Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 OKTOBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende goedkeuring van de geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-12-2007 en tekstbijwerking tot 10-09-2008)
Titre
26 OCTOBRE 2007. - Arrêté du Gouvernement flamand portant approbation des projets temporaires sélectionnés sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail (Traduction). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-12-2007 et mise à jour au 10-09-2008)
Documentinformatie
Numac: 2007037115
Datum: 2007-10-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2007037115
Date: 2007-10-26
Moniteur: Voir
Tekst (12)
Texte (10)
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder het besluit van 19 oktober 2007 : het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.
Article 1. Dans le présent arrêté, on entend par arrêté du 19 octobre 2007 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2007 relatif à l'organisation de projets temporaires sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail.
Art. 2. De naamlijst van de leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 7 van het besluit van 19 oktober 2007, is als bijlage I bij dit besluit gevoegd.
Art. 2. La liste nominative des membres de la commission de sélection visée à l'article 7 de l'arrêté du 19 octobre 2007, est jointe en annexe I au présent arrêté.
Art. 3. De lijst van de tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren die, op voordracht van de selectiecommissie, voor de periode van 1 november 2007 tot en met 31 augustus 2010 worden goedgekeurd, zoals vermeld in artikel 5 van het besluit van 19 oktober 2007, is als bijlage II bij dit besluit gevoegd.
Art. 3. La liste des projets temporaires sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail qui, sur la présentation de la commission de sélection, sont approuvés pour la période du 1er novembre 2007 jusqu'au 31 août 2010 inclus, telle que visée à l'article 5 de l'arrêté du 19 octobre 2007, est jointe en annexe II au présent arrêté.
Art.3bis. [1 Art. 3bis. § 1. In § 2 tot en met § 4 staat een exhaustieve opsomming van alle mogelijke afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen binnen de tijdelijke projecten met een motivatie.
   § 2. Voor de scholen en leerlingen van het basisonderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
   1° in afwijking van artikel 20, § 2, 2°, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het deelnemen aan onderwijsactiviteiten in andere scholen binnen hetzelfde project, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of die de leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. In voorkomend geval blijft het principe gelden dat een leerling slechts in één school ingeschreven kan zijn;
   2° in afwijking van artikel 153sexies, § 3, § 4 en § 5, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het overdragen van de puntenenveloppen om een zorgbeleid te voeren, en om ICT-ondersteuning en administratieve ondersteuning te bieden, van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs binnen hetzelfde project. Punten die worden overgedragen, moeten worden geput uit het aantal punten dat in aanmerking komt voor overdracht naar de scholengemeenschap. Die punten kunnen in het secundair onderwijs aangewend worden voor ondersteunend personeel als vermeld in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen biedt de gelegenheid de opgebouwde expertise van elke afzonderlijke instelling ten voordele van het leer- en opvoedingsproces van de jongere te benutten.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : de rol van het ondersteunend personeel kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten van het beleids- en ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het basis- naar het secundair onderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
   § 3. Voor de scholen en leerlingen van het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
   1° in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximumaantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs, en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 met betrekking tot de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 : het niet-opleggen van een maximumaantal wekelijkse lestijden per structuuronderdeel voor financiering of subsidiëring;
   2° in afwijking van artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, en van artikel 4, § 2, en artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het laten volgen van lessen door leerlingen in andere onderwijsinstellingen die aan hetzelfde project deelnemen, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement en na instemming van de betrokken leraars van de andere onderwijsinstellingen. In voorkomend geval :
   a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
   b) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze niet tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve raadgevend in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
   c) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze wel tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve stemgerechtigd in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
   3° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het flexibel, al dan niet leerjaaroverschrijdend, invullen of differentiëren van wekelijkse lessentabellen bij periode, leerlingengroep of individuele leerling, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad voor leerlingen een gunstige beslissing heeft genomen. In voorkomend geval :
   a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
   b) moeten de leerplandoelstellingen bereikbaar blijven;
   4° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van een bepaald structuuronderdeel, dat al dan niet wordt overgezeten, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt omdat de leerling al geslaagd is voor die programmaonderdelen in het secundair onderwijs. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
   5° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
   6° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het spreiden van het programma in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, over twee schooljaren. In voorkomend geval :
   a) wordt na het eerste schooljaar alleen een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt;
   b) wordt voor de normering inzake financiering of subsidiëring, rationalisatie en programmatie de leerling elk schooljaar voor een halve eenheid in aanmerking genomen;
   7° in afwijking van artikel 49, 1°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het uitbreiden van de tweejarige structuur van de eerste graad naar een driejarige structuur, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement. In voorkomend geval :
   a) is voor inschrijving, elk schooljaar opnieuw en telkens na kennisname van het gemotiveerde advies van de toelatingsklassenraad, het voorafgaande schriftelijke akkoord vereist van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
   b) wordt het derde leerjaar geacht zich te bevinden op het niveau van het tweede leerjaar van de eerste graad, dat is opgebouwd uit basisopties;
   c) wordt het oriënteringsattest van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede respectievelijk het derde leerjaar als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
   d) wordt aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, op het einde van het eerste leerjaar een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt;
   e) wordt aan elke leerling op het einde van het derde leerjaar een getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs uitgereikt, samen met een oriënteringsattest A of B;
   f) beslist de delibererende klassenraad van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de eerste graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder toepassing van de afwijkende regeling valt;
   8° in afwijking van artikel 50 van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het invoeren, ongeacht de graad, de onderwijsvorm of het structuuronderdeel, van aspecten van modulaire onderwijsinrichting zoals die door de decreet- of regelgever worden vastgelegd;
   9° in afwijking van artikel 51, laatste gedachtestreepje, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990, en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het organiseren van een tweede onthaaljaar, voorbehouden aan leerlingen die het eerste onthaaljaar hebben gevolgd. In voorkomend geval :
   a) omvat de wekelijkse lessentabel maximaal vierendertig lestijden, waaronder :
   1) twee lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer, eigen cultuur en religie of cultuurbeschouwing (de laatste twee vakken zijn voorbehouden aan het vrij onderwijs);
   2) minstens acht lestijden Nederlands voor nieuwkomers.
   De overige lestijden worden door de klassenraad ingevuld afhankelijk van de individuele leerling;
   b) vindt de studiebekrachtiging plaats naar analogie van de studiebekrachtiging in een leerjaar van de eerste graad, afhankelijk van de individuele leerling;
   c) worden geen specifieke uren-leraar toegekend;
   d) wordt voor de toepassing van alle andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen het tweede onthaaljaar gelijkgesteld aan het eerste onthaaljaar;
   10° in afwijking van artikel 53, § 1, en artikel 54, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het niet-koppelen van de respectieve basisvormingen van de eerste graad aan een minimumaantal wekelijkse lestijden;
   11° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het aanwenden van uren-leraar voor de aanwerving van voordrachtgevers ten belope van maximaal 5 % van het voor de onderwijsinstelling beschikbare pakket uren-leraar. In voorkomend geval wordt de vergoeding van die voordrachtgevers geregeld conform de bepalingen, vigerend in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
   12° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het realiseren van wekelijkse lessentabellen, met eventuele vakkenintegratie, op basis van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald in de vorm van bijzondere pedagogische taken;
   13° in afwijking van artikel 7, § 1, artikel 28 en 38 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs : het zonder normering programmeren van structuuronderdelen onder bestaande benamingen, nieuwe benamingen of een benaming proeftuin en, met uitzondering van de eerste graad, de rangschikking van die structuuronderdelen binnen de bestaande studiegebieden of in een studiegebied proeftuin. In voorkomend geval :
   a) moet het aldus opgerichte structuuronderdeel worden afgebouwd na beëindiging van het tijdelijke project, tenzij andersluidende overheidsbeslissing;
   b) wordt, zo het structuuronderdeel een nieuwe benaming of de benaming proeftuin draagt, als leerlingencoëfficiënt binnen de vaststellingsregeling van de lerarenomkadering de coëfficiënt genomen van het structuuronderdeel dat inhoudelijk het dichtst aanleunt bij het geprogrammeerde structuuronderdeel;
   14° in afwijking van artikel 98, § 1, en artikel 98bis, § 1, van hetzelfde decreet van 14 juli 1998 : het overdragen van punten ondersteunend personeel van het secundair onderwijs naar het basisonderwijs binnen hetzelfde project. Die punten kunnen in het basisonderwijs aangewend worden voor beleids- en ondersteunend personeel als vermeld in het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
   15° in afwijking van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs : het organiseren van tweepolige structuuronderdelen in de derde graad van het algemeen secundair onderwijs op basis van alle mogelijke combinaties van bestaande polen;
   16° in afwijking van bijlage III tot en met XXXI bij hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 : het herindelen van bestaande structuuronderdelen binnen bestaande studiegebieden;
   17° in afwijking van artikel 8, § 4, van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen : het hanteren van leerplannen zonder de vigerende goedkeuringsregeling in aanmerking te nemen;
   18° in afwijking van artikel 2, 1°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het definiëren van een anderstalige nieuwkomer als een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens elf jaar is en anderzijds geen achttien jaar geworden is. In voorkomend geval worden, louter voor de leerlingen die op basis van de vermelde afwijking instromen, geen specifieke uren-leraar toegekend;
   19° in afwijking van artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het toelaten als regelmatige leerling tot het eerste leerjaar A zonder het zesde leerjaar van het lager onderwijs te hebben gevolgd mits :
   a) de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van screening van de leerling;
   b) de personen akkoord gaan die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
   20° in afwijking van artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties;
   21° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het uitstellen van delibererende klassenraden in de eerste, de tweede, respectievelijk de derde graad tot het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie. In voorkomend geval :
   a) wordt het oriënteringsattest van het eerste leerjaar van de graad in kwestie vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede leerjaar van die graad als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt. Bij dat attest wordt de eventuele beslissing van de begeleidende klassenraad gevoegd om in het hogere leerjaar een aangepast leertraject te volgen;
   b) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
   c) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
   22° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot een hoger leerjaar niettegenstaande tekorten voor bepaalde programmaonderdelen, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt in overleg met de delibererende klassenraad van het leerjaar waaruit de leerling komt. In voorkomend geval :
   a) moeten de tekorten worden weggewerkt voor het einde van de graad waarbinnen het hogere leerjaar zich bevindt;
   b) wordt de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;
   c) beslist de delibererende klassenraad van het leerjaar waarin een attest van regelmatige lesbijwoning werd uitgereikt, alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die, zonder dat de tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
   d) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
   23° in afwijking van artikel 56, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het niet-organiseren van een geïntegreerde proef op het einde van het schooljaar mits tijdens het schooljaar permanent geïntegreerd wordt gewerkt.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 10°, is de volgende : de flexibele samenstelling van leerprogramma's impliceert de mogelijkheid tot het doorbreken van de rigide indeling in graden, leerjaren, onderwijsvormen, studiegebieden en structuuronderdelen. Flexibiliteit betekent ook de mogelijkheid tot spreiding van studiebelasting en tot alternerende lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen. Door die opportuniteiten moeten persoonlijke talenten, competenties en interesses van leerlingen optimaal tot ontwikkeling kunnen komen, waardoor leermotivatie wordt gestimuleerd. Op die wijze kan een voedingsbodem worden gecreëerd voor een studieloopbaan waarin veelvuldige school- of studieverandering, leerachterstand, zittenblijven en, ten slotte, ongekwalificeerde uitstroom maximaal worden teruggedrongen. Door handhaving van principes, zoals eindtermen, ontwikkelingsdoelen en minimale basisvorming, en door behoud van de reguliere eindstudiebekrachtiging wordt het evenwicht bewaakt tussen een dynamisch en vernieuwend onderwijs op maat enerzijds en onderwijskwaliteit en civiele onderwijseffecten anderzijds.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 4°, is de volgende : het hanteren van een ruimer lokaal vrijstellingenbeleid moet in een efficiëntere en effectievere tijdsbesteding resulteren. Door de lesverstrekking te focussen op programmaonderdelen die voor de betrokken leerling nieuw zijn of remediëring vereisen, kan zijn belangstelling gewekt blijven en kunnen zijn tekorten worden weggewerkt, wat essentiële elementen zijn voor een optimale studieloopbaan.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 5°, 6° en 20°, is de volgende : de specialisatiejaren van de derde graad technisch en kunstsecundair onderwijs worden bevolkt door leerlingen die al gediplomeerd en niet meer leerplichtig zijn. Specialisatiejaren zijn kwalificatieverhogend, worden gewaardeerd door het bedrijfsleven en bevorderen de tewerkstellingsperspectieven. De aantrekkingskracht van die specialiatiejaren verhogen door maatregelen te nemen op het vlak van toeleiding en invulling, maar ook door opleiding én werk combineerbaar te maken, kan positieve effecten sorteren voor (potentiële) werknemers en werkgevers.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 7°, is de volgende : de eerste graad secundair onderwijs is een scharniergraad tussen het lager en secundair onderwijs en belangrijk in de opstap naar en studiekeuze in de hogere leerjaren. Falen in de eerste graad kan structureel negatieve gevolgen hebben voor de verdere studieloopbaan, zodat bij uitstek in die graad preventief opgetreden moet worden. Uitbreiding van twee naar drie leerjaren met doorstroomgarantie moet meer ruimte geven voor leerplanafwerking en individuele opvang en begeleiding en vermijdt het emotioneel geladen zittenblijven.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 8°, is de volgende : door het volledige secundaironderwijslandschap toegankelijk te maken voor modulaire onderwijsaspecten, kan een groei worden gerealiseerd in gekwalificeerde uitstroom, in afstemming op de arbeidsmarkt, in transparantie van het onderwijsaanbod, in tussentijdse succesbelevingen van leerlingen en in hun stimulans tot levenslang leren.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 9° en 18°, is de volgende : door de strikte begrenzing weg te nemen dat onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers een eenjarige opleiding is en voorbehouden aan plus 12-jarigen, kan het rendement van die specifieke onderwijsvoorziening worden verhoogd. Daaronder wordt verstaan dat nieuwkomers, na een intensief taalbad, ook op leeftijd in het secundair onderwijs kunnen stappen, respectievelijk dat nieuwkomers via een tweede onthaaljaar nog steeds intensief taalonderricht kunnen krijgen, waardoor ze nadien over betere slaagkansen beschikken.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 11°, is de volgende : onderwijsinstellingen en lerarenteams staan voor de permanente uitdaging om de leerstof op een boeiende en eigentijdse wijze te verwerken. Inschakeling van schoolexterne voordrachtgevers, die het onderwijs levensechter maken en een horizonverruimende dimensie aanbrengen, past in het streven naar gepaste pedagogisch-didactische werkvormen. Omgekeerd kan confrontatie met het onderwijsproces ook voor voordrachtgevers een meerwaarde genereren, zodat een win-winsituatie ontstaat.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 12°, is de volgende : leerstofpakketten catalogiseren in vakken en daarop een vakkenrubricering toepassen, gebeurt in de huidige stand van zaken vooral op grond van personeelsregelgeving. Onderwijstrends gaan echter steeds vaker in de richting van integratie van vakken, met onder meer multidisciplinaire of thematische aanpak en vervaging van het strikte onderscheid tussen theorie en praktijk. Les- en verwante onderwijsopdrachten onder de noemer van bijzondere pedagogische taken plaatsen, kan uitkomst bieden om onderwijskundige vernieuwingen te verzoenen met toepassing van de vigerende personeelsregelgeving. Daarenboven biedt de techniek van de met lesuren gelijkgestelde uren, waaronder bijzondere pedagogische taken ressorteren, de mogelijkheid aan de inrichtende macht om het inzetten van het juiste personeelslid op de juiste plaats op te voeren, rekening houdend met ervaring, deskundigheid en motivatie.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 13°, is de volgende : onderwijs moet gelijke tred kunnen houden met socio-economische, technologische, maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Programmatie van het opleidingenaanbod is een van de instrumenten daartoe. Door programmaties procedure- en normloos te maken, kunnen onderwijsverstrekkers die techniek eenvoudiger hanteren.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 14°, is de volgende : de rol van het beleids- en ondersteunend personeel, in voorkomend geval toegespitst op specifieke ambten binnen die formatie, kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het secundair naar het basisonderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 15° en 16°, is de volgende : het huidige opleidingenaanbod ligt, gerangschikt in studiegebieden, limitatief en eenduidig voor alle onderwijsorganisatoren vast. Herverdeling van dat aanbod, onder meer op basis van belangstellingsdomeinen, kan de transparantie ervan verhogen, de attractiviteit van onderwijsinstellingen of opleidingen doen toenemen, studiekeuzes verbeteren en de schoolorganisatie optimaliseren.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 17°, is de volgende : voor leerplannen, als leidraad voor lesgevers, kunnen worden toegepast, moet een gefaseerde goedkeuringsprocedure worden doorlopen tot op overheidsniveau. Het opheffen van die procedure kan bijdragen tot meer zekerheid voor de leerplanmakers, grondigere voorbereiding van implementatie door de gebruikers en snellere bijsturing bij gewijzigde omstandigheden of nieuwe behoeften. Onverkort behoud van het principe van de eindtermen of ontwikkelingsdoelen moet borg staan voor onderwijskwaliteit.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 19°, is de volgende : de toegang van leerlingen tot het eerste leerjaar A van het secundair onderwijs is momenteel gebaseerd op het beginsel van vrij naadloze instroom vanuit de lagere school. Die formele voorwaarde kan echter een miskenning inhouden van de intrinsieke capaciteiten van de jongere en daardoor zijn secundaire studieloopbaan nodeloos remmen. Aan de hand van een aanvullende instappiste kan een mogelijk terechte startpositie worden bedongen.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 21°, 22° en 23°, is de volgende : leerlingenevaluatie en de daarop aansluitende studiebekrachtiging is leerjaargebonden. Slagen is meestal noodzakelijk om de horizontale of verticale overstap naar het hogere leerjaar te kunnen zetten. Van situaties waarin leerlingen vaak niet op alle programmaonderdelen tekorten hebben of waarin leerplannen meer graad- dan jaarplannen zijn, maakt de bestaande regelgeving op de onderwijsorganisatie al te veel abstractie. Door aan onderwijsorganisatoren en inzonderheid klassenraden meer alternatieven op het vlak van evaluatie te verlenen, kan die evaluatie meer op de concrete schoolpraktijk worden geënt en, niet het minst, kunnen leerlingen meer vanuit hun capaciteiten dan vanuit hun gebreken worden benaderd.
   § 4. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs en het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
   1° het schoolbestuur of de inrichtende macht kan voor de aanstelling van een vastbenoemd personeelslid via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, afwijken van de volgorde, vermeld in artikel 34, § 1, A, 6°, B, 6°, en C, 6°, in artikel 36, § 2, A, 4°, B, 4°, en C, 4°, en in artikel 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, en C, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;
   2° in het gemeenschapsonderwijs kan de raad van bestuur bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 28 en 28bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;
   3° in het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur of de inrichtende macht bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 33, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : vastbenoemde personeelsleden die voor de duur van het project een andere opdracht uitoefenen dan hun opdracht van vaste benoeming, moeten daarvoor een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De scholen zijn verplicht om voorrang te geven aan tijdelijke personeelsleden voor ze vastbenoemden met een verlof aanstellen. Dat beperkt hun mogelijkheid om voor het project het personeelslid aan te stellen dat beschikt over de beste capaciteiten en ook om dat personeelslid te behouden gedurende het hele project. De projectscholen krijgen daarom de mogelijkheid om voorrang te geven aan hun eigen vastbenoemde personeelsleden boven tijdelijke personeelsleden.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd voor de duur van het project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.
   De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 3°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.]1

  
Art.3bis. [1 § 1er. Les §§ 2 à 4 inclus comportent une liste exhaustive de toutes les dérogations possibles, assorties de motivations, aux dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquant aux projets temporaires.
   § 2. Aux écoles et élèves de l'enseignement fondamental s'appliquent les dispositions suivantes :
   1° par dérogation à l'article 20, § 2, 2°, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : la participation à des activités d'enseignement dans d'autres écoles associées au même projet, à condition que ce soit communiqué au préalable aux personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève. Le cas échéant, le principe qu'un élève ne peut être inscrit que dans une seule école reste d'application;
   2° par dérogation à l'article 153sexies, §§ 3, 4 et 5, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : le transfert d'enveloppes de points de l'enseignement fondamental vers l'enseignement secondaire au sein du même projet pour assurer un encadrement renforcé et offrir un encadrement TIC et administratif. Les points reportés doivent être puisés dans le nombre de points admissibles au transfert au centre d'enseignement. Ces points peuvent être utilisés dans l'enseignement secondaire pour des personnels d'appui, tels que visés au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : la fréquentation des cours dans plusieurs établissements d'enseignement permet d'utiliser l'expertise acquise par chaque établissement individuel en faveur du processus d'apprentissage et éducatif du jeune.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : le rôle du personnel d'appui peut être un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire pour des projets d'enseignement interniveaux.
   § 3. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
   1° par dérogation à l'article 2 de l'arrêté royal n° 2 du 21 août 1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire de plein exercice, et à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3 : la non-imposition d'un nombre maximum de périodes hebdomadaires par subdivision structurelle pour financement ou subventionnement;
   2° par dérogation à l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, et aux articles 4, § 2, et 5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'autorisation aux élèves de suivre des cours dans d'autres établissements d'enseignement associés au même projet, à condition que ce soit préalablement communiqué par le biais du règlement d'école et moyennant l'accord des enseignants intéressés des autres établissements d'enseignement. Le cas échéant :
   a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
   b) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix consultative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement n'appartiennent pas au même pouvoir organisateur;
   c) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix délibérative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement appartiennent au même pouvoir organisateur;
   3° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'établissement ou la différentiation flexible, dépassant les années d'études ou non, de grilles horaires hebdomadaires d'après la période, le groupe d'élèves ou l'élève individuel, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur ait prise une décision favorable pour des élèves. Le cas échéant :
   a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
   b) les objectifs concernant le programme d'études doivent rester réalisables;
   4° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme d'une subdivision structurelle déterminée, doublée ou non, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable parce que l'élève a déjà réussi pour lesdites subdivisions de programme dans l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
   5° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme en troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
   6° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'étalement sur deux années scolaires du programme de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisé sous forme d'une année de spécialisation. Le cas échéant :
   a) il n'est délivré qu'une attestation de fréquentation régulière des cours à l'issue de la première année scolaire;
   b) chaque année scolaire, l'élève est pris en compte pour une demi-entité pour ce qui est des normes en matière de financement ou de subventionnement, de rationalisation et de programmation;
   7° par dérogation à l'article 49, 1°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'extension de la structure biennale du premier degré à une structure triennale, moyennant communication préalable par le règlement d'école. Le cas échéant :
   a) l'accord des personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur est requis pour l'inscription, chaque année scolaire et chaque fois après avoir pris connaissance de l'avis motivé du conseil de classe d'admission;
   b) la troisième année d'études est censée se trouver au niveau de la deuxième année d'études du premier degré, qui est constituée d'options de base;
   c) l'attestation d'orientation de la première, respectivement la deuxième année d'études est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième, respectivement la troisième année d'études, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire;
   d) il est délivré à chaque élève, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
   e) il est délivré à chaque élève un certificat du premier degré de l'enseignement secondaire à l'issue de la troisième année d'études, ainsi qu'une attestation d'orientation A ou B;
   f) le conseil de classe délibérant de la première, respectivement la deuxième année d'études, décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé cette année d'études et qui, avant la fin du premier degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
   8° par dérogation à l'article 50 du même décret du 31 juillet 1990 : l'introduction, quel que soit le degré, la filière d'enseignement ou la subdivision structurelle, d'aspects d'organisation modulaire de l'enseignement tels que définis par le législateur ou le législateur décrétal;
   9° par dérogation à l'article 51, dernier tiret, du même décret du 31 juillet 1990, et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : l'organisation d'une deuxième année d'accueil, réservée aux élèves ayant suivi la première année d'accueil. Le cas échéant :
   a) la grille horaire hebdomadaire comprend au maximum trente-quatre périodes, dont :
   1) deux périodes de religion, de morale non confessionnelle, de propre culture et religion ou de formation culturelle (les deux derniers cours sont réservés à l'enseignement libre);
   2) au moins huit périodes de néerlandais pour primo-arrivants.
   Les périodes restantes sont comblées par le conseil de classe, en fonction de l'élève individuel;
   b) la validation des études s'effectue par analogie avec la validation des études dans une année d'études du premier degré en fonction de l'élève individuel;
   c) des périodes-professeur spécifiques ne sont pas accordées;
   d) la deuxième année d'accueil est assimilée à la première année d'accueil pour l'application de toutes les autres dispositions légales, décrétales et réglementaires;
   10° par dérogation aux articles 53, § 1er, et 54, §§ 1er et 3, du même décret du 31 juillet 1990 : le non-ralliement des formations de base respectives du premier degré à un nombre minimum de périodes hebdomadaires;
   11° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : l'utilisation de périodes-professeur pour le recrutement de conférenciers à concurrence de 5 % au maximum du capital " périodes-professeur " dont l'établissement d'enseignement dispose. Le cas échéant, la rétribution de ces conférenciers est réglée conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
   12° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : la réalisation de grilles horaires hebdomadaires, éventuellement avec intégration des cours, sur la base d'heures assimilées à des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques spéciales;
   13° par dérogation aux articles 7, § 1er, 28 et 38 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental : la programmation sans normes de subdivisions structurelles sous des dénominations existantes, de nouvelles dénominations ou d'une dénomination " proeftuin " (champ d'expérimentation) et, à l'exception du premier degré, le classement de ses subdivisions structurelles dans les disciplines existantes ou dans une discipline " proeftuin ". Le cas échéant :
   a) la subdivision structurelle ainsi créée doit être supprimée progressivement à l'expiration du projet temporaire, à moins que l'autorité en décide autrement;
   b) si la subdivision structurelle porte une nouvelle dénomination ou la dénomination " proeftuin ", le coefficient de la subdivision structurelle dont le contenu correspond le plus à la subdivision programmée est adopté comme coefficient des élèves s'inscrivant dans les modalités de fixation de l'encadrement des enseignants;
   14° par dérogation aux articles 98, § 1er, et 98bis, § 1er, du même décret du 14 juillet 1998 : le transfert de points personnel d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental au sein du même projet. Dans l'enseignement fondamental, ces points peuvent être utilisés pour le personnel de gestion et d'appui, tel que fixé au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
   15° par dérogation à l'annexe III à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif aux disciplines et subdivisions structurelles dans l'enseignement secondaire : l'organisation de subdivisions structurelles bipolaires dans le troisième degré de l'enseignement secondaire général, sur la base de toutes combinaisons possibles de pôles existants;
   16° par dérogation aux annexes III à XXXI incluses au même arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 : une nouvelle classification de subdivisions structurelles existantes au sein de disciplines existantes;
   17° par dérogation à l'article 8, § 4, du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2006 fixant les critères d'approbation et les modalités d'introduction des programmes d'études : l'utilisation de programmes d'études sans prendre en compte les modalités d'approbation en vigueur;
   18° par dérogation à l'article 2, 1°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : la définition d'un primo-arrivant allophone comme un élève ayant au moins onze ans et n'ayant pas encore atteint l'âge de dix-huit ans au plus tard le 31 décembre après le début de l'année scolaire. Le cas échéant, il n'est pas accordé de périodes-professeur spécifiques uniquement pour les élèves nouvellement arrivés sur la base de la dérogation mentionnée;
   19° par dérogation à l'article 6, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'admission à la première année d'études A comme élève régulier sans avoir fréquenté la sixième année d'études de l'enseignement primaire, à condition que :
   a) le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base d'un screening de l'élève;
   b) les personnes exerçant l'autorité parentale ou ayant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur marquent leur accord;
   20° par dérogation à l'article 24, § 1er, du même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission comme élève régulier à la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs;
   21° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la remise des conseils de classe délibérants dans le premier, deuxième ou troisième degré jusqu'à la fin de la deuxième année d'études du degré en question. Le cas échéant :
   a) l'attestation d'orientation de la première année d'études du degré en question est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième année d'études de ce degré, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire. Cette attestation est assortie de la décision éventuelle du conseil de classe accompagnateur, aux fins de suivre une filière d'apprentissage adaptée dans l'année d'études supérieure;
   b) le conseil de classe délibérant de la première année d'études du degré en question décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé l'année d'études et qui, avant la fin du degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
   c) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental à l'issue de la première année d'études;
   22° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission à une année d'études supérieure comme élève régulier, nonobstant des insuffisances pour certaines subdivisions de programme, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable en concertation avec le conseil de classe délibérant de l'année d'études d'où sort l'élève. Le cas échéant :
   a) les insuffisances doivent être éliminées avant la fin du degré auquel appartient l'année d'études supérieure;
   b) la délivrance d'une attestation d'orientation est remplacée par la délivrance d'une attestation de fréquentation régulière des cours en attendant l'élimination des insuffisances;
   c) le conseil de classe délibérant de l'année d'études dans laquelle une attestation de fréquentation régulière des cours est délivrée décide tout de même de délivrer une attestation d'orientation à tout élève qui, sans que les insuffisances aient été éliminées, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
   d) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental à l'issue de la première année d'études;
   23° par dérogation à l'article 56, § 1er, du même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la non-organisation d'une épreuve intégrée à l'issue de l'année scolaire, à condition que l'on travaille constamment de manière intégrée pendant l'année scolaire.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 1°, 2°, 3° et 10°, est motivée comme suit : la composition flexible de programmes d'études implique la possibilité d'abandonner le classement rigide en degrés, années d'études, formes d'enseignement, disciplines et subdivisions structurelles. La flexibilité signifie aussi la possibilité d'étaler la charge d'étude et de fréquenter les cours en alternance dans plusieurs établissements d'enseignement. Ces opportunités doivent permettre un développement optimal des talents, des compétences et des centres d'intérêt personnels des élèves, ce qui stimule leur motivation d'apprentissage. De cette manière, il est possible de créer un milieu favorable à un parcours scolaire où les changements fréquents d'écoles ou d'études, les retards scolaires, le bisutage et, enfin, les sorties sans qualification seront réduits au maximum. En conservant des principes tels que les objectifs finaux, les objectifs de développement et la formation de base minimale et en sauvegardant la validation régulière de fin d'études, l'équilibre est préservé entre un enseignement dynamique et innovateur " sur mesure " d'une part et la qualité de l'enseignement et les effets de l'éducation sur la société d'autre part.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 4°, est motivée comme suit : une plus large politique locale de dispenses doit aboutir à un emploi du temps plus efficace et effectif. L'axe de l'enseignement sur des subdivisions de programme qui sont nouvelles pour l'élève concerné ou qui nécessitent une remédiation, permet à l'élève de maintenir son intérêt ainsi que d'éliminer ses insuffisances. Ce sont en effet des éléments essentiels pour un parcours scolaire optimal.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 5°, 6°, et 20°, est motivée comme suit : les années de spécialisation du troisième degré de l'enseignement secondaire technique et artistique sont occupées par des élèves qui sont déjà diplômés et ne relèvent plus de l'obligation scolaire. Les années de spécialisation accroissent la qualification, sont appréciées par l'industrie et favorisent les perspectives d'occupation. Augmenter l'attrait de ces années de spécialisation, non seulement par la prise de mesures au niveau de l'orientation et du contenu, mais également par une meilleure conciliation formation-emploi, peut engendrer des effets positifs pour les travailleurs (potentiels) et les employeurs.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 7°, est motivée comme suit : le premier degré de l'enseignement secondaire est un degré charnière entre l'enseignement primaire et l'enseignement secondaire et est important comme tremplin vers les années d'études supérieures et pour le choix d'études à opérer. Un échec dans le premier degré peut avoir des conséquences négatives, au niveau structurel, pour la suite du parcours scolaire de l'élève, de sorte qu'une intervention préventive s'impose de préférence dans ce degré. Une extension de deux à trois années d'études avec garantie de transition doit donner plus d'espace à l'accomplissement du programme d'études et à un accueil et un accompagnement individuels de l'élève et évite que celui-ci éprouve les effets d'un redoublement.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 8°, est motivée comme suit : En rendant le paysage éducatif secondaire dans son ensemble accessible aux aspects éducatifs modulaires, il est possible de réaliser un nombre accru de sorties qualifiées, d'assurer une meilleure adéquation avec les besoins du marché de l'emploi ainsi qu'une meilleure transparence de l'offre d'enseignement, de multiplier les expériences de succès intermédiaires des élèves et de les inciter à apprendre tout au long de la vie.
   La nécessité de la dérogation, telle que visée aux points 9° et 18°, est motivée comme suit : en éliminant la stricte délimitation que l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones est une formation d'une seule année et réservée à des élèves âgés de plus de 12 ans, le rendement de cette structure d'enseignement spécifique peut être augmenté. Cela signifie, que les primo-arrivants, même " d'un âge avancé " peuvent, après avoir subi une immersion linguistique, accéder à l'enseignement secondaire, et que les primo-arrivants peuvent toujours, par le biais d'une seconde année d'accueil, suivre un cours intensif de langue, ce qui leur donne de meilleures chances de réussite par après.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 11°, est motivée comme suit : les établissements d'enseignement et les équipes d'enseignants se voient posés devant le défi permanent d'intégrer la matière d'une façon captivante et actuelle. L'appel fait à des conférenciers externes à l'école, qui approchent l'enseignement de la vie et élargissent l'horizon, s'inscrit dans la poursuite de formes de travail pédagogiques-didactiques appropriées. Inversement la confrontation au processus d'enseignement peut également engendrer une plus-value pour les conférenciers, créant ainsi une situation gagnant-gagnant.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 12°, est motivée comme suit : dans l'état actuel des choses, cataloguer les ensembles pédagogiques en branches et les classer en rubriques s'opère surtout sur la base de la réglementation relative aux personnels. Les tendances dans l'enseignement vont vers une intégration de branches, avec entre autres une approche multidisciplinaire ou thématique et un estompage de la stricte différence entre la théorie et la pratique. Le fait de placer les charges d'enseignement et les missions connexes sous le dénominateur de tâches pédagogiques spéciales peut apporter une solution au problème de compatibilité entre les innovations pédagogiques et l'application de la réglementation applicable aux personnels. De plus, la technique des heures assimilées à des heures de cours, dont relèvent les tâches pédagogiques, permet au pouvoir organisateur d'augmenter le nombre de personnels qu'il faut à la place qu'il faut, compte tenu de l'expérience, l'expertise et la motivation dont ils font preuve.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 13°, est motivée comme suit : l'enseignement doit pouvoir rester en phase avec les développements socio-économiques, technologiques, sociales et démographiques. Un des instruments pour ce faire est la programmation de l'offre de formations. En libérant les programmations des procédures et des normes, les dispensateurs d'enseignement peuvent appliquer cette technique plus facilement.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 14°, est motivée comme suit : le rôle des personnels de gestion et d'appui, le cas échéant, exerçant des fonctions spécifiques dans ce cadre, peut représenter un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental pour des projets d'enseignement interniveaux.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 15° et 16°, est motivée comme suit : l'offre de formations actuelle, classée en disciplines, est arrêtée pour tous les organisateurs d'enseignement de façon limitative et uniforme. Une redistribution de cette offre, entre autres en fonction des centres d'intérêt, peut en augmenter la transparence, accroître l'attrait d'établissements d'enseignement ou de formations, améliorer les choix d'études et optimiser l'organisation scolaire.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 17°, est motivée comme suit : avant que les programmes d'études, servant de directive pour les enseignants, puissent être appliqués, il faut suivre une procédure d'approbation en phases jusqu'au niveau des autorités. La suppression de cette procédure peut contribuer à une plus grande sécurité pour les rédacteurs des programmes d'études, une préparation plus approfondie de la mise en oeuvre par les utilisateurs et une correction plus rapide lors de circonstances changées ou de nouveaux besoins. Le maintien absolu du principe des objectifs finaux ou objectifs de développement doit garantir la qualité de l'enseignement.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 19°, est motivée comme suit : pour l'instant, l'accès des élèves à la première année A de l'enseignement secondaire est basé sur le principe d'une transition assez aisée depuis l'école primaire. Cette condition formelle peut cependant contenir une méconnaissance des capacités intrinsèques du jeune et freiner ainsi inutilement son parcours scolaire secondaire. Au moyen d'une piste d'entrée complémentaire, une position de démarrage éventuellement justifiée peut être stipulée.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 21° et 22°, est motivée comme suit : l'évaluation des élèves et la validation des études y afférente sont liées à l'année d'études. Le plus souvent, la réussite est nécessaire pour pouvoir faire le passage horizontal ou vertical à l'année d'études supérieure. La réglementation existante sur l'organisation de l'enseignement fait trop abstraction des situations, dans lesquelles souvent les élèves n'affichent pas d'insuffisances sur toutes les subdivisions de programme ou dans lesquelles les programmes d'études ressemblent plus à des programmes de degrés qu'à des plans annuels. S'il est accordé aux organisateurs d'enseignement et notamment aux conseils de classe plus d'alternatives en matière d'évaluation, celle-ci pourra être mieux alignée sur la pratique scolaire concrète et, plus encore, les élèves pourront être approchés à partir de leurs capacités, plutôt qu'à partir de leurs défauts.
   § 4. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
   1° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, pour la désignation d'un membre du personnel nommé à titre définitif par le biais d'un congé pour l'exercice temporaire d'une autre charge, à l'ordre de l'article 34, § 1er, A, 6°, B, 6°, et C, 6°, de l'article 36, § 2, A, 4°, B, 4°, et C, 4°, et de l'article 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, et C, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente;
   2° dans l'enseignement communautaire, le conseil d'administration peut déroger, par décision motivée, aux articles 28 et 28bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;
   3° dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, par décision motivée, à l'article 33, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : les membres du personnel nommés définitivement exerçant pour la durée du projet une autre charge que la charge pour laquelle ils sont nommés à titre définitif, doivent prendre congé afin d'assumer temporairement une autre charge. Les écoles sont obligées de donner la priorité aux membres du personnel temporaires avant de désigner des membres du personnel définitifs bénéficiant d'un congé. Pour eux, cela limite les possibilités de désigner pour le projet le membre du personnel disposant des meilleures capacités et de garder ce membre du personnel pour toute la durée du projet. C'est pourquoi les écoles de projets sont autorisées à donner aux propres membres du personnel nommés à titre définitif la priorité sur des personnels temporaires.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement communautaire affectés au projet sont protégés pour la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.
   La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 3°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement subventionné affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.]1

  
Art.3ter. [1 § 1. In bijlage III, die bij dit besluit is gevoegd, worden de afwijkingen vermeld die, geput uit de exhaustieve lijst, per afzonderlijk project mogen worden toegepast. Het project in kwestie wordt aangegeven met een verwijzing naar het volgnummer van het project in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de afwijkingen wordt verwezen naar de punten in kwestie, vermeld in artikel 3bis, § 2, § 3 of § 4, naargelang van het geval.
   § 2. Als de bevoegde inspectie, verificatie of administratie of de stuurgroep de toepassing van een afwijking vaststelt die manifest geen verband houdt met de eigenheid en concrete doelstellingen van het project, dan moet, na de beslissing van die stuurgroep, aan die afwijking binnen een redelijke termijn een einde worden gesteld. Een redelijke termijn houdt rekening met de belangen van leerlingen én personeel en vrijwaart het intrinsieke karakter van het project.]1

  
Art.3ter. [1 § 1er. Dans l'annexe III au présent arrêté sont reprises les dérogations qui, puisées dans la liste exhaustive, peuvent être appliquées par projet distinct. Le projet en question est indiqué au moyen d'une référence au numéro d'ordre de ce projet dans l'annexe II au présent arrêté. Pour les dérogations, référence est faite aux points concernés, visés à l'article 3bis, § 2, § 3 ou § 4, le cas échéant.
   § 2. Si l'inspection, la vérification ou l'administration compétente ou le comité directeur constate une dérogation n'ayant manifestement aucun rapport ni avec la spécificité ni avec les objectifs concrets du projet, il faut, par décision de ce comité directeur, mettre fin à cette dérogation dans un délai raisonnable. Un délai raisonnable tient compte des intérêts des élèves ainsi que du personnel et garantit le caractère intrinsèque du projet.]1

  
Art. 4. Aan de projecten met volgnummer 1 tot en met 2 in bijlage II wordt met ingang van 1 november 2007 tot en met 30 juni 2010 driekwart van een voltijdse betrekking van het niveau basisonderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
  Aan de projecten met volgnummer 3 tot en met 6 in bijlage II wordt met ingang van 1 november 2007 tot en met 30 juni 2010 een halftijdse betrekking van het niveau secundair onderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
  Aan de projecten met volgnummer 7 tot en met 19 in bijlage II wordt met ingang van 1 november 2007 tot en met 30 juni 2010 driekwart van een voltijdse betrekking van het niveau secundair onderwijs toegekend, zoals vermeld in artikel 9 en 11 van het besluit van 19 oktober 2007.
Art. 4. Aux projets portant comme numéro d'ordre 1 à 2 inclus et figurant dans l'annexe II est accordé, à partir du 1er novembre 2007 jusqu'au 30 juin 2010 inclus, un emploi de trois quarts d'un emploi à temps plein du niveau de l'enseignement fondamental, tel que mentionné aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
  Aux projets portant comme numéro d'ordre 3 à 6 inclus et figurant dans l'annexe II est accordé, à partir du 1er novembre 2007 jusqu'au 30 juin 2010 inclus, un emploi à mi-temps du niveau de l'enseignement secondaire, tel que mentionné aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
  Aux projets portant comme numéro d'ordre 7 à 19 inclus et figurant dans l'annexe II est accordé, à partir du 1er novembre 2007 jusqu'au 30 juin 2010 inclus, un emploi de trois quarts d'un emploi à temps plein du niveau de l'enseignement secondaire, tel que mentionné aux articles 9 et 11 de l'arrêté du 19 octobre 2007.
Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2007 en houdt op van kracht te zijn op 31 augustus 2010.
Art. 5. Le présent arrêté produit ses effets le 1 octobre 2007 et cessera de produire ses effets le 31 août 2010.
Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 26 oktober 2007.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
  F. VANDENBROUCKE
Art. 6. Le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Bruxelles, le 26 octobre 2007.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
  F. VANDENBROUCKE
BIJLAGEN.
ANNEXE.
Art. N1. Bijlage I. Samenstelling van de selectiecommissie voor tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.
  Namens de Onderwijsinspectie :
  Mevr. Els GALLIN, de heer Roger VANDEVOORDE
  Namens het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming :
  Mevr. Naomi WAUTERICKX
  Mevr. Kristel VAN DAMME-SOETHEER (bij dossiers niveau basisonderwijs)
  Mevr. Nicole SPELEERS (bij dossiers niveau secundair onderwijs), voorzitter
  Namens het Gemeenschapsonderwijs :
  Mevr. Lut STROOBANTS
  Namens de representatieve verenigingen van schoolbesturen en inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs :
  de heer Bob LOISEN
  Namens de representatieve verenigingen van schoolbesturen en inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
  de heer Carl SNOECX
  Namens de representatieve vakorganisatie ACOD :
  de heer Raf DE WEERDT
  Namens de representatieve vakorganisatie VSOA :
  de heer Luc VAN DEN BOSCH
  Namens de representatieve vakorganisatie COV :
  Mevr. Marianne COOPMAN
  Namens de representatieve vakorganisatie COC :
  de heer Michel VAN UYTFANGHE
  Als externe expert in studie- en beroepskeuze :
  de heer André SIMOENS
  Als externe expert in de problematiek van desatie COC :
  de heer Michel VAN UYTFANGHE
  Als externe expert in studie- en beroepskeuze :
  de heer André SIMOENS
  Als externe expert in de problematiek van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt :
  de heer Lieven DESMET
  Namens de centra voor leerlingenbegeleiding :
  Mevr. Yolande SCHULPEN
  Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2007 houdende goedkeuring van de geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.
  Brussel, 26 oktober 2007.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
  F. VANDENBROUCKE
Art. N. (Pas de version française, pour le texte, voir version néerlandaise.)
Art. N2. Bijlage II. - Lijst van tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren voor de periode van 1 november 2007 tot en met 31 augustus 2010.
  1. De honderd talen(ten) van het kind. Een project over talentenverkenning, -ontwikkeling en -verdieping in het kader van een coherente studie- en beroepskeuze.
  Algemeen thema : Studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : Dit project stelt een onderwijssysteem voor dat gebaseerd is op het ontwikkelen van talenten en bekwaamheden. Om dit te kunnen realiseren voorzien ze een samenwerking tussen de derde graad basis- en de eerste graad secundair onderwijs. De leerstof van de basisvorming zal doorheen deze vier jaren uitgewerkt worden in modules in functie van een betere keuze naar onderwijsvormen en studierichtingen in de tweede graad van het secundair onderwijs. Alle modules worden opgebouwd volgens het principe van het beheersingsleren. Hierbij maken ze gebruik van een portfolio voor de leerling. Ook de attestering wordt uitgesteld naar het einde van deze vierjarige cyclus.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * Gemeentelijke basisschool " 't Centrum "       3530 Houthalen-Helchteren
  * Gemeentelijke basisschool " De Griffel "       3530 Houthalen-Helchteren
  * Filip Neri Middenschool                        3530 Houthalen-Helchteren
  * Sint-Pauluscollege                             3530 Houthalen-Helchteren
-
  SCHL ZKT TLT.
  Algemeen thema : Studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : Met dit project willen de deelnemende scholen de studiekeuze en het studieadvies beter op elkaar laten aansluiten. Om dit te doen zijn er drie grote fasen in het project. In een eerste fase worden enkele gegevens op een statistisch correcte wijze in kaart gebracht door een onderzoek betreffende studiekeuze en studieadvies en een nulmeting van een aantal toetsresultaten. In een tweede fase worden acties ondernomen om de hypotheses uit de eerste fase weg te werken. Binnen deze tweede fase worden vier grote problemen aangepakt, namelijk het beperkte zicht van leerlingen en leerkrachten op de eigen competenties, het beperkte zicht van verschillende doelgroepen op de structuur van het secundair onderwijs, de aansluiting van het secundair op het basisonderwijs en de beïnvloeding van socio-culturele achtergronden op de studiekeuze en het studieadvies. In fase drie wordt er een meting van de effecten uitgevoerd.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * Basisschool Bokrijk                            3600 Genk
  * Basisschool Boxbergheide                       3600 Genk
  * Basisschool Bret-Gelieren                      3600 Genk
  * Basisschool Broederschool                      3600 Genk
  * Basisschool Driehoeven                         3600 Genk
  * Basisschool Mater Dei                          3600 Genk
  * Basisschool Mickey Mouse- De Sleutel           3600 Genk
  * Basisschool Sint-Albertus                      3600 Genk
  * Basisschool Sint-Jan                           3600 Genk
  * Basisschool Sint-Jozef meisjes                 3600 Genk
  * Basisschool Sint-Jozef jongens                 3600 Genk
  * Sint-Martinusschool                            3600 Genk
  * Basisschool Sint-Michiel                       3600 Genk
  * Kleuterschool Termien                          3600 Genk
  * Lagere school Termien                          3600 Genk
  * Basisschool Oud-Waterschei                     3600 Genk
-
  3. Stages als wederzijdse bestuiving van talenten in bedrijven en HPO.
  Algemene thema's : Studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
  Beschrijving : Dit project wil zich vooral toespitsen op het werkplekleren. Binnen deze as willen de deelnemende scholen enerzijds werk maken van uitgebreide, intensieve en geïndividualiseerde stages als tool om talenten te versterken en werkpunten bij zowel leerlingen als leerkrachten bij te schaven. Anderzijds wil het project zich richten op kwaliteitsvol werkplekleren door de evaluatie van de competenties tijdens de stages te verfijnen, bedrijfsstages te organiseren en bedrijven naar de school te halen. Daarnaast wordt er, op de as studie- en beroepskeuze, naar een betere bekendmaking van HPO gestreefd en een meer flexibele overgang van HPO naar de arbeidsmarkt, ook voor studenten met een handicap.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * Sint-Amandscollege A2                          8500 Kortrijk
-
  4. Kwaliteitsvol werkplekleren in social profit.
  Algemeen thema : Werkplekleren.
  Beschrijving : Dit project wil werkplekleren systematisch en kwaliteitsvol integreren in de verschillende opleidingstrajecten. Daartoe zullen de leerdoelen worden bepaald die in het kader van competentieontwikkeling en levenslang leren binnen het werkplekleren dienen behaald te worden. Ook zullen er instrumenten worden uitgewerkt voor (self)assessment van de leerling en de opvolging hiervan door de stagementoren en de school. Het beleidsvoerend vermogen van de school wordt versterkt inzake mentoring. Daarnaast wordt de structurele relatie met het werkveld uitgebouwd in de vorm van een praktijk-leergemeenschap waarin onderwijs en arbeidsorganisaties de kans krijgen om te groeien naar een lerende organisatie.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * HIVSET secundair onderwijs                     2300 Turnhout
-
  5. LogSafe.
  Algemene thema's : Studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
  Beschrijving : Het project omvat twee domeinen : veiligheid en logistiek. De algemene doelstelling van de deelnemende scholen is het ontwikkelen van talenten bij de leerlingen en deze te blijven stimuleren door op het terrein kwaliteitsvol werkplekleren uit te bouwen. In samenwerking met tal van diensten kunnen leerlingen uit het TSO, BSO en aansluitend ASO-richtingen zowel op school als op de werk- en opleidingsvloer kennis maken met professionaliteitsontwikkeling.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * ALTEA Genk (KA + TA2 De Wijzer)                3600 Genk
  * KTA2 Genk (TA2 De Wijzer)                      3600 Genk
  * MS1 Genk                                       3600 Genk
-
  6. Erasmusproject Werkplekleren voor Toerismeleerlingen (EWT).
  Algemeen thema : Werkplekleren.
  Beschrijving : In dit project wordt een samenwerking tussen de sector en de secundaire toerismescholen uitgebouwd rond werkplekleren. Om dit te realiseren wordt een overlegplatform gecreëerd waar de toeristische sector en de deelnemende scholen samen wegen, strategieën en methodieken zoeken om eindtermen, leerdoelen en -inhouden de basis te laten vormen voor een systeem van werkplekleren. Dit moet uitmonden in een gemeenschappelijk gedragen plan dat tot uitwerking kan komen binnen dit project.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * KA Erasmus Deinze                              9800 Deinze
-
  7. Competentieportfolio voor alle onderwijsniveaus in het Leonardo Lyceum.
  Algemeen thema : Studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : Het project wil een aanzet geven om de huidige onderwijsmethode om te schakelen naar competentiegestuurd onderwijs. Het evaluatie- en rapporteringssysteem zal als hefboom worden gebruikt om dit veranderingsproces op gang te krijgen. De deelnemende scholen werken samen met het basisonderwijs en het CLB om het eigen rapporteringsysteem en leerlingvolgsysteem te vernieuwen en uit te breiden met een elektronisch portfolio. Dit portfolio beschrijft de competenties van de leerlingen en creëert ruimte voor zelfreflectie. Het gebruik van deze portfolio zien zij als een mogelijkheid om een brede eerste graad uit te bouwen.
  Deelnemende scholen :
-
  * Leonardo Lyceum/Quellinstraat                  2018 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/Esemnegen                      2020 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/Pestalozzi                     2020 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/Groensport                     2600 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/SITO 5                         2020 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/SITO 7                         2018 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/SPIA                           2020 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/CDO                            2600 Antwerpen
  * De Wereldreiziger                             2018 Antwerpen
-
  8. Werkplekleren in de zorgsector : voor leerlingen en leraren SO. Optimaliseren van het proces van studieoriëntering en -begeleiding in de derde graad SO.
  Algemene thema's : Studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
  Beschrijving : Dit project wil via de inbreng van werkplekleren in de verschillende onderwijsvormen van de derde graad secundair onderwijs het studiekeuzeproces optimaliseren. In samenwerking met zorginstellingen in de Leuvense regio, het VCLB en VIVO willen de deelnemende scholen methodieken en lesmaterialen ontwikkelen voor leraren om leerlingen voor te bereiden op inleefmomenten en stages. Met dit project willen ze een structureel netwerk creëren tussen het hoger en secundair onderwijs en de zorginstellingen zodat informatie over de visie en evolutie in de gezondheidszorgberoepen doorstroomt naar het onderwijsveld.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * H.-Drievuldigheidscollege                      3000 Leuven
  * H.-Hartinstituut                               3001 Heverlee
  * Paridaensinstituut                             3000 Leuven
  * Sint-Franciscusinstituut voor verpleegkunde    3000 Leuven
-
  9. Onderwijs/arbeidskansen/bedrijf voor leerlingen 7BSO : " Talenten matchen aan functieprofielen ".
  Algemene thema's : Studie- en beroepskeuze en werkplekleren.
  Beschrijving : Dit project wil leerlingen BSO met een goede basiskennis de kans geven om, naast een specifieke algemene vorming en het aanscherpen van de nodige arbeidsattitudes zowel op school als in de bedrijven, " technisch specifieke beroepsbekwaamheid " te verwerven zodat ze na hun afstuderen onmiddellijk in het arbeidsveld kunnen stappen. Daarnaast wil men leerkrachten een voldoende aantal dagen laten meelopen in de bedrijven (jobschaduwen) om zo te leren wat ondernemen is in de dagdagelijkse realiteit. De betrokken organisaties (VoKa, Streekplatform,...) worden intensief bij de uitwerking en voortgang van het project betrokken.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * VTI-2 Aalst                                    9300 Aalst
  * VTI-3 Aalst                                    9300 Aalst
  * KTA-1 Aalst                                    9300 Aalst
  * KTA-2 Aalst                                    9300 Aalst
  * KTA Liedekerke                                 1770 Liedekerke
-
  10. Ervaringsgericht leren. Naar
  een geïntegreerde aanpak in TSO en BSO via werkplekleren.
  Algemeen thema : Werkplekleren.
  Beschrijving : In dit project wordt werkplekleren op verschillende niveaus behandeld : op het niveau van de leerling, van de leerkracht en zijn school en ten slotte ook binnen een netwerk- of samenwerkingsverband. Met dit project wil men niet alleen een kwaliteitsvol begeleidings- en evaluatiesysteem voor stages voor leerlingen ontwikkelen, ook de leerkrachten krijgen de kans om bedrijfsstages te doorlopen. Hierin zijn zowel onderwijs- als andere externe partners (RTC, VDAB, FVB, bedrijfswereld,...) belangrijk. Binnen dit project wordt er ook getracht op een efficiënte manier ideeën uit te wisselen tussen verschillende scholen.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * KTA GITO-Merelbeke                             9820 Merelbeke
  * KTA De Nijverheidsschool Gent                  9000 Gent
  * KTA 2 St. Amandsberg                           9040 Gent
  * KTA Tuinbouwschool Melle                       9090 Melle
-
  11. WIJZER : je persoonlijke routeplanner. Werk-wijzer (Werkplekleren), Leer-wijzer (Portfolio van attitudes en vaardigheden), Kies-wijzer (Studie- en beroepskeuzebegeleiding).
  Algemene thema's : Studie- en beroepskeuze en werkplekleren. Beschrijving : Het project wil leerlingen beter voorbereiden op hun toekomst door hen niet alleen een betere kennis van de inhoud van studierichtingen en beroepen te laten verwerven maar ook zichzelf beter te leren kennen en daaraan te leren werken. Dit project werkt onderwijsvormoverschrijdend. Om dit te realiseren wordt er ten eerste een instrument ontwikkeld dat in alle scholen hanteerbaar is : een portfolio. Ten tweede zal studiekeuzebegeleiding een inherent onderdeel vormen van het secundair onderwijstraject. Ten derde wordt werkplekleren ingebouwd in alle studierichtingen in het kader van competentiegericht onderwijs en het ondersteunen van het studiekeuzeproces.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * De Pleinschool A                               8500 Kortrijk
  * De Pleinschool B                               8500 Kortrijk
  * De Pleinschool C                               8500 Kortrijk
  * De Pleinschool D                               8500 Kortrijk
-
  12. De Schakel.
  Algemeen thema : Studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : Dit project stimuleert de samenwerking tussen basis-, secundair en hogeschoolonderwijs. Een nieuwe aanpak voor technologie en wetenschap worden vanuit de middenschool gestimuleerd door middel van bezoeken, doe- en denkdagen, het ondersteunen van leerkrachten uit de basisschool bij technologie,... Hiermee wensen de deelnemende scholen naar het brede veld van betrokkenen bij het onderwijs, technologie en wetenschappen voor te stellen als een positieve keuze.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * Ursulinen Mechelen Basisschool                 2800 Mechelen
  * Sint-Lambertusschool Muizen                    2812 Muizen
  * Sint-Romboutscollege Basisschool               2800 Mechelen
  * Scheppersinstituut Basisschool                 2800 Mechelen
  * Sint-Katarinaschool                            2860 Sint-Katelijne-Waver
  * Basisschool Hagelstein                         2860 Sint-Katelijne-Waver
  * TSM Mechelen - autonome eerstegraadschool      2800 Mechelen
-
  13. De talentenkaart.
  Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : Dit project streeft drie grote doelen na in het studiekeuzeproces : " bewust worden ", " bewust kiezen " en " bewust realiseren ". Met hun instrument, dat de bedoeling heeft om competenties te registreren, willen ze drie doelgroepen bereiken. Ten eerste is er de student die ze vertrouwen in en bewustzijn van het eigen kunnen willen bijbrengen. Vervolgens wil dit project de onderwijswereld betrekken met als doel het onderwijstraject via competentieontwikkelend leren te optimaliseren. Tot slot is er de input van de bedrijfswereld, waardoor dit project de inzetbaarheid van potentiële werknemers op de arbeidsmarkt vlotter wil laten verlopen.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * Heilig Hart College Wezembeek-Oppem            1970 Wezembeek-Oppem
  * Stedelijke Humaniora Dilsen                    3650 Dilsen-Stokkem
  * Scheppersinstituut Mechelen                    2800 Mechelen
  * GITO Tervuren                                  3080 Tervuren
-
  14. Gemotiveerd.
  Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : Dit project wil op het vlak van studie- en beroepenkeuze enkele initiatieven bundelen, verbreden en koppelen aan nieuwe inzichten. De deelnemende scholen willen op een handelingsgerichte manier zorgen voor een betere " leerzorg " en " keuzebegeleiding " van de leerlingen. Om dit te realiseren gebeurt er onder andere een gemeenschappelijke opvolging van de uitstroom, het optimaliseren van het studieaanbod afgestemd op de onderwijsbehoeften van de leerlingen,... Hierbij wordt een samenwerking tussen basis-, secundair en buitengewoon onderwijs gestimuleerd binnen de Gentse regio samen met een aantal strategische partners.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * HTI Sint-Antonius                              9000 Gent
  * IVV Sint-Vincentius                            9000 Gent
  * Kunsthumaniora Sint-Lucas                      9000 Gent
  * Sint-Barbaracollege I                          9000 Gent
  * Sint-Barbaracollege                            9000 Gent
  * Sint-Bavohumaniora middenschool                9000 Gent
  * Sint-Bavohumaniora                             9000 Gent
  * Sint-Janscollege eerste graad                  9040 Sint-Amandsberg
  * Sint-Janscollege                               9040 Sint-Amandsberg
  * Sint-Lievenscollege                            9000 Gent
  * VHS Sint-Joris                                 9000 Gent
  * VISO Mariakerke                                9030 Mariakerke
  * VISO Gent                                      9000 Gent
  * College van de Paters Jozefieten               9090 Melle
  * Don Boscocollege eerste graad                  9052 Zwijnaarde
  * Don Boscocollege                               9052 Zwijnaarde
  * Don Bosco Technisch Instituut eerste graad     9051 Sint-Denijs-Westrem
  * Don Bosco Technisch Instituut                  9051 Sint-Denijs-Westrem
  * Humaniora Nieuwen Bosch                        9000 Gent
  * Onze-Lieve-Vrouwcollege                        9050 Ledeberg
  * Onze-Lieve-Vrouwe-Instituut                    9000 Gent
  * Sint-Franciskusinstituut                       9090 Melle
  * Sint-Geertruidinstituut Campus Crombeen        9000 Gent
  * Sint-Geertruidinstituut                        9000 Gent
     Campus Maria Middelares
  * Sint-Pietersinstituut                          9000 Gent
  * Sint-Franciscus Evergem                        9940 Evergem
  * Sint-Franciscus Doornzele                      9940 Doornzele
  * Sint-Laurensinstituut - ASO                    9060 Zelzate
  * Technisch Instituut Sint-Laurens               9060 Zelzate
  * Visitatie Mariakerke (Broeders van Liefde)     9030 Mariakerke
  * EDUGO Campus De Brug                           9041 Oostakker
  * EDUGO Campus De Toren                          9041 Oostakker
  * EDUGO Campus Glorieux technisch instituut      9041 Oostakker
  * Sint-Paulusinstituut eerste graad              9000 Gent
  * Sint-Paulusinstituut                           9000 Gent
-
  15. Competentielabo's in het Leonardo Lyceum.
  Algemeen thema : Werkplekleren.
  Beschrijving : De deelnemende scholen werken samen aan dit project met bedrijven en instellingen om te komen tot een betere afstemming van het onderwijsaanbod op de arbeidsmarkt en de vervolgstudies. Er wordt onderzocht welke competenties vereist zijn in specifieke jobs en vervolgstudies die relateren aan de opleidingen. Ook zullen er werkvormen en evaluatie-instrumenten ontwikkeld worden die deze competenties kunnen detecteren en implementeren in de opleidingen.
  Deelnemende scholen :
-
  * Leonardo Lyceum/Quellinstraat                  2018 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/Esemnegen                      2020 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/Pestalozzi                     2020 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/Groensport                     2600 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/SITO 5                         2020 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/SITO 7                         2018 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/SPIA                           2020 Antwerpen
  * Leonardo Lyceum/CDO                            2600 Antwerpen
-
  16. Competentieportfolio van kleuter tot student.
  Algemeen thema : studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : De bedoeling van dit project is om de leerlingen van de betrokken scholen van in de kleuterschool te leren kiezen en te leren reflecteren over hun keuzes en de consequenties ervan. Ook de competenties van de leerlingen worden in kaart gebracht om hen onder andere bij deze keuze te helpen. Dit willen de deelnemende scholen realiseren door bestaande initiatieven samen te brengen en op elkaar af te stemmen. Ook wordt een instrument ontwikkeld waardoor elke leerling aan het einde van zijn studieloopbaan beschikt over een individuele portfolio met zijn talenten en competenties.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * BS 't Molentje                                 2500 Lier
  * BS Stadspark                                   2500 Lier
  * BS Bisterveld                                  2560 Kessel
  * BS Berchlaer                                   2590 Berlaar
  * Leefschool Dagpauwoog                          2590 Berlaar
  * BS De Zevensprong                              2560 Nijlen
  * BSBO De Balderschool = 't Vestje               2590 Berlaar
  * Middenschool Anton Bergmann                    2500 Lier
  * KTA 't Spui                                    2500 Lier
  * KA A. Vanderpoorten                            2500 Lier
-
  7. Werkplekleren : aftasten van mogelijkheden en beperkingen.
  Algemeen thema : Werkplekleren.
  Beschrijving : Dit project bestaat uit vier deelprojecten die plaatsvinden op elk van de campussen. Een eerste deelproject richt zich op een inhoudelijke verbetering van de stages door de introductie van werkplekleren voor verschillende nijverheidsrichtingen. Een tweede deelproject wil in een eerste fase de opleiding van de leerlingen in de studierichting Verzorging beter laten aansluiten bij concrete arbeidssituaties. In een tweede fase wil men het werkplekleren ook introduceren voor de leerlingen van het studiedomein Handel en de studierichting Techniek Wetenschappen. Het derde deelproject beoogt de leerlingen meer competent de overstap naar de arbeidsmarkt te laten maken. Het richt zich op de studierichtingen 7e jaar logistiek, 7e jaar publiciteit en illustratie en de 3de graad Jeugd- en gehandicaptenzorg. Het laatste deelproject richt zich op leerlingen van de studierichting Humane Wetenschappen die een stage doorlopen in een instelling of dienst met als doel kennis te maken met verschillende disciplines binnen hun werkveld.
  Deelnemende scholen :
-
  * WICO - 126193 Campus TIO                       3900 Overpelt
  * WICO - 126251 Campus Sint-Maria                3910 Neerpelt
  * WICO - 39818 Campus Mater Dei                  3900 Overpelt
  * WICO - 39801 Campus Mater Dei                  3900 Overpelt
-
  18. Begeleiding en studiekeuzebegeleiding in de B-stroom.
  Algemeen thema : Studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : Het project wil de bestaande initiatieven binnen het LOP Diest in de deelnemende scholen bundelen en intensifiëren. Hiermee willen de deelnemende scholen een zinvolle plaats in het onderwijsaanbod garanderen voor iedere leerling in de B-stroom in Diest. Ook het efficiënt begeleiden van leerlingen in hun studiekeuze in een continu leertraject en het creëren van de mogelijkheden om leerlingen hun talenten te laten ontdekken en op basis daarvan een zinvolle studiekeuze te maken binnen, kadert hierbinnen. Dit gebeurt in samenwerking met het bedrijfsleven. Het invoeren van een digitaal portfolio in de B-stroom en het onderzoeken van de mogelijkheid om een portfolio ook in het basisonderwijs in te voeren behoren eveneens tot de vooropgestelde acties.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * Diocesane Middenschool                         3290 Diest
  * Middenschool van het gemeenschapsonderwijs     3290 Diest
  * Eerste graad Voorzienigheid                    3290 Diest
  * Vrij Technisch Instituut Voorzienigheid        3290 Diest
  * Vrij Technisch Instituut Mariendaal            3290 Diest
  * Koninklijk Technisch Atheneum 1                3290 Diest
  * Koninklijk Technisch Atheneum 2                3290 Diest
-
  19. Met dank aan Einstein en Gezelle.
  Algemeen thema : Studie- en beroepskeuze.
  Beschrijving : Met dit project willen de deelnemende scholen gericht werken aan de loopbaanbegeleiding van leerlingen bij de overgang van het basis- naar het secundair onderwijs en aan de professionalisering van leerkrachten. Men wil leerlingen van het 6e leerjaar kennis laten maken met de verschillende technologische opleidingen en beroepen en de discontinuïteit wegwerken in de curricula bij de overgang van basis- naar secundair onderwijs. Ook wil men ervoor zorgen dat leerlingen hun eigen competenties kennen en ontplooien op creatieve wijze zodat ze deze inzichten kunnen hanteren bij de keuze van de toekomstige studierichting.
  Deelnemende onderwijsinstellingen :
-
  * BS De blokkendoos                              2630 Aartselaar
  * BS Hoeksteen en 't Krekeltje                   2850 Boom
  * BS Park                                        2850 Boom
  * BS 't Venneke                                  2830 Willebroek
  * BS 't Pleintje                                 2830 Willebroek
  * BS HIMO                                        2830 Willebroek
  * BS Tovertuin                                   2830 Willebroek
  * BS Klim-Op                                     2830 Willebroek
  * BS 't Kasteeltje                               2870 Puurs
  * BS De schorre                                  2890 Sint-Amands
  * BS De Linde                                    2880 Bornem
  * Middenschool Den brandt                        2850 Boom
  * Atheneum Willebroek                            2830 Willebroek
  * SSGO Klein-Brabant                             2880 Bornem
-
  Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2007 houdende goedkeuring van de geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.
  Brussel, 26 oktober 2007.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
  F. VANDENBROUCKE
-
Art. N3. [1 BIJLAGE III - Lijst van afwijkingen.
-
ProjectArtikel 3bis, § 2Artikel 3bis, § 3Artikel 3bis, § 4
1---
2---
3---
4-1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°,-
  7°, 8°, 11°, 12°, 13°, 
  14°, 21°, 23° 
5-8°, 11°-
6-8°, 12°, 17°, 22°, 23°
72°, 3°, 4°, 8°, 9°,-
  13°, 17°, 18°, 21° 
8--1°, 3°
9 (*)-2°, 3°, 4°, 8°, 12°,1°, 2°
  13°, 16°, 17°, 23° 
10 (* *)-1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°,1°, 2°
  7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 
  12°, 13°, 16°, 17°, 
  18°, 20°, 21°, 22°, 23° 
11---
12---
13---
14---
152°, 3°, 4°, 8°, 9°,-
  13°, 17°, 18°, 21° 
16---
17-2°, 12°, 17°, 23°1°, 3°
18---
19---
ProjectArtikel 3bis, § 2Artikel 3bis, § 3Artikel 3bis, § 41---2---3---4-1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°,-7°, 8°, 11°, 12°, 13°,14°, 21°, 23°5-8°, 11°-6-8°, 12°, 17°, 22°, 23°2°71°2°, 3°, 4°, 8°, 9°,-13°, 17°, 18°, 21°8--1°, 3°9 (*)-2°, 3°, 4°, 8°, 12°,1°, 2°13°, 16°, 17°, 23°10 (* *)-1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°,1°, 2°7°, 8°, 9°, 10°, 11°,12°, 13°, 16°, 17°,18°, 20°, 21°, 22°, 23°11---12---13---14---151°2°, 3°, 4°, 8°, 9°,-13°, 17°, 18°, 21°16---17-2°, 12°, 17°, 23°1°, 3°18---19---
-
   (*) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in VTI 2 Aalst en VTI 3 Aalst.
   (* *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.]1
  
-