Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 SEPTEMBER 2009. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-10-2009 en tekstbijwerking tot 09-03-2011)
Titre
27 SEPTEMBRE 2009. - Arrêté royal portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-10-2009 et mise à jour au 09-03-2011)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK I. - Doel en toepassingsgebied
HOOFDSTUK II. - Definities
TITEL II. - De herverzekeringsondernemingen naa...
HOOFDSTUK I. - Technische voorzieningen
HOOFDSTUK II. - Tegenover de technische voorzie...
Afdeling I. - Beleggingsbeleid
Afdeling II. - Waarderingsregels
Afdeling III. - Lokalisatie
Afdeling IV. - Diverse bepalingen
HOOFDSTUK III. - Solvabiliteitsmarge en minimum...
Afdeling I. - Samengestelde solvabiliteitsmarge
Afdeling II. - Vereiste solvabiliteitsmarge
Afdeling III. - Herverzekeringsondernemingen
Afdeling IV. - Herverzekeringscaptives
TITEL III. - De in België gevestigde bijkantore...
TITEL IV. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het koninklijk be...
HOOFDSTUK II. - Opheffing van het koninklijk be...
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in het koninklijk ...
TITEL V. - Slotbepaling
BIJLAGEN.
Inhoud
TITRE Ier. - Dispositions générales
CHAPITRE Ier. - Objet et champ d'application
CHAPITRE II. - Définitions
TITRE II. - Des entreprises de réassurance de d...
CHAPITRE Ier. - Provisions techniques
CHAPITRE II. - Actifs représentatifs des provis...
Section Ire. - Politique d'investissement
Section II. - Règles d'évaluation
Section III. - Localisation
Section IV. - Dispositions diverses
CHAPITRE III. - Marge de solvabilité et fonds d...
Section Ire. - Marge de solvabilité constituée
Section II. - Exigence de marge de solvabilité
Section III. - Entreprises de réassurance
Section IV. - Entreprises captives de réassurance
TITRE III. - Des succursales en Belgique d'entr...
TITRE IV. - Dispositions modificatives et abrog...
CHAPITRE Ier. - Modifications de l'arrêté royal...
CHAPITRE II. - Abrogation de l'arrêté royal du ...
CHAPITRE III. - Modifications de l'arrêté royal...
TITRE V. - Disposition finale
ANNEXES.
Tekst (52)
Texte (52)
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
HOOFDSTUK I. - Doel en toepassingsgebied
CHAPITRE Ier. - Objet et champ d'application
Artikel 1. Dit besluit zorgt inzonderheid voor de omzetting van Richtlijn 2005/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 betreffende herverzekering en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2002/83/EG.
Article 1er. Le présent arrêté assure notamment la transposition de la Directive 2005/68/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2005 relative à la réassurance et modifiant les Directives 73/239/CEE et 92/49/CEE du Conseil ainsi que les Directives 98/78/CE et 2002/83/CE.
Art. 2. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Art. 2. Les dispositions du présent arrêté s'appliquent aux entreprises de réassurance visées à l'article 3, § 1er, de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
HOOFDSTUK II. - Definities
CHAPITRE II. - Définitions
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit en de ter uitvoering ervan genomen reglementen wordt bedoeld met :
1° " de wet " : de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf;
2° " het koninklijk besluit van 22 februari 1991 " : het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen;
3° " tak " : categorie van verzekeringsrisico's als bedoeld in bijlage I van het koninklijk besluit van 22 februari 1991;
4° " technische schulden " : sommen die verschuldigd zijn aan de cederende of retrocederende ondernemingen ter uitvoering van herverzekerings- of retrocessieovereenkomsten;
5° " Richtlijn 73/239/EEG " : Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan;
6° " Richtlijn 2002/83/EG " : Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering;
7° " EER " : de Europese Economische Ruimte.
1° " de wet " : de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf;
2° " het koninklijk besluit van 22 februari 1991 " : het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen;
3° " tak " : categorie van verzekeringsrisico's als bedoeld in bijlage I van het koninklijk besluit van 22 februari 1991;
4° " technische schulden " : sommen die verschuldigd zijn aan de cederende of retrocederende ondernemingen ter uitvoering van herverzekerings- of retrocessieovereenkomsten;
5° " Richtlijn 73/239/EEG " : Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan;
6° " Richtlijn 2002/83/EG " : Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering;
7° " EER " : de Europese Economische Ruimte.
Art. 3. Pour l'application du présent arrêté et des règlements pris pour son exécution, on entend par :
1° " la loi " : la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance;
2° " l'arrêté royal du 22 février 1991 " : l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances;
3° " branche " : une classe de risques d'assurance telle que visée à l'annexe Ire de l'arrêté royal du 22 février 1991;
4° " dettes techniques " : les sommes qui sont dues aux entreprises cédantes ou rétrocédantes en exécution de contrats de réassurance ou de rétrocession;
5° " la Directive 73/239/CEE " : la première Directive 73/239/CEE du Conseil du 24 juillet 1973 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant l'accès à l'activité de l'assurance directe autre que l'assurance sur la vie, et son exercice;
6° " la Directive 2002/83/CE " : la Directive 2002/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 5 novembre 2002 concernant l'assurance directe sur la vie;
7° " EEE " : l'Espace économique européen.
1° " la loi " : la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance;
2° " l'arrêté royal du 22 février 1991 " : l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances;
3° " branche " : une classe de risques d'assurance telle que visée à l'annexe Ire de l'arrêté royal du 22 février 1991;
4° " dettes techniques " : les sommes qui sont dues aux entreprises cédantes ou rétrocédantes en exécution de contrats de réassurance ou de rétrocession;
5° " la Directive 73/239/CEE " : la première Directive 73/239/CEE du Conseil du 24 juillet 1973 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant l'accès à l'activité de l'assurance directe autre que l'assurance sur la vie, et son exercice;
6° " la Directive 2002/83/CE " : la Directive 2002/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 5 novembre 2002 concernant l'assurance directe sur la vie;
7° " EEE " : l'Espace économique européen.
TITEL II. - De herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
TITRE II. - Des entreprises de réassurance de droit belge
HOOFDSTUK I. - Technische voorzieningen
CHAPITRE Ier. - Provisions techniques
Art. 4. § 1. De technische voorzieningen moeten omvatten :
1° een voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico's :
a) de voorziening voor niet-verdiende premies komt overeen met het deel van de premies bruto van retrocessie dat moet worden toegerekend aan een volgend boekjaar of aan volgende boekjaren om de schadelast, de administratiekosten en de beheerskosten van beleggingen te dekken;
b) de voorziening voor lopende risico's bestaat uit een bedrag ter aanvulling van de voorziening voor niet-verdiende premies. Ze wordt samengesteld wanneer blijkt dat het geschatte geheel van de schadelast en de administratiekosten, betreffende de lopende overeenkomsten en door de onderneming nog te dragen, hoger zal zijn dan het geheel van de niet-verdiende premies en de verschuldigde premies met betrekking tot deze overeenkomsten;
2° een voorziening voor te betalen schaden :
Deze voorziening beantwoordt aan het totaal van de geschatte uiteindelijke kosten van de afwikkeling van alle al dan niet aangemelde schaden, verminderd met de bedragen die reeds met betrekking tot zulke schaden zijn betaald. Ze bevat de schadevergoeding en de externe en de interne beheerskosten van de schadegevallen.
Er mag geen vermindering voor opbrengsten uit beleggingen toegepast worden, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden toegestaan door de [1 FSMA]1.
In de voorziening voor te betalen schaden mogen de niet-verwezenlijkte terugvorderingen, met inbegrip van de terug te vorderen vrijstellingen, niet in mindering gebracht worden;
3° een voorziening voor egalisatie en catastrofen.
Deze voorziening wordt samengesteld met de bedoeling om in de komende jaren, hetzij het niet-terugkerend technisch verlies te compenseren, hetzij de schommelingen van de schadequote te nivelleren, hetzij bijzondere risico's te dekken.
Zij moet worden aangelegd voor het kredietrisico en moet worden berekend volgens de voorschriften die zijn vastgesteld door de [1 FSMA]1;
4° een vergrijzingsvoorziening.
Deze voorziening moet worden gevormd in geval van met de leeftijd stijgende voorvalswet en komt overeen met de geschatte actuele waarde van de toekomstige verplichtingen van de herverzekeringsonderneming na aftrek van de geschatte actuele waarde van de toekomstige premies;
5° een voorziening voor de verdeelde maar nog niet toegekende winstdelingen met inbegrip van de verdeelde maar nog niet toegekende restorno's;
6° een voorziening voor verzekering "leven".
Deze voorziening wordt berekend overeenkomstig de reglementering betreffende de activiteitengroep "leven";
7° enige andere voorziening die door de [1 FSMA]1 kan worden opgelegd.
Het bedrag van de door de herverzekeringsondernemingen samen te stellen technische voorzieningen en te boeken technische schulden dient op elk ogenblik voldoende te zijn om te waarborgen dat alle uit hun aangenomen herverzekeringsovereenkomsten voort-vloeiende verplichtingen kunnen worden nagekomen.
Voor de onderschrijving van de herverzekeringsovereenkomsten betreffende risico's gelegen in een Staat die geen lid is van de EER, wordt het bedrag van de technische voorzieningen vastgesteld volgens de regels van het land van het risico indien dat land zijn eigen regels oplegt, zonder dat evenwel het bedrag van die voorzieningen lager mag liggen dan het bedrag bekomen bij toepassing van de Belgische regels.
§ 2. Als ingevolge de tak of het type van activiteit die/dat herverzekerd wordt, de gegevens betreffende de te ontvangen premies of te verrichten uitkeringen, voor het onderschrijvingsjaar, onvoldoende zijn om nauwkeurige ramingen te kunnen maken op het ogenblik van het samenstellen van de voorzieningen, kan de [1 FSMA]1, voor de berekening van de voorziening voor niet-verdiende premies en de voorziening voor te betalen schaden, de toepassing toelaten of opleggen van één van de methodes voorgeschreven door de waarderingsregels die zijn vastgelegd voor het opmaken van de jaarrekening.
§ 3. Zonder afbreuk te doen aan wat voorafgaat, zijn de volgende regels van toepassing :
1° de technische voorzieningen van de herverzekeringsonderneming moeten ten minste gelijk zijn aan het aandeel van de herverzekeringsonderneming in de technische voorzieningen van de cedent of van de retrocedent, berekend op grond van de in de herverzekerings-overeenkomst voorziene clausules en van de door de cedent of de retrocedent te verstrekken informatie;
2° de herverzekeringsonderneming dient de haar meegedeelde ramingen van de technische voorzieningen te verhogen als dat nodig blijkt op basis van de statistische ervaring, of als zij tekortkomingen vaststelt ten aanzien van de waarderingsregels met betrekking tot de technische voorzieningen van de cedent of de retrocedent. Als de gegevens vereist voor de samenstelling van de technische voorzieningen van de betrokken periode haar niet op tijd bereiken, dient zij tot een raming op statistische grondslag over te gaan.
§ 4. De berekening van de technische voorzieningen gebeurt op basis van de waarderingsregels bepaald voor het opmaken van de jaarrekening en volgens methodes die zijn opgelegd of aanvaard door de [1 FSMA]1.
1° een voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico's :
a) de voorziening voor niet-verdiende premies komt overeen met het deel van de premies bruto van retrocessie dat moet worden toegerekend aan een volgend boekjaar of aan volgende boekjaren om de schadelast, de administratiekosten en de beheerskosten van beleggingen te dekken;
b) de voorziening voor lopende risico's bestaat uit een bedrag ter aanvulling van de voorziening voor niet-verdiende premies. Ze wordt samengesteld wanneer blijkt dat het geschatte geheel van de schadelast en de administratiekosten, betreffende de lopende overeenkomsten en door de onderneming nog te dragen, hoger zal zijn dan het geheel van de niet-verdiende premies en de verschuldigde premies met betrekking tot deze overeenkomsten;
2° een voorziening voor te betalen schaden :
Deze voorziening beantwoordt aan het totaal van de geschatte uiteindelijke kosten van de afwikkeling van alle al dan niet aangemelde schaden, verminderd met de bedragen die reeds met betrekking tot zulke schaden zijn betaald. Ze bevat de schadevergoeding en de externe en de interne beheerskosten van de schadegevallen.
Er mag geen vermindering voor opbrengsten uit beleggingen toegepast worden, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden toegestaan door de [1 FSMA]1.
In de voorziening voor te betalen schaden mogen de niet-verwezenlijkte terugvorderingen, met inbegrip van de terug te vorderen vrijstellingen, niet in mindering gebracht worden;
3° een voorziening voor egalisatie en catastrofen.
Deze voorziening wordt samengesteld met de bedoeling om in de komende jaren, hetzij het niet-terugkerend technisch verlies te compenseren, hetzij de schommelingen van de schadequote te nivelleren, hetzij bijzondere risico's te dekken.
Zij moet worden aangelegd voor het kredietrisico en moet worden berekend volgens de voorschriften die zijn vastgesteld door de [1 FSMA]1;
4° een vergrijzingsvoorziening.
Deze voorziening moet worden gevormd in geval van met de leeftijd stijgende voorvalswet en komt overeen met de geschatte actuele waarde van de toekomstige verplichtingen van de herverzekeringsonderneming na aftrek van de geschatte actuele waarde van de toekomstige premies;
5° een voorziening voor de verdeelde maar nog niet toegekende winstdelingen met inbegrip van de verdeelde maar nog niet toegekende restorno's;
6° een voorziening voor verzekering "leven".
Deze voorziening wordt berekend overeenkomstig de reglementering betreffende de activiteitengroep "leven";
7° enige andere voorziening die door de [1 FSMA]1 kan worden opgelegd.
Het bedrag van de door de herverzekeringsondernemingen samen te stellen technische voorzieningen en te boeken technische schulden dient op elk ogenblik voldoende te zijn om te waarborgen dat alle uit hun aangenomen herverzekeringsovereenkomsten voort-vloeiende verplichtingen kunnen worden nagekomen.
Voor de onderschrijving van de herverzekeringsovereenkomsten betreffende risico's gelegen in een Staat die geen lid is van de EER, wordt het bedrag van de technische voorzieningen vastgesteld volgens de regels van het land van het risico indien dat land zijn eigen regels oplegt, zonder dat evenwel het bedrag van die voorzieningen lager mag liggen dan het bedrag bekomen bij toepassing van de Belgische regels.
§ 2. Als ingevolge de tak of het type van activiteit die/dat herverzekerd wordt, de gegevens betreffende de te ontvangen premies of te verrichten uitkeringen, voor het onderschrijvingsjaar, onvoldoende zijn om nauwkeurige ramingen te kunnen maken op het ogenblik van het samenstellen van de voorzieningen, kan de [1 FSMA]1, voor de berekening van de voorziening voor niet-verdiende premies en de voorziening voor te betalen schaden, de toepassing toelaten of opleggen van één van de methodes voorgeschreven door de waarderingsregels die zijn vastgelegd voor het opmaken van de jaarrekening.
§ 3. Zonder afbreuk te doen aan wat voorafgaat, zijn de volgende regels van toepassing :
1° de technische voorzieningen van de herverzekeringsonderneming moeten ten minste gelijk zijn aan het aandeel van de herverzekeringsonderneming in de technische voorzieningen van de cedent of van de retrocedent, berekend op grond van de in de herverzekerings-overeenkomst voorziene clausules en van de door de cedent of de retrocedent te verstrekken informatie;
2° de herverzekeringsonderneming dient de haar meegedeelde ramingen van de technische voorzieningen te verhogen als dat nodig blijkt op basis van de statistische ervaring, of als zij tekortkomingen vaststelt ten aanzien van de waarderingsregels met betrekking tot de technische voorzieningen van de cedent of de retrocedent. Als de gegevens vereist voor de samenstelling van de technische voorzieningen van de betrokken periode haar niet op tijd bereiken, dient zij tot een raming op statistische grondslag over te gaan.
§ 4. De berekening van de technische voorzieningen gebeurt op basis van de waarderingsregels bepaald voor het opmaken van de jaarrekening en volgens methodes die zijn opgelegd of aanvaard door de [1 FSMA]1.
Art. 4. § 1er. Les provisions techniques doivent comprendre :
1° une provision pour primes non acquises et risques en cours :
a) la provision pour primes non acquises correspond à la fraction des primes brutes de rétrocession qui doit être allouée à l'exercice suivant ou aux exercices ultérieurs, afin de couvrir la charge des sinistres, les frais d'administration et les frais de gestion des placements;
b) la provision pour risques en cours consiste en un montant complémentaire à la provision pour primes non acquises. Elle est constituée lorsqu'il s'avère que l'ensemble estimé de la charge des sinistres et des frais d'administration, lié aux contrats en cours et restant à assumer par l'entreprise, sera supérieur à l'ensemble des primes non acquises et des primes dues relatives audits contrats;
2° une provision pour sinistres.
Cette provision correspond au coût total estimé que représentera finalement pour l'entreprise le règlement de tous les sinistres survenus, déclarés ou non, déduction faite des sommes déjà payées pour ces sinistres. Elle comprend les indemnités et les frais externes et internes de gestion des sinistres.
Aucune déduction ne peut être effectuée pour tenir compte des produits financiers des placements, sauf dans les cas et aux conditions admis par la [1 FSMA]1.
Les récupérations non réalisées, y compris les franchises à récupérer, ne peuvent être déduites de la provision pour sinistres;
3° une provision pour égalisation et catastrophes.
Cette provision est constituée dans le but, soit de compenser la perte technique non récurrente, soit d'égaliser les fluctuations du taux de sinistres, soit de couvrir les risques spéciaux, dans les années à venir.
Elle doit être constituée pour le risque crédit et calculée conformément aux règles fixées par la [1 FSMA]1;
4° une provision pour vieillissement.
Cette provision doit être constituée en cas de loi de survenance à taux croissant avec l'âge et correspond à la valeur actuelle estimée des engagements futurs de l'entreprise de réassurance, déduction faite de la valeur actuelle estimée des primes futures;
5° une provision pour participations bénéficiaires, y compris les ristournes de primes, réparties mais non encore attribuées;
6° une provision d'assurance "vie".
Cette provision est calculée conformément à la réglementation relative au groupe d'activités "vie";
7° toute autre provision qui peut être imposée par la [1 FSMA]1.
Le montant des provisions techniques à constituer et des dettes techniques à comptabiliser par les entreprises de réassurance doit leur permettre à tout moment d'honorer tous leurs engagements résultant de contrats de réassurance acceptée.
Pour ce qui concerne la souscription de contrats de réassurance relatifs à des risques situés dans un Etat qui n'est pas membre de l'EEE, le montant des provisions techniques est déterminé selon les règles du pays du risque si celui-ci impose ses propres règles, sans toutefois que le montant de ces provisions puisse être inférieur au montant obtenu par application des règles belges.
§ 2. Lorsque, en raison de la branche ou du type d'activité qui fait l'objet de la réassurance, les informations relatives aux primes à encaisser ou aux sinistres à payer pour l'exercice de souscription sont insuffisantes pour permettre une estimation précise au moment de la constitution des provisions, la [1 FSMA]1 peut, pour le calcul des provisions pour primes non acquises et pour sinistres, autoriser ou imposer l'application d'une des méthodes prévues par les règles d'évaluation fixées pour l'établissement des comptes annuels.
§ 3. Sans préjudice de ce qui précède, les règles suivantes sont d'application :
1° les provisions techniques de l'entreprise de réassurance doivent être au moins égales à la part de l'entreprise de réassurance dans les provisions techniques de la cédante ou de la rétrocédante, calculée sur base des clauses du contrat de réassurance et des informations qui doivent être fournies par la cédante ou la rétrocédante;
2° l'entreprise de réassurance est tenue de revoir à la hausse les évaluations des provisions techniques qui lui sont communiquées, si cela s'avère nécessaire sur base de l'expérience statistique ou si elle constate des manquements aux règles d'évaluation des provisions techniques de la cédante ou de la rétrocédante. Si les données requises pour l'évaluation des provisions techniques relatives à la période concernée ne lui sont pas fournies à temps, elle doit procéder à une estimation sur base statistique.
§ 4. Les provisions techniques sont calculées sur la base des règles d'évaluation fixées pour l'établissement des comptes annuels et selon des méthodes imposées ou acceptées par la [1 FSMA]1.
1° une provision pour primes non acquises et risques en cours :
a) la provision pour primes non acquises correspond à la fraction des primes brutes de rétrocession qui doit être allouée à l'exercice suivant ou aux exercices ultérieurs, afin de couvrir la charge des sinistres, les frais d'administration et les frais de gestion des placements;
b) la provision pour risques en cours consiste en un montant complémentaire à la provision pour primes non acquises. Elle est constituée lorsqu'il s'avère que l'ensemble estimé de la charge des sinistres et des frais d'administration, lié aux contrats en cours et restant à assumer par l'entreprise, sera supérieur à l'ensemble des primes non acquises et des primes dues relatives audits contrats;
2° une provision pour sinistres.
Cette provision correspond au coût total estimé que représentera finalement pour l'entreprise le règlement de tous les sinistres survenus, déclarés ou non, déduction faite des sommes déjà payées pour ces sinistres. Elle comprend les indemnités et les frais externes et internes de gestion des sinistres.
Aucune déduction ne peut être effectuée pour tenir compte des produits financiers des placements, sauf dans les cas et aux conditions admis par la [1 FSMA]1.
Les récupérations non réalisées, y compris les franchises à récupérer, ne peuvent être déduites de la provision pour sinistres;
3° une provision pour égalisation et catastrophes.
Cette provision est constituée dans le but, soit de compenser la perte technique non récurrente, soit d'égaliser les fluctuations du taux de sinistres, soit de couvrir les risques spéciaux, dans les années à venir.
Elle doit être constituée pour le risque crédit et calculée conformément aux règles fixées par la [1 FSMA]1;
4° une provision pour vieillissement.
Cette provision doit être constituée en cas de loi de survenance à taux croissant avec l'âge et correspond à la valeur actuelle estimée des engagements futurs de l'entreprise de réassurance, déduction faite de la valeur actuelle estimée des primes futures;
5° une provision pour participations bénéficiaires, y compris les ristournes de primes, réparties mais non encore attribuées;
6° une provision d'assurance "vie".
Cette provision est calculée conformément à la réglementation relative au groupe d'activités "vie";
7° toute autre provision qui peut être imposée par la [1 FSMA]1.
Le montant des provisions techniques à constituer et des dettes techniques à comptabiliser par les entreprises de réassurance doit leur permettre à tout moment d'honorer tous leurs engagements résultant de contrats de réassurance acceptée.
Pour ce qui concerne la souscription de contrats de réassurance relatifs à des risques situés dans un Etat qui n'est pas membre de l'EEE, le montant des provisions techniques est déterminé selon les règles du pays du risque si celui-ci impose ses propres règles, sans toutefois que le montant de ces provisions puisse être inférieur au montant obtenu par application des règles belges.
§ 2. Lorsque, en raison de la branche ou du type d'activité qui fait l'objet de la réassurance, les informations relatives aux primes à encaisser ou aux sinistres à payer pour l'exercice de souscription sont insuffisantes pour permettre une estimation précise au moment de la constitution des provisions, la [1 FSMA]1 peut, pour le calcul des provisions pour primes non acquises et pour sinistres, autoriser ou imposer l'application d'une des méthodes prévues par les règles d'évaluation fixées pour l'établissement des comptes annuels.
§ 3. Sans préjudice de ce qui précède, les règles suivantes sont d'application :
1° les provisions techniques de l'entreprise de réassurance doivent être au moins égales à la part de l'entreprise de réassurance dans les provisions techniques de la cédante ou de la rétrocédante, calculée sur base des clauses du contrat de réassurance et des informations qui doivent être fournies par la cédante ou la rétrocédante;
2° l'entreprise de réassurance est tenue de revoir à la hausse les évaluations des provisions techniques qui lui sont communiquées, si cela s'avère nécessaire sur base de l'expérience statistique ou si elle constate des manquements aux règles d'évaluation des provisions techniques de la cédante ou de la rétrocédante. Si les données requises pour l'évaluation des provisions techniques relatives à la période concernée ne lui sont pas fournies à temps, elle doit procéder à une estimation sur base statistique.
§ 4. Les provisions techniques sont calculées sur la base des règles d'évaluation fixées pour l'établissement des comptes annuels et selon des méthodes imposées ou acceptées par la [1 FSMA]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Tegenover de technische voorzieningen staande activa
CHAPITRE II. - Actifs représentatifs des provisions techniques
Afdeling I. - Beleggingsbeleid
Section Ire. - Politique d'investissement
Art. 5. De herverzekeringsondernemingen maken elk jaar, samen met hun jaarrekening, een door hun raad van bestuur goedgekeurd document over aan de [1 FSMA]1 waarin zij hun beleggingsbeleid uiteenzetten.
De beleggingen van de onderneming voor de activa ter dekking van de technische voorzieningen, moeten in overeenstemming zijn met de in dit document geponeerde beginselen.
Dit document bevat ten minste een beschrijving van de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de ingevoerde risicobeheersprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de herverzekeringsverplichtingen.
De herverzekeringsonderneming stelt de [1 FSMA]1 binnen de maand in kennis van elke wijziging aan haar beleggingsbeleid.
De beleggingen van de onderneming voor de activa ter dekking van de technische voorzieningen, moeten in overeenstemming zijn met de in dit document geponeerde beginselen.
Dit document bevat ten minste een beschrijving van de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de ingevoerde risicobeheersprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de herverzekeringsverplichtingen.
De herverzekeringsonderneming stelt de [1 FSMA]1 binnen de maand in kennis van elke wijziging aan haar beleggingsbeleid.
Art. 5. Les entreprises de réassurance communiquent chaque année à la [1 FSMA]1, en même temps que leurs comptes annuels, un document approuvé par le conseil d'administration et décrivant la politique d'investissement de l'entreprise.
Les investissements de l'entreprise pour les actifs représentatifs des provisions techniques doivent être conformes aux principes énoncés dans ce document.
Ce document contient, au minimum, une description des méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des obligations de réassurance.
Les entreprises de réassurance notifient à la [1 FSMA]1, dans un délai d'un mois, toute modification apportée à leur politique d'investissement.
Les investissements de l'entreprise pour les actifs représentatifs des provisions techniques doivent être conformes aux principes énoncés dans ce document.
Ce document contient, au minimum, une description des méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des obligations de réassurance.
Les entreprises de réassurance notifient à la [1 FSMA]1, dans un délai d'un mois, toute modification apportée à leur politique d'investissement.
Wijzigingen
Afdeling II. - Waarderingsregels
Section II. - Règles d'évaluation
Art. 6. § 1. De affectatiewaarde van de dekkingswaarden stemt overeen met hun marktwaarde.
Voor de dekkingswaarden die niet volgens marktwaarde kunnen worden gewaardeerd en voor de beleggingen in obligaties bedoeld in artikel 9, is de affectatiewaarde de waarde waarvoor deze activa op de actiefzijde van de balans zijn vermeld.
§ 2. Daarenboven wordt er voor de vaststelling van de affectatiewaarde van de dekkingswaarden rekening gehouden met het volgende :
1° de dekkingswaarden worden gewaardeerd met aftrek van de voor de verwerving ervan aangegane schulden.
2° de dekkingswaarden moeten met de nodige voorzichtigheid worden gewaardeerd, rekening houdend met het risico van niet-realisatie;
3° de dekkingswaarden waarvoor op datum van de waardering het voornemen bestaat ze op korte termijn te verkopen, worden gewaardeerd met aftrek van de geraamde realisatiekosten;
4° de vorderingen op een derde, aangewend als dekkingswaarden, worden gewaardeerd met aftrek van schulden jegens die derde.
§ 3. Op grond van de in dit artikel vastgestelde waarderingsregels mag de [1 FSMA]1 de voorgestelde waardebepaling van een dekkingswaarde verwerpen.
Voor de dekkingswaarden die niet volgens marktwaarde kunnen worden gewaardeerd en voor de beleggingen in obligaties bedoeld in artikel 9, is de affectatiewaarde de waarde waarvoor deze activa op de actiefzijde van de balans zijn vermeld.
§ 2. Daarenboven wordt er voor de vaststelling van de affectatiewaarde van de dekkingswaarden rekening gehouden met het volgende :
1° de dekkingswaarden worden gewaardeerd met aftrek van de voor de verwerving ervan aangegane schulden.
2° de dekkingswaarden moeten met de nodige voorzichtigheid worden gewaardeerd, rekening houdend met het risico van niet-realisatie;
3° de dekkingswaarden waarvoor op datum van de waardering het voornemen bestaat ze op korte termijn te verkopen, worden gewaardeerd met aftrek van de geraamde realisatiekosten;
4° de vorderingen op een derde, aangewend als dekkingswaarden, worden gewaardeerd met aftrek van schulden jegens die derde.
§ 3. Op grond van de in dit artikel vastgestelde waarderingsregels mag de [1 FSMA]1 de voorgestelde waardebepaling van een dekkingswaarde verwerpen.
Art. 6. § 1er. La valeur d'affectation des valeurs représentatives correspond à leur valeur de marché.
Pour les valeurs représentatives qui ne peuvent faire l'objet d'une évaluation à la valeur de marché et pour les placements en obligations visés à l'article 9, la valeur d'affectation est la valeur pour laquelle ces actifs sont mentionnés à l'actif du bilan.
§ 2. En outre, la valeur d'affectation des valeurs représentatives est déterminée en tenant compte des dispositions suivantes :
1° les valeurs représentatives sont évaluées déduction faite des dettes contractées pour leur acquisition;
2° les valeurs représentatives doivent être évaluées avec la prudence nécessaire en tenant compte du risque de non-réalisation;
3° les valeurs représentatives pour lesquelles l'intention existe, à la date d'évaluation, de les vendre à court terme, sont évaluées déduction faite des frais de réalisation estimés;
4° les créances sur un tiers, affectées comme valeurs représentatives, sont évaluées déduction faite des dettes envers ce tiers.
§ 3. Sur base des règles d'évaluation fixées au présent article, la [1 FSMA]1 peut rejeter la valeur proposée pour une valeur représentative.
Pour les valeurs représentatives qui ne peuvent faire l'objet d'une évaluation à la valeur de marché et pour les placements en obligations visés à l'article 9, la valeur d'affectation est la valeur pour laquelle ces actifs sont mentionnés à l'actif du bilan.
§ 2. En outre, la valeur d'affectation des valeurs représentatives est déterminée en tenant compte des dispositions suivantes :
1° les valeurs représentatives sont évaluées déduction faite des dettes contractées pour leur acquisition;
2° les valeurs représentatives doivent être évaluées avec la prudence nécessaire en tenant compte du risque de non-réalisation;
3° les valeurs représentatives pour lesquelles l'intention existe, à la date d'évaluation, de les vendre à court terme, sont évaluées déduction faite des frais de réalisation estimés;
4° les créances sur un tiers, affectées comme valeurs représentatives, sont évaluées déduction faite des dettes envers ce tiers.
§ 3. Sur base des règles d'évaluation fixées au présent article, la [1 FSMA]1 peut rejeter la valeur proposée pour une valeur représentative.
Wijzigingen
Afdeling III. - Lokalisatie
Section III. - Localisation
Art. 7. § 1. De dekkingswaarden moeten in een lidstaat gelokaliseerd zijn.
In afwijking van het eerste lid, worden de roerende dekkingswaarden die niet in een lidstaat gelokaliseerd zijn ook aanvaard indien de Nationale Bank van België of een beursvennootschap, een kredietinstelling of een buitenlandse beleggingsonderneming, die een vergunning verkregen heeft van de [1 FSMA]1 of van de daartoe bevoegde overheid van een lidstaat, attesteert dat zij via een vestiging in een lidstaat deze dekkingswaarden voor rekening van de herverzekeringsonderneming aanhoudt bij een kredietinstelling of beleggingsonderneming die niet in een lidstaat gevestigd is en die een vergunning gekregen heeft van een organisme van publiek recht waarvan de rol gelijklopend is met deze van de [1 FSMA]1.
In afwijking van het eerste lid is voor vorderingen op herverzekeraars, de lokalisatie van deze vorderingen in een lidstaat niet vereist.
§ 2. In de zin van dit artikel wordt onder lokalisatie van activa verstaan de aanwezigheid van roerende of onroerende activa binnen de grenzen. De activa bestaande uit schuldvorderingen, die niet door effecten zijn vertegenwoordigd, worden geacht zich te bevinden in het land waar ze realiseerbaar zijn.
In afwijking van het eerste lid, worden de roerende dekkingswaarden die niet in een lidstaat gelokaliseerd zijn ook aanvaard indien de Nationale Bank van België of een beursvennootschap, een kredietinstelling of een buitenlandse beleggingsonderneming, die een vergunning verkregen heeft van de [1 FSMA]1 of van de daartoe bevoegde overheid van een lidstaat, attesteert dat zij via een vestiging in een lidstaat deze dekkingswaarden voor rekening van de herverzekeringsonderneming aanhoudt bij een kredietinstelling of beleggingsonderneming die niet in een lidstaat gevestigd is en die een vergunning gekregen heeft van een organisme van publiek recht waarvan de rol gelijklopend is met deze van de [1 FSMA]1.
In afwijking van het eerste lid is voor vorderingen op herverzekeraars, de lokalisatie van deze vorderingen in een lidstaat niet vereist.
§ 2. In de zin van dit artikel wordt onder lokalisatie van activa verstaan de aanwezigheid van roerende of onroerende activa binnen de grenzen. De activa bestaande uit schuldvorderingen, die niet door effecten zijn vertegenwoordigd, worden geacht zich te bevinden in het land waar ze realiseerbaar zijn.
Art. 7. § 1er. Les valeurs représentatives doivent être localisées dans un Etat membre.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les valeurs représentatives mobilières non localisées dans un Etat membre sont également admises à condition que la Banque Nationale de Belgique ou une société de bourse, un établissement de crédit ou une entreprise d'investissement étrangère agréés par la [1 FSMA]1 ou par l'autorité compétente d'un Etat membre atteste qu'il détient par le biais d'un établissement dans un Etat membre, pour compte de l'entreprise de réassurance, ces valeurs représentatives auprès d'un établissement de crédit ou d'une entreprise d'investissement, non établis dans un Etat membre, agréés par un organisme de droit public dont le rôle est analogue à celui de la [1 FSMA]1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la localisation dans un Etat membre des créances sur réassureurs n'est pas requise.
§ 2. Au sens du présent article, on entend par localisation des actifs la présence d'actifs mobiliers ou immobiliers à l'intérieur des frontières. Les actifs sous forme de créances qui ne sont pas représentées par des titres sont considérés comme localisés dans le pays où ils sont réalisables.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les valeurs représentatives mobilières non localisées dans un Etat membre sont également admises à condition que la Banque Nationale de Belgique ou une société de bourse, un établissement de crédit ou une entreprise d'investissement étrangère agréés par la [1 FSMA]1 ou par l'autorité compétente d'un Etat membre atteste qu'il détient par le biais d'un établissement dans un Etat membre, pour compte de l'entreprise de réassurance, ces valeurs représentatives auprès d'un établissement de crédit ou d'une entreprise d'investissement, non établis dans un Etat membre, agréés par un organisme de droit public dont le rôle est analogue à celui de la [1 FSMA]1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la localisation dans un Etat membre des créances sur réassureurs n'est pas requise.
§ 2. Au sens du présent article, on entend par localisation des actifs la présence d'actifs mobiliers ou immobiliers à l'intérieur des frontières. Les actifs sous forme de créances qui ne sont pas représentées par des titres sont considérés comme localisés dans le pays où ils sont réalisables.
Wijzigingen
Afdeling IV. - Diverse bepalingen
Section IV. - Dispositions diverses
Art. 8. § 1. Er kan worden vereist dat zekerheden of een gelijkwaardige waarborg worden verstrekt, onder de in een reglement van de [1 FSMA]1 bepaalde voorwaarden, voor het gebruik, als dekkingswaarden, van de vorderingen op herverzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens Richtlijn 2005/68/EG of verzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens de Richtlijnen 73/239/EEG of 2002/83/EG.
Bij reglement van de [1 FSMA]1 kan worden vereist dat zekerheden of een gelijkwaardige waarborg worden verstrekt dan wel dat organisatie- en solvabiliteitsnormen worden opgelegd voor het gebruik, als dekkingswaarden, van herverzekeringsaandelen in de technische voorzieningen gehouden door herverzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens Richtlijn 2005/68/EG of verzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens de Richtlijnen 73/239/EEG of 2002/83/EG.
§ 2. De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels kunnen als dekkingswaarden in aanmerking komen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1, op volgende voorwaarden :
1° de herverzekeringsonderneming neemt op geen enkele wijze deel aan de financiering van het effectiseringsvehikel;
2° de herverzekeringsonderneming behoudt een deel van de risico's die aan het effectiseringsvehikel zijn overgedragen, zodat zij een economisch belang behoudt bij het schadeverloop van de overgedragen risico's;
3° de herverzekeringsonderneming draagt, rechtstreeks of onrechtstreeks, niet meer dan 50 % van haar risicototaal over aan een enkel effectiseringsvehikel;
4° de verbintenissen die het effectiseringsvehikel aangaat ten aanzien van de herverzekeringsonderneming, mogen niet onbegrensd zijn;
5° het effectiseringsvehikel bevat activa ten belope van een bedrag dat tenminste gelijk is aan het maximumbedrag van zijn verplichtingen ten aanzien van de herverzekeringsonderneming; indien niet langer wordt voldaan aan deze voorwaarde ingevolge een daling van de waarde van de betrokken activa, neemt de herverzekeringsonderneming enkel de verminderde waarde in aanmerking voor de dekking van haar technische voorzieningen;
6° de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van het effectiseringsvehikel bezitten de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring voor de uitoefening van hun functie; elk mogelijk belangenconflict tussen deze personen en de verantwoordelijken voor andere onderdelen van de verrichting, wordt ter kennis gebracht van de [1 FSMA]1;
7° het effectiseringsvehikel beschikt over een aan zijn werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
Daarenboven moet de herverzekeringsonderneming op elk ogenblik in staat zijn om op verzoek van de [1 FSMA]1 aan te tonen dat het risico daadwerkelijk is overgedragen aan het effectiseringsvehikel.
De [1 FSMA]1 kan een reglement vaststellen ter aanvulling van deze bepaling betreffende technische punten.
Bij reglement van de [1 FSMA]1 kan worden vereist dat zekerheden of een gelijkwaardige waarborg worden verstrekt dan wel dat organisatie- en solvabiliteitsnormen worden opgelegd voor het gebruik, als dekkingswaarden, van herverzekeringsaandelen in de technische voorzieningen gehouden door herverzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens Richtlijn 2005/68/EG of verzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens de Richtlijnen 73/239/EEG of 2002/83/EG.
§ 2. De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels kunnen als dekkingswaarden in aanmerking komen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1, op volgende voorwaarden :
1° de herverzekeringsonderneming neemt op geen enkele wijze deel aan de financiering van het effectiseringsvehikel;
2° de herverzekeringsonderneming behoudt een deel van de risico's die aan het effectiseringsvehikel zijn overgedragen, zodat zij een economisch belang behoudt bij het schadeverloop van de overgedragen risico's;
3° de herverzekeringsonderneming draagt, rechtstreeks of onrechtstreeks, niet meer dan 50 % van haar risicototaal over aan een enkel effectiseringsvehikel;
4° de verbintenissen die het effectiseringsvehikel aangaat ten aanzien van de herverzekeringsonderneming, mogen niet onbegrensd zijn;
5° het effectiseringsvehikel bevat activa ten belope van een bedrag dat tenminste gelijk is aan het maximumbedrag van zijn verplichtingen ten aanzien van de herverzekeringsonderneming; indien niet langer wordt voldaan aan deze voorwaarde ingevolge een daling van de waarde van de betrokken activa, neemt de herverzekeringsonderneming enkel de verminderde waarde in aanmerking voor de dekking van haar technische voorzieningen;
6° de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van het effectiseringsvehikel bezitten de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring voor de uitoefening van hun functie; elk mogelijk belangenconflict tussen deze personen en de verantwoordelijken voor andere onderdelen van de verrichting, wordt ter kennis gebracht van de [1 FSMA]1;
7° het effectiseringsvehikel beschikt over een aan zijn werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
Daarenboven moet de herverzekeringsonderneming op elk ogenblik in staat zijn om op verzoek van de [1 FSMA]1 aan te tonen dat het risico daadwerkelijk is overgedragen aan het effectiseringsvehikel.
De [1 FSMA]1 kan een reglement vaststellen ter aanvulling van deze bepaling betreffende technische punten.
Art. 8. § 1er. Un nantissement ou une garantie équivalente peut être requis aux conditions précisées dans un règlement de la [1 FSMA]1 pour la prise en considération, comme valeurs représentatives, des créances sur des entreprises de réassurance non agréées au titre de la directive 2005/68/CE ou sur des entreprises d'assurances non agréées au titre des directives 73/239/CEE ou 2002/83/CE.
Un nantissement, une garantie équivalente ou des exigences d'organisation et de solvabilité peuvent être requis par un règlement de la [1 FSMA]1 pour la prise en considération, comme valeurs représentatives, des parts de réassurance dans les provisions techniques détenues par des entreprises de réassurance non agréées au titre de la Directive 2005/68/CE ou par des entreprises d'assurances non agréées au titre des Directives 73/239/CEE ou 2002/83/CE.
§ 2. Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation peuvent être pris en considération comme valeurs représentatives, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1, aux conditions suivantes :
1° l'entreprise de réassurance ne peut, sous quelque forme que ce soit, participer au financement du véhicule de titrisation;
2° l'entreprise de réassurance doit conserver une part des risques transférés au véhicule de titrisation de sorte qu'elle conserve un intérêt économique à la sinistralité des risques transférés;
3° l'entreprise de réassurance ne peut, directement ou indirectement, transférer plus de 50 % de ses risques totaux à un seul véhicule de titrisation;
4° les engagements du véhicule de titrisation à l'égard de l'entreprise de réassurance ne peuvent être illimités;
5° le véhicule de titrisation doit détenir des actifs d'un montant au moins équivalent à celui du maximum de ses engagements envers l'entreprise de réassurance; lorsque cette condition n'est plus remplie suite à une diminution de la valeur de ces actifs, seule la valeur diminuée peut être prise en considération par l'entreprise de réassurance pour la couverture de ses provisions techniques;
6° les personnes qui prennent part à l'administration ou à la gestion du véhicule de titrisation doivent posséder l'honorabilité professionnelle et l'expertise nécessaires, ainsi que l'expérience adéquate pour exercer leurs fonctions; tout conflit d'intérêt potentiel entre ces personnes et les responsables des autres parties à l'opération doit être porté à la connaissance de la [1 FSMA]1;
7° le véhicule de titrisation doit disposer d'une structure de gestion, d'une organisation administrative et comptable et d'un contrôle interne appropriés aux activités qu'il exerce.
En outre, l'entreprise de réassurance doit à tout moment être en mesure de démontrer, sur demande de la [1 FSMA]1, l'effectivité du transfert de risque au véhicule de titrisation.
La [1 FSMA]1 peut prendre un règlement complétant la présente disposition sur des points d'ordre technique.
Un nantissement, une garantie équivalente ou des exigences d'organisation et de solvabilité peuvent être requis par un règlement de la [1 FSMA]1 pour la prise en considération, comme valeurs représentatives, des parts de réassurance dans les provisions techniques détenues par des entreprises de réassurance non agréées au titre de la Directive 2005/68/CE ou par des entreprises d'assurances non agréées au titre des Directives 73/239/CEE ou 2002/83/CE.
§ 2. Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation peuvent être pris en considération comme valeurs représentatives, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1, aux conditions suivantes :
1° l'entreprise de réassurance ne peut, sous quelque forme que ce soit, participer au financement du véhicule de titrisation;
2° l'entreprise de réassurance doit conserver une part des risques transférés au véhicule de titrisation de sorte qu'elle conserve un intérêt économique à la sinistralité des risques transférés;
3° l'entreprise de réassurance ne peut, directement ou indirectement, transférer plus de 50 % de ses risques totaux à un seul véhicule de titrisation;
4° les engagements du véhicule de titrisation à l'égard de l'entreprise de réassurance ne peuvent être illimités;
5° le véhicule de titrisation doit détenir des actifs d'un montant au moins équivalent à celui du maximum de ses engagements envers l'entreprise de réassurance; lorsque cette condition n'est plus remplie suite à une diminution de la valeur de ces actifs, seule la valeur diminuée peut être prise en considération par l'entreprise de réassurance pour la couverture de ses provisions techniques;
6° les personnes qui prennent part à l'administration ou à la gestion du véhicule de titrisation doivent posséder l'honorabilité professionnelle et l'expertise nécessaires, ainsi que l'expérience adéquate pour exercer leurs fonctions; tout conflit d'intérêt potentiel entre ces personnes et les responsables des autres parties à l'opération doit être porté à la connaissance de la [1 FSMA]1;
7° le véhicule de titrisation doit disposer d'une structure de gestion, d'une organisation administrative et comptable et d'un contrôle interne appropriés aux activités qu'il exerce.
En outre, l'entreprise de réassurance doit à tout moment être en mesure de démontrer, sur demande de la [1 FSMA]1, l'effectivité du transfert de risque au véhicule de titrisation.
La [1 FSMA]1 peut prendre un règlement complétant la présente disposition sur des points d'ordre technique.
Wijzigingen
Art. 9. De bepalingen van artikel 21, § 1, lid 1, e), van de wet zijn niet van toepassing op de beleggingen in obligaties uitgegeven of gewaarborgd door :
1° de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten;
2° de centrale overheden en de centrale banken waarvan de kredietkwaliteitscategorie, zoals bedoeld in tabel 1 van bijlage VI van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, gelijk is aan 1;
3° de centrale overheden en de centrale banken waarvan de kredietbeoordeling gekoppeld is aan de minimumexport verzekeringspremie, zoals bedoeld in tabel 2 van de bijlage VI van de voornoemde Richtlijn 2006/48/EG, die gelijk is aan of lager dan 1;
4° de regionale of lokale overheden die, voor de toepassing van de voormelde Richtlijn 2006/48/EG, daartoe door de bevoegde autoriteiten beschouwd worden als centrale overheden;
5° de Europese Centrale Bank, de multilaterale ontwikkelingsbanken, de Europese Gemeenschap, het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen.
1° de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten;
2° de centrale overheden en de centrale banken waarvan de kredietkwaliteitscategorie, zoals bedoeld in tabel 1 van bijlage VI van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, gelijk is aan 1;
3° de centrale overheden en de centrale banken waarvan de kredietbeoordeling gekoppeld is aan de minimumexport verzekeringspremie, zoals bedoeld in tabel 2 van de bijlage VI van de voornoemde Richtlijn 2006/48/EG, die gelijk is aan of lager dan 1;
4° de regionale of lokale overheden die, voor de toepassing van de voormelde Richtlijn 2006/48/EG, daartoe door de bevoegde autoriteiten beschouwd worden als centrale overheden;
5° de Europese Centrale Bank, de multilaterale ontwikkelingsbanken, de Europese Gemeenschap, het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen.
Art. 9. Les dispositions de l'article 21, § 1er, alinéa 1er, e), de la loi ne sont pas applicables aux placements en obligations émises ou garanties par :
1° les administrations centrales et les banques centrales des Etats membres;
2° les administrations centrales et les banques centrales dont l'échelon de qualité du crédit, tel que défini au tableau 1 de l'annexe VI de la Directive 2006/48/CE du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et son exercice, est égal à 1;
3° les administrations centrales et les banques centrales dont l'évaluation est associée à la prime minimale d'assurance à l'exportation, telle que définie au tableau 2 de l'annexe VI de la Directive 2006/48/CE précitée, qui est égale ou inférieure à 1;
4° les autorités régionales et locales qui, pour l'application de la Directive 2006/48/CE précitée, sont considérées par les autorités compétentes à cette fin comme des administrations centrales;
5° la Banque centrale européenne, les banques multilatérales de développement, la Communauté européenne, le Fonds monétaire international et la Banque des règlements internationaux.
1° les administrations centrales et les banques centrales des Etats membres;
2° les administrations centrales et les banques centrales dont l'échelon de qualité du crédit, tel que défini au tableau 1 de l'annexe VI de la Directive 2006/48/CE du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et son exercice, est égal à 1;
3° les administrations centrales et les banques centrales dont l'évaluation est associée à la prime minimale d'assurance à l'exportation, telle que définie au tableau 2 de l'annexe VI de la Directive 2006/48/CE précitée, qui est égale ou inférieure à 1;
4° les autorités régionales et locales qui, pour l'application de la Directive 2006/48/CE précitée, sont considérées par les autorités compétentes à cette fin comme des administrations centrales;
5° la Banque centrale européenne, les banques multilatérales de développement, la Communauté européenne, le Fonds monétaire international et la Banque des règlements internationaux.
Art. 10. Voor de onderschrijving van herverzekeringsovereenkomsten betreffende risico's gelegen in een Staat die geen lid is van de EER, wordt de dekking van de technische voorzieningen met betrekking tot deze risico's en de lokalisatie van de dekkingswaarden vastgesteld volgens de regels van het land van het risico, indien dat land zijn eigen regels oplegt.
Art. 10. Pour ce qui concerne la souscription de contrats de réassurance relatifs à des risques situés dans un Etat qui n'est pas membre de l'EEE, la représentation des provisions techniques afférentes à ces risques et la localisation des valeurs représentatives sont déterminées selon les règles du pays du risque, si celui-ci impose ses propres règles.
HOOFDSTUK III. - Solvabiliteitsmarge en minimumwaarborgfonds
CHAPITRE III. - Marge de solvabilité et fonds de garantie minimal
Afdeling I. - Samengestelde solvabiliteitsmarge
Section Ire. - Marge de solvabilité constituée
Art. 11. § 1. De volgende elementen worden in aanmerking genomen om de beschikbare solvabiliteitsmarge samen te stellen :
1° het gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met uitgiftepremies, of voor de onderlinge verzekeringsverenigingen het gestorte deel van het maatschappelijk fonds plus de ledenrekeningen.
Voor de onderlinge verzekeringsverenigingen moeten de ledenrekeningen aan alle volgende voorwaarden voldoen :
a) de statuten bepalen dat er vanaf deze rekeningen alleen betalingen aan leden mogen worden verricht als zulks geen daling van de beschikbare solvabiliteitsmarge tot onder het vereiste niveau veroorzaakt, of, na ontbinding van de onderneming, als alle andere schulden zijn voldaan;
b) de statuten bepalen dat de [1 FSMA]1 ten minste een maand van tevoren in kennis moet worden gesteld van elke betaling voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en dat ze gedurende deze termijn de voorgenomen betaling kan verbieden;
c) de relevante bepalingen van de statuten kunnen pas worden gewijzigd wanneer de [1 FSMA]1 verklaard heeft geen bezwaar tegen deze wijziging te hebben, onverminderd de in de punten a) en b) vastgestelde criteria;
2° de wettelijke en vrije reserves die niet tegenover verplichtingen staan of die niet vermeld zijn als voorzieningen voor egalisatie en catastrofen;
3° de overgebrachte resultaten;
4° de achtergestelde leningen tot beloop van de daadwerkelijk gestorte bedragen, samen met de elementen opgenomen in punten 5° en 6° van deze paragraaf, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is, waarvan niet meer dan 25 % in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd.
De leningen moeten daarenboven aan volgende voorwaarden voldoen :
a) de leningsovereenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat in geval van faillissement of vereffening van de herverzekeringsonderneming, de leningen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere schuldeisers en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan;
b) voor leningen met een vaste looptijd bedraagt de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar. Uiterlijk één jaar vóór de vervaldag legt de herverzekeringsonderneming de [1 FSMA]1 een plan ter goedkeuring voor waarin wordt uiteengezet op welke wijze de beschikbare solvabiliteitsmarge zal worden gehandhaafd of op de vervaldag op het vereiste niveau zal worden gebracht, tenzij de mate waarin de lening als bestanddeel van de beschikbare solvabiliteitsmarge in aanmerking mag worden genomen gedurende minimaal de laatste vijf jaar vóór de vervaldag geleidelijk wordt verlaagd.
De [1 FSMA]1 kan toestemming verlenen voor de vervroegde terugbetaling, mits het initiatief uitgaat van de herverzekeringsonderneming en haar beschikbare solvabiliteitsmarge hierdoor op geen enkel ogenblik onder het vereiste niveau daalt;
c) leningen zonder vaste looptijd kunnen slechts worden terugbetaald met een opzeggingstermijn van vijf jaar, tenzij de leningen niet langer als elementen van de beschikbare solvabiliteitsmarge worden aangemerkt of uitdrukkelijk de voorafgaande toestemming van de [1 FSMA]1 vereist is voor vervroegde terugbetaling. In dit laatste geval dient de herverzekeringsonderneming de [1 FSMA]1 ten minste zes maanden van tevoren in kennis te stellen van de voorgenomen terugbetaling, onder vermelding van de beschikbare en de vereiste solvabiliteitsmarge zowel vóór als na deze terugbetaling.
De [1 FSMA]1 verleent alleen toestemming voor de terugbetaling indien de beschikbare solvabiliteitsmarge van de herverzekeringsonderneming niet onder het vereiste niveau dreigt te dalen;
d) de leningsovereenkomst bevat geen bepalingen op grond waarvan de lening in andere omstandigheden dan bij vereffening van de herverzekeringsonderneming vóór de overeengekomen datum moet worden terugbetaald;
e) de leningsovereenkomst kan alleen worden gewijzigd nadat de [1 FSMA]1 verklaard heeft geen bezwaren te hebben tegen de voorgestelde wijziging.
5° het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal samen met de elementen opgenomen onder punten 4° en 6° van deze paragraaf tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is en waarvan niet meer dan 25 % in de vorm van het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal met vaste termijn.
De uitgiftevoorwaarden moeten uitdrukkelijk voorzien dat in geval van faillissement of vereffening van de herverzekeringsonderneming, de gecumuleerde aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere schuldeisers en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan;
6° effecten met onbepaalde looptijd en andere instrumenten tot beloop van de daadwerkelijk gestorte bedragen en samen met de elementen opgenomen in punten 4° en 5° van deze paragraaf, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is.
De uitgiftevoorwaarden moeten uitdrukkelijk voorzien dat in geval van faillissement of vereffening van de herverzekeringsonderneming, de effecten met onbepaalde looptijd en andere instrumenten achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere schuldeisers en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan.
Bovendien moet aan volgende voorwaarden worden voldaan :
a) zij kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de [1 FSMA]1;
b) de emissieovereenkomst biedt de herverzekeringsonderneming de mogelijkheid de betaling van de rente over de lening uit te stellen;
c) de vorderingen van de kredietgever op de herverzekeringsonderneming zijn volledig achtergesteld bij de vorderingen van alle niet-achtergestelde schuldeisers;
d) de documenten met betrekking tot de effectenemissie bepalen dat de verliezen gecompenseerd kunnen worden door de schuld en de niet-gestorte rente, terwijl de herverzekeringsonderneming haar activiteiten kan voortzetten;
7° de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds zodra het gestorte gedeelte 25 % van het kapitaal of het fonds bedraagt, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is.
8° de suppletiebijdragen die onderlinge verzekeringsverenigingen die enkel contracten met variabele bijdragen aanbieden, van hun leden uit hoofde van het boekjaar kunnen eisen, dit tot een bedrag gelijk aan de helft van het verschil van de maximum bijdrage en de werkelijk geïnde bijdrage.
De suppletiebijdragen mogen niet meer dan 50 % van de beschikbare of vereiste solvabiliteitsmarge bedragen naargelang het bedrag dat het laagst is.
De mogelijkheid om suppletiebijdragen te eisen en de voorwaarden ervan dienen uitdrukkelijk in het herverzekeringscontract te zijn opgenomen;
9° de latente nettomeerwaarden die voortvloeien uit de waardering van activa, voor zover deze nettomeerwaarden geen uitzonderlijk karakter hebben;
10° de niet-afgeschreven acquisitiekosten die in de technische voorzieningen zijn vervat.
Dit bedrag is gelijk aan de som, voor alle overeenkomsten, van de zillmeringswaarden per overeenkomst beperkt tot die welke aan de hand van een zillmeringsvoet gelijk aan 0,08 worden bekomen, verminderd met de som van de volgende twee bedragen :
a) de overeenstemmende af te lossen commissies en acquisitiekosten die op het actief van de balans voorkomen;
b) de som, voor alle overeenkomsten, van de quotiteiten die in geval van vermindering van de actuele waarde van de nog te vervallen reductiepremies van de acquisitietoeslag terugbetaalbaar zijn;
11° tot 31 december 2009, een bedrag dat gelijk is aan 50 % van de toekomstige winsten van de herverzekeringsonderneming, maar dat niet hoger is dan 25 % van de beschikbare solvabiliteitsmarge of van de vereiste solvabiliteitsmarge naargelang welk bedrag het laagst is.
Het bedrag van de toekomstige winsten wordt verkregen door de geschatte jaarwinst te vermenigvuldigen met een factor die de gemiddelde resterende looptijd van de overeenkomsten vertegenwoordigt. Deze factor mag ten hoogste 6 bedragen. De geschatte jaarwinst mag ook niet hoger zijn dan het rekenkundig gemiddelde van de winsten die de laatste vijf boekjaren zijn gehaald uit de in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2002/83/EG vermelde werkzaamheden.
De toekomstige winsten mogen enkel in aanmerking worden genomen indien :
- een actuarieel verslag is voorgelegd waaruit blijkt dat deze winsten in de toekomst waarschijnlijk ook daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd;
- er niet reeds voor een deel rekening is gehouden met de toekomstige winsten die voortvloeien uit het onder punt 9° van deze paragraaf bedoelde latente nettomeerwaarden.
§ 2. De elementen vermeld onder de punten 10 en 11 van § 1 van dit artikel mogen enkel in aanmerking worden genomen door de ondernemingen die de herverzekeringsactiviteit " leven " uitoefenen.
Het element vermeld onder het punt 8 van § 1 van dit artikel, mag enkel in aanmerking worden genomen door de ondernemingen die de herverzekeringsactiviteit " niet-leven " uitoefenen.
§ 3. De elementen onder de punten 7 tot en met 11 van § 1 van dit artikel worden slechts in aanmerking genomen op met redenen omkleed verzoek van de herverzekeringsonderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1.
§ 4. De beschikbare solvabiliteitsmarge wordt berekend na aftrek van de volgende posten :
1° eigen aandelen en de in § 1, 4°, 5° en 6°, bedoelde elementen die zijn uitgegeven door de herverzekeringsonderneming en die rechtstreeks door de herverzekeringsonderneming worden gehouden;
2° deelnemingen in andere herverzekeringsondernemingen, verzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings;
3° deelnemingen in een kredietinstelling of een financiële instelling in de zin van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, in een beleggingsonderneming of een financiële instelling in de zin van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, of in een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;
4° de in § 1, 4°, 5° en 6°, bedoelde achtergestelde leningen, instrumenten en vorderingen die zijn uitgegeven door de in 2° vermelde ondernemingen waarin de herverzekeringsonderneming een deelneming heeft;
5° de achtergestelde leningen, instrumenten en vorderingen die zijn uitgegeven door de in 3° vermelde ondernemingen waarin de herverzekeringsonderneming een deelneming heeft, welke een bestanddeel zijn van het eigen vermogen van deze ondernemingen dat in aanmerking wordt genomen voor het toezicht op de naleving van de solvabiliteitsvereisten van deze laatste;
6° de deelnemingen in gemengde financiële holdings en de in 4° en 5° bedoelde elementen die zijn uitgegeven door gemengde financiële holdings waarin de herverzekeringsonderneming een deelneming heeft.
Herverzekeringsondernemingen die onderworpen zijn aan aanvullend toezicht als bedoeld in titel VIII of titel IX van de wet worden voor de berekening van de solvabiliteitsmarge op vennootschappelijke basis vrijgesteld van de in het eerste lid, 2° tot 6°, bepaalde aftrekken, indien deze aftrekken betrekking hebben op eigen vermogensbestanddelen van ondernemingen die worden opgenomen in de berekening van de groepspositie voor de toepassing van de titels VIII en IX van de wet.
De [1 FSMA]1 kan de herverzekeringsonderneming vrijstellen van de in het eerste lid, 2° tot 6° bedoelde verplichting tot aftrek, wanneer het bezit van bedoelde elementen kadert in een sanerings- of reddingsoperatie van bedoelde ondernemingen.
De [1 FSMA]1 kan de herverzekeringsonderneming toestaan of opleggen om in plaats van de in het eerste lid, 3°, 5° en 6°, bedoelde aftrekken, een van de solvabiliteitsmethodes toe te passen die de Koning toestaat met toepassing van artikel 98 van de wet. Het gebruik van de methode op basis van de geconsolideerde rekeningen is afhankelijk van het aanwezig zijn van een geïntegreerd groepsbeheer en een geïntegreerde interne controle m.b.t. de instellingen die in het geconsolideerde toezicht zouden worden opgenomen. Elke verandering van methode dient vooraf door de [1 FSMA]1 te worden goedgekeurd.
Voor de aftrek van deelnemingen zoals bedoeld in dit paragraaf wordt onder deelneming verstaan een deelneming in de zin van artikel 82, 7°, van de wet.
§ 5. Voor de herverzekeringsondernemingen die overeenkomstig artikel 34sexies, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening voor verzekeringsondernemingen, tot discontering of vermindering van de technische voorzieningen voor te betalen schaden overgaan om met de opbrengst van beleggingen rekening te houden, wordt de beschikbare solvabiliteitsmarge verminderd met het verschil tussen de niet-gedisconteerde technische voorzieningen of de technische voorzieningen vóór vermindering zoals deze in de toelichting zijn vermeld, en de gedisconteerde of verminderde technische voorzieningen.
Deze correctie wordt toegepast op alle risico's die behoren tot de groep van activiteiten " niet-leven " van bijlage I van het koninklijk besluit van 22 februari 1991, met uitzondering van de risico's van de takken 1 en 2. Voor andere risico's dan deze van de takken 1 en 2, behoeft geen correctie te worden toegepast met betrekking tot de discontering van in de technische voorzieningen opgenomen renten.
§ 6. De solvabiliteitsmarge dient samengesteld te worden, tot beloop van het waarborgfonds, door andere elementen dan die bedoeld in § 1, punten 7, 8, 9, 10 en 11, van onderhavig artikel.
1° het gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met uitgiftepremies, of voor de onderlinge verzekeringsverenigingen het gestorte deel van het maatschappelijk fonds plus de ledenrekeningen.
Voor de onderlinge verzekeringsverenigingen moeten de ledenrekeningen aan alle volgende voorwaarden voldoen :
a) de statuten bepalen dat er vanaf deze rekeningen alleen betalingen aan leden mogen worden verricht als zulks geen daling van de beschikbare solvabiliteitsmarge tot onder het vereiste niveau veroorzaakt, of, na ontbinding van de onderneming, als alle andere schulden zijn voldaan;
b) de statuten bepalen dat de [1 FSMA]1 ten minste een maand van tevoren in kennis moet worden gesteld van elke betaling voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en dat ze gedurende deze termijn de voorgenomen betaling kan verbieden;
c) de relevante bepalingen van de statuten kunnen pas worden gewijzigd wanneer de [1 FSMA]1 verklaard heeft geen bezwaar tegen deze wijziging te hebben, onverminderd de in de punten a) en b) vastgestelde criteria;
2° de wettelijke en vrije reserves die niet tegenover verplichtingen staan of die niet vermeld zijn als voorzieningen voor egalisatie en catastrofen;
3° de overgebrachte resultaten;
4° de achtergestelde leningen tot beloop van de daadwerkelijk gestorte bedragen, samen met de elementen opgenomen in punten 5° en 6° van deze paragraaf, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is, waarvan niet meer dan 25 % in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd.
De leningen moeten daarenboven aan volgende voorwaarden voldoen :
a) de leningsovereenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat in geval van faillissement of vereffening van de herverzekeringsonderneming, de leningen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere schuldeisers en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan;
b) voor leningen met een vaste looptijd bedraagt de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar. Uiterlijk één jaar vóór de vervaldag legt de herverzekeringsonderneming de [1 FSMA]1 een plan ter goedkeuring voor waarin wordt uiteengezet op welke wijze de beschikbare solvabiliteitsmarge zal worden gehandhaafd of op de vervaldag op het vereiste niveau zal worden gebracht, tenzij de mate waarin de lening als bestanddeel van de beschikbare solvabiliteitsmarge in aanmerking mag worden genomen gedurende minimaal de laatste vijf jaar vóór de vervaldag geleidelijk wordt verlaagd.
De [1 FSMA]1 kan toestemming verlenen voor de vervroegde terugbetaling, mits het initiatief uitgaat van de herverzekeringsonderneming en haar beschikbare solvabiliteitsmarge hierdoor op geen enkel ogenblik onder het vereiste niveau daalt;
c) leningen zonder vaste looptijd kunnen slechts worden terugbetaald met een opzeggingstermijn van vijf jaar, tenzij de leningen niet langer als elementen van de beschikbare solvabiliteitsmarge worden aangemerkt of uitdrukkelijk de voorafgaande toestemming van de [1 FSMA]1 vereist is voor vervroegde terugbetaling. In dit laatste geval dient de herverzekeringsonderneming de [1 FSMA]1 ten minste zes maanden van tevoren in kennis te stellen van de voorgenomen terugbetaling, onder vermelding van de beschikbare en de vereiste solvabiliteitsmarge zowel vóór als na deze terugbetaling.
De [1 FSMA]1 verleent alleen toestemming voor de terugbetaling indien de beschikbare solvabiliteitsmarge van de herverzekeringsonderneming niet onder het vereiste niveau dreigt te dalen;
d) de leningsovereenkomst bevat geen bepalingen op grond waarvan de lening in andere omstandigheden dan bij vereffening van de herverzekeringsonderneming vóór de overeengekomen datum moet worden terugbetaald;
e) de leningsovereenkomst kan alleen worden gewijzigd nadat de [1 FSMA]1 verklaard heeft geen bezwaren te hebben tegen de voorgestelde wijziging.
5° het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal samen met de elementen opgenomen onder punten 4° en 6° van deze paragraaf tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is en waarvan niet meer dan 25 % in de vorm van het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal met vaste termijn.
De uitgiftevoorwaarden moeten uitdrukkelijk voorzien dat in geval van faillissement of vereffening van de herverzekeringsonderneming, de gecumuleerde aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere schuldeisers en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan;
6° effecten met onbepaalde looptijd en andere instrumenten tot beloop van de daadwerkelijk gestorte bedragen en samen met de elementen opgenomen in punten 4° en 5° van deze paragraaf, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is.
De uitgiftevoorwaarden moeten uitdrukkelijk voorzien dat in geval van faillissement of vereffening van de herverzekeringsonderneming, de effecten met onbepaalde looptijd en andere instrumenten achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere schuldeisers en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan.
Bovendien moet aan volgende voorwaarden worden voldaan :
a) zij kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de [1 FSMA]1;
b) de emissieovereenkomst biedt de herverzekeringsonderneming de mogelijkheid de betaling van de rente over de lening uit te stellen;
c) de vorderingen van de kredietgever op de herverzekeringsonderneming zijn volledig achtergesteld bij de vorderingen van alle niet-achtergestelde schuldeisers;
d) de documenten met betrekking tot de effectenemissie bepalen dat de verliezen gecompenseerd kunnen worden door de schuld en de niet-gestorte rente, terwijl de herverzekeringsonderneming haar activiteiten kan voortzetten;
7° de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds zodra het gestorte gedeelte 25 % van het kapitaal of het fonds bedraagt, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is.
8° de suppletiebijdragen die onderlinge verzekeringsverenigingen die enkel contracten met variabele bijdragen aanbieden, van hun leden uit hoofde van het boekjaar kunnen eisen, dit tot een bedrag gelijk aan de helft van het verschil van de maximum bijdrage en de werkelijk geïnde bijdrage.
De suppletiebijdragen mogen niet meer dan 50 % van de beschikbare of vereiste solvabiliteitsmarge bedragen naargelang het bedrag dat het laagst is.
De mogelijkheid om suppletiebijdragen te eisen en de voorwaarden ervan dienen uitdrukkelijk in het herverzekeringscontract te zijn opgenomen;
9° de latente nettomeerwaarden die voortvloeien uit de waardering van activa, voor zover deze nettomeerwaarden geen uitzonderlijk karakter hebben;
10° de niet-afgeschreven acquisitiekosten die in de technische voorzieningen zijn vervat.
Dit bedrag is gelijk aan de som, voor alle overeenkomsten, van de zillmeringswaarden per overeenkomst beperkt tot die welke aan de hand van een zillmeringsvoet gelijk aan 0,08 worden bekomen, verminderd met de som van de volgende twee bedragen :
a) de overeenstemmende af te lossen commissies en acquisitiekosten die op het actief van de balans voorkomen;
b) de som, voor alle overeenkomsten, van de quotiteiten die in geval van vermindering van de actuele waarde van de nog te vervallen reductiepremies van de acquisitietoeslag terugbetaalbaar zijn;
11° tot 31 december 2009, een bedrag dat gelijk is aan 50 % van de toekomstige winsten van de herverzekeringsonderneming, maar dat niet hoger is dan 25 % van de beschikbare solvabiliteitsmarge of van de vereiste solvabiliteitsmarge naargelang welk bedrag het laagst is.
Het bedrag van de toekomstige winsten wordt verkregen door de geschatte jaarwinst te vermenigvuldigen met een factor die de gemiddelde resterende looptijd van de overeenkomsten vertegenwoordigt. Deze factor mag ten hoogste 6 bedragen. De geschatte jaarwinst mag ook niet hoger zijn dan het rekenkundig gemiddelde van de winsten die de laatste vijf boekjaren zijn gehaald uit de in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2002/83/EG vermelde werkzaamheden.
De toekomstige winsten mogen enkel in aanmerking worden genomen indien :
- een actuarieel verslag is voorgelegd waaruit blijkt dat deze winsten in de toekomst waarschijnlijk ook daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd;
- er niet reeds voor een deel rekening is gehouden met de toekomstige winsten die voortvloeien uit het onder punt 9° van deze paragraaf bedoelde latente nettomeerwaarden.
§ 2. De elementen vermeld onder de punten 10 en 11 van § 1 van dit artikel mogen enkel in aanmerking worden genomen door de ondernemingen die de herverzekeringsactiviteit " leven " uitoefenen.
Het element vermeld onder het punt 8 van § 1 van dit artikel, mag enkel in aanmerking worden genomen door de ondernemingen die de herverzekeringsactiviteit " niet-leven " uitoefenen.
§ 3. De elementen onder de punten 7 tot en met 11 van § 1 van dit artikel worden slechts in aanmerking genomen op met redenen omkleed verzoek van de herverzekeringsonderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1.
§ 4. De beschikbare solvabiliteitsmarge wordt berekend na aftrek van de volgende posten :
1° eigen aandelen en de in § 1, 4°, 5° en 6°, bedoelde elementen die zijn uitgegeven door de herverzekeringsonderneming en die rechtstreeks door de herverzekeringsonderneming worden gehouden;
2° deelnemingen in andere herverzekeringsondernemingen, verzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings;
3° deelnemingen in een kredietinstelling of een financiële instelling in de zin van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, in een beleggingsonderneming of een financiële instelling in de zin van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, of in een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;
4° de in § 1, 4°, 5° en 6°, bedoelde achtergestelde leningen, instrumenten en vorderingen die zijn uitgegeven door de in 2° vermelde ondernemingen waarin de herverzekeringsonderneming een deelneming heeft;
5° de achtergestelde leningen, instrumenten en vorderingen die zijn uitgegeven door de in 3° vermelde ondernemingen waarin de herverzekeringsonderneming een deelneming heeft, welke een bestanddeel zijn van het eigen vermogen van deze ondernemingen dat in aanmerking wordt genomen voor het toezicht op de naleving van de solvabiliteitsvereisten van deze laatste;
6° de deelnemingen in gemengde financiële holdings en de in 4° en 5° bedoelde elementen die zijn uitgegeven door gemengde financiële holdings waarin de herverzekeringsonderneming een deelneming heeft.
Herverzekeringsondernemingen die onderworpen zijn aan aanvullend toezicht als bedoeld in titel VIII of titel IX van de wet worden voor de berekening van de solvabiliteitsmarge op vennootschappelijke basis vrijgesteld van de in het eerste lid, 2° tot 6°, bepaalde aftrekken, indien deze aftrekken betrekking hebben op eigen vermogensbestanddelen van ondernemingen die worden opgenomen in de berekening van de groepspositie voor de toepassing van de titels VIII en IX van de wet.
De [1 FSMA]1 kan de herverzekeringsonderneming vrijstellen van de in het eerste lid, 2° tot 6° bedoelde verplichting tot aftrek, wanneer het bezit van bedoelde elementen kadert in een sanerings- of reddingsoperatie van bedoelde ondernemingen.
De [1 FSMA]1 kan de herverzekeringsonderneming toestaan of opleggen om in plaats van de in het eerste lid, 3°, 5° en 6°, bedoelde aftrekken, een van de solvabiliteitsmethodes toe te passen die de Koning toestaat met toepassing van artikel 98 van de wet. Het gebruik van de methode op basis van de geconsolideerde rekeningen is afhankelijk van het aanwezig zijn van een geïntegreerd groepsbeheer en een geïntegreerde interne controle m.b.t. de instellingen die in het geconsolideerde toezicht zouden worden opgenomen. Elke verandering van methode dient vooraf door de [1 FSMA]1 te worden goedgekeurd.
Voor de aftrek van deelnemingen zoals bedoeld in dit paragraaf wordt onder deelneming verstaan een deelneming in de zin van artikel 82, 7°, van de wet.
§ 5. Voor de herverzekeringsondernemingen die overeenkomstig artikel 34sexies, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening voor verzekeringsondernemingen, tot discontering of vermindering van de technische voorzieningen voor te betalen schaden overgaan om met de opbrengst van beleggingen rekening te houden, wordt de beschikbare solvabiliteitsmarge verminderd met het verschil tussen de niet-gedisconteerde technische voorzieningen of de technische voorzieningen vóór vermindering zoals deze in de toelichting zijn vermeld, en de gedisconteerde of verminderde technische voorzieningen.
Deze correctie wordt toegepast op alle risico's die behoren tot de groep van activiteiten " niet-leven " van bijlage I van het koninklijk besluit van 22 februari 1991, met uitzondering van de risico's van de takken 1 en 2. Voor andere risico's dan deze van de takken 1 en 2, behoeft geen correctie te worden toegepast met betrekking tot de discontering van in de technische voorzieningen opgenomen renten.
§ 6. De solvabiliteitsmarge dient samengesteld te worden, tot beloop van het waarborgfonds, door andere elementen dan die bedoeld in § 1, punten 7, 8, 9, 10 en 11, van onderhavig artikel.
Art. 11. § 1er. Les éléments suivants sont pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité disponible :
1° le capital social versé, majoré des primes d'émission, ou, s'il s'agit d'associations d'assurances mutuelles, le fonds initial effectif versé additionné des comptes de sociétaires.
Dans le cas d'associations d'assurances mutuelles, les comptes de sociétaires doivent remplir l'ensemble des conditions suivantes :
a) les statuts disposent qu'il n'est possible d'effectuer des paiements en faveur des membres à partir de ces comptes que si cela n'a pas pour effet de faire descendre la marge de solvabilité disponible au-dessous du niveau requis ou, après dissolution de l'entreprise, que si toutes ses autres dettes ont été réglées;
b) les statuts disposent que la [1 FSMA]1 est avertie au moins un mois à l'avance de tout paiement effectué à d'autres fins que la résiliation individuelle de l'affiliation, et qu'elle peut, pendant ce délai, interdire le paiement;
c) les dispositions pertinentes des statuts ne peuvent être modifiées qu'après que la [1 FSMA]1 ait déclaré ne pas s'opposer à cette modification, sans préjudice des critères énoncés aux points a) et b) ;
2° les réserves légales ou libres ne correspondant pas aux engagements ou qui ne sont pas classées comme provisions pour égalisation et catastrophes;
3° les résultats reportés;
4° les emprunts subordonnés, à concurrence des montants effectivement versés, et ajoutés aux éléments visés aux points 5° et 6° du présent paragraphe, à concurrence de 50 % du montant le plus faible de l'exigence de marge de solvabilité ou de la marge de solvabilité disponible, dont 25 % au maximum sont constitués d'emprunts subordonnés à échéance fixe.
Les emprunts doivent en outre remplir les conditions suivantes :
a) la convention d'emprunt stipule expressément qu'en cas de faillite ou de liquidation de l'entreprise de réassurance, les emprunts ont un rang inférieur par rapport aux créances de tous les autres créanciers et ne seront remboursés qu'après règlement de toutes les autres dettes exigibles à ce moment;
b) pour les emprunts à échéance fixe, l'échéance initiale est fixée à au moins cinq ans. Au plus tard un an avant l'échéance, l'entreprise de réassurance soumet à la [1 FSMA]1, pour approbation, un plan indiquant comment la marge de solvabilité disponible sera maintenue ou amenée au niveau voulu à l'échéance, à moins que le montant d'emprunt entrant dans la composition de la marge de solvabilité disponible n'ait été progressivement abaissé, et ce, au moins durant les cinq années précédant l'échéance.
La [1 FSMA]1 peut autoriser le remboursement anticipé à condition que l'entreprise de réassurance en ait fait la demande et que sa marge de solvabilité disponible ne risque à aucun moment de descendre au-dessous du niveau requis;
c) les emprunts sans échéance fixe ne sont remboursables que moyennant un préavis de cinq ans, à moins qu'ils ne soient plus considérés comme une composante de la marge de solvabilité disponible ou que l'accord préalable de la [1 FSMA]1 soit formellement requis pour leur remboursement anticipé. Dans ce dernier cas, l'entreprise de réassurance informe la [1 FSMA]1 au moins six mois avant la date de remboursement prévue, en lui indiquant le montant de la marge de solvabilité disponible et de l'exigence de marge de solvabilité avant et après ce remboursement.
La [1 FSMA]1 n'autorise le remboursement que si la marge de solvabilité disponible de l'entreprise de réassurance ne risque pas de descendre au-dessous du niveau requis;
d) la convention d'emprunt ne comporte aucune clause prévoyant que, dans des circonstances déterminées autres que la liquidation de l'entreprise de réassurance, la dette soit remboursable avant l'échéance convenue;
e) la convention d'emprunt ne peut être modifiée qu'après que la [1 FSMA]1 a déclaré ne pas s'opposer à la modification proposée.
5° les actions préférentielles cumulatives, ajoutées aux éléments visés aux points 4° et 6° du présent paragraphe, à concurrence de 50 % du montant le plus faible de l'exigence de marge de solvabilité ou de la marge de solvabilité disponible, dont 25 % au maximum sont constitués d'actions préférentielles cumulatives à durée déterminée.
Les conditions d'émission doivent stipuler expressément qu'en cas de faillite ou de liquidation de l'entreprise de réassurance, les actions préférentielles ont un rang inférieur par rapport aux créances de tous les autres créanciers et ne seront remboursées qu'après règlement de toutes les autres dettes exigibles à ce moment;
6° les titres à durée indéterminée et autres instruments, à concurrence des montants effectivement versés, et, pour le total de ces titres et des éléments visés aux points 4° et 5° du présent paragraphe, à concurrence de 50 % du montant le plus faible de l'exigence de marge de solvabilité ou de la marge de solvabilité disponible.
Les conditions d'émission doivent stipuler expressément qu'en cas de faillite ou de liquidation de l'entreprise de réassurance, les titres à durée indéterminée et autres instruments ont un rang inférieur par rapport aux créances de tous les autres créanciers et ne seront remboursés qu'après règlement de toutes les autres dettes exigibles à ce moment.
En outre, les conditions suivantes doivent être remplies :
a) ils ne peuvent être remboursés à l'initiative du porteur ou sans l'accord préalable de la [1 FSMA]1;
b) le contrat d'émission donne à l'entreprise de réassurance la possibilité de différer le paiement des intérêts de l'emprunt;
c) les créances du prêteur sur l'entreprise de réassurance sont entièrement subordonnées à celles de tous les créanciers non subordonnés;
d) les documents régissant l'émission des titres prévoient la capacité de la dette et des intérêts non versés à absorber les pertes, tout en permettant à l'entreprise de réassurance de poursuivre ses activités;
7° la moitié de la fraction non versée du capital social ou du fonds initial, dès que la partie versée atteint 25 % de ce capital ou de ce fonds, à concurrence de 50 % du montant le plus faible de la marge de solvabilité disponible ou de l'exigence de marge de solvabilité.
8° les rappels de cotisations que peuvent exiger les associations mutuelles d'assurances qui n'opèrent qu'avec des cotisations variables, au titre de l'exercice, à concurrence de la moitié de la différence entre les cotisations maximales et les cotisations effectivement appelées.
Les rappels de cotisations ne peuvent représenter plus de 50 % du montant le plus faible de l'exigence de marge de solvabilité ou de la marge de solvabilité constituée.
La possibilité et les conditions auxquelles des rappels de cotisations peuvent être exigés doivent être reprises expressément dans le contrat de réassurance;
9° les plus-values latentes nettes provenant de l'évaluation d'éléments d'actif, dans la mesure où ces plus-values latentes nettes n'ont pas un caractère exceptionnel;
10° les frais d'acquisition non amortis contenus dans les provisions techniques.
Ce montant est égal à la somme, pour tous les contrats, des valeurs de zillmerisation limitées, par contrat, à celles obtenues à l'aide d'un taux de zillmerisation égal à 0,08, diminuée de la somme des deux montants suivants :
a) les commissions et frais d'acquisition à amortir correspondants qui figurent à l'actif du bilan;
b) la somme, pour tous les contrats, des quotités remboursables en cas de diminution de la valeur actuelle des primes de réduction restant à échoir du chargement d'acquisition;
11° jusqu'au 31 décembre 2009, un montant égal à 50 % des bénéfices futurs de l'entreprise de réassurance, mais n'excédant pas 25 % du montant le plus faible de la marge de solvabilité disponible ou de l'exigence de marge de solvabilité.
Le montant des bénéfices futurs est obtenu en multipliant le bénéfice annuel estimé par un facteur correspondant à la durée résiduelle moyenne des contrats. Ce facteur ne peut être supérieur à 6. Le bénéfice annuel estimé n'excède pas non plus la moyenne arithmétique des bénéfices qui ont été réalisés au cours des cinq derniers exercices dans les activités énumérées à l'article 2, point 1), de la Directive 2002/83/CE.
Les bénéfices futurs ne peuvent être pris en considération que si :
- un rapport actuariel est remis, confirmant la probabilité de ces bénéfices futurs;
- la fraction des bénéfices futurs correspondant aux plus-values latentes nettes visées au point 9° du présent paragraphe n'a pas encore été prise en compte.
§ 2. Les éléments visés aux points 10 et 11 du § 1er du présent article peuvent être pris en considération uniquement par les entreprises exerçant l'activité de réassurance " vie ".
L'élément visé au point 8 du § 1er du présent article peut être pris en considération uniquement par les entreprises exerçant l'activité de réassurance " non-vie ".
§ 3. Les éléments visés aux points 7 à 11 du § 1er du présent article ne sont pris en considération que sur demande et justification de l'entreprise de réassurance et avec l'accord de la [1 FSMA]1.
§ 4. La marge de solvabilité disponible est calculée après déduction des postes suivants :
1° les actions propres et les éléments visés au § 1er, 4°, 5° et 6°, émis par l'entreprise de réassurance et détenus directement par l'entreprise de réassurance;
2° les participations dans d'autres entreprises de réassurance, des entreprises d'assurances et des sociétés holdings d'assurances;
3° les participations dans un établissement de crédit ou un établissement financier au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, dans une entreprise d'investissement ou un établissement financier au sens de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement, ou dans une société de gestion d'organismes de placement collectif au sens de la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement;
4° les emprunts subordonnés, les instruments et les créances visés au § 1er, 4°, 5° et 6°, émis par les entreprises mentionnées au 2° dans lesquelles l'entreprise de réassurance détient une participation;
5° les emprunts subordonnés, les instruments et les créances émis par les entreprises mentionnées au 3° dans lesquelles l'entreprise de réassurance détient une participation, ces postes constituant, dans lesdites entreprises, des éléments de fonds propres pris en considération pour le contrôle du respect des exigences de solvabilité applicables à ces dernières;
6° les participations dans des compagnies financières mixtes et les éléments visés aux 4° et 5° émis par des compagnies financières mixtes dans lesquelles l'entreprise de réassurance détient une participation.
Les entreprises de réassurance soumises à une surveillance complémentaire telle que visée au titre VIII ou au titre IX de la loi sont dispensées, pour le calcul de la marge de solvabilité sur base sociale, de procéder aux déductions visées à l'alinéa 1er, 2° à 6°, si ces déductions portent sur des éléments de fonds propres d'entreprises qui sont incluses dans le calcul de la situation du groupe aux fins de l'application des titres VIII et IX de la loi.
La [1 FSMA]1 peut dispenser l'entreprise de réassurance de l'obligation de déduction visée à l'alinéa 1er, 2° à 6°, lorsque la détention des éléments en question se situe dans le cadre d'une opération d'assainissement ou de sauvetage des entreprises visées.
La [1 FSMA]1 peut permettre ou imposer à l'entreprise de réassurance d'appliquer, en lieu et place des déductions visées à l'alinéa 1er, 3°, 5° et 6°, l'une des méthodes de solvabilité autorisées par le Roi en exécution de l'article 98 de la loi. L'utilisation de la méthode basée sur la consolidation comptable est subordonnée à l'existence d'une gestion intégrée du groupe et d'un contrôle interne intégré des établissements qui seraient compris dans le contrôle sur base consolidée. Tout changement de méthode requiert l'approbation préalable de la [1 FSMA]1.
Aux fins de la déduction des participations visées au présent paragraphe, toute participation est une participation au sens de l'article 82, 7°, de la loi.
§ 5. Pour les entreprises de réassurance qui escomptent ou réduisent les provisions techniques pour sinistres pour tenir compte du produit de leurs placements, en vertu de l'article 34sexies, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurances, la marge de solvabilité disponible est diminuée de la différence entre les provisions techniques avant escompte ou déduction, telles qu'elles figurent dans l'annexe, et les provisions techniques après escompte ou déduction.
Cet ajustement est effectué pour tous les risques relevant du groupe d'activités " non-vie " tel que défini à l'annexe Ire de l'arrêté royal du 22 février 1991, à l'exception des risques des branches 1 et 2. Pour les risques autres que ceux des branches 1 et 2, aucun ajustement n'est nécessaire en cas d'escompte des rentes incluses dans les provisions techniques.
§ 6. La marge de solvabilité doit être constituée, à concurrence du fonds de garantie, par des éléments autres que ceux visés au § 1er, points 7, 8, 9, 10 et 11, du présent article.
1° le capital social versé, majoré des primes d'émission, ou, s'il s'agit d'associations d'assurances mutuelles, le fonds initial effectif versé additionné des comptes de sociétaires.
Dans le cas d'associations d'assurances mutuelles, les comptes de sociétaires doivent remplir l'ensemble des conditions suivantes :
a) les statuts disposent qu'il n'est possible d'effectuer des paiements en faveur des membres à partir de ces comptes que si cela n'a pas pour effet de faire descendre la marge de solvabilité disponible au-dessous du niveau requis ou, après dissolution de l'entreprise, que si toutes ses autres dettes ont été réglées;
b) les statuts disposent que la [1 FSMA]1 est avertie au moins un mois à l'avance de tout paiement effectué à d'autres fins que la résiliation individuelle de l'affiliation, et qu'elle peut, pendant ce délai, interdire le paiement;
c) les dispositions pertinentes des statuts ne peuvent être modifiées qu'après que la [1 FSMA]1 ait déclaré ne pas s'opposer à cette modification, sans préjudice des critères énoncés aux points a) et b) ;
2° les réserves légales ou libres ne correspondant pas aux engagements ou qui ne sont pas classées comme provisions pour égalisation et catastrophes;
3° les résultats reportés;
4° les emprunts subordonnés, à concurrence des montants effectivement versés, et ajoutés aux éléments visés aux points 5° et 6° du présent paragraphe, à concurrence de 50 % du montant le plus faible de l'exigence de marge de solvabilité ou de la marge de solvabilité disponible, dont 25 % au maximum sont constitués d'emprunts subordonnés à échéance fixe.
Les emprunts doivent en outre remplir les conditions suivantes :
a) la convention d'emprunt stipule expressément qu'en cas de faillite ou de liquidation de l'entreprise de réassurance, les emprunts ont un rang inférieur par rapport aux créances de tous les autres créanciers et ne seront remboursés qu'après règlement de toutes les autres dettes exigibles à ce moment;
b) pour les emprunts à échéance fixe, l'échéance initiale est fixée à au moins cinq ans. Au plus tard un an avant l'échéance, l'entreprise de réassurance soumet à la [1 FSMA]1, pour approbation, un plan indiquant comment la marge de solvabilité disponible sera maintenue ou amenée au niveau voulu à l'échéance, à moins que le montant d'emprunt entrant dans la composition de la marge de solvabilité disponible n'ait été progressivement abaissé, et ce, au moins durant les cinq années précédant l'échéance.
La [1 FSMA]1 peut autoriser le remboursement anticipé à condition que l'entreprise de réassurance en ait fait la demande et que sa marge de solvabilité disponible ne risque à aucun moment de descendre au-dessous du niveau requis;
c) les emprunts sans échéance fixe ne sont remboursables que moyennant un préavis de cinq ans, à moins qu'ils ne soient plus considérés comme une composante de la marge de solvabilité disponible ou que l'accord préalable de la [1 FSMA]1 soit formellement requis pour leur remboursement anticipé. Dans ce dernier cas, l'entreprise de réassurance informe la [1 FSMA]1 au moins six mois avant la date de remboursement prévue, en lui indiquant le montant de la marge de solvabilité disponible et de l'exigence de marge de solvabilité avant et après ce remboursement.
La [1 FSMA]1 n'autorise le remboursement que si la marge de solvabilité disponible de l'entreprise de réassurance ne risque pas de descendre au-dessous du niveau requis;
d) la convention d'emprunt ne comporte aucune clause prévoyant que, dans des circonstances déterminées autres que la liquidation de l'entreprise de réassurance, la dette soit remboursable avant l'échéance convenue;
e) la convention d'emprunt ne peut être modifiée qu'après que la [1 FSMA]1 a déclaré ne pas s'opposer à la modification proposée.
5° les actions préférentielles cumulatives, ajoutées aux éléments visés aux points 4° et 6° du présent paragraphe, à concurrence de 50 % du montant le plus faible de l'exigence de marge de solvabilité ou de la marge de solvabilité disponible, dont 25 % au maximum sont constitués d'actions préférentielles cumulatives à durée déterminée.
Les conditions d'émission doivent stipuler expressément qu'en cas de faillite ou de liquidation de l'entreprise de réassurance, les actions préférentielles ont un rang inférieur par rapport aux créances de tous les autres créanciers et ne seront remboursées qu'après règlement de toutes les autres dettes exigibles à ce moment;
6° les titres à durée indéterminée et autres instruments, à concurrence des montants effectivement versés, et, pour le total de ces titres et des éléments visés aux points 4° et 5° du présent paragraphe, à concurrence de 50 % du montant le plus faible de l'exigence de marge de solvabilité ou de la marge de solvabilité disponible.
Les conditions d'émission doivent stipuler expressément qu'en cas de faillite ou de liquidation de l'entreprise de réassurance, les titres à durée indéterminée et autres instruments ont un rang inférieur par rapport aux créances de tous les autres créanciers et ne seront remboursés qu'après règlement de toutes les autres dettes exigibles à ce moment.
En outre, les conditions suivantes doivent être remplies :
a) ils ne peuvent être remboursés à l'initiative du porteur ou sans l'accord préalable de la [1 FSMA]1;
b) le contrat d'émission donne à l'entreprise de réassurance la possibilité de différer le paiement des intérêts de l'emprunt;
c) les créances du prêteur sur l'entreprise de réassurance sont entièrement subordonnées à celles de tous les créanciers non subordonnés;
d) les documents régissant l'émission des titres prévoient la capacité de la dette et des intérêts non versés à absorber les pertes, tout en permettant à l'entreprise de réassurance de poursuivre ses activités;
7° la moitié de la fraction non versée du capital social ou du fonds initial, dès que la partie versée atteint 25 % de ce capital ou de ce fonds, à concurrence de 50 % du montant le plus faible de la marge de solvabilité disponible ou de l'exigence de marge de solvabilité.
8° les rappels de cotisations que peuvent exiger les associations mutuelles d'assurances qui n'opèrent qu'avec des cotisations variables, au titre de l'exercice, à concurrence de la moitié de la différence entre les cotisations maximales et les cotisations effectivement appelées.
Les rappels de cotisations ne peuvent représenter plus de 50 % du montant le plus faible de l'exigence de marge de solvabilité ou de la marge de solvabilité constituée.
La possibilité et les conditions auxquelles des rappels de cotisations peuvent être exigés doivent être reprises expressément dans le contrat de réassurance;
9° les plus-values latentes nettes provenant de l'évaluation d'éléments d'actif, dans la mesure où ces plus-values latentes nettes n'ont pas un caractère exceptionnel;
10° les frais d'acquisition non amortis contenus dans les provisions techniques.
Ce montant est égal à la somme, pour tous les contrats, des valeurs de zillmerisation limitées, par contrat, à celles obtenues à l'aide d'un taux de zillmerisation égal à 0,08, diminuée de la somme des deux montants suivants :
a) les commissions et frais d'acquisition à amortir correspondants qui figurent à l'actif du bilan;
b) la somme, pour tous les contrats, des quotités remboursables en cas de diminution de la valeur actuelle des primes de réduction restant à échoir du chargement d'acquisition;
11° jusqu'au 31 décembre 2009, un montant égal à 50 % des bénéfices futurs de l'entreprise de réassurance, mais n'excédant pas 25 % du montant le plus faible de la marge de solvabilité disponible ou de l'exigence de marge de solvabilité.
Le montant des bénéfices futurs est obtenu en multipliant le bénéfice annuel estimé par un facteur correspondant à la durée résiduelle moyenne des contrats. Ce facteur ne peut être supérieur à 6. Le bénéfice annuel estimé n'excède pas non plus la moyenne arithmétique des bénéfices qui ont été réalisés au cours des cinq derniers exercices dans les activités énumérées à l'article 2, point 1), de la Directive 2002/83/CE.
Les bénéfices futurs ne peuvent être pris en considération que si :
- un rapport actuariel est remis, confirmant la probabilité de ces bénéfices futurs;
- la fraction des bénéfices futurs correspondant aux plus-values latentes nettes visées au point 9° du présent paragraphe n'a pas encore été prise en compte.
§ 2. Les éléments visés aux points 10 et 11 du § 1er du présent article peuvent être pris en considération uniquement par les entreprises exerçant l'activité de réassurance " vie ".
L'élément visé au point 8 du § 1er du présent article peut être pris en considération uniquement par les entreprises exerçant l'activité de réassurance " non-vie ".
§ 3. Les éléments visés aux points 7 à 11 du § 1er du présent article ne sont pris en considération que sur demande et justification de l'entreprise de réassurance et avec l'accord de la [1 FSMA]1.
§ 4. La marge de solvabilité disponible est calculée après déduction des postes suivants :
1° les actions propres et les éléments visés au § 1er, 4°, 5° et 6°, émis par l'entreprise de réassurance et détenus directement par l'entreprise de réassurance;
2° les participations dans d'autres entreprises de réassurance, des entreprises d'assurances et des sociétés holdings d'assurances;
3° les participations dans un établissement de crédit ou un établissement financier au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, dans une entreprise d'investissement ou un établissement financier au sens de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement, ou dans une société de gestion d'organismes de placement collectif au sens de la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement;
4° les emprunts subordonnés, les instruments et les créances visés au § 1er, 4°, 5° et 6°, émis par les entreprises mentionnées au 2° dans lesquelles l'entreprise de réassurance détient une participation;
5° les emprunts subordonnés, les instruments et les créances émis par les entreprises mentionnées au 3° dans lesquelles l'entreprise de réassurance détient une participation, ces postes constituant, dans lesdites entreprises, des éléments de fonds propres pris en considération pour le contrôle du respect des exigences de solvabilité applicables à ces dernières;
6° les participations dans des compagnies financières mixtes et les éléments visés aux 4° et 5° émis par des compagnies financières mixtes dans lesquelles l'entreprise de réassurance détient une participation.
Les entreprises de réassurance soumises à une surveillance complémentaire telle que visée au titre VIII ou au titre IX de la loi sont dispensées, pour le calcul de la marge de solvabilité sur base sociale, de procéder aux déductions visées à l'alinéa 1er, 2° à 6°, si ces déductions portent sur des éléments de fonds propres d'entreprises qui sont incluses dans le calcul de la situation du groupe aux fins de l'application des titres VIII et IX de la loi.
La [1 FSMA]1 peut dispenser l'entreprise de réassurance de l'obligation de déduction visée à l'alinéa 1er, 2° à 6°, lorsque la détention des éléments en question se situe dans le cadre d'une opération d'assainissement ou de sauvetage des entreprises visées.
La [1 FSMA]1 peut permettre ou imposer à l'entreprise de réassurance d'appliquer, en lieu et place des déductions visées à l'alinéa 1er, 3°, 5° et 6°, l'une des méthodes de solvabilité autorisées par le Roi en exécution de l'article 98 de la loi. L'utilisation de la méthode basée sur la consolidation comptable est subordonnée à l'existence d'une gestion intégrée du groupe et d'un contrôle interne intégré des établissements qui seraient compris dans le contrôle sur base consolidée. Tout changement de méthode requiert l'approbation préalable de la [1 FSMA]1.
Aux fins de la déduction des participations visées au présent paragraphe, toute participation est une participation au sens de l'article 82, 7°, de la loi.
§ 5. Pour les entreprises de réassurance qui escomptent ou réduisent les provisions techniques pour sinistres pour tenir compte du produit de leurs placements, en vertu de l'article 34sexies, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurances, la marge de solvabilité disponible est diminuée de la différence entre les provisions techniques avant escompte ou déduction, telles qu'elles figurent dans l'annexe, et les provisions techniques après escompte ou déduction.
Cet ajustement est effectué pour tous les risques relevant du groupe d'activités " non-vie " tel que défini à l'annexe Ire de l'arrêté royal du 22 février 1991, à l'exception des risques des branches 1 et 2. Pour les risques autres que ceux des branches 1 et 2, aucun ajustement n'est nécessaire en cas d'escompte des rentes incluses dans les provisions techniques.
§ 6. La marge de solvabilité doit être constituée, à concurrence du fonds de garantie, par des éléments autres que ceux visés au § 1er, points 7, 8, 9, 10 et 11, du présent article.
Wijzigingen
Afdeling II. - Vereiste solvabiliteitsmarge
Section II. - Exigence de marge de solvabilité
Art. 12. Het bedrag van de solvabiliteitsmarge die de herverzekeringsondernemingen dienen samen te stellen is gelijk aan de totale som van de respectievelijke vereiste marges voor hun herverzekeringsactiviteiten " leven " en " niet-leven ", beiden berekend volgens de bepalingen van artikel 13.
Art. 12. Le montant de la marge de solvabilité à constituer par les entreprises de réassurance est égal à la somme totale des exigences de marge applicables respectivement à leurs activités de réassurance " vie " et " non vie ", calculées conformément aux dispositions de l'article 13.
Art. 13. § 1. De vereiste solvabiliteitsmarge wordt zowel bepaald ten opzichte van het jaarlijks totaal van premies of bijdragen, als ten opzichte van de gemiddelde schadelast van de laatste drie boekjaren.
Wanneer de herverzekeringsondernemingen hoofdzakelijk slechts één of meer van de risico's van krediet, storm, hagel of vorst dekken, wordt voor de referentieperiode voor de gemiddelde schadelast rekening gehouden met de laatste zeven boekjaren.
Onverminderd artikel 15 van de wet moet het bedrag van de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk zijn aan de hoogste uitkomst van de volgende twee voor het geheel der takken gemaakte berekeningen.
Eerste berekening (ten opzichte van de premies).
Voor de berekening ten opzichte van de premies of bijdragen wordt uitgegaan van hetzij het bedrag van de uitgegeven brutopremies of -bijdragen, zoals hieronder berekend, hetzij het bedrag van de verdiende brutopremies of -bijdragen, naargelang welke van beide bedragen het hoogst is.
De premies of bijdragen die verband houden met de verrichtingen van de takken 11, 12 en 13 worden met 50 % verhoogd.
De premies of bijdragen die in het kader van het herverzekeringsbedrijf gedurende het laatste boekjaar zijn uitgegeven, met inbegrip van bijkomende kosten, worden samengeteld.
Daarvan wordt afgetrokken het totaalbedrag van de gedurende het laatste boekjaar vernietigde premies of bijdragen, alsook het totaalbedrag van de belastingen, taksen en andere toeslagen geïnd voor rekening van derden op de samengetelde premies of bijdragen.
Nadat het aldus verkregen bedrag in twee gedeelten is gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van 50.000.000 EUR en een tweede gedeelte dat het overschot omvat, wordt van deze gedeelten respectievelijk 18 % en 16 % genomen en vervolgens opgeteld.
De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van retrocessie verhaalbare bedragen ten laste van de herverzekeringsonderneming blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %. De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van retrocessie aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de herverzekeringsonderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1.
Met de instemming van de [1 FSMA]1 mogen statistische methoden aangewend worden om premies of bijdragen toe te wijzen.
Tweede berekening (ten opzichte van de schadegevallen).
Voor de takken 11, 12 en 13 worden de schaden, de voorzieningen en het uitgeoefende verhaal verhoogd met 50 %.
Vervolgens worden de bedragen van de gemiddelde schaden die gedurende de in leden 1 en 2 van deze paragraaf bedoelde perioden in het kader van het herverzekeringsbedrijf zijn betaald, opgeteld zonder aftrek van de schaden ten laste van de retrocessionarissen.
Daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het einde van het laatste boekjaar zijn gevormd.
Daarvan worden de gedurende de in leden 1 en 2 van deze paragraaf bedoelde perioden voor het uitoefenen van verhaalsrecht ontvangen bedragen afgetrokken.
Van deze uitkomst wordt eveneens afgetrokken het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het begin van het tweede boekjaar voorafgaande aan het laatste afgesloten boekjaar zijn gevormd.
Indien de overeenkomstig lid 2 van deze paragraaf in aanmerking genomen referentieperiode gelijk is aan zeven jaar, wordt het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het begin van het zesde boekjaar voorafgaande aan het laatst afgesloten boekjaar zijn gevormd, afgetrokken.
Nadat, al naar gelang de overeenkomstig leden 1 en 2 van deze paragraaf in aanmerking genomen referentieperiode, een derde, respectievelijk een zevende van het aldus verkregen bedrag in twee gedeelten is gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van 35.000.000 EUR, en een tweede gedeelte dat het overschot omvat, wordt van deze gedeelten respectievelijk 26 % en 23 % genomen en vervolgens opgeteld.
De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van retrocessie verhaalbare bedragen ten laste van de herverzekeringsonderneming blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %. De bedragen die verhaalbaar zijn uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van retrocessie aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de herverzekeringsonderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1.
Met de instemming van de [1 FSMA]1 mogen statistische methoden aangewend worden om de schaden, de voorzieningen en het uitgeoefende verhaal toe te wijzen.
§ 2. De percentages die moeten worden toegepast overeenkomstig § 1, 9e lid en 19e lid van dit artikel worden tot één derde verminderd voor de herverzekering van ziekteverzekering die op een gelijkaardige wijze als de levensverzekering wordt beheerd, onder voorwaarde dat :
a) de premies worden berekend volgens verzekeringswiskundige methoden aan de hand van ziektetafels;
b) een ouderdomsvoorziening wordt gevormd;
c) een aanvullende premie wordt geheven om een passende veiligheidsmarge te vormen;
d) de verzekeringsonderneming de overeenkomst uiterlijk voor het einde van het derde verzekeringsjaar kan opzeggen;
e) in de overeenkomst de mogelijkheid is vastgesteld om ook voor lopende overeenkomsten de premies te verhogen of de uitkeringen te verminderen.
§ 3. Indien de vereiste solvabiliteitsmarge lager is dan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, moet de vereiste solvabiliteitsmarge ten minste gelijk zijn aan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal van het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden aan het einde van het laatste boekjaar en het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden aan het begin van het laatste boekjaar. Bij deze berekeningen worden de technische voorzieningen berekend verminderd met de retrocessie, maar het quotiënt mag in geen geval meer dan 1 bedragen.
Wanneer de herverzekeringsondernemingen hoofdzakelijk slechts één of meer van de risico's van krediet, storm, hagel of vorst dekken, wordt voor de referentieperiode voor de gemiddelde schadelast rekening gehouden met de laatste zeven boekjaren.
Onverminderd artikel 15 van de wet moet het bedrag van de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk zijn aan de hoogste uitkomst van de volgende twee voor het geheel der takken gemaakte berekeningen.
Eerste berekening (ten opzichte van de premies).
Voor de berekening ten opzichte van de premies of bijdragen wordt uitgegaan van hetzij het bedrag van de uitgegeven brutopremies of -bijdragen, zoals hieronder berekend, hetzij het bedrag van de verdiende brutopremies of -bijdragen, naargelang welke van beide bedragen het hoogst is.
De premies of bijdragen die verband houden met de verrichtingen van de takken 11, 12 en 13 worden met 50 % verhoogd.
De premies of bijdragen die in het kader van het herverzekeringsbedrijf gedurende het laatste boekjaar zijn uitgegeven, met inbegrip van bijkomende kosten, worden samengeteld.
Daarvan wordt afgetrokken het totaalbedrag van de gedurende het laatste boekjaar vernietigde premies of bijdragen, alsook het totaalbedrag van de belastingen, taksen en andere toeslagen geïnd voor rekening van derden op de samengetelde premies of bijdragen.
Nadat het aldus verkregen bedrag in twee gedeelten is gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van 50.000.000 EUR en een tweede gedeelte dat het overschot omvat, wordt van deze gedeelten respectievelijk 18 % en 16 % genomen en vervolgens opgeteld.
De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van retrocessie verhaalbare bedragen ten laste van de herverzekeringsonderneming blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %. De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van retrocessie aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de herverzekeringsonderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1.
Met de instemming van de [1 FSMA]1 mogen statistische methoden aangewend worden om premies of bijdragen toe te wijzen.
Tweede berekening (ten opzichte van de schadegevallen).
Voor de takken 11, 12 en 13 worden de schaden, de voorzieningen en het uitgeoefende verhaal verhoogd met 50 %.
Vervolgens worden de bedragen van de gemiddelde schaden die gedurende de in leden 1 en 2 van deze paragraaf bedoelde perioden in het kader van het herverzekeringsbedrijf zijn betaald, opgeteld zonder aftrek van de schaden ten laste van de retrocessionarissen.
Daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het einde van het laatste boekjaar zijn gevormd.
Daarvan worden de gedurende de in leden 1 en 2 van deze paragraaf bedoelde perioden voor het uitoefenen van verhaalsrecht ontvangen bedragen afgetrokken.
Van deze uitkomst wordt eveneens afgetrokken het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het begin van het tweede boekjaar voorafgaande aan het laatste afgesloten boekjaar zijn gevormd.
Indien de overeenkomstig lid 2 van deze paragraaf in aanmerking genomen referentieperiode gelijk is aan zeven jaar, wordt het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het begin van het zesde boekjaar voorafgaande aan het laatst afgesloten boekjaar zijn gevormd, afgetrokken.
Nadat, al naar gelang de overeenkomstig leden 1 en 2 van deze paragraaf in aanmerking genomen referentieperiode, een derde, respectievelijk een zevende van het aldus verkregen bedrag in twee gedeelten is gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van 35.000.000 EUR, en een tweede gedeelte dat het overschot omvat, wordt van deze gedeelten respectievelijk 26 % en 23 % genomen en vervolgens opgeteld.
De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van retrocessie verhaalbare bedragen ten laste van de herverzekeringsonderneming blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %. De bedragen die verhaalbaar zijn uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van retrocessie aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de herverzekeringsonderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1.
Met de instemming van de [1 FSMA]1 mogen statistische methoden aangewend worden om de schaden, de voorzieningen en het uitgeoefende verhaal toe te wijzen.
§ 2. De percentages die moeten worden toegepast overeenkomstig § 1, 9e lid en 19e lid van dit artikel worden tot één derde verminderd voor de herverzekering van ziekteverzekering die op een gelijkaardige wijze als de levensverzekering wordt beheerd, onder voorwaarde dat :
a) de premies worden berekend volgens verzekeringswiskundige methoden aan de hand van ziektetafels;
b) een ouderdomsvoorziening wordt gevormd;
c) een aanvullende premie wordt geheven om een passende veiligheidsmarge te vormen;
d) de verzekeringsonderneming de overeenkomst uiterlijk voor het einde van het derde verzekeringsjaar kan opzeggen;
e) in de overeenkomst de mogelijkheid is vastgesteld om ook voor lopende overeenkomsten de premies te verhogen of de uitkeringen te verminderen.
§ 3. Indien de vereiste solvabiliteitsmarge lager is dan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, moet de vereiste solvabiliteitsmarge ten minste gelijk zijn aan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal van het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden aan het einde van het laatste boekjaar en het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden aan het begin van het laatste boekjaar. Bij deze berekeningen worden de technische voorzieningen berekend verminderd met de retrocessie, maar het quotiënt mag in geen geval meer dan 1 bedragen.
Art. 13. § 1er. L'exigence de marge de solvabilité est déterminée aussi bien par rapport au montant annuel des primes ou cotisations, que par rapport à la charge moyenne des sinistres pour les trois derniers exercices sociaux.
Lorsque les entreprises de réassurance ne pratiquent essentiellement que l'un ou plusieurs des risques crédit, tempête, grêle ou gelée, la période de référence pour la charge moyenne des sinistres correspond aux sept derniers exercices sociaux.
Sans préjudice de l'article 15 de la loi, l'exigence de marge de solvabilité est égale au plus élevé des deux résultats suivants, calculés pour l'ensemble des branches.
Premier résultat (par rapport aux primes).
La base des primes ou cotisations est calculée à partir des primes ou cotisations brutes émises ou des primes ou cotisations brutes acquises comme calculées ci-dessous, le chiffre le plus élevé étant retenu.
Les primes ou cotisations pour les opérations des branches 11, 12 et 13 sont majorées de 50 %.
Les primes ou cotisations émises dans le cadre des activités de réassurance au cours du dernier exercice, accessoires compris, sont agrégées.
Il en est déduit le montant total des primes ou cotisations annulées au cours du dernier exercice, ainsi que le montant total des impôts, taxes et autres suppléments encaissés pour compte de tiers, afférents aux primes ou cotisations composant l'agrégat.
Le montant ainsi obtenu est divisé en deux tranches, la première de 50.000.000 EUR, la seconde correspondant au surplus; les fractions correspondant respectivement à 18 % et 16 % de ces tranches sont ensuite ajoutées l'une à l'autre.
Le résultat ainsi obtenu est multiplié par le rapport, sur les trois derniers exercices, entre le montant des sinistres demeurant à charge de l'entreprise de réassurance après déduction des montants recouvrables au titre de la rétrocession et le montant des sinistres bruts; ce rapport ne peut en aucun cas être inférieur à 50 %. Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la rétrocession, sur demande et justification de l'entreprise de réassurance et avec l'accord de la [1 FSMA]1.
Avec l'approbation de la [1 FSMA]1, des méthodes statistiques peuvent être utilisées pour répartir les primes ou cotisations.
Second résultat (par rapport aux sinistres).
Pour les branches 11, 12 et 13, les sinistres, provisions et recours sont majorés de 50 %.
Ensuite, le montant des sinistres moyens payés au titre des activités de réassurance sans déduction des sinistres à charge des rétrocessionnaires au cours des périodes visées aux alinéas 1er et 2 du présent paragraphe est agrégé.
A cette somme est ajouté le montant des provisions pour sinistres à payer constituées à la fin du dernier exercice.
Il en est ensuite déduit le montant des recours encaissés au cours des périodes visées aux alinéas 1er et 2 du présent paragraphe.
Enfin, il est déduit du montant obtenu le montant des provisions pour sinistres à payer constituées au début du deuxième exercice précédant le dernier exercice inventorié.
Si la période de référence visée à l'alinéa 2 du présent paragraphe est de sept ans, le montant à déduire est celui des provisions pour sinistres à payer constituées au début du sixième exercice précédant le dernier exercice inventorié.
Selon la période de référence prévue aux alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, un tiers ou un septième du montant obtenu est alors divisé en deux tranches, la première de 35.000.000 EUR, la seconde correspondant au surplus; les fractions correspondant respectivement à 26 % et 23 % de ces tranches sont ensuite ajoutées l'une à l'autre.
Le résultat ainsi obtenu est multiplié par le rapport, sur les trois derniers exercices, entre le montant des sinistres demeurant à charge de l'entreprise de réassurance après déduction des montants recouvrables au titre de la rétrocession et le montant des sinistres bruts; ce rapport ne peut en aucun cas être inférieur à 50 %. Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la rétrocession, sur demande et justification de l'entreprise de réassurance et avec l'accord de la [1 FSMA]1.
Avec l'approbation de la [1 FSMA]1, des méthodes statistiques peuvent être utilisées pour répartir les sinistres, provisions et recours.
§ 2. Les fractions applicables conformément au § 1er, alinéas 9 et 19 du présent article, sont chacune réduites à un tiers en ce qui concerne la réassurance de l'assurance maladie gérée suivant une technique apparentée à celle de l'assurance sur la vie, si :
a) les primes sont calculées sur la base de tables de morbidité selon des méthodes mathématiques appliquées en matière d'assurance non-vie;
b) une provision pour vieillissement est constituée;
c) un supplément de prime est perçu afin de constituer une marge de sécurité d'un montant approprié;
d) l'assureur peut dénoncer le contrat avant la fin de la troisième année d'assurance au plus tard;
e) le contrat prévoit la possibilité d'augmenter les primes ou de réduire les prestations, même pour les contrats en cours.
§ 3. Si l'exigence de marge de solvabilité est inférieure à l'exigence de marge de l'exercice précédent, l'exigence de marge de solvabilité est au moins égale à celle de l'exercice précédent, multipliée par le rapport entre les provisions pour sinistres à payer à la fin du dernier exercice et le montant des provisions pour sinistres à payer au début du dernier exercice. Dans ces calculs, les provisions techniques sont calculées déduction faite de la rétrocession, le ratio ne pouvant cependant jamais être supérieur à un.
Lorsque les entreprises de réassurance ne pratiquent essentiellement que l'un ou plusieurs des risques crédit, tempête, grêle ou gelée, la période de référence pour la charge moyenne des sinistres correspond aux sept derniers exercices sociaux.
Sans préjudice de l'article 15 de la loi, l'exigence de marge de solvabilité est égale au plus élevé des deux résultats suivants, calculés pour l'ensemble des branches.
Premier résultat (par rapport aux primes).
La base des primes ou cotisations est calculée à partir des primes ou cotisations brutes émises ou des primes ou cotisations brutes acquises comme calculées ci-dessous, le chiffre le plus élevé étant retenu.
Les primes ou cotisations pour les opérations des branches 11, 12 et 13 sont majorées de 50 %.
Les primes ou cotisations émises dans le cadre des activités de réassurance au cours du dernier exercice, accessoires compris, sont agrégées.
Il en est déduit le montant total des primes ou cotisations annulées au cours du dernier exercice, ainsi que le montant total des impôts, taxes et autres suppléments encaissés pour compte de tiers, afférents aux primes ou cotisations composant l'agrégat.
Le montant ainsi obtenu est divisé en deux tranches, la première de 50.000.000 EUR, la seconde correspondant au surplus; les fractions correspondant respectivement à 18 % et 16 % de ces tranches sont ensuite ajoutées l'une à l'autre.
Le résultat ainsi obtenu est multiplié par le rapport, sur les trois derniers exercices, entre le montant des sinistres demeurant à charge de l'entreprise de réassurance après déduction des montants recouvrables au titre de la rétrocession et le montant des sinistres bruts; ce rapport ne peut en aucun cas être inférieur à 50 %. Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la rétrocession, sur demande et justification de l'entreprise de réassurance et avec l'accord de la [1 FSMA]1.
Avec l'approbation de la [1 FSMA]1, des méthodes statistiques peuvent être utilisées pour répartir les primes ou cotisations.
Second résultat (par rapport aux sinistres).
Pour les branches 11, 12 et 13, les sinistres, provisions et recours sont majorés de 50 %.
Ensuite, le montant des sinistres moyens payés au titre des activités de réassurance sans déduction des sinistres à charge des rétrocessionnaires au cours des périodes visées aux alinéas 1er et 2 du présent paragraphe est agrégé.
A cette somme est ajouté le montant des provisions pour sinistres à payer constituées à la fin du dernier exercice.
Il en est ensuite déduit le montant des recours encaissés au cours des périodes visées aux alinéas 1er et 2 du présent paragraphe.
Enfin, il est déduit du montant obtenu le montant des provisions pour sinistres à payer constituées au début du deuxième exercice précédant le dernier exercice inventorié.
Si la période de référence visée à l'alinéa 2 du présent paragraphe est de sept ans, le montant à déduire est celui des provisions pour sinistres à payer constituées au début du sixième exercice précédant le dernier exercice inventorié.
Selon la période de référence prévue aux alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, un tiers ou un septième du montant obtenu est alors divisé en deux tranches, la première de 35.000.000 EUR, la seconde correspondant au surplus; les fractions correspondant respectivement à 26 % et 23 % de ces tranches sont ensuite ajoutées l'une à l'autre.
Le résultat ainsi obtenu est multiplié par le rapport, sur les trois derniers exercices, entre le montant des sinistres demeurant à charge de l'entreprise de réassurance après déduction des montants recouvrables au titre de la rétrocession et le montant des sinistres bruts; ce rapport ne peut en aucun cas être inférieur à 50 %. Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la rétrocession, sur demande et justification de l'entreprise de réassurance et avec l'accord de la [1 FSMA]1.
Avec l'approbation de la [1 FSMA]1, des méthodes statistiques peuvent être utilisées pour répartir les sinistres, provisions et recours.
§ 2. Les fractions applicables conformément au § 1er, alinéas 9 et 19 du présent article, sont chacune réduites à un tiers en ce qui concerne la réassurance de l'assurance maladie gérée suivant une technique apparentée à celle de l'assurance sur la vie, si :
a) les primes sont calculées sur la base de tables de morbidité selon des méthodes mathématiques appliquées en matière d'assurance non-vie;
b) une provision pour vieillissement est constituée;
c) un supplément de prime est perçu afin de constituer une marge de sécurité d'un montant approprié;
d) l'assureur peut dénoncer le contrat avant la fin de la troisième année d'assurance au plus tard;
e) le contrat prévoit la possibilité d'augmenter les primes ou de réduire les prestations, même pour les contrats en cours.
§ 3. Si l'exigence de marge de solvabilité est inférieure à l'exigence de marge de l'exercice précédent, l'exigence de marge de solvabilité est au moins égale à celle de l'exercice précédent, multipliée par le rapport entre les provisions pour sinistres à payer à la fin du dernier exercice et le montant des provisions pour sinistres à payer au début du dernier exercice. Dans ces calculs, les provisions techniques sont calculées déduction faite de la rétrocession, le ratio ne pouvant cependant jamais être supérieur à un.
Wijzigingen
Afdeling III. - Herverzekeringsondernemingen
Section III. - Entreprises de réassurance
Art. 14. De Belgische herverzekeringsondernemingen die zich in het geval bevinden bedoeld in artikel 83, § 1, 1°, van de wet, berekenen een aangepaste solvabiliteitsmarge volgens de regels vastgesteld in bijlage I, I, van dit besluit.
De Belgische herverzekeringsondernemingen die zich in het geval bevinden bedoeld in artikel 83, § 1, 2°, van de wet, worden onderworpen aan de methode van aanvullend toezicht volgens de regels vastgesteld in bijlage I, II, van dit besluit.
De Belgische herverzekeringsondernemingen die zich in het geval bevinden bedoeld in artikel 83, § 1, 2°, van de wet, worden onderworpen aan de methode van aanvullend toezicht volgens de regels vastgesteld in bijlage I, II, van dit besluit.
Art. 14. Les entreprises de réassurance belges qui se trouvent dans le cas visé à l'article 83, § 1er, 1°, de la loi, calculent une marge de solvabilité ajustée suivant les règles fixées à l'annexe Ire, I, du présent arrêté.
Les entreprises de réassurance belges qui se trouvent dans le cas visé à l'article 83, § 1er, 2°, de la loi, sont soumises à la méthode de surveillance complémentaire suivant les règles fixées à l'annexe Ire, II, du présent arrêté.
Les entreprises de réassurance belges qui se trouvent dans le cas visé à l'article 83, § 1er, 2°, de la loi, sont soumises à la méthode de surveillance complémentaire suivant les règles fixées à l'annexe Ire, II, du présent arrêté.
Afdeling IV. - Herverzekeringscaptives
Section IV. - Entreprises captives de réassurance
Art. 15. De herverzekeringscaptives moeten een minimumwaarborgfonds van 1.000.000 EUR bezitten.
Art. 15. Les entreprises captives de réassurance doivent posséder un fonds de garantie minimal de 1.000.000 EUR.
TITEL III. - De in België gevestigde bijkantoren van herverzekerings-ondernemingen die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte
TITRE III. - Des succursales en Belgique d'entreprises de réassurance relevant du droit d'Etats qui ne sont pas membres de l'Espace économique européen
Art. 16. De artikelen 4 tot 6, 7, § 2, en 8 tot 13 zijn van toepassing op de in deze titel bedoelde Belgische bijkantoren.
Art. 16. Les articles 4 à 6, 7, § 2, et 8 à 13 sont applicables aux succursales belges visées au présent titre.
Art. 17. De dekkingswaarden voor de Belgische bijkantoren bedoeld in deze titel moeten in België gelokaliseerd zijn.
In afwijking van het eerste lid, worden de roerende dekkingswaarden gelokaliseerd buiten België ook aanvaard indien de Nationale Bank van België of een kredietinstelling, een beursvennootschap of een buitenlandse beleggingsonderneming, die een vergunning verkregen heeft van de [1 FSMA]1 of van de daartoe bevoegde overheid van een lidstaat, attesteert dat zij via een vestiging in België deze dekkingswaarden voor rekening van de herverzekeringsonderneming aanhoudt bij een buiten België gevestigde kredietinstelling of beleggingsonderneming die een vergunning gekregen heeft van een organisme van publiek recht waarvan de rol gelijklopend is met deze van de [1 FSMA]1.
In afwijking van het eerste lid is voor vorderingen op herverzekeraars, de lokalisatie van deze vorderingen in België niet vereist.
In afwijking van het eerste lid, worden de roerende dekkingswaarden gelokaliseerd buiten België ook aanvaard indien de Nationale Bank van België of een kredietinstelling, een beursvennootschap of een buitenlandse beleggingsonderneming, die een vergunning verkregen heeft van de [1 FSMA]1 of van de daartoe bevoegde overheid van een lidstaat, attesteert dat zij via een vestiging in België deze dekkingswaarden voor rekening van de herverzekeringsonderneming aanhoudt bij een buiten België gevestigde kredietinstelling of beleggingsonderneming die een vergunning gekregen heeft van een organisme van publiek recht waarvan de rol gelijklopend is met deze van de [1 FSMA]1.
In afwijking van het eerste lid is voor vorderingen op herverzekeraars, de lokalisatie van deze vorderingen in België niet vereist.
Art. 17. Les valeurs représentatives pour les succursales belges visées au présent titre doivent être localisées en Belgique.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les valeurs représentatives mobilières non localisées en Belgique sont également admises à condition que la Banque Nationale de Belgique ou un établissement de crédit, une société de bourse ou une entreprise d'investissement étrangère agréés par la [1 FSMA]1 ou par l'autorité compétente d'un Etat membre atteste qu'il détient par le biais d'un établissement en Belgique, pour compte de l'entreprise de réassurance, ces valeurs représentatives auprès d'un établissement de crédit ou d'une entreprise d'investissement, non établis en Belgique, agréés par un organisme de droit public dont le rôle est analogue à celui de la [1 FSMA]1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la localisation en Belgique des créances sur réassureurs n'est pas requise.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les valeurs représentatives mobilières non localisées en Belgique sont également admises à condition que la Banque Nationale de Belgique ou un établissement de crédit, une société de bourse ou une entreprise d'investissement étrangère agréés par la [1 FSMA]1 ou par l'autorité compétente d'un Etat membre atteste qu'il détient par le biais d'un établissement en Belgique, pour compte de l'entreprise de réassurance, ces valeurs représentatives auprès d'un établissement de crédit ou d'une entreprise d'investissement, non établis en Belgique, agréés par un organisme de droit public dont le rôle est analogue à celui de la [1 FSMA]1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la localisation en Belgique des créances sur réassureurs n'est pas requise.
Wijzigingen
Art. 18. § 1. De Belgische bijkantoren bedoeld in deze titel moeten als borgsom het vierde deel neerleggen van het door of krachtens artikel 15 van de wet vastgestelde minimumwaarborgfonds.
§ 2. De vereiste borgsom dient te bestaan uit waarden die tot de volgende categorieën behoren :
1° door de Belgische Staat uitgegeven of gewaarborgde of hiermee gelijkgestelde waarden;
2° door andere Staten uitgegeven of gewaarborgde waarden mits voorafgaande toestemming van de [1 FSMA]1. Het toegelaten percentage mag 10 % niet overschrijden.
Deze effecten worden aanvaard voor hun inventariswaarde zonder dat de beurswaarde mag overschreden worden.
De borgsom wordt neergelegd bij een agent van de Rijkskassier voor rekening van de Deposito- en Consignatiekas.
Ze wordt slechts bij beslissing van de [1 FSMA]1 terugbetaald.
§ 3. Het bewijs dat de in dit artikel bedoelde borgsom is neergelegd, dient bij de in artikel 60, § 1, van de wet bedoelde vergunningsaanvraag te worden gevoegd conform artikel 60, § 2, van de wet.
§ 2. De vereiste borgsom dient te bestaan uit waarden die tot de volgende categorieën behoren :
1° door de Belgische Staat uitgegeven of gewaarborgde of hiermee gelijkgestelde waarden;
2° door andere Staten uitgegeven of gewaarborgde waarden mits voorafgaande toestemming van de [1 FSMA]1. Het toegelaten percentage mag 10 % niet overschrijden.
Deze effecten worden aanvaard voor hun inventariswaarde zonder dat de beurswaarde mag overschreden worden.
De borgsom wordt neergelegd bij een agent van de Rijkskassier voor rekening van de Deposito- en Consignatiekas.
Ze wordt slechts bij beslissing van de [1 FSMA]1 terugbetaald.
§ 3. Het bewijs dat de in dit artikel bedoelde borgsom is neergelegd, dient bij de in artikel 60, § 1, van de wet bedoelde vergunningsaanvraag te worden gevoegd conform artikel 60, § 2, van de wet.
Art. 18. § 1er. Les succursales belges visées au présent titre doivent déposer, à titre de cautionnement, le quart du montant du fonds de garantie minimal fixé par ou en vertu de l'article 15 de la loi.
§ 2. Le cautionnement requis doit être composé de valeurs appartenant aux catégories suivantes :
1° valeurs émises ou garanties par l'Etat belge ou assimilées;
2° valeurs émises ou garanties par les Etats étrangers, moyennant l'autorisation préalable de la [1 FSMA]1. Le pourcentage admis ne peut dépasser 10 %.
Ces titres sont acceptés pour leur valeur d'inventaire sans pouvoir dépasser la valeur boursière.
Le cautionnement est déposé chez un agent du caissier de l'Etat, pour le compte de la Caisse des Dépôts et Consignations.
Il n'est restitué que sur décision de la [1 FSMA]1.
§ 3. La preuve du dépôt du cautionnement visé au présent article doit être jointe à la requête d'agrément visée à l'article 60, § 1er, de la loi, conformément à l'article 60, § 2, de la loi.
§ 2. Le cautionnement requis doit être composé de valeurs appartenant aux catégories suivantes :
1° valeurs émises ou garanties par l'Etat belge ou assimilées;
2° valeurs émises ou garanties par les Etats étrangers, moyennant l'autorisation préalable de la [1 FSMA]1. Le pourcentage admis ne peut dépasser 10 %.
Ces titres sont acceptés pour leur valeur d'inventaire sans pouvoir dépasser la valeur boursière.
Le cautionnement est déposé chez un agent du caissier de l'Etat, pour le compte de la Caisse des Dépôts et Consignations.
Il n'est restitué que sur décision de la [1 FSMA]1.
§ 3. La preuve du dépôt du cautionnement visé au présent article doit être jointe à la requête d'agrément visée à l'article 60, § 1er, de la loi, conformément à l'article 60, § 2, de la loi.
Wijzigingen
TITEL IV. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
TITRE IV. - Dispositions modificatives et abrogatoires
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen
CHAPITRE Ier. - Modifications de l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances
Art. 19. In artikel 10, § 3, van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, vervangen bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 maart 2003, koninklijk besluit van 26 november 1999 en koninklijk besluit van 21 januari 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het 8° wordt vervangen als volgt :
" 8° vorderingen op herverzekeraars; er kan worden vereist dat zekerheden of een gelijkwaardige waarborg worden verstrekt, onder de in een reglement van de [1 FSMA]1 bepaalde voorwaarden, voor het gebruik, als dekkingswaarden, van de vorderingen op herverzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens Richtlijn 2005/68/EG of verzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens de Richtlijnen 73/239/EEG of 2002/83/EG; "
b) in het 9° worden de woorden " , overeenkomstig de voorwaarden aanvaard door de [1 FSMA]1 " vervangen door de woorden " ; bij reglement van de [1 FSMA]1 kan worden vereist dat zekerheden of een gelijkwaardige waarborg worden verstrekt dan wel dat organisatie- en solvabiliteitsnormen worden opgelegd voor het gebruik, als activa ter dekking van de technische voorzieningen, van herverzekeringsaandelen in de technische voorzieningen gehouden door herverzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens Richtlijn 2005/68/EG of verzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens de Richtlijnen 73/239/EEG of 2002/83/EG ";
c) er wordt een 9°bis ingevoegd, luidende :
" 9°bis bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels, die als dekkingswaarden in aanmerking kunnen komen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1, op volgende voorwaarden :
1° de verzekeringsonderneming neemt op geen enkele wijze deel aan de financiering van het effectiseringsvehikel;
2° de verzekeringsonderneming behoudt een deel van de risico's die aan het effectiseringsvehikel zijn overgedragen, zodat zij een economisch belang behoudt bij het schadeverloop van de overgedragen risico's;
3° de verzekeringsonderneming draagt, rechtstreeks of onrechtstreeks, niet meer dan 50 % van haar risicototaal over aan een enkel effectiseringsvehikel;
4° de verbintenissen die het effectiseringsvehikel aangaat ten aanzien van de verzekeringsonderneming, mogen niet onbegrensd zijn;
5° het effectiseringsvehikel bevat activa ten belope van een bedrag dat ten minste gelijk is aan het maximumbedrag van zijn verplichtingen ten aanzien van de verzekeringsonderneming; indien niet langer wordt voldaan aan deze voorwaarde ingevolge een daling van de waarde van de betrokken activa, neemt de verzekeringsonderneming enkel de verminderde waarde in aanmerking voor de dekking van haar technische voorzieningen;
6° de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van het effectiseringsvehikel bezitten de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring voor de uitoefening van hun functie; elk mogelijk belangenconflict tussen deze personen en de verantwoordelijken voor andere onderdelen van de verrichting, wordt ter kennis gebracht van de [1 FSMA]1;
7° het effectiseringsvehikel beschikt over een aan zijn werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
Daarenboven moet de verzekeringsonderneming op elk ogenblik in staat zijn om op verzoek van de [1 FSMA]1 aan te tonen dat het risico daadwerkelijk is overgedragen aan het effectiseringsvehikel.
De [1 FSMA]1 kan een reglement vaststellen ter aanvulling van deze bepaling betreffende technische punten. ".
a) het 8° wordt vervangen als volgt :
" 8° vorderingen op herverzekeraars; er kan worden vereist dat zekerheden of een gelijkwaardige waarborg worden verstrekt, onder de in een reglement van de [1 FSMA]1 bepaalde voorwaarden, voor het gebruik, als dekkingswaarden, van de vorderingen op herverzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens Richtlijn 2005/68/EG of verzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens de Richtlijnen 73/239/EEG of 2002/83/EG; "
b) in het 9° worden de woorden " , overeenkomstig de voorwaarden aanvaard door de [1 FSMA]1 " vervangen door de woorden " ; bij reglement van de [1 FSMA]1 kan worden vereist dat zekerheden of een gelijkwaardige waarborg worden verstrekt dan wel dat organisatie- en solvabiliteitsnormen worden opgelegd voor het gebruik, als activa ter dekking van de technische voorzieningen, van herverzekeringsaandelen in de technische voorzieningen gehouden door herverzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens Richtlijn 2005/68/EG of verzekeringsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend krachtens de Richtlijnen 73/239/EEG of 2002/83/EG ";
c) er wordt een 9°bis ingevoegd, luidende :
" 9°bis bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels, die als dekkingswaarden in aanmerking kunnen komen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1, op volgende voorwaarden :
1° de verzekeringsonderneming neemt op geen enkele wijze deel aan de financiering van het effectiseringsvehikel;
2° de verzekeringsonderneming behoudt een deel van de risico's die aan het effectiseringsvehikel zijn overgedragen, zodat zij een economisch belang behoudt bij het schadeverloop van de overgedragen risico's;
3° de verzekeringsonderneming draagt, rechtstreeks of onrechtstreeks, niet meer dan 50 % van haar risicototaal over aan een enkel effectiseringsvehikel;
4° de verbintenissen die het effectiseringsvehikel aangaat ten aanzien van de verzekeringsonderneming, mogen niet onbegrensd zijn;
5° het effectiseringsvehikel bevat activa ten belope van een bedrag dat ten minste gelijk is aan het maximumbedrag van zijn verplichtingen ten aanzien van de verzekeringsonderneming; indien niet langer wordt voldaan aan deze voorwaarde ingevolge een daling van de waarde van de betrokken activa, neemt de verzekeringsonderneming enkel de verminderde waarde in aanmerking voor de dekking van haar technische voorzieningen;
6° de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van het effectiseringsvehikel bezitten de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring voor de uitoefening van hun functie; elk mogelijk belangenconflict tussen deze personen en de verantwoordelijken voor andere onderdelen van de verrichting, wordt ter kennis gebracht van de [1 FSMA]1;
7° het effectiseringsvehikel beschikt over een aan zijn werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
Daarenboven moet de verzekeringsonderneming op elk ogenblik in staat zijn om op verzoek van de [1 FSMA]1 aan te tonen dat het risico daadwerkelijk is overgedragen aan het effectiseringsvehikel.
De [1 FSMA]1 kan een reglement vaststellen ter aanvulling van deze bepaling betreffende technische punten. ".
Art. 19. A l'article 10, § 3, de l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances, remplacé par l'arrêté royal du 12 août 1994 et modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, l'arrêté royal du 26 novembre 1999 et l'arrêté royal du 21 janvier 2007, sont apportées les modifications suivantes :
a) le 8° est remplacé par la disposition suivante :
" 8° créances sur réassureurs; un nantissement ou une garantie équivalente peut être requis aux conditions précisées dans un règlement de la [1 FSMA]1 pour la prise en considération, comme valeurs représentatives, des créances sur des entreprises de réassurance non agréées au titre de la Directive 2005/68/CE ou sur des entreprises d'assurances non agréées au titre des Directives 73/239/CEE ou 2002/83/CE; ";
b) au 9°, les mots " , selon les conditions acceptées par la [1 FSMA]1 " sont remplacés par les mots suivants : " ; un nantissement, une garantie équivalente ou des exigences d'organisation et de solvabilité peuvent être requis par un règlement de la [1 FSMA]1 pour la prise en considération, comme valeurs représentatives, des parts de réassurance dans les provisions techniques détenues par des entreprises de réassurance non agréées au titre de la Directive 2005/68/CE ou par des entreprises d'assurances non agréées au titre des Directives 73/239/CEE ou 2002/83/CE ";
c) il est inséré un 9°bis, rédigé comme suit :
" 9°bis montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation, lesquels peuvent être pris en considération comme valeurs représentatives, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1, aux conditions suivantes :
1° l'entreprise d'assurances ne peut, sous quelque forme que ce soit, participer au financement du véhicule de titrisation;
2° l'entreprise d'assurances doit conserver une part des risques transférés au véhicule de titrisation de sorte qu'elle conserve un intérêt économique à la sinistralité des risques transférés;
3° l'entreprise d'assurances ne peut, directement ou indirectement, transférer plus de 50 % de ses risques totaux à un seul véhicule de titrisation;
4° les engagements du véhicule de titrisation à l'égard de l'entreprise d'assurances ne peuvent être illimités;
5° le véhicule de titrisation doit détenir des actifs d'un montant au moins équivalent à celui du maximum de ses engagements envers l'entreprise d'assurances; lorsque cette condition n'est plus remplie suite à une diminution de la valeur de ces actifs, seule la valeur diminuée peut être prise en considération par l'entreprise d'assurances pour la couverture de ses provisions techniques;
6° les personnes qui prennent part à l'administration ou à la gestion du véhicule de titrisation doivent posséder l'honorabilité professionnelle et l'expertise nécessaires, ainsi que l'expérience adéquate pour exercer leurs fonctions; tout conflit d'intérêt potentiel entre ces personnes et les responsables des autres parties à l'opération doit être porté à la connaissance de la [1 FSMA]1;
7° le véhicule de titrisation doit disposer d'une structure de gestion, d'une organisation administrative et comptable et d'un contrôle interne appropriés aux activités qu'il exerce.
En outre, l'entreprise d'assurances doit à tout moment être en mesure de démontrer, sur demande de la [1 FSMA]1, l'effectivité du transfert de risque au véhicule de titrisation.
La [1 FSMA]1 peut prendre un règlement complétant la présente disposition sur des points d'ordre technique. ".
a) le 8° est remplacé par la disposition suivante :
" 8° créances sur réassureurs; un nantissement ou une garantie équivalente peut être requis aux conditions précisées dans un règlement de la [1 FSMA]1 pour la prise en considération, comme valeurs représentatives, des créances sur des entreprises de réassurance non agréées au titre de la Directive 2005/68/CE ou sur des entreprises d'assurances non agréées au titre des Directives 73/239/CEE ou 2002/83/CE; ";
b) au 9°, les mots " , selon les conditions acceptées par la [1 FSMA]1 " sont remplacés par les mots suivants : " ; un nantissement, une garantie équivalente ou des exigences d'organisation et de solvabilité peuvent être requis par un règlement de la [1 FSMA]1 pour la prise en considération, comme valeurs représentatives, des parts de réassurance dans les provisions techniques détenues par des entreprises de réassurance non agréées au titre de la Directive 2005/68/CE ou par des entreprises d'assurances non agréées au titre des Directives 73/239/CEE ou 2002/83/CE ";
c) il est inséré un 9°bis, rédigé comme suit :
" 9°bis montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation, lesquels peuvent être pris en considération comme valeurs représentatives, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1, aux conditions suivantes :
1° l'entreprise d'assurances ne peut, sous quelque forme que ce soit, participer au financement du véhicule de titrisation;
2° l'entreprise d'assurances doit conserver une part des risques transférés au véhicule de titrisation de sorte qu'elle conserve un intérêt économique à la sinistralité des risques transférés;
3° l'entreprise d'assurances ne peut, directement ou indirectement, transférer plus de 50 % de ses risques totaux à un seul véhicule de titrisation;
4° les engagements du véhicule de titrisation à l'égard de l'entreprise d'assurances ne peuvent être illimités;
5° le véhicule de titrisation doit détenir des actifs d'un montant au moins équivalent à celui du maximum de ses engagements envers l'entreprise d'assurances; lorsque cette condition n'est plus remplie suite à une diminution de la valeur de ces actifs, seule la valeur diminuée peut être prise en considération par l'entreprise d'assurances pour la couverture de ses provisions techniques;
6° les personnes qui prennent part à l'administration ou à la gestion du véhicule de titrisation doivent posséder l'honorabilité professionnelle et l'expertise nécessaires, ainsi que l'expérience adéquate pour exercer leurs fonctions; tout conflit d'intérêt potentiel entre ces personnes et les responsables des autres parties à l'opération doit être porté à la connaissance de la [1 FSMA]1;
7° le véhicule de titrisation doit disposer d'une structure de gestion, d'une organisation administrative et comptable et d'un contrôle interne appropriés aux activités qu'il exerce.
En outre, l'entreprise d'assurances doit à tout moment être en mesure de démontrer, sur demande de la [1 FSMA]1, l'effectivité du transfert de risque au véhicule de titrisation.
La [1 FSMA]1 peut prendre un règlement complétant la présente disposition sur des points d'ordre technique. ".
Wijzigingen
Art. 20. In artikel 18 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij koninklijk besluit van 26 november 1999 en koninklijk besluit van 26 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt A, § 1, elfde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van herverzekering aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1. ";
2° punt A, § 1, twintigste lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van herverzekering aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1. ";
3° punt B, a), tweede lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van herverzekering aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1. ";
4° punt B, a), vierde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van herverzekering aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1. ".
1° punt A, § 1, elfde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van herverzekering aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1. ";
2° punt A, § 1, twintigste lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van herverzekering aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1. ";
3° punt B, a), tweede lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van herverzekering aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1. ";
4° punt B, a), vierde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De bedragen die kunnen worden verhaald uit hoofde van verrichtingen met effectiseringsvehikels waaraan conform artikel 46 van Richtlijn 2005/68/EG een vergunning is verleend door een lidstaat, worden beschouwd als uit hoofde van herverzekering aftrekbare bedragen, op met redenen omkleed verzoek van de onderneming en met goedkeuring van de [1 FSMA]1. ".
Art. 20. A l'article 18 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 26 novembre 1999 et l'arrêté royal du 26 mai 2004, sont apportées les modifications suivantes :
1° au point A, § 1er, l'alinéa 11 est complété par la phrase suivante :
" Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la réassurance, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1. ";
2° au point A, § 1er, l'alinéa 20 est complété par la phrase suivante :
" Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la réassurance, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1. ";
3° au point B, a), l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
" Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la réassurance, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1. ";
4° au point B, a), l'alinéa 4 est complété par la phrase suivante :
" Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la réassurance, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1. ".
1° au point A, § 1er, l'alinéa 11 est complété par la phrase suivante :
" Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la réassurance, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1. ";
2° au point A, § 1er, l'alinéa 20 est complété par la phrase suivante :
" Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la réassurance, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1. ";
3° au point B, a), l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
" Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la réassurance, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1. ";
4° au point B, a), l'alinéa 4 est complété par la phrase suivante :
" Les montants recouvrables au titre des opérations conclues avec des véhicules de titrisation agréés par un Etat membre conformément à l'article 46 de la Directive 2005/68/CE peuvent être déduits au même titre que la réassurance, sur demande et justification de l'entreprise et avec l'accord de la [1 FSMA]1. ".
Wijzigingen
Art. 21. Het opschrift van hoofdstuk VII van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1994, wordt vervangen als volgt :
" Regels van toepassing op de ondernemingen die aan directe verzekering en aan herverzekering doen ".
" Regels van toepassing op de ondernemingen die aan directe verzekering en aan herverzekering doen ".
Art. 21. L'intitulé du chapitre VII du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 22 novembre 1994, est remplacé par l'intitulé suivant :
" Règles applicables aux entreprises qui font des opérations d'assurance directe et des opérations de réassurance ".
" Règles applicables aux entreprises qui font des opérations d'assurance directe et des opérations de réassurance ".
Art. 22. Artikel 36 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1994, wordt vervangen als volgt :
" De ondernemingen van derde landen, als bedoeld in dit hoofdstuk, die in België diensten verrichten zonder er te zijn gevestigd, zijn met betrekking tot hun activiteiten op het gebied van aangenomen herverzekeringen onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 68 tot en met 72 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf. ".
" De ondernemingen van derde landen, als bedoeld in dit hoofdstuk, die in België diensten verrichten zonder er te zijn gevestigd, zijn met betrekking tot hun activiteiten op het gebied van aangenomen herverzekeringen onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 68 tot en met 72 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf. ".
Art. 22. L'article 36 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 22 novembre 1994, est remplacé par la disposition suivante :
" Les entreprises de pays tiers, visées au présent chapitre, et qui prestent des services en Belgique sans y être établies sont soumises, pour leurs activités d'acceptation en réassurance, aux dispositions des articles 68 à 72 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance. ".
" Les entreprises de pays tiers, visées au présent chapitre, et qui prestent des services en Belgique sans y être établies sont soumises, pour leurs activités d'acceptation en réassurance, aux dispositions des articles 68 à 72 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance. ".
Art. 23. In artikel 37 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1994, worden de woorden " die in België aan herverzekering en aan directe verzekering doen " vervangen door de woorden " als bedoeld in dit hoofdstuk ".
Art. 23. A l'article 37 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 22 novembre 1994, les mots " qui font en Belgique des opérations de réassurance et d'assurance directe " sont remplacés par les mots " , visées au présent chapitre, ".
Art. 24. Artikel 38 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1994, wordt vervangen als volgt :
" § 1. De Belgische ondernemingen en de in België gevestigde ondernemingen van derde landen, als bedoeld in dit hoofdstuk, zijn vrijgesteld van de toelatingsplicht voor hun werkzaamheid van herverzekering.
§ 2. De ondernemingen bedoeld in § 1 die in het kader van het directe verzekeringsbedrijf verrichtingen uitvoeren die behoren tot de groep van activiteiten niet-leven, moeten in afwijking van de in de wet of in dit besluit vastgestelde verplichtingen, met betrekking tot het geheel van hun verrichtingen een minimumwaarborgfonds vormen overeenkomstig artikel 23 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, wanneer :
a) het incasso aan herverzekeringspremies hoger is dan 10 % van hun totale premie-incasso,
b) het incasso aan herverzekeringspremies hoger is dan 50.000.000 EUR, of
c) de technische voorzieningen als gevolg van aangenomen herverzekering hoger zijn dan 10 % van hun totale technische voorzieningen.
De ondernemingen bedoeld in § 1 die in het kader van het directe verzekeringsbedrijf verrichtingen uitvoeren die behoren tot de groep van activiteiten leven, moeten in afwijking van de in de wet of in dit besluit vastgestelde verplichtingen, met betrekking tot hun aangenomen herverzekeringen voldoen aan de verplichtingen vastgesteld bij of krachtens artikel 22 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, wanneer :
a) het incasso aan herverzekeringspremies hoger is dan 10 % van hun totale premie-incasso,
b) het incasso aan herverzekeringspremies hoger is dan 50.000.000 EUR, of
c) de technische voorzieningen als gevolg van aangenomen herverzekering hoger zijn dan 10 % van hun totale technische voorzieningen.
§ 3. De ondernemingen bedoeld in § 1 zijn in afwijking van de in de wet of in dit besluit vastgestelde verplichtingen, met betrekking tot hun activiteiten op het gebied van aangenomen herverzekeringen onderworpen aan de bepalingen van artikel 21 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf. ".
" § 1. De Belgische ondernemingen en de in België gevestigde ondernemingen van derde landen, als bedoeld in dit hoofdstuk, zijn vrijgesteld van de toelatingsplicht voor hun werkzaamheid van herverzekering.
§ 2. De ondernemingen bedoeld in § 1 die in het kader van het directe verzekeringsbedrijf verrichtingen uitvoeren die behoren tot de groep van activiteiten niet-leven, moeten in afwijking van de in de wet of in dit besluit vastgestelde verplichtingen, met betrekking tot het geheel van hun verrichtingen een minimumwaarborgfonds vormen overeenkomstig artikel 23 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, wanneer :
a) het incasso aan herverzekeringspremies hoger is dan 10 % van hun totale premie-incasso,
b) het incasso aan herverzekeringspremies hoger is dan 50.000.000 EUR, of
c) de technische voorzieningen als gevolg van aangenomen herverzekering hoger zijn dan 10 % van hun totale technische voorzieningen.
De ondernemingen bedoeld in § 1 die in het kader van het directe verzekeringsbedrijf verrichtingen uitvoeren die behoren tot de groep van activiteiten leven, moeten in afwijking van de in de wet of in dit besluit vastgestelde verplichtingen, met betrekking tot hun aangenomen herverzekeringen voldoen aan de verplichtingen vastgesteld bij of krachtens artikel 22 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, wanneer :
a) het incasso aan herverzekeringspremies hoger is dan 10 % van hun totale premie-incasso,
b) het incasso aan herverzekeringspremies hoger is dan 50.000.000 EUR, of
c) de technische voorzieningen als gevolg van aangenomen herverzekering hoger zijn dan 10 % van hun totale technische voorzieningen.
§ 3. De ondernemingen bedoeld in § 1 zijn in afwijking van de in de wet of in dit besluit vastgestelde verplichtingen, met betrekking tot hun activiteiten op het gebied van aangenomen herverzekeringen onderworpen aan de bepalingen van artikel 21 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf. ".
Art. 24. L'article 38 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 22 novembre 1994, est remplacé par le texte suivant :
" § 1er. Les entreprises belges et les entreprises de pays tiers établies en Belgique, visées au présent chapitre, sont dispensées de l'obligation d'agrément pour ce qui concerne leur activité de réassurance.
§ 2. Les entreprises visées au § 1er qui pratiquent, en assurance directe, des opérations relevant du groupe d'activités non-vie, doivent, par dérogation aux obligations prévues par la loi ou par le présent arrêté, constituer, pour l'ensemble de leurs opérations, un fonds minimal de garantie conformément à l'article 23 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance, lorsque :
a) l'encaissement de primes de réassurance représente plus de 10 % de leur encaissement total de primes,
b) l'encaissement de primes de réassurance dépasse 50.000.000 EUR, ou que
c) les provisions techniques résultant de leurs acceptations en réassurance représentent plus de 10 % du montant total de leurs provisions techniques.
Les entreprises visées au § 1er qui pratiquent, en assurance directe, des opérations relevant du groupe d'activités vie, doivent, par dérogation aux obligations prévues par la loi ou par le présent arrêté, se conformer, pour leurs acceptations en réassurance, aux obligations prévues par ou en vertu de l'article 22 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance, lorsque :
a) l'encaissement de primes de réassurance représente plus de 10 % de leur encaissement total de primes,
b) l'encaissement de primes de réassurance dépasse 50.000.000 EUR, ou que
c) les provisions techniques résultant de leurs acceptations en réassurance représentent plus de 10 % du montant total de leurs provisions techniques.
§ 3. Les entreprises visées au § 1er sont soumises, par dérogation aux obligations prévues par la loi ou par le présent arrêté, pour leurs activités d'acceptation en réassurance, aux dispositions de l'article 21 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance. ".
" § 1er. Les entreprises belges et les entreprises de pays tiers établies en Belgique, visées au présent chapitre, sont dispensées de l'obligation d'agrément pour ce qui concerne leur activité de réassurance.
§ 2. Les entreprises visées au § 1er qui pratiquent, en assurance directe, des opérations relevant du groupe d'activités non-vie, doivent, par dérogation aux obligations prévues par la loi ou par le présent arrêté, constituer, pour l'ensemble de leurs opérations, un fonds minimal de garantie conformément à l'article 23 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance, lorsque :
a) l'encaissement de primes de réassurance représente plus de 10 % de leur encaissement total de primes,
b) l'encaissement de primes de réassurance dépasse 50.000.000 EUR, ou que
c) les provisions techniques résultant de leurs acceptations en réassurance représentent plus de 10 % du montant total de leurs provisions techniques.
Les entreprises visées au § 1er qui pratiquent, en assurance directe, des opérations relevant du groupe d'activités vie, doivent, par dérogation aux obligations prévues par la loi ou par le présent arrêté, se conformer, pour leurs acceptations en réassurance, aux obligations prévues par ou en vertu de l'article 22 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance, lorsque :
a) l'encaissement de primes de réassurance représente plus de 10 % de leur encaissement total de primes,
b) l'encaissement de primes de réassurance dépasse 50.000.000 EUR, ou que
c) les provisions techniques résultant de leurs acceptations en réassurance représentent plus de 10 % du montant total de leurs provisions techniques.
§ 3. Les entreprises visées au § 1er sont soumises, par dérogation aux obligations prévues par la loi ou par le présent arrêté, pour leurs activités d'acceptation en réassurance, aux dispositions de l'article 21 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance. ".
Art. 25. Bijlage V bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 maart 2001 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003 en het koninklijk besluit van 21 november 2005, wordt vervangen door bijlage II gevoegd bij dit besluit.
Art. 25. L'annexe V du même arrêté, insérée par l'arrêté royal du 14 mars 2001 et modifiée par l'arrêté royal du 25 mars 2003 et l'arrêté royal du 21 novembre 2005, est remplacée par l'annexe II jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK II. - Opheffing van het koninklijk besluit van 22 november 1994 houdende uitvoering van artikel 40 bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, met betrekking tot het bepalen van de voorwaarden waaraan actuarissen moeten voldoen
CHAPITRE II. - Abrogation de l'arrêté royal du 22 novembre 1994 portant exécution de l'article 40 bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance, en ce qui concerne la fixation des conditions auxquelles doivent satisfaire les actuaires
Art. 26. Het koninklijk besluit van 22 november 1994 houdende uitvoering van artikel 40bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, met betrekking tot het bepalen van de voorwaarden waaraan actuarissen moeten voldoen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 november 2003 en het koninklijk besluit van 12 januari 2007, wordt opgeheven.
Art. 26. L'arrêté royal du 22 novembre 1994 portant exécution de l'article 40bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance, en ce qui concerne la fixation des conditions auxquelles doivent satisfaire les actuaires, modifié par l'arrêté royal du 25 novembre 2003 et l'arrêté royal du 12 janvier 2007, est abrogé.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in het koninklijk besluit van 21 november 2005 over het aanvullend groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in een financiële dienstengroep, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen
CHAPITRE III. - Modifications de l'arrêté royal du 21 novembre 2005 organisant la surveillance complémentaire des établissements de crédit, des entreprises d'assurances, des entreprises d'investissement et des sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, faisant partie d'un groupe de services financiers, et modifiant l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances et l'arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur base consolidée des établissements de crédit
Art. 27. In het koninklijk besluit van 21 november 2005 over het aanvullend groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in een financiële dienstengroep, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het opschrift van het besluit worden de woorden " herverzekeringsondernemingen, " ingevoegd tussen de woorden " verzekeringsondernemingen, " en de woorden " beleggingsondernemingen ";
2° in het opschrift van Titel I worden de woorden " herverzekeringsondernemingen, " ingevoegd tussen de woorden " verzekeringsondernemingen, " en de woorden " beleggingsondernemingen ";
3° in artikel 1 wordt een punt 1°bis ingevoegd, luidende :
" de herverzekeringswet " : de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf; "
4° in artikel 1, 5°, worden de woorden " de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " de verzekeringswet, " en de woorden " de wet op de beleggingsondernemingen ";
5° in artikel 1, 7°, worden de woorden " hetzij een herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 82, 3° en 4°, van de wet op het herverzekeringsbedrijf, " ingevoegd tussen de woorden " hetzij een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 91bis, 1° en 2°, van de verzekeringswet, " en de woorden " hetzij een beleggingsonderneming als gedefinieerd in artikel 44 van de wet op de beleggingsondernemingen ";
6° in artikel 1, 8°, b), worden de woorden " die een verzekeringsonderneming is, een herverzekeringsonderneming in de zin van artikel 91bis, 3°, van de verzekeringswet " vervangen door de woorden " die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is ";
7° in artikel 1, 9°, worden de woorden " titel VIII van de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " hoofdstuk VIIbis van de verzekeringswet, " en de woorden " artikel 95 van de wet op de beleggingsondernemingen ";
8° in artikel 1, 10°, worden de woorden " artikel 4, 15°, van de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " in artikel 2, § 6, 10°bis, van de verzekeringswet, " en de woorden " artikel 3, § 1, 1°bis, van de bankwet ";
9° in artikel 1, 12°, a), worden de woorden " , een herverzekeringsonderneming " ingevoegd tussen de woorden " een verzekeringsonderneming " en de woorden " of een beleggingsonderneming ";
10° in artikel 15, § 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2007, worden de woorden " van de artikelen 17, § 2, 25, § 2, 26 en 27 van de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " van de artikelen 9bis en 90, §§ 2 en volgende, van de verzekeringswet, " en de woorden " van de artikelen 61, 69bis, 70 en 71 van de wet op de beleggingsondernemingen ";
11° in artikel 16, § 1, eerste lid, worden de woorden " artikel 38 de verzekeringswet " vervangen door de woorden " artikel 40 van de verzekeringswet, artikel 42 van de herverzekeringswet ";
12° in artikel 20, § 1, f), worden de woorden " de artikelen 73 en 74 van de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " de artikelen 81 en 82 van de verzekeringswet, " en de woorden " de artikelen 108 en 109 van de wet op de beleggingsondernemingen ";
13° in artikel 27, eerste lid, worden de woorden " in de artikelen 47, 48, 73 en 74 van de herverzekeringswet, voor wat herverzekeringsondernemingen betreft, " ingevoegd tussen de woorden " in de artikelen 26, 27, 81 en 82 van de verzekeringswet, voor wat verzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings betreft, " en de woorden " in de artikelen 104, 108 en 109 van de wet op de beleggingsondernemingen voor wat beleggingsondernemingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings betreft ";
1° in het opschrift van het besluit worden de woorden " herverzekeringsondernemingen, " ingevoegd tussen de woorden " verzekeringsondernemingen, " en de woorden " beleggingsondernemingen ";
2° in het opschrift van Titel I worden de woorden " herverzekeringsondernemingen, " ingevoegd tussen de woorden " verzekeringsondernemingen, " en de woorden " beleggingsondernemingen ";
3° in artikel 1 wordt een punt 1°bis ingevoegd, luidende :
" de herverzekeringswet " : de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf; "
4° in artikel 1, 5°, worden de woorden " de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " de verzekeringswet, " en de woorden " de wet op de beleggingsondernemingen ";
5° in artikel 1, 7°, worden de woorden " hetzij een herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 82, 3° en 4°, van de wet op het herverzekeringsbedrijf, " ingevoegd tussen de woorden " hetzij een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 91bis, 1° en 2°, van de verzekeringswet, " en de woorden " hetzij een beleggingsonderneming als gedefinieerd in artikel 44 van de wet op de beleggingsondernemingen ";
6° in artikel 1, 8°, b), worden de woorden " die een verzekeringsonderneming is, een herverzekeringsonderneming in de zin van artikel 91bis, 3°, van de verzekeringswet " vervangen door de woorden " die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is ";
7° in artikel 1, 9°, worden de woorden " titel VIII van de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " hoofdstuk VIIbis van de verzekeringswet, " en de woorden " artikel 95 van de wet op de beleggingsondernemingen ";
8° in artikel 1, 10°, worden de woorden " artikel 4, 15°, van de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " in artikel 2, § 6, 10°bis, van de verzekeringswet, " en de woorden " artikel 3, § 1, 1°bis, van de bankwet ";
9° in artikel 1, 12°, a), worden de woorden " , een herverzekeringsonderneming " ingevoegd tussen de woorden " een verzekeringsonderneming " en de woorden " of een beleggingsonderneming ";
10° in artikel 15, § 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2007, worden de woorden " van de artikelen 17, § 2, 25, § 2, 26 en 27 van de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " van de artikelen 9bis en 90, §§ 2 en volgende, van de verzekeringswet, " en de woorden " van de artikelen 61, 69bis, 70 en 71 van de wet op de beleggingsondernemingen ";
11° in artikel 16, § 1, eerste lid, worden de woorden " artikel 38 de verzekeringswet " vervangen door de woorden " artikel 40 van de verzekeringswet, artikel 42 van de herverzekeringswet ";
12° in artikel 20, § 1, f), worden de woorden " de artikelen 73 en 74 van de herverzekeringswet, " ingevoegd tussen de woorden " de artikelen 81 en 82 van de verzekeringswet, " en de woorden " de artikelen 108 en 109 van de wet op de beleggingsondernemingen ";
13° in artikel 27, eerste lid, worden de woorden " in de artikelen 47, 48, 73 en 74 van de herverzekeringswet, voor wat herverzekeringsondernemingen betreft, " ingevoegd tussen de woorden " in de artikelen 26, 27, 81 en 82 van de verzekeringswet, voor wat verzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings betreft, " en de woorden " in de artikelen 104, 108 en 109 van de wet op de beleggingsondernemingen voor wat beleggingsondernemingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings betreft ";
Art. 27. A l'arrêté royal du 21 novembre 2005 organisant la surveillance complémentaire des établissements de crédit, des entreprises d'assurances, des entreprises d'investissement et des sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, faisant partie d'un groupe de services financiers, et modifiant l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances et l'arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur base consolidée des établissements de crédit, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'intitulé de l'arrêté, les mots " des entreprises de réassurance, " sont insérés entre les mots " des entreprises d'assurances, " et les mots " des entreprises d'investissement ";
2° dans l'intitulé du Titre Ier, les mots " des entreprises de réassurance, " sont insérés entre les mots " des entreprises d'assurances, " et les mots " des entreprises d'investissement ";
3° à l'article 1er, il est inséré un 1°bis, rédigé comme suit :
" la loi relative à la réassurance : la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance; "
4° à l'article 1er, 5°, les mots " la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " la loi sur les assurances, " et les mots " la loi concernant les entreprises d'investissement ";
5° à l'article 1er, 7°, les mots " soit une entreprise de réassurance telle que définie à l'article 82, 3° et 4°, de la loi relative à la réassurance, ", sont insérés entre les mots " soit une entreprise d'assurances telle que définie à l'article 91bis, 1° et 2°, de la loi sur les assurances, " et les mots " soit une entreprise d'investissement telle que définie à l'article 44 de la loi concernant les entreprises d'investissement ";
6° à l'article 1er, 8°, b), les mots " , une entreprise de réassurances au sens de l'article 91bis, 3°, de la loi sur les assurances " sont remplacés par les mots " ou de réassurance ";
7° à l'article 1er, 9°, les mots " du titre VIII de la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " du chapitre VIIbis de la loi sur les assurances, " et les mots " de l'article 95 de la loi concernant les entreprises d'investissement ";
8° à l'article 1er, 10°, les mots " à l'article 4, 15°, de la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " à l'article 2, § 6, 10°bis, de la loi sur les assurances, " et les mots " à l'article 3, § 1er, 1°bis, de la loi bancaire ";
9° à l'article 1er, 12°, a), les mots " , d'entreprise de réassurance " sont insérés entre les mots " d'entreprise d'assurances " et les mots " ou d'entreprise d'investissement ";
10° à l'article 15, § 2, modifié par l'arrêté royal du 29 octobre 2007, les mots " des articles 17, § 2, 25, § 2, 26 et 27 de la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " des articles 9bis et 90, §§ 2 et suivants, de la loi sur les assurances, " et les mots " des articles 61, 69bis, 70 et 71 de la loi concernant les entreprises d'investissement ";
11° à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, les mots " à l'article 38 de la loi sur les assurances " sont remplacés par les mots " à l'article 40 de la loi sur les assurances, à l'article 42 de la loi relative à la réassurance ";
12° à l'article 20, § 1er, f), les mots " les articles 73 et 74 de la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " les articles 81 et 82 de la loi sur les assurances, " et les mots " les articles 108 et 109 de la loi concernant les entreprises d'investissement ";
13° à l'article 27, alinéa 1er, les mots " aux articles 47, 48, 73 et 74 de la loi relative à la réassurance, en ce qui concerne les entreprises de réassurance, " sont insérés entre les mots " aux articles 26, 27, 81 et 82 de la loi sur les assurances, en ce qui concerne les entreprises d'assurances, les sociétés holdings d'assurances et les compagnies financières mixtes, " et les mots " aux articles 104, 108 et 109 de la loi concernant les entreprises d'investissement, en ce qui concerne les entreprises d'investissement, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes ";
1° dans l'intitulé de l'arrêté, les mots " des entreprises de réassurance, " sont insérés entre les mots " des entreprises d'assurances, " et les mots " des entreprises d'investissement ";
2° dans l'intitulé du Titre Ier, les mots " des entreprises de réassurance, " sont insérés entre les mots " des entreprises d'assurances, " et les mots " des entreprises d'investissement ";
3° à l'article 1er, il est inséré un 1°bis, rédigé comme suit :
" la loi relative à la réassurance : la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance; "
4° à l'article 1er, 5°, les mots " la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " la loi sur les assurances, " et les mots " la loi concernant les entreprises d'investissement ";
5° à l'article 1er, 7°, les mots " soit une entreprise de réassurance telle que définie à l'article 82, 3° et 4°, de la loi relative à la réassurance, ", sont insérés entre les mots " soit une entreprise d'assurances telle que définie à l'article 91bis, 1° et 2°, de la loi sur les assurances, " et les mots " soit une entreprise d'investissement telle que définie à l'article 44 de la loi concernant les entreprises d'investissement ";
6° à l'article 1er, 8°, b), les mots " , une entreprise de réassurances au sens de l'article 91bis, 3°, de la loi sur les assurances " sont remplacés par les mots " ou de réassurance ";
7° à l'article 1er, 9°, les mots " du titre VIII de la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " du chapitre VIIbis de la loi sur les assurances, " et les mots " de l'article 95 de la loi concernant les entreprises d'investissement ";
8° à l'article 1er, 10°, les mots " à l'article 4, 15°, de la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " à l'article 2, § 6, 10°bis, de la loi sur les assurances, " et les mots " à l'article 3, § 1er, 1°bis, de la loi bancaire ";
9° à l'article 1er, 12°, a), les mots " , d'entreprise de réassurance " sont insérés entre les mots " d'entreprise d'assurances " et les mots " ou d'entreprise d'investissement ";
10° à l'article 15, § 2, modifié par l'arrêté royal du 29 octobre 2007, les mots " des articles 17, § 2, 25, § 2, 26 et 27 de la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " des articles 9bis et 90, §§ 2 et suivants, de la loi sur les assurances, " et les mots " des articles 61, 69bis, 70 et 71 de la loi concernant les entreprises d'investissement ";
11° à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, les mots " à l'article 38 de la loi sur les assurances " sont remplacés par les mots " à l'article 40 de la loi sur les assurances, à l'article 42 de la loi relative à la réassurance ";
12° à l'article 20, § 1er, f), les mots " les articles 73 et 74 de la loi relative à la réassurance, " sont insérés entre les mots " les articles 81 et 82 de la loi sur les assurances, " et les mots " les articles 108 et 109 de la loi concernant les entreprises d'investissement ";
13° à l'article 27, alinéa 1er, les mots " aux articles 47, 48, 73 et 74 de la loi relative à la réassurance, en ce qui concerne les entreprises de réassurance, " sont insérés entre les mots " aux articles 26, 27, 81 et 82 de la loi sur les assurances, en ce qui concerne les entreprises d'assurances, les sociétés holdings d'assurances et les compagnies financières mixtes, " et les mots " aux articles 104, 108 et 109 de la loi concernant les entreprises d'investissement, en ce qui concerne les entreprises d'investissement, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes ";
TITEL V. - Slotbepaling
TITRE V. - Disposition finale
Art. 28. De Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 27 september 2009.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-eersteminister en Minister van Financiën en Institutionele Hervormingen,
D. REYNDERS
Gegeven te Brussel, 27 september 2009.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-eersteminister en Minister van Financiën en Institutionele Hervormingen,
D. REYNDERS
Art. 28. Le Ministre des Finances est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 27 septembre 2009.
ALBERT
Par le Roi :
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances et des Réformes institutionnelles,
D. REYNDERS.
Donné à Bruxelles, le 27 septembre 2009.
ALBERT
Par le Roi :
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances et des Réformes institutionnelles,
D. REYNDERS.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. - Aanvullend toezicht op herverzekeringsondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep
I. Aanvullend toezicht op deelnemende Belgische herverzekeringsondernemingen
1. Berekeningsmethode en algemene principes
1.1 Algemene bepalingen
De berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van de in artikel 86, § 1, van de wet bedoelde deelnemende Belgische herverzekeringsondernemingen wordt uitgevoerd volgens de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, zoals deze beschreven wordt in punt I.2 van deze bijlage. De [1 FSMA]1 kan evenwel op elk ogenblik de toepassing van de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3. of de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4. toestaan of opleggen, wanneer deze methodes meer aangepast zijn.
Wanneer de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming meer dan één met haar verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming heeft, wordt de aangepaste solvabiliteitsmarge berekend door elk van deze verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te integreren.
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt uitgevoerd, haar maatschappelijke zetel in een andere lidstaat dan België heeft, wordt bij de berekening met betrekking tot deze verbonden onderneming rekening gehouden met de solvabiliteitspositie, zoals die door de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat wordt beoordeeld.
Ongeacht welke methode wordt toegepast, wordt echter, indien de verbonden onderneming een dochteronderneming is en een solvabiliteitstekort vertoont, het totale solvabiliteitstekort van de dochteronderneming in aanmerking genomen. Indien tussen ondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 FSMA]1 met welk deel van het solvabiliteitstekort rekening dient te worden gehouden.
Ingeval de [1 FSMA]1 van mening is dat de aansprakelijkheid van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt en ondubbelzinnig tot dat gedeelte van het kapitaal beperkt is, kan de [1 FSMA]1 evenwel toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderneming op proportionele grondslag in aanmerking wordt genomen.
Wanneer tussen sommige van de ondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 FSMA]1 welk proportioneel gedeelte in aanmerking moet worden genomen.
1.2 Uitsluiting van het meerdere malen gebruiken van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge
a) Algemene behandeling van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge
Ongeacht welke methode wordt toegepast bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, moet worden uitgesloten dat de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge meerdere malen worden gebruikt voor de verschillende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die bij die berekening betrokken zijn. Daartoe moeten de waarden van de bestanddelen bedoeld in artikel 11, § 4, van dit besluit worden geëlimineerd in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge. De wijze van eliminatie hangt af van de toegepaste methode (methode gebaseerd op de consolidatie van de jaarrekeningen, methode van aftrek en aggregatie of methode van aftrek van vereiste).
b) Behandeling van bepaalde bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge
Onverminderd de bepalingen van punt I.1.2, a) van deze bijlage, mogen :
- winstreserves en toekomstige winsten die gegenereerd worden in een met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden levensverzekerings- of levensherverzekeringsonderneming, en
- het geplaatste maar niet-gestorte gedeelte van het kapitaal van een met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
alleen in aanmerking genomen worden als bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge voor zover zij in aanmerking mogen worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van die verbonden onderneming. Het gedeelte van het kapitaal van die verbonden onderneming dat geplaatst maar niet gestort is door de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, kan echter niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
Het gedeelte van het kapitaal van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming dat geplaatst maar niet gestort is door een met deze deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden onderneming, kan niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
Het gedeelte van het kapitaal van een met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming verbonden onderneming dat geplaatst maar niet gestort is door een andere met deze deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden onderneming, kan niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
c) Overdraagbaarheid
Indien de [1 FSMA]1 van oordeel is dat bepaalde andere dan de in punt I.1.2 van deze bijlage bedoelde bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet effectief beschikbaar kunnen komen voor de dekking van het solvabiliteitsmargevereiste van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, verzet zij zich tegen het in aanmerking nemen van deze bestanddelen in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge boven het bedrag waarvoor zij in aanmerking mogen genomen worden voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van de verbonden onderneming.
d) De som van de in de punten I.1.2 b) en c) van deze bijlage bedoelde bestanddelen mag het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet overschrijden.
1.3 Uitsluiting van het creëren van vermogensbestanddelen binnen een groep
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge worden buiten beschouwing gelaten, de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge die afkomstig zijn van een wederzijdse financiering tussen de deelnemende Belgische herverzekerings-onderneming en :
- een daarmee verbonden onderneming;
- een daarin deelnemende onderneming;
- een andere verbonden onderneming van een van haar deelnemende ondernemingen.
Voorts worden buiten beschouwing gelaten de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van een met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wanneer die bestanddelen afkomstig zijn van een wederzijdse financiering met een andere met die deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming verbonden onderneming.
Er is met name sprake van wederzijdse financiering wanneer een deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming of een van de met haar verbonden ondernemingen houdster is van aandelen in of leningen verstrekt aan een andere onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks houdster is van een bestanddeel van de solvabiliteitsmarge van de eerste onderneming.
1.4 Toepassing van de berekeningsmethoden
a) Verzekeringstussenholdings
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming met een deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, middels een verzekeringstussenholding, wordt rekening gehouden met de positie van de verzekeringstussenholding. Louter voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge, die wordt uitgevoerd overeenkomstig de algemene beginselen en de methoden die in deze bijlage omschreven zijn, wordt deze verbonden verzekeringstussenholding behandeld als betrof het een Belgische herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan een solvabiliteitsvereiste gelijk aan nul. Dezelfde bestanddelen als bedoeld in artikel 11 van dit besluit mogen in aanmerking worden genomen voor de theoretische solvabiliteitsmarge. De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
b) Verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met maatschappelijke zetel in een derde land
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, wordt deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, louter voor de berekening, op soortgelijke wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waarbij de algemene beginselen en methoden worden toegepast die respectievelijk zijn beschreven in bijlage V bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in deze bijlage.
Daartoe wordt een solvabiliteitsvereiste berekend voor iedere verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, volgens dezelfde regels als die welke respectievelijk zijn vastgesteld in artikel 18 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in de artikelen 12 en 13 van dit besluit.
Wanneer het derde land waar deze verbonden onderneming haar maatschappelijke zetel heeft, haar onderwerpt aan een toelating of vergunning en aan ten minste een soortgelijk solvabiliteitsvereiste als dat van de Richtlijnen 73/239/EEG, 2002/83/EG of 2005/68/EG, gelet op de bestanddelen ter dekking van dit vereiste, wordt bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge evenwel rekening gehouden, voor wat betreft deze laatste onderneming, met het solvabiliteitsvereiste en met de voor het nakomen van dit vereiste in aanmerking komende bestanddelen, als voorgeschreven door het betrokken derde land.
c) Niet beschikbaar zijn van de noodzakelijke informatie
Wanneer de [1 FSMA]1 om enigerlei reden niet beschikt over de informatie over een verbonden onderneming met maatschappelijke zetel in een lidstaat of in een derde land, die nodig is voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wordt de boekwaarde van deze onderneming in de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming in mindering gebracht van de bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge. In dat geval worden de aan deze deelneming verbonden latente meerwaarden niet aanvaard als bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
2. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen
Onverminderd de bepalingen van artikel 87 van de wet, wordt de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming uitgevoerd aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen.
De aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming is het verschil tussen :
de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, en
a) hetzij de som van het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming en het proportionele deel van de solvabiliteitsvereisten van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen dat overeenstemt met de percentages die voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekeningen in aanmerking genomen zijn;
b) hetzij het solvabiliteitsvereiste dat op basis van de geconsolideerde gegevens berekend is.
Onverminderd de bepalingen van punt I.1 van deze bijlage, zijn de bepalingen van de artikelen 22 van de wet en 11 en 13 van dit besluit van toepassing voor het in aanmerking nemen van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en van het solvabiliteitsvereiste op basis van de geconsolideerde gegevens.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische herverzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
Wanneer een dochteronderneming wordt geconsolideerd door integrale consolidatie, wordt rekening gehouden met het totaal bedrag van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de dochteronderneming en met het totaal bedrag van haar vereiste marge, wat ook de deelnemingsgraad is.
3. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek en aggregatie
Wanneer er belangrijke praktische problemen rijzen bij de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, kan de [1 FSMA]1 de toepassing toestaan of zelfs eisen van de methode van aftrek en aggregatie die als volgt wordt bepaald :
De aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming is het verschil tussen :
i) de som van :
a) de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, en
b) het proportionele deel van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming in de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de verbonden verzekerings- of hervzerzekeringsonderneming
en
ii) de som van :
a) de boekwaarde van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, en
b) het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, en
c) het proportionele deel van het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische herverzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
Wanneer de deelneming in de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming geheel of ten dele bestaat in de vorm van onrechtstreekse eigendom, dan wordt in punt ii), a) de waarde van die onrechtstreekse eigendom meegenomen, met inachtneming van de desbetreffende successieve belangen, en worden in de punten i), b) en ii), c) de overeenkomstige proportionele delen meegenomen van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
4. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek van vereiste
Onder dezelfde voorwaarden als voor de methode bedoeld in punt I.3. kan de [1 FSMA]1 het gebruik toestaan van de methode van aftrek van vereiste.
De aangepaste solvabiliteitsmarge is dan het verschil tussen :
i) de som van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de solvabiliteitsmarge van de deelnemende herverzekeringsonderneming, en
ii) de som van
- het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende herverzekeringsonderneming, en
- het proportioneel deel van het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische herverzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
II. Aanvullend toezicht voor herverzekeringsondernemingen die dochterondernemingen zijn van een verzekeringsholding of van een verzekerings- of herverzekerings-onderneming van een derde land
De uitoefening van het aanvullend toezicht bestaat er in op het niveau van de verzekeringsholding of van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, die moederondernemingen zijn van één of meerdere dochterondernemingen gevestigd in België, bedoeld in artikel 89, § 1, van de wet, soortgelijke berekeningen uit te voeren als die welke respectievelijk zijn beschreven in punt I van bijlage V bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in punt I van deze bijlage.
Dit betekent dat de algemene principes die respectievelijk zijn beschreven in punt I van bijlage V bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in punt I van deze bijlage toegepast worden.
De berekeningen worden uitgevoerd volgens de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, zoals die respectievelijk is beschreven in punt I.2 van bijlage V bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in punt I.2 van deze bijlage.
De geconsolideerde jaarrekeningen van Belgische verzekeringsholdings en Belgische herverzekeringsondernemingen moeten opgesteld worden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen.
De geconsolideerde jaarrekeningen van herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings gevestigd in de EER moeten worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 91/674 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
De geconsolideerde jaarrekeningen van herverzekeringsondernemingen, holdings en verzekeringsondernemingen gevestigd buiten de EER zullen in aanmerking genomen worden door de [1 FSMA]1 voor de uitoefening van het aanvullend toezicht, op voorwaarde dat zij in een soortgelijke vorm opgesteld worden als deze voortvloeiend uit Richtlijn 91/674 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
Indien dit niet het geval is, zal naargelang het geval, hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4, worden toegepast.
Wanneer blijkt dat de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen belangrijke praktische problemen stelt, kan de [1 FSMA]1 de toepassing toestaan of voorschrijven van hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4.
Wanneer een herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht een dochteronderneming is van een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding, met maatschappelijke zetel in een derde land, kan de [1 FSMA]1, in afwijking van de voorgaande bepalingen, met de bevoegde autoriteit van het land waar de moederonderneming haar zetel heeft of met een andere geschikte buitenlandse bevoegde autoriteit, in een tussen hen afgesloten samenwerkingsovereenkomst overeenkomen dat deze laatste het aanvullend toezicht uitoefent, op voorwaarde dat dit toezicht gelijkwaardig is aan dat waarin wordt voorzien in Richtlijn 98/78/EG. In dat geval moet de naleving van de verplichtingen minstens eenmaal per jaar, binnen vier maanden na de afsluiting van het boekjaar van de moederonderneming, bevestigd worden aan de [1 FSMA]1 door de buitenlandse bevoegde autoriteit. Bij de verklaring van naleving dient de geconsolideerde jaarrekening gevoegd te worden van de moederonderneming. Het bepaalde bij artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002 is op de bedoelde overeenkomsten van toepassing.
Louter voor de berekening wordt de moederonderneming behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan :
- een solvabiliteitsvereiste gelijk aan nul wanneer het een verzekeringsholding betreft,
- een solvabiliteitsvereiste bepaald volgens de beginselen van punt I.1.4.b) van deze bijlage, wanneer het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft,
en gelden voor deze moederonderneming, onverminderd de bepalingen van punt I van deze bijlage, dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 22 van de wet en 11 van dit besluit wat betreft de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge.
I. Aanvullend toezicht op deelnemende Belgische herverzekeringsondernemingen
1. Berekeningsmethode en algemene principes
1.1 Algemene bepalingen
De berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van de in artikel 86, § 1, van de wet bedoelde deelnemende Belgische herverzekeringsondernemingen wordt uitgevoerd volgens de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, zoals deze beschreven wordt in punt I.2 van deze bijlage. De [1 FSMA]1 kan evenwel op elk ogenblik de toepassing van de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3. of de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4. toestaan of opleggen, wanneer deze methodes meer aangepast zijn.
Wanneer de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming meer dan één met haar verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming heeft, wordt de aangepaste solvabiliteitsmarge berekend door elk van deze verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te integreren.
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt uitgevoerd, haar maatschappelijke zetel in een andere lidstaat dan België heeft, wordt bij de berekening met betrekking tot deze verbonden onderneming rekening gehouden met de solvabiliteitspositie, zoals die door de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat wordt beoordeeld.
Ongeacht welke methode wordt toegepast, wordt echter, indien de verbonden onderneming een dochteronderneming is en een solvabiliteitstekort vertoont, het totale solvabiliteitstekort van de dochteronderneming in aanmerking genomen. Indien tussen ondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 FSMA]1 met welk deel van het solvabiliteitstekort rekening dient te worden gehouden.
Ingeval de [1 FSMA]1 van mening is dat de aansprakelijkheid van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt en ondubbelzinnig tot dat gedeelte van het kapitaal beperkt is, kan de [1 FSMA]1 evenwel toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderneming op proportionele grondslag in aanmerking wordt genomen.
Wanneer tussen sommige van de ondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 FSMA]1 welk proportioneel gedeelte in aanmerking moet worden genomen.
1.2 Uitsluiting van het meerdere malen gebruiken van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge
a) Algemene behandeling van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge
Ongeacht welke methode wordt toegepast bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, moet worden uitgesloten dat de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge meerdere malen worden gebruikt voor de verschillende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die bij die berekening betrokken zijn. Daartoe moeten de waarden van de bestanddelen bedoeld in artikel 11, § 4, van dit besluit worden geëlimineerd in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge. De wijze van eliminatie hangt af van de toegepaste methode (methode gebaseerd op de consolidatie van de jaarrekeningen, methode van aftrek en aggregatie of methode van aftrek van vereiste).
b) Behandeling van bepaalde bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge
Onverminderd de bepalingen van punt I.1.2, a) van deze bijlage, mogen :
- winstreserves en toekomstige winsten die gegenereerd worden in een met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden levensverzekerings- of levensherverzekeringsonderneming, en
- het geplaatste maar niet-gestorte gedeelte van het kapitaal van een met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
alleen in aanmerking genomen worden als bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge voor zover zij in aanmerking mogen worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van die verbonden onderneming. Het gedeelte van het kapitaal van die verbonden onderneming dat geplaatst maar niet gestort is door de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, kan echter niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
Het gedeelte van het kapitaal van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming dat geplaatst maar niet gestort is door een met deze deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden onderneming, kan niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
Het gedeelte van het kapitaal van een met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming verbonden onderneming dat geplaatst maar niet gestort is door een andere met deze deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden onderneming, kan niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
c) Overdraagbaarheid
Indien de [1 FSMA]1 van oordeel is dat bepaalde andere dan de in punt I.1.2 van deze bijlage bedoelde bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet effectief beschikbaar kunnen komen voor de dekking van het solvabiliteitsmargevereiste van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, verzet zij zich tegen het in aanmerking nemen van deze bestanddelen in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge boven het bedrag waarvoor zij in aanmerking mogen genomen worden voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van de verbonden onderneming.
d) De som van de in de punten I.1.2 b) en c) van deze bijlage bedoelde bestanddelen mag het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet overschrijden.
1.3 Uitsluiting van het creëren van vermogensbestanddelen binnen een groep
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge worden buiten beschouwing gelaten, de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge die afkomstig zijn van een wederzijdse financiering tussen de deelnemende Belgische herverzekerings-onderneming en :
- een daarmee verbonden onderneming;
- een daarin deelnemende onderneming;
- een andere verbonden onderneming van een van haar deelnemende ondernemingen.
Voorts worden buiten beschouwing gelaten de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van een met de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wanneer die bestanddelen afkomstig zijn van een wederzijdse financiering met een andere met die deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming verbonden onderneming.
Er is met name sprake van wederzijdse financiering wanneer een deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming of een van de met haar verbonden ondernemingen houdster is van aandelen in of leningen verstrekt aan een andere onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks houdster is van een bestanddeel van de solvabiliteitsmarge van de eerste onderneming.
1.4 Toepassing van de berekeningsmethoden
a) Verzekeringstussenholdings
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming met een deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, middels een verzekeringstussenholding, wordt rekening gehouden met de positie van de verzekeringstussenholding. Louter voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge, die wordt uitgevoerd overeenkomstig de algemene beginselen en de methoden die in deze bijlage omschreven zijn, wordt deze verbonden verzekeringstussenholding behandeld als betrof het een Belgische herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan een solvabiliteitsvereiste gelijk aan nul. Dezelfde bestanddelen als bedoeld in artikel 11 van dit besluit mogen in aanmerking worden genomen voor de theoretische solvabiliteitsmarge. De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
b) Verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met maatschappelijke zetel in een derde land
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, wordt deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, louter voor de berekening, op soortgelijke wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waarbij de algemene beginselen en methoden worden toegepast die respectievelijk zijn beschreven in bijlage V bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in deze bijlage.
Daartoe wordt een solvabiliteitsvereiste berekend voor iedere verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, volgens dezelfde regels als die welke respectievelijk zijn vastgesteld in artikel 18 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in de artikelen 12 en 13 van dit besluit.
Wanneer het derde land waar deze verbonden onderneming haar maatschappelijke zetel heeft, haar onderwerpt aan een toelating of vergunning en aan ten minste een soortgelijk solvabiliteitsvereiste als dat van de Richtlijnen 73/239/EEG, 2002/83/EG of 2005/68/EG, gelet op de bestanddelen ter dekking van dit vereiste, wordt bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge evenwel rekening gehouden, voor wat betreft deze laatste onderneming, met het solvabiliteitsvereiste en met de voor het nakomen van dit vereiste in aanmerking komende bestanddelen, als voorgeschreven door het betrokken derde land.
c) Niet beschikbaar zijn van de noodzakelijke informatie
Wanneer de [1 FSMA]1 om enigerlei reden niet beschikt over de informatie over een verbonden onderneming met maatschappelijke zetel in een lidstaat of in een derde land, die nodig is voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wordt de boekwaarde van deze onderneming in de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming in mindering gebracht van de bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge. In dat geval worden de aan deze deelneming verbonden latente meerwaarden niet aanvaard als bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
2. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen
Onverminderd de bepalingen van artikel 87 van de wet, wordt de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming uitgevoerd aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen.
De aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming is het verschil tussen :
de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, en
a) hetzij de som van het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming en het proportionele deel van de solvabiliteitsvereisten van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen dat overeenstemt met de percentages die voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekeningen in aanmerking genomen zijn;
b) hetzij het solvabiliteitsvereiste dat op basis van de geconsolideerde gegevens berekend is.
Onverminderd de bepalingen van punt I.1 van deze bijlage, zijn de bepalingen van de artikelen 22 van de wet en 11 en 13 van dit besluit van toepassing voor het in aanmerking nemen van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en van het solvabiliteitsvereiste op basis van de geconsolideerde gegevens.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische herverzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
Wanneer een dochteronderneming wordt geconsolideerd door integrale consolidatie, wordt rekening gehouden met het totaal bedrag van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de dochteronderneming en met het totaal bedrag van haar vereiste marge, wat ook de deelnemingsgraad is.
3. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek en aggregatie
Wanneer er belangrijke praktische problemen rijzen bij de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, kan de [1 FSMA]1 de toepassing toestaan of zelfs eisen van de methode van aftrek en aggregatie die als volgt wordt bepaald :
De aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming is het verschil tussen :
i) de som van :
a) de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, en
b) het proportionele deel van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming in de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de verbonden verzekerings- of hervzerzekeringsonderneming
en
ii) de som van :
a) de boekwaarde van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, en
b) het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende Belgische herverzekeringsonderneming, en
c) het proportionele deel van het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische herverzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
Wanneer de deelneming in de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming geheel of ten dele bestaat in de vorm van onrechtstreekse eigendom, dan wordt in punt ii), a) de waarde van die onrechtstreekse eigendom meegenomen, met inachtneming van de desbetreffende successieve belangen, en worden in de punten i), b) en ii), c) de overeenkomstige proportionele delen meegenomen van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
4. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek van vereiste
Onder dezelfde voorwaarden als voor de methode bedoeld in punt I.3. kan de [1 FSMA]1 het gebruik toestaan van de methode van aftrek van vereiste.
De aangepaste solvabiliteitsmarge is dan het verschil tussen :
i) de som van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de solvabiliteitsmarge van de deelnemende herverzekeringsonderneming, en
ii) de som van
- het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende herverzekeringsonderneming, en
- het proportioneel deel van het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische herverzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
II. Aanvullend toezicht voor herverzekeringsondernemingen die dochterondernemingen zijn van een verzekeringsholding of van een verzekerings- of herverzekerings-onderneming van een derde land
De uitoefening van het aanvullend toezicht bestaat er in op het niveau van de verzekeringsholding of van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, die moederondernemingen zijn van één of meerdere dochterondernemingen gevestigd in België, bedoeld in artikel 89, § 1, van de wet, soortgelijke berekeningen uit te voeren als die welke respectievelijk zijn beschreven in punt I van bijlage V bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in punt I van deze bijlage.
Dit betekent dat de algemene principes die respectievelijk zijn beschreven in punt I van bijlage V bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in punt I van deze bijlage toegepast worden.
De berekeningen worden uitgevoerd volgens de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, zoals die respectievelijk is beschreven in punt I.2 van bijlage V bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991 en in punt I.2 van deze bijlage.
De geconsolideerde jaarrekeningen van Belgische verzekeringsholdings en Belgische herverzekeringsondernemingen moeten opgesteld worden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen.
De geconsolideerde jaarrekeningen van herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings gevestigd in de EER moeten worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 91/674 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
De geconsolideerde jaarrekeningen van herverzekeringsondernemingen, holdings en verzekeringsondernemingen gevestigd buiten de EER zullen in aanmerking genomen worden door de [1 FSMA]1 voor de uitoefening van het aanvullend toezicht, op voorwaarde dat zij in een soortgelijke vorm opgesteld worden als deze voortvloeiend uit Richtlijn 91/674 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
Indien dit niet het geval is, zal naargelang het geval, hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4, worden toegepast.
Wanneer blijkt dat de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen belangrijke praktische problemen stelt, kan de [1 FSMA]1 de toepassing toestaan of voorschrijven van hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4.
Wanneer een herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht een dochteronderneming is van een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding, met maatschappelijke zetel in een derde land, kan de [1 FSMA]1, in afwijking van de voorgaande bepalingen, met de bevoegde autoriteit van het land waar de moederonderneming haar zetel heeft of met een andere geschikte buitenlandse bevoegde autoriteit, in een tussen hen afgesloten samenwerkingsovereenkomst overeenkomen dat deze laatste het aanvullend toezicht uitoefent, op voorwaarde dat dit toezicht gelijkwaardig is aan dat waarin wordt voorzien in Richtlijn 98/78/EG. In dat geval moet de naleving van de verplichtingen minstens eenmaal per jaar, binnen vier maanden na de afsluiting van het boekjaar van de moederonderneming, bevestigd worden aan de [1 FSMA]1 door de buitenlandse bevoegde autoriteit. Bij de verklaring van naleving dient de geconsolideerde jaarrekening gevoegd te worden van de moederonderneming. Het bepaalde bij artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002 is op de bedoelde overeenkomsten van toepassing.
Louter voor de berekening wordt de moederonderneming behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan :
- een solvabiliteitsvereiste gelijk aan nul wanneer het een verzekeringsholding betreft,
- een solvabiliteitsvereiste bepaald volgens de beginselen van punt I.1.4.b) van deze bijlage, wanneer het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft,
en gelden voor deze moederonderneming, onverminderd de bepalingen van punt I van deze bijlage, dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 22 van de wet en 11 van dit besluit wat betreft de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge.
Art. N1. Annexe Ire. - Surveillance complémentaire des entreprises de réassurance faisant partie d'un groupe d'assurance ou de réassurance
I. Surveillance complémentaire des entreprises de réassurance belges participantes
1. Méthode de calcul et principes généraux
1.1 Dispositions générales
Le calcul de la marge de solvabilité ajustée des entreprises de réassurance belges participantes qui sont visées à l'article 86, § 1er, de la loi, est effectué selon la méthode basée sur la consolidation comptable telle qu'elle est décrite au point I.2 de la présente annexe. Toutefois, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou imposer à tout moment l'application de la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, lorsque ces méthodes sont plus adéquates.
Lorsque l'entreprise de réassurance belge participante a plus d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, la marge de solvabilité ajustée est calculée en intégrant chacune de ces entreprises d'assurances ou de réassurance liées.
Lorsqu'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle le calcul de la marge de solvabilité ajustée est effectué a son siège social dans un autre Etat membre que la Belgique, le calcul prend en compte, en ce qui concerne cette entreprise liée, la situation de solvabilité telle qu'elle est évaluée par les autorités compétentes de cet autre Etat membre.
Quelle que soit la méthode utilisée, lorsque l'entreprise liée est une entreprise filiale et a un déficit de solvabilité, le déficit de solvabilité total de la filiale doit être pris en compte. S'il n'existe pas de liens en capital entre des entreprises faisant partie d'un groupe d'assurances ou de réassurance, la [1 FSMA]1 détermine la partie du déficit de solvabilité qui doit être prise en compte.
Toutefois, dans le cas où de l'avis de la [1 FSMA]1, la responsabilité de l'entreprise de réassurance belge participante détenant une part de capital est limitée, strictement et sans ambiguïté, à cette part de capital, la [1 FSMA]1 peut permettre que le déficit de solvabilité de l'entreprise filiale soit pris en compte sur une base proportionnelle.
Lorsqu'il n'y a pas de lien en capital entre certaines des entreprises appartenant au groupe d'assurances ou de réassurance, la [1 FSMA]1 détermine quelle part proportionnelle doit être prise en considération.
1.2 Elimination du double emploi des éléments constitutifs de la marge de solvabilité
a) Traitement général des éléments constitutifs de la marge de solvabilité
Indépendamment de la méthode utilisée pour calculer la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise de réassurance belge participante, il faut supprimer le double emploi d'éléments constitutifs de la marge de solvabilité parmi les différentes entreprises d'assurances et de réassurance prises en compte dans ce calcul. A cet effet, les valeurs des élements visés à l'article 11, § 4, du présent arrêté doivent être éliminées pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée. Le mode d'élimination depend de la méthode appliquée (methode basée sur la consolidation comptable, méthode de déduction et d'agrégation ou methode basée sur la déduction d'exigences).
b) Traitement de certains éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée
Sans préjudice des dispositions du point I.1.2 a), de la présente annexe :
- les réserves de bénéfices et les bénéfices futurs d'une entreprise d'assurances ou de réassurance vie liée de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, et
- les fractions souscrites mais non versées du capital d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée,
ne peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée que dans la mesure où ils peuvent être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité de cette entreprise liée. Cependant, la fraction du capital de cette entreprise liée souscrite par l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'a pas été versée, ne peut être prise en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
Les fractions du capital de l'entreprise de réassurance belge participante souscrites par une entreprise liée de cette entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'ont pas été versées, ne peuvent être prises en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
Les fractions du capital d'une entreprise liée de l'entreprise de réassurance belge participante souscrites par une autre entreprise liée de cette entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'ont pas été versées, ne peuvent être prises en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
c) Transférabilité
Si la [1 FSMA]1 considère que certains éléments constitutifs de la marge de solvabilité d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, autres que ceux visés au point I.1.2 de la présente annexe ne peuvent pas effectivement être rendus disponibles pour couvrir l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, elle s'oppose à la prise en considération de ces éléments dans le calcul de la marge de solvabilité ajustée au-delà du montant pour lequel ils peuvent être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité de l'entreprise liée.
d) La somme des éléments visés aux points I.1.2 b) et c) de la présente annexe ne peut pas dépasser l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
1.3 Elimination de la création intragroupe de capital
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée, il n'est tenu compte d'aucun élément constitutif de la marge de solvabilité provenant d'un financement réciproque entre l'entreprise de réassurance belge participante et :
- une entreprise liée;
- une entreprise participante;
- une autre entreprise liée d'une quelconque de ses entreprises participantes.
En outre, il n'est tenu compte d'aucun élément constitutif de la marge de solvabilité d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée lorsque l'élément en question provient d'un financement réciproque avec une autre entreprise liée de cette entreprise de réassurance belge participante.
En particulier, il y a financement réciproque lorsqu'une entreprise de réassurance belge participante ou une quelconque de ses entreprises liées détient des parts dans une autre entreprise ou accorde des prêts à une autre entreprise qui, directement ou indirectement, détient un élément constitutif de la marge de solvabilité de la première entreprise.
1.4 Application des méthodes de calcul
a) Sociétés holding d'assurances intermédiaires
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise de réassurance belge participante qui détient une participation dans une entreprise d'assurances ou de réassurance ou dans une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, à travers une société holding d'assurances intermédiaire, la situation de la société holding d'assurances intermédiaire est prise en compte. Pour les seuls besoins du calcul de la marge de solvabilité ajustée, réalisé conformément aux principes généraux et méthodes décrits dans la présente annexe, cette société holding d'assurances intermédiaire liée est traitée comme s'il s'agissait d'une entreprise de réassurance belge qui serait soumise à une exigence de solvabilité égale à zéro. Les mêmes éléments que ceux prévus à l'article 11 du présent arrêté sont reconnus comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité notionnelle. Les actifs et les engagements sont évalués selon les dispositions de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurances.
b) Entreprises d'assurances et de réassurance liées ayant leur siège social dans un pays tiers
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise de réassurance belge participante d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, cette entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers est traitée, pour les seuls besoins du calcul, d'une manière analogue à une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, en appliquant les principes généraux et méthodes décrits respectivement dans l'annexe V à l'arrêté royal du 22 février 1991 et dans la présente annexe.
A cet effet, une exigence de solvabilité est calculée pour chaque entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers liée, sur base des mêmes règles que celles prévues respectivement à l'article 18 de l'arrêté royal du 22 février 1991 et aux articles 12 et 13 du présent arrêté.
Toutefois, lorsque le pays tiers dans lequel cette entreprise liée a son siège social la soumet à un agrément et lui impose une exigence de solvabilité au moins comparable à celle prévue par les Directives 73/239/CEE, 2002/83/CE ou 2005/68/CE, compte tenu des éléments de couverture de cette exigence, le calcul de la marge de solvabilité ajustée prend en compte, en ce qui concerne cette dernière entreprise, l'exigence de solvabilité et les éléments admissibles pour satisfaire cette exigence tels que prévus par le pays tiers en question.
c) Indisponibilité de l'information nécessaire
Lorsque la [1 FSMA]1 ne dispose pas, quelle qu'en soit la raison, des informations nécessaires au calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances ou de réassurance et relatives à une entreprise liée ayant son siège social dans un Etat membre ou dans un pays tiers, la valeur comptable de cette entreprise dans l'entreprise de réassurance belge participante est déduite des éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée. Dans ce cas, aucune plus-value latente associée à cette participation n'est admise comme élément constitutif de la marge de solvabilité ajustée.
2. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur les comptes consolidés
Sans préjudice des dispositions de l'article 87 de la loi, le calcul de la marge de solvabilité ajustée de l'entreprise de réassurance belge participante est effectué à partir des comptes consolidés établis conformément aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés.
La marge de solvabilité ajustée de l'entreprise de réassurance belge participante est la différence entre :
les éléments constitutifs de la marge de solvabilité calculés à partir des données consolidées et
a) soit la somme de l'exigence de solvabilité de l'entreprise de réassurance belge participante et de la part proportionnelle des exigences de solvabilité des entreprises d'assurances ou de réassurance liées correspondant aux taux retenus pour l'établissement des comptes consolidés;
b) soit l'exigence de solvabilité calculée à partir des données consolidées.
Sans préjudice des dispositions du point I.1 de la présente annexe, les dispositions des articles 22 de la loi et 11 à 13 du présent arrêté sont d'application pour la prise en compte des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et de l'exigence de solvabilité à partir des données consolidées.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise de réassurance belge participante dans l'entreprise liée.
Lorsque une filiale est consolidée par intégration globale il est tenu compte du montant total des éléments constitutifs de la marge de solvabilité de la filiale et du montant total de son exigence de marge, quel que soit le taux de participation.
3. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode de déduction et d'agrégation
Lorsque des obstacles pratiques importants s'opposent à l'application de la méthode basée sur les comptes consolidés, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou même exiger l'application de la méthode de déduction et d'agrégation qui se détermine comme suit :
La marge de solvabilité ajustée de l'entreprise de réassurance belge participante est la différence entre :
i) la somme :
a) des éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise de réassurance belge participante, et
b) de la part proportionnelle de l'entreprise de réassurance belge participante dans les éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée
et
ii) la somme :
a) de la valeur comptable de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée dans l'entreprise de réassurance belge participante, et
b) de l'exigence de solvabilité de l'entreprise de réassurance belge participante, et
c) de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise de réassurance belge participante dans l'entreprise liée.
Lorsque la participation dans l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée consiste, en tout ou en partie, dans une propriété indirecte, la valeur des éléments détenus indirectement est intégrée au point ii) sous a), en tenant compte des intérêts successifs pertinents, et les points i) sous b) et ii) sous c) incluent les parts proportionnelles correspondantes des éléments pouvant entrer dans la composition de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
4. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur la déduction d'exigences
La [1 FSMA]1 peut, dans les mêmes conditions que celles prévalant pour l'utilisation de la méthode visée au point I.3, autoriser l'application de la méthode basée sur la déduction d'exigences.
La marge de solvabilité ajustée est, dans ce cas, la différence entre :
i) la somme des éléments qui peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise de réassurance participante, et
ii) la somme
- de l'exigence de solvabilité de l'entreprise de réassurance participante, et
- de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise de réassurance belge participante dans l'entreprise liée.
II. Surveillance complémentaire pour les entreprises de réassurance qui sont des filiales d'une société holding d'assurances ou d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers
L'exercice de la surveillance complémentaire consiste à effectuer au niveau de la société holding d'assurances ou de l'entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, qui sont des entreprises mères d'une ou plusieurs filiales situées en Belgique, visées à l'article 89, § 1er, de la loi, des calculs analogues à ceux décrits respectivement au point I de l'annexe V à l'arrêté royal du 22 février 1991 et au point I de la présente annexe.
Cette analogie consiste à appliquer les principes généraux décrits respectivement au point I de l'annexe V à l'arrêté royal du 22 février 1991 et au point I de la présente annexe.
Les calculs sont effectués selon la méthode basée sur la consolidation comptable telle qu'elle est décrite respectivement au point I.2 de l'annexe V à l'arrêté royal du 22 février 1991 et au point I.2 de la présente annexe.
Les comptes consolidés des sociétés holding d'assurances belges et des entreprises de réassurance belges doivent être établis conformément aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés.
Les comptes consolidés des entreprises de réassurance et des sociétés holding d'assurances situées dans l'EEE doivent être établis conformément aux dispositions de la Directive 91/674 concernant les comptes annuels et les comptes consolidés des entreprises d'assurances.
Les comptes consolidés des entreprises de réassurance, des sociétés holding et des entreprises d'assurances situées en dehors de l'EEE seront pris en considération par la [1 FSMA]1 pour l'exercice de la surveillance complémentaire, à condition qu'ils se présentent sous une forme comparable à celle résultant de la Directive 91/674 concernant les comptes annuels et les comptes consolidés des entreprises d'assurances.
Si tel n'est pas le cas, la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, sera, selon le cas, appliquée.
De même, lorsqu'il s'avère que l'application de la méthode basée sur la consolidation comptable pose des problèmes pratiques importants, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou prescrire l'application, soit de la methode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, soit de la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4.
Lorsqu'une entreprise de réassurance de droit belge est la filiale d'une entreprise d'assurances, d'une entreprise de réassurance ou d'une société holding d'assurances ayant son siège social dans un pays tiers, la [1 FSMA]1 peut, par dérogation aux dispositions précédentes, convenir, par voie d'accord de coopération, soit avec l'autorité compétente du pays dans lequel l'entreprise mère a établi son siège soit avec une autre autorité compétente étrangère appropriée, que cette dernière exercera la surveillance complémentaire, à condition que cette surveillance soit équivalente a celle prévue par la Directive 98/78/CE. Dans ce cas, le respect des obligations doit être confirmé à la [1 FSMA]1 au moins une fois par an, dans un délai de quatre mois à compter de la clôture de l'exercice social de l'entreprise mère, par l'autorité compétente étrangère. La déclaration de respect doit être accompagnée des comptes consolidés de l'entreprise mère. Les dispositions de l'article 77 de la loi du 2 août 2002 sont applicables aux accords visés.
Pour les seuls besoins du calcul, l'entreprise mère est traitée comme s'il s'agissait d'une entreprise d'assurances ou de réassurance soumise :
- à une exigence de solvabilité égale à zéro lorsqu'elle est une société holding d'assurances,
- à une exigence de solvabilité déterminée suivant les principes du point I.1.4.b) de la présente annexe, lorsqu'il s'agit d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers,
et est soumise, sans préjudice des dispositions du point I de la présente annexe, aux mêmes conditions que celles définies aux articles 22 de la loi et 11 du présent arrêté en ce qui concerne les éléments constitutifs de la marge de solvabilité.
I. Surveillance complémentaire des entreprises de réassurance belges participantes
1. Méthode de calcul et principes généraux
1.1 Dispositions générales
Le calcul de la marge de solvabilité ajustée des entreprises de réassurance belges participantes qui sont visées à l'article 86, § 1er, de la loi, est effectué selon la méthode basée sur la consolidation comptable telle qu'elle est décrite au point I.2 de la présente annexe. Toutefois, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou imposer à tout moment l'application de la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, lorsque ces méthodes sont plus adéquates.
Lorsque l'entreprise de réassurance belge participante a plus d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, la marge de solvabilité ajustée est calculée en intégrant chacune de ces entreprises d'assurances ou de réassurance liées.
Lorsqu'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle le calcul de la marge de solvabilité ajustée est effectué a son siège social dans un autre Etat membre que la Belgique, le calcul prend en compte, en ce qui concerne cette entreprise liée, la situation de solvabilité telle qu'elle est évaluée par les autorités compétentes de cet autre Etat membre.
Quelle que soit la méthode utilisée, lorsque l'entreprise liée est une entreprise filiale et a un déficit de solvabilité, le déficit de solvabilité total de la filiale doit être pris en compte. S'il n'existe pas de liens en capital entre des entreprises faisant partie d'un groupe d'assurances ou de réassurance, la [1 FSMA]1 détermine la partie du déficit de solvabilité qui doit être prise en compte.
Toutefois, dans le cas où de l'avis de la [1 FSMA]1, la responsabilité de l'entreprise de réassurance belge participante détenant une part de capital est limitée, strictement et sans ambiguïté, à cette part de capital, la [1 FSMA]1 peut permettre que le déficit de solvabilité de l'entreprise filiale soit pris en compte sur une base proportionnelle.
Lorsqu'il n'y a pas de lien en capital entre certaines des entreprises appartenant au groupe d'assurances ou de réassurance, la [1 FSMA]1 détermine quelle part proportionnelle doit être prise en considération.
1.2 Elimination du double emploi des éléments constitutifs de la marge de solvabilité
a) Traitement général des éléments constitutifs de la marge de solvabilité
Indépendamment de la méthode utilisée pour calculer la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise de réassurance belge participante, il faut supprimer le double emploi d'éléments constitutifs de la marge de solvabilité parmi les différentes entreprises d'assurances et de réassurance prises en compte dans ce calcul. A cet effet, les valeurs des élements visés à l'article 11, § 4, du présent arrêté doivent être éliminées pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée. Le mode d'élimination depend de la méthode appliquée (methode basée sur la consolidation comptable, méthode de déduction et d'agrégation ou methode basée sur la déduction d'exigences).
b) Traitement de certains éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée
Sans préjudice des dispositions du point I.1.2 a), de la présente annexe :
- les réserves de bénéfices et les bénéfices futurs d'une entreprise d'assurances ou de réassurance vie liée de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, et
- les fractions souscrites mais non versées du capital d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée,
ne peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée que dans la mesure où ils peuvent être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité de cette entreprise liée. Cependant, la fraction du capital de cette entreprise liée souscrite par l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'a pas été versée, ne peut être prise en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
Les fractions du capital de l'entreprise de réassurance belge participante souscrites par une entreprise liée de cette entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'ont pas été versées, ne peuvent être prises en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
Les fractions du capital d'une entreprise liée de l'entreprise de réassurance belge participante souscrites par une autre entreprise liée de cette entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'ont pas été versées, ne peuvent être prises en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
c) Transférabilité
Si la [1 FSMA]1 considère que certains éléments constitutifs de la marge de solvabilité d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, autres que ceux visés au point I.1.2 de la présente annexe ne peuvent pas effectivement être rendus disponibles pour couvrir l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, elle s'oppose à la prise en considération de ces éléments dans le calcul de la marge de solvabilité ajustée au-delà du montant pour lequel ils peuvent être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité de l'entreprise liée.
d) La somme des éléments visés aux points I.1.2 b) et c) de la présente annexe ne peut pas dépasser l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
1.3 Elimination de la création intragroupe de capital
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée, il n'est tenu compte d'aucun élément constitutif de la marge de solvabilité provenant d'un financement réciproque entre l'entreprise de réassurance belge participante et :
- une entreprise liée;
- une entreprise participante;
- une autre entreprise liée d'une quelconque de ses entreprises participantes.
En outre, il n'est tenu compte d'aucun élément constitutif de la marge de solvabilité d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise de réassurance belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée lorsque l'élément en question provient d'un financement réciproque avec une autre entreprise liée de cette entreprise de réassurance belge participante.
En particulier, il y a financement réciproque lorsqu'une entreprise de réassurance belge participante ou une quelconque de ses entreprises liées détient des parts dans une autre entreprise ou accorde des prêts à une autre entreprise qui, directement ou indirectement, détient un élément constitutif de la marge de solvabilité de la première entreprise.
1.4 Application des méthodes de calcul
a) Sociétés holding d'assurances intermédiaires
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise de réassurance belge participante qui détient une participation dans une entreprise d'assurances ou de réassurance ou dans une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, à travers une société holding d'assurances intermédiaire, la situation de la société holding d'assurances intermédiaire est prise en compte. Pour les seuls besoins du calcul de la marge de solvabilité ajustée, réalisé conformément aux principes généraux et méthodes décrits dans la présente annexe, cette société holding d'assurances intermédiaire liée est traitée comme s'il s'agissait d'une entreprise de réassurance belge qui serait soumise à une exigence de solvabilité égale à zéro. Les mêmes éléments que ceux prévus à l'article 11 du présent arrêté sont reconnus comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité notionnelle. Les actifs et les engagements sont évalués selon les dispositions de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurances.
b) Entreprises d'assurances et de réassurance liées ayant leur siège social dans un pays tiers
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise de réassurance belge participante d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, cette entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers est traitée, pour les seuls besoins du calcul, d'une manière analogue à une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, en appliquant les principes généraux et méthodes décrits respectivement dans l'annexe V à l'arrêté royal du 22 février 1991 et dans la présente annexe.
A cet effet, une exigence de solvabilité est calculée pour chaque entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers liée, sur base des mêmes règles que celles prévues respectivement à l'article 18 de l'arrêté royal du 22 février 1991 et aux articles 12 et 13 du présent arrêté.
Toutefois, lorsque le pays tiers dans lequel cette entreprise liée a son siège social la soumet à un agrément et lui impose une exigence de solvabilité au moins comparable à celle prévue par les Directives 73/239/CEE, 2002/83/CE ou 2005/68/CE, compte tenu des éléments de couverture de cette exigence, le calcul de la marge de solvabilité ajustée prend en compte, en ce qui concerne cette dernière entreprise, l'exigence de solvabilité et les éléments admissibles pour satisfaire cette exigence tels que prévus par le pays tiers en question.
c) Indisponibilité de l'information nécessaire
Lorsque la [1 FSMA]1 ne dispose pas, quelle qu'en soit la raison, des informations nécessaires au calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances ou de réassurance et relatives à une entreprise liée ayant son siège social dans un Etat membre ou dans un pays tiers, la valeur comptable de cette entreprise dans l'entreprise de réassurance belge participante est déduite des éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée. Dans ce cas, aucune plus-value latente associée à cette participation n'est admise comme élément constitutif de la marge de solvabilité ajustée.
2. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur les comptes consolidés
Sans préjudice des dispositions de l'article 87 de la loi, le calcul de la marge de solvabilité ajustée de l'entreprise de réassurance belge participante est effectué à partir des comptes consolidés établis conformément aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés.
La marge de solvabilité ajustée de l'entreprise de réassurance belge participante est la différence entre :
les éléments constitutifs de la marge de solvabilité calculés à partir des données consolidées et
a) soit la somme de l'exigence de solvabilité de l'entreprise de réassurance belge participante et de la part proportionnelle des exigences de solvabilité des entreprises d'assurances ou de réassurance liées correspondant aux taux retenus pour l'établissement des comptes consolidés;
b) soit l'exigence de solvabilité calculée à partir des données consolidées.
Sans préjudice des dispositions du point I.1 de la présente annexe, les dispositions des articles 22 de la loi et 11 à 13 du présent arrêté sont d'application pour la prise en compte des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et de l'exigence de solvabilité à partir des données consolidées.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise de réassurance belge participante dans l'entreprise liée.
Lorsque une filiale est consolidée par intégration globale il est tenu compte du montant total des éléments constitutifs de la marge de solvabilité de la filiale et du montant total de son exigence de marge, quel que soit le taux de participation.
3. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode de déduction et d'agrégation
Lorsque des obstacles pratiques importants s'opposent à l'application de la méthode basée sur les comptes consolidés, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou même exiger l'application de la méthode de déduction et d'agrégation qui se détermine comme suit :
La marge de solvabilité ajustée de l'entreprise de réassurance belge participante est la différence entre :
i) la somme :
a) des éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise de réassurance belge participante, et
b) de la part proportionnelle de l'entreprise de réassurance belge participante dans les éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée
et
ii) la somme :
a) de la valeur comptable de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée dans l'entreprise de réassurance belge participante, et
b) de l'exigence de solvabilité de l'entreprise de réassurance belge participante, et
c) de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise de réassurance belge participante dans l'entreprise liée.
Lorsque la participation dans l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée consiste, en tout ou en partie, dans une propriété indirecte, la valeur des éléments détenus indirectement est intégrée au point ii) sous a), en tenant compte des intérêts successifs pertinents, et les points i) sous b) et ii) sous c) incluent les parts proportionnelles correspondantes des éléments pouvant entrer dans la composition de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
4. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur la déduction d'exigences
La [1 FSMA]1 peut, dans les mêmes conditions que celles prévalant pour l'utilisation de la méthode visée au point I.3, autoriser l'application de la méthode basée sur la déduction d'exigences.
La marge de solvabilité ajustée est, dans ce cas, la différence entre :
i) la somme des éléments qui peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise de réassurance participante, et
ii) la somme
- de l'exigence de solvabilité de l'entreprise de réassurance participante, et
- de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise de réassurance belge participante dans l'entreprise liée.
II. Surveillance complémentaire pour les entreprises de réassurance qui sont des filiales d'une société holding d'assurances ou d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers
L'exercice de la surveillance complémentaire consiste à effectuer au niveau de la société holding d'assurances ou de l'entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, qui sont des entreprises mères d'une ou plusieurs filiales situées en Belgique, visées à l'article 89, § 1er, de la loi, des calculs analogues à ceux décrits respectivement au point I de l'annexe V à l'arrêté royal du 22 février 1991 et au point I de la présente annexe.
Cette analogie consiste à appliquer les principes généraux décrits respectivement au point I de l'annexe V à l'arrêté royal du 22 février 1991 et au point I de la présente annexe.
Les calculs sont effectués selon la méthode basée sur la consolidation comptable telle qu'elle est décrite respectivement au point I.2 de l'annexe V à l'arrêté royal du 22 février 1991 et au point I.2 de la présente annexe.
Les comptes consolidés des sociétés holding d'assurances belges et des entreprises de réassurance belges doivent être établis conformément aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés.
Les comptes consolidés des entreprises de réassurance et des sociétés holding d'assurances situées dans l'EEE doivent être établis conformément aux dispositions de la Directive 91/674 concernant les comptes annuels et les comptes consolidés des entreprises d'assurances.
Les comptes consolidés des entreprises de réassurance, des sociétés holding et des entreprises d'assurances situées en dehors de l'EEE seront pris en considération par la [1 FSMA]1 pour l'exercice de la surveillance complémentaire, à condition qu'ils se présentent sous une forme comparable à celle résultant de la Directive 91/674 concernant les comptes annuels et les comptes consolidés des entreprises d'assurances.
Si tel n'est pas le cas, la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, sera, selon le cas, appliquée.
De même, lorsqu'il s'avère que l'application de la méthode basée sur la consolidation comptable pose des problèmes pratiques importants, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou prescrire l'application, soit de la methode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, soit de la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4.
Lorsqu'une entreprise de réassurance de droit belge est la filiale d'une entreprise d'assurances, d'une entreprise de réassurance ou d'une société holding d'assurances ayant son siège social dans un pays tiers, la [1 FSMA]1 peut, par dérogation aux dispositions précédentes, convenir, par voie d'accord de coopération, soit avec l'autorité compétente du pays dans lequel l'entreprise mère a établi son siège soit avec une autre autorité compétente étrangère appropriée, que cette dernière exercera la surveillance complémentaire, à condition que cette surveillance soit équivalente a celle prévue par la Directive 98/78/CE. Dans ce cas, le respect des obligations doit être confirmé à la [1 FSMA]1 au moins une fois par an, dans un délai de quatre mois à compter de la clôture de l'exercice social de l'entreprise mère, par l'autorité compétente étrangère. La déclaration de respect doit être accompagnée des comptes consolidés de l'entreprise mère. Les dispositions de l'article 77 de la loi du 2 août 2002 sont applicables aux accords visés.
Pour les seuls besoins du calcul, l'entreprise mère est traitée comme s'il s'agissait d'une entreprise d'assurances ou de réassurance soumise :
- à une exigence de solvabilité égale à zéro lorsqu'elle est une société holding d'assurances,
- à une exigence de solvabilité déterminée suivant les principes du point I.1.4.b) de la présente annexe, lorsqu'il s'agit d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers,
et est soumise, sans préjudice des dispositions du point I de la présente annexe, aux mêmes conditions que celles définies aux articles 22 de la loi et 11 du présent arrêté en ce qui concerne les éléments constitutifs de la marge de solvabilité.
Wijzigingen
Art. N2. BIJLAGE II. - " Bijlage V. - Aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep
I. Aanvullend toezicht op deelnemende Belgische verzekeringsondernemingen
1. Berekeningsmethode en algemene principes
1.1 Algemene bepalingen
De berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van de in artikel 91nonies, § 1, van de wet bedoelde deelnemende Belgische verzekeringsondernemingen wordt uitgevoerd volgens de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, zoals deze beschreven wordt in punt I.2 van deze bijlage. De [1 FSMA]1 kan evenwel op elk ogenblik de toepassing van de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3. of de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4. toestaan of opleggen, wanneer deze methodes meer aangepast zijn.
Wanneer de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming meer dan één met haar verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming heeft, wordt de aangepaste solvabiliteitsmarge berekend door elk van deze verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te integreren.
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt uitgevoerd, haar maatschappelijke zetel in een andere lidstaat dan België heeft, wordt bij de berekening met betrekking tot deze verbonden onderneming rekening gehouden met de solvabiliteitspositie, zoals die door de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat wordt beoordeeld.
Ongeacht welke methode wordt toegepast, wordt echter, indien de verbonden onderneming een dochteronderneming is en een solvabiliteitstekort vertoont, het totale solvabiliteitstekort van de dochteronderneming in aanmerking genomen. Indien tussen ondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 FSMA]1 met welk deel van het solvabiliteitstekort rekening dient te worden gehouden.
Ingeval de [1 FSMA]1 van mening is dat de aansprakelijkheid van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt en ondubbelzinnig tot dat gedeelte van het kapitaal beperkt is, kan de [1 FSMA]1 evenwel toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderneming op proportionele grondslag in aanmerking wordt genomen.
Wanneer tussen sommige van de ondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 FSMA]1 welk proportioneel gedeelte in aanmerking moet worden genomen.
1.2 Uitsluiting van het meerdere malen gebruiken van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge
a) Algemene behandeling van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge
Ongeacht welke methode wordt toegepast bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, moet worden uitgesloten dat de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge meerdere malen worden gebruikt voor de verschillende verzekerings- en herverzekerings-ondernemingen die bij die berekening betrokken zijn. Daartoe moeten de waarden van de bestanddelen bedoeld in artikel 15bis, § 4, van de wet, worden geëlimineerd in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge. De wijze van eliminatie hangt af van de toegepaste methode (methode gebaseerd op de consolidatie van de jaarrekeningen, methode van aftrek en aggregatie of methode van aftrek van vereiste).
b) Behandeling van bepaalde bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge
Onverminderd de bepalingen van punt I.1.2, a) van deze bijlage, mogen :
- winstreserves en toekomstige winsten die gegenereerd worden in een met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden levensverzekerings- of levensherverzekeringsonderneming, en
- het geplaatste maar niet-gestorte gedeelte van het kapitaal van een met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
alleen in aanmerking genomen worden als bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge voor zover zij in aanmerking mogen worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van die verbonden onderneming. Het gedeelte van het kapitaal van die verbonden onderneming dat geplaatst maar niet gestort is door de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, kan echter niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
Het gedeelte van het kapitaal van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming dat geplaatst maar niet gestort is door een met deze deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden onderneming, kan niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
Het gedeelte van het kapitaal van een met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming verbonden onderneming dat geplaatst maar niet gestort is door een andere met deze deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden onderneming, kan niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
c) Overdraagbaarheid
Indien de [1 FSMA]1 van oordeel is dat bepaalde andere dan de in punt I.1.2 van deze bijlage bedoelde bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet effectief beschikbaar kunnen komen voor de dekking van het solvabiliteitsmargevereiste van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, verzet zij zich tegen het in aanmerking nemen van deze bestanddelen in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge boven het bedrag waarvoor zij in aanmerking mogen genomen worden voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van de verbonden onderneming.
d) De som van de in de punten I.1.2 b) en c) van deze bijlage bedoelde bestanddelen mag het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet overschrijden.
1.3 Uitsluiting van het creëren van vermogensbestanddelen binnen een groep
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge worden buiten beschouwing gelaten de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge die afkomstig zijn van een wederzijdse financiering tussen de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming en :
- een daarmee verbonden onderneming;
- een daarin deelnemende onderneming;
- een andere verbonden onderneming van een van haar deelnemende ondernemingen.
Voorts worden buiten beschouwing gelaten, de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van een met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wanneer die bestanddelen afkomstig zijn van een wederzijdse financiering met een andere met die deelnemende Belgische verzekeringsonderneming verbonden onderneming.
Er is met name sprake van wederzijdse financiering wanneer een deelnemende Belgische verzekeringsonderneming of een van de met haar verbonden ondernemingen houdster is van aandelen in of leningen verstrekt aan een andere onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks houdster is van een bestanddeel van de solvabiliteitsmarge van de eerste onderneming.
1.4 Toepassing van de berekeningsmethoden
a) Gemeenschappelijke kassen, private ondernemingen met vaste premies, openbare instellingen, gespecialiseerd in de verrichtingen bedoeld in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en in de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk, en voor beroepsziekten in de overheidssector
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een in een gemeenschappelijke kas, private onderneming met vaste premies of openbare instelling, gespecialiseerd in de verzekering van arbeidsongevallen, deelnemende verzekeringsonderneming, wordt deze gemeenschappelijke kas, private onderneming met vaste premies of openbare instelling, gespecialiseerd in de verzekering van arbeidsongevallen, louter voor de berekening, op soortgelijke wijze behandeld als een verbonden verzekeringsonderneming, waarbij de algemene beginselen en de methoden van deze bijlage worden toegepast. Daartoe, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend voor iedere gemeenschappelijke kas, private onderneming met vaste premies of openbare instelling, gespecialiseerd in de verzekering van arbeidsongevallen, volgens dezelfde regels als die van artikel 18A van dit besluit. Dezelfde bestanddelen als bedoeld in artikel 15bis van de wet mogen in aanmerking worden genomen voor de theoretische solvabiliteitsmarge. De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
b) Verzekeringstussenholdings
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een deelnemende Belgische verzekeringsonderneming met een deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, middels een verzekeringstussenholding, wordt rekening gehouden met de positie van de verzekeringstussenholding. Louter voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge, die wordt uitgevoerd overeenkomstig de algemene beginselen en de methoden die in deze bijlage omschreven zijn, wordt deze verbonden verzekeringstussenholding behandeld als betrof het een Belgische verzekeringsonderneming die onderworpen is aan een solvabiliteitsvereiste gelijk aan nul. Dezelfde bestanddelen als bedoeld in artikel 15bis van de wet, mogen in aanmerking worden genomen voor de theoretische solvabiliteitsmarge. De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
c) Verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met maatschappelijke zetel in een derde land
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, wordt deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, louter voor de berekening, op soortgelijke wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waarbij de algemene beginselen en methoden worden toegepast die respectievelijk zijn beschreven in deze bijlage en in bijlage I bij het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Daartoe wordt een solvabiliteitsvereiste berekend voor iedere verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, volgens dezelfde regels als die welke respectievelijk zijn vastgesteld in artikel 18 van dit besluit en in de artikelen 12 en 13 van het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Wanneer het derde land waar deze verbonden onderneming haar maatschappelijke zetel heeft, haar onderwerpt aan een toelating of vergunning en aan ten minste een soortgelijk solvabiliteitsvereiste als dat van de Richtlijnen 73/239/EEG, 2002/83/EG of 2005/68/EG, gelet op de bestanddelen ter dekking van dit vereiste, wordt bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge evenwel rekening gehouden, voor wat betreft deze laatste onderneming, met het solvabiliteitsvereiste en met de voor het nakomen van dit vereiste in aanmerking komende bestanddelen, als voorgeschreven door het betrokken derde land.
d) Niet beschikbaar zijn van de noodzakelijke informatie
Wanneer de [1 FSMA]1 om enigerlei reden niet beschikt over de informatie over een verbonden onderneming met maatschappelijke zetel in een lidstaat of in een derde land, die nodig is voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wordt de boekwaarde van deze onderneming in de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming in mindering gebracht van de bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge. In dat geval worden de aan deze deelneming verbonden latente meerwaarden niet aanvaard als bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
2. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen
Onverminderd de bepalingen van artikel 91decies van de wet, wordt de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming uitgevoerd aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen.
De aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming is het verschil tussen :
de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, en
a) hetzij de som van het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming en het proportionele deel van de solvabiliteitsvereisten van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen dat overeenstemt met de percentages die voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekeningen in aanmerking genomen zijn;
b) hetzij het solvabiliteitsvereiste dat op basis van de geconsolideerde gegevens berekend is.
Onverminderd de bepalingen van punt I.1 van deze bijlage, zijn de bepalingen van de artikelen 15 en 5bis van de wet en 17 en 18 van dit besluit van toepassing voor het in aanmerking nemen van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en van het solvabiliteitsvereiste op basis van de geconsolideerde gegevens.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische verzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
Wanneer een dochteronderneming wordt geconsolideerd door integrale consolidatie, wordt rekening gehouden met het totaal bedrag van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de dochteronderneming en met het totaal bedrag van haar vereiste marge, wat ook de deelnemingsgraad is.
3. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek en aggregatie
Wanneer er belangrijke praktische problemen rijzen bij de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, kan de [1 FSMA]1 de toepassing toestaan of zelfs eisen van de methode van aftrek en aggregatie die als volgt wordt bepaald :
De aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming is het verschil tussen :
i) de som van :
a) de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, en
b) het proportionele deel van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming in de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de verbonden verzekerings- of herverzekerings-onderneming
en
ii) de som van :
a) de boekwaarde van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, en
b) het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, en
c) het proportionele deel van het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische verzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
Wanneer de deelneming in de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming geheel of ten dele bestaat in de vorm van onrechtstreekse eigendom, dan wordt in punt ii), a) de waarde van die onrechtstreekse eigendom meegenomen, met inachtneming van de desbetreffende successieve belangen, en worden in de punten i), b) en ii), c) de overeenkomstige proportionele delen meegenomen van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
4. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek van vereiste
Onder dezelfde voorwaarden als voor de methode bedoeld in punt I.3. kan de [1 FSMA]1 het gebruik toestaan van de methode van aftrek van vereiste.
De aangepaste solvabiliteitsmarge is dan het verschil tussen :
i) de som van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de solvabiliteitsmarge van de deelnemende verzekeringsonderneming, en
ii) de som van
- het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende verzekeringsonderneming, en
- het proportioneel deel van het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische verzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
II. Aanvullend toezicht voor verzekeringsondernemingen die dochterondernemingen zijn van een verzekeringsholding of van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land
De uitoefening van het aanvullend toezicht bestaat er in op het niveau van de verzekeringsholding of van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, die moederondernemingen zijn van één of meerdere dochterondernemingen gevestigd in België, bedoeld in artikel 91ter decies, § 1, van de wet, soortgelijke berekeningen uit te voeren als die welke respectievelijk zijn beschreven in punt I van deze bijlage en in punt I van bijlage I bij het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Dit betekent dat de algemene principes worden toegepast die respectievelijk zijn beschreven in punt I van deze bijlage en in punt I van bijlage I bij het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
De berekeningen worden uitgevoerd volgens de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, zoals die respectievelijk is beschreven in punt I.2 van deze bijlage en in punt I.2 van bijlage I bij het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
De geconsolideerde jaarrekeningen van Belgische verzekeringsholdings en Belgische herverzekeringsondernemingen moeten opgesteld worden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen.
De geconsolideerde jaarrekeningen van herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings gevestigd in de Europese Economische Ruimte moeten worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 91/674 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
De geconsolideerde jaarrekeningen van herverzekeringsondernemingen, holdings en verzekeringsondernemingen gevestigd buiten de Europese Economische Ruimte zullen in aanmerking genomen worden door de [1 FSMA]1 voor de uitoefening van het aanvullend toezicht, op voorwaarde dat zij in een soortgelijke vorm opgesteld worden als deze voortvloeiend uit Richtlijn 91/674 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
Indien dit niet het geval is, zal naargelang het geval, hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4, worden toegepast.
Wanneer blijkt dat de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen belangrijke praktische problemen stelt, kan de [1 FSMA]1 de toepassing toestaan of voorschrijven van hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4.
Wanneer een verzekeringsonderneming naar Belgisch recht een dochteronderneming is van een andere verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding, met maatschappelijke zetel in een derde land, kan de [1 FSMA]1, in afwijking van de voorgaande bepalingen, met de bevoegde autoriteit van het land waar de moederonderneming haar zetel heeft of met een andere geschikte buitenlandse bevoegde autoriteit, in een tussen hen afgesloten samenwerkingsovereenkomst overeenkomen dat deze laatste het aanvullend toezicht uitoefent, op voorwaarde dat dit toezicht gelijkwaardig is aan dat waarin wordt voorzien in Richtlijn 98/78/EG. In dat geval moet de naleving van de verplichtingen minstens eenmaal per jaar, binnen vier maanden na de afsluiting van het boekjaar van de moederonderneming, bevestigd worden aan de [1 FSMA]1 door de buitenlandse bevoegde autoriteit. Bij de verklaring van naleving dient de geconsolideerde jaarrekening gevoegd te worden van de moederonderneming. Het bepaalde bij artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002 is op de bedoelde overeenkomsten van toepassing.
Louter voor de berekening wordt de moederonderneming behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan :
- een solvabiliteitsvereiste gelijk aan nul wanneer het een verzekeringsholding betreft,
- een solvabiliteitsvereiste bepaald volgens de beginselen van punt I.1.4.c) van deze bijlage, wanneer het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft,
en gelden voor deze moederonderneming, onverminderd de bepalingen van punt I van deze bijlage, dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 15 en 15bis van de wet wat betreft de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge. ".
Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Gegeven te Brussel, 27 september 2009.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-eersteminister en Minister van Financiën en Institutionele Hervormingen,
D. REYNDERS
I. Aanvullend toezicht op deelnemende Belgische verzekeringsondernemingen
1. Berekeningsmethode en algemene principes
1.1 Algemene bepalingen
De berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van de in artikel 91nonies, § 1, van de wet bedoelde deelnemende Belgische verzekeringsondernemingen wordt uitgevoerd volgens de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, zoals deze beschreven wordt in punt I.2 van deze bijlage. De [1 FSMA]1 kan evenwel op elk ogenblik de toepassing van de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3. of de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4. toestaan of opleggen, wanneer deze methodes meer aangepast zijn.
Wanneer de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming meer dan één met haar verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming heeft, wordt de aangepaste solvabiliteitsmarge berekend door elk van deze verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te integreren.
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt uitgevoerd, haar maatschappelijke zetel in een andere lidstaat dan België heeft, wordt bij de berekening met betrekking tot deze verbonden onderneming rekening gehouden met de solvabiliteitspositie, zoals die door de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat wordt beoordeeld.
Ongeacht welke methode wordt toegepast, wordt echter, indien de verbonden onderneming een dochteronderneming is en een solvabiliteitstekort vertoont, het totale solvabiliteitstekort van de dochteronderneming in aanmerking genomen. Indien tussen ondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 FSMA]1 met welk deel van het solvabiliteitstekort rekening dient te worden gehouden.
Ingeval de [1 FSMA]1 van mening is dat de aansprakelijkheid van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt en ondubbelzinnig tot dat gedeelte van het kapitaal beperkt is, kan de [1 FSMA]1 evenwel toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderneming op proportionele grondslag in aanmerking wordt genomen.
Wanneer tussen sommige van de ondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de [1 FSMA]1 welk proportioneel gedeelte in aanmerking moet worden genomen.
1.2 Uitsluiting van het meerdere malen gebruiken van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge
a) Algemene behandeling van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge
Ongeacht welke methode wordt toegepast bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, moet worden uitgesloten dat de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge meerdere malen worden gebruikt voor de verschillende verzekerings- en herverzekerings-ondernemingen die bij die berekening betrokken zijn. Daartoe moeten de waarden van de bestanddelen bedoeld in artikel 15bis, § 4, van de wet, worden geëlimineerd in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge. De wijze van eliminatie hangt af van de toegepaste methode (methode gebaseerd op de consolidatie van de jaarrekeningen, methode van aftrek en aggregatie of methode van aftrek van vereiste).
b) Behandeling van bepaalde bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge
Onverminderd de bepalingen van punt I.1.2, a) van deze bijlage, mogen :
- winstreserves en toekomstige winsten die gegenereerd worden in een met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden levensverzekerings- of levensherverzekeringsonderneming, en
- het geplaatste maar niet-gestorte gedeelte van het kapitaal van een met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
alleen in aanmerking genomen worden als bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge voor zover zij in aanmerking mogen worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van die verbonden onderneming. Het gedeelte van het kapitaal van die verbonden onderneming dat geplaatst maar niet gestort is door de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, kan echter niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
Het gedeelte van het kapitaal van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming dat geplaatst maar niet gestort is door een met deze deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden onderneming, kan niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
Het gedeelte van het kapitaal van een met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming verbonden onderneming dat geplaatst maar niet gestort is door een andere met deze deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden onderneming, kan niet in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
c) Overdraagbaarheid
Indien de [1 FSMA]1 van oordeel is dat bepaalde andere dan de in punt I.1.2 van deze bijlage bedoelde bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet effectief beschikbaar kunnen komen voor de dekking van het solvabiliteitsmargevereiste van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend, verzet zij zich tegen het in aanmerking nemen van deze bestanddelen in de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge boven het bedrag waarvoor zij in aanmerking mogen genomen worden voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van de verbonden onderneming.
d) De som van de in de punten I.1.2 b) en c) van deze bijlage bedoelde bestanddelen mag het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet overschrijden.
1.3 Uitsluiting van het creëren van vermogensbestanddelen binnen een groep
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge worden buiten beschouwing gelaten de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge die afkomstig zijn van een wederzijdse financiering tussen de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming en :
- een daarmee verbonden onderneming;
- een daarin deelnemende onderneming;
- een andere verbonden onderneming van een van haar deelnemende ondernemingen.
Voorts worden buiten beschouwing gelaten, de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van een met de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming waarvoor de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt berekend verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wanneer die bestanddelen afkomstig zijn van een wederzijdse financiering met een andere met die deelnemende Belgische verzekeringsonderneming verbonden onderneming.
Er is met name sprake van wederzijdse financiering wanneer een deelnemende Belgische verzekeringsonderneming of een van de met haar verbonden ondernemingen houdster is van aandelen in of leningen verstrekt aan een andere onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks houdster is van een bestanddeel van de solvabiliteitsmarge van de eerste onderneming.
1.4 Toepassing van de berekeningsmethoden
a) Gemeenschappelijke kassen, private ondernemingen met vaste premies, openbare instellingen, gespecialiseerd in de verrichtingen bedoeld in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en in de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk, en voor beroepsziekten in de overheidssector
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een in een gemeenschappelijke kas, private onderneming met vaste premies of openbare instelling, gespecialiseerd in de verzekering van arbeidsongevallen, deelnemende verzekeringsonderneming, wordt deze gemeenschappelijke kas, private onderneming met vaste premies of openbare instelling, gespecialiseerd in de verzekering van arbeidsongevallen, louter voor de berekening, op soortgelijke wijze behandeld als een verbonden verzekeringsonderneming, waarbij de algemene beginselen en de methoden van deze bijlage worden toegepast. Daartoe, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend voor iedere gemeenschappelijke kas, private onderneming met vaste premies of openbare instelling, gespecialiseerd in de verzekering van arbeidsongevallen, volgens dezelfde regels als die van artikel 18A van dit besluit. Dezelfde bestanddelen als bedoeld in artikel 15bis van de wet mogen in aanmerking worden genomen voor de theoretische solvabiliteitsmarge. De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
b) Verzekeringstussenholdings
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een deelnemende Belgische verzekeringsonderneming met een deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, middels een verzekeringstussenholding, wordt rekening gehouden met de positie van de verzekeringstussenholding. Louter voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge, die wordt uitgevoerd overeenkomstig de algemene beginselen en de methoden die in deze bijlage omschreven zijn, wordt deze verbonden verzekeringstussenholding behandeld als betrof het een Belgische verzekeringsonderneming die onderworpen is aan een solvabiliteitsvereiste gelijk aan nul. Dezelfde bestanddelen als bedoeld in artikel 15bis van de wet, mogen in aanmerking worden genomen voor de theoretische solvabiliteitsmarge. De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
c) Verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met maatschappelijke zetel in een derde land
Bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, wordt deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, louter voor de berekening, op soortgelijke wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waarbij de algemene beginselen en methoden worden toegepast die respectievelijk zijn beschreven in deze bijlage en in bijlage I bij het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Daartoe wordt een solvabiliteitsvereiste berekend voor iedere verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, volgens dezelfde regels als die welke respectievelijk zijn vastgesteld in artikel 18 van dit besluit en in de artikelen 12 en 13 van het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Wanneer het derde land waar deze verbonden onderneming haar maatschappelijke zetel heeft, haar onderwerpt aan een toelating of vergunning en aan ten minste een soortgelijk solvabiliteitsvereiste als dat van de Richtlijnen 73/239/EEG, 2002/83/EG of 2005/68/EG, gelet op de bestanddelen ter dekking van dit vereiste, wordt bij de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge evenwel rekening gehouden, voor wat betreft deze laatste onderneming, met het solvabiliteitsvereiste en met de voor het nakomen van dit vereiste in aanmerking komende bestanddelen, als voorgeschreven door het betrokken derde land.
d) Niet beschikbaar zijn van de noodzakelijke informatie
Wanneer de [1 FSMA]1 om enigerlei reden niet beschikt over de informatie over een verbonden onderneming met maatschappelijke zetel in een lidstaat of in een derde land, die nodig is voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wordt de boekwaarde van deze onderneming in de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming in mindering gebracht van de bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge. In dat geval worden de aan deze deelneming verbonden latente meerwaarden niet aanvaard als bestanddelen van de aangepaste solvabiliteitsmarge.
2. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen
Onverminderd de bepalingen van artikel 91decies van de wet, wordt de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming uitgevoerd aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen.
De aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming is het verschil tussen :
de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, en
a) hetzij de som van het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming en het proportionele deel van de solvabiliteitsvereisten van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen dat overeenstemt met de percentages die voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekeningen in aanmerking genomen zijn;
b) hetzij het solvabiliteitsvereiste dat op basis van de geconsolideerde gegevens berekend is.
Onverminderd de bepalingen van punt I.1 van deze bijlage, zijn de bepalingen van de artikelen 15 en 5bis van de wet en 17 en 18 van dit besluit van toepassing voor het in aanmerking nemen van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en van het solvabiliteitsvereiste op basis van de geconsolideerde gegevens.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische verzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
Wanneer een dochteronderneming wordt geconsolideerd door integrale consolidatie, wordt rekening gehouden met het totaal bedrag van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de dochteronderneming en met het totaal bedrag van haar vereiste marge, wat ook de deelnemingsgraad is.
3. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek en aggregatie
Wanneer er belangrijke praktische problemen rijzen bij de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, kan de [1 FSMA]1 de toepassing toestaan of zelfs eisen van de methode van aftrek en aggregatie die als volgt wordt bepaald :
De aangepaste solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming is het verschil tussen :
i) de som van :
a) de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, en
b) het proportionele deel van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming in de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge van de verbonden verzekerings- of herverzekerings-onderneming
en
ii) de som van :
a) de boekwaarde van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, en
b) het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende Belgische verzekeringsonderneming, en
c) het proportionele deel van het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische verzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
Wanneer de deelneming in de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming geheel of ten dele bestaat in de vorm van onrechtstreekse eigendom, dan wordt in punt ii), a) de waarde van die onrechtstreekse eigendom meegenomen, met inachtneming van de desbetreffende successieve belangen, en worden in de punten i), b) en ii), c) de overeenkomstige proportionele delen meegenomen van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
4. Berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge door toepassing van de methode van aftrek van vereiste
Onder dezelfde voorwaarden als voor de methode bedoeld in punt I.3. kan de [1 FSMA]1 het gebruik toestaan van de methode van aftrek van vereiste.
De aangepaste solvabiliteitsmarge is dan het verschil tussen :
i) de som van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de solvabiliteitsmarge van de deelnemende verzekeringsonderneming, en
ii) de som van
- het solvabiliteitsvereiste van de deelnemende verzekeringsonderneming, en
- het proportioneel deel van het solvabiliteitsvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Voor de berekening van de aangepaste solvabiliteitsmarge wordt rekening gehouden met het percentage van de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge en met het percentage van het solvabiliteitsmargevereiste van de verbonden onderneming dat overeenstemt met het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat eigendom is van de Belgische verzekeringsonderneming die deelneemt in de verbonden onderneming.
II. Aanvullend toezicht voor verzekeringsondernemingen die dochterondernemingen zijn van een verzekeringsholding of van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land
De uitoefening van het aanvullend toezicht bestaat er in op het niveau van de verzekeringsholding of van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, die moederondernemingen zijn van één of meerdere dochterondernemingen gevestigd in België, bedoeld in artikel 91ter decies, § 1, van de wet, soortgelijke berekeningen uit te voeren als die welke respectievelijk zijn beschreven in punt I van deze bijlage en in punt I van bijlage I bij het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Dit betekent dat de algemene principes worden toegepast die respectievelijk zijn beschreven in punt I van deze bijlage en in punt I van bijlage I bij het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
De berekeningen worden uitgevoerd volgens de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen, zoals die respectievelijk is beschreven in punt I.2 van deze bijlage en in punt I.2 van bijlage I bij het koninklijk besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
De geconsolideerde jaarrekeningen van Belgische verzekeringsholdings en Belgische herverzekeringsondernemingen moeten opgesteld worden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, die het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening regelen.
De geconsolideerde jaarrekeningen van herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings gevestigd in de Europese Economische Ruimte moeten worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 91/674 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
De geconsolideerde jaarrekeningen van herverzekeringsondernemingen, holdings en verzekeringsondernemingen gevestigd buiten de Europese Economische Ruimte zullen in aanmerking genomen worden door de [1 FSMA]1 voor de uitoefening van het aanvullend toezicht, op voorwaarde dat zij in een soortgelijke vorm opgesteld worden als deze voortvloeiend uit Richtlijn 91/674 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
Indien dit niet het geval is, zal naargelang het geval, hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4, worden toegepast.
Wanneer blijkt dat de toepassing van de methode gebaseerd op de consolidatie van jaarrekeningen belangrijke praktische problemen stelt, kan de [1 FSMA]1 de toepassing toestaan of voorschrijven van hetzij de methode van aftrek en aggregatie zoals beschreven in punt I.3, hetzij de methode van aftrek van vereiste zoals beschreven in punt I.4.
Wanneer een verzekeringsonderneming naar Belgisch recht een dochteronderneming is van een andere verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding, met maatschappelijke zetel in een derde land, kan de [1 FSMA]1, in afwijking van de voorgaande bepalingen, met de bevoegde autoriteit van het land waar de moederonderneming haar zetel heeft of met een andere geschikte buitenlandse bevoegde autoriteit, in een tussen hen afgesloten samenwerkingsovereenkomst overeenkomen dat deze laatste het aanvullend toezicht uitoefent, op voorwaarde dat dit toezicht gelijkwaardig is aan dat waarin wordt voorzien in Richtlijn 98/78/EG. In dat geval moet de naleving van de verplichtingen minstens eenmaal per jaar, binnen vier maanden na de afsluiting van het boekjaar van de moederonderneming, bevestigd worden aan de [1 FSMA]1 door de buitenlandse bevoegde autoriteit. Bij de verklaring van naleving dient de geconsolideerde jaarrekening gevoegd te worden van de moederonderneming. Het bepaalde bij artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002 is op de bedoelde overeenkomsten van toepassing.
Louter voor de berekening wordt de moederonderneming behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan :
- een solvabiliteitsvereiste gelijk aan nul wanneer het een verzekeringsholding betreft,
- een solvabiliteitsvereiste bepaald volgens de beginselen van punt I.1.4.c) van deze bijlage, wanneer het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft,
en gelden voor deze moederonderneming, onverminderd de bepalingen van punt I van deze bijlage, dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 15 en 15bis van de wet wat betreft de bestanddelen van de solvabiliteitsmarge. ".
Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van [...] tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Gegeven te Brussel, 27 september 2009.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-eersteminister en Minister van Financiën en Institutionele Hervormingen,
D. REYNDERS
Art. N2. ANNEXE II. - " Annexe V. - Surveillance complémentaire des entreprises d'assurances faisant partie d'un groupe d'assurance ou de réassurance
I. Surveillance complémentaire des entreprises d'assurances belges participantes
1. Méthode de calcul et principes généraux
1.1 Dispositions générales
Le calcul de la marge de solvabilité ajustée des entreprises d'assurances belges participantes qui sont visées à l'article 91nonies, § 1er, de la loi, est effectué selon la méthode basée sur la consolidation comptable telle qu'elle est décrite au point I.2 de la présente annexe. Toutefois, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou imposer à tout moment l'application de la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, lorsque ces méthodes sont plus adéquates.
Lorsque l'entreprise d'assurances belge participante a plus d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, la marge de solvabilité ajustée est calculée en intégrant chacune de ces entreprises d'assurances ou de réassurance liées.
Lorsqu'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle le calcul de la marge de solvabilité ajustée est effectué a son siège social dans un autre Etat membre que la Belgique, le calcul prend en compte, en ce qui concerne cette entreprise liée, la situation de solvabilité telle qu'elle est évaluée par les autorités compétentes de cet autre Etat membre.
Quelle que soit la méthode utilisée, lorsque l'entreprise liée est une entreprise filiale et a un déficit de solvabilité, le déficit de solvabilité total de la filiale doit être pris en compte. S'il n'existe pas de liens en capital entre des entreprises faisant partie d'un groupe d'assurances ou de réassurance, la [1 FSMA]1 détermine la partie du déficit de solvabilité qui doit être prise en compte.
Toutefois, dans le cas où de l'avis de la [1 FSMA]1, la responsabilité de l'entreprise d'assurances belge participante détenant une part de capital est limitée, strictement et sans ambiguïté, à cette part de capital, la [1 FSMA]1 peut permettre que le déficit de solvabilité de l'entreprise filiale soit pris en compte sur une base proportionnelle.
Lorsqu'il n'y a pas de lien en capital entre certaines des entreprises appartenant au groupe d'assurances ou de réassurance, la [1 FSMA]1 détermine quelle part proportionnelle doit être prise en considération.
1.2 Elimination du double emploi des éléments constitutifs de la marge de solvabilité
a) Traitement général des éléments constitutifs de la marge de solvabilité
Indépendamment de la méthode utilisée pour calculer la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances belge participante, il faut supprimer le double emploi d'éléments constitutifs de la marge de solvabilité parmi les différentes entreprises d'assurances et de réassurance prises en compte dans ce calcul. A cet effet, les valeurs des élements visés à l'article 15bis, § 4, de la loi, doivent être éliminées pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée. Le mode d'élimination depend de la méthode appliquée (méthode basée sur la consolidation comptable, méthode de déduction et d'agrégation ou methode basée sur la déduction d'exigences).
b) Traitement de certains éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée
Sans préjudice des dispositions du point I.1.2 a) de la présente annexe :
- les réserves de bénéfices et les bénéfices futurs d'une entreprise d'assurances ou de réassurance vie liée de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, et
- les fractions souscrites mais non versées du capital d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée,
ne peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée que dans la mesure où ils peuvent être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité de cette entreprise liée. Cependant, la fraction du capital de cette entreprise liée souscrite par l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'a pas été versée, ne peut être prise en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
Les fractions du capital de l'entreprise d'assurances belge participante souscrites par une entreprise liée de cette entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'ont pas été versées, ne peuvent être prises en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
Les fractions du capital d'une entreprise liée de l'entreprise d'assurances belge participante souscrites par une autre entreprise liée de cette entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'ont pas été versées, ne peuvent être prises en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
c) Transférabilité
Si la [1 FSMA]1 considère que certains éléments constitutifs de la marge de solvabilité d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, autres que ceux visés au point I.1.2 de la présente annexe ne peuvent pas effectivement être rendus disponibles pour couvrir l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, elle s'oppose à la prise en considération de ces éléments dans le calcul de la marge de solvabilité ajustée au-delà du montant pour lequel ils peuvent être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité de l'entreprise liée.
d) La somme des éléments visés aux points I.1.2 b) et c) de la présente annexe ne peut pas dépasser l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
1.3 Elimination de la création intragroupe de capital
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée, il n'est tenu compte d'aucun élément constitutif de la marge de solvabilité provenant d'un financement réciproque entre l'entreprise d'assurances belge participante et :
- une entreprise liée;
- une entreprise participante;
- une autre entreprise liée d'une quelconque de ses entreprises participantes.
En outre, il n'est tenu compte d'aucun élément constitutif de la marge de solvabilité d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée lorsque l'élément en question provient d'un financement réciproque avec une autre entreprise liée de cette entreprise d'assurances belge participante.
En particulier, il y a financement réciproque lorsqu'une entreprise d'assurances belge participante ou une quelconque de ses entreprises liées détient des parts dans une autre entreprise ou accorde des prêts à une autre entreprise qui, directement ou indirectement, détient un élément constitutif de la marge de solvabilité de la première entreprise.
1.4 Application des méthodes de calcul
a) Caisses communes, entreprises privées à primes fixes, institutions publiques liées spécialisées dans les opérations visées par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et par la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles dans le secteur public
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances participante d'une caisse commune, d'une entreprise privée à primes fixes ou d'une institution publique liée spécialisée dans l'assurance des accidents du travail, cette caisse commune, entreprise privée à primes fixes ou institution publique liée spécialisée dans l'assurance des accidents du travail est traitée, pour les seuls besoins du calcul, d'une manière analogue à une entreprise d'assurances liée en appliquant les principes généraux et méthodes décrits dans la présente annexe. A cet effet, une exigence de solvabilité notionnelle est calculée pour chaque caisse commune, entreprise privée à primes fixes ou institution publique liée spécialisée dans l'assurance des accidents du travail sur la base des mêmes règles que celles prévues à l'article 18 A. du présent arrêté. Les mêmes éléments que ceux prévus à l'article 15bis de la loi sont pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité notionnelle. Les actifs et les engagements sont évalués selon les dispositions de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurances.
b) Sociétés holding d'assurances intermédiaires
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances belge participante qui détient une participation dans une entreprise d'assurances ou de réassurance ou dans une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, à travers une société holding d'assurances intermédiaire, la situation de la société holding d'assurances intermédiaire est prise en compte. Pour les seuls besoins du calcul de la marge de solvabilité ajustée, réalisé conformément aux principes généraux et méthodes décrits dans la présente annexe, cette société holding d'assurances intermédiaire liée est traitée comme s'il s'agissait d'une entreprise d'assurances belge qui serait soumise à une exigence de solvabilité égale à zéro. Les mêmes éléments que ceux prévus à l'article 15bis de la loi sont reconnus comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité notionnelle. Les actifs et les engagements sont évalués selon les dispositions de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurances.
c) Entreprises d'assurances et de réassurance liées ayant leur siège social dans un pays tiers
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances belge participante d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, cette entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers est traitée, pour les seuls besoins du calcul, d'une manière analogue à une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, en appliquant les principes généraux et méthodes décrits respectivement dans la présente annexe et dans l'annexe Ire à l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
A cet effet, une exigence de solvabilité est calculée pour chaque entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers liée, sur base des mêmes règles que celles prévues respectivement à l'article 18 du présent arrêté et aux articles 12 et 13 de l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Toutefois, lorsque le pays tiers dans lequel cette entreprise liée a son siège social la soumet à un agrément et lui impose une exigence de solvabilité au moins comparable à celle prévue par les Directives 73/239/CEE, 2002/83/CE ou 2005/68/CE, compte tenu des éléments de couverture de cette exigence, le calcul de la marge de solvabilité ajustée prend en compte, en ce qui concerne cette dernière entreprise, l'exigence de solvabilité et les éléments admissibles pour satisfaire cette exigence tels que prévus par le pays tiers en question.
d) Indisponibilité de l'information nécessaire
Lorsque la [1 FSMA]1 ne dispose pas, quelle qu'en soit la raison, des informations nécessaires au calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances ou de réassurance et relatives à une entreprise liée ayant son siège social dans un Etat membre ou dans un pays tiers, la valeur comptable de cette entreprise dans l'entreprise d'assurances belge participante est déduite des éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée. Dans ce cas, aucune plus-value latente associée à cette participation n'est admise comme élément constitutif de la marge de solvabilité ajustée.
2. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur les comptes consolidés
Sans préjudice des dispositions de l'article 91decies de la loi, le calcul de la marge de solvabilité ajustée de l'entreprise d'assurances belge participante est effectué à partir des comptes consolidés établis conformément aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés.
La marge de solvabilité ajustée de l'entreprise d'assurances belge participante est la différence entre :
les éléments constitutifs de la marge de solvabilité calculés à partir des données consolidées et
a) soit la somme de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances belge participante et de la part proportionnelle des exigences de solvabilité des entreprises d'assurances ou de réassurance liées correspondant aux taux retenus pour l'établissement des comptes consolidés;
b) soit l'exigence de solvabilité calculée à partir des données consolidées.
Sans préjudice des dispositions du point I.1 de la présente annexe, les dispositions des articles 15 et 15bis de la loi et 17 et 18 du présent arrêté sont d'application pour la prise en compte des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et de l'exigence de solvabilité à partir des données consolidées.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise d'assurances belge participante dans l'entreprise liée.
Lorsque une filiale est consolidée par intégration globale, il est tenu compte du montant total des éléments constitutifs de la marge de solvabilité de la filiale et du montant total de son exigence de marge, quel que soit le taux de participation.
3. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode de déduction et d'agrégation
Lorsque des obstacles pratiques importants s'opposent à l'application de la méthode basée sur les comptes consolidés, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou même exiger l'application de la méthode de déduction et d'agrégation qui se détermine comme suit :
La marge de solvabilité ajustée de l'entreprise d'assurances belge participante est la différence entre :
i) la somme :
a) des éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances belge participante, et
b) de la part proportionnelle de l'entreprise d'assurances belge participante dans les éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée
et
ii) la somme :
a) de la valeur comptable de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée dans l'entreprise d'assurances belge participante, et
b) de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances belge participante, et
c) de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise d'assurances belge participante dans l'entreprise liée.
Lorsque la participation dans l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée consiste, en tout ou en partie, dans une propriété indirecte, la valeur des éléments détenus indirectement est intégrée au point ii) sous a), en tenant compte des intérêts successifs pertinents, et les points i) sous b) et ii) sous c) incluent les parts proportionnelles correspondantes des éléments pouvant entrer dans la composition de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
4. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur la déduction d'exigences
La [1 FSMA]1 peut, dans les mêmes conditions que celles prévalant pour l'utilisation de la méthode visée au point I.3, autoriser l'application de la méthode basée sur la déduction d'exigences.
La marge de solvabilité ajustée est, dans ce cas, la différence entre :
i) la somme des éléments qui peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances participante, et
ii) la somme
- de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances participante, et
- de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise d'assurances belge participante dans l'entreprise liée.
II. Surveillance complémentaire pour les entreprises d'assurances qui sont des filiales d'une société holding d'assurances ou d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers
L'exercice de la surveillance complémentaire consiste à effectuer au niveau de la société holding d'assurances ou de l'entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, qui sont des entreprises mères d'une ou plusieurs filiales situées en Belgique, visées à l'article 91ter decies, § 1er, de la loi, des calculs analogues à ceux décrits respectivement au point I de la présente annexe et au point I de l'annexe Ire à l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Cette analogie consiste à appliquer les principes généraux décrits respectivement au point I de la présente annexe et au point I de l'annexe Ire à l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Les calculs sont effectués selon la méthode basée sur la consolidation comptable telle qu'elle est décrite respectivement au point I.2 de la présente annexe et au point I.2 de l'annexe Ire à l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Les comptes consolidés des sociétés holding d'assurances belges et des entreprises de réassurance belges doivent être établis conformément aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés.
Les comptes consolidés des entreprises de réassurance et des sociétés holding d'assurances situées dans l'Espace économique européen doivent être établis conformément aux dispositions de la directive 91/674 concernant les comptes annuels et les comptes consolidés des entreprises d'assurances.
Les comptes consolidés des entreprises de réassurance, des sociétés holding et des entreprises d'assurances situées hors de l'Espace économique européen seront pris en considération par la [1 FSMA]1 pour l'exercice de la surveillance complémentaire, à condition qu'ils se présentent sous une forme comparable à celle résultant de la Directive 91/674 concernant les comptes annuels et les comptes consolidés des entreprises d'assurances.
Si tel n'est pas le cas, la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, sera, selon le cas, appliquée.
De même, lorsqu'il s'avère que l'application de la méthode basée sur la consolidation comptable pose des problèmes pratiques importants, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou prescrire l'application, soit de la methode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, soit de la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4.
Lorsqu'une entreprise d'assurances de droit belge est la filiale d'une autre entreprise d'assurances, d'une entreprise de réassurance ou d'une société holding d'assurances ayant son siège social dans un pays tiers, la [1 FSMA]1 peut, par dérogation aux dispositions précédentes, convenir, par voie d'accord de coopération, soit avec l'autorité compétente du pays dans lequel l'entreprise mère a établi son siège soit avec une autre autorité compétente étrangère appropriée, que cette dernière exercera la surveillance complémentaire, à condition que cette surveillance soit équivalente a celle prévue par la Directive 98/78/CE. Dans ce cas, le respect des obligations doit être confirmé à la [1 FSMA]1 au moins une fois par an, dans un délai de quatre mois à compter de la clôture de l'exercice social de l'entreprise mère, par l'autorité compétente étrangère.La déclaration de respect doit être accompagnée des comptes consolidés de l'entreprise mère. Les dispositions de l'article 77 de la loi du 2 août 2002 sont applicables aux accords visés.
Pour les seuls besoins du calcul, l'entreprise mère est traitée comme s'il s'agissait d'une entreprise d'assurances ou de réassurance soumise :
- à une exigence de solvabilité égale à zéro lorsqu'elle est une société holding d'assurances;
- à une exigence de solvabilité déterminée suivant les principes du point I.1.4.c) de la présente annexe, lorsqu'il s'agit d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers,
et est soumise, sans préjudice des dispositions du point I de la présente annexe, aux mêmes conditions que celles définies aux articles 15 et 15bis de la loi en ce qui concerne les éléments constitutifs de la marge de solvabilité. ".
Vu pour être annexé à notre arrêté du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Donné à Bruxelles, le 27 septembre 2009.
ALBERT
Par le Roi :
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances et des Réformes institutionnelles,
D. REYNDERS
I. Surveillance complémentaire des entreprises d'assurances belges participantes
1. Méthode de calcul et principes généraux
1.1 Dispositions générales
Le calcul de la marge de solvabilité ajustée des entreprises d'assurances belges participantes qui sont visées à l'article 91nonies, § 1er, de la loi, est effectué selon la méthode basée sur la consolidation comptable telle qu'elle est décrite au point I.2 de la présente annexe. Toutefois, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou imposer à tout moment l'application de la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, lorsque ces méthodes sont plus adéquates.
Lorsque l'entreprise d'assurances belge participante a plus d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, la marge de solvabilité ajustée est calculée en intégrant chacune de ces entreprises d'assurances ou de réassurance liées.
Lorsqu'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle le calcul de la marge de solvabilité ajustée est effectué a son siège social dans un autre Etat membre que la Belgique, le calcul prend en compte, en ce qui concerne cette entreprise liée, la situation de solvabilité telle qu'elle est évaluée par les autorités compétentes de cet autre Etat membre.
Quelle que soit la méthode utilisée, lorsque l'entreprise liée est une entreprise filiale et a un déficit de solvabilité, le déficit de solvabilité total de la filiale doit être pris en compte. S'il n'existe pas de liens en capital entre des entreprises faisant partie d'un groupe d'assurances ou de réassurance, la [1 FSMA]1 détermine la partie du déficit de solvabilité qui doit être prise en compte.
Toutefois, dans le cas où de l'avis de la [1 FSMA]1, la responsabilité de l'entreprise d'assurances belge participante détenant une part de capital est limitée, strictement et sans ambiguïté, à cette part de capital, la [1 FSMA]1 peut permettre que le déficit de solvabilité de l'entreprise filiale soit pris en compte sur une base proportionnelle.
Lorsqu'il n'y a pas de lien en capital entre certaines des entreprises appartenant au groupe d'assurances ou de réassurance, la [1 FSMA]1 détermine quelle part proportionnelle doit être prise en considération.
1.2 Elimination du double emploi des éléments constitutifs de la marge de solvabilité
a) Traitement général des éléments constitutifs de la marge de solvabilité
Indépendamment de la méthode utilisée pour calculer la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances belge participante, il faut supprimer le double emploi d'éléments constitutifs de la marge de solvabilité parmi les différentes entreprises d'assurances et de réassurance prises en compte dans ce calcul. A cet effet, les valeurs des élements visés à l'article 15bis, § 4, de la loi, doivent être éliminées pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée. Le mode d'élimination depend de la méthode appliquée (méthode basée sur la consolidation comptable, méthode de déduction et d'agrégation ou methode basée sur la déduction d'exigences).
b) Traitement de certains éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée
Sans préjudice des dispositions du point I.1.2 a) de la présente annexe :
- les réserves de bénéfices et les bénéfices futurs d'une entreprise d'assurances ou de réassurance vie liée de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, et
- les fractions souscrites mais non versées du capital d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée,
ne peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée que dans la mesure où ils peuvent être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité de cette entreprise liée. Cependant, la fraction du capital de cette entreprise liée souscrite par l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'a pas été versée, ne peut être prise en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
Les fractions du capital de l'entreprise d'assurances belge participante souscrites par une entreprise liée de cette entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'ont pas été versées, ne peuvent être prises en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
Les fractions du capital d'une entreprise liée de l'entreprise d'assurances belge participante souscrites par une autre entreprise liée de cette entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, qui n'ont pas été versées, ne peuvent être prises en considération pour la constitution de la marge de solvabilité ajustée.
c) Transférabilité
Si la [1 FSMA]1 considère que certains éléments constitutifs de la marge de solvabilité d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, autres que ceux visés au point I.1.2 de la présente annexe ne peuvent pas effectivement être rendus disponibles pour couvrir l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée, elle s'oppose à la prise en considération de ces éléments dans le calcul de la marge de solvabilité ajustée au-delà du montant pour lequel ils peuvent être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité de l'entreprise liée.
d) La somme des éléments visés aux points I.1.2 b) et c) de la présente annexe ne peut pas dépasser l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
1.3 Elimination de la création intragroupe de capital
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée, il n'est tenu compte d'aucun élément constitutif de la marge de solvabilité provenant d'un financement réciproque entre l'entreprise d'assurances belge participante et :
- une entreprise liée;
- une entreprise participante;
- une autre entreprise liée d'une quelconque de ses entreprises participantes.
En outre, il n'est tenu compte d'aucun élément constitutif de la marge de solvabilité d'une entreprise d'assurances ou de réassurance liée de l'entreprise d'assurances belge participante pour laquelle la marge de solvabilité ajustée est calculée lorsque l'élément en question provient d'un financement réciproque avec une autre entreprise liée de cette entreprise d'assurances belge participante.
En particulier, il y a financement réciproque lorsqu'une entreprise d'assurances belge participante ou une quelconque de ses entreprises liées détient des parts dans une autre entreprise ou accorde des prêts à une autre entreprise qui, directement ou indirectement, détient un élément constitutif de la marge de solvabilité de la première entreprise.
1.4 Application des méthodes de calcul
a) Caisses communes, entreprises privées à primes fixes, institutions publiques liées spécialisées dans les opérations visées par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et par la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles dans le secteur public
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances participante d'une caisse commune, d'une entreprise privée à primes fixes ou d'une institution publique liée spécialisée dans l'assurance des accidents du travail, cette caisse commune, entreprise privée à primes fixes ou institution publique liée spécialisée dans l'assurance des accidents du travail est traitée, pour les seuls besoins du calcul, d'une manière analogue à une entreprise d'assurances liée en appliquant les principes généraux et méthodes décrits dans la présente annexe. A cet effet, une exigence de solvabilité notionnelle est calculée pour chaque caisse commune, entreprise privée à primes fixes ou institution publique liée spécialisée dans l'assurance des accidents du travail sur la base des mêmes règles que celles prévues à l'article 18 A. du présent arrêté. Les mêmes éléments que ceux prévus à l'article 15bis de la loi sont pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité notionnelle. Les actifs et les engagements sont évalués selon les dispositions de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurances.
b) Sociétés holding d'assurances intermédiaires
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances belge participante qui détient une participation dans une entreprise d'assurances ou de réassurance ou dans une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, à travers une société holding d'assurances intermédiaire, la situation de la société holding d'assurances intermédiaire est prise en compte. Pour les seuls besoins du calcul de la marge de solvabilité ajustée, réalisé conformément aux principes généraux et méthodes décrits dans la présente annexe, cette société holding d'assurances intermédiaire liée est traitée comme s'il s'agissait d'une entreprise d'assurances belge qui serait soumise à une exigence de solvabilité égale à zéro. Les mêmes éléments que ceux prévus à l'article 15bis de la loi sont reconnus comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité notionnelle. Les actifs et les engagements sont évalués selon les dispositions de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurances.
c) Entreprises d'assurances et de réassurance liées ayant leur siège social dans un pays tiers
Lors du calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances belge participante d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, cette entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers est traitée, pour les seuls besoins du calcul, d'une manière analogue à une entreprise d'assurances ou de réassurance liée, en appliquant les principes généraux et méthodes décrits respectivement dans la présente annexe et dans l'annexe Ire à l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
A cet effet, une exigence de solvabilité est calculée pour chaque entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers liée, sur base des mêmes règles que celles prévues respectivement à l'article 18 du présent arrêté et aux articles 12 et 13 de l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Toutefois, lorsque le pays tiers dans lequel cette entreprise liée a son siège social la soumet à un agrément et lui impose une exigence de solvabilité au moins comparable à celle prévue par les Directives 73/239/CEE, 2002/83/CE ou 2005/68/CE, compte tenu des éléments de couverture de cette exigence, le calcul de la marge de solvabilité ajustée prend en compte, en ce qui concerne cette dernière entreprise, l'exigence de solvabilité et les éléments admissibles pour satisfaire cette exigence tels que prévus par le pays tiers en question.
d) Indisponibilité de l'information nécessaire
Lorsque la [1 FSMA]1 ne dispose pas, quelle qu'en soit la raison, des informations nécessaires au calcul de la marge de solvabilité ajustée d'une entreprise d'assurances ou de réassurance et relatives à une entreprise liée ayant son siège social dans un Etat membre ou dans un pays tiers, la valeur comptable de cette entreprise dans l'entreprise d'assurances belge participante est déduite des éléments constitutifs de la marge de solvabilité ajustée. Dans ce cas, aucune plus-value latente associée à cette participation n'est admise comme élément constitutif de la marge de solvabilité ajustée.
2. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur les comptes consolidés
Sans préjudice des dispositions de l'article 91decies de la loi, le calcul de la marge de solvabilité ajustée de l'entreprise d'assurances belge participante est effectué à partir des comptes consolidés établis conformément aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés.
La marge de solvabilité ajustée de l'entreprise d'assurances belge participante est la différence entre :
les éléments constitutifs de la marge de solvabilité calculés à partir des données consolidées et
a) soit la somme de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances belge participante et de la part proportionnelle des exigences de solvabilité des entreprises d'assurances ou de réassurance liées correspondant aux taux retenus pour l'établissement des comptes consolidés;
b) soit l'exigence de solvabilité calculée à partir des données consolidées.
Sans préjudice des dispositions du point I.1 de la présente annexe, les dispositions des articles 15 et 15bis de la loi et 17 et 18 du présent arrêté sont d'application pour la prise en compte des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et de l'exigence de solvabilité à partir des données consolidées.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise d'assurances belge participante dans l'entreprise liée.
Lorsque une filiale est consolidée par intégration globale, il est tenu compte du montant total des éléments constitutifs de la marge de solvabilité de la filiale et du montant total de son exigence de marge, quel que soit le taux de participation.
3. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode de déduction et d'agrégation
Lorsque des obstacles pratiques importants s'opposent à l'application de la méthode basée sur les comptes consolidés, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou même exiger l'application de la méthode de déduction et d'agrégation qui se détermine comme suit :
La marge de solvabilité ajustée de l'entreprise d'assurances belge participante est la différence entre :
i) la somme :
a) des éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances belge participante, et
b) de la part proportionnelle de l'entreprise d'assurances belge participante dans les éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée
et
ii) la somme :
a) de la valeur comptable de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée dans l'entreprise d'assurances belge participante, et
b) de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances belge participante, et
c) de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise d'assurances belge participante dans l'entreprise liée.
Lorsque la participation dans l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée consiste, en tout ou en partie, dans une propriété indirecte, la valeur des éléments détenus indirectement est intégrée au point ii) sous a), en tenant compte des intérêts successifs pertinents, et les points i) sous b) et ii) sous c) incluent les parts proportionnelles correspondantes des éléments pouvant entrer dans la composition de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
4. Calcul de la marge de solvabilité ajustée par application de la méthode basée sur la déduction d'exigences
La [1 FSMA]1 peut, dans les mêmes conditions que celles prévalant pour l'utilisation de la méthode visée au point I.3, autoriser l'application de la méthode basée sur la déduction d'exigences.
La marge de solvabilité ajustée est, dans ce cas, la différence entre :
i) la somme des éléments qui peuvent être pris en considération comme éléments constitutifs de la marge de solvabilité de l'entreprise d'assurances participante, et
ii) la somme
- de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances participante, et
- de la part proportionnelle de l'exigence de solvabilité de l'entreprise d'assurances ou de réassurance liée.
Pour le calcul de la marge de solvabilité ajustée, il est tenu compte du pourcentage des éléments constitutifs de la marge de solvabilité et du pourcentage de l'exigence de marge de solvabilité de l'entreprise liée correspondant à la fraction du capital souscrit qui est détenue par l'entreprise d'assurances belge participante dans l'entreprise liée.
II. Surveillance complémentaire pour les entreprises d'assurances qui sont des filiales d'une société holding d'assurances ou d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers
L'exercice de la surveillance complémentaire consiste à effectuer au niveau de la société holding d'assurances ou de l'entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers, qui sont des entreprises mères d'une ou plusieurs filiales situées en Belgique, visées à l'article 91ter decies, § 1er, de la loi, des calculs analogues à ceux décrits respectivement au point I de la présente annexe et au point I de l'annexe Ire à l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Cette analogie consiste à appliquer les principes généraux décrits respectivement au point I de la présente annexe et au point I de l'annexe Ire à l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Les calculs sont effectués selon la méthode basée sur la consolidation comptable telle qu'elle est décrite respectivement au point I.2 de la présente annexe et au point I.2 de l'annexe Ire à l'arrêté royal du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Les comptes consolidés des sociétés holding d'assurances belges et des entreprises de réassurance belges doivent être établis conformément aux dispositions du Code des sociétés et de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés, qui régissent l'établissement des comptes consolidés.
Les comptes consolidés des entreprises de réassurance et des sociétés holding d'assurances situées dans l'Espace économique européen doivent être établis conformément aux dispositions de la directive 91/674 concernant les comptes annuels et les comptes consolidés des entreprises d'assurances.
Les comptes consolidés des entreprises de réassurance, des sociétés holding et des entreprises d'assurances situées hors de l'Espace économique européen seront pris en considération par la [1 FSMA]1 pour l'exercice de la surveillance complémentaire, à condition qu'ils se présentent sous une forme comparable à celle résultant de la Directive 91/674 concernant les comptes annuels et les comptes consolidés des entreprises d'assurances.
Si tel n'est pas le cas, la méthode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, ou la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4, sera, selon le cas, appliquée.
De même, lorsqu'il s'avère que l'application de la méthode basée sur la consolidation comptable pose des problèmes pratiques importants, la [1 FSMA]1 peut autoriser ou prescrire l'application, soit de la methode de déduction et d'agrégation telle qu'elle est décrite au point I.3, soit de la méthode basée sur la déduction d'exigences telle qu'elle est décrite au point I.4.
Lorsqu'une entreprise d'assurances de droit belge est la filiale d'une autre entreprise d'assurances, d'une entreprise de réassurance ou d'une société holding d'assurances ayant son siège social dans un pays tiers, la [1 FSMA]1 peut, par dérogation aux dispositions précédentes, convenir, par voie d'accord de coopération, soit avec l'autorité compétente du pays dans lequel l'entreprise mère a établi son siège soit avec une autre autorité compétente étrangère appropriée, que cette dernière exercera la surveillance complémentaire, à condition que cette surveillance soit équivalente a celle prévue par la Directive 98/78/CE. Dans ce cas, le respect des obligations doit être confirmé à la [1 FSMA]1 au moins une fois par an, dans un délai de quatre mois à compter de la clôture de l'exercice social de l'entreprise mère, par l'autorité compétente étrangère.La déclaration de respect doit être accompagnée des comptes consolidés de l'entreprise mère. Les dispositions de l'article 77 de la loi du 2 août 2002 sont applicables aux accords visés.
Pour les seuls besoins du calcul, l'entreprise mère est traitée comme s'il s'agissait d'une entreprise d'assurances ou de réassurance soumise :
- à une exigence de solvabilité égale à zéro lorsqu'elle est une société holding d'assurances;
- à une exigence de solvabilité déterminée suivant les principes du point I.1.4.c) de la présente annexe, lorsqu'il s'agit d'une entreprise d'assurances ou de réassurance d'un pays tiers,
et est soumise, sans préjudice des dispositions du point I de la présente annexe, aux mêmes conditions que celles définies aux articles 15 et 15bis de la loi en ce qui concerne les éléments constitutifs de la marge de solvabilité. ".
Vu pour être annexé à notre arrêté du [...] portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
Donné à Bruxelles, le 27 septembre 2009.
ALBERT
Par le Roi :
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances et des Réformes institutionnelles,
D. REYNDERS