Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
24 OKTOBER 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon onderwijs.
Titre
24 OCTOBRE 2008. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire et modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement spĂ©cial (TRADUCTION).
Documentinformatie
Numac: 2008036376
Datum: 2008-10-24
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2008036376
Date: 2008-10-24
Moniteur: Voir
Tekst (22)
Texte (21)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.
CHAPITRE Ier. - Modifications Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire.
Artikel 1. Aan artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs wordt de volgende zin toegevoegd :
  " Voor de gevallen waarin toepassing wordt gemaakt van artikel 5bis kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring. "
Article 1. A l'article 3, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire, la phrase suivante est ajoutĂ©e :
  " Dans les cas auxquels s'applique l'article 5bis, un titre peut consister en de l'expérience artistique. "
Art. 2. In hetzelfde besluit wordt een artikel 5bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 5bis. § 1. Voor de leraar in kunstvakken of kunstvakken die als praktisch vak worden beschouwd in het kunstsecundair onderwijs kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring, erkend zoals vermeld in dit artikel.
  § 2. Voor de erkenning van de artistieke ervaring wordt de volgende procedure gevolgd :
  1° de directeur van de instelling waar kunstsecundair onderwijs ingericht wordt, die de kandidaat wil aanstellen, stelt een dossier samen dat ten minste de volgende documenten bevat :
  a) het curriculum vitae van de kandidaat, met vermelding van de identiteitsgegevens, opleiding en werkervaring;
  b) een beschrijving van de activiteiten en de ervaring die voor de erkenning van de artistieke ervaring nuttig kunnen zijn, eventueel aangevuld met relevante documentatie en referenties;
  c) de erkende artistieke ervaring in het deeltijds kunstonderwijs als die er is;
  d) een nauwkeurige beschrijving van het vak in het kunstsecundair onderwijs waarvoor de erkenning als bekwaamheidsbewijs gevraagd wordt :
  1) het ambt;
  2) de onderwijsvorm;
  3) de graad;
  4) de vakbenaming en -rubricering, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs en in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs die als centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs fungeren, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs;
  2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit vier leden, waarvan :
  a) ofwel twee directeurs van instellingen waar kunstsecundair onderwijs ingericht wordt, ofwel één directeur van een instelling waar kunstsecundair onderwijs ingericht wordt en één directeur van een instelling voor deeltijds kunstonderwijs.
  Indien de instelling deel uitmaakt van een scholengemeenschap, moet het gaan om directeurs van instellingen die tot andere scholengemeenschappen en andere inrichtende machten en, voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft, tot andere scholengroepen behoren. Indien de instelling geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap, moet het gaan om directeurs van instellingen die tot andere inrichtende machten en, voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft, tot andere scholengroepen behoren;
  b) twee docenten, verbonden aan verschillende hogescholen. Voor de vakken klassieke dans en hedendaagse dans mogen de twee docenten tot dezelfde hogeschool behoren. Voor een kandidaat die verbonden is aan een hogeschool waar hoger kunstonderwijs georganiseerd wordt of aan een hoger instituut of instelling voor hoger kunstonderwijs die de Vlaamse Regering mee financiert of subsidieert en waarmee ze een beheersovereenkomst heeft gesloten, hoeven geen docenten van hogescholen deel uit te maken van de commissie.
  Elk van de leden moet beschikken over de nodige deskundigheid om te adviseren, rekening houdend met, wat de directeurs betreft, het opleidingsaanbod van de instellingen en met, wat de docenten betreft, hun vakgebied.
  Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;
  3° de commissie beoordeelt of de kandidaat op basis van artistieke ervaring beschikt over de nodige vakbekwaamheid voor het conform 1°, d), omschreven vak in het kunstsecundair onderwijs. Daarbij houdt de commissie er rekening mee dat de kandidaat minstens zes jaar artistieke ervaring moet kunnen voorleggen. De commissie verstrekt binnen negentig dagen een advies waarin ze zich duidelijk uitspreekt over de erkenning van de artistieke ervaring. Het advies is bindend;
  4° de inrichtende macht beslist op een gemotiveerde wijze. Daarbij geeft ze de uitzonderlijke toestand weer die ertoe geleid heeft om tot een aanstelling op basis van artistieke ervaring over te gaan en toont ze aan dat de kandidaat een autoriteit is in het kunstvak in kwestie;
  5° de beslissing van de inrichtende macht houdt de erkenning in van de artistieke ervaring van de kandidaat als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een conform 1°, d), omschreven vak in het kunstsecundair onderwijs;
  6° de inrichtende macht of haar gemandateerde deelt de beslissing mee aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten en voegt een kopie van het advies toe dat tot de beslissing aanleiding gegeven heeft.
  § 3. Voor een personeelslid dat via de procedure, vermeld in § 2, een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een salaris(toelage) uitbetaald worden :
  1° in de salarisschaal 301 voor opdrachten in de eerste graad en in de tweede graad KSO;
  2° in de salarisschaal 302 voor opdrachten in de derde graad KSO. "
Art. 2. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 5bis, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 5bis. § 1er. Pour l'enseignant de cours artistiques ou de cours artistiques considérés comme des cours pratiques dans l'enseignement secondaire artistique, un titre peut consister en de l'expérience artistique, agréée comme fixée au présent article.
  § 2. Pour l'agrément de l'expérience artistique, la procédure suivante est suivie :
  1° le directeur de l'Ă©tablissement oĂč l'enseignement secondaire artistique est organisĂ©, qui souhaite dĂ©signer le candidat, Ă©tablit un dossier contenant au moins les documents suivants :
  a) le curriculum vitae du candidat, contenant les coordonnées, la formation et l'expérience professionnelle;
  b) une description des activitĂ©s et de l'expĂ©rience pouvant ĂȘtre utiles pour l'agrĂ©ment de l'aptitude artistique, Ă©ventuellement complĂ©tĂ©e de documentations et de rĂ©fĂ©rences pertinentes;
  c) le cas échéant, l'expérience artistique agréée dans l'enseignement artistique à temps partiel;
  d) une description détaillée du cours dans l'enseignement secondaire artistique pour lequel l'agrément est demandé comme titre :
  1) la fonction;
  2) la forme d'enseignement;
  3) le degré;
  4) la dĂ©nomination et la classification de cours, visĂ©es Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 1989 dĂ©terminant les cours gĂ©nĂ©raux, les cours artistiques, les cours techniques et les cours pratiques dans les Ă©tablissements d'enseignement secondaire Ă  temps plein et dans les Ă©tablissements d'enseignement secondaire Ă  temps plein qui fonctionnent comme centres d'enseignement secondaire professionnel Ă  temps partiel, organisĂ©s ou subventionnĂ©s par la CommunautĂ© flamande, Ă  l'exception des Ă©tablissements d'enseignement secondaire spĂ©cial;
  2° le pouvoir organisateur ou son mandataire convoque une commission consultative, consistant d'au moins quatre membres, dont :
  a) ou bien deux directeurs d'Ă©tablissements oĂč l'enseignement secondaire artistique est organisĂ©, ou bien un directeur d'un Ă©tablissement oĂč l'enseignement secondaire artistique est organisĂ© et un directeur d'un Ă©tablissement d'enseignement artistique Ă  temps partiel.
  Si l'établissement fait partie d'un centre d'enseignement, il doit s'agir de directeurs d'établissements qui appartiennent à d'autres centres d'enseignement et à d'autres pouvoirs organisateurs et, pour ce qui concerne l'enseignement communautaire, à d'autres groupes d'écoles. Si l'établissement ne fait pas partie d'un centre d'enseignement, il doit s'agir de directeurs d'établissements qui appartiennent à d'autres pouvoirs organisateurs et, pour ce qui concerne l'Enseignement communautaire, à d'autres groupes d'écoles;
  b) deux chargĂ©s de cours, associĂ©s Ă  des instituts supĂ©rieurs diffĂ©rents. Pour les cours de danse classique et de danse moderne, les deux chargĂ©s de cours peuvent appartenir au mĂȘme institut supĂ©rieur. Pour un candidat associĂ© Ă  un institut supĂ©rieur oĂč l'enseignement supĂ©rieur artistique est organisĂ© ou Ă  un institut supĂ©rieur ou Ă  un Ă©tablissement d'enseignement supĂ©rieur artistique, cofinancĂ©s ou -subventionnĂ©s par le Gouvernement flamand et avec lequel il a conclu un accord de gestion, il n'est pas nĂ©cessaire que des chargĂ©s de cours d'instituts supĂ©rieurs fassent partie de la commission.
  Chaque membre doit disposer de l'expertise requise pour conseiller, compte tenu de l'offre de formations des établissements pour ce qui concerne les directeurs, et de leur branche pour ce qui concerne les chargés de cours.
  La date de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission vaut comme date de la convocation;
  3° la commission juge si le candidat dispose, sur la base de son expérience artistique, de la qualification professionnelle nécessaire pour le cours dans l'enseignement secondaire artistique décrit conformément au point 1°, d). La commission prend en compte que le candidat doit pouvoir démontrer avoir au moins six ans d'expérience artistique. La commission donne un avis dans les nonante jours, dans lequel elle se prononce clairement sur l'agrément de l'expérience artistique. L'avis est impératif;
  4° le pouvoir organisateur décide de façon motivée, en décrivant les circonstances exceptionnelles qui ont mené à une désignation sur la base d'expérience artistique et en démontrant que le candidat est une autorité dans le cours artistique en question;
  5° la décision du pouvoir organisateur implique l'agrément de l'expérience artistique du candidat comme titre jugé suffisant pour un cours dans l'enseignement secondaire artistique décrit conformément au point 1°, d);
  6° le pouvoir organisateur ou son mandataire communique la décision à la " Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et joint à la décision une copie de l'avis qui y a mené.
  § 3. Un membre du personnel ayant obtenu un titre jugé suffisant suivant la procédure visée au § 2, peut recevoir un traitement ou une subvention-traitement :
  1° dans l'échelle de traitement 301 pour des charges dans les premier et deuxiÚme degrés ESA;
  2° dans l'échelle de traitement 302 pour des charges dans le troisiÚme degré ESA. "
Art. 3. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 8 wordt vervangen door wat volgt :
  " 8. een bekwaamheidsbewijs van het niveau PBA : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 12 tot en met 42, met uitzondering van het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en vanaf 1 september 2000 het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en vanaf 1 september 2002 het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs; ";
  2° er wordt een punt 8bis en een punt 8ter ingevoegd, die luiden als volgt :
  " 8bis. een bekwaamheidsbewijs van het niveau master : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 11;
  8ter. een bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs :
  - een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punten 47 tot en met 56;
  - de studiebewijzen die hieronder vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO; ".
Art. 3. A l'article 7, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 2007, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point 8 est remplacé par la disposition suivante :
  " 8. un titre du niveau PBA : un des diplÎmes de base visés aux points 12 à 42 inclus de l'article 6, à l'exception du diplÎme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques, et, à compter du 1er septembre 2000, du diplÎme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de promotion sociale, et, à compter du 1er septembre 2002, du certificat pédagogique, délivré par un centre d'éducation des adultes; ";
  2° il est inséré un point 8bis et un point 8ter, rédigés comme suit :
  " 8bis. un titre du niveau Master : un des diplÎmes de base visés aux points 1 à 11 inclus de l'article 6;
  8ter. un titre du niveau de l'enseignement secondaire :
  - un des diplÎmes de base visés à l'article 6, points 47 à 56 inclus;
  - les titres mentionnés ci-aprÚs comme ESPC, EPSS, ETSS et ESSA; ".
Art. 4. In hetzelfde besluit worden in artikel 16, § 3, 3°, artikel 16bis § 3, 2°, artikel 16ter, § 4, 3°, artikel 16sexies, § 5, 3°, artikel 16septies, § 4, 2°, artikel 16octies, § 4, 2°, artikel 16nonies, § 3, 2°, artikel 16decies, § 3, 2°, artikel 16undecies, § 3, 2°, artikel 16duodecies, § 3, 2° en artikel 16quater decies, § 3, 2° de woorden "de vakantieperioden, " tot en met " twee kalenderjaren. " vervangen door de woorden
  " 1° de vakantieperioden;
  2° de loopbaanonderbreking;
  3° de militaire dienst;
  4° de perioden van wederoproeping;
  5° de ziekte- en bevallingsverloven;
  6° de borstvoedingsverloven;
  7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
  8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
  9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
  10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren. "
Art. 4. Dans l'article 16, § 3, 3°, l'article 16bis, § 3, 2°, l'article 16ter, § 4, 3°, l'article 16sexies, § 5, 3°, l'article 16septies, § 4, 2°, l'article 16octies, § 4, 2°, l'article 16nonies, § 3, 2°, l'article 16decies, § 3, 2°, l'article 16undecies, § 3, 2°, l'article 16duodecies, § 3, 2° et l'article 16quater decies, § 3, 2°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " les pĂ©riodes de vacances (scolaires), " jusqu'Ă  " deux annĂ©es civiles au maximum. ", respectivement " deux annĂ©es calendrier au maximum. " et " deux annĂ©es calendaires au maximum. " inclus, sont remplacĂ©s par les mots
  " 1° les périodes de vacances scolaires;
  2° l'interruption de carriÚre;
  3° le service militaire;
  4° les périodes de rappel sous les drapeaux;
  5° les congés de maladie et de maternité;
  6° les congés d'allaitement;
  7° les périodes d'écartement d'un risque dans le cadre de la menace par une maladie professionnelle ou de la protection de la maternité;
  8° les congés de courte durée avec maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour des raisons familiales ou sociales;
  9° les congés sans maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour une durée maximale de six jours ouvrables par année scolaire;
  10° une interruption d'une période ininterrompue de deux années calendrier au maximum. "
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 16quinquies decies ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 16quinquiesdecies. § 1. Een personeelslid dat in juni 2008 als contractueel personeelslid of als tijdelijk personeelslid ten laste van de inrichtende macht in dienst was in een functie van studiemeester-opvoeder in een door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd internaat, zoals vermeld in artikel 84quater decies van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, en dat :
  1° ofwel niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste HSO);
  2° ofwel in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (tenminste HSO) dat voor dat ambt geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is volgens dit besluit,
  wordt met ingang van 31 augustus 2008 bij overgangsmaatregel geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, met salarisschaal 125, voor het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat.
  § 2. Een personeelslid dat in juni 2008 als tijdelijk personeelslid in dienst was als studiemeester-opvoeder in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd internaat en dat in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (tenminste HSO) dat voor dat ambt geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is volgens dit besluit, wordt met ingang van 31 augustus 2008 bij overgangsmaatregel geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, met salarisschaal 125, voor het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat.
  § 3. De personeelsleden behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in § 1 en § 2, zolang zij ononderbroken in dienst blijven in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat.
  Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
  1° de vakantieperioden;
  2° de loopbaanonderbreking;
  3° de militaire dienst;
  4° de perioden van wederoproeping;
  5° de ziekte- en bevallingsverloven;
  6° de borstvoedingsverloven;
  7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
  8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
  9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
  10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren. "
Art. 5. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 16quinquies decies, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 16quinquiesdecies. § 1er. Un membre du personnel qui était occupé en juin 2008 comme contractuel ou comme membre du personnel temporaire à charge du pouvoir organisateur dans une fonction de surveillant-éducateur dans un internat subventionné par la Communauté flamande, tel que visé à l'article 84quater decies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, et qui :
  1° ou bien n'est pas porteur d'un titre d'au moins l'enseignement secondaire supérieur (au moins ESS);
  2° ou bien est porteur d'un titre d'au moins l'enseignement secondaire supĂ©rieur (au moins ESS) qui, conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, n'est pas un titre requis ou jugĂ© suffisant pour cette fonction,
  est censĂ© ĂȘtre porteur, Ă  partir du 31 aoĂ»t 2008, par mesure transitoire, d'un titre jugĂ© suffisant, Ă  Ă©chelle de traitement 125, pour la fonction de surveillant-Ă©ducateur dans un internat.
  § 2. Un membre du personnel qui, en tant que membre du personnel temporaire, Ă©tait occupĂ© en juin 2008 comme surveillant-Ă©ducateur dans un internat financĂ© par la CommunautĂ© flamande et qui est porteur d'un titre d'au moins l'enseignement secondaire supĂ©rieur (au moins ESS) qui, conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, n'est pas un titre requis ou jugĂ© suffisant pour cette fonction, est censĂ© ĂȘtre porteur, Ă  partir du 31 aoĂ»t 2008, par mesure transitoire, d'un titre jugĂ© suffisant, Ă  Ă©chelle de traitement 125, pour la fonction de surveillant-Ă©ducateur dans un internat.
  § 3. Les mesures transitoires restent applicables aux membres du personnel visés aux §§ 1er et 2, aussi longtemps qu'ils sont occupés sans interruption dans un internat financé ou subventionné par la Communauté flamande.
  Pour l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
  1° les périodes de vacances scolaires;
  2° l'interruption de carriÚre;
  3° le service militaire;
  4° les périodes de rappel sous les drapeaux;
  5° les congés de maladie et de maternité;
  6° les congés d'allaitement;
  7° les périodes d'écartement d'un risque dans le cadre de la menace par une maladie professionnelle ou de la protection de la maternité;
  8° les congés de courte durée avec maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour des raisons familiales ou sociales;
  9° les congés sans maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour une durée maximale de six jours ouvrables par année scolaire;
  10° une interruption d'une période ininterrompue de deux années calendrier au maximum. "
Art. 6. Artikel 21bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999, en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 21bis. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, vermeld in de bijlage I die bij dit besluit is gevoegd, treden in werking op 1 september 2008. "
Art. 6. L'article 21bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 aoĂ»t 1999 et remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 2007, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 21bis. Les titres et les Ă©chelles de traitement, visĂ©s Ă  l'annexe Ire jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, entrent en vigueur le 1er septembre 2008. "
Art. 7. Bijlage I bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007, wordt vervangen door bijlage I bij dit besluit.
Art. 7. L'annexe Ire au mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 2007, est remplacĂ©e par l'annexe Ire au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon onderwijs.
CHAPITRE II. - Modifications Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement spĂ©cial.
Art. 8. In artikel 8, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon onderwijs, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 8° wordt vervangen door wat volgt :
  " 8. een bekwaamheidsbewijs van het niveau PBA : één van de basisdiploma's, vermeld in artikel 7, punt 12 tot en met 42, met uitzondering van het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en vanaf 1 september 2000 het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en vanaf 1 september 2002 het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs; ";
  2° er worden een punt 8°bis en een punt 8°ter ingevoegd, die luiden als volgt :
  " 8°bis. een bekwaamheidsbewijs van het niveau master : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 7, punt 1 tot en met 11;
  8°ter. een bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs :
  - een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 7, punt 47 tot en met 56;
  - de studiebewijzen die hieronder vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO; ".
Art. 8. A l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement spĂ©cial, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 2007, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point 8° est remplacé par la disposition suivante :
  " 8. un titre du niveau PBA : un des diplÎmes de base visés aux points 12 à 42 inclus de l'article 7, à l'exception du diplÎme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques, et, à compter du 1er septembre 2000, du diplÎme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de promotion sociale, et, à compter du 1er septembre 2002, du certificat pédagogique, délivré par un centre d'éducation des adultes; ";
  2° il est ajouté un point 8°bis et un point 8°ter, rédigés comme suit :
  " 8°bis. un titre du niveau Master : un des diplÎmes de base visés aux points 1 à 11 inclus de l'article 7;
  8°ter. un titre du niveau de l'enseignement secondaire :
  - un des diplÎmes de base visés à l'article 7, points 47 à 56 inclus;
  - les titres mentionnés ci-aprÚs comme ESPC, EPSS, ETSS et ESSA; ".
Art. 9. In hetzelfde besluit worden in artikel 14bis, § 2, artikel 14ter, § 2, artikel 14quater, § 2, artikel 14quinquies, § 3, artikel 14octies, § 4, 2°, artikel 14nonies, § 3, 2°, de woorden "de vakantieperioden," tot en met " twee kalenderjaren. " vervangen door de woorden
  " 1° de vakantieperioden;
  2° de loopbaanonderbreking;
  3° de militaire dienst;
  4° de perioden van wederoproeping;
  5° de ziekte- en bevallingsverloven;
  6° de borstvoedingsverloven;
  7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
  8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
  9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
  10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren. "
Art. 9. Dans l'article 14bis, § 2, l'article 14ter, § 2, l'article 14quater, § 2, l'article 14quinquies, § 3, l'article 14octies, § 4, 2°, l'article 14nonies, § 3, 2°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " les pĂ©riodes de vacances, " jusqu'Ă  " deux annĂ©es calendrier au maximum. ", respectivement " deux annĂ©es calendaires au maximum. " inclus sont remplacĂ©s par les mots
  " 1° les périodes de vacances scolaires;
  2° l'interruption de carriÚre;
  3° le service militaire;
  4° les périodes de rappel sous les drapeaux;
  5° les congés de maladie et de maternité;
  6° les congés d'allaitement;
  7° les périodes d'écartement d'un risque dans le cadre de la menace par une maladie professionnelle ou de la protection de la maternité;
  8° les congés de courte durée avec maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour des raisons familiales ou sociales;
  9° les congés sans maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour une durée maximale de six jours ouvrables par année scolaire;
  10° une interruption d'une période ininterrompue de deux années calendrier au maximum. "
Art. 10. In hetzelfde besluit wordt een artikel 14decies ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 14decies. § 1. Overgangsmaatregelen worden toegekend aan de personeelsleden die :
  1° uiterlijk op 31 augustus 2008 vast benoemd waren in het ambt van kinderverzorger in respectievelijk het buitengewoon basisonderwijs, een medisch-pedagogisch instituut, een semi-internaat, een opvangcentrum of het buitengewoon secundair onderwijs;
  2° tijdens de schooljaren 2005-2006, 2006-2007 of 2007-2008 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast waren met een opdracht in het ambt van kinderverzorger in respectievelijk het buitengewoon basisonderwijs, een medisch-pedagogisch instituut, een semi-internaat, een opvangcentrum of het buitengewoon secundair onderwijs.
  § 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2008, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kinderverzorger in respectievelijk het buitengewoon basisonderwijs, een medisch-pedagogisch instituut, een semi-internaat, een opvangcentrum of het buitengewoon secundair onderwijs, en die vanaf 1 september 2008 geen vereist bekwaamheidsbewijs meer hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs.
  § 3. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2008, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kinderverzorger in respectievelijk het buitengewoon basisonderwijs, een medisch-pedagogisch instituut, een semi-internaat, een opvangcentrum of het buitengewoon secundair onderwijs, en die vanaf 1 september 2008 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
  § 4. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2 en § 3, worden toegekend op 1 september 2008, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
  1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;
  2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.
  Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
  1° de vakantieperioden;
  2° de loopbaanonderbreking;
  3° de militaire dienst;
  4° de perioden van wederoproeping;
  5° de ziekte- en bevallingsverloven;
  6° de borstvoedingsverloven;
  7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
  8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
  9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
  10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren. "
Art. 10. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 14decies, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 14decies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel :
  1° qui étaient, le 31 août 2008 au plus tard, nommés à titre définitif dans la fonction de puériculteur dans l'enseignement fondamental spécial, respectivement dans un institut médico-pédagogique, un semi-internat, un centre d'accueil ou dans l'enseignement secondaire spécial;
  2° qui étaient, pendant les années scolaires 2005-2006, 2006-2007 ou 2007-2008, désignés temporairement ou chargés temporairement d'une mission dans la fonction de puériculteur dans l'enseignement fondamental spécial, respectivement dans un institut médico-pédagogique, un semi-internat, un centre d'accueil ou dans l'enseignement secondaire spécial.
  § 2. Les membres du personnel visĂ©s au § 1er, qui, sur la base de la rĂ©glementation en vigueur avant le 1er septembre 2008, Ă©taient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour la fonction de puĂ©riculteur dans l'enseignement fondamental spĂ©cial, respectivement dans un institut mĂ©dico-pĂ©dagogique, un semi-internat, un centre d'accueil ou dans l'enseignement secondaire spĂ©cial, et qui, Ă  compter du 1er septembre 2008, ne sont plus porteurs d'un titre requis, sont censĂ©s ĂȘtre porteurs d'un titre requis.
  § 3. Les membres du personnel visĂ©s au § 1er, qui, sur la base de la rĂ©glementation en vigueur avant le 1er septembre 2008, Ă©taient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugĂ© suffisant pour la fonction de puĂ©riculteur dans l'enseignement fondamental spĂ©cial, respectivement dans un institut mĂ©dico-pĂ©dagogique, un semi-internat, un centre d'accueil ou dans l'enseignement secondaire spĂ©cial, et qui, Ă  compter du 1er septembre 2008, ne sont plus porteurs d'un titre jugĂ© suffisant, sont censĂ©s ĂȘtre porteurs d'un titre jugĂ© suffisant.
  § 4. Les mesures transitoires visées aux §§ 2 et 3, sont attribuées le 1er septembre 2008, en tenant compte des dispositions suivantes :
  1° les mesures transitoires restent applicables aux membres du personnel visés au § 1er, 1°, aussi longtemps qu'ils sont occupés dans l'enseignement, à l'exception de l'enseignement académique;
  2° les mesures transitoires restent applicables aux membres du personnel visés au § 1er, 2°, aussi longtemps qu'ils sont occupés sans interruption dans l'enseignement, excepté l'enseignement académique, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande.
  Pour l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
  1° les périodes de vacances scolaires;
  2° l'interruption de carriÚre;
  3° le service militaire;
  4° les périodes de rappel sous les drapeaux;
  5° les congés de maladie et de maternité;
  6° les congés d'allaitement;
  7° les périodes d'écartement d'un risque dans le cadre de la menace par une maladie professionnelle ou de la protection de la maternité;
  8° les congés de courte durée avec maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour des raisons familiales ou sociales;
  9° les congés sans maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour une durée maximale de six jours ouvrables par année scolaire;
  10° une interruption d'une période ininterrompue de deux années calendrier au maximum. "
Art. 11. In hetzelfde besluit wordt een artikel 14undecies ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 14undecies. § 1. Een personeelslid dat in juni 2008 als contractueel personeelslid of als tijdelijk personeelslid ten laste van de inrichtende macht in dienst was in een functie van studiemeester-opvoeder in een door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd internaat, zoals vermeld in artikel 84quater decies van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, en dat :
  1° ofwel niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste HSO);
  2° ofwel in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (tenminste HSO) dat voor dat ambt geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is volgens dit besluit, wordt met ingang van 31 augustus 2008 geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, met salarisschaal 125, voor het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat.
  § 2. Een personeelslid dat in juni 2008 als tijdelijk personeelslid in dienst was als studiemeester-opvoeder in een internaat en dat in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste HSO) dat voor dat ambt geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is volgens dit besluit, wordt met ingang van 31 augustus 2008 geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, met salarisschaal 125, voor het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat.
  § 3. De personeelsleden behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in § 1 en § 2, zolang zij ononderbroken in dienst blijven in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat.
  Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
  1° de vakantieperioden;
  2° de loopbaanonderbreking;
  3° de militaire dienst;
  4° de perioden van wederoproeping;
  5° de ziekte- en bevallingsverloven;
  6° de borstvoedingsverloven;
  7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
  8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
  9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
  10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.
  § 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder " internaat " :
  1° internaat, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;
  2° medisch-pedagogisch instituut;
  3° opvangcentrum;
  4° instituut voor buitengewoon secundair onderwijs van het Gemeenschapsonderwijs. "
Art. 11. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 14undecies, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 14undecies. § 1er. Un membre du personnel qui, en tant que contractuel ou membre du personnel temporaire à charge du pouvoir organisateur, était occupé en juin 2008 dans une fonction de surveillant-éducateur dans un internat subventionné par la Communauté flamande, tel que visé à l'article 84quater decies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, et qui :
  1° ou bien n'est pas porteur d'un titre d'au moins l'enseignement secondaire supérieur (au moins ESS);
  2° ou bien est porteur d'un titre d'au moins l'enseignement secondaire supĂ©rieur (au moins ESS) qui, conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, n'est pas un titre requis ou jugĂ© suffisant pour cette fonction,
  est censĂ© ĂȘtre porteur, Ă  partir du 31 aoĂ»t 2008, d'un titre jugĂ© suffisant, Ă  Ă©chelle de traitement 125, pour la fonction de surveillant-Ă©ducateur dans un internat.
  § 2. Un membre du personnel qui, en tant que membre du personnel temporaire, Ă©tait occupĂ© en juin 2008 comme surveillant-Ă©ducateur dans un internat et qui est porteur d'un titre d'au moins l'enseignement secondaire supĂ©rieur (au moins ESS) qui, conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, n'est pas un titre requis ou jugĂ© suffisant pour cette fonction, est censĂ© ĂȘtre porteur, Ă  partir du 31 aoĂ»t 2008, d'un titre jugĂ© suffisant, Ă  Ă©chelle de traitement 125, pour la fonction de surveillant-Ă©ducateur dans un internat.
  § 3. Les mesures transitoires restent applicables aux membres du personnel visés aux §§ 1er et 2, aussi longtemps qu'ils sont occupés sans interruption dans un internat financé ou subventionné par la Communauté flamande.
  Pour l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme interruption :
  1° les périodes de vacances scolaires;
  2° l'interruption de carriÚre;
  3° le service militaire;
  4° les périodes de rappel sous les drapeaux;
  5° les congés de maladie et de maternité;
  6° les congés d'allaitement;
  7° les périodes d'écartement d'un risque dans le cadre de la menace par une maladie professionnelle ou de la protection de la maternité;
  8° les congés de courte durée avec maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour des raisons familiales ou sociales;
  9° les congés sans maintien de traitement ou de la subvention-traitement pour une durée maximale de six jours ouvrables par année scolaire;
  10° une interruption d'une période ininterrompue de deux années calendrier au maximum.
  § 4. Pour l'application du présent article, il faut entendre par " internat " :
  1° internat, financé ou subventionné par la Communauté flamande;
  2° institut médico-pédagogique;
  3° centre d'accueil;
  4° institut d'enseignement secondaire spécial de l'Enseignement communautaire. "
Art. 12. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 15quater. De personeelsleden, vermeld in artikel 14decies, blijven de salarisschaal genieten die hun op grond van de voor 1 september 2008 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover de personeelsleden beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal. "
Art. 12. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 15quater, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 15quater. Les membres du personnel visĂ©s Ă  l'article 14decies continuent Ă  bĂ©nĂ©ficier de l'Ă©chelle de traitement qui pouvait leur ĂȘtre octroyĂ©e sur la base de la rĂ©glementation en vigueur avant le 1er septembre 2008, sauf si le titre dont les membres du personnel disposent donne droit Ă  une Ă©chelle de traitement plus Ă©levĂ©e. "
Art. 13. Artikel 19bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art.19bis. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, vermeld in de bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, treden in werking op 1 september 2008, met uitzondering van de bekwaamheidsbewijzen, voorafgegaan door de code 1, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006, met de beperking evenwel dat daaruit tijdens de periode van 1 september 2006 tot en met 31 augustus 2008 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. "
Art. 13. L'article 19bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003 et remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 2007, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 19bis. Les titres et les Ă©chelles de traitement visĂ©s Ă  l'annexe Ire jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, entrent en vigueur le 1er septembre 2008, Ă  l'exception des titres prĂ©cĂ©dĂ©s de la code 1 qui produisent leurs effets Ă  partir du 1er septembre 2006, avec la restriction toutefois que, pour la pĂ©riode du 1er septembre 2006 au 31 aoĂ»t 2008 inclus, il n'y aura aucune suite pour les membres du personnel et les pouvoirs organisateurs en ce qui concerne la rĂ©munĂ©ration et la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, la rĂ©affectation et la remise au travail. "
Art. 14. In hetzelfde besluit wordt bijlage I vervangen door bijlage II die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 14. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'annexe Ire est remplacĂ©e par l'annexe II jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions finales.
Art. 15. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2008, met uitzondering van de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in de bijlage II bij dit besluit, die voorafgegaan worden door de code 1 en die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2006, met de beperking evenwel dat daaruit tijdens de periode van 1 september 2006 tot en met 31 augustus 2008 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.
Art. 15. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er septembre 2008, Ă  l'exception des titres prĂ©cĂ©dĂ©s de la code 1, visĂ©s Ă  l'annexe II au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et qui produisent leurs effets Ă  partir du 1er septembre 2006, avec la restriction toutefois que, pour la pĂ©riode du 1er septembre 2006 au 31 aoĂ»t 2008 inclus, il n'y aura aucune suite pour les membres du personnel et les pouvoirs organisateurs en ce qui concerne la rĂ©munĂ©ration et la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, la rĂ©affectation et la remise au travail.
Art. 16. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 24 oktober 2008.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
  F. VANDENBROUCKE
Art. 16. Le Ministre flamand qui a l'enseignement dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Bruxelles, le 24 octobre 2008.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
  F. VANDENBROUCKE
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen in het secondair onderwijs.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 15-01-2009, p. 1629-2317.)
Art. N. Annexes non traduites, voir version néerlandaise.
Art. N2. Bijlage 2. - Bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voor het buitengewoon onderwijs.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 15-01-2009, p. 2318-2479).
-