Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 FEBRUARI 2008. - [Besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 betreffende het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding]. <Opschrift vervangen door BVR2014-10-17/05, art.13 , 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-04-2008 en tekstbijwerking tot 08-08-2023)
Titre
15 FEVRIER 2008. - [ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 fĂ©vrier 2008 relatif au congĂ© de maladie, au congĂ© pour prestations rĂ©duites en cas de maladie, au congĂ© de longue durĂ©e pour prestations rĂ©duites pour raisons mĂ©dicales et Ă  la mise en disponibilitĂ© pour cause de maladie pour certains personnels de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves] <IntitulĂ© remplacĂ© par par <ACF 2014-10-17/07, art. 13, 003; En vigueur : 01-01-2015>(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 10-04-2008 et mise Ă  jour au 08-08-2023)
Documentinformatie
Numac: 2008201042
Datum: 2008-02-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2008201042
Date: 2008-02-15
Moniteur: Voir
Tekst (79)
Texte (79)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE Ier. - Champ d'application.
Artikel 1. [1 Behoudens hoofdstuk II, afdeling III, is dit besluit van toepassing op de volgende personeelsleden :
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]1

[2 5° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.]2
§ 2. [1 [2 Hoofdstuk II, afdeling III, is van toepassing op de personeelsleden van het onderwijs, vermeld in artikel V.66 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, gecodificeerd op 28 oktober 2016]2.]1
§ 3. Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit wordt verstaan onder :
1° MST-equipes : de gesubsidieerde equipes voor medisch schooltoezicht, bedoeld in de wet van 21 maart 1964 op het medisch schooltoezicht;
2° Medex : het Bestuur van de Medische Expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Dit bestuur is de opvolger van de Administratieve Gezondheidsdienst (AGD).
Article 1. § 1er. [1 A l'exception du Chapitre II, Section III, le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est applicable aux membres du personnel suivants :
1° les membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991;
2° les membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991;
3° les membres de l'inspection, visés à l' article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;
4° les membres du personnel visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques.]1

[2 5° les membres du personnel visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base.]2
§ 2. [1 [2 Le Chapitre II, section III, s'applique aux membres du personnel de l'enseignement visés à l'article V.66 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement en date du 28 octobre 2016]2.]1
§ 3. Pour l'application des dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° Equipes MST : les équipes subventionnées d'inspection médicale scolaire, visées à la loi du 21 mars 1964 sur l'inspection médicale scolaire;
2° Medex : l'Administration de l'Expertise médicale du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaßne alimentaire et Environnement. Cette administration prend la succession du Service de Santé administratif (AGD).
HOOFDSTUK II. - Ziekteverlof.
CHAPITRE II. - Le congé de maladie.
Afdeling I. - Vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten personeelsleden.
Section Ire. - Les membres du personnel nommés à titre définitif et admis au stage.
Art. 2. Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, die vast benoemd zijn of, voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, die tot de proeftijd zijn toegelaten.
Art. 2. La présente section est applicable aux membres du personnel, visés à l'article 1er, § 1er, nommés à titre définitif ou, pour les membres du personnel de l'enseignement communautaire, admis au stage.
Art. 3. § 1. De personeelsleden als vermeld in artikel 2 krijgen voor de hele duur van hun loopbaan, dertig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit zoals bepaald in artikel 5.
In afwijking van het eerste lid kan een personeelslid dat op het ogenblik van zijn afwezigheid wegens ziekte nog geen zesendertig maanden sociale anciënniteit telt, negentig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof krijgen.
§ 2. In afwijking van § 1 wordt :
1° voor de personeelsleden van de MST-equipes, voor de periode vóór 1 september 2000, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit bepaald op vijftien dagen;
2° voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, voor de periode vóór 1 september 2003, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit bepaald op vijftien dagen.
[1 3° voor de personeelsleden die voor 1 januari 2018 uitsluitend aangesteld geweest zijn in een functie in een centrum voor basiseducatie en die op 1 januari 2018 of later uitsluitend prestaties verrichten in een centrum voor basiseducatie, wordt het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof voor de periode vóór 1 januari 2018 per twaalf maanden sociale anciënniteit, bepaald op vijftien dagen.]1
§ 3. Het ziekteverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens dat verlof heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.
Art. 3. § 1er. Les membres du personnel visés à l'article 2 obtiennent pour toute la durée de leur carriÚre, un congé de maladie rémunéré de 30 jours calendaires par douze mois d'ancienneté sociale, telle que visée à l'article 5.
Par dérogation au premier alinéa, un membre du personnel qui ne compte pas encore trente-six mois d'ancienneté sociale au moment de son congé de maladie, peut toutefois obtenir quatre-vingt-dix jours calendaires de congé de maladie rémunéré.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du § 1er est fixé :
1° à quinze jours, le nombre de jours de congé de maladie rémunéré attribué par douze mois d'ancienneté sociale pour les membres du personnel des équipes MST, pour la période avant le 1er septembre 2000;
2° à quinze jours, le nombre de jours de congé de maladie rémunéré attribué par douze mois d'ancienneté sociale pour le collaborateur administratif de la catégorie de personnel du personnel de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental, pour la période avant le 1er septembre 2003;
[1 3° à quinze jours, le nombre de jours de congé de maladie rémunéré attribué par douze mois d'ancienneté sociale pour les membres du personnel qui, avant le 1er janvier 2018, ont été désignés exclusivement dans une fonction dans un centre d'éducation de base et qui, le 1er janvier 2018 ou plus tard, accomplissent exclusivement des prestations dans un centre d'éducation de base.]1
§ 3. Le congé de maladie est assimilé à une période d'activité de service. Pendant ce congé, le membre du personnel a droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement.
Art. 4. Als een personeelslid als vermeld in artikel 2 afwezig is wegens ziekte de kalenderdag vóór een wettelijke feestdag, een weekend, een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie en eveneens afwezig is wegens ziekte de kalenderdag na dezelfde wettelijke feestdag, hetzelfde weekend, dezelfde herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, dan word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend. Dit geldt eveneens indien een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of een wettelijke feestdag aansluit of voorafgaat aan een weekend.
Als een personeelslid als vermeld in artikel 2 gedurende minimum 10 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte in een periode van 15 kalenderdagen vóór de zomervakantie en eveneens gedurende minimum 10 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte in een periode van 15 kalenderdagen na dezelfde zomervakantie, dan wordt de zomervakantie eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend.
In afwijking van het eerste en tweede lid word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) niet als afwezigheid wegens ziekte aangerekend als het personeelslid op eigen initiatief met een medisch attest aan het controleorgaan, vermeld in artikel 7, het bewijs levert dat de tweede ziekteperiode geen verband houdt met de eerste ziekteperiode.
Art. 4. Si un membre du personnel visĂ© Ă  l'article 2 est absent pour cause de maladie, le jour calendaire avant un jour fĂ©riĂ© lĂ©gal, un week-end, les vacances d'automne, de NoĂ«l, de Carnaval et de PĂąques, et est Ă©galement absent pour cause de maladie le jour calendaire aprĂšs le mĂȘme jour fĂ©riĂ© lĂ©gal, le mĂȘme week-end, les mĂȘmes vacances d'automne, de NoĂ«l, de Carnaval et de PĂąques, le(s) jour(s) calendaire(s) intermĂ©diaire(s) est (sont) Ă©galement comptabilisĂ©(s) comme jour(s) de congĂ© de maladie. Cette disposition est Ă©galement d'application si les vacances d'automne, de NoĂ«l, de Carnaval et de PĂąques ou un jour fĂ©riĂ© lĂ©gal suivent ou prĂ©cĂšdent un week-end.
Si un membre du personnel visĂ© Ă  l'article 2 est absent pour cause de maladie pendant au moins 10 jours calendaires dans une pĂ©riode de 15 jours calendaires avant les vacances d'Ă©tĂ© et est Ă©galement absent pour cause de maladie pendant au moins 10 jours calendaires dans une pĂ©riode de 15 jours calendaires aprĂšs les mĂȘmes vacances d'Ă©tĂ©, les vacances d'Ă©tĂ© sont Ă©galement comptabilisĂ©es comme absence pour cause de maladie.
Par dérogation aux premier et second alinéas, le(s) jour(s) calendaires intermédiaires n'est (ne sont) pas comptabilisé(s) comme absence pour cause de maladie si le membre du personnel prouve, à sa propre initiative et sur présentation d'un certificat médical à l'organe de contrÎle, visé à l'article 7, que la seconde période de maladie n'est pas liée à la premiÚre période de maladie.
Art. 5. § 1. Voor de toepassing van artikel 3 is de sociale anciënniteit van een personeelslid gelijk aan de som van :
1° zijn geldelijke anciënniteit zoals die vastgesteld wordt op basis van de bepalingen van de bezoldigingsregeling of van de bezoldigingsregelingen die, op het ogenblik van de afwezigheid wegens ziekte, op hem van toepassing is;
2° de duur van de diensten die hij gepresteerd heeft vóór de leeftijd, vermeld in de klasse van zijn salarisschaal, voor zover die diensten voldoen aan de andere vereisten, gesteld in de toe te passen bezoldigingsregeling;
3° in voorkomend geval, de geldelijke anciënniteit, verworven in opdrachten die in het onderwijs met volledig leerplan als bijbetrekking werden beschouwd, op voorwaarde dat de diensten nog niet volgens punt 1° en 2° zijn meegerekend. Voor de berekening van die anciënniteit geldt de berekeningswijze van diensten die als hoofdambt worden beschouwd;
4° in voorkomend geval, de geldelijke anciënniteit, verworven in bijbetrekking in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, op voorwaarde dat de diensten nog niet volgens punt 1°, 2° of 3° zijn meegerekend;
5° in voorkomend geval, de duur van de diensten die voor de berekening van de geldelijke anciënniteit op grond van een van de volgende bepalingen wel in aanmerking werden genomen, op voorwaarde dat ze volgens punt 1°, 2°, 3° of 4° nog niet werden meegeteld :
a) het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;
b) het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs,
c) het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur.
[1 d) de bepalingen van hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.]1
§ 2. De sociale anciënniteit vermeld in § 1 wordt verminderd met de tijd, die als in aanmerking komende dienst geldt op grond van [2 artikel 16ter, § 2 en § 4, voor zover het diensten gepresteerd in de privésector betreft, en, en artikel 17]2 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958.
§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 wordt :
1° voor de berekening van de sociale anciënniteit van de personeelsleden van de MST-equipes, voor de periode vóór 1 september 2000, alleen rekening gehouden met de geldelijke anciënniteit, verworven in een gesubsidieerde MST-equipe;
2° de sociale anciënniteit voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, voor de periode vóór 1 september 2003, berekend op basis van de prestaties, vermeld in artikel 14bis, 14ter en 14quater, van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, en op basis van de prestaties, geleverd als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit".
[1 3° voor de berekening van de sociale anciënniteit voor de personeelsleden van de centra voor basiseducatie die voor 1 januari 2018 uitsluitend aangesteld geweest zijn in een functie in een centrum voor basiseducatie en die op 1 januari 2018 of later uitsluitend prestaties verrichten in een centrum voor basiseducatie, voor de periode vóór 1 januari 2018 alleen rekening gehouden met de geldelijke anciënniteit, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, op 31 december 2017. Als het personeelslid voor 1 januari 2018 aangesteld werd in meer dan één functie in een centrum voor basiseducatie, wordt de hoogste geldelijke anciënniteit in aanmerking genomen op die datum.]1
§ 4. Voor het bepalen van het aantal genoten dagen ziekteverlof wordt de duur van de afwezigheden wegens ziekte vanaf 1 januari 1958 geteld. Voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof worden alleen de dagen bezoldigd ziekteverlof meegeteld die vallen binnen de periode die meetelt voor de berekening van het recht op het bezoldigd ziekteverlof. Het langdurig verlof, toegestaan tussen 1 januari 1958 en 1 juli 1968 krachtens artikel 3, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de ziekte- en bevallingsverloven der leden van het personeel van het Rijksonderwijs, wordt niet meegeteld.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof voor :
1° de personeelsleden van de MST-equipes geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof genoten vóór 1 september 2000;
2° de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof genoten vóór 1 september 2003.
[1 3° de personeelsleden van de centra voor basiseducatie, vermeld in paragraaf 3, 3°, geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof dat ze opgenomen hebben vóór 1 januari 2018.]1
Art. 5. § 1er. Pour l'application de l'article 3, l'ancienneté sociale d'un membre du personnel égale la somme de :
1° son ancienneté pécuniaire, telle que définie sur la base des dispositions du régime pécuniaire ou des régimes pécuniaires qui lui sont applicables au moment de son absence pour cause de maladie;
2° la durée des services que le membre du personnel a accomplis avant l'ùge mentionné dans la classe de son échelle de traitement, pour autant que ces services satisfassent aux autres exigences du régime pécuniaire applicable;
3° le cas échéant, l'ancienneté pécuniaire acquise dans des charges considérées comme fonction accessoire dans l'enseignement de plein exercice, à condition que les services ne soient pas encore comptabilisés conformément aux points 1° et 2°. Pour le calcul de cette ancienneté, le mode de calcul des services considérés comme fonction principale est d'application;
4° le cas échéant, l'ancienneté pécuniaire acquise dans des services prestés en fonction accessoire dans l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, à condition que les services ne soient pas encore comptabilisés conformément aux points 1°, 2°, ou 3°.
5° le cas échéant, la durée des services qui sont effectivement pris en compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire sur la base d'une des dispositions suivantes, à condition que les services ne soient pas encore comptabilisés conformément aux points 1°, 2°, 3° ou 4° :
a) l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 portant statut pĂ©cuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilĂ© du MinistĂšre de l'Instruction publique;
b) l'arrĂȘtĂ© royal du 1er dĂ©cembre 1970 fixant le statut pĂ©cuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat;
c) l'arrĂȘtĂ© royal du 10 mars 1965 portant statut pĂ©cuniaire du personnel des cours Ă  horaire rĂ©duit relevant du MinistĂšre de l'Education nationale et de la Culture;
[1 d) les dispositions du Chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant des dispositions pĂ©cuniaires applicables aux membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 portant statut pĂ©cuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilĂ© du MinistĂšre de l'Instruction publique et l'arrĂȘtĂ© royal du 1er dĂ©cembre 1970 fixant le statut pĂ©cuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat.]1
§ 2. L'anciennetĂ© sociale visĂ©e au § 1er est rĂ©duite du temps qui vaut comme service admissible sur la base de [2 l'article 16ter, § § 2 et 4, dans la mesure oĂč il s'agit de services fournis dans le secteur privĂ©, et de l'article 17]2 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 15 avril 1958.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1er et § 2 :
1° seule l'ancienneté pécuniaire acquise dans une équipe MST subventionnée est prise en compte pour le calcul de l'ancienneté sociale des personnels des équipes MST, pour la période antérieure au 1er septembre 2000.
2° pour ce qui est de la pĂ©riode avant le 1er septembre 2003, l'anciennetĂ© sociale pour le collaborateur administratif dans la catĂ©gorie du personnel de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental est calculĂ©e sur la base des prestations visĂ©es aux articles 14bis, 14ter et 14quater de l'arrĂȘtĂ© royal du 1er dĂ©cembre 1970 fixant le statut pĂ©cuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, et, sur la base des prestations rendues comme travailleur du "cadre spĂ©cial temporaire" et du "troisiĂšme circuit du travail".
[1 3° pour le calcul de l'anciennetĂ© sociale pour les membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base qui, avant le 1er janvier 2018, ont Ă©tĂ© dĂ©signĂ©s exclusivement dans une fonction dans un centre d'Ă©ducation de base et qui, au 1er janvier 2018 ou plus tard, accomplissent exclusivement des prestations dans un centre d'Ă©ducation de base, il est uniquement tenu compte, pour la pĂ©riode avant le 1er janvier 2018, de l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire visĂ©e Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant des dispositions pĂ©cuniaires applicables aux membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 portant statut pĂ©cuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilĂ© du MinistĂšre de l'Instruction publique et l'arrĂȘtĂ© royal du 1er dĂ©cembre 1970 fixant le statut pĂ©cuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, acquise au 31 dĂ©cembre 2017. Lorsque le membre du personnel a Ă©tĂ© dĂ©signĂ© avant le 1er janvier 2018 dans plus d'une fonction dans un centre d'Ă©ducation de base, l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire la plus importante est prise en considĂ©ration Ă  cette date.]1
§ 4. Pour la fixation du nombre de jours de congĂ© de maladie dĂ©jĂ  pris est comptabilisĂ©e la durĂ©e des absences pour cause de maladie Ă  compter du 1er janvier 1958. Pour le calcul du nombre de jours de congĂ©s de maladie dĂ©jĂ  pris ne sont comptabilisĂ©s que les jours de congĂ© de maladie rĂ©munĂ©rĂ© qui tombent dans la pĂ©riode prise en compte pour le calcul du droit au congĂ© de maladie rĂ©munĂ©rĂ©. Le congĂ© de longue durĂ©e accordĂ© entre le 1er janvier 1958 et le 1er juillet 1968 en vertu de l'article 3, troisiĂšme et quatriĂšme alinĂ©as, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 dĂ©cembre 1959 relatif aux congĂ©s de maladie et de maternitĂ© des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat n'est toutefois pas pris en compte.
Par dérogation au premier alinéa, il n'est pas tenu compte pour le calcul du nombre de jours de congé de maladie déjà pris :
1° pour les membres du personnel des équipes MST, du nombre de jours de congé de maladie déjà pris avant le 1er septembre 2000;
2° pour le collaborateur administratif dans la catégorie du personnel de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental, du nombre de jours de congé pour cause de maladie déjà pris avant le 1er septembre 2003.
[1 3° pour les membres du personnel des centres d'éducation de base visés au paragraphe 3, 3° du nombre de jours de congé de maladie déjà pris avant le 1er janvier 2018.]1
Art. 6. Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd en, in afwijking van artikel 3, § 1 en § 2, zonder tijdsbeperking toegestaan. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg naar en van het werk;
3° een beroepsziekte;
4° een bedreiging door een beroepsziekte.
Deze dagen afwezigheid worden niet in mindering gebracht van het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.
Art. 6. Certaines absences sont censĂ©es ĂȘtre des jours de congĂ© de maladie rĂ©munĂ©rĂ© et, par dĂ©rogation Ă  l'article 3, §§ 1er et 2, accordĂ©es sans limite de temps. Il s'agit d'une absence pour cause de :
1° un accident de travail;
2° un accident survenu sur le chemin du travail;
3° une maladie professionnelle;
4° un risque de maladie professionnelle.
Ces jours d'absence ne sont pas réduits du nombre de jours de congé de maladie rémunéré auxquels le membre du personnel a encore droit.
Art. 7. Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs heeft aangewezen ter uitvoering van artikel 57 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs-V.
Art. 7. Le membre du personnel qui est absent pour cause de maladie est soumis au contrÎle médical de l'organe de contrÎle désigné par le Ministre flamand chargé de l'enseignement, en application de l'article 57 du décret du 15 décembre 1993 relatif à l'enseignement-V.
Art. 8. Het personeelslid kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte, voor hij het bezoldigd ziekteverlof heeft opgebruikt waarop hij krachtens artikel 3 voor het geheel van zijn loopbaan recht heeft.
Art. 8. Le membre du personnel ne peut ĂȘtre dĂ©clarĂ© dĂ©finitivement inapte pour cause de maladie avant qu'il n'ait Ă©puisĂ© le congĂ© de maladie rĂ©munĂ©rĂ© auquel il a droit pour l'ensemble de sa carriĂšre en vertu de l'article 3.
Art. 9. [1 § 1.]1 Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde, en dat geen ongeval is als vermeld in artikel 6, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.
Om het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof te bepalen waarop het personeelslid krachtens artikel 3 recht heeft, wordt de afwezigheid als gevolg van een dergelijk ongeval niet in aanmerking genomen ten belope van het percentage aansprakelijkheid waarvoor de derde aansprakelijk is gesteld en :
1° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid heeft betaald;
2° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald maar de reden van de niet-betaling het gevolg is van de onvermogendheid van de derde, op voorwaarde dat de aansprakelijkheid en de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval door een rechtbank is vastgesteld of door de derde werd erkend;
3° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald wegens een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap om het salaris of de salaris-toelage niet terug te vorderen van de derde.
[1 § 2. Als de afwezigheid te wijten is aan een arbeidsongeval bij een andere werkgever, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in de rechten doet treden van het betrokken personeelslid en zijn werkgever. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de verzekeraar van het arbeidsongeval bij de andere werkgever.
In het eerste lid wordt onder werkgever verstaan : de werkgever waar het betrokken personeelslid een aanstelling of een arbeidsovereenkomst heeft, waarbij het salaris of de salaristoelage betaald wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
In het eerste lid wordt onder andere werkgever verstaan : de werkgever waar het betrokken personeelslid op het ogenblik van het arbeidsongeval een aanstelling of een arbeidsovereenkomst heeft, waarbij het salaris niet betaald wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
Om het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof te bepalen waarop het vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelslid met toepassing van artikel 3 recht heeft, wordt de afwezigheid als gevolg van een dergelijk ongeval niet in aanmerking genomen als de arbeidsongevallenverzekeraar overeenkomstig het eerste lid heeft betaald.]1

Art. 9. [1 § 1er.]1 Lorsque l'absence est due à un accident provoqué par la faute d'un tiers, et ce n'est pas un accident au sens de l'article 6, le membre du personnel ne perçoit son traitement ou sa subvention-traitement qu'à titre d'avance, versée sur l'indemnité due par le tiers. Le traitement ou la subvention-traitement n'est payé qu'à condition que le membre du personnel intéressé subroge la Communauté flamande dans ses droits contre la personne responsable de l'accident jusqu'à concurrence de la somme payée par la Communauté flamande. Le traitement ou la subvention-traitement est récupéré par la Communauté flamande du tiers responsable de l'accident.
Pour déterminer le nombre de jours de congé de maladie rémunéré auquel a droit le membre du personnel en vertu de l'article 3, l'absence en raison d'un tel accident n'est pas prise en considération à concurrence du pourcentage de responsabilité imputé au tiers et :
1° lorsque le tiers a payé conformément au premier alinéa;
2° lorsque le tiers n'a pas payé conformément au premier alinéa, mais le non-paiement est occasionné par l'insolvabilité du tiers à condition que la responsabilité et la période d'absence en raison de l'accident soient constatées par un tribunal ou reconnues par le tiers;
3° lorsque le tiers n'a pas payé conformément au premier alinéa en raison d'une décision de la Communauté flamande de ne pas récupérer le traitement ou la subvention-traitement auprÚs du tiers.
[1 § 2. Si l'absence est due à un accident de travail auprÚs d'un autre employeur, le membre du personnel ne perçoit son traitement ou sa subvention-traitement qu'à titre d'avance, versée sur l'indemnité due par l'assurance accidents de travail. Le traitement ou la subvention-traitement n'est payé qu'à condition que le membre du personnel intéressé subroge la Communauté flamande dans ses droits de la personne concernée et de son employeur jusqu'à concurrence de la somme payée par la Communauté flamande. Le traitement ou la subvention-traitement est récupéré par la Communauté flamande auprÚs de l'assurance accidents de travail auprÚs de l'autre employeur.
A l'alinĂ©a premier, on entend par employeur : l'employeur oĂč le membre du personnel concernĂ© a une dĂ©signation ou un contrat de travail, le traitement ou la subvention-traitement Ă©tant payĂ©s par le MinistĂšre flamand de l'Enseignement et de la Formation.
A l'alinĂ©a premier, on entend par autre employeur : l'employeur oĂč le membre du personnel concernĂ© a une dĂ©signation ou un contrat de travail au moment de l'accident de travail, le traitement n'Ă©tant pas payĂ© par le MinistĂšre flamand de l'Enseignement et de la Formation.
Afin de déterminer le nombre de jours de congé de maladie rémunéré auquel le membre du personnel nommé ou admis au stage a droit en application de l'article 3, l'absence pour cause d'un tel accident n'est pas prise en compte si l'assurance accidents de travail a payé conformément à l'alinéa premier.]1

Afdeling II. - Tijdelijk aangestelde personeelsleden.
Section II. - Les membres du personnel désignés à titre temporaire.
Art. 10. Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, die tijdelijk zijn aangesteld.
De bepalingen van deze afdeling gelden enkel voor de afwezigheid wegens ziekte die ligt binnen de periode van aanstelling van een tijdelijk personeelslid.
Art. 10. La présente section est applicable aux membres du personnel, visés à l'article 1er, § 1er, nommés à titre temporaire.
Les dispositions de la présente section ne sont applicables qu'à l'absence pour cause de maladie se situant dans la période de désignation d'un membre du personnel temporaire.
Art. 11. § 1. Het personeelslid, vermeld in artikel 10, dat, eenmaal zijn opdracht effectief heeft opgenomen een eerste keer afwezig is wegens ziekte, krijgt een aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof, berekend naar rata van één dag per reeks van tien dagen waarvoor een salaris of een salaristoelage wordt verstrekt als tijdelijk personeelslid sinds 1 april 1969.
Voor de toepassing van het eerste lid tellen alleen die perioden mee waarvoor het personeelslid vermeld in artikel 10, als tijdelijk personeelslid in hoofdambt of in bijbetrekking, van 1 april 1969 af, een salaris of salaristoelage van de onderwijsadministratie heeft verkregen, ongeacht de aard van de instelling of het centrum waar die diensten werden gepresteerd. Per schooljaar mogen maximaal 300 kalenderdagen worden aangerekend.
§ 2. Als het personeelslid opnieuw afwezig is wegens ziekte, is het aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof waarop het aanspraak kan maken, gelijk aan het aantal kalenderdagen, berekend volgens § 1, verminderd met het aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof dat het sinds 1 april 1969 heeft genoten.
§ 3. Voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof worden alleen de dagen bezoldigd ziekteverlof meegeteld die vallen binnen de periode die meetelt voor de berekening van het recht op het bezoldigd ziekteverlof.
Art. 11. § 1er. Le membre du personnel, visé à l'article 10, qui, une fois en service effectif, est pour la premiÚre fois absent pour cause de maladie, reçoit un nombre de jours de congé de maladie rémunéré, calculé au prorata d'un jour par série de dix jours pour lesquels il a obtenu un traitement ou une subvention-traitement en qualité de membre du personnel temporaire depuis le 1er avril 1969.
Pour l'application du premier alinĂ©a, ne sont prises en considĂ©ration que les pĂ©riodes pour lesquelles le membre du personnel, visĂ© Ă  l'article 10, en tant que membre du personnel temporaire en fonction principale ou en fonction accessoire, depuis le 1er avril 1969, a reçu un traitement ou une subvention-traitement de l'administration de l'enseignement, sans prĂ©judice de la nature de l'Ă©tablissement ou du centre oĂč les services ont Ă©tĂ© accomplis. Par annĂ©e scolaire, 300 jours calendaires peuvent ĂȘtre comptabilisĂ©s.
§ 2. Si le membre du personnel est de nouveau absent pour cause de maladie, le nombre de jours calendaires de congé de maladie rémunéré auquel il peut prétendre est égal au nombre de jours calendaires, calculé suivant le § 1er, réduit du nombre de jours calendaires de congé de maladie rémunéré qu'il a déjà pris depuis le 1er avril 1969.
§ 3. Pour le calcul du nombre de jours de congé de maladie pris ne sont comptabilisés que les jours de congé de maladie rémunéré qui tombent dans la période prise en compte pour le calcul du droit au congé de maladie rémunéré.
Art. 12. In afwijking van artikel 11 kan het personeelslid, vermeld in artikel 10, dat aangesteld werd voor de volledige duur van het schooljaar en dat eenmaal zijn opdracht effectief heeft opgenomen en dat afwezig is wegens ziekte, voor dat jaar aanspraak maken op dertig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof als de toepassing van artikel 11 in zijn geval minder gunstig is.
Als het betrokken personeelslid echter vrijwillig of gedwongen zijn ambt neerlegt of onderbreekt voor het einde van het schooljaar, wordt het bedrag, gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging die het op grond van het eerste lid van dit artikel heeft gekregen en de bezoldiging waarop het aanspraak zou kunnen maken hebben door de toepassing van artikel 11, aan de belanghebbende teruggevraagd.
Art. 12. Par dérogation à l'article 11, le membre du personnel, visé à l'article 10, qui a été désigné pour une année scolaire complÚte et qui, une fois en service effectif, est absent pour cause de maladie, peut prétendre pour l'année en question à trente jours calendaires de congé de maladie rémunéré, si l'application de l'article 11 lui est moins favorable.
Si, par contre, le membre du personnel intéressé quitte ou interrompt volontairement ou de force l'exécution de sa fonction avant la fin de l'année scolaire, le montant égal à la différence entre la rémunération qu'il a reçue sur la base du premier alinéa du présent article et la rémunération à laquelle il aurait pu prétendre par application de l'article 11, est réclamé à l'intéressé.
Art.12/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 11 worden voor de tijdelijke personeelsleden die voor 1 januari 2018 uitsluitend aangesteld geweest zijn in een functie in een centrum voor basiseducatie en die op 1 januari 2018 of later uitsluitend prestaties verrichten in een centrum voor basiseducatie, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof voor de periode vóór 1 januari 2018, bepaald op vijftien dagen per twaalf maanden geldelijke anciënniteit.
Voor de personeelsleden vermeld in het eerste lid, wordt de geldelijke anciënniteit berekend op 31 december 2017 conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de centra voor basiseducatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs. Als het personeelslid voor 1 januari 2018 aangesteld is in meer dan één functie in een centrum voor basiseducatie, wordt de hoogste geldelijke anciënniteit genomen op die datum.
§ 2. Bij de personeelsleden vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof dat ze opgenomen hebben vóór 1 januari 2018.]1

Art.12/1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 11, est fixé à quinze jours par douze mois d'ancienneté pécuniaire, le nombre de jours de congé de maladie rémunéré pour la période avant le 1er janvier 2018 pour les membres du personnel temporaires qui, avant le 1er janvier 2018, ont été désignés exclusivement dans une fonction dans un centre d'éducation de base et qui, le 1er janvier 2018 ou plus tard, accomplissent exclusivement des prestations dans un centre d'éducation de base.
Pour les membres du personnel visĂ©s Ă  l'alinĂ©a 1er, l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire est calculĂ©e au 31 dĂ©cembre 2017 conformĂ©ment Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant des dispositions pĂ©cuniaires applicables aux membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 portant statut pĂ©cuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilĂ© du MinistĂšre de l'Instruction publique et l'arrĂȘtĂ© royal du 1er dĂ©cembre 1970 fixant le statut pĂ©cuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat. Lorsque le membre du personnel a Ă©tĂ© dĂ©signĂ© avant le 1er janvier 2018 dans plus d'une fonction dans un centre d'Ă©ducation de base, l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire la plus importante est prise en considĂ©ration Ă  cette date.
§ 2. Pour les membres du personnel visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, il n'est pas tenu compte du nombre de jours de congé de maladie déjà pris avant le 1er janvier 2018.]1

Art. 13. Als een personeelslid vermeld in artikel 10, afwezig is wegens ziekte de kalenderdag vóór een wettelijke feestdag, een weekend, een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie en eveneens afwezig is wegens ziekte de kalenderdag na dezelfde wettelijke feestdag, hetzelfde weekend, dezelfde herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, dan word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) eveneens aangerekend als afwezigheid wegens ziekte. Dit geldt eveneens indien een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of een wettelijke feestdag aansluit of voorafgaat aan een weekend.
In afwijking van het eerste lid word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) niet als afwezigheid wegens ziekte aangerekend als het personeelslid, op eigen initiatief met een medisch attest aan het controleorgaan, vermeld in artikel 17, het bewijs levert dat de tweede ziekteperiode geen verband houdt met de eerste ziekteperiode.
Art. 13. Si un membre du personnel visĂ© Ă  l'article 10 est absent pour cause de maladie le jour calendaire avant un jour fĂ©riĂ© lĂ©gal, un week-end, les vacances d'automne, de NoĂ«l, de Carnaval et de PĂąques, et est Ă©galement absent le jour calendaire aprĂšs le mĂȘme jour fĂ©riĂ© lĂ©gal, le mĂȘme week-end, les mĂȘmes vacances d'automne, de NoĂ«l, de Carnaval et de PĂąques, le(s) jour(s) calendaire(s) intermĂ©diaires sont Ă©galement comptabilisĂ©s comme jours de congĂ© de maladie. Cette disposition est Ă©galement d'application si les vacances d'automne, de NoĂ«l, de Carnaval et de PĂąques ou un jour fĂ©riĂ© lĂ©gal suivent ou prĂ©cĂšdent un week-end.
Par dérogation au premier alinéa, le(s) jour(s) calendaire(s) intermédiaire(s) n'est (ne sont) pas comptabilisé(s) comme absence pour cause de maladie si le membre du personnel prouve, à sa propre initiative et sur présentation d'un certificat médical à l'organe de contrÎle, visé à l'article 17, que la seconde période de maladie n'a aucun rapport avec la premiÚre période de maladie.
Art. 14. De afwezigheden wegens ziekte, vermeld in artikel 11, 12 en 13, zijn periodes van bezoldigd verlof en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. Als die periode zich binnen zijn aanstelling bevindt, heeft het personeelslid tijdens dat verlof recht op een salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.
Art. 14. Les absences pour cause de maladie, visées aux articles 11, 12 et 13, sont des périodes de congé rémunéré et sont assimilées à des périodes d'activité de service. Si cette période se situe pendant la durée de sa désignation, le membre du personnel a droit pendant ce congé au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement.
Art. 15. Als de afwezigheid wegens ziekte van een personeelslid vermeld in artikel 10, langer duurt dan de periode waarvoor het werd aangesteld, mag de toepassing van de bepalingen van artikel 11, 12 en 13 niet tot gevolg hebben dat de betrokkene bezoldigd wordt gedurende een periode na de datum waarop zijn tijdelijke aanstelling geëindigd is.
Art. 15. Si l'absence pour cause de maladie d'un membre du personnel visé à l'article 10 excÚde la période pour laquelle il a été désigné, l'application des dispositions des articles 11, 12 et 13 ne peut avoir pour conséquence que l'intéressé soit rémunéré aprÚs l'expiration de sa désignation temporaire.
Art. 16. Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd en, in afwijking van artikel 11, zonder tijdsbeperking toegestaan als die periode zich bevindt binnen de aanstelling van het personeelslid, vermeld in artikel 10. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg naar en van het werk;
3° een beroepsziekte;
4° een bedreiging door een beroepsziekte.
Deze dagen afwezigheid worden niet in mindering gebracht van het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.
Art. 16. Certaines absences sont censĂ©es ĂȘtre des jours de congĂ© de maladie rĂ©munĂ©rĂ© et, par dĂ©rogation Ă  l'article 11, accordĂ©es sans limite de temps si cette periode se situe dans la pĂ©riode de dĂ©signation du membre du personnel, visĂ© Ă  l'article 10. Il s'agit d'une absence pour cause de :
1° un accident de travail;
2° un accident survenu sur le chemin du travail;
3° une maladie professionnelle;
4° un risque de maladie professionnelle.
Ces jours d'absence ne sont pas réduits du nombre de jours de congé de maladie rémunéré auxquels le membre du personnel a encore droit.
Art. 17. Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs heeft aangewezen ter uitvoering van artikel 57 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs-V.
Art. 17. Le membre du personnel qui est absent pour cause de maladie est soumis au contrÎle médical de l'organe de contrÎle désigné par le Ministre flamand chargé de l'enseignement, en application de l'article 57 du décret du 15 décembre 1993 relatif à l'enseignement-V.
Art. 18. [1 §1.]1 Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde en dat geen ongeval is als vermeld in artikel 16, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.
Als het personeelslid het werk hervat, wordt het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vermeerderd met het aantal dagen ten belope van het percentage aansprakelijkheid waarvoor de derde aansprakelijk is gesteld. De aanvulling gebeurt pas :
1° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid heeft betaald;
2° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald maar de reden van de niet-betaling het gevolg is van de onvermogendheid van de derde, op voorwaarde dat de aansprakelijkheid en de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval door een rechtbank is vastgesteld of door de derde werd erkend;
3° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald wegens een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap om het salaris of de salaristoelage niet terug te vorderen van de derde;
en nadat het personeelslid heeft verklaard dat de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval werd beëindigd. Hij doet die verklaring met een formulier dat de minister of zijn gemachtigde vaststelt. De aanvulling van het recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof heeft alleen gevolgen voor de latere afwezigheden.
[1 § 2. Als de afwezigheid te wijten is aan een arbeidsongeval bij een andere werkgever, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in de rechten doet treden van het betrokken personeelslid en zijn werkgever. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de verzekeraar van het arbeidsongeval bij de andere werkgever.
In het eerste lid wordt onder werkgever verstaan : de werkgever waar het betrokken personeelslid een aanstelling of een arbeidsovereenkomst heeft, waarbij het salaris of de salaristoelage betaald wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
In het eerste lid wordt onder andere werkgever verstaan : de werkgever waar het betrokken personeelslid een aanstelling of een arbeidsovereenkomst heeft op het ogenblik van het arbeidsongeval, waarbij het salaris niet betaald wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
Om het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof te bepalen waarop het tijdelijk personeelslid met toepassing van artikel 10 en 11 recht heeft, wordt de afwezigheid als gevolg van een dergelijk ongeval niet in aanmerking genomen als de arbeidsongevallenverzekeraar overeenkomstig het eerste lid heeft betaald.
Het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof wordt vermeerderd met het aantal dagen waarvoor de arbeidsongevallenverzekeraar overeenkomstig het eerste lid heeft betaald.]1

Art. 18. [1 § 1er.]1 Lorsque son absence est due à un accident provoqué par la faute d'un tiers, et ce n'est pas un accident au sens de l'article 16, le membre du personnel ne perçoit son traitement ou sa subvention-traitement qu'à titre d'avance, versée sur l'indemnité due par le tiers. Le traitement ou la subvention-traitement n'est payé qu'à condition que le membre du personnel intéressé subroge la Communauté flamande dans ses droits contre la personne responsable de l'accident jusqu'à concurrence de la somme payée par la Communauté flamande. Le traitement ou la subvention-traitement est récupéré par la Communauté flamande auprÚs du tiers responsable de l'accident.
1° Si le membre du personnel reprend son travail, le droit au nombre de jours de congé de maladie rémunéré est majoré du nombre de jours à concurrence du pourcentage de responsabilité imputé au tiers. Le complément du paiement ne s'effectue que :
1° lorsque le tiers a payé conformément au premier alinéa;
2° lorsque le tiers n'a pas payé conformément au premier alinéa, mais la raison du non-paiement est l'insolvabilité du tiers à condition que la responsabilité et la période d'absence en raison de l'accident soient constatées par un tribunal ou reconnues par le tiers;
3° lorsque le tiers n'a pas payé conformément au premier alinéa en raison d'une décision de la Communauté flamande de ne pas récupérer le traitement ou la subvention-traitement auprÚs du tiers;
et aprÚs que le membre du personnel a déclaré que la période d'absence en raison de l'accident a pris fin. Il fait cette déclaration à l'aide d'un formulaire fixé par le ministre ou son mandataire. Ce droit complémentaire à un nombre de jours de congé de maladie rémunéré n'a des conséquences que pour des absences ultérieures.
[1 § 2. Si l'absence est due à un accident de travail auprÚs d'un autre employeur, le membre du personnel ne perçoit son traitement ou sa subvention-traitement qu'à titre d'avance, versée sur l'indemnité due par l'assurance contre les accidents de travail. Le traitement ou la subvention-traitement n'est payé qu'à condition que le membre du personnel intéressé subroge la Communauté flamande dans ses droits de la personne concernée et de son employeur jusqu'à concurrence de la somme payée par la Communauté flamande. Le traitement ou la subvention-traitement est récupéré par la Communauté flamande auprÚs de l'assurance de l'accident de travail auprÚs de l'autre employeur.
A l'alinĂ©a premier, on entend par employeur : l'employeur oĂč le membre du personnel concernĂ© a une dĂ©signation ou un contrat de travail, le traitement ou la subvention-traitement Ă©tant payĂ© par le MinistĂšre de l'Enseignement et de la Formation.
A l'alinĂ©a premier, on entend par autre employeur : l'employeur oĂč le membre du personnel concernĂ© a une dĂ©signation ou un contrat de travail au moment de l'accident de travail, le traitement n'Ă©tant pas payĂ© par le MinistĂšre de l'Enseignement et de la Formation.
Afin de déterminer le congé de maladie rémunéré auquel le membre du personnel temporaire a droit en application des articles 10 et 11, l'absence pour cause d'un tel accident n'est pas prise en compte si l'assurance des accidents de travail a payé conformément à l'alinéa premier.
Le droit à un nombre de jours de congé de maladie rémunéré est majoré du nombre de jours pour lesquels l'assurance d'accident de travail a payé conformément à l'alinéa premier.]1

Afdeling III. - Contractuele personeelsleden.
Section III. - Les membres du personnel contractuels.
Art. 19. Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 2, die worden betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. De bepalingen gelden alleen voor de afwezigheid die ligt binnen de periode van hun arbeidsovereenkomst.
Art. 19. La présente section est applicable aux membres du personnel, visés à l'article 1er, § 2, qui sont payés par le MinistÚre flamand de l'Enseignement et de la Formation. Les dispositions ne sont applicables qu'à l'absence pendant la durée de leur contrat de travail.
Art. 20. Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd en zonder tijdsbeperking toegestaan. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg naar en van het werk;
3° een beroepsziekte;
4° een bedreiging door een beroepsziekte,
Gedurende die periode van afwezigheid en op voorwaarde dat die periode zich binnen de periode van de arbeidsovereenkomst bevindt, behoudt het personeelslid het recht op een salaris en salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.
Art. 20. Certaines absences sont censĂ©es ĂȘtre des jours de congĂ© de maladie rĂ©munĂ©rĂ© et accordĂ©es sans limite de temps. Il s'agit de l'absence pour cause de :
1° un accident de travail;
2° un accident survenu sur le chemin du travail;
3° une maladie professionnelle;
4° un risque de maladie professionnelle.
Au cours de cette période d'absence et à condition que cette période se situe pendant la durée de validité du contrat de travail, le membre du personnel maintient son droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement.
Art. 21. Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs heeft aangewezen [1 ter uitvoering van artikel V.19 van de codificatie van sommige bepalingen van 28 oktober 2016]1.
Art. 21. Le membre du personnel qui est absent pour cause de maladie est soumis au contrÎle médical de l'organe de contrÎle désigné par le Ministre flamand chargé de l'enseignement, [1 en application de l'article V.19 de la codification de certaines dispositions du 28 octobre 2016]1.
Art. 22. Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde en dat geen ongeval is als vermeld in artikel 20, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt. Het salaris wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.
Art. 22. Lorsque l'absence est due à un accident provoqué par la faute d'un tiers, et ce n'est pas un accident au sens de l'article 20, le membre du personnel ne perçoit son traitement qu'à titre d'avance, versée sur l'indemnité due par le tiers. Le traitement n'est payé qu'à condition que le membre du personnel intéressé subroge la Communauté flamande dans ses droits contre la personne responsable de l'accident jusqu'à concurrence de la somme payée par la Communauté flamande. Le traitement est récupéré par la Communauté flamande auprÚs du tiers responsable de l'accident.
HOOFDSTUK III. - [1 Verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte]1
CHAPITRE III. - [1 Congé pour prestations réduites pour cause de maladie]1
Art. 23. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de tijdelijke personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, zolang ze recht hebben op bezoldigd ziekteverlof ]1
.
Art. 23. [1 Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel nommés à titre définitif, visés à l'article 1er, § 1er.
Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel temporaires, visés à l'article 1er, § 1er, tant qu'ils ont droit au congé de maladie rémunéré ]1
.
Art. 24. [1 § 1. Het personeelslid, vermeld in artikel 23, [2 kan een aanvraag indienen]2 om onmiddellijk aansluitend op een periode van bezoldigd ziekteverlof [2 of van terbeschikkingstelling wegens ziekte]2, omwille van een ernstige of langdurige ziekte zijn ambt of ambten met verminderde prestaties uit te oefenen met het oog op het volledig hernemen van de opdracht die het personeelslid uitoefende aan de vooravond van [2 de afwezigheid wegens ziekte]2.
Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte kan door het controleorgaan worden toegestaan op aanvraag van het personeelslid of op voorstel van het controleorgaan zelf. In beide gevallen stuurt het personeelslid [2 een aanvraag in de vorm van een plan]2, opgemaakt door de behandelende arts, in naar het controleorgaan. In dat plan vermeldt de behandelende arts de vermoedelijke duur van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en het volume van de nog te verrichten prestaties tijdens de periode van dat verlof. Met het volume van de nog te verrichten prestaties wordt de verhouding bedoeld, uitgedrukt in procenten, tussen het aantal nog te verrichten prestatie-eenheden en het aantal prestatie-eenheden die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. Als het controleorgaan oordeelt dat de gezondheidstoestand van de betrokkene dat toelaat, brengt het [2 ...]2 het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, de directeur van de school, instelling of centrum waar het betrokken personeelslid is tewerkgesteld en het betrokken personeelslid zelf op de hoogte van die beslissing. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte kan pas aanvangen na de voorafgaande goedkeuring van het plan door het controleorgaan. [2 De totale duur van het verlof kan ook bestaan uit opeenvolgende periodes met een verschillend volume van nog te verrichten prestaties. Het volume van de nog te verrichten prestaties wordt in dat geval telkens groter]2.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. De personeelsleden van wie de tewerkstelling met verminderde prestaties eindigt overeenkomstig de volgende bepalingen, hebben het recht om onder de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte aan te vragen :
1° artikel 32bis van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk;
2° artikel 19bis het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte onmiddellijk aansluiten op de periode, vermeld [2 ...]2 in paragraaf 3.]1

Art. 24. [1 § 1er. Le membre du personnel, visé à l'article 23, [2 peut introduire une demande d'exécuter]2, sa fonction ou ses fonctions à prestations réduites en vue de la reprise entiÚre de la mission effectuée par le membre du personnel à la veille [2 de l'absence pour cause de maladie]2, dans la période immédiatement consécutive à une période de congé de maladie rémunéré [2 ou de mise en disponibilité pour cause de maladie]2, pour cause d'une maladie sévÚre et de longue durée.
Le congĂ© pour prestations rĂ©duites en cas de maladie peut ĂȘtre autorisĂ© par l'organisme de contrĂŽle sur demande du membre du personnel ou sur demande de l'organe de contrĂŽle mĂȘme. Dans les deux cas, le membre du personnel envoie [2 une demande sous forme d'un plan ]2, Ă©tabli par le mĂ©decin traitant, Ă  l'organe de contrĂŽle. Dans ce plan, le mĂ©decin traitant mentionne la durĂ©e prĂ©sumĂ©e du congĂ© pour prestations rĂ©duites en cas de maladie et le volume des prestations encore Ă  effectuer pendant la pĂ©riode de ce congĂ©. Par le volume des prestations encore Ă  effectuer on entend le rapport, exprimĂ© en pourcentage, entre le nombre d'unitĂ©s de prestation encore Ă  effectuer et le nombre d'unitĂ©s de prestation requises pour une fonction Ă  prestations complĂštes. Si l'organe de contrĂŽle juge que l'Ă©tat de santĂ© de l'intĂ©ressĂ© le permet, il communique sa dĂ©cision[2 ...]2, au MinistĂšre flamand de l'Enseignement et de la Formation, au directeur de l'Ă©cole, de l'Ă©tablissement ou du centre auprĂšs duquel le membre du personnel concernĂ© est employĂ©, et au membre du personnel mĂȘme. Le congĂ© pour prestations rĂ©duites pour cause de maladie ne peut commencer qu'aprĂšs approbation prĂ©alable du plan par l'organisme de contrĂŽle. [2 La durĂ©e totale du congĂ© peut Ă©galement ĂȘtre composĂ©e de pĂ©riodes consĂ©cutives avec un volume diffĂ©rent de prestations Ă  effectuer. Dans ce cas, le volume des prestations Ă  effectuer augmente chaque fois]2.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. Les membres qui ont épuisé l'emploi à prestations réduites conformément aux dispositions suivantes, ont le droit de demander un congé pour prestations réduites en cas de maladie aux conditions visées au § 1er, deuxiÚme alinéa :
1° l'article 32bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 janvier 1969 relatif Ă  la rĂ©paration, en faveur de membres du personnel du secteur public, des dommages rĂ©sultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail;
2° l'article 19bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 janvier 1971 relatif Ă  la rĂ©paration des dommages rĂ©sultant des maladies professionnelles dans le secteur public.
§ 4. Par dérogation au § 1er, premier alinéa, le congé pour prestations réduites en cas de maladie peut succéder immédiatement à la période, visée au [2 ...]2 § 3.]1

Art. 25. [1 Het personeelslid dat een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte krijgt, moet zijn ambt of ambten opnieuw opnemen voor het volume dat vastgelegd is in het plan. Het aantal nog te verrichten prestaties moet wel [3 ten minste 20%]3 bedragen van het aantal prestatie-eenheden die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang het geval, op een volledige lestijd, een volledig lesuur, [2 of een volledig uur]2.[3 ...]3.
De prestaties, verricht door personeelsleden die belast zijn met een opdracht aan een hogeschool, als vermeld in artikel 2, 39°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, komen enkel en alleen in aanmerking om het volume te bepalen van de nog te verrichten prestaties.]1

Art. 25. [1 Le membre du personnel qui obtient un congĂ© pour prestations rĂ©duites pour cause de maladie, doit reprendre sa fonction ou ses fonctions pour le volume fixĂ© dans le plan. Le nombre de prestations restant Ă  accomplir doit [3 au moins ĂȘtre 20 %]3 du nombre d'unitĂ©s de prestations requises pour une fonction Ă  prestations complĂštes. Les prestations restant Ă  accomplir sont toujours arrondies Ă  l'unitĂ© supĂ©rieure, selon le cas, Ă  une pĂ©riode-professeur entiĂšre, une heure de cours entiĂšre [2 ou une heure complĂšte]2. [3 ...]3.
Uniquement les prestations, fournies par les membres du personnel dans une fonction de l'institut supérieur, telle que visées à l'article 2, 39°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, sont prises en compte pour déterminer le volume des prestations encore à fournir.]1

Art.25/1. [1 Als het personeelslid het volume of de duur van een periode, die zijn vastgelegd in het plan, wil wijzigen, dient het personeelslid bij het controleorgaan opnieuw een plan in, dat de behandelende arts opmaakt. ]1
Art.25/1. [1 Si le membre du personnel souhaite modifier le volume ou la durée d'une période, établis dans le plan, il introduit à nouveau un plan, établi par le médecin traitant, auprÚs de l'organisme de contrÎle. ]1
Art. 26. [1 Het controleorgaan kan het plan toestaan of weigeren. [2 Als het controleorgaan dat nodig acht, kan het een tussentijdse controle vastleggen om na te gaan of de gezondheidstoestand van het personeelslid de verdere uitvoering van het plan nog wettigt. In dat geval geldt de goedkeuring voor het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte voor een beperktere periode. Over de eventuele tussentijdse controle maakt het controleorgaan bij de goedkeuring van het plan of bij een tussentijdse controle afspraken met het personeelslid]2.
Als het personeelslid zich op de afgesproken datum niet ter controle kan aanbieden, legt het controleorgaan, mits voorafgaande verwittiging door en in samenspraak met het personeelslid, een nieuwe afspraak vast, [2 ...]2.
Als het controleorgaan het plan of de verdere uitvoering ervan niet goedkeurt, kan het personeelslid beroep aantekenen overeenkomstig de bepalingen van [2 ]artikel 20/1-2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte.]1

Art. 26. [1 L'organisme de contrÎle peut approuver ou refuser le plan. [2 Si l'organisme de contrÎle l'estime nécessaire, il peut prévoir un contrÎle intermédiaire pour vérifier si l'état de santé du membre du personnel justifie toujours la poursuite de la mise en oeuvre du plan. Dans ce cas, l'approbation du congé pour prestations réduites en cas de maladie s'applique pour une période plus limitée. Lors de l'approbation du plan ou lors d'un contrÎle intermédiaire, l'organisme de contrÎle conclut des accords avec le membre du personnel au sujet du contrÎle intermédiaire éventuel]2.
Si le membre du personnel ne peut pas se présenter au contrÎle au moment convenu, l'organisme de contrÎle fixe un nouveau rendez-vous, moyennant un avertissement préalable par et en concertation avec le membre du personnel [2 ...]2.
Si l'organisme de contrĂŽle n'approuve pas le plan ou son exĂ©cution ultĂ©rieure, le membre du personnel peut interjeter appel conformĂ©ment aux dispositions de [2 l'article 20/1]2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993 organisant le contrĂŽle des absences pour cause de maladie.]1

Art. 27. [1 Aan het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte wordt een einde gesteld in de volgende gevallen :
1° op het ogenblik dat het personeelslid de opdracht herneemt die het uitoefende aan de vooravond van het verlof;
2° als het controleorgaan [2 na een tussentijdse controle als vermeld in artikel 26, eerste lid,]2 niet instemt met de verdere uitvoering van het plan;
3° op het ogenblik dat het [2 tijdelijk]2 personeelslid geen recht meer heeft op bezoldigd ziekteverlof [2 ...]2 kleiner wordt dan het volume vermeld;
4° [2 op het ogenblik dat het volume van de nog uitgeoefende prestaties kleiner wordt dan het volume dat op dat ogenblik vooropgesteld wordt in het plan, vermeld in artikel 24, § 1]2;
5° als de duur van de [2 goedgekeurde]2 periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte verstrijkt;
6° als het personeelslid zich zonder wettige redenen onttrekt aan de controle van het controleorgaan.]1

[2 7° als het personeelslid 24 maanden verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte zoals vermeld in artikel 27/1, heeft opgenomen;
8° als het personeelslid de maximumduur van zes maanden overschrijdt, waarbij minder dan 50% van het aantal prestatie-eenheden wordt gepresteerd dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties.]2

Art. 27. [1 Il est mis fin au congé pour des prestations réduites pour cause de maladie dans les cas suivants :
1° au moment oĂč le membre du personnel reprend la charge qu'il a exĂ©cutĂ©e Ă  la veille du congĂ©;
2° si [2 , aprÚs un contrÎle intermédiaire tel que visé à l'article 26, alinéa 1er,]2 l'organisme de contrÎle ne consent pas à l'exécution ultérieure du plan;
3° au moment oĂč le membre du personnel [2 n'a plus ]2 n'a plus droit Ă  un congĂ© de maladie rĂ©munĂ©rĂ© [2 ...]2;
4° [2 au moment oĂč le volume des prestations encore accomplies devient infĂ©rieur au volume prĂ©vu Ă  ce-moment-lĂ  dans le plan, visĂ© Ă  l'article 24, § 1er]2;
5° si la durée de la période [2 approuvée]2 du congé pour prestations réduites pour cause de maladie expire;
6° si le membre du personnel se soustrait sans motif légitime au contrÎle de l'organisme de contrÎle.]1

[2 7° si le membre du personnel a pris 24 mois de congé pour prestations réduites en cas de maladie, tels que visés à l'article 27/1;
8° si le membre du personnel dépasse la durée maximale de six mois, en effectuant moins de 50 % du nombre d'unités de prestation requis pour une fonction à prestations complÚtes.]2

Art.27/1. [1 Een personeelslid kan gedurende zijn loopbaan maximaal 24 maanden verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte opnemen, waarvan gedurende maximaal zes maanden minder dan 50% van het aantal prestatie-eenheden mag worden gepresteerd dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties.
Enkel de periodes van verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte opgenomen vanaf 1 januari 2023 tellen mee voor de berekening van de maximumtermijnen vermeld in het eerste lid. ]1

Art.27/1. [1 Pendant sa carriÚre, un membre du personnel peut prendre au maximum 24 mois de congé pour prestations réduites en cas de maladie, en effectuant pendant au maximum six mois moins de 50 % du nombre d'unités de prestation requis pour une fonction à prestations complÚtes.
Seules les périodes de congé pour prestations réduites en cas de maladie prises à partir du 1er janvier 2023 sont prises en compte pour le calcul des délais maximum visés à l'alinéa 1er. ]1

Art. 28. [1 Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte wordt geschorst zodra het personeelslid, binnen de statutaire bepalingen die op hem van toepassing zijn, een dienstonderbreking opneemt, met uitzondering van het omstandigheidsverlof, het verlof wegens overmacht en een ziekteverlof van minder dan veertien kalenderdagen. De periode van schorsing wordt niet meegerekend om het totaal van 24 maanden verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, vermeld in artikel 27/1, te berekenen. Na de beëindiging van de dienstonderbreking neemt het personeelslid het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte opnieuw op conform het plan, vermeld in artikel 24, § 1.
Dienstonderbrekingen die al zijn ingegaan voor de ingangsdatum van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, kunnen gecombineerd worden met het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, op voorwaarde dat het volume van de nog te verrichten prestaties dat is opgenomen in het plan, vermeld in artikel 24, § 1, wordt gerespecteerd.
Het personeelslid kan niet gelijktijdig gebruikmaken van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en van de deeltijdse hervatting na ziekte in het kader van een beslissing van de adviserende arts van het ziekenfonds ]1
.
Art. 28. [1 Le congé pour prestations réduites en cas de maladie est suspendu dÚs que le membre du personnel prend une interruption de service dans le cadre des dispositions statutaires qui lui sont applicables, à l'exception du congé de circonstance, du congé pour cause de force majeure et d'un congé de maladie de moins de quatorze jours calendaires. La période de suspension n'est pas prise en compte pour calculer le total de 24 mois de congé pour prestations réduites en cas de maladie, visé à l'article 27/1. AprÚs la fin de l'interruption de service, le membre du personnel reprend le congé pour prestations réduites en cas de maladie conformément au plan, visé à l'article 24, § 1er.
Les interruptions de service qui ont dĂ©jĂ  commencĂ© avant la date de dĂ©but du congĂ© pour prestations rĂ©duites en cas de maladie, peuvent ĂȘtre combinĂ©es avec le congĂ© pour prestations rĂ©duites en cas de maladie, Ă  condition que le volume des prestations restant Ă  accomplir, repris dans le plan visĂ© Ă  l'article 24, § 1er, soit respectĂ©.
Le membre du personnel ne peut pas utiliser simultanément le congé pour prestations réduites en cas de maladie et la reprise à temps partiel aprÚs maladie dans le cadre d'une décision du médecin-conseil de la mutualité ]1
.
Art. 28/1. [1 § 1.[2 Als het personeelslid nog beschikt over bezoldigd ziekteverlof, wordt het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte beschouwd als ziekteverlof en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Als het vastbenoemde personeelslid geen bezoldigd ziekteverlof meer heeft, wordt het verlof voor verminderde prestaties beschouwd als een terbeschikkingstelling wegens ziekte.
De aanrekening van het ziekteverlof gebeurt op de volgende wijze:
1° per dag wordt drievierdedag ziekteverlof aangerekend als het personeelslid een opdracht uitoefent die groter is dan of gelijk is aan 20 % en kleiner is dan 50 % van het aantal prestatie-eenheden dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties;
2° per dag wordt een halve dag ziekteverlof aangerekend als het personeelslid een opdracht uitoefent die groter is dan of gelijk is aan 50 % en kleiner is dan 75 % van het aantal prestatie-eenheden dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties;
3° per dag wordt eenvierdedag ziekteverlof aangerekend als het personeelslid een opdracht uitoefent die minstens 75% bedraagt van het aantal prestatie-eenheden dat vereist is voor een ambt met volledige prestaties]2
.
§ 2. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte heeft het personeelslid [2 dat nog recht heeft op bezoldigd ziekteverlof]2 recht op het salaris dat of de salaristoelage die het zou gehad hebben als het geen verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte zou genoten hebben. [2 Het vastbenoemde personeelslid dat geen recht meer heeft op bezoldigd ziekteverlof, heeft recht op een salaris of salaristoelage voor de uitgeoefende prestaties. Voor de niet-verrichte prestaties waarvoor het personeelslid het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte opneemt, ontvangt het personeelslid een wachtgeld van 60 % van het salaris dat of salaristoelage die het gehad zou hebben als het geen verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte genoten zou hebben.]2
Met behoud van de toepassing van artikel 25, eerste lid, zal het personeelslid dat een bijkomende aanstelling verwerft tijdens de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, pas recht hebben op een salaris of een salaristoelage voor die bijkomende aanstelling vanaf het ogenblik dat het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte beëindigd is.
Als een gedeelte van de opdracht wegvalt tijdens de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en als het personeelslid nog aan alle gestelde voorwaarden blijft voldoen, zal het salaris of de salaristoelage vastgesteld worden op basis van de nog resterende opdracht.]1

Art. 28/1. [1 § 1er. [2 Si le membre du personnel dispose encore de congé de maladie rémunéré, le congé pour prestations réduites en cas de maladie est considéré comme un congé de maladie et est assimilé à une période d'activité de service. Si le membre du personnel nommé à titre définitif ne dispose plus de congé de maladie rémunéré, le congé pour prestations réduites en cas de maladie est considéré comme une mise en disponibilité pour cause de maladie.
La comptabilisation du congé de maladie se fait comme suit :
1° par jour, trois quarts d'un jour de congé de maladie sont comptabilisés si le membre du personnel accomplit une charge supérieure ou égale à 20 % et inférieure à 50 % du nombre d'unités de prestation requis pour une fonction à prestations complÚtes;
2° par jour, un demi-jour de congé de maladie est comptabilisé si le membre du personnel accomplit une charge supérieure ou égale à 50 % et inférieure à 75 % du nombre d'unités de prestation requis pour une fonction à prestations complÚtes;
3° par jour, un quart d'un jour de congé de maladie est comptabilisé si le membre du personnel accomplit une charge d'au moins 75 % du nombre d'unités de prestation requis pour une fonction à prestations complÚtes]2
.
§ 2. Au cours du congé pour prestations réduites en cas de maladie, le membre du personnel [2 qui a encore droit au congé de maladie rémunéré ]2 a droit au traitement ou à la subvention-traitement dont il aurait joui lorsqu'il n'aurait pas eu un congé pour prestations réduites en cas de maladie. [2 Le membre du personnel qui n'a plus droit au congé de maladie rémunéré a droit à un traitement ou une subvention-traitement pour les prestations effectuées. Pour les prestations non effectuées pour lesquelles le membre du personnel prend le congé pour prestations réduites en cas de maladie, il reçoit un traitement d'attente de 60 % du traitement ou de la subvention-traitement qu'il aurait reçu s'il n'avait pas pris de congé pour prestations réduites en cas de maladie.]2
Sans prĂ©judice de l'application de l'article 25, alinĂ©a premier, le membre du personnel qui acquiert une dĂ©signation supplĂ©mentaire pendant la pĂ©riode du congĂ© pour prestations rĂ©duites Ă  cause de maladie, ne peut avoir droit Ă  un traitement ou Ă  une subvention-traitement pour cette dĂ©signation supplĂ©mentaire qu'Ă  partir du moment oĂč le congĂ© pour prestations rĂ©duites en cas de maladie a pris fin.
Si une partie de la charge est abandonnée pendant la période de congé pour prestations réduites en cas de maladie et si le membre du personnel continue à répondre à toutes les conditions, le traitement ou la subvention-traitement sera fixée sur la base du reste de la charge.]1

HOOFDSTUK IIII/1 . [1 Langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen]1
CHAPITRE III/1. [1 Congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales]1
Art. 28/2. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, als ze minstens voor vijftig percent van een voltijdse opdracht vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn.
Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, die aangesteld zijn in een mandaat.]1

Art. 28/2. [1 Le présent chapitre est applicable aux membres du personnel visés à l'article 1er, § 1er, nommés à titre définitif ou admis au stage pour au moins cinquante pour cent d'une charge à temps plein.
Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel visés à l'alinéa premier qui sont désignés à un mandat. ]1

Art. 28/3. [1 Het personeelslid, vermeld in artikel 28/2, dat om medische redenen zijn ambt niet meer kan uitoefenen voor de omvang van zijn aanstelling en/of benoeming op het moment van de aanvraag, kan gemachtigd worden om onmiddellijk aansluitend op een periode van afwezigheid, als vermeld in artikel 28/4, vanwege een ernstige of langdurige ziekte zijn ambt of ambten met verminderde prestaties uit te oefenen in de vorm van een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dat verlof kan alleen toegestaan worden aan een personeelslid voor wie een volledige herneming van de opdracht waarvoor hij is aangesteld of benoemd op het moment van de aanvraag, niet meer mogelijk is.]1
Art. 28/3. [1 Le membre du personnel visĂ© Ă  l'article 28/2 qui, pour raisons mĂ©dicales, ne peut plus exercer sa fonction pour le volume de sa dĂ©signation et/ou nomination au moment de la demande, peut ĂȘtre autorisĂ© Ă  exercer, immĂ©diatement consĂ©cutivement Ă  une pĂ©riode d'absence telle que visĂ©e Ă  l'article 28/4, pour cause d'une maladie sĂ©vĂšre et de longue durĂ©e, sa ou ses fonctions Ă  prestations rĂ©duites sous forme d'un congĂ© de longue durĂ©e pour prestations rĂ©duites pour raisons mĂ©dicales. Ce congĂ© peut uniquement ĂȘtre accordĂ© au membre du personnel pour lequel une reprise complĂšte de la charge Ă  laquelle il est dĂ©signĂ© ou nommĂ© au moment de la demande n'est plus possible.]1
Art. 28/4. [1 Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen kan aanvangen na een periode van ten minste dertig dagen ononderbroken afwezigheid door :
1° ziekteverlof;
2° terbeschikkingstelling wegens ziekte;
3° verlof voor verminderde prestaties na een arbeidsongeval;
4° [2 ...]2
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen personeelsleden die op de vooravond van de aanvraag van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen minstens halftijds werken en daarnaast een dienstonderbreking hebben opgenomen, overstappen naar het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. In dat geval eindigt de dienstonderbreking op het ogenblik dat het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen ingaat.]1

Art. 28/4. [1 § 1er. Le congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales peut commencer aprÚs une période d'une absence ininterrompue d'au moins trente jours pour cause de :
1° congé de maladie ;
2° mise en disponibilité pour cause de maladie ;
3° congé pour prestations réduites aprÚs une accident du travail ;
4°[2 ...]2
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les membres du personnel qui, à la veille de la demande du congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales, travaillent au moins à mi-temps et qui ont en outre pris une interruption de service, peuvent passer au congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales. Dans ce cas, il est mis fin à l'interruption de service au moment de l'entrée en vigueur du congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales.]1

Art. 28/5. [1 Het personeelslid dat een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen krijgt, neemt zijn ambt of ambten opnieuw op voor het volume dat goedgekeurd is door de arts van het controleorgaan. Het aantal nog te verrichten prestaties bedraagt ten minste 50 % en maximaal 75 % van het aantal prestatie-eenheden die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.
Met het volume van de nog te verrichten prestaties wordt de verhouding bedoeld, uitgedrukt in procenten, tussen het aantal nog te verrichten prestatie-eenheden en het aantal prestatie-eenheden die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.
In afwijking van het eerste lid neemt een personeelslid dat vast benoemd is in een ambt dat slechts kan toegewezen worden aan één personeelslid of aan twee personeelsleden die elk met een halve opdracht worden belasten dat een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen krijgt, zijn ambt opnieuw voor 50 % op.
De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang het geval, op een volledige lestijd, een volledig lesuur [3 of een volledig uur]3.
Het volume van de nog te verrichten prestaties blijft ongewijzigd gedurende de volledige periode, vermeld in artikel 28/6, tweede lid.
In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid, als zijn gezondheidstoestand achteruitgaat, tijdens een lopende periode van langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen een nieuw onderzoek aanvragen bij het controleorgaan om het percentage van de werkhervatting te verminderen. In dat geval wordt bij de aanvraag opnieuw een omstandig geneeskundig verslag gevoegd van een geneesheer-specialist, die ook een voorstel voor een aangepast percentage doet. Die aanvraag gebeurt dan voor een periode zoals bepaald in artikel 28/6, tweede lid.
De prestaties, verricht door personeelsleden die belast zijn met een opdracht aan een hogeschool, als vermeld in artikel V.80, 21°, van de Codex Hoger Onderwijs, komen alleen in aanmerking om het volume te bepalen van de nog te verrichten prestaties.
[2 ...]2.
Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen kan alleen worden genomen voor de opdrachten waarvoor het personeelslid vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten is.]1

Art. 28/5. [1 Le membre du personnel qui obtient un congĂ© de longue durĂ©e pour prestations rĂ©duites pour raisons mĂ©dicales, doit reprendre sa fonction ou ses fonctions pour le volume approuvĂ© par le mĂ©decin de l'organe de contrĂŽle. Le nombre de prestations restant Ă  accomplir doit au moins ĂȘtre 50 % et tout au plus 75 % du nombre d'unitĂ©s de prestations requises pour une fonction Ă  prestations complĂštes.
Par le volume des prestations restant à accomplir il faut entendre le rapport, exprimé en pourcentage, entre le nombre d'unités de prestations restant à accomplir et le nombre d'unités de prestations requises pour une fonction à prestations complÚtes.
Par dĂ©rogation Ă  l'alinĂ©a premier, le membre du personnel nommĂ© Ă  titre dĂ©finitif dans une fonction ne pouvant ĂȘtre attribuĂ©e qu'Ă  un seul membre du personnel ou Ă  deux membres du personnel Ă©tant chargĂ©s chacun d'une demi-charge qui obtient un congĂ© de longue durĂ©e pour prestations rĂ©duites pour raisons mĂ©dicales, reprend sa fonction Ă  50 %.
Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours entiÚre, une heure de cours entiÚre [3 ou une heure complÚte]3.
Le volume des prestations restant à accomplir reste invariable pendant toute la période visée à l'article 28/6, deuxiÚme alinéa.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le membre du personnel peut demander, si son état de santé se détériore, dans une période courante de congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales, un nouvel examen auprÚs de l'organe de contrÎle afin de baisser le pourcentage de la reprise du travail. Dans ce cas, la demande est à nouveau assortie d'un rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, qui fera également une proposition pour un pourcentage adapté. Cette demande se fait pour une période telle que stipulée à l'article 28/6, deuxiÚme alinéa.
Les prestations fournies par les membres du personnel investis d'une charge auprÚs d'un institut supérieur telle que visée à l'article V.80, 21°, du Code de l'Enseignement supérieur, sont seulement prises en compte pour déterminer le volume des prestations restant à fournir.
[2 ...]2.
Le congĂ© de longue durĂ©e pour prestations rĂ©duites pour raisons mĂ©dicales peut uniquement ĂȘtre pris que pour les charges pour lesquelles le membre du personnel est nommĂ© Ă  titre dĂ©finitif ou admis au stage. ]1

Art. 28/6. [1 Het personeelslid stuurt zijn aanvraag volgens de bepalingen van artikel 20/4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte naar het controleorgaan.
Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt toegekend tot 31 augustus van het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het verlof een aanvang heeft genomen.]1

Art. 28/6. [1 Le membre du personnel envoie sa demande Ă  l'organe de contrĂŽle suivant les dispositions de l'article 20/4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993 relatif au contrĂŽle des absences pour cause de maladie.
Le congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales est accordé jusqu'au 31 août de l'année scolaire qui suit l'année scolaire dans laquelle le congé a débuté.]1

Art. 28/7. [1 De aanvraag voor het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt door de controlearts
1° toegestaan;
2° toegestaan maar met aanpassing van het percentage van de nog te verrichten prestaties;
3° geweigerd.]1

Art. 28/7. [1 La demande relative au congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales est :
1° agréée par le médecin de contrÎle ;
2° agréée par le médecin de contrÎle, mais à condition que le pourcentage des prestations restant à accomplir soit adapté ;
3° refusée par le médecin de contrÎle.]1

Art. 28/8. [1 Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen kan pas aanvangen na de voorafgaande goedkeuring door de controlearts of de arts-scheidsrechter ingeval van een beroepsprocedure.]1
Art. 28/8. [1 Le congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales ne peut commencer qu'aprÚs l'approbation préalable par le médecin de contrÎle ou le médecin-arbitre en cas d'une procédure de recours.]1
Art. 28/9. [1 Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen kan meermaals worden verlengd, telkens voor een periode van twaalf maanden. In dat geval moet telkens een nieuwe aanvraag ingediend worden bij het controleorgaan.]1
Art. 28/9. [1 Le congĂ© de longue durĂ©e pour prestations rĂ©duites pour raisons mĂ©dicales peut ĂȘtre prolongĂ© Ă  plusieurs reprises, chaque fois pour une pĂ©riode de douze mois. Dans ce cas, une nouvelle demande devra chaque fois ĂȘtre introduite auprĂšs de l'organe de contrĂŽle.]1
Art. 28/10. [1 Aan het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt een einde gesteld in de volgende gevallen :
1° als niet meer voldaan is aan het volume van de werkhervatting, vermeld in artikel 28/5;
2° als de duur van de goedgekeurde periode van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen verstrijkt;
3° als de controlearts bij een aanvraag zoals vermeld in artikel 28/5, zesde lid, beslist dat het personeelslid niet meer in aanmerking komt voor langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen; ]1

Art. 28/10. [1 Il est mis fin au congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales dans les cas suivants :
1° s'il n'est plus satisfait au volume de la reprise du travail visé à l'article 28/5 ;
2° si la durée de la période approuvée du congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales expire ;
3° si le médecin de contrÎle décide lors d'une demande telle que visée à l'article 28/5, sixiÚme alinéa, que le membre du personnel n'entre plus en considération pour un congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales.]1

Art. 28/11. [1 Een dienstonderbreking waarvoor het personeelslid een salaris of wachtgeld ontvangt, maakt geen einde aan het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.
Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt geschorst zodra het personeelslid, een dienstonderbreking opneemt waarvoor het personeelslid geen salaris of wachtgeld ontvangt.]1

Art. 28/11. [1 Une interruption de service pour laquelle le membre du personnel reçoit un traitement ou un traitement d'attente, ne met pas fin au congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales.
Le congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales est suspendu dÚs que le membre du personnel prend une interruption de service pour laquelle il ne reçoit pas de traitement ni de traitement d'attente. ]1

Art. 28/12. [1 Een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking maakt geen einde aan het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.
Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt eerst genomen op de opdracht waarvoor een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking wordt uitgesproken en waarvoor het personeelslid niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is.]1

Art. 28/12. [1 Une mise en disponibilité par défaut d'emploi ne met pas fin au congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales.
Le congé de longue durée pour raisons médicales est d'abord pris sur la charge pour laquelle une mise en disponibilité par défaut d'emploi est prononcée et pour laquelle le membre du personnel n'est pas réaffecté ou remis au travail.]1

Art. 28/13. [1 Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt niet aangerekend op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.]1

Art. 28/13. [1 Le congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales est assimilé à une période d'activité de service.
Le congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales n'est pas imputé au nombre de jours de congé de maladie rémunéré auxquels le membre du personnel a encore droit.]1

Art. 28/14. [1 Tijdens het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen heeft het personeelslid recht op een salaris of salaristoelage voor de uitgeoefende prestaties. Voor de niet-verrichte prestaties waarvoor het personeelslid het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen opneemt, ontvangt het personeelslid 60 % van zijn salaris of salaristoelage.
Het personeelslid heeft geen recht op salaris of salaristoelage voor opdrachten of delen van opdrachten die het ambt met volledige prestaties overschrijden. ]1

Art. 28/14. [1 Pendant le congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales, le membre du personnel a droit à un traitement ou une subvention-traitement pour les prestations fournies. Pour les prestations non fournies pour lesquelles le membre du personnel prend le congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales, le membre du personnel reçoit 60 % de son traitement ou de sa subvention-traitement.
Le membre du personnel n'a pas droit à un traitement ou une subvention-traitement pour les charges ou parties de charges que dépassent la fonction à prestations complÚtes.]1

HOOFDSTUK IV. - Terbeschikkingstelling wegens ziekte.
CHAPITRE IV. - La mise en disponibilité pour cause de maladie.
Art. 29. Het personeelslid, vermeld in artikel 2, wordt door de inrichtende macht of het schoolbestuur ter beschikking gesteld, nadat het personeelslid het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het recht had, heeft opgebruikt.
Art. 29. Le membre du personnel, visé à l'article 2, est mis en disponibilité par le pouvoir organisateur ou l'autorité scolaire, aprÚs que le membre du personnel a épuisé le nombre de jours de congé de maladie rémunéré auquel il avait droit.
Art. 30. Het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking gesteld is, ontvangt een wachtgeld of wachtgeldtoelage waarvan het bedrag bepaald wordt per jaar geldelijke anciënniteit, op basis van het laatste activiteitssalaris, naar rata van :
1° 5 % voor de eerste vijf jaren;
2° 4 % voor de vijf volgende jaren;
3° 2 % voor de andere jaren.
Het bedrag van deze wachtgelden of wachtgeldtoelagen mag niet lager zijn dan de helft van het laatste activiteitssalaris en mag niet hoger zijn dan drie vierde van het laatste activiteitssalaris.
Art. 30. Le membre du personnel mis en disponibilité pour cause de maladie reçoit un traitement d'attente ou une subvention-traitement d'attente dont le montant est déterminé par année d'ancienneté pécuniaire, sur la base du dernier traitement d'activité, au prorata de :
1° 5 % pour les cinq premiÚres années;
2° 4 % pour les cinq années suivantes;
3° 2 % pour les autres années.
Le montant de ces traitements d'attente ou subventions-traitement d'attente ne peut ĂȘtre infĂ©rieur Ă  la moitiĂ© du dernier traitement d'activitĂ© et ne peut excĂ©der les trois-quarts du dernier traitement d'activitĂ©.
Art. 31. § 1. In afwijking van artikel 30 heeft het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking gesteld is, recht op een wachtgeld of wachtgeldtoelage waarvan het bedrag gelijk is aan zijn laatste activiteitssalaris, als de aandoening waaraan hij lijdt als ernstige en langdurige ziekte wordt erkend.
Medex beslist of de aandoening waaraan het personeelslid lijdt, een dergelijke ziekte is. De beslissing mag in geen geval genomen worden vooraleer het personeelslid voor een periode van ten minste zes maanden voor de aandoening waaraan hij lijdt met ziekteverlof was en/of wegens ziekte ter beschikking gesteld is geweest.
Elke eerste beslissing brengt een herziening mee van de toestand van het personeelslid, met geldelijke terugwerking tot de begindatum van zijn terbeschikkingstelling.
§ 2. In afwijking van § 1 heeft elke latere beslissing van Medex uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van de beslissing. Als de beslissing op de eerste dag van een maand wordt betekend, heeft de beslissing toch uitwerking vanaf de eerste dag van die maand.
Art. 31. § 1er. Par dérogation à l'article 30, le membre du personnel mis en disponibilité pour cause de maladie a droit à un traitement d'attente ou une subvention-traitement d'attente dont le montant est égal à son dernier traitement d'activité, si l'affection dont il souffre est reconnue comme maladie grave et de longue durée.
Medex décide si l'affection, dont souffre le membre du personnel, constitue ou non une telle maladie. La décision ne peut en tout cas intervenir avant que le membre du personnel n'ait été, pour une période de six mois au moins, en congé ou en disponibilité pour cause de maladie pour l'affection dont il souffre.
Toute premiÚre décision entraßne une révision de la position du membre du personnel avec effet pécuniaire rétroactif à la date du début de sa mise en disponibilité.
§ 2. Par dérogation au § 1er, toute décision ultérieure de Medex prend cours au premier jour du mois qui suit la notification de la décision. Si la décision est notifiée au premier jour d'un mois, la décision produit toutefois ses effets le premier jour de ce mois.
Art. 32.
Art. 32.
HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepaling.
CHAPITRE V. - Disposition modificative.
Art. 33. In het opschrift van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat worden de woorden "Verlof wegens ziekte of gebrekkigheid" en de woorden "Verlof voor verminderde dienstprestaties wegens ziekte of gebrekkigheid" geschrapt.
Art. 33. Dans l'intitulĂ© du chapitre II de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 juillet 1976 pris en application de l'article 40 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maĂźtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion des religions catholique et protestante des Ă©tablissements d'enseignement primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, les mots "CongĂ© pour cause de maladie ou d'infirmitĂ©" et les mots "CongĂ© pour prestations rĂ©duites pour cause de maladie ou d'infirmitĂ©" sont supprimĂ©s.
HOOFDSTUK VI. - Opheffingsbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions abrogatoires.
Art. 34. In het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 9, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004;
2° artikel 9bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1981 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004;
3° artikel 9ter, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004;
4° artikel 10;
5° artikel 11, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
6° artikel 12 en 13;
7° artikel 14, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
8° artikel 15, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari 1988 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
9° artikel 16, 17 en 29.
Art. 34. Dans l'arrĂȘtĂ© royal du 8 dĂ©cembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 fĂ©vrier 1967 dĂ©terminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, les articles suivants sont supprimĂ©s pour les Ă©tablissements et les personnels auxquels le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est d'application :
1° l'article 9, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 octobre 2004;
2° l'article 9bis, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 16 dĂ©cembre 1981 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 octobre 2004;
3° l'article 9ter, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 octobre 2004;
4° l'article 10;
5° l'article 11, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
6° les articles 12 et 13;
7° l'article 14, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
8° l'article 15, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 1er fĂ©vrier 1988 et par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
9° les articles 16, 17 et 29.
Art. 35. Artikel 11, 12, 13 en 14 van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 genomen ter uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.
Art. 35. Les articles 11, 12, 13 et 14 de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 octobre 1968 pris en application de l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 fĂ©vrier 1967 dĂ©terminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, sont supprimĂ©s pour les Ă©tablissements et les personnels auxquels le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est d'application.
Art. 36. In het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 14 en 15;
2° artikel 16, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
3° artikel 17 en 18;
4° artikel 19, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
5° artikel 20, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 1988 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
6° artikel 21 en 22;
7° artikel 41, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 april 1983 en 27 maart 1985 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1992;
8° artikel 42, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 april 1983 en 27 maart 1985.
Art. 36. Dans l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 160 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements, sont supprimĂ©s les articles suivants pour les Ă©tablissements et les personnels auxquels le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est d'application :
1° les articles 14 et 15;
2° l'article 16, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
3° les articles 17 et 18;
4° l'article 19, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
5° l'article 20, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 janvier 1988 et par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
6° les articles 21 et 22;
7° l'article 41, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 28 avril 1983 et 27 mars 1985 et par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 dĂ©cembre 1992;
8° l'article 42, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 28 avril 1983 et 27 mars 1985.
Art. 37. Artikel 9, 10, 11 en 12 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.
Art. 37. Les articles 9, 10, 11 et 12 de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 janvier 1974, pris en exĂ©cution de l'article 164 de l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'Ă©ducation, du personnel paramĂ©dical des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dĂ©pendant de ces Ă©tablissements et des membres du personnel du service d'inspection chargĂ© de la surveillance de ces Ă©tablissements, sont supprimĂ©s pour les Ă©tablissements et les personnels auxquels s'applique le prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
Art. 38. Artikel 6, 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.
Art. 38. Les articles 6, 7, 8 et 9 de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 juillet 1976 pris en application de l'article 45 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maĂźtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion des religions catholique et protestante des Ă©tablissements d'enseignement primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, sont supprimĂ©s pour les Ă©tablissements et les personnels auxquels s'applique le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 39. Artikel 83, § 7, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 1997, wordt, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.
Art. 39. L'article 83, § 7, de la loi du 5 aoĂ»t 1978 portant rĂ©formes Ă©conomiques et budgĂ©taires, modifiĂ© par le dĂ©cret du 15 juillet 1997 est supprimĂ© pour les Ă©tablissements et les personnels auxquels s'applique le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 40. Artikel 190, 191, 192 en 193 van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiediensten belast met het toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch- sociale centra, worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.
Art. 40. Les articles 190, 191, 192 et 193 de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 juillet 1979 portant le statut du personnel technique des centres psycho-mĂ©dico-sociaux de l'Etat, des centres psycho-mĂ©dico-sociaux spĂ©cialisĂ©s de l'Etat, des centres de formation de l'Etat ainsi que des services d'inspection chargĂ©s de la surveillance des centres psycho-mĂ©dico-sociaux, des offices d'orientation scolaire et professionnelle et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux spĂ©cialisĂ©s, sont supprimĂ©s pour les Ă©tablissements et les personnels auxquels s'applique le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 41. In het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de verlofregeling van het vastbenoemd technisch personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 14, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2001;
2° artikel 14bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 266 van 31 december 1983 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2001;
3° artikel 15;
4° artikel 16, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
5° artikel 17 en 18;
6° artikel 19, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
7° artikel 20, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 1988 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
8° artikel 21 en 22.
Art. 41. Dans l'arrĂȘtĂ© royal du 19 mai 1981 relatif au rĂ©gime de vacances du personnel technique nommĂ© Ă  titre dĂ©finitif des centres d'encadrement des Ă©lĂšves, les articles suivants sont supprimĂ©s :
1° l'article 14, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2001;
2° l'article 14bis, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal n° 266 du 31 dĂ©cembre 1983 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2001;
3° l'article 15;
4° l'article 16, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
5° les articles 17 et 18;
6° l'article 19, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
7° l'article 20, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 janvier 1988 et par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993;
8° les articles 21 et 22.
Art. 42. Artikel 2, 3, 4 en 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverlof toegekend aan tijdelijk aangestelde personeelsleden van de onderwijsinstellingen, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.
Art. 42. Les articles 2, 3, 4 et 5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993 relatif aux congĂ©s de maladie, de maternitĂ© et de l'allaitement accordĂ©s Ă  des membres du personnel dĂ©signĂ©s Ă  titre temporaire dans les Ă©tablissements d'enseignement organisĂ©s ou subventionnĂ©s par la CommunautĂ© flamande, sont supprimĂ©s pour les Ă©tablissements et les personnels auxquels s'applique le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 43. In het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 19;
2° artikel 20, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995.
Art. 43. Dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1993 relatif au contrĂŽle des absences pour cause de maladie, les articles suivants sont supprimĂ©s pour ce qui est des Ă©tablissements et personnels auxquels s'applique le prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
1° l'article 19;
2° l'article 20, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 janvier 1995.
Art. 44. In artikel 192 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 22 juni 2007, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 44. Dans l'article 192 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élÚves, modifie par les décrets des 14 février 2003 et 22 juin 2007, le second alinéa est supprimé.
HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepaling.
CHAPITRE VII. - Disposition transitoire.
Art. 45. De berekeningswijze van het bezoldigd ziekteverlof voor de in artikel 2 en 10 genoemde personeelsleden heeft voor de periode tot en met 31 augustus 2007 geen gevolgen, noch voor de personeelsleden, noch voor de inrichtende machten en is definitief verworven.
Indien het bedrag hoger is dan het bedrag vastgesteld op grond van artikel 30 ontvangt het lid van het administratief personeel, het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs dat vóór 1 september 2007 wegens ziekte ter beschikking was gesteld en na die datum ononderbroken in die administratieve stand blijft, verder het wachtgeld of de wachtgeldtoelage waarop het op grond van de op 31 augustus 2007 geldende reglementering recht had.
Art. 45. Le mode de calcul du congé de maladie remunéré des membres du personnel visés aux articles 2 et 10 n'a pas d'effet, pour la période jusqu'au 31 août 2007 inclus, pour les membres du personnel ou les pouvoirs organisateurs et reste définitivement acquis.
Si le montant est supérieur au montant fixé en vertu de l'article 30, le membre du personnel administratif, du personnel statutaire de maßtrise, gens de métier et de service, le collaborateur administratif dans la catégorie du personnel d'appui de l'enseignement secondaire ordinaire et spécial et le collaborateur administratif dans la catégorie du personnel de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental qui était mis en disponibilité pour cause de maladie avant le 1er septembre 2007 et qui, aprÚs cette date reste dans cette position administrative sans interruption, continue à bénéficier du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente auquel/à laquelle il avait droit sur la base de la réglementation applicable au 31 août 2007.
Art.45/1. [1 Een personeelslid dat een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte neemt dat ingegaan is voor 1 januari 2023, kan zijn plan dat goedgekeurd werd voor 1 januari 2023 voortzetten tot de voorziene einddatum. Bij de eerstvolgende tweemaandelijkse tussentijdse controle kan het controleorgaan, conform artikel 26, een volgende tussentijdse controle vastleggen als het dat nodig acht.
De periode van verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte opgenomen vanaf 1 januari 2023 telt mee voor de berekening van de maximumtermijnen vermeld in artikel 27/1, eerste lid. ]1

Art.45/1. [1 Un membre du personnel qui prend un congé pour prestations réduites en cas de maladie, qui a pris effet avant le 1er janvier 2023, peut poursuivre son plan qui a été approuvé avant le 1er janvier 2023, jusqu'à la date de fin prévue. Lors du prochain contrÎle intermédiaire bimestriel, l'organisme de contrÎle peut, conformément à l'article 26, prévoir un nouveau contrÎle intermédiaire s'il l'estime nécessaire.
La période de congé pour prestations réduites en cas de maladie prise à partir du 1er janvier 2023 est prise en compte pour le calcul des délais maximum visés à l'article 27/1, alinéa 1er. ]1

Art.45/2. [1 De personeelsleden die een wederaanpassing met halve dagtaak opnemen die ingegaan is voor 1 januari 2023, kunnen de lopende periode van wederaanpassing met halve dagtaak verderzetten volgens de regelgeving over de wederaanpassing met halve dagtaak die van kracht was voor 1 januari 2023.
De personeelsleden die een wederaanpassing met halve dagtaak opnemen die ingegaan is voor 1 januari 2023, hebben na afloop van de periode van wederaanpassing met halve dagtaak het recht om onder de voorwaarden vermeld in artikel 24, paragraaf 1, een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte aan te vragen.
De personeelsleden die een wederaanpassing met halve dagtaak opnemen die ingegaan is voor 1 januari 2023, hebben na afloop van de periode van wederaanpassing met halve dagtaak het recht om onder de voorwaarden vermeld in artikel 28/5, een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen aan te vragen. ]1

Art.45/2. [1 Les membres du personnel qui prennent une réadaptation par des prestations par demi-jours, qui a pris effet avant le 1er janvier 2023, peuvent poursuivre la période en cours de réadaptation par des prestations par demi-jours selon la réglementation y afférente qui était en vigueur avant le 1er janvier 2023.
Les membres du personnel qui prennent une réadaptation par des prestations par demi-jours, qui a pris effet avant le 1er janvier 2023, ont le droit, à l'expiration de la période de réadaptation par des prestations par demi-jours, de demander un congé pour prestations réduites en cas de maladie selon les conditions visées à l'article 24, paragraphe 1er.
Les membres du personnel qui prennent une réadaptation par des prestations par demi-jours, qui a pris effet avant le 1er janvier 2023, ont le droit, à l'expiration de la période de réadaptation par des prestations par demi-jours, de demander un congé de longue durée pour prestations réduites pour raisons médicales selon les conditions visées à l'article 28/5. ]1

Art.45/3. [1 Aanvragen die na 1 januari 2023 en tot 1 maart 2023 zijn gebeurd volgens de oude regeling worden geacht te voldoen aan de formele vereisten die voortvloeien uit de bepalingen die van kracht zijn vanaf 1 januari 2023. ]1
Art.45/3. [1 Les demandes introduites aprÚs le 1er janvier 2023 et jusqu'au 1er mars 2023 selon l'ancienne réglementation, sont censées satisfaire aux exigences formelles résultant des dispositions en vigueur à partir du 1er janvier 2023. ]1
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales.
Art. 46. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007, met uitzondering van artikel 19, 20, 21 en 22 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2003.
Art. 46. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er septembre 2007, Ă  l'exception des articles 19, 20, 21 et 22 qui produisent leurs effets le 1er septembre 2003.
Art. 47. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 47. Le Ministre flamand qui a l'enseignement dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.