard le 31 décembre 2010, remplacé par le montant de 50.000 euros fixé par l'article 110bis 2, § 2, alinéa 1er, de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit. Pour les cas de défaillance constatés à partir du 1er janvier 2011, le Fonds ne rembourse que dans la mesure où sa réserve d'intervention et la garantie de l'Etat visé à l'article 110sexies de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit sont suffisantes pour rembourser ou indemniser d'abord les instruments financiers visés à l'alinéa 1er, et ensuite les dépôts de fonds précités, ainsi que les dépôts, bons de caisse, obligations et autres titres bancaires de créances visés à l'article 110bis 2, § 2, alinéa 1er, de la loi du 22 mars 1993 précitée. Ce remboursement par le Fonds est aussi limité à l'intervention d'un maximum de 100.000 euros par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie, visés à l'article 6, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à promouvoir la stabilité financière et instituant en particulier une garantie d'Etat relative aux crédits octroyés et autres opérations effectuées dans le cadre de la stabilité financière, en ce qui concerne la protection des dépôts et des assurances sur la vie, et modifiant la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. ".
Art. 166. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
" § 2. Dienen er eveneens aan deel te nemen de levensverzekeringsondernemingen erkend in de hoedanigheid van verzekeraar van levensverzekeringen met gewaarborgd rendement, behorend tot tak 21 zoals bepaald in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen.
De in het eerste lid bedoelde verzekeringsondernemingen delen aan het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen het bedrag van de te beschermen verbintenissen ten overstaan van de verzekeringsnemers en begunstigden mee, alsook het bedrag en de samenstelling van de erop betrekking hebbende dekkingswaarden. De Koning kan de andere inlichtingen bepalen die deze verzekeringsondernemingen aan het Bijzonder Beschermingsfonds dienen mee te delen.
De Koning kan bijkomende verplichtingen in verband met hun deelname opleggen aan de in het eerste lid bedoelde verzekeringsondernemingen.
De bescherming verstrekt door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen treedt in werking vanaf de ontvangst van de betaling van de jaarlijkse bijdrage door de verzekeringsonderneming. ".
" § 2. Dienen er eveneens aan deel te nemen de levensverzekeringsondernemingen erkend in de hoedanigheid van verzekeraar van levensverzekeringen met gewaarborgd rendement, behorend tot tak 21 zoals bepaald in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen.
De in het eerste lid bedoelde verzekeringsondernemingen delen aan het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen het bedrag van de te beschermen verbintenissen ten overstaan van de verzekeringsnemers en begunstigden mee, alsook het bedrag en de samenstelling van de erop betrekking hebbende dekkingswaarden. De Koning kan de andere inlichtingen bepalen die deze verzekeringsondernemingen aan het Bijzonder Beschermingsfonds dienen mee te delen.
De Koning kan bijkomende verplichtingen in verband met hun deelname opleggen aan de in het eerste lid bedoelde verzekeringsondernemingen.
De bescherming verstrekt door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen treedt in werking vanaf de ontvangst van de betaling van de jaarlijkse bijdrage door de verzekeringsonderneming. ".
Art. 166. Dans l'article 4 de l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à promouvoir la stabilité financière et instituant en particulier une garantie d'Etat relative aux crédits octroyés et autres opérations effectuées dans le cadre de la stabilité financière, en ce qui concerne la protection des dépôts et des assurances sur la vie, et modifiant la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Doivent également y participer les entreprises d'assurances sur la vie agréées à souscrire en qualité d'assureur des assurances sur la vie avec rendement garanti, relevant de la branche 21 telle que visée à l'annexe 1 de l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances.
Les entreprises d'assurances visées à l'alinéa 1er communiquent au Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie, le montant des engagements à protéger vis-à-vis des preneurs d'assurance et des bénéficiaires, ainsi que le montant et la composition des valeurs représentatives y afférentes. Le Roi peut déterminer les autres renseignements que ces entreprises d'assurances doivent communiquer au Fonds spécial de protection.
Le Roi peut imposer aux entreprises d'assurances visées à l'alinéa 1er, des obligations supplémentaires en rapport avec leur adhésion.
La protection offerte par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie est effective à partir de la réception du paiement de la contribution annuelle de l'entreprise d'assurances. ".
" § 2. Doivent également y participer les entreprises d'assurances sur la vie agréées à souscrire en qualité d'assureur des assurances sur la vie avec rendement garanti, relevant de la branche 21 telle que visée à l'annexe 1 de l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances.
Les entreprises d'assurances visées à l'alinéa 1er communiquent au Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie, le montant des engagements à protéger vis-à-vis des preneurs d'assurance et des bénéficiaires, ainsi que le montant et la composition des valeurs représentatives y afférentes. Le Roi peut déterminer les autres renseignements que ces entreprises d'assurances doivent communiquer au Fonds spécial de protection.
Le Roi peut imposer aux entreprises d'assurances visées à l'alinéa 1er, des obligations supplémentaires en rapport avec leur adhésion.
La protection offerte par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie est effective à partir de la réception du paiement de la contribution annuelle de l'entreprise d'assurances. ".
Art. 167. In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen komt tegemoet ten belope van 100.000 euro. ";
2° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
" In geval een instelling bedoeld in artikel 4, § 1, met uitzondering van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, in gebreke blijft, komt het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen slechts tegemoet in de mate dat de interventiereserve van het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten en de staatswaarborg bedoeld in artikel 110sexies van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, niet volstaan om eerst de financiële instrumenten bedoeld in artikel 113, § 2, eerste lid, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen en vervolgens de deposito's, kasbons, obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen bedoeld in artikel 110bis 2, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 22 maart 1993, alsook de gelddeposito's bedoeld in artikel 113, § 2, tweede lid, van de voormelde wet van 6 april 1995 terug te betalen of te vergoeden. ";
3° in het tweede lid worden de woorden " de toetredende verzekeringsinstelling " vervangen door de woorden " de verzekeringsonderneming ";
4° in het vijfde lid wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
" 1° hetzij wanneer de verzekeringsonderneming failliet is verklaard of een verzoek tot gerechtelijke reorganisatie heeft ingediend of gerechtelijk is ontbonden; ".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen komt tegemoet ten belope van 100.000 euro. ";
2° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
" In geval een instelling bedoeld in artikel 4, § 1, met uitzondering van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, in gebreke blijft, komt het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen slechts tegemoet in de mate dat de interventiereserve van het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten en de staatswaarborg bedoeld in artikel 110sexies van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, niet volstaan om eerst de financiële instrumenten bedoeld in artikel 113, § 2, eerste lid, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen en vervolgens de deposito's, kasbons, obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen bedoeld in artikel 110bis 2, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 22 maart 1993, alsook de gelddeposito's bedoeld in artikel 113, § 2, tweede lid, van de voormelde wet van 6 april 1995 terug te betalen of te vergoeden. ";
3° in het tweede lid worden de woorden " de toetredende verzekeringsinstelling " vervangen door de woorden " de verzekeringsonderneming ";
4° in het vijfde lid wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
" 1° hetzij wanneer de verzekeringsonderneming failliet is verklaard of een verzoek tot gerechtelijke reorganisatie heeft ingediend of gerechtelijk is ontbonden; ".
Art. 167. Dans l'article 6 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie intervient à concurrence de 100.000 euros." ;
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" En cas de défaillance d'une institution visée à l'article 4, § 1er, à l'exception d'une société de gestion de fortune et de conseil en investissement, ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif, le Fonds spécial de protection des dépôts et des entreprises d'assurances sur la vie n'intervient que dans la mesure où la réserve d'intervention du Fonds de protection des dépôts et des instruments financiers et la garantie d'Etat visée à l'article 110sexies de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ne suffissent pas pour rembourser ou indemniser d'abord les instruments financiers visés à l'article 113, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement et ensuite les dépôts, bons de caisse, obligations et autres titres bancaires de créances visés à l'article 110bis 2, § 2, alinéa 1er, de la loi du 22 mars 1993 précitée, ainsi que les dépôts de fonds visés à l'article 113, § 2, alinéa 2, de la loi du 6 avril 1995 précitée. " ;
3° dans l'alinéa 2, les mots " l'entreprise d'assurances adhérente " sont remplacés par les mots " l'entreprise d'assurances ";
4° dans l'alinéa 5, le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° soit lorsque l'entreprise d'assurances est déclarée en faillite ou a déposé une requête de réorganisation judiciaire ou est l'objet d'une dissolution judiciaire; ".
1° le alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie intervient à concurrence de 100.000 euros." ;
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" En cas de défaillance d'une institution visée à l'article 4, § 1er, à l'exception d'une société de gestion de fortune et de conseil en investissement, ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif, le Fonds spécial de protection des dépôts et des entreprises d'assurances sur la vie n'intervient que dans la mesure où la réserve d'intervention du Fonds de protection des dépôts et des instruments financiers et la garantie d'Etat visée à l'article 110sexies de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ne suffissent pas pour rembourser ou indemniser d'abord les instruments financiers visés à l'article 113, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement et ensuite les dépôts, bons de caisse, obligations et autres titres bancaires de créances visés à l'article 110bis 2, § 2, alinéa 1er, de la loi du 22 mars 1993 précitée, ainsi que les dépôts de fonds visés à l'article 113, § 2, alinéa 2, de la loi du 6 avril 1995 précitée. " ;
3° dans l'alinéa 2, les mots " l'entreprise d'assurances adhérente " sont remplacés par les mots " l'entreprise d'assurances ";
4° dans l'alinéa 5, le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° soit lorsque l'entreprise d'assurances est déclarée en faillite ou a déposé une requête de réorganisation judiciaire ou est l'objet d'une dissolution judiciaire; ".
Art. 168. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 7. Het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen wordt gefinancierd door de jaarlijkse bijdragen van zijn deelnemers, de toegangsrechten voor de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1° tot 3°, met uitzondering van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, en de toegangsrechten die gelden voor de verzekeringsondernemingen die vóór 1 januari 2011 op hun aanvraag deelnemen. ".
" Art. 7. Het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen wordt gefinancierd door de jaarlijkse bijdragen van zijn deelnemers, de toegangsrechten voor de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1° tot 3°, met uitzondering van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, en de toegangsrechten die gelden voor de verzekeringsondernemingen die vóór 1 januari 2011 op hun aanvraag deelnemen. ".
Art. 168. L'article 7 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7. Le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie est financé par les contributions annuelles de ses adhérents, les droits d'entrée des établissements de crédit et des entreprises d'investissement visés à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, 1° à 3°, à l'exception des sociétés de gestion de fortune et de conseil en investissement, et les droits d'entrée des entreprises d'assurances qui demandent leur adhésion avant le 1er janvier 2011. ".
" Art. 7. Le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie est financé par les contributions annuelles de ses adhérents, les droits d'entrée des établissements de crédit et des entreprises d'investissement visés à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, 1° à 3°, à l'exception des sociétés de gestion de fortune et de conseil en investissement, et les droits d'entrée des entreprises d'assurances qui demandent leur adhésion avant le 1er janvier 2011. ".
Art. 169. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden " een bijdrage van 0,31 °/°° " vervangen door de woorden " een bijdrage van 0,15 pct. ";
2° in paragraaf 1, 2°, worden de woorden " een bijdrage van 0,50 °/°° " vervangen door de woorden " een bijdrage van 0,15 pct. van het bedrag op 30 september van het vorige jaar, ";
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " voor de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, eerste lid, " ingevoegd tussen de woorden " " het toegangsrecht " en de woorden " wordt vastgesteld ";
4° met ingang van 1 januari 2011 wordt paragraaf 2 opgeheven;
5° paragraaf 3, waarvan de bestaande tekst paragraaf 4 zal vormen, wordt vervangen als volgt :
" § 3. Het bedrag van het toegangsrecht voor de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 4, § 1, 1° tot 3°, met uitzondering van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, wordt vastgesteld op 0,10 pct. van het bedrag op 30 september 2010 van de deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling. De ene helft van dit bedrag wordt betaald ten laatste op 15 december 2010 en de andere helft ten laatste op 15 januari 2011.
De Koning kan, op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, de waarderings- en berekeningswijze vaststellen voor het toegangsrecht dat moet worden gestort door de in het eerste lid bedoelde kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die vanaf 16 december 2010 voor het eerst deelnemen en waarvoor onvoldoende bijdragen worden ingebracht, afkomstig van een depositobeschermingsregeling waaraan zij vroeger hebben deelgenomen of die van de in artikel 110sexies van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen bedoelde waarborg niet genieten. Hij kan de modaliteiten voor de betaling van dit toegangsrecht vaststellen. ".
1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden " een bijdrage van 0,31 °/°° " vervangen door de woorden " een bijdrage van 0,15 pct. ";
2° in paragraaf 1, 2°, worden de woorden " een bijdrage van 0,50 °/°° " vervangen door de woorden " een bijdrage van 0,15 pct. van het bedrag op 30 september van het vorige jaar, ";
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " voor de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 4, § 2, eerste lid, " ingevoegd tussen de woorden " " het toegangsrecht " en de woorden " wordt vastgesteld ";
4° met ingang van 1 januari 2011 wordt paragraaf 2 opgeheven;
5° paragraaf 3, waarvan de bestaande tekst paragraaf 4 zal vormen, wordt vervangen als volgt :
" § 3. Het bedrag van het toegangsrecht voor de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 4, § 1, 1° tot 3°, met uitzondering van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, wordt vastgesteld op 0,10 pct. van het bedrag op 30 september 2010 van de deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling. De ene helft van dit bedrag wordt betaald ten laatste op 15 december 2010 en de andere helft ten laatste op 15 januari 2011.
De Koning kan, op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, de waarderings- en berekeningswijze vaststellen voor het toegangsrecht dat moet worden gestort door de in het eerste lid bedoelde kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die vanaf 16 december 2010 voor het eerst deelnemen en waarvoor onvoldoende bijdragen worden ingebracht, afkomstig van een depositobeschermingsregeling waaraan zij vroeger hebben deelgenomen of die van de in artikel 110sexies van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen bedoelde waarborg niet genieten. Hij kan de modaliteiten voor de betaling van dit toegangsrecht vaststellen. ".
Art. 169. Dans l'article 8 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots " une contribution de 0,31 °/°° " sont remplacés par les mots " une contribution de 0,15 p.c. ";
2° dans le paragraphe 1er, 2°, les mots " une contribution de 0,50 °/°° " sont remplacés par les mots " une contribution de 0,15 p.c. du montant au 30 septembre de l'année précédente, ";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " pour les entreprises d'assurances visées à l'article 4, § 2, alinéa 1er " sont insérés entre les mots " Le montant du droit d'entrée " et les mots " est fixé ";
4° au 1er janvier 2011, le paragraphe 2 est abrogé;
5° le paragraphe 3, dont le texte actuel formera le paragraphe 4, est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le montant du droit d'entrée des établissements de crédit et des entreprises d'investissement visés à l'article 4, § 1er, 1° à 3°, à l'exception des sociétés de gestion de fortune et de conseil en investissement, est fixé à 0,10 p.c. de l'encours au 30 septembre 2010 des dépôts éligibles au remboursement. La première moitié de ce montant est payée au plus tard le 15 décembre 2010 et l'autre moitié au plus tard le 15 janvier 2011.
Le Roi peut, sur avis de la Commission bancaire, financière et des Assurances, déterminer le mode d'évaluation et de calcul du droit d'entrée à verser par les établissements de crédit et les entreprises d'investissement visés à l'alinéa 1er, adhérant pour la première fois à partir du 16 décembre 2010 et pour lesquels ne sont pas versées des contributions suffisantes apportées par un système de protection des dépôts auquel ils ont adhéré antérieurement ou qui ne bénéficient pas de la garantie visée à l'article 110sexies de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit. Il peut déterminer les modalités de paiement de ce droit d'entrée. ".
1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots " une contribution de 0,31 °/°° " sont remplacés par les mots " une contribution de 0,15 p.c. ";
2° dans le paragraphe 1er, 2°, les mots " une contribution de 0,50 °/°° " sont remplacés par les mots " une contribution de 0,15 p.c. du montant au 30 septembre de l'année précédente, ";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " pour les entreprises d'assurances visées à l'article 4, § 2, alinéa 1er " sont insérés entre les mots " Le montant du droit d'entrée " et les mots " est fixé ";
4° au 1er janvier 2011, le paragraphe 2 est abrogé;
5° le paragraphe 3, dont le texte actuel formera le paragraphe 4, est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le montant du droit d'entrée des établissements de crédit et des entreprises d'investissement visés à l'article 4, § 1er, 1° à 3°, à l'exception des sociétés de gestion de fortune et de conseil en investissement, est fixé à 0,10 p.c. de l'encours au 30 septembre 2010 des dépôts éligibles au remboursement. La première moitié de ce montant est payée au plus tard le 15 décembre 2010 et l'autre moitié au plus tard le 15 janvier 2011.
Le Roi peut, sur avis de la Commission bancaire, financière et des Assurances, déterminer le mode d'évaluation et de calcul du droit d'entrée à verser par les établissements de crédit et les entreprises d'investissement visés à l'alinéa 1er, adhérant pour la première fois à partir du 16 décembre 2010 et pour lesquels ne sont pas versées des contributions suffisantes apportées par un système de protection des dépôts auquel ils ont adhéré antérieurement ou qui ne bénéficient pas de la garantie visée à l'article 110sexies de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit. Il peut déterminer les modalités de paiement de ce droit d'entrée. ".
(NOTA : bij arrest nr. 115/2011 van 23-06-2011 (B.St. 11-08-2011, p. 45797-45802), heeft Het Grondwettelijk Hof artikel 169, 1° vernietigd maar handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot 31 december 2011)
(NOTE : par son arrêt n° 115/2011 du 23-06-2011 (M.B. 11-08-2011, p. 45802-45807), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 169, 1°, mais elle maintient les effets de la disposition annulée jusqu'au 31 décembre 2011)
Art. 170. In hetzelfde besluit wordt een artikel 8/1 ingevoegd, luidende :
" Art. 8/1. De schuldvorderingen in hoofdsom en de bijkomende schuldvorderingen van het Bijzonder Fonds voor deposito's en levensverzekeringen op een instelling in het kader van de middelen van de beschermingsregelingen voor deposito's en levensverzekeringen, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen van die instelling.
Het in het eerste lid bedoelde voorrecht komt onmiddellijk na de voorrechten vermeld in artikel 19, 4°nonies, van de wet van 16 december 1851 (Hypotheekwet).
De toewijzing bij voorkeur, ingevoerd bij artikel 19 in fine van de wet van 16 december 1851, is van toepassing op de schuldvorderingen van het Fonds bedoeld in het eerste lid. "
" Art. 8/1. De schuldvorderingen in hoofdsom en de bijkomende schuldvorderingen van het Bijzonder Fonds voor deposito's en levensverzekeringen op een instelling in het kader van de middelen van de beschermingsregelingen voor deposito's en levensverzekeringen, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen van die instelling.
Het in het eerste lid bedoelde voorrecht komt onmiddellijk na de voorrechten vermeld in artikel 19, 4°nonies, van de wet van 16 december 1851 (Hypotheekwet).
De toewijzing bij voorkeur, ingevoerd bij artikel 19 in fine van de wet van 16 december 1851, is van toepassing op de schuldvorderingen van het Fonds bedoeld in het eerste lid. "
Art. 170. Un article 8/1 rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
" Art. 8/1. Les créances du Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie en principal et accessoires, sur une institution au titre des ressources des systèmes de protection des dépôts et des assurances sur la vie, sont privilégiées sur la généralité des biens meubles de cette institution.
Le privilège visé à l'alinéa 1er prend rang immédiatement après les privilèges mentionnés à l'article 19, 4°nonies de la loi du 16 décembre 1851 (Loi hypothéquaire).
L'affectation par préférence, créée par l'article 19 in fine de la loi du 16 décembre 1851, est applicable aux créances du Fonds visées à l'alinéa 1er. "
" Art. 8/1. Les créances du Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie en principal et accessoires, sur une institution au titre des ressources des systèmes de protection des dépôts et des assurances sur la vie, sont privilégiées sur la généralité des biens meubles de cette institution.
Le privilège visé à l'alinéa 1er prend rang immédiatement après les privilèges mentionnés à l'article 19, 4°nonies de la loi du 16 décembre 1851 (Loi hypothéquaire).
L'affectation par préférence, créée par l'article 19 in fine de la loi du 16 décembre 1851, est applicable aux créances du Fonds visées à l'alinéa 1er. "
Art. 171. In artikel 9 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Wanneer de klant slechts voor een deel van zijn vordering door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen schadeloos wordt gesteld, staat hij, in afwijking van artikel 1252 van het Burgerlijk Wetboek, in rang gelijk met het Fonds voor de uitoefening van zijn rechten met betrekking tot hetgeen hem nog verschuldigd blijft. ";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden " artikel 4, § 1 " vervangen door de woorden " artikel 4 ";
3° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden " een in gebreke gebleven verzekeringsonderneming " vervangen door de woorden " een vóór 1 januari 2011 in gebreke gebleven verzekeringsonderneming ".
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Wanneer de klant slechts voor een deel van zijn vordering door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen schadeloos wordt gesteld, staat hij, in afwijking van artikel 1252 van het Burgerlijk Wetboek, in rang gelijk met het Fonds voor de uitoefening van zijn rechten met betrekking tot hetgeen hem nog verschuldigd blijft. ";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden " artikel 4, § 1 " vervangen door de woorden " artikel 4 ";
3° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden " een in gebreke gebleven verzekeringsonderneming " vervangen door de woorden " een vóór 1 januari 2011 in gebreke gebleven verzekeringsonderneming ".
Art. 171. Dans l'article 9 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Lorsque le client n'a été désintéressé par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie que pour une partie de sa créance, il ne peut, par dérogation à l'article 1252 du Code civil, exercer ses droits pour ce qui lui reste dû, qu'à rang égal avec le Fonds. ";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " article 4, § 1er " sont remplacés par les mots " article 4 ";
3° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots " d'une entreprise d'assurances défaillante " sont remplacés par les mots " d'une entreprise d'assurances défaillante avant le 1er janvier 2011 ".
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Lorsque le client n'a été désintéressé par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie que pour une partie de sa créance, il ne peut, par dérogation à l'article 1252 du Code civil, exercer ses droits pour ce qui lui reste dû, qu'à rang égal avec le Fonds. ";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " article 4, § 1er " sont remplacés par les mots " article 4 ";
3° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots " d'une entreprise d'assurances défaillante " sont remplacés par les mots " d'une entreprise d'assurances défaillante avant le 1er janvier 2011 ".
Art. 172. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 164 tot 166, 167, 1°, 2° en 3°, 169, 1°, 2° en 4°, en 171, 2°, die in werking treden op 1 januari 2011.
Art. 172. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l'exception des articles 164 à 166, 167, 1°, 2° et 3°, 169, 1°, 2° et 4°, et 171, 2°, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2011.
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de economische herstelwet van 27 maart 2009
CHAPITRE 7. - Modification de la loi de relance économique du 27 mars 2009
Art. 173. In artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " uitgaven als bedoeld in artikel 14524, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 " vervangen door de woorden " uitgaven als bedoeld in artikel 14524, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals dat van toepassing is voor het aanslagjaar 2010 ";
2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de werken in verband met de in het eerste lid bedoelde uitgaven moeten voldoen. ".
1° in het eerste lid worden de woorden " uitgaven als bedoeld in artikel 14524, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 " vervangen door de woorden " uitgaven als bedoeld in artikel 14524, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals dat van toepassing is voor het aanslagjaar 2010 ";
2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de werken in verband met de in het eerste lid bedoelde uitgaven moeten voldoen. ".
Art. 173. A l'article 2 de la loi de relance économique du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " des dépenses visées à l'article 14524, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992 " sont remplacés par les mots " des dépenses visées à l'article 14524, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu'il est applicable pour l'exercice d'imposition 2010 ";
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
" Le Roi fixe les conditions auxquelles doivent satisfaire les travaux relatifs aux dépenses visées à l'alinéa 1er. ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " des dépenses visées à l'article 14524, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992 " sont remplacés par les mots " des dépenses visées à l'article 14524, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu'il est applicable pour l'exercice d'imposition 2010 ";
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
" Le Roi fixe les conditions auxquelles doivent satisfaire les travaux relatifs aux dépenses visées à l'alinéa 1er. ".
HOOFDSTUK 8. - Dotaties
CHAPITRE 8. - Dotations
Art. 174. In afwijking van de artikelen 2 en 4 van de wet van 16 november 1993 houdende vaststelling van de Civiele Lijst voor de duur van de regering van Koning Albert II, tot toekenning van een jaarlijkse en levenslange dotatie aan Hare Majesteit Koningin Fabiola en van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, wordt de dotatie aan Hare Majesteit Koningin Fabiola vastgesteld op 1.461.502 euro voor het jaar 2010 en op 1.441.381 euro voor het jaar 2011.
Art. 174. Par dérogation aux articles 2 et 4 de la loi du 16 novembre 1993 fixant la Liste Civile pour la durée du règne du Roi Albert II, l'attribution d'une dotation annuelle et viagère à Sa Majesté la Reine Fabiola et l'attribution d'une dotation annuelle à Son Altesse Royale le Prince Philippe, la dotation à Sa Majesté la Reine Fabiola est fixée à 1.461.502 euros pour l'année 2010 et à 1.441.381 euros pour l'année 2011.
Art. 175. In afwijking van de artikelen 2, 3, 3bis en 5 van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid en een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent :
1° wordt de dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip vastgesteld op 935.254 euro voor het jaar 2010 en op 922.378 euro voor het jaar 2011;
2° wordt de dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid vastgesteld op 323.515 euro voor het jaar 2010 en op 319.061 euro voor het jaar 2011;
3° wordt de dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent vastgesteld op 311.009 euro voor het jaar 2010 en op 306.727 euro voor het jaar 2011.
1° wordt de dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip vastgesteld op 935.254 euro voor het jaar 2010 en op 922.378 euro voor het jaar 2011;
2° wordt de dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid vastgesteld op 323.515 euro voor het jaar 2010 en op 319.061 euro voor het jaar 2011;
3° wordt de dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent vastgesteld op 311.009 euro voor het jaar 2010 en op 306.727 euro voor het jaar 2011.
Art. 175. Par dérogation aux articles 2, 3, 3bis et 5 de la loi du 7 mai 2000 attribuant une dotation annuelle à Son Altesse Royale le Prince Philippe, une dotation annuelle à Son Altesse Royale la Princesse Astrid et une dotation annuelle à son Altesse Royale le Prince Laurent :
1° la dotation à Son Altesse Royale le Prince Philippe est fixée à 935.254 euros pour l'année 2010 et à 922.378 euros pour l'année 2011;
2° la dotation à Son Altesse Royale la Princesse Astrid est fixée à 323.515 euros pour l'année 2010 et à 319.061 euros pour l'année 2011;
3° la dotation à Son Altesse Royale le Prince Laurent est fixée à 311.009 euros pour l'année 2010 et à 306.727 euros pour l'année 2011.
1° la dotation à Son Altesse Royale le Prince Philippe est fixée à 935.254 euros pour l'année 2010 et à 922.378 euros pour l'année 2011;
2° la dotation à Son Altesse Royale la Princesse Astrid est fixée à 323.515 euros pour l'année 2010 et à 319.061 euros pour l'année 2011;
3° la dotation à Son Altesse Royale le Prince Laurent est fixée à 311.009 euros pour l'année 2010 et à 306.727 euros pour l'année 2011.
TITEL 9. - Energie
TITRE 9. - Energie
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales
CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales
Art. 176. In artikel 13 van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het derde lid wordt aangevuld met de woorden " alsook de bevoegde diensten van de FOD Financiën. ";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De kernprovisievennootschap verstuurt de kennisgeving bedoeld in het derde lid alsook alle elementen die te maken hebben met de noodzakelijke berekening van de vaststelling van het individuele aandeel van de nucleaire exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschapen bedoeld in artikel 24, § 1, in de repartitiebijdrage aan de bevoegde diensten van de FOD Financiën. ".
1° het derde lid wordt aangevuld met de woorden " alsook de bevoegde diensten van de FOD Financiën. ";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De kernprovisievennootschap verstuurt de kennisgeving bedoeld in het derde lid alsook alle elementen die te maken hebben met de noodzakelijke berekening van de vaststelling van het individuele aandeel van de nucleaire exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschapen bedoeld in artikel 24, § 1, in de repartitiebijdrage aan de bevoegde diensten van de FOD Financiën. ".
Art. 176. Dans l'article 13 de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 3 est complété par les mots " ainsi que les services compétents du SPF Finances. ";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" La société de provisionnement nucléaire transmettra aux services compétents du SPF Finances la notification visée à l'alinéa 3 ainsi que l'ensemble des éléments liés au calcul nécessaire à l'établissement de la part individuelle des exploitants nucléaires visés à l'article 2, 5°, et des sociétés visées à l'article 24, § 1er, dans la contribution de répartition. ".
1° l'alinéa 3 est complété par les mots " ainsi que les services compétents du SPF Finances. ";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" La société de provisionnement nucléaire transmettra aux services compétents du SPF Finances la notification visée à l'alinéa 3 ainsi que l'ensemble des éléments liés au calcul nécessaire à l'établissement de la part individuelle des exploitants nucléaires visés à l'article 2, 5°, et des sociétés visées à l'article 24, § 1er, dans la contribution de répartition. ".
Art. 177. In artikel 14, § 8, van dezelfde wet, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" Het globaal bedrag van de repartitiebijdrage voor het jaar 2009 is vastgesteld op 250 miljoen euro. Dit bedrag zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting. ";
2° na het zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende :
" De kernprovisievennootschap schrijft de in artikel 14, § 8, vierde lid, bedoelde repartitiebijdrage over, voor het jaar 2009, overeenkomstig dezelfde modaliteiten zoals deze voorzien in het vorig lid. In afwijking van de bepalingen van vorig lid, wordt de repartitiebijdrage bedoeld bij artikel 14, § 8, vierde lid, overgeschreven op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiën. "
1° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" Het globaal bedrag van de repartitiebijdrage voor het jaar 2009 is vastgesteld op 250 miljoen euro. Dit bedrag zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting. ";
2° na het zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende :
" De kernprovisievennootschap schrijft de in artikel 14, § 8, vierde lid, bedoelde repartitiebijdrage over, voor het jaar 2009, overeenkomstig dezelfde modaliteiten zoals deze voorzien in het vorig lid. In afwijking van de bepalingen van vorig lid, wordt de repartitiebijdrage bedoeld bij artikel 14, § 8, vierde lid, overgeschreven op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiën. "
Art. 177. Dans l'article 14, § 8, de la même loi, modifié par la loi- programme du 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées;
1° un alinéa, rédigé comme suit, est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
" Le montant global de la contribution de répartition, pour l'année 2009, est fixé à 250 millions d'euros. Ce montant sera affecté au budget des Voies et Moyens. ";
2° après l'alinéa 6, qui devient l'alinéa 7, un nouvel alinéa, rédigé comme suit, est inséré :
" La société de provisionnement nucléaire transfère la contribution de répartition visée à l'article 14, § 8, alinéa 4, pour l'année 2009 selon les mêmes modalités que celles prévues à l'alinéa précédent. En dérogation aux dispositions de l'alinéa précédent, la contribution de répartition visée à l'article 14, § 8, alinéa 4, est transférée pour l'année 2009 sur le compte bancaire 679-2003169-22 à l'attention du SPF Finances. ".
1° un alinéa, rédigé comme suit, est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
" Le montant global de la contribution de répartition, pour l'année 2009, est fixé à 250 millions d'euros. Ce montant sera affecté au budget des Voies et Moyens. ";
2° après l'alinéa 6, qui devient l'alinéa 7, un nouvel alinéa, rédigé comme suit, est inséré :
" La société de provisionnement nucléaire transfère la contribution de répartition visée à l'article 14, § 8, alinéa 4, pour l'année 2009 selon les mêmes modalités que celles prévues à l'alinéa précédent. En dérogation aux dispositions de l'alinéa précédent, la contribution de répartition visée à l'article 14, § 8, alinéa 4, est transférée pour l'année 2009 sur le compte bancaire 679-2003169-22 à l'attention du SPF Finances. ".
Art. 178. Artikel 22bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 2008, wordt als volgt gewijzigd :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " eerste tot vijfde lid " vervangen door de woorden " eerste tot zesde lid ";
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid luidende :
" Het besluit van de Regent van 18 maart 1831 is van toepassing op de boetes opgelegd door de Commissie voor de nucleaire provisies krachtens voorgaande leden. ".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " eerste tot vijfde lid " vervangen door de woorden " eerste tot zesde lid ";
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid luidende :
" Het besluit van de Regent van 18 maart 1831 is van toepassing op de boetes opgelegd door de Commissie voor de nucleaire provisies krachtens voorgaande leden. ".
Art. 178. L'article 22bis de la même loi, inséré par la loi-programme du 22 décembre 2008, est modifié comme suit :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " alinéas 1er à 5 " sont remplacés par les mots " alinéas 1er à 6 ";
2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" L'arrêté du Régent du 18 mars 1831 est applicable aux amendes imposées par la Commission des provisions nucléaires en vertu des alinéas précédents. ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " alinéas 1er à 5 " sont remplacés par les mots " alinéas 1er à 6 ";
2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" L'arrêté du Régent du 18 mars 1831 est applicable aux amendes imposées par la Commission des provisions nucléaires en vertu des alinéas précédents. ".
HOOFDSTUK 2. - Fonds voor de bevordering en de ondersteuning van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen
CHAPITRE 2. - Fonds pour la promotion et le soutien de la production d'électricité à partir de sources d'énergie renouvelables
Art. 179. § 1. De kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, alsook de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van dezelfde wet van 11 april 2003, zijn gehouden om zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze wet en ten laatste vóór 31 december 2009 een fonds op te richten en te financieren waarvan het maatschappelijk doel en de opdrachten worden gedefinieerd in artikel 180.
§ 2. De kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, alsook de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van dezelfde wet van 11 april 2003, kunnen zich beroepen op ieder fonds dat zij zouden hebben opgericht in de twee maanden die voorafgaan aan de inwerkingtreding van deze wet teneinde tegemoet te komen aan hun verplichting opgenomen in de vorige paragraaf, voor zover dat het aldus opgerichte fonds in overeenstemming is met de bepalingen van dit hoofdstuk.
§ 3. Dit fonds zal de vorm van een coöperatieve vennootschap nemen.
§ 2. De kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, alsook de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van dezelfde wet van 11 april 2003, kunnen zich beroepen op ieder fonds dat zij zouden hebben opgericht in de twee maanden die voorafgaan aan de inwerkingtreding van deze wet teneinde tegemoet te komen aan hun verplichting opgenomen in de vorige paragraaf, voor zover dat het aldus opgerichte fonds in overeenstemming is met de bepalingen van dit hoofdstuk.
§ 3. Dit fonds zal de vorm van een coöperatieve vennootschap nemen.
Art. 179. § 1er. Les exploitants nucléaires visés par l'article 2, 5°, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, ainsi que les sociétés visées par l'article 24, § 1er, de la même loi du 11 avril 2003, sont tenus, le plus vite possible après l'entrée en vigueur de la présente loi et au plus tard avant le 31 décembre 2009 de créer et d'alimenter un fonds dont l'objet social et les missions sont définis à l'article 180.
§ 2. Les exploitants nucléaires visés par l'article 2, 5°, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, ainsi que les sociétés visées par l'article 24, § 1er, de la même loi du 11 avril 2003, peuvent se prévaloir de tout fonds qu'ils auraient constitué dans les deux mois précédant l'entrée en vigueur de la présente loi aux fins de répondre à leur obligation reprise au paragraphe qui précède, pour autant que le fonds ainsi créé soit conforme aux dispositions du présent chapitre.
§ 3. Ce fonds prendra la forme d'une société coopérative.
§ 2. Les exploitants nucléaires visés par l'article 2, 5°, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, ainsi que les sociétés visées par l'article 24, § 1er, de la même loi du 11 avril 2003, peuvent se prévaloir de tout fonds qu'ils auraient constitué dans les deux mois précédant l'entrée en vigueur de la présente loi aux fins de répondre à leur obligation reprise au paragraphe qui précède, pour autant que le fonds ainsi créé soit conforme aux dispositions du présent chapitre.
§ 3. Ce fonds prendra la forme d'une société coopérative.
Art. 180. Het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 zal de bevordering en de ondersteuning aan de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen tot doel hebben ten einde tegemoet te komen aan de doelstellingen vastgesteld door de richtlijnen 2009/28/EG van 23 april 2009 van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG, 2009/29/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden en 2009/31/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad.
Het fonds oefent hiertoe onder meer volgende opdrachten uit :
- de bevordering en ondersteuning van investeringen en uitgaven in de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen;
- de bevordering en ondersteuning van onderzoeken en ontwikkelingen op het vlak van hernieuwbare energiebronnen (met name van golfslagenergie, getijdenenergie, waterstof en fotovoltaïsche cellen).
- de bevordering en de ondersteuning van onderzoek op het vlak van energie-efficiëntie.
Uitgaven die niet tot de exclusieve bevoegdheid van de Federale Overheid behoren, zijn maar mogelijk mits het voorafgaandelijk afsluiten van een samenwerkingsprotocol met de betrokken Gewestregeringen.
Het fonds oefent hiertoe onder meer volgende opdrachten uit :
- de bevordering en ondersteuning van investeringen en uitgaven in de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen;
- de bevordering en ondersteuning van onderzoeken en ontwikkelingen op het vlak van hernieuwbare energiebronnen (met name van golfslagenergie, getijdenenergie, waterstof en fotovoltaïsche cellen).
- de bevordering en de ondersteuning van onderzoek op het vlak van energie-efficiëntie.
Uitgaven die niet tot de exclusieve bevoegdheid van de Federale Overheid behoren, zijn maar mogelijk mits het voorafgaandelijk afsluiten van een samenwerkingsprotocol met de betrokken Gewestregeringen.
Art. 180. Le fonds créé en application de l'article 179 aura pour objet la promotion et le soutien de la production d'électricité à partir de sources d'énergie renouvelables aux fins de concourir aux objectifs fixés par les directives 2009/28/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relatives à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables et modifiant puis abrogeant les directives 2001/77/CE et 2003/30/CE, 2009/29/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 modifiant la directive 2003/87/CE afin d'améliorer et d'étendre le système communautaire d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre et 2009/31/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative au stockage géologique du dioxyde de carbone et modifiant la directive 85/337/CEE du Conseil, les directives 2000/60/CE, 2001/80/CE, 2004/35/CE, 2006/12/CE et 2008/1/CE et le règlement (CE) n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil.
Le fonds exercera à cette fin notamment les missions suivantes :
- la promotion et le soutien d'investissements et de dépenses dans la production d'électricité à partir de sources d'énergie renouvelables;
- la promotion et le soutien de recherches et développements dans le domaine des sources d'énergie renouvelables (dont notamment l'énergie houlomotrice, l'énergie marémotrice, l'hydrogène et les cellules photovoltaïques);
- la promotion et le soutien de la recherche dans le domaine de l'efficacité énergétique.
Des dépenses qui ne relèvent pas de la compétence exclusive de l'Autorité fédérale ne sont possibles que moyennant la conclusion préalable d'un protocole de coopération avec les gouvernements de Région concernés.
Le fonds exercera à cette fin notamment les missions suivantes :
- la promotion et le soutien d'investissements et de dépenses dans la production d'électricité à partir de sources d'énergie renouvelables;
- la promotion et le soutien de recherches et développements dans le domaine des sources d'énergie renouvelables (dont notamment l'énergie houlomotrice, l'énergie marémotrice, l'hydrogène et les cellules photovoltaïques);
- la promotion et le soutien de la recherche dans le domaine de l'efficacité énergétique.
Des dépenses qui ne relèvent pas de la compétence exclusive de l'Autorité fédérale ne sont possibles que moyennant la conclusion préalable d'un protocole de coopération avec les gouvernements de Région concernés.
Art. 181. § 1. De kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, alsook de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van dezelfde wet van 11 april 2003, voorzien voor het jaar 2009 het fonds bedoeld in artikel 179 van een bedrag van 250 miljoen euro.
§ 2. De kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, alsook de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1 van dezelfde wet van 11 april 2003, zijn gehouden om bij te dragen tot het in § 1 vermelde bedrag naar verhouding van hun aandelen in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, zoals berekend voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, tweede zin, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, en dit voor het laatst verlopen kalenderjaar.
§ 3. De kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, alsook de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van dezelfde wet van 11 april 2003, kunnen de bedragen, die in het fonds gestort worden in toepassing van § 1, niet doorrekenen aan de eindafnemer.
§ 2. De kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, alsook de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1 van dezelfde wet van 11 april 2003, zijn gehouden om bij te dragen tot het in § 1 vermelde bedrag naar verhouding van hun aandelen in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, zoals berekend voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, tweede zin, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, en dit voor het laatst verlopen kalenderjaar.
§ 3. De kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales, alsook de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van dezelfde wet van 11 april 2003, kunnen de bedragen, die in het fonds gestort worden in toepassing van § 1, niet doorrekenen aan de eindafnemer.
Art. 181. § 1er. Les exploitants nucléaires visés par l'article 2, 5°, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, ainsi que les sociétés visées par l'article 24, § 1er, de cette même loi du 11 avril 2003, dotent pour l'année 2009 le fonds visé à l'article 179 d'un montant de 250 millions d'euros.
§ 2. Les exploitants nucléaires visés par l'article 2, 5°, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, ainsi que les sociétés visées par l'article 24, § 1er, de cette même loi du 11 avril 2003, sont tenus de contribuer au montant mentionné au § 1er au prorata de leurs quotes-parts dans la production industrielle d'électricité par fission de combustibles nucléaires, telles que calculées pour l'application de l'article 9, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, et ce pour la dernière année civile écoulée.
§ 3. Les exploitants nucléaires visés par l'article 2, 5°, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, ainsi que les sociétés visées par l'article 24, § 1er, de cette même loi du 11 avril 2003, ne peuvent pas refacturer sur le client final les montants versés au fonds en application du § 1er.
§ 2. Les exploitants nucléaires visés par l'article 2, 5°, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, ainsi que les sociétés visées par l'article 24, § 1er, de cette même loi du 11 avril 2003, sont tenus de contribuer au montant mentionné au § 1er au prorata de leurs quotes-parts dans la production industrielle d'électricité par fission de combustibles nucléaires, telles que calculées pour l'application de l'article 9, alinéa 1er, deuxième phrase, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, et ce pour la dernière année civile écoulée.
§ 3. Les exploitants nucléaires visés par l'article 2, 5°, de la loi du 11 avril 2003 sur les provisions constituées pour le démantèlement des centrales nucléaires et pour la gestion des matières fissiles irradiées dans ces centrales, ainsi que les sociétés visées par l'article 24, § 1er, de cette même loi du 11 avril 2003, ne peuvent pas refacturer sur le client final les montants versés au fonds en application du § 1er.
Art. 182. § 1. De statuten van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 voorzien de aanwezigheid van een regeringscommissaris.
De regeringscommissaris wordt uitgenodigd op alle vergaderingen van de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 en heeft er een adviesgevende stem. De regeringscommissaris ontvangt de volledige dagorde alsook ieder daarmee verbonden document uiterlijk vijf werkdagen vóór de datum van de vergaderingen, behoudens gemotiveerde buitengewone omstandigheden. De raad van bestuur moet worden bijeengeroepen telkens de regeringscommissaris hierom verzoekt.
De regeringscommissaris ontvangt de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur.
De regeringscommissaris kan op ieder moment ter plaatse kennis nemen van de boeken, de briefwisseling, de notulen en in het algemeen van alle documenten en alle geschriften van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179. Hij kan om iedere uitleg of informatie verzoeken en overgaan tot ieder nazicht dat hem noodzakelijk lijkt voor de uitvoering van zijn mandaat.
Het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 maakt onmiddellijk aan de regeringscommissaris de opmerkingen over die werden geformuleerd door de revisor van het fonds alsmede de op deze opmerkingen gegeven antwoorden. De regeringscommissaris correspondeert met de voornoemde revisor betreffende de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren.
De regeringscommissaris kan binnen een termijn van zes werkdagen in beroep gaan bij de minister bevoegd voor energie tegen iedere beslissing van de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 die hij strijdig acht met de richtlijnen van 's lands energiebeleid, met inbegrip van de doelstellingen van de regering inzake 's lands bevoorrading in energie.
Deze termijn van zes werkdagen begint te lopen vanaf de dag van de vergadering waarop die beslissing werd genomen, voor zover de regeringscommissaris er wettig voor werd opgeroepen en, in het tegenovergestelde geval, vanaf de dag waarop de beslissing aan hem aangemeld werd of, bij ontstentenis hiervan, vanaf de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
Het beroep werkt schorsend en wordt aangemeld door de regeringscommissaris aan de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 binnen dezelfde termijn van zes werkdagen.
Binnen een termijn van twintig werkdagen die aanvangt op dezelfde dag als de termijn bedoeld in het zevende lid brengt de Minister bevoegd voor Energie de nietigverklaring van de beslissing ter kennis aan de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179.
Bij gebrek aan een beslissing van de minister binnen de termijn bedoeld in vorig lid wordt de beslissing van de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 definitief.
De Koning kan de opdrachten van de regeringscommissaris preciseren.
§ 2. De statuten van het fonds zullen voorzien dat zijn raad van bestuur vier onafhankelijke bestuurders zal tellen die door de algemene vergadering van het fonds zullen worden benoemd op voorstel van een dubbele lijst die de regering opstelt.
De regeringscommissaris wordt uitgenodigd op alle vergaderingen van de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 en heeft er een adviesgevende stem. De regeringscommissaris ontvangt de volledige dagorde alsook ieder daarmee verbonden document uiterlijk vijf werkdagen vóór de datum van de vergaderingen, behoudens gemotiveerde buitengewone omstandigheden. De raad van bestuur moet worden bijeengeroepen telkens de regeringscommissaris hierom verzoekt.
De regeringscommissaris ontvangt de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur.
De regeringscommissaris kan op ieder moment ter plaatse kennis nemen van de boeken, de briefwisseling, de notulen en in het algemeen van alle documenten en alle geschriften van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179. Hij kan om iedere uitleg of informatie verzoeken en overgaan tot ieder nazicht dat hem noodzakelijk lijkt voor de uitvoering van zijn mandaat.
Het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 maakt onmiddellijk aan de regeringscommissaris de opmerkingen over die werden geformuleerd door de revisor van het fonds alsmede de op deze opmerkingen gegeven antwoorden. De regeringscommissaris correspondeert met de voornoemde revisor betreffende de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren.
De regeringscommissaris kan binnen een termijn van zes werkdagen in beroep gaan bij de minister bevoegd voor energie tegen iedere beslissing van de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 die hij strijdig acht met de richtlijnen van 's lands energiebeleid, met inbegrip van de doelstellingen van de regering inzake 's lands bevoorrading in energie.
Deze termijn van zes werkdagen begint te lopen vanaf de dag van de vergadering waarop die beslissing werd genomen, voor zover de regeringscommissaris er wettig voor werd opgeroepen en, in het tegenovergestelde geval, vanaf de dag waarop de beslissing aan hem aangemeld werd of, bij ontstentenis hiervan, vanaf de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
Het beroep werkt schorsend en wordt aangemeld door de regeringscommissaris aan de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 binnen dezelfde termijn van zes werkdagen.
Binnen een termijn van twintig werkdagen die aanvangt op dezelfde dag als de termijn bedoeld in het zevende lid brengt de Minister bevoegd voor Energie de nietigverklaring van de beslissing ter kennis aan de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179.
Bij gebrek aan een beslissing van de minister binnen de termijn bedoeld in vorig lid wordt de beslissing van de raad van bestuur van het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 definitief.
De Koning kan de opdrachten van de regeringscommissaris preciseren.
§ 2. De statuten van het fonds zullen voorzien dat zijn raad van bestuur vier onafhankelijke bestuurders zal tellen die door de algemene vergadering van het fonds zullen worden benoemd op voorstel van een dubbele lijst die de regering opstelt.
Art. 182. § 1er. Les statuts du fonds créé en application de l'article 179 prévoient la présence d'un commissaire du gouvernement.
Le commissaire du gouvernement est invité à toutes les réunions du conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179 et y a voix consultative. Le commissaire du gouvernement reçoit l'ordre du jour complet ainsi que tout document y afférent au plus tard cinq jours ouvrables avant la date des réunions, sauf circonstances exceptionnelles motivées. Le conseil d'administration doit être réuni chaque fois que le commissaire du gouvernement le demande.
Le commissaire du gouvernement reçoit le procès-verbal des réunions du conseil d'administration.
Le commissaire du gouvernement peut, à tout moment, prendre connaissance sur place des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures du fonds créé en application de l'article 179. Il peut requérir toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires pour l'exécution de son mandat.
Le fonds créé en application de l'article 179 transmet immédiatement au commissaire du gouvernement les remarques formulées par le réviseur du fonds ainsi que les réponses fournies à ces remarques. Le commissaire du gouvernement correspond avec le réviseur susvisé au sujet des matières relevant de sa compétence.
Le commissaire du gouvernement peut, dans un délai de six jours ouvrables, prendre recours auprès du ministre ayant l'énergie dans ses attributions contre toute décision du conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179 qu'il estime contraire aux lignes directrices de la politique de l'énergie du pays, en ce compris les objectifs du gouvernement relatifs à l'approvisionnement du pays en énergie.
Ce délai de six jours ouvrables court à partir du jour de la réunion au cours de laquelle la décision concernée a été prise, pour autant que le commissaire du gouvernement y ait été régulièrement convoqué et, dans le cas contraire, à partir du jour où la décision lui a été notifiée ou, à défaut, à partir du jour où il en a reçu connaissance.
Le recours est suspensif et est notifié par le commissaire du gouvernement au conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179 dans le même délai de six jours ouvrables.
Dans un délai de vingt jours ouvrables commençant le même jour que le délai visé à l'alinéa 7, le Ministre ayant l'Energie dans ses attributions notifie l'annulation de la décision au conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179.
A défaut de décision du ministre dans le délai visé à l'alinéa précédent, la décision du conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179 devient définitive.
Le Roi peut préciser les missions du commissaire du gouvernement.
§ 2. Les statuts du fonds prévoiront que son conseil d'administration comptera quatre administrateurs indépendants nommés par l'assemblée générale du fonds sur proposition d'une liste double émanant du gouvernement.
Le commissaire du gouvernement est invité à toutes les réunions du conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179 et y a voix consultative. Le commissaire du gouvernement reçoit l'ordre du jour complet ainsi que tout document y afférent au plus tard cinq jours ouvrables avant la date des réunions, sauf circonstances exceptionnelles motivées. Le conseil d'administration doit être réuni chaque fois que le commissaire du gouvernement le demande.
Le commissaire du gouvernement reçoit le procès-verbal des réunions du conseil d'administration.
Le commissaire du gouvernement peut, à tout moment, prendre connaissance sur place des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures du fonds créé en application de l'article 179. Il peut requérir toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires pour l'exécution de son mandat.
Le fonds créé en application de l'article 179 transmet immédiatement au commissaire du gouvernement les remarques formulées par le réviseur du fonds ainsi que les réponses fournies à ces remarques. Le commissaire du gouvernement correspond avec le réviseur susvisé au sujet des matières relevant de sa compétence.
Le commissaire du gouvernement peut, dans un délai de six jours ouvrables, prendre recours auprès du ministre ayant l'énergie dans ses attributions contre toute décision du conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179 qu'il estime contraire aux lignes directrices de la politique de l'énergie du pays, en ce compris les objectifs du gouvernement relatifs à l'approvisionnement du pays en énergie.
Ce délai de six jours ouvrables court à partir du jour de la réunion au cours de laquelle la décision concernée a été prise, pour autant que le commissaire du gouvernement y ait été régulièrement convoqué et, dans le cas contraire, à partir du jour où la décision lui a été notifiée ou, à défaut, à partir du jour où il en a reçu connaissance.
Le recours est suspensif et est notifié par le commissaire du gouvernement au conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179 dans le même délai de six jours ouvrables.
Dans un délai de vingt jours ouvrables commençant le même jour que le délai visé à l'alinéa 7, le Ministre ayant l'Energie dans ses attributions notifie l'annulation de la décision au conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179.
A défaut de décision du ministre dans le délai visé à l'alinéa précédent, la décision du conseil d'administration du fonds créé en application de l'article 179 devient définitive.
Le Roi peut préciser les missions du commissaire du gouvernement.
§ 2. Les statuts du fonds prévoiront que son conseil d'administration comptera quatre administrateurs indépendants nommés par l'assemblée générale du fonds sur proposition d'une liste double émanant du gouvernement.
Art. 183. Ieder semester en dit vóór 1 maart en 1 september van ieder jaar rapporteert het fonds opgericht in toepassing van artikel 179 over de uitvoering van zijn maatschappelijk doel aan de Minister bevoegd voor Energie.
Art. 183. Chaque semestre, et ce avant le 1er mars et le 1er septembre de chaque année, le fonds créé en application de l'article 179 fait rapport sur l'exécution de son objet social au Ministre qui a l'Energie dans ses attributions.
Art. 184. De statuten van het fonds zullen het geheel van de bepalingen van dit hoofdstuk omvatten en ermee verenigbaar zijn.
Art. 184. Les statuts du fonds incluront et seront compatibles avec l'intégralité des dispositions du présent chapitre.
TITEL 10. - Diverse bepalingen
TITRE 10. - Dispositions diverses
HOOFDSTUK 1. - Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast
CHAPITRE 1er. - Fonds de traitement du surendettement
Art. 185. In artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gewijzigd bij de wetten van 19 april 2002, 22 december 2003, 13 december 2005, 5 augustus 2006 et 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Om het Fonds te stijven, zijn gehouden een jaarlijkse bijdrage te betalen :
1° de kredietgevers. Worden als kredietgevers beschouwd :
a) de ondernemingen die onderworpen zijn aan Titel II van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen of bedoeld in artikel 65 van hetzelfde besluit, die hypothecaire leningen of kredietopeningen bedoeld in artikel 1 van hetzelfde besluit verstrekken;
b) de ondernemingen die onderworpen zijn aan Titel II van de wet van 4 augustus op het hypothecair krediet, die hypothecaire kredieten bedoeld in de artikelen 1 en 2 van dezelfde wet verstrekken;
c) de natuurlijke personen of rechtspersonen die erkend of geregistreerd zijn met toepassing van de artikelen 74 of 75bis van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, die consumentenkredieten bedoeld in artikel 1, 4°, van dezelfde wet verstrekken;
2° het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) voor rekening van de operatoren die activiteiten uitoefenen bedoeld in artikel 2, 4° en 5°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
3° de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) voor rekening van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
4° de Kansspelcommissie voor rekening van de kansspelinrichtingen bedoeld in de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
De jaarlijkse bijdrage is eenmalig en ondeelbaar verschuldigd.
De berekening van de bijdrage van de kredietgevers gebeurt op basis van een coëfficiënt toegepast op het totaal bedrag van de betalingsachterstanden van de kredietovereenkomsten geregistreerd op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd in de Centrale voor kredieten aan particulieren beheerd door de Nationale Bank van België. Deze gegevens worden door de Nationale Bank van België medegedeeld aan het fonds.
Deze coëfficiënt bedraagt :
1° 0,30 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de ondernemingen bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b) ;
2° 3 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de personen bedoeld in het eerste lid, 1°, c).
De bijdrage van de kredietgevers is slechts verschuldigd wanneer zij meer bedraagt dan 25 euro. De Koning kan dit bedrag wijzigen in functie van de inningskosten van het Fonds na advies van het Begeleidingscomité.
De bijdrage van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, bedraagt respectievelijk 1.200.000 euro, 600.000 euro en 200.000 euro.
De bijdragebetalers zijn ertoe gehouden op verzoek van het Fonds, de verschuldigde bijdragen over te schrijven op de ontvangstenrekening van het Fonds. Het verzoek gebeurt bij een ter post aangetekende brief. De bijdragebetalers schrijven de bijdragen over ten laatste binnen de maand vanaf de dag die volgt op de afgifte ter post van de aangetekende brief.
De Koning kan, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de coëfficiënten weerhouden voor de bijdrage van de kredietgevers, de bedragen van de bijdragen van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, de lijst van de bijdragebetalers of de verdeling onder hen, wijzigen, rekening houdend met het deel dat hun schuldvorderingen vertegenwoordigen in de schuldenlast van particulieren en de bijdragen die zij verrichten krachtens andere wettelijke bepalingen om voormelde schuldenlast te verminderen.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels betreffende het innen van de toegewezen ontvangsten en de betaling van de toegestane uitgaven. Hij organiseert tevens het beheer van het Fonds.
Minstens twee keer per jaar worden de cijfers betreffende de inkomsten en de uitgaven van het Fonds besproken met de bijdragebetalers.
In geval van intrekking of schorsing van de erkenning of de registratie met toepassing van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, de schrapping van de inschrijving of het verbod om nieuwe hypothecaire kredietovereenkomsten te sluiten met toepassing van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, blijft de kredietgever onderworpen aan de verplichting tot bijdrage. Indien de rechten die voortvloeien uit een kredietovereenkomst het voorwerp uitmaken van een overdracht, blijft de bijdrage verschuldigd door de overdrager; wanneer de overdrager niet meer bestaat, is de bijdrage verschuldigd door de overnemer.
In afwijking van het eerste tot het vierde lid,
1° wordt er een bijkomende bijdrage gevraagd aan de kredietgevers voor het jaar 2009. De coëfficiënt van deze bijdrage bedraagt 0,15 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, en 1,5 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten bedoeld in het tweede lid, 3°. Deze aanvullende bijdrage vervangt de niet gevorderde bijdrage van 2003;
2° bedraagt voor het jaar 2010 de coëfficiënt van de bijdrage 0,25 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, en 2,5 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten bedoeld in het tweede lid, 3°. ";
2° paragraaf 3, 3°, wordt vervangen als volgt :
" 3° de betaling van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren gericht tot de personen bedoeld in deze wet met betrekking tot de doelstellingen en de werking van deze wet, en meer in het algemeen, de financiering van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast. De Koning bepaalt, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten en de nadere regels betreffende de toekenning van de middelen van het Fonds die worden gebruikt voor deze maatregelen inzake informatie en sensibiliseren. Er kunnen slechts middelen worden toegekend wanneer de schulden van het Fonds zijn weggewerkt en het Fonds een structureel budgettair overschot realiseert; ".
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Om het Fonds te stijven, zijn gehouden een jaarlijkse bijdrage te betalen :
1° de kredietgevers. Worden als kredietgevers beschouwd :
a) de ondernemingen die onderworpen zijn aan Titel II van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen of bedoeld in artikel 65 van hetzelfde besluit, die hypothecaire leningen of kredietopeningen bedoeld in artikel 1 van hetzelfde besluit verstrekken;
b) de ondernemingen die onderworpen zijn aan Titel II van de wet van 4 augustus op het hypothecair krediet, die hypothecaire kredieten bedoeld in de artikelen 1 en 2 van dezelfde wet verstrekken;
c) de natuurlijke personen of rechtspersonen die erkend of geregistreerd zijn met toepassing van de artikelen 74 of 75bis van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, die consumentenkredieten bedoeld in artikel 1, 4°, van dezelfde wet verstrekken;
2° het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) voor rekening van de operatoren die activiteiten uitoefenen bedoeld in artikel 2, 4° en 5°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
3° de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) voor rekening van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
4° de Kansspelcommissie voor rekening van de kansspelinrichtingen bedoeld in de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
De jaarlijkse bijdrage is eenmalig en ondeelbaar verschuldigd.
De berekening van de bijdrage van de kredietgevers gebeurt op basis van een coëfficiënt toegepast op het totaal bedrag van de betalingsachterstanden van de kredietovereenkomsten geregistreerd op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd in de Centrale voor kredieten aan particulieren beheerd door de Nationale Bank van België. Deze gegevens worden door de Nationale Bank van België medegedeeld aan het fonds.
Deze coëfficiënt bedraagt :
1° 0,30 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de ondernemingen bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b) ;
2° 3 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de personen bedoeld in het eerste lid, 1°, c).
De bijdrage van de kredietgevers is slechts verschuldigd wanneer zij meer bedraagt dan 25 euro. De Koning kan dit bedrag wijzigen in functie van de inningskosten van het Fonds na advies van het Begeleidingscomité.
De bijdrage van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, bedraagt respectievelijk 1.200.000 euro, 600.000 euro en 200.000 euro.
De bijdragebetalers zijn ertoe gehouden op verzoek van het Fonds, de verschuldigde bijdragen over te schrijven op de ontvangstenrekening van het Fonds. Het verzoek gebeurt bij een ter post aangetekende brief. De bijdragebetalers schrijven de bijdragen over ten laatste binnen de maand vanaf de dag die volgt op de afgifte ter post van de aangetekende brief.
De Koning kan, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de coëfficiënten weerhouden voor de bijdrage van de kredietgevers, de bedragen van de bijdragen van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, de lijst van de bijdragebetalers of de verdeling onder hen, wijzigen, rekening houdend met het deel dat hun schuldvorderingen vertegenwoordigen in de schuldenlast van particulieren en de bijdragen die zij verrichten krachtens andere wettelijke bepalingen om voormelde schuldenlast te verminderen.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels betreffende het innen van de toegewezen ontvangsten en de betaling van de toegestane uitgaven. Hij organiseert tevens het beheer van het Fonds.
Minstens twee keer per jaar worden de cijfers betreffende de inkomsten en de uitgaven van het Fonds besproken met de bijdragebetalers.
In geval van intrekking of schorsing van de erkenning of de registratie met toepassing van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, de schrapping van de inschrijving of het verbod om nieuwe hypothecaire kredietovereenkomsten te sluiten met toepassing van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, blijft de kredietgever onderworpen aan de verplichting tot bijdrage. Indien de rechten die voortvloeien uit een kredietovereenkomst het voorwerp uitmaken van een overdracht, blijft de bijdrage verschuldigd door de overdrager; wanneer de overdrager niet meer bestaat, is de bijdrage verschuldigd door de overnemer.
In afwijking van het eerste tot het vierde lid,
1° wordt er een bijkomende bijdrage gevraagd aan de kredietgevers voor het jaar 2009. De coëfficiënt van deze bijdrage bedraagt 0,15 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, en 1,5 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten bedoeld in het tweede lid, 3°. Deze aanvullende bijdrage vervangt de niet gevorderde bijdrage van 2003;
2° bedraagt voor het jaar 2010 de coëfficiënt van de bijdrage 0,25 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, en 2,5 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten bedoeld in het tweede lid, 3°. ";
2° paragraaf 3, 3°, wordt vervangen als volgt :
" 3° de betaling van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren gericht tot de personen bedoeld in deze wet met betrekking tot de doelstellingen en de werking van deze wet, en meer in het algemeen, de financiering van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast. De Koning bepaalt, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten en de nadere regels betreffende de toekenning van de middelen van het Fonds die worden gebruikt voor deze maatregelen inzake informatie en sensibiliseren. Er kunnen slechts middelen worden toegekend wanneer de schulden van het Fonds zijn weggewerkt en het Fonds een structureel budgettair overschot realiseert; ".
Art. 185. Dans l'article 20 de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, modifié par les lois des 19 avril 2002, 22 décembre 2003, 13 décembre 2005, 5 août 2006 et 27 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Pour alimenter le Fonds, sont tenus de payer une cotisation annuelle :
1° les prêteurs. Sont considérés comme prêteurs :
a) les entreprises soumises au Titre II de l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le contrôle des entreprises de prêts hypothécaires ou visées à l'article 65 du même arrêté, qui octroient des prêts ou ouvertures de crédit hypothécaires visés à l'article 1er du même arrêté;
b) les entreprises soumises au Titre II de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire, qui octroient des crédits hypothécaires visés aux articles 1er et 2 de la même loi;
c) les personnes physiques ou morales agréées ou enregistrées en application des articles 74 ou 75bis de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation, qui octroient des crédits à la consommation visés à l'article 1er, 4°, de la même loi;
2° l'Institut belge des services postaux et des télécommunications (IBPT) pour compte des opérateurs exerçant les activités visées à l'article 2, 4° et 5°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
3° la Commission bancaire, financière et des assurances (CBFA) pour compte des entreprises visées à l'article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance;
4° la Commission des jeux de hasard pour compte des établissements de jeux de hasard visés dans la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs.
La cotisation annuelle est due de façon unique et indivisible.
Le calcul de la cotisation des prêteurs s'effectue sur la base d'un coefficient appliqué sur le montant total des arriérés de paiement des contrats de crédits enregistrés au 31 décembre de l'année qui précède l'année où la cotisation est due, dans la Centrale des crédits aux particuliers gérée par la Banque nationale de Belgique. Ces données sont communiquées au Fonds par la Banque Nationale de Belgique.
Ce coefficient s'élève à :
1° 0,30 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits octroyés par les entreprises visées à l'alinéa 1er, 1°, a) et b) ;
2° 3 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits octroyées par les personnes visées à l'alinéa 1er, 1°, c).
La cotisation des prêteurs n'est due que lorsqu'elle atteint un montant supérieur à 25 euros. Le Roi peut modifier ce montant en fonction des frais de recouvrement du Fonds après avis du Comité d'accompagnement.
La cotisation des personnes visées à l'alinéa 1er, 2° à 4° s'élève respectivement à 1.200.000 euros, 600.000 euros et 200.000 euros.
Les contributeurs sont tenus de verser, à la demande du Fonds, les cotisations dues au compte des recettes du Fonds. La demande se fait par lettre recommandée à la poste. Les contributeurs versent les cotisations au plus tard dans le mois à compter du lendemain du dépôt à la poste de la lettre recommandée.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier les coefficients retenus pour la cotisation des prêteurs, les montants des cotisations des personnes visées à l'alinéa 1er, 2° à 4°, la liste des contributeurs ou la répartition entre ceux-ci, en tenant compte de la part que représentent leurs créances dans l'endettement des particuliers et des cotisations qu'ils effectuent en vertu d'autres dispositions légales afin de réduire ledit endettement.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de perception des recettes affectées et de paiement des dépenses autorisées. Il organise également la gestion du Fonds.
Au moins deux fois par an, les chiffres touchant aux recettes et aux dépenses du Fonds sont discutés avec les contributeurs.
En cas de retrait ou de suspension d'agrément ou d'enregistrement en application de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation ou de radiation de l'inscription ou d'interdiction de conclure de nouveaux contrats de crédit hypothécaire, en application de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire, le prêteur reste soumis à l'obligation de cotisation. Si les droits découlant du contrat de crédit font l'objet d'une cession, la cotisation reste due par le cédant; si le cédant n'existe plus, la cotisation est due par le cessionnaire.
Par dérogation aux alinéas 1er à 4,
1° une cotisation complémentaire est réclamée aux prêteurs pour l'année 2009. Le coefficient de cette cotisation s'élève à 0,15 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, et à 1,5 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits visés à l'alinéa 2, 3°. Cette cotisation complémentaire remplace la cotisation non réclamée en 2003;
2° pour l'année 2010, le coefficient de la cotisation s'élève à 0,25 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, et à 2,5 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits visés à l'alinéa 2, 3°. ";
2° le paragraphe 3, 3°, est remplacé par ce qui suit :
" 3° le paiement de mesures d'information et de sensibilisation à destination des personnes visées par la présente loi concernant les objectifs et le fonctionnement de la loi, et plus généralement, le financement de mesures d'information et de sensibilisation concernant le surendettement. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités et les règles spécifiques concernant l'attribution des moyens du Fonds qui sont utilisées pour ces mesures d'information et de sensibilisation. Des moyens peuvent uniquement être attribués lorsque les dettes du Fonds sont résorbées et que le Fonds réalise un excédent budgétaire structurel; ".
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Pour alimenter le Fonds, sont tenus de payer une cotisation annuelle :
1° les prêteurs. Sont considérés comme prêteurs :
a) les entreprises soumises au Titre II de l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le contrôle des entreprises de prêts hypothécaires ou visées à l'article 65 du même arrêté, qui octroient des prêts ou ouvertures de crédit hypothécaires visés à l'article 1er du même arrêté;
b) les entreprises soumises au Titre II de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire, qui octroient des crédits hypothécaires visés aux articles 1er et 2 de la même loi;
c) les personnes physiques ou morales agréées ou enregistrées en application des articles 74 ou 75bis de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation, qui octroient des crédits à la consommation visés à l'article 1er, 4°, de la même loi;
2° l'Institut belge des services postaux et des télécommunications (IBPT) pour compte des opérateurs exerçant les activités visées à l'article 2, 4° et 5°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
3° la Commission bancaire, financière et des assurances (CBFA) pour compte des entreprises visées à l'article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance;
4° la Commission des jeux de hasard pour compte des établissements de jeux de hasard visés dans la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs.
La cotisation annuelle est due de façon unique et indivisible.
Le calcul de la cotisation des prêteurs s'effectue sur la base d'un coefficient appliqué sur le montant total des arriérés de paiement des contrats de crédits enregistrés au 31 décembre de l'année qui précède l'année où la cotisation est due, dans la Centrale des crédits aux particuliers gérée par la Banque nationale de Belgique. Ces données sont communiquées au Fonds par la Banque Nationale de Belgique.
Ce coefficient s'élève à :
1° 0,30 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits octroyés par les entreprises visées à l'alinéa 1er, 1°, a) et b) ;
2° 3 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits octroyées par les personnes visées à l'alinéa 1er, 1°, c).
La cotisation des prêteurs n'est due que lorsqu'elle atteint un montant supérieur à 25 euros. Le Roi peut modifier ce montant en fonction des frais de recouvrement du Fonds après avis du Comité d'accompagnement.
La cotisation des personnes visées à l'alinéa 1er, 2° à 4° s'élève respectivement à 1.200.000 euros, 600.000 euros et 200.000 euros.
Les contributeurs sont tenus de verser, à la demande du Fonds, les cotisations dues au compte des recettes du Fonds. La demande se fait par lettre recommandée à la poste. Les contributeurs versent les cotisations au plus tard dans le mois à compter du lendemain du dépôt à la poste de la lettre recommandée.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier les coefficients retenus pour la cotisation des prêteurs, les montants des cotisations des personnes visées à l'alinéa 1er, 2° à 4°, la liste des contributeurs ou la répartition entre ceux-ci, en tenant compte de la part que représentent leurs créances dans l'endettement des particuliers et des cotisations qu'ils effectuent en vertu d'autres dispositions légales afin de réduire ledit endettement.
Le Roi fixe les conditions et les modalités de perception des recettes affectées et de paiement des dépenses autorisées. Il organise également la gestion du Fonds.
Au moins deux fois par an, les chiffres touchant aux recettes et aux dépenses du Fonds sont discutés avec les contributeurs.
En cas de retrait ou de suspension d'agrément ou d'enregistrement en application de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation ou de radiation de l'inscription ou d'interdiction de conclure de nouveaux contrats de crédit hypothécaire, en application de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire, le prêteur reste soumis à l'obligation de cotisation. Si les droits découlant du contrat de crédit font l'objet d'une cession, la cotisation reste due par le cédant; si le cédant n'existe plus, la cotisation est due par le cessionnaire.
Par dérogation aux alinéas 1er à 4,
1° une cotisation complémentaire est réclamée aux prêteurs pour l'année 2009. Le coefficient de cette cotisation s'élève à 0,15 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, et à 1,5 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits visés à l'alinéa 2, 3°. Cette cotisation complémentaire remplace la cotisation non réclamée en 2003;
2° pour l'année 2010, le coefficient de la cotisation s'élève à 0,25 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, et à 2,5 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits visés à l'alinéa 2, 3°. ";
2° le paragraphe 3, 3°, est remplacé par ce qui suit :
" 3° le paiement de mesures d'information et de sensibilisation à destination des personnes visées par la présente loi concernant les objectifs et le fonctionnement de la loi, et plus généralement, le financement de mesures d'information et de sensibilisation concernant le surendettement. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités et les règles spécifiques concernant l'attribution des moyens du Fonds qui sont utilisées pour ces mesures d'information et de sensibilisation. Des moyens peuvent uniquement être attribués lorsque les dettes du Fonds sont résorbées et que le Fonds réalise un excédent budgétaire structurel; ".
Art. 186. Artikel 20bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 april 2002, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
" Ingeval de in dit hoofdstuk bedoelde bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald door de personen bedoeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 2° tot 4°, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, wordt de bijdrage ambtshalve verhoogd met 50 % vanaf de vijftiende kalenderdag volgend op de dag van de kennisgeving van de ingebrekestelling van de betaling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid. ".
" Ingeval de in dit hoofdstuk bedoelde bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald door de personen bedoeld in artikel 20, § 2, eerste lid, 2° tot 4°, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, wordt de bijdrage ambtshalve verhoogd met 50 % vanaf de vijftiende kalenderdag volgend op de dag van de kennisgeving van de ingebrekestelling van de betaling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid. ".
Art. 186. L'article 20bis de la même loi, inséré par la loi du 19 avril 2002, est complété par deux alinéas, rédigés comme suit :
" En cas de non-paiement, de paiement incomplet ou tardif des cotisations visées au présent chapitre par les personnes visées à l'article 20, § 2, alinéa 1er, 2° à 4°, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, la cotisation est augmentée d'office de 50 % à partir du quinzième jour calendrier qui suit celui de la notification de la mise en demeure de paiement par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
La mise en demeure reproduit le texte de l'alinéa précédent. "
" En cas de non-paiement, de paiement incomplet ou tardif des cotisations visées au présent chapitre par les personnes visées à l'article 20, § 2, alinéa 1er, 2° à 4°, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, la cotisation est augmentée d'office de 50 % à partir du quinzième jour calendrier qui suit celui de la notification de la mise en demeure de paiement par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
La mise en demeure reproduit le texte de l'alinéa précédent. "
Art. 187. In de tabel gevoegd bij de wet van 27 december 1990 houdende oprichting van de begrotingsfondsen, wordt in de subrubriek " 32-8 Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast ", ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd bij de wetten van 3 mei 1999, 19 april 2002 en 13 december 2005, de lijst met de aard van de toegewezen ontvangsten aangevuld als volgt :
" Jaarlijkse bijdrage en bijdrageverhogingen verschuldigd door de Kansspelcommissie krachtens artikel 19 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen krachtens artikel 56, eerste lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie krachtens artikel 29, eerste lid, 5°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. ".
" Jaarlijkse bijdrage en bijdrageverhogingen verschuldigd door de Kansspelcommissie krachtens artikel 19 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen krachtens artikel 56, eerste lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie krachtens artikel 29, eerste lid, 5°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. ".
Art. 187. Dans le tableau annexé à la loi du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la sous-rubrique " 32-8 Fonds de traitement du surendettement ", insérée par la loi du 5 juillet 1998 et modifiée par les lois des 3 mai 1999, 19 avril 2002 et 13 décembre 2005, la liste de la nature des recettes affectées est complété comme suit :
" Cotisation annuelle et augmentations de la cotisation dues par la Commission des jeux de hasard en vertu de l'article 19 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, par la Commission bancaire, financière et des assurances en vertu de l'article 56, alinéa 1er, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers et par l'Institut belge des services postaux et des télécommunications en vertu de l'article 29, alinéa 1er, 5°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques. ".
" Cotisation annuelle et augmentations de la cotisation dues par la Commission des jeux de hasard en vertu de l'article 19 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, par la Commission bancaire, financière et des assurances en vertu de l'article 56, alinéa 1er, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers et par l'Institut belge des services postaux et des télécommunications en vertu de l'article 29, alinéa 1er, 5°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques. ".
Art. 188. In artikel 19, § 1, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, gewijzigd bij de wet van 8 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" De jaarlijkse bijdrage aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast bedoeld in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen evenals de bijdrageverhoging bedoeld in artikel 20bis, vierde lid, van dezelfde wet, zijn ten laste van de kansspelinrichtingen. ";
2° het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt aangevuld met volgende woorden :
" alsook de jaarlijkse bijdrage en, desgevallend, de bijdrageverhoging aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast verschuldigd door de kansspelinrichtingen. ".
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" De jaarlijkse bijdrage aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast bedoeld in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen evenals de bijdrageverhoging bedoeld in artikel 20bis, vierde lid, van dezelfde wet, zijn ten laste van de kansspelinrichtingen. ";
2° het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt aangevuld met volgende woorden :
" alsook de jaarlijkse bijdrage en, desgevallend, de bijdrageverhoging aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast verschuldigd door de kansspelinrichtingen. ".
Art. 188. Dans l'article 19, § 1er, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, modifié par la loi du 8 avril 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa, rédigé comme suit, est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" La cotisation annuelle au Fonds de Traitement du Surendettement, visée à l'article 20, § 2, de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis ainsi que l'augmentation de la cotisation visée à l'article 20bis, alinéa 4, de la même loi, sont à la charge des établissements de jeux de hasard. ";
2° l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, est complété par les mots suivants :
" ainsi que la cotisation annuelle et, le cas échéant, l'augmentation de la cotisation au Fonds de Traitement du Surendettement due par les établissements de jeux de hasard. ".
1° un alinéa, rédigé comme suit, est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" La cotisation annuelle au Fonds de Traitement du Surendettement, visée à l'article 20, § 2, de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis ainsi que l'augmentation de la cotisation visée à l'article 20bis, alinéa 4, de la même loi, sont à la charge des établissements de jeux de hasard. ";
2° l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, est complété par les mots suivants :
" ainsi que la cotisation annuelle et, le cas échéant, l'augmentation de la cotisation au Fonds de Traitement du Surendettement due par les établissements de jeux de hasard. ".
Art. 189. In artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003 en de wet van 19 november 2004, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden :
" alsook zijn jaarlijkse bijdrage en, desgevallend, de verhoging van deze bijdrage aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast bedoeld in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen. ".
" alsook zijn jaarlijkse bijdrage en, desgevallend, de verhoging van deze bijdrage aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast bedoeld in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen. ".
Art. 189. Dans l'article 56 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003 et la loi du 19 novembre 2004, l'alinéa 1er est complété par les mots :
" ainsi que sa cotisation annuelle et, le cas échéant, l'augmentation de cette cotisation au Fonds de Traitement du Surendettement visée à l'article 20, § 2, de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis. ".
" ainsi que sa cotisation annuelle et, le cas échéant, l'augmentation de cette cotisation au Fonds de Traitement du Surendettement visée à l'article 20, § 2, de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis. ".
Art. 190. Artikel 29, § 1, eerste lid, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende :
" 5° aan de jaarlijkse bijdrage aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast bedoeld in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen evenals, desgevallend, de verhoogde bijdrage bedoeld in artikel 20bis, vierde lid, van dezelfde wet. ".
" 5° aan de jaarlijkse bijdrage aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast bedoeld in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen evenals, desgevallend, de verhoogde bijdrage bedoeld in artikel 20bis, vierde lid, van dezelfde wet. ".
Art. 190. L'article 29, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques, est complété par le 5°, rédigé comme suit :
" 5° à la cotisation annuelle au Fonds de Traitement du Surendettement, visée à l'article 20, § 2, de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis ainsi que, le cas échéant, l'augmentation de la cotisation visée à l'article 20bis, alinéa 4, de la même loi. ".
" 5° à la cotisation annuelle au Fonds de Traitement du Surendettement, visée à l'article 20, § 2, de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis ainsi que, le cas échéant, l'augmentation de la cotisation visée à l'article 20bis, alinéa 4, de la même loi. ".
Art. 191. In artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd door de wetten van 13 december 2005 en 27 december 2006, wordt het zesde lid aangevuld met de volgende zin :
" Het bedrag van de honoraria van de schuldbemiddelaar mag niet hoger liggen dan 1.200 euro tenzij mits een bijzondere gemotiveerde beslissing van de rechter. ".
" Het bedrag van de honoraria van de schuldbemiddelaar mag niet hoger liggen dan 1.200 euro tenzij mits een bijzondere gemotiveerde beslissing van de rechter. ".
Art. 191. Dans l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par les lois des 13 décembre 2005 et 27 décembre 2006, l'alinéa 6 est complété par la phrase suivante :
" Le montant des honoraires du médiateur ne peut dépasser 1.200 euros que moyennant une décision spécialement motivée du juge. ".
" Le montant des honoraires du médiateur ne peut dépasser 1.200 euros que moyennant une décision spécialement motivée du juge. ".
Art. 192. De artikelen 185 tot 191 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 192. Les articles 185 à 191 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 2. - Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
CHAPITRE 2. - Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
Section 1re. - Modifications de la loi du 9 décembre 2004 relative au financement de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire
Art. 193. In artikel 8 van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, worden de woorden " heffingen en retributies " vervangen door de woorden " heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria ".
Art. 193. Dans l'article 8 de la loi du 9 décembre 2004 relative au financement de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, les mots " contributions et rétributions " sont remplacés par les mots " contributions, rétributions et recettes de laboratoires ".
Art. 194. In artikel 11 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2bis wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" De operator die tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om de heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria binnen de termijn te betalen, kan bij ter post aangetekende brief bij de gedelegeerd bestuurder een met redenen omklede aanvraag om afbetalingstermijnen indienen met toevoeging van bewijsstukken. ";
2° de woorden " heffingen en retributies " worden telkens vervangen door de woorden " heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria ".
1° in paragraaf 2bis wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" De operator die tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om de heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria binnen de termijn te betalen, kan bij ter post aangetekende brief bij de gedelegeerd bestuurder een met redenen omklede aanvraag om afbetalingstermijnen indienen met toevoeging van bewijsstukken. ";
2° de woorden " heffingen en retributies " worden telkens vervangen door de woorden " heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria ".
Art. 194. A l'article 11 de la même loi, modifié par la loi du 6 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2bis, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" L'opérateur qui se trouve dans l'impossibilité temporaire de payer les contributions, rétributions et recettes de laboratoires dans le délai, peut introduire, par lettre recommandée à la poste, auprès de l'administrateur délégué une demande motivée de termes et délais, à laquelle sont joints les documents probants. ";
2° les mots " contributions et rétributions " sont chaque fois remplacés par les mots " contributions, rétributions et recettes de laboratoires ".
1° dans le paragraphe 2bis, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" L'opérateur qui se trouve dans l'impossibilité temporaire de payer les contributions, rétributions et recettes de laboratoires dans le délai, peut introduire, par lettre recommandée à la poste, auprès de l'administrateur délégué une demande motivée de termes et délais, à laquelle sont joints les documents probants. ";
2° les mots " contributions et rétributions " sont chaque fois remplacés par les mots " contributions, rétributions et recettes de laboratoires ".
Art. 195. In artikel 12 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 december 2007 en 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " of ontvangsten van laboratoria " ingevoegd tussen de woorden " heffingen of retributies bedoeld in de artikelen 4 en 5 " en de woorden " , evenals de vermeerderingen ";
2° de woorden " , de verwezenlijking van de analyses " worden telkens ingevoegd tussen de woorden " de uitvoering van de keuring " en de woorden " en de aflevering van certificaten ".
1° in paragraaf 1 worden de woorden " of ontvangsten van laboratoria " ingevoegd tussen de woorden " heffingen of retributies bedoeld in de artikelen 4 en 5 " en de woorden " , evenals de vermeerderingen ";
2° de woorden " , de verwezenlijking van de analyses " worden telkens ingevoegd tussen de woorden " de uitvoering van de keuring " en de woorden " en de aflevering van certificaten ".
Art. 195. A l'article 12 de la même loi, modifié par les lois du 21 décembre 2007 et 6 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " ou recettes de laboratoires " sont insérés entre les mots " contributions ou rétributions visées aux articles 4 et 5 " et les mots " , ainsi que des majorations ";
2° les mots " , la réalisation d'analyses " sont chaque fois insérés entre les mots " l'exécution de l'expertise " et les mots " et la délivrance de certificats ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " ou recettes de laboratoires " sont insérés entre les mots " contributions ou rétributions visées aux articles 4 et 5 " et les mots " , ainsi que des majorations ";
2° les mots " , la réalisation d'analyses " sont chaque fois insérés entre les mots " l'exécution de l'expertise " et les mots " et la délivrance de certificats ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 10 november 2005 betreffende heffingen bepaald bij artikel 4 van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
Section 2. - Modifications de l'arrêté royal du 10 novembre 2005 fixant les contributions visées à l'article 4 de la loi du 9 décembre 2004 relative au financement de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire
Art. 196. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 november 2005 betreffende heffingen bepaald bij artikel 4 van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2008, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. Voor steengroeven die grondstoffen voor de veevoeding, kalkmeststoffen of additieven voor de voedingsindustrie voortbrengen wordt het bedrag van de heffing vastgesteld naar rata van de geproduceerde hoeveelheden, overeenkomstig bijlage 1, hoofdstuk 4. ".
" § 4. Voor steengroeven die grondstoffen voor de veevoeding, kalkmeststoffen of additieven voor de voedingsindustrie voortbrengen wordt het bedrag van de heffing vastgesteld naar rata van de geproduceerde hoeveelheden, overeenkomstig bijlage 1, hoofdstuk 4. ".
Art. 196. L'article 4 de l'arrêté royal du 10 novembre 2005 fixant les contributions visées à l'article 4 de la loi du 9 décembre 2004 relative au financement de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, modifié par la loi-programme du 22 décembre 2008, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Pour les carrières produisant des matières premières pour l'alimentation du bétail, des engrais calcaires ou des additifs pour l'industrie alimentaire, le montant de la contribution est fixé selon les quantités produites, conformément à l'annexe 1re, chapitre 4. ".
" § 4. Pour les carrières produisant des matières premières pour l'alimentation du bétail, des engrais calcaires ou des additifs pour l'industrie alimentaire, le montant de la contribution est fixé selon les quantités produites, conformément à l'annexe 1re, chapitre 4. ".
Art. 197. Artikel 11, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij programmawet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt :
" § 4. De in paragraaf 1 bedoelde vermeerderingen en verminderingen zijn niet van toepassing op :
1° de operatoren in de sectoren detailhandel en horeca die in de vestigingseenheid geen enkele activiteit uitoefenen die onderworpen is aan een toelating of een erkenning conform het koninklijk besluit van 16 januari 2006;
2° de dienstverleners die hun activiteiten niet uitoefenen in hun vestigingseenheid maar deze uitsluitend uitoefenen in de vestigingeenheden van andere operatoren. ".
" § 4. De in paragraaf 1 bedoelde vermeerderingen en verminderingen zijn niet van toepassing op :
1° de operatoren in de sectoren detailhandel en horeca die in de vestigingseenheid geen enkele activiteit uitoefenen die onderworpen is aan een toelating of een erkenning conform het koninklijk besluit van 16 januari 2006;
2° de dienstverleners die hun activiteiten niet uitoefenen in hun vestigingseenheid maar deze uitsluitend uitoefenen in de vestigingeenheden van andere operatoren. ".
Art. 197. L'article 11, § 4, du même arrêté, inséré par la loi-programme du 22 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Les majorations et diminutions visées au paragraphe 1er ne s'appliquent pas :
1° aux opérateurs, dans les secteurs du commerce de détail et de l'horeca qui n'exercent, dans l'unité d'établissement, aucune activité soumise à une autorisation ou à un agrément conformément à l'arrêté royal du 16 janvier 2006;
2° aux prestataires de services qui n'exercent pas leurs activités au sein de leur unité d'établissement mais les exercent exclusivement dans les unités d'établissement d'autres opérateurs. ".
" § 4. Les majorations et diminutions visées au paragraphe 1er ne s'appliquent pas :
1° aux opérateurs, dans les secteurs du commerce de détail et de l'horeca qui n'exercent, dans l'unité d'établissement, aucune activité soumise à une autorisation ou à un agrément conformément à l'arrêté royal du 16 janvier 2006;
2° aux prestataires de services qui n'exercent pas leurs activités au sein de leur unité d'établissement mais les exercent exclusivement dans les unités d'établissement d'autres opérateurs. ".
Art. 198. Bijlage 1 bij hetzelfde besluit, vervangen bij de programmawet van 22 december 2008, wordt aangevuld met een hoofdstuk 4, luidende :
" HOOFDSTUK 4. - Minerale stoffen
Geproduceerd tonnage/Bedrag/
vestigingseenheid
5.000 ton 20,75 EUR
5.001 - 10.000 ton 41,50 EUR
10.001 - 25.000 ton 250 EUR
25.001 - 50.000 ton 646,74 EUR
50.001 - 75.000 ton 957,175 EUR
75.001 - 100.000 ton 1.293,48 EUR
100.001 - 200.000 ton 2.212,63 EUR
> 200.000 ton 2.836,11 EUR. "
" HOOFDSTUK 4. - Minerale stoffen
Geproduceerd tonnage/Bedrag/
vestigingseenheid
5.000 ton 20,75 EUR
5.001 - 10.000 ton 41,50 EUR
10.001 - 25.000 ton 250 EUR
25.001 - 50.000 ton 646,74 EUR
50.001 - 75.000 ton 957,175 EUR
75.001 - 100.000 ton 1.293,48 EUR
100.001 - 200.000 ton 2.212,63 EUR
> 200.000 ton 2.836,11 EUR. "
Art. 198. L'annexe 1re au même arrêté, remplacée par la loi-programme du 22 décembre 2008, est complétée par un chapitre 4, rédigé comme suit :
" CHAPITRE 4. - Matières minérales
Tonnage produit/Montant/
unité d'établissement
5.000 ton 20,75 EUR
5.001 - 10.000 ton 41,50 EUR
10.001 - 25.000 ton 250 EUR
25.001 - 50.000 ton 646,74 EUR
50.001 - 75.000 ton 957,175 EUR
75.001 - 100.000 ton 1.293,48 EUR
100.001 - 200.000 ton 2.212,63 EUR
> 200.000 ton 2.836,11 EUR. "
" CHAPITRE 4. - Matières minérales
Tonnage produit/Montant/
unité d'établissement
5.000 ton 20,75 EUR
5.001 - 10.000 ton 41,50 EUR
10.001 - 25.000 ton 250 EUR
25.001 - 50.000 ton 646,74 EUR
50.001 - 75.000 ton 957,175 EUR
75.001 - 100.000 ton 1.293,48 EUR
100.001 - 200.000 ton 2.212,63 EUR
> 200.000 ton 2.836,11 EUR. "
Art. 199. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2010.
Art. 199. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2010.
HOOFDSTUK 3. - Oprichting van een Staatsdienst met afzonderlijk beheer " Centrale dienst voor Duitse vertaling "
CHAPITRE 3. - Création d'un service de l'Etat à gestion séparée " Service central de traduction allemande "
Art. 200. De Centrale dienst voor Duitse vertaling, die van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken afhangt, is een Staatsdienst met afzonderlijk beheer zoals bepaald in artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991.
[1 De prestaties uitgevoerd door deze dienst kunnen aanleiding geven tot retributies waarvan het bedrag vastgelegd is door de Koning.]1
[1 De prestaties uitgevoerd door deze dienst kunnen aanleiding geven tot retributies waarvan het bedrag vastgelegd is door de Koning.]1
Art. 200. Le Service central de traduction allemande qui dépend du Service public fédéral Intérieur est un service de l'Etat à gestion séparée, comme défini à l'article 140 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
[1 Les prestations effectuées par ce service peuvent donner lieu à des rétributions dont le montant est fixé par le Roi.]1
[1 Les prestations effectuées par ce service peuvent donner lieu à des rétributions dont le montant est fixé par le Roi.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Spoorwegen
CHAPITRE 4. - Chemins de fer
Art. 201. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° IFRS-normen : alle door de International Accounting Standards Board vastgestelde standaarden die op de datum van het afsluiten van de balans, door de Europese Commissie zijn goedgekeurd met toepassing van artikel 3 van de verordening van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen;
2° verrichting van alternatieve financiering : elke leasing- of rentingtransactie waarbij een netto contante waarde werd gerealiseerd;
3° netto contante waarde : het positieve verschil tussen de gerealiseerde opbrengst bij het afsluiten van een alternatieve financiering en de geactualiseerde waarde van de toekomstige verplichtingen.
1° IFRS-normen : alle door de International Accounting Standards Board vastgestelde standaarden die op de datum van het afsluiten van de balans, door de Europese Commissie zijn goedgekeurd met toepassing van artikel 3 van de verordening van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen;
2° verrichting van alternatieve financiering : elke leasing- of rentingtransactie waarbij een netto contante waarde werd gerealiseerd;
3° netto contante waarde : het positieve verschil tussen de gerealiseerde opbrengst bij het afsluiten van een alternatieve financiering en de geactualiseerde waarde van de toekomstige verplichtingen.
Art. 201. Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par :
1° normes IFRS : l'ensemble des normes définies par l'International Accounting Standards Board qui, à la date de clôture du bilan, ont été adoptées par la Commission européenne en application de l'article 3 du règlement du 19 juillet 2002 sur l'application des normes comptables internationales;
2° opération de financement alternatif : toute transaction de leasing ou de renting dans laquelle une valeur actuelle nette a été réalisée;
3° valeur actuelle nette : la différence positive entre les gains réalisés lors de la conclusion d'un financement alternatif et la valeur actualisée des obligations futures.
1° normes IFRS : l'ensemble des normes définies par l'International Accounting Standards Board qui, à la date de clôture du bilan, ont été adoptées par la Commission européenne en application de l'article 3 du règlement du 19 juillet 2002 sur l'application des normes comptables internationales;
2° opération de financement alternatif : toute transaction de leasing ou de renting dans laquelle une valeur actuelle nette a été réalisée;
3° valeur actuelle nette : la différence positive entre les gains réalisés lors de la conclusion d'un financement alternatif et la valeur actualisée des obligations futures.
Art. 202. De naamloze vennootschap van publiek recht [1 NMBS]1 is gehouden :
1° als schuld te acteren via de resultatenrekening het saldo op 1 januari 2009 van de netto contante waarde van de verrichtingen van alternatieve financiering die eerder in het kapitaal opgenomen werd;
2° dit saldo gespreid over de duurtijd van de betrokken verrichtingen op te nemen in de resultatenrekening.
1° als schuld te acteren via de resultatenrekening het saldo op 1 januari 2009 van de netto contante waarde van de verrichtingen van alternatieve financiering die eerder in het kapitaal opgenomen werd;
2° dit saldo gespreid over de duurtijd van de betrokken verrichtingen op te nemen in de resultatenrekening.
Art. 202. La société anonyme de droit public [1 SNCB]1 est tenue :
1° d'inscrire au titre de dette, par le biais du compte de résultats, le solde de la valeur actuelle nette des opérations de financement alternatif auparavant inscrites dans le capital;
2° d'inclure dans son compte de résultats ce solde, réparti sur la durée des opérations concernées.
1° d'inscrire au titre de dette, par le biais du compte de résultats, le solde de la valeur actuelle nette des opérations de financement alternatif auparavant inscrites dans le capital;
2° d'inclure dans son compte de résultats ce solde, réparti sur la durée des opérations concernées.
Art. 203. In afwijking van artikel 57 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen, § 1 en § 3, wordt aan [1 ...]1, de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel en de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS toegestaan, vanaf 1 januari 2010, enerzijds de materiële vaste activa in hun statutaire rekeningen te registreren tegen hun reële waarde op 1 januari 2009, na aftrek van de afschrijvingen voor 2009 en anderzijds elke afwijking tegenover de boekwaarde vastgesteld op 1 januari 2010 te registreren als herwaarderingsmeerwaarde. Deze herwaarderingsmeerwaarde wordt opgenomen in de resultatenrekening via " andere exploitatieopbrengsten " volgens het ritme van de afschrijvingen op de betrokken activa.
Art. 203. Par dérogation à l'article 57 de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, § 1er et § 3, il est permis [1 ...]1, à la société anonyme de droit public Infrabel et à la société anonyme de droit public SNCB, à partir du 1er janvier 2010, d'une part, d'enregistrer les immobilisations corporelles dans leurs comptes statutaires à leur valeur réelle au 1er janvier 2009, après déduction des amortissements pour 2009, et, d'autre part, d'enregistrer toute divergence par rapport à la valeur comptable constatée au 1er janvier 2010 en tant que plus-value de réévaluation. Cette plus-value de réévaluation est reprise dans le compte de résultats par le biais d'" autres revenus d'exploitation " en suivant le rythme des amortissements sur les actifs concernés.
Art. 204. Artikel 355 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, wordt aangevuld met twee leden, luidend als volgt :
" Bovendien wordt er bij de realisatie van investeringen voor opdrachten van openbare dienst die de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel verwezenlijkt met aanwending van een deel van haar overgedragen winst, tegelijk een overdracht verricht via de balans naar de rubriek " kapitaalsubsidies " zonder langs de resultatenrekening te transiteren, voor een bedrag gelijk aan de identificeerbare lichamelijke en onlichamelijke vaste activa, gefinancierd door deze overgedragen winst. Deze aanwending is beperkt tot een maximum van 200 miljoen euro.
Bij elke kapitaalverhoging na 31 december 2009, in geld of in natura, van een naamloze vennootschap van publiek recht van de NMBS-groep, met het oog op de realisatie van investeringen voor opdrachten van openbare dienst, wordt gelijktijdig met de volstorting, via de balans, een overdracht uitgevoerd naar de rubriek " kapitaalsubsidies " voor het gedeelte dat volgens de IFRS-normen kan worden geactiveerd en naar de rubriek " overlopende rekeningen " voor het gedeelte dat volgens de IFRS-normen niet kan worden geactiveerd. ".
" Bovendien wordt er bij de realisatie van investeringen voor opdrachten van openbare dienst die de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel verwezenlijkt met aanwending van een deel van haar overgedragen winst, tegelijk een overdracht verricht via de balans naar de rubriek " kapitaalsubsidies " zonder langs de resultatenrekening te transiteren, voor een bedrag gelijk aan de identificeerbare lichamelijke en onlichamelijke vaste activa, gefinancierd door deze overgedragen winst. Deze aanwending is beperkt tot een maximum van 200 miljoen euro.
Bij elke kapitaalverhoging na 31 december 2009, in geld of in natura, van een naamloze vennootschap van publiek recht van de NMBS-groep, met het oog op de realisatie van investeringen voor opdrachten van openbare dienst, wordt gelijktijdig met de volstorting, via de balans, een overdracht uitgevoerd naar de rubriek " kapitaalsubsidies " voor het gedeelte dat volgens de IFRS-normen kan worden geactiveerd en naar de rubriek " overlopende rekeningen " voor het gedeelte dat volgens de IFRS-normen niet kan worden geactiveerd. ".
Art. 204. L'article 355 de la loi du 20 juillet 2006 portant dispositions diverses, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" En outre, lors de la réalisation d'investissements pour les missions de service public par la Société anonyme de droit public Infrabel via l'affectation d'une partie de son bénéfice reporté, un transfert concomitant est opéré au bilan vers la rubrique " subsides en capital " sans passer par le compte de résultats et ce, pour un montant égal aux actifs immobilisés corporels et incorporels identifiables financés par ce bénéfice reporté. Cette affectation est limitée à un maximum de 200 millions d'euros.
Lors de toute augmentation de capital d'une société anonyme de droit public du groupe SNCB, effectuée, en espèces ou en nature, après le 31 décembre 2009, en vue de réaliser des investissements pour missions de service public, un transfert concomitant à la libération est opéré par le biais du bilan vers la rubrique " subsides en le capital " pour la partie qui, selon les normes IFRS, peut être activée, et vers la rubrique " comptes de régularisation " pour la partie qui, selon les normes IFRS, ne peut pas être activée. ".
" En outre, lors de la réalisation d'investissements pour les missions de service public par la Société anonyme de droit public Infrabel via l'affectation d'une partie de son bénéfice reporté, un transfert concomitant est opéré au bilan vers la rubrique " subsides en capital " sans passer par le compte de résultats et ce, pour un montant égal aux actifs immobilisés corporels et incorporels identifiables financés par ce bénéfice reporté. Cette affectation est limitée à un maximum de 200 millions d'euros.
Lors de toute augmentation de capital d'une société anonyme de droit public du groupe SNCB, effectuée, en espèces ou en nature, après le 31 décembre 2009, en vue de réaliser des investissements pour missions de service public, un transfert concomitant à la libération est opéré par le biais du bilan vers la rubrique " subsides en le capital " pour la partie qui, selon les normes IFRS, peut être activée, et vers la rubrique " comptes de régularisation " pour la partie qui, selon les normes IFRS, ne peut pas être activée. ".
HOOFDSTUK 5. - Kruispuntbank van Ondernemingen
CHAPITRE 5. - Banque-Carrefour des Entreprises
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen
Section 1re. - Modifications de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions
Art. 205. In artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde lid worden tussen de woorden " ondernemingen " en " overeenkomstig ", de woorden " en hun gemandateerden " ingevoegd;
2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :
" De Kruispuntbank van Ondernemingen beoogt ook de optimalisering van het overdragen en het verspreiden van de gegevens betreffende de ondernemingen. Ten dien einde kan ze doorverwijzen of doorlinken naar andere publieke overheidsdatabanken.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten waarbinnen de Kruispuntbank van Ondernemingen ter beschikking wordt gesteld in het kader van de versterking van de strijd tegen fraude, overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de wettelijke of reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel 6 bedoelde gegevens toelaten door de overheden, administraties en diensten aangewezen krachtens artikel 7. ".
1° in het derde lid worden tussen de woorden " ondernemingen " en " overeenkomstig ", de woorden " en hun gemandateerden " ingevoegd;
2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :
" De Kruispuntbank van Ondernemingen beoogt ook de optimalisering van het overdragen en het verspreiden van de gegevens betreffende de ondernemingen. Ten dien einde kan ze doorverwijzen of doorlinken naar andere publieke overheidsdatabanken.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten waarbinnen de Kruispuntbank van Ondernemingen ter beschikking wordt gesteld in het kader van de versterking van de strijd tegen fraude, overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de wettelijke of reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel 6 bedoelde gegevens toelaten door de overheden, administraties en diensten aangewezen krachtens artikel 7. ".
Art. 205. Dans l'article 3 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions, les modifications suivantes sont apportées :
1° au troisième alinéa, entre les mots " entreprises " et " conformément ", sont insérés les mots " et de leurs mandataires ";
2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" La Banque-Carrefour des Entreprises vise également à optimiser le transfert et la diffusion des données relatives aux entreprises. à cette fin, elle peut renvoyer ou créer des liens vers d'autres banques de données publiques.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités selon lesquelles la Banque-Carrefour des Entreprises est mise à disposition dans le cadre du renforcement de la lutte contre la fraude, conformément aux dispositions de la présente loi et aux dispositions légales et réglementaires qui autorisent la collecte initiale des données visées à l'article 6 par les autorités, les administrations et les services désignés en vertu de l'article 7. ".
1° au troisième alinéa, entre les mots " entreprises " et " conformément ", sont insérés les mots " et de leurs mandataires ";
2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" La Banque-Carrefour des Entreprises vise également à optimiser le transfert et la diffusion des données relatives aux entreprises. à cette fin, elle peut renvoyer ou créer des liens vers d'autres banques de données publiques.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités selon lesquelles la Banque-Carrefour des Entreprises est mise à disposition dans le cadre du renforcement de la lutte contre la fraude, conformément aux dispositions de la présente loi et aux dispositions légales et réglementaires qui autorisent la collecte initiale des données visées à l'article 6 par les autorités, les administrations et les services désignés en vertu de l'article 7. ".
Art. 206. Artikel 31 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, kan de bijzondere verwerking van gegevens uit de Kruispuntbank van Ondernemingen aanleiding geven tot het innen van een vergoeding. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de beheersdienst en de overheid, administratie of de dienst aan wie deze gegevens worden meegedeeld en in een overeenkomst vastgelegd. ".
" Behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, kan de bijzondere verwerking van gegevens uit de Kruispuntbank van Ondernemingen aanleiding geven tot het innen van een vergoeding. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de beheersdienst en de overheid, administratie of de dienst aan wie deze gegevens worden meegedeeld en in een overeenkomst vastgelegd. ".
Art. 206. L'article 31 de la même loi est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Le traitement spécifique de données de la Banque-Carrefour des Entreprises hors le cas visé à l'alinéa 1er peut donner lieu à la perception d'une contribution. Le montant de cette contribution est déterminé de commun accord entre le service de gestion et l'autorité, l'administration ou le service auxquels les données sont communiquées et il est fixé dans un contrat. ".
" Le traitement spécifique de données de la Banque-Carrefour des Entreprises hors le cas visé à l'alinéa 1er peut donner lieu à la perception d'une contribution. Le montant de cette contribution est déterminé de commun accord entre le service de gestion et l'autorité, l'administration ou le service auxquels les données sont communiquées et il est fixé dans un contrat. ".
Art. 207. In dezelfde wet wordt een artikel 31/1 ingevoegd, luidende :
" Art. 31/1. § 1. Onverminderd artikel 31, wordt bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een " Begrotingsfonds Kruispuntbank van Ondernemingen " opgericht, hierna " het Fonds " genoemd.
Dit Fonds vormt een organiek begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.
§ 2. Het Fonds dient voor ontwikkeling van de Kruispuntbank van Ondernemingen, alsook voor de verbetering en optimalisatie van haar werking en haar gebruik.
§ 3. De inkomsten die aan het Fonds worden toegewezen, alsook de uitgaven die ten laste ervan kunnen gebeuren, worden voor genoemd Fonds opgenomen in de tabel die bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen is gevoegd.
§ 4. Het Fonds wordt beheerd volgens de modaliteiten vastgelegd door de Minister bevoegd voor Economie. ".
" Art. 31/1. § 1. Onverminderd artikel 31, wordt bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een " Begrotingsfonds Kruispuntbank van Ondernemingen " opgericht, hierna " het Fonds " genoemd.
Dit Fonds vormt een organiek begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.
§ 2. Het Fonds dient voor ontwikkeling van de Kruispuntbank van Ondernemingen, alsook voor de verbetering en optimalisatie van haar werking en haar gebruik.
§ 3. De inkomsten die aan het Fonds worden toegewezen, alsook de uitgaven die ten laste ervan kunnen gebeuren, worden voor genoemd Fonds opgenomen in de tabel die bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen is gevoegd.
§ 4. Het Fonds wordt beheerd volgens de modaliteiten vastgelegd door de Minister bevoegd voor Economie. ".
Art. 207. Dans la même loi, il est inséré un article 31/1 rédigé comme suit :
" Art. 31/1. § 1er. Sans préjudice de l'article 31, il est créé auprès du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie un " Fonds budgétaire Banque-Carrefour des Entreprises ", ci-après dénommé " le Fonds ".
Ce Fonds constitue un fonds budgétaire organique au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 2. Le Fonds est destiné au développement de la Banque-Carrefour des Entreprises ainsi qu'à l'amélioration et à l'optimisation de son fonctionnement et de son utilisation.
§ 3. Les recettes affectées au Fonds, ainsi que les dépenses qui peuvent être effectuées à sa charge, sont mentionnées en regard dudit Fonds au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
§ 4. Le Fonds est administré selon les modalités fixées par le Ministre qui a l'Economie dans ses attributions. ".
" Art. 31/1. § 1er. Sans préjudice de l'article 31, il est créé auprès du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie un " Fonds budgétaire Banque-Carrefour des Entreprises ", ci-après dénommé " le Fonds ".
Ce Fonds constitue un fonds budgétaire organique au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 2. Le Fonds est destiné au développement de la Banque-Carrefour des Entreprises ainsi qu'à l'amélioration et à l'optimisation de son fonctionnement et de son utilisation.
§ 3. Les recettes affectées au Fonds, ainsi que les dépenses qui peuvent être effectuées à sa charge, sont mentionnées en regard dudit Fonds au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
§ 4. Le Fonds est administré selon les modalités fixées par le Ministre qui a l'Economie dans ses attributions. ".
Afdeling 2. - Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen
Section 2. - Modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires
HOOFDSTUK 6. - Overdracht middelen BIPT naar de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
CHAPITRE 6. - Transfert moyens IBPT vers le SPF Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie
Art. 209. In de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post-en telecommunicatiesector wordt een artikel 31/1 ingevoegd, luidende :
" Art. 31/1. De menselijke, financiële en materiële middelen noodzakelijk voor de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het beleid inzake telecommunicatie en postdiensten worden overgedragen van het Instituut naar de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop deze overdracht plaatsvindt. ".
" Art. 31/1. De menselijke, financiële en materiële middelen noodzakelijk voor de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het beleid inzake telecommunicatie en postdiensten worden overgedragen van het Instituut naar de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop deze overdracht plaatsvindt. ".
Art. 209. Dans la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges, il est inséré un article 31/1 rédigé comme suit :
" Art. 31/1. Les moyens humains, financiers et matériels nécessaires à la préparation, l'exécution et l'évaluation de la politique en matière de télécommunications et de services postaux sont transférés de l'Institut au Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de ce transfert. ".
" Art. 31/1. Les moyens humains, financiers et matériels nécessaires à la préparation, l'exécution et l'évaluation de la politique en matière de télécommunications et de services postaux sont transférés de l'Institut au Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de ce transfert. ".