Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 JUNI 2007. - Reglement van de [Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten] van 5 juni 2007 betreffende organisatorische voorschriften voor instellingen die beleggingsdiensten verstrekken. <Opschrift gewijzigd bij KB2011-03-03/01, art. 331, 002; Inwerkingtreding : 01-04-2011>(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-06-2007 en tekstbijwerking tot 09-03-2011)
Titre
5 JUIN 2007. - Règlement de [l'Autorité des services et marchés financiers] du 5 juin 2007 relatif aux règles organisationnelles applicables aux établissements fournissant des services d'investissement. <Intitulé remplacé par AR2011-03-03/01, art. 331, 002; En vigueur : 01-04-2011>(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-06-2007 et mise à jour au 09-03-2011)
Tekst (38)
Texte (38)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit reglement strekt inzonderheid tot omzetting van de richtlijn 2004/39/EG en richtlijn 2006/73/EG.
Article 1. Le présent règlement vise notamment à assurer la transposition des directives 2004/39/CE et 2006/73/CE.
Art. 2. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder :
de wet van 2 augustus 2002 : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
de wet van 22 maart 1993: de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;
de wet van 6 april 1995: de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;
de wet van 20 juli 2004: de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;
de wet van 11 januari 1993: de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;
de wet van 8 december 1992: de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
de richtlijn 2004/39/EG : de richtlijn 2004/39/EG van 21 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad;
de richtlijn 2006/73/EG: de richtlijn 2006/73/EG van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn;
de verordening : de verordening 1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft;
10° de [1 FSMA]1: de [1 Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten]1;
11° compliance: is een onafhankelijke functie binnen de organisatie, gericht op het onderzoek naar en het bevorderen van de naleving door de instelling van de regels die verband houden met:
- de integriteit van de activiteiten van de instelling en
- de beheersing van het reputatierisico van de instelling.
Deze regels vloeien voort zowel uit het beleid van de instelling bedoeld in artikel 3 als uit het wettelijk en reglementair statuut van de instelling, alsmede uit de andere wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de sector waarvan de instelling deel uitmaakt;
12° interne audit: is een onafhankelijke beoordelingsfunctie binnen de organisatie, gericht op:
- het onderzoek en de beoordeling van de goede werking, de doeltreffendheid en de efficiëntie van de interne controle;
- de bijstand van de relevante personen bedoeld in het 18° in de effectieve uitoefening van hun verantwoordelijkheden aan de hand van analyses, evaluaties, aanbevelingen, advies en informatie omtrent de onderzochte activiteiten;
13° uitbesteding: een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een instelling en een dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener een proces, een dienst of een activiteit verricht die anders door de instelling zelf zou worden verricht;
14° kritieke of belangrijke operationele taak: een taak die bij een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijke nadelige gevolgen zou hebben voor de voortdurende inachtneming door de instelling van de vergunningsvoorwaarden en -verplichtingen of andere verplichtingen waaraan zij uit hoofde van haar wettelijk kader onderworpen is, dan wel voor haar financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar beleggingsdiensten en -activiteiten.
Worden hierbij niet als kritiek of belangrijk beschouwd:
a) verlening aan de instelling van :
- advies en andere diensten die geen onderdeel vormen van het beleggingsbedrijf van de instelling, met inbegrip van de verlening van juridisch advies aan de instelling;
- diensten inzake de opleiding van personeel van de instelling;
- factureringsdiensten;
- diensten inzake de beveiliging van de gebouwen en het personeel van de instelling;
b) de verwerving of terbeschikkingstelling van gestandaardiseerde diensten, met inbegrip van markt- en koersinformatiediensten;
15° wettelijk kader :
- voor de beleggingsondernemingen: de wet van 6 april 1995 en Hoofdstuk II van de wet van 2 augustus 2002 alsmede de uitvoeringsbepalingen van beide wetten;
- voor de kredietinstellingen: de wet van 22 maart 1993 en Hoofdstuk II van de wet van 2 augustus 2002 alsmede de uitvoeringsbepalingen van beide wetten;
- voor de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging : deel III van de wet van 20 juli 2004 en Hoofdstuk II van de wet van 2 augustus 2002 alsmede de uitvoeringsbepalingen van beide wetten;
16° niet-professionele cliënt: een cliënt die niet als een professionele cliënt wordt behandeld in de zin van artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002;
17° derde land : een land dat geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte;
18° "relevante persoon", in samenhang met een in artikel 3 bedoelde instelling : een van de volgende personen :
a) een bestuurder, een vennoot of daarmee gelijk te stellen persoon, een manager of een verbonden agent van de instelling;
b) een bestuurder, een vennoot of daarmee gelijk te stellen persoon, of een manager van een verbonden agent van de instelling;
c) een werknemer van de instelling of van een verbonden agent van de instelling, alsook enigerlei andere natuurlijke persoon wiens diensten ter beschikking en onder de zeggenschap staan van de instelling of een verbonden agent en die betrokken is bij het verrichten door de instelling van beleggingsdiensten en -activiteiten;
d) een natuurlijke persoon die uit hoofde van een uitbestedingsovereenkomst met het oog op het verrichten door de instelling van beleggingsdiensten en -activiteiten rechtstreeks betrokken is bij het verrichten van diensten ten behoeve van de instelling of haar verbonden agent.
Art. 2. Pour l'application du présent règlement, il y a lieu d'entendre par :
la loi du 2 août 2002 : la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
la loi du 22 mars 1993 : la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit;
la loi du 6 avril 1995 : la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement;
la loi du 20 juillet 2004 : la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement;
la loi du 11 janvier 1993 : la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme;
la loi du 8 décembre 1992 : la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
la directive 2004/39/CE : la directive 2004/39/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 concernant les marchés d'instruments financiers, modifiant les directives 85/611/CEE et 93/6/CEE du Conseil et la directive 2000/12/CE du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 93/22/CEE du Conseil;
la directive 2006/73/CE : la directive 2006/73/CE de la Commission du 10 août 2006 portant mesures d'exécution de la directive 2004/39/CE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences organisationnelles et les conditions d'exercice applicables aux entreprises d'investissement et la définition de certains termes aux fins de ladite directive;
le règlement européen : le règlement 1287/2006 de la Commission du 10 août 2006 portant mesures d'exécution de la directive 2004/39/CE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les obligations des entreprises d'investissement en matière d'enregistrement, le compte rendu des transactions, la transparence du marché, l'admission des instruments financiers à la négociation et la définition de termes aux fins de ladite directive;
10° la [1 FSMA]1 : [1 l'Autorité des services et marchés financiers]1;
11° compliance : une fonction indépendante au sein de l'organisation, axée sur l'examen et l'amélioration du respect, par l'établissement, de règles relatives à :
- l'intégrité des activités de l'établissement et
- la gestion du risque de réputation de l'établissement.
Ces règles découlent tant de la politique de l'établissement, visé à l'article 3, que de son statut légal et réglementaire et des autres dispositions légales et réglementaires applicables au secteur dont il relève;
12° audit interne : l'audit interne est, au sein de l'organisation, une fonction d'évaluation indépendante qui a pour objet :
- d'examiner et d'évaluer le bon fonctionnement, l'efficacité et l'efficience du contrôle interne;
- d'assister les personnes concernées, visées au 18°, dans l'exercice effectif de leurs responsabilités et de fournir à cet effet des analyses, évaluations, recommandations, avis et informations sur les activités examinées;
13° externalisation : tout accord, quelle que soit sa forme, entre un établissement et un prestataire de services en vertu duquel ce prestataire prend en charge un processus, un service ou une activité qui aurait autrement été pris en charge par l'établissement lui-même;
14° tâche opérationnelle essentielle ou importante : toute tâche qui, en cas d'anomalie ou de défaillance dans son exercice, est susceptible de nuire sérieusement à la capacité de l'établissement de se conformer en permanence aux conditions et aux obligations liées à son agrément ou aux autres obligations qui lui incombent en vertu du cadre légal auquel il est soumis, ou à ses performances financières, à la solidité ou la continuité de ses services et activités d'investissement.
Les tâches suivantes ne sont pas considérées comme des tâches essentielles ou importantes :
a) la fourniture à l'établissement de :
- services de conseil et autres services ne faisant pas partie des activités d'investissement de l'établissement, y compris la fourniture de conseils juridiques à l'établissement;
- les services afférents à la formation du personnel de l'établissement;
- les services de facturation;
- les services afférents à la sécurité des locaux et du personnel de l'établissement;
b) l'acquisition ou la mise à disposition de prestations normalisées, y compris des services fournissant des informations de marché ou des flux de données sur les prix;
15° cadre légal :
- pour les entreprises d'investissement : la loi du 6 avril 1995 et le chapitre II de la loi du 2 août 2002, ainsi que les dispositions prises en exécution de ces deux lois;
- pour les établissements de crédit : la loi du 22 mars 1993 et le chapitre II de la loi du 2 août 2002, ainsi que les dispositions prises en exécution de ces deux lois;
- pour les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif : la partie III de la loi du 20 juillet 2004 et le chapitre II de la loi du 2 août 2002, ainsi que les dispositions prises en exécution de ces deux lois;
16° client de détail : tout client qui n'est pas traité comme un client professionnel au sens de l'article 2 de la loi du 2 août 2002;
17° pays tiers : tout pays non membre de l'Espace économique européen;
18° "personne concernée", dans le cas d'un établissement visé à l'article 3, l'une quelconque des personnes suivantes :
a) un administrateur, associé ou équivalent, gérant ou agent lié de l'établissement;
b) un administrateur, associé ou équivalent, ou gérant de tout agent lié de l'établissement;
c) un employé de l'établissement ou d'un agent lié de l'établissement, ainsi que toute autre personne physique dont les services sont mis à la disposition et placés sous le contrôle de l'établissement ou d'un agent lié de l'établissement et qui participe à la fourniture de services d'investissement et à l'exercice d'investissement et à l'exercice d'activités d'investissement par l'établissement;
d) une personne physique qui participe à la fourniture de services à l'établissement ou à son agent lié sur la base d'un contrat d'un contrat d'externalisation conclu aux fins de la fourniture de services d'investissement et de l'exercice d'activités d'investissement par l'établissement.
Art. 3. Dit reglement is van toepassing op :
- de Belgische beleggingsondernemingen;
- de Belgische kredietinstellingen die beleggingsdiensten verrichten;
- de in België gevestigde bijkantoren van de beleggingsondernemingen en de kredietinstellingen die beleggingsdiensten verrichten voor zover deze ressorteren onder het recht van een land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte;
- de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, met uitzondering van de artikelen 17 tot 22 wat betreft de uitbesteding van beheertaken bedoeld in artikel 3, 9°, van de wet van 20 juli 2004.
Deze vennootschappen worden voor de toepassing van dit reglement gezamenlijk aangeduid als "de instellingen".
Art. 3. Le présent règlement est applicable :
- aux entreprises d'investissement de droit belge;
- aux établissements de crédit de droit belge qui fournissent des services d'investissement;
- aux succursales établies en Belgique des entreprises d'investissement et des établissements de crédit qui fournissent des services d'investissement, pour autant que ces succursales relèvent du droit d'un Etat non membre de l'Espace économique européen;
- aux sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, à l'exception des articles 17 à 22 pour ce qui concerne l'externalisation des fonctions de gestion visées à l'article 3, 9°, de la loi du 20 juillet 2004.
Ces sociétés sont, pour l'application du présent règlement, désignées sous l'appellation commune d' "établissements".
HOOFDSTUK II. - Organisatorische vereisten.
CHAPITRE II. - Exigences organisationnelles.
Afdeling 1. - Algemene organisatorische vereisten.
Section 1re. - Exigences organisationnelles générales.
Art. 4. De instellingen dienen :
a) een organisatiestructuur vast te stellen, te implementeren en in stand te houden die op duidelijke en gedocumenteerde wijze de rapportagelijnen specificeert en de functies en verantwoordelijkheden verdeelt;
b) ervoor te zorgen dat hun relevante personen op de hoogte zijn van de procedures die moeten worden gevolgd voor een goede uitoefening van hun verantwoordelijkheden;
c) adequate interne controleprocedures vast te stellen, te implementeren en in stand te houden om te waarborgen dat beslissingen en procedures op alle niveaus van de instelling in acht worden genomen;
d) medewerkers in dienst te hebben die over de nodige vakbekwaamheid, kennis en deskundigheid beschikken om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheden uit te oefenen;
e) op alle relevante niveaus van de instelling een effectieve interne rapportage en communicatie van informatie op te zetten, te implementeren en in stand te houden;
f) passende en overzichtelijke gegevens over hun bedrijf en interne organisatie bij te houden;
g) ervoor te zorgen dat relevante personen die meerdere functies uitoefenen, daardoor niet worden of kunnen worden belet één van deze functies op degelijke, eerlijke en professionele wijze uit te oefenen.
De instellingen houden daarbij rekening met de aard, schaal en complexiteit van hun bedrijf en met de aard en het gamma van de beleggingsdiensten en -activiteiten of beheertaken die in het kader van hun bedrijf worden verricht.
Art. 4. Les établissements
a) établissent, mettent en oeuvre et gardent opérationnelle une structure organisationnelle précisant sous une forme claire et documentée les lignes de reporting et la répartition des fonctions et des responsabilités;
b) s'assurent que les personnes concernées sont bien au courant des procédures qui doivent être suivies en vue de l'exercice adéquat de leurs responsabilités;
c) établissent, mettent en oeuvre et gardent opérationnels des mécanismes de contrôle interne appropriés, conçus pour garantir le respect des décisions et des procédures à tous les niveaux de l'établissement;
d) emploient du personnel disposant des qualifications, des connaissances et de l'expertise requises pour exercer les responsabilités qui lui sont confiées;
e) établissent, mettent en oeuvre et gardent opérationnel, à tous les niveaux pertinents de l'établissement, un système efficace de reporting interne et de communication des informations;
f) enregistrent de manière adéquate et ordonnée le détail de leurs activités et de leur organisation interne;
g) s'assurent que le fait de confier des fonctions multiples à des personnes concernées ne les empêche pas ou n'est pas susceptible de les empêcher de s'acquitter de manière convenable, honnête et professionnelle de l'une de ces fonctions.
Dans ce cadre, les établissements tiennent compte de la nature, de l'échelle et de la complexité de leur activité, ainsi que de la nature et de l'éventail des services et des activités d'investissement ou des fonctions de gestion fournis ou exercées dans le cadre de cette activité.
Art. 5. De instellingen dienen afdoende systemen en procedures op te zetten, te implementeren en in stand te houden om de veiligheid, integriteit en vertrouwelijkheid van informatie te waarborgen, rekening houdend met de aard van de informatie in kwestie.
Art. 5. Les établissements établissent, mettent en oeuvre et gardent opérationnels des systèmes et des procédures permettant de sauvegarder la sécurité, l'intégrité et la confidentialité des informations de manière appropriée eu égard à la nature des informations concernées.
Art. 6. De instellingen dienen een adequaat bedrijfscontinuïteitsbeleid vast te stellen, te implementeren en in stand te houden teneinde te waarborgen dat bij een onderbreking van hun systemen en procedures kritieke gegevens en bedrijfsfuncties beschermd zijn en hun beleggingsdiensten en -activiteiten of beheertaken worden voortgezet, of - wanneer dat niet mogelijk is - dat deze gegevens en bedrijfsfuncties zo spoedig mogelijk worden hersteld en hun beleggingsdiensten en -activiteiten zo spoedig mogelijk worden hervat.
Art. 6. Les établissements établissent, mettent en oeuvre et gardent opérationnelles des politiques appropriées de continuité de l'activité afin de garantir, en cas d'interruption de leurs systèmes et procédures, la sauvegarde de leurs données et fonctions essentielles et la poursuite de leurs services et activités d'investissement ou, en cas d'impossibilité, afin de permettre la récupération la plus rapide possible de ces données et fonctions et la reprise la plus rapide possible de leurs services et activités d'investissement.
Art. 7. De instellingen dienen toezicht te houden op en op gezette tijden over te gaan tot een evaluatie van de deugdelijkheid en effectiviteit van de door hen ingevoerde systemen, interne controleprocedures en regelingen, alsook passende maatregelen te nemen om eventuele onvolkomenheden te verhelpen.
Art. 7. Les établissements contrôlent et évaluent régulièrement l'adéquation et l'efficacité des systèmes, des mécanismes de contrôle interne et autres arrangements mis en place, et prennent des mesures appropriées pour remédier aux éventuelles défaillances.
Afdeling 2. - Compliance.
Section 2. - Compliance.
Art. 8. De instellingen dienen adequate beleidslijnen en afdoende procedures op te stellen, te implementeren en in stand te houden tot onderkenning van de risico's van aantasting van de integriteit of de reputatie van de instelling of van niet-naleving van haar verplichtingen wat de volgende domeinen betreft :
hoofdstuk II, afdeling 7 en 9 van de wet van 2 augustus 2002 evenals de uitvoeringsbesluiten van deze wetgeving;
de regels inzake het beheer van belangenconflicten bij het verstrekken van beleggingsdiensten inzake financiële instrumenten met inbegrip van deze die gelden bij beleggingsadviesdiensten en bij de productie en verspreiding van onderzoek op beleggingsgebied;
de regels inzake de persoonlijke verrichtingen in financiële instrumenten bedoeld in artikel 78 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten;
de onverenigbaarheidsregels van toepassing op de bestuurders en de effectieve leiders van de instellingen;
de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;
de wetgeving op de privacy als bepaald in de wet van 8 december 1992;
het fiscaal voorkomingsbeleid;
de domeinen aangeduid door het bestuursorgaan of de effectieve leiding van de instelling.
Het integriteitsbeleid voorziet in passende maatregelen en procedures die de risico's op de niet-naleving van de bovenvermelde verplichtingen evenals de aanverwante risico's tot een minimum beperken en die de [1 FSMA]1 in staat stellen haar toezichtbevoegdheden effectief uit te oefenen.
De instellingen kunnen daarbij rekening houden met de aard, schaal en complexiteit van hun bedrijf en met de aard en het gamma van de beleggingsdiensten en -activiteiten of beheertaken die in het kader van dit bedrijf worden verricht.
Art. 8. Les établissements établissent, mettent en oeuvre et gardent opérationnelles des politiques et des procédures adéquates pour détecter les risques d'atteinte à l'intégrité ou à la réputation de l'établissement ou de défaillance de l'établissement dans le respect de ses obligations dans les domaines suivants :
le chapitre II, sections 7 et 9, de la loi du 2 août 2002, ainsi que les arrêtés d'exécution de ces dispositions;
les règles concernant la gestion des conflits d'intérêts lors de la fourniture de services d'investissement portant sur des instruments financiers, y compris celles applicables lors de la fourniture de services de conseil en investissement et lors de la production et de la diffusion de travaux de recherche en investissements;
les règles relatives aux transactions personnelles portant sur des instruments financiers, telles que visées à l'article 78 de l'arrêté royal du 3 juin 2007 portant les règles et modalités visant à transposer la directive concernant les marchés d'instruments financiers;
les règles d'incompatibilité applicables aux administrateurs et aux dirigeants effectifs des établissements;
la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme;
la législation sur la vie privée, telle que prévue par la loi du 8 décembre 1992;
la politique de prévention en matière fiscale;
les domaines désignés par l'organe d'administration ou la direction effective de l'établissement.
La politique d'intégrité prévoit les mesures et les procédures adéquates pour réduire à un minimum les risques de non-respect des obligations susmentionnées ainsi que les risques auxiliaires et pour permettre à la [1 FSMA]1 d'exercer effectivement sa compétence de contrôle.
Les établissements peuvent, dans ce cadre, tenir compte de la nature, de l'échelle et de la complexité de leur activité, ainsi que de la nature et de l'éventail des services et des activités d'investissement ou des fonctions de gestion fournis ou exercées dans le cadre de cette activité.
Art. 9. De instellingen dienen een permanente en effectieve compliancefunctie in te stellen en in stand te houden die onafhankelijk is en die volgende verantwoordelijkheden heeft :
toezicht houden op en op gezette tijden beoordelen van het passend karakter en de effectiviteit van de overeenkomstig artikel 8 ingevoerde maatregelen en procedures, alsook van de maatregelen die zijn genomen om eventuele onvolkomenheden bij het nakomen van deze verplichtingen door de instelling te verhelpen;
de relevante personen die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten of beheertaken, adviseren en bijstaan om de verplichtingen uit hoofde van de in artikel 8 geviseerde reglementering na te komen.
Art. 9. Les établissements établissent et gardent opérationnelle une fonction de compliance permanente et efficace, fonctionnant de manière indépendante et investie des missions suivantes :
contrôler et, de manière régulière, évaluer l'adéquation et l'efficacité des mesures et des procédures mises en place en application de l'article 8, ainsi que des actions entreprises pour remédier à tout manquement de l'établissement à ces obligations;
conseiller et assister les personnes concernées responsables des services et des activités d'investissement ou des fonctions de gestion, afin qu'elles se conforment aux obligations au regard des règles visées à l'article 8.
Art. 10. § 1. Om de compliancefunctie in staat te stellen haar verantwoordelijkheden naar behoren en onafhankelijk uit te oefenen dienen de instellingen ervoor te zorgen dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de compliancefunctie moet over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle dienstige informatie beschikken;
b) er moet een compliance officer worden aangesteld die verantwoordelijk is voor de compliancefunctie en voor de verslaggeving inzake compliance aan de effectieve leiding. De compliance officer staat in voorkomend geval aan het hoofd van de compliance cel;
c) de relevante personen die betrokken zijn bij de compliancefunctie mogen niet betrokken zijn bij de verrichting van diensten of activiteiten waarop zij toezien;
d) de wijze waarop de beloning wordt vastgesteld van de relevante personen die bij de compliancefunctie zijn betrokken, brengt hun objectiviteit niet daadwerkelijk of potentieel in gevaar.
§ 2. Een instelling hoeft evenwel niet aan alle van de onder c) en d) van §1 gestelde eisen te voldoen indien zij kan aantonen dat deze gezien de aard, schaal en complexiteit van haar bedrijf en de aard en het gamma van haar beleggingsdiensten en - activiteiten of beheertaken niet evenredig zijn en dat de effectiviteit van haar compliancefunctie gegarandeerd blijft.
Art. 10. § 1er. Afin de permettre à la fonction de compliance de s'acquitter de ses missions de manière appropriée et indépendante, les établissements veillent à ce que les conditions suivantes soient remplies:
a) la fonction de compliance dispose de l'autorité, des ressources et de l'expertise nécessaires et d'un accès à toutes les informations pertinentes;
b) un compliance officer est désigné; il est chargé de la fonction de compliance et des rapports y relatifs à la direction effective. Le cas échéant, le compliance officer dirige la cellule "Compliance";
c) les personnes concernées participant à la fonction de compliance ne peuvent être impliquées dans l'exécution des services et des activités qu'elles contrôlent;
d) le mode de détermination de la rémunération des personnes concernées participant à la fonction de compliance ne compromet pas et n'est pas susceptible de compromettre leur objectivité.
§ 2. Un établissement peut toutefois être dispensé de se conformer à certaines des obligations prévues aux points c) et d) du § 1er s'il est en mesure de démontrer que, compte tenu de la nature, de l'échelle et de la complexité de son activité, ainsi que de la nature et de l'éventail de ses services et activités d'investissement ou des fonctions de gestion qu'il exerce, ces obligations ne sont pas proportionnées et que sa fonction de compliance continue à être efficace.
Afdeling 3. - Risicobeheer.
Section 3. - Gestion des risques.
Art. 11. De instellingen dienen :
adequate beleidslijnen en afdoende procedures voor het risicobeheer vast te stellen, te implementeren en te handhaven die de risico's onderkennen die aan de activiteiten, processen en systemen van de instelling verbonden zijn en die zo nodig de risico-omvang bepalen die door de instellingen wordt getolereerd;
effectieve regelingen, procedures en mechanismen vast te stellen om de aan de activiteiten, processen en systemen van de instelling verbonden risico's te beheren in het licht van deze risicotolerantie;
toezicht uit te oefenen op :
a) de deugdelijkheid en effectiviteit van de door de instelling vastgestelde beleidslijnen en procedures voor het risicobeheer;
b) de mate waarin de instelling en haar relevante personen de overeenkomstig 2° vastgestelde regelingen, procedures en mechanismen in acht nemen;
c) het passend karakter en de effectiviteit van de maatregelen die genomen zijn tegen eventuele onvolkomenheden in deze beleidslijnen, procedures, regelingen, processen en mechanismen, zoals verzuim van de relevante personen om deze regelingen, processen en mechanismen in acht te nemen of deze gedragsregels en procedures te volgen.
Art. 11. Les établissements
établissent, mettent en oeuvre et gardent opérationnelles des politiques et des procédures adéquates de gestion des risques permettant de repérer les risques liés aux activités, aux processus et aux systèmes de l'établissement, et, le cas échéant, de déterminer le niveau de risque toléré par les établissements;
adoptent des arrangements, des processus et des mécanismes permettant de gérer efficacement les risques liés aux activités, aux processus et aux systèmes de l'établissement eu égard à son niveau de tolérance au risque;
contrôlent :
a) l'adéquation et l'efficacité de leurs politiques et procédures de gestion des risques;
b) la mesure dans laquelle l'établissement et les personnes concernées se conforment aux arrangements, aux processus et aux mécanismes adoptés en application du point 2°;
c) l'adéquation et l'efficacité des mesures prises pour remédier aux déficiences éventuelles au niveau de ces politiques, procédures, arrangements, processus et mécanismes, y compris toute défaillance des personnes concernées dans le respect de ces arrangements, processus ou mécanismes ou dans l'application de ces politiques et procédures.
Art. 12. Onder de risico's bedoeld in artikel 11, 1°, moeten tevens de risico's worden gerekend die verbonden zijn aan de uitbesteding van kritieke of belangrijke taken of van beleggingsdiensten of -activiteiten. Daaronder moeten ook de risico's vallen die verbonden zijn aan de relatie van de instelling met de dienstverlener, alsook de mogelijke risico's die zich voordoen wanneer de uitbestede activiteiten van meerdere instellingen of andere gereglementeerde entiteiten zijn ondergebracht bij een beperkt aantal dienstverleners.
Art. 12. Il convient d'inclure également, dans les risques visés à l'article 11, 1°, les risques associés à l'externalisation de tâches essentielles ou importantes ou de services ou d'activités d'investissement. Ces risques doivent notamment prendre en compte les risques associés à la relation entre l'établissement et le prestataire de services et les risques potentiels qui résultent de la concentration d'activités externalisées par de multiples établissements ou d'autres entités réglementées auprès d'un nombre limité de prestataires de services.
Art. 13. De instellingen dienen indien zulks passend en evenredig is gezien de aard, schaal en complexiteit van hun bedrijf en de aard en het gamma van de beleggingsdiensten en -activiteiten of beheertaken die in het kader van dit bedrijf worden verricht, een onafhankelijk werkende risicobeheerfunctie in te stellen en in stand te houden die zorgt voor :
uitvoering van de in artikel 11 bedoelde beleidslijnen en procedures, met inbegrip van de identificatie, de opvolging, de evaluatie en de controle;
verslaggeving en adviesverlening aan de effectieve leiding.
Wanneer een instelling overeenkomstig het eerste lid niet verplicht is om een onafhankelijk werkende risicobeheerfunctie in te stellen en in stand te houden, moet zij niettemin kunnen aantonen dat de beleidslijnen en procedures die zij overeenkomstig artikel 11 heeft vastgesteld, voldoen aan de in dat artikel beschreven eisen en steeds effectief zijn.
Art. 13. Lorsque cela est approprié et proportionné eu égard à la nature, à l'échelle et à la complexité de leur activité, ainsi qu'à la nature et à l'éventail des services et des activités d'investissement ou des fonctions de gestion fournis ou exercées dans le cadre de cette activité, les établissements établissent et gardent opérationnelle une fonction de gestion des risques fonctionnant de manière indépendante et chargée des tâches suivantes :
mettre en oeuvre les politiques et procédures visées à l'article 11, y compris l'identification, le suivi, l'évaluation et le contrôle;
faire rapport à la direction effective et la conseiller.
Dans les cas où un établissement n'est pas tenu, en vertu de l'alinéa 1er, d'établir et de garder opérationnelle une fonction de gestion des risques fonctionnant de manière indépendante, il doit néanmoins être en mesure de démontrer que les politiques et procédures qu'il a adoptées en application de l'article 11 satisfont aux exigences de cet article et sont d'une efficacité constante.
Afdeling 4. - Interne audit.
Section 4. - Audit interne.
Art. 14. De instellingen dienen, indien zulks passend en evenredig is gezien de aard, schaal en complexiteit van hun bedrijf en de aard en het gamma van de beleggingsdiensten en -activiteiten die in het kader van dit bedrijf worden verricht, onder de verantwoordelijkheid van de effectieve leiding een interne auditfunctie in te stellen en in stand te houden die te onderscheiden en onafhankelijk is van de andere functies en activiteiten van de instelling en die de volgende verantwoordelijkheden heeft :
vaststellen, implementeren en handhaven van een auditplan dat gesteund is op een methodische risicoanalyse en dat alle activiteiten en geledingen van de instellingen dekt, om de deugdelijkheid en effectiviteit van de systemen, interne controleprocedures en regelingen van de instelling te onderzoeken en te beoordelen;
doen van aanbevelingen op basis van de resultaten van de overeenkomstig punt 1° uitgevoerde werkzaamheden;
nagaan of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven;
verslaggeving aan de effectieve leiding.
De in het eerste lid bepaalde verplichting over de interne auditfunctie wordt vermoed passend en evenredig te zijn voor de niet in het derde lid bedoelde instellingen in de zin van artikel 3.
De in het eerste lid bepaalde verplichting over de interne auditfunctie wordt vermoed niet van toepassing te zijn voor de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die enkel beleggingsdiensten van beleggingsadvies en/of diensten van ontvangen en overmaken van orders verrichten, tenzij de [1 FSMA]1 ervan overtuigd is dat dergelijke verplichting passend en evenredig is gezien de aard, schaal en complexiteit van hun bedrijf en de aard en het gamma van de beleggingsdiensten en -activiteiten die in het kader van dit bedrijf worden verricht.
Art. 14. Lorsque cela est approprié et proportionné eu égard à la nature, à l'échelle et à la complexité de leur activité, ainsi qu'à la nature et à l'éventail des services et des activités d'investissement composant cette activité, les établissements établissent et gardent opérationnelle, sous la responsabilité de la direction effective, une fonction d'audit interne distincte et indépendante des autres fonctions et activités de l'établissement et dont les responsabilités sont les suivantes :
établir, mettre en oeuvre et maintenir un programme d'audit; ce programme s'appuie sur une analyse des risques méthodique, couvre toutes les activités et entités des établissements et vise à examiner et à évaluer l'adéquation et l'efficacité des systèmes, des mécanismes de contrôle interne et des arrangements de l'établissement;
formuler des recommandations fondées sur les résultats des travaux réalisés conformément au point 1°;
vérifier le respect de ces recommandations;
faire rapport à la direction effective.
L'obligation prévue à l'alinéa 1er en ce qui concerne la fonction d'audit interne est présumée être appropriée et proportionnée pour les établissements au sens de l'article 3 qui ne sont pas visés à l'alinéa 3.
L'obligation prévue à l'alinéa 1er en ce qui concerne la fonction d'audit interne est présumée ne pas être applicable pour les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui fournissent uniquement des services de conseil en investissement et/ou des services de réception et de transmission d'ordres, à moins que la [1 FSMA]1 ait des raisons de considérer qu'une telle obligation est appropriée et proportionnée eu égard à la nature, à l'échelle et à la complexité de leur activité, ainsi qu'à la nature et à l'éventail des services et des activités d'investissement composant cette activité.
Art. 15. Afhankelijk van de aard, schaal en complexiteit van hun bedrijf en de aard en het gamma van beleggingsdiensten en -activiteiten of beheertaken die in het kader van dit bedrijf worden verricht kan de instelling beslissen de in artikel 14 bedoelde functie uit te besteden.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de mogelijkheid tot uitbesteding in groepsverband.
Onverminderd de bepalingen van artikel 17 tot 22 van dit reglement bepaalt de overeenkomst tot uitbesteding dat :
- de effectieve leiding voorafgaand zal instemmen met de door de deskundige uitgevoerde risicoanalyse en de opgemaakte planning;
- de effectieve leiding of de aangestelde(n), de commissaris(sen) of zijn (hun) medewerkers en de [1 FSMA]1 op elk ogenblik elk document van de deskundige in verband met zijn opdracht kunnen inzien, inzonderheid zijn werkprogramma en werkstukken.
De effectieve leiding van de instelling volgt de auditactiviteit van de deskundige blijvend op en legt vast wie verantwoordelijk is binnen de organisatie voor de opvolging van zijn aanbevelingen.
De aangestelde deskundige dient in alle opzichten volledig onafhankelijk te zijn van de commissaris of van zijn kantoor en van de groep waartoe de commissaris behoort.
Art. 15. En fonction de la nature, de l'échelle et de la complexité de leur activité, ainsi que de la nature et de l'éventail des services et des activités d'investissement ou des fonctions de gestion fournis ou exercées dans le cadre de cette activité, l'établissement peut décider d'externaliser la fonction visée à l'article 14.
L'alinéa 1er ne porte pas atteinte à la possibilité d'externaliser dans un contexte de groupe.
Sans préjudice des dispositions des articles 17 à 22 du présent règlement, le contrat d'externalisation stipule que :
- la direction effective marquera préalablement son accord sur l'analyse des risques effectuée par l'expert et sur le plan établi;
- la direction effective ou son (ses) représentant(s), le (les) commissaire(s) ou ses (leurs) collaborateur(s) et la [1 FSMA]1 peuvent à tout moment prendre connaissance de tout document de l'expert relatif à sa mission, et notamment de son programme de travail et de ses documents de travail.
La direction effective suivra en permanence l'activité d'audit de l'expert et déterminera les personnes responsables du suivi de ses recommandations.
L'expert désigné doit, à tous égards, être totalement indépendant du commissaire ou de son bureau ainsi que du groupe dont relève le commissaire.
Afdeling 5. - Klachtenbehandeling.
Section 5. - Traitement des plaintes.
Art. 16. De instellingen dienen effectieve en transparante procedures op te stellen, te implementeren en in stand te houden met betrekking tot de behandeling van klachten van niet-professionele cliënten of van potentiële niet-professionele cliënten.
Deze procedures dienen een redelijke en snelle behandeling van deze klachten te verzekeren.
De instellingen dienen de gegevens over deze klachten en de maatregelen die werden genomen om deze te regelen, bij te houden.
Art. 16. Les établissements établissent, mettent en oeuvre et gardent opérationnelles des procédures efficaces et transparentes en matière de traitement des plaintes adressées par des clients de détail existants ou potentiels.
Ces procédures garantissent un traitement raisonnable et rapide de ces plaintes.
Les établissements enregistrent ces plaintes et les mesures prises en vue de leur traitement.
Afdeling 6. - Uitbesteding.
Section 6. - Externalisation.
Art. 17. Bij de uitbesteding van kritieke of belangrijke operationele taken, dan wel beleggingsdiensten of -activiteiten blijven de instellingen volledig verantwoordelijk voor het nakomen van al hun verplichtingen uit hoofde van hun wettelijk kader en dienen zij met name aan de volgende voorwaarden te voldoen :
a) de uitbesteding mag niet resulteren in het delegeren door de effectieve leiding van haar verantwoordelijkheid;
b) de relatie en verplichtingen van de instelling ten aanzien van haar cliënten uit hoofde van de bepalingen van de artikelen 27 en 28 van de wet van 2 augustus 2002 mogen niet worden gewijzigd;
c) de voorwaarden waaraan de instelling moet voldoen om een vergunning te verkrijgen, en om deze behouden, mogen niet worden ondermijnd;
d) geen van de andere voorwaarden waaronder de vergunning aan de instelling is verleend, mag worden opgeheven of gewijzigd.
Art. 17. Les établissements qui externalisent des tâches opérationnelles essentielles ou importantes, ou tout autre service ou activité d'investissement, demeurent pleinement responsables du respect de toutes les obligations qui leur incombent en vertu du cadre légal auquel ils sont soumis et se conforment en particulier aux conditions suivantes :
a) l'externalisation n'entraîne aucune délégation de la responsabilité de la direction effective;
b) ni la relation de l'établissement avec ses clients, ni ses obligations envers ceux-ci telles que définies dans les articles 27 et 28 de la loi du 2 août 2002 ne doivent être modifiées;
c) les conditions que l'établissement est tenu de remplir pour obtenir puis conserver son agrément ne doivent pas être altérées;
d) aucune des autres conditions auxquelles l'agrément de l'établissement a été subordonné ne doit être supprimée ou modifiée.
Art. 18. De instellingen dienen de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en waakzaamheid aan de dag te leggen bij het aangaan, beheren of beëindigen van een overeenkomst voor de uitbesteding van kritieke of belangrijke operationele taken, dan wel van beleggingsdiensten of -activiteiten aan een dienstverlener.
De instellingen nemen met name de nodige maatregelen om te garanderen dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de dienstverlener moet over de bekwaamheid, de capaciteit en elke bij wet vereiste vergunning beschikken om de uitbestede taken, diensten of activiteiten op betrouwbare en professionele wijze uit te voeren;
b) de dienstverlener moet de uitbestede diensten efficiënt verrichten en daartoe moet de instelling methoden vaststellen om het prestatieniveau van de dienstverlener te beoordelen;
c) de dienstverlener moet afdoende toezicht houden op de uitvoering van de uitbestede taken en de aan de uitbesteding verbonden risico's op adequate wijze beheren;
d) er moet passende actie worden ondernomen mocht blijken dat de dienstverlener de taken niet efficiënt en met inachtneming van de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften uitvoert;
e) de instelling moet de nodige deskundigheid behouden om een doeltreffend toezicht op de uitbestede taken uit te oefenen en de aan de uitbesteding verbonden risico's te beheren, en moet toezicht houden op deze functies en deze risico's beheren;
f) de dienstverlener moet de instelling in kennis stellen van elke ontwikkeling die van wezenlijke invloed kan zijn op zijn of haar vermogen om de uitbestede taken efficiënt en met inachtneming van de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften uit te voeren;
g) de instelling moet de uitbestedingsovereenkomst indien nodig kunnen beëindigen zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de continuïteit en de kwaliteit van haar dienstverlening aan cliënten;
h) de dienstverlener moet met betrekking tot de uitbestede activiteiten alle nodige medewerking aan de [1 FSMA]1 verlenen;
i) de instelling, haar commissaris, de [1 FSMA]1 of desgevallend andere relevante bevoegde autoriteiten, moeten effectief toegang hebben tot de gegevens over de uitbestede activiteiten en tot de bedrijfsruimten van de dienstverlener. De [1 FSMA]1 moet deze toegangsrechten kunnen uitoefenen;
j) de dienstverlener moet alle vertrouwelijke informatie over de instelling en haar cliënten beschermen;
k) de instelling en de dienstverlener moeten een noodplan vaststellen, implementeren en handhaven dat voorziet in de beheersing van de discontinuïteitsrisico's en in een periodieke controle van de back-upvoorzieningen wanneer dit noodzakelijk is gelet op de uitbestede functie, dienst of activiteit.
Art. 18. Les établissements agissent avec toute la compétence, le soin et la diligence requis lorsqu'ils concluent et appliquent un contrat d'externalisation confiant à un prestataire de services l'exercice de tâches opérationnelles essentielles ou importantes ou de services ou activités d'investissement, ou mettent fin à un tel contrat.
Les établissements sont en particulier tenus de prendre les mesures requises pour que les conditions suivantes soient remplies :
a) le prestataire de services dispose des capacités, de la qualité et des éventuels agréments requis par la législation pour exécuter les tâches, services ou activités externalisés de manière fiable et professionnelle;
b) le prestataire doit fournir les services externalisés de manière efficace, l'établissement définissant à cet effet des méthodes d'évaluation du niveau de performance du prestataire;
c) le prestataire de services doit surveiller de manière appropriée l'exécution des tâches externalisées et gérer de manière adéquate les risques associés à l'externalisation;
d) des mesures appropriées doivent être prises s'il apparaît que le prestataire de services risque de ne pas s'acquitter de ses tâches de manière efficace ou conforme aux dispositions légales et réglementaires en vigueur;
e) l'établissement doit conserver l'expertise nécessaire pour contrôler efficacement les tâches externalisées et gérer les risques associés à l'externalisation, et doit contrôler ces tâches et gérer ces risques;
f) le prestataire de services informe l'établissement de tout événement susceptible d'avoir un impact sensible sur sa capacité à exécuter les tâches externalisées de manière efficace et conforme aux dispositions légales et réglementaires en vigueur;
g) l'établissement doit pouvoir, si nécessaire, résilier le contrat d'externalisation sans que cela nuise à la continuité ou à la qualité des services prestés aux clients;
h) le prestataire de services doit apporter toute la collaboration voulue à la [1 FSMA]1 pour tout ce qui concerne les activités externalisées;
i) l'établissement, son commissaire, la [1 FSMA]1 ou, le cas échéant, d'autres autorités compétentes dont relève l'établissement doivent avoir un accès effectif aux données relatives aux activités externalisées et aux locaux professionnels du prestataire de services. La [1 FSMA]1 doit pouvoir exercer ces droits d'accès;
j) le prestataire de services doit assurer la protection des informations confidentielles ayant trait à l'entreprise d'investissement et à ses clients;
k) l'établissement et le prestataire de services doivent concevoir, mettre en place et garder opérationnel un plan d'urgence en vue de la gestion des risques de discontinuité. Ce plan prévoit un contrôle régulier des capacités de sauvegarde, dans tous les cas où cela apparaît nécessaire eu égard à la nature de la tâche, du service ou de l'activité externalisé.
Art. 19. Bij de uitbesteding van kritieke of belangrijke operationele taken, dan wel van beleggingsdiensten of -activiteiten aan een dienstverlener dienen de respectieve rechten en plichten van de instellingen en de dienstverlener duidelijk te worden afgebakend en vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.
Art. 19. En cas d'externalisation de tâches opérationnelles essentielles ou importantes ou de tout autre service ou activité d'investissement à un prestataire de services, les droits et obligations respectifs de l'établissement et du prestataire de services sont clairement définis et consignés dans un contrat écrit.
Art. 20. Wanneer de instelling en de dienstverlener tot dezelfde groep behoren, mag de instelling voor de naleving van deze afdeling rekening houden met de mate waarin de instelling controle heeft over de dienstverlener of invloed kan uitoefenen op diens handelingen.
Art. 20. Lorsque l'établissement et le prestataire de services appartiennent au même groupe, l'établissement peut, en vue de se conformer aux dispositions de la présente section, prendre en compte la mesure dans laquelle l'établissement contrôle le prestataire de services ou peut exercer une influence sur ses actes.
Art. 21. Op verzoek van de [1 FSMA]1 dienen de instellingen alle informatie te verstrekken die deze nodig heeft om er te kunnen op toezien dat de uitbestede activiteiten volgens de voorschriften van dit reglement worden verricht.
Art. 21. Les établissements fournissent à la [1 FSMA]1, à sa demande, toutes les informations nécessaires pour lui permettre de vérifier que les activités externalisées sont exercées conformément aux exigences du présent règlement.
Art. 22. § 1. Wanneer een instelling het beheer van vermogen van niet-professionele cliënten uitbesteedt aan een dienstverlener in een derde land, dient deze instelling er bijkomend voor te zorgen dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
de dienstverlener moet in zijn lidstaat van herkomst voor de verlening van deze dienst een vergunning hebben of in een register ingeschreven zijn en onder prudentieel toezicht staan;
er moet een passende samenwerkingsovereenkomst bestaan tussen de [1 FSMA]1 en de toezichthoudende autoriteit van de dienstverlener.
§ 2. Wanneer niet aan een van beide of beide in § 1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, mag een instelling alleen dan aan een dienstverlener in een derde land vermogensbeheerdiensten uitbesteden als de betrokken instelling de [1 FSMA]1 vooraf kennis geeft van de uitbestedingsovereenkomst en -regeling alsook van alle andere nuttige informatie en de [1 FSMA]1 binnen één maand na ontvangst van deze kennisgeving geen bezwaar aantekent tegen deze overeenkomst en regeling.
§ 3. Overeenkomstig artikelen 20bis van de wet van 22 maart 1993 en 62bis van de wet van 6 april 1995 wordt op de website van de [1 FSMA]1 een beleidsverklaring inzake uitbestedingen van diensten van vermogensbeheer die onder § 2 vallen bekend gemaakt.
In deze verklaring zijn voorbeelden opgenomen van gevallen waarin door de [1 FSMA]1 overeenkomstig § 2 geen of waarschijnlijk geen bezwaar zal worden aangetekend tegen een uitbesteding hoewel niet aan één van beide of beide in § 1, 1° en 2°, genoemde voorwaarden wordt voldaan. De verklaring preciseert waarom de [1 FSMA]1 van oordeel is dat uitbesteding in dergelijke gevallen geen afbreuk zal doen aan het vermogen van de instellingen om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van artikelen 17 tot 21.
§ 4. De [1 FSMA]1 publiceert een lijst van toezichthoudende autoriteiten in derde landen met wie zij een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in § 1, 2°, heeft gesloten.
Art. 22. § 1er. Les établissements qui externalisent la gestion de portefeuille de clients de détail en la confiant à un prestataire de services situé dans un pays tiers doivent en outre veiller à ce que les conditions suivantes soient remplies :
le prestataire de services doit être agréé ou enregistré dans son pays d'origine aux fins de la prestation de ce service et il doit être soumis à un contrôle prudentiel;
il doit exister un accord de coopération approprié entre la [1 FSMA]1 et l'autorité de contrôle du prestataire de services.
§ 2. Si l'une ou les deux conditions mentionnées au § 1er ne sont pas remplies, un établissement ne peut externaliser des services de gestion de portefeuille en les confiant à un prestataire de services situé dans un pays tiers qu'après avoir notifié au préalable à la [1 FSMA]1 le contrat et le régime d'externalisation, ainsi que toutes les autres informations utiles, et à la condition que la [1 FSMA]1 n'ait pas formulé d'objections à ce contrat et à ce régime dans un délai d'un mois suivant la réception de la notification.
§ 3. Conformément aux articles 20bis de la loi du 22 mars 1993 et 62bis de la loi du 6 avril 1995, la [1 FSMA]1 publie sur son site internet une communication sur sa politique concernant les questions d'externalisation de services de gestion de portefeuille couvertes par le § 2.
Cette communication contient des exemples de cas dans lesquels, conformément au § 2, la [1 FSMA]1 ne formulera pas, ou ne formulera probablement pas, d'objection à une externalisation, bien qu'une ou les deux conditions visées au § 1er, 1° et 2°, ne soient pas remplies. Cette communication précisera les raisons pour lesquelles la [1 FSMA]1 estime que dans de tels cas, l'externalisation n'est pas de nature à compromettre la capacité des établissements à remplir leurs obligations au titre des articles 17 à 21.
§ 4. La [1 FSMA]1 publie une liste des autorités de contrôle de pays tiers avec lesquelles elle a conclu des accords de coopération prévus par le § 1er, 2°.
Afdeling 7. - Bijhouden van gegevens.
Section 7. - Conservation de données.
Art. 23. De instellingen dienen alle gegevens opgenomen in bijlage van dit reglement gedurende een periode van ten minste vijf jaar te bewaren.
De gegevens over de rechten en plichten van de instelling en de cliënt in het kader van een dienstverleningscontract of over de voorwaarden waaronder de onderneming voor de cliënt diensten verricht, dienen voor ten minste de duur van de relatie met de cliënt bewaard te worden.
De [1 FSMA]1 kan evenwel in uitzonderingsgevallen de instellingen verplichten sommige of alle gegevens zoveel langer te bewaren als in het licht van het instrument of de transactie gerechtvaardigd is, indien zulks noodzakelijk is om haar in staat te stellen haar toezichthoudende taken uit te oefenen.
Na de herroeping van de vergunning van een instelling mag de [1 FSMA]1 de instelling verplichten de gegevens gedurende het resterende gedeelte van de in de eerste lid voorgeschreven termijn van vijf jaar te bewaren.
Art. 23. Les établissements conservent toutes les données requises en vertu de l'annexe du présent règlement pendant une période d'au moins cinq ans.
Les données qui fixent les droits et obligations respectifs de l'établissement et d'un client dans le cadre d'un contrat de prestation de services ou qui fixent les conditions que l'entreprise applique pour la fourniture de services au client, sont conservées au moins pendant toute la durée de la relation avec le client.
Toutefois, la [1 FSMA]1 peut, dans des circonstances exceptionnelles, exiger des établissements qu'ils conservent tout ou partie de ces données sur une période plus longue, dans la limite justifiée par la nature de l'instrument ou de la transaction, si cela lui est indispensable pour exercer ses fonctions de surveillance.
En cas de révocation de l'agrément d'un établissement, la [1 FSMA]1 peut exiger que l'établissement conserve les données détenues jusqu'à l'échéance de la période de cinq ans requise à l'alinéa 1er.
Art. 24. De gegevens worden bewaard op een drager waarop informatie zo kan worden opgeslagen zodat de [1 FSMA]1 deze later kan raadplegen, en in zodanige vorm en op zodanige wijze dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
de [1 FSMA]1 moet vlot toegang kunnen krijgen tot de gegevens. Ze moet elk belangrijk stadium van de verwerking van elke transactie kunnen reconstrueren;
alle correcties of andere wijzigingen, alsmede de inhoud van de gegevens voordat dergelijke correcties of andere wijzigingen zijn aangebracht, moeten gemakkelijk kunnen worden achterhaald;
de gegevens mogen niet anderszins gemanipuleerd of gewijzigd kunnen worden.
Art. 24. Les données sont conservées sur un support qui permet de stocker les informations de manière à ce qu'elles puissent être consultées ultérieurement par la [1 FSMA]1 et sous une forme et d'une manière qui satisfont aux conditions suivantes :
la [1 FSMA]1 doit pouvoir accéder facilement aux données. Elle doit pouvoir reconstituer chaque étape clé du traitement de toutes les transactions;
il doit être possible de vérifier aisément toute correction ou autre modification, ou l'état des données antérieur à ces corrections ou modifications;
il ne doit pas être possible de manipuler ou d'altérer les données de quelque autre façon que ce soit.
Art. 25. De artikelen 23 en 24 van dit reglement zijn eveneens van toepassing op :
de in België gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die onder het recht van een lidstaat van de EER ressorteren, voor hun transacties op het Belgisch grondgebied;
de in België gevestigde bijkantoren van beheersvennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, voor hun beleggingsdiensten.
Art. 25. Les articles 23 et 24 du présent règlement sont également applicables aux :
succursales établies en Belgique d'établissements de crédit et d'entreprises d'investissement relevant du droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, pour ce qui est de leurs transactions effectuées sur le territoire belge;
les succursales établies en Belgique de sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, pour ce qui est des services d'investissement qu'elles fournissent.
HOOFDSTUK III. - Slotbepaling.
CHAPITRE III. - Disposition finale.
Art. 26. Dit reglement treedt in werking op 1 november 2007.
Brussel, 5 juni 2007.
De Voorzitter,
J.-P. SERVAIS
Art. 26. Le présent règlement entre en vigueur le 1er novembre 2007.
Bruxelles, le 5 juin 2007.
Le Président,
J.-P. SERVAIS
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Lijst van de door de instellingen te bewaren gegevens
1. De identiteit van iedere cliënt evenals de noodzakelijke informatie voor de cliëntenclassificatie (professionele cliënt, niet-professionele cliënt of in aanmerking komende tegenpartij).
2. Dossier met de cliëntenovereenkomsten, de documenten waarnaar in deze overeenkomsten wordt verwezen, alsook de geldende algemene voorwaarden.
3. In het kader van artikel 27, §§ 4 en 5, van de wet van 2 augustus 2002, de volgende informatie met betrekking tot de cliënt of de potentiële cliënt: zijn kennis en ervaring, en voor vermogensbeheer en beleggingsadvies bijkomend zijn financiële draagkracht en zijn doelstellingen.
4. De gegevens over alle transacties in financiële instrumenten, ongeacht of deze transacties voor eigen rekening dan wel voor rekening van een cliënt zijn verricht. In het geval van transacties voor rekening van cliënten omvatten de bijgehouden gegevens alle informatie en bijzonderheden over de identiteit van de cliënt en alle informatie die moet worden verstrekt op grond van de wet van 11 januari 1993.
5. Voor de aanvaarde orders van de cliënten : de identiteit van de cliënt waarbij onderscheid kan worden gemaakt worden tussen de orders in vermogensbeheer en de orders buiten vermogensbeheer.
6. De basis waarop de orders van de cliënten worden toegewezen en verwerkt zodanig dat reconciliatie van de verrichtingen steeds mogelijk is.
7. Voor de uitgevoerde orders: de identiteit van de cliënt, de datum en het tijdstip van toewijzing van de transactie, het betrokken financiële instrument, en het bedrag.
8. De basis en de reden wanneer een transactie opnieuw moet worden toegewezen.
9. Overeenkomstig de verordening : de gegevens bedoeld in artikelen 7 en 8 van de verordening.
10. De periodieke rapportering aan de cliënten.
11. De door en krachtens de artikelen 77 tot 77ter van de wet voorgeschreven gegevens en rekeningen over de cliëntengelden en cliënteneffecten.
12. Bijzonderheden over de cliënt op wiens instructies financiële instrumenten zijn gebruikt, alsook het aantal gebruikte financiële instrumenten dat toebehoort aan elke cliënt die zijn of haar toestemming heeft verleend, teneinde eventuele verliezen op correcte wijze te kunnen toewijzen.
13. De publicitaire communicaties (behalve mondelinge) die aan niet-professionele cliënten of potentiële cliënten werden meegedeeld.
14. Het onderzoek op beleggingsgebied dat door de instelling werd gemaakt en op duurzame drager beschikbaar is.
15. De gegevens m.b.t. het bedrijf en de interne organisatie (organigrammen).
16. De essentiële compliance beleidslijnen en procedures.
17. De lijst met gedetecteerde of potentiële belangenconflicten die de instelling dient bij te houden conform artikel 84 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten.
18. De complianceverslagen.
19. De verslagen inzake risicobeheer.
20. De verslagen van de interne audit.
21. De geregistreerde klachten van niet-professionele cliënten.
22. De maatregelen genomen ter behandeling van de klachten van niet-professionele cliënten.
23. Overeenkomstig de verordening en gedurende de termijn bepaald in de verordening: bij systematische internalisatie: de gegevens met betrekking tot de afgegeven prijzen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, b) van de verordening.
24. De gegevens van de persoonlijke transacties van de relevante personen.
25. Het beleid inzake belangenconflicten.
26. Het orderuitvoeringsbeleid.
27. De waarschuwingen bedoeld in artikel 27, §§ 5 en 6, van de wet van 2 augustus 2002.
28. De aan de cliënt meegedeelde voordelen in de zin van artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten.
29. Het feit dat een niet-professionele cliënt beleggingsadvies heeft ontvangen samen met het financiële instrument dat werd geadviseerd.
30. De gegevens betreffende de gevallen waarin conform de richtlijnen 2004/39/EG en 2006/73/EG de onderneming het uitdrukkelijk akkoord van de cliënt moet bekomen.
Gezien om te worden gevoegd bij het reglement van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen van 5 juni 2007 betreffende organisatorische voorschriften voor instellingen die beleggingsdiensten verstrekken.
De Voorzitter,
J.-P. SERVAIS.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 19 juni 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
D. REYNDERS.
Art. N. Liste des données à conserver par les établissements
1. L'identité de chaque client ainsi que les informations nécessaires à son classement (client professionnel ou de détail ou contrepartie éligible).
2. Un dossier comprenant les contrats conclus avec les clients, les documents auxquels ces contrats font référence ainsi que les conditions générales applicables.
3. Dans le cadre de l'article 27, §§ 4 et 5, de la loi du 2 août 2002, les informations suivantes concernant le client ou le client potentiel : sa connaissance et son expérience et, pour la gestion de portefeuille et le conseil en investissement, sa capacité financière et ses objectifs d'investissement.
4. Les données relatives à toutes les transactions sur instruments financiers, que ces transactions soient conclues pour compte propre ou pour le compte d'un client. Dans le cas des transactions conclues pour le compte de clients, ces enregistrements contiennent tous les renseignements et spécificités relatifs à l'identité de ce client ainsi que les informations requises en vertu de la loi du 11 janvier 1993.
5. Concernant les ordres de clients acceptés par l'établissement : l'identité du client; dans ce cadre, il est loisible à l'établissement de distinguer les ordres acceptés en gestion de portefeuille et les ordres non liés à la gestion de portefeuille.
6. Les principes régissant l'allocation et le traitement des ordres des clients. Ces principes doivent permettre de réconcilier les opérations à tout moment.
7. Pour les ordres exécutés : l'identité du client, la date et l'heure de l'allocation de la transaction, l'instrument financier concerné et le montant.
8. Lorsqu'une transaction doit être réallouée, les principes et les raisons qui motivent cette réallocation.
9. Conformément au règlement européen : les données visées aux articles 7 et 8 du règlement européen.
10. Les rapports périodiques aux clients.
11. Les données et comptes relatifs aux fonds de clients et aux titres de clients, prévus par et en vertu des articles 77 à 77ter de la loi du 6 avril 1995.
12. Des données relatives aux clients dont les instructions sont à l'origine de l'utilisation d'instruments financiers, ainsi que le nombre d'instruments financiers utilisés appartenant à chaque client ayant donné son consentement, de façon à permettre une répartition correcte des pertes éventuelles.
13. Les communications publicitaires (sauf les communications orales) adressées à des clients de détail ou à des clients potentiels.
14. Les travaux de recherche en investissements produits par l'établissement qui sont disponibles sur un support durable.
15. Les données concernant les activités et l'organisation interne (organigrammes) de l'établissement.
16. Les politiques et procédures principales en matière de compliance.
17. La liste des conflits d'intérêts détectés ou potentiels, que l'établissement tient conformément à l'article 84 de l'arrêté royal du 3 juin 2007 portant les règles et modalités visant à transposer la directive concernant les marchés d'instruments financiers.
18. Les rapports de compliance.
19. Les rapports afférents à la gestion des risques.
20. Les rapports d'audit interne.
21. Les plaintes enregistrées émanant de clients de détail.
22. Les mesures prises en vue du traitement des plaintes émanant de clients de détail.
23. Conformément au règlement européen et pendant la période prévue par ce règlement : en cas d'internalisation systématique, l'historique des prix affichés visé à l'article 24, paragraphe 1er, b), du règlement européen.
24. Les données relatives aux transactions personnelles effectuées par les personnes concernées.
25. La politique en matière de conflit d'intérêts.
26. La politique d'exécution des ordres.
27. Les avertissements visés à l'article 27, §§ 5 et 6, de la loi du 2 août 2002.
28. Les avantages, au sens de l'article 7 de l'arrêté royal du 3 juin 2007 portant les règles et modalités visant à transposer la directive concernant les marches d'instruments financiers, dont l'établissement a informé le client.
29. Le fait qu'un client de détail a bénéficié de conseils en investissement, ainsi que l'instrument financier conseillé.
30. Les données relatives aux cas où, conformément aux directives 2004/39/CE et 2006/73/CE, l'établissement doit obtenir l'accord exprès du client.
Vu pour être annexé au règlement de la Commission bancaire, financière et des assurances du 5 juin 2007 relatif aux règles organisationnelles applicables aux établissements fournissant des services d'investissement.
Le Président,
J.-P. SERVAIS.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 19 juin 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances,
D. REYNDERS.