Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 DECEMBER 2007. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2008(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2007 en tekstbijwerking tot 26-06-2008)
Titre
21 DECEMBRE 2007. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2008 (TRADUCTION)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2007 et mise à jour au 26-06-2008)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
Afdeling I. - Recuperatiefonds Studietoelagen.
Afdeling II. - Hogescholen.
Afdeling III. - Universiteiten.
Afdeling IV. - Nascholing.
Afdeling V. - Hogere Zeevaartschool.
Afdeling VI. - Bijkomende academiseringsmiddelen.
Afdeling VII. - Leerlingenvervoer.
Afdeling VIII. - UZ Gent.
Afdeling IX.
HOOFDSTUK III. - Fiscaliteit.
Afdeling I. - Onroerende voorheffing.
Afdeling II. - Verkeersbelasting.
Afdeling III. - Wetboek der Registratie-, Hypot...
Afdeling IV. - Wetboek der Successierechten.
HOOFDSTUK IV. - Leefmilieu.
Afdeling I. - Afvalstoffen.
Afdeling II. - Oppervlaktewateren.
Afdeling III. - Water bestemd voor menselijke a...
Afdeling IV. - Watervang.
Afdeling V. - Bodem.
Afdeling VI. - Inkomsten OC-ANB en MINA-fonds.
HOOFDSTUK V. - Vlaams Stedenfonds.
HOOFDSTUK VI. - Vlaams Gemeentefonds.
HOOFDSTUK VII. - Ruimtelijk Structuurplan.
HOOFDSTUK VIII. - Afgeschreven goederen.
HOOFDSTUK IX. - Cultuurinvest.
HOOFDSTUK X. - Sociaal-cultureel vormingswerk.
HOOFDSTUK XI. - Vlaams Toekomstfonds.
HOOFDSTUK XII. - Vlaams Agentschap voor Persone...
HOOFDSTUK XIII. - Bekrachtiging van de akte hou...
HOOFDSTUK XIV. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Généralités.
CHAPITRE II. - Enseignement.
Section Ire. - Fonds de récupération Allocation...
Section II. - Instituts supérieurs.
Section III. - Universités.
Section IV. - Formation continuée.
Section V. - Hogere Zeevaartschool (Ecole supér...
Section VI. - Moyens d'académisation supplément...
Section VII. - Transport des élèves.
Section VIII. - UZ Gent.
Section IX.
CHAPITRE III. - Fiscalité.
Section Ire. - Précompte immobilier.
Section II. - Taxe de circulation.
Section III. - Code des droits d'enregistrement...
Section IV. - Code des droits de succession.
CHAPITRE IV. - Environnement.
Section Ire. - Déchets.
Section II. - Eaux de surface.
Section III. - Eaux destinées à la consommation...
Section IV. - Prise d'eau.
Section V. - Sol.
Section VI. - Revenus de l'OC-ANB et du fonds M...
CHAPITRE V. - Vlaams Stedenfonds (Fonds flamand...
CHAPITRE VI. - Vlaams Gemeentefonds (Fonds flam...
CHAPITRE VII. - Schéma de Structure d'aménagement.
CHAPITRE VIII. - Biens désaffectés.
CHAPITRE IX. - Cultuur Invest.
CHAPITRE X. - Animation socioculturelle.
CHAPITRE XI. - "Vlaams Toekomstfonds" (Fonds fl...
CHAPITRE XII. - Vlaams Agentschap voor Personen...
CHAPITRE XIII. - Ratification de l'acte d'échan...
CHAPITRE XIV. - Dispositions finales.
Tekst (96)
Texte (96)
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
CHAPITRE II. - Enseignement.
Afdeling I. - Recuperatiefonds Studietoelagen.
Section Ire. - Fonds de récupération Allocations d'études.
Art. 2. In artikel 21 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006 worden §§ 3 en 4 vervangen door wat volgt :
" § 3. Het fonds wordt gespijsd door alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen ter uitvoering van artikelen 10, 11 en 22 van het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikelen 47 en 48 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, en alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikel 62 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.
Het fonds wordt eveneens gespijsd door de niet-geïnde studiefinanciering, schooltoelagen of studietoelagen.
§ 4. Het fonds wordt aangewend voor de betaling van school- en studietoelagen aan leerlingen en studenten overeenkomstig het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap. "
" § 3. Het fonds wordt gespijsd door alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen ter uitvoering van artikelen 10, 11 en 22 van het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikelen 47 en 48 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, en alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikel 62 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.
Het fonds wordt eveneens gespijsd door de niet-geïnde studiefinanciering, schooltoelagen of studietoelagen.
§ 4. Het fonds wordt aangewend voor de betaling van school- en studietoelagen aan leerlingen en studenten overeenkomstig het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap. "
Art. 2. Dans l'article 21 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, les §§ 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" § 3. Le fonds est alimenté par toutes les recettes résultant de recouvrements en exécution des articles 10, 11 et 22 du décret du 16 février 2001 réglant les allocations d'études supérieures en Communauté flamande, par toutes les recettes résultant de recouvrements tels que visés aux articles 47 et 48 du décret du 30 avril 2004 relatif à l'aide financière aux études et aux services aux étudiants dans l'enseignement supérieur de la Communauté flamande, ainsi que par toutes les recettes résultant des recouvrements tels que visés à l'article 62 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande.
Le fonds est également alimenté par les montants d'aide aux études, allocations scolaires ou allocations d'études non perçus.
§ 4. Le fonds est utilisé pour le paiement d'allocations scolaires et d'allocations d'études aux élèves et étudiants, conformément aux dispositions du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande. ".
" § 3. Le fonds est alimenté par toutes les recettes résultant de recouvrements en exécution des articles 10, 11 et 22 du décret du 16 février 2001 réglant les allocations d'études supérieures en Communauté flamande, par toutes les recettes résultant de recouvrements tels que visés aux articles 47 et 48 du décret du 30 avril 2004 relatif à l'aide financière aux études et aux services aux étudiants dans l'enseignement supérieur de la Communauté flamande, ainsi que par toutes les recettes résultant des recouvrements tels que visés à l'article 62 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande.
Le fonds est également alimenté par les montants d'aide aux études, allocations scolaires ou allocations d'études non perçus.
§ 4. Le fonds est utilisé pour le paiement d'allocations scolaires et d'allocations d'études aux élèves et étudiants, conformément aux dispositions du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande. ".
Afdeling II. - Hogescholen.
Section II. - Instituts supérieurs.
Art. 3. Aan artikel 190bis, § 3, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, ingevoegd bij decreet van 4 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, 3°, worden de woorden "vanaf het begrotingsjaar 2006" vervangen door de woorden "voor de begrotingsjaren 2006 en 2007";
2° aan het tweede lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° vanaf het begrotingsjaar 2008 bepaalt de Vlaamse Regering jaarlijks, binnen de beschikbare begrotingskredieten, het bedrag van de subsidie-enveloppes, met dien verstande dat dit bedrag niet lager kan zijn dan 6.000.000 euro. ";
3° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De bedragen, vermeld in het eerste lid en het tweede lid, 4°, worden jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel 184, § 1. "
1° in het tweede lid, 3°, worden de woorden "vanaf het begrotingsjaar 2006" vervangen door de woorden "voor de begrotingsjaren 2006 en 2007";
2° aan het tweede lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° vanaf het begrotingsjaar 2008 bepaalt de Vlaamse Regering jaarlijks, binnen de beschikbare begrotingskredieten, het bedrag van de subsidie-enveloppes, met dien verstande dat dit bedrag niet lager kan zijn dan 6.000.000 euro. ";
3° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De bedragen, vermeld in het eerste lid en het tweede lid, 4°, worden jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel 184, § 1. "
Art. 3. A l'article 190bis, § 3, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, inséré par le décret du 4 avril 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa deux, 3°, les mots "à compter de l'année budgétaire 2006" sont remplacés par les mots "pour les années budgétaires 2006 et 2007";
2° à l'alinéa deux, il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° à compter de l'année budgétaire 2008, le Gouvernement flamand fixe annuellement, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le montant des enveloppes subventionnelles, étant entendu que ce montant ne peut être inférieur à 6.000.000 euros. " ;
3° il est ajouté un alinéa quatre, rédigé comme suit :
" Les montants mentionnés au premier alinéa et à l'alinéa deux, 4°, sont adaptés annuellement suivant les dispositions de l'article 184, § 1er. ".
1° dans l'alinéa deux, 3°, les mots "à compter de l'année budgétaire 2006" sont remplacés par les mots "pour les années budgétaires 2006 et 2007";
2° à l'alinéa deux, il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° à compter de l'année budgétaire 2008, le Gouvernement flamand fixe annuellement, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le montant des enveloppes subventionnelles, étant entendu que ce montant ne peut être inférieur à 6.000.000 euros. " ;
3° il est ajouté un alinéa quatre, rédigé comme suit :
" Les montants mentionnés au premier alinéa et à l'alinéa deux, 4°, sont adaptés annuellement suivant les dispositions de l'article 184, § 1er. ".
Art. 4. In artikel 209 van hetzelfde decreet wordt § 3 vervangen door wat volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 van dit artikel bedraagt het basisbedrag van de sociale toelage vanaf begrotingsjaar 2008 249,09 euro per financierbare student, waarbij telkens rekening gehouden wordt met het aantal financierbare studenten dat de hogeschool op 1 februari 2005 telde.
Vanaf begrotingsjaar 2009 wordt het basisbedrag per financierbare student geïndexeerd aan de hand van de volgende indexformule :
I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (C1/C0) I : de indexformule;
L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van begrotingsjaar 2008;
C1/C0 : de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van begrotingsjaar 2008. "
" § 3. In afwijking van § 1 van dit artikel bedraagt het basisbedrag van de sociale toelage vanaf begrotingsjaar 2008 249,09 euro per financierbare student, waarbij telkens rekening gehouden wordt met het aantal financierbare studenten dat de hogeschool op 1 februari 2005 telde.
Vanaf begrotingsjaar 2009 wordt het basisbedrag per financierbare student geïndexeerd aan de hand van de volgende indexformule :
I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (C1/C0) I : de indexformule;
L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van begrotingsjaar 2008;
C1/C0 : de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van begrotingsjaar 2008. "
Art. 4. A l'article 209 du même décret, le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er du présent article, le montant de base de la subvention sociale s'élève, à partir de l'année budgétaire 2008, à 249.09 euros par étudiant admis au financement, tout en tenant compte du nombre d'étudiants admis au financement que l'institut supérieur comptait le 1er février 2005.
A partir de l'année budgétaire 2009, le montant de base par étudiant admis au financement est indexé au moyen de la formule d'indexation suivante :
I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (C1/C0)
I : la formule d'indexation;
L1/L0 : le rapport entre l'indice estimé du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire 2008;
C1/C0 : le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2008. "
" § 3. Par dérogation au § 1er du présent article, le montant de base de la subvention sociale s'élève, à partir de l'année budgétaire 2008, à 249.09 euros par étudiant admis au financement, tout en tenant compte du nombre d'étudiants admis au financement que l'institut supérieur comptait le 1er février 2005.
A partir de l'année budgétaire 2009, le montant de base par étudiant admis au financement est indexé au moyen de la formule d'indexation suivante :
I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (C1/C0)
I : la formule d'indexation;
L1/L0 : le rapport entre l'indice estimé du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire 2008;
C1/C0 : le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2008. "
Afdeling III. - Universiteiten.
Section III. - Universités.
Art. 5. In artikel 140, § 1, 2°, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij decreet van 30 juni 2006, worden de woorden "voor de jaren 2002, 2003, 2006 en 2007" vervangen door de woorden "voor de jaren 2002, 2003, 2006, 2007 en 2008".
Art. 5. A l'article 140, § 1er, point 2°, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, modifié par le décret du 30 juin 2006, les mots "pour les années 2002, 2003, 2006 et 2007" sont remplacés par les mots "pour les années 2002, 2003, 2006, 2007 et 2008".
Afdeling IV. - Nascholing.
Section IV. - Formation continuée.
Art. 6. In artikel 44 van het decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. De Vlaamse Regering stelt volgens de hiernavolgende tabel vanaf 2006 elk jaar middelen in duizend euro ter beschikking voor de nascholing :
" § 1. De Vlaamse Regering stelt volgens de hiernavolgende tabel vanaf 2006 elk jaar middelen in duizend euro ter beschikking voor de nascholing :
Art. 6. A l'article 44 du décret du 16 avril 1996 relatif au tutorat et à la formation continuée en Flandre, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. A partir de 2006, le Gouvernement flamand met annuellement les moyens suivants, en milliers d'euros, à la disposition de la formation continuée :
" § 1er. A partir de 2006, le Gouvernement flamand met annuellement les moyens suivants, en milliers d'euros, à la disposition de la formation continuée :
| 2006 | 2007 | 2008 | |
| - | - | - | |
| Scholen basisonderwijs | 4384 | 4384 | 4384 |
| Aanvulling directeurs scholen basisonderwijs | 190 | ||
| Scholen secundair onderwijs | 6190 | 6190 | 6190 |
| Aanvulling directeurs scholen secundair onderwijs | 79 | ||
| Centra voor volwassenenonderwijs | 489 | ||
| Aanvulling directeurs centra voor volwassenenonderwijs | 13 | ||
| Scholen voor deeltijds kunstonderwijs | 295 | ||
| Aanvulling directeurs scholen voor deeltijds kunstonderwijs | 12 | ||
| Centra voor leerlingenbegeleiding | 211 | ||
| Aanvulling directeurs centra voor leerlingenbegeleiding | 6 | ||
| Gemeenschapsonderwijs en representatieve verenigingen van inrichtende machten | 1547 | 2057 | 2057 |
| Overheid | 1500 | 1500 | |
| Directeurs | 490 |
| 2006 | 2007 | 2008 | |
| - | - | - | |
| Ecoles de l`enseignement fondamental | 4384 | 4384 | 4384 |
| Complément directeurs des écoles de l`enseignement fondamental | 190 | ||
| Ecoles de l`enseignement secondaire | 6190 | 6190 | 6190 |
| Complément directeurs des écoles de l`enseignement secondaire | 79 | ||
| Centres d`éducation des adultes | 489 | ||
| Complément directeurs des centres éducation des adultes | 13 | ||
| Ecoles de l`enseignement artistique à temps partiel | 295 | ||
| Complément directeurs des écoles de l`enseignement artistique a temps partiel | 12 | ||
| Centres d`encadrement des élèves | 211 | ||
| Complément directeurs des centres d`encadrement des élèves | 6 | ||
| Enseignement communautaire et associations représentatives des pouvoirs organisateurs | 1547 | 2057 | 2057 |
| Autorité | 1500 | 1500 | |
| Directeurs | 490 |
Afdeling V. - Hogere Zeevaartschool.
Section V. - Hogere Zeevaartschool (Ecole supérieure de Navigation).
Art. 7. Aan artikel 30 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt het bedrag van de dotatie vastgesteld op 1.199.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de verhouding tussen de geraamde gezondheidsindex van de maand december van het betrokken begrotingsjaar en de gezondheidsindex van de maand december van het begrotingsjaar 2007. "
" Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt het bedrag van de dotatie vastgesteld op 1.199.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de verhouding tussen de geraamde gezondheidsindex van de maand december van het betrokken begrotingsjaar en de gezondheidsindex van de maand december van het begrotingsjaar 2007. "
Art. 7. A l'article 30 du décret du 9 juin 1998 relatif à la 'Hogere Zeevaartschool', il est ajouté un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" A partir de l'année budgétaire 2008, le montant de la dotation est fixé à 1.199.000 euros. Ce montant est annuellement adapté au rapport entre l'indice de santé estimé du mois de décembre de l'année budgétaire concernée et l'indice de santé du mois de décembre de l'année budgétaire 2007. "
" A partir de l'année budgétaire 2008, le montant de la dotation est fixé à 1.199.000 euros. Ce montant est annuellement adapté au rapport entre l'indice de santé estimé du mois de décembre de l'année budgétaire concernée et l'indice de santé du mois de décembre de l'année budgétaire 2007. "
Afdeling VI. - Bijkomende academiseringsmiddelen.
Section VI. - Moyens d'académisation supplémentaires.
Art. 8. Aan artikel VI.9ter van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, ingevoegd bij decreet van 22 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "de begrotingsjaren 2006 en 2007" vervangen door de woorden "de begrotingsjaren 2006, 2007 en 2008";
2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "het begrotingsjaar 2007" vervangen door de woorden "de begrotingsjaren 2007 en 2008";
3° in § 2 worden de woorden "in 2006 en in 2007" vervangen door de woorden "in 2006, in 2007 en in 2008".
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "de begrotingsjaren 2006 en 2007" vervangen door de woorden "de begrotingsjaren 2006, 2007 en 2008";
2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "het begrotingsjaar 2007" vervangen door de woorden "de begrotingsjaren 2007 en 2008";
3° in § 2 worden de woorden "in 2006 en in 2007" vervangen door de woorden "in 2006, in 2007 en in 2008".
Art. 8. A l'article VI.9ter du décret du 19 mars 2004 relatif au statut de l'étudiant, à la participation dans l'enseignement supérieur, l'intégration de certaines sections de l'enseignement supérieur de promotion sociale dans les instituts supérieurs et l'accompagnement de la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre, inséré par le décret du 22 décembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, alinéa premier, les mots "les années budgétaires 2006 et 2007" sont remplacés par les mots "les années budgétaires 2006, 2007 et 2008";
2° dans le § 1er, alinéa deux, les mots "l'année budgétaire 2007" sont remplacés par les mots "les années budgétaires 2007 et 2008";
3° dans le § 2, les mots "en 2006 et 2007" sont remplacés par les mots "en 2006, 2007 et 2008".
1° dans le § 1er, alinéa premier, les mots "les années budgétaires 2006 et 2007" sont remplacés par les mots "les années budgétaires 2006, 2007 et 2008";
2° dans le § 1er, alinéa deux, les mots "l'année budgétaire 2007" sont remplacés par les mots "les années budgétaires 2007 et 2008";
3° dans le § 2, les mots "en 2006 et 2007" sont remplacés par les mots "en 2006, 2007 et 2008".
Art. 9. In artikel VI. 10, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 22 december 2006, worden de woorden "31 december 2007" vervangen door de woorden "31 december 2008".
Art. 9. A l'article VI.10, alinéa trois, du même décret, inséré par le décret du 22 décembre 2006, les mots "31 décembre 2007" sont remplacés par les mots "31 décembre 2008".
Art. 10. In artikel 102, zevende streepje, van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007, worden de woorden "31 december 2007" vervangen door de woorden "31 december 2008".
Art. 10. A l'article 102, septième tiret, du décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007, les mots "31 décembre 2007" sont remplacés par les mots "31 décembre 2008".
Afdeling VII. - Leerlingenvervoer.
Section VII. - Transport des élèves.
Art. 11. In het decreet van 7 mei 2004 betreffende de regionale technologische centra en houdende noodzakelijke en dringende onderwijsbepalingen, zoals gewijzigd, wordt een artikel 55ter ingevoegd dat luidt als volgt :
" Artikel 55ter. De Vlaamse Regering kan tijdens het schooljaar 2007-2008, binnen de perken van de begroting, de subsidies verleend aan gemeenten voor de organisatie van netoverstijgend leerlingenvervoer in het gewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2006-2007 verlengen.
De subsidies voor het schooljaar 2007-2008, ten laste van de begroting 2007, zijn beperkt tot maximaal het subsidiebedrag dat deze gemeente ontving tijdens het schooljaar 2006-2007. "
" Artikel 55ter. De Vlaamse Regering kan tijdens het schooljaar 2007-2008, binnen de perken van de begroting, de subsidies verleend aan gemeenten voor de organisatie van netoverstijgend leerlingenvervoer in het gewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2006-2007 verlengen.
De subsidies voor het schooljaar 2007-2008, ten laste van de begroting 2007, zijn beperkt tot maximaal het subsidiebedrag dat deze gemeente ontving tijdens het schooljaar 2006-2007. "
Art. 11. Dans le décret du 7 mai 2004 relatif aux centres technologiques régionaux et portant des dispositions nécessaires et impérieuses relatives à l'enseignement, tel que modifié, il est inséré un article 55ter, rédigé comme suit :
" Article 55ter.
Le Gouvernement flamand peut, pendant l'année scolaire 2007-2008, dans les limites budgétaires, proroger les subventions octroyées pendant l'année scolaire 2006-2007 aux communes pour l'organisation du transport des élèves inter-réseaux dans l'enseignement fondamental ordinaire.
Les subventions pour l'année scolaire 2007-2008, à imputer au budget 2007, sont plafonnées au montant de la subvention dont cette commune a bénéficié pendant l'année scolaire 2006-2007. "
" Article 55ter.
Le Gouvernement flamand peut, pendant l'année scolaire 2007-2008, dans les limites budgétaires, proroger les subventions octroyées pendant l'année scolaire 2006-2007 aux communes pour l'organisation du transport des élèves inter-réseaux dans l'enseignement fondamental ordinaire.
Les subventions pour l'année scolaire 2007-2008, à imputer au budget 2007, sont plafonnées au montant de la subvention dont cette commune a bénéficié pendant l'année scolaire 2006-2007. "
Afdeling VIII. - UZ Gent.
Section VIII. - UZ Gent.
Art. 12. In het koninklijk besluit nr. 542 van 31 maart 1987, artikel 6, § 5, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "Universitair Ziekenhuis" worden telkens vervangen door de woorden "UZ Gent";
2° het woord "ziekenhuisgeneesheren" wordt vervangen door het woord "ziekenhuisartsen";
3° het woord "pensioenfonds" wordt vervangen door de woorden "instelling voor bedrijfspensioenvoorziening";
4° het woord "lichamelijke" wordt vervangen door het woord "medische";
5° de woorden "het ministerie" worden vervangen door de woorden "de diensten";
6° de woorden "het pensioenfonds" worden vervangen door de woorden "de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening".
1° de woorden "Universitair Ziekenhuis" worden telkens vervangen door de woorden "UZ Gent";
2° het woord "ziekenhuisgeneesheren" wordt vervangen door het woord "ziekenhuisartsen";
3° het woord "pensioenfonds" wordt vervangen door de woorden "instelling voor bedrijfspensioenvoorziening";
4° het woord "lichamelijke" wordt vervangen door het woord "medische";
5° de woorden "het ministerie" worden vervangen door de woorden "de diensten";
6° de woorden "het pensioenfonds" worden vervangen door de woorden "de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening".
Art. 12. A l'arrêté royal n°542 du 31 mars 1987, article 6, § 5, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "Universitair Ziekenhuis" sont chaque fois remplacés par les mots "UZ Gent";
2° dans le texte néerlandais, le mot "ziekenhuisgeneesheren" est remplacé par le mot "ziekenhuisartsen";
3° les mots "fonds de retraite" sont remplacés par les mots "institution de retraite professionnelle";
4° le mot "physique" est remplacé par le mot "médicale";
5° les mots "le Ministère" " sont remplacés par les mots "les services";
6° les mots "le fonds de retraite" sont remplacés par les mots "l'institution de retraite professionnelle".
1° les mots "Universitair Ziekenhuis" sont chaque fois remplacés par les mots "UZ Gent";
2° dans le texte néerlandais, le mot "ziekenhuisgeneesheren" est remplacé par le mot "ziekenhuisartsen";
3° les mots "fonds de retraite" sont remplacés par les mots "institution de retraite professionnelle";
4° le mot "physique" est remplacé par le mot "médicale";
5° les mots "le Ministère" " sont remplacés par les mots "les services";
6° les mots "le fonds de retraite" sont remplacés par les mots "l'institution de retraite professionnelle".
Art. 13. In hetzelfde koninklijk besluit wordt artikel 6, § 6, vervangen door wat volgt :
" § 6. Met het oog op het afsluiten van de in § 5 bedoelde groepsverzekering of het oprichten van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, kan het UZ Gent een rechtspersoon voor de financiering van pensioenen in enige door of krachtens de wet toegelaten of opgelegde rechtsvorm, oprichten. "
" § 6. Met het oog op het afsluiten van de in § 5 bedoelde groepsverzekering of het oprichten van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, kan het UZ Gent een rechtspersoon voor de financiering van pensioenen in enige door of krachtens de wet toegelaten of opgelegde rechtsvorm, oprichten. "
Art. 13. Dans l'article 6 du même arrêté royal, le § 6 est remplacé par ce qui suit :
" § 6. En vue de la conclusion de l'assurance de groupe visée au § 5 ou de la constitution d'une institution de retraite professionnelle, l'UZ Gent peut créer une personne morale pour le financement des pensions de retraite sous quelle forme juridique que ce soit, autorisée ou imposée par ou en vertu de la loi. "
" § 6. En vue de la conclusion de l'assurance de groupe visée au § 5 ou de la constitution d'une institution de retraite professionnelle, l'UZ Gent peut créer une personne morale pour le financement des pensions de retraite sous quelle forme juridique que ce soit, autorisée ou imposée par ou en vertu de la loi. "
Art. 14. In hetzelfde koninklijk besluit worden in artikel 6, § 7, eerste lid, de woorden "Universitair Ziekenhuis Gent" vervangen door de woorden "UZ Gent" en worden de woorden "vzw Pensioenfonds, bedoeld" geschrapt. Artikel 6, § 7, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt verder aangevuld met de woorden "bedoelde instelling".
In hetzelfde koninklijk besluit worden in artikel 6, § 7, tweede lid, de woorden "vzw Pensioenfonds UZ" vervangen door de woorden "in § 6 bedoelde instelling".
In hetzelfde koninklijk besluit worden in artikel 6, § 7, derde lid, de woorden "vzw Pensioenfonds" vervangen door de woorden "in § 6 bedoelde instelling".
In hetzelfde koninklijk besluit worden in artikel 6, § 7, tweede lid, de woorden "vzw Pensioenfonds UZ" vervangen door de woorden "in § 6 bedoelde instelling".
In hetzelfde koninklijk besluit worden in artikel 6, § 7, derde lid, de woorden "vzw Pensioenfonds" vervangen door de woorden "in § 6 bedoelde instelling".
Art. 14. Dans l'article 6, § 7, alinéa premier, du même Arrêté royal, les mots "l'Hôpital universitaire à Gand" sont remplacés par les mots " l'UZ Gent " et les mots " l'ASBL "Pensioenfonds", visée " sont supprimés. L'article 6, § 7, premier alinéa, du même Arrêté royal est complété par les mots " l'institution visée ".
Dans l'article 6, § 7, alinéa deux, du même arrêté royal, les mots " l'ASBL "Pensioenfonds " sont remplacés par les mots "l'institution visée au § 6".
Dans l'article 6, § 7, alinéa trois, du même arrêté royal, les mots " l'ASBL "Pensioenfonds " sont remplacés par les mots "l'institution visée au § 6".
Dans l'article 6, § 7, alinéa deux, du même arrêté royal, les mots " l'ASBL "Pensioenfonds " sont remplacés par les mots "l'institution visée au § 6".
Dans l'article 6, § 7, alinéa trois, du même arrêté royal, les mots " l'ASBL "Pensioenfonds " sont remplacés par les mots "l'institution visée au § 6".
Afdeling IX.
Section IX.
HOOFDSTUK III. - Fiscaliteit.
CHAPITRE III. - Fiscalité.
Afdeling I. - Onroerende voorheffing.
Section Ire. - Précompte immobilier.
Art. 16. Aan artikel 371 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Vanaf het aanslagjaar 2008 kan de in het eerste lid bepaalde termijn niet verstrijken voor 31 maart van het jaar volgend op het aanslagjaar wanneer met het bezwaarschrift de vermindering op grond van artikel 257, § 2, 3°, wordt ingeroepen. "
" Vanaf het aanslagjaar 2008 kan de in het eerste lid bepaalde termijn niet verstrijken voor 31 maart van het jaar volgend op het aanslagjaar wanneer met het bezwaarschrift de vermindering op grond van artikel 257, § 2, 3°, wordt ingeroepen. "
Art. 16. A l'article 371 du Code des impôts sur les revenus 1992, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" A partir de l'année d'imposition 2008, le délai prescrit à l'alinéa 1er ne peut pas expirer avant le 31 mars de l'année qui suit l'année d'imposition, lorsque la réclamation invoque la réduction au titre de l'article 257, § 2, 3°. "
" A partir de l'année d'imposition 2008, le délai prescrit à l'alinéa 1er ne peut pas expirer avant le 31 mars de l'année qui suit l'année d'imposition, lorsque la réclamation invoque la réduction au titre de l'article 257, § 2, 3°. "
Afdeling II. - Verkeersbelasting.
Section II. - Taxe de circulation.
Art. 17. Artikel 9, F, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt vervangen als volgt :
" De aanhangwagens en de opleggers zijn onderworpen aan een belasting die respectievelijk 23,92 euro of 49,68 euro bedraagt, naargelang de maximaal toegelaten massa niet hoger is dan 500 kilogram of 501 kilogram bereikt zonder 3 500 kilogram te overschrijden.
De in het eerste lid genoemde aanhangwagens en opleggers waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg niet overschrijdt en die uitsluitend getrokken worden door een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus, een ziekenauto, een motorfiets, een lichte vrachtauto, een kampeerauto, een autobus of een autocar, zijn vrijgesteld van de belasting. Deze vrijstelling geldt enkel in zoverre de belastingschuldige geen rechtspersoon is. "
" De aanhangwagens en de opleggers zijn onderworpen aan een belasting die respectievelijk 23,92 euro of 49,68 euro bedraagt, naargelang de maximaal toegelaten massa niet hoger is dan 500 kilogram of 501 kilogram bereikt zonder 3 500 kilogram te overschrijden.
De in het eerste lid genoemde aanhangwagens en opleggers waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg niet overschrijdt en die uitsluitend getrokken worden door een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus, een ziekenauto, een motorfiets, een lichte vrachtauto, een kampeerauto, een autobus of een autocar, zijn vrijgesteld van de belasting. Deze vrijstelling geldt enkel in zoverre de belastingschuldige geen rechtspersoon is. "
Art. 17. L'article 9, F, du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus est remplacé par les dispositions suivantes :
" Les remorques et semi-remorques sont soumises à une taxe s'élevant respectivement à 23,92 euros ou 49,68 euros selon que la masse maximale autorisée ne dépasse pas 500 kilogrammes ou atteint 501 kilogrammes sans dépasser 3 500 kilogrammes.
Les remorques et semi-remorques visées à l'alinéa 1er dont la masse maximale autorisée ne dépasse pas 750 kg et qui sont exclusivement tirées par une voiture, une voiture mixte, un minibus, une ambulance, une motocyclette, un camion léger, un camping-car, un autobus ou un autocar, sont exemptées de la taxe. Cette exemption vaut uniquement dans la mesure où le contribuable n'est pas une personne morale. "
" Les remorques et semi-remorques sont soumises à une taxe s'élevant respectivement à 23,92 euros ou 49,68 euros selon que la masse maximale autorisée ne dépasse pas 500 kilogrammes ou atteint 501 kilogrammes sans dépasser 3 500 kilogrammes.
Les remorques et semi-remorques visées à l'alinéa 1er dont la masse maximale autorisée ne dépasse pas 750 kg et qui sont exclusivement tirées par une voiture, une voiture mixte, un minibus, une ambulance, une motocyclette, un camion léger, un camping-car, un autobus ou un autocar, sont exemptées de la taxe. Cette exemption vaut uniquement dans la mesure où le contribuable n'est pas une personne morale. "
Afdeling III. - Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Section III. - Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Art. 18. In artikel 54, tweede lid, van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, gewijzigd bij de wet van 19 juli 1979, wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
" In afwijking van deze bepaling wordt geen rekening gehouden met hetgeen de verkrijger of zijn echtgenoot in blote eigendom bezit en dat door hen of door één van hen uit de nalatenschap van een bloedverwant in opgaande lijn werd verkregen. Er wordt evenmin rekening gehouden met de onroerende goederen die de verkrijger of zijn echtgenoot in volle eigendom bezitten, op voorwaarde dat die goederen in volle of blote eigendom werden verkregen uit de nalatenschap van een bloedverwant in opgaande lijn van één van hen, en op voorwaarde dat het kadastraal inkomen van die in volle eigendom bezeten goederen niet meer bedraagt dan 25 percent van het bedoelde maximum. "
" In afwijking van deze bepaling wordt geen rekening gehouden met hetgeen de verkrijger of zijn echtgenoot in blote eigendom bezit en dat door hen of door één van hen uit de nalatenschap van een bloedverwant in opgaande lijn werd verkregen. Er wordt evenmin rekening gehouden met de onroerende goederen die de verkrijger of zijn echtgenoot in volle eigendom bezitten, op voorwaarde dat die goederen in volle of blote eigendom werden verkregen uit de nalatenschap van een bloedverwant in opgaande lijn van één van hen, en op voorwaarde dat het kadastraal inkomen van die in volle eigendom bezeten goederen niet meer bedraagt dan 25 percent van het bedoelde maximum. "
Art. 18. Dans l'article 54, alinéa deux, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, modifié par la loi du 19 juillet 1979, la deuxième phrase est remplacée par la phrase suivante :
" Par dérogation à cette disposition, il n'est pas tenu compte des avoirs en nue-propriété de l'acquéreur ou de son conjoint et de ce qui a été recueilli par eux ou par l'un d'eux dans la succession d'un ascendant. Il n'est pas non plus tenu compte des immeubles que l'acquéreur ou son conjoint possèdent en pleine propriété, à la condition que ces biens aient été recueillis en pleine ou nue-propriété de la succession d'un ascendant de l'un d'eux et à la condition que le revenu cadastral des biens en pleine propriété n'excède pas 25 pour cent dudit maximum. "
" Par dérogation à cette disposition, il n'est pas tenu compte des avoirs en nue-propriété de l'acquéreur ou de son conjoint et de ce qui a été recueilli par eux ou par l'un d'eux dans la succession d'un ascendant. Il n'est pas non plus tenu compte des immeubles que l'acquéreur ou son conjoint possèdent en pleine propriété, à la condition que ces biens aient été recueillis en pleine ou nue-propriété de la succession d'un ascendant de l'un d'eux et à la condition que le revenu cadastral des biens en pleine propriété n'excède pas 25 pour cent dudit maximum. "
Art. 19. In artikel 55, eerste lid, 2°, van hetzelfde wetboek wordt a) vervangen door wat volgt :
" a) dat de verkrijger en zijn echtgenoot geen andere onroerende goederen bezitten of dat zij, voor het geheel of in onverdeeldheid niet één of meer onroerende goederen bezitten waarvan het kadastraal inkomen, voor het geheel of voor het onverdeelde deel, samen met dat van het verkregen onroerend goed, meer dan het krachtens artikel 53 vastgestelde maximum bedraagt, afgezien van wat ze in blote eigendom bezitten en hebben verkregen uit de nalatenschap van een bloedverwant in opgaande lijn van één van hen en afgezien van wat ze in volle eigendom bezitten en uit de nalatenschap van een bloedverwant in opgaande lijn van één van hen in volle of blote eigendom hebben verkregen, en op voorwaarde dat het kadastraal inkomen van die in volle eigendom bezeten goederen niet meer bedraagt dan 25 percent van het bedoelde maximum. "
" a) dat de verkrijger en zijn echtgenoot geen andere onroerende goederen bezitten of dat zij, voor het geheel of in onverdeeldheid niet één of meer onroerende goederen bezitten waarvan het kadastraal inkomen, voor het geheel of voor het onverdeelde deel, samen met dat van het verkregen onroerend goed, meer dan het krachtens artikel 53 vastgestelde maximum bedraagt, afgezien van wat ze in blote eigendom bezitten en hebben verkregen uit de nalatenschap van een bloedverwant in opgaande lijn van één van hen en afgezien van wat ze in volle eigendom bezitten en uit de nalatenschap van een bloedverwant in opgaande lijn van één van hen in volle of blote eigendom hebben verkregen, en op voorwaarde dat het kadastraal inkomen van die in volle eigendom bezeten goederen niet meer bedraagt dan 25 percent van het bedoelde maximum. "
Art. 19. Dans l'article 55, alinéa premier, 2° du même décret, le a) est remplacé par la disposition suivante :
" a) que l'acquéreur et son conjoint ne possèdent pas d'autres immeubles, ou qu'ils ne possèdent pas en totalité ou en indivision un ou plusieurs immeubles dont le revenu cadastral, pour la totalité ou pour la part indivise, s'élève, avec celui de l'immeuble acquis, un total supérieur au maximum fixé en vertu de l'article 53, abstraction faite de ce qu'ils possèdent en nue-propriété et ont recueilli dans la succession d'un ascendant de l'un d'eux et abstraction faite de ce qu'ils possèdent en pleine propriété et ont recueilli en pleine ou nue-propriété de la succession d'un ascendant de l'un d'eux et à la condition que le revenu cadastral des biens en pleine propriété n'excède pas 25 pour cent dudit maximum. "
" a) que l'acquéreur et son conjoint ne possèdent pas d'autres immeubles, ou qu'ils ne possèdent pas en totalité ou en indivision un ou plusieurs immeubles dont le revenu cadastral, pour la totalité ou pour la part indivise, s'élève, avec celui de l'immeuble acquis, un total supérieur au maximum fixé en vertu de l'article 53, abstraction faite de ce qu'ils possèdent en nue-propriété et ont recueilli dans la succession d'un ascendant de l'un d'eux et abstraction faite de ce qu'ils possèdent en pleine propriété et ont recueilli en pleine ou nue-propriété de la succession d'un ascendant de l'un d'eux et à la condition que le revenu cadastral des biens en pleine propriété n'excède pas 25 pour cent dudit maximum. "
Afdeling IV. - Wetboek der Successierechten.
Section IV. - Code des droits de succession.
Art. 20. In artikel 60bis van het Wetboek der Successierechten wordt § 5 vervangen door wat volgt :
" § 5. De vrijstelling wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de twaalf kwartalen voorafgaand aan het overlijden, minstens 500.000 euro aan loonlasten heeft uitbetaald aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte tewerkgesteld zijn.
In afwijking van het eerste lid, wordt, indien de onderneming of de vennootschap in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden minder dan 500.000 euro aan loonlasten heeft uitbetaald aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte tewerkgesteld zijn, de vrijstelling slechts proportioneel toegepast.
De uitbetaalde loonlasten worden beoordeeld op basis van de aangiften vereist voor de sociale wetgeving, of bij ontstentenis aan dergelijke aangiften, voor de fiscale wetgeving. Onder loonlasten wordt verstaan : het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt, alsmede alle sociale zekerheidsbijdragen die op dit loon drukken.
De vrijstelling wordt slechts behouden indien de onderneming in de twintig kwartalen na het overlijden een bedrag minstens gelijk aan 5/3e van de loonlasten, betaald in de twaalf kwartalen vóór het overlijden, heeft uitbetaald. Indien en in de mate dat deze loonlasten, betaald na het overlijden, lager zouden zijn, is de belasting tegen het normale tarief evenredig verschuldigd.
Komen niet in aanmerking loonlasten in verband met werknemers die in hoofdzaak huishoudelijke handarbeid verrichten in verband met de huishouding van de werkgever of van zijn gezin of van een bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of van een persoon met een gelijkaardige functie van de vennootschap.
Komen evenmin in aanmerking loonlasten betaald ten voordele van de erflater zelf, diens echtgenoot, en zijn verwanten in rechte lijn, in de mate waarin deze loonlasten 300.000 euro overtreffen voor wat betreft de periode vóór het overlijden, en 500.000 euro voor wat betreft de periode na het overlijden.
De in het tweede en zesde lid vermelde bedragen worden vermenigvuldigd met een coëfficiënt, die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van hetzij de drie kalenderjaren voorafgaand aan dat waarin het overlijden plaatsheeft, hetzij de vijf kalenderjaren te beginnen met het jaar waarin het overlijden plaatsheeft, te delen door het indexcijfer van de maand december 2007. "
" § 5. De vrijstelling wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de twaalf kwartalen voorafgaand aan het overlijden, minstens 500.000 euro aan loonlasten heeft uitbetaald aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte tewerkgesteld zijn.
In afwijking van het eerste lid, wordt, indien de onderneming of de vennootschap in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden minder dan 500.000 euro aan loonlasten heeft uitbetaald aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte tewerkgesteld zijn, de vrijstelling slechts proportioneel toegepast.
De uitbetaalde loonlasten worden beoordeeld op basis van de aangiften vereist voor de sociale wetgeving, of bij ontstentenis aan dergelijke aangiften, voor de fiscale wetgeving. Onder loonlasten wordt verstaan : het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt, alsmede alle sociale zekerheidsbijdragen die op dit loon drukken.
De vrijstelling wordt slechts behouden indien de onderneming in de twintig kwartalen na het overlijden een bedrag minstens gelijk aan 5/3e van de loonlasten, betaald in de twaalf kwartalen vóór het overlijden, heeft uitbetaald. Indien en in de mate dat deze loonlasten, betaald na het overlijden, lager zouden zijn, is de belasting tegen het normale tarief evenredig verschuldigd.
Komen niet in aanmerking loonlasten in verband met werknemers die in hoofdzaak huishoudelijke handarbeid verrichten in verband met de huishouding van de werkgever of van zijn gezin of van een bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of van een persoon met een gelijkaardige functie van de vennootschap.
Komen evenmin in aanmerking loonlasten betaald ten voordele van de erflater zelf, diens echtgenoot, en zijn verwanten in rechte lijn, in de mate waarin deze loonlasten 300.000 euro overtreffen voor wat betreft de periode vóór het overlijden, en 500.000 euro voor wat betreft de periode na het overlijden.
De in het tweede en zesde lid vermelde bedragen worden vermenigvuldigd met een coëfficiënt, die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van hetzij de drie kalenderjaren voorafgaand aan dat waarin het overlijden plaatsheeft, hetzij de vijf kalenderjaren te beginnen met het jaar waarin het overlijden plaatsheeft, te delen door het indexcijfer van de maand december 2007. "
Art. 20. Dans l'article 60bis du Code des droits de succession, le § 5 est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 5. L'exonération n'est accordée que si l'entreprise ou la société a au moins payé 500.000 euros de charges salariales aux travailleurs occupés dans l'Espace économique européen dans les douze trimestres précédant le décès.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'exonération n'est appliquée que proportionnellement, si l'entreprise ou la société a payé moins de 500.000 euros de charges salariales aux travailleurs occupés dans l'Espace économique européen dans les trois ans précédant le décès.
Les charges salariales payées sont appréciées sur la base des déclarations requises dans le cadre de la législation sociale, ou à défaut de ces dernières, celles dans le cadre de la législation fiscale. Par charges salariales on entend : le traitement ou salaire de base ou minimum et tout autre avantage en espèces ou en nature que le travailleur perçoit directement ou indirectement de son employeur du chef de son emploi, ainsi que toutes les cotisations de sécurité sociale qui grèvent ce salaire.
L'exonération n'est maintenue que si l'entreprise a au moins payé dans les vingt trimestres après le décès un montant égal à 5/3e des charges salariales payées dans les douze trimestres avant le décès. Si et dans la mesure où ces charges salariales payées après le décès seraient inférieures, l'impôt est dû proportionnellement au tarif normal.
Ne sont pas prises en compte, les charges salariales des travailleurs qui effectuent principalement du travail manuel domestique dans le ménage de l'employeur ou de sa famille ou d'un administrateur, gestionnaire, liquidateur ou d'une personne exerçant une fonction similaire dans la société.
Ne sont également pas prises en compte, les charges salariales au bénéfice du défunt lui-même, son conjoint et ses parents en ligne droite, dans la mesure où ces charges salariales excèdent 300.000 euros pour la période avant le décès et 500.000 euros pour la période suivant le décès.
Les montants visés aux alinéas deux et six, sont multipliés par un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices, soit des trois années civiles précédant celle dans laquelle le décès a eu lieu, soit des cinq années civiles à compter de l'année dans laquelle le décès a eu lieu, par l'indice du mois de décembre 2007. "
" § 5. L'exonération n'est accordée que si l'entreprise ou la société a au moins payé 500.000 euros de charges salariales aux travailleurs occupés dans l'Espace économique européen dans les douze trimestres précédant le décès.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'exonération n'est appliquée que proportionnellement, si l'entreprise ou la société a payé moins de 500.000 euros de charges salariales aux travailleurs occupés dans l'Espace économique européen dans les trois ans précédant le décès.
Les charges salariales payées sont appréciées sur la base des déclarations requises dans le cadre de la législation sociale, ou à défaut de ces dernières, celles dans le cadre de la législation fiscale. Par charges salariales on entend : le traitement ou salaire de base ou minimum et tout autre avantage en espèces ou en nature que le travailleur perçoit directement ou indirectement de son employeur du chef de son emploi, ainsi que toutes les cotisations de sécurité sociale qui grèvent ce salaire.
L'exonération n'est maintenue que si l'entreprise a au moins payé dans les vingt trimestres après le décès un montant égal à 5/3e des charges salariales payées dans les douze trimestres avant le décès. Si et dans la mesure où ces charges salariales payées après le décès seraient inférieures, l'impôt est dû proportionnellement au tarif normal.
Ne sont pas prises en compte, les charges salariales des travailleurs qui effectuent principalement du travail manuel domestique dans le ménage de l'employeur ou de sa famille ou d'un administrateur, gestionnaire, liquidateur ou d'une personne exerçant une fonction similaire dans la société.
Ne sont également pas prises en compte, les charges salariales au bénéfice du défunt lui-même, son conjoint et ses parents en ligne droite, dans la mesure où ces charges salariales excèdent 300.000 euros pour la période avant le décès et 500.000 euros pour la période suivant le décès.
Les montants visés aux alinéas deux et six, sont multipliés par un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices, soit des trois années civiles précédant celle dans laquelle le décès a eu lieu, soit des cinq années civiles à compter de l'année dans laquelle le décès a eu lieu, par l'indice du mois de décembre 2007. "
HOOFDSTUK IV. - Leefmilieu.
CHAPITRE IV. - Environnement.
Afdeling I. - Afvalstoffen.
Section Ire. - Déchets.
Art. 21. Aan artikel 48, § 2, 3°, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, zoals herhaaldelijk gewijzigd, wordt na het voorlaatste lid de volgende bepaling toegevoegd :
" Voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerk- en ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen, is K=0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtspercent. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K=1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerk- en ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en het zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd. "
" Voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerk- en ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen, is K=0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtspercent. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K=1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerk- en ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en het zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd. "
Art. 21. Dans l'article 48, § 2, 3° du décret du 2 juillet 1981 relatif à la prévention et à la gestion des déchets, tel qu'il a été modifié à plusieurs reprises, il est inséré la disposition suivante après l'avant-dernier alinéa :
" Pour la mise en décharge des résidus de recyclage issus de la transformation du béton, de la maçonnerie et d'autres gravats en granulats colorés, provenant d'entreprises qui commercialisent ces granulats colorés, K est égal à 0,04 à partir de l'année d'imposition 2008. La fraction résiduaire à mettre en décharge doit être inférieure à 1 pour cent en poids. Ce pourcentage doit être considéré par rapport à la production totale de granulats colorés sur base annuelle dans l'établissement autorisé à cet effet. Lorsque la fraction résiduaire à mettre en décharge dépasse le pourcentage d'1 %, la fraction excédentaire doit être soumise au tarif de la redevance écologique, K étant égal à 1. Par résidus de recyclage issus de la transformation du béton, de la maçonnerie et d'autres gravats on entend les résidus issus du concassage des gravats et de l'épuration des granulats, à l'exception des résidus déjà triés préalablement au concassage. "
" Pour la mise en décharge des résidus de recyclage issus de la transformation du béton, de la maçonnerie et d'autres gravats en granulats colorés, provenant d'entreprises qui commercialisent ces granulats colorés, K est égal à 0,04 à partir de l'année d'imposition 2008. La fraction résiduaire à mettre en décharge doit être inférieure à 1 pour cent en poids. Ce pourcentage doit être considéré par rapport à la production totale de granulats colorés sur base annuelle dans l'établissement autorisé à cet effet. Lorsque la fraction résiduaire à mettre en décharge dépasse le pourcentage d'1 %, la fraction excédentaire doit être soumise au tarif de la redevance écologique, K étant égal à 1. Par résidus de recyclage issus de la transformation du béton, de la maçonnerie et d'autres gravats on entend les résidus issus du concassage des gravats et de l'épuration des granulats, à l'exception des résidus déjà triés préalablement au concassage. "
Afdeling II. - Oppervlaktewateren.
Section II. - Eaux de surface.
Art. 22. In artikel 35ter van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt in § 2, c), ingevoegd bij decreet van 23 december 2005 en gewijzigd bij decreet van 22 december 2006, de zin "de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quater van deze wet, waarvan de inrichting niet gelegen is in de zuiveringszones A of B, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne" aangevuld met de zinsnede "of die na bekendmaking van het definitieve zoneringsplan, als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen, gelegen zijn buiten het centrale gebied of buiten het collectief geoptimaliseerde buitengebied. "
Art. 22. Dans l'article 35ter, § 2, c), de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, inséré par le décret du 23 décembre 2005 et modifié par le décret du 22 décembre 2006, la phrase "les redevables, vises à l'article 35quater de la présente loi, dont l'établissement n'est pas situé dans les zones d'épuration A ou B, telles que visées a l'article 1.1.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement" est complétée par le membre de phrase "ou qui, après la publication du plan de zonage, visé à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2006 fixant les règles de séparation entre l'obligation d'assainissement communale et supracommunale et la fixation des plans de zonage, sont établis hors de la zone centrale ou de l'espace rural collectivement optimalisé. "
Art. 23. In artikel 35ter van dezelfde wet wordt in § 2, tweede lid, gewijzigd bij decreet van 23 december 2005 en 22 december 2006, de zin "Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 25,7 euro" vervangen door de zin "Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 29,1 euro".
Art. 23. Dans l'article 35ter, § 2, alinéa deux de la même loi, modifié par les décrets des 23 décembre 2005 et 22 décembre 2006, la phrase "Pour tous les autres redevables, le tarif unitaire de la redevance est fixé à 25,7 euros" est remplacée par la phrase "Pour tous les autres redevables, le tarif unitaire de la redevance est fixé à 29,1 euros".
Art. 24. In artikel 35ter van dezelfde wet wordt § 5, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij de decreten van 19 december 1997, 18 mei 1999, 22 december 2000, 21 december 2001, 27 juni 2003 en 19 december 2003, vervangen door wat volgt :
" § 5. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 35quater, § 1, wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in § 1, als hij zelf op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden één van de volgende tegemoetkomingen geniet :
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de heffingsplichtige vermeld in artikel 35quater, § 1, met een gezinslid dat gedomicilieerd is op hetzelfde adres en dat op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden onder een van de categorieën vermeld in het eerste lid, valt.
Voor de toepassing van die vrijstelling worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.
De vrijstelling vermeld in het eerste lid wordt uitsluitend verleend voor de plaats van het watergebruik die tevens het wettelijke domicilie is van de heffingsplichtige.
De maatschappij kan een heffingsplichtige automatisch vrijstellen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in het eerste lid toekennen. Als de vrijstelling vermeld in het eerste lid automatisch wordt toegekend, ontvangt de rechthebbende geen heffingsbiljet.
Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling vermeld in het eerste lid enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De aanvraag tot vrijstelling moet uiterlijk binnen drie maanden na de verzendingsdatum van het heffingsbiljet bij de maatschappij worden ingediend.
Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn :
1° een attest, uitgereikt door de federale overheidsdienst voor Pensioenen, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° de afscheurstrook van het overeenkomstige heffingsbiljet.
Mits op 1 januari van het heffingsjaar of op datum van overlijden voldaan is aan de bovenvermelde voorwaarden, is bedoelde vrijstelling van rechtswege verworven. ".
" § 5. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 35quater, § 1, wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in § 1, als hij zelf op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden één van de volgende tegemoetkomingen geniet :
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de heffingsplichtige vermeld in artikel 35quater, § 1, met een gezinslid dat gedomicilieerd is op hetzelfde adres en dat op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden onder een van de categorieën vermeld in het eerste lid, valt.
Voor de toepassing van die vrijstelling worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.
De vrijstelling vermeld in het eerste lid wordt uitsluitend verleend voor de plaats van het watergebruik die tevens het wettelijke domicilie is van de heffingsplichtige.
De maatschappij kan een heffingsplichtige automatisch vrijstellen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in het eerste lid toekennen. Als de vrijstelling vermeld in het eerste lid automatisch wordt toegekend, ontvangt de rechthebbende geen heffingsbiljet.
Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling vermeld in het eerste lid enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De aanvraag tot vrijstelling moet uiterlijk binnen drie maanden na de verzendingsdatum van het heffingsbiljet bij de maatschappij worden ingediend.
Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn :
1° een attest, uitgereikt door de federale overheidsdienst voor Pensioenen, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° de afscheurstrook van het overeenkomstige heffingsbiljet.
Mits op 1 januari van het heffingsjaar of op datum van overlijden voldaan is aan de bovenvermelde voorwaarden, is bedoelde vrijstelling van rechtswege verworven. ".
Art. 24. Dans l'article 35ter de la même loi, le § 5, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et modifié par les décrets des 18 mai 1999, 19 décembre 1997, 22 décembre 2000, 21 décembre 2001, 27 juin 2003 et 19 décembre 2003, est remplacé les dispositions suivantes :
" § 5. Tout redevable, visé à l'article 35quater, § 1er, est exempté de l'obligation de paiement de la redevance, visée au § 1er, s'il perçoit lui-même l'une des interventions suivantes au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date du décès :
1° le revenu garanti aux personnes âgées, en vertu de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées ou la garantie de revenus aux personnes âgées, en vertu de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées;
2° le revenu d'intégration ou le minimex accordé par le CPAS respectivement en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale;
3° l'allocation de remplacement de revenus octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
4° l'allocation de l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
5° l'allocation d'intégration octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
L'exemption, visée à l'alinéa 1er, vaut également pour le redevable, visé à l'article 35quater, § 1er, dont un membre du ménage est domicilié à la même adresse et qui, au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date du décès, relève de l'une des catégories visées à l'alinéa 1er.
Pour l'application de cette exemption, les personnes qui ont leur domicile légal dans une maison de repos, une maison de soins ou une autre institution et les personnes qui partagent leur domicile légal et leurs moyens de subsistance dans des communautés visant la réalisation d'objectifs religieux ou philosophiques, ne sont pas considérées comme membres d'un même ménage.
L'exemption visée à l'alinéa 1er, est exclusivement octroyée pour le lieu de consommation de l'eau qui est également le domicile légal du redevable.
La Société peut exempter automatiquement un redevable à la lumière des renseignements recueillis auprès de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou auprès d'autres organismes publics qui octroient les droits mentionnés à l'alinéa 1er. En cas d'octroi automatique de l'exemption visée à l'alinéa 1er, le bénéficiaire ne reçoit aucune feuille d'impôts.
Pour les redevables ayant reçu une feuille d'impôts, l'exemption, visée à l'alinéa 1er, n'est accordée que moyennant demande écrite. La demande d'exemption doit être adressée à la Société au plus tard dans les trois mois de la date d'envoi de la feuille d'impôts.
Cette demande doit être accompagnée des documents suivants :
1° une attestation délivrée par le Service public fédéral des Pensions, faisant apparaître que le redevable figurant sur la feuille d'impôts ou un membre du ménage a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que le redevable mentionné sur la feuille d'impôts ou un membre du ménage a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que le redevable figurant sur la feuille d'impôts ou un membre du ménage a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés, de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, ou de l'allocation d'intégration pour personnes handicapées;
4° le volant détachable de la feuille d'impôts correspondante.
L'exemption est acquise de plein droit, pourvu que les conditions susmentionnées soient remplies au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date du décès. "
" § 5. Tout redevable, visé à l'article 35quater, § 1er, est exempté de l'obligation de paiement de la redevance, visée au § 1er, s'il perçoit lui-même l'une des interventions suivantes au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date du décès :
1° le revenu garanti aux personnes âgées, en vertu de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées ou la garantie de revenus aux personnes âgées, en vertu de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées;
2° le revenu d'intégration ou le minimex accordé par le CPAS respectivement en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale;
3° l'allocation de remplacement de revenus octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
4° l'allocation de l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
5° l'allocation d'intégration octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
L'exemption, visée à l'alinéa 1er, vaut également pour le redevable, visé à l'article 35quater, § 1er, dont un membre du ménage est domicilié à la même adresse et qui, au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date du décès, relève de l'une des catégories visées à l'alinéa 1er.
Pour l'application de cette exemption, les personnes qui ont leur domicile légal dans une maison de repos, une maison de soins ou une autre institution et les personnes qui partagent leur domicile légal et leurs moyens de subsistance dans des communautés visant la réalisation d'objectifs religieux ou philosophiques, ne sont pas considérées comme membres d'un même ménage.
L'exemption visée à l'alinéa 1er, est exclusivement octroyée pour le lieu de consommation de l'eau qui est également le domicile légal du redevable.
La Société peut exempter automatiquement un redevable à la lumière des renseignements recueillis auprès de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou auprès d'autres organismes publics qui octroient les droits mentionnés à l'alinéa 1er. En cas d'octroi automatique de l'exemption visée à l'alinéa 1er, le bénéficiaire ne reçoit aucune feuille d'impôts.
Pour les redevables ayant reçu une feuille d'impôts, l'exemption, visée à l'alinéa 1er, n'est accordée que moyennant demande écrite. La demande d'exemption doit être adressée à la Société au plus tard dans les trois mois de la date d'envoi de la feuille d'impôts.
Cette demande doit être accompagnée des documents suivants :
1° une attestation délivrée par le Service public fédéral des Pensions, faisant apparaître que le redevable figurant sur la feuille d'impôts ou un membre du ménage a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que le redevable mentionné sur la feuille d'impôts ou un membre du ménage a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que le redevable figurant sur la feuille d'impôts ou un membre du ménage a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés, de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, ou de l'allocation d'intégration pour personnes handicapées;
4° le volant détachable de la feuille d'impôts correspondante.
L'exemption est acquise de plein droit, pourvu que les conditions susmentionnées soient remplies au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date du décès. "
Art. 25. In artikel 35ter van dezelfde wet ingevoegd bij het decreet van 25 juni 1992 en gewijzigd bij de decreten van 22 december 1993, 22 december 1995, 20 december 1996, 8 juli 1997, 19 december 1997, 18 mei 1999, 22 december 2000, 21 december 2001, 27 juni 2003, 19 december 2003, 24 december 2004, 23 december 2005 en 22 december 2006 wordt een § 5bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 5bis. Als de heffing betrekking heeft op het waterverbruik van een of meer gezinnen die gedomicilieerd zijn op het adres van de heffingsplichtige en waarvan de heffingsplichtige geen deel uitmaakt, geldt in afwijking van § 5 de volgende regeling : de in dat gebouw gedomicilieerde gezinnen, waarvan een gezinslid op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden tot een van de categorieën vermeld in § 5, eerste lid, behoort, komen in aanmerking voor een compensatie in hun aandeel in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in § 1, overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in (§ 6). "
" § 5bis. Als de heffing betrekking heeft op het waterverbruik van een of meer gezinnen die gedomicilieerd zijn op het adres van de heffingsplichtige en waarvan de heffingsplichtige geen deel uitmaakt, geldt in afwijking van § 5 de volgende regeling : de in dat gebouw gedomicilieerde gezinnen, waarvan een gezinslid op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden tot een van de categorieën vermeld in § 5, eerste lid, behoort, komen in aanmerking voor een compensatie in hun aandeel in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in § 1, overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in (§ 6). "
Art. 25. Dans l'article 35ter de la même loi, inséré par le décret du 25 juin 1992 et modifié par les décrets des 22 décembre 1993, 22 décembre 1995, 20 décembre 1996, 8 juillet 1997, 19 décembre 1997, 18 mai 1999, 22 décembre 2000, 21 décembre 2001, 27 juin 2003, 19 décembre 2003, 24 décembre 2004, 23 décembre 2005 et 22 décembre 2006, il est inséré un § 5bis, rédigé comme suit :
" § 5bis. Si la redevance porte sur le consommation d'eau d'un ou plusieurs ménages qui sont domiciliés à l'adresse du redevable et dont ce dernier ne fait pas partie, le régime suivant est d'application par dérogation au § 5 : les ménages domiciliés dans cet immeuble, dont un membre appartient à l'une des catégories visées au § 5, alinéa 1er, au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date de décès, sont éligibles à une compensation pour leur part dans la redevance pour la même année d'imposition, visée au § 1er, conformément aux conditions et à la procédure/régime, visé au § 6. "
" § 5bis. Si la redevance porte sur le consommation d'eau d'un ou plusieurs ménages qui sont domiciliés à l'adresse du redevable et dont ce dernier ne fait pas partie, le régime suivant est d'application par dérogation au § 5 : les ménages domiciliés dans cet immeuble, dont un membre appartient à l'une des catégories visées au § 5, alinéa 1er, au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date de décès, sont éligibles à une compensation pour leur part dans la redevance pour la même année d'imposition, visée au § 1er, conformément aux conditions et à la procédure/régime, visé au § 6. "
Art. 26. In artikel 35ter van dezelfde wet wordt § 6, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1997, 19 december 1997, 22 december 2000, 21 december 2001, 27 juni 2003 en 24 december 2004, vervangen door wat volgt :
" § 6. Elke fysieke persoon die de vrijstelling, vermeld in § 5, niet kan genieten maar wel de werkelijke verbruiker van het water is, en die op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden zelf één van de volgende tegemoetkomingen geniet, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in § 1 :
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming 'hulp aan bejaarden' volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De compensatie wordt uitsluitend verleend voor de plaats van waterverbruik die tevens op 1 januari van het heffingsjaar het wettelijke domicilie is van de verbruiker.
Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.
Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin.
De maatschappij kan de compensatie automatisch toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in het eerste lid toekennen.
Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de voormelde inlichtingen, wordt de compensatie enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De schriftelijke aanvraag tot compensatie moet uiterlijk binnen twaalf maanden na de verzendingsdatum van het heffingsbiljet bij de maatschappij worden ingediend.
Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn :
1° een attest, uitgereikt door de federale overheidsdienst voor Pensioenen, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald :
P= M x T x Q x 0,025;
waarbij :
1° P= de compensatie;
2° M= het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het heffingsjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
3° T= het eenheidstarief van de heffing vermeld in
4° Q = 10 m3 voor elke verbruiker die op een tijdstip gedurende het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet, en waarbij het waterverbruik in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de openbare watervoorzieningsmaatschappij, minder dan 500 m3 bedraagt, en die tevens op een tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning met een getotaliseerd nominaal pompvermogen van minder dan 5 m3 per uur;
Q = 30 m3 voor alle andere verbruikers.
De compensatie is niet van toepassing op de fysieke personen die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komen voor een compensatie, als vermeld in artikel l6sexies, § 2, § 3 of § 4, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, als vermeld in artikel (l6bis), respectievelijk l6quinquies van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending. "
" § 6. Elke fysieke persoon die de vrijstelling, vermeld in § 5, niet kan genieten maar wel de werkelijke verbruiker van het water is, en die op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden zelf één van de volgende tegemoetkomingen geniet, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in § 1 :
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming 'hulp aan bejaarden' volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De compensatie wordt uitsluitend verleend voor de plaats van waterverbruik die tevens op 1 januari van het heffingsjaar het wettelijke domicilie is van de verbruiker.
Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.
Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin.
De maatschappij kan de compensatie automatisch toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in het eerste lid toekennen.
Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de voormelde inlichtingen, wordt de compensatie enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De schriftelijke aanvraag tot compensatie moet uiterlijk binnen twaalf maanden na de verzendingsdatum van het heffingsbiljet bij de maatschappij worden ingediend.
Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn :
1° een attest, uitgereikt door de federale overheidsdienst voor Pensioenen, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald :
P= M x T x Q x 0,025;
waarbij :
1° P= de compensatie;
2° M= het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het heffingsjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
3° T= het eenheidstarief van de heffing vermeld in
4° Q = 10 m3 voor elke verbruiker die op een tijdstip gedurende het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet, en waarbij het waterverbruik in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de openbare watervoorzieningsmaatschappij, minder dan 500 m3 bedraagt, en die tevens op een tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning met een getotaliseerd nominaal pompvermogen van minder dan 5 m3 per uur;
Q = 30 m3 voor alle andere verbruikers.
De compensatie is niet van toepassing op de fysieke personen die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komen voor een compensatie, als vermeld in artikel l6sexies, § 2, § 3 of § 4, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, als vermeld in artikel (l6bis), respectievelijk l6quinquies van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending. "
Art. 26. Dans l'article 35ter de la même loi, le § 6, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et modifié par les décrets des 19 décembre 1997, 8 juillet 1997, 22 décembre 2000, 21 décembre 2001, 27 juin 2003 et 24 décembre 2004, est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 6. Toute personne physique qui ne peut pas bénéficier de l'exemption, visée au § 5, mais qui est le consommateur effectif de l'eau et qui au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date de décès bénéficie lui-même de l'une des interventions suivantes, a droit à une compensation pour sa part ou celle de son ménage dans la redevance de la même année d'imposition, visée au § 1er :
1° le revenu garanti aux personnes âgées, en vertu de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées ou la garantie de revenus aux personnes âgées, en vertu de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées;
2° le revenu d'intégration ou le minimex accordé par le CPAS respectivement en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale;
3° l'allocation de remplacement de revenus octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
4° l'allocation de l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
5° l'allocation d'intégration octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
La compensation est exclusivement octroyée pour le lieu de consommation de l'eau qui est également le domicile légal du consommateur au 1er janvier de l'année d'imposition.
Pour l'application de cette compensation, les personnes qui ont leur domicile légal dans une maison de repos, une maison de soins ou une autre institution et les personnes qui partagent leur domicile légal et leurs moyens de subsistance dans des communautés visant la réalisation d'objectifs religieux ou philosophiques, ne sont pas considérées comme membres d'un même ménage.
Une seule compensation peut être octroyée chaque année par ménage à la personne de référence de ce ménage.
La Société peut octroyer automatiquement la compensation à la lumière des renseignements recueillis auprès de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou auprès d'autres organismes publics qui octroient les droits mentionnés à l'alinéa 1er.
Si la compensation n'est pas octroyée automatiquement sur la base des renseignements précités, la compensation est seulement allouée sur demande écrite. La demande écrite de compensation doit être adressée à la Société au plus tard dans les douze mois de la date d'envoi de la feuille d'impôts.
Cette demande doit être accompagnée de l'un des documents suivants :
1° une attestation délivrée par le Service public fédéral des Pensions, faisant apparaître que la personne physique intéressée a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que la personne physique concernée a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que la personne physique intéressée a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés, de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, ou de l'allocation d'intégration pour personnes handicapées;
Le montant de la compensation est fixé comme suit :
P = M x T x Q x 0,025;
où :
1° P = la compensation;
2° M = le nombre de domiciliés du ménage du bénéficiaire de la compensation au 1er janvier de l'année d'imposition à l'adresse de domicile du bénéficiaire de la compensation;
3° T= le tarif unitaire de la redevance, visée au § 1er;
4° Q= 4° pour chaque consommateur qui a prélevé de l'eau d'un réseau public de distribution d'eau à une date au cours de l'année précédant l'année d'imposition, la consommation d'eau étant de moins de 500 m3 au cours de l'année précédant l'année d'imposition sur la base de la facture établie par la société de distribution d'eau, et qui disposait à une date au cours de cette année d'un propre captage d'eau d'une capacité de pompage nominale totale de moins de 5 m3 par heure;
Q = 30 m3 pour tous les autres consommateurs.
La compensation n'est pas applicable aux personnes physiques qui, dans l'année précédant l'année d'imposition, sont éligibles à une compensation, visée à l'article 16sexies, § 2, § 3, ou § 4 du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, pour la contribution supracommunale ou l'indemnité, visées respectivement à l'article 16bis et 16quinquies du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine. "
" § 6. Toute personne physique qui ne peut pas bénéficier de l'exemption, visée au § 5, mais qui est le consommateur effectif de l'eau et qui au 1er janvier de l'année d'imposition ou à la date de décès bénéficie lui-même de l'une des interventions suivantes, a droit à une compensation pour sa part ou celle de son ménage dans la redevance de la même année d'imposition, visée au § 1er :
1° le revenu garanti aux personnes âgées, en vertu de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées ou la garantie de revenus aux personnes âgées, en vertu de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées;
2° le revenu d'intégration ou le minimex accordé par le CPAS respectivement en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale;
3° l'allocation de remplacement de revenus octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
4° l'allocation de l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
5° l'allocation d'intégration octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
La compensation est exclusivement octroyée pour le lieu de consommation de l'eau qui est également le domicile légal du consommateur au 1er janvier de l'année d'imposition.
Pour l'application de cette compensation, les personnes qui ont leur domicile légal dans une maison de repos, une maison de soins ou une autre institution et les personnes qui partagent leur domicile légal et leurs moyens de subsistance dans des communautés visant la réalisation d'objectifs religieux ou philosophiques, ne sont pas considérées comme membres d'un même ménage.
Une seule compensation peut être octroyée chaque année par ménage à la personne de référence de ce ménage.
La Société peut octroyer automatiquement la compensation à la lumière des renseignements recueillis auprès de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou auprès d'autres organismes publics qui octroient les droits mentionnés à l'alinéa 1er.
Si la compensation n'est pas octroyée automatiquement sur la base des renseignements précités, la compensation est seulement allouée sur demande écrite. La demande écrite de compensation doit être adressée à la Société au plus tard dans les douze mois de la date d'envoi de la feuille d'impôts.
Cette demande doit être accompagnée de l'un des documents suivants :
1° une attestation délivrée par le Service public fédéral des Pensions, faisant apparaître que la personne physique intéressée a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que la personne physique concernée a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que la personne physique intéressée a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés, de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, ou de l'allocation d'intégration pour personnes handicapées;
Le montant de la compensation est fixé comme suit :
P = M x T x Q x 0,025;
où :
1° P = la compensation;
2° M = le nombre de domiciliés du ménage du bénéficiaire de la compensation au 1er janvier de l'année d'imposition à l'adresse de domicile du bénéficiaire de la compensation;
3° T= le tarif unitaire de la redevance, visée au § 1er;
4° Q= 4° pour chaque consommateur qui a prélevé de l'eau d'un réseau public de distribution d'eau à une date au cours de l'année précédant l'année d'imposition, la consommation d'eau étant de moins de 500 m3 au cours de l'année précédant l'année d'imposition sur la base de la facture établie par la société de distribution d'eau, et qui disposait à une date au cours de cette année d'un propre captage d'eau d'une capacité de pompage nominale totale de moins de 5 m3 par heure;
Q = 30 m3 pour tous les autres consommateurs.
La compensation n'est pas applicable aux personnes physiques qui, dans l'année précédant l'année d'imposition, sont éligibles à une compensation, visée à l'article 16sexies, § 2, § 3, ou § 4 du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, pour la contribution supracommunale ou l'indemnité, visées respectivement à l'article 16bis et 16quinquies du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine. "
Art. 27. In artikel 35ter van dezelfde wet wordt § 7, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004 en gewijzigd bij het decreet van 19 mei 2006, vervangen door wat volgt :
" § 7. 1° Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 35quater wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in § 1, als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een private waterzuiveringsinstallatie in eigen beheer of gemeenschappelijk beheer, of, in een individuele waterzuiveringsinstallatie gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit.
Deze waterzuiveringinstallaties moeten voldoen aan de voorwaarden vermeld in 3°.
Deze vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het afvalwater dat gezuiverd wordt in de private of individuele waterzuiveringsinstallaties;
(2°) elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in § 1, als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een private of individuele waterzuiveringsinstallatie vermeld in 1°.
Deze vrijstelling heeft enkel betrekking op het huishoudelijk afvalwater ressorterend onder sector 56 uit de bijlage bij deze wet. Deze vrijstelling kan maximaal 30 m3 per persoon, op 1 januari van het heffingsjaar gedomicilieerd in de bedoelde woongelegenheid, bedragen.
De vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid ressorterend onder sector 56 uit de bijlage bij deze wet dat gezuiverd wordt in de private of individuele waterzuiveringsinstallaties vermeld in 1°.
De vrijstelling is niet van toepassing indien de heffingsplichtige of de werkelijke verbruiker van het water in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komt voor een compensatie, als vermeld in artikel l6sexies, § 2, § 3 of § 4, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, als vermeld in artikel 16bis, respectievelijk l6quinquies, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending;
3° de waterzuiveringsinstallaties vermeld in 1° moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van titel I van het Vlarem;
b) gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem;
4° de vrijstelling geldt niet voor waterzuiveringsinstallaties die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering;
5° de heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd in een private waterzuiveringsinstallatie vermeld in 1° en 2° en die bovenstaande vrijstelling wil genieten, moet, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen drie maanden vanaf de verzending van het heffingsbiljet, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient, samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag indienen bij de maatschappij met de volgende bijlagen :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie;
b) een attest uitgereikt door de burgemeester, waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.
Het vermelde attest heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de maatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem, of gewijzigd werd. Indien aan de maatschappij een attest wordt bezorgd als vermeld in het eerste lid, b, kan de maatschappij de heffingsplichtige automatisch vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet.
Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest;
(6°) de maatschappij kan een heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd in een individuele waterzuiveringsinstallatie vermeld in 1° en 2°, automatisch vrijstellen op basis van de inlichtingen ingewonnen bij de gemeenten of, als de installatie gebouwd of beheerd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, op basis van inlichtingen ingewonnen bij de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk. In geval de vrijstelling automatisch wordt toegekend ontvangt de rechthebbende geen heffingsbiljet.
Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de bovenvermelde vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De heffingsplichtigen vermeld in artikelen 35quinquies en 35septies, met uitzondering van deze uitsluitend ressorterend onder de sector 56 van de bijlage bij deze wet, moeten hun aanvraag bij hun aangifte voegen. Alle andere heffingsplichtigen moeten hun aanvraag uiterlijk binnen drie maanden na de verzendingsdatum van het heffingsbiljet bij de maatschappij indienen.
Bij de aanvraag moet een attest uitgereikt door de burgemeester worden gevoegd, of, als de installatie gebouwd of beheerd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, een attest uitgereikt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk waaruit de regelmatige aansluiting van de heffingsplichtige op de individuele waterzuiveringsinstallatie blijkt;
(7°) in afwijking van 5° en 6°, kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde waterzuiveringsinstallatie is uitgerust en onderhouden volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels. "
" § 7. 1° Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 35quater wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in § 1, als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een private waterzuiveringsinstallatie in eigen beheer of gemeenschappelijk beheer, of, in een individuele waterzuiveringsinstallatie gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit.
Deze waterzuiveringinstallaties moeten voldoen aan de voorwaarden vermeld in 3°.
Deze vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het afvalwater dat gezuiverd wordt in de private of individuele waterzuiveringsinstallaties;
(2°) elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in § 1, als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een private of individuele waterzuiveringsinstallatie vermeld in 1°.
Deze vrijstelling heeft enkel betrekking op het huishoudelijk afvalwater ressorterend onder sector 56 uit de bijlage bij deze wet. Deze vrijstelling kan maximaal 30 m3 per persoon, op 1 januari van het heffingsjaar gedomicilieerd in de bedoelde woongelegenheid, bedragen.
De vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid ressorterend onder sector 56 uit de bijlage bij deze wet dat gezuiverd wordt in de private of individuele waterzuiveringsinstallaties vermeld in 1°.
De vrijstelling is niet van toepassing indien de heffingsplichtige of de werkelijke verbruiker van het water in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komt voor een compensatie, als vermeld in artikel l6sexies, § 2, § 3 of § 4, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, als vermeld in artikel 16bis, respectievelijk l6quinquies, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending;
3° de waterzuiveringsinstallaties vermeld in 1° moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van titel I van het Vlarem;
b) gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem;
4° de vrijstelling geldt niet voor waterzuiveringsinstallaties die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering;
5° de heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd in een private waterzuiveringsinstallatie vermeld in 1° en 2° en die bovenstaande vrijstelling wil genieten, moet, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen drie maanden vanaf de verzending van het heffingsbiljet, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient, samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag indienen bij de maatschappij met de volgende bijlagen :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie;
b) een attest uitgereikt door de burgemeester, waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.
Het vermelde attest heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de maatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem, of gewijzigd werd. Indien aan de maatschappij een attest wordt bezorgd als vermeld in het eerste lid, b, kan de maatschappij de heffingsplichtige automatisch vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet.
Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest;
(6°) de maatschappij kan een heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd in een individuele waterzuiveringsinstallatie vermeld in 1° en 2°, automatisch vrijstellen op basis van de inlichtingen ingewonnen bij de gemeenten of, als de installatie gebouwd of beheerd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, op basis van inlichtingen ingewonnen bij de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk. In geval de vrijstelling automatisch wordt toegekend ontvangt de rechthebbende geen heffingsbiljet.
Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de bovenvermelde vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De heffingsplichtigen vermeld in artikelen 35quinquies en 35septies, met uitzondering van deze uitsluitend ressorterend onder de sector 56 van de bijlage bij deze wet, moeten hun aanvraag bij hun aangifte voegen. Alle andere heffingsplichtigen moeten hun aanvraag uiterlijk binnen drie maanden na de verzendingsdatum van het heffingsbiljet bij de maatschappij indienen.
Bij de aanvraag moet een attest uitgereikt door de burgemeester worden gevoegd, of, als de installatie gebouwd of beheerd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, een attest uitgereikt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk waaruit de regelmatige aansluiting van de heffingsplichtige op de individuele waterzuiveringsinstallatie blijkt;
(7°) in afwijking van 5° en 6°, kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde waterzuiveringsinstallatie is uitgerust en onderhouden volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels. "
Art. 27. Dans l'article 35ter de la même loi, le § 7, inséré par le décret du 19 décembre 2003 et modifié par le décret du 24 décembre 2004, est remplacé par la disposition suivante :
" § 7. 1° Une exemption de l'obligation de paiement de la redevance, visée au § 1er, est accordée à chaque redevable, tel que visé à l'article 35quater, dont les eaux usées domestiques provenant de son logement ont été épurées par une installation privée d'épuration des eaux en gestion propre ou en gestion commune ou, par une installation d'épuration des eaux individuelle construite ou exploitée par la commune, la régie communale, l'intercommunale ou une structure de coopération intercommunale, exploitant d'un réseau de distribution d'eau public ou par une entité désignée par la commune suite à une enquête du marché.
Ces installations d'épuration des eaux doivent répondre aux conditions prescrites au point 3°.
Cette exemption est calculée pro rata temporis et n'est octroyée que pour la partie de la redevance portant sur les eaux usées épurées dans les installations d'épuration privées ou individuelles;
2° Une exemption de l'obligation de paiement de la redevance, visée au § 1er, est accordée à chaque redevable, visé à l'article 35quinquies, dont les eaux usées domestiques provenant de son logement ont été épurées par une installation d'épuration privée ou individuelle, visée au point 1°.
Cette exemption n'a trait qu'aux eaux usées domestiques régies par le secteur 56 de l'annexe jointe à la présente loi. Cette exemption est plafonnée à 30 m3 par personne qui est domiciliée dans le logement en question au 1er janvier de l'année d'imposition
L'exemption est calculée pro rata temporis et n'est octroyée que pour la partie de la redevance portant sur les eaux usées domestiques provenant de son logement qui sont régies par le secteur 56 de l'annexe jointe à la présente loi et épurées dans l'installation d'épuration privée ou individuelle, visée au point 1°.
L'exemption n'est pas applicable si le redevable ou le consommateur réel de l'eau, dans l'année précédant l'année d'imposition, est éligible à une compensation, visée à l'article 16sexies, § 2, § 3, ou § 4 du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, pour la contribution supracommunale ou l'indemnité, visées respectivement à l'article 16bis et 16quinquies du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine;
3° L'installation d'épuration des eaux, visée au point 1°, doit répondre aux conditions suivantes :
a) pour autant qu'il s'agit d'une installation incommode aux termes du titre Ier du Vlarem dont l'exploitation a été déclarée et/ou autorisée conformément aux dispositions du titre Ier du Vlarem;
b) être construite et exploitée suivant un code de bonne pratique, conformément aux prescriptions du titre II du Vlarem;
4° L'exemption ne s'applique pas aux installations d'épuration d'eau qui ont été construites après que le logement était raccordable à une installation d'épuration des eaux d'égout. L'exemption vaut pour au maximum cinq ans après que le logement est raccordable aux égouts.
5° Le redevable qui a épuré ses eaux usées domestiques provenant de son logement dans une installation d'épuration privée, visée aux points 1° et 2° et qui souhaite bénéficier de l'exemption susvisée doit, sous peine de déchéance du droit à l'exemption, présenter à la Société dans les trois mois de l'envoi de la feuille d'impôts, ou ensemble avec la déclaration dans le cas où le redevable introduit une déclaration, une demande écrite accompagnée des documents suivants :
a) une copie certifiée conforme de la déclaration ou de l'autorisation courante relative à l'exploitation de l'installation d'épuration, pour autant qu'il s'agisse d'une installation incommode en vertu du titre Ier du Vlarem;
b) une attestation délivrée par le bourgmestre, certifiant que l'installation d'épuration a été construite et est exploitée selon un code de bonne pratique, conformément aux dispositions du Titre II du Vlarem.
L'attestation en question a en tout cas une durée de validité maximale de 5 ans à partir du 1er janvier de l'année pour laquelle le bourgmestre l'a délivrée, à moins que la Société ne dispose de données faisant apparaître que l'infrastructure d'épuration n'a pas été exploitée suivant le code de bonne pratique, conformément aux prescriptions du titre II du Vlarem ou a été modifiée au cours de cette période. Si une attestation a été transmise à la Société comme prévue à l'alinéa 1er, b), la Société peut exempter le redevable automatiquement de la redevance sans que ce dernier doive introduire une demande écrite. Le cas échéant, le redevable ne reçoit pas de feuille d'impôts.
Pour les redevables ayant reçu une feuille d'impôts au cours du délai de validité de l'attestation, l'exemption n'est accordée que sur demande écrite. Cette dernière peut référer à l'attestation antérieurement présentée;
6° La Société peut exempter automatiquement le redevable qui a épuré les eaux usées domestiques provenant de son logement par une installation d'épuration individuelle, visée aux point 1° et 2°, sur la base des renseignements recueillis auprès des communes ou, si l'installation est construite ou gérée par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau, sur la base des renseignements recueillis auprès de l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau. En cas d'octroi automatique de l'exemption, visée à l'alinéa 1er, le bénéficiaire ne reçoit aucune feuille d'impôts.
Pour les redevables ayant reçu une feuille d'impôts, l'exemption, visée à l'alinéa 1er, n'est accordée que moyennant demande écrite. Les redevables visés aux articles 35quinquies et 35septies, à l'exception de ceux régis par le secteur 56 de l'annexe jointe à la présente loi, doivent joindre leur demande à leur déclaration. Tous les autres redevables doivent adresser leur demande à la Société au plus tard dans les trois mois de la date d'envoi de la feuille d'impôts.
La demande doit être accompagnée par une attestation délivrée par le bourgmestre, ou, si l'installation est construite ou gérée par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau, par une attestation délivrée par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau faisant apparaître le raccordement régulier du redevable à l'installation d'épuration individuelle.
7° Par dérogation aux points 5° et 6°, une exemption d'imposition peut être accordée aux redevables dont le logement est équipé d'une installation d'épuration certifiée et entretenue suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand. "
" § 7. 1° Une exemption de l'obligation de paiement de la redevance, visée au § 1er, est accordée à chaque redevable, tel que visé à l'article 35quater, dont les eaux usées domestiques provenant de son logement ont été épurées par une installation privée d'épuration des eaux en gestion propre ou en gestion commune ou, par une installation d'épuration des eaux individuelle construite ou exploitée par la commune, la régie communale, l'intercommunale ou une structure de coopération intercommunale, exploitant d'un réseau de distribution d'eau public ou par une entité désignée par la commune suite à une enquête du marché.
Ces installations d'épuration des eaux doivent répondre aux conditions prescrites au point 3°.
Cette exemption est calculée pro rata temporis et n'est octroyée que pour la partie de la redevance portant sur les eaux usées épurées dans les installations d'épuration privées ou individuelles;
2° Une exemption de l'obligation de paiement de la redevance, visée au § 1er, est accordée à chaque redevable, visé à l'article 35quinquies, dont les eaux usées domestiques provenant de son logement ont été épurées par une installation d'épuration privée ou individuelle, visée au point 1°.
Cette exemption n'a trait qu'aux eaux usées domestiques régies par le secteur 56 de l'annexe jointe à la présente loi. Cette exemption est plafonnée à 30 m3 par personne qui est domiciliée dans le logement en question au 1er janvier de l'année d'imposition
L'exemption est calculée pro rata temporis et n'est octroyée que pour la partie de la redevance portant sur les eaux usées domestiques provenant de son logement qui sont régies par le secteur 56 de l'annexe jointe à la présente loi et épurées dans l'installation d'épuration privée ou individuelle, visée au point 1°.
L'exemption n'est pas applicable si le redevable ou le consommateur réel de l'eau, dans l'année précédant l'année d'imposition, est éligible à une compensation, visée à l'article 16sexies, § 2, § 3, ou § 4 du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, pour la contribution supracommunale ou l'indemnité, visées respectivement à l'article 16bis et 16quinquies du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine;
3° L'installation d'épuration des eaux, visée au point 1°, doit répondre aux conditions suivantes :
a) pour autant qu'il s'agit d'une installation incommode aux termes du titre Ier du Vlarem dont l'exploitation a été déclarée et/ou autorisée conformément aux dispositions du titre Ier du Vlarem;
b) être construite et exploitée suivant un code de bonne pratique, conformément aux prescriptions du titre II du Vlarem;
4° L'exemption ne s'applique pas aux installations d'épuration d'eau qui ont été construites après que le logement était raccordable à une installation d'épuration des eaux d'égout. L'exemption vaut pour au maximum cinq ans après que le logement est raccordable aux égouts.
5° Le redevable qui a épuré ses eaux usées domestiques provenant de son logement dans une installation d'épuration privée, visée aux points 1° et 2° et qui souhaite bénéficier de l'exemption susvisée doit, sous peine de déchéance du droit à l'exemption, présenter à la Société dans les trois mois de l'envoi de la feuille d'impôts, ou ensemble avec la déclaration dans le cas où le redevable introduit une déclaration, une demande écrite accompagnée des documents suivants :
a) une copie certifiée conforme de la déclaration ou de l'autorisation courante relative à l'exploitation de l'installation d'épuration, pour autant qu'il s'agisse d'une installation incommode en vertu du titre Ier du Vlarem;
b) une attestation délivrée par le bourgmestre, certifiant que l'installation d'épuration a été construite et est exploitée selon un code de bonne pratique, conformément aux dispositions du Titre II du Vlarem.
L'attestation en question a en tout cas une durée de validité maximale de 5 ans à partir du 1er janvier de l'année pour laquelle le bourgmestre l'a délivrée, à moins que la Société ne dispose de données faisant apparaître que l'infrastructure d'épuration n'a pas été exploitée suivant le code de bonne pratique, conformément aux prescriptions du titre II du Vlarem ou a été modifiée au cours de cette période. Si une attestation a été transmise à la Société comme prévue à l'alinéa 1er, b), la Société peut exempter le redevable automatiquement de la redevance sans que ce dernier doive introduire une demande écrite. Le cas échéant, le redevable ne reçoit pas de feuille d'impôts.
Pour les redevables ayant reçu une feuille d'impôts au cours du délai de validité de l'attestation, l'exemption n'est accordée que sur demande écrite. Cette dernière peut référer à l'attestation antérieurement présentée;
6° La Société peut exempter automatiquement le redevable qui a épuré les eaux usées domestiques provenant de son logement par une installation d'épuration individuelle, visée aux point 1° et 2°, sur la base des renseignements recueillis auprès des communes ou, si l'installation est construite ou gérée par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau, sur la base des renseignements recueillis auprès de l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau. En cas d'octroi automatique de l'exemption, visée à l'alinéa 1er, le bénéficiaire ne reçoit aucune feuille d'impôts.
Pour les redevables ayant reçu une feuille d'impôts, l'exemption, visée à l'alinéa 1er, n'est accordée que moyennant demande écrite. Les redevables visés aux articles 35quinquies et 35septies, à l'exception de ceux régis par le secteur 56 de l'annexe jointe à la présente loi, doivent joindre leur demande à leur déclaration. Tous les autres redevables doivent adresser leur demande à la Société au plus tard dans les trois mois de la date d'envoi de la feuille d'impôts.
La demande doit être accompagnée par une attestation délivrée par le bourgmestre, ou, si l'installation est construite ou gérée par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau, par une attestation délivrée par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau faisant apparaître le raccordement régulier du redevable à l'installation d'épuration individuelle.
7° Par dérogation aux points 5° et 6°, une exemption d'imposition peut être accordée aux redevables dont le logement est équipé d'une installation d'épuration certifiée et entretenue suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand. "
Art. 28. In artikel 35ter van dezelfde wet worden in § 8, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2003, en gewijzigd bij de decreten van 24 december 2004 en 19 mei 2006, de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "een voor eensluidend verklaard afschrift van de melding of lopende vergunning" worden vervangen door de woorden "een afschrift van de melding of lopende vergunning";
2° de woorden "Het bedoelde attest heeft een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de burgemeester het attest afleverde" worden vervangen door de woorden "Het vermelde attest heeft een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt".
1° de woorden "een voor eensluidend verklaard afschrift van de melding of lopende vergunning" worden vervangen door de woorden "een afschrift van de melding of lopende vergunning";
2° de woorden "Het bedoelde attest heeft een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de burgemeester het attest afleverde" worden vervangen door de woorden "Het vermelde attest heeft een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt".
Art. 28. L'article 35ter, § 8 de la même loi, inséré par le décret du 19 décembre 2003 et modifié par les décrets des 24 décembre 2004 et 19 mai 2006, est modifié comme suit :
1° les mots "une copie certifiée conforme de la déclaration ou de l'autorisation courante" sont remplacés par les mots "une copie de la déclaration ou de l'autorisation courante";
2° les mots "L'attestation en question a une durée de validité de 5 ans à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle le bourgmestre l'a délivrée" sont remplacés par les mots "L'attestation en question a une durée de validité maximale de cinq ans à partir du 1er janvier de l'année pour laquelle le bourgmestre l'a délivrée".
1° les mots "une copie certifiée conforme de la déclaration ou de l'autorisation courante" sont remplacés par les mots "une copie de la déclaration ou de l'autorisation courante";
2° les mots "L'attestation en question a une durée de validité de 5 ans à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle le bourgmestre l'a délivrée" sont remplacés par les mots "L'attestation en question a une durée de validité maximale de cinq ans à partir du 1er janvier de l'année pour laquelle le bourgmestre l'a délivrée".
Art. 29. In artikel 35ter van dezelfde wet wordt § 9, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2003 en gewijzigd bij het decreet van 24 december 2004, vervangen door wat volgt :
" § 9. De persoon vermeld in § 5bis en § 6 kan de compensatie vermeld in § 5bis en § 6 niet verkrijgen voor zijn aandeel van het waterverbruik waarvan de heffingsplichtige vermeld in § 5 en § 7 of de instelling vermeld in § 8 werd vrijgesteld. "
" § 9. De persoon vermeld in § 5bis en § 6 kan de compensatie vermeld in § 5bis en § 6 niet verkrijgen voor zijn aandeel van het waterverbruik waarvan de heffingsplichtige vermeld in § 5 en § 7 of de instelling vermeld in § 8 werd vrijgesteld. "
Art. 29. Dans l'article 35ter de la même loi, le § 9, inséré par le décret du 19 décembre 2003 et modifié par le décret du 24 décembre 2004, est remplacé par la disposition suivante :
" § 9. La personne visée aux §§ 5bis et 6 ne peut pas obtenir la compensation visée aux §§ 5bis et 6, pour sa quote-part dans la consommation d'eau dont le redevable, visé aux §§ 5 et 7 ou l'institution, visée au § 8 a été exemptée. "
" § 9. La personne visée aux §§ 5bis et 6 ne peut pas obtenir la compensation visée aux §§ 5bis et 6, pour sa quote-part dans la consommation d'eau dont le redevable, visé aux §§ 5 et 7 ou l'institution, visée au § 8 a été exemptée. "
Art. 30. Artikel 35vicies van dezelfde wet, gewijzigd bij decreet van 22 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 35vicies
§ 1. Het bedrag van de heffing, zoals bepaald in artikel 35ter, wordt voor de sectoren 45.a, 45.b, 45.c, 45.d, 51.a en 51.b, zoals omschreven in de bijlage bij deze wet, vermenigvuldigd met volgende coëfficiënten :
- 0,7 voor het heffingsjaar 2003;
- 0,775 voor het heffingsjaar 2004;
- 0,850 voor het heffingsjaar 2005 en volgende.
§ 2. Het bedrag van de heffing, zoals bepaald in artikel 35ter, wordt voor de sectoren 57, zoals omschreven in de bijlage bij deze wet, vermenigvuldigd met volgende coëfficiënten :
- 0,957 voor het heffingsjaar 2006;
- 0,828 voor het heffingsjaar 2007;
- 0,720 voor het heffingsjaar 2008 en volgende. "
" Artikel 35vicies
§ 1. Het bedrag van de heffing, zoals bepaald in artikel 35ter, wordt voor de sectoren 45.a, 45.b, 45.c, 45.d, 51.a en 51.b, zoals omschreven in de bijlage bij deze wet, vermenigvuldigd met volgende coëfficiënten :
- 0,7 voor het heffingsjaar 2003;
- 0,775 voor het heffingsjaar 2004;
- 0,850 voor het heffingsjaar 2005 en volgende.
§ 2. Het bedrag van de heffing, zoals bepaald in artikel 35ter, wordt voor de sectoren 57, zoals omschreven in de bijlage bij deze wet, vermenigvuldigd met volgende coëfficiënten :
- 0,957 voor het heffingsjaar 2006;
- 0,828 voor het heffingsjaar 2007;
- 0,720 voor het heffingsjaar 2008 en volgende. "
Art. 30. L'article 35vicies de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 35vicies.
§ 1er. Le montant de la redevance, tel que fixé à l'article 35ter est multiplié, en ce qui concerne les secteurs 45.a, 45.b, 45.c, 45.d, 51.a et 51.b, tels que définis en annexe à ladite loi, par les coefficients suivants :
- 0,7 pour l'année d'imposition 2003;
- 0,775 pour l'année d'imposition 2004;
- 0,850 pour l'année d'imposition 2005 et suivants.
§ 2. Le montant de la redevance, tel que fixé à l'article 35ter est multiplié, en ce qui concerne les secteurs 57, tels que définis en annexe à ladite loi, par les coefficients suivants :
- 0,957 pour l'année d'imposition 2006;
- 0,828 pour l'année d'imposition 2007;
- 0,720 pour l'année d'imposition 2008 et suivants. "
" Article 35vicies.
§ 1er. Le montant de la redevance, tel que fixé à l'article 35ter est multiplié, en ce qui concerne les secteurs 45.a, 45.b, 45.c, 45.d, 51.a et 51.b, tels que définis en annexe à ladite loi, par les coefficients suivants :
- 0,7 pour l'année d'imposition 2003;
- 0,775 pour l'année d'imposition 2004;
- 0,850 pour l'année d'imposition 2005 et suivants.
§ 2. Le montant de la redevance, tel que fixé à l'article 35ter est multiplié, en ce qui concerne les secteurs 57, tels que définis en annexe à ladite loi, par les coefficients suivants :
- 0,957 pour l'année d'imposition 2006;
- 0,828 pour l'année d'imposition 2007;
- 0,720 pour l'année d'imposition 2008 et suivants. "
Afdeling III. - Water bestemd voor menselijke aanwending.
Section III. - Eaux destinées à la consommation humaine.
Art. 31. In artikel 2 van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending wordt punt 20°, ingevoegd bij decreet van 24 december 2004, vervangen door wat volgt :
" 20° gemeentelijke saneringsverplichting : elke verplichting inzake collectieve sanering die op de gemeenten rust. Indien de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit eveneens instaat voor de bouw of exploitatie van individuele waterzuiveringsinstallaties maakt ook deze individuele sanering een integraal onderdeel uit van de gemeentelijke saneringsverplichting; ".
" 20° gemeentelijke saneringsverplichting : elke verplichting inzake collectieve sanering die op de gemeenten rust. Indien de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit eveneens instaat voor de bouw of exploitatie van individuele waterzuiveringsinstallaties maakt ook deze individuele sanering een integraal onderdeel uit van de gemeentelijke saneringsverplichting; ".
Art. 31. Dans l'article 2 du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, le point 20°, inséré par le décret du 24 décembre 2004, est remplacé par las dispositions suivantes :
" 20° obligation d'assainissement communale : toute obligation en matière d'assainissement collectif incombant aux communes. Si la commune, la régie communale, l'intercommunale ou la structure de coopération intercommunale, l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ou une entité désignée par la commune après enquête du marché, assure également la construction ou l'exploitation d'installations d'épuration d'eau individuelle, cet assainissement individuel fait également partie intégrante de l'obligation d'assainissement communale;"
" 20° obligation d'assainissement communale : toute obligation en matière d'assainissement collectif incombant aux communes. Si la commune, la régie communale, l'intercommunale ou la structure de coopération intercommunale, l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ou une entité désignée par la commune après enquête du marché, assure également la construction ou l'exploitation d'installations d'épuration d'eau individuelle, cet assainissement individuel fait également partie intégrante de l'obligation d'assainissement communale;"
Art. 32. In artikel 2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 24 december 2004, wordt een punt 24° ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 24° gebruiker van een private waterwinning : de persoon die een private waterwinning voor water, bestemd voor menselijke aanwending, in gebruik heeft;".
" 24° gebruiker van een private waterwinning : de persoon die een private waterwinning voor water, bestemd voor menselijke aanwending, in gebruik heeft;".
Art. 32. Dans l'article 2 du même décret, modifié par le décret du 24 décembre 2004, il est inséré un point 24°, rédigé comme suit :
" 24° utilisateur d'un captage d'eau privé : la personne qui fait usage d'un captage d'eau privé pour obtenir des eaux destinées à l'utilisation humaine;".
" 24° utilisateur d'un captage d'eau privé : la personne qui fait usage d'un captage d'eau privé pour obtenir des eaux destinées à l'utilisation humaine;".
Art. 33. In artikel 2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 24 december 2004, wordt een punt 25° ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 25° individuele sanering : alle installaties, met inbegrip van de leidingen die hiermee rechtstreeks in verbinding staan en die de verbinding maken tussen de installatie en het eigendom van de abonnee of gebruiker van een private waterwinning, waar uitsluitend huishoudelijk afvalwater afkomstig van een of meerdere woongelegenheden gezuiverd wordt en die de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit heeft gebouwd of exploiteert; ".
" 25° individuele sanering : alle installaties, met inbegrip van de leidingen die hiermee rechtstreeks in verbinding staan en die de verbinding maken tussen de installatie en het eigendom van de abonnee of gebruiker van een private waterwinning, waar uitsluitend huishoudelijk afvalwater afkomstig van een of meerdere woongelegenheden gezuiverd wordt en die de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit heeft gebouwd of exploiteert; ".
Art. 33. Dans l'article 2 du même décret, modifié par le décret du 24 décembre 2004, il est inséré un point 25°, rédigé comme suit :
" 25° assainissement individuel : toutes installations, y compris les canalisations qui y sont directement raccordées et qui assurent la liaison entre l'installation et la propriété de l'abonné ou de l'utilisateur d'un captage d'eau privé, qui assurent exclusivement l'épuration des eaux usées domestiques provenant d'un ou plusieurs logements et qui ont été construites ou sont exploitées par la commune, la régie communale, l'intercommunale ou la structure de coopération intercommunale, l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ou une entité désignée par la commune après enquête du marché;".
" 25° assainissement individuel : toutes installations, y compris les canalisations qui y sont directement raccordées et qui assurent la liaison entre l'installation et la propriété de l'abonné ou de l'utilisateur d'un captage d'eau privé, qui assurent exclusivement l'épuration des eaux usées domestiques provenant d'un ou plusieurs logements et qui ont été construites ou sont exploitées par la commune, la régie communale, l'intercommunale ou la structure de coopération intercommunale, l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ou une entité désignée par la commune après enquête du marché;".
Art. 34. In artikel 2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 24 december 2004, wordt een punt 26° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 26° collectieve sanering : de sanering op gemeentelijk vlak uitgezonderd de individuele sanering. "
" 26° collectieve sanering : de sanering op gemeentelijk vlak uitgezonderd de individuele sanering. "
Art. 34. Dans l'article 2 du même décret, modifié par le décret du 24 décembre 2004, il est inséré un point 26°, rédigé comme suit :
" 26° assainissement collectif : l'assainissement au niveau communal à l'exception de l'assainissement individuel. "
" 26° assainissement collectif : l'assainissement au niveau communal à l'exception de l'assainissement individuel. "
Art. 35. In artikel 3, § 3, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 24 december 2004 en 23 december 2005, worden na de woorden "artikel 16quinquies," de woorden "artikel l6sexies," ingevoegd.
Art. 35. Dans l'article 3, § 3, du même décret, modifié par les décrets des 24 décembre 2004 et 23 décembre 2005, les mots "l'article 16sexies " sont insérés après les mots "l'article 16quinquies ".
Art. 36. In artikel 16bis van hetzelfde decreet wordt § 3, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2005 en 22 december 2006, vervangen door wat volgt :
" § 3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de economische toezichthouder het tarief van de bijdrage in functie van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen.
Het tarief van de bijdrage voor de collectieve sanering op gemeentelijke vlak mag ten opzichte van het tarief van de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak maximaal :
- 1,5 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2005 en 2006;
- 1,4 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2007;
- 1,4 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2008.
Het tarief van de bijdrage voor de individuele sanering op gemeentelijk vlak mag ten opzichte van het tarief van de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak maximaal 2,4 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2008.
De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.
Bij het bepalen van de bovengemeentelijke en gemeentelijke bijdrage in de kosten voor de collectieve sanering en de gemeentelijke bijdrage in de kosten voor de individuele sanering wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen :
1° de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het 'de vervuiler betaalt'-beginsel;
2° de collectieve respectievelijk individuele saneringskost per m3 water;
3° een aandeel van de niet-inbare bijdragen;
4° een aandeel voor de door de gemeente respectievelijk het Vlaamse Gewest opgelegde vrijstellingen of sociale correcties;
5° de door de gemeente respectievelijk het Vlaamse Gewest toegekende tussenkomst in de financiering;
6° het aandeel van de kosten veroorzaakt door het lozen van water niet afkomstig van een openbaar waterdistributienetwerk.
De economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen inzake de bijdrage die aan de abonnees worden aangerekend. De Vlaamse Regering kan daartoe de voorwaarden bepalen. "
" § 3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de economische toezichthouder het tarief van de bijdrage in functie van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen.
Het tarief van de bijdrage voor de collectieve sanering op gemeentelijke vlak mag ten opzichte van het tarief van de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak maximaal :
- 1,5 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2005 en 2006;
- 1,4 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2007;
- 1,4 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2008.
Het tarief van de bijdrage voor de individuele sanering op gemeentelijk vlak mag ten opzichte van het tarief van de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak maximaal 2,4 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2008.
De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.
Bij het bepalen van de bovengemeentelijke en gemeentelijke bijdrage in de kosten voor de collectieve sanering en de gemeentelijke bijdrage in de kosten voor de individuele sanering wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen :
1° de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het 'de vervuiler betaalt'-beginsel;
2° de collectieve respectievelijk individuele saneringskost per m3 water;
3° een aandeel van de niet-inbare bijdragen;
4° een aandeel voor de door de gemeente respectievelijk het Vlaamse Gewest opgelegde vrijstellingen of sociale correcties;
5° de door de gemeente respectievelijk het Vlaamse Gewest toegekende tussenkomst in de financiering;
6° het aandeel van de kosten veroorzaakt door het lozen van water niet afkomstig van een openbaar waterdistributienetwerk.
De economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen inzake de bijdrage die aan de abonnees worden aangerekend. De Vlaamse Regering kan daartoe de voorwaarden bepalen. "
Art. 36. Dans l'article 16bis du même décret, le § 3, inséré par le décret du 24 décembre 2004 et modifié par les décrets des 23 décembre 2005 et 22 décembre 2006, est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau détermine le tarif de la contribution, sous le contrôle du contrôleur économique, en fonction des coûts à sa charge pour respecter son obligation d'assainissement au niveau communal et supracommunal.
Le tarif de la contribution pour l'assainissement collectif au niveau communal peut être, par rapport au tarif de la contribution pour l'assainissement au niveau supracommunal :
- 1,5 fois supérieur pour l'eau consommée en 2005 et 2006;
- 1,4 fois supérieur pour l'eau consommée en 2007;
- 1,4 fois supérieur pour l'eau consommée en 2008;
Le tarif de la contribution pour l'assainissement individuel au niveau communal peut être, par rapport au tarif de la contribution pour l'assainissement au niveau supracommunal, au maximum 2,4 fois supérieur pour l'eau consommée en 2008.
La contribution pour l'assainissement au niveau communal est affectée au financement de l'obligation d'assainissement communal.
La détermination de la contribution supracommunale et communale dans le coût de l'assainissement collectif et la contribution communale dans le coût de l'assainissement individuel tient compte au moins des éléments suivants :
1° la pollution causée par l'abonné, conformément au principe "le pollueur paie";
2° les frais d'assainissement respectivement collectif ou individuel par m3 d'eau;
3° une quote-part des contributions non percevables;
4° une quote-part pour les exemptions ou corrections sociales imposées respectivement par la commune ou la Région flamande;
5° l'intervention dans le financement accordée respectivement par la commune ou la Région flamande;
6° la quote-part du coût causé par le déversement d'eau ne provenant pas d'un réseau public de distribution d'eau.
Le contrôleur économique peut imposer pour des raisons économiques, écologiques et sociales, des restrictions en matière de contribution à charge des abonnés. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités à cet effet. ".
" § 3. L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau détermine le tarif de la contribution, sous le contrôle du contrôleur économique, en fonction des coûts à sa charge pour respecter son obligation d'assainissement au niveau communal et supracommunal.
Le tarif de la contribution pour l'assainissement collectif au niveau communal peut être, par rapport au tarif de la contribution pour l'assainissement au niveau supracommunal :
- 1,5 fois supérieur pour l'eau consommée en 2005 et 2006;
- 1,4 fois supérieur pour l'eau consommée en 2007;
- 1,4 fois supérieur pour l'eau consommée en 2008;
Le tarif de la contribution pour l'assainissement individuel au niveau communal peut être, par rapport au tarif de la contribution pour l'assainissement au niveau supracommunal, au maximum 2,4 fois supérieur pour l'eau consommée en 2008.
La contribution pour l'assainissement au niveau communal est affectée au financement de l'obligation d'assainissement communal.
La détermination de la contribution supracommunale et communale dans le coût de l'assainissement collectif et la contribution communale dans le coût de l'assainissement individuel tient compte au moins des éléments suivants :
1° la pollution causée par l'abonné, conformément au principe "le pollueur paie";
2° les frais d'assainissement respectivement collectif ou individuel par m3 d'eau;
3° une quote-part des contributions non percevables;
4° une quote-part pour les exemptions ou corrections sociales imposées respectivement par la commune ou la Région flamande;
5° l'intervention dans le financement accordée respectivement par la commune ou la Région flamande;
6° la quote-part du coût causé par le déversement d'eau ne provenant pas d'un réseau public de distribution d'eau.
Le contrôleur économique peut imposer pour des raisons économiques, écologiques et sociales, des restrictions en matière de contribution à charge des abonnés. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités à cet effet. ".
Art. 37. In artikel 16ter van hetzelfde decreet, wordt § 3, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004, opgeheven.
Art. 37. A l'article 16ter du même décret, le § 3, inséré par le décret du 24 décembre 2004, est abrogé.
Art. 38. Artikel 16quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 16quater
De tarieven van de bijdragen voor de gemeentelijke saneringsverplichting vermeld in artikel l6bis, § 3, maken deel uit van de overeenkomsten vermeld in artikel 6bis, § 3. "
" Artikel 16quater
De tarieven van de bijdragen voor de gemeentelijke saneringsverplichting vermeld in artikel l6bis, § 3, maken deel uit van de overeenkomsten vermeld in artikel 6bis, § 3. "
Art. 38. L'article 16quater du même décret, inséré par le décret du 24 décembre 2004, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 16quater.
Les tarifs des contributions pour l'obligation d'assainissement communale, visées à l'article 16bis, § 3, font partie intégrante des conventions, visées à l'article 6bis, § 3. "
" Article 16quater.
Les tarifs des contributions pour l'obligation d'assainissement communale, visées à l'article 16bis, § 3, font partie intégrante des conventions, visées à l'article 6bis, § 3. "
Art. 39. In artikel 16quinquies van hetzelfde decreet worden §§ 1 en 2, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2005, vervangen door wat volgt :
" § 1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het uit de private waterwinning afkomstige afvalwater.
De bepalingen van artikelen 16bis, §§ 3 en 4, 16ter, 16sexies en 25, zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Als een vergoeding als vermeld in § 1 wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald overeenkomstig artikel 16ter, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m3 water opgenomen via de private waterwinning. Het water opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikelen 35quater, § 1, 2°, 35quater, § 1, 3°, 35quinquies, § 12, of 35septies, § 2, van de wet van 26 maart 1971. ".
" § 1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het uit de private waterwinning afkomstige afvalwater.
De bepalingen van artikelen 16bis, §§ 3 en 4, 16ter, 16sexies en 25, zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Als een vergoeding als vermeld in § 1 wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald overeenkomstig artikel 16ter, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m3 water opgenomen via de private waterwinning. Het water opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikelen 35quater, § 1, 2°, 35quater, § 1, 3°, 35quinquies, § 12, of 35septies, § 2, van de wet van 26 maart 1971. ".
Art. 39. Dans l'article 16quinquies du même décret, les §§ 1er et 2, insérés par le décret du 23 décembre 2005, sont remplacés par les dispositions suivantes :
" § 1er. L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau peut imputer une indemnité à l'utilisateur d'un captage d'eau privé en tant que contribution dans le coût de l'assainissement des eaux usées provenant du captage d'eau privé.
Les dispositions des articles 16bis, §§ 3 et 4, 16ter, 16sexies et 25 s'appliquent par analogie à l'indemnité visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Lorsqu'une indemnité, telle que visée au § 1er, est imputée pour l'assainissement supracommunal, son montant est déterminé conformément à l'article 16ter, étant entendu que Q est dans ce cas égal au nombre de m3 d'eau prélevés par le captage d'eau privé. L'eau captée par le captage d'eau privé est déterminée conformément à l'article 35quater, § 1er, 2°, l'article 35quater § 1er, 3°, l'article 35quinquies, § 12 ou l'article 35septies, § 2, de la loi du 26 mars 1971. "
" § 1er. L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau peut imputer une indemnité à l'utilisateur d'un captage d'eau privé en tant que contribution dans le coût de l'assainissement des eaux usées provenant du captage d'eau privé.
Les dispositions des articles 16bis, §§ 3 et 4, 16ter, 16sexies et 25 s'appliquent par analogie à l'indemnité visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Lorsqu'une indemnité, telle que visée au § 1er, est imputée pour l'assainissement supracommunal, son montant est déterminé conformément à l'article 16ter, étant entendu que Q est dans ce cas égal au nombre de m3 d'eau prélevés par le captage d'eau privé. L'eau captée par le captage d'eau privé est déterminée conformément à l'article 35quater, § 1er, 2°, l'article 35quater § 1er, 3°, l'article 35quinquies, § 12 ou l'article 35septies, § 2, de la loi du 26 mars 1971. "
Art. 40. In artikel 16quinquies van hetzelfde decreet wordt § 3, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2005, vervangen als volgt :
" § 3. De tarieven van de vergoeding voor de gemeentelijke saneringsverplichting vermeld in § 1, maken deel uit van de overeenkomsten bedoeld in artikel 6bis, § 3. "
" § 3. De tarieven van de vergoeding voor de gemeentelijke saneringsverplichting vermeld in § 1, maken deel uit van de overeenkomsten bedoeld in artikel 6bis, § 3. "
Art. 40. Dans l'article 16quinquies du même décret, le § 3, inséré par le décret du 23 décembre 2005, est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Les tarifs de l'indemnité pour l'obligation d'assainissement communale, visée à l'article 16bis, § 1er, font partie intégrante des conventions, visées à l'article 6bis, § 3. "
" § 3. Les tarifs de l'indemnité pour l'obligation d'assainissement communale, visée à l'article 16bis, § 1er, font partie intégrante des conventions, visées à l'article 6bis, § 3. "
Art. 41. In artikel 16quinquies van hetzelfde decreet wordt § 4, eerste lid, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2005, als volgt aangevuld :
" na bekendmaking van het definitieve zoneringsplan, als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen, worden wooninrichtingen gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur. "
" na bekendmaking van het definitieve zoneringsplan, als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen, worden wooninrichtingen gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur. "
Art. 41. Dans l'article 16quinquies du même décret, le § 4, alinéa 1er, inséré par le décret du 23 décembre 2005, est complété par la disposition suivante :
" Après la publication du plan de zonage définitif, visée à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2006 fixant les règles de séparation entre l'obligation d'assainissement communale et supracommunale et la fixation des plans de zonage, les établissements de logement situés dans la zone centrale ou dans l'espace rural collectivement optimalisé sont présumés irréfragablement raccordés à l'infrastructure d'assainissement supracommunale. "
" Après la publication du plan de zonage définitif, visée à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2006 fixant les règles de séparation entre l'obligation d'assainissement communale et supracommunale et la fixation des plans de zonage, les établissements de logement situés dans la zone centrale ou dans l'espace rural collectivement optimalisé sont présumés irréfragablement raccordés à l'infrastructure d'assainissement supracommunale. "
Art. 42. In artikel 16quinquies van hetzelfde decreet wordt § 4, tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2005, als volgt aangevuld :
" na bekendmaking van het definitieve zoneringsplan, als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen, worden wooninrichtingen gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de gemeentelijke collectieve saneringsinfrastructuur. "
" na bekendmaking van het definitieve zoneringsplan, als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen, worden wooninrichtingen gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de gemeentelijke collectieve saneringsinfrastructuur. "
Art. 42. Dans l'article 16quinquies du même décret, le § 4, alinéa deux, inséré par le décret du 23 décembre 2005, est complété par la disposition suivante :
" Après la publication du plan de zonage définitif, visée à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2006 fixant les règles de séparation entre l'obligation d'assainissement communale et supracommunale et la fixation des plans de zonage, les établissements de logement situés dans la zone centrale ou dans l'espace rural collectivement optimalisé sont présumés irréfragablement raccordés à l'infrastructure d'assainissement supracommunale. "
" Après la publication du plan de zonage définitif, visée à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2006 fixant les règles de séparation entre l'obligation d'assainissement communale et supracommunale et la fixation des plans de zonage, les établissements de logement situés dans la zone centrale ou dans l'espace rural collectivement optimalisé sont présumés irréfragablement raccordés à l'infrastructure d'assainissement supracommunale. "
Art. 43. In hoofdstuk V van hetzelfde decreet gewijzigd bij de decreten van 24 december 2004 en 23 december 2005 wordt een afdeling VI, bestaande uit artikel 16sexies, ingevoegd, die luidt als volgt :
" Afdeling VI. - Vrijstelling en compensatie
Art. 16sexies. § 1. De abonnee, respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 35quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971, wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk vrijgesteld van de betaling van de bijdrage, respectievelijk de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikel 16bis, respectievelijk 16quinquies, als hij zelf op 1 januari van een kalenderjaar een van de volgende tegemoetkomingen geniet :
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De vrijstelling als vermeld in het eerste lid geldt ook voor de abonnee en de gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 35quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971, met een gezinslid, gedomicilieerd op hetzelfde adres, dat op 1 januari van het kalenderjaar onder een van de categorieën, vermeld in het eerste lid, valt. Voor de toepassing van de vrijstelling worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.
De vrijstelling wordt pro rata temporis toegekend op het verbruik van hetzelfde kalenderjaar en wordt uitsluitend verleend voor het verbruik op het wettelijke domicilie van de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in het eerste of tweede lid.
De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kent aan de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in het eerste of het tweede lid, automatisch een vrijstelling toe op grond van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in het eerste lid, toekennen.
Als de vrijstelling niet automatisch wordt toegekend op basis van de vermelde inlichtingen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Bij die schriftelijke aanvraag tot vrijstelling moet een van de volgende documenten gevoegd worden :
1° een attest, uitgereikt door de Rijksdienst voor Pensioenen, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde vermeld in het eerste of het tweede lid, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde vermeld in het eerste of het tweede lid, een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde vermeld in het eerste of tweede lid, de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
De schriftelijke aanvraag tot vrijstelling moet op straffe van verval van het recht op vrijstelling, uiterlijk op 31 december van hetzelfde kalenderjaar waarop het bijgevoegde attest betrekking heeft, bij de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk worden ingediend.
§ 2. Als in een gebouw minstens één gezin is gedomicilieerd, aan wie de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikelen 16bis en 16quinquies, niet rechtstreeks door de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk wordt aangerekend, geldt in afwijking van § 1 de volgende regeling : de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk verleent aan elk in dat gebouw gedomicilieerd gezin, waarvan een gezinslid op 1 januari van het kalenderjaar tot een van de categorieën vermeld in § 1, eerste lid, behoort, een compensatie voor hun aandeel in de bijdrage of vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in § 3.
§ 3. Elke verbruiker die de vrijstelling, vermeld in § 1 niet kan genieten, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikelen 16bis en 16quinquies, voor hetzelfde kalenderjaar als hij zelf op 1 januari van een kalenderjaar een van de volgende tegemoetkomingen geniet :
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De compensatie wordt uitsluitend verleend voor het verbruik op het wettelijke domicilie van de verbruiker op 1 januari van hetzelfde kalenderjaar. Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend, die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin. Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.
De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kent aan de compensatiegerechtigde, vermeld in het eerste lid, automatisch een compensatie toe op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in het eerste lid toekennen als de compensatiegerechtigde, vermeld in het eerste lid, de nodige inlichtingen aan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bezorgt uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin die laatste de inlichtingen bij hem heeft opgevraagd.
Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de vermelde inlichtingen, wordt de compensatie enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Bij die schriftelijke aanvraag tot compensatie moet één van de volgende documenten gevoegd zijn :
1° een attest, uitgereikt door de Rijksdienst voor Pensioenen, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde vermeld in het eerste lid, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde vermeld in het eerste lid, een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde vermeld in het eerste lid, de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
De schriftelijke aanvraag tot compensatie moet op straffe van verval van het recht op compensatie, uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarop het bijgevoegde attest betrekking heeft, ingediend worden bij de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk van het verzorgingsgebied waar het desbetreffende gebouw ligt.
Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald :
T = M x 0,75 x P;
waarbij :
1° T = de compensatie;
2° M = het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het kalenderjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
3° P = de prijs per vervuilingseenheid als vermeld in artikel 16ter, § 1.
De in het eerste lid vermelde verbruiker heeft geen recht op vermelde compensatie als zijn verbruik werd of kan worden vrijgesteld van betaling van de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting overeenkomstig § 1.
§ 4. De abonnee, respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning, vermeld in artikel 35quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971 die al het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd in een private waterzuiveringsinstallatie in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer, of, in een individuele waterzuiveringsinstallatie gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit en die aan de voorwaarden vermeld in het derde lid voldoet, wordt door de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk vrijgesteld van betaling van de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting vermeld in respectievelijk artikel 16bis en 16quinquies.
Elke verbruiker die al het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd op de wijze als vermeld in het eerste lid, en die niet kan genieten van de vrijstelling bepaald in het eerste lid, heeft recht op een compensatie in zijn aandeel in de bijdrage en/of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting vermeld in respectievelijk artikel 16bis en 16quinquies volgens de voorwaarden vermeld in § 3, tweede lid, en die berekend wordt zoals bepaald in § 3, vijfde lid.
De waterzuiveringsinstallaties moeten cumulatief voldoen aan de volgende voorwaarden :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het reglement betreffende de milieuvergunning als hinderlijk ingedeelde inrichting, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en voormeld besluit;
b) gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
De vrijstelling vermeld in het eerste lid of de compensatie vermeld in het tweede lid kan eveneens worden toegekend aan de abonnee of de gebruiker van een private waterwinning waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde waterzuiveringsinstallatie is uitgerust en onderhouden volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.
De vrijstelling respectievelijk de compensatie geldt niet voor waterzuiveringsinstallaties die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De vrijstelling geldt maximaal vijfjaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering.
Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk instaat voor de bouw of exploitatie van de individuele waterzuiveringsinstallaties kent de exploitant automatisch de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, of de compensatie, vermeld in het tweede lid, toe voor zover de installatie voldoet aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
In alle overige gevallen dient de vrijstellingsgerechtigde, respectievelijk de compensatiegerechtigde die de vrijstelling, respectievelijk de compensatie vermeld in deze paragraaf wil genieten, een schriftelijke aanvraag in. Bij die aanvraag moeten volgende documenten gevoegd zijn :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het reglement betreffende de milieuvergunning als hinderlijk ingedeelde inrichting, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie;
b) een attest uitgereikt door de burgemeester waaruit blijkt dat de zuiveringsinstallatie is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
Het bedoelde attest heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, of substantieel werd gewijzigd.
De schriftelijke aanvraag moet op straffe van verval van het recht op vrijstelling, respectievelijk compensatie binnen de twaalf maand na aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding door de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk bij de exploitant worden ingediend.
De vrijstelling, respectievelijk de compensatie wordt pro rata temporis toegekend op het verbruik vanaf de datum van ingebruikname van de waterzuiveringsinstallatie.
De compensatiegerechtigden vermeld in §§ 2 en 3 hebben geen recht op de compensatie vermeld in § 3 als hun verbruik werd of kan worden vrijgesteld van betaling van de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, of als zij al een tegemoetkoming in de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijk saneringsverplichting genieten of kunnen genieten overeenkomstig deze paragraaf.
§ 5. Met betrekking tot de bijdrage en de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikelen 16bis en 16quinquies, kan de Vlaamse Regering een correctie bepalen, waarmee de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekening moet houden om economische of ecologische redenen. Die correctie kan gaan van een vermindering tot een vrijstelling van de bijdrage van de abonnee of de vergoeding van de gebruiker van de private waterwinning. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor die correcties. "
" Afdeling VI. - Vrijstelling en compensatie
Art. 16sexies. § 1. De abonnee, respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 35quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971, wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk vrijgesteld van de betaling van de bijdrage, respectievelijk de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikel 16bis, respectievelijk 16quinquies, als hij zelf op 1 januari van een kalenderjaar een van de volgende tegemoetkomingen geniet :
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De vrijstelling als vermeld in het eerste lid geldt ook voor de abonnee en de gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 35quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971, met een gezinslid, gedomicilieerd op hetzelfde adres, dat op 1 januari van het kalenderjaar onder een van de categorieën, vermeld in het eerste lid, valt. Voor de toepassing van de vrijstelling worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.
De vrijstelling wordt pro rata temporis toegekend op het verbruik van hetzelfde kalenderjaar en wordt uitsluitend verleend voor het verbruik op het wettelijke domicilie van de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in het eerste of tweede lid.
De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kent aan de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in het eerste of het tweede lid, automatisch een vrijstelling toe op grond van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in het eerste lid, toekennen.
Als de vrijstelling niet automatisch wordt toegekend op basis van de vermelde inlichtingen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Bij die schriftelijke aanvraag tot vrijstelling moet een van de volgende documenten gevoegd worden :
1° een attest, uitgereikt door de Rijksdienst voor Pensioenen, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde vermeld in het eerste of het tweede lid, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde vermeld in het eerste of het tweede lid, een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde vermeld in het eerste of tweede lid, de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
De schriftelijke aanvraag tot vrijstelling moet op straffe van verval van het recht op vrijstelling, uiterlijk op 31 december van hetzelfde kalenderjaar waarop het bijgevoegde attest betrekking heeft, bij de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk worden ingediend.
§ 2. Als in een gebouw minstens één gezin is gedomicilieerd, aan wie de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikelen 16bis en 16quinquies, niet rechtstreeks door de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk wordt aangerekend, geldt in afwijking van § 1 de volgende regeling : de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk verleent aan elk in dat gebouw gedomicilieerd gezin, waarvan een gezinslid op 1 januari van het kalenderjaar tot een van de categorieën vermeld in § 1, eerste lid, behoort, een compensatie voor hun aandeel in de bijdrage of vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in § 3.
§ 3. Elke verbruiker die de vrijstelling, vermeld in § 1 niet kan genieten, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikelen 16bis en 16quinquies, voor hetzelfde kalenderjaar als hij zelf op 1 januari van een kalenderjaar een van de volgende tegemoetkomingen geniet :
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De compensatie wordt uitsluitend verleend voor het verbruik op het wettelijke domicilie van de verbruiker op 1 januari van hetzelfde kalenderjaar. Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend, die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin. Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.
De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kent aan de compensatiegerechtigde, vermeld in het eerste lid, automatisch een compensatie toe op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in het eerste lid toekennen als de compensatiegerechtigde, vermeld in het eerste lid, de nodige inlichtingen aan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bezorgt uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin die laatste de inlichtingen bij hem heeft opgevraagd.
Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de vermelde inlichtingen, wordt de compensatie enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Bij die schriftelijke aanvraag tot compensatie moet één van de volgende documenten gevoegd zijn :
1° een attest, uitgereikt door de Rijksdienst voor Pensioenen, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde vermeld in het eerste lid, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde vermeld in het eerste lid, een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde vermeld in het eerste lid, de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
De schriftelijke aanvraag tot compensatie moet op straffe van verval van het recht op compensatie, uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarop het bijgevoegde attest betrekking heeft, ingediend worden bij de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk van het verzorgingsgebied waar het desbetreffende gebouw ligt.
Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald :
T = M x 0,75 x P;
waarbij :
1° T = de compensatie;
2° M = het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het kalenderjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
3° P = de prijs per vervuilingseenheid als vermeld in artikel 16ter, § 1.
De in het eerste lid vermelde verbruiker heeft geen recht op vermelde compensatie als zijn verbruik werd of kan worden vrijgesteld van betaling van de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting overeenkomstig § 1.
§ 4. De abonnee, respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning, vermeld in artikel 35quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971 die al het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd in een private waterzuiveringsinstallatie in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer, of, in een individuele waterzuiveringsinstallatie gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit en die aan de voorwaarden vermeld in het derde lid voldoet, wordt door de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk vrijgesteld van betaling van de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting vermeld in respectievelijk artikel 16bis en 16quinquies.
Elke verbruiker die al het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd op de wijze als vermeld in het eerste lid, en die niet kan genieten van de vrijstelling bepaald in het eerste lid, heeft recht op een compensatie in zijn aandeel in de bijdrage en/of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting vermeld in respectievelijk artikel 16bis en 16quinquies volgens de voorwaarden vermeld in § 3, tweede lid, en die berekend wordt zoals bepaald in § 3, vijfde lid.
De waterzuiveringsinstallaties moeten cumulatief voldoen aan de volgende voorwaarden :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het reglement betreffende de milieuvergunning als hinderlijk ingedeelde inrichting, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en voormeld besluit;
b) gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
De vrijstelling vermeld in het eerste lid of de compensatie vermeld in het tweede lid kan eveneens worden toegekend aan de abonnee of de gebruiker van een private waterwinning waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde waterzuiveringsinstallatie is uitgerust en onderhouden volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.
De vrijstelling respectievelijk de compensatie geldt niet voor waterzuiveringsinstallaties die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De vrijstelling geldt maximaal vijfjaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering.
Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk instaat voor de bouw of exploitatie van de individuele waterzuiveringsinstallaties kent de exploitant automatisch de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, of de compensatie, vermeld in het tweede lid, toe voor zover de installatie voldoet aan de voorwaarden vermeld in het derde lid.
In alle overige gevallen dient de vrijstellingsgerechtigde, respectievelijk de compensatiegerechtigde die de vrijstelling, respectievelijk de compensatie vermeld in deze paragraaf wil genieten, een schriftelijke aanvraag in. Bij die aanvraag moeten volgende documenten gevoegd zijn :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het reglement betreffende de milieuvergunning als hinderlijk ingedeelde inrichting, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie;
b) een attest uitgereikt door de burgemeester waaruit blijkt dat de zuiveringsinstallatie is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
Het bedoelde attest heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, of substantieel werd gewijzigd.
De schriftelijke aanvraag moet op straffe van verval van het recht op vrijstelling, respectievelijk compensatie binnen de twaalf maand na aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding door de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk bij de exploitant worden ingediend.
De vrijstelling, respectievelijk de compensatie wordt pro rata temporis toegekend op het verbruik vanaf de datum van ingebruikname van de waterzuiveringsinstallatie.
De compensatiegerechtigden vermeld in §§ 2 en 3 hebben geen recht op de compensatie vermeld in § 3 als hun verbruik werd of kan worden vrijgesteld van betaling van de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, of als zij al een tegemoetkoming in de bijdrage of de vergoeding voor de bovengemeentelijk saneringsverplichting genieten of kunnen genieten overeenkomstig deze paragraaf.
§ 5. Met betrekking tot de bijdrage en de vergoeding voor de bovengemeentelijke saneringsverplichting, vermeld in artikelen 16bis en 16quinquies, kan de Vlaamse Regering een correctie bepalen, waarmee de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekening moet houden om economische of ecologische redenen. Die correctie kan gaan van een vermindering tot een vrijstelling van de bijdrage van de abonnee of de vergoeding van de gebruiker van de private waterwinning. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor die correcties. "
Art. 43. Dans le chapitre V du même décret, modifié par les décrets des 24 décembre 2004 et 23 décembre 2005, il est inséré une section VI, comprenant l'article 16sexies, rédigée comme suit :
" Section VI. - Exemption et compensation
Article 16sexies. § 1er. L'abonné, respectivement l'utilisateur d'un captage d'eau privé, tel que visé à l'article 35quater, § 1er, de la loi du 26 mars 1971, est exempté par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau du paiement de la contribution respectivement l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée à l'article 16bis, respectivement 16quinquies, s'il perçoit lui-même au 1er janvier d'une année calendaire l'une des interventions suivantes :
1° le revenu garanti aux personnes âgées, en vertu de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées ou la garantie de revenus aux personnes âgées, en vertu de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées;
2° le revenu d'intégration ou le minimex accordé par le CPAS respectivement en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale;
3° l'allocation de remplacement de revenus octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
4° l'allocation de l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
5° l'allocation d'intégration octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
L'exemption, visée à l'alinéa 1er, vaut également pour l'abonne et l'utilisateur d'un captage d'eau privé, visé à l'article 35quater, § 1er, de la loi du 26 mars 1971, ayant un membre du ménage, domicilié à la même adresse, qui relève de l'une des catégories visées à l'alinéa 1er, au 1er janvier de l'année calendaire. Pour l'application de cette exemption, les personnes qui ont leur domicile légal dans une maison de repos, une maison de soins ou une autre institution et les personnes qui partagent leur domicile légal et leurs moyens de subsistance dans des communautés visant la réalisation d'objectifs religieux ou philosophiques, ne sont pas considérées comme membres d'un même ménage.
L'exemption est octroyée pro rata temporis sur la consommation de la même année calendaire et est exclusivement accordée pour la consommation au domicile légal du bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou deux.
L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau octroie automatiquement une exemption au bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou deux, à la lumière des renseignements recueillis auprès de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou auprès d'autres organismes publics qui octroient les droits mentionnés à l'alinéa 1er.
Si l'exemption n'est pas octroyée automatiquement sur la base des renseignements précités, l'exemption est seulement allouée sur demande écrite. Cette demande d'exemption écrite doit être accompagnée de l'un des documents suivants :
1° une attestation délivrée par le Service public fédéral des Pensions, faisant apparaître que le bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou deux, a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que le bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou 2, a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que le bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou deux, a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés et/ou de l'allocation de l'aide aux personnes âgées ou l'allocation d'intégration pour personnes handicapées;
La demande écrite d'exemption doit être introduite, sous peine de déchéance du droit d'exemption, au plus tard le 31 décembre de la même année calendaire à laquelle l'attestation se rapporte, auprès de l'exploitant du réseau public de distribution d'eau.
§ 2. Si dans un immeuble, au moins un ménage est domicilié auquel la contribution ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée aux articles 16bis et 16quinquies, n'est pas portée en compte directement par l'exploitant du réseau public de distribution d'eau, le régime suivant est d'application, par dérogation au § 1er : l'exploitant du réseau public de distribution d'eau accorde à chaque ménage domicilié dans l'immeuble, dont un membre appartient à l'une des catégories visées au § 1er, alinéa 1er, au 1er janvier de l'année calendaire, une compensation pour leur quote-part dans la contribution ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, conformément aux conditions et à la procédure/régime visés au § 3.
§ 3. Chaque consommateur qui est inéligible à l'exemption, visée au § 1er, a droit à une compensation pour sa quote-part ou celle de son ménage dans la contribution ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée aux articles 16bis et 16quinquies, pour la même année calendaire, s'il perçoit lui-même au 1er janvier d'une année calendaire l'une des interventions suivantes :
1° le revenu garanti aux personnes âgées, en vertu de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées ou la garantie de revenus aux personnes âgées, en vertu de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées;
2° le revenu d'intégration ou le minimex accordé par le CPAS respectivement en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordes par les Centres publics d'aide sociale;
3° l'allocation de remplacement de revenus octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
4° l'allocation de l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
5° l'allocation d'intégration octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
La compensation est exclusivement octroyée pour la consommation au domicile légal du consommateur au 1er janvier de la même année d'imposition. Une seule compensation peut être octroyée chaque année par ménage à la personne de référence de ce ménage. Pour l'application de cette exemption, les personnes qui ont leur domicile légal dans une maison de repos, une maison de soins ou une autre institution et les personnes qui partagent leur domicile légal et leurs moyens de subsistance dans des communautés visant la réalisation d'objectifs religieux ou philosophiques, ne sont pas considérées comme membres d'un même ménage.
L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau octroie au bénéficiaire de la compensation, visé à l'alinéa 1er, automatiquement une compensation a la lumière des renseignements recueillis auprès de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou auprès d'autres organismes publics qui octroient les droits mentionnés à l'alinéa 1er, si le bénéficiaire de la compensation, visé à l'alinéa 1er, fait parvenir les renseignements nécessaires à l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire au cours de laquelle ce dernier en a fait la demande.
Si la compensation n'est pas octroyée automatiquement sur la base des renseignements précités, la compensation est seulement allouée sur demande écrite. Cette demande d'exemption écrite doit être accompagnée de l'un des documents suivants :
1° une attestation délivrée par le Service public fédéral des Pensions, faisant apparaître que le bénéficiaire de l'intervention, visé à l'alinéa 1er, a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que le bénéficiaire de l'intervention, visé à l'alinéa 1er, a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que le bénéficiaire de l'intervention, visé à l'alinéa 1er, a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés et/ou de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, et/ou l'allocation d'intégration pour personnes handicapées.
La demande écrite de compensation doit être introduite, sous peine de déchéance du droit de compensation, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire à laquelle l'attestation jointe se rapporte, auprès de l'exploitant du réseau public de distribution d'eau de la zone de desserte où est situé l'immeuble en question.
Le montant de la compensation est fixé comme suit :
T = M x 0,75 x P;
où :
1° T = la compensation;
2° M = le nombre de domiciliés du ménage du bénéficiaire de la compensation au 1er janvier de l'année calendaire a l'adresse de domicile du bénéficiaire de la compensation;
3° P = le prix par unité polluante visée à l'article 16ter, § 1er.
Le consommateur visé à l'alinéa 1er n'a pas droit à la compensation précitée si sa consommation est ou peut être exemptée du paiement de la contribution ou de l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, conformément au § 1er.
§ 4. L'abonné, respectivement l'utilisateur d'un captage d'eau privé, visé à l'article 35quater, § 1er de la loi du 26 mars 1971 qui a épuré ses eaux usées domestiques provenant de son logement par une installation d'épuration privée en propre gestion ou en gestion commune, ou par une installation d'épuration des eaux individuelle construite ou exploitée par la commune, la régie communale, l'intercommunale ou une structure de coopération intercommunale, l'exploitant d'un réseau de distribution d'eau public ou par une entité désignée par la commune suite à une enquête du marché, et qui répond aux conditions prescrites à l'alinéa trois, est exempté par l'exploitant du réseau public de distribution d'eau du paiement de la contribution ou de l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale visée respectivement à l'article 16bis et à l'article 16quinquies..
Chaque consommateur qui a épuré ses eaux usées domestiques provenant de son logement de la manière prévue à l'alinéa 1er, et qui ne peut pas bénéficier de l'exemption définie à l'alinéa 1er, a droit à une compensation pour sa quote-part dans la contribution et/ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée respectivement à l'article 16bis et à l'article 16quinquies suivant les conditions prescrites au § 3, alinéa deux, et qui est calculée comme prévu au § 3, alinéa cinq.
Les installations d'épuration d'eau doivent satisfaire aux conditions cumulatives suivantes :
a) pour autant qu'il s'agit d'une installation incommode aux termes de l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand en matière d'autorisation écologique, l'exploitation doit être déclarée et/ou autorisée conformément aux prescriptions du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique et à l'arrêté précité;
b) être construites et exploitées selon un code de bonne pratique, conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement.
L'exemption, visée à l'alinéa 1er, ou la compensation, visée à l'alinéa deux, peut également être octroyée à l'abonné ou l'utilisateur d'un captage d'eau privé dont le logement est équipé d'une installation d'épuration des eaux certifiée et entretenue suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
L'exemption respectivement la compensation ne s'applique pas aux installations d'épuration des eaux qui ont été construites après que le logement était déjà raccordable à une installation d'épuration des eaux d'égout. L'exemption vaut pour au maximum cinq ans après que le logement est raccordable aux égouts.
Si l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau assure la construction ou l'exploitation des installations d'épuration individuelles, l'exploitant octroie automatiquement l'exemption, visée à l'alinéa 1er, ou la compensation, visée à l'alinéa deux, dans le mesure où l'installation répond aux conditions prévues a l'alinéa trois.
Dans tous les autres cas, le bénéficiaire de l'exemption, respectivement le bénéficiaire de la compensation qui souhaitent bénéficier de l'exemption, respectivement la compensation, visée dans le présent paragraphe, introduit une demande écrite. Cette demande doit être accompagnée des documents suivants :
a) pour autant qu'il s'agit d'une installation incommode aux termes de l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand en matière d'autorisation écologique, une copie de la déclaration ou de l'autorisation courante pour l'exploitation de l'installation d'épuration d'eau;
b) une attestation délivrée par le bourgmestre faisant apparaître que l'installation d'épuration est construite et exploitée selon un code de bonne pratique, conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement.
L'attestation en question a en tout cas une durée de validité maximale de cinq ans à partir du 1er janvier de l'année pour laquelle le bourgmestre l'a délivrée, à moins que l'exploitant du réseau public de distribution d'eau ne dispose de données faisant apparaître que l'installation d'épuration n'a pas été exploitée durant cette période suivant un code de bonne pratique, conformément aux prescriptions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement ou a été modifiée de manière substantielle au cours de cette période.
La demande écrite doit être introduite auprès de l'exploitant, sous peine de déchéance du droit d'exemption, respectivement de compensation, dans les douze mois après l'imputation de la contribution ou indemnité supracommunale par l'exploitant du réseau public de distribution d'eau.
L'exemption, respectivement l'indemnité est octroyée pro rata temporis sur la consommation à partir de la date de mise en service de l'installation d'épuration d'eau.
Les bénéficiaires de la compensation, visés aux §§ 2 et 3, n'ont pas droit à la compensation prévue au § 3, si leur consommation a été ou peut être exemptée du paiement de la contribution ou de l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, ou s'ils perçoivent déjà une intervention dans la contribution ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, conformément au présent paragraphe.
§ 5. Pour ce qui concerne la contribution et l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée aux articles 16bis et 16quinquies, le Gouvernement flamand peut prescrire une correction dont l'exploitant du réseau public de distribution d'eau doit tenir compte pour des raisons économiques ou écologiques. Cette correction peut aller d'une réduction à une exemption de la contribution de l'abonné ou de l'indemnité de l'utilisateur du captage d'eau privé. Le Gouvernement flamand arrête les conditions d'éligibilité à ces corrections. "
" Section VI. - Exemption et compensation
Article 16sexies. § 1er. L'abonné, respectivement l'utilisateur d'un captage d'eau privé, tel que visé à l'article 35quater, § 1er, de la loi du 26 mars 1971, est exempté par l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau du paiement de la contribution respectivement l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée à l'article 16bis, respectivement 16quinquies, s'il perçoit lui-même au 1er janvier d'une année calendaire l'une des interventions suivantes :
1° le revenu garanti aux personnes âgées, en vertu de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées ou la garantie de revenus aux personnes âgées, en vertu de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées;
2° le revenu d'intégration ou le minimex accordé par le CPAS respectivement en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale;
3° l'allocation de remplacement de revenus octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
4° l'allocation de l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
5° l'allocation d'intégration octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
L'exemption, visée à l'alinéa 1er, vaut également pour l'abonne et l'utilisateur d'un captage d'eau privé, visé à l'article 35quater, § 1er, de la loi du 26 mars 1971, ayant un membre du ménage, domicilié à la même adresse, qui relève de l'une des catégories visées à l'alinéa 1er, au 1er janvier de l'année calendaire. Pour l'application de cette exemption, les personnes qui ont leur domicile légal dans une maison de repos, une maison de soins ou une autre institution et les personnes qui partagent leur domicile légal et leurs moyens de subsistance dans des communautés visant la réalisation d'objectifs religieux ou philosophiques, ne sont pas considérées comme membres d'un même ménage.
L'exemption est octroyée pro rata temporis sur la consommation de la même année calendaire et est exclusivement accordée pour la consommation au domicile légal du bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou deux.
L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau octroie automatiquement une exemption au bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou deux, à la lumière des renseignements recueillis auprès de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou auprès d'autres organismes publics qui octroient les droits mentionnés à l'alinéa 1er.
Si l'exemption n'est pas octroyée automatiquement sur la base des renseignements précités, l'exemption est seulement allouée sur demande écrite. Cette demande d'exemption écrite doit être accompagnée de l'un des documents suivants :
1° une attestation délivrée par le Service public fédéral des Pensions, faisant apparaître que le bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou deux, a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que le bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou 2, a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que le bénéficiaire de l'exemption, visé aux alinéas 1er ou deux, a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés et/ou de l'allocation de l'aide aux personnes âgées ou l'allocation d'intégration pour personnes handicapées;
La demande écrite d'exemption doit être introduite, sous peine de déchéance du droit d'exemption, au plus tard le 31 décembre de la même année calendaire à laquelle l'attestation se rapporte, auprès de l'exploitant du réseau public de distribution d'eau.
§ 2. Si dans un immeuble, au moins un ménage est domicilié auquel la contribution ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée aux articles 16bis et 16quinquies, n'est pas portée en compte directement par l'exploitant du réseau public de distribution d'eau, le régime suivant est d'application, par dérogation au § 1er : l'exploitant du réseau public de distribution d'eau accorde à chaque ménage domicilié dans l'immeuble, dont un membre appartient à l'une des catégories visées au § 1er, alinéa 1er, au 1er janvier de l'année calendaire, une compensation pour leur quote-part dans la contribution ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, conformément aux conditions et à la procédure/régime visés au § 3.
§ 3. Chaque consommateur qui est inéligible à l'exemption, visée au § 1er, a droit à une compensation pour sa quote-part ou celle de son ménage dans la contribution ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée aux articles 16bis et 16quinquies, pour la même année calendaire, s'il perçoit lui-même au 1er janvier d'une année calendaire l'une des interventions suivantes :
1° le revenu garanti aux personnes âgées, en vertu de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées ou la garantie de revenus aux personnes âgées, en vertu de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées;
2° le revenu d'intégration ou le minimex accordé par le CPAS respectivement en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordes par les Centres publics d'aide sociale;
3° l'allocation de remplacement de revenus octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
4° l'allocation de l'aide aux personnes âgées, en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
5° l'allocation d'intégration octroyée à des personnes handicapées en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
La compensation est exclusivement octroyée pour la consommation au domicile légal du consommateur au 1er janvier de la même année d'imposition. Une seule compensation peut être octroyée chaque année par ménage à la personne de référence de ce ménage. Pour l'application de cette exemption, les personnes qui ont leur domicile légal dans une maison de repos, une maison de soins ou une autre institution et les personnes qui partagent leur domicile légal et leurs moyens de subsistance dans des communautés visant la réalisation d'objectifs religieux ou philosophiques, ne sont pas considérées comme membres d'un même ménage.
L'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau octroie au bénéficiaire de la compensation, visé à l'alinéa 1er, automatiquement une compensation a la lumière des renseignements recueillis auprès de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou auprès d'autres organismes publics qui octroient les droits mentionnés à l'alinéa 1er, si le bénéficiaire de la compensation, visé à l'alinéa 1er, fait parvenir les renseignements nécessaires à l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire au cours de laquelle ce dernier en a fait la demande.
Si la compensation n'est pas octroyée automatiquement sur la base des renseignements précités, la compensation est seulement allouée sur demande écrite. Cette demande d'exemption écrite doit être accompagnée de l'un des documents suivants :
1° une attestation délivrée par le Service public fédéral des Pensions, faisant apparaître que le bénéficiaire de l'intervention, visé à l'alinéa 1er, a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que le bénéficiaire de l'intervention, visé à l'alinéa 1er, a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que le bénéficiaire de l'intervention, visé à l'alinéa 1er, a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés et/ou de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, et/ou l'allocation d'intégration pour personnes handicapées.
La demande écrite de compensation doit être introduite, sous peine de déchéance du droit de compensation, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire à laquelle l'attestation jointe se rapporte, auprès de l'exploitant du réseau public de distribution d'eau de la zone de desserte où est situé l'immeuble en question.
Le montant de la compensation est fixé comme suit :
T = M x 0,75 x P;
où :
1° T = la compensation;
2° M = le nombre de domiciliés du ménage du bénéficiaire de la compensation au 1er janvier de l'année calendaire a l'adresse de domicile du bénéficiaire de la compensation;
3° P = le prix par unité polluante visée à l'article 16ter, § 1er.
Le consommateur visé à l'alinéa 1er n'a pas droit à la compensation précitée si sa consommation est ou peut être exemptée du paiement de la contribution ou de l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, conformément au § 1er.
§ 4. L'abonné, respectivement l'utilisateur d'un captage d'eau privé, visé à l'article 35quater, § 1er de la loi du 26 mars 1971 qui a épuré ses eaux usées domestiques provenant de son logement par une installation d'épuration privée en propre gestion ou en gestion commune, ou par une installation d'épuration des eaux individuelle construite ou exploitée par la commune, la régie communale, l'intercommunale ou une structure de coopération intercommunale, l'exploitant d'un réseau de distribution d'eau public ou par une entité désignée par la commune suite à une enquête du marché, et qui répond aux conditions prescrites à l'alinéa trois, est exempté par l'exploitant du réseau public de distribution d'eau du paiement de la contribution ou de l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale visée respectivement à l'article 16bis et à l'article 16quinquies..
Chaque consommateur qui a épuré ses eaux usées domestiques provenant de son logement de la manière prévue à l'alinéa 1er, et qui ne peut pas bénéficier de l'exemption définie à l'alinéa 1er, a droit à une compensation pour sa quote-part dans la contribution et/ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée respectivement à l'article 16bis et à l'article 16quinquies suivant les conditions prescrites au § 3, alinéa deux, et qui est calculée comme prévu au § 3, alinéa cinq.
Les installations d'épuration d'eau doivent satisfaire aux conditions cumulatives suivantes :
a) pour autant qu'il s'agit d'une installation incommode aux termes de l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand en matière d'autorisation écologique, l'exploitation doit être déclarée et/ou autorisée conformément aux prescriptions du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique et à l'arrêté précité;
b) être construites et exploitées selon un code de bonne pratique, conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement.
L'exemption, visée à l'alinéa 1er, ou la compensation, visée à l'alinéa deux, peut également être octroyée à l'abonné ou l'utilisateur d'un captage d'eau privé dont le logement est équipé d'une installation d'épuration des eaux certifiée et entretenue suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
L'exemption respectivement la compensation ne s'applique pas aux installations d'épuration des eaux qui ont été construites après que le logement était déjà raccordable à une installation d'épuration des eaux d'égout. L'exemption vaut pour au maximum cinq ans après que le logement est raccordable aux égouts.
Si l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau assure la construction ou l'exploitation des installations d'épuration individuelles, l'exploitant octroie automatiquement l'exemption, visée à l'alinéa 1er, ou la compensation, visée à l'alinéa deux, dans le mesure où l'installation répond aux conditions prévues a l'alinéa trois.
Dans tous les autres cas, le bénéficiaire de l'exemption, respectivement le bénéficiaire de la compensation qui souhaitent bénéficier de l'exemption, respectivement la compensation, visée dans le présent paragraphe, introduit une demande écrite. Cette demande doit être accompagnée des documents suivants :
a) pour autant qu'il s'agit d'une installation incommode aux termes de l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand en matière d'autorisation écologique, une copie de la déclaration ou de l'autorisation courante pour l'exploitation de l'installation d'épuration d'eau;
b) une attestation délivrée par le bourgmestre faisant apparaître que l'installation d'épuration est construite et exploitée selon un code de bonne pratique, conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement.
L'attestation en question a en tout cas une durée de validité maximale de cinq ans à partir du 1er janvier de l'année pour laquelle le bourgmestre l'a délivrée, à moins que l'exploitant du réseau public de distribution d'eau ne dispose de données faisant apparaître que l'installation d'épuration n'a pas été exploitée durant cette période suivant un code de bonne pratique, conformément aux prescriptions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement ou a été modifiée de manière substantielle au cours de cette période.
La demande écrite doit être introduite auprès de l'exploitant, sous peine de déchéance du droit d'exemption, respectivement de compensation, dans les douze mois après l'imputation de la contribution ou indemnité supracommunale par l'exploitant du réseau public de distribution d'eau.
L'exemption, respectivement l'indemnité est octroyée pro rata temporis sur la consommation à partir de la date de mise en service de l'installation d'épuration d'eau.
Les bénéficiaires de la compensation, visés aux §§ 2 et 3, n'ont pas droit à la compensation prévue au § 3, si leur consommation a été ou peut être exemptée du paiement de la contribution ou de l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, ou s'ils perçoivent déjà une intervention dans la contribution ou l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, conformément au présent paragraphe.
§ 5. Pour ce qui concerne la contribution et l'indemnité pour l'obligation d'assainissement supracommunale, visée aux articles 16bis et 16quinquies, le Gouvernement flamand peut prescrire une correction dont l'exploitant du réseau public de distribution d'eau doit tenir compte pour des raisons économiques ou écologiques. Cette correction peut aller d'une réduction à une exemption de la contribution de l'abonné ou de l'indemnité de l'utilisateur du captage d'eau privé. Le Gouvernement flamand arrête les conditions d'éligibilité à ces corrections. "
Art. 44. Artikel 25 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2005, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 25.
Bij wijze van overgangsmaatregel, worden ter bepaling van de correcties vermeld in artikel 16sexies, § 5, de correcties overgenomen, vermeld in artikelen 35bis, §§ 4 tot en met 7, 35ter, § 4 en § 8, 35quinquies, §§ 6 tot en met 10, en 35sexies van de wet van 26 maart 1971, met dien verstande dat de woorden "de heffing", "het heffingsbiljet", "het heffingsjaar" en "de heffingsplichtige" vervangen worden door respectievelijk "de bijdrage of vergoeding", "de waterfactuur", "het facturatiejaar", "de abonnee of gebruiker van een private waterwinning. "
" Artikel 25.
Bij wijze van overgangsmaatregel, worden ter bepaling van de correcties vermeld in artikel 16sexies, § 5, de correcties overgenomen, vermeld in artikelen 35bis, §§ 4 tot en met 7, 35ter, § 4 en § 8, 35quinquies, §§ 6 tot en met 10, en 35sexies van de wet van 26 maart 1971, met dien verstande dat de woorden "de heffing", "het heffingsbiljet", "het heffingsjaar" en "de heffingsplichtige" vervangen worden door respectievelijk "de bijdrage of vergoeding", "de waterfactuur", "het facturatiejaar", "de abonnee of gebruiker van een private waterwinning. "
Art. 44. L'article 25, du même décret, inséré par le décret du 24 décembre 2004 et modifié par le décret du 23 décembre 2005, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 25.
A titre de mesure transitoire, les corrections prévues à l'article 35bis, §§ 4, 5, 6 et 7, l'article 35ter, §§ 4 et 8, l'article 35quinquies, §§ 6 à 10 inclus, et l'article 35sexies de la loi du 26 mars 1971 sont reprises pour la détermination des corrections visées à l'article 16sexies, § 5, étant entendu que les mots "la redevance", "la feuille d'impôts", "l'année d'imposition" et "le redevable" soient remplacés respectivement par les mots "la contribution ou l'indemnité", "la facture d'eau", "l'année de facturation", et "l'abonné ou l'utilisateur d'un captage d'eau privé. "
" Article 25.
A titre de mesure transitoire, les corrections prévues à l'article 35bis, §§ 4, 5, 6 et 7, l'article 35ter, §§ 4 et 8, l'article 35quinquies, §§ 6 à 10 inclus, et l'article 35sexies de la loi du 26 mars 1971 sont reprises pour la détermination des corrections visées à l'article 16sexies, § 5, étant entendu que les mots "la redevance", "la feuille d'impôts", "l'année d'imposition" et "le redevable" soient remplacés respectivement par les mots "la contribution ou l'indemnité", "la facture d'eau", "l'année de facturation", et "l'abonné ou l'utilisateur d'un captage d'eau privé. "
Afdeling IV. - Watervang.
Section IV. - Prise d'eau.
Art. 45. In artikel 83 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gewijzigd door het decreet van 18 december 1992, het decreet van 22 december 1995, het decreet van 20 december 1996, het decreet van 19 december 1997, het decreet van 21 december 2001 en het decreet van 22 december 2006, wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Het bedrag verschuldigd voor het capteren van water wordt vastgesteld als volgt :
water afname in m3/jaar : EUR/ m3
1. voor de schijf van minder dan 1.000.000 m3 :
0,043381
2. voor de schijf van 1.000.000 tot 9.999.999 m3 :
0,025161
3. voor de schijf van 10.000.000 tot 99.999.999 m3 :
0,013283
4. voor de schijf boven 99.999.999 m3 : 0,002624
De captatie van minder dan 500 m3 per jaar is gratis. "
" § 2. Het bedrag verschuldigd voor het capteren van water wordt vastgesteld als volgt :
water afname in m3/jaar : EUR/ m3
1. voor de schijf van minder dan 1.000.000 m3 :
0,043381
2. voor de schijf van 1.000.000 tot 9.999.999 m3 :
0,025161
3. voor de schijf van 10.000.000 tot 99.999.999 m3 :
0,013283
4. voor de schijf boven 99.999.999 m3 : 0,002624
De captatie van minder dan 500 m3 per jaar is gratis. "
Art. 45. Dans l'article 83 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, modifie par les décrets des 18 décembre 1992, 22 décembre 1995, 20 décembre 1996, 15 décembre 1997, 21 décembre 2001 et 22 décembre 2006, le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le montant dû pour le captage d'eau est fixé comme suit :
Captage d'eau en m3/an : EUR/ m3
1. pour la tranche de moins de 1.000.000 m3 : 0,043381
2. pour la tranche de 1.000.000 m3 à 9.999.999 m3 : 0,025161
3. pour la tranche de 10.000.000 m3 à 99.999.999 m3 : 0,013283
4. pour la tranche de plus de 99.999.999 m3 : 0,002624
Le captage d'eau de moins de 500 m3 par an est gratuit". "
" § 2. Le montant dû pour le captage d'eau est fixé comme suit :
Captage d'eau en m3/an : EUR/ m3
1. pour la tranche de moins de 1.000.000 m3 : 0,043381
2. pour la tranche de 1.000.000 m3 à 9.999.999 m3 : 0,025161
3. pour la tranche de 10.000.000 m3 à 99.999.999 m3 : 0,013283
4. pour la tranche de plus de 99.999.999 m3 : 0,002624
Le captage d'eau de moins de 500 m3 par an est gratuit". "
Art. 46. Artikel 84 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 84.
De in artikel 83, § 2, vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van consumptieprijzen en worden berekend aan de hand van de volgende formule :
" Artikel 84.
De in artikel 83, § 2, vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van consumptieprijzen en worden berekend aan de hand van de volgende formule :
Art. 46. L'article 84 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article 84.
Les montants visés à l'article 83, § 2, sont liés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation et sont calculés à l'aide de la formule suivante :
" Article 84.
Les montants visés à l'article 83, § 2, sont liés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation et sont calculés à l'aide de la formule suivante :
verschuldigd bedrag x nieuw indexcijfer
Wijzigingen
basisindexcijfer
montant du x nouvel indice
Wijzigingen
indice de base
Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de heffing slaat.
Het basisindexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december 1990. "
Het basisindexcijfer is het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december 1990. "
Le nouvel indice est l'indice des prix à la consommation du mois de décembre de l'année qui précède celle à laquelle la redevance se rapporte.
L'indice de base est l'indice des prix à la consommation du mois de décembre 1990. "
L'indice de base est l'indice des prix à la consommation du mois de décembre 1990. "
Afdeling V. - Bodem.
Section V. - Sol.
Art. 47. In artikel 162 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden de woorden "en een eindevaluatieonderzoek" vervangen door de woorden ", een eindevaluatieonderzoek, een verzoek tot toepassing van risicobeheer als vermeld in artikel 84, § 2, eerste lid, een risicobeheersplan en opvolgingsrapporten als vermeld in artikel 88";
2° in § 9 worden in punt 2° de woorden "en het eindevaluatieonderzoek" vervangen door de woorden ", het eindevaluatieonderzoek, het risicobeheersplan en het opvolgingsrapport als vermeld in artikel 88";
3° in § 9 worden in punt 3° de woorden "bij het verzoek, vermeld in § 2, of bij" ingevoegd voor de woorden "de aanvraag";
4° in § 9 wordt in punt 4° het woord "bij" ingevoegd voor de woorden "het beroep".
1° in § 2 worden de woorden "en een eindevaluatieonderzoek" vervangen door de woorden ", een eindevaluatieonderzoek, een verzoek tot toepassing van risicobeheer als vermeld in artikel 84, § 2, eerste lid, een risicobeheersplan en opvolgingsrapporten als vermeld in artikel 88";
2° in § 9 worden in punt 2° de woorden "en het eindevaluatieonderzoek" vervangen door de woorden ", het eindevaluatieonderzoek, het risicobeheersplan en het opvolgingsrapport als vermeld in artikel 88";
3° in § 9 worden in punt 3° de woorden "bij het verzoek, vermeld in § 2, of bij" ingevoegd voor de woorden "de aanvraag";
4° in § 9 wordt in punt 4° het woord "bij" ingevoegd voor de woorden "het beroep".
Art. 47. A l'article 162 du décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 2 les mots "et une évaluation finale" sont remplaces par les mots ", une évaluation finale, une requête d'application de la gestion des risques, visée à l'article 84, § 2, alinéa 1er, une plan de gestion des risques et des rapports de suivi, visés à l'article 88";
2° dans le § 9, point 2°, les mots "et à l'évaluation finale" sont remplacés par les mots "à l'évaluation finale, au plan de gestion des risques et au rapport de suivi, visé à l'article 88";
3° dans le § 9, point 3°, les mots "a la requête, visée au § 2 ou" sont insérés avant les mots "à la demande";
4° dans le § 9, point 4° du texte néerlandais, le mot "bij" est inséré avant les mots "het beroep".
1° dans le § 2 les mots "et une évaluation finale" sont remplaces par les mots ", une évaluation finale, une requête d'application de la gestion des risques, visée à l'article 84, § 2, alinéa 1er, une plan de gestion des risques et des rapports de suivi, visés à l'article 88";
2° dans le § 9, point 2°, les mots "et à l'évaluation finale" sont remplacés par les mots "à l'évaluation finale, au plan de gestion des risques et au rapport de suivi, visé à l'article 88";
3° dans le § 9, point 3°, les mots "a la requête, visée au § 2 ou" sont insérés avant les mots "à la demande";
4° dans le § 9, point 4° du texte néerlandais, le mot "bij" est inséré avant les mots "het beroep".
Art. 48. In artikel 163, § 1, van hetzelfde decreet wordt tussen de woorden "vermeld in" en de woorden "§ 1 tot en met § 8" de woorden "artikel 162," ingevoegd.
Art. 48. Dans l'article 163, § 1er, du même décret, les mots "aux §§ 1er à 8 inclus" sont remplacés par les mots "à l'article 162, §§ 1er à 8 inclus".
Afdeling VI. - Inkomsten OC-ANB en MINA-fonds.
Section VI. - Revenus de l'OC-ANB et du fonds MINA.
Art. 49. In artikel 3, 4°, van het decreet van 23 januari 1991 tot oprichting van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur als Gewestdienst met Afzonderlijk Beheer worden de woorden "landpacht, huren en andere gebruiksrechten," geschrapt.
Art. 49. A l'article 3, 4°, du décret du 23 janvier 1991 portant création du "Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur" comme service régional à gestion séparée, les mots "du fermage, des loyers et d'autres droits d'usage" sont supprimés.
Art. 50. In artikel 36 van het decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie wordt een punt 4°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 4°bis huurgelden, pachtgelden, inkomsten uit concessies en in het algemeen alle inkomsten uit gebruiksrechten op onroerende goederen die in beheer zijn van het agentschap;".
" 4°bis huurgelden, pachtgelden, inkomsten uit concessies en in het algemeen alle inkomsten uit gebruiksrechten op onroerende goederen die in beheer zijn van het agentschap;".
Art. 50. Dans l'article 36 du décret du 19 mai 2006 portant diverses mesures en matière d'environnement et d'énergie, il est inséré un point 4°bis, rédigé comme suit :
" 4°bis loyers, fermages, revenus de concessions et en général, tous les revenus issus de droits d'usage de biens immeubles dont l'agence assure la gestion".
" 4°bis loyers, fermages, revenus de concessions et en général, tous les revenus issus de droits d'usage de biens immeubles dont l'agence assure la gestion".
HOOFDSTUK V. - Vlaams Stedenfonds.
CHAPITRE V. - Vlaams Stedenfonds (Fonds flamand des Villes).
Art. 51. In artikel 5 van het decreet van 13 december 2002 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Jaarlijks wordt voor het Stedenfonds in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een vastleggingskrediet ingeschreven, waarvan het bedrag minstens gelijk is aan het vastleggingskrediet van het vorige jaar, aangepast met een evolutiepercentage. Bij de vastlegging van dat bedrag wordt geen rekening gehouden met de verhoging, bedoeld in artikel 8, § 5. "
" § 1. Jaarlijks wordt voor het Stedenfonds in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een vastleggingskrediet ingeschreven, waarvan het bedrag minstens gelijk is aan het vastleggingskrediet van het vorige jaar, aangepast met een evolutiepercentage. Bij de vastlegging van dat bedrag wordt geen rekening gehouden met de verhoging, bedoeld in artikel 8, § 5. "
Art. 51. Dans l'article 5 du décret du 13 décembre 2002 réglant le fonctionnement et la répartition du "Vlaams Stedenfonds", le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Il est inscrit annuellement en faveur du Stedenfonds au budget de la Communauté flamande un crédit d'engagement dont le montant est au moins égal au crédit d'engagement de l'année précédente, ajusté à raison d'un pourcentage d'évolution. Lors de l'engagement de ce montant, il n'est pas tenu compte de l'augmentation visée à l'article 8, § 5. "
" § 1er. Il est inscrit annuellement en faveur du Stedenfonds au budget de la Communauté flamande un crédit d'engagement dont le montant est au moins égal au crédit d'engagement de l'année précédente, ajusté à raison d'un pourcentage d'évolution. Lors de l'engagement de ce montant, il n'est pas tenu compte de l'augmentation visée à l'article 8, § 5. "
Art. 52. Artikel 7 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 7
Van het vastleggingskrediet, verminderd met de voorafname voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), wordt jaarlijks een bedrag van 700.000 euro vooraf genomen voor vorming, sensibilisering en communicatie. Die voorafname wordt ingeschreven in op een aparte basisallocatie in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap (libellé Communicatie stedenbeleid). "
" Artikel 7
Van het vastleggingskrediet, verminderd met de voorafname voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), wordt jaarlijks een bedrag van 700.000 euro vooraf genomen voor vorming, sensibilisering en communicatie. Die voorafname wordt ingeschreven in op een aparte basisallocatie in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap (libellé Communicatie stedenbeleid). "
Art. 52. L'article 7 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article 7
Il est prélevé annuellement du crédit d'engagement, diminué par le prélèvement pour la "Vlaamse Gemeenschapscommissie" (Commission communautaire flamande) (VGC), un montant de 700.000 euros pour la formation, la sensibilisation et la communication. Ce prélèvement est inscrit à une allocation de base distincte du budget de la Communauté flamande (libellé Communication politique urbaine). "
" Article 7
Il est prélevé annuellement du crédit d'engagement, diminué par le prélèvement pour la "Vlaamse Gemeenschapscommissie" (Commission communautaire flamande) (VGC), un montant de 700.000 euros pour la formation, la sensibilisation et la communication. Ce prélèvement est inscrit à une allocation de base distincte du budget de la Communauté flamande (libellé Communication politique urbaine). "
HOOFDSTUK VI. - Vlaams Gemeentefonds.
CHAPITRE VI. - Vlaams Gemeentefonds (Fonds flamand des Communes).
Art. 53. In het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, wordt een hoofdstuk Illbis, bestaande uit artikelen 19bis tot en met 19quinquies, ingevoegd, dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK Illbis. - Bijzondere bepalingen inzake de vaststelling en verdeling van de aanvullende dotatie ter compensatie van de afschaffing van de Eliataks
" Artikel 19bis
§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt op de begroting van het Vlaamse Gewest een aanvullende dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds ingeschreven. De aanvullende dotatie bedraagt 83.000.000 euro in het jaar 2008 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2009 jaarlijks aangepast aan de inflatie.
§ 2. De berekende aanvullende dotatie wordt afgerond op het hogere duizendtal.
" Artikel 19ter
§ 1. De aanvullende dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds waarvan sprake in artikel 19bis, wordt onder de gemeenten van het Vlaamse Gewest verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling onder de gemeenten van het bedrag voor het jaar 2006 van de federale bijdrage tot compensatie van de inkomstenderving van de gemeenten ingevolge de liberalisering van de elektriciteitsmarkt, ingesteld door artikel 22bis van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt.
§ 2. De Vlaamse Regering stelt de in § 1 van dit artikel bedoelde procentuele verhouding voor elke gemeente vast.
" Artikel 19quater
De gemeentelijke aandelen in de aanvullende dotatie waarvan sprake in artikel 19bis en berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 19ter, worden voor het volledige bedrag aan de gemeenten betaald op het einde van de eerste maand van het tweede kwartaal.
" Artikel 19quinquies
De bepalingen vermeld in de artikelen 6 tot en met 15 van dit decreet zijn niet van toepassing op de aanvullende dotatie, bedoeld in artikel 19bis van dit decreet. "
" HOOFDSTUK Illbis. - Bijzondere bepalingen inzake de vaststelling en verdeling van de aanvullende dotatie ter compensatie van de afschaffing van de Eliataks
" Artikel 19bis
§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt op de begroting van het Vlaamse Gewest een aanvullende dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds ingeschreven. De aanvullende dotatie bedraagt 83.000.000 euro in het jaar 2008 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2009 jaarlijks aangepast aan de inflatie.
§ 2. De berekende aanvullende dotatie wordt afgerond op het hogere duizendtal.
" Artikel 19ter
§ 1. De aanvullende dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds waarvan sprake in artikel 19bis, wordt onder de gemeenten van het Vlaamse Gewest verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling onder de gemeenten van het bedrag voor het jaar 2006 van de federale bijdrage tot compensatie van de inkomstenderving van de gemeenten ingevolge de liberalisering van de elektriciteitsmarkt, ingesteld door artikel 22bis van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt.
§ 2. De Vlaamse Regering stelt de in § 1 van dit artikel bedoelde procentuele verhouding voor elke gemeente vast.
" Artikel 19quater
De gemeentelijke aandelen in de aanvullende dotatie waarvan sprake in artikel 19bis en berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 19ter, worden voor het volledige bedrag aan de gemeenten betaald op het einde van de eerste maand van het tweede kwartaal.
" Artikel 19quinquies
De bepalingen vermeld in de artikelen 6 tot en met 15 van dit decreet zijn niet van toepassing op de aanvullende dotatie, bedoeld in artikel 19bis van dit decreet. "
Art. 53. Dans le décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du "Vlaams Gemeentefonds", il est inséré un chapitre IIIbis, comprenant l'article 19bis à 19quinquies inclus, rédige comme suit :
" CHAPITRE IIIbis. - Dispositions spéciales concernant la fixation et la répartition de la dotation additionnelle en compensation de l'abolition de la taxe Elia
Article 19bis. § 1er. A partir de l'année budgétaire 2008, il est inscrit au budget de la Région flamande une dotation additionnelle en faveur du "Vlaams Gemeentefonds". La dotation additionnelle s'élève à 83.000.000 euros en 2008 et est ajustée annuellement à l'inflation à partir de l'année budgétaire 2009.
§ 2. La dotation additionnelle calculée est arrondie au millier supérieur.
Article 19ter. § 1er. La dotation additionnelle en faveur du "Vlaams Gemeentefonds", visée à l'art. 19bis, est répartie parmi les communes de la Région flamande suivant la même proportion en pour cent que la répartition parmi les communes du montant pour l'année 2006 de la cotisation fédérale pour compenser la perte de revenus des communes suite à la libéralisation du marché de l'électricité instauré par l'article 22bis de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité.
§ 2. Le Gouvernement flamand fixe pour chaque commune la proportion en pour cent, visée au § 1er du présent article.
Article 19quater. Les parts communales dans la dotation additionnelle visée à l'article 19bis et calculée conformément aux dispositions de l'article 19ter, sont versées pour le montant global aux communes à la fin du premier mois du deuxième trimestre.
Article 19quinquies. Les dispositions des articles 6 à 15 inclus du présent décret ne s'appliquent pas à la dotation additionnelle, visée à l'article 19bis du présent décret. "
" CHAPITRE IIIbis. - Dispositions spéciales concernant la fixation et la répartition de la dotation additionnelle en compensation de l'abolition de la taxe Elia
Article 19bis. § 1er. A partir de l'année budgétaire 2008, il est inscrit au budget de la Région flamande une dotation additionnelle en faveur du "Vlaams Gemeentefonds". La dotation additionnelle s'élève à 83.000.000 euros en 2008 et est ajustée annuellement à l'inflation à partir de l'année budgétaire 2009.
§ 2. La dotation additionnelle calculée est arrondie au millier supérieur.
Article 19ter. § 1er. La dotation additionnelle en faveur du "Vlaams Gemeentefonds", visée à l'art. 19bis, est répartie parmi les communes de la Région flamande suivant la même proportion en pour cent que la répartition parmi les communes du montant pour l'année 2006 de la cotisation fédérale pour compenser la perte de revenus des communes suite à la libéralisation du marché de l'électricité instauré par l'article 22bis de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité.
§ 2. Le Gouvernement flamand fixe pour chaque commune la proportion en pour cent, visée au § 1er du présent article.
Article 19quater. Les parts communales dans la dotation additionnelle visée à l'article 19bis et calculée conformément aux dispositions de l'article 19ter, sont versées pour le montant global aux communes à la fin du premier mois du deuxième trimestre.
Article 19quinquies. Les dispositions des articles 6 à 15 inclus du présent décret ne s'appliquent pas à la dotation additionnelle, visée à l'article 19bis du présent décret. "
Art. 54. In artikel 22 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 4 wordt "31 oktober 2007" vervangen door "30 september 2008";
2° in § 5 wordt het jaartal "2008" vervangen door het jaartal "2009";
3° in § 6 wordt het jaartal "2007" vervangen door het jaartal "2008".
1° in § 4 wordt "31 oktober 2007" vervangen door "30 september 2008";
2° in § 5 wordt het jaartal "2008" vervangen door het jaartal "2009";
3° in § 6 wordt het jaartal "2007" vervangen door het jaartal "2008".
Art. 54. A l'article 22 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 4, les mots "31 octobre 2007" sont remplacés par les mots "30 septembre 2008";
2° dans le § 5, l'année "2008" est remplacée par l'année "2009".
3° dans le § 6, l'année "2007" est remplacée par l'année "2008".
1° dans le § 4, les mots "31 octobre 2007" sont remplacés par les mots "30 septembre 2008";
2° dans le § 5, l'année "2008" est remplacée par l'année "2009".
3° dans le § 6, l'année "2007" est remplacée par l'année "2008".
Art. 55. In artikel 22 van hetzelfde decreet wordt een § 6bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 6bis. De in § 4 bepaalde limietdatum voor het indienen van verantwoordingsstukken voor het verkrijgen van geldvoorschotten of eindsaldi en de in §§ 5 en 6 vermelde termijnen met betrekking tot de eindafrekeningen, zijn niet van toepassing op de met trekkingsrechten gefinancierde investeringsprojecten waarvoor op 30 september 2007 gerechtelijke procedures lopen en die aan de Vlaamse overheid ter kennis worden gebracht voor 30 september 2008. ".
" § 6bis. De in § 4 bepaalde limietdatum voor het indienen van verantwoordingsstukken voor het verkrijgen van geldvoorschotten of eindsaldi en de in §§ 5 en 6 vermelde termijnen met betrekking tot de eindafrekeningen, zijn niet van toepassing op de met trekkingsrechten gefinancierde investeringsprojecten waarvoor op 30 september 2007 gerechtelijke procedures lopen en die aan de Vlaamse overheid ter kennis worden gebracht voor 30 september 2008. ".
Art. 55. Dans l'article 22 du même décret, il est inséré un § 6bis, rédigé comme suit :
" § 6bis. La date limite, visée au § 4, pour l'introduction des pièces justificatives pour l'obtention d'avances de fonds ou de soldes finaux et les délais visés aux §§ 5 et 6 concernant les décomptes finaux, ne sont pas applicables aux projets d'investissement financés par des droits de tirage qui font l'objet de procédures judiciaires en cours au 30 septembre 2007 et qui sont notifies à l'autorité flamande avant le 30 septembre 2008. "
" § 6bis. La date limite, visée au § 4, pour l'introduction des pièces justificatives pour l'obtention d'avances de fonds ou de soldes finaux et les délais visés aux §§ 5 et 6 concernant les décomptes finaux, ne sont pas applicables aux projets d'investissement financés par des droits de tirage qui font l'objet de procédures judiciaires en cours au 30 septembre 2007 et qui sont notifies à l'autorité flamande avant le 30 septembre 2008. "
HOOFDSTUK VII. - Ruimtelijk Structuurplan.
CHAPITRE VII. - Schéma de Structure d'aménagement.
Art. 56. Aan artikel 23 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begroting, subsidies verlenen aan provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare instellingen en aan private rechtspersonen die betrokken zijn bij een samenwerkingsverband voor het opzetten en realiseren van een strategisch project in uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, als tegemoetkoming in de kosten voor de coördinatie van het betreffende project. "
" De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begroting, subsidies verlenen aan provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare instellingen en aan private rechtspersonen die betrokken zijn bij een samenwerkingsverband voor het opzetten en realiseren van een strategisch project in uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, als tegemoetkoming in de kosten voor de coördinatie van het betreffende project. "
Art. 56. A l'article 23 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand peut, dans les limites budgétaires, octroyer des subventions aux provinces, communes, associations de communes, organismes publics et aux personnes morales privées associés à un partenariat visant la création et la réalisation d'un projet stratégique en exécution du Schéma de Structure d'aménagement de la Flandre, en tant qu'intervention dans les frais de coordination du projet en question. "
" Le Gouvernement flamand peut, dans les limites budgétaires, octroyer des subventions aux provinces, communes, associations de communes, organismes publics et aux personnes morales privées associés à un partenariat visant la création et la réalisation d'un projet stratégique en exécution du Schéma de Structure d'aménagement de la Flandre, en tant qu'intervention dans les frais de coordination du projet en question. "
HOOFDSTUK VIII. - Afgeschreven goederen.
CHAPITRE VIII. - Biens désaffectés.
Art. 57. Onverminderd de toepassing van bijzondere decreetsbepalingen, wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om :
1° lichamelijke roerende goederen, die haar diensten toebehoren en buiten gebruik zijn gesteld, bij wijze van handgift af te staan aan onderwijsinstellingen, verenigingen zonder winstoogmerk of stichtingen, onder de voorwaarden door haar bepaald.
Bij de verdeling van een gift over verschillende onderwijsinstellingen wordt rekening gehouden met het aantal instellingen en het aantal personeelsleden;
2° afgedankte toestellen of apparaten af te staan aan verkopers om te voldoen aan hun wettelijke terugnameplicht bij aankoop van gelijkaardige toestellen of apparaten waarop een Recupelbijdrage wordt aangerekend.
1° lichamelijke roerende goederen, die haar diensten toebehoren en buiten gebruik zijn gesteld, bij wijze van handgift af te staan aan onderwijsinstellingen, verenigingen zonder winstoogmerk of stichtingen, onder de voorwaarden door haar bepaald.
Bij de verdeling van een gift over verschillende onderwijsinstellingen wordt rekening gehouden met het aantal instellingen en het aantal personeelsleden;
2° afgedankte toestellen of apparaten af te staan aan verkopers om te voldoen aan hun wettelijke terugnameplicht bij aankoop van gelijkaardige toestellen of apparaten waarop een Recupelbijdrage wordt aangerekend.
Art. 57. Sans préjudice de l'application des dispositions décrétales spéciales, le Gouvernement flamand est habilité à :
1° céder par don manuel des meubles corporels appartenant à ses services et mis hors usage, aux établissements d'enseignement, associations sans but lucratif ou fondations, aux conditions qu'il détermine.
La répartition d'un don parmi les différents établissements d'enseignement tient compte du nombre d'établissements et de membres du personnel.
2° céder des dispositifs ou appareils désaffectés aux acheteurs afin de répondre à l'obligation de reprise légale à l'achat de dispositifs ou d'appareils similaires pour lesquels une cotisation Recupel est portée en compte.
1° céder par don manuel des meubles corporels appartenant à ses services et mis hors usage, aux établissements d'enseignement, associations sans but lucratif ou fondations, aux conditions qu'il détermine.
La répartition d'un don parmi les différents établissements d'enseignement tient compte du nombre d'établissements et de membres du personnel.
2° céder des dispositifs ou appareils désaffectés aux acheteurs afin de répondre à l'obligation de reprise légale à l'achat de dispositifs ou d'appareils similaires pour lesquels une cotisation Recupel est portée en compte.
HOOFDSTUK IX. - Cultuurinvest.
CHAPITRE IX. - Cultuur Invest.
Art. 58. De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om door middel van een samenwerkingsovereenkomst met de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV nv) de werkelijke financieringskosten van het betrekken van strategische partners in de financiering van Cultuurlnvest die niet uit de door Cultuurinvest behaalde rendementen kunnen vergoed worden ten laste te nemen. Daarnaast wordt zij ertoe gemachtigd om een jaarlijkse beheersvergoeding toe te kennen aan PMV.
Art. 58. Le Gouvernement flamand est habilité à prendre en charge, par le biais d'une convention de coopération avec la "Participatiemaatschappij Vlaanderen" (PMV sa), les frais de financement réels pour l'association de partenaires stratégiques au financement de Cultuurinvest qui ne peuvent être indemnisés par les rendements réalisés par Cultuurinvest. Il est en outre habilité à octroyer une indemnité de gestion annuelle à la PMV.
HOOFDSTUK X. - Sociaal-cultureel vormingswerk.
CHAPITRE X. - Animation socioculturelle.
Art. 59. In afwijking van artikel 3, § 2, tweede lid, en artikel 4bis, § 2, van het decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkeling en houdende ondersteuning van de Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra, wordt in 2008 de tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks uitgekeerd aan de Federatie van Organisaties voor Volksontwikkelingswerk (FOV) en de Vereniging van Vlaamse Cultuurcentra (VVC).
Art. 59. Par dérogation à l'article 3, § 2, alinéa deux, et l'article 4bis, § 2, du décret du 6 juillet 2001 relatif au soutien de la fédération des organisations d'éducation populaire agréées et au soutien des centres culturels flamands, l'intervention de la Communauté flamande est, en 2008, directement payée à la Fédération des Organisations d'Education populaire (FOV) et à l'Association des Centres culturels flamands (VVC).
HOOFDSTUK XI. - Vlaams Toekomstfonds.
CHAPITRE XI. - "Vlaams Toekomstfonds" (Fonds flamand de l'AVenir).
Art. 60. Artikel 94 van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 94.
In afwijking van artikel 10, § 4, en artikel 39 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003, wordt het hoofd van het departement van het beleidsdomein Financiën en Begroting met de algemene leiding, de werking en vertegenwoordiging van het Vlaams Toekomstfonds belast.
In afwijking van artikel 10, § 4, wordt er tussen het hoofd van het Vlaams Toekomstfonds en de Vlaamse Regering geen beheersovereenkomst afgesloten.
De Vlaamse Regering regelt de werking van het Fonds. "
" Artikel 94.
In afwijking van artikel 10, § 4, en artikel 39 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003, wordt het hoofd van het departement van het beleidsdomein Financiën en Begroting met de algemene leiding, de werking en vertegenwoordiging van het Vlaams Toekomstfonds belast.
In afwijking van artikel 10, § 4, wordt er tussen het hoofd van het Vlaams Toekomstfonds en de Vlaamse Regering geen beheersovereenkomst afgesloten.
De Vlaamse Regering regelt de werking van het Fonds. "
Art. 60. L'article 94 du décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 94.
Par dérogation à l'article 10, § 4 et l'article 39 du décret cadre sur la politique administrative du 18 juillet 2003, le chef du département du domaine politique Finances et Budget, est charge de la direction générale, le fonctionnement et la représentation du "Vlaams Toekomstfonds".
Par dérogation à l'article 10, § 4, il est conclu aucun contrat de gestion entre le chef du "Vlaams Toekomstfonds" et le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand règle le fonctionnement du Fonds. "
" Article 94.
Par dérogation à l'article 10, § 4 et l'article 39 du décret cadre sur la politique administrative du 18 juillet 2003, le chef du département du domaine politique Finances et Budget, est charge de la direction générale, le fonctionnement et la représentation du "Vlaams Toekomstfonds".
Par dérogation à l'article 10, § 4, il est conclu aucun contrat de gestion entre le chef du "Vlaams Toekomstfonds" et le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand règle le fonctionnement du Fonds. "
HOOFDSTUK XII. - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
CHAPITRE XII. - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (Agence flamande pour les Personnes handicapées).
Art. 61. In artikel 6, 1°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) worden de woorden ", met uitsluiting van het subsidiëren of financieren van infrastructuur van erkende voorzieningen" vervangen door de woorden ", met inbegrip van de aanvullende financiering van infrastructuurprojecten door kapitaalssubsidies uit de aan het agentschap toebedeelde winstverdeling van de nationale Loterij".
Art. 61. Dans l'article 6, 1° du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap", les mots ", à l'exclusion du subventionnement ou du financement de l'infrastructure de structures agréées" sont remplaces par les mots "y compris le financement additionnel de projets d'infrastructure par des subventions de capital à charge de la répartition du bénéfice de la Loterie nationale octroyé à l'agence".
HOOFDSTUK XIII. - Bekrachtiging van de akte houdende ruiling van percelen grond te Antwerpen.
CHAPITRE XIII. - Ratification de l'acte d'échange de parcelles de terres à Anvers.
Art. 62. De akte houdende ruiling van percelen grond gelegen te Antwerpen, verleden op 12 november 2007 voor de heer Johan Huybrechts, commissaris bij het Aankoopcomité te Antwerpen, tussen het Vlaamse Gewest enerzijds en de Stad Antwerpen en het Autonoom Gemeentebedrijf voor Vastgoedbeheer en Stadsprojecten Antwerpen anderzijds, wordt bekrachtigd.
Art. 62. L'acte portant échange de parcelles de terres situées à Anvers, passé le 12 novembre 2007 devant monsieur Johan Huybrechts, commissaire au Comite d'Achat à Anvers, entre la Région flamande d'une part et la ville d'Anvers et "l'Autonoom Gemeentebedrijf voor Vastgoedbeheer en Stadsprojecten Antwerpen" d'autre part, est ratifié.
HOOFDSTUK XIV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE XIV. - Dispositions finales.
Art. 63. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2008, met uitzondering van :
- Afdeling VIII - UZ Gent van hoofdstuk II - Onderwijs, die uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2007;
- Afdeling IV - Wetboek der Successierechten van hoofdstuk III - Fiscaliteit, die uitwerking heeft met ingang van 1 november 2007;
- Afdeling II - Oppervlaktewateren van hoofdstuk IV - Leefmilieu, die in werking treedt vanaf het heffingsjaar 2008;
- Afdeling V - Bodem van hoofdstuk IV - Leefmilieu, die in werking treedt op dezelfde datum waarop het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming in werking treedt; (NOTA : het gaat hier om DVR 2006-10-27/49, waarvan het hier betrokken deel, namelijk art. 162, op 01-06-2008 in werking treedt.)
- HOOFDSTUK VI - Vlaams Gemeentefonds, dat uitwerking heeft met ingang van 31 oktober 2007;
- HOOFDSTUK XI - Vlaams Toekomstfonds, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007;
- Hoofdstuk XII - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007.
- Afdeling VIII - UZ Gent van hoofdstuk II - Onderwijs, die uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2007;
- Afdeling IV - Wetboek der Successierechten van hoofdstuk III - Fiscaliteit, die uitwerking heeft met ingang van 1 november 2007;
- Afdeling II - Oppervlaktewateren van hoofdstuk IV - Leefmilieu, die in werking treedt vanaf het heffingsjaar 2008;
- Afdeling V - Bodem van hoofdstuk IV - Leefmilieu, die in werking treedt op dezelfde datum waarop het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming in werking treedt; (NOTA : het gaat hier om DVR 2006-10-27/49, waarvan het hier betrokken deel, namelijk art. 162, op 01-06-2008 in werking treedt.)
- HOOFDSTUK VI - Vlaams Gemeentefonds, dat uitwerking heeft met ingang van 31 oktober 2007;
- HOOFDSTUK XI - Vlaams Toekomstfonds, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007;
- Hoofdstuk XII - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007.
Art. 63. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2008, à l'exception des dispositions suivantes :
- Section VIII - UZ Gent du chapitre II - Enseignement, qui produit ses effets le 1er juillet 2007;
- Section IV - Code des droits de succession du chapitre III - Fiscalité, qui produit ses effets le 1er novembre 2007;
- Section II - Eaux de surface du chapitre IV - Environnement, qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2008;
- Section V - Sol du chapitre IV - Environnement, qui entre en vigueur à la même date que celle à laquelle entre en vigueur le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol; (NOTE : il s'agit du DCFL 2006-10-27/49, dont la partie ici en cause, à savoir l'art. 162, entre en vigueur le 01-06-2008.)
- Chapitre VI - "Vlaams Gemeentefonds", qui produit ses effets le 31 octobre 2007;
- Chapitre XI - "Vlaams Toekomstfonds", qui produit ses effets le 1er janvier 2007;
- Chapitre XII - "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap", qui produit ses effet le 1er janvier 2007.
- Section VIII - UZ Gent du chapitre II - Enseignement, qui produit ses effets le 1er juillet 2007;
- Section IV - Code des droits de succession du chapitre III - Fiscalité, qui produit ses effets le 1er novembre 2007;
- Section II - Eaux de surface du chapitre IV - Environnement, qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2008;
- Section V - Sol du chapitre IV - Environnement, qui entre en vigueur à la même date que celle à laquelle entre en vigueur le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol; (NOTE : il s'agit du DCFL 2006-10-27/49, dont la partie ici en cause, à savoir l'art. 162, entre en vigueur le 01-06-2008.)
- Chapitre VI - "Vlaams Gemeentefonds", qui produit ses effets le 31 octobre 2007;
- Chapitre XI - "Vlaams Toekomstfonds", qui produit ses effets le 1er janvier 2007;
- Chapitre XII - "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap", qui produit ses effet le 1er janvier 2007.