Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Waalse Regering van 25 februari 1999 met betrekking tot de hypotheekleningen en de huurtegemoetkoming van het "Fonds du logement des familles nombreuses de Wallonie" (Woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië) worden volgende wijzigingen aangebracht :
§ 1. Er wordt een 3°bis ingevoegd, luidend als volgt :
"3°bis aanvrager : de natuurlijke persoon of personen, ingeschreven in het bevolkingsregister of voor wie een inschrijvingsprocedure aan de gang is, die beschikt over een referentieadres in België uiterlijk de dag van het verlijden van de akte, of ingeschreven in het vreemdelingenregister met verblijfsvergunning van onbeperkte duur die verzoeken om de toekenning van een sociaal hypothecair krediet bij het Fonds.
De aanvrager moet minstens 18 jaar oud of ontvoogde minderjarige zijn op de datum van inschrijving van de kredietaanvraag."
§ 2. In punt 4° worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "gelegen in het Waalse Gewest" worden ingevoegd tussen de woorden "appartement" en "bestemd";
2° punt 2° wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt : "De woning stemt overeen met de gezondheids- en overbevolkingscriteria bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 30 augustus 2007 tot vaststelling van de minimale gezondheidsnormen, de overbevolkingsnormen en houdende de in artikel 1, 19° tot 22°, van de Waalse Huisvestingscode bedoelde begripsomschrijvingen en met de bepalingen van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie."
§ 3. Punt 5°, lid 1, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
"5° belastbare inkomsten : de globaal belastbare inkomsten met betrekking tot het volledige voorlaatste jaar voorafgaand aan de datum waarop het Fonds de aanvrager mededeelt dat deze de expertisekosten, bepaald in het reglement bedoeld in artikel 16 van dit besluit, moet storten, zoals blijkt uit het aanslagbiljet of elk daarmee gelijkgesteld bewijsstuk.
Als de globaal belastbare inkomsten niet gekend zijn, met betrekking tot het volledige voorlaatste jaar voorafgaand aan de datum waarop het Fonds de aanvrager mededeelt dat deze de expertisekosten moet storten, bepaald in het reglement bedoeld in artikel 16 van dit besluit, bepaalt het Fonds de stukken die in overweging genomen moeten worden om de belastbare inkomsten vast te stellen."
§ 4. In punt 6° worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde streepje worden de woorden "inschrijving van de aanvraag" vervangen door de woorden "toekenning van de lening";
2° punt 6° wordt aangevuld met volgende bepaling : "De bejaarde persoon die samenleeft met de aanvrager wordt gelijkgesteld met een kind ten laste."
§ 5. Er wordt een paragraaf 6°bis ingevoegd, luidend als volgt :
"6°bis bejaard persoon : familielid van een lener, die woonstkeuze gedaan heeft of doet in het goed dat voor de lening in aanmerking komt (of van de kandidaat-lener), tot in de derde graad en/of persoon met wie de bloedverwant gehuwd is (geweest) of doorgaans samenleeft (samen heeft geleefd); één van die personen moet minstens zestig jaar oud zijn."
§ 6. Er wordt een paragraaf 6°ter ingevoegd, luidend als volgt :
"6°ter gehandicapte persoon :
- hetzij de persoon erkend door de FOD Sociale Zekerheid als getroffen met ten minste 66 % insufficiëntie of vermindering van de fysieke of geestelijke bekwaamheid;
- hetzij de persoon met een verdienvermogen dat verminderd is tot één derde of minder van wat een gezonde persoon kan verdienen door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt, overeenkomstig de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
- hetzij de persoon met een gebrek aan zelfredzaamheid dat vastgelegd wordt op 9 punten, overeenkomstig dezelfde wet;
- ofwel de persoon die getroffen is door een fysieke of geestelijke onbekwaamheid die de toekenning inhoudt van minimum 4 punten overeenkomstig artikel 6, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag of de toekenning van minimum 6 punten, overeenkomstig artikel 6, § 2, 4° van diezelfde regelgeving."
§ 7. Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
"9° onontbeerlijke werken : werken die noodzakelijk zijn om een woning aan alle gezondheidsvoorwaarden, bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 30 augustus 2007 tot vaststelling van de minimale gezondheidsnormen, de overbevolkingsnormen en houdende de in artikel 1, 19° tot 22°bis, van de Waalse Huisvestingscode bedoelde begripsomschrijvingen, te laten voldoen;
10° energiebesparende werken en werken voor de installatie van hernieuwbare energie : werken die de bevordering van de energieprestatie van het goed waarvoor de lening is uitgeschreven en het rationeel energiegebruik zoals bepaald bij met name het ministerieel besluit van 11 april 2005 betreffende de modaliteiten en de procedure voor de toekenning van premies ter bevordering van rationeel energiegebruik tot doel hebben;
11° buurtwoning : elke woning die ertoe bestemd is één of meerdere bejaarde personen op te vangen en die volledig deel uitmaakt van de grondslag van het goed waarvoor een lening wordt uitgeschreven;
12° gebied met een hoge vastgoeddruk : de gezamenlijke gemeenten waar de gemiddelde prijs van de gewone woonhuizen op grond van de recentste statistieken van het Nationaal Instituut voor de Statistiek met 35 tot 50 % de gemiddelde prijs overstijgt van dezelfde huizen, berekend op het gewestelijke grondgebied; de lijst van de gemeenten wordt jaarlijks vastgesteld en in juli herzien om in werking te treden op 1 januari van het daarop volgende jaar;
13° gebied met een zeer hoge vastgoeddruk : de gezamenlijke gemeenten waar de gemiddelde prijs van de gewone woonhuizen op grond van de recentste statistieken van het Nationaal Instituut voor de Statistiek met 50 % de gemiddelde prijs overstijgt van dezelfde huizen, berekend op het gewestelijke grondgebied; de lijst van de gemeenten wordt jaarlijks vastgesteld en in juli herzien om in werking te treden op 1 januari van het daarop volgende jaar."
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 DECEMBER 2007. - Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 25 februari 1999 met betrekking tot de hypotheekleningen en de huurtegemoetkoming van het "Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" (Woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië) (VERTALING)
Titre
20 DECEMBRE 2007. - Arrêté du Gouvernement wallon modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 25 février 1999 concernant les prêts hypothécaires et l'aide locative du Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie
Documentinformatie
Info du document
Tekst (11)
Texte (11)
Article 1. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement wallon du 25 février 1999 concernant les prêts hypothécaires et l'aide locative du Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie, sont apportées les modifications suivantes :
§ 1er. Un point 3°bis est inséré, rédigé comme suit :
"3°bis demandeur : la ou les personnes physiques, inscrites ou en voie d'inscription au registre de la population, disposant d'une adresse de référence en Belgique au plus tard le jour de la passation de l'acte, ou inscrites au registre des étrangers avec autorisation de séjour d'une durée illimitée, qui sollicitent l'octroi d'un crédit hypothécaire social auprès du Fonds.
Le demandeur doit être âgé de 18 ans au moins ou être mineur émancipé à la date d'immatriculation de la demande de crédit".
§ 2. Dans le point 4°, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "situé en Région wallonne" sont insérés entre les mots "appartement" et "destiné";
2° le point 4° est complété par un second alinéa, rédigé comme suit : "Le logement doit respecter les critères de salubrité et de surpeuplement définis par l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 août 2007 déterminant les critères minimaux de salubrité, les critères de surpeuplement et portant les définitions visées à l'article 1er, 19° à 22bis, du Code wallon du Logement ainsi que les prescriptions définies par le Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie."
§ 3. Le point 5°, alinéa 1er, est remplacé par les dispositions suivantes :
"5° revenus imposables : les revenus imposables globalement afférents à l'avant dernière année complète précédant la date à laquelle le Fonds notifie au demandeur d'avoir à verser les frais d'expertise prévus au règlement visé à l'article 16 du présent arrêté, tels qu'ils apparaissent sur l'avertissement extrait de rôle ou sur tout certificat assimilé.
Si les revenus imposables globalement afférents à l'avant-dernière année complète précédant la date à laquelle le Fonds notifie au demandeur d'avoir à verser les frais d'expertise prévus au règlement visé à l'article 16 du présent arrêté ne sont pas connus, le Fonds détermine les documents qu'il convient de prendre en considération pour fixer les revenus imposable."
§ 4. Dans le point 6°, sont apportées les modifications suivantes :
1° au troisième tiret, les mots "immatriculation de la demande" sont remplacés par les mots "octroi du prêt";
2° le point 6° est complété par la disposition suivante : "La personne âgée cohabitant avec le demandeur est assimilée à un enfant à charge."
§ 5. Il est inséré un point 6°bis, rédigé comme suit :
"6°bis personne âgée : parent d'emprunteur, domicilié ou en cours de domiciliation dans le bien faisant l'objet du prêt (ou de candidat emprunteur), jusqu'au troisième degré et/ou personne avec qui ce parent est/a été marié(e) ou vit (a vécu) habituellement; l'une de ces personnes devant être âgée d'au moins 60 ans."
§ 6. Il est inséré un point 6°ter, rédigé comme suit :
"6°ter personne handicapée :
- soit la personne reconnue par le SPF Sécurité sociale comme étant atteinte à 66 % au moins d'une insuffisance ou d'une diminution de capacité physique ou mentale;
- soit la personne dont la capacité de gain est réduite à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail, en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
- soit la personne dont le manque d'autonomie est fixé à 9 points au moins, en application de la même loi;
- soit la personne affectée d'une incapacité physique ou mentale entraînant l'attribution de minimum 4 points en application de l'article 6, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 28 mars 2003 portant exécution des lois coordonnées relatives aux allocations familiales ou l'attribution de minimum 6 points, en application de l'article 6, § 2, 4°, de cette même réglementation."
§ 7. L'article 1er, du même arrêté, est complété comme suit :
"9° travaux indispensables : travaux qui sont nécessaires pour permettre à un logement de réunir les conditions de salubrité définies par l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 août 2007 déterminant les critères minimaux de salubrité, les critères de surpeuplement et portant les définitions visées à l'article 1er, 19° à 22bis, du Code wallon du Logement.
10° travaux d'économie d'énergie et d'installations d'énergies renouvelables : travaux ayant pour but de promouvoir la performance énergétique de l'immeuble objet du prêt et l'utilisation rationnelle de l'énergie tels que définis notamment par l'arrêté ministériel du 11 avril 2005 relatif aux modalités et à la procédure d'octroi des primes visant à favoriser l'utilisation rationnelle de l'énergie;
11° logement de proximité : tout logement destiné à accueillir une ou plusieurs personnes âgées et faisant partie intégrante de l'assiette de l'immeuble objet du prêt;
12° zone à forte pression immobilière : ensemble des communes où le prix moyen des maisons d'habitation ordinaires excède, sur base des statistiques de l'Institut national des Statistiques les plus récentes, de 35 à 50 % le prix moyen des même maisons calculé sur le territoire régional; la liste des communes est fixée annuellement et revue au mois de juillet pour être d'application au 1er janvier suivant;
13° zone à très forte pression immobilière : ensemble des communes où le prix moyen des maisons d'habitation ordinaires excède, sur base des statistiques de l'Institut national des Statistiques les plus récentes, de plus de 50 % le prix moyen des même maisons calculé sur le territoire régional; la liste des communes est fixée annuellement et revue au mois de juillet pour être d'application au 1er janvier suivant."
§ 1er. Un point 3°bis est inséré, rédigé comme suit :
"3°bis demandeur : la ou les personnes physiques, inscrites ou en voie d'inscription au registre de la population, disposant d'une adresse de référence en Belgique au plus tard le jour de la passation de l'acte, ou inscrites au registre des étrangers avec autorisation de séjour d'une durée illimitée, qui sollicitent l'octroi d'un crédit hypothécaire social auprès du Fonds.
Le demandeur doit être âgé de 18 ans au moins ou être mineur émancipé à la date d'immatriculation de la demande de crédit".
§ 2. Dans le point 4°, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "situé en Région wallonne" sont insérés entre les mots "appartement" et "destiné";
2° le point 4° est complété par un second alinéa, rédigé comme suit : "Le logement doit respecter les critères de salubrité et de surpeuplement définis par l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 août 2007 déterminant les critères minimaux de salubrité, les critères de surpeuplement et portant les définitions visées à l'article 1er, 19° à 22bis, du Code wallon du Logement ainsi que les prescriptions définies par le Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie."
§ 3. Le point 5°, alinéa 1er, est remplacé par les dispositions suivantes :
"5° revenus imposables : les revenus imposables globalement afférents à l'avant dernière année complète précédant la date à laquelle le Fonds notifie au demandeur d'avoir à verser les frais d'expertise prévus au règlement visé à l'article 16 du présent arrêté, tels qu'ils apparaissent sur l'avertissement extrait de rôle ou sur tout certificat assimilé.
Si les revenus imposables globalement afférents à l'avant-dernière année complète précédant la date à laquelle le Fonds notifie au demandeur d'avoir à verser les frais d'expertise prévus au règlement visé à l'article 16 du présent arrêté ne sont pas connus, le Fonds détermine les documents qu'il convient de prendre en considération pour fixer les revenus imposable."
§ 4. Dans le point 6°, sont apportées les modifications suivantes :
1° au troisième tiret, les mots "immatriculation de la demande" sont remplacés par les mots "octroi du prêt";
2° le point 6° est complété par la disposition suivante : "La personne âgée cohabitant avec le demandeur est assimilée à un enfant à charge."
§ 5. Il est inséré un point 6°bis, rédigé comme suit :
"6°bis personne âgée : parent d'emprunteur, domicilié ou en cours de domiciliation dans le bien faisant l'objet du prêt (ou de candidat emprunteur), jusqu'au troisième degré et/ou personne avec qui ce parent est/a été marié(e) ou vit (a vécu) habituellement; l'une de ces personnes devant être âgée d'au moins 60 ans."
§ 6. Il est inséré un point 6°ter, rédigé comme suit :
"6°ter personne handicapée :
- soit la personne reconnue par le SPF Sécurité sociale comme étant atteinte à 66 % au moins d'une insuffisance ou d'une diminution de capacité physique ou mentale;
- soit la personne dont la capacité de gain est réduite à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail, en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
- soit la personne dont le manque d'autonomie est fixé à 9 points au moins, en application de la même loi;
- soit la personne affectée d'une incapacité physique ou mentale entraînant l'attribution de minimum 4 points en application de l'article 6, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 28 mars 2003 portant exécution des lois coordonnées relatives aux allocations familiales ou l'attribution de minimum 6 points, en application de l'article 6, § 2, 4°, de cette même réglementation."
§ 7. L'article 1er, du même arrêté, est complété comme suit :
"9° travaux indispensables : travaux qui sont nécessaires pour permettre à un logement de réunir les conditions de salubrité définies par l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 août 2007 déterminant les critères minimaux de salubrité, les critères de surpeuplement et portant les définitions visées à l'article 1er, 19° à 22bis, du Code wallon du Logement.
10° travaux d'économie d'énergie et d'installations d'énergies renouvelables : travaux ayant pour but de promouvoir la performance énergétique de l'immeuble objet du prêt et l'utilisation rationnelle de l'énergie tels que définis notamment par l'arrêté ministériel du 11 avril 2005 relatif aux modalités et à la procédure d'octroi des primes visant à favoriser l'utilisation rationnelle de l'énergie;
11° logement de proximité : tout logement destiné à accueillir une ou plusieurs personnes âgées et faisant partie intégrante de l'assiette de l'immeuble objet du prêt;
12° zone à forte pression immobilière : ensemble des communes où le prix moyen des maisons d'habitation ordinaires excède, sur base des statistiques de l'Institut national des Statistiques les plus récentes, de 35 à 50 % le prix moyen des même maisons calculé sur le territoire régional; la liste des communes est fixée annuellement et revue au mois de juillet pour être d'application au 1er janvier suivant;
13° zone à très forte pression immobilière : ensemble des communes où le prix moyen des maisons d'habitation ordinaires excède, sur base des statistiques de l'Institut national des Statistiques les plus récentes, de plus de 50 % le prix moyen des même maisons calculé sur le territoire régional; la liste des communes est fixée annuellement et revue au mois de juillet pour être d'application au 1er janvier suivant."
Art. 2. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling :
"§ 1. De leningen, gedekt door een hypothecaire inschrijving, worden toegestaan met het oog op de bouw, de aankoop, de renovatie, de herstructurering, de aanpassing, de instandhouding, de verbetering, de vrijwaring van een woning, de afbetaling van daartoe aangegane zware schulden, of de uitvoering van energiebesparende werken en werken voor de installatie van hernieuwbare energie.
Onder zware schuld wordt verstaan : de hypotheekschuld of schuld i.v.m. een ander aanverwant product waarvan de rentevoet gevoelig hoger is dan de marktvoorwaarden tijdens de inschrijving van de kredietaanvraag of waarvan de afbetalingsmodaliteiten niet meer overeenstemmen met de financiële toestand van de aanvrager.
Zij kunnen eveneens toegestaan worden voor woningen die bijgebouwen bevatten of lokalen bestemd voor de uitoefening van een handels-, ambachtelijk, vrij of ander beroep.
§ 2. Het Fonds kan eveneens aan gezinnen die een lopende lening hebben, aangegaan bij het Fonds, zonder dat de voorwaarde waarvan sprake in artikel 4, lid 1, van dit besluit verplicht vervuld dient te worden, het volgende toestaan :
a) hypothecaire leningen voor de financiering van onontbeerlijke werken of de uitvoering van energiebesparende werken of werken voor de installatie van hernieuwbare energie,
b) hypothecaire leningen voor de financiering van de oprichting van buurtwoningen voor de opvang van bejaarde personen.
§ 3. Indien de lening de financiering betreft van werken die geheel of gedeeltelijk onder een tegemoetkoming van het Gewest vallen, o.m. de renovatiepremie of de premies voor rationeel energiegebruik of een beter gebruik van hernieuwbare energiebronnen, kan het Fonds het bedrag voorschieten indien de ontlener die die tegemoetkomingen gekregen heeft, het bedrag van de premie of die premies afstaat om ze in rekening te brengen op zijn terugbetalingsrekening."
"§ 1. De leningen, gedekt door een hypothecaire inschrijving, worden toegestaan met het oog op de bouw, de aankoop, de renovatie, de herstructurering, de aanpassing, de instandhouding, de verbetering, de vrijwaring van een woning, de afbetaling van daartoe aangegane zware schulden, of de uitvoering van energiebesparende werken en werken voor de installatie van hernieuwbare energie.
Onder zware schuld wordt verstaan : de hypotheekschuld of schuld i.v.m. een ander aanverwant product waarvan de rentevoet gevoelig hoger is dan de marktvoorwaarden tijdens de inschrijving van de kredietaanvraag of waarvan de afbetalingsmodaliteiten niet meer overeenstemmen met de financiële toestand van de aanvrager.
Zij kunnen eveneens toegestaan worden voor woningen die bijgebouwen bevatten of lokalen bestemd voor de uitoefening van een handels-, ambachtelijk, vrij of ander beroep.
§ 2. Het Fonds kan eveneens aan gezinnen die een lopende lening hebben, aangegaan bij het Fonds, zonder dat de voorwaarde waarvan sprake in artikel 4, lid 1, van dit besluit verplicht vervuld dient te worden, het volgende toestaan :
a) hypothecaire leningen voor de financiering van onontbeerlijke werken of de uitvoering van energiebesparende werken of werken voor de installatie van hernieuwbare energie,
b) hypothecaire leningen voor de financiering van de oprichting van buurtwoningen voor de opvang van bejaarde personen.
§ 3. Indien de lening de financiering betreft van werken die geheel of gedeeltelijk onder een tegemoetkoming van het Gewest vallen, o.m. de renovatiepremie of de premies voor rationeel energiegebruik of een beter gebruik van hernieuwbare energiebronnen, kan het Fonds het bedrag voorschieten indien de ontlener die die tegemoetkomingen gekregen heeft, het bedrag van de premie of die premies afstaat om ze in rekening te brengen op zijn terugbetalingsrekening."
Art. 2. L'article 3, du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante :
"§ 1er. Les prêts, garantis par une inscription hypothécaire, sont consentis en vue de la construction, l'achat, la réhabilitation, la restructuration, l'adaptation, la conservation, l'amélioration, la préservation d'un logement, de remboursement de dettes onéreuses contractées à de telles fins, ou à la réalisation de travaux d'économie d'énergie et d'installation d'énergie renouvelable.
Par dette onéreuse, on entend la dette hypothécaire ou relative à un autre produit apparenté dont le taux d'intérêt dépasse sensiblement les conditions du marché lors de l'immatriculation de la demande de crédit ou dont les modalités de remboursement ne correspondent plus à la situation financière du demandeur.
Ils peuvent également être consentis pour des logements qui comportent des annexes ou locaux destinés à l'exercice d'une profession commerciale, artisanale, libérale ou autre.
§ 2. Le Fonds peut également accorder à des familles qui ont un prêt en cours contracté auprès du Fonds, sans que la condition reprise à l'article 4, alinéa 1er, du présent arrêté ne soit forcément rencontrée :
a) des prêts hypothécaires destinés au financement de travaux indispensables ou à la réalisation de travaux d'économie d'énergie et d'installation d'énergie renouvelable;
b) des prêts hypothécaires destinés à financer la création de logements de proximité destinés à accueillir des personnes âgées.
§ 3. Lorsque le prêt a pour objet le financement de travaux dont tout ou partie peut être couvert par une aide de la Région, notamment la prime à la réhabilitation ou les primes favorisant l'utilisation rationnelle de l'énergie ou favorisant le recours aux sources d'énergie renouvelables, le Fonds peut en faire l'avance, à charge pour l'emprunteur bénéficiaire de ces aides, de céder le montant de la prime ou de ces primes pour les comptabiliser sur son compte de remboursement."
"§ 1er. Les prêts, garantis par une inscription hypothécaire, sont consentis en vue de la construction, l'achat, la réhabilitation, la restructuration, l'adaptation, la conservation, l'amélioration, la préservation d'un logement, de remboursement de dettes onéreuses contractées à de telles fins, ou à la réalisation de travaux d'économie d'énergie et d'installation d'énergie renouvelable.
Par dette onéreuse, on entend la dette hypothécaire ou relative à un autre produit apparenté dont le taux d'intérêt dépasse sensiblement les conditions du marché lors de l'immatriculation de la demande de crédit ou dont les modalités de remboursement ne correspondent plus à la situation financière du demandeur.
Ils peuvent également être consentis pour des logements qui comportent des annexes ou locaux destinés à l'exercice d'une profession commerciale, artisanale, libérale ou autre.
§ 2. Le Fonds peut également accorder à des familles qui ont un prêt en cours contracté auprès du Fonds, sans que la condition reprise à l'article 4, alinéa 1er, du présent arrêté ne soit forcément rencontrée :
a) des prêts hypothécaires destinés au financement de travaux indispensables ou à la réalisation de travaux d'économie d'énergie et d'installation d'énergie renouvelable;
b) des prêts hypothécaires destinés à financer la création de logements de proximité destinés à accueillir des personnes âgées.
§ 3. Lorsque le prêt a pour objet le financement de travaux dont tout ou partie peut être couvert par une aide de la Région, notamment la prime à la réhabilitation ou les primes favorisant l'utilisation rationnelle de l'énergie ou favorisant le recours aux sources d'énergie renouvelables, le Fonds peut en faire l'avance, à charge pour l'emprunteur bénéficiaire de ces aides, de céder le montant de la prime ou de ces primes pour les comptabiliser sur son compte de remboursement."
Art. 3. Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
§ 1er. Punt 1° wordt vervangen door volgende bepaling :
"1° mag een koopwaarde van 150.000 EUR voor een gezin met drie kinderen niet overschrijden, grond inbegrepen behalve voor de bouwverrichtingen.
Dat maximum wordt verhoogd met :
a) 5 % per kind dat deel uitmaakt van het gezin naast de drie eerste;
b) 10 % indien het jongste kind van de aanvrager of van de persoon met wie hij doorgaans samenleeft de leeftijd van acht jaar niet bereikt heeft op de referentiedatum bedoeld in artikel 4, lid 2, van dit besluit;
c) 10 % voor elke bloedverwant in de opgaande lijn van de aanvrager of van de persoon met wie hij doorgaans samenleeft, die samenleeft met de aanvrager sinds minstens zes maanden op voornoemde referentiedatum;
d) 10 % voor elke bejaarde persoon;
e) 5 % indien het goed waarvoor de lening is uitgeschreven in een gebied met hoge vastgoeddruk gelegen is;
f) 10 % indien het goed waarvoor de lening is uitgeschreven in een gebied met zeer hoge vastgoeddruk gelegen is.
Behalve de verhogingen bedoeld onder c) en d) indien ze dezelfde persoon betreffen, zijn die verhogingen samenvoegbaar.
De verhogingen vermeld onder a) en b) zijn niet van toepassing indien artikel 3, § 2, van dit besluit toegepast wordt.
Dat aldus verhoogde bedrag wordt afgerond naar het hogere of lagere tiental al naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet vijf euro bereikt.
Voor de berekening van het aantal kinderen dat deel uitmaakt van het gezin, telt het kind dat als gehandicapt erkend wordt volgens artikel 1, 6°ter, van dit besluit voor twee.
Daarnaast wordt de aanvrager die in dezelfde graad getroffen is door een insufficiëntie of een bekwaamheidsvermindering beschouwd als een kind hebbend dat deel uitmaakt van het gezin. Die bepaling geldt eveneens onder dezelfde voorwaarden voor de persoon met wie de aanvrager doorgaans samenleeft en voor elke persoon die door een dergelijke handicap getroffen wordt voor zover er tussen en de aanvrager of de persoon met wie hij doorgaans samenleeft een verwantschapsband bestaat tot in de derde graad en dat zij onder hetzelfde dak leeft. In dit geval moet de aanvrager zich ertoe verbinden aan het Fonds het bewijs te leveren dat ze samenleven, uiterlijk zes maanden na de eerste dag van de bewoning.
Het maximumbedrag van de koopwaarde, hiervoor omschreven, wordt door het Fonds op 1 januari van elk jaar N (en voor de eerste keer vanaf 2004) door het Fonds aangepast per schijf van 1.000 euro op grond van de volgende formule :
§ 1er. Punt 1° wordt vervangen door volgende bepaling :
"1° mag een koopwaarde van 150.000 EUR voor een gezin met drie kinderen niet overschrijden, grond inbegrepen behalve voor de bouwverrichtingen.
Dat maximum wordt verhoogd met :
a) 5 % per kind dat deel uitmaakt van het gezin naast de drie eerste;
b) 10 % indien het jongste kind van de aanvrager of van de persoon met wie hij doorgaans samenleeft de leeftijd van acht jaar niet bereikt heeft op de referentiedatum bedoeld in artikel 4, lid 2, van dit besluit;
c) 10 % voor elke bloedverwant in de opgaande lijn van de aanvrager of van de persoon met wie hij doorgaans samenleeft, die samenleeft met de aanvrager sinds minstens zes maanden op voornoemde referentiedatum;
d) 10 % voor elke bejaarde persoon;
e) 5 % indien het goed waarvoor de lening is uitgeschreven in een gebied met hoge vastgoeddruk gelegen is;
f) 10 % indien het goed waarvoor de lening is uitgeschreven in een gebied met zeer hoge vastgoeddruk gelegen is.
Behalve de verhogingen bedoeld onder c) en d) indien ze dezelfde persoon betreffen, zijn die verhogingen samenvoegbaar.
De verhogingen vermeld onder a) en b) zijn niet van toepassing indien artikel 3, § 2, van dit besluit toegepast wordt.
Dat aldus verhoogde bedrag wordt afgerond naar het hogere of lagere tiental al naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet vijf euro bereikt.
Voor de berekening van het aantal kinderen dat deel uitmaakt van het gezin, telt het kind dat als gehandicapt erkend wordt volgens artikel 1, 6°ter, van dit besluit voor twee.
Daarnaast wordt de aanvrager die in dezelfde graad getroffen is door een insufficiëntie of een bekwaamheidsvermindering beschouwd als een kind hebbend dat deel uitmaakt van het gezin. Die bepaling geldt eveneens onder dezelfde voorwaarden voor de persoon met wie de aanvrager doorgaans samenleeft en voor elke persoon die door een dergelijke handicap getroffen wordt voor zover er tussen en de aanvrager of de persoon met wie hij doorgaans samenleeft een verwantschapsband bestaat tot in de derde graad en dat zij onder hetzelfde dak leeft. In dit geval moet de aanvrager zich ertoe verbinden aan het Fonds het bewijs te leveren dat ze samenleven, uiterlijk zes maanden na de eerste dag van de bewoning.
Het maximumbedrag van de koopwaarde, hiervoor omschreven, wordt door het Fonds op 1 januari van elk jaar N (en voor de eerste keer vanaf 2004) door het Fonds aangepast per schijf van 1.000 euro op grond van de volgende formule :
Art. 3. Dans l'article 6, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
§ 1er. Le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
"1° ne peut excéder une valeur vénale après travaux, pour une famille comportant trois enfants, terrain compris sauf pour les opérations de construction, de 150.000 EUR.
Ce maximum est augmenté de :
a) 5 % par enfant faisant partie du ménage en plus des trois premiers;
b) 10 % lorsque le plus jeune enfant du demandeur ou de la personne avec laquelle il vit habituellement n'a pas atteint l'âge de huit ans à la date de référence visée à l'article 4, alinéa 2, du présent arrêté;
c) 10 % pour chaque ascendant du demandeur ou de la personne avec laquelle il vit habituellement qui cohabite avec le demandeur depuis six mois au moins à la date de référence précitée;
d) 10 % pour chaque personne âgée;
e) 5 % lorsque l'immeuble objet du prêt est situé dans une zone de forte pression immobilière;
f) 10 % lorsque l'immeuble objet du prêt est situé dans une zone de très forte pression immobilière.
Hormis les majorations reprises sous c) et d) lorsqu'elles concernent la même personne, ces majorations sont cumulatives.
Les majorations reprises sous a) et b) ne s'appliquent pas lorsqu'il est fait application de l'article 3, § 2, du présent arrêté.
Ce montant, ainsi majoré, est arrondi à la dizaine supérieure ou à la dizaine inférieure selon que le chiffre des unités atteint ou non cinq euros.
Pour la détermination du nombre d'enfants faisant partie de la famille, est compté pour deux enfants, l'enfant reconnu handicapé selon l'article 1er, 6°ter, du présent arrêté.
En outre, est considéré comme ayant un enfant faisant partie de la famille, le demandeur atteint au même degré d'une telle insuffisance ou diminution de capacité. Cette disposition est également applicable, dans les mêmes conditions, à la personne avec laquelle le demandeur vit habituellement ainsi qu'à chaque personne affectée d'un tel handicap, pour autant qu'il existe entre elle et le demandeur ou la personne avec laquelle il vit habituellement un lien de parenté jusqu'au troisième degré et qu'elle habite sous le même toit. Dans ce cas, le demandeur doit s'engager à fournir la preuve de cette cohabitation au Fonds, au plus tard six mois après le premier jour de l'occupation.
Le montant maximum de la valeur vénale ci avant défini est adapté par tranche de 1.000 EUR par le Fonds au 1er janvier de chaque année N (et pour la première fois à partir de 2004, sur base de la formule suivante :
§ 1er. Le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
"1° ne peut excéder une valeur vénale après travaux, pour une famille comportant trois enfants, terrain compris sauf pour les opérations de construction, de 150.000 EUR.
Ce maximum est augmenté de :
a) 5 % par enfant faisant partie du ménage en plus des trois premiers;
b) 10 % lorsque le plus jeune enfant du demandeur ou de la personne avec laquelle il vit habituellement n'a pas atteint l'âge de huit ans à la date de référence visée à l'article 4, alinéa 2, du présent arrêté;
c) 10 % pour chaque ascendant du demandeur ou de la personne avec laquelle il vit habituellement qui cohabite avec le demandeur depuis six mois au moins à la date de référence précitée;
d) 10 % pour chaque personne âgée;
e) 5 % lorsque l'immeuble objet du prêt est situé dans une zone de forte pression immobilière;
f) 10 % lorsque l'immeuble objet du prêt est situé dans une zone de très forte pression immobilière.
Hormis les majorations reprises sous c) et d) lorsqu'elles concernent la même personne, ces majorations sont cumulatives.
Les majorations reprises sous a) et b) ne s'appliquent pas lorsqu'il est fait application de l'article 3, § 2, du présent arrêté.
Ce montant, ainsi majoré, est arrondi à la dizaine supérieure ou à la dizaine inférieure selon que le chiffre des unités atteint ou non cinq euros.
Pour la détermination du nombre d'enfants faisant partie de la famille, est compté pour deux enfants, l'enfant reconnu handicapé selon l'article 1er, 6°ter, du présent arrêté.
En outre, est considéré comme ayant un enfant faisant partie de la famille, le demandeur atteint au même degré d'une telle insuffisance ou diminution de capacité. Cette disposition est également applicable, dans les mêmes conditions, à la personne avec laquelle le demandeur vit habituellement ainsi qu'à chaque personne affectée d'un tel handicap, pour autant qu'il existe entre elle et le demandeur ou la personne avec laquelle il vit habituellement un lien de parenté jusqu'au troisième degré et qu'elle habite sous le même toit. Dans ce cas, le demandeur doit s'engager à fournir la preuve de cette cohabitation au Fonds, au plus tard six mois après le premier jour de l'occupation.
Le montant maximum de la valeur vénale ci avant défini est adapté par tranche de 1.000 EUR par le Fonds au 1er janvier de chaque année N (et pour la première fois à partir de 2004, sur base de la formule suivante :
| Bedrag x ABEX-index op 1 januari van het jaar N |
| (bepaald in november van het jaar N-1) |
Wijzigingen
</td></tr><tr><td valign="top">ABEX-index op 1 januari 2003</td></tr><tr><td valign="top">(bepaald op ''547'' in november 2002)</td></tr></table>Bedrag x ABEX-index op 1 januari van het jaar N(bepaald in november van het jaar N-1)-----------------------------------------------ABEX-index op 1 januari 2003(bepaald op ''547'' in november 2002)
| Montant maximum x indice ABEX du 1er janvier de l'année N |
| (fixe en novembre de l'année N-1) |
Wijzigingen
</td></tr><tr><td valign="top">indice ABEX du 1er janvier 2003</td></tr><tr><td valign="top">(fixe a ''547'' en novembre 2002)''.</td></tr></table>Montant maximum x indice ABEX du 1er janvier de l'année N(fixe en novembre de l'année N-1)---------------------------------------------------------indice ABEX du 1er janvier 2003(fixe a ''547'' en novembre 2002)''.
§ 2. Punt 2° wordt geschrapt.
§ 3. De punten 3°, 4°, 5° worden respectievelijk punten 2°, 3°, 4° ervan.
§ 3. De punten 3°, 4°, 5° worden respectievelijk punten 2°, 3°, 4° ervan.
§ 2. Le point 2° est supprimé.
§ 3. Les points 3°, 4°, 5°, en deviennent respectivement les points 2°, 3°, 4°.
§ 3. Les points 3°, 4°, 5°, en deviennent respectivement les points 2°, 3°, 4°.
Art. 4. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
§ 1. Lid 3 wordt geschrapt.
§ 2. Lid 4, dat lid 3 wordt, wordt aangevuld met de woorden "en de informatie over de tegemoetkomingen die het Gewest verstrekt".
§ 1. Lid 3 wordt geschrapt.
§ 2. Lid 4, dat lid 3 wordt, wordt aangevuld met de woorden "en de informatie over de tegemoetkomingen die het Gewest verstrekt".
Art. 4. A l'article 7 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
§ 1er L'alinéa 3 est supprimé.
§ 2. L'alinéa 4, qui en devient l'alinéa 3, est complété par les mots "et les informations relatives aux aides dispensées par la Région".
§ 1er L'alinéa 3 est supprimé.
§ 2. L'alinéa 4, qui en devient l'alinéa 3, est complété par les mots "et les informations relatives aux aides dispensées par la Région".
Art. 5. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling :
"§ 1. Bijlage 1 bij dit besluit bepaalt op grond van de globaal belastbare inkomsten de inkomstencategorieën die in overweging genomen worden voor de berekening van de rentevoeten.
Het maximumbedrag van elke categorie wordt verhoogd met 1.860 EUR per bijkomend kind ten laste na het derde kind.
Het bedrag van de maximumbedragen waarvan sprake in bijlage 1 en de verhoging met 1.860 EUR per kind ten laste wordt op 1 januari van elk jaar N (en voor de eerste keer vanaf 2009) aangepast per schijf van 50 euro op grond van de volgende formule :
"§ 1. Bijlage 1 bij dit besluit bepaalt op grond van de globaal belastbare inkomsten de inkomstencategorieën die in overweging genomen worden voor de berekening van de rentevoeten.
Het maximumbedrag van elke categorie wordt verhoogd met 1.860 EUR per bijkomend kind ten laste na het derde kind.
Het bedrag van de maximumbedragen waarvan sprake in bijlage 1 en de verhoging met 1.860 EUR per kind ten laste wordt op 1 januari van elk jaar N (en voor de eerste keer vanaf 2009) aangepast per schijf van 50 euro op grond van de volgende formule :
Art. 5. L'article 8 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"§ 1er. L'annexe 1re au présent arrêté détermine, sur la base des revenus imposables globalement, les catégories de revenus prises en considération pour la fixation des taux.
Le plafond de chacune des catégories est majoré de 1.860 EUR par enfant à charge supplémentaire au-delà du troisième.
Le montant des plafonds dont question à l'annexe 1re et la majoration de 1.860 EUR par enfant à charge sont adaptés par tranche de 50 EUR par le Fonds au 1er janvier de chaque année N (et pour la première fois à partir de 2009), sur base de la formule suivante :
"§ 1er. L'annexe 1re au présent arrêté détermine, sur la base des revenus imposables globalement, les catégories de revenus prises en considération pour la fixation des taux.
Le plafond de chacune des catégories est majoré de 1.860 EUR par enfant à charge supplémentaire au-delà du troisième.
Le montant des plafonds dont question à l'annexe 1re et la majoration de 1.860 EUR par enfant à charge sont adaptés par tranche de 50 EUR par le Fonds au 1er janvier de chaque année N (et pour la première fois à partir de 2009), sur base de la formule suivante :
| Bedrag x indexcijfer der consumptieprijzen (*) in november van het jaar N-1 |
Wijzigingen
</td></tr><tr><td valign="top">Indexcijfer der consumptieprijzen in oktober 1998</td></tr><tr><td valign="top"> </td></tr><tr><td valign="top">(*) wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij</td></tr><tr><td valign="top">sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de</td></tr><tr><td valign="top">consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld op grond van het</td></tr><tr><td valign="top">spilindexcijfer 138,01 van 1 januari 1990.</td></tr></table>Bedrag x indexcijfer der consumptieprijzen (*) in november van het jaar N-1---------------------------------------------------------------------------Indexcijfer der consumptieprijzen in oktober 1998(*) wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbijsommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van deconsumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld op grond van hetspilindexcijfer 138,01 van 1 januari 1990.
| Montant en euro x indice des prix a la consommation* |
| en novembre de l'année N-1 |
Wijzigingen
</td></tr><tr><td valign="top">Indice des prix a la consommation en octobre 1998</td></tr><tr><td valign="top"> </td></tr><tr><td valign="top">(*) loi du 1er mars 1977 organisant un regime de liaison a l'indice des</td></tr><tr><td valign="top">prix a la consommation du Royaume de certaines depenses du secteur</td></tr><tr><td valign="top">public sur base de l'indice-pivot 138,01 du 1er janvier 1990.</td></tr></table>Montant en euro x indice des prix a la consommation*en novembre de l'année N-1----------------------------------------------------Indice des prix a la consommation en octobre 1998(*) loi du 1er mars 1977 organisant un regime de liaison a l'indice desprix a la consommation du Royaume de certaines depenses du secteurpublic sur base de l'indice-pivot 138,01 du 1er janvier 1990.
§ 2. De rentevoeten die geldig zijn voor elke categorie bepaald in de tariefschaal waarvan sprake in bijlage 1 worden vastgesteld op grond van volgende beginselen :
- de laagste rentevoet - namelijk die van categorie 1 neventarief 1 - wordt bepaald in functie van de theoretische draagkracht van de leners die beschikken over de zwakste inkomens; in geen geval mag hij lager zijn dan de basisrentevoet bepaald door de Minister, die het volgende beoogt :
- de minimumrentevoet geldig voor de gezinnen met drie kinderen ten laste
- en een absolute minimumrentevoet geldig voor de gezamenlijke leners van het Fonds, ongeacht de gezinssamenstelling
- de hoogste rentevoet - namelijk de rentevoet van categorie III neventarief 5 - is gelijk aan de financieringsrentevoet van het Fonds,
- verhoogd met de intermediatiemarge bepaald overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 17 maart 1999 ter uitvoering van artikel 183 van de Waalse Huisvestingscode;
- verminderd met de rentevoetvermindering, voor elk kind ten laste tot een maximum beperkt;
- tussen beide rentevoeten (hoogste en laagste rentevoet) verhogen de rentevoeten op gematigde wijze bij elke neventariefsprong;
- voornoemde percentages worden verminderd met 50 basispunten per bijkomend kind ten laste zonder evenwel lager te mogen zijn dan de minimale rentevoet;
- de oorspronkelijke rentevoet wordt eveneens verlaagd als het aantal kinderen ten laste tijdens de looptijd van de lening verhoogt, zonder dat die rentevoet lager mag zijn dan de minimale rentevoet; verlaagt het aantal kinderen ten laste, dan wordt het percentage niet opgetrokken;
- tussen twee financieringsperiodes van het Fonds wordt de tariefschaal om de drie maanden aangepast aan de evolutie van de IRS-rentevoet met een maturiteit van 25 jaar, op grond van tien opeenvolgende vaststellingen voorafgaand aan de vervaltermijn van drie maanden. Als uit die tien opeenvolgende vaststellingen een variatie blijkt met minstens 25 basispunten van de IRS-rentevoet tegenover de rentevoet die van kracht was bij de fondsenwerving, wordt de tariefschaal overeenstemmend aangepast met toepassing van een afronding naar de hogere vijf basispunten.
§ 3. Indien de lener de woning overeenkomstig artikel 3, § 1, lid 3, van dit besluit gedeeltelijk gebruikt voor de uitoefening van een handels-, een ambachtelijk, een vrij of ander beroep, worden de rentevoeten die voortvloeien uit de toepassing van vorige paragrafen verhoogd met 0,0416 % per maand."
- de laagste rentevoet - namelijk die van categorie 1 neventarief 1 - wordt bepaald in functie van de theoretische draagkracht van de leners die beschikken over de zwakste inkomens; in geen geval mag hij lager zijn dan de basisrentevoet bepaald door de Minister, die het volgende beoogt :
- de minimumrentevoet geldig voor de gezinnen met drie kinderen ten laste
- en een absolute minimumrentevoet geldig voor de gezamenlijke leners van het Fonds, ongeacht de gezinssamenstelling
- de hoogste rentevoet - namelijk de rentevoet van categorie III neventarief 5 - is gelijk aan de financieringsrentevoet van het Fonds,
- verhoogd met de intermediatiemarge bepaald overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 17 maart 1999 ter uitvoering van artikel 183 van de Waalse Huisvestingscode;
- verminderd met de rentevoetvermindering, voor elk kind ten laste tot een maximum beperkt;
- tussen beide rentevoeten (hoogste en laagste rentevoet) verhogen de rentevoeten op gematigde wijze bij elke neventariefsprong;
- voornoemde percentages worden verminderd met 50 basispunten per bijkomend kind ten laste zonder evenwel lager te mogen zijn dan de minimale rentevoet;
- de oorspronkelijke rentevoet wordt eveneens verlaagd als het aantal kinderen ten laste tijdens de looptijd van de lening verhoogt, zonder dat die rentevoet lager mag zijn dan de minimale rentevoet; verlaagt het aantal kinderen ten laste, dan wordt het percentage niet opgetrokken;
- tussen twee financieringsperiodes van het Fonds wordt de tariefschaal om de drie maanden aangepast aan de evolutie van de IRS-rentevoet met een maturiteit van 25 jaar, op grond van tien opeenvolgende vaststellingen voorafgaand aan de vervaltermijn van drie maanden. Als uit die tien opeenvolgende vaststellingen een variatie blijkt met minstens 25 basispunten van de IRS-rentevoet tegenover de rentevoet die van kracht was bij de fondsenwerving, wordt de tariefschaal overeenstemmend aangepast met toepassing van een afronding naar de hogere vijf basispunten.
§ 3. Indien de lener de woning overeenkomstig artikel 3, § 1, lid 3, van dit besluit gedeeltelijk gebruikt voor de uitoefening van een handels-, een ambachtelijk, een vrij of ander beroep, worden de rentevoeten die voortvloeien uit de toepassing van vorige paragrafen verhoogd met 0,0416 % per maand."
§ 2. Les taux d'intérêt appliqués à chacune des catégories définies dans la grille des barèmes reprises à l'annexe 1re sont établis sur la base des principes suivants :
- le taux d'intérêt le plus bas - soit celui de la catégorie I, sous-barème 1 - est déterminé en fonction de la capacité contributive théorique des emprunteurs disposant des revenus les plus faibles; en aucun cas, il ne peut être inférieur au taux plancher fixé par le Ministre, lequel vise :
- le taux plancher applicable aux ménages ayant 3 enfants à charge;
- et un taux plancher absolu applicable à l'ensemble des emprunteurs du Fonds, quelle que soit la composition de famille;
- le taux d'intérêt le plus élevé - soit celui de la catégorie III, sous-barème 5 - est égal au taux de financement du Fonds,
- majoré de la marge d'intermédiation fixée en application de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 mars 1999 portant exécution de l'article 183 du Code wallon du Logement;
- réduit à concurrence de la réduction de taux plafonnée pour enfant à charge;
- entre ces deux taux (taux d'intérêt le plus bas et taux d'intérêt le plus haut) les taux progressent de manière modérée, à chaque saut de sous-barème.
- les taux ci-avant sont diminués de 50 points de base par enfant à charge supplémentaire sans pouvoir néanmoins être inférieurs au taux plancher absolu;
- de même, le taux originel est réduit si, en cours de prêt, le nombre d'enfants à charge vient à augmenter toujours sans pouvoir être inférieur au taux plancher absolu; il n'est pas relevé si ce nombre vient à diminuer;
- entre deux périodes de financement du Fonds, la grille des taux est adaptée, tous les trois mois, en fonction de l'évolution du taux IRS (Interest Rate Swap) d'une maturité de 25 ans, sur base de dix constatations successives précédant l'échéance des trois mois. Si ces dix constatations successives révèlent une variation d'au moins 25 points de base dudit taux IRS par rapport au taux lors de la levée des fonds, une adaptation de même ampleur est pratiquée sur la grille des taux, en appliquant un arrondi aux 5 points de base supérieurs.
§ 3 Lorsque l'emprunteur affecte partiellement le logement, conformément à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté, à l'exercice d'une profession commerciale, artisanale, libérale ou autre, les taux d'intérêt résultant de l'application des paragraphes précédents sont majorés de 0,0416 % par mois."
- le taux d'intérêt le plus bas - soit celui de la catégorie I, sous-barème 1 - est déterminé en fonction de la capacité contributive théorique des emprunteurs disposant des revenus les plus faibles; en aucun cas, il ne peut être inférieur au taux plancher fixé par le Ministre, lequel vise :
- le taux plancher applicable aux ménages ayant 3 enfants à charge;
- et un taux plancher absolu applicable à l'ensemble des emprunteurs du Fonds, quelle que soit la composition de famille;
- le taux d'intérêt le plus élevé - soit celui de la catégorie III, sous-barème 5 - est égal au taux de financement du Fonds,
- majoré de la marge d'intermédiation fixée en application de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 mars 1999 portant exécution de l'article 183 du Code wallon du Logement;
- réduit à concurrence de la réduction de taux plafonnée pour enfant à charge;
- entre ces deux taux (taux d'intérêt le plus bas et taux d'intérêt le plus haut) les taux progressent de manière modérée, à chaque saut de sous-barème.
- les taux ci-avant sont diminués de 50 points de base par enfant à charge supplémentaire sans pouvoir néanmoins être inférieurs au taux plancher absolu;
- de même, le taux originel est réduit si, en cours de prêt, le nombre d'enfants à charge vient à augmenter toujours sans pouvoir être inférieur au taux plancher absolu; il n'est pas relevé si ce nombre vient à diminuer;
- entre deux périodes de financement du Fonds, la grille des taux est adaptée, tous les trois mois, en fonction de l'évolution du taux IRS (Interest Rate Swap) d'une maturité de 25 ans, sur base de dix constatations successives précédant l'échéance des trois mois. Si ces dix constatations successives révèlent une variation d'au moins 25 points de base dudit taux IRS par rapport au taux lors de la levée des fonds, une adaptation de même ampleur est pratiquée sur la grille des taux, en appliquant un arrondi aux 5 points de base supérieurs.
§ 3 Lorsque l'emprunteur affecte partiellement le logement, conformément à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté, à l'exercice d'une profession commerciale, artisanale, libérale ou autre, les taux d'intérêt résultant de l'application des paragraphes précédents sont majorés de 0,0416 % par mois."
Art. 6. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met volgende bepalingen :
"De aanvragers wordt een subsidie toegewezen die bijdraagt tot de verlaging van de maandelijkse aflossingen voor de lening die toegestaan wordt door het Fonds in volgende gevallen :
1. die tegemoetkoming bedraagt 100 EUR per maand tijdens acht jaar indien de lening de aankoop, al dan niet gepaard gaand met werken, of de bouw van een goed gelegen in een gebied met zeer hoge vastgoeddruk betreft;
2. die tegemoetkoming bedraagt 50 EUR per maand tijdens acht jaar indien de lening de aankoop, al dan niet gepaard gaand met werken, of de bouw van een goed gelegen in een gebied met hoge vastgoeddruk betreft;
3. die tegemoetkoming bedraagt 50 EUR per maand tijdens acht jaar indien de lening de aankoop, al dan niet gepaard gaand met werken, of de bouw van een goed gelegen betreft in een gebied gelegen : a) ofwel in een bevoorrecht initiatiefgebied zoals omschreven bij artikel 79, § 2, 1° tot 3°, van het Wetboek;
b) ofwel in een omtrek bedoeld in artikel 393 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie;
c) ofwel op een gemeentelijk grondgebied of deel ervan bedoeld in artikel 147 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie;
d) ofwel in een architectuurgeheel waarvan de bestanddelen beschermd zijn krachtens artikel 185 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, of binnen de grenzen van een beschermingsgebied zoals bedoeld in artikel 187 van hetzelfde Wetboek;
e) ofwel in een stadvernieuwingsomtrek bedoeld in artikel 173 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie,
f) ofwel in een stedelijk vrij gebied zoals omschreven ter uitvoering van artikel 38 van het programmadecreet van 23 november 2006 betreffende de prioritaire acties voor de Toekomst van Wallonië;
4. er wordt eveneens een tegemoetkoming van 50 EUR per maand gedurende acht jaar toegekend aan de gezinnen die een woning aankopen die verkocht wordt door een publiekrechtelijk rechtspersoon."
"De aanvragers wordt een subsidie toegewezen die bijdraagt tot de verlaging van de maandelijkse aflossingen voor de lening die toegestaan wordt door het Fonds in volgende gevallen :
1. die tegemoetkoming bedraagt 100 EUR per maand tijdens acht jaar indien de lening de aankoop, al dan niet gepaard gaand met werken, of de bouw van een goed gelegen in een gebied met zeer hoge vastgoeddruk betreft;
2. die tegemoetkoming bedraagt 50 EUR per maand tijdens acht jaar indien de lening de aankoop, al dan niet gepaard gaand met werken, of de bouw van een goed gelegen in een gebied met hoge vastgoeddruk betreft;
3. die tegemoetkoming bedraagt 50 EUR per maand tijdens acht jaar indien de lening de aankoop, al dan niet gepaard gaand met werken, of de bouw van een goed gelegen betreft in een gebied gelegen : a) ofwel in een bevoorrecht initiatiefgebied zoals omschreven bij artikel 79, § 2, 1° tot 3°, van het Wetboek;
b) ofwel in een omtrek bedoeld in artikel 393 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie;
c) ofwel op een gemeentelijk grondgebied of deel ervan bedoeld in artikel 147 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie;
d) ofwel in een architectuurgeheel waarvan de bestanddelen beschermd zijn krachtens artikel 185 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, of binnen de grenzen van een beschermingsgebied zoals bedoeld in artikel 187 van hetzelfde Wetboek;
e) ofwel in een stadvernieuwingsomtrek bedoeld in artikel 173 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie,
f) ofwel in een stedelijk vrij gebied zoals omschreven ter uitvoering van artikel 38 van het programmadecreet van 23 november 2006 betreffende de prioritaire acties voor de Toekomst van Wallonië;
4. er wordt eveneens een tegemoetkoming van 50 EUR per maand gedurende acht jaar toegekend aan de gezinnen die een woning aankopen die verkocht wordt door een publiekrechtelijk rechtspersoon."
Art. 6. L'article 9 du même arrêté est complété par les dispositions suivantes :
"Il est accordé aux demandeurs une subvention contribuant à la réduction des charges mensuelles relatives au prêt consenti par le Fonds dans les hypothèses suivantes :
1. Cette intervention s'élève à 100 EUR par mois pendant huit ans lorsque le prêt a pour objet l'acquisition, accompagnée ou non de travaux, ou la construction d'un immeuble sis dans une zone de très forte pression immobilière.
2. Cette intervention s'élève à 50 EUR par mois pendant huit ans lorsque le prêt a pour objet l'acquisition, accompagnée ou non de travaux, ou la construction d'un immeuble sis dans une zone de forte pression immobilière.
3. Cette intervention s'élève à 50 EUR par mois pendant huit ans lorsque le prêt a pour objet l'acquisition, accompagnée ou non de travaux, ou la construction d'un immeuble sis dans ou dans une zone située :
a) soit dans une zone d'initiative privilégiée telle que définie par l'article 79, § 2, 1° à 3°, du Code;
b) soit dans un périmètre visé à l'article 393 du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie;
c) soit dans un territoire communal ou une partie de territoire communal visé à l'article 417 du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie;
d) soit dans un ensemble architectural dont les éléments ont été classés en vertu de l'article 185 du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie ou dans les limites d'une zone de protection visée à l'article 187 de ce même Code;
e) soit dans un périmètre de rénovation urbaine visé à l'article 173 du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie;
f) soit dans une zone franche urbaine telle que définie en exécution de l'article 38 du décret programme du 23.11.06 relatif aux actions prioritaires pour l'avenir wallon.
4. Une intervention de 50 EUR par mois pendant huit ans est également accordée aux ménages qui acquièrent un logement vendu par une personne morale de droit public."
"Il est accordé aux demandeurs une subvention contribuant à la réduction des charges mensuelles relatives au prêt consenti par le Fonds dans les hypothèses suivantes :
1. Cette intervention s'élève à 100 EUR par mois pendant huit ans lorsque le prêt a pour objet l'acquisition, accompagnée ou non de travaux, ou la construction d'un immeuble sis dans une zone de très forte pression immobilière.
2. Cette intervention s'élève à 50 EUR par mois pendant huit ans lorsque le prêt a pour objet l'acquisition, accompagnée ou non de travaux, ou la construction d'un immeuble sis dans une zone de forte pression immobilière.
3. Cette intervention s'élève à 50 EUR par mois pendant huit ans lorsque le prêt a pour objet l'acquisition, accompagnée ou non de travaux, ou la construction d'un immeuble sis dans ou dans une zone située :
a) soit dans une zone d'initiative privilégiée telle que définie par l'article 79, § 2, 1° à 3°, du Code;
b) soit dans un périmètre visé à l'article 393 du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie;
c) soit dans un territoire communal ou une partie de territoire communal visé à l'article 417 du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie;
d) soit dans un ensemble architectural dont les éléments ont été classés en vertu de l'article 185 du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie ou dans les limites d'une zone de protection visée à l'article 187 de ce même Code;
e) soit dans un périmètre de rénovation urbaine visé à l'article 173 du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie;
f) soit dans une zone franche urbaine telle que définie en exécution de l'article 38 du décret programme du 23.11.06 relatif aux actions prioritaires pour l'avenir wallon.
4. Une intervention de 50 EUR par mois pendant huit ans est également accordée aux ménages qui acquièrent un logement vendu par une personne morale de droit public."
Art. 7. Artikel 23, § 2, van hetzelfde besluit wordt geschrapt.
Art. 7. L'article 23, § 2, du même arrêté est supprimé.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2008.
Art. 8. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er mars 2008
Art. 9. De Minister van Huisvesting is belast met de uitvoering van dit besluit.
Namen, 20 december 2007.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling,
A. ANTOINE
Namen, 20 december 2007.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling,
A. ANTOINE
Art. 9. Le Ministre du Logement est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Namur, le 20 décembre 2007.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre du Logement, des Transports et du Développement territorial,
A. ANTOINE
Namur, le 20 décembre 2007.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre du Logement, des Transports et du Développement territorial,
A. ANTOINE
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Inkomensschaal.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 06-02-2008, p. 7864).
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2007 tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 25 februari 1999 met betrekking tot de hypotheekleningen en de huurtegemoetkoming van het " Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie " (Woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië).
Namen, 20 december 2007.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling,
A. ANTOINE.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 06-02-2008, p. 7864).
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2007 tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 25 februari 1999 met betrekking tot de hypotheekleningen en de huurtegemoetkoming van het " Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie " (Woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië).
Namen, 20 december 2007.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling,
A. ANTOINE.
Art. N. Barème des revenus.
(Tableau non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 06-02-2008, p. 7855).
Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 décembre 2007 modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 25 février 1999 concernant les prêts hypothécaires et l'aide locative du Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie.
Namur, le 20 décembre 2007.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre du Logement, des Transports et du Développement territorial,
A. ANTOINE.
(Tableau non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 06-02-2008, p. 7855).
Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 décembre 2007 modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 25 février 1999 concernant les prêts hypothécaires et l'aide locative du Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie.
Namur, le 20 décembre 2007.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre du Logement, des Transports et du Développement territorial,
A. ANTOINE.