Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° het besluit van 19 oktober 2007 : het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren;
2° het besluit van 26 oktober 2007 : het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2007 houdende goedkeuring van de geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
1 FEBRUARI 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende goedkeuring van aanvullend geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-03-2008 en tekstbijwerking tot 10-09-2008)
Titre
1 FEVRIER 2008. - Arrêté du Gouvernement flamand portant approbation des projets temporaires complémentaires sélectionnés sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 14-03-2008 et mise à jour au 10-09-2008)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (11)
Texte (10)
Article 1. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° arrêté du 19 octobre 2007 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2007 relatif à l'organisation de projets temporaires sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail;
2° arrêté du 26 octobre 2007 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2007 portant approbation des projets temporaires sélectionnés sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail.
1° arrêté du 19 octobre 2007 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2007 relatif à l'organisation de projets temporaires sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail;
2° arrêté du 26 octobre 2007 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2007 portant approbation des projets temporaires sélectionnés sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail.
Art. 2. In aanvulling op de reeks tijdelijke projecten die bij het besluit van 26 oktober 2007 werden goedgekeurd, gaat in de bijlage bij dit besluit de lijst van de tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren die, op voordracht van de selectiecommissie, voor de periode van 1 februari 2008 tot en met 31 augustus 2010 worden goedgekeurd, vermeld in artikel 6 van het besluit van 19 oktober 2007.
Art. 2. En complément à la série de projets temporaires approuvés par l'arrêté du 26 octobre 2007, l'annexe au présent arrêté comprend la liste des projets temporaires sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail qui, sur la proposition de la commission de sélection, sont approuvés pour la période du 1er février 2008 au 31 août 2010 inclus, telle que visée à l'article 6 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Art. 2bis. [1 § 1. In § 2 tot en met § 4 staat een exhaustieve opsomming van alle mogelijke afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen binnen de tijdelijke projecten met een motivatie.
§ 2. Voor de scholen en leerlingen van het basisonderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 20, § 2, 2°, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het deelnemen aan onderwijsactiviteiten in andere scholen binnen hetzelfde project, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of de leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. In voorkomend geval blijft het principe gelden dat een leerling slechts in één school ingeschreven kan zijn;
2° in afwijking van artikel 153sexies, § 3, § 4 en § 5, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het overdragen van de puntenenveloppen om een zorgbeleid te voeren, en om ICT-ondersteuning en administratieve ondersteuning te bieden, van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs binnen hetzelfde project. Punten die worden overgedragen moeten worden geput uit het aantal punten dat in aanmerking komt voor de overdracht naar de scholengemeenschap. Die punten kunnen in het secundair onderwijs aangewend worden voor ondersteunend personeel als vermeld in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen biedt de gelegenheid de opgebouwde expertise van elke afzonderlijke instelling ten voordele van het leer- en opvoedingsproces van de jongere te benutten.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : de rol van het ondersteunend personeel kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten beleids- en ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het basis- naar het secundair onderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
§ 3. Voor de scholen en leerlingen van het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximumaantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs, en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 met betrekking tot de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 : het niet-opleggen van een maximumaantal wekelijkse lestijden per structuuronderdeel voor financiering of subsidiëring;
2° in afwijking van artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, en van artikel 4, § 2, en artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het laten volgen van lessen door leerlingen in andere onderwijsinstellingen die aan hetzelfde project deelnemen, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement en na instemming van de betrokken leraars van de andere onderwijsinstellingen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze niet tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve raadgevend in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
c) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze wel tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve stemgerechtigd in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
3° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het flexibel, al dan niet leerjaaroverschrijdend, invullen of differentiëren van wekelijkse lessentabellen bij periode, leerlingengroep of individuele leerling, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad voor leerlingen een gunstige beslissing heeft genomen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) moeten de leerplandoelstellingen bereikbaar blijven;
4° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van een bepaald structuuronderdeel, dat al dan niet wordt overgezeten, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt omdat de leerling al geslaagd is voor die programmaonderdelen in het secundair onderwijs. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
5° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
6° in afwijking van artikel 49, 1°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het uitbreiden van de tweejarige structuur van de eerste graad naar een driejarige structuur, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement. In voorkomend geval :
a) is voor inschrijving, elk schooljaar opnieuw en telkens na kennisname van het gemotiveerde advies van de toelatingsklassenraad, het voorafgaande schriftelijke akkoord vereist van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
b) wordt het derde leerjaar geacht zich te bevinden op het niveau van het tweede leerjaar van de eerste graad, dat is opgebouwd uit basisopties;
c) wordt het oriënteringsattest van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede respectievelijk het derde leerjaar als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt aan elke leerling, voor zover hij dat nog niet in zijn bezit heeft, op het einde van het eerste leerjaar een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt;
e) wordt aan elke leerling op het einde van het derde leerjaar een getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs uitgereikt, samen met een oriënteringsattest A of B;
f) beslist de delibererende klassenraad van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de eerste graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
7° in afwijking van artikel 50 van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het invoeren, ongeacht de graad, de onderwijsvorm of het structuuronderdeel, van aspecten van modulaire onderwijsinrichting zoals die door de decreet- of regelgever worden vastgelegd;
8° in afwijking van artikel 51, laatste gedachtestreepje, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990, en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het organiseren van een tweede onthaaljaar, voorbehouden aan leerlingen die het eerste onthaaljaar hebben gevolgd. In voorkomend geval :
a) omvat de wekelijkse lessentabel maximaal vierendertig lestijden, waaronder :
1) twee lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer, eigen cultuur en religie of cultuurbeschouwing (de laatste twee vakken zijn voorbehouden aan het vrij onderwijs);
2) minstens acht lestijden Nederlands voor nieuwkomers.
De overige lestijden worden door de klassenraad ingevuld afhankelijk van de individuele leerling;
b) vindt de studiebekrachtiging plaats naar analogie van de studiebekrachtiging in een leerjaar van de eerste graad, afhankelijk van de individuele leerling;
c) worden geen specifieke uren-leraar toegekend;
d) wordt voor de toepassing van alle andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen het tweede onthaaljaar gelijkgesteld aan het eerste onthaaljaar;
9° in afwijking van artikel 53, § 1, en artikel 54, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het niet-koppelen van de respectieve basisvormingen van de eerste graad aan een minimumaantal wekelijkse lestijden;
10° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het aanwenden van uren-leraar voor de aanwerving van voordrachtgevers ten belope van maximaal 5 % van het voor de onderwijsinstelling beschikbare pakket uren-leraar. In voorkomend geval wordt de vergoeding van die voordrachtgevers geregeld conform de bepalingen, vigerend in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
11° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het realiseren van wekelijkse lessentabellen, met eventuele vakkenintegratie, op basis van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald in de vorm van bijzondere pedagogische taken;
12° in afwijking van artikel 7, § 1, artikel 28 en 38 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs : het zonder normering programmeren van structuuronderdelen onder bestaande benamingen, nieuwe benamingen of de benaming proeftuin en, met uitzondering van de eerste graad, de rangschikking van die structuuronderdelen binnen de bestaande studiegebieden of in het studiegebied proeftuin. In voorkomend geval :
a) moet het aldus opgerichte structuuronderdeel worden afgebouwd na beëindiging van het tijdelijke project, tenzij andersluidende overheidsbeslissing;
b) wordt, zo het structuuronderdeel een nieuwe benaming of de benaming proeftuin draagt, als leerlingencoëfficiënt binnen de vaststellingsregeling van de lerarenomkadering de coëfficiënt genomen van het structuuronderdeel dat inhoudelijk het dichtst aanleunt bij het geprogrammeerde structuuronderdeel;
13° in afwijking van artikel 98, § 1, en artikel 98bis, § 1, van hetzelfde decreet van 14 juli 1998 : het overdragen van punten ondersteunend personeel van het secundair onderwijs naar het basisonderwijs binnen hetzelfde project. Die punten kunnen in het basisonderwijs aangewend worden voor beleids- en ondersteunend personeel als vermeld in het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
14° in afwijking van bijlage III tot en met XXXI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs : het herindelen van bestaande structuuronderdelen binnen bestaande studiegebieden;
15° in afwijking van artikel 8, § 4, van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen : het hanteren van leerplannen zonder de vigerende goedkeuringsregeling in aanmerking te nemen;
16° in afwijking van artikel 2, 1°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het definiëren van een anderstalige nieuwkomer als een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens elf jaar is en anderzijds geen achttien jaar geworden is. In voorkomend geval worden, louter voor de leerlingen die op basis van de vermelde afwijking instromen, geen specifieke uren-leraar toegekend;
17° in afwijking van artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het toelaten als regelmatige leerling tot het eerste leerjaar A zonder het zesde leerjaar van het lager onderwijs te hebben gevolgd mits :
a) de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van screening van de leerling;
b) de personen akkoord gaan die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
18° in afwijking van artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties;
19° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het uitstellen van delibererende klassenraden in de eerste, de tweede, respectievelijk de derde graad tot het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie. In voorkomend geval :
a) wordt het oriënteringsattest van het eerste leerjaar van de graad in kwestie vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede leerjaar van die graad als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt. Bij dat attest wordt de eventuele beslissing van de begeleidende klassenraad gevoegd om in het hogere leerjaar een aangepast leertraject te volgen;
b) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
c) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
20° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot een hoger leerjaar niettegenstaande tekorten voor bepaalde programmaonderdelen, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt in overleg met de delibererende klassenraad van het leerjaar waaruit de leerling komt. In voorkomend geval :
a) moeten de tekorten worden weggewerkt voor het einde van de graad waarbinnen het hogere leerjaar zich bevindt;
b) wordt de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;
c) beslist de delibererende klassenraad van het leerjaar waarin een attest van regelmatige lesbijwoning werd uitgereikt, alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die, zonder dat de tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
21° in afwijking van artikel 56, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het niet-organiseren van een geïntegreerde proef op het einde van het schooljaar mits tijdens het schooljaar permanent geïntegreerd wordt gewerkt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 9°, is de volgende : de flexibele samenstelling van leerprogramma's impliceert de mogelijkheid tot het doorbreken van de rigide indeling in graden, leerjaren, onderwijsvormen, studiegebieden en structuuronderdelen. Flexibiliteit betekent ook de mogelijkheid tot spreiding van studiebelasting en tot alternerende lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen. Door die opportuniteiten moeten persoonlijke talenten, competenties en interesses van leerlingen optimaal tot ontwikkeling kunnen komen, waardoor leermotivatie wordt gestimuleerd. Op die wijze kan een voedingsbodem worden gecreëerd voor een studieloopbaan waarin veelvuldige school- of studieverandering, leerachterstand, zittenblijven en, ten slotte, ongekwalificeerde uitstroom maximaal worden teruggedrongen. Door handhaving van principes zoals eindtermen, ontwikkelingsdoelen en minimale basisvorming en door behoud van de reguliere eindstudiebekrachtiging wordt het evenwicht bewaakt tussen een dynamisch en vernieuwend onderwijs op maat enerzijds en onderwijskwaliteit en civiele onderwijseffecten anderzijds.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 4°, is de volgende : het hanteren van een ruimer lokaal vrijstellingenbeleid moet in een efficiëntere en effectievere tijdsbesteding resulteren. Door de lesverstrekking te focussen op programmaonderdelen die voor de betrokken leerling nieuw zijn of remediëring vereisen, kan zijn belangstelling gewekt blijven en kunnen zijn tekorten worden weggewerkt, wat essentiële elementen zijn voor een optimale studieloopbaan.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 5° en 18°, is de volgende : de specialisatiejaren van de derde graad technisch en kunstsecundair onderwijs worden bevolkt door leerlingen die al gediplomeerd en niet meer leerplichtig zijn. Specialisatiejaren zijn kwalificatieverhogend, worden gewaardeerd door het bedrijfsleven en bevorderen de tewerkstellingsperspectieven. De aantrekkingskracht van die specialisatiejaren verhogen door maatregelen te nemen op het vlak van toeleiding en invulling, maar ook door opleiding én werk combineerbaar te maken, kan positieve effecten sorteren voor (potentiële) werknemers en werkgevers.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 6°, is de volgende : de eerste graad secundair onderwijs is een scharniergraad tussen het lager en secundair onderwijs en belangrijk in de opstap naar en studiekeuze in de hogere leerjaren. Falen in de eerste graad kan structureel negatieve gevolgen hebben voor de verdere studieloopbaan, zodat bij uitstek in die graad preventief moet worden opgetreden. Uitbreiding van twee naar drie leerjaren met doorstroomgarantie moet meer ruimte geven voor leerplanafwerking en individuele opvang en begeleiding en vermijdt het emotioneel geladen zittenblijven.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 7°, is de volgende : door het volledige secundaironderwijslandschap toegankelijk te maken voor modulaire onderwijsaspecten, kan een groei worden gerealiseerd in gekwalificeerde uitstroom, in afstemming op de arbeidsmarkt, in transparantie van het onderwijsaanbod, in tussentijdse succesbelevingen van leerlingen en in hun stimulans tot levenslang leren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 8° en 16°, is de volgende : door de strikte begrenzing weg te nemen dat onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers een eenjarige opleiding is en voorbehouden aan plus 12-jarigen, kan het rendement van die specifieke onderwijsvoorziening worden verhoogd. Daaronder wordt dan verstaan dat nieuwkomers, na een intensief taalbad, ook op leeftijd in het secundair onderwijs kunnen stappen, respectievelijk dat nieuwkomers via een tweede onthaaljaar nog steeds intensief taalonderricht kunnen krijgen, waardoor ze nadien over betere slaagkansen beschikken.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 10°, is de volgende : onderwijsinstellingen en lerarenteams staan voor de permanente uitdaging om de leerstof op een boeiende en eigentijdse wijze te verwerken. Inschakeling van schoolexterne voordrachtgevers, die het onderwijs levensechter maken en een horizonverruimende dimensie aanbrengen, past in het streven naar gepaste pedagogisch-didactische werkvormen. Omgekeerd kan confrontatie met het onderwijsproces ook voor voordrachtgevers een meerwaarde genereren, zodat een win-winsituatie ontstaat.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 11°, is de volgende : leerstofpakketten catalogiseren in vakken en daarop een vakkenrubricering toepassen, gebeurt in de huidige stand van zaken vooral op grond van personeelsregelgeving. Onderwijstrends gaan echter steeds vaker in de richting van integratie van vakken, met onder meer multidisciplinaire of thematische aanpak en vervaging van het strikte onderscheid tussen theorie en praktijk. Les- en verwante onderwijsopdrachten onder de noemer van bijzondere pedagogische taken plaatsen, kan uitkomst bieden om onderwijskundige vernieuwingen te verzoenen met toepassing van de vigerende personeelsregelgeving. Daarenboven biedt de techniek van de met lesuren gelijkgestelde uren, waaronder bijzondere pedagogische taken ressorteren, de mogelijkheid aan de inrichtende macht om het inzetten van het juiste personeelslid op de juiste plaats op te voeren, rekening houdend met ervaring, deskundigheid en motivatie.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 12°, is de volgende : onderwijs moet gelijke tred kunnen houden met socio-economische, technologische, maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Programmatie van het opleidingenaanbod is een van de instrumenten daartoe. Door programmaties procedure- en normloos te maken, kunnen onderwijsverstrekkers die techniek eenvoudiger hanteren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 13°, is de volgende : de rol van het beleids- en ondersteunend personeel, in voorkomend geval toegespitst op specifieke ambten binnen die formatie, kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het secundair naar het basisonderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 14°, is de volgende : het huidige opleidingenaanbod ligt, gerangschikt in studiegebieden, limitatief en eenduidig voor alle onderwijsorganisatoren vast. Herverdeling van dat aanbod, onder meer op basis van belangstellingsdomeinen, kan de transparantie ervan verhogen, de attractiviteit van onderwijsinstellingen of opleidingen doen toenemen, studiekeuzes verbeteren en de schoolorganisatie optimaliseren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 15°, is de volgende : voor leerplannen, als leidraad voor lesgevers, kunnen worden toegepast, moet een gefaseerde goedkeuringsprocedure worden doorlopen tot op overheidsniveau. Het opheffen van die procedure kan bijdragen tot meer zekerheid voor de leerplanmakers, grondigere voorbereiding van implementatie door de gebruikers en snellere bijsturing bij gewijzigde omstandigheden of nieuwe behoeften. Onverkort behoud van het principe van de eindtermen of ontwikkelingsdoelen moet borg staan voor onderwijskwaliteit.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 17°, is de volgende : de toegang van leerlingen tot het eerste leerjaar A van het secundair onderwijs is momenteel gebaseerd op het beginsel van vrij naadloze instroom vanuit de lagere school. Die formele voorwaarde kan echter een miskenning inhouden van de intrinsieke capaciteiten van de jongere en daardoor zijn secundaire studieloopbaan nodeloos remmen. Aan de hand van een aanvullende instappiste kan een mogelijk terechte startpositie worden bedongen.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 19°, 20° en 21°, is de volgende : leerlingenevaluatie en de daarop aansluitende studiebekrachtiging is leerjaargebonden. Slagen is meestal noodzakelijk om de horizontale of verticale overstap naar het hogere leerjaar te kunnen zetten. Van situaties waarin leerlingen vaak niet op alle programmaonderdelen tekorten hebben of waarin leerplannen meer graad- dan jaarplannen zijn, maakt de bestaande regelgeving op de onderwijsorganisatie al te veel abstractie. Door aan onderwijsorganisatoren en inzonderheid klassenraden meer alternatieven op het vlak van evaluatie te verlenen, kan die evaluatie meer op de concrete schoolpraktijk worden geënt en, niet het minst, kunnen leerlingen meer vanuit hun capaciteiten dan vanuit hun gebreken worden benaderd.
§ 4. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs en het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° het schoolbestuur of de inrichtende macht kan voor de aanstelling van een vastbenoemd personeelslid via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, afwijken van de volgorde, vermeld in artikel 34, § 1, A, 6°, B, 6°, en C, 6°, in artikel 36, § 2, A, 4°, B, 4°, en C, 4°, en in artikel 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, en C, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;
2° in het gemeenschapsonderwijs kan de raad van bestuur bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 28 en 28bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;
3° in het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur of de inrichtende macht bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 33, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : vastbenoemde personeelsleden die voor de duur van het project een andere opdracht uitoefenen dan hun opdracht van vaste benoeming, moeten daarvoor een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De scholen zijn verplicht om voorrang te geven aan tijdelijke personeelsleden voor ze vastbenoemden met een verlof aanstellen. Dat beperkt hun mogelijkheid om voor het project het personeelslid aan te stellen dat beschikt over de beste capaciteiten en ook om dat personeelslid te behouden gedurende het hele project. De projectscholen krijgen daarom de mogelijkheid om voorrang te geven aan hun eigen vastbenoemde personeelsleden boven tijdelijke personeelsleden.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 3°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.]1
§ 2. Voor de scholen en leerlingen van het basisonderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 20, § 2, 2°, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het deelnemen aan onderwijsactiviteiten in andere scholen binnen hetzelfde project, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of de leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. In voorkomend geval blijft het principe gelden dat een leerling slechts in één school ingeschreven kan zijn;
2° in afwijking van artikel 153sexies, § 3, § 4 en § 5, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het overdragen van de puntenenveloppen om een zorgbeleid te voeren, en om ICT-ondersteuning en administratieve ondersteuning te bieden, van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs binnen hetzelfde project. Punten die worden overgedragen moeten worden geput uit het aantal punten dat in aanmerking komt voor de overdracht naar de scholengemeenschap. Die punten kunnen in het secundair onderwijs aangewend worden voor ondersteunend personeel als vermeld in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen biedt de gelegenheid de opgebouwde expertise van elke afzonderlijke instelling ten voordele van het leer- en opvoedingsproces van de jongere te benutten.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : de rol van het ondersteunend personeel kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten beleids- en ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het basis- naar het secundair onderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
§ 3. Voor de scholen en leerlingen van het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximumaantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs, en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 met betrekking tot de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 : het niet-opleggen van een maximumaantal wekelijkse lestijden per structuuronderdeel voor financiering of subsidiëring;
2° in afwijking van artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, en van artikel 4, § 2, en artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het laten volgen van lessen door leerlingen in andere onderwijsinstellingen die aan hetzelfde project deelnemen, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement en na instemming van de betrokken leraars van de andere onderwijsinstellingen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze niet tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve raadgevend in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
c) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze wel tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve stemgerechtigd in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
3° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het flexibel, al dan niet leerjaaroverschrijdend, invullen of differentiëren van wekelijkse lessentabellen bij periode, leerlingengroep of individuele leerling, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad voor leerlingen een gunstige beslissing heeft genomen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) moeten de leerplandoelstellingen bereikbaar blijven;
4° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van een bepaald structuuronderdeel, dat al dan niet wordt overgezeten, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt omdat de leerling al geslaagd is voor die programmaonderdelen in het secundair onderwijs. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
5° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
6° in afwijking van artikel 49, 1°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het uitbreiden van de tweejarige structuur van de eerste graad naar een driejarige structuur, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement. In voorkomend geval :
a) is voor inschrijving, elk schooljaar opnieuw en telkens na kennisname van het gemotiveerde advies van de toelatingsklassenraad, het voorafgaande schriftelijke akkoord vereist van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
b) wordt het derde leerjaar geacht zich te bevinden op het niveau van het tweede leerjaar van de eerste graad, dat is opgebouwd uit basisopties;
c) wordt het oriënteringsattest van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede respectievelijk het derde leerjaar als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt aan elke leerling, voor zover hij dat nog niet in zijn bezit heeft, op het einde van het eerste leerjaar een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt;
e) wordt aan elke leerling op het einde van het derde leerjaar een getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs uitgereikt, samen met een oriënteringsattest A of B;
f) beslist de delibererende klassenraad van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de eerste graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
7° in afwijking van artikel 50 van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het invoeren, ongeacht de graad, de onderwijsvorm of het structuuronderdeel, van aspecten van modulaire onderwijsinrichting zoals die door de decreet- of regelgever worden vastgelegd;
8° in afwijking van artikel 51, laatste gedachtestreepje, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990, en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het organiseren van een tweede onthaaljaar, voorbehouden aan leerlingen die het eerste onthaaljaar hebben gevolgd. In voorkomend geval :
a) omvat de wekelijkse lessentabel maximaal vierendertig lestijden, waaronder :
1) twee lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer, eigen cultuur en religie of cultuurbeschouwing (de laatste twee vakken zijn voorbehouden aan het vrij onderwijs);
2) minstens acht lestijden Nederlands voor nieuwkomers.
De overige lestijden worden door de klassenraad ingevuld afhankelijk van de individuele leerling;
b) vindt de studiebekrachtiging plaats naar analogie van de studiebekrachtiging in een leerjaar van de eerste graad, afhankelijk van de individuele leerling;
c) worden geen specifieke uren-leraar toegekend;
d) wordt voor de toepassing van alle andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen het tweede onthaaljaar gelijkgesteld aan het eerste onthaaljaar;
9° in afwijking van artikel 53, § 1, en artikel 54, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het niet-koppelen van de respectieve basisvormingen van de eerste graad aan een minimumaantal wekelijkse lestijden;
10° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het aanwenden van uren-leraar voor de aanwerving van voordrachtgevers ten belope van maximaal 5 % van het voor de onderwijsinstelling beschikbare pakket uren-leraar. In voorkomend geval wordt de vergoeding van die voordrachtgevers geregeld conform de bepalingen, vigerend in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
11° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het realiseren van wekelijkse lessentabellen, met eventuele vakkenintegratie, op basis van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald in de vorm van bijzondere pedagogische taken;
12° in afwijking van artikel 7, § 1, artikel 28 en 38 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs : het zonder normering programmeren van structuuronderdelen onder bestaande benamingen, nieuwe benamingen of de benaming proeftuin en, met uitzondering van de eerste graad, de rangschikking van die structuuronderdelen binnen de bestaande studiegebieden of in het studiegebied proeftuin. In voorkomend geval :
a) moet het aldus opgerichte structuuronderdeel worden afgebouwd na beëindiging van het tijdelijke project, tenzij andersluidende overheidsbeslissing;
b) wordt, zo het structuuronderdeel een nieuwe benaming of de benaming proeftuin draagt, als leerlingencoëfficiënt binnen de vaststellingsregeling van de lerarenomkadering de coëfficiënt genomen van het structuuronderdeel dat inhoudelijk het dichtst aanleunt bij het geprogrammeerde structuuronderdeel;
13° in afwijking van artikel 98, § 1, en artikel 98bis, § 1, van hetzelfde decreet van 14 juli 1998 : het overdragen van punten ondersteunend personeel van het secundair onderwijs naar het basisonderwijs binnen hetzelfde project. Die punten kunnen in het basisonderwijs aangewend worden voor beleids- en ondersteunend personeel als vermeld in het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
14° in afwijking van bijlage III tot en met XXXI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs : het herindelen van bestaande structuuronderdelen binnen bestaande studiegebieden;
15° in afwijking van artikel 8, § 4, van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen : het hanteren van leerplannen zonder de vigerende goedkeuringsregeling in aanmerking te nemen;
16° in afwijking van artikel 2, 1°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het definiëren van een anderstalige nieuwkomer als een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens elf jaar is en anderzijds geen achttien jaar geworden is. In voorkomend geval worden, louter voor de leerlingen die op basis van de vermelde afwijking instromen, geen specifieke uren-leraar toegekend;
17° in afwijking van artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het toelaten als regelmatige leerling tot het eerste leerjaar A zonder het zesde leerjaar van het lager onderwijs te hebben gevolgd mits :
a) de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van screening van de leerling;
b) de personen akkoord gaan die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
18° in afwijking van artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties;
19° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het uitstellen van delibererende klassenraden in de eerste, de tweede, respectievelijk de derde graad tot het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie. In voorkomend geval :
a) wordt het oriënteringsattest van het eerste leerjaar van de graad in kwestie vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede leerjaar van die graad als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt. Bij dat attest wordt de eventuele beslissing van de begeleidende klassenraad gevoegd om in het hogere leerjaar een aangepast leertraject te volgen;
b) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
c) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
20° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot een hoger leerjaar niettegenstaande tekorten voor bepaalde programmaonderdelen, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt in overleg met de delibererende klassenraad van het leerjaar waaruit de leerling komt. In voorkomend geval :
a) moeten de tekorten worden weggewerkt voor het einde van de graad waarbinnen het hogere leerjaar zich bevindt;
b) wordt de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;
c) beslist de delibererende klassenraad van het leerjaar waarin een attest van regelmatige lesbijwoning werd uitgereikt, alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die, zonder dat de tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
21° in afwijking van artikel 56, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het niet-organiseren van een geïntegreerde proef op het einde van het schooljaar mits tijdens het schooljaar permanent geïntegreerd wordt gewerkt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 9°, is de volgende : de flexibele samenstelling van leerprogramma's impliceert de mogelijkheid tot het doorbreken van de rigide indeling in graden, leerjaren, onderwijsvormen, studiegebieden en structuuronderdelen. Flexibiliteit betekent ook de mogelijkheid tot spreiding van studiebelasting en tot alternerende lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen. Door die opportuniteiten moeten persoonlijke talenten, competenties en interesses van leerlingen optimaal tot ontwikkeling kunnen komen, waardoor leermotivatie wordt gestimuleerd. Op die wijze kan een voedingsbodem worden gecreëerd voor een studieloopbaan waarin veelvuldige school- of studieverandering, leerachterstand, zittenblijven en, ten slotte, ongekwalificeerde uitstroom maximaal worden teruggedrongen. Door handhaving van principes zoals eindtermen, ontwikkelingsdoelen en minimale basisvorming en door behoud van de reguliere eindstudiebekrachtiging wordt het evenwicht bewaakt tussen een dynamisch en vernieuwend onderwijs op maat enerzijds en onderwijskwaliteit en civiele onderwijseffecten anderzijds.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 4°, is de volgende : het hanteren van een ruimer lokaal vrijstellingenbeleid moet in een efficiëntere en effectievere tijdsbesteding resulteren. Door de lesverstrekking te focussen op programmaonderdelen die voor de betrokken leerling nieuw zijn of remediëring vereisen, kan zijn belangstelling gewekt blijven en kunnen zijn tekorten worden weggewerkt, wat essentiële elementen zijn voor een optimale studieloopbaan.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 5° en 18°, is de volgende : de specialisatiejaren van de derde graad technisch en kunstsecundair onderwijs worden bevolkt door leerlingen die al gediplomeerd en niet meer leerplichtig zijn. Specialisatiejaren zijn kwalificatieverhogend, worden gewaardeerd door het bedrijfsleven en bevorderen de tewerkstellingsperspectieven. De aantrekkingskracht van die specialisatiejaren verhogen door maatregelen te nemen op het vlak van toeleiding en invulling, maar ook door opleiding én werk combineerbaar te maken, kan positieve effecten sorteren voor (potentiële) werknemers en werkgevers.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 6°, is de volgende : de eerste graad secundair onderwijs is een scharniergraad tussen het lager en secundair onderwijs en belangrijk in de opstap naar en studiekeuze in de hogere leerjaren. Falen in de eerste graad kan structureel negatieve gevolgen hebben voor de verdere studieloopbaan, zodat bij uitstek in die graad preventief moet worden opgetreden. Uitbreiding van twee naar drie leerjaren met doorstroomgarantie moet meer ruimte geven voor leerplanafwerking en individuele opvang en begeleiding en vermijdt het emotioneel geladen zittenblijven.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 7°, is de volgende : door het volledige secundaironderwijslandschap toegankelijk te maken voor modulaire onderwijsaspecten, kan een groei worden gerealiseerd in gekwalificeerde uitstroom, in afstemming op de arbeidsmarkt, in transparantie van het onderwijsaanbod, in tussentijdse succesbelevingen van leerlingen en in hun stimulans tot levenslang leren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 8° en 16°, is de volgende : door de strikte begrenzing weg te nemen dat onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers een eenjarige opleiding is en voorbehouden aan plus 12-jarigen, kan het rendement van die specifieke onderwijsvoorziening worden verhoogd. Daaronder wordt dan verstaan dat nieuwkomers, na een intensief taalbad, ook op leeftijd in het secundair onderwijs kunnen stappen, respectievelijk dat nieuwkomers via een tweede onthaaljaar nog steeds intensief taalonderricht kunnen krijgen, waardoor ze nadien over betere slaagkansen beschikken.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 10°, is de volgende : onderwijsinstellingen en lerarenteams staan voor de permanente uitdaging om de leerstof op een boeiende en eigentijdse wijze te verwerken. Inschakeling van schoolexterne voordrachtgevers, die het onderwijs levensechter maken en een horizonverruimende dimensie aanbrengen, past in het streven naar gepaste pedagogisch-didactische werkvormen. Omgekeerd kan confrontatie met het onderwijsproces ook voor voordrachtgevers een meerwaarde genereren, zodat een win-winsituatie ontstaat.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 11°, is de volgende : leerstofpakketten catalogiseren in vakken en daarop een vakkenrubricering toepassen, gebeurt in de huidige stand van zaken vooral op grond van personeelsregelgeving. Onderwijstrends gaan echter steeds vaker in de richting van integratie van vakken, met onder meer multidisciplinaire of thematische aanpak en vervaging van het strikte onderscheid tussen theorie en praktijk. Les- en verwante onderwijsopdrachten onder de noemer van bijzondere pedagogische taken plaatsen, kan uitkomst bieden om onderwijskundige vernieuwingen te verzoenen met toepassing van de vigerende personeelsregelgeving. Daarenboven biedt de techniek van de met lesuren gelijkgestelde uren, waaronder bijzondere pedagogische taken ressorteren, de mogelijkheid aan de inrichtende macht om het inzetten van het juiste personeelslid op de juiste plaats op te voeren, rekening houdend met ervaring, deskundigheid en motivatie.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 12°, is de volgende : onderwijs moet gelijke tred kunnen houden met socio-economische, technologische, maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Programmatie van het opleidingenaanbod is een van de instrumenten daartoe. Door programmaties procedure- en normloos te maken, kunnen onderwijsverstrekkers die techniek eenvoudiger hanteren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 13°, is de volgende : de rol van het beleids- en ondersteunend personeel, in voorkomend geval toegespitst op specifieke ambten binnen die formatie, kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het secundair naar het basisonderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 14°, is de volgende : het huidige opleidingenaanbod ligt, gerangschikt in studiegebieden, limitatief en eenduidig voor alle onderwijsorganisatoren vast. Herverdeling van dat aanbod, onder meer op basis van belangstellingsdomeinen, kan de transparantie ervan verhogen, de attractiviteit van onderwijsinstellingen of opleidingen doen toenemen, studiekeuzes verbeteren en de schoolorganisatie optimaliseren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 15°, is de volgende : voor leerplannen, als leidraad voor lesgevers, kunnen worden toegepast, moet een gefaseerde goedkeuringsprocedure worden doorlopen tot op overheidsniveau. Het opheffen van die procedure kan bijdragen tot meer zekerheid voor de leerplanmakers, grondigere voorbereiding van implementatie door de gebruikers en snellere bijsturing bij gewijzigde omstandigheden of nieuwe behoeften. Onverkort behoud van het principe van de eindtermen of ontwikkelingsdoelen moet borg staan voor onderwijskwaliteit.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 17°, is de volgende : de toegang van leerlingen tot het eerste leerjaar A van het secundair onderwijs is momenteel gebaseerd op het beginsel van vrij naadloze instroom vanuit de lagere school. Die formele voorwaarde kan echter een miskenning inhouden van de intrinsieke capaciteiten van de jongere en daardoor zijn secundaire studieloopbaan nodeloos remmen. Aan de hand van een aanvullende instappiste kan een mogelijk terechte startpositie worden bedongen.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 19°, 20° en 21°, is de volgende : leerlingenevaluatie en de daarop aansluitende studiebekrachtiging is leerjaargebonden. Slagen is meestal noodzakelijk om de horizontale of verticale overstap naar het hogere leerjaar te kunnen zetten. Van situaties waarin leerlingen vaak niet op alle programmaonderdelen tekorten hebben of waarin leerplannen meer graad- dan jaarplannen zijn, maakt de bestaande regelgeving op de onderwijsorganisatie al te veel abstractie. Door aan onderwijsorganisatoren en inzonderheid klassenraden meer alternatieven op het vlak van evaluatie te verlenen, kan die evaluatie meer op de concrete schoolpraktijk worden geënt en, niet het minst, kunnen leerlingen meer vanuit hun capaciteiten dan vanuit hun gebreken worden benaderd.
§ 4. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs en het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° het schoolbestuur of de inrichtende macht kan voor de aanstelling van een vastbenoemd personeelslid via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, afwijken van de volgorde, vermeld in artikel 34, § 1, A, 6°, B, 6°, en C, 6°, in artikel 36, § 2, A, 4°, B, 4°, en C, 4°, en in artikel 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, en C, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;
2° in het gemeenschapsonderwijs kan de raad van bestuur bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 28 en 28bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;
3° in het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur of de inrichtende macht bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 33, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : vastbenoemde personeelsleden die voor de duur van het project een andere opdracht uitoefenen dan hun opdracht van vaste benoeming, moeten daarvoor een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De scholen zijn verplicht om voorrang te geven aan tijdelijke personeelsleden voor ze vastbenoemden met een verlof aanstellen. Dat beperkt hun mogelijkheid om voor het project het personeelslid aan te stellen dat beschikt over de beste capaciteiten en ook om dat personeelslid te behouden gedurende het hele project. De projectscholen krijgen daarom de mogelijkheid om voorrang te geven aan hun eigen vastbenoemde personeelsleden boven tijdelijke personeelsleden.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 3°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.]1
Art. 2bis. [1 § 1er. Les §§ 2 à 4 inclus comportent une liste exhaustive de toutes les dérogations possibles, assorties de motivations, aux dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquant aux projets temporaires.
§ 2. Aux écoles et élèves de l'enseignement fondamental s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 20, § 2, 2°, du décret relatif a l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : la participation à des activités d'enseignement dans d'autres écoles associées au même projet, à condition que ce soit communiqué au préalable aux personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève. Le cas échéant, le principe qu'un élève ne peut être inscrit que dans une seule école reste d'application;
2° par dérogation à l'article 153sexies, §§ 3, 4 et 5, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : le transfert d'enveloppes de points de l'enseignement fondamental vers l'enseignement secondaire au sein du même projet pour assurer un encadrement renforcé et offrir un encadrement TIC et administratif. Les points reportés doivent être puisés dans le nombre de points admissibles au transfert au centre d'enseignement. Ces points peuvent être utilisés dans l'enseignement secondaire pour des personnels d'appui, tels que visés au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : la fréquentation des cours dans plusieurs établissements d'enseignement permet d'utiliser l'expertise de chaque établissement en faveur du processus d'apprentissage et éducatif du jeune.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : le rôle du personnel d'appui peut être un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire pour des projets d'enseignement interniveaux.
§ 3. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 2 de l'arrêté royal n° 2 du 21 août 1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire de plein exercice, et à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3 : la non-imposition d'un nombre maximum de périodes hebdomadaires par subdivision structurelle pour financement ou subventionnement;
2° par dérogation à l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, et aux articles 4, § 2, et 5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'autorisation aux élèves de suivre des cours auprès d'autres établissements d'enseignement associés au même projet, à condition que ce soit préalablement communiqué par le biais du règlement d'école et moyennant l'accord des enseignants intéressés des autres établissements d'enseignement. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix consultative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement n'appartiennent pas au même pouvoir organisateur;
c) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donne cours à l'élève ont d'office voix délibérative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement appartiennent au même pouvoir organisateur;
3° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'établissement ou la différentiation flexible, dépassant les années d'études ou non, de grilles horaires hebdomadaires d'après la période, le groupe d'élèves ou l'élève individuel, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur ait prise une décision favorable pour des élèves. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul etablissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les objectifs concernant le programme d'études doivent rester réalisables;
4° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme d'une subdivision structurelle déterminée, doublée ou non, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable parce que l'élève a déjà réussi pour lesdites subdivisions de programme dans l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
5° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme en troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
6° par dérogation à l'article 49, 1°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'extension de la structure biennale du premier degré à une structure triennale, moyennant communication préalable par le règlement d'école. Le cas échéant :
a) l'accord préalable et écrit des personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur est requis pour l'inscription, chaque année scolaire et chaque fois après prise de connaissance de l'avis motivé du conseil de classe d'admission;
b) la troisième année d'études est censée se trouver au niveau de la deuxième année d'études du premier degre, qui est constituée d'options de base;
c) l'attestation d'orientation de la première, respectivement la deuxième année d'études est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième, respectivement la troisième année d'études, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
e) il est délivré à chaque élève un certificat du premier degré de l'enseignement secondaire à l'issue de la troisième année d'études, ainsi qu'une attestation d'orientation A ou B;
f) le conseil de classe délibérant de la première, respectivement la deuxième année d'études, décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé cette année d'études et qui, avant la fin du premier degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
7° par dérogation à l'article 50 du même décret du 31 juillet 1990 : l'introduction, quel que soit le degré, la filière d'enseignement ou la subdivision structurelle, d'aspects d'organisation modulaire de l'enseignement tels que définis par le législateur ou le législateur décretal;
8° par derogation à l'article 51, dernier tiret, du même décret du 31 juillet 1990, et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : l'organisation d'une deuxième année d'accueil, réservée aux élèves ayant suivi la première année d'accueil. Le cas échéant :
a) la grille horaire hebdomadaire comprend au maximum trente-quatre périodes, dont :
1) deux périodes de religion, de morale non confessionnelle, de propre culture et religion ou de formation culturelle (les deux derniers cours sont réservés à l'enseignement libre);
2) au moins huit périodes de néerlandais pour primo-arrivants.
Les périodes restantes sont comblées par le conseil de classe, en fonction de l'élève individuel;
b) la validation des études s'effectue par analogie avec la validation des études dans une année d'études du premier degré en fonction de l'élève individuel;
c) des périodes-professeur spécifiques ne sont pas accordées;
d) la deuxième année d'accueil est assimilée à la première année d'accueil pour l'application de toutes les autres dispositions légales, décrétales et réglementaires;
9° par dérogation aux articles 53, § 1er, et 54, §§ 1er et 3, du même décret du 31 juillet 1990 : le non-ralliement des formations de base respectives du premier degré à un nombre minimum de périodes hebdomadaires;
10° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : l'utilisation de périodes-professeur pour le recrutement de conférenciers à concurrence de 5 % au maximum du capital " périodes-professeur " dont l'établissement d'enseignement dispose. Le cas échéant, la rétribution de ces conférenciers est réglée conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
11° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : la réalisation de grilles horaires hebdomadaires, éventuellement avec intégration des cours, sur la base d'heures assimilées à des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques spéciales;
12° par dérogation aux articles 7, § 1er, 28 et 38 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental : la programmation sans normes de subdivisions structurelles sous des dénominations existantes, de nouvelles dénominations ou d'une dénomination " proeftuin " (champ d'expérimentation) et, à l'exception du premier degré, le classement de ces subdivisions structurelles dans les disciplines existantes ou dans une discipline " proeftuin ". Le cas échéant :
a) la subdivision structurelle ainsi créée doit être supprimée progressivement à l'expiration du projet temporaire, à moins que l'autorité en décide autrement;
b) si la subdivision structurelle porte une nouvelle dénomination ou la dénomination " proeftuin ", le coefficient de la subdivision structurelle dont le contenu correspond le plus à la subdivision programmée est adopté comme coefficient des élèves s'inscrivant dans les modalités de fixation de l'encadrement des enseignants;
13° par dérogation aux articles 98, § 1er, et 98bis, § 1er, du même décret du 14 juillet 1998 : le transfert de points personnel d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental au sein du même projet. Dans l'enseignement fondamental, ces points peuvent être utilisés pour le personnel de gestion et d'appui, tel que fixé au décret du 25 février 1997 relatif a l'enseignement fondamental;
14° par dérogation aux annexes III à XXXI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif aux disciplines et subdivisions structurelles dans l'enseignement secondaire : une nouvelle classification de subdivisions structurelles existantes au sein de disciplines existantes;
15° par dérogation à l'article 8, § 4, du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et a l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2006 fixant les critères d'approbation et les modalités d'introduction des programmes d'études : l'utilisation de programmes d'études sans prendre en compte les modalités d'approbation en vigueur;
16° par dérogation à l'article 2, 1°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : la définition d'un primo-arrivant allophone comme un élève ayant au moins onze ans et n'ayant pas encore atteint l'âge de dix-huit ans au plus tard le 31 décembre après le debut de l'année scolaire. Le cas échéant, il n'est pas accordé de périodes-professeur spécifiques uniquement pour les élèves nouvellement arrives sur la base de la dérogation mentionnée;
17° par dérogation à l'article 6, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'admission à la première année d'études A comme élève régulier sans avoir fréquenté la sixième année d'études de l'enseignement primaire, à condition que :
a) le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base d'un screening de l'élève;
b) les personnes exerçant l'autorité parentale ou ayant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur marquent leur accord;
18° par dérogation à l'article 24, § 1er, du même arrêté du Gouvernement du 19 juillet 2002 : l'admission comme élève régulier à la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs;
19° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la remise des conseils de classe délibérants dans le premier, deuxième ou troisième degré jusqu'à la fin de la deuxième année d'études du degré en question. Le cas écheant :
a) l'attestation d'orientation de la première année d'etudes du degré en question est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième année d'études de ce degré, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire. Cette attestation est assortie de la décision éventuelle du conseil de classe accompagnateur, aux fins de suivre une filière d'apprentissage adaptée dans l'année d'études supérieure;
b) le conseil de classe délibérant de la première année d'études du degré en question décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé l'année d'études et qui, avant la fin du degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
c) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
20° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission à une année d'études supérieure comme élève régulier, nonobstant des insuffisances pour certaines subdivisions de programme, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable en concertation avec le conseil de classe délibérant de l'année d'études d'où sort l'élève. Le cas échéant :
a) les insuffisances doivent être éliminées avant la fin du degré auquel appartient l'année d'études supérieure;
b) la délivrance d'une attestation d'orientation est remplacée par la délivrance d'une attestation de fréquentation régulière des cours en attendant l'élimination des insuffisances;
c) le conseil de classe délibérant de l'année d'études dans laquelle une attestation de fréquentation régulière des cours est délivrée décide tout de même de délivrer une attestation d'orientation à tout élève qui, sans que les insuffisances aient été éliminées, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
21° par dérogation à l'article 56, § 1er, du même arrêté du Gouvernement du 19 juillet 2002 : la non-organisation d'une épreuve intégrée à l'issue de l'année scolaire, à condition que l'on travaille en permanence de manière intégrée pendant l'année scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 1°, 2°, 3° et 9°, est motivée comme suit : la composition flexible de programmes d'études implique la possibilité d'abandonner le classement rigide en degrés, années d'études, formes d'enseignement, disciplines et subdivisions structurelles. La flexibilité signifie aussi la possibilité d'étaler la charge d'étude et de fréquenter les cours en alternance dans plusieurs établissements d'enseignement. Ces opportunités doivent permettre un développement optimal des talents, des compétences et des centres d'intérêt personnels des élèves, ce qui stimule leur motivation d'apprentissage. De cette manière, il est possible de créer un milieu favorable à un parcours scolaire où les changements fréquents d'écoles ou d'études, les retards scolaires, le bisutage et, enfin, les sorties sans qualification seront réduits au maximum. En conservant des principes tels que les objectifs finaux, les objectifs de développement et la formation de base minimale et en sauvegardant la validation régulière de fin d'études, l'équilibre est preservé entre un enseignement dynamique et innovateur " sur mesure " d'une part et la qualité de l'enseignement et les effets de l'éducation sur la société d'autre part.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 4°, est motivée comme suit : une plus large politique locale de dispenses doit aboutir à un emploi du temps plus efficace et effectif. L'axe de l'enseignement sur des subdivisions de programme qui sont nouvelles pour l'élève concerné ou qui nécessitent une remédiation, permet à l'élève de maintenir son intérêt ainsi que d'éliminer ses insuffisances. Ce sont en effet des éléments essentiels pour un parcours scolaire optimal.
La nécessité d'une derogation, telle que visée aux points 5° et 18°, est motivée comme suit : les années de spécialisation du troisième degré de l'enseignement secondaire technique et artistique sont occupées par des élèves qui sont déjà diplômés et ne relèvent plus de l'obligation scolaire. Les années de spécialisation accroissent la qualification, sont appréciées par l'industrie et favorisent les perspectives d'occupation. Augmenter l'attrait de ces années de spécialisation, non seulement par des mesures au niveau de l'orientation et du contenu, mais également par une meilleure conciliation formation-emploi, peut engendrer des effets positifs pour les travailleurs (potentiels) et les employeurs.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 6°, est motivée comme suit : le premier degré de l'enseignement secondaire est un degré charnière entre l'enseignement primaire et l'enseignement secondaire et est important comme tremplin vers les années d'études supérieures et pour le choix d'études à opérer. Un échec dans le premier degré peut avoir des conséquences négatives, au niveau structurel, pour la suite du parcours scolaire de l'élève, de sorte qu'une intervention préventive s'impose de préférence dans ce degré. Une extension de deux à trois années d'études avec garantie de transition doit donner plus d'espace à l'accomplissement du programme d'études et à un accueil et un accompagnement individuels de l'élève et évite que celui-ci éprouve les effets d'un redoublement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 7°, est motivée comme suit : En rendant le paysage éducatif secondaire dans son ensemble accessible aux aspects éducatifs modulaires, il est possible de réaliser un nombre accru de sorties qualifiées, d'assurer une meilleure adéquation avec les besoins du marche de l'emploi ainsi qu'une meilleure transparence de l'offre d'enseignement, de multiplier les expériences de succès intermédiaires des élèves et de les inciter à apprendre tout au long de la vie.
La nécessite d'une derogation, telle que visée aux points 8° et 16°, est motivée comme suit : en éliminant la stricte délimitation que l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones est une formation d'une seule année et réservée à des élèves âgés de plus de 12 ans, le rendement de cette structure d'enseignement spécifique peut être augmenté. Cela signifie que les primo-arrivants, même " d'un âge avancé ", peuvent, après avoir subi une immersion linguistique, accéder à l'enseignement secondaire, et que les primo-arrivants peuvent toujours, par le biais d'une seconde année d'accueil, suivre un cours intensif de langue, ce qui leur donne de meilleures chances de réussite par après.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 10°, est motivée comme suit : les établissements d'enseignement et les équipes d'enseignants se voient posés devant le défi permanent d'intégrer la matiere d'une façon captivante et actuelle. L'appel fait à des conférenciers externes à l'école, qui approchent l'enseignement de la vie et élargissent l'horizon, s'inscrit dans la poursuite de formes de travail pédagogiques-didactiques appropriées. Inversement la confrontation au processus d'enseignement peut également engendrer une plus-value pour les conférenciers, créant ainsi une situation gagnant-gagnant.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 11°, est motivée comme suit : dans l'état actuel des choses, cataloguer les ensembles pédagogiques en branches et les classer en rubriques s'opère surtout sur la base de la réglementation relative aux personnels. Les tendances dans l'enseignement vont vers une intégration de branches, avec entre autres une approche multidisciplinaire ou thématique et un estompage de la stricte différence entre la theorie et la pratique. Le fait de placer les charges d'enseignement et les missions connexes sous le dénominateur de tâches pédagogiques spéciales peut apporter une solution au problème de compatibilité entre les innovations pédagogiques et l'application de la réglementation applicable aux personnels. De plus, la technique des heures assimilées à des heures de cours, dont relèvent les tâches pedagogiques, permet au pouvoir organisateur d'augmenter le nombre de personnels qu'il faut à la place qu'il faut, compte tenu de l'expérience, l'expertise et la motivation dont ils font preuve.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 12°, est motivée comme suit : l'enseignement doit pouvoir rester en phase avec les développements socio-économiques, technologiques, sociales et démographiques. Un des instruments pour ce faire est la programmation de l'offre de formations. En libérant les programmations des procédures et des normes, les dispensateurs d'enseignement peuvent appliquer cette technique plus facilement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 13°, est motivée comme suit : le rôle des personnels de gestion et d'appui, le cas échéant, exerçant des fonctions spécifiques dans ce cadre, peut représenter un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental pour des projets d'enseignement interniveaux.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 14°, est motivée comme suit : l'offre de formations actuelle, classée en disciplines, est arrêtée pour tous les organisateurs d'enseignement de façon limitative et uniforme. Une redistribution de cette offre, entre autres en fonction des centres d'intérêt, peut en augmenter la transparence, accroître l'attrait d'établissements d'enseignement ou de formations, améliorer les choix d'études et optimiser l'organisation scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 15°, est motivée comme suit : avant que les programmes d'études, servant de directive pour les enseignants, puissent être appliqués, il faut suivre une procédure d'approbation en phases jusqu'au niveau des autorités. La suppression de cette procédure peut contribuer à une plus grande sécurité pour les rédacteurs des programmes d'études, une préparation plus approfondie de la mise en oeuvre par les utilisateurs et une correction plus rapide lors de circonstances changées ou de nouveaux besoins. Le maintien absolu du principe des objectifs finaux ou objectifs de développement doit garantir la qualité de l'enseignement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 17°, est motivée comme suit : pour l'instant, l'acces des élèves à la première année A de l'enseignement secondaire est basé sur le principe d'une transition assez aisée depuis l'école primaire. Cette condition formelle peut cependant contenir une méconnaissance des capacités intrinsèques du jeune et freiner ainsi inutilement son parcours scolaire secondaire. Au moyen d'une piste d'entrée complémentaire, une position de démarrage éventuellement justifiée peut être stipulée.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 19°, 20° et 21° est motivée comme suit : l'évaluation des élèves et la validation des études y afférente sont liées à l'année d'études. Le plus souvent, la réussite est nécessaire pour pouvoir faire le passage horizontal ou vertical à l'année d'études supérieure. La réglementation existante sur l'organisation de l'enseignement fait trop abstraction des situations, dans lesquelles souvent les élèves n'affichent pas d'insuffisances sur toutes les subdivisions de programme ou dans lesquelles les programmes d'études ressemblent plus à des programmes de degrés qu'a des plans annuels. S'il est accordé aux organisateurs d'enseignement et notamment aux conseils de classe plus d'alternatives en matière d'évaluation, celle-ci pourra être mieux alignee sur la pratique scolaire concrète et, plus encore, les élèves pourront être approchés à partir de leurs capacités, plutôt qu'à partir de leurs défauts.
§ 4. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, pour la désignation d'un membre du personnel nommé à titre définitif par le biais d'un congé pour l'exercice temporaire d'une autre charge, à l'ordre de l'article 34, § 1er, A, 6°, B, 6°, et C, 6°, de l'article 36, § 2, A, 4°, B, 4°, et C, 4°, et de l'article 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, et C, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente;
2° dans l'enseignement communautaire, le conseil d'administration peut déroger, par décision motivée, aux articles 28 et 28bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;
3° dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, par décision motivée, à l'article 33, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : les membres du personnel nommés définitivement exerçant pour la durée du projet une autre charge que la charge pour laquelle ils sont nommés à titre définitif, doivent prendre congé afin d'assumer temporairement une autre charge. Les écoles sont obligées de donner la priorité aux membres du personnel temporaires avant de désigner des membres du personnel définitifs bénéficiant d'un congé. Pour eux, cela limite les possibilités de désigner pour le projet le membre du personnel disposant des meilleures capacités et de garder ce membre du personnel pour toute la durée du projet. C'est pourquoi les écoles de projets sont autorisées à donner aux propres membres du personnel nommés à titre définitif la priorite sur des personnels temporaires.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement communautaire affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 3°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement subventionné affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.-1
§ 2. Aux écoles et élèves de l'enseignement fondamental s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 20, § 2, 2°, du décret relatif a l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : la participation à des activités d'enseignement dans d'autres écoles associées au même projet, à condition que ce soit communiqué au préalable aux personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève. Le cas échéant, le principe qu'un élève ne peut être inscrit que dans une seule école reste d'application;
2° par dérogation à l'article 153sexies, §§ 3, 4 et 5, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : le transfert d'enveloppes de points de l'enseignement fondamental vers l'enseignement secondaire au sein du même projet pour assurer un encadrement renforcé et offrir un encadrement TIC et administratif. Les points reportés doivent être puisés dans le nombre de points admissibles au transfert au centre d'enseignement. Ces points peuvent être utilisés dans l'enseignement secondaire pour des personnels d'appui, tels que visés au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : la fréquentation des cours dans plusieurs établissements d'enseignement permet d'utiliser l'expertise de chaque établissement en faveur du processus d'apprentissage et éducatif du jeune.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : le rôle du personnel d'appui peut être un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire pour des projets d'enseignement interniveaux.
§ 3. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 2 de l'arrêté royal n° 2 du 21 août 1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire de plein exercice, et à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3 : la non-imposition d'un nombre maximum de périodes hebdomadaires par subdivision structurelle pour financement ou subventionnement;
2° par dérogation à l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, et aux articles 4, § 2, et 5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'autorisation aux élèves de suivre des cours auprès d'autres établissements d'enseignement associés au même projet, à condition que ce soit préalablement communiqué par le biais du règlement d'école et moyennant l'accord des enseignants intéressés des autres établissements d'enseignement. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix consultative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement n'appartiennent pas au même pouvoir organisateur;
c) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donne cours à l'élève ont d'office voix délibérative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement appartiennent au même pouvoir organisateur;
3° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'établissement ou la différentiation flexible, dépassant les années d'études ou non, de grilles horaires hebdomadaires d'après la période, le groupe d'élèves ou l'élève individuel, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur ait prise une décision favorable pour des élèves. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul etablissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les objectifs concernant le programme d'études doivent rester réalisables;
4° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme d'une subdivision structurelle déterminée, doublée ou non, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable parce que l'élève a déjà réussi pour lesdites subdivisions de programme dans l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
5° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme en troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
6° par dérogation à l'article 49, 1°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'extension de la structure biennale du premier degré à une structure triennale, moyennant communication préalable par le règlement d'école. Le cas échéant :
a) l'accord préalable et écrit des personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur est requis pour l'inscription, chaque année scolaire et chaque fois après prise de connaissance de l'avis motivé du conseil de classe d'admission;
b) la troisième année d'études est censée se trouver au niveau de la deuxième année d'études du premier degre, qui est constituée d'options de base;
c) l'attestation d'orientation de la première, respectivement la deuxième année d'études est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième, respectivement la troisième année d'études, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
e) il est délivré à chaque élève un certificat du premier degré de l'enseignement secondaire à l'issue de la troisième année d'études, ainsi qu'une attestation d'orientation A ou B;
f) le conseil de classe délibérant de la première, respectivement la deuxième année d'études, décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé cette année d'études et qui, avant la fin du premier degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
7° par dérogation à l'article 50 du même décret du 31 juillet 1990 : l'introduction, quel que soit le degré, la filière d'enseignement ou la subdivision structurelle, d'aspects d'organisation modulaire de l'enseignement tels que définis par le législateur ou le législateur décretal;
8° par derogation à l'article 51, dernier tiret, du même décret du 31 juillet 1990, et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : l'organisation d'une deuxième année d'accueil, réservée aux élèves ayant suivi la première année d'accueil. Le cas échéant :
a) la grille horaire hebdomadaire comprend au maximum trente-quatre périodes, dont :
1) deux périodes de religion, de morale non confessionnelle, de propre culture et religion ou de formation culturelle (les deux derniers cours sont réservés à l'enseignement libre);
2) au moins huit périodes de néerlandais pour primo-arrivants.
Les périodes restantes sont comblées par le conseil de classe, en fonction de l'élève individuel;
b) la validation des études s'effectue par analogie avec la validation des études dans une année d'études du premier degré en fonction de l'élève individuel;
c) des périodes-professeur spécifiques ne sont pas accordées;
d) la deuxième année d'accueil est assimilée à la première année d'accueil pour l'application de toutes les autres dispositions légales, décrétales et réglementaires;
9° par dérogation aux articles 53, § 1er, et 54, §§ 1er et 3, du même décret du 31 juillet 1990 : le non-ralliement des formations de base respectives du premier degré à un nombre minimum de périodes hebdomadaires;
10° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : l'utilisation de périodes-professeur pour le recrutement de conférenciers à concurrence de 5 % au maximum du capital " périodes-professeur " dont l'établissement d'enseignement dispose. Le cas échéant, la rétribution de ces conférenciers est réglée conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
11° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : la réalisation de grilles horaires hebdomadaires, éventuellement avec intégration des cours, sur la base d'heures assimilées à des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques spéciales;
12° par dérogation aux articles 7, § 1er, 28 et 38 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental : la programmation sans normes de subdivisions structurelles sous des dénominations existantes, de nouvelles dénominations ou d'une dénomination " proeftuin " (champ d'expérimentation) et, à l'exception du premier degré, le classement de ces subdivisions structurelles dans les disciplines existantes ou dans une discipline " proeftuin ". Le cas échéant :
a) la subdivision structurelle ainsi créée doit être supprimée progressivement à l'expiration du projet temporaire, à moins que l'autorité en décide autrement;
b) si la subdivision structurelle porte une nouvelle dénomination ou la dénomination " proeftuin ", le coefficient de la subdivision structurelle dont le contenu correspond le plus à la subdivision programmée est adopté comme coefficient des élèves s'inscrivant dans les modalités de fixation de l'encadrement des enseignants;
13° par dérogation aux articles 98, § 1er, et 98bis, § 1er, du même décret du 14 juillet 1998 : le transfert de points personnel d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental au sein du même projet. Dans l'enseignement fondamental, ces points peuvent être utilisés pour le personnel de gestion et d'appui, tel que fixé au décret du 25 février 1997 relatif a l'enseignement fondamental;
14° par dérogation aux annexes III à XXXI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif aux disciplines et subdivisions structurelles dans l'enseignement secondaire : une nouvelle classification de subdivisions structurelles existantes au sein de disciplines existantes;
15° par dérogation à l'article 8, § 4, du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et a l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2006 fixant les critères d'approbation et les modalités d'introduction des programmes d'études : l'utilisation de programmes d'études sans prendre en compte les modalités d'approbation en vigueur;
16° par dérogation à l'article 2, 1°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : la définition d'un primo-arrivant allophone comme un élève ayant au moins onze ans et n'ayant pas encore atteint l'âge de dix-huit ans au plus tard le 31 décembre après le debut de l'année scolaire. Le cas échéant, il n'est pas accordé de périodes-professeur spécifiques uniquement pour les élèves nouvellement arrives sur la base de la dérogation mentionnée;
17° par dérogation à l'article 6, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'admission à la première année d'études A comme élève régulier sans avoir fréquenté la sixième année d'études de l'enseignement primaire, à condition que :
a) le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base d'un screening de l'élève;
b) les personnes exerçant l'autorité parentale ou ayant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur marquent leur accord;
18° par dérogation à l'article 24, § 1er, du même arrêté du Gouvernement du 19 juillet 2002 : l'admission comme élève régulier à la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs;
19° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la remise des conseils de classe délibérants dans le premier, deuxième ou troisième degré jusqu'à la fin de la deuxième année d'études du degré en question. Le cas écheant :
a) l'attestation d'orientation de la première année d'etudes du degré en question est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième année d'études de ce degré, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire. Cette attestation est assortie de la décision éventuelle du conseil de classe accompagnateur, aux fins de suivre une filière d'apprentissage adaptée dans l'année d'études supérieure;
b) le conseil de classe délibérant de la première année d'études du degré en question décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé l'année d'études et qui, avant la fin du degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
c) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
20° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission à une année d'études supérieure comme élève régulier, nonobstant des insuffisances pour certaines subdivisions de programme, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable en concertation avec le conseil de classe délibérant de l'année d'études d'où sort l'élève. Le cas échéant :
a) les insuffisances doivent être éliminées avant la fin du degré auquel appartient l'année d'études supérieure;
b) la délivrance d'une attestation d'orientation est remplacée par la délivrance d'une attestation de fréquentation régulière des cours en attendant l'élimination des insuffisances;
c) le conseil de classe délibérant de l'année d'études dans laquelle une attestation de fréquentation régulière des cours est délivrée décide tout de même de délivrer une attestation d'orientation à tout élève qui, sans que les insuffisances aient été éliminées, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
21° par dérogation à l'article 56, § 1er, du même arrêté du Gouvernement du 19 juillet 2002 : la non-organisation d'une épreuve intégrée à l'issue de l'année scolaire, à condition que l'on travaille en permanence de manière intégrée pendant l'année scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 1°, 2°, 3° et 9°, est motivée comme suit : la composition flexible de programmes d'études implique la possibilité d'abandonner le classement rigide en degrés, années d'études, formes d'enseignement, disciplines et subdivisions structurelles. La flexibilité signifie aussi la possibilité d'étaler la charge d'étude et de fréquenter les cours en alternance dans plusieurs établissements d'enseignement. Ces opportunités doivent permettre un développement optimal des talents, des compétences et des centres d'intérêt personnels des élèves, ce qui stimule leur motivation d'apprentissage. De cette manière, il est possible de créer un milieu favorable à un parcours scolaire où les changements fréquents d'écoles ou d'études, les retards scolaires, le bisutage et, enfin, les sorties sans qualification seront réduits au maximum. En conservant des principes tels que les objectifs finaux, les objectifs de développement et la formation de base minimale et en sauvegardant la validation régulière de fin d'études, l'équilibre est preservé entre un enseignement dynamique et innovateur " sur mesure " d'une part et la qualité de l'enseignement et les effets de l'éducation sur la société d'autre part.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 4°, est motivée comme suit : une plus large politique locale de dispenses doit aboutir à un emploi du temps plus efficace et effectif. L'axe de l'enseignement sur des subdivisions de programme qui sont nouvelles pour l'élève concerné ou qui nécessitent une remédiation, permet à l'élève de maintenir son intérêt ainsi que d'éliminer ses insuffisances. Ce sont en effet des éléments essentiels pour un parcours scolaire optimal.
La nécessité d'une derogation, telle que visée aux points 5° et 18°, est motivée comme suit : les années de spécialisation du troisième degré de l'enseignement secondaire technique et artistique sont occupées par des élèves qui sont déjà diplômés et ne relèvent plus de l'obligation scolaire. Les années de spécialisation accroissent la qualification, sont appréciées par l'industrie et favorisent les perspectives d'occupation. Augmenter l'attrait de ces années de spécialisation, non seulement par des mesures au niveau de l'orientation et du contenu, mais également par une meilleure conciliation formation-emploi, peut engendrer des effets positifs pour les travailleurs (potentiels) et les employeurs.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 6°, est motivée comme suit : le premier degré de l'enseignement secondaire est un degré charnière entre l'enseignement primaire et l'enseignement secondaire et est important comme tremplin vers les années d'études supérieures et pour le choix d'études à opérer. Un échec dans le premier degré peut avoir des conséquences négatives, au niveau structurel, pour la suite du parcours scolaire de l'élève, de sorte qu'une intervention préventive s'impose de préférence dans ce degré. Une extension de deux à trois années d'études avec garantie de transition doit donner plus d'espace à l'accomplissement du programme d'études et à un accueil et un accompagnement individuels de l'élève et évite que celui-ci éprouve les effets d'un redoublement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 7°, est motivée comme suit : En rendant le paysage éducatif secondaire dans son ensemble accessible aux aspects éducatifs modulaires, il est possible de réaliser un nombre accru de sorties qualifiées, d'assurer une meilleure adéquation avec les besoins du marche de l'emploi ainsi qu'une meilleure transparence de l'offre d'enseignement, de multiplier les expériences de succès intermédiaires des élèves et de les inciter à apprendre tout au long de la vie.
La nécessite d'une derogation, telle que visée aux points 8° et 16°, est motivée comme suit : en éliminant la stricte délimitation que l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones est une formation d'une seule année et réservée à des élèves âgés de plus de 12 ans, le rendement de cette structure d'enseignement spécifique peut être augmenté. Cela signifie que les primo-arrivants, même " d'un âge avancé ", peuvent, après avoir subi une immersion linguistique, accéder à l'enseignement secondaire, et que les primo-arrivants peuvent toujours, par le biais d'une seconde année d'accueil, suivre un cours intensif de langue, ce qui leur donne de meilleures chances de réussite par après.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 10°, est motivée comme suit : les établissements d'enseignement et les équipes d'enseignants se voient posés devant le défi permanent d'intégrer la matiere d'une façon captivante et actuelle. L'appel fait à des conférenciers externes à l'école, qui approchent l'enseignement de la vie et élargissent l'horizon, s'inscrit dans la poursuite de formes de travail pédagogiques-didactiques appropriées. Inversement la confrontation au processus d'enseignement peut également engendrer une plus-value pour les conférenciers, créant ainsi une situation gagnant-gagnant.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 11°, est motivée comme suit : dans l'état actuel des choses, cataloguer les ensembles pédagogiques en branches et les classer en rubriques s'opère surtout sur la base de la réglementation relative aux personnels. Les tendances dans l'enseignement vont vers une intégration de branches, avec entre autres une approche multidisciplinaire ou thématique et un estompage de la stricte différence entre la theorie et la pratique. Le fait de placer les charges d'enseignement et les missions connexes sous le dénominateur de tâches pédagogiques spéciales peut apporter une solution au problème de compatibilité entre les innovations pédagogiques et l'application de la réglementation applicable aux personnels. De plus, la technique des heures assimilées à des heures de cours, dont relèvent les tâches pedagogiques, permet au pouvoir organisateur d'augmenter le nombre de personnels qu'il faut à la place qu'il faut, compte tenu de l'expérience, l'expertise et la motivation dont ils font preuve.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 12°, est motivée comme suit : l'enseignement doit pouvoir rester en phase avec les développements socio-économiques, technologiques, sociales et démographiques. Un des instruments pour ce faire est la programmation de l'offre de formations. En libérant les programmations des procédures et des normes, les dispensateurs d'enseignement peuvent appliquer cette technique plus facilement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 13°, est motivée comme suit : le rôle des personnels de gestion et d'appui, le cas échéant, exerçant des fonctions spécifiques dans ce cadre, peut représenter un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental pour des projets d'enseignement interniveaux.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 14°, est motivée comme suit : l'offre de formations actuelle, classée en disciplines, est arrêtée pour tous les organisateurs d'enseignement de façon limitative et uniforme. Une redistribution de cette offre, entre autres en fonction des centres d'intérêt, peut en augmenter la transparence, accroître l'attrait d'établissements d'enseignement ou de formations, améliorer les choix d'études et optimiser l'organisation scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 15°, est motivée comme suit : avant que les programmes d'études, servant de directive pour les enseignants, puissent être appliqués, il faut suivre une procédure d'approbation en phases jusqu'au niveau des autorités. La suppression de cette procédure peut contribuer à une plus grande sécurité pour les rédacteurs des programmes d'études, une préparation plus approfondie de la mise en oeuvre par les utilisateurs et une correction plus rapide lors de circonstances changées ou de nouveaux besoins. Le maintien absolu du principe des objectifs finaux ou objectifs de développement doit garantir la qualité de l'enseignement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 17°, est motivée comme suit : pour l'instant, l'acces des élèves à la première année A de l'enseignement secondaire est basé sur le principe d'une transition assez aisée depuis l'école primaire. Cette condition formelle peut cependant contenir une méconnaissance des capacités intrinsèques du jeune et freiner ainsi inutilement son parcours scolaire secondaire. Au moyen d'une piste d'entrée complémentaire, une position de démarrage éventuellement justifiée peut être stipulée.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 19°, 20° et 21° est motivée comme suit : l'évaluation des élèves et la validation des études y afférente sont liées à l'année d'études. Le plus souvent, la réussite est nécessaire pour pouvoir faire le passage horizontal ou vertical à l'année d'études supérieure. La réglementation existante sur l'organisation de l'enseignement fait trop abstraction des situations, dans lesquelles souvent les élèves n'affichent pas d'insuffisances sur toutes les subdivisions de programme ou dans lesquelles les programmes d'études ressemblent plus à des programmes de degrés qu'a des plans annuels. S'il est accordé aux organisateurs d'enseignement et notamment aux conseils de classe plus d'alternatives en matière d'évaluation, celle-ci pourra être mieux alignee sur la pratique scolaire concrète et, plus encore, les élèves pourront être approchés à partir de leurs capacités, plutôt qu'à partir de leurs défauts.
§ 4. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, pour la désignation d'un membre du personnel nommé à titre définitif par le biais d'un congé pour l'exercice temporaire d'une autre charge, à l'ordre de l'article 34, § 1er, A, 6°, B, 6°, et C, 6°, de l'article 36, § 2, A, 4°, B, 4°, et C, 4°, et de l'article 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, et C, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente;
2° dans l'enseignement communautaire, le conseil d'administration peut déroger, par décision motivée, aux articles 28 et 28bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;
3° dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, par décision motivée, à l'article 33, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : les membres du personnel nommés définitivement exerçant pour la durée du projet une autre charge que la charge pour laquelle ils sont nommés à titre définitif, doivent prendre congé afin d'assumer temporairement une autre charge. Les écoles sont obligées de donner la priorité aux membres du personnel temporaires avant de désigner des membres du personnel définitifs bénéficiant d'un congé. Pour eux, cela limite les possibilités de désigner pour le projet le membre du personnel disposant des meilleures capacités et de garder ce membre du personnel pour toute la durée du projet. C'est pourquoi les écoles de projets sont autorisées à donner aux propres membres du personnel nommés à titre définitif la priorite sur des personnels temporaires.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement communautaire affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 3°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement subventionné affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.-1
Art. 2ter. [1 § 1. In bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd, worden de afwijkingen vermeld die, geput uit de exhaustieve lijst, per afzonderlijk project mogen worden toegepast. Het project in kwestie wordt aangegeven met een verwijzing naar het volgnummer van dat project in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de afwijkingen wordt verwezen naar de punten in kwestie, vermeld in artikel 2bis, § 2, § 3 of § 4, naargelang van het geval.
§ 2. Als de bevoegde inspectie, verificatie of administratie of de stuurgroep de toepassing van een afwijking vaststelt die manifest geen verband houdt met de eigenheid en concrete doelstellingen van het project, dan moet, na de beslissing van die stuurgroep, aan die afwijking binnen een redelijke termijn een einde worden gesteld. Een redelijke termijn houdt rekening met de belangen van leerlingen én personeel en vrijwaart het intrinsieke karakter van het project.]1
§ 2. Als de bevoegde inspectie, verificatie of administratie of de stuurgroep de toepassing van een afwijking vaststelt die manifest geen verband houdt met de eigenheid en concrete doelstellingen van het project, dan moet, na de beslissing van die stuurgroep, aan die afwijking binnen een redelijke termijn een einde worden gesteld. Een redelijke termijn houdt rekening met de belangen van leerlingen én personeel en vrijwaart het intrinsieke karakter van het project.]1
Art. 2ter. [1 § 1er. Dans l'annexe II au présent arrêté figurent les dérogations qui, puisées dans la liste exhaustive, peuvent être appliquées par projet distinct. Le projet en question est indiqué au moyen d'une référence au numéro d'ordre de ce projet dans l'annexe Ire au présent arrêté. Pour les dérogations, référence est faite aux points concernés, visés à l'article 2bis, § 2, § 3 ou § 4, le cas échéant.
§ 2. Si l'inspection, la vérification ou l'administration compétente ou le comité directeur constate une dérogation n'ayant manifestement aucun rapport ni avec la spécificité ni avec les objectifs concrets du projet, il faut, par décision de ce comité directeur, mettre fin à cette dérogation dans un délai raisonnable. Un délai raisonnable tient compte des intérêts des élèves ainsi que du personnel et garantit le caractère intrinsèque du projet.]1
§ 2. Si l'inspection, la vérification ou l'administration compétente ou le comité directeur constate une dérogation n'ayant manifestement aucun rapport ni avec la spécificité ni avec les objectifs concrets du projet, il faut, par décision de ce comité directeur, mettre fin à cette dérogation dans un délai raisonnable. Un délai raisonnable tient compte des intérêts des élèves ainsi que du personnel et garantit le caractère intrinsèque du projet.]1
Art. 3. Aan het project met volgnummer 1 in de bijlage wordt met ingang van 1 februari 2008 tot en met 30 juni 2010 een halftijdse betrekking van het niveau basisonderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
Aan de projecten met volgnummer 2 tot en met 6 in de bijlage wordt met ingang van 1 februari 2008 tot en met 30 juni 2010 driekwart van een voltijdse betrekking van het niveau basisonderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
Aan de projecten met volgnummer 7 tot en met 14 in de bijlage wordt met ingang van 1 februari 2008 tot en met 30 juni 2010 een halftijdse betrekking van het niveau secundair onderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
Aan de projecten met volgnummers 15 tot en met 21 in de bijlage wordt met ingang van 1 februari 2008 tot en met 30 juni 2010 driekwart van een voltijdse betrekking van het niveau secundair onderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
Aan de projecten met volgnummer 2 tot en met 6 in de bijlage wordt met ingang van 1 februari 2008 tot en met 30 juni 2010 driekwart van een voltijdse betrekking van het niveau basisonderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
Aan de projecten met volgnummer 7 tot en met 14 in de bijlage wordt met ingang van 1 februari 2008 tot en met 30 juni 2010 een halftijdse betrekking van het niveau secundair onderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
Aan de projecten met volgnummers 15 tot en met 21 in de bijlage wordt met ingang van 1 februari 2008 tot en met 30 juni 2010 driekwart van een voltijdse betrekking van het niveau secundair onderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
Art. 3. Au projet portant le numéro d'ordre 1 et figurant dans l'annexe est accordé, du 1er février 2008 au 30 juin 2010 inclus, un emploi à mi-temps du niveau de l'enseignement fondamental, tel que visé aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Aux projets portant les numéros d'ordre 2 à 6 inclus et figurant dans l'annexe est accordé, du 1er février 2008 au 30 juin 2010 inclus, un emploi de trois quarts d'un emploi à temps plein du niveau de l'enseignement fondamental, tel que visé aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Aux projets portant les numéros d'ordre 7 à 14 inclus et figurant dans l'annexe est accordé, du 1er février 2008 au 30 juin 2010 inclus, un emploi à mi-temps du niveau de l'enseignement secondaire, tel que mentionné aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Aux projets portant les numéros d'ordre 15 à 21 inclus et figurant dans l'annexe est accordé, du 1er février 2008 au 30 juin 2010 inclus, un emploi de trois quarts d'un emploi à temps plein du niveau de l'enseignement secondaire, tel que visé aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Aux projets portant les numéros d'ordre 2 à 6 inclus et figurant dans l'annexe est accordé, du 1er février 2008 au 30 juin 2010 inclus, un emploi de trois quarts d'un emploi à temps plein du niveau de l'enseignement fondamental, tel que visé aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Aux projets portant les numéros d'ordre 7 à 14 inclus et figurant dans l'annexe est accordé, du 1er février 2008 au 30 juin 2010 inclus, un emploi à mi-temps du niveau de l'enseignement secondaire, tel que mentionné aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Aux projets portant les numéros d'ordre 15 à 21 inclus et figurant dans l'annexe est accordé, du 1er février 2008 au 30 juin 2010 inclus, un emploi de trois quarts d'un emploi à temps plein du niveau de l'enseignement secondaire, tel que visé aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Art. 4. In artikel 6 van het besluit van 19 oktober 2007 worden de woorden "20 januari 2008" vervangen door de woorden "1 februari 2008".
Art. 4. Dans l'article 6 de l'arrêté du 19 octobre 2007, les mots "le 20 janvier 2008" sont remplacés par les mots "le 1er février 2008".
Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 7 november 2007 en houdt op van kracht te zijn op 31 augustus 2010.
Art. 5. Le présent arrêté produit ses effets le 7 novembre 2007 et cessera de produire ses effets le 31 août 2010.
Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 1 februari 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
Brussel, 1 februari 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
Art. 6. Le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 1er février 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE
Bruxelles, le 1er février 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE
BIJLAGEN.
ANNEXE
Art. N1. Lijst van tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren voor de periode van 1 februari 2008 tot en met 31 augustus 2010
1. Op talentenjacht.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Dit project richt zich op de overgang van BaO (freinetschool) naar de eerste graad SO en op de behoefte van de leerlingen aan een leeromgeving die meer aansluit bij het ontwikkelingspsychologische profiel van 12- tot 14-jarigen.
Het doel is om een 4x4-structuur op te zetten (BaO-SO) waardoor er een intensieve horizontale en verticale klasdoorbrekende samenwerking van leerkrachten en leerlingen kan ontstaan, waarbij de leerlingen kunnen evolueren van begeleid zelfstandig werken naar begeleid zelfstandig leren. Daardoor kan een gemotiveerde en doordachte studie- en beroepskeuze gemaakt worden.
De middenschool wordt uitgebouwd vanuit het vakoverschrijdende karakter van het BaO op participatieve basis (leerlingen/ouders/leerkrachten en omgeving) waarbij de klassieke lesroosters en de vakindelingen worden doorbroken. Concreet betekent dit dat binnen het keuzegedeelte in de eerste graad gewerkt zal worden via seminaries (projectonderwijs) en een modulair aanbod dat nauw aansluit bij de behoeften/interesses/leefwereld van de leerlingen.
Daarbij ondersteunen de leerkrachten van de beide onderwijsvormen elkaars didactische vaardigheden via coteaching en hospiteerbeurten.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
1. Op talentenjacht.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Dit project richt zich op de overgang van BaO (freinetschool) naar de eerste graad SO en op de behoefte van de leerlingen aan een leeromgeving die meer aansluit bij het ontwikkelingspsychologische profiel van 12- tot 14-jarigen.
Het doel is om een 4x4-structuur op te zetten (BaO-SO) waardoor er een intensieve horizontale en verticale klasdoorbrekende samenwerking van leerkrachten en leerlingen kan ontstaan, waarbij de leerlingen kunnen evolueren van begeleid zelfstandig werken naar begeleid zelfstandig leren. Daardoor kan een gemotiveerde en doordachte studie- en beroepskeuze gemaakt worden.
De middenschool wordt uitgebouwd vanuit het vakoverschrijdende karakter van het BaO op participatieve basis (leerlingen/ouders/leerkrachten en omgeving) waarbij de klassieke lesroosters en de vakindelingen worden doorbroken. Concreet betekent dit dat binnen het keuzegedeelte in de eerste graad gewerkt zal worden via seminaries (projectonderwijs) en een modulair aanbod dat nauw aansluit bij de behoeften/interesses/leefwereld van de leerlingen.
Daarbij ondersteunen de leerkrachten van de beide onderwijsvormen elkaars didactische vaardigheden via coteaching en hospiteerbeurten.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Art. N. (Annexe non traduite. Voir original néerlandais).
* BSGO de Boomhut 1652 Alsemberg
* Middenschool Ukkel 1180 Ukkel
* Atheneum Ukkel 1180 Ukkel
* Middenschool Ukkel 1180 Ukkel
* Atheneum Ukkel 1180 Ukkel
-
2. Expertisecentrum voor talentontwikkeling in het onderwijs.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : De ambitie van dit project is een Regionaal Expertisecentrum voor Talentontwikkeling in het Onderwijs op te richten dat zal fungeren als centraal en zichtbaar kennis- en begeleidingscentrum om talentontwikkeling in het onderwijs te stimuleren. Als motor voor talentontwikkeling wil men de scholen ondersteunen en begeleiden bij de uitbouw van technische vorming in het curriculum.
Daarnaast wil men een samenwerking realiseren tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, die resulteert in een interdisciplinaire kennis-, leer- en werkrelatie van en tussen professionals uit beide domeinen. Door de krachten van al die professionals te bundelen, kan men verandering brengen in het keuzegedrag van leerlingen en innovatiekrachtig onderwijs ontwikkelen.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : De ambitie van dit project is een Regionaal Expertisecentrum voor Talentontwikkeling in het Onderwijs op te richten dat zal fungeren als centraal en zichtbaar kennis- en begeleidingscentrum om talentontwikkeling in het onderwijs te stimuleren. Als motor voor talentontwikkeling wil men de scholen ondersteunen en begeleiden bij de uitbouw van technische vorming in het curriculum.
Daarnaast wil men een samenwerking realiseren tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, die resulteert in een interdisciplinaire kennis-, leer- en werkrelatie van en tussen professionals uit beide domeinen. Door de krachten van al die professionals te bundelen, kan men verandering brengen in het keuzegedrag van leerlingen en innovatiekrachtig onderwijs ontwikkelen.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Basisschool Mickey Mouse-De Sleutel 3600 Genk
* VBS Windekind 2350 Vosselaar
* GBS Sint-Jan 2370 Arendonk
* GBS Voorheide 2370 Arendonk
* GO De Zonnewijzer 2880 Ravels
* VBS Sint-Clara 2370 Arendonk
* Basisschool De Wamp 2370 Arendonk
* VBS Zwaneven 2360 Oud-Turnhout
* GBS De Kangoeroe 2480 Dessel
* VBS Trapop 2470 Retie
* VBS De Schatkist 2235 Westmeerbeek
* VBS De Toverboom 2440 Geel
* GBS 2275 Lille
* VBS De Parel 2460 Lichtaart
* VBS De Omnibus 2460 Tielen
* GBS De Vlieger 2460 Kasterlee
* G.V.B. Sint-Franciscus VZW 2300 Turnhout
* BSGO Het Centrum 2300 Turnhout
* BSGO Freinetschool De Regenboog 2300 Turnhout
* 't Locomotiefje 2340 Beerse
* GBS Centrum 2350 Vosselaar
* GBS Heieinde 2350 Vosselaar
* BSGO De Beeltjens 2260 Westerlo
* KTA de beeltjens 2260 Westerlo
* Kardinaal Van Roey Instituut 2350 Vorselaar
* Sint-Claracollege 2370 Arendonk
* KTA de Merodelei 2300 Turnhout
* Sint-Victor 2300 Turnhout
* 't Peperstraatje - KOGEKA4 2440 Geel
* Middenschool De Vesten 2200 Herentals
* VTST 2300 Turnhout
* KA Turnhout 2370 Arendonk
* VBS Windekind 2350 Vosselaar
* GBS Sint-Jan 2370 Arendonk
* GBS Voorheide 2370 Arendonk
* GO De Zonnewijzer 2880 Ravels
* VBS Sint-Clara 2370 Arendonk
* Basisschool De Wamp 2370 Arendonk
* VBS Zwaneven 2360 Oud-Turnhout
* GBS De Kangoeroe 2480 Dessel
* VBS Trapop 2470 Retie
* VBS De Schatkist 2235 Westmeerbeek
* VBS De Toverboom 2440 Geel
* GBS 2275 Lille
* VBS De Parel 2460 Lichtaart
* VBS De Omnibus 2460 Tielen
* GBS De Vlieger 2460 Kasterlee
* G.V.B. Sint-Franciscus VZW 2300 Turnhout
* BSGO Het Centrum 2300 Turnhout
* BSGO Freinetschool De Regenboog 2300 Turnhout
* 't Locomotiefje 2340 Beerse
* GBS Centrum 2350 Vosselaar
* GBS Heieinde 2350 Vosselaar
* BSGO De Beeltjens 2260 Westerlo
* KTA de beeltjens 2260 Westerlo
* Kardinaal Van Roey Instituut 2350 Vorselaar
* Sint-Claracollege 2370 Arendonk
* KTA de Merodelei 2300 Turnhout
* Sint-Victor 2300 Turnhout
* 't Peperstraatje - KOGEKA4 2440 Geel
* Middenschool De Vesten 2200 Herentals
* VTST 2300 Turnhout
* KA Turnhout 2370 Arendonk
-
3. Talenten in het basisonderwijs (kleuter en lager) : ontdekken, ontplooien, bijhouden, volgen en inzetten.
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren
Beschrijving : Dit project wil dat elk kind van bij de start in het kleuteronderwijs - in samenwerking met het schoolteam, ouders, CLB's en de ruime omgeving - zijn talenten leert ontdekken en ontwikkelen. Bovendien wil het project een efficiënt instrument ontwikkelen om die talenten en de ontwikkeling ervan te bundelen, onder meer met het oog op een optimale studie- en beroepskeuze. Die talenten worden gebundeld aan de hand van een talentenportfolio.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren
Beschrijving : Dit project wil dat elk kind van bij de start in het kleuteronderwijs - in samenwerking met het schoolteam, ouders, CLB's en de ruime omgeving - zijn talenten leert ontdekken en ontwikkelen. Bovendien wil het project een efficiënt instrument ontwikkelen om die talenten en de ontwikkeling ervan te bundelen, onder meer met het oog op een optimale studie- en beroepskeuze. Die talenten worden gebundeld aan de hand van een talentenportfolio.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Vrije basisschool pastoor Dergent 3200 Aarschot
* Vrije basisschool Gijmel-Sint-Pieter 3201 Langdorp
* Vrije basisschool Onze School 3201 Langdorp
* Vrije basisschool Bekaf 3200 Aarschot
* Vrije basschool Sancta Maria 3200 Aarschot
* Vrije basisschool Ourodenberg 3200 Aarschot
* BSGO Zonnedorp 3200 Aarschot
* BSGO De Hoogvlieger 3200 Aarschot
* BSGO Dol-fijn 3202 Rillaar
* Gemeentelijke basisschool 1 3202 Rillaar
* Gemeentelijke basisschool 2 3202 Rillaar
* Gemeentelijke Basisschool BO Elzenhof 3200 Aarschot
* Vrije basisschool Gijmel-Sint-Pieter 3201 Langdorp
* Vrije basisschool Onze School 3201 Langdorp
* Vrije basisschool Bekaf 3200 Aarschot
* Vrije basschool Sancta Maria 3200 Aarschot
* Vrije basisschool Ourodenberg 3200 Aarschot
* BSGO Zonnedorp 3200 Aarschot
* BSGO De Hoogvlieger 3200 Aarschot
* BSGO Dol-fijn 3202 Rillaar
* Gemeentelijke basisschool 1 3202 Rillaar
* Gemeentelijke basisschool 2 3202 Rillaar
* Gemeentelijke Basisschool BO Elzenhof 3200 Aarschot
-
4. T2 (T2 = talent en technologie).
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : De transitie in de schoolloopbaan (van kleuter- over lager naar secundair onderwijs) is via de verschillende deelprojecten uitgewerkt, zowel voor leerlingen, leerkrachten als andere actoren. De essentie van dit project is de opmaak van een portfolio met het oog op een betere schoolloopbaan voor leerlingen gewoon en buitengewoon onderwijs.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : De transitie in de schoolloopbaan (van kleuter- over lager naar secundair onderwijs) is via de verschillende deelprojecten uitgewerkt, zowel voor leerlingen, leerkrachten als andere actoren. De essentie van dit project is de opmaak van een portfolio met het oog op een betere schoolloopbaan voor leerlingen gewoon en buitengewoon onderwijs.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* De Wingerd, gemeentelijke lagere school 8770 Ingelmunster
* De Zon, gemeentelijke lagere school BuO type 1 8770 Ingelmunster
* Edelweiss, vrije secundaire school 8770 Ingelmunster
* De Ster, vrije BUSO-school 8700 Tielt
* De Zon, gemeentelijke lagere school BuO type 1 8770 Ingelmunster
* Edelweiss, vrije secundaire school 8770 Ingelmunster
* De Ster, vrije BUSO-school 8700 Tielt
-
5. Samen over de brug.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Heel wat jongeren ontdekken hun eigen competenties te laat of zelfs niet waardoor ze verkeerde studiekeuzes maken of zelfs afhaken. Door een duidelijke leerlijn uit te werken vanuit BaO naar HO en door de ouders meer te betrekken bij de talentontwikkeling van hun kinderen, probeert dit project dat probleem op te lossen.
Actiepunten daarbij zijn : de uitwerking van een individuele elektronische porfolio als leidraad voor een bewustere en juistere studiekeuze, de organisatie van vak- en schooloverstijgende projecten op basis van de competenties die de leerling daarvoor nodig heeft en de vergroting van de betrokkenheid van de verschillende coactoren bij de uitwerking van de juiste strategieën voor studie- en beroepsloopbaanbegeleiding.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Heel wat jongeren ontdekken hun eigen competenties te laat of zelfs niet waardoor ze verkeerde studiekeuzes maken of zelfs afhaken. Door een duidelijke leerlijn uit te werken vanuit BaO naar HO en door de ouders meer te betrekken bij de talentontwikkeling van hun kinderen, probeert dit project dat probleem op te lossen.
Actiepunten daarbij zijn : de uitwerking van een individuele elektronische porfolio als leidraad voor een bewustere en juistere studiekeuze, de organisatie van vak- en schooloverstijgende projecten op basis van de competenties die de leerling daarvoor nodig heeft en de vergroting van de betrokkenheid van de verschillende coactoren bij de uitwerking van de juiste strategieën voor studie- en beroepsloopbaanbegeleiding.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Instituut Berkenboom Humaniora 9100 Sint-Niklaas
* Technisch Berkenboom-Instituut 9100 Sint-Niklaas
* Broederschool Humaniora Sint-Niklaas 9100 Sint-Niklaas
* Broederschool Stekene 9190 Stekene
* Broederschool Biotechnisch Instituut 9100 Sint-Niklaas
* Vrije Handelsschool Broeders 9100 Sint-Niklaas
* O.-L.-V. Presentatie Humaniora 9100 Sint-Niklaas
* O.-L.-V. Presentatie Instituut Handelsschool 9100 Sint-Niklaas
* Instituut Heilige Familie 9100 Sint-Niklaas
* Sint-Jozef-Klein-Seminarie 9100 Sint-Niklaas
* Instituut Sinte-Amelberga Temse 9140 Temse
* Technisch Instituut Sint-Carolus 9100 Sint-Niklaas
* Vrije Technische Scholen B.S.O. en T.S.O. 9100 Sint-Niklaas
* Basisschool De Zonnebloem 9190 Stekene
* Tuimelaar 9190 Stekene
* 7-sprong 9190 Kemzeke
* Toermalijn 9190 Stekene
* Toermalijn GEEL 9190 Stekene
* 3 Beuken 9190 Stekene
* Technisch Berkenboom-Instituut 9100 Sint-Niklaas
* Broederschool Humaniora Sint-Niklaas 9100 Sint-Niklaas
* Broederschool Stekene 9190 Stekene
* Broederschool Biotechnisch Instituut 9100 Sint-Niklaas
* Vrije Handelsschool Broeders 9100 Sint-Niklaas
* O.-L.-V. Presentatie Humaniora 9100 Sint-Niklaas
* O.-L.-V. Presentatie Instituut Handelsschool 9100 Sint-Niklaas
* Instituut Heilige Familie 9100 Sint-Niklaas
* Sint-Jozef-Klein-Seminarie 9100 Sint-Niklaas
* Instituut Sinte-Amelberga Temse 9140 Temse
* Technisch Instituut Sint-Carolus 9100 Sint-Niklaas
* Vrije Technische Scholen B.S.O. en T.S.O. 9100 Sint-Niklaas
* Basisschool De Zonnebloem 9190 Stekene
* Tuimelaar 9190 Stekene
* 7-sprong 9190 Kemzeke
* Toermalijn 9190 Stekene
* Toermalijn GEEL 9190 Stekene
* 3 Beuken 9190 Stekene
-
6. Talenten omzetten in competenties : meervoudige intelligentie.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Binnen het leerplichtonderwijs worden kinderen en jongeren vaak ongedifferentieerd gezien als slim of dom. Er wordt te weinig gebruikgemaakt van sterktes om zwakkere competenties te ondersteunen. Dit project wil vanaf de kleuterperiode aan kinderen kennis aanreiken over hun eigen unieke patroon van intelligentie en over het intelligentiepatroon van anderen. Zo leren ze hun eigen beperkingen te accepteren, zijn ze minder bang om te falen en leren ze hun eigen sterke kanten en die van anderen accepteren. Door de ouders daarbij intensief te betrekken, krijgen ze een juist beeld van de competenties van hun kinderen, waardoor een bewustere oriëntering in de verdere schoolloopbaan mogelijk wordt.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Binnen het leerplichtonderwijs worden kinderen en jongeren vaak ongedifferentieerd gezien als slim of dom. Er wordt te weinig gebruikgemaakt van sterktes om zwakkere competenties te ondersteunen. Dit project wil vanaf de kleuterperiode aan kinderen kennis aanreiken over hun eigen unieke patroon van intelligentie en over het intelligentiepatroon van anderen. Zo leren ze hun eigen beperkingen te accepteren, zijn ze minder bang om te falen en leren ze hun eigen sterke kanten en die van anderen accepteren. Door de ouders daarbij intensief te betrekken, krijgen ze een juist beeld van de competenties van hun kinderen, waardoor een bewustere oriëntering in de verdere schoolloopbaan mogelijk wordt.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Bollekensschool 9000 Gent
* Basisschool De Acacia 9000 Gent
* Freinetschool De Boomgaard 9000 Gent
* Basisschool De Brug 9030 Mariakerke
* Basisschool De Dialoog 9000 Gent
* Freinetschool De Harp 9000 Gent
* Jenaplanschool De Kleurdoos 9050 Ledeberg
* MI-school De Letterdoos 9000 Gent
* Freinetschool Mandala 9000 Gent
* Basisschool De Muze 9000 Gent
* Basisschool De Panda 9000 Gent
* Basisschool De Piramide 9000 Gent
* Basisschool De Regenboog 9000 Gent
* Basisschool Desire Van Morckhoven 9000 Gent
* Freinetschool De Spiegel 9000 Gent
* Basisschool De Sportschool 9000 Gent
* Basisschool De Triangel 9000 Gent
* Freinetschool De Vlieger 9000 Gent
* Francois Laurentiusinstituut 9000 Gent
* Basisschool Groenweelde 9000 Gent
* Basisschool De Octopus 9000 Gent
* Basisschool H. D'Haese 9050 Gentbrugge
* Freinetschool Het Trappenhuis 9040 Sint-Amandsberg
* Basisschool Victor Carpentier 9000 Gent
* Basisschool Westerhem 9051 Sint-Denijs-Westrem
* Oefenschool Wispelberg 9000 Gent
* GITO 9040 Sint-Amandsberg
* Hotel- en Bakkerijschool Tweebruggen 9000 Gent
* VIP-school 9000 Gent
* Basisschool De Acacia 9000 Gent
* Freinetschool De Boomgaard 9000 Gent
* Basisschool De Brug 9030 Mariakerke
* Basisschool De Dialoog 9000 Gent
* Freinetschool De Harp 9000 Gent
* Jenaplanschool De Kleurdoos 9050 Ledeberg
* MI-school De Letterdoos 9000 Gent
* Freinetschool Mandala 9000 Gent
* Basisschool De Muze 9000 Gent
* Basisschool De Panda 9000 Gent
* Basisschool De Piramide 9000 Gent
* Basisschool De Regenboog 9000 Gent
* Basisschool Desire Van Morckhoven 9000 Gent
* Freinetschool De Spiegel 9000 Gent
* Basisschool De Sportschool 9000 Gent
* Basisschool De Triangel 9000 Gent
* Freinetschool De Vlieger 9000 Gent
* Francois Laurentiusinstituut 9000 Gent
* Basisschool Groenweelde 9000 Gent
* Basisschool De Octopus 9000 Gent
* Basisschool H. D'Haese 9050 Gentbrugge
* Freinetschool Het Trappenhuis 9040 Sint-Amandsberg
* Basisschool Victor Carpentier 9000 Gent
* Basisschool Westerhem 9051 Sint-Denijs-Westrem
* Oefenschool Wispelberg 9000 Gent
* GITO 9040 Sint-Amandsberg
* Hotel- en Bakkerijschool Tweebruggen 9000 Gent
* VIP-school 9000 Gent
-
7. Het Paradijs.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Dit project wil in een niet-schoolse context werken aan de ecologische verbouwing van het gebouw Paradijs in Turnhout.
Het project overstijgt de individuele samenwerking tussen bedrijf en onderwijs. Het is een totaalconcept waarbij - buiten hun normale context - bedrijven, onderwijsinstellingen en andere organisaties samenwerken aan één concreet project.
Verschillende studierichtingen (van bouwberoepen over grafische en multimedia tot marketing), verschillende studieniveaus (van deeltijds onderwijs over beroeps- en technisch tot hoger onderwijs) en verschillende schoolnetten werken samen, zoals het in een bedrijf ook gaat : alle afdelingen van het bedrijf werken aan één gezamenlijk project. De ene afdeling bereidt voor, een andere voert uit, nog een andere zorgt voor een marketing- en communicatieplan.
Het project is tevens technologisch innovatief. Nieuwe technieken rond duurzaam bouwen en alternatieve energie zullen er een duidelijke plaats krijgen.
Deelnemende scholen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Dit project wil in een niet-schoolse context werken aan de ecologische verbouwing van het gebouw Paradijs in Turnhout.
Het project overstijgt de individuele samenwerking tussen bedrijf en onderwijs. Het is een totaalconcept waarbij - buiten hun normale context - bedrijven, onderwijsinstellingen en andere organisaties samenwerken aan één concreet project.
Verschillende studierichtingen (van bouwberoepen over grafische en multimedia tot marketing), verschillende studieniveaus (van deeltijds onderwijs over beroeps- en technisch tot hoger onderwijs) en verschillende schoolnetten werken samen, zoals het in een bedrijf ook gaat : alle afdelingen van het bedrijf werken aan één gezamenlijk project. De ene afdeling bereidt voor, een andere voert uit, nog een andere zorgt voor een marketing- en communicatieplan.
Het project is tevens technologisch innovatief. Nieuwe technieken rond duurzaam bouwen en alternatieve energie zullen er een duidelijke plaats krijgen.
Deelnemende scholen :
-
* VTST-CDO Noorderkempen 2340 Beerse
* KTA de Merodelei 2300 Turnhout
* CDO KTA Herentals 2200 Herentals
* KTA de Merodelei 2300 Turnhout
* CDO KTA Herentals 2200 Herentals
-
8. Competente groeipaden.
Algemeen thema : werkplekleren.
Beschrijving : In deze proeftuin gaat men een competentiegerichte integrale hrm-applicatie ontwikkelen en in gebruik nemen (HeRMAN) op maat van het deeltijds onderwijs. Het instrument heeft oog voor zowel huidige als toekomstige behoeften op het vlak van persoonlijke en arbeidsmarktgerichte ontwikkeling, alsook specifieke opleidingsbehoeften van de leerlingen.
Het start met enkele opleidingen om in het proeftuinverloop te verbreden naar andere opleidingen en zo andere leerkrachten bereiken.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : werkplekleren.
Beschrijving : In deze proeftuin gaat men een competentiegerichte integrale hrm-applicatie ontwikkelen en in gebruik nemen (HeRMAN) op maat van het deeltijds onderwijs. Het instrument heeft oog voor zowel huidige als toekomstige behoeften op het vlak van persoonlijke en arbeidsmarktgerichte ontwikkeling, alsook specifieke opleidingsbehoeften van de leerlingen.
Het start met enkele opleidingen om in het proeftuinverloop te verbreden naar andere opleidingen en zo andere leerkrachten bereiken.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Leonardolyceum CDO 2600 Berchem
* CDO Spectrumschool Deurne 2100 Deurne
* CDO Spectrumschool Deurne 2100 Deurne
-
9. Talentontwikkeling en ontwikkelingsportfolio's.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Het hoofddoel van dit project is de leerlingen meer verantwoordelijkheid te geven voor het eigen leren en de resultaten daarvan te leren documenteren als aanzet naar een schoolloopbaanportfolio.
Talentportfolio's worden geïmplementeerd in het aso en in de eerste graad B, in de opleiding schilders/decorateurs van OV3 en vanaf 2008 wordt het ontwikkelingsportfolio geïmplementeerd in het op dat moment startende bso van de scholengemeenschap.
Ook het aanzetten van de leraar tot het maken van een eigen portfolio in het kader van reflectief en onderzoekend handelen is een aanvullende doelstelling.
Via ondersteuning en onderzoek door het Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs wil men zicht krijgen op de effecten van het werken met portfolio's.
Ten slotte is het de bedoeling om in een later stadium te gaan samenwerken met het CLB en met de VDAB om zo te leren wat ondernemen is in de dagelijkse realiteit. De betrokken organisaties (VoKa, Streekplatform...) worden intensief bij de uitwerking en voortgang van het project betrokken.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Het hoofddoel van dit project is de leerlingen meer verantwoordelijkheid te geven voor het eigen leren en de resultaten daarvan te leren documenteren als aanzet naar een schoolloopbaanportfolio.
Talentportfolio's worden geïmplementeerd in het aso en in de eerste graad B, in de opleiding schilders/decorateurs van OV3 en vanaf 2008 wordt het ontwikkelingsportfolio geïmplementeerd in het op dat moment startende bso van de scholengemeenschap.
Ook het aanzetten van de leraar tot het maken van een eigen portfolio in het kader van reflectief en onderzoekend handelen is een aanvullende doelstelling.
Via ondersteuning en onderzoek door het Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs wil men zicht krijgen op de effecten van het werken met portfolio's.
Ten slotte is het de bedoeling om in een later stadium te gaan samenwerken met het CLB en met de VDAB om zo te leren wat ondernemen is in de dagelijkse realiteit. De betrokken organisaties (VoKa, Streekplatform...) worden intensief bij de uitwerking en voortgang van het project betrokken.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Hiberniaschool 2000 Antwerpen
* Middelbare Steinerschool Vlaanderen 9000 Gent
* Parcivalschool, steinerschool voor 2018 Antwerpen
buitengewoon onderwijs
* Middelbare Steinerschool Vlaanderen 9000 Gent
* Parcivalschool, steinerschool voor 2018 Antwerpen
buitengewoon onderwijs
-
10. Go (uitroepteken) for more
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Dit project wil werk maken van een correcte, veelzijdige en zo gedetailleerd mogelijke rapportering van de ontwikkelingen op het gebied van competenties voor alle actoren.
Door het project wil de school met de leerlingen van de derde graad gericht werken aan een aantal kerncompetenties en de evaluatie via in de school bestaande en ingebouwde projecten en evenementen. ICT wordt als ondersteunende technische competentie meegenomen. Het project wordt gekoppeld aan het huidige project van studiekeuzebegeleiding in de derde graad en de STAP-fiche (attitude, persoonlijkheid en studieadvies). Die fiche wordt uitgebreid met het nieuwe competentiedenken naar een STAP+-fiche (attitude, persoonlijkheid en studieadvies + competenties).
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Dit project wil werk maken van een correcte, veelzijdige en zo gedetailleerd mogelijke rapportering van de ontwikkelingen op het gebied van competenties voor alle actoren.
Door het project wil de school met de leerlingen van de derde graad gericht werken aan een aantal kerncompetenties en de evaluatie via in de school bestaande en ingebouwde projecten en evenementen. ICT wordt als ondersteunende technische competentie meegenomen. Het project wordt gekoppeld aan het huidige project van studiekeuzebegeleiding in de derde graad en de STAP-fiche (attitude, persoonlijkheid en studieadvies). Die fiche wordt uitgebreid met het nieuwe competentiedenken naar een STAP+-fiche (attitude, persoonlijkheid en studieadvies + competenties).
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* KAI Gentbrugge 9050 Gentbrugge
* BS Gentbrugge 9050 Gentbrugge
* BS Gentbrugge 9050 Gentbrugge
-
11. Uitbouwen van een opleidingsgebonden assessmentbeleid met nieuwe assessmentinstrumenten om competenties en zelfreflectie in beeld te krijgen.
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : In dit project start de opleiding verzorging met het gezamenlijk uitschrijven van een duidelijke visie rond competentieontwikkeling en competentiegericht evalueren. De evaluatie is een hulpmiddel waardoor elke jongere bewuster en meer zelfgestuurd deelneemt aan de eigen vorming.
Vanuit die insteek gaan ze op zoek naar specifieke instrumenten om competenties in kaart te brengen om op basis van dat overzicht feedback en zelfreflectie uit te bouwen als sturende krachten bij de ontwikkeling van de noodzakelijke competenties. Binnen de feedback ligt de klemtoon op talentontwikkeling, op het werken aan een positief zelfbeeld, op het stimuleren om grenzen te verleggen. Met andere woorden, het mediëren primeert op het remediëren.
Anders Evalueren zal dan ook evolueren naar Anders Werken aan de ontwikkeling van jongeren : anders lesgeven, andere werkvormen, andere methodieken, andere organisatievormen, vraaggestuurde curricula...
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : In dit project start de opleiding verzorging met het gezamenlijk uitschrijven van een duidelijke visie rond competentieontwikkeling en competentiegericht evalueren. De evaluatie is een hulpmiddel waardoor elke jongere bewuster en meer zelfgestuurd deelneemt aan de eigen vorming.
Vanuit die insteek gaan ze op zoek naar specifieke instrumenten om competenties in kaart te brengen om op basis van dat overzicht feedback en zelfreflectie uit te bouwen als sturende krachten bij de ontwikkeling van de noodzakelijke competenties. Binnen de feedback ligt de klemtoon op talentontwikkeling, op het werken aan een positief zelfbeeld, op het stimuleren om grenzen te verleggen. Met andere woorden, het mediëren primeert op het remediëren.
Anders Evalueren zal dan ook evolueren naar Anders Werken aan de ontwikkeling van jongeren : anders lesgeven, andere werkvormen, andere methodieken, andere organisatievormen, vraaggestuurde curricula...
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* KTA Wollemarkt 2800 Mechelen
* Paramedisch Instituut Mechelen 2800 Mechelen
* KOGEKA 8 vestiging Sint-Maria Insituut Geel 2440 Geel
* Paramedisch Instituut Mechelen 2800 Mechelen
* KOGEKA 8 vestiging Sint-Maria Insituut Geel 2440 Geel
-
12. Facilitaire aspecten in het studiegebied Personenzorg.
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Dit project wil, met het studiegebied Personenzorg, inspelen op een aantal trends op de arbeidsmarkt en in het onderwijs die faciliterende beroepen vragen. Om dat te realiseren, werken de deelnemende scholen samen met de opleiding 'bachelor in facilitair management' van de hogeschool. In een eerste deelproject willen ze leerlingen die facilitaire ervaring laten opdoen in de studierichting Sociale en Technische Wetenschappen.
De behandeling van algemene facilitaire thema's zoals milieu en energie zien ze als een kans om die problematiek als inherent geheel binnen de dienstverlenende zorg aan te reiken.
In een tweede deel wil het project de facilitaire en logistieke ervaring versterken in de studierichting Organisatiehulp door gerichte trajecten, kwaliteitsvol werkplekleren en met behulp van een ontwikkelingsportfolio.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Dit project wil, met het studiegebied Personenzorg, inspelen op een aantal trends op de arbeidsmarkt en in het onderwijs die faciliterende beroepen vragen. Om dat te realiseren, werken de deelnemende scholen samen met de opleiding 'bachelor in facilitair management' van de hogeschool. In een eerste deelproject willen ze leerlingen die facilitaire ervaring laten opdoen in de studierichting Sociale en Technische Wetenschappen.
De behandeling van algemene facilitaire thema's zoals milieu en energie zien ze als een kans om die problematiek als inherent geheel binnen de dienstverlenende zorg aan te reiken.
In een tweede deel wil het project de facilitaire en logistieke ervaring versterken in de studierichting Organisatiehulp door gerichte trajecten, kwaliteitsvol werkplekleren en met behulp van een ontwikkelingsportfolio.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Technisch Instituut Sint-Carolus 9100 Sint-Niklaas
* Annuntiata-instituut 8630 Veurne
* Sint-Theresia-instituut 9800 Deinze
* Annuntiata-instituut 8630 Veurne
* Sint-Theresia-instituut 9800 Deinze
-
13. Verk(n)ocht aan verkopen (vraagteken en uitroepteken)
Algemeen thema : werkplekleren.
Beschrijving : Om de praktijkopleiding te spreiden over een langere periode willen de betrokken scholen in de derde graad Verkoop BSO de leerlingen ervaring op de werkvloer laten opdoen en een aantal leerplandoelstellingen realiseren op de winkelvloer.
De betrokken scholen en instanties willen via het project bestaande occasionele vormen van werkplekleren, na evaluatie en bijsturing, systematisch integreren in de opleiding.
Concreet zal dat gebeuren door een aantal specifieke takenpakketten uit te voeren op het werkveld.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : werkplekleren.
Beschrijving : Om de praktijkopleiding te spreiden over een langere periode willen de betrokken scholen in de derde graad Verkoop BSO de leerlingen ervaring op de werkvloer laten opdoen en een aantal leerplandoelstellingen realiseren op de winkelvloer.
De betrokken scholen en instanties willen via het project bestaande occasionele vormen van werkplekleren, na evaluatie en bijsturing, systematisch integreren in de opleiding.
Concreet zal dat gebeuren door een aantal specifieke takenpakketten uit te voeren op het werkveld.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Technisch Berkenboom-Instituut 9100 Sint-Niklaas
* Instituut Sint-Lutgardis 9930 Zomergem
* Visitatie 9030 Mariakerke
* Instituut Sint-Lutgardis 9930 Zomergem
* Visitatie 9030 Mariakerke
-
14. Werkplekleren : Klaar voor een bedrijf.
Algemeen thema : werkplekleren.
Beschrijving : Het project wil meer samenwerken met bedrijven waar leerlingen en leerkrachten terechtkunnen op de werkvloer om, via een rotatiesysteem, kennis te maken met de nieuwste technieken/machines en de juiste arbeidshouding.
Via een nulmeting en een werkplaatsfiche waarop een activiteitenlijst wordt aangevinkt en via een attitudemeter waarop belangrijke arbeidshoudingen worden geëvalueerd wil men komen tot een eindevaluatie van de leerlingen.
Na die evaluatie moeten de overblijvende leerplandoelstellingen opnieuw opgenomen worden in het leervakcurriculum zodat de leerling een zo volledig mogelijke opleiding krijgt.
De school wil die ervaringen gebruiken om ook op andere vakdomeinen nieuwe bedrijven te zoeken en ook daar te starten met werkplekleren.
Deelnemende onderwijsinstelling :
Algemeen thema : werkplekleren.
Beschrijving : Het project wil meer samenwerken met bedrijven waar leerlingen en leerkrachten terechtkunnen op de werkvloer om, via een rotatiesysteem, kennis te maken met de nieuwste technieken/machines en de juiste arbeidshouding.
Via een nulmeting en een werkplaatsfiche waarop een activiteitenlijst wordt aangevinkt en via een attitudemeter waarop belangrijke arbeidshoudingen worden geëvalueerd wil men komen tot een eindevaluatie van de leerlingen.
Na die evaluatie moeten de overblijvende leerplandoelstellingen opnieuw opgenomen worden in het leervakcurriculum zodat de leerling een zo volledig mogelijke opleiding krijgt.
De school wil die ervaringen gebruiken om ook op andere vakdomeinen nieuwe bedrijven te zoeken en ook daar te starten met werkplekleren.
Deelnemende onderwijsinstelling :
-
* PROVIL 3920 Lommel
-
15. Over-Bruggen bis.
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Over-Bruggen bis bestaat uit zes deelprojecten en wil vooral de doorstroming van kansarme en allochtone leerlingen bevorderen om op die manier het watervaleffect in de grootstedelijke context tegen te gaan. Via de deelprojecten wordt er gewerkt aan de doorstroming van taalzwakke leerlingen, het wegwerken van de achterstand wiskunde, een brug slaan tussen de economische richting van het Koninklijk Atheneum 1 Antwerpen en de logistieke en maritieme wereld, het oprichten van een niveauoverstijgende cyclus (derde graad basis/eerste graad SO), het optimaliseren van de studie- en beroepskeuze en het optimaliseren van de taalvaardigheid bij taalzwakke leerlingen in de tweede en derde graad verzorging, voeding en kantoor.
Deelnemende scholen :
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Over-Bruggen bis bestaat uit zes deelprojecten en wil vooral de doorstroming van kansarme en allochtone leerlingen bevorderen om op die manier het watervaleffect in de grootstedelijke context tegen te gaan. Via de deelprojecten wordt er gewerkt aan de doorstroming van taalzwakke leerlingen, het wegwerken van de achterstand wiskunde, een brug slaan tussen de economische richting van het Koninklijk Atheneum 1 Antwerpen en de logistieke en maritieme wereld, het oprichten van een niveauoverstijgende cyclus (derde graad basis/eerste graad SO), het optimaliseren van de studie- en beroepskeuze en het optimaliseren van de taalvaardigheid bij taalzwakke leerlingen in de tweede en derde graad verzorging, voeding en kantoor.
Deelnemende scholen :
-
* Basisschool De Pijl 2060 Antwerpen
* Middenschool 1 2060 Antwerpen
* Koninklijk Atheneum 2060 Antwerpen
* Basisschool De Schakel 2660 Hoboken
* Koninklijk Atheneum 2060 Hoboken
* Middenschool 1 2060 Antwerpen
* Koninklijk Atheneum 2060 Antwerpen
* Basisschool De Schakel 2660 Hoboken
* Koninklijk Atheneum 2060 Hoboken
-
16. Kies Wijs.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Dit project zal enerzijds werken aan het bevorderen van het ontdekken en ontplooien van kwaliteiten (competenties) via het ontwikkelen van een studiekeuzespel voor de eerste, tweede en derde graad. Anderzijds worden de resultaten daarvan gecombineerd met alle vaststellingen van kwaliteiten die zich in de schoolloopbaan/vrije tijd/werkervaringen/stages van jongeren voordoen en wordt een neerslag daarvan samengevat in een competentie- en ontwikkelingsportfolio. Ook de BaSO-fiche zou als gevolg daarvan meer competentiegericht worden opgemaakt en al een eerste basis vormen voor de portfolio. Beide onderdelen van het project worden uitgevoerd in nauw overleg met alle betrokken partners.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Dit project zal enerzijds werken aan het bevorderen van het ontdekken en ontplooien van kwaliteiten (competenties) via het ontwikkelen van een studiekeuzespel voor de eerste, tweede en derde graad. Anderzijds worden de resultaten daarvan gecombineerd met alle vaststellingen van kwaliteiten die zich in de schoolloopbaan/vrije tijd/werkervaringen/stages van jongeren voordoen en wordt een neerslag daarvan samengevat in een competentie- en ontwikkelingsportfolio. Ook de BaSO-fiche zou als gevolg daarvan meer competentiegericht worden opgemaakt en al een eerste basis vormen voor de portfolio. Beide onderdelen van het project worden uitgevoerd in nauw overleg met alle betrokken partners.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Ursulinen Mechelen 2800 Mechelen
* College Hagelstein 2860 Sint-Katelijne-Waver
* BS Ursulinen 2800 Mechelen
* COLOMAplus 2800 Mechelen
* Sint-Norbertusinstituut 2570 Duffel
* Scheppersinstituut 2800 Mechelen
* Sint-Romboutscollege 2800 Mechelen
* College Hagelstein 2860 Sint-Katelijne-Waver
* BS Ursulinen 2800 Mechelen
* COLOMAplus 2800 Mechelen
* Sint-Norbertusinstituut 2570 Duffel
* Scheppersinstituut 2800 Mechelen
* Sint-Romboutscollege 2800 Mechelen
-
17. Ankers voor een sterke schoolloopbaan; zorg, talent, talen, wetenschap en technologie.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Dit project wil leerlingen helpen om, door een juiste en gemotiveerde studiekeuze te maken, schoolmoeheid te vermijden. Elke leerling krijgt maximale kansen tot ontplooiing. In dit project komen er specifiek enkele belangrijke lijnen naar voor, zoals didactische werkvormen basisonderwijs en secundair onderwijs, ontdekken, ontwikkelen en bijhouden van talenten door de leerlingen, ondersteuning bij de integratie van wetenschap, talen en technologie in het basisonderwijs en het uitwerken van een gestructureerd en geïntegreerd zorgbeleid BO-SO.
Dat kan door een sterk samenwerkingsverband met alle betrokkenen op te starten.
De samenwerking is uniek en heel sterk omdat ze de expertise en innoverende krachten uit de regio Oostende- Middenkust samenbrengt : basisscholen, middenschool, secundaire scholen, OKAN-school, CLB en de lerarenopleiding van de hogescholen.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Dit project wil leerlingen helpen om, door een juiste en gemotiveerde studiekeuze te maken, schoolmoeheid te vermijden. Elke leerling krijgt maximale kansen tot ontplooiing. In dit project komen er specifiek enkele belangrijke lijnen naar voor, zoals didactische werkvormen basisonderwijs en secundair onderwijs, ontdekken, ontwikkelen en bijhouden van talenten door de leerlingen, ondersteuning bij de integratie van wetenschap, talen en technologie in het basisonderwijs en het uitwerken van een gestructureerd en geïntegreerd zorgbeleid BO-SO.
Dat kan door een sterk samenwerkingsverband met alle betrokkenen op te starten.
De samenwerking is uniek en heel sterk omdat ze de expertise en innoverende krachten uit de regio Oostende- Middenkust samenbrengt : basisscholen, middenschool, secundaire scholen, OKAN-school, CLB en de lerarenopleiding van de hogescholen.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Vrij Technisch Instituut 8400 Oostende
* Onze-Lieve-Vrouwecollege 8400 Oostende
* Sint-Jozefinstituut 8400 Oostende
* Sint-Lutgardisinstituut 8400 Oostende
* Sint-Andreas Middenschool 8400 Oostende
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege Lijsterbeslaan 8400 Oostende
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege 8400 Oostende
Aartshertoginnestraat
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege 8400 Oostende
Aartshertogstraat
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege Stanleylaan 8400 Oostende
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege Gerststraat 8400 Oostende
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege Kaaistraat 8400 Oostende
* VGB Westdiep Prof. Mac Leodstraat 8400 Oostende
* BLO De Rietzang 8470 Gistel (Zevekote)
* VGB Sint-Andreas Schapenstraat 8400 Oostende
* VGB Sint-Andreas Steense Dijk 8400 Oostende
* VGB Bredene Duin 8450 Bredene
* VGB Bredene Dorp 8450 Bredene
* VGB Don Bosco Bredene Sas 8450 Bredene
* GVB Sint-Jozefsinstituut 8432 Leffinge
* GVB Sint-Jozefsinstituut 8434 Lombardsijde
* GVB Sint-Jozefsinstituut 8430 Middelkerke
* GVB Sint-Lutgardisschool 8434 Westende
* Onze-Lieve-Vrouwecollege 8400 Oostende
* Sint-Jozefinstituut 8400 Oostende
* Sint-Lutgardisinstituut 8400 Oostende
* Sint-Andreas Middenschool 8400 Oostende
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege Lijsterbeslaan 8400 Oostende
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege 8400 Oostende
Aartshertoginnestraat
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege 8400 Oostende
Aartshertogstraat
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege Stanleylaan 8400 Oostende
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege Gerststraat 8400 Oostende
* VGB Onze-Lieve-Vrouwecollege Kaaistraat 8400 Oostende
* VGB Westdiep Prof. Mac Leodstraat 8400 Oostende
* BLO De Rietzang 8470 Gistel (Zevekote)
* VGB Sint-Andreas Schapenstraat 8400 Oostende
* VGB Sint-Andreas Steense Dijk 8400 Oostende
* VGB Bredene Duin 8450 Bredene
* VGB Bredene Dorp 8450 Bredene
* VGB Don Bosco Bredene Sas 8450 Bredene
* GVB Sint-Jozefsinstituut 8432 Leffinge
* GVB Sint-Jozefsinstituut 8434 Lombardsijde
* GVB Sint-Jozefsinstituut 8430 Middelkerke
* GVB Sint-Lutgardisschool 8434 Westende
-
18. De 7 - sprong.
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Dit project werkt aan de overgangen BaO-SO en SO eerste graad naar tweede graad.
Bestaande samenwerkingsplatforms worden versterkt en uitgebreid. Instrumenten worden geoptimaliseerd en verder geïmplementeerd.
Leerlingen en ouders worden als concrete actor mee opgenomen in het uitwerken van een duurzaam keuzeproces.
Deelnemende scholen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : Dit project werkt aan de overgangen BaO-SO en SO eerste graad naar tweede graad.
Bestaande samenwerkingsplatforms worden versterkt en uitgebreid. Instrumenten worden geoptimaliseerd en verder geïmplementeerd.
Leerlingen en ouders worden als concrete actor mee opgenomen in het uitwerken van een duurzaam keuzeproces.
Deelnemende scholen :
-
* College Heilig Kruis-Sint-Urula 1 - eerste graad 3680 Maaseik
* Instituut Heilig Graf - eerste graad 3680 Maaseik
* Technisch Instituut Sint-Jansberg eerste graad 3680 Maaseik
* College Heilig Kruis-Sint-Ursula 2 3680 Maaseik
* Technisch Instituut Sint-Jansberg 2 3680 Maaseik
* Instituut Heilig Graf - tweede en derde graad 3680 Maaseik
* Instituut Heilig Graf - eerste graad 3680 Maaseik
* Technisch Instituut Sint-Jansberg eerste graad 3680 Maaseik
* College Heilig Kruis-Sint-Ursula 2 3680 Maaseik
* Technisch Instituut Sint-Jansberg 2 3680 Maaseik
* Instituut Heilig Graf - tweede en derde graad 3680 Maaseik
-
19. Kempense scholen op maat van de leerling.
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Met dit project zal vanuit de know-why en knowhow, opgedaan in de vorige proeftuinwerking, een scholengroep zich aanpassen aan de leerbehoeften van de leerling. Er wordt gewerkt aan de olievlekuitbreiding (enkele scholen - een scholengroep) en aan de inhoudelijke uitbreiding.
De talenten en competenties van de leerlingen van 2,5 tot 18 en ouder ontdekken, ontwikkelen en stimuleren door middel van Anders Leren en Anders Kiezen om zo tot een onderwijsloopbaanbegeleiding te komen waarbinnen de leerling-actor wordt bijgestaan door leerkrachten en ouders.
De onderwijsloopbaanbegeleiding wordt concreet gemaakt door het bundelen, coördineren en verder ontwikkelen van wat er binnen de scholengroep in de visie van talentontwikkeling leeft, het distilleren van concrete en bruikbare instrumenten voor de leerling (portfolio) en voor de leerkrachten (elektronisch zorgdossier en basofiche) en het creëren van een lerende omgeving voor de leerkrachten om aandacht te hebben voor en acties te ondernemen met betrekking tot studie- en beroepskeuze van de leerlingen.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Met dit project zal vanuit de know-why en knowhow, opgedaan in de vorige proeftuinwerking, een scholengroep zich aanpassen aan de leerbehoeften van de leerling. Er wordt gewerkt aan de olievlekuitbreiding (enkele scholen - een scholengroep) en aan de inhoudelijke uitbreiding.
De talenten en competenties van de leerlingen van 2,5 tot 18 en ouder ontdekken, ontwikkelen en stimuleren door middel van Anders Leren en Anders Kiezen om zo tot een onderwijsloopbaanbegeleiding te komen waarbinnen de leerling-actor wordt bijgestaan door leerkrachten en ouders.
De onderwijsloopbaanbegeleiding wordt concreet gemaakt door het bundelen, coördineren en verder ontwikkelen van wat er binnen de scholengroep in de visie van talentontwikkeling leeft, het distilleren van concrete en bruikbare instrumenten voor de leerling (portfolio) en voor de leerkrachten (elektronisch zorgdossier en basofiche) en het creëren van een lerende omgeving voor de leerkrachten om aandacht te hebben voor en acties te ondernemen met betrekking tot studie- en beroepskeuze van de leerlingen.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* BS Achterbos-Balen 2400 Mol
* BS Balen Freinet 2490 Balen
* BS Arendonk 2370 Arendonk
* BS Arendonk Pelgrimsplein 2370 Arendonk
* BS Balen 2490 Balen
* BS Beerse 2340 Beerse
* BS Dessel 2480 Dessel
* BS Geel 2440 Geel
* BS Geel Freinet 2440 Geel
* BS Grobbendonk 2280 Grobbendonk
* BS Herentals 2200 Herentals
* BS Herenthout 2270 Herenthout
* BS Herselt 2230 Herselt
* BS Laakdal 2431 Laakdal
* BS Lille 2275 Lille
* BS Herentals Freinet 2200 Herentals
* BS Herentals Koulaak 2200 Herentals
* BS Meerhout 2450 Meerhout
* BS Mol 2400 Mol
* BS Olen 2250 Olen
* BS Ravels 2380 Ravels
* BS Turnhout Centrum 2300 Turnhout
* BS Turnhout Leefschool 2300 Turnhout
* BS Turnhout-Zuid 2300 Turnhout
* BS Westerlo 2260 Westerlo
* BS Westerlo Trienenkant 2260 Westerlo
* BSBO Turnhout 2300 Turnhout
* MPI Kasterlee 2460 Kasterlee
* MPI Kasterlee-Retie 2470 Retie
* Horito CVO 2300 Turnhout
* KA CVO Turnhout1 2300 Turnhout
* CVO Kempen 2400 Mol
* KA Geel 2440 Geel
* KA Mol 2400 Mol
* KA Turnhout 2300 Turnhout
* KA Turnhout-Arendonk 2370 Arendonk
* KTA De Merodelei 2300 Turnhout
* Atheneum De Vesten Herentals 2200 Herentals
* DBSO Herentals 2200 Herentals
* KTA Hotel Turnhout 2300 Turnhout
* KTA Hotel Turnhout 2300 Turnhout
* KTA Mol 2400 Mol
* KTA Westerlo 2260 Westerlo
* MS Geel 2440 Geel
* MS Herentals 2200 Herentals
* MS Mol 2400 Mol
* MS Turnhout 2300 Turnhout
* SBSO Kasterlee 2460 Kasterlee
* BS Balen Freinet 2490 Balen
* BS Arendonk 2370 Arendonk
* BS Arendonk Pelgrimsplein 2370 Arendonk
* BS Balen 2490 Balen
* BS Beerse 2340 Beerse
* BS Dessel 2480 Dessel
* BS Geel 2440 Geel
* BS Geel Freinet 2440 Geel
* BS Grobbendonk 2280 Grobbendonk
* BS Herentals 2200 Herentals
* BS Herenthout 2270 Herenthout
* BS Herselt 2230 Herselt
* BS Laakdal 2431 Laakdal
* BS Lille 2275 Lille
* BS Herentals Freinet 2200 Herentals
* BS Herentals Koulaak 2200 Herentals
* BS Meerhout 2450 Meerhout
* BS Mol 2400 Mol
* BS Olen 2250 Olen
* BS Ravels 2380 Ravels
* BS Turnhout Centrum 2300 Turnhout
* BS Turnhout Leefschool 2300 Turnhout
* BS Turnhout-Zuid 2300 Turnhout
* BS Westerlo 2260 Westerlo
* BS Westerlo Trienenkant 2260 Westerlo
* BSBO Turnhout 2300 Turnhout
* MPI Kasterlee 2460 Kasterlee
* MPI Kasterlee-Retie 2470 Retie
* Horito CVO 2300 Turnhout
* KA CVO Turnhout1 2300 Turnhout
* CVO Kempen 2400 Mol
* KA Geel 2440 Geel
* KA Mol 2400 Mol
* KA Turnhout 2300 Turnhout
* KA Turnhout-Arendonk 2370 Arendonk
* KTA De Merodelei 2300 Turnhout
* Atheneum De Vesten Herentals 2200 Herentals
* DBSO Herentals 2200 Herentals
* KTA Hotel Turnhout 2300 Turnhout
* KTA Hotel Turnhout 2300 Turnhout
* KTA Mol 2400 Mol
* KTA Westerlo 2260 Westerlo
* MS Geel 2440 Geel
* MS Herentals 2200 Herentals
* MS Mol 2400 Mol
* MS Turnhout 2300 Turnhout
* SBSO Kasterlee 2460 Kasterlee
-
20. 't Scharnier PLUS +
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : De huidige proeftuin rond studiekeuzebegeleiding wordt uitgediept en uitgebreid naar begeleiding in kleuteronderwijs. De combinatie met de lerarenopleiding realiseert ook daar een grote leerwinst voor de kandidaat-leerkrachten die een beter zicht krijgen op de sociale problematiek van hun toekomstige leerlingen.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
Beschrijving : De huidige proeftuin rond studiekeuzebegeleiding wordt uitgediept en uitgebreid naar begeleiding in kleuteronderwijs. De combinatie met de lerarenopleiding realiseert ook daar een grote leerwinst voor de kandidaat-leerkrachten die een beter zicht krijgen op de sociale problematiek van hun toekomstige leerlingen.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* GVLS BuO De Spycker 8310 Sint-Kruis
* M.P.I. vh G0 Bu BaO De Kaproenen 8200 Sint-Michiels
* Gesub. Vrije Basisschool - Sint-Leo B 8000 Brugge
* Gesub. Vrije Basisschool - Het Palet (OAN) 8000 Brugge
* Basisschool vh GO Brugge-Centrum (OAN) 8000 Brugge
* Basisschool vh GO - Assebroek 8310 Assebroek
* Technisch Instituut H. Familie (OKAN) 8000 Brugge
* Vrij Technisch Instituut-Brugge Middenschool 8000 Brugge
* OLV Ter Duinen Zeebrugge 8380 Zeebrugge
* Sint-Pieterscollege - Sint-Jozefshandel 8370 Blankenberge
Blankenberge
* K.T.A. Brugge 8200 Sint-Michiels
* Middenschool GO Maerlant Blankenberge 8370 Blankenberge
* Middenschool GO V Assebroek 8310 Assebroek
* M.P.I. vh G0 Bu BaO De Kaproenen 8200 Sint-Michiels
* Gesub. Vrije Basisschool - Sint-Leo B 8000 Brugge
* Gesub. Vrije Basisschool - Het Palet (OAN) 8000 Brugge
* Basisschool vh GO Brugge-Centrum (OAN) 8000 Brugge
* Basisschool vh GO - Assebroek 8310 Assebroek
* Technisch Instituut H. Familie (OKAN) 8000 Brugge
* Vrij Technisch Instituut-Brugge Middenschool 8000 Brugge
* OLV Ter Duinen Zeebrugge 8380 Zeebrugge
* Sint-Pieterscollege - Sint-Jozefshandel 8370 Blankenberge
Blankenberge
* K.T.A. Brugge 8200 Sint-Michiels
* Middenschool GO Maerlant Blankenberge 8370 Blankenberge
* Middenschool GO V Assebroek 8310 Assebroek
-
21. Kunstverkenner.
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Talentontdekking en -ontwikkeling zijn belangrijk binnen onderwijs. Daarom moet men op scharniermomenten duidelijke informatie verschaffen waardoor er een juiste(re) keuze kan worden gemaakt, ook qua onderwijsvorm. De nadruk binnen dit project ligt op het terdege op de hoogte zijn van de mogelijkheden in het KSO voor alle actoren binnen de onderwijswereld. Initiatieven daar rond moeten genomen worden door de betreffende scholen.
Een positieve keuze en tijdige instroom gaan het watervaleffect tegen en vermijden schoolse achterstand, waardoor de motivatie van de leerling verhoogd.
Als de talenten eenmaal zijn ontdekt, is het belangrijk die te ontwikkelen door onder meer praktijkgerichte opdrachten die systematisch en structureel opgebouwd moeten worden van de tweede naar de derde graad.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
Algemene thema's : studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
Beschrijving : Talentontdekking en -ontwikkeling zijn belangrijk binnen onderwijs. Daarom moet men op scharniermomenten duidelijke informatie verschaffen waardoor er een juiste(re) keuze kan worden gemaakt, ook qua onderwijsvorm. De nadruk binnen dit project ligt op het terdege op de hoogte zijn van de mogelijkheden in het KSO voor alle actoren binnen de onderwijswereld. Initiatieven daar rond moeten genomen worden door de betreffende scholen.
Een positieve keuze en tijdige instroom gaan het watervaleffect tegen en vermijden schoolse achterstand, waardoor de motivatie van de leerling verhoogd.
Als de talenten eenmaal zijn ontdekt, is het belangrijk die te ontwikkelen door onder meer praktijkgerichte opdrachten die systematisch en structureel opgebouwd moeten worden van de tweede naar de derde graad.
Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
* Academie voor Beeldende Kunsten 9300 Aalst
* Stedelijk Kunstinstituut 9000 Gent
* Stedelijke Freinetbasisschool De Notelaar 9300 Aalst
* Freinetatheneum De Wingerd 9000 Gent
* Stedelijke Freinetschool De Vlieger 9000 Gent
* Stedelijk Kunstinstituut 9000 Gent
* Stedelijke Freinetbasisschool De Notelaar 9300 Aalst
* Freinetatheneum De Wingerd 9000 Gent
* Stedelijke Freinetschool De Vlieger 9000 Gent
-
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2008 houdende goedkeuring van aanvullend geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren
Brussel, 1 februari 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE.
Brussel, 1 februari 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE.
-
Art. N2. [1 Lijst van afwijkingen.
-
| Project | Artikel 2 bis, § 2 | Artikel 2bis, § 3 | Artikel 2bis, § 4 |
| 1 | 1°, 2° | 1°, 2°, 3°, 11°, 13° | 1°, 2° |
| 15°, 19° | |||
| 2 - | - | - | |
| 3 - | - | - | |
| 4 | 1° | - | - |
| 5 | 1°, 2° | 2°, 7°, 12°, 13°, | - |
| 15°, 18° | |||
| 6 - | 6° | - | |
| 7 - | - | - | |
| 8 - | 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, | - | |
| 11°, 12°, 15° | |||
| 9 - | - | - | |
| 10 - | - | - | |
| 11 - | 3°, 4°, 7°, 11°, 12°, | 1° (*) | |
| 19°, 21° | |||
| 12 (* *) - | 3°, 10°, 11°, 12°, | - | |
| 14°, 15°, 21° | |||
| 13 - | - | - | |
| 14 - | - | - | |
| 15 | 1°, 2° | 1°, 2°, 3°, 4°, 6°, 7°, | - |
| 8°, 11°, 12°, 13°, 16°, | |||
| 17°, 18°, 19°, 20° | |||
| 16 - | - | - | |
| 17 (* * *) | 1°, 2° | 2°, 8°, 9°, 11°, 16°, 17° | 1°, 3° |
| 18 - | - | - | |
| 19 - | - | - | |
| 20 - | - | - | |
| 21 - | - | - |
-
(*) Deze afwijking mag niet toegepast worden in KTA Wollemarkt Mechelen.
(* *) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in St. Carolus Sint-Niklaas.
(* * *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.]1
(* *) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in St. Carolus Sint-Niklaas.
(* * *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.]1
-