Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
14 NOVEMBER 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende Vlaamse werkgroepen binnen het preventieve gezondheidsbeleid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-12-2008 en tekstbijwerking tot 30-06-2023)
Titre
14 NOVEMBRE 2008. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif aux groupes de travail flamands dans la politique de santĂ© prĂ©ventive (TRADUCTION)(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 17-12-2008 et mise Ă  jour au 30-06-2023)
Documentinformatie
Numac: 2008204550
Datum: 2008-11-14
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2008204550
Date: 2008-11-14
Moniteur: Voir
Tekst (19)
Texte (19)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° [1 l'administratie: het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]1;
2° decreet : het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid;
3° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid;
4° Vlaamse werkgroep : een werkgroep binnen het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid als vermeld in artikelen 15 en 20 van het decreet.
Article 1. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° [1 administration : le DĂ©partement Soins, visĂ© Ă  l'article 2, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au DĂ©partement Soins ]1;
2° décret : le décret du 21 novembre 2003 relatif à la politique de santé préventive;
3° Ministre : le Ministre flamand chargé de la Politique en matiÚre de Santé;
4° groupe de travail flamand : un groupe de travail dans le politique de santé préventive flamande tel que mentionné aux articles 15 et 20 du décret.
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied en opdrachten.
CHAPITRE II. - Champ d'application et missions.
Art. 2. De minister richt Vlaamse werkgroepen op.
Art. 2. Le Ministre établit des groupes de travail flamands.
Art. 3. Een Vlaamse werkgroep kan worden opgericht :
1° ter voorbereiding van een gezondheidsconferentie en voor de verdere uitwerking van de voorstellen of conclusies van een gezondheidsconferentie, als vermeld in artikel 15 van het decreet;
2° als ondersteunende werkgroep die betrekking heeft op een welbepaald aspect van het preventieve gezondheidsbeleid, als vermeld in artikel 20 van het decreet, met het oog op :
a) de voorbereiding of uitwerking van beleidsvoorstellen, strategieën of andere initiatieven met betrekking tot het preventieve gezondheidsbeleid die geen verband houden met de voorbereiding van een gezondheidsconferentie of met de uitwerking van de voorstellen of conclusies van een gezondheidsconferentie;
b) het bewaken van de samenhang bij en het ondersteunen van de uitvoering van strategieën of andere initiatieven met betrekking tot het preventieve gezondheidsbeleid;
c) een combinatie van de taken, vermeld in punt a) en b).
[1 Tenzij het anders bepaald wordt door de minister, kan een Vlaamse werkgroep die fungeert als ondersteunende werkgroep als vermeld in het eerste lid, 2°, ook opdrachten uitvoeren als vermeld in het eerste lid, 1°, op voorwaarde dat voor de Vlaamse werkgroep in kwestie een beleidsthema als vermeld in artikel 4, tweede lid, 1°, is bepaald en dat beleidsthema afgestemd is op het voorwerp, of op deelaspecten ervan, van de gezondheidsconferentie in kwestie.]1
Art. 3. Un groupe de travail flamand peut ĂȘtre Ă©tabli :
1° en vue de la préparation d'une conférence de santé et de l'élaboration ultérieure des propositions ou conclusions d'une conférence de santé, telle que mentionnée à l'article 15 du décret;
2° en tant que groupe de travail d'appui relatif à un certain aspect de la politique de santé préventive, tel que mentionné à l'article 20 du décret, en vue :
a) de la préparation ou l'élaboration de propositions en matiÚre de politique, de stratégies ou d'autres initiatives relatives à la politique préventive de santé qui ne se rattachent pas à la préparation d'une conférence de santé ou à l'élaboration des propositions ou des conclusions d'une conférence de santé;
b) de la surveillance de la cohésion et l'appui de l'exécution de stratégies ou d'autres initiatives relatives à la politique préventive de santé;
c) d'une combinaison des tùches, mentionnées aux points a) et b).
[1 A moins que fixé différemment par le Ministre, un groupe de travail flamand qui fonctionne comme groupe de travail d'appui tel que visé à l'alinéa premier, 2°, peut également exécuter des missions telles que visées à l'alinéa premier, 1°, à condition qu'un thÚme politique tel que visé à l'article 4, alinéa deux, 1°, soit fixé pour le groupe de travail flamand en question et que ce thÚme politique soit harmonisé à l'objet, ou à ses aspects partiels, de la conférence de santé en question.]1
Art. 4. De minister bepaalt, met behoud van toepassing van de bevoegdheid van de Vlaamse Regering ter zake :
1° de opdracht van een Vlaamse werkgroep;
2° of de werkgroep voor onbepaalde dan wel voor bepaalde duur wordt opgericht.
Met betrekking tot de opdracht van de werkgroep, [1 vermeld in het eerste lid, 1°]1, kan de minister onder andere specifieke bepalingen vastleggen over :
1° het beleidsthema;
2° de sectoren en doelgroepen waarop de werkgroep zich moet richten, en de manier waarop de sectoren en doelgroepen betrokken moeten worden bij de werkgroep.
De minister kan, met behoud van toepassing van de bevoegdheid van de Vlaamse Regering ter zake :
1° de wijze en frequentie van rapporteren van een Vlaamse werkgroep bepalen;
2° [1 het tijdschema vastleggen voor het realiseren van de opdracht, vermeld in het eerste lid, 1°,]1 in het bijzonder voor de werkgroepen van bepaalde duur.
Art. 4. Le Ministre détermine, avec maintien de l'application de la compétence du Gouvernement flamand en la matiÚre :
1° la mission du groupe de travail;
2° si le groupe de travail est établi pour une durée indéterminée ou déterminée.
En ce qui concerne la mission du groupe de travail, [1 visé à l'alinéa premier, 1°]1, le Ministre peut entre autres fixer des modalités spécifiques sur :
1° le thÚme politique;
2° les secteurs et les groupes cibles sur lesquels le groupe de travail doit se focaliser, et la maniĂšre dont les secteurs et les groupes de travail doivent ĂȘtre associĂ©s au groupe de travail.
Le Ministre peut, avec maintien de l'application de la compétence du Gouvernement flamand en la matiÚre :
1° déterminer les modalités de rapportage d'un groupe de travail flamand;
2° [1 fixer le calendrier en vue de la réalisation de la mission, visée à l'alinéa premier, 1°,]1 en particulier pour les groupes de travail de durée déterminée.
HOOFDSTUK III. - Samenstelling en werking.
CHAPITRE III. - Composition et fonctionnement.
Art. 5. § 1. [1 De minister bepaalt de samenstelling van een Vlaamse werkgroep en benoemt de voorzitter en de leden.
De minister kan ook plaatsvervangende leden benoemen. Als er geen plaatsvervangende leden worden benoemd, kan een benoemd lid, als het niet op een vergadering aanwezig kan zijn, een plaatsvervanger aanwijzen. Die plaatsvervanger wordt voor die vergadering van rechtswege beschouwd als een lid.
Bij de oprichting van een Vlaamse werkgroep bepaalt de minister de regels voor de vervanging van de voorzitter.]1

§ 2. De werkgroep wordt op zodanige wijze samengesteld dat voor de uitvoering van zijn opdracht de relevante deskundigheden vertegenwoordigd zijn.
§ 3. Een Vlaamse werkgroep telt maximaal vijfentwintig leden, met inbegrip van de voorzitter.
[1 [2 De administratie]2 kan de vergaderingen van de Vlaamse werkgroep bijwonen met een of meer personen, zonder stemrecht, voor de uitoefening van de coördinatie- en secretariaatstaken, vermeld in artikel 7, § 4, tweede lid.]1
Art. 5. § 1er. [1 Le Ministre fixe la composition d'un groupe de travail flamand et nomme le président et les membres.
Le Ministre peut également nommer des membres suppléants. Lorsqu'aucun membre suppléant n'est nommé, un membre nommé peut, lorsqu'il ne peut pas assister à une réunion, désigner un suppléant. Pour cette réunion, ce suppléant est considéré de plein droit comme un membre.
Lors de la création d'un groupe de travail flamand, le Ministre fixe les rÚgles relatives au remplacement du président.]1

§ 2. Le groupe de travail est composée de maniÚre à ce que les expertises pertinentes pour l'exécution de sa mission soient représentées.
§ 3. Un groupe de travail flamand compte vingt-cinq membres au maximum, y compris le président.
[1 Une ou plusieurs personnes de [2 l'administration ]2 peuvent assister aux réunions du groupe de travail flamand, sans droit de vote, pour exercer les tùches de coordination et de secrétariat, visées à l'article 7, § 4, alinéa deux.]1
Art. 6. [1 § 1. Na het akkoord van [2 de administratie]2 kan een voorzitter van een Vlaamse werkgroep externe deskundigen uitnodigen om deel te nemen aan een of meer activiteiten van de Vlaamse werkgroep.
§ 2. Na het akkoord van [2 de administratie-]2 kan de voorzitter van een Vlaamse werkgroep een of meer subwerkgroepen oprichten om deelaspecten van de opdrachten van de Vlaamse werkgroep uit te voeren. Een subwerkgroep bestaat uit leden van de Vlaamse werkgroep in kwestie, eventueel aangevuld met externe deskundigen, die na het akkoord van het agentschap door de voorzitter van de subwerkgroep worden aangewezen. Een lid, dat niet op een vergadering aanwezig kan zijn, kan een plaatsvervanger aanwijzen die, voor die vergadering van rechtswege beschouwd wordt als lid.
De voorzitter van een subwerkgroep wordt door de voorzitter van de Vlaamse werkgroep in kwestie gekozen uit de leden van die Vlaamse werkgroep.
Een subwerkgroep rapporteert aan de Vlaamse werkgroep waar hij deel van uitmaakt. De Vlaamse werkgroep draagt de eindverantwoordelijkheid voor de werkzaamheden van een subwerkgroep.]1

Art. 6. [1 § 1er. AprÚs l'accord de [2 l'administration]2, un président d'un groupe de travail flamand peut inviter des experts externes à participer à une ou plusieurs activités du groupe de travail flamand.
§ 2. AprÚs l'accord de [2 l'administration]2, le président d'un groupe de travail flamand peut créer un ou plusieurs sous-groupes de travail pour exécuter des aspects partiels des missions du groupe de travail flamand. Un sous-groupe de travail se compose de membres du groupe de travail flamand en question, éventuellement complété par des experts externes, qui sont désignés aprÚs l'accord de [2 l'administration]2 par le président du sous-groupe de travail. Un membre qui ne peut pas assister à une réunion peut désigner un suppléant qui est, pour cette réunion, considéré de plein droit comme un membre.
Le président d'un sous-groupe de travail est choisi par le président du groupe de travail flamand en question parmi les membres de ce groupe de travail flamand.
Un sous-groupe de travail fait rapport au groupe de travail flamand dont il fait partie. Le groupe de travail flamand porte la responsabilité finale des travaux d'un sous-groupe de travail.]1

Art. 7. § 1. De minister kan bepalingen vastleggen over de werking van een Vlaamse werkgroep.
§ 2.[1 Door de voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van een Vlaamse werkgroep en zijn eventuele subwerkgroepen wordt een belangenverklaring ingevuld, om zicht te krijgen op eventuele belangenconflicten. Wijzigingen in de belangenverklaring moeten door de betrokkene spontaan worden gemeld aan [2 de administratie]2.
De minister bepaalt de gegevens die in die belangenverklaring moeten worden opgenomen.
De voorzitter van de werkgroep of subwerkgroep in kwestie vraagt aan externe deskundigen en aan plaatsvervangers als vermeld in artikel 5, § 1, tweede lid, bij het begin van hun deelname aan activiteiten van een Vlaamse werkgroep of subwerkgroep of er een mogelijk belangenconflict is.
Als uit de belangenverklaring, de vraagstelling, vermeld in het derde lid, of uit andere gegevens blijkt dat er een belangenconflict is, kunnen een of meer van de volgende maatregelen genomen worden ten aanzien van de voorzitter, het lid of het plaatsvervangend lid dat of de externe deskundige die betrokken is bij het belangenconflict:
1° de minister vervangt de voorzitter, het lid of het benoemde plaatsvervangend lid van de Vlaamse werkgroep;
2° [2 de administratie]2 vervangt de voorzitter, het lid of het benoemde plaatsvervangend lid van de subwerkgroep;
3° de voorzitter van een Vlaamse werkgroep of subwerkgroep verzoekt het lid, het plaatsvervangend lid of de externe deskundige om niet te participeren in discussies over aspecten van de opdracht die rechtstreeks in verband staan met het vastgestelde belangenconflict, of vervangt na akkoord van [2 de administratie]2, de externe deskundige;
4° de voorzitter van een Vlaamse werkgroep of subwerkgroep verwijst in de rapportering over aspecten van de opdracht van een Vlaamse werkgroep of subwerkgroep die rechtstreeks in verband staan met het vastgesteld belangenconflict, naar het belangenconflict en geeft daarover duiding.
Als de voorzitter van een Vlaamse werkgroep of subwerkgroep, vermeld in het vierde lid, 3° en 4°, nalaat maatregelen te nemen of zelf betrokken is bij het belangenconflict, vermeld in het vierde lid, wordt de maatregel genomen door het agentschap.]1

§ 3. De minister kan een Vlaamse werkgroep opdragen een huishoudelijk reglement op te maken en de minimale inhoud ervan bepalen.
Het huishoudelijk reglement van een Vlaamse werkgroep wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het agentschap.
§ 4. [1 Een Vlaamse werkgroep wordt aangestuurd in overleg tussen het agentschap en de voorzitter.
Het agentschap coördineert de werking van een Vlaamse werkgroep en draagt de eindverantwoordelijkheid voor het secretariaat. Bepaalde secretariaatstaken kunnen, na overleg in de Vlaamse werkgroep in kwestie, door leden van de werkgroep of door externen worden opgenomen.
Een subwerkgroep draagt de eindverantwoordelijkheid voor zijn eigen secretariaat. Bepaalde secretariaatstaken kunnen, na overleg in de Vlaamse werkgroep waar de subwerkgroep deel van uitmaakt, door leden van de subwerkgroep of door externen worden opgenomen.]1

Art. 7. § 1er. Le Ministre peut arrĂȘter des dispositions sur le fonctionnement d'un groupe de travail flamand.
§ 2. [1 Une dĂ©claration d'intĂ©rĂȘts est remplie par le prĂ©sident, les membres et les membres supplĂ©ants d'un groupe de travail flamand et de ses sous-groupes de travail Ă©ventuels, afin d'avoir une idĂ©e de conflits d'intĂ©rĂȘts Ă©ventuels. Des modifications dans la dĂ©claration d'intĂ©rĂȘts doivent ĂȘtre communiquĂ©es Ă  [2 l'administration]2 spontanĂ©ment par la personne concernĂ©e.
Le Ministre fixe les donnĂ©es qui doivent ĂȘtre reprises dans cette dĂ©claration d'intĂ©rĂȘts.
Au dĂ©but de leur participation Ă  des activitĂ©s d'un groupe de travail ou d'un sous-groupe de travail flamand, le prĂ©sident du groupe de travail ou du sous-groupe de travail en question demande Ă  des experts externes et Ă  des supplĂ©ants tels que visĂ©s Ă  l'article 5, § 1er, alinĂ©a deux, s'il y a un conflit d'intĂ©rĂȘts possible.
Lorsqu'il ressort de la dĂ©claration d'intĂ©rĂȘts, la question visĂ©e Ă  l'alinĂ©a trois, ou d'autre donnĂ©es, qu'il y a un conflit d'intĂ©rĂȘts, une ou plusieurs des mesures suivantes peuvent ĂȘtre prises Ă  l'Ă©gard du prĂ©sident, du membre, du membre supplĂ©ant ou de l'expert externe qui est concernĂ© par le conflit d'intĂ©rĂȘts :
1° le Ministre remplace le président, le membre ou le membre suppléant nommé du groupe de travail flamand ;
2° [2 l'administration]2 remplace le président, le membre ou le membre suppléant nommé du groupe de travail flamand ;
3° le prĂ©sident d'un groupe de travail ou d'un sous-groupe de travail flamand demande au membre, au membre supplĂ©ant ou Ă  l'expert externe de ne pas participer aux discussions relatives Ă  des aspects de la mission qui sont directement en rapport avec le conflit d'intĂ©rĂȘts constatĂ©, ou il remplace l'expert externe aprĂšs l'accord de [2 l'administration]2 ;
4° le prĂ©sident d'un groupe de travail ou d'un sous-groupe de travail flamand rĂ©fĂšre, dans les rapports sur des aspects de la mission d'un groupe de travail ou d'un sous-groupe de travail flamand qui sont directement en rapport avec le conflit d'intĂ©rĂȘts constatĂ©, au conflit d'intĂ©rĂȘts et donne des explications Ă  ce sujet.
Lorsque le prĂ©sident d'un groupe de travail ou sous-groupe de travail flamand, visĂ© Ă  l'alinĂ©a quatre, 3° et 4°, manque de prendre des mesures ou lorsqu'il est lui-mĂȘme concernĂ© par le conflit d'intĂ©rĂȘts, visĂ© Ă  l'alinĂ©a quatre, la mesure est prise par l'agence.]1

§ 3. Le Ministre peut charger un groupe de travail flamand d'Ă©tablir un rĂšglement d'ordre intĂ©rieur et il peut arrĂȘter son contenu minimal.
Le rÚglement d'ordre d'intérieur d'un groupe de travail flamand est soumis à l'approbation de l'agence.
§ 4. [1 Un groupe de travail flamand est dirigé en concertation entre [2 l'administration]2 et le président.
[2 L'administration]2 coordonne le fonctionnement d'un groupe de travail flamand et porte la responsabilitĂ© finale du secrĂ©tariat. Certaines tĂąches de secrĂ©tariat peuvent ĂȘtre assumĂ©es, aprĂšs concertation au sein du groupe de travail flamand en question, par des membres du groupe de travail ou par des externes.
Un sous-groupe de travail porte la responsabilitĂ© finale de son propre secrĂ©tariat. Certaines tĂąches de secrĂ©tariat peuvent ĂȘtre assumĂ©es, aprĂšs concertation au sein du groupe de travail flamand dont fait partie le sous-groupe de travail, par des membres du sous-groupe de travail ou par des externes. ]1

HOOFDSTUK IV. - Financiering.
CHAPITRE IV. - Financement.
Art. 8. § 1. De voorzitter, de leden [1 of de plaatsvervangende leden en de aangewezen plaatsvervangers, vermeld in artikel 5, § 1, tweede lid]1 van een Vlaamse werkgroep of subwerkgroep, en eventuele externe deskundigen ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding per bijgewoonde vergadering.
Een vergadering vindt plaats op initiatief van de voorzitter van een Vlaamse werkgroep of subwerkgroep.
§ 2. De vergoeding, vermeld in § 1, eerste lid, bedraagt 75 euro (vijfenzeventig euro), behalve voor de voorzitter van een Vlaamse werkgroep of zijn plaatsvervanger, aan wie een vergoeding van 112,5 euro (honderdentwaalf euro en vijftig cent) wordt toegekend.
De vergoeding wordt voor maximaal twaalf vergaderingen per jaar toegekend per werkgroep of subwerkgroep. [1 Verschillende bijeenkomsten van dezelfde werkgroep of dezelfde subwerkgroep die op dezelfde dag plaatsvinden, gelden maar als één vergadering. Bijeenkomsten van een werkgroep en van een subwerkgroep van die werkgroep die op dezelfde dag plaatsvinden, gelden als aparte vergaderingen na goedkeuring van [2 de administratie]2.]1
Art. 8. § 1er. Le président, les membres [1 ou les membres suppléants et les suppléants désignés, visés à l'article 5, § 1er, alinéa deux]1 d'un groupe de travail ou d'un sous-groupe de travail flamand, ainsi que des experts externes éventuels reçoivent une indemnité pour leurs travaux par réunion à laquelle ils assistent.
Une réunion a lieu à l'initiative du président d'un groupe de travail ou d'un sous-groupe de travail flamand.
§ 2. L'indemnité, mentionnée au § 1er, alinéa premier, s'élÚve à 75 euros (septante-cinq euros), excepté pour le président d'un groupe de travail flamand ou son suppléant, auxquels une indemnité de 112,50 euros (cent douze euros et cinquante centimes) est accordée.
L'indemnitĂ© est accordĂ©e pour douze rĂ©unions par an au maximum par groupe de travail ou sous-groupe de travail. [1 DiffĂ©rentes rĂ©unions du mĂȘme groupe de travail ou du mĂȘme sous-groupe de travail qui ont lieu le mĂȘme jour, ne valent que comme un seule rĂ©union. Des rĂ©unions d'un groupe de travail et d'un sous-groupe de travail de ce groupe de travail qui ont lieu le mĂȘme jour, valent comme des rĂ©unions sĂ©parĂ©es aprĂšs l'approbation de [2 l'administration]2.]1
Art. 9. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van een Vlaamse werkgroep of subwerkgroep, en eventuele externe deskundigen ontvangen een vergoeding voor reiskosten die verbonden zijn aan deelname aan de vergaderingen, vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, overeenkomstig de op dat moment geldende regeling voor de vergoeding van reiskosten van personeelsleden van de Vlaamse overheid.
Art. 9. Le président, les membres et les membres suppléants d'un groupe de travail ou d'un sous-groupe de travail flamand, ainsi que les experts externes éventuels reçoivent une indemnité pour frais de parcours, liés à la participation aux réunions, mentionnées à l'article 8, § 1er, alinéa premier, conformément à la réglementation en vigueur pour l'indemnité des frais de parcours des membres du personnel de l'Autorité flamande.
Art. 10. § 1. De vergoedingen, vermeld in artikel 8 en 9, worden niet toegekend als wordt deelgenomen aan de vergaderingen namens een overheid of namens een organisatie die wordt gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, en als deelname aan de Vlaamse werkgroep in kwestie tot het takenpakket van de organisatie behoort of geacht wordt te behoren.
Het al of niet toekennen van die vergoedingen wordt opgenomen in het ministerieel besluit tot oprichting van de Vlaamse werkgroep in kwestie.
§ 2. Voorzitters, leden, plaatsvervangende leden of externe deskundigen kunnen, met een door hen ondertekende verklaring, beslissen dat ze een of meer vergoedingen, als vermeld in artikelen 8 en 9, niet willen ontvangen.
Art. 10. § 1er. Les indemnités, mentionnées aux articles 8 et 9 ne sont pas accordées s'ils participent aux réunions au nom des autorités ou au nom d'une organisation subventionnée par la Communauté flamande, et si la participation au groupe de travail flamand en question appartient à l'ensemble des tùches de l'organisation ou est censée appartenir.
L'octroi ou non de ces indemnitĂ©s est repris Ă  l'arrĂȘte ministĂ©riel portant crĂ©ation du groupe de travail flamand en question.
§ 2. Des présidents, des membres, des membres suppléants ou des experts externes peuvent, moyennant une déclaration signée par eux, décider qu'ils ne souhaitent pas obtenir une ou plusieurs indemnités, telles que mentionnées aux articles 8 et 9.
Art. 11. Kosten die verbonden zijn aan de vergaderingen voor werkgroepen of subwerkgroepen, kunnen worden vergoed, na voorafgaand akkoord van [1 de administratie]1.
Art. 11. Des frais liĂ©s aux rĂ©unions pour groupes de travail ou sous-groupes de travail peuvent ĂȘtre indemnisĂ©s, aprĂšs l'accord prĂ©alable de [1 l'administration]1.
Art. 12. De vergoeding, vermeld in artikel 8, volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer.
De indexering gebeurt bij de oprichting van de Vlaamse werkgroep, en verder elk werkingsjaar. De toepassing van de indexering wordt bepaald in het ministerieel besluit tot oprichting van de Vlaamse werkgroep in kwestie.
Art. 12. L'indemnité mentionnée à l'article 8, suit l'évolution de l'indice de santé.
Les montants sont indexĂ©s lors de l'Ă©tablissement du groupe de travail flamand, et ensuite chaque annĂ©e d'activitĂ©. L'application de l'indexation est fixĂ©e Ă  l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel portant crĂ©ation du groupe de travail flamand en question.
Art. 13. De vergoedingen, vermeld in artikelen 8 en 9, worden uitbetaald aan de hand van [1 aanwezigheidslijsten die tijdens de vergadering ondertekend worden.]1 die de nodige gegevens bevatten.
De vergoedingen, vermeld in artikelen 8 en 9, mogen gegroepeerd per jaar uitbetaald worden.
Art. 13. Les indemnités mentionnées aux articles 8 et 9 sont payées à l'aide de [1 listes de présence qui sont signées lors de la réunion ]1, qui comprennent les données nécessaires.
Les indemnitĂ©s mentionnĂ©es aux articles 8 et 9 peuvent ĂȘtre regroupĂ©es et payĂ©es par annĂ©e.
HOOFDSTUK V. - Slotbepaling.
CHAPITRE V. - Disposition finale.
Art. 14. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 14. Le Ministre flamand qui a la politique en matiĂšre de SantĂ© dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.