Artikel 1. Grondwettelijke machtiging.
Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 JULI 2008. - Ordonnantie betreffende de bouwplaatsen op de openbare weg (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-08-2008 en tekstbijwerking tot 08-02-2013)
Titre
3 JUILLET 2008. - Ordonnance relative aux chantiers en voirie (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-08-2008 et mise à jour au 08-02-2013)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
BOEK I. - Algemeen.
TITEL 1. - Algemene bepalingen.
TITEL 2. - De Coördinatiecommissie van de Bouwp...
TITEL 3. - Gegevens.
TITEL 4. - De vertegenwoordiging.
BOEK II. - Verplichtingen voorafgaand aan de ui...
TITEL 1. - Verplichting om zich bekend te maken.
TITEL 2. - Planning van de bouwplaatsen.
TITEL 3. - Coördinatie van bouwplaatsen.
HOOFDSTUK 1. - Algemeen.
HOOFDSTUK 2. - Coördinatieprocedure.
Sectie 1. - Coördinatieattest.
Sectie 2. - Vervolg van de procedure in het kad...
Subsectie 1. - Aanstelling van de leidende-verz...
Subsectie 2. - Uitwerking van het gemeenschappe...
Sectie 3. - Vervolg van de procedure in het kad...
Subsectie 1. - Aanstelling van de leidende verz...
Subsectie 2. - Uitwerking van het gemeenschappe...
HOOFDSTUK 3. - In gebreke blijven van een verzo...
HOOFDSTUK 4. - Vervalling en verlenging van de ...
TITEL 4. - Uitvoeringsvergunning, rectificatieb...
HOOFDSTUK 1. - Algemeen.
HOOFDSTUK 2. - Uitvoeringsvergunning.
Sectie 1. - Vergunningsprocedure.
Subsectie 1. - Indiening van de aanvraag.
Subsectie 2. - Advies van de Commissie.
Subsectie 3. - Beslissing van de beheerder.
Sectie 2. - Inhoud van de vergunning.
Sectie 3. - In gebreke blijven van een verzoeker.
Subsectie 1. - In gebreke blijven in het kader ...
Subsectie 2. - In gebreke blijven in het kader ...
HOOFDSTUK 3. - Rectificatiebericht.
HOOFDSTUK 4. - Bouwplaatsakkoord.
BOEK III. - Uitvoering van de bouwplaats.
TITEL 1. - Algemeen.
TITEL 2. - Bouwplaatsverplichtingen.
HOOFDSTUK 1. - Vóór het begin van de bouwplaats.
HOOFDSTUK 2. - Van het begin tot het einde van ...
HOOFDSTUK 3. - Van het einde tot de afsluiting ...
HOOFDSTUK 4. - Van de afsluiting tot de voltooi...
TITEL 3. - In gebreke blijven van een verzoeker...
TITEL 4. - Maatregelen van ambtswege.
BOEK IV. - Verzoening.
TITEL 1. - Algemeen.
TITEL 2. - De verzoeningsprocedure.
BOEK V. - Beroep.
BOEK VI. - Sancties.
TITEL 1. - Opsporing en vaststelling van overtr...
TITEL 2. - Overtredingen en administratieve boe...
BOEK VII. - Afsluitende bepalingen.
Inhoud
LIVRE Ier. - Généralités.
TITRE 1er. - Dispositions générales.
TITRE 2. - La Commission de Coordination des Ch...
TITRE 3. - La base de données.
TITRE 4. - La représentation.
LIVRE II. - Obligations préalables à l'exécutio...
TITRE 1er. - L'obligation de se faire connaître.
TITRE 2. - La programmation des chantiers.
TITRE 3. - La coordination des chantiers.
CHAPITRE 1er. - Généralités.
CHAPITRE 2. - La procédure de coordination.
Section 1re. - L'attestation de coordination.
Section 2. - La suite de la procédure dans le c...
Sous-section 1re. - La désignation de l'impétra...
Sous-section 2. - L'élaboration du dossier comm...
Section 3. - La suite de la procédure dans le c...
Sous-section 1re. - La désignation de l'impétra...
Sous-section 2. - L'élaboration du dossier comm...
CHAPITRE 3. - La défaillance d'un impétrant.
CHAPITRE 4. - La péremption et la prorogation d...
TITRE 4. - L'autorisation d'exécution de chanti...
CHAPITRE 1er. - Généralités.
CHAPITRE 2. - L'autorisation d'exécution de cha...
Section 1re. - La procédure d'autorisation.
Sous-section 1re. - L'introduction de la demande.
Sous-section 2. - L'avis de la Commission.
Sous-section 3. - La décision du gestionnaire.
Section 2. - Le contenu de l'autorisation.
Section 3. - La défaillance d'un impétrant.
Sous-section 1re. - La défaillance dans le cadr...
Sous-section 2. - La défaillance dans le cadre ...
CHAPITRE 3. - L'avis rectificatif.
CHAPITRE 4. - L'accord de chantier.
LIVRE III. - Exécution du chantier.
TITRE 1er. - Généralités.
TITRE 2. - Obligations de chantier.
CHAPITRE 1er. - Avant le début du chantier.
CHAPITRE 2. - Du début au terme du chantier.
CHAPITRE 3. - Du terme à la clôture du chantier.
CHAPITRE 4. - De la clôture à l'achèvement du c...
TITRE 3. - La défaillance d'un impêtrant dans l...
TITRE 4. - Mesures d'office.
LIVRE IV. - Conciliation.
TITRE 1er. - Généralités.
TITRE 2. - La procédure de conciliation.
LIVRE V. - Recours.
LIVRE VI. - Sanctions.
TITRE 1er. - La recherche et la constatation de...
TITRE 2. - Les infractions et les amendes admin...
LIVRE VII. - Dispositions finales.
Tekst (144)
Texte (144)
BOEK I. - Algemeen.
LIVRE Ier. - Généralités.
TITEL 1. - Algemene bepalingen.
TITRE 1er. - Dispositions générales.
Article 1. Habilitation constitutionnelle.
La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Art. 2. Definities. Voor de toepassing van deze ordonnantie verstaat men onder :
1° bouwplaats : ieder geïsoleerd werk of elk geheel van werken onder, op of boven de openbare weg;
2° gecoördineerde bouwplaats : in het geval waarbij een bouwplaats meerdere verzoekers heeft, de indeling van verschillende administratieve en technische taken van de bouwplaats, met als doel om er één geheel van te maken;
3° gemengde bouwplaats : de gecoördineerde bouwplaats die zowel de werken aan installaties als de werken aan andere voorwerpen dan installaties omvat, waarbij de verzoekers op basis van het voorwerp van hun werken, in twee categorieën zijn onderverdeeld;
4° niet-gemengde bouwplaats : de gecoördineerde bouwplaats die of betrekking heeft op installaties of op andere voorwerpen dan installaties;
5° terrein : de oppervlakte van de openbare weg, voorgesteld door een convexe polygoon, die niet meer beschikbaar is voor het verkeer wegens de directe of indirecte behoeftes van de uitvoering van de bouwplaats, en hierbij inbegrepen de los- en laadzones voor materialen en bouwplaatsmaterialen en de parkeerplaatsen voor toestellen en voertuigen voor de bouwplaats; wanneer de bouwplaats wordt uitgevoerd onder of boven de openbare weg, is het terrein de oppervlakte van deze orthogonaal op de oppervlakte van de openbare weg geprojecteerde convexe polygoon;
6° beheerder : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wanneer de openbare weg, die het voorwerp is van de bouwplaats, een regionale weg is of de gemeente wanneer de openbare weg, die het voorwerp is van de bouwplaats, een gemeentelijke weg is;
7° regering : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
8° verzoeker : iedere persoon die het voornemen heeft een bouwplaats uit te voeren, uitvoert of heeft uitgevoerd, of voor wiens rekening een bouwplaats wordt uitgevoerd;
9° gecoördineerde verzoekers : verzoekers die een positief antwoord op een coördinatieattest hebben gegeven en dientengevolge deelnemen aan een coördinatieprocedure;
10° installaties :
a) de kabels, wachtleidingen, bovengrondse kabels of kabelkanalen, hierbij inbegrepen de verwante uitrustingen en bouwwerken ervan;
b) de basisstations, steunen, antennes en telefoon- en semafoonantennesites, in de betekenis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
11° integriteit van de openbare weg : de staat van de openbare weg, beschouwd vanuit het standpunt van zijn materiële behoud;
12° dag : de werkdag, dit wil zeggen iedere dag, behalve zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
13° uitvoeringsperiode : de periode van het jaar tijdens welke de bouwplaats wordt uitgevoerd, bepaald in uur, dag, week, halve maand, maand of trimester;
14° planning van de bouwplaatsen : de opstelling en aankondiging van de projecten van bouwplaatsen die een verzoeker van plan is ten minste tijdens het volgende jaar uit te voeren;
15° omwonende : iedere persoon die, voor private of professionele doeleinden, een gebouw of een gedeelte van een gebouw bezet langs het gedeelte van de openbare weg die het voorwerp is van de bouwplaats;
16° uitvoeringsdienst : de verzoekers van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van een Brusselse gemeente, van Beliris, van het Vlaams Gewest, van de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, van de naamloze vennootschap naar publiek recht Citeo, van de naamloze vennootschap naar publiek recht Infrabel, van de Haven van Brussel en van Leefmilieu Brussel-BIM;
17° leefbaarheid van de openbare weg : de staat van de openbare weg, beschouwd vanuit het standpunt van zijn geschiktheid om een gemakkelijke en veilige verplaatsing van de weggebruikers net als een gemakkelijke en veilige toegang van de omwonenden tot hun gebouw te verzekeren;
18° openbare weg : de openbare weg, samengesteld uit iedere plaats of iedere weg bestemd voor openbaar verkeer, met welke verplaatsingsmodus dan ook, net als de aanhorigheden en de boven- en ondergrondse ruimtes ervan;
19° weggebruiker : elke natuurlijke persoon die, met welk vervoermiddel ook en om welke reden dan ook, rijdt op de openbare weg die het voorwerp uitmaakt van een bouwplaats.
1° bouwplaats : ieder geïsoleerd werk of elk geheel van werken onder, op of boven de openbare weg;
2° gecoördineerde bouwplaats : in het geval waarbij een bouwplaats meerdere verzoekers heeft, de indeling van verschillende administratieve en technische taken van de bouwplaats, met als doel om er één geheel van te maken;
3° gemengde bouwplaats : de gecoördineerde bouwplaats die zowel de werken aan installaties als de werken aan andere voorwerpen dan installaties omvat, waarbij de verzoekers op basis van het voorwerp van hun werken, in twee categorieën zijn onderverdeeld;
4° niet-gemengde bouwplaats : de gecoördineerde bouwplaats die of betrekking heeft op installaties of op andere voorwerpen dan installaties;
5° terrein : de oppervlakte van de openbare weg, voorgesteld door een convexe polygoon, die niet meer beschikbaar is voor het verkeer wegens de directe of indirecte behoeftes van de uitvoering van de bouwplaats, en hierbij inbegrepen de los- en laadzones voor materialen en bouwplaatsmaterialen en de parkeerplaatsen voor toestellen en voertuigen voor de bouwplaats; wanneer de bouwplaats wordt uitgevoerd onder of boven de openbare weg, is het terrein de oppervlakte van deze orthogonaal op de oppervlakte van de openbare weg geprojecteerde convexe polygoon;
6° beheerder : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wanneer de openbare weg, die het voorwerp is van de bouwplaats, een regionale weg is of de gemeente wanneer de openbare weg, die het voorwerp is van de bouwplaats, een gemeentelijke weg is;
7° regering : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
8° verzoeker : iedere persoon die het voornemen heeft een bouwplaats uit te voeren, uitvoert of heeft uitgevoerd, of voor wiens rekening een bouwplaats wordt uitgevoerd;
9° gecoördineerde verzoekers : verzoekers die een positief antwoord op een coördinatieattest hebben gegeven en dientengevolge deelnemen aan een coördinatieprocedure;
10° installaties :
a) de kabels, wachtleidingen, bovengrondse kabels of kabelkanalen, hierbij inbegrepen de verwante uitrustingen en bouwwerken ervan;
b) de basisstations, steunen, antennes en telefoon- en semafoonantennesites, in de betekenis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
11° integriteit van de openbare weg : de staat van de openbare weg, beschouwd vanuit het standpunt van zijn materiële behoud;
12° dag : de werkdag, dit wil zeggen iedere dag, behalve zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
13° uitvoeringsperiode : de periode van het jaar tijdens welke de bouwplaats wordt uitgevoerd, bepaald in uur, dag, week, halve maand, maand of trimester;
14° planning van de bouwplaatsen : de opstelling en aankondiging van de projecten van bouwplaatsen die een verzoeker van plan is ten minste tijdens het volgende jaar uit te voeren;
15° omwonende : iedere persoon die, voor private of professionele doeleinden, een gebouw of een gedeelte van een gebouw bezet langs het gedeelte van de openbare weg die het voorwerp is van de bouwplaats;
16° uitvoeringsdienst : de verzoekers van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van een Brusselse gemeente, van Beliris, van het Vlaams Gewest, van de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, van de naamloze vennootschap naar publiek recht Citeo, van de naamloze vennootschap naar publiek recht Infrabel, van de Haven van Brussel en van Leefmilieu Brussel-BIM;
17° leefbaarheid van de openbare weg : de staat van de openbare weg, beschouwd vanuit het standpunt van zijn geschiktheid om een gemakkelijke en veilige verplaatsing van de weggebruikers net als een gemakkelijke en veilige toegang van de omwonenden tot hun gebouw te verzekeren;
18° openbare weg : de openbare weg, samengesteld uit iedere plaats of iedere weg bestemd voor openbaar verkeer, met welke verplaatsingsmodus dan ook, net als de aanhorigheden en de boven- en ondergrondse ruimtes ervan;
19° weggebruiker : elke natuurlijke persoon die, met welk vervoermiddel ook en om welke reden dan ook, rijdt op de openbare weg die het voorwerp uitmaakt van een bouwplaats.
Art. 2. Définitions.
Pour l'application de la présente ordonnance, on entend par :
1° chantier : tout travail isolé ou tout ensemble de travaux empiétant sous, au niveau de ou au-dessus de la voirie;
2° chantier coordonné : en cas de chantier impliquant plusieurs impétrants, l'agencement de différentes tâches administratives et techniques du chantier afin d'en faire un ensemble unique;
3° chantier mixte : le chantier coordonné portant à la fois sur des installations et sur d'autres objets que des installations, les impétrants étant, en fonction de l'objet de leurs travaux, regroupés sous deux catégories;
4° chantier non-mixte : le chantier coordonné ne portant que soit sur des installations, soit sur d'autres objets que des installations;
5° emprise : la surface de la voirie, représentée par un polygone convexe, soustraite à la circulation publique pour les besoins directs et indirects de l'exécution du chantier, en ce compris les aires de chargement et de déchargement des matériaux et des matériels de chantier et les aires de stationnement des engins et des véhicules de chantier; lorsque le chantier est exécuté sous ou au-dessus de la voirie, l'emprise est la surface de ce polygone convexe projeté orthogonalement à la surface de la voirie;
6° gestionnaire : la Région de Bruxelles-Capitale lorsque la voirie concernée par le chantier est une voirie régionale ou la commune lorsque la voirie concernée par le chantier est une voirie communale;
7° gouvernement : le gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
8° impétrant : toute personne qui a l'intention d'exécuter, exécutant ou ayant exécuté un chantier ou pour le compte de laquelle un chantier est exécuté;
9° impétrants-coordonnés : les impétrants qui, ayant donné une réponse positive à une attestation de coordination, participent à une procédure de coordination;
10° installations :
a) les câbles, les gaines, les lignes aériennes ou les canalisations, en ce compris leurs équipements et leurs ouvrages connexes;
b) les stations de base, les supports, les antennes et les sites d'antennes de téléphonie et de radiomessagerie, au sens de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
11° intégrité de la voirie : l'état de la voirie considéré du point de vue de sa conservation matérielle;
12° jour : le jour ouvrable, c'est-à-dire chaque jour, à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
13° période d'exécution du chantier : l'époque de l'année pendant laquelle le chantier est exécuté, déterminée en heure, jour, semaine, quinzaine, mois ou trimestre;
14° programmation des chantiers : l'établissement et l'annonce des projets de chantiers qu'un impétrant compte exécuter, au moins dans l'année à venir;
15° riverain : toute personne qui, à titre privé ou professionnel, occupe un immeuble ou une partie d'immeuble situé le long de la portion de la voirie concernée par le chantier;
16° service d'exécution : les impétrants de la Région de Bruxelles-Capitale, d'une commune bruxelloise, de Beliris, de la Région flamande, de la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, de la société anonyme de droit public Citeo, de la société anonyme de droit public Infrabel, du Port de Bruxelles et de Bruxelles Environnement-IBGE;
17° viabilité de la voirie : l'état de la voirie considéré du point de vue de son aptitude à assurer un déplacement aisé et protégé des usagers de la voirie ainsi qu'un accès aisé et protégé des riverains à leur immeuble;
18° voirie : la voirie terrestre routière composée de toute aire ou de toute voie destinée à des fins de circulation publique par quelque mode de déplacement que ce soit ainsi que ses dépendances et ses espaces aérien et souterrain;
19° usager de la voirie : toute personne physique circulant sur la voirie faisant l'objet d'un chantier par quelque moyen de locomotion que ce soit, et pour quelque raison que ce soit.
Pour l'application de la présente ordonnance, on entend par :
1° chantier : tout travail isolé ou tout ensemble de travaux empiétant sous, au niveau de ou au-dessus de la voirie;
2° chantier coordonné : en cas de chantier impliquant plusieurs impétrants, l'agencement de différentes tâches administratives et techniques du chantier afin d'en faire un ensemble unique;
3° chantier mixte : le chantier coordonné portant à la fois sur des installations et sur d'autres objets que des installations, les impétrants étant, en fonction de l'objet de leurs travaux, regroupés sous deux catégories;
4° chantier non-mixte : le chantier coordonné ne portant que soit sur des installations, soit sur d'autres objets que des installations;
5° emprise : la surface de la voirie, représentée par un polygone convexe, soustraite à la circulation publique pour les besoins directs et indirects de l'exécution du chantier, en ce compris les aires de chargement et de déchargement des matériaux et des matériels de chantier et les aires de stationnement des engins et des véhicules de chantier; lorsque le chantier est exécuté sous ou au-dessus de la voirie, l'emprise est la surface de ce polygone convexe projeté orthogonalement à la surface de la voirie;
6° gestionnaire : la Région de Bruxelles-Capitale lorsque la voirie concernée par le chantier est une voirie régionale ou la commune lorsque la voirie concernée par le chantier est une voirie communale;
7° gouvernement : le gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
8° impétrant : toute personne qui a l'intention d'exécuter, exécutant ou ayant exécuté un chantier ou pour le compte de laquelle un chantier est exécuté;
9° impétrants-coordonnés : les impétrants qui, ayant donné une réponse positive à une attestation de coordination, participent à une procédure de coordination;
10° installations :
a) les câbles, les gaines, les lignes aériennes ou les canalisations, en ce compris leurs équipements et leurs ouvrages connexes;
b) les stations de base, les supports, les antennes et les sites d'antennes de téléphonie et de radiomessagerie, au sens de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
11° intégrité de la voirie : l'état de la voirie considéré du point de vue de sa conservation matérielle;
12° jour : le jour ouvrable, c'est-à-dire chaque jour, à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
13° période d'exécution du chantier : l'époque de l'année pendant laquelle le chantier est exécuté, déterminée en heure, jour, semaine, quinzaine, mois ou trimestre;
14° programmation des chantiers : l'établissement et l'annonce des projets de chantiers qu'un impétrant compte exécuter, au moins dans l'année à venir;
15° riverain : toute personne qui, à titre privé ou professionnel, occupe un immeuble ou une partie d'immeuble situé le long de la portion de la voirie concernée par le chantier;
16° service d'exécution : les impétrants de la Région de Bruxelles-Capitale, d'une commune bruxelloise, de Beliris, de la Région flamande, de la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, de la société anonyme de droit public Citeo, de la société anonyme de droit public Infrabel, du Port de Bruxelles et de Bruxelles Environnement-IBGE;
17° viabilité de la voirie : l'état de la voirie considéré du point de vue de son aptitude à assurer un déplacement aisé et protégé des usagers de la voirie ainsi qu'un accès aisé et protégé des riverains à leur immeuble;
18° voirie : la voirie terrestre routière composée de toute aire ou de toute voie destinée à des fins de circulation publique par quelque mode de déplacement que ce soit ainsi que ses dépendances et ses espaces aérien et souterrain;
19° usager de la voirie : toute personne physique circulant sur la voirie faisant l'objet d'un chantier par quelque moyen de locomotion que ce soit, et pour quelque raison que ce soit.
TITEL 2. - De Coördinatiecommissie van de Bouwplaatsen.
TITRE 2. - La Commission de Coordination des Chantiers.
Art. 3. Algemeen. Er wordt een Coördinatiecommissie van de Bouwplaatsen opgericht, hierna genoemd de Commissie.
Art. 3. Généralités.
Il est créé une Commission de Coordination des Chantiers, ci-après dénommée la Commission.
Il est créé une Commission de Coordination des Chantiers, ci-après dénommée la Commission.
Art. 4. Taken. § 1. De Commissie heeft als taak om :
1° de lijst op te stellen van de uitvoeringsdiensten en van de personen, alsook van hun vertegenwoordigers of afgevaardigden die zich bekendmaken in overeenstemming met artikel 11 en om de lijst ter beschikking te stellen van deze uitvoeringsdiensten en van deze personen alsook van de beheerders;
2° advies te geven over de vergunningsaanvragen voor de uitvoering van een bouwplaats of over aanvragen en voorstellen tot rectificatiebericht;
3° toe te zien op de actualisering van de gegevensbank bedoeld in artikel 8 en op de codering van de gegevens, met dien verstande dat de Commissie niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de codering uitgevoerd door de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in het 1° bedoelde lijst en door de beheerders onder hun eigen verantwoordelijkheid of voor gelijk welke fout in de meegedeelde gegevens;
4° de verzoening te organiseren zoals bedoeld in artikelen 75 en volgende, door tussenkomst van het Verzoeningscomité;
5° op initiatief of vraag van ofwel de regering ofwel een gemeente van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, opmerkingen te formuleren, suggesties te doen of algemene richtlijnen voor te stellen met betrekking tot iedere vraag over de bouwplaatsen;
6° een jaarverslag op te stellen van haar werkzaamheden.
§ 2. De regering bepaalt de door de Commissie te respecteren vertrouwelijkheidsregels bij de uitvoering van haar taken.
1° de lijst op te stellen van de uitvoeringsdiensten en van de personen, alsook van hun vertegenwoordigers of afgevaardigden die zich bekendmaken in overeenstemming met artikel 11 en om de lijst ter beschikking te stellen van deze uitvoeringsdiensten en van deze personen alsook van de beheerders;
2° advies te geven over de vergunningsaanvragen voor de uitvoering van een bouwplaats of over aanvragen en voorstellen tot rectificatiebericht;
3° toe te zien op de actualisering van de gegevensbank bedoeld in artikel 8 en op de codering van de gegevens, met dien verstande dat de Commissie niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de codering uitgevoerd door de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in het 1° bedoelde lijst en door de beheerders onder hun eigen verantwoordelijkheid of voor gelijk welke fout in de meegedeelde gegevens;
4° de verzoening te organiseren zoals bedoeld in artikelen 75 en volgende, door tussenkomst van het Verzoeningscomité;
5° op initiatief of vraag van ofwel de regering ofwel een gemeente van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, opmerkingen te formuleren, suggesties te doen of algemene richtlijnen voor te stellen met betrekking tot iedere vraag over de bouwplaatsen;
6° een jaarverslag op te stellen van haar werkzaamheden.
§ 2. De regering bepaalt de door de Commissie te respecteren vertrouwelijkheidsregels bij de uitvoering van haar taken.
Art. 4. Missions. § 1er. La Commission a pour missions :
1° d'établir la liste des services d'exécution et des personnes ainsi que de leurs représentants ou délégués qui se font connaître conformément à l'article 11 et de la mettre à la disposition de ces services d'exécution et de ces personnes ainsi que des gestionnaires;
2° de rendre un avis sur les demandes d'autorisation d'exécution de chantier ou les demandes et propositions d'avis rectificatif;
3° de veiller à la mise à jour de la base de données visée à l'article 8 et à l'encodage des données, étant entendu que la Commission ne peut pas être tenue pour responsable de l'encodage effectué par les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée au 1°, et par les gestionnaires sous leur propre responsabilité ou de toute erreur dans les données communiquées;
4° d'organiser la conciliation visée aux articles 75 et suivants, par l'entremise du Comité de Conciliation;
5° d'initiative ou à la demande soit du gouvernement, soit d'une commune de la Région de Bruxelles-Capitale, de formuler des observations, de présenter des suggestions ou de proposer des directives générales quant à toute question relative aux chantiers;
6° d'établir un rapport annuel de ses activités.
§ 2. Le gouvernement détermine les règles de confidentialité à respecter par la Commission dans l'exercice de ses missions.
1° d'établir la liste des services d'exécution et des personnes ainsi que de leurs représentants ou délégués qui se font connaître conformément à l'article 11 et de la mettre à la disposition de ces services d'exécution et de ces personnes ainsi que des gestionnaires;
2° de rendre un avis sur les demandes d'autorisation d'exécution de chantier ou les demandes et propositions d'avis rectificatif;
3° de veiller à la mise à jour de la base de données visée à l'article 8 et à l'encodage des données, étant entendu que la Commission ne peut pas être tenue pour responsable de l'encodage effectué par les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée au 1°, et par les gestionnaires sous leur propre responsabilité ou de toute erreur dans les données communiquées;
4° d'organiser la conciliation visée aux articles 75 et suivants, par l'entremise du Comité de Conciliation;
5° d'initiative ou à la demande soit du gouvernement, soit d'une commune de la Région de Bruxelles-Capitale, de formuler des observations, de présenter des suggestions ou de proposer des directives générales quant à toute question relative aux chantiers;
6° d'établir un rapport annuel de ses activités.
§ 2. Le gouvernement détermine les règles de confidentialité à respecter par la Commission dans l'exercice de ses missions.
Art. 5. Samenstelling.
§ 1. De leden van de Commissie worden benoemd door de regering. Ze is samengesteld uit :
1° vier leden die het Gewest vertegenwoordigen en die worden voorgesteld door de minister belast met openbare werken;
2° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met mobiliteit;
3° een lid dat de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met mobiliteit;
4° zes leden die de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen;
5° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met ruimtelijke ordening;
6° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met milieu;
7° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met het toezicht op de gemeenten;
8° zes leden die de politiezones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen; iedere politieraad stelt een lid voor, wat niet betekent dat bij het uitblijven van een voorstel de Commissie haar taken niet kan uitvoeren;
9° twee leden die de Raad van Netwerkbeheerders van Brussel vertegenwoordigen, met uitzondering van de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel en die door die Raad worden voorgesteld.
§ 2. De Commissieleden die het Gewest vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en, uiterlijk, op de eerste januari na de installatie ervan.
De Commissieleden die de gemeenten vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van de gemeenteraden en, uiterlijk, op de eerste januari na de installatie ervan.
De Commissieleden die de politiezones vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van de politieraden en, uiterlijk, op de eerste februari na de installatie ervan.
§ 3. De regering stelt de voorzitter van de Commissie aan uit de in § 1, 1°, bedoelde leden, op voorstel van de minister belast met openbare werken.
§ 1. De leden van de Commissie worden benoemd door de regering. Ze is samengesteld uit :
1° vier leden die het Gewest vertegenwoordigen en die worden voorgesteld door de minister belast met openbare werken;
2° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met mobiliteit;
3° een lid dat de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met mobiliteit;
4° zes leden die de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen;
5° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met ruimtelijke ordening;
6° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met milieu;
7° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met het toezicht op de gemeenten;
8° zes leden die de politiezones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen; iedere politieraad stelt een lid voor, wat niet betekent dat bij het uitblijven van een voorstel de Commissie haar taken niet kan uitvoeren;
9° twee leden die de Raad van Netwerkbeheerders van Brussel vertegenwoordigen, met uitzondering van de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel en die door die Raad worden voorgesteld.
§ 2. De Commissieleden die het Gewest vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en, uiterlijk, op de eerste januari na de installatie ervan.
De Commissieleden die de gemeenten vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van de gemeenteraden en, uiterlijk, op de eerste januari na de installatie ervan.
De Commissieleden die de politiezones vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van de politieraden en, uiterlijk, op de eerste februari na de installatie ervan.
§ 3. De regering stelt de voorzitter van de Commissie aan uit de in § 1, 1°, bedoelde leden, op voorstel van de minister belast met openbare werken.
Art. 5. Composition.
§ 1er. Les membres de la Commission sont nommés par le gouvernement. Elle est composée de :
1° quatre membres représentant la Région et proposés par le ministre qui a les travaux publics dans ses attributions;
2° un membre représentant la Région et proposé par le ministre qui a la mobilité dans ses attributions;
3° un membre représentant la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles et proposé par le ministre qui a la mobilité dans ses attributions;
4° six membres représentant les communes de la Région de Bruxelles-Capitale;
5° un membre représentant la Région et proposé par le ministre qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions;
6° un membre représentant la Région et proposé par le ministre qui a l'environnement dans ses attributions;
7° un membre représentant la Région et proposé par le ministre chargé de la tutelle sur les communes;
8° six membres représentant les zones de police de la Région de Bruxelles-Capitale; chaque conseil de police propose un membre, sans que l'absence de proposition n'empêche la Commission de remplir ses missions;
9° deux membres représentant le Conseil des Gestionnaires de Réseaux de Bruxelles, à l'exception de la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, et proposés par lui.
§ 2. Les membres de la Commission représentant la Région sont désignés à chaque renouvellement complet du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale et, au plus tard, le premier janvier qui suit l'installation de celui-ci.
Les membres de la Commission représentant les communes sont désignés à chaque renouvellement complet des conseils communaux et, au plus tard, le premier janvier qui suit l'installation de ceux-ci.
Les membres de la Commission représentant les zones de police sont désignés à chaque renouvellement complet des conseils de police et, au plus tard, le premier février qui suit l'installation de ceux-ci.
§ 3. Le gouvernement désigne le président de la Commission parmi les membres visés au § 1er, 1°, sur proposition du ministre qui a les travaux publics dans ses attributions.
§ 1er. Les membres de la Commission sont nommés par le gouvernement. Elle est composée de :
1° quatre membres représentant la Région et proposés par le ministre qui a les travaux publics dans ses attributions;
2° un membre représentant la Région et proposé par le ministre qui a la mobilité dans ses attributions;
3° un membre représentant la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles et proposé par le ministre qui a la mobilité dans ses attributions;
4° six membres représentant les communes de la Région de Bruxelles-Capitale;
5° un membre représentant la Région et proposé par le ministre qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions;
6° un membre représentant la Région et proposé par le ministre qui a l'environnement dans ses attributions;
7° un membre représentant la Région et proposé par le ministre chargé de la tutelle sur les communes;
8° six membres représentant les zones de police de la Région de Bruxelles-Capitale; chaque conseil de police propose un membre, sans que l'absence de proposition n'empêche la Commission de remplir ses missions;
9° deux membres représentant le Conseil des Gestionnaires de Réseaux de Bruxelles, à l'exception de la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, et proposés par lui.
§ 2. Les membres de la Commission représentant la Région sont désignés à chaque renouvellement complet du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale et, au plus tard, le premier janvier qui suit l'installation de celui-ci.
Les membres de la Commission représentant les communes sont désignés à chaque renouvellement complet des conseils communaux et, au plus tard, le premier janvier qui suit l'installation de ceux-ci.
Les membres de la Commission représentant les zones de police sont désignés à chaque renouvellement complet des conseils de police et, au plus tard, le premier février qui suit l'installation de ceux-ci.
§ 3. Le gouvernement désigne le président de la Commission parmi les membres visés au § 1er, 1°, sur proposition du ministre qui a les travaux publics dans ses attributions.
Art. 6. Organisatie en werking.
§ 1. De leden bedoeld in artikel 5, § 1, 1° tot 4°, zijn stemgerechtigd.
De leden bedoeld in artikel 5, § 1, 5° tot 9°, hebben een raadgevende stem.
§ 2. Het advies bedoeld in artikel 4, § 1, 2°, wordt gegeven bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden die stemgerechtigd zijn. In geval van pariteit, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
De opmerkingen, suggesties of voorstellen bedoeld in artikel 4, § 1, 5°, zijn de weergave van alle tijdens de werken uitgedrukte meningen.
§ 3. De regering bepaalt de organisatie- en werkingsregels van de Commissie, hierbij inbegrepen de regels met betrekking tot :
1° de uitwerking van het huishoudelijk reglement van de Commissie;
2° de tijdelijke aanstelling en de eventuele bezoldiging van onafhankelijke experts;
3° de bezoldiging van de Commissieleden.
§ 1. De leden bedoeld in artikel 5, § 1, 1° tot 4°, zijn stemgerechtigd.
De leden bedoeld in artikel 5, § 1, 5° tot 9°, hebben een raadgevende stem.
§ 2. Het advies bedoeld in artikel 4, § 1, 2°, wordt gegeven bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden die stemgerechtigd zijn. In geval van pariteit, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
De opmerkingen, suggesties of voorstellen bedoeld in artikel 4, § 1, 5°, zijn de weergave van alle tijdens de werken uitgedrukte meningen.
§ 3. De regering bepaalt de organisatie- en werkingsregels van de Commissie, hierbij inbegrepen de regels met betrekking tot :
1° de uitwerking van het huishoudelijk reglement van de Commissie;
2° de tijdelijke aanstelling en de eventuele bezoldiging van onafhankelijke experts;
3° de bezoldiging van de Commissieleden.
Art. 6. Organisation et fonctionnement.
§ 1er. Les membres visés à l'article 5, § 1er, 1° à 4°, disposent d'une voix délibérative.
Les membres visés à l'article 5, § 1er, 5° à 9°, disposent d'une voix consultative.
§ 2. L'avis visé à l'article 4, § 1er, 2°, est rendu à la majorité absolue des voix délibératives des membres présents. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Les observations, suggestions ou propositions visées à l'article 4, § 1er, 5°, consistent en la reproduction de toutes les opinions exprimées lors des travaux.
§ 3. Le gouvernement détermine les règles d'organisation et de fonctionnement de la Commission, en ce compris les règles relatives à :
1° l'élaboration du règlement d'ordre intérieur de la Commission;
2° la désignation temporaire et la rémunération éventuelle d'experts indépendants;
3° la rémunération des membres de la Commission.
§ 1er. Les membres visés à l'article 5, § 1er, 1° à 4°, disposent d'une voix délibérative.
Les membres visés à l'article 5, § 1er, 5° à 9°, disposent d'une voix consultative.
§ 2. L'avis visé à l'article 4, § 1er, 2°, est rendu à la majorité absolue des voix délibératives des membres présents. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Les observations, suggestions ou propositions visées à l'article 4, § 1er, 5°, consistent en la reproduction de toutes les opinions exprimées lors des travaux.
§ 3. Le gouvernement détermine les règles d'organisation et de fonctionnement de la Commission, en ce compris les règles relatives à :
1° l'élaboration du règlement d'ordre intérieur de la Commission;
2° la désignation temporaire et la rémunération éventuelle d'experts indépendants;
3° la rémunération des membres de la Commission.
Art. 7. Permanent secretariaat.
§ 1. De Commissie wordt bijgestaan door een Permanent Secretariaat van ambtenaren van het Bestuur Uitrusting en Vervoer van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan het kader door de regering wordt vastgelegd.
§ 2. Vallen onder de taken van het Permanent Secretariaat :
1° de voorbereiding van de dossiers die worden voorgelegd aan het advies van de Commissie en het Verzoeningscomité, met toepassing van de artikelen 33 en 75;
2° de uitwerking van de agenda van de Commissie en van het Verzoeningscomité en de bijeenroeping van de leden ervan;
3° de opstelling van de notulen van de vergaderingen van de Commissie en van het Verzoeningscomité;
4° het bijhouden en ter beschikking stellen van een register met de notulen bedoeld in 3° voor de beheerders en verzoekers;
5° de externe vertegenwoordiging van de Commissie;
6° de voorbereiding van het jaarrapport van de Commissie.
§ 1. De Commissie wordt bijgestaan door een Permanent Secretariaat van ambtenaren van het Bestuur Uitrusting en Vervoer van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan het kader door de regering wordt vastgelegd.
§ 2. Vallen onder de taken van het Permanent Secretariaat :
1° de voorbereiding van de dossiers die worden voorgelegd aan het advies van de Commissie en het Verzoeningscomité, met toepassing van de artikelen 33 en 75;
2° de uitwerking van de agenda van de Commissie en van het Verzoeningscomité en de bijeenroeping van de leden ervan;
3° de opstelling van de notulen van de vergaderingen van de Commissie en van het Verzoeningscomité;
4° het bijhouden en ter beschikking stellen van een register met de notulen bedoeld in 3° voor de beheerders en verzoekers;
5° de externe vertegenwoordiging van de Commissie;
6° de voorbereiding van het jaarrapport van de Commissie.
Art. 7. Secrétariat permanent.
§ 1er. La Commission est assistée d'un Secrétariat permanent assuré par des agents de l'Administration de l'Equipement et des Déplacements du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale, et dont le cadre est fixé par le gouvernement.
§ 2. Parmi les missions du Secrétariat permanent figurent :
1° la préparation des dossiers soumis à l'avis de la Commission et au Comité de Conciliation, en application des articles 33 et 75;
2° l'élaboration de l'ordre du jour de la Commission et du Comité de Conciliation et la convocation de leurs membres;
3° la rédaction des procès-verbaux des réunions de la Commission et du Comité de Conciliation;
4° la tenue ainsi que la mise à la disposition des gestionnaires et des impétrants d'un registre consignant les procèsverbaux visés au 3°;
5° la représentation extérieure de la Commission;
6° la préparation du rapport annuel de la Commission.
§ 1er. La Commission est assistée d'un Secrétariat permanent assuré par des agents de l'Administration de l'Equipement et des Déplacements du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale, et dont le cadre est fixé par le gouvernement.
§ 2. Parmi les missions du Secrétariat permanent figurent :
1° la préparation des dossiers soumis à l'avis de la Commission et au Comité de Conciliation, en application des articles 33 et 75;
2° l'élaboration de l'ordre du jour de la Commission et du Comité de Conciliation et la convocation de leurs membres;
3° la rédaction des procès-verbaux des réunions de la Commission et du Comité de Conciliation;
4° la tenue ainsi que la mise à la disposition des gestionnaires et des impétrants d'un registre consignant les procèsverbaux visés au 3°;
5° la représentation extérieure de la Commission;
6° la préparation du rapport annuel de la Commission.
TITEL 3. - Gegevens.
TITRE 3. - La base de données.
Art. 8. Gegevensbank.
§ 1. De regering richt een gegevensbank op met een verzameling van alle soorten gecodeerde, ontvangen, uitgewisselde of bewaarde gegevens in het kader van de procedures of formaliteiten bedoeld in deze ordonnantie. Deze gegevensbank wordt online door de regering op Irisnet geplaatst.
De regering bepaalt de inhoud, de modaliteiten van de actualisering en de technische eigenschappen van deze gegevensbank.
§ 2. Behalve in geval van overmacht gebruiken zowel de beheerders als de uitvoeringsdiensten en de personen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst de gegevensbank volgens de modaliteiten en voorwaarden en binnen de door de regering bepaalde grenzen en, indien nodig, door middel van een overeenkomst die dit gebruik zal regelen, en dit met het oog op de uitvoering van deze ordonnantie. In dit verband is er, behoudens in geval van overmacht, slechts in één geldige manier van verzending en ontvangst van documenten voorzien in het raam van de procedures of formaliteiten bedoeld in deze ordonnantie, namelijk elektronisch.
De regering bepaalt de te gebruiken elektronische hulpmiddelen.
Zonder afbreuk te doen aan de ordonnantie van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur, bepaalt de regering de grenzen en de voorwaarden van de raadpleging van de gegevensbank.
§ 3. De regering kan op ieder moment beslissen dat alle partijen die de gegevensbank moeten gebruiken, zich schikken naar de wet van 9 juli 2001 die bepaalde regels met betrekking tot het juridische kader voor de elektronische handtekeningen en de certificatiediensten vastlegt.
§ 1. De regering richt een gegevensbank op met een verzameling van alle soorten gecodeerde, ontvangen, uitgewisselde of bewaarde gegevens in het kader van de procedures of formaliteiten bedoeld in deze ordonnantie. Deze gegevensbank wordt online door de regering op Irisnet geplaatst.
De regering bepaalt de inhoud, de modaliteiten van de actualisering en de technische eigenschappen van deze gegevensbank.
§ 2. Behalve in geval van overmacht gebruiken zowel de beheerders als de uitvoeringsdiensten en de personen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst de gegevensbank volgens de modaliteiten en voorwaarden en binnen de door de regering bepaalde grenzen en, indien nodig, door middel van een overeenkomst die dit gebruik zal regelen, en dit met het oog op de uitvoering van deze ordonnantie. In dit verband is er, behoudens in geval van overmacht, slechts in één geldige manier van verzending en ontvangst van documenten voorzien in het raam van de procedures of formaliteiten bedoeld in deze ordonnantie, namelijk elektronisch.
De regering bepaalt de te gebruiken elektronische hulpmiddelen.
Zonder afbreuk te doen aan de ordonnantie van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur, bepaalt de regering de grenzen en de voorwaarden van de raadpleging van de gegevensbank.
§ 3. De regering kan op ieder moment beslissen dat alle partijen die de gegevensbank moeten gebruiken, zich schikken naar de wet van 9 juli 2001 die bepaalde regels met betrekking tot het juridische kader voor de elektronische handtekeningen en de certificatiediensten vastlegt.
Art. 8. Base de données.
§ 1er. Le gouvernement crée et met en ligne sur le réseau Irisnet une base de données constituée d'un recueil de tout type de données encodées, reçues, échangées ou stockées dans le cadre des procédures ou des formalités visées par la présente ordonnance.
Le gouvernement détermine le contenu, les modalités de la mise à jour et les caractéristiques techniques de la base de données.
§ 2. Sauf cas de force majeure, les gestionnaires ainsi que les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, utilisent, aux fins d'exécution de la présente ordonnance, la base de données, selon les modalités et les conditions et dans les limites définies par le gouvernement et, le cas échéant, par le biais d'une convention qui régira cette utilisation. A cette fin, tout document prévu dans le cadre des procédures ou des formalités visées par la présente ordonnance est, sauf cas de force majeure, transmis et reçu uniquement par des moyens électroniques.
Le gouvernement détermine les moyens électroniques à utiliser.
Sans préjudice de l'ordonnance du 30 mars 1995 relative à la publicité de l'administration, le gouvernement détermine les limites et les conditions de la consultation de la base de données.
§ 3. Le gouvernement peut, à tout moment, décider que toutes les parties qui doivent utiliser la base de données se conforment à la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification.
§ 1er. Le gouvernement crée et met en ligne sur le réseau Irisnet une base de données constituée d'un recueil de tout type de données encodées, reçues, échangées ou stockées dans le cadre des procédures ou des formalités visées par la présente ordonnance.
Le gouvernement détermine le contenu, les modalités de la mise à jour et les caractéristiques techniques de la base de données.
§ 2. Sauf cas de force majeure, les gestionnaires ainsi que les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, utilisent, aux fins d'exécution de la présente ordonnance, la base de données, selon les modalités et les conditions et dans les limites définies par le gouvernement et, le cas échéant, par le biais d'une convention qui régira cette utilisation. A cette fin, tout document prévu dans le cadre des procédures ou des formalités visées par la présente ordonnance est, sauf cas de force majeure, transmis et reçu uniquement par des moyens électroniques.
Le gouvernement détermine les moyens électroniques à utiliser.
Sans préjudice de l'ordonnance du 30 mars 1995 relative à la publicité de l'administration, le gouvernement détermine les limites et les conditions de la consultation de la base de données.
§ 3. Le gouvernement peut, à tout moment, décider que toutes les parties qui doivent utiliser la base de données se conforment à la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification.
Art. 9. Bijdrage. § 1. De terbeschikkingstelling van de in artikel 8, § 1, bedoelde gegevensbank geeft recht op de inning, ten voordele van het Gewest, van een variabele jaarlijkse bijdrage, ten laste van de personen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, met uitzondering van de gemeentelijke beheerders en de uitvoeringsdiensten van de gemeentebesturen, de Staat, het Vlaams Gewest, de MIVB, de NV naar publiek recht Infrabel, de NV naar publiek recht Citeo, de Haven van Brussel, en Leefmilieu Brussel-BIM.
§ 2. De bijdrage dient om de jaarlijkse kosten te dekken voor :
1° het onderhoud;
2° kleine aanpassingen;
3° het technische beheer;
4° de bijstand;
5° de beveiliging.
De regering bepaalt het bedrag van de bijdrage en de modaliteiten ervan. Ze bepaalt tevens de betalingsmethode en termijn.
§ 2. De bijdrage dient om de jaarlijkse kosten te dekken voor :
1° het onderhoud;
2° kleine aanpassingen;
3° het technische beheer;
4° de bijstand;
5° de beveiliging.
De regering bepaalt het bedrag van de bijdrage en de modaliteiten ervan. Ze bepaalt tevens de betalingsmethode en termijn.
Art. 9. Redevance. § 1er. La mise à disposition de la base de données visée à l'article 8, § 1er, donne droit à la perception, au profit de la Région, d'une redevance annuelle variable, à charge des personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, sauf les gestionnaires communaux et les services d'exécution des administrations communales, l'Etat, la Région flamande, la STIB, la SA de droit public Infrabel, la SA de droit public Citeo, le Port de Bruxelles et Bruxelles-Environnement-IBGE.
§ 2. La redevance sert à couvrir les coûts annuels liés à :
1° la maintenance;
2° des modifications mineures;
3° la gestion technique;
4° l'assistance;
5° la sécurisation.
Le gouvernement fixe le montant de la redevance et ses modalités. Il détermine également le mode et le délai de son paiement.
§ 2. La redevance sert à couvrir les coûts annuels liés à :
1° la maintenance;
2° des modifications mineures;
3° la gestion technique;
4° l'assistance;
5° la sécurisation.
Le gouvernement fixe le montant de la redevance et ses modalités. Il détermine également le mode et le délai de son paiement.
TITEL 4. - De vertegenwoordiging.
TITRE 4. - La représentation.
Art. 10. Vertegenwoordiging.
§ 1. De gewestelijke beheerder en de gewestelijke uitvoeringsdiensten mogen worden vertegenwoordigd door de personeelsleden en ambtenaren die zij aanstellen, om de taken die hen toekomen, uit te voeren, met toepassing van deze ordonnantie. De vertegenwoordigers van de gewestelijke beheerder mogen geen personeelsleden noch ambtenaren zijn van de uitvoeringsdiensten.
§ 2. Het mandaat van de vertegenwoordiger of van de afgevaardigde en de draagwijdte ervan worden gespecificeerd in een geschrift dat wordt overgemaakt aan de Commissie. De regering kan het model bepalen van het mandaat.
§ 1. De gewestelijke beheerder en de gewestelijke uitvoeringsdiensten mogen worden vertegenwoordigd door de personeelsleden en ambtenaren die zij aanstellen, om de taken die hen toekomen, uit te voeren, met toepassing van deze ordonnantie. De vertegenwoordigers van de gewestelijke beheerder mogen geen personeelsleden noch ambtenaren zijn van de uitvoeringsdiensten.
§ 2. Het mandaat van de vertegenwoordiger of van de afgevaardigde en de draagwijdte ervan worden gespecificeerd in een geschrift dat wordt overgemaakt aan de Commissie. De regering kan het model bepalen van het mandaat.
Art. 10. Représentation.
§ 1er. Le gestionnaire régional et les services d'exécution régionaux peuvent être représentés par les agents et les fonctionnaires qu'ils désignent pour exécuter les missions qui leur incombent en application de la présente ordonnance. Les représentants du gestionnaire régional ne peuvent pas être des agents et des fonctionnaires des services d'exécution.
§ 2. Le mandat du représentant ou du délégué et l'étendue de celui-ci sont spécifiés dans un écrit transmis à la Commission. Le gouvernement peut déterminer le modèle du mandat.
§ 1er. Le gestionnaire régional et les services d'exécution régionaux peuvent être représentés par les agents et les fonctionnaires qu'ils désignent pour exécuter les missions qui leur incombent en application de la présente ordonnance. Les représentants du gestionnaire régional ne peuvent pas être des agents et des fonctionnaires des services d'exécution.
§ 2. Le mandat du représentant ou du délégué et l'étendue de celui-ci sont spécifiés dans un écrit transmis à la Commission. Le gouvernement peut déterminer le modèle du mandat.
BOEK II. - Verplichtingen voorafgaand aan de uitvoering van een bouwplaats.
LIVRE II. - Obligations préalables à l'exécution d'un chantier.
TITEL 1. - Verplichting om zich bekend te maken.
TITRE 1er. - L'obligation de se faire connaître.
Art. 11. Toepassingsveld.
§ 1. Moeten zich bekendmaken bij de Commissie :
1° de uitvoeringsdiensten van de gewestelijke en gemeentelijke besturen en hun vertegenwoordigers;
2° de personen die een gebruiksrecht van de openbare weg genieten met toepassing van een wets- of verordeningsbepaling alsook hun vertegenwoordigers of afgevaardigden.
§ 2. De regering kan andere categorieën van personen onderwerpen aan de in § 1 bedoelde verplichting voor zover zij gewoonlijk gebruik maken van de openbare weg.
Daartoe publiceert ze een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag van die bekendmaking, kunnen alle betrokkenen hun opmerkingen te kennen geven.
Binnen dertig dagen na het verstrijken van de in het vorige lid bedoelde termijn, stelt de regering definitief de categorieën van personen vast en deelt ze de wijze mee waarop de opmerkingen in aanmerking genomen werden.
§ 1. Moeten zich bekendmaken bij de Commissie :
1° de uitvoeringsdiensten van de gewestelijke en gemeentelijke besturen en hun vertegenwoordigers;
2° de personen die een gebruiksrecht van de openbare weg genieten met toepassing van een wets- of verordeningsbepaling alsook hun vertegenwoordigers of afgevaardigden.
§ 2. De regering kan andere categorieën van personen onderwerpen aan de in § 1 bedoelde verplichting voor zover zij gewoonlijk gebruik maken van de openbare weg.
Daartoe publiceert ze een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag van die bekendmaking, kunnen alle betrokkenen hun opmerkingen te kennen geven.
Binnen dertig dagen na het verstrijken van de in het vorige lid bedoelde termijn, stelt de regering definitief de categorieën van personen vast en deelt ze de wijze mee waarop de opmerkingen in aanmerking genomen werden.
Art. 11. Champ d'application.
§ 1er. Sont tenus de se faire connaître auprès de la Commission :
1° les services d'exécution des administrations régionale et communales et leurs représentants;
2° les personnes bénéficiant d'un droit d'usage de la voirie en application d'une disposition légale ou réglementaire ainsi que leurs représentants ou délégués.
§ 2. Le gouvernement peut soumettre d'autres catégories de personnes à l'obligation visée au § 1er pour autant qu'elles fassent habituellement usage de la voirie.
A cette fin, il publie un avis au Moniteur belge.
Dans le délai de trente jours prenant cours le jour de cette publication, toute personne intéressée peut faire valoir ses observations.
Dans les trente jours de l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le gouvernement arrête définitivement les catégories de personnes, en faisant apparaître la manière dont les observations ont été prises en considération.
§ 1er. Sont tenus de se faire connaître auprès de la Commission :
1° les services d'exécution des administrations régionale et communales et leurs représentants;
2° les personnes bénéficiant d'un droit d'usage de la voirie en application d'une disposition légale ou réglementaire ainsi que leurs représentants ou délégués.
§ 2. Le gouvernement peut soumettre d'autres catégories de personnes à l'obligation visée au § 1er pour autant qu'elles fassent habituellement usage de la voirie.
A cette fin, il publie un avis au Moniteur belge.
Dans le délai de trente jours prenant cours le jour de cette publication, toute personne intéressée peut faire valoir ses observations.
Dans les trente jours de l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le gouvernement arrête définitivement les catégories de personnes, en faisant apparaître la manière dont les observations ont été prises en considération.
Art. 12. Gevolg. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning of in de verklaring van opstarting van bouwplaats, kunnen de uitvoeringsdiensten en personen bedoeld in artikel 11 geen coördinatieattest versturen, een uitvoeringsvergunning aanvragen of een bouwplaats uitvoeren vóór het verstrijken van een termijn van dertig dagen vanaf het ogenblik dat zij zichzelf alsook hun vertegenwoordiger of afgevaardigde hebben bekendgemaakt.
Art. 12. Effet.
Sauf urgence dûment motivée dans l'attestation de coordination, dans la demande d'autorisation d'exécution de chantier ou dans l'avis de démarrage de chantier, les services d'exécution et les personnes visés à l'article 11 ne peuvent envoyer une attestation de coordination, demander une autorisation d'exécution de chantier ou exécuter un chantier avant l'expiration d'un délai de trente jours à partir du moment où ils se sont faits connaître ainsi que leur représentant ou délégué.
Sauf urgence dûment motivée dans l'attestation de coordination, dans la demande d'autorisation d'exécution de chantier ou dans l'avis de démarrage de chantier, les services d'exécution et les personnes visés à l'article 11 ne peuvent envoyer une attestation de coordination, demander une autorisation d'exécution de chantier ou exécuter un chantier avant l'expiration d'un délai de trente jours à partir du moment où ils se sont faits connaître ainsi que leur représentant ou délégué.
TITEL 2. - Planning van de bouwplaatsen.
TITRE 2. - La programmation des chantiers.
Art. 13. Principe. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning of in de verklaring van opstarting van bouwplaats, stellen de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, de planning op van hun bouwplaatsen v..r het verzenden van het coördinatieattest, het indienen van de vergunningsaanvraag of de uitvoering van hun bouwplaatsen.
De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen planning vereist is, wordt opgesteld door de regering.
De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen planning vereist is, wordt opgesteld door de regering.
Art. 13. Principe.
Sauf urgence dûment motivée dans l'attestation de coordination, dans la demande d'autorisation d'exécution de artichantier ou dans l'avis de démarrage de chantier, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, établissent la programmation de leurs chantiers avant d'envoyer l'attestation de coordination, d'introduire la demande d'autorisation d'exécution de chantier ou d'exécuter leurs chantiers.
Le gouvernement dresse la liste des chantiers qui, en raison de leur minime importance, ne requièrent pas de programmation.
Sauf urgence dûment motivée dans l'attestation de coordination, dans la demande d'autorisation d'exécution de artichantier ou dans l'avis de démarrage de chantier, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, établissent la programmation de leurs chantiers avant d'envoyer l'attestation de coordination, d'introduire la demande d'autorisation d'exécution de chantier ou d'exécuter leurs chantiers.
Le gouvernement dresse la liste des chantiers qui, en raison de leur minime importance, ne requièrent pas de programmation.
Art. 14. Planningsprocedure.
Ten minste één keer per semester en uiterlijk op 30 juni en 31 december van ten minste ieder jaar bezorgen de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, de geactualiseerde planning van hun bouwplaatsen voor het komende jaar aan de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op dezelfde lijst en aan de Commissie en de beheerders.
De regering bepaalt het model van het planningsdocument.
Ten minste één keer per semester en uiterlijk op 30 juni en 31 december van ten minste ieder jaar bezorgen de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, de geactualiseerde planning van hun bouwplaatsen voor het komende jaar aan de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op dezelfde lijst en aan de Commissie en de beheerders.
De regering bepaalt het model van het planningsdocument.
Art. 14. Procédure de programmation.
Au moins une fois par semestre et au plus tard le 30 juin et le 31 décembre de chaque année au moins, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, transmettent la programmation actualisée de leurs chantiers pour l'année à venir aux services d'exécution et aux personnes figurant sur la même liste, ainsi qu'à la Commission et aux gestionnaires.
Le gouvernement détermine le modèle du document de programmation.
Au moins une fois par semestre et au plus tard le 30 juin et le 31 décembre de chaque année au moins, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, transmettent la programmation actualisée de leurs chantiers pour l'année à venir aux services d'exécution et aux personnes figurant sur la même liste, ainsi qu'à la Commission et aux gestionnaires.
Le gouvernement détermine le modèle du document de programmation.
TITEL 3. - Coördinatie van bouwplaatsen.
TITRE 3. - La coordination des chantiers.
HOOFDSTUK 1. - Algemeen.
CHAPITRE 1er. - Généralités.
Art. 15. Principe. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning of in de verklaring van opstarting van bouwplaats, coördineren de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, hun bouwplaatsen v..r het indienen van de uitvoeringsvergunningsaanvraag of de uitvoering van hun bouwplaatsen.
De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen coördinatie vereist is, wordt opgesteld door de regering.
De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen coördinatie vereist is, wordt opgesteld door de regering.
Art. 15. Principe. Sauf urgence dûment motivée dans l'attestation de coordination, dans la demande d'autorisation d'exécution de chantier ou dans l'avis de démarrage de chantier, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, coordonnent leurs chantiers avant d'introduire la demande d'autorisation d'exécution de chantier ou d'exécuter leurs chantiers.
Le gouvernement dresse la liste des chantiers qui, en raison de leur minime importance, ne requièrent pas de coordination.
Le gouvernement dresse la liste des chantiers qui, en raison de leur minime importance, ne requièrent pas de coordination.
Art. 16. Verbod om een bouwplaats uit te voeren gedurende drie jaar.
Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning van de bouwplaats of in de verklaring van opstarting van de bouwplaats, mogen de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, gedurende een termijn van drie jaar beginnend op de in artikel 66, § 1, vastgestelde datum van afsluiting van de bouwplaats, geen bouwplaats uitvoeren onder, op of boven van het gedeelte van de openbare weg waaronder, waarop of waarboven een gecoördineerde bouwplaats werd uitgevoerd.
Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning van de bouwplaats of in de verklaring van opstarting van de bouwplaats, mogen de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, gedurende een termijn van drie jaar beginnend op de in artikel 66, § 1, vastgestelde datum van afsluiting van de bouwplaats, geen bouwplaats uitvoeren onder, op of boven van het gedeelte van de openbare weg waaronder, waarop of waarboven een gecoördineerde bouwplaats werd uitgevoerd.
Art. 16. Interdiction d'exécution de chantier durant trois ans.
Sauf urgence dûment motivée dans l'attestation de coordination, dans la demande d'autorisation d'exécution de chantier ou dans l'avis de démarrage de chantier, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, ne peuvent exécuter, pendant un délai de trois ans prenant cours à la date de clôture de chantier définie à l'article 66, § 1er, un chantier sous, au niveau de ou au-dessus de la portion de voirie sous, au niveau de ou audessus de laquelle un chantier coordonné a été exécuté.
Sauf urgence dûment motivée dans l'attestation de coordination, dans la demande d'autorisation d'exécution de chantier ou dans l'avis de démarrage de chantier, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, ne peuvent exécuter, pendant un délai de trois ans prenant cours à la date de clôture de chantier définie à l'article 66, § 1er, un chantier sous, au niveau de ou au-dessus de la portion de voirie sous, au niveau de ou audessus de laquelle un chantier coordonné a été exécuté.
HOOFDSTUK 2. - Coördinatieprocedure.
CHAPITRE 2. - La procédure de coordination.
Sectie 1. - Coördinatieattest.
Section 1re. - L'attestation de coordination.
Art. 17. Procedure. § 1. Wanneer hij een bouwplaats wenst uit te voeren bedoeld in artikel 15, stuurt de uitvoeringsdienst of de persoon die voorkomt op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, hierna de appellerende verzoeker genoemd, een coördinatieattest naar de andere uitvoeringsdiensten en naar de personen op diezelfde lijst, hierna de geappelleerde verzoekers genoemd.
De geappelleerde verzoekers die onder, op, boven of in de buurt van het in het coördinatieattest bedoelde gedeelte van de openbare weg een bouwplaats wensen uit te voeren, brengen de appellerende verzoeker daarvan op de hoogte binnen tien dagen volgend op de ontvangst ervan.
§ 2. Wanneer de bouwplaats werd gepland en de appellerende verzoeker het coördinatieattest verstuurt binnen een termijn van minder dan zestig dagen vanaf de overmaking van de planning, kan iedere geappelleerde verzoeker zich verzetten tegen het coördinatieattest. Het verzet wordt binnen de in § 1 bedoelde termijn van tien dagen overgemaakt aan de appellerende verzoeker, de andere geappelleerde verzoekers en de beheerder.
Bij verzet kan de appellerende verzoeker geen nieuw coordinatieattest versturen vóór er zestig dagen verstreken zijn vanaf de dag waarop de planning werd overgemaakt.
§ 3. De regering bepaalt het model van het coördinatieattest.
De geappelleerde verzoekers die onder, op, boven of in de buurt van het in het coördinatieattest bedoelde gedeelte van de openbare weg een bouwplaats wensen uit te voeren, brengen de appellerende verzoeker daarvan op de hoogte binnen tien dagen volgend op de ontvangst ervan.
§ 2. Wanneer de bouwplaats werd gepland en de appellerende verzoeker het coördinatieattest verstuurt binnen een termijn van minder dan zestig dagen vanaf de overmaking van de planning, kan iedere geappelleerde verzoeker zich verzetten tegen het coördinatieattest. Het verzet wordt binnen de in § 1 bedoelde termijn van tien dagen overgemaakt aan de appellerende verzoeker, de andere geappelleerde verzoekers en de beheerder.
Bij verzet kan de appellerende verzoeker geen nieuw coordinatieattest versturen vóór er zestig dagen verstreken zijn vanaf de dag waarop de planning werd overgemaakt.
§ 3. De regering bepaalt het model van het coördinatieattest.
Art. 17. Procédure.
§ 1er. Lorsqu'il souhaite exécuter un chantier visé à l'article 15, le service d'exécution ou la personne figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, ci-après dénommé l'impétrant-appelant, envoie une attestation de coordination aux autres services d'exécution et aux personnes figurant sur cette même liste, ci-après dénommés les impétrants-appelés.
Les impétrants-appelés qui souhaitent exécuter un chantier sous, au niveau de, au-dessus de ou à proximité de la portion de voirie visée dans l'attestation de coordination, en informent l'impétrant-appelant dans les dix jours de sa réception.
§ 2. Lorsque le chantier a été programmé et que l'impétrantappelant envoie l'attestation de coordination dans un délai inférieur à soixante jours depuis la transmission de la programmation, tout impétrant-appelé peut s'opposer à l'attestation de coordination. L'opposition est transmise dans le délai de dix jours visé au § 1er à l'impétrant-appelant, aux autres impétrants-appelés et au gestionnaire.
En cas d'opposition, l'impétrant-appelant ne peut envoyer de nouvelle attestation de coordination avant l'expiration d'un délai de soixante jours prenant cours à la transmission de la programmation.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'attestation de coordination.
§ 1er. Lorsqu'il souhaite exécuter un chantier visé à l'article 15, le service d'exécution ou la personne figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, ci-après dénommé l'impétrant-appelant, envoie une attestation de coordination aux autres services d'exécution et aux personnes figurant sur cette même liste, ci-après dénommés les impétrants-appelés.
Les impétrants-appelés qui souhaitent exécuter un chantier sous, au niveau de, au-dessus de ou à proximité de la portion de voirie visée dans l'attestation de coordination, en informent l'impétrant-appelant dans les dix jours de sa réception.
§ 2. Lorsque le chantier a été programmé et que l'impétrantappelant envoie l'attestation de coordination dans un délai inférieur à soixante jours depuis la transmission de la programmation, tout impétrant-appelé peut s'opposer à l'attestation de coordination. L'opposition est transmise dans le délai de dix jours visé au § 1er à l'impétrant-appelant, aux autres impétrants-appelés et au gestionnaire.
En cas d'opposition, l'impétrant-appelant ne peut envoyer de nouvelle attestation de coordination avant l'expiration d'un délai de soixante jours prenant cours à la transmission de la programmation.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'attestation de coordination.
Art. 18. Herinnering.
Als een geappelleerde verzoeker binnen de in artikel 17, § 1 beoogde termijn van tien dagen niet antwoordt, verstuurt de appellerende verzoeker hem een herinnering uiterlijk de dag volgend op het verstrijken van deze termijn. Gebeurt dit niet, dan wordt de coördinatieprocedure geacht niet begonnen te zijn.
De geappelleerde verzoeker antwoordt binnen vijf dagen na de verzending van de herinnering. Bij afwezigheid van antwoord binnen deze termijn, wordt de geappelleerde verzoeker geacht niet aan de coördinatie te willen deelnemen.
De regering bepaalt het model van de nieuwe aanvraag en van het antwoord op de herinnering.
Als een geappelleerde verzoeker binnen de in artikel 17, § 1 beoogde termijn van tien dagen niet antwoordt, verstuurt de appellerende verzoeker hem een herinnering uiterlijk de dag volgend op het verstrijken van deze termijn. Gebeurt dit niet, dan wordt de coördinatieprocedure geacht niet begonnen te zijn.
De geappelleerde verzoeker antwoordt binnen vijf dagen na de verzending van de herinnering. Bij afwezigheid van antwoord binnen deze termijn, wordt de geappelleerde verzoeker geacht niet aan de coördinatie te willen deelnemen.
De regering bepaalt het model van de nieuwe aanvraag en van het antwoord op de herinnering.
Art. 18. Rappel. En l'absence de réponse d'un impétrant-appelé dans le délai de dix jours visé à l'article 17, § 1er, l'impétrant-appelant lui envoie, au plus tard le jour qui suit l'expiration de ce délai, un rappel. A défaut, la procédure de coordination est réputée ne pas avoir été entamée.
L'impétrant-appelé répond dans les cinq jours de l'envoi du rappel. En l'absence de réponse dans ce délai, l'impétrant-appelé est réputé ne pas vouloir participer à la coordination.
Le gouvernement détermine le modèle du rappel et de la réponse au rappel.
L'impétrant-appelé répond dans les cinq jours de l'envoi du rappel. En l'absence de réponse dans ce délai, l'impétrant-appelé est réputé ne pas vouloir participer à la coordination.
Le gouvernement détermine le modèle du rappel et de la réponse au rappel.
Sectie 2. - Vervolg van de procedure in het kader van een niet-gemengde bouwplaats.
Section 2. - La suite de la procédure dans le cadre d'un chantier non-mixte.
Subsectie 1. - Aanstelling van de leidende-verzoeker.
Sous-section 1re. - La désignation de l'impétrant-pilote.
Art. 19. Aanstellingsprocedure.
§ 1. Bij een niet-gemengde bouwplaats stellen de gecoördineerde verzoekers, op initiatief van de appellerende verzoeker, de leidende verzoeker aan. Wordt geen consensus bereikt, dan geschiedt de aanstelling bij volstrekte meerderheid van de stemmen; bij gelijkheid van stemmen, is de stem van de appellerende verzoeker doorslaggevend.
De leidende verzoeker wordt aangesteld binnen tien dagen volgend op de ontvangst van het laatste antwoord van een geappelleerde verzoeker op het coördinatieattest of na het verstrijken van de termijn van vijf dagen bedoeld in artikel 18, tweede lid.
Vindt binnen deze termijn geen aanstelling plaats, dan is de appellerende verzoeker, van rechtswege, leidende verzoeker. Indien hij zich daartegen verzet, dan brengt hij, uiterlijk op de dag na het verstrijken van deze zelfde termijn, de gecoördineerde-verzoekers daarvan op de hoogte.
Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die niet deelneemt aan de aanstelling van de leidende verzoeker, afziet van de coördinatieprocedure.
De regering bepaalt de vorm van de aanstelling van de leidende verzoeker.
§ 2. De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest aan de leidende verzoeker over.
§ 1. Bij een niet-gemengde bouwplaats stellen de gecoördineerde verzoekers, op initiatief van de appellerende verzoeker, de leidende verzoeker aan. Wordt geen consensus bereikt, dan geschiedt de aanstelling bij volstrekte meerderheid van de stemmen; bij gelijkheid van stemmen, is de stem van de appellerende verzoeker doorslaggevend.
De leidende verzoeker wordt aangesteld binnen tien dagen volgend op de ontvangst van het laatste antwoord van een geappelleerde verzoeker op het coördinatieattest of na het verstrijken van de termijn van vijf dagen bedoeld in artikel 18, tweede lid.
Vindt binnen deze termijn geen aanstelling plaats, dan is de appellerende verzoeker, van rechtswege, leidende verzoeker. Indien hij zich daartegen verzet, dan brengt hij, uiterlijk op de dag na het verstrijken van deze zelfde termijn, de gecoördineerde-verzoekers daarvan op de hoogte.
Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die niet deelneemt aan de aanstelling van de leidende verzoeker, afziet van de coördinatieprocedure.
De regering bepaalt de vorm van de aanstelling van de leidende verzoeker.
§ 2. De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest aan de leidende verzoeker over.
Art. 19. Procédure de désignation.
§ 1er. En cas de chantier non-mixte, les impétrantscoordonnés désignent, à l'initiative de l'impétrant-appelant, l'impétrant-pilote. Faute de consensus, la désignation intervient à la majorité absolue des voix; en cas d'égalité, la voix de l'impétrant-appelant est prépondérante.
L'impétrant-pilote est désigné dans les dix jours de la réception de la dernière réponse d'un impétrant-appelé à l'attestation de coordination ou de l'expiration du délai de cinq jours visé à l'article 18, deuxième alinéa.
Faute de désignation dans ce délai, l'impétrant-appelant est, de plein droit, impétrant-pilote. S'il s'y oppose, il en informe, au plus tard le jour qui suit l'expiration de ce même délai, les impétrants-coordonnés.
L'impétrant-coordonné qui ne participe pas à la désignation de l'impétrant-pilote est réputé renoncer à la procédure de coordination.
Le gouvernement détermine la forme de la désignation de l'impétrant-pilote.
§ 2. L'impétrant-appelant transmet à l'impétrant-pilote, dès sa désignation, les réponses à l'attestation de coordination.
§ 1er. En cas de chantier non-mixte, les impétrantscoordonnés désignent, à l'initiative de l'impétrant-appelant, l'impétrant-pilote. Faute de consensus, la désignation intervient à la majorité absolue des voix; en cas d'égalité, la voix de l'impétrant-appelant est prépondérante.
L'impétrant-pilote est désigné dans les dix jours de la réception de la dernière réponse d'un impétrant-appelé à l'attestation de coordination ou de l'expiration du délai de cinq jours visé à l'article 18, deuxième alinéa.
Faute de désignation dans ce délai, l'impétrant-appelant est, de plein droit, impétrant-pilote. S'il s'y oppose, il en informe, au plus tard le jour qui suit l'expiration de ce même délai, les impétrants-coordonnés.
L'impétrant-coordonné qui ne participe pas à la désignation de l'impétrant-pilote est réputé renoncer à la procédure de coordination.
Le gouvernement détermine la forme de la désignation de l'impétrant-pilote.
§ 2. L'impétrant-appelant transmet à l'impétrant-pilote, dès sa désignation, les réponses à l'attestation de coordination.
Subsectie 2. - Uitwerking van het gemeenschappelijke aanvraagdossier voor de uitvoeringsvergunning.
Sous-section 2. - L'élaboration du dossier commun de demande d'autorisation d'exécution de chantier.
Art. 20. Vereenvoudigd dossier.
De gecoördineerde verzoekers maken aan de leidende verzoeker een vereenvoudigd dossier voor de aanvraag van een uitvoeringsvergunning over, waarin, met behulp van een plan, inzonderheid een beschrijving is opgenomen van de werken en hun terrein.
Het dossier wordt overgemaakt binnen twintig dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker. Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die geen volledig dossier binnen deze termijn overmaakt, afziet van de coördinatieprocedure.
De regering bepaalt het model van het vereenvoudigd dossier voor de aanvraag van de uitvoeringsvergunning en preciseert de samenstelling ervan.
De gecoördineerde verzoekers maken aan de leidende verzoeker een vereenvoudigd dossier voor de aanvraag van een uitvoeringsvergunning over, waarin, met behulp van een plan, inzonderheid een beschrijving is opgenomen van de werken en hun terrein.
Het dossier wordt overgemaakt binnen twintig dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker. Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die geen volledig dossier binnen deze termijn overmaakt, afziet van de coördinatieprocedure.
De regering bepaalt het model van het vereenvoudigd dossier voor de aanvraag van de uitvoeringsvergunning en preciseert de samenstelling ervan.
Art. 20. Dossier simplifié.
Les impétrants-coordonnés transmettent à l'impétrantpilote un dossier simplifié de demande d'autorisation d'exécution de chantier qui fait apparaître, notamment, une description des travaux et leur emprise à l'aide d'un plan.
Le dossier est transmis dans les vingt jours de la désignation de l'impétrant-pilote. L'impétrant-coordonné qui ne transmet pas de dossier complet dans ce délai est réputé renoncer à la procédure de coordination.
Le gouvernement détermine le modèle du dossier simplifié de demande d'autorisation d'exécution de chantier et précise sa composition.
Les impétrants-coordonnés transmettent à l'impétrantpilote un dossier simplifié de demande d'autorisation d'exécution de chantier qui fait apparaître, notamment, une description des travaux et leur emprise à l'aide d'un plan.
Le dossier est transmis dans les vingt jours de la désignation de l'impétrant-pilote. L'impétrant-coordonné qui ne transmet pas de dossier complet dans ce délai est réputé renoncer à la procédure de coordination.
Le gouvernement détermine le modèle du dossier simplifié de demande d'autorisation d'exécution de chantier et précise sa composition.
Art. 21. Coördinatiebalans.
De leidende verzoeker stelt binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van het laatste vereenvoudigde dossier of na het verstrijken van de termijn van twintig dagen bedoeld in artikel 20, de coördinatiebalans op. Hij bezorgt binnen deze zelfde termijn een afschrift ervan aan de gecoordineerde verzoekers.
De coördinatiebalans vat de antwoorden op het coördinatieattest samen, hierbij inbegrepen de eventuele herinneringen, en bevat een coördinatieplan dat de bouwplaatsen van de gecoördineerde verzoekers localiseert.
De regering bepaalt het model van de coördinatiebalans en preciseert de samenstelling ervan.
De leidende verzoeker stelt binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van het laatste vereenvoudigde dossier of na het verstrijken van de termijn van twintig dagen bedoeld in artikel 20, de coördinatiebalans op. Hij bezorgt binnen deze zelfde termijn een afschrift ervan aan de gecoordineerde verzoekers.
De coördinatiebalans vat de antwoorden op het coördinatieattest samen, hierbij inbegrepen de eventuele herinneringen, en bevat een coördinatieplan dat de bouwplaatsen van de gecoördineerde verzoekers localiseert.
De regering bepaalt het model van de coördinatiebalans en preciseert de samenstelling ervan.
Art. 21. Bilan de coordination.
Dans les vingt jours de la réception du dernier dossier simplifié ou de l'expiration du délai de vingt jours visé à l'article 20, l'impétrant-pilote établit le bilan de coordination. Il en transmet, dans ce même délai, une copie aux impétrants-coordonnés.
Le bilan de coordination récapitule les réponses réservées à l'attestation de coordination, en ce compris les éventuels rappels, et comporte un plan de coordination qui localise les travaux des impétrants-coordonnés.
Le gouvernement détermine le modèle du bilan de coordination et précise sa composition.
Dans les vingt jours de la réception du dernier dossier simplifié ou de l'expiration du délai de vingt jours visé à l'article 20, l'impétrant-pilote établit le bilan de coordination. Il en transmet, dans ce même délai, une copie aux impétrants-coordonnés.
Le bilan de coordination récapitule les réponses réservées à l'attestation de coordination, en ce compris les éventuels rappels, et comporte un plan de coordination qui localise les travaux des impétrants-coordonnés.
Le gouvernement détermine le modèle du bilan de coordination et précise sa composition.
Sectie 3. - Vervolg van de procedure in het kader van een gemengde bouwplaats.
Section 3. - La suite de la procédure dans le cadre d'un chantier mixte.
Subsectie 1. - Aanstelling van de leidende verzoeker en de coördinerende verzoeker.
Sous-section 1re. - La désignation de l'impétrant-pilote et de l'impétrant-coordinateur.
Art. 22. Aanstelling van de leidende verzoeker.
In geval van een gemengde bouwplaats, wordt de leidende verzoeker door de gecoördineerde verzoekers aangesteld met inachtneming van artikel 19.
De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest van de gecoördineerde verzoekers uit zijn categorie aan de leidende verzoeker over.
In geval van een gemengde bouwplaats, wordt de leidende verzoeker door de gecoördineerde verzoekers aangesteld met inachtneming van artikel 19.
De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest van de gecoördineerde verzoekers uit zijn categorie aan de leidende verzoeker over.
Art. 22. Désignation de l'impétrant-pilote.
En cas de chantier mixte, l'impétrant-pilote est désigné par les impétrants-coordonnés dans le respect de l'article 19.
L'impétrant-appelant transmet à l'impétrant-pilote, dès sa désignation, les réponses à l'attestation de coordination des impétrants-coordonnés qui relèvent de sa catégorie.
En cas de chantier mixte, l'impétrant-pilote est désigné par les impétrants-coordonnés dans le respect de l'article 19.
L'impétrant-appelant transmet à l'impétrant-pilote, dès sa désignation, les réponses à l'attestation de coordination des impétrants-coordonnés qui relèvent de sa catégorie.
Art. 23. Aanstelling van de coördinerende verzoeker.
§ 1. De gecoördineerde verzoekers die niet vallen in de categorie van de leidende verzoeker stellen, indien geen consensus wordt bereikt, bij volstrekte meerderheid van stemmen, de coördinerende verzoeker aan binnen de categorie waartoe ze behoren.
De coördinerende verzoeker wordt aangesteld binnen tien dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker.
Als bij het verstrijken van deze termijn geen aanstelling heeft plaatsgevonden, dan stelt de leidende verzoeker, ten laatste op de dag na het verstrijken van deze zelfde termijn, de coördinerende verzoeker aan. Hij brengt de gecoördineerde verzoekers er tegelijkertijd van op de hoogte. Indien de coördinerende verzoeker zich verzet tegen zijn aanstelling, dan brengt hij uiterlijk op de dag volgend op zijn aanstelling de gecoördineerde verzoekers daarvan op de hoogte.
Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die niet deelneemt aan de aanstelling van de coördinerende verzoeker, afziet van de coördinatieprocedure.
De regering bepaalt de vorm van de aanstelling van de coördinerende verzoeker.
§ 2. De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest van de gecoördineerde verzoekers uit zijn categorie aan de coördinerende verzoeker over.
§ 1. De gecoördineerde verzoekers die niet vallen in de categorie van de leidende verzoeker stellen, indien geen consensus wordt bereikt, bij volstrekte meerderheid van stemmen, de coördinerende verzoeker aan binnen de categorie waartoe ze behoren.
De coördinerende verzoeker wordt aangesteld binnen tien dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker.
Als bij het verstrijken van deze termijn geen aanstelling heeft plaatsgevonden, dan stelt de leidende verzoeker, ten laatste op de dag na het verstrijken van deze zelfde termijn, de coördinerende verzoeker aan. Hij brengt de gecoördineerde verzoekers er tegelijkertijd van op de hoogte. Indien de coördinerende verzoeker zich verzet tegen zijn aanstelling, dan brengt hij uiterlijk op de dag volgend op zijn aanstelling de gecoördineerde verzoekers daarvan op de hoogte.
Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die niet deelneemt aan de aanstelling van de coördinerende verzoeker, afziet van de coördinatieprocedure.
De regering bepaalt de vorm van de aanstelling van de coördinerende verzoeker.
§ 2. De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest van de gecoördineerde verzoekers uit zijn categorie aan de coördinerende verzoeker over.
Art. 23. Désignation de l'impétrant-coordinateur.
§ 1er. Les impétrants-coordonnés qui ne relèvent pas de la catégorie de l'impétrant-pilote désignent, faute de consensus, à la majorité absolue des voix, l'impétrant-coordinateur au sein de la catégorie dont ils relèvent.
L'impétrant-coordinateur est désigné dans les dix jours de la désignation de l'impétrant-pilote.
Faute de désignation dans ce délai, l'impétrant-pilote désigne, au plus tard le jour qui suit l'expiration de ce même délai, l'impétrant-coordinateur. Il en informe simultanément les impétrants-coordonnés. Si l'impétrant-coordinateur s'oppose à sa désignation, il en informe, au plus tard le jour qui suit sa désignation, les impétrants-coordonnés.
L'impétrant-coordonné qui ne participe pas à la désignation de l'impétrant-coordinateur est réputé renoncer à la procédure de coordination.
Le gouvernement détermine la forme de la désignation de l'impétrant-coordinateur.
§ 2. L'impétrant-appelant transmet à l'impétrant-coordinateur, dès sa désignation, les réponses à l'attestation de coordination des impétrants-coordonnés qui relèvent de sa catégorie.
§ 1er. Les impétrants-coordonnés qui ne relèvent pas de la catégorie de l'impétrant-pilote désignent, faute de consensus, à la majorité absolue des voix, l'impétrant-coordinateur au sein de la catégorie dont ils relèvent.
L'impétrant-coordinateur est désigné dans les dix jours de la désignation de l'impétrant-pilote.
Faute de désignation dans ce délai, l'impétrant-pilote désigne, au plus tard le jour qui suit l'expiration de ce même délai, l'impétrant-coordinateur. Il en informe simultanément les impétrants-coordonnés. Si l'impétrant-coordinateur s'oppose à sa désignation, il en informe, au plus tard le jour qui suit sa désignation, les impétrants-coordonnés.
L'impétrant-coordonné qui ne participe pas à la désignation de l'impétrant-coordinateur est réputé renoncer à la procédure de coordination.
Le gouvernement détermine la forme de la désignation de l'impétrant-coordinateur.
§ 2. L'impétrant-appelant transmet à l'impétrant-coordinateur, dès sa désignation, les réponses à l'attestation de coordination des impétrants-coordonnés qui relèvent de sa catégorie.
Subsectie 2. - Uitwerking van het gemeenschappelijke aanvraagdossier voor de uitvoeringsvergunning.
Sous-section 2. - L'élaboration du dossier commun de demande d'autorisation d'exécution de chantier.
Art. 24. Vereenvoudigd dossier.
De gecoördineerde verzoekers maken de leidende verzoeker of de coördinerende verzoeker, afhankelijk van de categorie waartoe ze behoren, een vereenvoudigd dossier over voor de aanvraag van de uitvoeringsvergunning, opgesteld in overeenstemming met artikel 20.
Het dossier wordt binnen twintig dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker of de coördinerende verzoeker overgemaakt. Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die binnen deze termijn geen volledig dossier overmaakt, afziet van de coördinatieprocedure.
De gecoördineerde verzoekers maken de leidende verzoeker of de coördinerende verzoeker, afhankelijk van de categorie waartoe ze behoren, een vereenvoudigd dossier over voor de aanvraag van de uitvoeringsvergunning, opgesteld in overeenstemming met artikel 20.
Het dossier wordt binnen twintig dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker of de coördinerende verzoeker overgemaakt. Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die binnen deze termijn geen volledig dossier overmaakt, afziet van de coördinatieprocedure.
Art. 24. Dossier simplifié.
Les impétrants-coordonnés transmettent à l'impétrant-pilote ou à l'impétrant-coordinateur, en fonction de la catégorie dont ils relèvent, un dossier simplifié de demande d'autorisation d'exécution de chantier établi conformément à l'article 20.
Le dossier est transmis dans les vingt jours de la désignation de l'impétrant-pilote ou de l'impétrant-coordinateur. L'impétrant-coordonné qui ne transmet pas de dossier complet dans ce délai est réputé renoncer à la procédure de coordination.
Les impétrants-coordonnés transmettent à l'impétrant-pilote ou à l'impétrant-coordinateur, en fonction de la catégorie dont ils relèvent, un dossier simplifié de demande d'autorisation d'exécution de chantier établi conformément à l'article 20.
Le dossier est transmis dans les vingt jours de la désignation de l'impétrant-pilote ou de l'impétrant-coordinateur. L'impétrant-coordonné qui ne transmet pas de dossier complet dans ce délai est réputé renoncer à la procédure de coordination.
Art. 25. Coördinatiesynthese.
Zowel de leidende verzoeker als de coördinerende verzoeker stelt, voor de categorie die hem aanbelangt, een coordinatiesynthese op die gebaseerd is op de vereenvoudigde dossiers van de gecoördineerde verzoekers die tot hun categorie behoren, en dit binnen een termijn van twintig dagen volgend op de ontvangst van het laatste vereenvoudigde dossier of na het verstrijken van de termijn van twintig dagen zoals bedoeld in artikel 24.
Binnen deze termijn maken zij de gecoördineerde verzoekers, die tot hun categorie behoren, een afschrift van hun coördinatiesynthese over. De coördinerende verzoeker maakt binnen deze zelfde termijn zijn coördinatiesynthese over aan de leidende verzoeker.
De coördinatiesynthese vat de antwoorden op het coördinatieattest, alsook op eventuele herinneringen, samen en bevat een coördinatieplan dat de werken van de gecoördineerde verzoekers localiseert.
De regering bepaalt het model van de coördinatiesynthese en preciseert de samenstelling ervan.
Zowel de leidende verzoeker als de coördinerende verzoeker stelt, voor de categorie die hem aanbelangt, een coordinatiesynthese op die gebaseerd is op de vereenvoudigde dossiers van de gecoördineerde verzoekers die tot hun categorie behoren, en dit binnen een termijn van twintig dagen volgend op de ontvangst van het laatste vereenvoudigde dossier of na het verstrijken van de termijn van twintig dagen zoals bedoeld in artikel 24.
Binnen deze termijn maken zij de gecoördineerde verzoekers, die tot hun categorie behoren, een afschrift van hun coördinatiesynthese over. De coördinerende verzoeker maakt binnen deze zelfde termijn zijn coördinatiesynthese over aan de leidende verzoeker.
De coördinatiesynthese vat de antwoorden op het coördinatieattest, alsook op eventuele herinneringen, samen en bevat een coördinatieplan dat de werken van de gecoördineerde verzoekers localiseert.
De regering bepaalt het model van de coördinatiesynthese en preciseert de samenstelling ervan.
Art. 25. Synthèse de coordination.
L'impétrant-pilote et l'impétrant-coordinateur établissent chacun, pour la catégorie qui les concerne, une synthèse de coordination, sur la base des dossiers simplifiés des impétrants-coordonnés relevant de leur catégorie, dans les vingt jours de la réception du dernier dossier simplifié ou de l'expiration du délai de vingt jours fixé à l'article 24.
Dans ce délai, ils transmettent aux impétrants-coordonnés qui relèvent de leur catégorie, une copie de leur synthèse de coordination. L'impétrant-coordinateur transmet, dans ce même délai, sa synthèse de coordination à l'impétrant-pilote.
La synthèse de coordination récapitule les réponses réservées à l'attestation de coordination, en ce compris aux éventuels rappels, et comporte un plan de coordination qui localise les travaux des impétrants-coordonnés.
Le gouvernement détermine le modèle de la synthèse de coordination et précise sa composition.
L'impétrant-pilote et l'impétrant-coordinateur établissent chacun, pour la catégorie qui les concerne, une synthèse de coordination, sur la base des dossiers simplifiés des impétrants-coordonnés relevant de leur catégorie, dans les vingt jours de la réception du dernier dossier simplifié ou de l'expiration du délai de vingt jours fixé à l'article 24.
Dans ce délai, ils transmettent aux impétrants-coordonnés qui relèvent de leur catégorie, une copie de leur synthèse de coordination. L'impétrant-coordinateur transmet, dans ce même délai, sa synthèse de coordination à l'impétrant-pilote.
La synthèse de coordination récapitule les réponses réservées à l'attestation de coordination, en ce compris aux éventuels rappels, et comporte un plan de coordination qui localise les travaux des impétrants-coordonnés.
Le gouvernement détermine le modèle de la synthèse de coordination et précise sa composition.
Art. 26. Coördinatiebalans.
Binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van de coördinatiesynthese van de coördinerende verzoeker, stelt de leidende verzoeker, op basis van de coördinatiesyntheses, de coördinatiebalans op en bezorgt die, in overeenstemming met artikel 21.
Binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van de coördinatiesynthese van de coördinerende verzoeker, stelt de leidende verzoeker, op basis van de coördinatiesyntheses, de coördinatiebalans op en bezorgt die, in overeenstemming met artikel 21.
Art. 26. Bilan de coordination.
Dans les vingt jours de la réception de la synthèse de coordination de l'impétrant-coordinateur, l'impétrant-pilote établit, sur la base des synthèses de coordination, le bilan de coordination et le transmet conformément à l'article 21.
Dans les vingt jours de la réception de la synthèse de coordination de l'impétrant-coordinateur, l'impétrant-pilote établit, sur la base des synthèses de coordination, le bilan de coordination et le transmet conformément à l'article 21.
HOOFDSTUK 3. - In gebreke blijven van een verzoeker.
CHAPITRE 3. - La défaillance d'un impétrant.
Art. 27. In gebreke blijven.
Wordt geacht in gebreke te blijven :
1° de gecoördineerde verzoeker die zijn aanstelling als leidende verzoeker weigert, met toepassing van artikel 19, § 1, tweede of derde lid;
2° de gecoördineerde verzoeker die zijn aanstelling als coordinerende verzoeker weigert, met toepassing van artikel 23, § 1, tweede of derde lid;
3° de coördinerende verzoeker die de coördinatiesynthese niet overmaakt aan de leidende verzoeker binnen de in artikel 25 bedoelde termijn;
4° de leidende verzoeker die geen coördinerende verzoeker aanstelt bij het verstrijken van de in artikel 23, § 1 derde lid bedoelde termijn, of die niet de coördinatiesynthese of de coördinatiebalans opstelt binnen de in de artikelen 21, 25 en 26 bedoelde termijnen.
Wordt geacht in gebreke te blijven :
1° de gecoördineerde verzoeker die zijn aanstelling als leidende verzoeker weigert, met toepassing van artikel 19, § 1, tweede of derde lid;
2° de gecoördineerde verzoeker die zijn aanstelling als coordinerende verzoeker weigert, met toepassing van artikel 23, § 1, tweede of derde lid;
3° de coördinerende verzoeker die de coördinatiesynthese niet overmaakt aan de leidende verzoeker binnen de in artikel 25 bedoelde termijn;
4° de leidende verzoeker die geen coördinerende verzoeker aanstelt bij het verstrijken van de in artikel 23, § 1 derde lid bedoelde termijn, of die niet de coördinatiesynthese of de coördinatiebalans opstelt binnen de in de artikelen 21, 25 en 26 bedoelde termijnen.
Art. 27. Cas de défaillance.
Est réputé défaillant :
1° l'impétrant-coordonné qui refuse sa désignation comme impétrant-pilote, en application de l'article 19, § 1er, deuxième ou troisième alinéa;
2° l'impétrant-coordonné qui refuse sa désignation comme impétrant-coordinateur, en application de l'article 23, § 1er, deuxième ou troisième alinéa;
3° l'impétrant-coordinateur qui ne transmet pas la synthèse de coordination à l'impétrant-pilote, dans le délai visé à l'article 25;
4° l'impétrant-pilote qui ne désigne pas l'impétrant-coordinateur, à l'expiration du délai visé à l'article 23, § 1er, troisième alinéa, ou qui ne transmet pas aux impétrantscoordonnés la synthèse de coordination ou le bilan de coordination, dans les délais visés aux articles 21, 25 et 26.
Est réputé défaillant :
1° l'impétrant-coordonné qui refuse sa désignation comme impétrant-pilote, en application de l'article 19, § 1er, deuxième ou troisième alinéa;
2° l'impétrant-coordonné qui refuse sa désignation comme impétrant-coordinateur, en application de l'article 23, § 1er, deuxième ou troisième alinéa;
3° l'impétrant-coordinateur qui ne transmet pas la synthèse de coordination à l'impétrant-pilote, dans le délai visé à l'article 25;
4° l'impétrant-pilote qui ne désigne pas l'impétrant-coordinateur, à l'expiration du délai visé à l'article 23, § 1er, troisième alinéa, ou qui ne transmet pas aux impétrantscoordonnés la synthèse de coordination ou le bilan de coordination, dans les délais visés aux articles 21, 25 et 26.
Art. 28. Gevolgen van in gebreke blijven.
§ 1. Binnen dertig dagen volgend op het in gebreke blijven, maken de gecoördineerde verzoekers de in gebreke blijvende verzoeker een ingebrekestelling over om hem ertoe aan te sporen er een einde aan te stellen. Zij maken een kopie van hun ingebrekestelling over aan de gecoördineerde-verzoekers.
Bij gebrek aan een ingebrekestelling binnen deze termijn, wordt de coördinatieprocedure beschouwd als niet aangevat.
§ 2. De in gebreke blijvende verzoeker stelt een einde aan zijn in gebreke blijven binnen tien dagen volgend op de ontvangstdatum van de eerste ingebrekestelling.
Doet hij dit niet, dan wordt de coördinatieprocedure opgeschort, in afwachting van de aanhangigmaking bij het Verzoeningscomité, in overeenstemming met artikel 77, § 1, 2°.
Wanneer de zaak niet aanhangig wordt gemaakt bij het Verzoeningscomité of bij mislukking van de verzoening, wordt de coördinatieprocedure beschouwd als niet aangevat.
§ 3. De regering bepaalt het model van de ingebrekestelling.
§ 1. Binnen dertig dagen volgend op het in gebreke blijven, maken de gecoördineerde verzoekers de in gebreke blijvende verzoeker een ingebrekestelling over om hem ertoe aan te sporen er een einde aan te stellen. Zij maken een kopie van hun ingebrekestelling over aan de gecoördineerde-verzoekers.
Bij gebrek aan een ingebrekestelling binnen deze termijn, wordt de coördinatieprocedure beschouwd als niet aangevat.
§ 2. De in gebreke blijvende verzoeker stelt een einde aan zijn in gebreke blijven binnen tien dagen volgend op de ontvangstdatum van de eerste ingebrekestelling.
Doet hij dit niet, dan wordt de coördinatieprocedure opgeschort, in afwachting van de aanhangigmaking bij het Verzoeningscomité, in overeenstemming met artikel 77, § 1, 2°.
Wanneer de zaak niet aanhangig wordt gemaakt bij het Verzoeningscomité of bij mislukking van de verzoening, wordt de coördinatieprocedure beschouwd als niet aangevat.
§ 3. De regering bepaalt het model van de ingebrekestelling.
Art. 28. Effets de la défaillance.
§ 1er. Dans les trente jours de la défaillance, les impétrants-coordonnés transmettent à l'impétrant défaillant une mise en demeure l'invitant à y mettre fin. Ils transmettent une copie de leur mise en demeure aux impétrants-coordonnés.
En l'absence de toute mise en demeure dans ce délai, la procédure de coordination est réputée ne pas avoir été entamée.
§ 2. L'impétrant défaillant met fin à sa défaillance dans les dix jours de la réception de la première mise en demeure.
A défaut, la procédure de coordination est suspendue dans l'attente de la saisine du Comité de Conciliation, conformément à l'article 77, § 1er, 2°.
En l'absence de saisine du Comité de Conciliation ou en cas d'échec de la conciliation, la procédure de coordination est réputée ne pas avoir été entamée.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la mise en demeure.
§ 1er. Dans les trente jours de la défaillance, les impétrants-coordonnés transmettent à l'impétrant défaillant une mise en demeure l'invitant à y mettre fin. Ils transmettent une copie de leur mise en demeure aux impétrants-coordonnés.
En l'absence de toute mise en demeure dans ce délai, la procédure de coordination est réputée ne pas avoir été entamée.
§ 2. L'impétrant défaillant met fin à sa défaillance dans les dix jours de la réception de la première mise en demeure.
A défaut, la procédure de coordination est suspendue dans l'attente de la saisine du Comité de Conciliation, conformément à l'article 77, § 1er, 2°.
En l'absence de saisine du Comité de Conciliation ou en cas d'échec de la conciliation, la procédure de coordination est réputée ne pas avoir été entamée.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la mise en demeure.
HOOFDSTUK 4. - Vervalling en verlenging van de coördinatie.
CHAPITRE 4. - La péremption et la prorogation de la coordination.
Art. 29. Vervaltermijn.
De coördinatie vervalt indien een aanvraag voor uitvoeringsvergunning niet wordt ingediend binnen honderdtwintig dagen volgend op de overmakingsdatum van de coördinatiebalans.
De coördinatie vervalt indien een aanvraag voor uitvoeringsvergunning niet wordt ingediend binnen honderdtwintig dagen volgend op de overmakingsdatum van de coördinatiebalans.
Art. 29. Délai de péremption.
La coordination est périmée si une demande d'autorisation d'exécution de chantier n'est pas introduite dans les cent vingt jours qui suivent la date de transmission du bilan de coordination.
La coordination est périmée si une demande d'autorisation d'exécution de chantier n'est pas introduite dans les cent vingt jours qui suivent la date de transmission du bilan de coordination.
Art. 30. Verlenging.
§ 1. Op initiatief van de leidende coördinator kan de beheerder de in artikel 29 bedoelde termijn van honderd twintig dagen verlengen voor de duur die hij bepaalt en zonder dat deze langer mag zijn dan honderdtwintig dagen.
De leidende verzoeker dient, op straffe van verval, de verlengingsaanvraag in ten minste dertig dagen vóór het verstrijken van de termijn van honderdtwintig dagen.
§ 2. De beheerder neemt een beslissing over de verlengingsaanvraag en deelt zijn beslissing mee aan de leidende verzoeker, binnen dertig dagen volgend op de aanvraag.
De verlenging wordt beschouwd als verworpen indien de beheerder geenbeslissing meedeelt binnen deze termijn.
De beheerder maakt de Commissie en de gecoördineerde verzoekers, binnen dezezelfde termijn, een afschrift over van zijn beslissing.
§ 3. De regering bepaalt het model van de verlengingsaanvraag en van de verlengingsbeslissing.
§ 1. Op initiatief van de leidende coördinator kan de beheerder de in artikel 29 bedoelde termijn van honderd twintig dagen verlengen voor de duur die hij bepaalt en zonder dat deze langer mag zijn dan honderdtwintig dagen.
De leidende verzoeker dient, op straffe van verval, de verlengingsaanvraag in ten minste dertig dagen vóór het verstrijken van de termijn van honderdtwintig dagen.
§ 2. De beheerder neemt een beslissing over de verlengingsaanvraag en deelt zijn beslissing mee aan de leidende verzoeker, binnen dertig dagen volgend op de aanvraag.
De verlenging wordt beschouwd als verworpen indien de beheerder geenbeslissing meedeelt binnen deze termijn.
De beheerder maakt de Commissie en de gecoördineerde verzoekers, binnen dezezelfde termijn, een afschrift over van zijn beslissing.
§ 3. De regering bepaalt het model van de verlengingsaanvraag en van de verlengingsbeslissing.
Art. 30. Prorogation.
§ 1er. A l'initiative de l'impétrant-pilote, le gestionnaire peut proroger le délai de cent vingt jours visé à l'article 29, pour la durée que ce dernier détermine et sans que celle-ci puisse excéder cent vingt jours.
L'impétrant-pilote introduit, sous peine de forclusion, la demande de prorogation trente jours au moins avant l'écoulement du délai de cent vingt jours.
§ 2. Le gestionnaire statue sur la demande de prorogation et notifie sa décision à l'impétrant-pilote, dans les trente jours de la demande.
La prorogation est réputée refusée si le gestionnaire ne notifie pas dedécision, dans ce délai.
Le gestionnaire transmet, dans ce même délai, une copie de sa décision à la Commission et aux impétrants-coordonnés.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande de prorogation et de la décision de prorogation.
§ 1er. A l'initiative de l'impétrant-pilote, le gestionnaire peut proroger le délai de cent vingt jours visé à l'article 29, pour la durée que ce dernier détermine et sans que celle-ci puisse excéder cent vingt jours.
L'impétrant-pilote introduit, sous peine de forclusion, la demande de prorogation trente jours au moins avant l'écoulement du délai de cent vingt jours.
§ 2. Le gestionnaire statue sur la demande de prorogation et notifie sa décision à l'impétrant-pilote, dans les trente jours de la demande.
La prorogation est réputée refusée si le gestionnaire ne notifie pas dedécision, dans ce délai.
Le gestionnaire transmet, dans ce même délai, une copie de sa décision à la Commission et aux impétrants-coordonnés.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande de prorogation et de la décision de prorogation.
TITEL 4. - Uitvoeringsvergunning, rectificatiebericht en bouwplaatsakkoord.
TITRE 4. - L'autorisation d'exécution de chantier, l'avis rectificatif et l'accord de chantier.
HOOFDSTUK 1. - Algemeen.
CHAPITRE 1er. - Généralités.
Art. 31. Principe. § 1. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in de verklaring van opstarting van bouwplaats, mag niemand een bouwplaats uitvoeren zonder uitvoeringsvergunning.
De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen uitvoeringsvergunning vereist is, wordt opgesteld door de regering.
§ 2. Een uitvoeringsvergunning kan het voorwerp zijn van een rectificatiebericht, vanaf de ontvangst, door de verzoeker, van deze vergunning tot aan de beëindiging van de bouwplaats, wanneer vanaf de afgifte nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden van dusdanige aard zijn dat ze de uitvoeringsvoorwaarden van de bouwplaats wijzigen.
De regering kan de in het vorige lid bedoelde omstandigheden preciseren.
§ 3. De bouwplaatsen vrijgesteld van vergunning wegens de dringende noodzakelijkheid of de geringe omvang ervan kunnen het voorwerp zijn van een bouwplaatsakkoord, vanaf de ontvangst, door de beheerder, van het bericht van opstarting van bouwplaats tot aan de beëindiging ervan.
De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen uitvoeringsvergunning vereist is, wordt opgesteld door de regering.
§ 2. Een uitvoeringsvergunning kan het voorwerp zijn van een rectificatiebericht, vanaf de ontvangst, door de verzoeker, van deze vergunning tot aan de beëindiging van de bouwplaats, wanneer vanaf de afgifte nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden van dusdanige aard zijn dat ze de uitvoeringsvoorwaarden van de bouwplaats wijzigen.
De regering kan de in het vorige lid bedoelde omstandigheden preciseren.
§ 3. De bouwplaatsen vrijgesteld van vergunning wegens de dringende noodzakelijkheid of de geringe omvang ervan kunnen het voorwerp zijn van een bouwplaatsakkoord, vanaf de ontvangst, door de beheerder, van het bericht van opstarting van bouwplaats tot aan de beëindiging ervan.
Art. 31. Principe. § 1er. Sauf urgence dûment motivée dans l'avis de démarrage de chantier, nul ne peut exécuter un chantier sans autorisation d'exécution de chantier.
Le gouvernement dresse la liste des chantiers qui, en raison de leur minime importance, ne requièrent pas d'autorisation d'exécution de chantier.
§ 2. Lorsque des circonstances nouvelles et imprévisibles lors de sa délivrance sont de nature à modifier les conditions d'exécution du chantier, une autorisation d'exécution de chantier peut faire l'objet d'un avis rectificatif, depuis la réception par l'impétrant de cette autorisation jusqu'au terme du chantier.
Le gouvernement peut préciser les circonstances visées à l'alinéa précédent.
§ 3. Les chantiers dispensés d'autorisation en raison de l'urgence ou de leur minime importance peuvent faire l'objet d'un accord de chantier, depuis la réception par le gestionnaire de l'avis de démarrage de chantier jusqu'au terme de celui-ci.
Le gouvernement dresse la liste des chantiers qui, en raison de leur minime importance, ne requièrent pas d'autorisation d'exécution de chantier.
§ 2. Lorsque des circonstances nouvelles et imprévisibles lors de sa délivrance sont de nature à modifier les conditions d'exécution du chantier, une autorisation d'exécution de chantier peut faire l'objet d'un avis rectificatif, depuis la réception par l'impétrant de cette autorisation jusqu'au terme du chantier.
Le gouvernement peut préciser les circonstances visées à l'alinéa précédent.
§ 3. Les chantiers dispensés d'autorisation en raison de l'urgence ou de leur minime importance peuvent faire l'objet d'un accord de chantier, depuis la réception par le gestionnaire de l'avis de démarrage de chantier jusqu'au terme de celui-ci.
Art. 32. Bouwplaats op verschillende openbare wegen.
§ 1. Wanneer de bouwplaats tegelijk gelegen is op een gewestelijke en op een gemeentelijke weg, of op een of meerdere gemeentelijke wegen van verschillende gemeenten, maakt iederebetrokken beheerder aan de andere betrokken beheerders, ter informatie enzonder verwijl, een kopie over van :
1° zijn beslissingsvoorstel, bedoeld in artikelen 37 en 47;
2° zijn beslissing, bedoeld in artikelen 41 en 50;
3° zijn bouwplaatsakkoord bedoeld in artikel 51.
§ 2. De Commissie maakt iedere betrokken beheerder, ter informatie en zonder verwijl, een kopie over van haar advies.
§ 1. Wanneer de bouwplaats tegelijk gelegen is op een gewestelijke en op een gemeentelijke weg, of op een of meerdere gemeentelijke wegen van verschillende gemeenten, maakt iederebetrokken beheerder aan de andere betrokken beheerders, ter informatie enzonder verwijl, een kopie over van :
1° zijn beslissingsvoorstel, bedoeld in artikelen 37 en 47;
2° zijn beslissing, bedoeld in artikelen 41 en 50;
3° zijn bouwplaatsakkoord bedoeld in artikel 51.
§ 2. De Commissie maakt iedere betrokken beheerder, ter informatie en zonder verwijl, een kopie over van haar advies.
Art. 32. Chantier situé sur plusieurs voiries.
§ 1er. Lorsque le chantier est situé à la fois sur une voirie régionale et sur une voirie communale ou sur une ou plusieurs voirie(s) communale(s) de communes différentes, chaque gestionnaire concerné transmet, pour information et sans délai, aux autres gestionnaires concernés, copie de :
1° sa proposition de décision, visée aux articles 37 et 47;
2° sa décision, visée aux articles 41 et 50;
3° son accord de chantier visé à l'article 51.
§ 2. La Commission transmet, pour information et sans délai, à chaque gestionnaire concerné une copie de son avis.
§ 1er. Lorsque le chantier est situé à la fois sur une voirie régionale et sur une voirie communale ou sur une ou plusieurs voirie(s) communale(s) de communes différentes, chaque gestionnaire concerné transmet, pour information et sans délai, aux autres gestionnaires concernés, copie de :
1° sa proposition de décision, visée aux articles 37 et 47;
2° sa décision, visée aux articles 41 et 50;
3° son accord de chantier visé à l'article 51.
§ 2. La Commission transmet, pour information et sans délai, à chaque gestionnaire concerné une copie de son avis.
Art. 33. Advies van de Commissie.
§ 1. Iedere uitvoeringsvergunningsaanvraag of iedere aanvraag of voorstel tot rectificatiebericht is onderworpen aan het advies van de Commissie indien de bouwplaats, helemaal of gedeeltelijk, is gelegen op een gewestelijke weg of op een gemeentelijke weg met een duidelijk belang voor het verkeer op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De regering stelt de in het eerste lid bedoelde gemeentelijke wegenlijst op na het inwinnen van het advies van de gemeenten.
Het advies van de gemeenten wordt beschouwd als gunstig in geval van stilzwijgen op de vervaldag van een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van de adviesaanvraag.
§ 2. De regering mag de lijst opstellen met de bouwplaatsen bedoeld in § 1 die, uit hoofde van hun geringe omvang, vrijgesteld zijn van het advies van de Commissie.
§ 1. Iedere uitvoeringsvergunningsaanvraag of iedere aanvraag of voorstel tot rectificatiebericht is onderworpen aan het advies van de Commissie indien de bouwplaats, helemaal of gedeeltelijk, is gelegen op een gewestelijke weg of op een gemeentelijke weg met een duidelijk belang voor het verkeer op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De regering stelt de in het eerste lid bedoelde gemeentelijke wegenlijst op na het inwinnen van het advies van de gemeenten.
Het advies van de gemeenten wordt beschouwd als gunstig in geval van stilzwijgen op de vervaldag van een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van de adviesaanvraag.
§ 2. De regering mag de lijst opstellen met de bouwplaatsen bedoeld in § 1 die, uit hoofde van hun geringe omvang, vrijgesteld zijn van het advies van de Commissie.
Art. 33. Avis de la Commission.
§ 1er. Toute demande d'autorisation d'exécution de chantier, ou toute demande ou proposition d'avis rectificatif est soumise à l'avis de la Commission, lorsque le chantier est situé, en tout ou en partie, sur une voirie régionale ou sur une voirie communale présentant un intérêt manifeste pour la circulation sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.
Le gouvernement établit la liste des voiries communales visées au premier alinéa après avoir recueilli l'avis des communes.
L'avis de la commune est réputé favorable en cas de silence à l'expiration d'un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis.
§ 2. Le gouvernement peut établir la liste des chantiers visés au § 1er qui sont dispensés, en raison de leur minime importance, de l'avis de la Commission.
§ 1er. Toute demande d'autorisation d'exécution de chantier, ou toute demande ou proposition d'avis rectificatif est soumise à l'avis de la Commission, lorsque le chantier est situé, en tout ou en partie, sur une voirie régionale ou sur une voirie communale présentant un intérêt manifeste pour la circulation sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.
Le gouvernement établit la liste des voiries communales visées au premier alinéa après avoir recueilli l'avis des communes.
L'avis de la commune est réputé favorable en cas de silence à l'expiration d'un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis.
§ 2. Le gouvernement peut établir la liste des chantiers visés au § 1er qui sont dispensés, en raison de leur minime importance, de l'avis de la Commission.
HOOFDSTUK 2. - Uitvoeringsvergunning.
CHAPITRE 2. - L'autorisation d'exécution de chantier.
Sectie 1. - Vergunningsprocedure.
Section 1re. - La procédure d'autorisation.
Subsectie 1. - Indiening van de aanvraag.
Sous-section 1re. - L'introduction de la demande.
Art. 34. Dossier van uitvoeringsvergunningsaanvraag.
§ 1. De regering bepaalt de vereiste voorwaarden opdat het dossier van uitvoeringsvergunningsaanvraag als volledig kan worden beschouwd.
Maken in elk geval deel uit van het aanvraagdossier :
1° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een geplande bouwplaats, de planning waarin ze is opgenomen;
2° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een gecoördineerde bouwplaats, alle documenten die ermee verband houden.
§ 2. Indien de aanvrager, in zijn aanvraag, de dringende noodzakelijkheid aanvoert om zich te onttrekken aan de in de artikelen 12, 13, 15 of 16 opgesomde verplichtingen en indien de beheerder vaststelt dat deze niet gegrond is, is de aanvraag onontvankelijk.
§ 1. De regering bepaalt de vereiste voorwaarden opdat het dossier van uitvoeringsvergunningsaanvraag als volledig kan worden beschouwd.
Maken in elk geval deel uit van het aanvraagdossier :
1° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een geplande bouwplaats, de planning waarin ze is opgenomen;
2° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een gecoördineerde bouwplaats, alle documenten die ermee verband houden.
§ 2. Indien de aanvrager, in zijn aanvraag, de dringende noodzakelijkheid aanvoert om zich te onttrekken aan de in de artikelen 12, 13, 15 of 16 opgesomde verplichtingen en indien de beheerder vaststelt dat deze niet gegrond is, is de aanvraag onontvankelijk.
Art. 34. Dossier de demande d'autorisation d'exécution de chantier.
§ 1er. Le gouvernement détermine les conditions requises pour que le dossier de demande d'autorisation d'exécution de chantier soit considéré comme complet.
Font en toute hypothèse partie du dossier de demande :
1° lorsque la demande concerne un chantier programmé, la programmation qui le fait apparaître;
2° lorsque la demande concerne un chantier coordonné, tous les documents y relatifs.
§ 2. Si le demandeur invoque, dans sa demande d'autorisation d'exécution de chantier, l'urgence pour se dispenser des obligations énoncées aux articles 12, 13, 15 ou 16 et si le gestionnaire constate qu'elle n'est pas fondée, la demande est irrecevable.
§ 1er. Le gouvernement détermine les conditions requises pour que le dossier de demande d'autorisation d'exécution de chantier soit considéré comme complet.
Font en toute hypothèse partie du dossier de demande :
1° lorsque la demande concerne un chantier programmé, la programmation qui le fait apparaître;
2° lorsque la demande concerne un chantier coordonné, tous les documents y relatifs.
§ 2. Si le demandeur invoque, dans sa demande d'autorisation d'exécution de chantier, l'urgence pour se dispenser des obligations énoncées aux articles 12, 13, 15 ou 16 et si le gestionnaire constate qu'elle n'est pas fondée, la demande est irrecevable.
Art. 35. Indiening van de aanvraag.
De aanvrager dient zijn uitvoeringsvergunningsaanvraag in door zijn dossier, in overeenstemming met de door de regering bepaalde vorm, over te maken aan de beheerder.
De aanvrager kan zijn uitvoeringsvergunningsaanvraag ook indienen door zijn dossier in handen van de beheerder af te geven, in welk geval deze hem zonder verwijl een attest van indiening aflevert.
In het kader van een gecoördineerde bouwplaats wordt de aanvraag ingediend door de leidende verzoeker, die de gecoördineerde verzoekers de datum meedeelt waarop de aanvraag werd ingediend.
De aanvrager dient zijn uitvoeringsvergunningsaanvraag in door zijn dossier, in overeenstemming met de door de regering bepaalde vorm, over te maken aan de beheerder.
De aanvrager kan zijn uitvoeringsvergunningsaanvraag ook indienen door zijn dossier in handen van de beheerder af te geven, in welk geval deze hem zonder verwijl een attest van indiening aflevert.
In het kader van een gecoördineerde bouwplaats wordt de aanvraag ingediend door de leidende verzoeker, die de gecoördineerde verzoekers de datum meedeelt waarop de aanvraag werd ingediend.
Art. 35. Introduction de la demande.
Le demandeur introduit sa demande d'autorisation d'exécution de chantier en transmettant, selon la forme déterminée par le gouvernement, son dossier au gestionnaire.
Le demandeur peut aussi introduire sa demande d'autorisation d'exécution de chantier en déposant son dossier entre les mains du gestionnaire, auquel cas celui-ci lui délivre, sans délai, une attestation de dépôt.
Dans le cadre d'un chantier coordonné, la demande est introduite par l'impétrant-pilote, lequel informe les impétrants-coordonnés de la date d'introduction de la demande.
Le demandeur introduit sa demande d'autorisation d'exécution de chantier en transmettant, selon la forme déterminée par le gouvernement, son dossier au gestionnaire.
Le demandeur peut aussi introduire sa demande d'autorisation d'exécution de chantier en déposant son dossier entre les mains du gestionnaire, auquel cas celui-ci lui délivre, sans délai, une attestation de dépôt.
Dans le cadre d'un chantier coordonné, la demande est introduite par l'impétrant-pilote, lequel informe les impétrants-coordonnés de la date d'introduction de la demande.
Art. 36. Ontvangstbewijs van het dossier.
§ 1. Indien het dossier van de uitvoeringsvergunningsaanvraag volledig is, dan levert de beheerder een ontvangstbewijs af aan de aanvrager, binnen twintig dagen volgend op de ontvangst of indiening van het dossier.
§ 2. Indien het dossier van de uitvoeringsvergunningsaanvraag niet volledig is, dan maakt de beheerder de aanvrager, binnen twintig dagen na ontvangst of indiening van het dossier, een uitnodiging over, waarin hij hem vraagt om hem de ontbrekende inlichtingen of documenten mee te delen.
De aanvrager bezorgt de beheerder de ontbrekende inlichtingen of documenten, binnen twintig dagen na ontvangst van de uitnodiging, in welk geval de beheerder de aanvrager het ontvangstbewijs overmaakt.
§ 3. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats vraagt de leidende verzoeker de desbetreffende gecoördineerde verzoeker, binnen vijf dagen volgend op de ontvangst van de uitnodiging, om hem, geheel of gedeeltelijk, zijn eigen ontbrekende inlichtingen of documenten over te maken.
Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn eigen inlichtingen of ontbrekende documenten niet binnen tien dagen volgend op de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het ge deelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
De leidende-verzoeker deelt aan de gecoördineerde-verzoekers de datum mee waarop de ontbrekende inlichtingen of documenten werden meegedeeld.
§ 4. Indien het ontvangstbewijs niet wordt afgegeven of het onvolledige karakter niet wordt meegedeeld, dan worden de proceduretermijnen bedoeld in de artikelen 37 en 41 berekend vanaf de eenentwintigste dag na de ontvangst, naar gelang van het geval, van de aanvraag of van de ontbrekende documenten en inlichtingen.
§ 5. De regering bepaalt het model van het ontvangstbewijs van het volledige dossier, net als van de uitnodiging om de ontbrekende inlichtingen of documenten mee te delen en van de mededeling hiervan.
§ 1. Indien het dossier van de uitvoeringsvergunningsaanvraag volledig is, dan levert de beheerder een ontvangstbewijs af aan de aanvrager, binnen twintig dagen volgend op de ontvangst of indiening van het dossier.
§ 2. Indien het dossier van de uitvoeringsvergunningsaanvraag niet volledig is, dan maakt de beheerder de aanvrager, binnen twintig dagen na ontvangst of indiening van het dossier, een uitnodiging over, waarin hij hem vraagt om hem de ontbrekende inlichtingen of documenten mee te delen.
De aanvrager bezorgt de beheerder de ontbrekende inlichtingen of documenten, binnen twintig dagen na ontvangst van de uitnodiging, in welk geval de beheerder de aanvrager het ontvangstbewijs overmaakt.
§ 3. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats vraagt de leidende verzoeker de desbetreffende gecoördineerde verzoeker, binnen vijf dagen volgend op de ontvangst van de uitnodiging, om hem, geheel of gedeeltelijk, zijn eigen ontbrekende inlichtingen of documenten over te maken.
Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn eigen inlichtingen of ontbrekende documenten niet binnen tien dagen volgend op de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het ge deelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
De leidende-verzoeker deelt aan de gecoördineerde-verzoekers de datum mee waarop de ontbrekende inlichtingen of documenten werden meegedeeld.
§ 4. Indien het ontvangstbewijs niet wordt afgegeven of het onvolledige karakter niet wordt meegedeeld, dan worden de proceduretermijnen bedoeld in de artikelen 37 en 41 berekend vanaf de eenentwintigste dag na de ontvangst, naar gelang van het geval, van de aanvraag of van de ontbrekende documenten en inlichtingen.
§ 5. De regering bepaalt het model van het ontvangstbewijs van het volledige dossier, net als van de uitnodiging om de ontbrekende inlichtingen of documenten mee te delen en van de mededeling hiervan.
Art. 36. Accusé de réception du dossier.
§ 1er. Lorsque le dossier de demande d'autorisation d'exécution de chantier est complet, le gestionnaire délivre un accusé de réception au demandeur, dans les vingt jours de la réception ou du dépôt du dossier.
§ 2. Lorsque le dossier de demande d'autorisation d'exécution de chantier est incomplet, le gestionnaire transmet au demandeur, dans les vingt jours de la réception ou du dépôt du dossier, une invitation à lui communiquer les renseignements ou les documents manquants.
Le demandeur communique au gestionnaire les renseignements ou les documents manquants, dans les vingt jours de la réception de l'invitation, auquel cas le gestionnaire adresse au demandeur l'accusé de réception.
§ 3. En cas de chantier coordonné, l'impétrant-pilote demande, dans les cinq jours de la réception de l'invitation, à l'impétrant-coordonné concerné, en tout ou en partie, de lui transmettre ses propres renseignements ou documents manquants.
A défaut pour l'impétrant-coordonné d'envoyer ses propres renseignements ou documents manquants dans les dix jours de la demande, il est réputé renoncer, pour la partie qui le concerne, à la demande d'autorisation d'exécution de chantier.
L'impétrant-pilote informe les impétrants-coordonnés de la date de communication des renseignements ou documents manquants.
§ 4. En l'absence de délivrance de l'accusé de réception ou de la notification du caractère incomplet, les délais de procédure visés aux articles 37 et 41 se calculent à partir du vingt et unième jour de la réception, selon le cas, de la demande ou des documents et renseignements manquants.
§ 5. Le gouvernement détermine le modèle de l'accusé de réception du dossier complet, ainsi que de l'invitation à communiquer les renseignements ou les documents manquants et de la communication de ceux-ci.
§ 1er. Lorsque le dossier de demande d'autorisation d'exécution de chantier est complet, le gestionnaire délivre un accusé de réception au demandeur, dans les vingt jours de la réception ou du dépôt du dossier.
§ 2. Lorsque le dossier de demande d'autorisation d'exécution de chantier est incomplet, le gestionnaire transmet au demandeur, dans les vingt jours de la réception ou du dépôt du dossier, une invitation à lui communiquer les renseignements ou les documents manquants.
Le demandeur communique au gestionnaire les renseignements ou les documents manquants, dans les vingt jours de la réception de l'invitation, auquel cas le gestionnaire adresse au demandeur l'accusé de réception.
§ 3. En cas de chantier coordonné, l'impétrant-pilote demande, dans les cinq jours de la réception de l'invitation, à l'impétrant-coordonné concerné, en tout ou en partie, de lui transmettre ses propres renseignements ou documents manquants.
A défaut pour l'impétrant-coordonné d'envoyer ses propres renseignements ou documents manquants dans les dix jours de la demande, il est réputé renoncer, pour la partie qui le concerne, à la demande d'autorisation d'exécution de chantier.
L'impétrant-pilote informe les impétrants-coordonnés de la date de communication des renseignements ou documents manquants.
§ 4. En l'absence de délivrance de l'accusé de réception ou de la notification du caractère incomplet, les délais de procédure visés aux articles 37 et 41 se calculent à partir du vingt et unième jour de la réception, selon le cas, de la demande ou des documents et renseignements manquants.
§ 5. Le gouvernement détermine le modèle de l'accusé de réception du dossier complet, ainsi que de l'invitation à communiquer les renseignements ou les documents manquants et de la communication de ceux-ci.
Subsectie 2. - Advies van de Commissie.
Sous-section 2. - L'avis de la Commission.
Art. 37. Aanhangigmaking bij de Commissie.
Indien de aanvraag een in artikel 33 bedoelde bouwplaats betreft, dan maakt de beheerder, om advies, het dossier, alsook een beslissingsvoorstel over aan de Commissie, binnen twintig dagen volgend op het ontvangstbewijs.
De regering bepaalt het model van de adviesaanvraag en van het beslissingsvoorstel van de beheerder.
Indien de aanvraag een in artikel 33 bedoelde bouwplaats betreft, dan maakt de beheerder, om advies, het dossier, alsook een beslissingsvoorstel over aan de Commissie, binnen twintig dagen volgend op het ontvangstbewijs.
De regering bepaalt het model van de adviesaanvraag en van het beslissingsvoorstel van de beheerder.
Art. 37. Saisine de la Commission.
Lorsque la demande concerne un chantier visé à l'article33, le gestionnaire transmet, pour avis, le dossier à la Commission ainsi qu'une proposition de décision, dans les vingt jours de l'accusé de réception.
Le gouvernement détermine le modèle de la demande d'avis et de la proposition de décision du gestionnaire.
Lorsque la demande concerne un chantier visé à l'article33, le gestionnaire transmet, pour avis, le dossier à la Commission ainsi qu'une proposition de décision, dans les vingt jours de l'accusé de réception.
Le gouvernement détermine le modèle de la demande d'avis et de la proposition de décision du gestionnaire.
Art. 38. Hoorzitting, aanvullende informatie en advies.
§ 1. De Commissie :
1° kan, op eigen initiatief, de aanvrager, de beheerder alsook iedere expert horen;
2° hoort, op hun verzoek, de aanvrager en de beheerder;
wanneer een partij vraagt om gehoord te worden, dan wordt de andere partij uitgenodigd om te verschijnen;
3° kan de aanvrager en de beheerder vragen om haar bijkomende informatie te verschaffen, binnen de termijn die zij vaststelt, zonder dat in geval van een gecoördineerde bouwplaats, deze termijn korter mag zijn dan vijftien dagen;
4° kan het advies vragen van iedere andere bij de bouwplaats betrokken persoon dan de aanvrager, de eventuele gecoördineerde verzoekers en de beheerder.
5° nodigt, in geval van grote werken, de betrokken gemeente(en) uit indien deze niet in de Commissie vertegenwoordigd is (zijn).
§ 2. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, vraagt de leidende verzoeker de desbetreffende gecoördineerde verzoeker, binnen vijf dagen volgend op de ontvangst van de uitnodiging, om hem, geheel of gedeeltelijk, zijn bijkomende informatie over te maken.
Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn bijkomende informatie niet binnen tien dagen volgend op de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het gedeelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
De leidende verzoeker deelt de gecoördineerde verzoekers de datum mee waarop de bijkomende informatie werd ingediend.
§ 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag om de bijkomende informatie mee te delen en van de meedeling hiervan, evenals van de uitnodiging voor een hoorzitting.
§ 1. De Commissie :
1° kan, op eigen initiatief, de aanvrager, de beheerder alsook iedere expert horen;
2° hoort, op hun verzoek, de aanvrager en de beheerder;
wanneer een partij vraagt om gehoord te worden, dan wordt de andere partij uitgenodigd om te verschijnen;
3° kan de aanvrager en de beheerder vragen om haar bijkomende informatie te verschaffen, binnen de termijn die zij vaststelt, zonder dat in geval van een gecoördineerde bouwplaats, deze termijn korter mag zijn dan vijftien dagen;
4° kan het advies vragen van iedere andere bij de bouwplaats betrokken persoon dan de aanvrager, de eventuele gecoördineerde verzoekers en de beheerder.
5° nodigt, in geval van grote werken, de betrokken gemeente(en) uit indien deze niet in de Commissie vertegenwoordigd is (zijn).
§ 2. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, vraagt de leidende verzoeker de desbetreffende gecoördineerde verzoeker, binnen vijf dagen volgend op de ontvangst van de uitnodiging, om hem, geheel of gedeeltelijk, zijn bijkomende informatie over te maken.
Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn bijkomende informatie niet binnen tien dagen volgend op de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het gedeelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
De leidende verzoeker deelt de gecoördineerde verzoekers de datum mee waarop de bijkomende informatie werd ingediend.
§ 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag om de bijkomende informatie mee te delen en van de meedeling hiervan, evenals van de uitnodiging voor een hoorzitting.
Art. 38. Audition, informations complémentaires et avis.
§ 1er. La Commission :
1° peut entendre, d'initiative, le demandeur, le gestionnaire ainsi que tout expert;
2° entend, à leur demande, le demandeur et le gestionnaire;
lorsqu'une partie demande à être entendue, l'autre partie est invitée à comparaître;
3° peut demander au demandeur et au gestionnaire de lui communiquer un complément d'information, dans le délai qu'elle fixe, sans qu'en cas de chantier coordonné, ce délai ne puisse être inférieur à quinze jours;
4° peut demander l'avis de toute personne intéressée par le chantier autre que le demandeur, les éventuels impétrants-coordonnés et le gestionnaire.
5° invite, en cas de travaux importants, la (les) commune(s) concernée(s) si celle(s)-ci n'est pas (ne sont pas) représentée(s) au sein de la Commission.
§ 2. En cas de chantier coordonné, l'impétrant-pilote demande, dans les cinq jours de la réception de l'invitation, à l'impétrant-coordonné concerné, en tout ou en partie, de lui transmettre son complément d'information.
A défaut pour l'impétrant-coordonné d'envoyer son complément d'information dans les dix jours de la demande, il est réputé renoncer, pour la partie qui le concerne, à la demande d'autorisation d'exécution de chantier.
L'impétrant-pilote informe les impétrants-coordonnés de la date d'introduction du complément d'information.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande à communiquer le complément d'information et de la communication de celui-ci ainsi que de l'invitation à une audition.
§ 1er. La Commission :
1° peut entendre, d'initiative, le demandeur, le gestionnaire ainsi que tout expert;
2° entend, à leur demande, le demandeur et le gestionnaire;
lorsqu'une partie demande à être entendue, l'autre partie est invitée à comparaître;
3° peut demander au demandeur et au gestionnaire de lui communiquer un complément d'information, dans le délai qu'elle fixe, sans qu'en cas de chantier coordonné, ce délai ne puisse être inférieur à quinze jours;
4° peut demander l'avis de toute personne intéressée par le chantier autre que le demandeur, les éventuels impétrants-coordonnés et le gestionnaire.
5° invite, en cas de travaux importants, la (les) commune(s) concernée(s) si celle(s)-ci n'est pas (ne sont pas) représentée(s) au sein de la Commission.
§ 2. En cas de chantier coordonné, l'impétrant-pilote demande, dans les cinq jours de la réception de l'invitation, à l'impétrant-coordonné concerné, en tout ou en partie, de lui transmettre son complément d'information.
A défaut pour l'impétrant-coordonné d'envoyer son complément d'information dans les dix jours de la demande, il est réputé renoncer, pour la partie qui le concerne, à la demande d'autorisation d'exécution de chantier.
L'impétrant-pilote informe les impétrants-coordonnés de la date d'introduction du complément d'information.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande à communiquer le complément d'information et de la communication de celui-ci ainsi que de l'invitation à une audition.
Art. 39. Overmaking van het advies.
§ 1. De Commissie maakt haar advies over aan de beheerder, binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van het dossier en van het voorstel van de beheerder.
Wanneer, met toepassing van artikel 38, een hoorzitting heeft plaatsgevonden of bijkomende informatie of een advies werd gevraagd, dan wordt die termijn van twintig dagen met vijf dagen verlengd, vanaf de hoorzitting of vanaf de ontvangst van de bijkomende informatie of het advies.
§ 2. Wordt er geen advies uitgebracht binnen de in § 1 bedoelde termijnen, dan wordt het geacht gunstig te zijn en wordt de in artikel 41, § 1, 2°, bedoelde termijn berekend vanaf de dag volgend op het verstrijken van de termijn voor het overmaken van het advies.
§ 3. De regering bepaalt het model van het advies waarbij de eventuele bijkomende informatie en het advies worden gevoegd.
§ 1. De Commissie maakt haar advies over aan de beheerder, binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van het dossier en van het voorstel van de beheerder.
Wanneer, met toepassing van artikel 38, een hoorzitting heeft plaatsgevonden of bijkomende informatie of een advies werd gevraagd, dan wordt die termijn van twintig dagen met vijf dagen verlengd, vanaf de hoorzitting of vanaf de ontvangst van de bijkomende informatie of het advies.
§ 2. Wordt er geen advies uitgebracht binnen de in § 1 bedoelde termijnen, dan wordt het geacht gunstig te zijn en wordt de in artikel 41, § 1, 2°, bedoelde termijn berekend vanaf de dag volgend op het verstrijken van de termijn voor het overmaken van het advies.
§ 3. De regering bepaalt het model van het advies waarbij de eventuele bijkomende informatie en het advies worden gevoegd.
Art. 39. Transmission de l'avis.
§ 1er. La Commission transmet son avis au gestionnaire, dans les vingt jours de la réception du dossier et de la proposition du gestionnaire.
Lorsqu'en application de l'article 38, une audition s'est déroulée ou qu'un complément d'informations ou un avis a été demandé, ce délai de vingt jours est prorogé de cinq jours, à compter de l'audition, ou de la réception du complément d'information ou de l'avis.
§ 2. En l'absence d'avis dans les délais visés au § 1er, il est réputé favorable et le délai visé à l'article 41, § 1er, 2°, se calcule à partir du jour qui suit l'expiration du délai de transmission de l'avis.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'avis auquel sont annexés les éventuels compléments d'information et avis.
§ 1er. La Commission transmet son avis au gestionnaire, dans les vingt jours de la réception du dossier et de la proposition du gestionnaire.
Lorsqu'en application de l'article 38, une audition s'est déroulée ou qu'un complément d'informations ou un avis a été demandé, ce délai de vingt jours est prorogé de cinq jours, à compter de l'audition, ou de la réception du complément d'information ou de l'avis.
§ 2. En l'absence d'avis dans les délais visés au § 1er, il est réputé favorable et le délai visé à l'article 41, § 1er, 2°, se calcule à partir du jour qui suit l'expiration du délai de transmission de l'avis.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'avis auquel sont annexés les éventuels compléments d'information et avis.
Subsectie 3. - Beslissing van de beheerder.
Sous-section 3. - La décision du gestionnaire.
Art. 40. Hoorzitting, bijkomende informatie en advies.
§ 1. De beheerder :
1° kan, op eigen initiatief, de aanvrager horen, behalve wanneer een hoorzitting reeds heeft plaatsgevonden voor de Commissie;
2° hoort de aanvrager wanneer deze daarom vraagt, behalve wanneer een hoorzitting reeds heeft plaatsgevonden voor de Commissie;
3° kan de aanvrager vragen om hem, behalve wanneer zij reeds aan de Commissie is overgemaakt, binnen de termijn die hij vaststelt, bijkomende informatie te verschaffen, zonder dat, in geval van een gecoördineerde bouwplaats, deze termijn korter mag zijn dan vijftien dagen;
4° kan, behalve wanneer het reeds aan de Commissie is overgemaakt, het advies vragen van iedere andere bij de bouwplaats betrokken persoon dan de aanvrager, de eventuele gecoördineerde verzoekers en de Commissie.
§ 2. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, vraagt de leidende verzoeker, binnen vijf dagen volgend op uitnodiging, de desbetreffende gecoördineerde verzoeker om hem zijn bijkomende informatie volledig of gedeeltelijk over te maken.
Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn bijkomende informatie niet binnen tien dagen na de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het gedeelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
De leidende verzoeker deelt de gecoördineerde verzoekers de datum mee waarop de bijkomende informatie werd ingediend.
§ 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag om de bijkomende informatie mee te delen en van de mededeling hiervan, evenals van de uitnodiging voor een hoorzitting.
§ 1. De beheerder :
1° kan, op eigen initiatief, de aanvrager horen, behalve wanneer een hoorzitting reeds heeft plaatsgevonden voor de Commissie;
2° hoort de aanvrager wanneer deze daarom vraagt, behalve wanneer een hoorzitting reeds heeft plaatsgevonden voor de Commissie;
3° kan de aanvrager vragen om hem, behalve wanneer zij reeds aan de Commissie is overgemaakt, binnen de termijn die hij vaststelt, bijkomende informatie te verschaffen, zonder dat, in geval van een gecoördineerde bouwplaats, deze termijn korter mag zijn dan vijftien dagen;
4° kan, behalve wanneer het reeds aan de Commissie is overgemaakt, het advies vragen van iedere andere bij de bouwplaats betrokken persoon dan de aanvrager, de eventuele gecoördineerde verzoekers en de Commissie.
§ 2. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, vraagt de leidende verzoeker, binnen vijf dagen volgend op uitnodiging, de desbetreffende gecoördineerde verzoeker om hem zijn bijkomende informatie volledig of gedeeltelijk over te maken.
Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn bijkomende informatie niet binnen tien dagen na de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het gedeelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
De leidende verzoeker deelt de gecoördineerde verzoekers de datum mee waarop de bijkomende informatie werd ingediend.
§ 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag om de bijkomende informatie mee te delen en van de mededeling hiervan, evenals van de uitnodiging voor een hoorzitting.
Art. 40. Audition, informations complémentaires et avis.
§ 1er. Le gestionnaire :
1° peut entendre, d'initiative, le demandeur, sauf lorsqu'une audition s'est déjà tenue devant la Commission;
2° entend le demandeur lorsque celui-ci le demande, sauf lorsqu'une audition s'est déjà tenue devant la Commission;
3° peut, sauf lorsqu'il a déjà été transmis à la Commission, demander au demandeur de lui communiquer un complément d'information, dans le délai qu'il fixe, sans qu'en cas de chantier coordonné, ce délai ne puisse être inférieur à quinze jours;
4° peut, sauf lorsqu'il a déjà été transmis à la Commission, demander l'avis de toute personne intéressée par le chantier, autre que le demandeur, les éventuels impétrants-coordonnés et la Commission.
§ 2. En cas de chantier coordonné, l'impétrant-pilote demande, dans les cinq jours de l'invitation, à l'impétrantcoordonné concerné, en tout ou en partie, de lui transmettre son complément d'information.
A défaut pour l'impétrant-coordonné d'envoyer son complément d'information dans les dix jours de la demande, il est réputé renoncer, pour la partie qui le concerne, à la demande d'autorisation d'exécution de chantier.
L'impétrant-pilote informe les impétrants-coordonnés de la date d'introduction du complément d'information.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande à communiquer le complément d'informations et de la communication de celui-ci ainsi que de l'invitation à une audition.
§ 1er. Le gestionnaire :
1° peut entendre, d'initiative, le demandeur, sauf lorsqu'une audition s'est déjà tenue devant la Commission;
2° entend le demandeur lorsque celui-ci le demande, sauf lorsqu'une audition s'est déjà tenue devant la Commission;
3° peut, sauf lorsqu'il a déjà été transmis à la Commission, demander au demandeur de lui communiquer un complément d'information, dans le délai qu'il fixe, sans qu'en cas de chantier coordonné, ce délai ne puisse être inférieur à quinze jours;
4° peut, sauf lorsqu'il a déjà été transmis à la Commission, demander l'avis de toute personne intéressée par le chantier, autre que le demandeur, les éventuels impétrants-coordonnés et la Commission.
§ 2. En cas de chantier coordonné, l'impétrant-pilote demande, dans les cinq jours de l'invitation, à l'impétrantcoordonné concerné, en tout ou en partie, de lui transmettre son complément d'information.
A défaut pour l'impétrant-coordonné d'envoyer son complément d'information dans les dix jours de la demande, il est réputé renoncer, pour la partie qui le concerne, à la demande d'autorisation d'exécution de chantier.
L'impétrant-pilote informe les impétrants-coordonnés de la date d'introduction du complément d'information.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande à communiquer le complément d'informations et de la communication de celui-ci ainsi que de l'invitation à une audition.
Art. 41. Kennisgeving van de beslissing.
§ 1. De beheerder deelt zijn beslissing mee aan :
1° de aanvrager, indien de aanvraag niet werd voorgelegd om advies van de Commissie, binnen dertig dagen volgend op het verstrekken van het ontvangstbewijs;
2° de aanvrager en de Commissie gelijktijdig, indien de aanvraag werd voorgelegd om advies van de Commissie, binnen twintig dagen na ontvangst van het advies.
Wanneer, met toepassing van artikel 40, een hoorzitting heeft plaatsgevonden, of bijkomende informatie of een advies werd gevraagd, dan worden de in het eerste lid bedoelde termijnen verlengd met vijf dagen vanaf de hoorzitting of de ontvangst van de bijkomende informatie of het advies.
Binnen dezelfde termijn, maakt de beheerder een kopie van de beslissing over aan de gecoördineerde verzoekers.
§ 2. Wanneer de aanvrager in zijn aanvraag om uitvoeringsvergunning, de dringendheid inroept zoals bedoeld in artikelen 12, 13, 15 of 16 en wanneer de beheerder deze, in het ontvangstbewijs, gegrond verklaart, worden de termij nen voor onderzoek en afgifte van de uitvoeringsvergunning met de helft ingekort.
Indien het resultaat van de halvering van een termijn decimalen bevat, worden deze afgerond naar de hogere eenheid.
§ 3. De afwezigheid van de mededeling van de beslissing van de beheerder binnen de in § 1, bedoelde termijn komt overeen met een weigering van de uitvoeringsvergunning.
§ 4. De beheerder motiveert zijn beslissing ten opzichte van het advies van de Commissie
In voorkomend geval worden de beslissing van de beheerder die een aanvraag tot verlenging van de coördinatie aanvaardt, het advies van de Commissie, alle bijkomende informatie en elk advies bij de beslissing gevoegd.
§ 5. Zonder afbreuk te doen aan het in artikel 80 bedoelde beroep bij de regering, kan de aanvrager de beslissing van de beheerder, zelfs indien zij stilzwijgend is, aanhangig maken bij het Verzoeningscomité, met inachtneming van artikel 77, § 1, 1°.
§ 6. De regering bepaalt het model van de uitvoeringsvergunning en de vorm van de mededeling ervan.
§ 1. De beheerder deelt zijn beslissing mee aan :
1° de aanvrager, indien de aanvraag niet werd voorgelegd om advies van de Commissie, binnen dertig dagen volgend op het verstrekken van het ontvangstbewijs;
2° de aanvrager en de Commissie gelijktijdig, indien de aanvraag werd voorgelegd om advies van de Commissie, binnen twintig dagen na ontvangst van het advies.
Wanneer, met toepassing van artikel 40, een hoorzitting heeft plaatsgevonden, of bijkomende informatie of een advies werd gevraagd, dan worden de in het eerste lid bedoelde termijnen verlengd met vijf dagen vanaf de hoorzitting of de ontvangst van de bijkomende informatie of het advies.
Binnen dezelfde termijn, maakt de beheerder een kopie van de beslissing over aan de gecoördineerde verzoekers.
§ 2. Wanneer de aanvrager in zijn aanvraag om uitvoeringsvergunning, de dringendheid inroept zoals bedoeld in artikelen 12, 13, 15 of 16 en wanneer de beheerder deze, in het ontvangstbewijs, gegrond verklaart, worden de termij nen voor onderzoek en afgifte van de uitvoeringsvergunning met de helft ingekort.
Indien het resultaat van de halvering van een termijn decimalen bevat, worden deze afgerond naar de hogere eenheid.
§ 3. De afwezigheid van de mededeling van de beslissing van de beheerder binnen de in § 1, bedoelde termijn komt overeen met een weigering van de uitvoeringsvergunning.
§ 4. De beheerder motiveert zijn beslissing ten opzichte van het advies van de Commissie
In voorkomend geval worden de beslissing van de beheerder die een aanvraag tot verlenging van de coördinatie aanvaardt, het advies van de Commissie, alle bijkomende informatie en elk advies bij de beslissing gevoegd.
§ 5. Zonder afbreuk te doen aan het in artikel 80 bedoelde beroep bij de regering, kan de aanvrager de beslissing van de beheerder, zelfs indien zij stilzwijgend is, aanhangig maken bij het Verzoeningscomité, met inachtneming van artikel 77, § 1, 1°.
§ 6. De regering bepaalt het model van de uitvoeringsvergunning en de vorm van de mededeling ervan.
Art. 41. Notification de la décision.
§ 1er. Le gestionnaire notifie sa décision :
1° au demandeur, lorsque la demande n'est pas soumise à l'avis de la Commission, dans les trente jours de l'accusé de réception;
2° simultanément au demandeur et à la Commission, lorsque la demande est soumise à l'avis de celle-ci, dans les vingt jours de la réception de l'avis.
Lorsqu'en application de l'article 40, une audition s'est déroulée, ou qu'un complément d'information ou un avis a été demandé, les délais visés au premier alinéa sont prorogés de cinq jours à compter de l'audition, ou de la réception du complément d'information ou de l'avis.
Dans ce même délai, le gestionnaire transmet une copie de la décision aux impétrants-coordonnés.
§ 2. Lorsque le demandeur invoque dans sa demande d'autorisation d'exécution de chantier l'urgence visée aux articles 12, 13, 15 ou 16 et que le gestionnaire la considere, dans l'accusé de réception, fondée, les délais d'instruction et de délivrance de l'autorisation d'exécution de chantier sont réduits de moitié.
Si le résultat de la division d'un délai par deux comporte des décimales, celles-ci sont arrondies à l'unité supérieure.
§ 3. L'absence de notification de la décision du gestionnaire dans les délais fixes au § 1er, équivaut à un refus d'autorisation d'exécution de chantier.
§ 4. Le gestionnaire motive sa décision au regard de l'avis de la Commission.
Le cas échéant, la décision du gestionnaire acceptant une demande de prorogation de coordination, l'avis de la Commission, tout complément d'information et tout avis sont annexés à la décision.
§ 5. Sans préjudice du recours au gouvernement visé à l'article 80, le demandeur peut saisir le Comité de Conciliation, dans le respect de l'article 77, § 1er, 1°, de la décision du gestionnaire fut-elle tacite.
§ 6. Le gouvernement détermine le modèle de l'autorisation d'exécution de chantier et la forme de sa notification.
§ 1er. Le gestionnaire notifie sa décision :
1° au demandeur, lorsque la demande n'est pas soumise à l'avis de la Commission, dans les trente jours de l'accusé de réception;
2° simultanément au demandeur et à la Commission, lorsque la demande est soumise à l'avis de celle-ci, dans les vingt jours de la réception de l'avis.
Lorsqu'en application de l'article 40, une audition s'est déroulée, ou qu'un complément d'information ou un avis a été demandé, les délais visés au premier alinéa sont prorogés de cinq jours à compter de l'audition, ou de la réception du complément d'information ou de l'avis.
Dans ce même délai, le gestionnaire transmet une copie de la décision aux impétrants-coordonnés.
§ 2. Lorsque le demandeur invoque dans sa demande d'autorisation d'exécution de chantier l'urgence visée aux articles 12, 13, 15 ou 16 et que le gestionnaire la considere, dans l'accusé de réception, fondée, les délais d'instruction et de délivrance de l'autorisation d'exécution de chantier sont réduits de moitié.
Si le résultat de la division d'un délai par deux comporte des décimales, celles-ci sont arrondies à l'unité supérieure.
§ 3. L'absence de notification de la décision du gestionnaire dans les délais fixes au § 1er, équivaut à un refus d'autorisation d'exécution de chantier.
§ 4. Le gestionnaire motive sa décision au regard de l'avis de la Commission.
Le cas échéant, la décision du gestionnaire acceptant une demande de prorogation de coordination, l'avis de la Commission, tout complément d'information et tout avis sont annexés à la décision.
§ 5. Sans préjudice du recours au gouvernement visé à l'article 80, le demandeur peut saisir le Comité de Conciliation, dans le respect de l'article 77, § 1er, 1°, de la décision du gestionnaire fut-elle tacite.
§ 6. Le gouvernement détermine le modèle de l'autorisation d'exécution de chantier et la forme de sa notification.
Sectie 2. - Inhoud van de vergunning.
Section 2. - Le contenu de l'autorisation.
Art. 42. Algemene verplichte en facultatieve voorschriften.
§ 1. De uitvoeringsvergunning bevat volgende verplichte voorschriften :
1° de ligging van de bouwplaats;
2° het terrein van de bouwplaats;
3° de duur en de periode van de uitvoering van de bouwplaats.
§ 2. De uitvoeringsvergunning kan volgende facultatieve voorschriften bevatten :
1° de aanvangsdatum van de bouwplaats;
2° in geval van een gemengde bouwplaats, de uitvoeringsduur- en periode van de werken in verband met de installaties en van die met een ander voorwerp;
3° elk ander voorschrift naast degene bedoeld in artikelen 59 en 62, § 1;
4° de beslissing van de beheerder om artikel 62, § 2, toe te passen.
§ 1. De uitvoeringsvergunning bevat volgende verplichte voorschriften :
1° de ligging van de bouwplaats;
2° het terrein van de bouwplaats;
3° de duur en de periode van de uitvoering van de bouwplaats.
§ 2. De uitvoeringsvergunning kan volgende facultatieve voorschriften bevatten :
1° de aanvangsdatum van de bouwplaats;
2° in geval van een gemengde bouwplaats, de uitvoeringsduur- en periode van de werken in verband met de installaties en van die met een ander voorwerp;
3° elk ander voorschrift naast degene bedoeld in artikelen 59 en 62, § 1;
4° de beslissing van de beheerder om artikel 62, § 2, toe te passen.
Art. 42. Prescriptions obligatoires et facultatives générales.
§ 1er. L'autorisation d'exécution de chantier contient les prescriptions obligatoires suivantes :
1° la localisation du chantier;
2° l'emprise du chantier;
3° la durée et la période d'exécution du chantier.
§ 2. L'autorisation d'exécution de chantier peut contenir les prescriptions facultatives suivantes :
1° la date de début du chantier;
2° en cas de chantier mixte, la durée et la période d'exécution des travaux relatifs aux installations et ceux ayant un autre objet;
3° toute autre prescription complémentaire à celles visées aux articles 59 et 62, § 1er;
4° la décision du gestionnaire de faire application de l'article 62, § 2.
§ 1er. L'autorisation d'exécution de chantier contient les prescriptions obligatoires suivantes :
1° la localisation du chantier;
2° l'emprise du chantier;
3° la durée et la période d'exécution du chantier.
§ 2. L'autorisation d'exécution de chantier peut contenir les prescriptions facultatives suivantes :
1° la date de début du chantier;
2° en cas de chantier mixte, la durée et la période d'exécution des travaux relatifs aux installations et ceux ayant un autre objet;
3° toute autre prescription complémentaire à celles visées aux articles 59 et 62, § 1er;
4° la décision du gestionnaire de faire application de l'article 62, § 2.
Art. 43. Specifieke voorschriften voor de installaties.
§ 1. Indien de uitvoeringsvergunning een bouwplaats betreft waarop nieuwe installaties worden geplaatst of bestaande installaties worden vernieuwd, dan kan deze vergunning volgende elementen bevatten met inachtneming van het principe van de evenredigheid en om de integriteit en leefbaarheid van de openbare weg te bewaren :
1° de aanduiding van de plaats op de openbare weg waar de installaties moeten worden geplaatst;
2° de aanduiding van het maximale aantal toegestane installaties die op een bepaalde plaats op de openbare weg mogen worden geplaatst;
3° de verplichting van de verzoeker om de niet meer in gebruik zijnde installaties weg te nemen;
4° de voorschriften met betrekking tot het ontwerp en de uitvoering van de bouwplaats, net als tot de plaatsing van de installaties, en dit om de latere ingrepen op de openbare weg tot een minimum te beperken.
§ 2. In het kader van een bouwplaats waarbij een nieuwe openbare weg wordt aangelegd of waarbij een gedeelte van de bestaande openbare weg volledig vernieuwd wordt, kan de beheerder met inachtneming van het principe van de evenredigheid en om de integriteit en de leefbaarheid ervan te verzekeren, de verzoekers de verplichting opleggen kunstwerken op te trekken bestemd om gedeeld te worden en er hun installaties te plaatsen.
§ 1. Indien de uitvoeringsvergunning een bouwplaats betreft waarop nieuwe installaties worden geplaatst of bestaande installaties worden vernieuwd, dan kan deze vergunning volgende elementen bevatten met inachtneming van het principe van de evenredigheid en om de integriteit en leefbaarheid van de openbare weg te bewaren :
1° de aanduiding van de plaats op de openbare weg waar de installaties moeten worden geplaatst;
2° de aanduiding van het maximale aantal toegestane installaties die op een bepaalde plaats op de openbare weg mogen worden geplaatst;
3° de verplichting van de verzoeker om de niet meer in gebruik zijnde installaties weg te nemen;
4° de voorschriften met betrekking tot het ontwerp en de uitvoering van de bouwplaats, net als tot de plaatsing van de installaties, en dit om de latere ingrepen op de openbare weg tot een minimum te beperken.
§ 2. In het kader van een bouwplaats waarbij een nieuwe openbare weg wordt aangelegd of waarbij een gedeelte van de bestaande openbare weg volledig vernieuwd wordt, kan de beheerder met inachtneming van het principe van de evenredigheid en om de integriteit en de leefbaarheid ervan te verzekeren, de verzoekers de verplichting opleggen kunstwerken op te trekken bestemd om gedeeld te worden en er hun installaties te plaatsen.
Art. 43. Prescriptions spécifiques aux installations.
§ 1er. Lorsque l'autorisation d'exécution de chantier concerne un chantier de premier établissement ou de renouvellement d'installations, celle-ci peut contenir, dans le respect du principe de proportionnalité et aux fins de préserver l'intégrité et la viabilité de la voirie :
1° l'indication de l'endroit de la voirie où les installations doivent être placées;
2° l'indication du nombre maximum autorisé d'installations qui peuvent être placées en un endroit déterminé de la voirie;
3° l'obligation d'enlever les installations désaffectées de l'impétrant;
4° les prescriptions relatives à la conception et à la réalisation du chantier ainsi qu'au placement des installations, afin de limiter au maximum les interventions ultérieures en voirie.
§ 2. Dans le cadre d'un chantier de création d'une nouvelle voirie ou de renouvellement complet d'une portion de voirie existante, le gestionnaire peut, dans le respect du principe de proportionnalité et aux fins d'en assurer l'intégrité et la viabilité, imposer aux impétrants l'obligation de construire des ouvrages d'art destinés à être partagés et d'y placer leurs installations.
§ 1er. Lorsque l'autorisation d'exécution de chantier concerne un chantier de premier établissement ou de renouvellement d'installations, celle-ci peut contenir, dans le respect du principe de proportionnalité et aux fins de préserver l'intégrité et la viabilité de la voirie :
1° l'indication de l'endroit de la voirie où les installations doivent être placées;
2° l'indication du nombre maximum autorisé d'installations qui peuvent être placées en un endroit déterminé de la voirie;
3° l'obligation d'enlever les installations désaffectées de l'impétrant;
4° les prescriptions relatives à la conception et à la réalisation du chantier ainsi qu'au placement des installations, afin de limiter au maximum les interventions ultérieures en voirie.
§ 2. Dans le cadre d'un chantier de création d'une nouvelle voirie ou de renouvellement complet d'une portion de voirie existante, le gestionnaire peut, dans le respect du principe de proportionnalité et aux fins d'en assurer l'intégrité et la viabilité, imposer aux impétrants l'obligation de construire des ouvrages d'art destinés à être partagés et d'y placer leurs installations.
Sectie 3. - In gebreke blijven van een verzoeker.
Section 3. - La défaillance d'un impétrant.
Subsectie 1. - In gebreke blijven in het kader van een niet-gecoördineerde bouwplaats.
Sous-section 1re. - La défaillance dans le cadre d'un chantier non coordonné.
Art. 44. In gebreke blijven en gevolgen.
In het kader van een niet-gecoördineerde bouwplaats, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend indien de aanvrager volgende elementen niet overmaakt :
1° de ontbrekende inlichtingen of documenten, binnen de in artikel 36, § 2 vastgestelde termijn;
2° de bijkomende informatie, binnen de in de artikelen 38, § 1, en 40, § 1 vastgestelde termijnen.
In het kader van een niet-gecoördineerde bouwplaats, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend indien de aanvrager volgende elementen niet overmaakt :
1° de ontbrekende inlichtingen of documenten, binnen de in artikel 36, § 2 vastgestelde termijn;
2° de bijkomende informatie, binnen de in de artikelen 38, § 1, en 40, § 1 vastgestelde termijnen.
Art. 44. Cas de défaillance et effet.
Dans le cadre d'un chantier non coordonné, la demande d'autorisation d'exécution de chantier est réputée ne pas avoir été introduite, lorsque le demandeur ne transmet pas :
1° les renseignements ou les documents manquants, dans le délai fixé à l'article 36, § 2;
2° le complément d'information, dans les délais fixés aux articles 38, § 1er, et 40, § 1er.
Dans le cadre d'un chantier non coordonné, la demande d'autorisation d'exécution de chantier est réputée ne pas avoir été introduite, lorsque le demandeur ne transmet pas :
1° les renseignements ou les documents manquants, dans le délai fixé à l'article 36, § 2;
2° le complément d'information, dans les délais fixés aux articles 38, § 1er, et 40, § 1er.
Subsectie 2. - In gebreke blijven in het kader van een gecoördineerde bouwplaats.
Sous-section 2. - La défaillance dans le cadre d'un chantier coordonné.
Art. 45. In gebreke blijven.
In het kader van een gecoördineerde bouwplaats, blijft de leidende verzoeker in gebreke wanneer :
1° hij de ontbrekende documenten of inlichtingen niet overmaakt binnen de in artikel 36, § 2 vastgestelde termijn;
2° hij de bijkomende informatie niet overmaakt binnen de in artikelen 38, § 1, en 40, § 1 vastgestelde termijnen.
In het kader van een gecoördineerde bouwplaats, blijft de leidende verzoeker in gebreke wanneer :
1° hij de ontbrekende documenten of inlichtingen niet overmaakt binnen de in artikel 36, § 2 vastgestelde termijn;
2° hij de bijkomende informatie niet overmaakt binnen de in artikelen 38, § 1, en 40, § 1 vastgestelde termijnen.
Art. 45. Cas de défaillance.
Dans le cadre d'un chantier coordonné, l'impétrant-pilote est défaillant, lorsque :
1° il ne transmet pas les documents ou les renseignements manquants, dans le délai fixé à l'article 36, § 2;
2° il ne transmet pas le complément d'information, dans les délais fixés aux articles 38, § 1er, et 40, § 1er.
Dans le cadre d'un chantier coordonné, l'impétrant-pilote est défaillant, lorsque :
1° il ne transmet pas les documents ou les renseignements manquants, dans le délai fixé à l'article 36, § 2;
2° il ne transmet pas le complément d'information, dans les délais fixés aux articles 38, § 1er, et 40, § 1er.
Art. 46. Gevolg van het in gebreke blijven.
§ 1. Binnen tien dagen volgend op de datum van het in gebreke blijven, maken de gecoördineerde verzoekers de in gebreke blijvende leidende verzoeker een ingebrekestelling over om hem ertoe aan te sporen zijn in gebreke blijven te verhelpen. Zij maken een kopie van hun ingebrekestelling aan de andere gecoördineerde verzoekers over.
Bij gebrek aan iedere ingebrekestelling binnen deze termijn, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend.
§ 2. De in gebreke blijvende leidende verzoeker verhelpt aan zijn in gebreke blijven binnen tien dagen volgend op de ontvangstdatum van de eerste ingebrekestelling.
Doet hij dit niet, dan wordt de procedure voor de afgifte van de uitvoeringsvergunning opgeschort, in afwachting van de aanhangigmaking bij het Verzoeningscomité, in overeenstemming met artikel 77, § 1, 2°.
Wordt de zaak niet aanhangig gemaakt bij het Verzoeningscomité of in geval van mislukking van de verzoening, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend.
§ 3. De regering bepaalt het model van de ingebrekestelling.
§ 1. Binnen tien dagen volgend op de datum van het in gebreke blijven, maken de gecoördineerde verzoekers de in gebreke blijvende leidende verzoeker een ingebrekestelling over om hem ertoe aan te sporen zijn in gebreke blijven te verhelpen. Zij maken een kopie van hun ingebrekestelling aan de andere gecoördineerde verzoekers over.
Bij gebrek aan iedere ingebrekestelling binnen deze termijn, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend.
§ 2. De in gebreke blijvende leidende verzoeker verhelpt aan zijn in gebreke blijven binnen tien dagen volgend op de ontvangstdatum van de eerste ingebrekestelling.
Doet hij dit niet, dan wordt de procedure voor de afgifte van de uitvoeringsvergunning opgeschort, in afwachting van de aanhangigmaking bij het Verzoeningscomité, in overeenstemming met artikel 77, § 1, 2°.
Wordt de zaak niet aanhangig gemaakt bij het Verzoeningscomité of in geval van mislukking van de verzoening, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend.
§ 3. De regering bepaalt het model van de ingebrekestelling.
Art. 46. Effet de la défaillance.
§ 1er. Dans les dix jours de la défaillance, les impétrants-coordonnés transmettent à l'impétrant-pilote défaillant une mise en demeure l'invitant à y mettre fin. Ils transmettent une copie de leur mise en demeure aux autres impétrants-coordonnés.
En l'absence de toute mise en demeure dans ce délai, la demande d'autorisation d'exécution de chantier est réputée ne pas avoir été introduite.
§ 2. L'impétrant-pilote met fin à sa défaillance dans les dix jours qui suivent la date de la réception de la première mise en demeure.
A défaut, la procédure de délivrance de l'autorisation d'exécution de chantier est suspendue, dans l'attente de la saisine du Comité de Conciliation conformément à l'article 77, § 1er, 2°.
En l'absence de saisine du Comité de Conciliation ou en cas d'échec de la conciliation, la demande d'autorisation d'exécution de chantier est réputée ne pas avoir été introduite.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la mise en demeure.
§ 1er. Dans les dix jours de la défaillance, les impétrants-coordonnés transmettent à l'impétrant-pilote défaillant une mise en demeure l'invitant à y mettre fin. Ils transmettent une copie de leur mise en demeure aux autres impétrants-coordonnés.
En l'absence de toute mise en demeure dans ce délai, la demande d'autorisation d'exécution de chantier est réputée ne pas avoir été introduite.
§ 2. L'impétrant-pilote met fin à sa défaillance dans les dix jours qui suivent la date de la réception de la première mise en demeure.
A défaut, la procédure de délivrance de l'autorisation d'exécution de chantier est suspendue, dans l'attente de la saisine du Comité de Conciliation conformément à l'article 77, § 1er, 2°.
En l'absence de saisine du Comité de Conciliation ou en cas d'échec de la conciliation, la demande d'autorisation d'exécution de chantier est réputée ne pas avoir été introduite.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la mise en demeure.
HOOFDSTUK 3. - Rectificatiebericht.
CHAPITRE 3. - L'avis rectificatif.
Art. 47. Indiening van het verzoek of voorstel tot rectificatiebericht.
§ 1. Een rectificatieberichtaanvraag kan bij de wegbeheerder worden ingediend door de verzoeker die houder is van de uitvoeringsvergunning of wanneer de uitvoeringsvergunningsaanvraag werd voorgelegd om advies van de Commissie, door de voorzitter van deze laatste.
De desbetreffende beheerder kan, op eigen initiatief, een voorstel tot rectificatiebericht doen.
§ 2. De beheerder maakt, zonder verwijl, de verzoeker en, in voorkomend geval, de gecoördineerde verzoekers, het afschrift over van de aanvraag tot rectificatiebericht van de voorzitter van de Commissie of van zijn voorstel tot rectificatiebericht.
§ 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag en het voorstel tot rectificatiebericht.
§ 1. Een rectificatieberichtaanvraag kan bij de wegbeheerder worden ingediend door de verzoeker die houder is van de uitvoeringsvergunning of wanneer de uitvoeringsvergunningsaanvraag werd voorgelegd om advies van de Commissie, door de voorzitter van deze laatste.
De desbetreffende beheerder kan, op eigen initiatief, een voorstel tot rectificatiebericht doen.
§ 2. De beheerder maakt, zonder verwijl, de verzoeker en, in voorkomend geval, de gecoördineerde verzoekers, het afschrift over van de aanvraag tot rectificatiebericht van de voorzitter van de Commissie of van zijn voorstel tot rectificatiebericht.
§ 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag en het voorstel tot rectificatiebericht.
Art. 47. Introduction de la demande ou de la proposition d'avis rectificatif.
§ 1er. Une demande d'avis rectificatif peut être introduite, auprès du gestionnaire, par l'impétrant titulaire de l'autorisation d'exécution de chantier ou, lorsque la demande d'autorisation d'exécution de chantier a été soumise à l'avis de la Commission, par le président de cette dernière.
Le gestionnaire concerné peut, d'initiative, faire une proposition d'avis rectificatif.
§ 2. Le gestionnaire transmet, sans délai, à l'impétrant et, le cas échéant, aux impétrants-coordonnés, une copie de la demande d'avis rectificatif du président de la Commission ou de sa proposition d'avis rectificatif.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande et de la proposition d'avis rectificatif.
§ 1er. Une demande d'avis rectificatif peut être introduite, auprès du gestionnaire, par l'impétrant titulaire de l'autorisation d'exécution de chantier ou, lorsque la demande d'autorisation d'exécution de chantier a été soumise à l'avis de la Commission, par le président de cette dernière.
Le gestionnaire concerné peut, d'initiative, faire une proposition d'avis rectificatif.
§ 2. Le gestionnaire transmet, sans délai, à l'impétrant et, le cas échéant, aux impétrants-coordonnés, une copie de la demande d'avis rectificatif du président de la Commission ou de sa proposition d'avis rectificatif.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande et de la proposition d'avis rectificatif.
Art. 48. Aanhangigmaking bij en advies van de Commissie.
§ 1. Wanneer de aanvraag van de verzoeker of het voorstel van de beheerder betrekking heeft op een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder ze of het, om advies, over aan de Commissie.
De Commissie brengt haar advies uit volgens artikelen 38 en 39. De aan de Commissie toegekende termijn om haar advies uit te brengen wordt niettemin beperkt tot vijftien dagen te tellen vanaf de overmaking van de aanvraag of het voorstel tot rectificatiebericht.
§ 2. De verzoeker die de aanvraag tot rectificatiebericht heeft ingediend, wordt geacht er afstand van te hebben gedaan wanneer hij de Commissie de in artikel 38 bedoelde bijkomende informatie niet overmaakt.
§ 3. De regering bepaalt het model van de rectificatieberichtaanvraag en van het rectificatiebericht.
§ 1. Wanneer de aanvraag van de verzoeker of het voorstel van de beheerder betrekking heeft op een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder ze of het, om advies, over aan de Commissie.
De Commissie brengt haar advies uit volgens artikelen 38 en 39. De aan de Commissie toegekende termijn om haar advies uit te brengen wordt niettemin beperkt tot vijftien dagen te tellen vanaf de overmaking van de aanvraag of het voorstel tot rectificatiebericht.
§ 2. De verzoeker die de aanvraag tot rectificatiebericht heeft ingediend, wordt geacht er afstand van te hebben gedaan wanneer hij de Commissie de in artikel 38 bedoelde bijkomende informatie niet overmaakt.
§ 3. De regering bepaalt het model van de rectificatieberichtaanvraag en van het rectificatiebericht.
Art. 48. Saisine et avis de la Commission.
§ 1er. Lorsque la demande de l'impétrant ou la proposition du gestionnaire concerne un chantier visé à l'article 33, le gestionnaire la transmet, pour avis, a la Commission.
La Commission rend son avis dans le respect des articles 38 et 39, le délai imparti à la Commission pour le rendre étant toutefois ramené à quinze jours, à dater de la transmission de la demande ou de la proposition d'avis rectificatif.
§ 2. L'impétrant ayant introduit une demande d'avis rectificatif est réputé y avoir renoncé lorsqu'il ne communique pas à la Commission le complément d'information visé à l'article 38.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande d'avis et de l'avis.
§ 1er. Lorsque la demande de l'impétrant ou la proposition du gestionnaire concerne un chantier visé à l'article 33, le gestionnaire la transmet, pour avis, a la Commission.
La Commission rend son avis dans le respect des articles 38 et 39, le délai imparti à la Commission pour le rendre étant toutefois ramené à quinze jours, à dater de la transmission de la demande ou de la proposition d'avis rectificatif.
§ 2. L'impétrant ayant introduit une demande d'avis rectificatif est réputé y avoir renoncé lorsqu'il ne communique pas à la Commission le complément d'information visé à l'article 38.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la demande d'avis et de l'avis.
Art. 49. Hoorzitting, bijkomende informatie en advies.
De beheerder kan artikel 40 toepassen.
De persoon die een aanvraag tot rectificatiebericht heeft ingediend, wordt geacht er afstand van te hebben gedaan wanneer hij de beheerder de in artikel 40 bedoelde bijkomende informatie niet overmaakt.
De beheerder kan artikel 40 toepassen.
De persoon die een aanvraag tot rectificatiebericht heeft ingediend, wordt geacht er afstand van te hebben gedaan wanneer hij de beheerder de in artikel 40 bedoelde bijkomende informatie niet overmaakt.
Art. 49. Audition, informations complémentaires et avis.
Le gestionnaire peut faire application de l'article 40.
La personne ayant introduit une demande d'avis rectificatif est réputée y avoir renoncé lorsqu'elle ne communique pas au gestionnaire le complément d'information visé à l'article 40.
Le gestionnaire peut faire application de l'article 40.
La personne ayant introduit une demande d'avis rectificatif est réputée y avoir renoncé lorsqu'elle ne communique pas au gestionnaire le complément d'information visé à l'article 40.
Art. 50. Kennisgeving van de beslissing.
§ 1. De beheerder deelt zijn beslissing mee volgens artikel 41, waarbij de aan de beheerder toegekende termijn niettemin wordt beperkt tot vijftien dagen vanaf :
1° indien de aanvraag of zijn voorstel niet wordt voorgelegd om advies van de Commissie, de ontvangst van de aanvraag of de overmaking van zijn voorstel;
2° indien de aanvraag wordt voorgelegd om advies van de Commissie, de overmaking ervan.
§ 2. Het uitblijven van de kennisgeving van de beslissing binnen de in § 1 bedoelde termijn, komt overeen met de weigering van het rectificatiebericht.
§ 3. Zonder afbreuk te doen aan het in artikel 80 bedoelde beroep bij de regering, kan de aanvrager de beslissing van de beheerder, mocht zij stilzwijgend zijn, aanhangig maken bij het Verzoeningscomité, met in achtneming van artikel 77, § 1, 1°.
§ 4. De regering bepaalt het model van het rectificatiebericht en de vorm van de kennisgeving ervan.
§ 1. De beheerder deelt zijn beslissing mee volgens artikel 41, waarbij de aan de beheerder toegekende termijn niettemin wordt beperkt tot vijftien dagen vanaf :
1° indien de aanvraag of zijn voorstel niet wordt voorgelegd om advies van de Commissie, de ontvangst van de aanvraag of de overmaking van zijn voorstel;
2° indien de aanvraag wordt voorgelegd om advies van de Commissie, de overmaking ervan.
§ 2. Het uitblijven van de kennisgeving van de beslissing binnen de in § 1 bedoelde termijn, komt overeen met de weigering van het rectificatiebericht.
§ 3. Zonder afbreuk te doen aan het in artikel 80 bedoelde beroep bij de regering, kan de aanvrager de beslissing van de beheerder, mocht zij stilzwijgend zijn, aanhangig maken bij het Verzoeningscomité, met in achtneming van artikel 77, § 1, 1°.
§ 4. De regering bepaalt het model van het rectificatiebericht en de vorm van de kennisgeving ervan.
Art. 50. Notification de la décision.
§ 1er. Le gestionnaire notifie sa décision dans le respect de l'article 41, les délais impartis au gestionnaire étant toutefois ramenés à quinze jours à dater :
1° lorsque la demande ou sa proposition n'est pas soumise à l'avis de la Commission, de la réception de la demande ou de la transmission de sa proposition;
2° lorsque la demande est soumise à l'avis de la Commission, de la transmission de celui-ci.
§ 2. L'absence de notification de la décision, dans le délai fixé au § 1er, équivaut au refus d'avis rectificatif.
§ 3. Sans préjudice du recours au gouvernement visé à l'article 80, l'impétrant peut saisir le Comité de Conciliation, dans le respect de l'article 77, § 1er, 1°, de la décision du gestionnaire fût-elle tacite.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle de l'avis rectificatif et la forme de sa notification.
§ 1er. Le gestionnaire notifie sa décision dans le respect de l'article 41, les délais impartis au gestionnaire étant toutefois ramenés à quinze jours à dater :
1° lorsque la demande ou sa proposition n'est pas soumise à l'avis de la Commission, de la réception de la demande ou de la transmission de sa proposition;
2° lorsque la demande est soumise à l'avis de la Commission, de la transmission de celui-ci.
§ 2. L'absence de notification de la décision, dans le délai fixé au § 1er, équivaut au refus d'avis rectificatif.
§ 3. Sans préjudice du recours au gouvernement visé à l'article 80, l'impétrant peut saisir le Comité de Conciliation, dans le respect de l'article 77, § 1er, 1°, de la décision du gestionnaire fût-elle tacite.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle de l'avis rectificatif et la forme de sa notification.
HOOFDSTUK 4. - Bouwplaatsakkoord.
CHAPITRE 4. - L'accord de chantier.
Art. 51. Kennisgeving.
§ 1. De beheerder kan de verzoeker een bouwplaatsakkoord meedelen wanneer :
1° de bouwplaats niet onderworpen is aan een uitvoeringsvergunning;
2° hij vaststelt, na inzage van het bericht van opstarting van de bouwplaats, dat de dringende noodzakelijkheid die door de verzoeker wordt aangevoerd met toepassing van de artikelen 12, 13, 15, 16 of 31, § 1, gegrond is.
Wanneer het gaat over een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder aan de Commissie tegelijkertijd een afschrift van het bouwplaatsakkoord over.
De verzoeker schikt zich naar het bouwplaatsakkoord vanaf de ontvangst ervan.
§ 2. De regering bepaalt het model van het bouwplaatsakkoord en van de kennisgeving ervan.
§ 1. De beheerder kan de verzoeker een bouwplaatsakkoord meedelen wanneer :
1° de bouwplaats niet onderworpen is aan een uitvoeringsvergunning;
2° hij vaststelt, na inzage van het bericht van opstarting van de bouwplaats, dat de dringende noodzakelijkheid die door de verzoeker wordt aangevoerd met toepassing van de artikelen 12, 13, 15, 16 of 31, § 1, gegrond is.
Wanneer het gaat over een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder aan de Commissie tegelijkertijd een afschrift van het bouwplaatsakkoord over.
De verzoeker schikt zich naar het bouwplaatsakkoord vanaf de ontvangst ervan.
§ 2. De regering bepaalt het model van het bouwplaatsakkoord en van de kennisgeving ervan.
Art. 51. Notification.
§ 1er. Le gestionnaire peut notifier à l'impétrant un accord de chantier, lorsque :
1° le chantier n'est pas soumis à autorisation d'exécution de chantier;
2° il constate, sur le vu de l'avis de démarrage de chantier, que l'urgence invoquée par l'impétrant en application des articles 12, 13, 15, 16 ou 31, § 1er, est fondée.
Lorsqu'il s'agit d'un chantier visé à l'article 33, le gestionnaire transmet simultanément une copie de l'accord de chantier à la Commission.
L'impétrant se conforme à l'accord de chantier dès sa réception.
§ 2. Le gouvernement détermine le modèle de l'accord de chantier et de sa notification.
§ 1er. Le gestionnaire peut notifier à l'impétrant un accord de chantier, lorsque :
1° le chantier n'est pas soumis à autorisation d'exécution de chantier;
2° il constate, sur le vu de l'avis de démarrage de chantier, que l'urgence invoquée par l'impétrant en application des articles 12, 13, 15, 16 ou 31, § 1er, est fondée.
Lorsqu'il s'agit d'un chantier visé à l'article 33, le gestionnaire transmet simultanément une copie de l'accord de chantier à la Commission.
L'impétrant se conforme à l'accord de chantier dès sa réception.
§ 2. Le gouvernement détermine le modèle de l'accord de chantier et de sa notification.
Art. 52. Inhoud. Het bouwplaatsakkoord kan de volgende voorschriften bevatten :
1° aanvullende voorschriften op die bedoeld in artikelen 59 en 62, § 1;
2° een datum waarop de openbare weg in goede staat moet zijn hersteld;
3° voor zover het bouwplaatsakkoord is afgegeven vóór het begin van de bouwplaats, de aanvangsdatum van de bouwplaats, haar uitvoeringsperiode of de beslissing van de beheerder om artikel 62, § 2 toe te passen.
1° aanvullende voorschriften op die bedoeld in artikelen 59 en 62, § 1;
2° een datum waarop de openbare weg in goede staat moet zijn hersteld;
3° voor zover het bouwplaatsakkoord is afgegeven vóór het begin van de bouwplaats, de aanvangsdatum van de bouwplaats, haar uitvoeringsperiode of de beslissing van de beheerder om artikel 62, § 2 toe te passen.
Art. 52. Contenu. L'accord de chantier peut contenir les prescriptions suivantes :
1° des prescriptions complémentaires à celles visées aux articles 59 et 62, § 1er;
2° une date de remise de la voirie en son pristin état;
3° pour autant que l'accord de chantier soit délivré avant le début du chantier, la date de début de chantier, sa périoded'exécution ou la décision du gestionnaire de faire application de l'article 62, § 2.
1° des prescriptions complémentaires à celles visées aux articles 59 et 62, § 1er;
2° une date de remise de la voirie en son pristin état;
3° pour autant que l'accord de chantier soit délivré avant le début du chantier, la date de début de chantier, sa périoded'exécution ou la décision du gestionnaire de faire application de l'article 62, § 2.
BOEK III. - Uitvoering van de bouwplaats.
LIVRE III. - Exécution du chantier.
TITEL 1. - Algemeen.
TITRE 1er. - Généralités.
Art. 53. Verplichtingen van de gecoördineerde verzoekers.
§ 1. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, voert de leidende verzoeker, in naam en voor rekening van de gecoördineerde verzoekers, de in de artikelen 54, § 1, 56, 57, 58, 59, § 2, 60, 63, 66, § 3, en 67 verplichtingen uit.
§ 2. In het geval van een gemengde bouwplaats, voeren de leidende verzoeker en de coördinerende verzoeker, in naam en voor rekening van de gecoördineerde verzoekers die tot hun categorie behoren, de in artikel 61 bedoelde verplichting uit.
§ 3. In geval van een gecoördineerde bouwplaats, zijn de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst hoofdelijk aansprakelijk voor de uitvoering van de in de artikelen 59, § 1, 62, 64, 65, 68, 69, 72, 73 en 74 bedoelde verplichtingen.
§ 1. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, voert de leidende verzoeker, in naam en voor rekening van de gecoördineerde verzoekers, de in de artikelen 54, § 1, 56, 57, 58, 59, § 2, 60, 63, 66, § 3, en 67 verplichtingen uit.
§ 2. In het geval van een gemengde bouwplaats, voeren de leidende verzoeker en de coördinerende verzoeker, in naam en voor rekening van de gecoördineerde verzoekers die tot hun categorie behoren, de in artikel 61 bedoelde verplichting uit.
§ 3. In geval van een gecoördineerde bouwplaats, zijn de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst hoofdelijk aansprakelijk voor de uitvoering van de in de artikelen 59, § 1, 62, 64, 65, 68, 69, 72, 73 en 74 bedoelde verplichtingen.
Art. 53. Les obligations des impétrants-coordonnés.
§ 1er. En cas de chantier coordonné, l'impétrant-pilote exécute, au nom et pour le compte des impétrants-coordonnés, les obligations visées aux articles 54, § 1er, 56, 57, 58, 59, § 2, 60, 63, 66, § 3, et 67.
§ 2. En cas de chantier mixte, l'impétrant-pilote et l'impétrant-coordinateur exécutent, au nom et pour le compte des impétrants coordonnés relevant de leur catégorie, l'obligation visée a l'article 61.
§ 3. En cas de chantier coordonné, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, sont solidairement responsables de l'exécution des obligations visées aux articles 59, § 1er, 62, 64, 65, 68, 69, 72, 73 et 74.
§ 1er. En cas de chantier coordonné, l'impétrant-pilote exécute, au nom et pour le compte des impétrants-coordonnés, les obligations visées aux articles 54, § 1er, 56, 57, 58, 59, § 2, 60, 63, 66, § 3, et 67.
§ 2. En cas de chantier mixte, l'impétrant-pilote et l'impétrant-coordinateur exécutent, au nom et pour le compte des impétrants coordonnés relevant de leur catégorie, l'obligation visée a l'article 61.
§ 3. En cas de chantier coordonné, les services d'exécution et les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, sont solidairement responsables de l'exécution des obligations visées aux articles 59, § 1er, 62, 64, 65, 68, 69, 72, 73 et 74.
Art. 54. Bouwplaats op verschillende openbare wegen.
§ 1. Wanneer de bouwplaats zich tegelijk op een gewestelijke en een gemeentelijke weg of op een of meerdere gemeentelijke wegen van verschillende gemeenten bevindt, maakt de verzoeker, ter informatie en zonder verwijl, de desbetreffende beheerders een kopie over van :
1° zijn verklaring van opstarting van bouwplaats bedoeld in artikel 58;
2° zijn verklaring van afsluiting van bouwplaats bedoeld in artikel 66, § 3.
§ 2. Iedere beheerder maakt de andere bij de bouwplaats betrokken beheerders, ter informatie en zonder verwijl, een kopie over van :
1° zijn bevelen bedoeld in de artikelen 58, 59, § 2, 64, 68 en 72;
2° zijn beslissing om de in de artikelen 58, § 3, 65, 69 en 72 bedoelde maatregelen van ambtswege toe te passen.
§ 1. Wanneer de bouwplaats zich tegelijk op een gewestelijke en een gemeentelijke weg of op een of meerdere gemeentelijke wegen van verschillende gemeenten bevindt, maakt de verzoeker, ter informatie en zonder verwijl, de desbetreffende beheerders een kopie over van :
1° zijn verklaring van opstarting van bouwplaats bedoeld in artikel 58;
2° zijn verklaring van afsluiting van bouwplaats bedoeld in artikel 66, § 3.
§ 2. Iedere beheerder maakt de andere bij de bouwplaats betrokken beheerders, ter informatie en zonder verwijl, een kopie over van :
1° zijn bevelen bedoeld in de artikelen 58, 59, § 2, 64, 68 en 72;
2° zijn beslissing om de in de artikelen 58, § 3, 65, 69 en 72 bedoelde maatregelen van ambtswege toe te passen.
Art. 54. Chantier situé sur plusieurs voiries.
§ 1er. Lorsque le chantier est situé à la fois sur une voirie régionale et une voirie communale ou sur une ou plusieurs voirie(s) communale(s) de communes différentes, l'impétrant transmet, pour information et sans délai, aux gestionnaires concernés, copie de :
1° son avis de démarrage de chantier, visé à l'article 58;
2° sa déclaration de clôture de chantier, visée à l'article 66, § 3.
§ 2. Chaque gestionnaire transmet, pour information et sans délai, aux autres gestionnaires concernés par le chantier, copie de :
1° ses ordres visés aux articles 58, 59, § 2, 64, 68 et 72;
2° sa décision d'application des mesures d'office visées aux articles 58, § 3, 65, 69 et 72.
§ 1er. Lorsque le chantier est situé à la fois sur une voirie régionale et une voirie communale ou sur une ou plusieurs voirie(s) communale(s) de communes différentes, l'impétrant transmet, pour information et sans délai, aux gestionnaires concernés, copie de :
1° son avis de démarrage de chantier, visé à l'article 58;
2° sa déclaration de clôture de chantier, visée à l'article 66, § 3.
§ 2. Chaque gestionnaire transmet, pour information et sans délai, aux autres gestionnaires concernés par le chantier, copie de :
1° ses ordres visés aux articles 58, 59, § 2, 64, 68 et 72;
2° sa décision d'application des mesures d'office visées aux articles 58, § 3, 65, 69 et 72.
TITEL 2. - Bouwplaatsverplichtingen.
TITRE 2. - Obligations de chantier.
HOOFDSTUK 1. - Vóór het begin van de bouwplaats.
CHAPITRE 1er. - Avant le début du chantier.
Art. 55. Bankwaarborg.
§ 1. De verzoeker stelt een bankwaarborg per bouwplaats op basis van de oppervlakte van het terrein. Het bewijs dat de waarborg gesteld werd, wordt overgemaakt aan de beheerder vóór het opstarten van de bouwplaats of, in geval van dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd, in het bericht van opstarting van de bouwplaats, binnen tien dagen vanaf de dag van verzending van dat bericht.
In afwijking van het eerste lid kunnen de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst een meerjarenwaarborg stellen ten gunste van alle beheerders die alle bouwplaatsen dekt die zij uitvoeren op heel het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gedurende een welbepaalde periode.
De bankwaarborg wordt uitgegeven door een erkende kredietinstelling ofwel bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen ofwel bij een overheid van een lidstaat van de Europese Unie die gemachtigd is om de kredietinstellingen te controleren.
De regering bepaalt het bedrag van de bankwaarborg, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Zij bepaalt ook de vorm en de voorschriften inzake het stellen, de vrijmaking en de afhouding van de bankwaarborg, alsook, voor degene bedoeld in het tweede lid, de wijze waarop bewezen dient te worden dat ze gesteld en aangepast werd.
§ 2. De bankwaarborg is bedoeld om de dekking te garanderen van de verschuldigde bedragen met toepassing van de artikelen 9, 62, § 2, 74, 86 en van artikel 87 voor de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst. De bedragen die op de vervaldag nog niet werden betaald, worden ambtshalve door de beheerder ingehouden op de bankwaarborg; er is daarvoor geen andere formaliteit vereist dan de verzoeker daarvan, overeenkomstig de door de regering bepaalde modaliteiten, op de hoogte te stellen.
§ 3. De uitvoeringsdiensten zijn vrijgesteld van de verplichting een bankwaarborg te stellen.
De regering stelt de lijst met bouwplaatsen van geringe omvang op die vrijgesteld zijn van de verplichting een bankwaarborg te stellen.
§ 1. De verzoeker stelt een bankwaarborg per bouwplaats op basis van de oppervlakte van het terrein. Het bewijs dat de waarborg gesteld werd, wordt overgemaakt aan de beheerder vóór het opstarten van de bouwplaats of, in geval van dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd, in het bericht van opstarting van de bouwplaats, binnen tien dagen vanaf de dag van verzending van dat bericht.
In afwijking van het eerste lid kunnen de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst een meerjarenwaarborg stellen ten gunste van alle beheerders die alle bouwplaatsen dekt die zij uitvoeren op heel het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gedurende een welbepaalde periode.
De bankwaarborg wordt uitgegeven door een erkende kredietinstelling ofwel bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen ofwel bij een overheid van een lidstaat van de Europese Unie die gemachtigd is om de kredietinstellingen te controleren.
De regering bepaalt het bedrag van de bankwaarborg, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Zij bepaalt ook de vorm en de voorschriften inzake het stellen, de vrijmaking en de afhouding van de bankwaarborg, alsook, voor degene bedoeld in het tweede lid, de wijze waarop bewezen dient te worden dat ze gesteld en aangepast werd.
§ 2. De bankwaarborg is bedoeld om de dekking te garanderen van de verschuldigde bedragen met toepassing van de artikelen 9, 62, § 2, 74, 86 en van artikel 87 voor de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst. De bedragen die op de vervaldag nog niet werden betaald, worden ambtshalve door de beheerder ingehouden op de bankwaarborg; er is daarvoor geen andere formaliteit vereist dan de verzoeker daarvan, overeenkomstig de door de regering bepaalde modaliteiten, op de hoogte te stellen.
§ 3. De uitvoeringsdiensten zijn vrijgesteld van de verplichting een bankwaarborg te stellen.
De regering stelt de lijst met bouwplaatsen van geringe omvang op die vrijgesteld zijn van de verplichting een bankwaarborg te stellen.
Art. 55. Garantie bancaire.
§ 1er. L'impétrant constitue une garantie bancaire, par chantier, en fonction de la superficie de son emprise. La preuve de la constitution de la garantie est transmise au gestionnaire avant le début du chantier ou, en cas d'urgence dûment motivée dans l'avis de démarrage de chantier, dans les dix jours de la date d'envoi de cet avis.
Par dérogation au premier alinéa, les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, peuvent constituer une garantie pluriannuelle au profit de l'ensemble des gestionnaires et couvrant l'ensemble des chantiers qu'elles effectuent sur tout le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale, pendant une période déterminée.
La garantie bancaire est émise par un établissement de crédit agréé soit auprès de la Commission bancaire et financière, soit auprès d'une autorité d'un Etat, membre de l'Union européenne, qui est habilitée à contrôler les établissements de crédit.
Le gouvernement détermine, dans le respect du principe de proportionnalité, le montant de la garantie bancaire. Il détermine aussi la forme et les règles de constitution, de libération et de prélèvement de la garantie bancaire, ainsi que, pour celle visée au deuxième alinéa, le mode de preuve de sa constitution et de son adaptation.
§ 2. La garantie bancaire est destinée à garantir le recouvrement des sommes dues en application des articles 9, 62, § 2, 74, 86 et de l'article 87 pour les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°. Les sommes non payées à leur échéance sont imputées de plein droit, par le gestionnaire, sur la garantie bancaire, sans autre formalité que d'en avertir l'impétrant suivant les modalités déterminées par le gouvernement.
§ 3. Les services d'exécution sont dispensés de l'obligation de constitution d'une garantie bancaire.
Le gouvernement dresse la liste des chantiers de minime importance dispensés de l'obligation de constitution d'une garantie bancaire.
§ 1er. L'impétrant constitue une garantie bancaire, par chantier, en fonction de la superficie de son emprise. La preuve de la constitution de la garantie est transmise au gestionnaire avant le début du chantier ou, en cas d'urgence dûment motivée dans l'avis de démarrage de chantier, dans les dix jours de la date d'envoi de cet avis.
Par dérogation au premier alinéa, les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, peuvent constituer une garantie pluriannuelle au profit de l'ensemble des gestionnaires et couvrant l'ensemble des chantiers qu'elles effectuent sur tout le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale, pendant une période déterminée.
La garantie bancaire est émise par un établissement de crédit agréé soit auprès de la Commission bancaire et financière, soit auprès d'une autorité d'un Etat, membre de l'Union européenne, qui est habilitée à contrôler les établissements de crédit.
Le gouvernement détermine, dans le respect du principe de proportionnalité, le montant de la garantie bancaire. Il détermine aussi la forme et les règles de constitution, de libération et de prélèvement de la garantie bancaire, ainsi que, pour celle visée au deuxième alinéa, le mode de preuve de sa constitution et de son adaptation.
§ 2. La garantie bancaire est destinée à garantir le recouvrement des sommes dues en application des articles 9, 62, § 2, 74, 86 et de l'article 87 pour les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°. Les sommes non payées à leur échéance sont imputées de plein droit, par le gestionnaire, sur la garantie bancaire, sans autre formalité que d'en avertir l'impétrant suivant les modalités déterminées par le gouvernement.
§ 3. Les services d'exécution sont dispensés de l'obligation de constitution d'une garantie bancaire.
Le gouvernement dresse la liste des chantiers de minime importance dispensés de l'obligation de constitution d'une garantie bancaire.
Art. 56. Informatie aan weggebruikers en omwonenden.
§ 1. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het bericht van opstarting van de bouwplaats, informeert de verzoeker, ten minste drie dagen vóór het opstarten van de bouwplaats en gedurende heel de duur ervan, de omwonenden en weggebruikers over de aard van de bouwplaats, de duur ervan en de invloed op de leefbaarheid van de openbare weg. Hij deelt ze eveneens zijn gegevens en die van de onderneming belast met de uitvoering van de bouwplaats mee.
De regering bepaalt de vorm en de modaliteiten van deze informatie.
§ 2. De uitvoeringsvergunning of het bouwplaatsakkoord kan elk ander aanvullend voorschift dan deze bedoeld in § 1 bevatten.
§ 1. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het bericht van opstarting van de bouwplaats, informeert de verzoeker, ten minste drie dagen vóór het opstarten van de bouwplaats en gedurende heel de duur ervan, de omwonenden en weggebruikers over de aard van de bouwplaats, de duur ervan en de invloed op de leefbaarheid van de openbare weg. Hij deelt ze eveneens zijn gegevens en die van de onderneming belast met de uitvoering van de bouwplaats mee.
De regering bepaalt de vorm en de modaliteiten van deze informatie.
§ 2. De uitvoeringsvergunning of het bouwplaatsakkoord kan elk ander aanvullend voorschift dan deze bedoeld in § 1 bevatten.
Art. 56. Information des usagers et des riverains.
§ 1er. Sauf urgence dûment motivée dans l'avis de démarrage de chantier, l'impétrant informe au moins trois jours avant le début du chantier et pendant toute sa durée, les riverains et les usagers de la voirie, de la nature du chantier, de sa durée et de son impact en termes de viabilite de la voirie. Il leur communique aussi ses coordonnées et celles de l'entreprise chargée de la réalisation du chantier.
Le gouvernement détermine la forme et les modalités de cette information.
§ 2. L'autorisation d'exécution de chantier ou l'accord de chantier peut contenir toute autre prescription complémentaire à celles visées au § 1er.
§ 1er. Sauf urgence dûment motivée dans l'avis de démarrage de chantier, l'impétrant informe au moins trois jours avant le début du chantier et pendant toute sa durée, les riverains et les usagers de la voirie, de la nature du chantier, de sa durée et de son impact en termes de viabilite de la voirie. Il leur communique aussi ses coordonnées et celles de l'entreprise chargée de la réalisation du chantier.
Le gouvernement détermine la forme et les modalités de cette information.
§ 2. L'autorisation d'exécution de chantier ou l'accord de chantier peut contenir toute autre prescription complémentaire à celles visées au § 1er.
Art. 57. Oorspronkelijke plaatsbeschrijving.
§ 1. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het bericht van opstarting van de bouwplaats, nodigt de verzoeker de beheerder, vóór het opstarten van de bouwplaats, uit om de oorspronkelijke plaatsbeschrijving van het terrein van de bouwplaats en van zijn onmiddellijke omgeving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
Indien er na twintig dagen volgend op de uitnodiging geen oorspronkelijke plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de beheerder, stelt de verzoeker deze plaatsbeschrijving op, die dan geacht wordt tegensprekelijk te zijn. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de beheerder.
§ 2. Bij afwezigheid van de oorspronkelijke plaatsbeschrijving, worden het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving geacht in goede staat te verkeren op het ogenblik waarop de bouwplaats aanvangt.
§ 3. De kosten voor de oorspronkelijke plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker.
§ 4. De regering bepaalt het model van de oorspronkelijke plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.
§ 1. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het bericht van opstarting van de bouwplaats, nodigt de verzoeker de beheerder, vóór het opstarten van de bouwplaats, uit om de oorspronkelijke plaatsbeschrijving van het terrein van de bouwplaats en van zijn onmiddellijke omgeving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
Indien er na twintig dagen volgend op de uitnodiging geen oorspronkelijke plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de beheerder, stelt de verzoeker deze plaatsbeschrijving op, die dan geacht wordt tegensprekelijk te zijn. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de beheerder.
§ 2. Bij afwezigheid van de oorspronkelijke plaatsbeschrijving, worden het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving geacht in goede staat te verkeren op het ogenblik waarop de bouwplaats aanvangt.
§ 3. De kosten voor de oorspronkelijke plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker.
§ 4. De regering bepaalt het model van de oorspronkelijke plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.
Art. 57. Etat des lieux d'entrée.
§ 1er. Sauf urgence dûment motivée dans l'avis de démarrage de chantier, l'impétrant invite le gestionnaire, avant le début du chantier, à dresser l'état des lieux d'entrée de l'emprise du chantier et de ses abords immédiats, lequel a lieu au plus tôt cinq jours après l'invitation.
Si, dans les vingt jours de l'invitation, il n'est pas dressé d'état des lieux d'entrée par le fait du gestionnaire, l'impétrant le dresse seul, lequel est réputé contradictoire. Il en transmet, sans délai, une copie au gestionnaire.
§ 2. En l'absence d'état des lieux d'entrée, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés être en bon état au moment du début du chantier.
§ 3. Les frais liés à l'état des lieux d'entrée sont à charge de l'impétrant.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle de l'état des lieux d'entrée et de l'invitation.
§ 1er. Sauf urgence dûment motivée dans l'avis de démarrage de chantier, l'impétrant invite le gestionnaire, avant le début du chantier, à dresser l'état des lieux d'entrée de l'emprise du chantier et de ses abords immédiats, lequel a lieu au plus tôt cinq jours après l'invitation.
Si, dans les vingt jours de l'invitation, il n'est pas dressé d'état des lieux d'entrée par le fait du gestionnaire, l'impétrant le dresse seul, lequel est réputé contradictoire. Il en transmet, sans délai, une copie au gestionnaire.
§ 2. En l'absence d'état des lieux d'entrée, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés être en bon état au moment du début du chantier.
§ 3. Les frais liés à l'état des lieux d'entrée sont à charge de l'impétrant.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle de l'état des lieux d'entrée et de l'invitation.
Art. 58. Bericht van opstarting van de bouwplaats.
§ 1. Behoudens naar behoren gemotiveerde dringende noodzakelijkheid, bezorgt de verzoeker ten laatste vijf dagen voor het opstarten van de bouwplaats, een bericht van opstarting van de bouwplaats aan de beheerder en aan de eventuele gecoördineerde verzoekers. In het bericht van opstarting, wordt de datum van het opstarten van de bouwplaats meegedeeld die, in voorkomend geval, overeenkomt met deze vermeld in de uitvoeringsvergunning of in een rectificatiebericht.
Wanneer het een bouwplaats betreft bedoeld in artikel 33, dient de verzoeker tegelijkertijd een kopie van het bericht van opstarting aan de Commissie over te maken.
§ 2. Indien, vóór het opstarten van de bouwplaats, een aanvraag of een voorstel voor rectificatiebericht met betrekking tot de datum van opstarting werd ingediend, mag de bouwplaats pas worden gestart wanneer over deze aanvraag of voorstel is beslist.
§ 3. In geval van dringende noodzakelijkheid, wordt de verklaring van opstarting van de bouwplaats aan de beheerder overgemaakt uiterlijk de eerste dag volgend op de datum waarop de werken aanvangen.
Als de beheerder, na inzage van het bericht van opstarting, vaststelt dat het verzoek om dringende uitvoering niet gegrond is, geeft hij aan de verzoeker het bevel :
1° de bouwplaats stil te leggen en, indien redenen dit rechtvaardigen, binnen de termijn die hij vaststelt, het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving in oorspronkelijke staat te herstellen; gebeurt dit niet, dan kan de beheerder ambtshalve voorzien in de uitvoering van de nodige werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker;
2° zich te schikken naar § 1, eerste lid, en, in voorkomend geval, naar de artikelen 12, 13, 15, 16, 31, § 1, of 57.
Wanneer het een in artikel 33 bedoelde bouwplaats betreft, maakt de beheerder een kopie van zijn bevel over aan de Commissie.
De beheerder maakt een kopie van zijn bevel over aan de eventuele gecoördineerde verzoekers.
§ 4. De regering bepaalt het model van het bericht van opstarting van de bouwplaats en van het bevel van de beheerder.
§ 1. Behoudens naar behoren gemotiveerde dringende noodzakelijkheid, bezorgt de verzoeker ten laatste vijf dagen voor het opstarten van de bouwplaats, een bericht van opstarting van de bouwplaats aan de beheerder en aan de eventuele gecoördineerde verzoekers. In het bericht van opstarting, wordt de datum van het opstarten van de bouwplaats meegedeeld die, in voorkomend geval, overeenkomt met deze vermeld in de uitvoeringsvergunning of in een rectificatiebericht.
Wanneer het een bouwplaats betreft bedoeld in artikel 33, dient de verzoeker tegelijkertijd een kopie van het bericht van opstarting aan de Commissie over te maken.
§ 2. Indien, vóór het opstarten van de bouwplaats, een aanvraag of een voorstel voor rectificatiebericht met betrekking tot de datum van opstarting werd ingediend, mag de bouwplaats pas worden gestart wanneer over deze aanvraag of voorstel is beslist.
§ 3. In geval van dringende noodzakelijkheid, wordt de verklaring van opstarting van de bouwplaats aan de beheerder overgemaakt uiterlijk de eerste dag volgend op de datum waarop de werken aanvangen.
Als de beheerder, na inzage van het bericht van opstarting, vaststelt dat het verzoek om dringende uitvoering niet gegrond is, geeft hij aan de verzoeker het bevel :
1° de bouwplaats stil te leggen en, indien redenen dit rechtvaardigen, binnen de termijn die hij vaststelt, het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving in oorspronkelijke staat te herstellen; gebeurt dit niet, dan kan de beheerder ambtshalve voorzien in de uitvoering van de nodige werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker;
2° zich te schikken naar § 1, eerste lid, en, in voorkomend geval, naar de artikelen 12, 13, 15, 16, 31, § 1, of 57.
Wanneer het een in artikel 33 bedoelde bouwplaats betreft, maakt de beheerder een kopie van zijn bevel over aan de Commissie.
De beheerder maakt een kopie van zijn bevel over aan de eventuele gecoördineerde verzoekers.
§ 4. De regering bepaalt het model van het bericht van opstarting van de bouwplaats en van het bevel van de beheerder.
Art. 58. Avis de démarrage de chantier.
§ 1er. Sauf urgence dûment motivée, l'impétrant transmet, au plus tard cinq jours avant le début du chantier, un avis de démarrage de chantier au gestionnaire et aux éventuels impétrants-coordonnés. L'avis de démarrage renseigne la date de début du chantier qui correspond, le cas échéant, à celle contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier ou dans un avis rectificatif.
Lorsqu'il s'agit d'un chantier visé à l'article 33, l'impétrant transmet, simultanément, une copie de l'avis de démarrage à la Commission.
§ 2. Si, avant le début du chantier, une demande ou une proposition d'avis rectificatif relative à la date du début du chantier est introduite, le chantier ne peut débuter tant qu'il n'a pas été statué sur cette demande ou proposition.
§ 3. En cas d'urgence, l'avis de démarrage de chantier est transmis au gestionnaire au plus tard le premier jour qui suit la date du début du chantier.
Si le gestionnaire constate, au vu de l'avis de démarrage, que l'urgence invoquée par l'impétrant n'est pas fondée, il donne l'ordre à l'impétrant :
1° d'arrêter le chantier et, si des motifs le justifient, de remettre, dans le délai qu'il fixe, l'emprise du chantier et ses abords immédiats en pristin état; à défaut, le gestionnaire peut pourvoir d'office à l'exécution des travaux à charge et aux frais, risques et périls de l'impétrant;
2° de se conformer au § 1er, premier alinéa, et, le cas échéant, aux articles 12, 13, 15, 16, 31, § 1er, ou 57.
Lorsqu'il s'agit d'un chantier vise à l'article 33, le gestionnaire transmet une copie de son ordre à la Commission.
Le gestionnaire transmet une copie de son ordre aux éventuels impetrants-coordonnés.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle de l'avis de démarrage et de l'ordre du gestionnaire.
§ 1er. Sauf urgence dûment motivée, l'impétrant transmet, au plus tard cinq jours avant le début du chantier, un avis de démarrage de chantier au gestionnaire et aux éventuels impétrants-coordonnés. L'avis de démarrage renseigne la date de début du chantier qui correspond, le cas échéant, à celle contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier ou dans un avis rectificatif.
Lorsqu'il s'agit d'un chantier visé à l'article 33, l'impétrant transmet, simultanément, une copie de l'avis de démarrage à la Commission.
§ 2. Si, avant le début du chantier, une demande ou une proposition d'avis rectificatif relative à la date du début du chantier est introduite, le chantier ne peut débuter tant qu'il n'a pas été statué sur cette demande ou proposition.
§ 3. En cas d'urgence, l'avis de démarrage de chantier est transmis au gestionnaire au plus tard le premier jour qui suit la date du début du chantier.
Si le gestionnaire constate, au vu de l'avis de démarrage, que l'urgence invoquée par l'impétrant n'est pas fondée, il donne l'ordre à l'impétrant :
1° d'arrêter le chantier et, si des motifs le justifient, de remettre, dans le délai qu'il fixe, l'emprise du chantier et ses abords immédiats en pristin état; à défaut, le gestionnaire peut pourvoir d'office à l'exécution des travaux à charge et aux frais, risques et périls de l'impétrant;
2° de se conformer au § 1er, premier alinéa, et, le cas échéant, aux articles 12, 13, 15, 16, 31, § 1er, ou 57.
Lorsqu'il s'agit d'un chantier vise à l'article 33, le gestionnaire transmet une copie de son ordre à la Commission.
Le gestionnaire transmet une copie de son ordre aux éventuels impetrants-coordonnés.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle de l'avis de démarrage et de l'ordre du gestionnaire.
HOOFDSTUK 2. - Van het begin tot het einde van de bouwplaats.
CHAPITRE 2. - Du début au terme du chantier.
Art. 59. Beheer van de bouwplaats.
§ 1. Van het begin tot aan het einde van de bouwplaats, beheert de verzoeker de bouwplaats om de integriteit en de leefbaarheid van de openbare weg te vrijwaren.
Te dien einde, moet de verzoeker :
1° het terrein van de bouwplaats afsluiten met afsluitingen;
2° de aanhorigheden van de openbare weg gelegen op het terrein van de bouwplaats en in de onmiddellijke omgeving beschermen;
3° het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving in goede staat houden wat betreft orde en netheid;
4° signalisatie aanbrengen op zijn terrein en in de omgeving;
5° verlichting aanbrengen op zijn terrein en in de onmiddellijke omgeving;
6° indien nodig, de bouwplaats in fases uitvoeren;
7° het verkeer van de bouwplaatsvoertuigen over vastgestelde routes regelen;
8° langs het terrein van de bouwplaats, de verplaatsing van zwakke weggebruikers over de openbare weg verzekeren door middel van speciale wandelgangen;
9° langs het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving, het verkeer verzekeren van voertuigen die een openbare dienst verzekeren;
10° de toegang tot de naburige gebouwen verzekeren;
11° zorgen voor de toegang tot de ingangen van metrostations, haltes van het openbaar vervoer, taxistandplaatsen, zones voor het laden en lossen van goederen en plaatsen en installaties voor personen met beperkte mobiliteit;
12° geen enkel materiaal, materieel, toestel of voertuig van de bouwplaats buiten zijn terrein plaatsen.
De regering kan de hierboven genoemde voorschriften preciseren en elk ander voorschrift opstellen om de leefbaarheid en de integriteit van de openbare weg te verzekeren.
§ 2. In de loop van de werken en voor zover de integriteit of de leefbaarheid van de weg dit vereist, mag de beheerder, mits gegronde motivering, de verzoeker bevelen de werken stil te leggen en deze, in voorkomend geval, te hervatten op de door hem bepaalde datum.
§ 1. Van het begin tot aan het einde van de bouwplaats, beheert de verzoeker de bouwplaats om de integriteit en de leefbaarheid van de openbare weg te vrijwaren.
Te dien einde, moet de verzoeker :
1° het terrein van de bouwplaats afsluiten met afsluitingen;
2° de aanhorigheden van de openbare weg gelegen op het terrein van de bouwplaats en in de onmiddellijke omgeving beschermen;
3° het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving in goede staat houden wat betreft orde en netheid;
4° signalisatie aanbrengen op zijn terrein en in de omgeving;
5° verlichting aanbrengen op zijn terrein en in de onmiddellijke omgeving;
6° indien nodig, de bouwplaats in fases uitvoeren;
7° het verkeer van de bouwplaatsvoertuigen over vastgestelde routes regelen;
8° langs het terrein van de bouwplaats, de verplaatsing van zwakke weggebruikers over de openbare weg verzekeren door middel van speciale wandelgangen;
9° langs het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving, het verkeer verzekeren van voertuigen die een openbare dienst verzekeren;
10° de toegang tot de naburige gebouwen verzekeren;
11° zorgen voor de toegang tot de ingangen van metrostations, haltes van het openbaar vervoer, taxistandplaatsen, zones voor het laden en lossen van goederen en plaatsen en installaties voor personen met beperkte mobiliteit;
12° geen enkel materiaal, materieel, toestel of voertuig van de bouwplaats buiten zijn terrein plaatsen.
De regering kan de hierboven genoemde voorschriften preciseren en elk ander voorschrift opstellen om de leefbaarheid en de integriteit van de openbare weg te verzekeren.
§ 2. In de loop van de werken en voor zover de integriteit of de leefbaarheid van de weg dit vereist, mag de beheerder, mits gegronde motivering, de verzoeker bevelen de werken stil te leggen en deze, in voorkomend geval, te hervatten op de door hem bepaalde datum.
Art. 59. Gestion du chantier.
§ 1er. Du début du chantier jusqu'à son terme, l'impétrant gère celui-ci, pour préserver l'intégrité et la viabilité de la voirie.
A cette fin, l'impétrant :
1° isole l'emprise du chantier par des clôtures;
2° protège les dépendances de la voirie situées dans l'emprise du chantier et à ses abords immédiats;
3° maintient l'emprise du chantier et ses abords immédiats en bon état d'ordre et de propreté;
4° signale le chantier au droit de son emprise et à ses abords;
5° éclaire le chantier au droit de son emprise et à ses abords immédiats;
6° exécute, le cas échéant, le chantier par phases;
7° organise la circulation du charroi du chantier sur des itinéraires déterminés;
8° au droit de l'emprise du chantier, assure le déplacement, sur la voirie, des usagers faibles de la voirie, dans des couloirs de contournement;
9° au droit de l'emprise du chantier et à ses abords immédiats, assure la circulation des véhicules assurant un service public;
10° assure l'accès aux immeubles riverains;
11° veille à l'accessibilité des entrées de métro, des arrêts de transport public, des emplacements de taxis, des zones de chargement et de déchargement de marchandises et des emplacements et installations propres aux personnes à mobilité réduite;
12° n'entrepose aucun matériel, matériau, engin ou véhicule de chantier en dehors de son emprise.
Le gouvernement peut préciser les prescriptions énoncées ci-dessus et établir toute autre prescription de nature à assurer la viabilité et l'intégrité de la voirie.
§ 2. En cours de chantier et pour autant que l'intégrité ou la viabilité de la voirie le requiert, le gestionnaire peut, moyennant due motivation, donner l'ordre à l'impétrant d'arrêter le chantier et, le cas échéant, de le reprendre à la date qu'il détermine.
§ 1er. Du début du chantier jusqu'à son terme, l'impétrant gère celui-ci, pour préserver l'intégrité et la viabilité de la voirie.
A cette fin, l'impétrant :
1° isole l'emprise du chantier par des clôtures;
2° protège les dépendances de la voirie situées dans l'emprise du chantier et à ses abords immédiats;
3° maintient l'emprise du chantier et ses abords immédiats en bon état d'ordre et de propreté;
4° signale le chantier au droit de son emprise et à ses abords;
5° éclaire le chantier au droit de son emprise et à ses abords immédiats;
6° exécute, le cas échéant, le chantier par phases;
7° organise la circulation du charroi du chantier sur des itinéraires déterminés;
8° au droit de l'emprise du chantier, assure le déplacement, sur la voirie, des usagers faibles de la voirie, dans des couloirs de contournement;
9° au droit de l'emprise du chantier et à ses abords immédiats, assure la circulation des véhicules assurant un service public;
10° assure l'accès aux immeubles riverains;
11° veille à l'accessibilité des entrées de métro, des arrêts de transport public, des emplacements de taxis, des zones de chargement et de déchargement de marchandises et des emplacements et installations propres aux personnes à mobilité réduite;
12° n'entrepose aucun matériel, matériau, engin ou véhicule de chantier en dehors de son emprise.
Le gouvernement peut préciser les prescriptions énoncées ci-dessus et établir toute autre prescription de nature à assurer la viabilité et l'intégrité de la voirie.
§ 2. En cours de chantier et pour autant que l'intégrité ou la viabilité de la voirie le requiert, le gestionnaire peut, moyennant due motivation, donner l'ordre à l'impétrant d'arrêter le chantier et, le cas échéant, de le reprendre à la date qu'il détermine.
Art. 60. Tonen van documenten op de bouwplaats.
Op de bouwplaats toont de verzoeker op het eerste verzoek van de in artikel 83, § 1 bedoelde officieren of agenten, het afschrift van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord alsook van het bericht van opstarting van een bouwplaats.
Op de bouwplaats toont de verzoeker op het eerste verzoek van de in artikel 83, § 1 bedoelde officieren of agenten, het afschrift van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord alsook van het bericht van opstarting van een bouwplaats.
Art. 60. Production de documents sur le chantier.
Sur le chantier, l'impétrant produit, à la première réquisition des officiers ou des agents vises à l'article 83, § 1er, une copie de l'autorisation d'exécution de chantier, de tout avis rectificatif ou de l'accord de chantier ainsi que de l'avis de démarrage de chantier.
Sur le chantier, l'impétrant produit, à la première réquisition des officiers ou des agents vises à l'article 83, § 1er, une copie de l'autorisation d'exécution de chantier, de tout avis rectificatif ou de l'accord de chantier ainsi que de l'avis de démarrage de chantier.
Art. 61. Tussentijdse plaatsbeschrijving.
§ 1. De leidende verzoeker of coördinerende verzoeker, afhankelijk van het voorwerp waarop het eerste gedeelte van de gemengde bouwplaats betrekking heeft, nodigt, bij het einde van het eerste gedeelte, de coördinerende verzoeker of de leidende verzoeker uit om de tussentijdse plaatsbeschrijving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
Indien er binnen twintig dagen volgend op de uitnodiging geen tussentijdse plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de uitgenodigde verzoeker, stelt de andere verzoeker eenzijdig deze plaatsbeschrijving op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de andere verzoeker.
§ 2. De kosten voor de tussentijdse plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker die verantwoordelijk is voor het eerste gedeelte van de bouwplaats, tenzij anders werd overeengekomen.
§ 3. De regering bepaalt het model van de tussentijdse plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.
§ 1. De leidende verzoeker of coördinerende verzoeker, afhankelijk van het voorwerp waarop het eerste gedeelte van de gemengde bouwplaats betrekking heeft, nodigt, bij het einde van het eerste gedeelte, de coördinerende verzoeker of de leidende verzoeker uit om de tussentijdse plaatsbeschrijving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
Indien er binnen twintig dagen volgend op de uitnodiging geen tussentijdse plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de uitgenodigde verzoeker, stelt de andere verzoeker eenzijdig deze plaatsbeschrijving op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de andere verzoeker.
§ 2. De kosten voor de tussentijdse plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker die verantwoordelijk is voor het eerste gedeelte van de bouwplaats, tenzij anders werd overeengekomen.
§ 3. De regering bepaalt het model van de tussentijdse plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.
Art. 61. Etat des lieux intermédiaire.
§ 1er. L'impétrant-pilote ou l'impétrant-coordinateur, en fonction de l'objet sur lequel porte la première partie du chantier mixte, invite, à la fin de la première partie, l'impétrant-coordinateur ou l'impétrant-pilote à dresser l'état des lieux intermédiaire, lequel a lieu au plus tôt cinq jours après l'invitation.
Si, dans les vingt jours de l'invitation, il n'est pas dressé d'état des lieux intermédiaire par le fait de l'impétrant invité, l'autre impétrant le dresse seul, lequel est réputé contradictoire. Il en transmet, sans délai, une copie à l'autre impétrant.
§ 2. Les frais liés à l'état des lieux intermédiaire sont à charge de l'impétrant responsable de la première partie du chantier, sauf convention contraire.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'état des lieux intermédiaire et de l'invitation.
§ 1er. L'impétrant-pilote ou l'impétrant-coordinateur, en fonction de l'objet sur lequel porte la première partie du chantier mixte, invite, à la fin de la première partie, l'impétrant-coordinateur ou l'impétrant-pilote à dresser l'état des lieux intermédiaire, lequel a lieu au plus tôt cinq jours après l'invitation.
Si, dans les vingt jours de l'invitation, il n'est pas dressé d'état des lieux intermédiaire par le fait de l'impétrant invité, l'autre impétrant le dresse seul, lequel est réputé contradictoire. Il en transmet, sans délai, une copie à l'autre impétrant.
§ 2. Les frais liés à l'état des lieux intermédiaire sont à charge de l'impétrant responsable de la première partie du chantier, sauf convention contraire.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'état des lieux intermédiaire et de l'invitation.
Art. 62. Herstel. § 1. Aan het einde van de bouwplaats :
1° herstelt de verzoeker het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving in hun oorspronkelijke staat zoals vermeld in de oorspronkelijke plaatsbeschrijving en in overeenstemming met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, ieder rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord;
2° verwijdert hij alles wat te maken heeft met de bouwplaats, met inbegrip van de afsluitingen.
De regering kan de hierboven genoemde voorschriften preciseren en elk ander voorschrift opstellen om de leefbaarheid en de integriteit van de openbare weg te verzekeren.
§ 2. In afwijking van § 1, 1°, kan de beheerder beslissen, indien dit bepaald is in een uitvoeringsvergunning of een bouwplaatsakkoord, om zelf in de oorspronkelijke staat te herstellen, op eigen kosten of, met in achtneming van het principe van de evenredigheid, op kosten van de verzoeker.
De regering bepaalt het model van de beslissing van de beheerder.
1° herstelt de verzoeker het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving in hun oorspronkelijke staat zoals vermeld in de oorspronkelijke plaatsbeschrijving en in overeenstemming met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, ieder rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord;
2° verwijdert hij alles wat te maken heeft met de bouwplaats, met inbegrip van de afsluitingen.
De regering kan de hierboven genoemde voorschriften preciseren en elk ander voorschrift opstellen om de leefbaarheid en de integriteit van de openbare weg te verzekeren.
§ 2. In afwijking van § 1, 1°, kan de beheerder beslissen, indien dit bepaald is in een uitvoeringsvergunning of een bouwplaatsakkoord, om zelf in de oorspronkelijke staat te herstellen, op eigen kosten of, met in achtneming van het principe van de evenredigheid, op kosten van de verzoeker.
De regering bepaalt het model van de beslissing van de beheerder.
Art. 62. Remise en état.
§ 1er. Au terme du chantier, l'impétrant :
1° remet l'emprise du chantier et ses abords immédiats en pristin état par référence à l'état des lieux d'entrée et en conformité avec toute autre prescription contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier, dans tout avis rectificatif ou dans l'accord de chantier;
2° enlève tout ce qui a trait au chantier, en ce compris les clôtures.
Le gouvernement peut préciser les prescriptions énoncées ci-dessus et établir toute autre prescription de nature à assurer la viabilité et l'intégrité de la voirie.
§ 2. Par dérogation au § 1er, 1°, le gestionnaire peut, si une autorisation d'exécution de chantier ou un accord de chantier le prévoit, décider d'effectuer lui-même la remise en pristin état à ses frais ou, dans le respect du principe de proportionnalité, aux frais de l'impétrant.
Le gouvernement détermine le modèle de la décision du gestionnaire.
§ 1er. Au terme du chantier, l'impétrant :
1° remet l'emprise du chantier et ses abords immédiats en pristin état par référence à l'état des lieux d'entrée et en conformité avec toute autre prescription contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier, dans tout avis rectificatif ou dans l'accord de chantier;
2° enlève tout ce qui a trait au chantier, en ce compris les clôtures.
Le gouvernement peut préciser les prescriptions énoncées ci-dessus et établir toute autre prescription de nature à assurer la viabilité et l'intégrité de la voirie.
§ 2. Par dérogation au § 1er, 1°, le gestionnaire peut, si une autorisation d'exécution de chantier ou un accord de chantier le prévoit, décider d'effectuer lui-même la remise en pristin état à ses frais ou, dans le respect du principe de proportionnalité, aux frais de l'impétrant.
Le gouvernement détermine le modèle de la décision du gestionnaire.
HOOFDSTUK 3. - Van het einde tot de afsluiting van de bouwplaats.
CHAPITRE 3. - Du terme à la clôture du chantier.
Art. 63. Afsluitende plaatsbeschrijving.
§ 1. Binnen tien dagen volgend op het einde van de bouwplaats, nodigt de verzoeker de beheerder uit om de afsluitende plaatsbeschrijving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
Indien er binnen twintig dagen na de uitnodiging geen afsluitende plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de beheerder, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijkeomgeving beschouwd als hersteld in de oorspronkelijke staat en als zijnde in over een stemming met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord.
§ 2. Indien de verzoeker in gebreke blijft wat betreft het opstellen van een afsluitende plaatsbeschrijving in overeenstemming met § 1, stelt de beheerder eenzijdig deze plaatsbeschrijving op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de verzoeker.
§ 3. De kosten voor de afsluitende plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker.
§ 4. De regering bepaalt het model van de afsluitende plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.
§ 1. Binnen tien dagen volgend op het einde van de bouwplaats, nodigt de verzoeker de beheerder uit om de afsluitende plaatsbeschrijving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
Indien er binnen twintig dagen na de uitnodiging geen afsluitende plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de beheerder, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijkeomgeving beschouwd als hersteld in de oorspronkelijke staat en als zijnde in over een stemming met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord.
§ 2. Indien de verzoeker in gebreke blijft wat betreft het opstellen van een afsluitende plaatsbeschrijving in overeenstemming met § 1, stelt de beheerder eenzijdig deze plaatsbeschrijving op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de verzoeker.
§ 3. De kosten voor de afsluitende plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker.
§ 4. De regering bepaalt het model van de afsluitende plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.
Art. 63. Etat des lieux de sortie.
§ 1er. Dans les dix jours du terme du chantier, l'impétrant invite le gestionnaire à dresser l'état des lieux de sortie, lequel a lieu au plus tôt cinq jours après l'invitation.
Si, dans les vingt jours de l'invitation, il n'est pas dressé d'état des lieux de sortie par le fait du gestionnaire, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés être remis en pristin état et en conformité avec toute autre prescription contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier, dans tout avis rectificatif ou dans l'accord de chantier.
§ 2. Si l'impétrant demeure en défaut de dresser un état des lieux de sortie conformément au § 1er, le gestionnaire le dresse seul, lequel est réputé contradictoire. Il en transmet, sans délai, une copie à l'impétrant.
§ 3. Les frais lies à l'état des lieux de sortie sont à charge de l'impétrant.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle de l'etat des lieux de sortie et de l'invitation.
§ 1er. Dans les dix jours du terme du chantier, l'impétrant invite le gestionnaire à dresser l'état des lieux de sortie, lequel a lieu au plus tôt cinq jours après l'invitation.
Si, dans les vingt jours de l'invitation, il n'est pas dressé d'état des lieux de sortie par le fait du gestionnaire, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés être remis en pristin état et en conformité avec toute autre prescription contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier, dans tout avis rectificatif ou dans l'accord de chantier.
§ 2. Si l'impétrant demeure en défaut de dresser un état des lieux de sortie conformément au § 1er, le gestionnaire le dresse seul, lequel est réputé contradictoire. Il en transmet, sans délai, une copie à l'impétrant.
§ 3. Les frais lies à l'état des lieux de sortie sont à charge de l'impétrant.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle de l'etat des lieux de sortie et de l'invitation.
Art. 64. Bijkomende werken.
§ 1. Indien uit de afsluitende plaatsbeschrijving voortvloeit dat het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving niet in de oorspronkelijke staat werden hersteld of niet in overeenstemming zijn met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord, geeft de beheerder de verzoeker de opdracht om bijkomende werken uit te voeren binnen de termijn die hij vaststelt.
Indien door de beheerder geen opdracht gegeven wordt binnen twintig dagen volgend op de afsluitende plaatsbeschrijving, worden het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving geacht in de oorspronkelijke staat hersteld te zijn en in overeenstemming te zijn met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord.
§ 2. Bij het einde van de bijkomende werken, wordt een afsluitende plaatsbeschrijving opgesteld met inachtneming van artikel 63.
§ 3. De regering bepaalt het model van de opdracht voor het uitvoeren van bijkomende werken.
§ 1. Indien uit de afsluitende plaatsbeschrijving voortvloeit dat het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving niet in de oorspronkelijke staat werden hersteld of niet in overeenstemming zijn met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord, geeft de beheerder de verzoeker de opdracht om bijkomende werken uit te voeren binnen de termijn die hij vaststelt.
Indien door de beheerder geen opdracht gegeven wordt binnen twintig dagen volgend op de afsluitende plaatsbeschrijving, worden het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving geacht in de oorspronkelijke staat hersteld te zijn en in overeenstemming te zijn met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord.
§ 2. Bij het einde van de bijkomende werken, wordt een afsluitende plaatsbeschrijving opgesteld met inachtneming van artikel 63.
§ 3. De regering bepaalt het model van de opdracht voor het uitvoeren van bijkomende werken.
Art. 64. Travaux complémentaires.
§ 1er. S'il résulte de l'état des lieux de sortie que l'emprise du chantier et ses abords immédiats n'ont pas été remis en pristin état ou en conformité avec toute autre prescription contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier, dans tout avis rectificatif ou dans l'accord de chantier, le gestionnaire donne l'ordre à l'impétrant de réaliser les travaux complementaires dans le délai qu'il fixe.
Si aucun ordre n'est donné par le gestionnaire dans les vingt jours de l'état des lieux de sortie, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés être remis en pristin état et en conformité avec toute autre prescription contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier, dans tout avis rectificatif ou dans l'accord de chantier.
§ 2. A la fin des travaux complémentaires, un état des lieux de sortie est dressé dans le respect de l'article 63.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'ordre de réaliser des travaux complémentaires.
§ 1er. S'il résulte de l'état des lieux de sortie que l'emprise du chantier et ses abords immédiats n'ont pas été remis en pristin état ou en conformité avec toute autre prescription contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier, dans tout avis rectificatif ou dans l'accord de chantier, le gestionnaire donne l'ordre à l'impétrant de réaliser les travaux complementaires dans le délai qu'il fixe.
Si aucun ordre n'est donné par le gestionnaire dans les vingt jours de l'état des lieux de sortie, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés être remis en pristin état et en conformité avec toute autre prescription contenue dans l'autorisation d'exécution de chantier, dans tout avis rectificatif ou dans l'accord de chantier.
§ 2. A la fin des travaux complémentaires, un état des lieux de sortie est dressé dans le respect de l'article 63.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'ordre de réaliser des travaux complémentaires.
Art. 65. Maatregelen van ambtswege.
Indien de bijkomende werken niet werden uitgevoerd in overeenstemming met de opdracht van de beheerder, kan hij van ambtswege voorzien in de uitvoering van de werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker.
Indien de bijkomende werken niet werden uitgevoerd in overeenstemming met de opdracht van de beheerder, kan hij van ambtswege voorzien in de uitvoering van de werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker.
Art. 65. Mesures d'office.
Si les travaux complémentaires n'ont pas été réalisés en conformité avec l'ordre du gestionnaire, il peut pourvoir d'office à l'exécution des travaux à charge et aux frais, risques et périls de l'impétrant.
Si les travaux complémentaires n'ont pas été réalisés en conformité avec l'ordre du gestionnaire, il peut pourvoir d'office à l'exécution des travaux à charge et aux frais, risques et périls de l'impétrant.
Art. 66. Afsluiting van een bouwplaats.
§ 1. De afsluiting van de bouwplaats vindt plaats :
1° ofwel op de datum van de afsluitende plaatsbeschrijving bedoeld in de artikelen 63 en 64, § 2;
2° ofwel op de vervaldatum van de aan de beheerder toegekende termijn om de afsluitende plaatsbeschrijving uit te voeren bedoeld in de artikelen 63 en 64, § 2;
3° ofwel, met toepassing van artikel 65, op de datum waarop de bijkomende werken eindigen.
§ 2. De afsluitingsdatum van de bouwplaats, is het begin van een garantieperiode van drie jaar, waarin de verzoeker gehouden is tot de uitvoering van alle herstellings-, heropbouw-, bagger- en andere werken die noodzakelijk zijn ten gevolge van verzakkingen, verschuivingen, afkalvingen, dichtslibbingen, breuken, beschadigingen van om het even welke aard die verband houden met de bouwplaats en die het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving ervan treffen.
§ 3. Uiterlijk de twintigste dag volgend op de afsluitende plaatsbeschrijving, maakt de verzoeker de beheerder een verklaring van afsluiting van de bouwplaats over. De verklaring vermeldt de afsluitingsdatum van de bouwplaats.
Wanneer het gaat om een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de verzoeker tegelijkertijd een kopie van de verklaring van afsluiting van de bouwplaats over aan de Commissie.
De regering bepaalt de samenstelling en het model van de verklaring van afsluiting van de bouwplaats.
§ 1. De afsluiting van de bouwplaats vindt plaats :
1° ofwel op de datum van de afsluitende plaatsbeschrijving bedoeld in de artikelen 63 en 64, § 2;
2° ofwel op de vervaldatum van de aan de beheerder toegekende termijn om de afsluitende plaatsbeschrijving uit te voeren bedoeld in de artikelen 63 en 64, § 2;
3° ofwel, met toepassing van artikel 65, op de datum waarop de bijkomende werken eindigen.
§ 2. De afsluitingsdatum van de bouwplaats, is het begin van een garantieperiode van drie jaar, waarin de verzoeker gehouden is tot de uitvoering van alle herstellings-, heropbouw-, bagger- en andere werken die noodzakelijk zijn ten gevolge van verzakkingen, verschuivingen, afkalvingen, dichtslibbingen, breuken, beschadigingen van om het even welke aard die verband houden met de bouwplaats en die het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving ervan treffen.
§ 3. Uiterlijk de twintigste dag volgend op de afsluitende plaatsbeschrijving, maakt de verzoeker de beheerder een verklaring van afsluiting van de bouwplaats over. De verklaring vermeldt de afsluitingsdatum van de bouwplaats.
Wanneer het gaat om een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de verzoeker tegelijkertijd een kopie van de verklaring van afsluiting van de bouwplaats over aan de Commissie.
De regering bepaalt de samenstelling en het model van de verklaring van afsluiting van de bouwplaats.
Art. 66. Clôture de chantier.
§ 1er. La clôture du chantier intervient :
1° soit à la date de l'état des lieux de sortie visé aux articles 63 et 64, § 2;
2° soit à la date d'expiration du délai imparti au gestionnaire pour dresser l'état des lieux de sortie visé aux articles 63 et 64, § 2;
3° soit, en cas d'application de l'article 65, à la date de la fin des travaux complémentaires.
§ 2. La date de clôture de chantier fait courir une période de garantie de trois ans pendant laquelle l'impétrant est tenu d'exécuter tous les travaux de réparation, de reconstruction, de dragage ou autres, necessaires par suite de tassements, glissements, éboulements, envasements, ruptures ou dégradations quelconques, liés au chantier et affectant l'emprise du chantier et ses abords immédiats.
§ 3. Au plus tard le vingtième jour qui suit l'état des lieux de sortie, l'impétrant transmet au gestionnaire une déclaration de clôture de chantier. La déclaration indique la date de clôture de chantier.
Lorsqu'il s'agit d'un chantier visé à l'article 33, l'impétrant transmet, simultanément, une copie de la déclaration de clôture de chantier à la Commission.
Le gouvernement détermine la composition et le modèle de la déclaration de clôture de chantier.
§ 1er. La clôture du chantier intervient :
1° soit à la date de l'état des lieux de sortie visé aux articles 63 et 64, § 2;
2° soit à la date d'expiration du délai imparti au gestionnaire pour dresser l'état des lieux de sortie visé aux articles 63 et 64, § 2;
3° soit, en cas d'application de l'article 65, à la date de la fin des travaux complémentaires.
§ 2. La date de clôture de chantier fait courir une période de garantie de trois ans pendant laquelle l'impétrant est tenu d'exécuter tous les travaux de réparation, de reconstruction, de dragage ou autres, necessaires par suite de tassements, glissements, éboulements, envasements, ruptures ou dégradations quelconques, liés au chantier et affectant l'emprise du chantier et ses abords immédiats.
§ 3. Au plus tard le vingtième jour qui suit l'état des lieux de sortie, l'impétrant transmet au gestionnaire une déclaration de clôture de chantier. La déclaration indique la date de clôture de chantier.
Lorsqu'il s'agit d'un chantier visé à l'article 33, l'impétrant transmet, simultanément, une copie de la déclaration de clôture de chantier à la Commission.
Le gouvernement détermine la composition et le modèle de la déclaration de clôture de chantier.
HOOFDSTUK 4. - Van de afsluiting tot de voltooiing van de bouwplaats.
CHAPITRE 4. - De la clôture à l'achèvement du chantier.
Art. 67. Vaststelling van beschadigingen.
§ 1. Uiterlijk dertig dagen volgend op de ontdekking van beschadigingen en voor zover ze geschiedt binnen de garantietermijn van drie jaar, roept de beheerder de verzoeker op om een vaststelling van de beschadigingen op te stellen wat, behoudens behoorlijk gemotiveerde dringendheid, geschiedt ten vroegste vijf dagen volgend op de oproeping.
Bij afwezigheid van de naar behoren opgeroepen verzoeker, stelt de beheerder alleen de vaststelling op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie over aan de verzoeker.
§ 2. Indien de beheerder nalaat om de vaststelling van beschadigingen uit te voeren met inachtneming van § 1, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving verondersteld niet getroffen te zijn door een beschadiging.
§ 3. De kosten voor de vaststelling van beschadigingen zijn ten laste van de verzoeker.
§ 4. De regering bepaalt het model van de vaststelling van beschadigingen en van de oproeping.
§ 1. Uiterlijk dertig dagen volgend op de ontdekking van beschadigingen en voor zover ze geschiedt binnen de garantietermijn van drie jaar, roept de beheerder de verzoeker op om een vaststelling van de beschadigingen op te stellen wat, behoudens behoorlijk gemotiveerde dringendheid, geschiedt ten vroegste vijf dagen volgend op de oproeping.
Bij afwezigheid van de naar behoren opgeroepen verzoeker, stelt de beheerder alleen de vaststelling op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie over aan de verzoeker.
§ 2. Indien de beheerder nalaat om de vaststelling van beschadigingen uit te voeren met inachtneming van § 1, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving verondersteld niet getroffen te zijn door een beschadiging.
§ 3. De kosten voor de vaststelling van beschadigingen zijn ten laste van de verzoeker.
§ 4. De regering bepaalt het model van de vaststelling van beschadigingen en van de oproeping.
Art. 67. Constat de dégradations.
§ 1er. Au plus tard trente jours après la découverte de dégradations et pour autant qu'elle intervienne dans le délai de garantie de trois ans, le gestionnaire convoque l'impétrant pour dresser un constat de dégradations, qui a lieu, sauf urgence dûment motivée, au plus tôt cinq jours après la convocation.
En l'absence de l'impétrant dûment convoqué, le gestionnaire dresse seul le constat, lequel est réputé contradictoire. Il en transmet, sans délai, une copie à l'impétrant.
§ 2. A défaut pour le gestionnaire de dresser le constat de dégradations dans le respect du § 1er, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés n'être affectés d'aucune dégradation.
§ 3. Les frais liés au constat de dégradations sont à charge de l'impétrant.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle du constat de dégradations et de la convocation.
§ 1er. Au plus tard trente jours après la découverte de dégradations et pour autant qu'elle intervienne dans le délai de garantie de trois ans, le gestionnaire convoque l'impétrant pour dresser un constat de dégradations, qui a lieu, sauf urgence dûment motivée, au plus tôt cinq jours après la convocation.
En l'absence de l'impétrant dûment convoqué, le gestionnaire dresse seul le constat, lequel est réputé contradictoire. Il en transmet, sans délai, une copie à l'impétrant.
§ 2. A défaut pour le gestionnaire de dresser le constat de dégradations dans le respect du § 1er, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés n'être affectés d'aucune dégradation.
§ 3. Les frais liés au constat de dégradations sont à charge de l'impétrant.
§ 4. Le gouvernement détermine le modèle du constat de dégradations et de la convocation.
Art. 68. Herstellingswerken.
§ 1. Wanneer uit de vaststelling van beschadigingen, blijkt dat het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving zijn getroffen door beschadigingen, geeft de beheerder de verzoeker de opdracht om de herstellingswerken op zijn kosten uit te voeren binnen de termijn die hij vaststelt.
Met uitzondering van de artikelen 13 en 15, zijn deze werken onderworpen aan de naleving van alle beschikkingen van deze ordonnantie.
Indien de beheerder geen enkele opdracht geeft binnen twintig dagen volgend op de vaststelling van de beschadigingen, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving verondersteld niet getroffen te zijn door een beschadiging.
§ 2. Bij het einde van de herstellingswerken, wordt een afsluitende plaatsbeschrijving opgesteld met inachtneming van artikel 63.
§ 3. De regering bepaalt het model van de opdracht om de herstellingswerken uit te voeren.
§ 1. Wanneer uit de vaststelling van beschadigingen, blijkt dat het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving zijn getroffen door beschadigingen, geeft de beheerder de verzoeker de opdracht om de herstellingswerken op zijn kosten uit te voeren binnen de termijn die hij vaststelt.
Met uitzondering van de artikelen 13 en 15, zijn deze werken onderworpen aan de naleving van alle beschikkingen van deze ordonnantie.
Indien de beheerder geen enkele opdracht geeft binnen twintig dagen volgend op de vaststelling van de beschadigingen, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving verondersteld niet getroffen te zijn door een beschadiging.
§ 2. Bij het einde van de herstellingswerken, wordt een afsluitende plaatsbeschrijving opgesteld met inachtneming van artikel 63.
§ 3. De regering bepaalt het model van de opdracht om de herstellingswerken uit te voeren.
Art. 68. Travaux de reparation.
§ 1er. Lorsqu'il résulte du constat de dégradations que l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont affectés de dégradations, le gestionnaire donne l'ordre à l'impétrant de réaliser à sa charge les travaux de réparation dans le délai qu'il fixe.
A l'exception des articles 13 et 15, ces travaux sont soumis au respect de l'ensemble des dispositions de la présente ordonnance.
Si aucun ordre n'est donné par le gestionnaire dans les vingt jours du constat de degradations, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés n'être affectés d'aucune dégradation.
§ 2. A la fin des travaux de réparation, un état des lieux de sortie est dressé dans le respect de l'article 63.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'ordre de réaliser des travaux de réparation.
§ 1er. Lorsqu'il résulte du constat de dégradations que l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont affectés de dégradations, le gestionnaire donne l'ordre à l'impétrant de réaliser à sa charge les travaux de réparation dans le délai qu'il fixe.
A l'exception des articles 13 et 15, ces travaux sont soumis au respect de l'ensemble des dispositions de la présente ordonnance.
Si aucun ordre n'est donné par le gestionnaire dans les vingt jours du constat de degradations, l'emprise du chantier et ses abords immédiats sont présumés n'être affectés d'aucune dégradation.
§ 2. A la fin des travaux de réparation, un état des lieux de sortie est dressé dans le respect de l'article 63.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de l'ordre de réaliser des travaux de réparation.
Art. 69. Maatregelen van ambtswege.
Indien de herstellingswerken niet uitgevoerd werden in overeenstemming met de opdracht van de beheerder, kan hij van ambtswege voorzien in de uitvoering van de werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker.
Indien de herstellingswerken niet uitgevoerd werden in overeenstemming met de opdracht van de beheerder, kan hij van ambtswege voorzien in de uitvoering van de werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker.
Art. 69. Mesures d'office.
Si les travaux de réparation n'ont pas été réalisés en conformité avec l'ordre du gestionnaire, il peut pourvoir d'office à l'exécution des travaux à charge et aux frais, risques et périls de l'impétrant.
Si les travaux de réparation n'ont pas été réalisés en conformité avec l'ordre du gestionnaire, il peut pourvoir d'office à l'exécution des travaux à charge et aux frais, risques et périls de l'impétrant.
Art. 70. Voltooiing van de bouwplaats.
§ 1. De voltooiing van de bouwplaats vindt plaats op de laatste dag van de in artikel 66, § 2 bedoelde garantieperiode van drie jaar.
§ 2. De voltooiing van de bouwplaats leidt tot het vrijgeven van de voor de behoeften van de bouwplaats aangegane bankwaarborg.
§ 1. De voltooiing van de bouwplaats vindt plaats op de laatste dag van de in artikel 66, § 2 bedoelde garantieperiode van drie jaar.
§ 2. De voltooiing van de bouwplaats leidt tot het vrijgeven van de voor de behoeften van de bouwplaats aangegane bankwaarborg.
Art. 70. Achevement du chantier.
§ 1er. L'achèvement du chantier intervient à l'expiration de la periode de garantie de trois ans visée à l'article 66, § 2.
§ 2. L'achevement du chantier entraîne la libération de la garantie bancaire constituée pour les besoins du chantier.
§ 1er. L'achèvement du chantier intervient à l'expiration de la periode de garantie de trois ans visée à l'article 66, § 2.
§ 2. L'achevement du chantier entraîne la libération de la garantie bancaire constituée pour les besoins du chantier.
TITEL 3. - In gebreke blijven van een verzoeker in het kader van de uitvoering van een bouwplaats.
TITRE 3. - La défaillance d'un impêtrant dans le cadre de l'exécution d'un chantier.
Art. 71. In gebreke blijven.
De verzoeker blijft in gebreke wanneer :
1° hij, op welke wijze ook, de in artikelen 59 en 62, § 1 bedoelde voorschriften of elk ander voorschrift bedoeld in een uitvoeringsvergunning, een rectificatiebericht of een bouwplaatsakkoord negeert;
2° hij, zonder gewettigde reden, de uitvoering van de bouwplaats gedurende langer dan tien dagen onderbreekt.
De verzoeker blijft in gebreke wanneer :
1° hij, op welke wijze ook, de in artikelen 59 en 62, § 1 bedoelde voorschriften of elk ander voorschrift bedoeld in een uitvoeringsvergunning, een rectificatiebericht of een bouwplaatsakkoord negeert;
2° hij, zonder gewettigde reden, de uitvoering van de bouwplaats gedurende langer dan tien dagen onderbreekt.
Art. 71. Cas de défaillance.
L'impétrant est défaillant, lorsque :
1° il méconnaît, de quelque manière que ce soit, les prescriptions visées aux articles 59 et 62, § 1er, ou toute autre prescription contenue dans une autorisation d'exécution de chantier, un avis rectificatif ou un accord de chantier;
2° il interrompt, sans motif légitime, l'exécution du chantier pendant plus de dix jours.
L'impétrant est défaillant, lorsque :
1° il méconnaît, de quelque manière que ce soit, les prescriptions visées aux articles 59 et 62, § 1er, ou toute autre prescription contenue dans une autorisation d'exécution de chantier, un avis rectificatif ou un accord de chantier;
2° il interrompt, sans motif légitime, l'exécution du chantier pendant plus de dix jours.
Art. 72. Bevel en sanctie.
§ 1. De beheerder geeft aan de verzoeker het bevel om zijn tekortkoming te beëindigen.
Indien de verzoeker geen gehoor geeft aan het bevel van de beheerder binnen vijf dagen volgend op de ontvangst ervan, kan de beheerder, ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker, uitvoeren :
1° in het in artikel 71, 1° bedoelde geval, de werken om de bouwplaats in overeenstemming te brengen met de in artikelen 59 en 62, § 1 bedoelde voorschriften of met deze in de uitvoeringsvergunning, het rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord;
2° in het in artikel 71, 2° bedoeld geval, de werken om het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving weer in de oorspronkelijke staat te herstellen.
§ 2. De regering bepaalt het model van het bevel van de beheerder.
§ 1. De beheerder geeft aan de verzoeker het bevel om zijn tekortkoming te beëindigen.
Indien de verzoeker geen gehoor geeft aan het bevel van de beheerder binnen vijf dagen volgend op de ontvangst ervan, kan de beheerder, ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker, uitvoeren :
1° in het in artikel 71, 1° bedoelde geval, de werken om de bouwplaats in overeenstemming te brengen met de in artikelen 59 en 62, § 1 bedoelde voorschriften of met deze in de uitvoeringsvergunning, het rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord;
2° in het in artikel 71, 2° bedoeld geval, de werken om het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving weer in de oorspronkelijke staat te herstellen.
§ 2. De regering bepaalt het model van het bevel van de beheerder.
Art. 72. Ordre et sanction.
§ 1er. Le gestionnaire donne l'ordre à l'impétrant de mettre fin à sa défaillance.
A défaut de se conformer à l'ordre du gestionnaire dans les cinq jours de sa réception, le gestionnaire peut, à charge et aux frais, risques et périls de l'impétrant, exécuter :
1° dans le cas visé à l'article 71, 1°, les travaux de mise en conformité du chantier avec les prescriptions visées aux articles 59 et 62, § 1er, ou avec celles contenues dans l'autorisation d'exécution de chantier, l'avis rectificatif ou l'accord de chantier;
2° dans le cas visé à l'article 71, 2°, les travaux de remise en pristin état de l'emprise du chantier et de ses abords immédiats.
§ 2. Le gouvernement détermine le modèle de l'ordre du gestionnaire.
§ 1er. Le gestionnaire donne l'ordre à l'impétrant de mettre fin à sa défaillance.
A défaut de se conformer à l'ordre du gestionnaire dans les cinq jours de sa réception, le gestionnaire peut, à charge et aux frais, risques et périls de l'impétrant, exécuter :
1° dans le cas visé à l'article 71, 1°, les travaux de mise en conformité du chantier avec les prescriptions visées aux articles 59 et 62, § 1er, ou avec celles contenues dans l'autorisation d'exécution de chantier, l'avis rectificatif ou l'accord de chantier;
2° dans le cas visé à l'article 71, 2°, les travaux de remise en pristin état de l'emprise du chantier et de ses abords immédiats.
§ 2. Le gouvernement détermine le modèle de l'ordre du gestionnaire.
TITEL 4. - Maatregelen van ambtswege.
TITRE 4. - Mesures d'office.
Art. 73. Gevolgen. § 1. De beslissing van de beheerder om zich te beroepen op maatregelen van ambtswege, met toepassing van de artikelen 58, § 3, 65, 69 en 72, wordt meegedeeld aan de verzoeker bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs.
Te tellen vanaf de ontvangst van deze beslissing, kan de verzoeker niet langer, behoudens tegengestelde beslissing van de beheerder, optreden in de uitvoering van de met deze maatregelen bedoelde bouwplaats noch zich beroepen op de hem afgeleverde bouwplaatsvergunning, rectificatiebericht of bouwplaatsakkoord.
§ 2. Wanneer het gaat over een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder tegelijkertijd een kopie van zijn beslissing om zich te beroepen op maatregelen van ambtswege over aan de Commissie.
§ 3. De regering bepaalt het model van de beslissing van de beheerder om zich te beroepen op maatregelen van ambtswege.
Te tellen vanaf de ontvangst van deze beslissing, kan de verzoeker niet langer, behoudens tegengestelde beslissing van de beheerder, optreden in de uitvoering van de met deze maatregelen bedoelde bouwplaats noch zich beroepen op de hem afgeleverde bouwplaatsvergunning, rectificatiebericht of bouwplaatsakkoord.
§ 2. Wanneer het gaat over een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder tegelijkertijd een kopie van zijn beslissing om zich te beroepen op maatregelen van ambtswege over aan de Commissie.
§ 3. De regering bepaalt het model van de beslissing van de beheerder om zich te beroepen op maatregelen van ambtswege.
Art. 73. Effets. § 1er. La décision du gestionnaire de recourir aux mesures d'office, en application des articles 58, § 3, 65, 69 et 72, est notifiée à l'impétrant par envoi recommandé ou contre accusé de réception.
A dater de la réception de cette décision, l'impétrant ne peut plus, sauf décision contraire du gestionnaire, intervenir dans l'exécution du chantier visée par ces mesures ni se prévaloir du bénéfice de l'autorisation d'exécution de chantier, de tout avis rectificatif ou de l'accord de chantier qui lui a été notifié.
§ 2. Lorsqu'il s'agit d'un chantier vise à l'article 33, le gestionnaire transmet, simultanement, une copie de sa décision de recourir aux mesures d'office, à la Commission.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la décision du gestionnaire de recourir aux mesures d'office.
A dater de la réception de cette décision, l'impétrant ne peut plus, sauf décision contraire du gestionnaire, intervenir dans l'exécution du chantier visée par ces mesures ni se prévaloir du bénéfice de l'autorisation d'exécution de chantier, de tout avis rectificatif ou de l'accord de chantier qui lui a été notifié.
§ 2. Lorsqu'il s'agit d'un chantier vise à l'article 33, le gestionnaire transmet, simultanement, une copie de sa décision de recourir aux mesures d'office, à la Commission.
§ 3. Le gouvernement détermine le modèle de la décision du gestionnaire de recourir aux mesures d'office.
Art. 74. Terugbetaling.
Onverminderd artikel 55, § 2, bepaalt de regering de termijn en de modaliteiten voor de terugbetaling, door de verzoeker, van de kosten voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen van ambtswege.
Onverminderd artikel 55, § 2, bepaalt de regering de termijn en de modaliteiten voor de terugbetaling, door de verzoeker, van de kosten voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen van ambtswege.
Art. 74. Remboursement.
Sans prejudice de l'article 55, § 2, le gouvernement détermine le délai et les modalites de remboursement, par l'impétrant, des frais résultant de l'application des mesures d'office.
Sans prejudice de l'article 55, § 2, le gouvernement détermine le délai et les modalites de remboursement, par l'impétrant, des frais résultant de l'application des mesures d'office.
BOEK IV. - Verzoening.
LIVRE IV. - Conciliation.
TITEL 1. - Algemeen.
TITRE 1er. - Généralités.
Art. 75. Verzoeningscomité.
§ 1. Er wordt, binnen de Commissie, een Verzoeningscomité ingesteld, hierna genoemd het Comité.
§ 2. Het Comité heeft als taak om, door middel van verzoening, een minnelijke schikking te zoeken in de in artikelen 28, § 2, 41, § 5, 46, § 2 en 50, § 3 bedoelde gevallen.
§ 1. Er wordt, binnen de Commissie, een Verzoeningscomité ingesteld, hierna genoemd het Comité.
§ 2. Het Comité heeft als taak om, door middel van verzoening, een minnelijke schikking te zoeken in de in artikelen 28, § 2, 41, § 5, 46, § 2 en 50, § 3 bedoelde gevallen.
Art. 75. Comité de Conciliation.
§ 1er. Il est institué, au sein de la Commission, un Comité de Conciliation, ci-après dénommé le Comité.
§ 2. Le Comite a pour mission de rechercher, par voie de conciliation, un règlement amiable dans les cas visés aux articles 28, § 2, 41, § 5, 46, § 2 et 50, § 3.
§ 1er. Il est institué, au sein de la Commission, un Comité de Conciliation, ci-après dénommé le Comité.
§ 2. Le Comite a pour mission de rechercher, par voie de conciliation, un règlement amiable dans les cas visés aux articles 28, § 2, 41, § 5, 46, § 2 et 50, § 3.
Art. 76. Samenstelling, werking en organisatie.
§ 1. Het Comité bestaat uit de Voorzitter van de Commissie, bijgestaan door drie bijzitters die hij aanstelt, op iedere verzoeningsaanvraag, de eerste uit de leden van de Commissie die het Gewest vertegenwoordigt, de tweede uit de leden die de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen en de derde uit de leden die de Raad van Netwerkbeheerders in Brussel vertegenwoordigen.
§ 2. De regering bepaalt de modaliteiten van de werking en de organisatie van het Comité.
§ 1. Het Comité bestaat uit de Voorzitter van de Commissie, bijgestaan door drie bijzitters die hij aanstelt, op iedere verzoeningsaanvraag, de eerste uit de leden van de Commissie die het Gewest vertegenwoordigt, de tweede uit de leden die de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen en de derde uit de leden die de Raad van Netwerkbeheerders in Brussel vertegenwoordigen.
§ 2. De regering bepaalt de modaliteiten van de werking en de organisatie van het Comité.
Art. 76. Composition, fonctionnement et organisation.
§ 1er. Le Comité est composé du Président de la Commission assisté de trois assesseurs qu'il désigne, à chaque demande en conciliation, le premier, parmi les membres de la Commission représentant la Région, le deuxième, parmi ceux représentant les communes de la Région de Bruxelles-Capitale et, le troisième, parmi ceux représentant le Conseil des Gestionnaires de Réseaux de Bruxelles.
§ 2. Le gouvernement détermine les modalités de fonctionnement et d'organisation du Comité.
§ 1er. Le Comité est composé du Président de la Commission assisté de trois assesseurs qu'il désigne, à chaque demande en conciliation, le premier, parmi les membres de la Commission représentant la Région, le deuxième, parmi ceux représentant les communes de la Région de Bruxelles-Capitale et, le troisième, parmi ceux représentant le Conseil des Gestionnaires de Réseaux de Bruxelles.
§ 2. Le gouvernement détermine les modalités de fonctionnement et d'organisation du Comité.
TITEL 2. - De verzoeningsprocedure.
TITRE 2. - La procédure de conciliation.
Art. 77. Aanhangigmaking bij het Comité.
§ 1. Er wordt bij het Comité een verzoeningsaanvraag aanhangig gemaakt :
1° in de in artikelen 41, § 5, en 50, § 3 bedoelde gevallen, door de verzoeker, binnen tien dagen volgend op de ontvangst van de beslissing of, bij gebrek aan die beslissing, binnen tien dagen volgend op de vervaldag van de termijn binnen welke zij had moeten worden meegedeeld;
2° in de in artikelen 28, § 2 en 46, § 2 bedoelde gevallen, door de gecoördineerde verzoeker, binnen tien dagen volgend op de vervaldatum van de in deze artikelen bedoelde termijn van tien dagen.
§ 2. De regering bepaalt de modaliteiten voor de verzending van de verzoeningsaanvraag en bepaalt het model van de aanvraag.
§ 1. Er wordt bij het Comité een verzoeningsaanvraag aanhangig gemaakt :
1° in de in artikelen 41, § 5, en 50, § 3 bedoelde gevallen, door de verzoeker, binnen tien dagen volgend op de ontvangst van de beslissing of, bij gebrek aan die beslissing, binnen tien dagen volgend op de vervaldag van de termijn binnen welke zij had moeten worden meegedeeld;
2° in de in artikelen 28, § 2 en 46, § 2 bedoelde gevallen, door de gecoördineerde verzoeker, binnen tien dagen volgend op de vervaldatum van de in deze artikelen bedoelde termijn van tien dagen.
§ 2. De regering bepaalt de modaliteiten voor de verzending van de verzoeningsaanvraag en bepaalt het model van de aanvraag.
Art. 77. Saisine du Comité.
§ 1er. Le Comité est saisi d'une demande en conciliation :
1° dans les cas visés aux articles 41, § 5, et 50, § 3, par l'impétrant, dans les dix jours qui suivent la réception de la décision ou, en l'absence de décision, dans les dix jours qui suivent l'expiration du délai dans lequel elle aurait dû être notifiée;
2° dans les cas visés aux articles 28, § 2 et 46, § 2, par l'impétrant-coordonné, dans les dix jours de l'expiration du délai de dix jours visé dans ces articles.
§ 2. Le gouvernement détermine les modalités d'envoi de la demande en conciliation et détermine le modèle de la demande.
§ 1er. Le Comité est saisi d'une demande en conciliation :
1° dans les cas visés aux articles 41, § 5, et 50, § 3, par l'impétrant, dans les dix jours qui suivent la réception de la décision ou, en l'absence de décision, dans les dix jours qui suivent l'expiration du délai dans lequel elle aurait dû être notifiée;
2° dans les cas visés aux articles 28, § 2 et 46, § 2, par l'impétrant-coordonné, dans les dix jours de l'expiration du délai de dix jours visé dans ces articles.
§ 2. Le gouvernement détermine les modalités d'envoi de la demande en conciliation et détermine le modèle de la demande.
Art. 78. Onderzoek van de verzoeningsaanvraag.
Na de partijen te hebben opgeroepen om gehoord te worden, houdt het Comité zitting, binnen tien dagen volgend op de ontvangst van de aanvraag.
Het Comité kan zich alle inlichtingen en documenten die het nodig acht voor het onderzoek van de verzoeningsaanvraag laten overmaken en alle getuigen horen.
Het Comité is verplicht tot geheimhouding; de informatie die het verzamelt of de vaststellingen die het doet, mogen niet worden doorgegeven aan derden buiten de verzoeningsaanvraag.
Na de partijen te hebben opgeroepen om gehoord te worden, houdt het Comité zitting, binnen tien dagen volgend op de ontvangst van de aanvraag.
Het Comité kan zich alle inlichtingen en documenten die het nodig acht voor het onderzoek van de verzoeningsaanvraag laten overmaken en alle getuigen horen.
Het Comité is verplicht tot geheimhouding; de informatie die het verzamelt of de vaststellingen die het doet, mogen niet worden doorgegeven aan derden buiten de verzoeningsaanvraag.
Art. 78. Examen de la demande en conciliation.
Après avoir convoqué les parties pour les entendre, le Comité tient séance dans les dix jours de la réception de la demande.
Le Comité peut se faire communiquer tous renseignements et documents qu'il juge nécessaires pour l'examen de la demande en conciliation et entendre tous témoins.
Le Comité est tenu à l'obligation du secret, les informations qu'il recueille ou les constatations auxquelles il procède ne pouvant pas être divulguées à tous tiers à la demande en conciliation.
Après avoir convoqué les parties pour les entendre, le Comité tient séance dans les dix jours de la réception de la demande.
Le Comité peut se faire communiquer tous renseignements et documents qu'il juge nécessaires pour l'examen de la demande en conciliation et entendre tous témoins.
Le Comité est tenu à l'obligation du secret, les informations qu'il recueille ou les constatations auxquelles il procède ne pouvant pas être divulguées à tous tiers à la demande en conciliation.
Art. 79. Conclusies van de verzoening.
§ 1. In geval van verzoening, stelt het Comite een proces-verbaal van overeenkomst op, dat door de partijen en de Voorzitter wordt ondertekend.
Wanneer de verzoening leidt tot het afgeven van de uitvoeringsvergunning of van het rectificatiebericht, dan wordt het proces-verbaal van overeenkomst gemotiveerd en bevat het de in de artikelen 42 en 43 bedoelde vermeldingen.
§ 2. Bij gebrek aan verzoening, brengt de Commissie, in de in de artikelen 41, § 5 en 50, § 3 bedoelde gevallen, een met redenen omkleed advies uit, dat ze meedeelt aan de partijen, binnen vijf dagen volgend op de in artikel 78 bedoelde zitting.
Het advies herhaalt de argumenten van de partijen.
§ 3. De regering bepaalt de vorm van het proces-verbaal van overeenkomst en van het advies.
§ 1. In geval van verzoening, stelt het Comite een proces-verbaal van overeenkomst op, dat door de partijen en de Voorzitter wordt ondertekend.
Wanneer de verzoening leidt tot het afgeven van de uitvoeringsvergunning of van het rectificatiebericht, dan wordt het proces-verbaal van overeenkomst gemotiveerd en bevat het de in de artikelen 42 en 43 bedoelde vermeldingen.
§ 2. Bij gebrek aan verzoening, brengt de Commissie, in de in de artikelen 41, § 5 en 50, § 3 bedoelde gevallen, een met redenen omkleed advies uit, dat ze meedeelt aan de partijen, binnen vijf dagen volgend op de in artikel 78 bedoelde zitting.
Het advies herhaalt de argumenten van de partijen.
§ 3. De regering bepaalt de vorm van het proces-verbaal van overeenkomst en van het advies.
Art. 79. Conclusions de la conciliation.
§ 1er. En cas de conciliation, le Comité établit un constat d'accord signé par les parties et le Président.
Lorsque la conciliation vaut délivrance de l'autorisation d'exécution de chantier ou de l'avis rectificatif, le constat d'accord est motivé et comporte les mentions visées aux articles 42 et 43.
§ 2. A défaut de conciliation, le Comité émet, dans les cas visés aux articles 41, § 5, et 50, § 3, un avis motivé qu'il notifie aux parties, dans les cinq jours de la séance visée à l'article 78.
L'avis reproduit les arguments des parties.
§ 3. Le gouvernement détermine la forme du constat d'accord et de l'avis.
§ 1er. En cas de conciliation, le Comité établit un constat d'accord signé par les parties et le Président.
Lorsque la conciliation vaut délivrance de l'autorisation d'exécution de chantier ou de l'avis rectificatif, le constat d'accord est motivé et comporte les mentions visées aux articles 42 et 43.
§ 2. A défaut de conciliation, le Comité émet, dans les cas visés aux articles 41, § 5, et 50, § 3, un avis motivé qu'il notifie aux parties, dans les cinq jours de la séance visée à l'article 78.
L'avis reproduit les arguments des parties.
§ 3. Le gouvernement détermine la forme du constat d'accord et de l'avis.
BOEK V. - Beroep.
LIVRE V. - Recours.
Art. 80. Instelling van het beroep.
§ 1. De verzoeker kan bij de regering beroep instellen binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van de beslissing met uitspraak over de uitvoeringsvergunning of het rectificatiebericht of volgend op het verstrijken van de termijnen om een uitspraak te doen.
Wanneer een verzoeningsaanvraag mislukt, wordt het beroep ingesteld binnen twintig dagen volgend op de ontvangstdatum van het advies van het Comité.
§ 2. Het beroep wordt bij een ter post aangetekende zending verstuurd naar de regering die er een afschrift van overmaakt aan de beheerder en de Commissie, binnen tien dagen volgend op de ontvangst. Wanneer een verzoeningsaanvraag mislukt, dan wordt het in artikel 79, § 2 bedoelde bericht bij het beroep gevoegd.
§ 1. De verzoeker kan bij de regering beroep instellen binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van de beslissing met uitspraak over de uitvoeringsvergunning of het rectificatiebericht of volgend op het verstrijken van de termijnen om een uitspraak te doen.
Wanneer een verzoeningsaanvraag mislukt, wordt het beroep ingesteld binnen twintig dagen volgend op de ontvangstdatum van het advies van het Comité.
§ 2. Het beroep wordt bij een ter post aangetekende zending verstuurd naar de regering die er een afschrift van overmaakt aan de beheerder en de Commissie, binnen tien dagen volgend op de ontvangst. Wanneer een verzoeningsaanvraag mislukt, dan wordt het in artikel 79, § 2 bedoelde bericht bij het beroep gevoegd.
Art. 80. Introduction du recours.
§ 1er. L'impétrant peut introduire un recours auprès du gouvernement dansles vingt jours de la reception de la décision statuant sur l'autorisation d'exécution de chantier ou l'avis rectificatif, ou de l'expiration des délais pour statuer.
Lorsqu'une demande en conciliation a échoué, le recours est introduit dans les vingt jours de la réception de l'avis du Comité.
§ 2. Le recours est envoyé, par lettre recommandée à la poste, au gouvernement qui en adresse copie au gestionnaire et à la Commission, dans les dix jours de sa réception.
Lorsqu'une demande en conciliation a échoué, l'avis vise à l'article 79, § 2, est annexé au recours.
§ 1er. L'impétrant peut introduire un recours auprès du gouvernement dansles vingt jours de la reception de la décision statuant sur l'autorisation d'exécution de chantier ou l'avis rectificatif, ou de l'expiration des délais pour statuer.
Lorsqu'une demande en conciliation a échoué, le recours est introduit dans les vingt jours de la réception de l'avis du Comité.
§ 2. Le recours est envoyé, par lettre recommandée à la poste, au gouvernement qui en adresse copie au gestionnaire et à la Commission, dans les dix jours de sa réception.
Lorsqu'une demande en conciliation a échoué, l'avis vise à l'article 79, § 2, est annexé au recours.
Art. 81. Hoorzitting met de partijen.
De regering of de door haar afgevaardigde persoon hoort, op hun verzoek, de eisende partij of haar raadsman, de beheerder of zijn afgevaardigde.
Indien een partij vraagt om gehoord te worden, worden de andere partijen opgeroepen om te verschijnen.
De regering of de door haar afgevaardigde persoon hoort, op hun verzoek, de eisende partij of haar raadsman, de beheerder of zijn afgevaardigde.
Indien een partij vraagt om gehoord te worden, worden de andere partijen opgeroepen om te verschijnen.
Art. 81. Audition des parties.
Le gouvernement ou la personne qu'il délègue entend, à leur demande, le requérant ou son conseil, le gestionnaire ou son délégué.
Lorsqu'une partie demande à être entendue, les autres parties sont invitées à comparaître.
Le gouvernement ou la personne qu'il délègue entend, à leur demande, le requérant ou son conseil, le gestionnaire ou son délégué.
Lorsqu'une partie demande à être entendue, les autres parties sont invitées à comparaître.
Art. 82. Beslissing van de regering.
De beslissing van de regering of van de door haar afgevaardigde persoon wordt meegedeeld aan de partijen binnen zestig dagen volgend op de ontvangst van het beroep. Wanneer de partijen zijn gehoord, wordt de termijn verlengd met vijftien dagen.
Bij gebrek aan mededeling van de beslissing binnen deze termijn, wordt de oorspronkelijke beslissing van de beheerder, ook stilzwijgend, beschouwd als bevestigd.
Indien de regering of de door haar afgevaardigde persoon de uitvoeringsvergunning afgeeft, bevat deze beslissing, in voorkomend geval, de in artikelen 42 en 43 bedoelde vermeldingen.
De beslissing van de regering of van de door haar afgevaardigde persoon wordt meegedeeld aan de partijen binnen zestig dagen volgend op de ontvangst van het beroep. Wanneer de partijen zijn gehoord, wordt de termijn verlengd met vijftien dagen.
Bij gebrek aan mededeling van de beslissing binnen deze termijn, wordt de oorspronkelijke beslissing van de beheerder, ook stilzwijgend, beschouwd als bevestigd.
Indien de regering of de door haar afgevaardigde persoon de uitvoeringsvergunning afgeeft, bevat deze beslissing, in voorkomend geval, de in artikelen 42 en 43 bedoelde vermeldingen.
Art. 82. Décision du gouvernement.
La décision du gouvernement ou de la personne qu'il délègue est notifiée aux parties, dans les soixante jours de la réception du recours. Lorsque les parties sont entendues, le délai est prolongé de quinze jours.
A défaut de notification de la décision dans ce délai, la décision initiale du gestionnaire, fût-elle tacite, est réputée confirmée.
Si le gouvernement ou la personne qu'il delegue délivre l'autorisation d'exécution de chantier, sa décision comporte, le cas échéant, les mentions visées aux articles 42 et 43.
La décision du gouvernement ou de la personne qu'il délègue est notifiée aux parties, dans les soixante jours de la réception du recours. Lorsque les parties sont entendues, le délai est prolongé de quinze jours.
A défaut de notification de la décision dans ce délai, la décision initiale du gestionnaire, fût-elle tacite, est réputée confirmée.
Si le gouvernement ou la personne qu'il delegue délivre l'autorisation d'exécution de chantier, sa décision comporte, le cas échéant, les mentions visées aux articles 42 et 43.
BOEK VI. - Sancties.
LIVRE VI. - Sanctions.
TITEL 1. - Opsporing en vaststelling van overtredingen.
TITRE 1er. - La recherche et la constatation des infractions.
Art. 83. Toezicht. § 1. De regering stelt de gewestelijke ambtenaren en beambten aan en het college van burgemeester en schepenen stelt de gemeentelijke ambtenaren en beambten aan die bevoegd zijn om toezicht te houden op de uitvoering van onderhavige ordonnantie.
De in het eerste lid bedoelde beambten en ambtenaren hebben de bevoegdheid van agenten of officieren van de gerechtelijke politie en moeten de eed afleggen, in overstemming met de geldende wetten en regels.
§ 2. Zonder afbreuk te doen aan de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren en beambten, in de uitoefening van hun taak :
1° op ieder uur van de dag en de nacht, het terrein betreden, op voorwaarde dat dat geen woonplaats is in de betekenis van artikel 15 van de Grondwet;
2° de politiediensten oproepen om hen bij te staan;
3° zich laten vergezellen door experts;
4° overgaan tot ieder onderzoek, iedere controle, iedere ondervraging en alle informatie verzamelen en meer in het bijzonder :
a) iedere persoon ondervragen;
b) ieder document of ieder stuk opsporen, raadplegen of opvragen zonder verplaatsing;
c) foto's of andere kopieën nemen van de gevraagde documenten, of ze meenemen tegen ontvangstbewijs.
§ 3. In het geval van een overtreding op deze ordonnantie, mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren en beambten :
1° een verwittiging geven aan de overtreder en een termijn vastleggen, bedoeld om hem de tijd te geven de vastgestelde overtreding te beëindigen; indien de verwittiging mondeling wordt gegeven, moeten zij deze, binnen vijf dagen, bevestigen bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs;
2° een rechtsgeldig proces-verbaal opstellen tot het tegendeel is bewezen; dit proces-verbaal wordt aan de overtreder overgemaakt, op straffe van nietigheid, bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs en dit binnen tien dagen volgend op de dag waarop het werd opgesteld of op de vervaldag van de in 1° bedoelde termijn.
§ 4. De ambtenaar of beambte bezorgt een afschrift van zijn in § 3, 1° bedoelde verwittiging en van zijn in § 3, 2° bedoeld proces-verbaal aan de beheerder en de Commissie.
§ 5. De regering bepaalt het model van verwittiging bedoeld in § 3, 1°, en van het proces-verbaal bedoeld in § 3, 2°.
De in het eerste lid bedoelde beambten en ambtenaren hebben de bevoegdheid van agenten of officieren van de gerechtelijke politie en moeten de eed afleggen, in overstemming met de geldende wetten en regels.
§ 2. Zonder afbreuk te doen aan de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren en beambten, in de uitoefening van hun taak :
1° op ieder uur van de dag en de nacht, het terrein betreden, op voorwaarde dat dat geen woonplaats is in de betekenis van artikel 15 van de Grondwet;
2° de politiediensten oproepen om hen bij te staan;
3° zich laten vergezellen door experts;
4° overgaan tot ieder onderzoek, iedere controle, iedere ondervraging en alle informatie verzamelen en meer in het bijzonder :
a) iedere persoon ondervragen;
b) ieder document of ieder stuk opsporen, raadplegen of opvragen zonder verplaatsing;
c) foto's of andere kopieën nemen van de gevraagde documenten, of ze meenemen tegen ontvangstbewijs.
§ 3. In het geval van een overtreding op deze ordonnantie, mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren en beambten :
1° een verwittiging geven aan de overtreder en een termijn vastleggen, bedoeld om hem de tijd te geven de vastgestelde overtreding te beëindigen; indien de verwittiging mondeling wordt gegeven, moeten zij deze, binnen vijf dagen, bevestigen bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs;
2° een rechtsgeldig proces-verbaal opstellen tot het tegendeel is bewezen; dit proces-verbaal wordt aan de overtreder overgemaakt, op straffe van nietigheid, bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs en dit binnen tien dagen volgend op de dag waarop het werd opgesteld of op de vervaldag van de in 1° bedoelde termijn.
§ 4. De ambtenaar of beambte bezorgt een afschrift van zijn in § 3, 1° bedoelde verwittiging en van zijn in § 3, 2° bedoeld proces-verbaal aan de beheerder en de Commissie.
§ 5. De regering bepaalt het model van verwittiging bedoeld in § 3, 1°, en van het proces-verbaal bedoeld in § 3, 2°.
Art. 83. Surveillance.
§ 1er. Le gouvernement désigne les fonctionnaires et agents régionaux et le collège des bourgmestre et échevins désigne les fonctionnaires et agents communaux, compétents pour surveiller l'exécution de la présente ordonnance.
Les agents et fonctionnaires, visés au premier alinea, ont la qualité d'agents ou d'officiers de police judiciaire et doivent prêter serment, conformément aux lois et règlements en vigueur.
§ 2. Sans préjudice des devoirs incombant aux officiers de police judiciaire, les fonctionnaires et agents visés au § 1er peuvent, dans l'exercice de leur mission :
1° pénétrer à toute heure du jour ou de la nuit dans l'emprise, à la condition qu'elle ne constitue pas un domicile au sens de l'article 15 de la Constitution;
2° requérir les services de police, afin qu'ils leur prêtent main forte;
3° se faire accompagner d'experts;
4° procéder à tous examens, contrôles, enquêtes, et recueillir toutes informations et notamment :
a) interroger toute personne;
b) rechercher, consulter ou se faire produire sans déplacement tout document ou toute pièce;
c) prendre copie photographique ou autre des documents demandés, ou les emporter contre récépisse.
§ 3. En cas d'infraction à la présente ordonnance, les fonctionnaires et agents visés au § 1er peuvent :
1° adresser un avertissement au contrevenant et fixer un délai destiné à lui permettre de mettre fin a l'infraction constatée; lorsque l'avertissement est donné verbalement, ils doivent, dans les cinq jours, le confirmer par envoi recommandé ou contre accusé de réception;
2° dresser procès-verbal faisant foi jusqu'à preuve du contraire; ce procès-verbal est transmis au contrevenant, à peine de nullité, par envoi recommandé ou contre accusé de réception, et ce dans les dix jours du jour où il est établi ou de l'expiration du délai visé au 1°.
§ 4. Le fonctionnaire ou l'agent adresse copie de son avertissement visé au § 3, 1°, et de son procès-verbal visé au § 3, 2°, au gestionnaire et à la Commission.
§ 5. Le gouvernement détermine le modèle de l'avertissement visé au § 3, 1° et du procès-verbal visé au § 3, 2°.
§ 1er. Le gouvernement désigne les fonctionnaires et agents régionaux et le collège des bourgmestre et échevins désigne les fonctionnaires et agents communaux, compétents pour surveiller l'exécution de la présente ordonnance.
Les agents et fonctionnaires, visés au premier alinea, ont la qualité d'agents ou d'officiers de police judiciaire et doivent prêter serment, conformément aux lois et règlements en vigueur.
§ 2. Sans préjudice des devoirs incombant aux officiers de police judiciaire, les fonctionnaires et agents visés au § 1er peuvent, dans l'exercice de leur mission :
1° pénétrer à toute heure du jour ou de la nuit dans l'emprise, à la condition qu'elle ne constitue pas un domicile au sens de l'article 15 de la Constitution;
2° requérir les services de police, afin qu'ils leur prêtent main forte;
3° se faire accompagner d'experts;
4° procéder à tous examens, contrôles, enquêtes, et recueillir toutes informations et notamment :
a) interroger toute personne;
b) rechercher, consulter ou se faire produire sans déplacement tout document ou toute pièce;
c) prendre copie photographique ou autre des documents demandés, ou les emporter contre récépisse.
§ 3. En cas d'infraction à la présente ordonnance, les fonctionnaires et agents visés au § 1er peuvent :
1° adresser un avertissement au contrevenant et fixer un délai destiné à lui permettre de mettre fin a l'infraction constatée; lorsque l'avertissement est donné verbalement, ils doivent, dans les cinq jours, le confirmer par envoi recommandé ou contre accusé de réception;
2° dresser procès-verbal faisant foi jusqu'à preuve du contraire; ce procès-verbal est transmis au contrevenant, à peine de nullité, par envoi recommandé ou contre accusé de réception, et ce dans les dix jours du jour où il est établi ou de l'expiration du délai visé au 1°.
§ 4. Le fonctionnaire ou l'agent adresse copie de son avertissement visé au § 3, 1°, et de son procès-verbal visé au § 3, 2°, au gestionnaire et à la Commission.
§ 5. Le gouvernement détermine le modèle de l'avertissement visé au § 3, 1° et du procès-verbal visé au § 3, 2°.
TITEL 2. - Overtredingen en administratieve boetes.
TITRE 2. - Les infractions et les amendes administratives.
Art. 84. Overtredingen en sancties.
§ 1. Is beboetbaar met een administratieve boete van 250 EUR tot 25.000 EUR, eenieder die :
1° een bouwplaats opstart, zonder uitvoeringsvergunning;
2° op welke wijze ook, de bevelen van de beheerder bedoeld in de artikelen 58, § 3, 59, § 2, 64, 68 en 72 negeert;
§ 2. Is beboetbaar met een administratieve boete van 250 EUR tot 25.000 EUR, de uitvoeringsdienst of de persoon die voorkomt op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst en die, tijdens de in artikel 16 bedoelde verbodsperiode van drie jaar, een bouwplaats opstart onder, op of boven het gedeelte van de openbare weg waaronder, waarop of waarboven een gecoördineerde bouwplaats werd uitgevoerd.
§ 3. Is beboetbaar met een administratieve boete van 187,50 EUR tot 18.750 EUR, eenieder die :
1° een bouwplaats vrijgesteld van uitvoeringsvergunning opstart, zonder de beheerder het bericht van opstarting van bouwplaats te hebben overgemaakt in overeenstemming met artikel 58, §§ 1 of 3;
2° een bouwplaats vrijgesteld van uitvoeringsvergunning opstart, zonder de in artikel 58, § 1 bedoelde termijn van vijf dagen te hebben nageleefd;
3° op welke wijze ook, de voorschriften bedoeld in de artikelen 59, § 1 en 62, § 1, of elk ander voorschrift in een uitvoeringsvergunning, een rectificatiebericht of een bouwplaatsakkoord negeert.
§ 4. Is beboetbaar met een administratieve boete van 125 EUR tot 12.500 EUR, eenieder die :
1° een bouwplaats opstart, zonder de weggebruikers en omwonenden op de hoogte te hebben gebracht in overeenstemming met artikel 56;
2° een bouwplaats gedekt door een uitvoeringsvergunning opstart, zonder de beheerder het bericht van opstarting van bouwplaats te hebben bezorgd in overeenstemming met artikel 58, §§ 1 of 3.
§ 5. Is beboetbaar met een administratieve boete van 125 EUR tot 12.500 EUR, de uitvoeringsdienst of de persoon die dient voor te komen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst en die een bouwplaats aanvangt, zonder zijn vertegenwoordiger of zijn afgevaardigde aan de Commissie te hebben bekendgemaakt in overeenstemming met artikel 11.
§ 6. Is beboetbaar met een administratieve boete van 62,50 EUR tot 6.250 EUR, eenieder die :
1° een bouwplaats uitvoert, zonder de kopie van de uitvoeringsvergunning, ieder rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord alsook het bericht van opstarting van de bouwplaats te kunnen voorleggen in overeenstemming met artikel 60;
2° de beheerder geen verklaring van afsluiting van bouwplaats bezorgt in overeenstemming met artikel 66, § 3.
§ 7. Is beboetbaar met een administratieve boete, eenieder die een bouwplaats opstart, zonder een bankwaarborg te zijn aangegaan in overeenstemming met artikel 55; het bedrag is gelijk aan het dubbele van het bedrag van de bankwaarborg.
§ 8. In geval van een combinatie van meerdere in §§ 1 tot 6 bedoelde overtredingen, worden de bedragen van de administratieve boetes samengeteld, zonder dat ze echter het bedrag van 50.000 EUR mogen overschrijden.
§ 9. Indien een nieuwe overtreding wordt vastgesteld binnen vijf jaar vanaf een vorige definitieve administratieve veroordeling voor een identieke overtreding, worden de in §§ 1 tot 6 bedoelde bedragen van de administratieve boetes verdubbeld.
In geval van een combinatie van meerdere in §§ 1 tot 6 bedoelde en herhaaldelijke overtredingen, worden de bedragen van de administratieve boetes samengeteld, zonder dat ze echter het bedrag van 100.000 EUR mogen overschrijden.
§ 10. De regering kan de in dit artikel bedoelde bedragen aanpassen rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer van comsumptieprijzen.
§ 1. Is beboetbaar met een administratieve boete van 250 EUR tot 25.000 EUR, eenieder die :
1° een bouwplaats opstart, zonder uitvoeringsvergunning;
2° op welke wijze ook, de bevelen van de beheerder bedoeld in de artikelen 58, § 3, 59, § 2, 64, 68 en 72 negeert;
§ 2. Is beboetbaar met een administratieve boete van 250 EUR tot 25.000 EUR, de uitvoeringsdienst of de persoon die voorkomt op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst en die, tijdens de in artikel 16 bedoelde verbodsperiode van drie jaar, een bouwplaats opstart onder, op of boven het gedeelte van de openbare weg waaronder, waarop of waarboven een gecoördineerde bouwplaats werd uitgevoerd.
§ 3. Is beboetbaar met een administratieve boete van 187,50 EUR tot 18.750 EUR, eenieder die :
1° een bouwplaats vrijgesteld van uitvoeringsvergunning opstart, zonder de beheerder het bericht van opstarting van bouwplaats te hebben overgemaakt in overeenstemming met artikel 58, §§ 1 of 3;
2° een bouwplaats vrijgesteld van uitvoeringsvergunning opstart, zonder de in artikel 58, § 1 bedoelde termijn van vijf dagen te hebben nageleefd;
3° op welke wijze ook, de voorschriften bedoeld in de artikelen 59, § 1 en 62, § 1, of elk ander voorschrift in een uitvoeringsvergunning, een rectificatiebericht of een bouwplaatsakkoord negeert.
§ 4. Is beboetbaar met een administratieve boete van 125 EUR tot 12.500 EUR, eenieder die :
1° een bouwplaats opstart, zonder de weggebruikers en omwonenden op de hoogte te hebben gebracht in overeenstemming met artikel 56;
2° een bouwplaats gedekt door een uitvoeringsvergunning opstart, zonder de beheerder het bericht van opstarting van bouwplaats te hebben bezorgd in overeenstemming met artikel 58, §§ 1 of 3.
§ 5. Is beboetbaar met een administratieve boete van 125 EUR tot 12.500 EUR, de uitvoeringsdienst of de persoon die dient voor te komen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst en die een bouwplaats aanvangt, zonder zijn vertegenwoordiger of zijn afgevaardigde aan de Commissie te hebben bekendgemaakt in overeenstemming met artikel 11.
§ 6. Is beboetbaar met een administratieve boete van 62,50 EUR tot 6.250 EUR, eenieder die :
1° een bouwplaats uitvoert, zonder de kopie van de uitvoeringsvergunning, ieder rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord alsook het bericht van opstarting van de bouwplaats te kunnen voorleggen in overeenstemming met artikel 60;
2° de beheerder geen verklaring van afsluiting van bouwplaats bezorgt in overeenstemming met artikel 66, § 3.
§ 7. Is beboetbaar met een administratieve boete, eenieder die een bouwplaats opstart, zonder een bankwaarborg te zijn aangegaan in overeenstemming met artikel 55; het bedrag is gelijk aan het dubbele van het bedrag van de bankwaarborg.
§ 8. In geval van een combinatie van meerdere in §§ 1 tot 6 bedoelde overtredingen, worden de bedragen van de administratieve boetes samengeteld, zonder dat ze echter het bedrag van 50.000 EUR mogen overschrijden.
§ 9. Indien een nieuwe overtreding wordt vastgesteld binnen vijf jaar vanaf een vorige definitieve administratieve veroordeling voor een identieke overtreding, worden de in §§ 1 tot 6 bedoelde bedragen van de administratieve boetes verdubbeld.
In geval van een combinatie van meerdere in §§ 1 tot 6 bedoelde en herhaaldelijke overtredingen, worden de bedragen van de administratieve boetes samengeteld, zonder dat ze echter het bedrag van 100.000 EUR mogen overschrijden.
§ 10. De regering kan de in dit artikel bedoelde bedragen aanpassen rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer van comsumptieprijzen.
Art. 84. Infractions et sanctions.
§ 1er. Est passible d'une amende administrative de 250 EUR à 25.000 EUR, quiconque :
1° débute un chantier, sans autorisation d'exécution de chantier;
2° méconnaît, de quelque façon que ce soit, les ordres du gestionnaire visés aux articles 58, § 3, 59, § 2, 64, 68 et 72.
§ 2. Est passible d'une amende administrative de 250 EUR à 25.000 EUR, le service d'exécution ou la personne figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, qui, pendant la période d'interdiction de trois ans visée à l'article 16, débute un chantier sous, au niveau de ou au-dessus de la portion de voirie sous, au niveau de ou au-dessus de laquelle un chantier coordonné a été exécuté.
§ 3. Est passible d'une amende administrative de 187,50 EUR à 18.750 EUR, quiconque :
1° débute un chantier dispensé d'autorisation d'exécution de chantier, sans avoir adressé au gestionnaire l'avis de démarrage de chantier conformément à l'article 58, §§ 1er ou 3;
2° débute un chantier dispensé d'autorisation d'exécution de chantier, sans avoir respecté le délai de cinq jours visé à l'article 58, § 1er;
3° méconnaît, de quelque façon que ce soit, les prescriptions visées aux articles 59, § 1er, et 62, § 1er, ou toute autre prescription contenue dans une autorisation d'exécution de chantier, dans un avis rectificatif ou dans un accord de chantier.
§ 4. Est passible d'une amende administrative de 125 EUR à 12.500 EUR, quiconque :
1° débute un chantier, sans avoir informé les usagers de la voirie et les riverains conformément à l'article 56;
2° débute un chantier couvert par une autorisation d'exécution de chantier, sans avoir adressé au gestionnaire l'avis de démarrage de chantier conformément à l'article 58, §§ 1er ou 3.
§ 5. Est passible d'une amende administrative de 125 EUR à 12.500 EUR, le service d'exécution ou la personne devant figurer sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, qui débute un chantier, sans avoir fait connaître son représentant ou son délégué auprès de la Commission conformément à l'article 11.
§ 6. Est passible d'une amende administrative de 62,50 EUR à 6.250 EUR, quiconque :
1° exécute un chantier, sans pouvoir produire la copie de l'autorisation d'exécution de chantier, de tout avis rectificatif ou de l'accord de chantier ainsi que de l'avis de démarrage de chantier conformément à l'article 60;
2° n'adresse pas au gestionnaire une déclaration de clôture de chantier conformément à l'article 66, § 3.
§ 7. Est passible d'une amende administrative, dont le montant est égal au double du montant de la garantie bancaire, quiconque débute un chantier, sans avoir constitué une garantie bancaire conformément à l'article 55;
§ 8. En cas de concours de plusieurs infractions visées aux §§ 1er à 6, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder la somme de 50.000 EUR.
§ 9. Si une nouvelle infraction est commise dans les cinq ans à dater d'une condamnation administrative antérieure définitive pour une infraction identique, les montants des amendes administratives prévus aux §§ 1er à 6, sont doublés.
En cas de concours de plusieurs infractions visées aux §§ 1er à 6, et de récidive, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder la somme de 100.000 EUR.
§ 10. Le gouvernement peut adapter les montants prévus dans le présent article en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
§ 1er. Est passible d'une amende administrative de 250 EUR à 25.000 EUR, quiconque :
1° débute un chantier, sans autorisation d'exécution de chantier;
2° méconnaît, de quelque façon que ce soit, les ordres du gestionnaire visés aux articles 58, § 3, 59, § 2, 64, 68 et 72.
§ 2. Est passible d'une amende administrative de 250 EUR à 25.000 EUR, le service d'exécution ou la personne figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, qui, pendant la période d'interdiction de trois ans visée à l'article 16, débute un chantier sous, au niveau de ou au-dessus de la portion de voirie sous, au niveau de ou au-dessus de laquelle un chantier coordonné a été exécuté.
§ 3. Est passible d'une amende administrative de 187,50 EUR à 18.750 EUR, quiconque :
1° débute un chantier dispensé d'autorisation d'exécution de chantier, sans avoir adressé au gestionnaire l'avis de démarrage de chantier conformément à l'article 58, §§ 1er ou 3;
2° débute un chantier dispensé d'autorisation d'exécution de chantier, sans avoir respecté le délai de cinq jours visé à l'article 58, § 1er;
3° méconnaît, de quelque façon que ce soit, les prescriptions visées aux articles 59, § 1er, et 62, § 1er, ou toute autre prescription contenue dans une autorisation d'exécution de chantier, dans un avis rectificatif ou dans un accord de chantier.
§ 4. Est passible d'une amende administrative de 125 EUR à 12.500 EUR, quiconque :
1° débute un chantier, sans avoir informé les usagers de la voirie et les riverains conformément à l'article 56;
2° débute un chantier couvert par une autorisation d'exécution de chantier, sans avoir adressé au gestionnaire l'avis de démarrage de chantier conformément à l'article 58, §§ 1er ou 3.
§ 5. Est passible d'une amende administrative de 125 EUR à 12.500 EUR, le service d'exécution ou la personne devant figurer sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, qui débute un chantier, sans avoir fait connaître son représentant ou son délégué auprès de la Commission conformément à l'article 11.
§ 6. Est passible d'une amende administrative de 62,50 EUR à 6.250 EUR, quiconque :
1° exécute un chantier, sans pouvoir produire la copie de l'autorisation d'exécution de chantier, de tout avis rectificatif ou de l'accord de chantier ainsi que de l'avis de démarrage de chantier conformément à l'article 60;
2° n'adresse pas au gestionnaire une déclaration de clôture de chantier conformément à l'article 66, § 3.
§ 7. Est passible d'une amende administrative, dont le montant est égal au double du montant de la garantie bancaire, quiconque débute un chantier, sans avoir constitué une garantie bancaire conformément à l'article 55;
§ 8. En cas de concours de plusieurs infractions visées aux §§ 1er à 6, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder la somme de 50.000 EUR.
§ 9. Si une nouvelle infraction est commise dans les cinq ans à dater d'une condamnation administrative antérieure définitive pour une infraction identique, les montants des amendes administratives prévus aux §§ 1er à 6, sont doublés.
En cas de concours de plusieurs infractions visées aux §§ 1er à 6, et de récidive, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder la somme de 100.000 EUR.
§ 10. Le gouvernement peut adapter les montants prévus dans le présent article en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
Art. 85. Procedure. § 1. Voor de inning van de administratieve boetes, stelt iedere beheerder een afgevaardigde aan die geen van de in artikel 83, § 1 bedoelde beambten of ambtenaren mag zijn.
§ 2. De afgevaardigde beslist, na de overtreder de gelegenheid te hebben gegeven om zijn verdedigingsmiddelen schriftelijk voor te stellen binnen vijftien dagen na ontvangst van de oproeping die hij hem stuurt, of er een administratieve boete moet worden opgelegd aan de overtreder.
De gemotiveerde beslissing van de afgevaardigde bepaalt het bedrag van de administratieve boete. Ze wordt bij een ter post aangetekende zending, samen met een uitnodiging om de boete te betalen binnen een termijn van een maand vanaf de ontvangst van de beslissing, meegedeeld aan de overtreder. De beheerder maakt een kopie van de beslissing over aan de Commissie.
De betaling van de boete beëindigt de administratieve actie.
§ 3. De administratieve beslissing die de administratieve boete oplegt, kan niet meer worden genomen vijf jaar na het feit van de overtreding.
De uitnodiging aan de overtreder om de in § 2, eerste lid bedoelde verdedigingsmiddelen voor te stellen binnen de in dat eerste lid bedoelde termijn, onderbreekt het verloop van de verjaring. Deze daad doet een nieuwe termijn ingaan van gelijke duur, zelfs ten opzichte van de personen die er niet bij zijn betrokken.
§ 4. De overtreder die de beslissing van de afgevaardigde betwist, stelt, op straffe van verval, beroep in door middel van een verzoek bij de burgerlijke rechtbank, binnen een termijn van twee maanden, te tellen vanaf de mededeling van de beslissing. Dit beroep schort de uitvoering van de beslissing op.
§ 2. De afgevaardigde beslist, na de overtreder de gelegenheid te hebben gegeven om zijn verdedigingsmiddelen schriftelijk voor te stellen binnen vijftien dagen na ontvangst van de oproeping die hij hem stuurt, of er een administratieve boete moet worden opgelegd aan de overtreder.
De gemotiveerde beslissing van de afgevaardigde bepaalt het bedrag van de administratieve boete. Ze wordt bij een ter post aangetekende zending, samen met een uitnodiging om de boete te betalen binnen een termijn van een maand vanaf de ontvangst van de beslissing, meegedeeld aan de overtreder. De beheerder maakt een kopie van de beslissing over aan de Commissie.
De betaling van de boete beëindigt de administratieve actie.
§ 3. De administratieve beslissing die de administratieve boete oplegt, kan niet meer worden genomen vijf jaar na het feit van de overtreding.
De uitnodiging aan de overtreder om de in § 2, eerste lid bedoelde verdedigingsmiddelen voor te stellen binnen de in dat eerste lid bedoelde termijn, onderbreekt het verloop van de verjaring. Deze daad doet een nieuwe termijn ingaan van gelijke duur, zelfs ten opzichte van de personen die er niet bij zijn betrokken.
§ 4. De overtreder die de beslissing van de afgevaardigde betwist, stelt, op straffe van verval, beroep in door middel van een verzoek bij de burgerlijke rechtbank, binnen een termijn van twee maanden, te tellen vanaf de mededeling van de beslissing. Dit beroep schort de uitvoering van de beslissing op.
Art. 85. Procédure.
§ 1er. Aux fins de perception des amendes administratives, chaque gestionnaire désigne un délégué qui ne peut être un des agents ou fonctionnaires visés à l'article 83, § 1er.
§ 2. Le délégué décide, apres avoir mis le contrevenant en mesure de présenter, par écrit, ses moyens de défense dans les quinze jours de la réception de l'invitation qu'il lui adresse, s'il y a lieu d'infliger une amende administrative du chef de l'infraction.
La décision motivée du délégué fixe le montant de l'amende administrative. Elle est notifiée au contrevenant par lettre recommandée à la poste en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans un délai d'un mois à dater de la réception de la décision. Le gestionnaire transmet une copie de la décision à la Commission.
Le paiement de l'amende met fin à l'action de l'administration.
§ 3. La décision administrative par laquelle l'amende administrative est infligée ne peut plus être prise cinq ans après le fait constitutif d'une infraction.
L'invitation au contrevenant de présenter ses moyens de défense, visés au § 2, premier alinéa, faite dans le délai déterminé à cet alinéa, interrompt le cours de la prescription. Cet acte fait courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
§ 4. Le contrevenant qui conteste la décision du délégué introduit, à peine de forclusion, un recours par voie de requête devant le tribunal civil, dans un délai de deux mois à compter de la notification de la décision. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
§ 1er. Aux fins de perception des amendes administratives, chaque gestionnaire désigne un délégué qui ne peut être un des agents ou fonctionnaires visés à l'article 83, § 1er.
§ 2. Le délégué décide, apres avoir mis le contrevenant en mesure de présenter, par écrit, ses moyens de défense dans les quinze jours de la réception de l'invitation qu'il lui adresse, s'il y a lieu d'infliger une amende administrative du chef de l'infraction.
La décision motivée du délégué fixe le montant de l'amende administrative. Elle est notifiée au contrevenant par lettre recommandée à la poste en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans un délai d'un mois à dater de la réception de la décision. Le gestionnaire transmet une copie de la décision à la Commission.
Le paiement de l'amende met fin à l'action de l'administration.
§ 3. La décision administrative par laquelle l'amende administrative est infligée ne peut plus être prise cinq ans après le fait constitutif d'une infraction.
L'invitation au contrevenant de présenter ses moyens de défense, visés au § 2, premier alinéa, faite dans le délai déterminé à cet alinéa, interrompt le cours de la prescription. Cet acte fait courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
§ 4. Le contrevenant qui conteste la décision du délégué introduit, à peine de forclusion, un recours par voie de requête devant le tribunal civil, dans un délai de deux mois à compter de la notification de la décision. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
Art. 86. Inning. De administratieve boete dient te worden betaald binnen een termijn van een maand, te tellen vanaf de mededeling van de beslissing van de afgevaardigde of van de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank.
Art. 86. _ Perception.
L'amende administrative est payée dans un délai d'un mois à dater de la notification de la décision du délégué ou de la décision du tribunal civil passée en force de chose jugée.
L'amende administrative est payée dans un délai d'un mois à dater de la notification de la décision du délégué ou de la décision du tribunal civil passée en force de chose jugée.
BOEK VII. - Afsluitende bepalingen.
LIVRE VII. - Dispositions finales.
Art. 87. Dossierrechten.
§ 1. De beheerder int een dossierrecht op de openbare weg waarop de bouwplaats is gelegen en ten laste van iedere verzoeker, met uitzondering van de uitvoeringsdiensten, die een uitvoeringsvergunnings- of rectificatieberichtaanvraag of een bericht van opstarting van bouwplaats indient.
§ 2. Het bedrag van het in § 1 bedoelde dossierrecht wordt als volgt bepaald :
1° 100 EUR voor een uitvoeringsvergunningsaanvraag voor een op voorhand gecoördineerde en aan het advies van de Commissie voorgelegde bouwplaats;
2° 80 EUR voor een uitvoeringsvergunningsaanvraag voor een op voorhand gecoördineerde en niet-voorgelegde of van het advies van de Commissie vrijgestelde bouwplaats;
3° 60 EUR voor een niet-voorgelegde of van coördinatie en het advies van de Commisse vrijgestelde uitvoeringsvergunningsaanvraag;
4° 40 EUR voor een aanvraag van rectificatiebericht;
5° 20 EUR voor een bericht van opstarting van bouwplaats.
In geval van een gecoördineerde bouwplaats wordt het bedrag van deze dossierrechten op equivalente wijze verdeeld tussen de gecoördineerde verzoekers, bij de verdeling rekening houdend met de uitvoeringsdiensten.
§ 3. Het dossierrecht is verschuldigd op de datum van indiening van de uitvoeringsvergunningsaanvraag of van het rectificatiebericht of van het bericht van opstarting van bouwplaats. De verzoeker voegt bij zijn aanvraag of bij zijn bericht van opstarting van de bouwplaats, het betalingsbewijs van dit dossierrecht, dat er een wezenlijk deel van uitmaakt. Het dossierecht is niet terugvorderbaar indien de bouwplaats niet wordt uitgevoerd.
In afwijking van het eerste lid, worden de dossierrechten verschuldigd door de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst, voor hun gecoördineerde bouw plaatsen, samengebracht gedurende een periode van zes maanden. Hun globaal bedrag is verschuldigd op uiterlijk 30 juni en 31 december.
§ 4. Het in § 2 bedoelde bedrag voor de dossierrechten wordt jaarlijks herzien, op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen, volgens onderstaande formule :
§ 1. De beheerder int een dossierrecht op de openbare weg waarop de bouwplaats is gelegen en ten laste van iedere verzoeker, met uitzondering van de uitvoeringsdiensten, die een uitvoeringsvergunnings- of rectificatieberichtaanvraag of een bericht van opstarting van bouwplaats indient.
§ 2. Het bedrag van het in § 1 bedoelde dossierrecht wordt als volgt bepaald :
1° 100 EUR voor een uitvoeringsvergunningsaanvraag voor een op voorhand gecoördineerde en aan het advies van de Commissie voorgelegde bouwplaats;
2° 80 EUR voor een uitvoeringsvergunningsaanvraag voor een op voorhand gecoördineerde en niet-voorgelegde of van het advies van de Commissie vrijgestelde bouwplaats;
3° 60 EUR voor een niet-voorgelegde of van coördinatie en het advies van de Commisse vrijgestelde uitvoeringsvergunningsaanvraag;
4° 40 EUR voor een aanvraag van rectificatiebericht;
5° 20 EUR voor een bericht van opstarting van bouwplaats.
In geval van een gecoördineerde bouwplaats wordt het bedrag van deze dossierrechten op equivalente wijze verdeeld tussen de gecoördineerde verzoekers, bij de verdeling rekening houdend met de uitvoeringsdiensten.
§ 3. Het dossierrecht is verschuldigd op de datum van indiening van de uitvoeringsvergunningsaanvraag of van het rectificatiebericht of van het bericht van opstarting van bouwplaats. De verzoeker voegt bij zijn aanvraag of bij zijn bericht van opstarting van de bouwplaats, het betalingsbewijs van dit dossierrecht, dat er een wezenlijk deel van uitmaakt. Het dossierecht is niet terugvorderbaar indien de bouwplaats niet wordt uitgevoerd.
In afwijking van het eerste lid, worden de dossierrechten verschuldigd door de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst, voor hun gecoördineerde bouw plaatsen, samengebracht gedurende een periode van zes maanden. Hun globaal bedrag is verschuldigd op uiterlijk 30 juni en 31 december.
§ 4. Het in § 2 bedoelde bedrag voor de dossierrechten wordt jaarlijks herzien, op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen, volgens onderstaande formule :
Art. 87. Droits de dossier.
§ 1er. Le gestionnaire, sur la voirie duquel le chantier est situé, perçoit un droit de dossier à charge de tout impétrant, à l'exception des services d'exécution, qui introduit une demande d'autorisation d'exécution de chantier ou d'avis rectificatif ou un avis de démarrage de chantier.
§ 2. Le montant du droit de dossier visé au § 1er est fixé comme suit :
1° 100 EUR pour une demande d'autorisation d'exécution d'un chantier préalablement coordonné, soumise à l'avis de la Commission;
2° 80 EUR pour une demande d'autorisation d'exécution d'un chantier, préalablement coordonné, non soumise ou dispensée de l'avis de la Commission;
3° 60 EUR pour une demande d'autorisation d'exécution d'un chantier, non soumise ou dispensée de coordination et de l'avis de la Commission;
4° 40 EUR pour une demande d'avis rectificatif;
5° 20 EUR pour un avis de démarrage de chantier.
En cas de chantier coordonné, le montant de ces droits de dossier est réparti, de manière équivalente, entre les impétrants-coordonnés, en prenant en considération, lors de la répartition, les services d'exécution.
§ 3. Le droit de dossier est dû à la date d'introduction de la demande d'autorisation d'exécution de chantier, ou d'avis rectificatif, ou de l'avis de démarrage de chantier. L'impétrant joint, à sa demande ou à son avis de démarrage de chantier, la preuve du paiement de ce droit de dossier, laquelle en fait partie intégrante. Le droit de dossier n'est pas récupérable si le chantier n'est pas exécuté.
Par dérogation au premier alinéa, les droits de dossier dus par les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, sont, pour leurs chantiers coordonnés, globalisés pendant une période de six mois. Leur montant global est dû, au plus tard le 30 juin et le 31 décembre.
§ 4. Le montant des droits de dossier vise au § 2 est révisé, annuellement, sur base de l'indice des prix à la consommation, suivant la formule suivante :
§ 1er. Le gestionnaire, sur la voirie duquel le chantier est situé, perçoit un droit de dossier à charge de tout impétrant, à l'exception des services d'exécution, qui introduit une demande d'autorisation d'exécution de chantier ou d'avis rectificatif ou un avis de démarrage de chantier.
§ 2. Le montant du droit de dossier visé au § 1er est fixé comme suit :
1° 100 EUR pour une demande d'autorisation d'exécution d'un chantier préalablement coordonné, soumise à l'avis de la Commission;
2° 80 EUR pour une demande d'autorisation d'exécution d'un chantier, préalablement coordonné, non soumise ou dispensée de l'avis de la Commission;
3° 60 EUR pour une demande d'autorisation d'exécution d'un chantier, non soumise ou dispensée de coordination et de l'avis de la Commission;
4° 40 EUR pour une demande d'avis rectificatif;
5° 20 EUR pour un avis de démarrage de chantier.
En cas de chantier coordonné, le montant de ces droits de dossier est réparti, de manière équivalente, entre les impétrants-coordonnés, en prenant en considération, lors de la répartition, les services d'exécution.
§ 3. Le droit de dossier est dû à la date d'introduction de la demande d'autorisation d'exécution de chantier, ou d'avis rectificatif, ou de l'avis de démarrage de chantier. L'impétrant joint, à sa demande ou à son avis de démarrage de chantier, la preuve du paiement de ce droit de dossier, laquelle en fait partie intégrante. Le droit de dossier n'est pas récupérable si le chantier n'est pas exécuté.
Par dérogation au premier alinéa, les droits de dossier dus par les personnes figurant sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, sont, pour leurs chantiers coordonnés, globalisés pendant une période de six mois. Leur montant global est dû, au plus tard le 30 juin et le 31 décembre.
§ 4. Le montant des droits de dossier vise au § 2 est révisé, annuellement, sur base de l'indice des prix à la consommation, suivant la formule suivante :
| basisbedrag x nieuwe index |
Wijzigingen
</td></tr><tr><td valign="top">oorspronkelijke index</td></tr></table>basisbedrag x nieuwe index---------------------------oorspronkelijke index
| montant de base x indice nouveau |
Wijzigingen
</td></tr><tr><td valign="top">indice de depart</td></tr></table>montant de base x indice nouveau--------------------------------indice de depart
waarbij het basisbedrag het in § 2 vermelde bedrag is, de nieuwe index, de index van de maand voorafgaand aan de verjaardag van de inwerkingtreding van dit artikel is, de oorspronkelijke index, de index van de maand voorafgaand aan de datum van de inwerkingtreding van dit artikel is.
Le montant de base étant celui figurant au § 2, l'indice nouveau étant celui du mois précédant la date anniversaire de l'entrée en vigueur du présent article, l'indice de base étant celui du mois précédant la date d'entrée en vigueur du présent article.
Art. 88. Bevelschrift.
§ 1. Een bevelschrift wordt uitgevaardigd, ofwel door de gewestelijke ontvanger van de dienst belastingen en ontvangsten van het bestuur van financiën en begroting van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ofwel door de gemeentelijke ontvanger, in geval van :
1° niet-betaling van de in artikel 9 verschuldigde bedragen, de in artikel 84 bedoelde administratieve boetes en de in artikel 87 bedoelde dossierrechten;
2° niet-terugbetaling van de in artikel 62, § 2 bedoelde kosten voor de herstelling in goede staat van de openbare weg en van de uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de in artikel 74 bedoelde procedurele maatregelen.
Het bevelschrift wordt meegedeeld aan de overtreder bij een ter post aangetekende zending.
§ 2. [2 De ambtenaar die overeenkomstig § 1 door de regering wordt aangewezen moet het uitgevaardigde dwangbevel ook viseren en uitvoerbaar verklaren.]2
§ 1. Een bevelschrift wordt uitgevaardigd, ofwel door de gewestelijke ontvanger van de dienst belastingen en ontvangsten van het bestuur van financiën en begroting van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ofwel door de gemeentelijke ontvanger, in geval van :
1° niet-betaling van de in artikel 9 verschuldigde bedragen, de in artikel 84 bedoelde administratieve boetes en de in artikel 87 bedoelde dossierrechten;
2° niet-terugbetaling van de in artikel 62, § 2 bedoelde kosten voor de herstelling in goede staat van de openbare weg en van de uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de in artikel 74 bedoelde procedurele maatregelen.
Het bevelschrift wordt meegedeeld aan de overtreder bij een ter post aangetekende zending.
§ 2. [2 De ambtenaar die overeenkomstig § 1 door de regering wordt aangewezen moet het uitgevaardigde dwangbevel ook viseren en uitvoerbaar verklaren.]2
Art. 88. Contrainte.
§ 1er. Une contrainte est décernée, soit par le receveur régional du service taxes et recettes de l'administration des finances et du budget du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale, soit par le receveur communal, en cas de :
1° non paiement des redevances visées à l'article 9, des amendes administratives visées à l'article 84 et des droits de dossier visés à l'article 87;
2° non remboursement des dépenses résultant des frais de remise en état de la voirie visés à l'article 62, § 2, et de l'application des mesures d'office visées à l'article 74.
La contrainte est notifiée au contrevenant par envoi recommandé à la poste.
§ 2. [2 Le fonctionnaire désigné par le gouvernement conformément au § 1er doit viser et rendre exécutoire la contrainte décernée.]2]1
§ 1er. Une contrainte est décernée, soit par le receveur régional du service taxes et recettes de l'administration des finances et du budget du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale, soit par le receveur communal, en cas de :
1° non paiement des redevances visées à l'article 9, des amendes administratives visées à l'article 84 et des droits de dossier visés à l'article 87;
2° non remboursement des dépenses résultant des frais de remise en état de la voirie visés à l'article 62, § 2, et de l'application des mesures d'office visées à l'article 74.
La contrainte est notifiée au contrevenant par envoi recommandé à la poste.
§ 2. [2 Le fonctionnaire désigné par le gouvernement conformément au § 1er doit viser et rendre exécutoire la contrainte décernée.]2]1
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 88. [1 Bevelschrift.
§ 1. - Een bevelschrift wordt uitgevaardigd door de ambtenaar die daartoe door de Regering wordt aangewezen of door de gemeentelijke ontvanger in geval van :
1° niet-betaling van de in artikel 9 verschuldigde bedragen, de in artikel 84 bedoelde administratieve boetes en de in artikel 87 bedoelde dossierrechten;
2° niet-terugbetaling van de in artikel 62, § 2, bedoelde kosten voor de herstelling in goede staat van de openbare weg en van de uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de in artikel 74 bedoelde procedurele maatregelen.
Het bevelschrift wordt bij een aangetekende postzending of elektronische aangetekende zending ter kennis gebracht.
§ 2. [2 De ambtenaar die overeenkomstig § 1 door de regering wordt aangewezen moet het uitgevaardigde dwangbevel ook viseren en uitvoerbaar verklaren.]2
§ 1. - Een bevelschrift wordt uitgevaardigd door de ambtenaar die daartoe door de Regering wordt aangewezen of door de gemeentelijke ontvanger in geval van :
1° niet-betaling van de in artikel 9 verschuldigde bedragen, de in artikel 84 bedoelde administratieve boetes en de in artikel 87 bedoelde dossierrechten;
2° niet-terugbetaling van de in artikel 62, § 2, bedoelde kosten voor de herstelling in goede staat van de openbare weg en van de uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de in artikel 74 bedoelde procedurele maatregelen.
Het bevelschrift wordt bij een aangetekende postzending of elektronische aangetekende zending ter kennis gebracht.
§ 2. [2 De ambtenaar die overeenkomstig § 1 door de regering wordt aangewezen moet het uitgevaardigde dwangbevel ook viseren en uitvoerbaar verklaren.]2
Art. 88. [1 Contrainte.
§ 1er. Une contrainte est décernée, soit par le fonctionnaire désigné à cet effet par le gouvernement, soit par le receveur communal, en cas de :
1° non-paiement des redevances visées à l'article 9, des amendes administratives visées à l'article 84 et des droits de dossier visés à l'article 87;
2° non-remboursement des dépenses résultant des frais de remise en état de la voirie visés à l'article 62, § 2, et de l'application des mesures d'office visées à l'article 74.
La contrainte est notifiée par un envoi postal recommandé ou un recommandé électronique.
§ 2. [2 Le fonctionnaire désigné par le gouvernement conformément au § 1er doit viser et rendre exécutoire la contrainte décernée.]2]1
§ 1er. Une contrainte est décernée, soit par le fonctionnaire désigné à cet effet par le gouvernement, soit par le receveur communal, en cas de :
1° non-paiement des redevances visées à l'article 9, des amendes administratives visées à l'article 84 et des droits de dossier visés à l'article 87;
2° non-remboursement des dépenses résultant des frais de remise en état de la voirie visés à l'article 62, § 2, et de l'application des mesures d'office visées à l'article 74.
La contrainte est notifiée par un envoi postal recommandé ou un recommandé électronique.
§ 2. [2 Le fonctionnaire désigné par le gouvernement conformément au § 1er doit viser et rendre exécutoire la contrainte décernée.]2]1
Art. 89. Gebruiksrecht.
Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de bepalingen van deze ordonnantie, mogen gebruik maken van de openbare weg :
1° de Belgische Staat, voor de uitvoering, door middel van een samenwerkingsakkoord, van bepaalde initiatieven om de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel te bevorderen, met betrekking tot de openbare weg;
2° het Vlaamse Gewest, voor het beheer, door middel van een samenwerkingsakkoord, van de wegen die de grenzen van een Gewest overschrijden;
3° het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor de aanleg van fietspaden en -routes op gemeentelijke wegen;
4° de gemeenten voor de rioleringen van gewestelijke wegen;
5° Vivaqua, voor de rioleringen;
6° de naamloze vennootschap naar openbaar recht Infrabel, voor het beheer van de spoorweginfrastructuur, met betrekking tot de openbare weg;
7° de Haven van Brussel, voor de uitbating van haventerreinen, met betrekking tot de openbare weg;
8° Leefmilieu Brussel-BIM, voor het beheer van groene ruimtes, natuurgebieden en semi-natuurgebieden, met betrekking tot de openbare weg.
De regering kan de lijst van rechtspersonen bedoeld in het eerste lid vervolledigen, voor zover het gaat over rechtspersonen die een openbare dienst verlenen die te vergelijken is met die welke vermeld zijn in het eerste lid.
Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de bepalingen van deze ordonnantie, mogen gebruik maken van de openbare weg :
1° de Belgische Staat, voor de uitvoering, door middel van een samenwerkingsakkoord, van bepaalde initiatieven om de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel te bevorderen, met betrekking tot de openbare weg;
2° het Vlaamse Gewest, voor het beheer, door middel van een samenwerkingsakkoord, van de wegen die de grenzen van een Gewest overschrijden;
3° het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor de aanleg van fietspaden en -routes op gemeentelijke wegen;
4° de gemeenten voor de rioleringen van gewestelijke wegen;
5° Vivaqua, voor de rioleringen;
6° de naamloze vennootschap naar openbaar recht Infrabel, voor het beheer van de spoorweginfrastructuur, met betrekking tot de openbare weg;
7° de Haven van Brussel, voor de uitbating van haventerreinen, met betrekking tot de openbare weg;
8° Leefmilieu Brussel-BIM, voor het beheer van groene ruimtes, natuurgebieden en semi-natuurgebieden, met betrekking tot de openbare weg.
De regering kan de lijst van rechtspersonen bedoeld in het eerste lid vervolledigen, voor zover het gaat over rechtspersonen die een openbare dienst verlenen die te vergelijken is met die welke vermeld zijn in het eerste lid.
Art. 89. Droit d'usage.
Sans préjudice de l'application des dispositions de la présente ordonnance, sont autorisés à faire usage de la voirie :
1° l'Etat belge, pour les besoins de la mise en oeuvre, par un accord de coopération, de certaines initiatives destinées à promouvoir le rôle international et la fonction de capitale de Bruxelles, en relation avec la voirie;
2° la Région flamande, pour les besoins de la gestion par un accord de coopération, des voiries dépassant les limites d'une Région;
3° la Région de Bruxelles-Capitale, pour les besoins de l'aménagement des pistes et itinéraires cyclables en voirie communale;
4° les communes pour les besoins de l'égouttage public en voirie regionale;
5° Vivaqua, pour les besoins de l'égouttage public;
6° la société anonyme de droit public Infrabel, pour les besoins de la gestion de l'infrastructure ferroviaire, en relation avec la voirie;
7° le Port de Bruxelles, pour les besoins de l'exploitation des sites portuaires, en relation avec la voirie;
8° Bruxelles Environnement-IBGE, pour les besoins de la gestion des espaces verts et des sites naturels ou seminaturels, en relation avec la voirie.
Le gouvernement peut compléter la liste des personnes morales visées au premier alinéa, pour autant qu'il s'agisse de personnes morales qui prestent un service public semblable à ceux visés au premier alinéa.
Sans préjudice de l'application des dispositions de la présente ordonnance, sont autorisés à faire usage de la voirie :
1° l'Etat belge, pour les besoins de la mise en oeuvre, par un accord de coopération, de certaines initiatives destinées à promouvoir le rôle international et la fonction de capitale de Bruxelles, en relation avec la voirie;
2° la Région flamande, pour les besoins de la gestion par un accord de coopération, des voiries dépassant les limites d'une Région;
3° la Région de Bruxelles-Capitale, pour les besoins de l'aménagement des pistes et itinéraires cyclables en voirie communale;
4° les communes pour les besoins de l'égouttage public en voirie regionale;
5° Vivaqua, pour les besoins de l'égouttage public;
6° la société anonyme de droit public Infrabel, pour les besoins de la gestion de l'infrastructure ferroviaire, en relation avec la voirie;
7° le Port de Bruxelles, pour les besoins de l'exploitation des sites portuaires, en relation avec la voirie;
8° Bruxelles Environnement-IBGE, pour les besoins de la gestion des espaces verts et des sites naturels ou seminaturels, en relation avec la voirie.
Le gouvernement peut compléter la liste des personnes morales visées au premier alinéa, pour autant qu'il s'agisse de personnes morales qui prestent un service public semblable à ceux visés au premier alinéa.
Art. 90. Begrotingsfonds.
Het in artikel 9 verschuldigde bedrag van de in artikel 84 verschuldigde boetes en van de in artikel 87 bedoelde dossierrechten, geïnd door het Gewest, wordt toegewezen aan het " fonds voor uitrusting en verplaatsingen ", opgericht bij de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van Begrotingsfondsen en gewijzigd bij artikel 29 van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Het in artikel 9 verschuldigde bedrag van de in artikel 84 verschuldigde boetes en van de in artikel 87 bedoelde dossierrechten, geïnd door het Gewest, wordt toegewezen aan het " fonds voor uitrusting en verplaatsingen ", opgericht bij de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van Begrotingsfondsen en gewijzigd bij artikel 29 van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art. 90. Fonds budgétaire.
Le montant des redevances visées à l'article 9, des amendes administratives visées à l'article 84 et des droits de dossier visés à l'article 87, perçus par la Région, est affecte au " fonds pour l'équipement et les déplacements " institué par l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant les Fonds budgétaires, modifiée par l'article 29 de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale.
Le montant des redevances visées à l'article 9, des amendes administratives visées à l'article 84 et des droits de dossier visés à l'article 87, perçus par la Région, est affecte au " fonds pour l'équipement et les déplacements " institué par l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant les Fonds budgétaires, modifiée par l'article 29 de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 91. Opheffings- en wijzigingsbepalingen.
§ 1. Voor zover ze betrekking hebben op de bouwplaatsen, worden volgende bepalingen ingetrokken :
1° de artikelen 98, § 1, en 103, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
2° artikel 10, § 1, tweede tot vijfde lid, van de wet van 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie- en de teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie;
3° artikel 16, 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
4° het enige artikel, vierde en vijfde lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen;
5° de artikelen 13, vierde lid, en 21, 4°, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.
§ 2. De ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt ingetrokken.
§ 3. Artikel 2, 3°, 8e streepje van ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt als volgt vervangen : " voor de werkingskosten van de Coördinatiecommissie van de Bouwplaatsen en de exploitatiekosten van de informaticawerktuigen voor de programmatie, coördinatie, vergunning en uitvoering van de bouwplaatsen op de openbare weg ".
§ 1. Voor zover ze betrekking hebben op de bouwplaatsen, worden volgende bepalingen ingetrokken :
1° de artikelen 98, § 1, en 103, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
2° artikel 10, § 1, tweede tot vijfde lid, van de wet van 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie- en de teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie;
3° artikel 16, 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
4° het enige artikel, vierde en vijfde lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen;
5° de artikelen 13, vierde lid, en 21, 4°, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.
§ 2. De ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt ingetrokken.
§ 3. Artikel 2, 3°, 8e streepje van ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt als volgt vervangen : " voor de werkingskosten van de Coördinatiecommissie van de Bouwplaatsen en de exploitatiekosten van de informaticawerktuigen voor de programmatie, coördinatie, vergunning en uitvoering van de bouwplaatsen op de openbare weg ".
Art. 91. Dispositions abrogatoires et modificatives.
§ 1er. En tant qu'elles visent les chantiers, les dispositions suivantes sont abrogées :
1° les articles 98, § 1er, et 103, § 1er, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
2° l'article 10, § 1er, du deuxième au cinquième alinéas, de la loi du 6 février 1987 relative aux réseaux de radiodistribution et de télédistribution et à la publicité commerciale à la radio et à la télévision;
3° l'article 16, 3°, de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations;
4° l'article unique, quatrième et cinquième alinéas, de la loi du 17 janvier 1938 réglant l'usage par les autorités publiques, associations de communes et concessionnaires de services publics ou d'utilité publique, des domaines de l'Etat, des provinces et des communes, pour l'établissement et l'entretien de canalisations et notamment de canalisations d'eau et de gaz;
5° les articles 13, quatrième alinéa, et 21, 4°, de la loi du 10 mars 1925 sur les distributions d'énergie électrique.
§ 2. L'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale est abrogée.
§ 3. L'article 2, 3°, huitième tiret de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant les fonds budgétaires, est remplacé comme suit : " aux frais de fonctionnement de la Commission de Coordination des Chantiers et aux frais d'exploitation des outils informatiques de programmation, de coordination, d'autorisation et d'exécution des chantiers en voirie ".
§ 1er. En tant qu'elles visent les chantiers, les dispositions suivantes sont abrogées :
1° les articles 98, § 1er, et 103, § 1er, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
2° l'article 10, § 1er, du deuxième au cinquième alinéas, de la loi du 6 février 1987 relative aux réseaux de radiodistribution et de télédistribution et à la publicité commerciale à la radio et à la télévision;
3° l'article 16, 3°, de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations;
4° l'article unique, quatrième et cinquième alinéas, de la loi du 17 janvier 1938 réglant l'usage par les autorités publiques, associations de communes et concessionnaires de services publics ou d'utilité publique, des domaines de l'Etat, des provinces et des communes, pour l'établissement et l'entretien de canalisations et notamment de canalisations d'eau et de gaz;
5° les articles 13, quatrième alinéa, et 21, 4°, de la loi du 10 mars 1925 sur les distributions d'énergie électrique.
§ 2. L'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale est abrogée.
§ 3. L'article 2, 3°, huitième tiret de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant les fonds budgétaires, est remplacé comme suit : " aux frais de fonctionnement de la Commission de Coordination des Chantiers et aux frais d'exploitation des outils informatiques de programmation, de coordination, d'autorisation et d'exécution des chantiers en voirie ".
Art. 92. Overgangsbepalingen.
§ 1. De Commissie voor de Coördinatie van de Werken, opgericht door artikel 7 van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, blijft in functie tot de aanstelling van de in artikel 3 bedoelde Commissie.
§ 2. De afgevaardigden van de verzoekers die zich, in overeenstemming met artikel 4 van het besluit van 16 juli 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hebben bekendgemaakt bij de in § 1 bedoelde Commissie voor de Coördinatie van de Werken of die zich bij haar hebben bekendgemaakt tot aan het in werking treden van artikel 3, komen, ambtshalve en van rechtswege, voor op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst vanaf het in werking treden ervan.
§ 3. Voor zover zij gemachtigd wordt binnen dertig dagen voorafgaand aan het in werking treden van artikelen 59 en 62, § 1, is de bouwplaats toegestaan met toepassing van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onderworpen, vanaf het in werking treden van deze artikelen, aan de naleving ervan.
§ 4. De aangestelde ambtenaren en beambten die toezien op de uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn belast met het toezicht op de uitvoering van deze ordonnantie en moeten de eed niet meer afleggen.
§ 1. De Commissie voor de Coördinatie van de Werken, opgericht door artikel 7 van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, blijft in functie tot de aanstelling van de in artikel 3 bedoelde Commissie.
§ 2. De afgevaardigden van de verzoekers die zich, in overeenstemming met artikel 4 van het besluit van 16 juli 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hebben bekendgemaakt bij de in § 1 bedoelde Commissie voor de Coördinatie van de Werken of die zich bij haar hebben bekendgemaakt tot aan het in werking treden van artikel 3, komen, ambtshalve en van rechtswege, voor op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst vanaf het in werking treden ervan.
§ 3. Voor zover zij gemachtigd wordt binnen dertig dagen voorafgaand aan het in werking treden van artikelen 59 en 62, § 1, is de bouwplaats toegestaan met toepassing van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onderworpen, vanaf het in werking treden van deze artikelen, aan de naleving ervan.
§ 4. De aangestelde ambtenaren en beambten die toezien op de uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn belast met het toezicht op de uitvoering van deze ordonnantie en moeten de eed niet meer afleggen.
Art. 92. Dispositions transitoires.
§ 1er. La Commission de Coordination des Chantiers instituée par l'article 7 de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale est maintenue en fonction jusqu'à l'installation de la Commission visée a l'article 3.
§ 2. Les délégués des impétrants qui, conformément à l'article 4 de l'arrêté du 16 juillet 1998 relatif à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale, se sont faits connaître auprès de la Commission de Coordination des Chantiers visée au § 1er, ou qui se font connaître auprès d'elle jusqu'à l'entrée en vigueur de l'article 3, figurent, d'office et de plein droit, sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, dès son entrée en vigueur.
§ 3. Pour autant qu'il ait été autorisé dans les trente jours qui précèdent l'entrée en vigueur des articles 59 et 62, § 1er, le chantier autorisé en application de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale, est soumis, dès l'entrée en vigueur de ces articles, à leur respect.
§ 4. Les fonctionnaires et agents désignés pour surveiller l'exécution de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale, sont chargés de surveiller l'exécution de la présente ordonnance et ne doivent plus prêter serment.
§ 1er. La Commission de Coordination des Chantiers instituée par l'article 7 de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale est maintenue en fonction jusqu'à l'installation de la Commission visée a l'article 3.
§ 2. Les délégués des impétrants qui, conformément à l'article 4 de l'arrêté du 16 juillet 1998 relatif à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale, se sont faits connaître auprès de la Commission de Coordination des Chantiers visée au § 1er, ou qui se font connaître auprès d'elle jusqu'à l'entrée en vigueur de l'article 3, figurent, d'office et de plein droit, sur la liste visée à l'article 4, § 1er, 1°, dès son entrée en vigueur.
§ 3. Pour autant qu'il ait été autorisé dans les trente jours qui précèdent l'entrée en vigueur des articles 59 et 62, § 1er, le chantier autorisé en application de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale, est soumis, dès l'entrée en vigueur de ces articles, à leur respect.
§ 4. Les fonctionnaires et agents désignés pour surveiller l'exécution de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale, sont chargés de surveiller l'exécution de la présente ordonnance et ne doivent plus prêter serment.
Art. 93. Subsidiëring voor investeringen van openbaar nut.
De uitvoeringsvergunning en het bericht van opstarting maken geen deel uit van de aanvraag tot beginselakkoord bedoeld in artikel 22 van de ordonnantie van 16 juli 1998 betreffende de toekenning van subsidies om investeringen van openbaar nut aan te moedigen.
De uitvoeringsvergunning en het bericht van opstarting maken geen deel uit van de aanvraag tot beginselakkoord bedoeld in artikel 22 van de ordonnantie van 16 juli 1998 betreffende de toekenning van subsidies om investeringen van openbaar nut aan te moedigen.
Art. 93. Subsidiation pour investissements d'intérêt public.
Ne font pas partie de la demande d'accord de principe, visée à l'article 22 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 relative à l'octroi de subsides destinés à encourager la réalisation d'investissements d'intérêt public, l'autorisation d'exécution de chantier et l'avis de démarrage.
Ne font pas partie de la demande d'accord de principe, visée à l'article 22 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 relative à l'octroi de subsides destinés à encourager la réalisation d'investissements d'intérêt public, l'autorisation d'exécution de chantier et l'avis de démarrage.
Art. 94. Inwerkingtreding.
De bepalingen van deze ordonnantie worden van kracht op de door de regering bepaalde data.
De bepalingen van deze ordonnantie worden van kracht op de door de regering bepaalde data.
Art. 94. Entrée en vigueur.
Les dispositions de la présente ordonnance entrent en vigueur aux dates fixées par le gouvernement.
Les dispositions de la présente ordonnance entrent en vigueur aux dates fixées par le gouvernement.
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 3 tot en met 7 en art. 91, § 2 - voor zover dit toelaat om alleen de artikelen 7 en 8 in te trekken van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - vastgesteld op 02-02-2012 door BESL 2012-01-26/02, art. 5)
(NOTA : Inwerkingtreding van :
1° de artikelen 1, 2, 10, 11, 12, 16, 42, 43, 53 tot 56, 57, §§ 1 tot 3, 58, §§ 1, 3, eerste lid, en 4, 59, 60, 61, §§ 1 en 2, 62, 63, §§ 1 tot 3, 64 tot 74, 83 tot 90, 91, §§ 1 en 3, en 92 tot 94;
2° artikel 91, § 2, voor zover dit toelaat om alleen de artikelen 4, 5, 6, lid 2, en 10 tot 27, in te trekken van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
vastgesteld op 01-11-2013 bij BESL 2013-07-11/40, art. 33, 1° en 2°)
(NOTA : Inwerkingtreding van :
1° de artikelen 8, 9, 13 tot 15, 17, 18 tot 27, 29 tot 33, § 1er, eerste lid, en § 2, 34 tot 41, 44 tot 52, 58, § 2, § 3, tweede, derde en vierde lid, 75 tot 82, van de ordonnantie van 3 juli 2008 betreffende de bouwplaatsen op de openbare weg;
2° artikel 91, § 2 van de ordonnantie voor zover het toelaat alleen de artikelen 2, 3, 6, eerste lid, en 9 in te trekken van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
vastgesteld op 07-04-2014 bij BESL 2014-01-30/18, art. 15, §1, 1° en 2°)
(NOTA : Inwerkingtreding van :
1° de artikelen 1, 2, 10, 11, 12, 16, 42, 43, 53 tot 56, 57, §§ 1 tot 3, 58, §§ 1, 3, eerste lid, en 4, 59, 60, 61, §§ 1 en 2, 62, 63, §§ 1 tot 3, 64 tot 74, 83 tot 90, 91, §§ 1 en 3, en 92 tot 94;
2° artikel 91, § 2, voor zover dit toelaat om alleen de artikelen 4, 5, 6, lid 2, en 10 tot 27, in te trekken van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
vastgesteld op 01-11-2013 bij BESL 2013-07-11/40, art. 33, 1° en 2°)
(NOTA : Inwerkingtreding van :
1° de artikelen 8, 9, 13 tot 15, 17, 18 tot 27, 29 tot 33, § 1er, eerste lid, en § 2, 34 tot 41, 44 tot 52, 58, § 2, § 3, tweede, derde en vierde lid, 75 tot 82, van de ordonnantie van 3 juli 2008 betreffende de bouwplaatsen op de openbare weg;
2° artikel 91, § 2 van de ordonnantie voor zover het toelaat alleen de artikelen 2, 3, 6, eerste lid, en 9 in te trekken van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
vastgesteld op 07-04-2014 bij BESL 2014-01-30/18, art. 15, §1, 1° en 2°)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 3 à 7 et de l'art. 91, § 2 - en tant qu'il abroge les art. 7 et 8 de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale - fixée au 02-02-2012 par ARR 2012-01-26/02, art. 5)
(NOTE : Entrée en vigueur :
1° les articles 1er, 2, 10, 11, 12, 16, 42, 43, 53 à 56, 57, §§ 1er à 3, 58, §§ 1er, 3, alinéa 1er, et 4, 59, 60, 61, §§ 1er et 2, 62, 63, §§ 1er à 3, 64 à 74, 83 à 90, 91, §§ 1er et § 3, et 92 à 94;
2° l'article 91, § 2, de l'ordonnance, en tant qu'il permet d'abroger les seuls articles 4, 5, 6, alinéa 2, et 10 à 27, de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale;
fixée au 01-11-2013 par ARR 2013-07-11/40, art. 33, 1° et 2°)
(NOTE : Entrée en vigueur :
1° les articles 8, 9, 13 à 15, 17, 18 à 27, 29 à 33, § 1er, alinéa 1er et § 2 34 à 41, 44 à 52, 58, § 2, § 3, alinéas 2, 3 et 4, 75 à 82, de l'ordonnance du 3 juillet 2008 relative aux chantiers en voirie;
2° l'article 91, § 2, de l'ordonnance, en tant qu'il permet d'abroger les seuls articles 2, 3, 6, alinéa 1er, et 9 de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale;
fixée au 07-04-2014 par ARR 2014-01-30/18, art. 15, §1er, 1° et 2°)
(NOTE : Entrée en vigueur :
1° les articles 1er, 2, 10, 11, 12, 16, 42, 43, 53 à 56, 57, §§ 1er à 3, 58, §§ 1er, 3, alinéa 1er, et 4, 59, 60, 61, §§ 1er et 2, 62, 63, §§ 1er à 3, 64 à 74, 83 à 90, 91, §§ 1er et § 3, et 92 à 94;
2° l'article 91, § 2, de l'ordonnance, en tant qu'il permet d'abroger les seuls articles 4, 5, 6, alinéa 2, et 10 à 27, de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale;
fixée au 01-11-2013 par ARR 2013-07-11/40, art. 33, 1° et 2°)
(NOTE : Entrée en vigueur :
1° les articles 8, 9, 13 à 15, 17, 18 à 27, 29 à 33, § 1er, alinéa 1er et § 2 34 à 41, 44 à 52, 58, § 2, § 3, alinéas 2, 3 et 4, 75 à 82, de l'ordonnance du 3 juillet 2008 relative aux chantiers en voirie;
2° l'article 91, § 2, de l'ordonnance, en tant qu'il permet d'abroger les seuls articles 2, 3, 6, alinéa 1er, et 9 de l'ordonnance du 5 mars 1998 relative à la coordination et à l'organisation des chantiers en voie publique en Région de Bruxelles-Capitale;
fixée au 07-04-2014 par ARR 2014-01-30/18, art. 15, §1er, 1° et 2°)
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 3 juli 2008.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting,
Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK.
Brussel, 3 juli 2008.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting,
Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK.
Promulguons la présente ordonnance, ordonnons qu'elle soit publiée au Moniteur belge.
Bruxelles, le 3 juillet 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, charge des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du Territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine, du Logement, de la Propreté publique et de la Coopération au Développement,
Ch. PICQUE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Finances, du Budget,
de la Fonction publique et des Relations extérieures,
G. VAN HENGEL
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de l'Emploi, de l'Economie, de la Recherche scientifique et de la Lutte contre l'Incendie et l'Aide médicale urgente,
B. CEREXHE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de la Mobilité et des Travaux publics,
P. SMET
La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargée de l'Environnement, de l'Energie et de la Politique de l'Eau,
Mme E. HUYTEBROECK.
Bruxelles, le 3 juillet 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, charge des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du Territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine, du Logement, de la Propreté publique et de la Coopération au Développement,
Ch. PICQUE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Finances, du Budget,
de la Fonction publique et des Relations extérieures,
G. VAN HENGEL
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de l'Emploi, de l'Economie, de la Recherche scientifique et de la Lutte contre l'Incendie et l'Aide médicale urgente,
B. CEREXHE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de la Mobilité et des Travaux publics,
P. SMET
La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargée de l'Environnement, de l'Energie et de la Politique de l'Eau,
Mme E. HUYTEBROECK.