Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° decreet : het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum [1 , en latere wijzigingen]1;
2° OPPLAN-SAR : operationeel opsporings- en reddingsplan;
3° identiteit van het vaartuig : naam, roepnaam, IMO-identificatienummer of MMSI-nummer;
4° IMO-resolutie A 851 (20) : resolutie A 851 (20) van de Internationale Maritieme Organisatie betreffende de algemene principes voor scheepsrapportagesystemen en scheepsrapportagevereisten, met inbegrip van richtlijnen voor rapportage over incidenten met gevaarlijke goederen, schadelijke substanties of mariene verontreinigende stoffen [1 , en latere wijzigingen]1.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 OKTOBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-11-2007 en tekstbijwerking tot 01-08-2012)
Titre
26 OCTOBRE 2007. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif au " Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum " (Centre de Coordination et de Sauvetage maritimes) (TRADUCTION)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-11-2007 et mise à jour au 01-08-2012)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (19)
Texte (19)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Article 1. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° décret : le décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du "Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum" (Centre de Coordination et de Sauvetage maritimes) [1 et modifications ultérieures]1 ;
2° OPPLAN-SAR : plan opérationnel de recherche et de sauvetage;
3° identité du navire : nom, indicatif d'appel, numéro d'identification OMI ou numéro MMSI;
4° résolution OMI A 851 (20) : résolution A 851 (20) de l'Organisation maritime internationale relative aux principes généraux applicables aux systèmes de comptes rendus de navires et aux prescriptions en matière de notification, y compris les directives concernant la notification des événements mettant en cause des marchandises dangereuses, des substances nuisibles et/ou des polluants marins [1 et modifications ultérieures]1.
1° décret : le décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du "Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum" (Centre de Coordination et de Sauvetage maritimes) [1 et modifications ultérieures]1 ;
2° OPPLAN-SAR : plan opérationnel de recherche et de sauvetage;
3° identité du navire : nom, indicatif d'appel, numéro d'identification OMI ou numéro MMSI;
4° résolution OMI A 851 (20) : résolution A 851 (20) de l'Organisation maritime internationale relative aux principes généraux applicables aux systèmes de comptes rendus de navires et aux prescriptions en matière de notification, y compris les directives concernant la notification des événements mettant en cause des marchandises dangereuses, des substances nuisibles et/ou des polluants marins [1 et modifications ultérieures]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Opsporings- en reddingsgebied.
CHAPITRE II. - Zone de recherche et de sauvetage.
Art. 2. Het opsporings- en reddingsgebied van het MRCC omvat :
1° de territoriale zee;
2° de exclusieve economische zone, afgekort EEZ;
3° het zeegebied gelegen tussen de laagwaterlijn vanaf de kust of van bij eb droogvallende bodemverheffingen als die zich binnen twaalf zeemijl vanaf die laagwaterlijn bevinden, hetzij vanaf de uiteinden van de permanente havenwerken die buiten de laagwaterlijn uitsteken, en de hoogwaterlijn.
1° de territoriale zee;
2° de exclusieve economische zone, afgekort EEZ;
3° het zeegebied gelegen tussen de laagwaterlijn vanaf de kust of van bij eb droogvallende bodemverheffingen als die zich binnen twaalf zeemijl vanaf die laagwaterlijn bevinden, hetzij vanaf de uiteinden van de permanente havenwerken die buiten de laagwaterlijn uitsteken, en de hoogwaterlijn.
Art. 2. La zone de recherche et de sauvetage du MRCC comprend :
1° la mer territoriale;
2° la zone économique exclusive, en abrégé ZEE;
3° la zone maritime située entre la laisse de basse mer à partir de la côte ou de hauts-fonds découvrants s'ils se trouvent dans les douze milles nautiques de la laisse de basse mer, soit à partir des extrémités des ouvrages portuaires permanents qui saillissent de la laisse de basse mer, et la laisse de haute mer.
1° la mer territoriale;
2° la zone économique exclusive, en abrégé ZEE;
3° la zone maritime située entre la laisse de basse mer à partir de la côte ou de hauts-fonds découvrants s'ils se trouvent dans les douze milles nautiques de la laisse de basse mer, soit à partir des extrémités des ouvrages portuaires permanents qui saillissent de la laisse de basse mer, et la laisse de haute mer.
HOOFDSTUK III. - Werking.
CHAPITRE III. - Fonctionnement.
Art. 3. Om zijn taken uit te voeren werkt het MRCC procedures uit die worden opgenomen in een OPPLAN-SAR.
Art. 3. Afin d'exécuter ses tâches, le MRCC met au point des procédures, qui sont reprises dans un OPPLAN-SAR.
Art. 4. In artikel 43, § 1, van het decreet wordt verstaan onder punt 2° :
iedere aanvaring of stranding van zijn vaartuig, averij, defect of storing aan zijn vaartuig, binnenstromend water of schuivende lading, alle gebreken aan de romp of verzwakking van de constructie, verlies van lading, verlies van reddingsmateriaal.
iedere aanvaring of stranding van zijn vaartuig, averij, defect of storing aan zijn vaartuig, binnenstromend water of schuivende lading, alle gebreken aan de romp of verzwakking van de constructie, verlies van lading, verlies van reddingsmateriaal.
Art. 4. A l'article 43, § 1er du décret, on entend par le point 2° :
tout abordage ou échouement du navire, avarie, défaillance ou panne, envahissement ou ripage de cargaison, toutes défectuosités dans la coque ou défaillances de structure, perte de cargaison, perte de matériel de sauvetage;
tout abordage ou échouement du navire, avarie, défaillance ou panne, envahissement ou ripage de cargaison, toutes défectuosités dans la coque ou défaillances de structure, perte de cargaison, perte de matériel de sauvetage;
Art. 5. In artikel 43, § 1, van het decreet wordt verstaan onder punt 3° :
ieder incident zoals gebreken die de manoeuvreerbaarheid of zeewaardigheid van het vaartuig kunnen aantasten, gebreken aan het voortstuwingssysteem of de stuurinrichting, de krachtbronnen, de navigatie- of communicatieapparatuur.
ieder incident zoals gebreken die de manoeuvreerbaarheid of zeewaardigheid van het vaartuig kunnen aantasten, gebreken aan het voortstuwingssysteem of de stuurinrichting, de krachtbronnen, de navigatie- of communicatieapparatuur.
Art. 5. A l'article 43, § 1er du décret, on entend par le point 3° :
tout incident tel que défaillances susceptibles d'affecter les capacités de manoeuvre ou de navigation du navire, ou toute défectuosité affectant les systèmes de propulsion ou appareils à gouverner, l'installation de production d'électricité, les équipements de navigation ou de communication.
tout incident tel que défaillances susceptibles d'affecter les capacités de manoeuvre ou de navigation du navire, ou toute défectuosité affectant les systèmes de propulsion ou appareils à gouverner, l'installation de production d'électricité, les équipements de navigation ou de communication.
Art. 6. In artikel 43, § 1, van het decreet wordt verstaan onder punt 4° :
iedere lozing of kans op lozing van gevaarlijke of verontreinigende stoffen in zee, iedere vlek van gevaarlijke of verontreinigende stoffen, in zee drijvende containers of stukgoederen die worden waargenomen.
iedere lozing of kans op lozing van gevaarlijke of verontreinigende stoffen in zee, iedere vlek van gevaarlijke of verontreinigende stoffen, in zee drijvende containers of stukgoederen die worden waargenomen.
Art. 6. A l'article 43, § 1er du décret, on entend par le point 4° :
tout déversement ou risque de déversement en mer de substances dangereuses ou polluantes, toute nappe de substances dangereuses ou polluantes, et tout conteneur ou colis dérivant observé en mer.
tout déversement ou risque de déversement en mer de substances dangereuses ou polluantes, toute nappe de substances dangereuses ou polluantes, et tout conteneur ou colis dérivant observé en mer.
Art. 7. Bij een melding als vermeld in artikel 43 van het decreet, moeten ten minste de volgende gegevens worden verstrekt :
1° de identiteit van het vaartuig;
2° de positie;
3° de haven van afvaart;
4° de haven van bestemming;
5° het adres waar informatie kan worden verkregen over de gevaarlijke of verontreinigende stoffen aan boord;
6° het aantal opvarenden;
7° bijzonderheden over het incident;
8° alle relevante informatie, vermeld in IMO-resolutie A. 851(20);
9° de nationaliteit van het vaartuig;
10° de lengte en diepgang van het vaartuig;
11° de geplande vaarroute.
1° de identiteit van het vaartuig;
2° de positie;
3° de haven van afvaart;
4° de haven van bestemming;
5° het adres waar informatie kan worden verkregen over de gevaarlijke of verontreinigende stoffen aan boord;
6° het aantal opvarenden;
7° bijzonderheden over het incident;
8° alle relevante informatie, vermeld in IMO-resolutie A. 851(20);
9° de nationaliteit van het vaartuig;
10° de lengte en diepgang van het vaartuig;
11° de geplande vaarroute.
Art. 7. Le message de signalement transmis en application de l'article 43 du décret comporte au minimum les données suivantes :
1° l'identité du navire;
2° la position;
3° le port de départ;
4° le port de destination;
5° l'adresse permettant d'obtenir des informations sur les marchandises dangereuses ou polluantes transportées à bord;
6° le nombre de personnes à bord;
7° les détails de l'incident;
8° toute information pertinente visée par la résolution OMI A. 851(20);
9° la nationalité du navire;
10° la longueur et le tirant d'eau du navire;
11° la route prévue.
1° l'identité du navire;
2° la position;
3° le port de départ;
4° le port de destination;
5° l'adresse permettant d'obtenir des informations sur les marchandises dangereuses ou polluantes transportées à bord;
6° le nombre de personnes à bord;
7° les détails de l'incident;
8° toute information pertinente visée par la résolution OMI A. 851(20);
9° la nationalité du navire;
10° la longueur et le tirant d'eau du navire;
11° la route prévue.
Art. 8. § 1. Informatie over risicovaartuigen wordt door het MRCC gemeld aan de diensten, vermeld in het OPPLAN-SAR, en volgens de procedures, vermeld in het OPPLAN-SAR.
§ 2. De volgende vaartuigen worden beschouwd als risicovaartuig :
1° vaartuigen die in de loop van hun reis :
a) betrokken zijn geweest bij incidenten of ongevallen op zee;
b) in gebreke zijn gebleven de door of krachtens het decreet voorgeschreven verplichte meldingen te verrichten;
c) de toepasselijke regels van de scheepsrouteringssystemen of het verkeersbegeleidingssysteem hebben overschreden;
d) de melding hebben gekregen van loodsen of havenautoriteiten dat zij tekortkomingen vertonen die de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kunnen brengen of die een risico voor het milieu kunnen vormen;
2° vaartuigen waartegen bewijzen of vermoedens bestaan van lozing van gevaarlijke of verontreinigende stoffen in wateren die onder de jurisdictie vallen van een lidstaat van de Europese Unie;
3° vaartuigen waaraan de toegang tot havens van de lidstaten van de [1 Europese Unie]1 is geweigerd of waarover een rapport is uitgebracht of een melding van een lidstaat is verricht overeenkomstig de regelgeving inzake havenstaatcontrole;
[1 3° /1 vaartuigen die geen kennisgeving hebben gedaan of niet beschikken over veiligheidscertificaten of financiële zekerheden als voorgeschreven bij de geldende communautaire regelgeving of internationale voorschriften;
3° /2 vaartuigen ten aanzien waarvan door de loodsen van het Vlaamse Gewest, de diepzeeloodsen, de havenloodsen, bootmannen of havenkapiteinsdiensten is gemeld dat ze klaarblijkelijke gebreken vertonen die de veiligheid van hun navigatie in gevaar kunnen brengen of een risico voor het milieu kunnen vormen;]1
4° andere vaartuigen die de minister als dusdanig heeft gedefinieerd.
§ 2. De volgende vaartuigen worden beschouwd als risicovaartuig :
1° vaartuigen die in de loop van hun reis :
a) betrokken zijn geweest bij incidenten of ongevallen op zee;
b) in gebreke zijn gebleven de door of krachtens het decreet voorgeschreven verplichte meldingen te verrichten;
c) de toepasselijke regels van de scheepsrouteringssystemen of het verkeersbegeleidingssysteem hebben overschreden;
d) de melding hebben gekregen van loodsen of havenautoriteiten dat zij tekortkomingen vertonen die de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kunnen brengen of die een risico voor het milieu kunnen vormen;
2° vaartuigen waartegen bewijzen of vermoedens bestaan van lozing van gevaarlijke of verontreinigende stoffen in wateren die onder de jurisdictie vallen van een lidstaat van de Europese Unie;
3° vaartuigen waaraan de toegang tot havens van de lidstaten van de [1 Europese Unie]1 is geweigerd of waarover een rapport is uitgebracht of een melding van een lidstaat is verricht overeenkomstig de regelgeving inzake havenstaatcontrole;
[1 3° /1 vaartuigen die geen kennisgeving hebben gedaan of niet beschikken over veiligheidscertificaten of financiële zekerheden als voorgeschreven bij de geldende communautaire regelgeving of internationale voorschriften;
3° /2 vaartuigen ten aanzien waarvan door de loodsen van het Vlaamse Gewest, de diepzeeloodsen, de havenloodsen, bootmannen of havenkapiteinsdiensten is gemeld dat ze klaarblijkelijke gebreken vertonen die de veiligheid van hun navigatie in gevaar kunnen brengen of een risico voor het milieu kunnen vormen;]1
4° andere vaartuigen die de minister als dusdanig heeft gedefinieerd.
Art. 8. § 1er. Le MRCC communique les informations sur les navires à risque aux services mentionnés dans l'OPPLAN-SAR et suivant les procédures mentionnées dans l'OPPLAN-SAR.
§ 2. Les navires suivants sont considérés comme des navires à risque :
1° les navires qui, au cours de leur voyage :
a) ont été victimes d'incidents ou d'accidents en mer;
b) ont enfreint les exigences de notification prescrites par le décret ou en vertu du décret;
c) ont enfreint les règles applicables dans les systèmes d'organisation du trafic et les services de trafic maritime;
d) auxquels des pilotes ou des autorités portuaires ont signalé des défaillances susceptibles de compromettre la sécurité de la navigation ou de présenter un risque pour l'environnement;
2° les navires au sujet desquels existent des preuves ou des présomptions de rejets de substances dangereuses ou polluantes dans les eaux relevant de la juridiction d'un Etat membre de l'union européenne;
3° les navires ayant fait l'objet d'un refus d'accès dans les ports des Etats membres de l'Union européenne ou d'un rapport ou d'une notification d'un Etat membre conformément à la réglementation sur l'inspection maritime;
[1 3° /1 les navires qui n'ont pas fait de notification ou qui ne disposent pas des certificats de sécurité ou de garanties financières telles que prescrites par la règlementation communautaire ou les prescriptions internationales en vigueur;
3° /2 les navires lesquels ont été notifiés par les pilotes de la Région flamande, les pilotes de haute mer, les pilotes portuaires, les maîtres d'équipage qu'ils accusent des défauts évidents pouvant compromettre la sécurité de leur navigation ou pouvant constituer un risque pour l'environnement;]1
4° d'autres navires définis en tant que tels par le Ministre.
§ 2. Les navires suivants sont considérés comme des navires à risque :
1° les navires qui, au cours de leur voyage :
a) ont été victimes d'incidents ou d'accidents en mer;
b) ont enfreint les exigences de notification prescrites par le décret ou en vertu du décret;
c) ont enfreint les règles applicables dans les systèmes d'organisation du trafic et les services de trafic maritime;
d) auxquels des pilotes ou des autorités portuaires ont signalé des défaillances susceptibles de compromettre la sécurité de la navigation ou de présenter un risque pour l'environnement;
2° les navires au sujet desquels existent des preuves ou des présomptions de rejets de substances dangereuses ou polluantes dans les eaux relevant de la juridiction d'un Etat membre de l'union européenne;
3° les navires ayant fait l'objet d'un refus d'accès dans les ports des Etats membres de l'Union européenne ou d'un rapport ou d'une notification d'un Etat membre conformément à la réglementation sur l'inspection maritime;
[1 3° /1 les navires qui n'ont pas fait de notification ou qui ne disposent pas des certificats de sécurité ou de garanties financières telles que prescrites par la règlementation communautaire ou les prescriptions internationales en vigueur;
3° /2 les navires lesquels ont été notifiés par les pilotes de la Région flamande, les pilotes de haute mer, les pilotes portuaires, les maîtres d'équipage qu'ils accusent des défauts évidents pouvant compromettre la sécurité de leur navigation ou pouvant constituer un risque pour l'environnement;]1
4° d'autres navires définis en tant que tels par le Ministre.
Wijzigingen
Art. 9. § 1. Bij uitzonderlijk slecht weer of ruwe zee kunnen de volgende maatregelen worden genomen door de hiervoor door de minister aangewezen categorieën van personeelsleden :
1° de gezagvoerder van een vaartuig dat zich in het opsporings- en reddingsgebied bevindt of zich erin wil begeven en een haven wil binnen- of uitvaren, zo mogelijk alle informatie over de zeegang en de weersomstandigheden geven en, als dat relevant en mogelijk is, over het gevaar dat die kunnen opleveren voor zijn schip, de lading, de bemanning en de passagiers;
2° onverminderd de plicht tot bijstandsverleningen aan schepen in nood en overeenkomstig de bepalingen betreffende toevluchtsoorden, uitgewerkt in het kader van het samenwerkingsakkoord van 8 juli 2005 tussen de Federale Staat en het Vlaamse Gewest betreffende de oprichting van en de samenwerking in een structuur kustwacht, andere passende maatregelen treffen, waaronder een aanbeveling of een verbod voor een bepaald schip of voor schepen in het algemeen om de haven in de gebieden in kwestie binnen of uit te varen, totdat is vastgesteld dat er geen gevaar meer bestaat voor mensenlevens of het milieu;
3° indien nodig, passende maatregelen nemen om het bunkeren van schepen in de territoriale wateren zo veel mogelijk te beperken of te verbieden, met het oog op het gebruik en de bescherming van de vaarweg of om het scheepvaartverkeer op de meest doeltreffende manier te begeleiden.
[1 § 1/1. Bij ijsgang die door het MRCC als een ernstige bedreiging wordt beschouwd voor de veiligheid van mensenlevens op zee of voor de bescherming van hun zee- of kustgebieden of de zee- of kustgebieden van andere staten :
1° verstrekt het MRCC aan de gezagvoerder die zich in het toepassingsgebied, vermeld in artikel 2, bevindt, of die een van zijn havens wil binnen- of uitvaren, alle nodige informatie over de ijsgang, de aanbevolen routes en ijsbreekdiensten die zich in het toepassingsgebied, vermeld in artikel 2, bevinden;
2° kan het MRCC, onverminderd zijn plicht tot bijstandsverlening aan schepen die bijstand behoeven, en onverminderd andere verplichtingen die voortvloeien uit internationale voorschriften, aan de gezagvoerder die zich in het toepassingsgebied, vermeld in artikel 2, bevindt, en die een haven of terminal wil binnen- of uitvaren of een ankerplaats wil verlaten, vragen dat hij met documenten aantoont dat het schip aan de sterkte- en vermogenseisen voldoet die op de ijsgang van het toepassingsgebied, vermeld in artikel 2, zijn afgestemd.]1
§ 2. De gezagvoerder van het vaartuig brengt het MRCC op de hoogte van de redenen van zijn beslissing, als die niet in overeenstemming is met de maatregelen, vermeld in § 1 [1 en § 1/1]1.
§ 3. Voor de passende maatregelen, vermeld in § 1 [1 en § 1/1]1, wordt uitgegaan van een voorspelling van de omstandigheden op zee en van de weersgesteldheid van het Oceanografisch Meteorologisch Station, afgekort OMS, van de afdeling Kust of een gelijkwaardige gekwalificeerde meteorologische informatiedienst.
1° de gezagvoerder van een vaartuig dat zich in het opsporings- en reddingsgebied bevindt of zich erin wil begeven en een haven wil binnen- of uitvaren, zo mogelijk alle informatie over de zeegang en de weersomstandigheden geven en, als dat relevant en mogelijk is, over het gevaar dat die kunnen opleveren voor zijn schip, de lading, de bemanning en de passagiers;
2° onverminderd de plicht tot bijstandsverleningen aan schepen in nood en overeenkomstig de bepalingen betreffende toevluchtsoorden, uitgewerkt in het kader van het samenwerkingsakkoord van 8 juli 2005 tussen de Federale Staat en het Vlaamse Gewest betreffende de oprichting van en de samenwerking in een structuur kustwacht, andere passende maatregelen treffen, waaronder een aanbeveling of een verbod voor een bepaald schip of voor schepen in het algemeen om de haven in de gebieden in kwestie binnen of uit te varen, totdat is vastgesteld dat er geen gevaar meer bestaat voor mensenlevens of het milieu;
3° indien nodig, passende maatregelen nemen om het bunkeren van schepen in de territoriale wateren zo veel mogelijk te beperken of te verbieden, met het oog op het gebruik en de bescherming van de vaarweg of om het scheepvaartverkeer op de meest doeltreffende manier te begeleiden.
[1 § 1/1. Bij ijsgang die door het MRCC als een ernstige bedreiging wordt beschouwd voor de veiligheid van mensenlevens op zee of voor de bescherming van hun zee- of kustgebieden of de zee- of kustgebieden van andere staten :
1° verstrekt het MRCC aan de gezagvoerder die zich in het toepassingsgebied, vermeld in artikel 2, bevindt, of die een van zijn havens wil binnen- of uitvaren, alle nodige informatie over de ijsgang, de aanbevolen routes en ijsbreekdiensten die zich in het toepassingsgebied, vermeld in artikel 2, bevinden;
2° kan het MRCC, onverminderd zijn plicht tot bijstandsverlening aan schepen die bijstand behoeven, en onverminderd andere verplichtingen die voortvloeien uit internationale voorschriften, aan de gezagvoerder die zich in het toepassingsgebied, vermeld in artikel 2, bevindt, en die een haven of terminal wil binnen- of uitvaren of een ankerplaats wil verlaten, vragen dat hij met documenten aantoont dat het schip aan de sterkte- en vermogenseisen voldoet die op de ijsgang van het toepassingsgebied, vermeld in artikel 2, zijn afgestemd.]1
§ 2. De gezagvoerder van het vaartuig brengt het MRCC op de hoogte van de redenen van zijn beslissing, als die niet in overeenstemming is met de maatregelen, vermeld in § 1 [1 en § 1/1]1.
§ 3. Voor de passende maatregelen, vermeld in § 1 [1 en § 1/1]1, wordt uitgegaan van een voorspelling van de omstandigheden op zee en van de weersgesteldheid van het Oceanografisch Meteorologisch Station, afgekort OMS, van de afdeling Kust of een gelijkwaardige gekwalificeerde meteorologische informatiedienst.
Art. 9. § 1er. Lorsque les conditions météorologiques ou l'état de la mer sont exceptionnellement défavorables, les mesures suivantes peuvent être prises par les catégories de personnels désignées par le Ministre :
1° faire en sorte, lorsque cela est pertinent et possible, qu'au capitaine d'un navire qui se trouve dans la zone de recherche et de sauvetage et souhaite pénétrer dans le port ou en sortir soient fournies toutes les informations sur les conditions météo-océaniques et, le cas échéant et lorsque cela est possible, sur le risque que celles-ci peuvent présenter pour son navire ainsi que pour la cargaison, l'équipage et les passagers;
2° sans préjudice du devoir, prendre d'autres mesures appropriées, y inclus une recommandation ou une interdiction, visant soit un navire particulier soit les navires en général, d'entrer dans le port ou d'en sortir dans les zones touchées, jusqu'à ce qu'il ait été établi qu'il n'existe plus de risque pour la vie humaine ou l'environnement;
3° au besoin, prendre des mesures appropriées pour limiter autant que possible ou interdire le ravitaillement en combustible des bateaux dans les eaux territoriales, en vue de l'utilisation et de la protection de la voie navigable ou de l'assistance la plus efficace au trafic maritime.
[1 § 1/1. En cas de formation de glace qui est considérée par le MRCC, comme une menace sérieuse pour la sécurité des vies humaines sur mer ou pour la protection de leurs zones maritimes ou côtières ou les zones maritimes ou côtières d'autres états :
1° le MRCC transmet au capitaine qui se trouve dans la zone d'application, citée dans l'article 2, ou qui veut entrer dans ou sortir d'un de leurs ports, toutes les données relatives à la formation de glace, aux routes recommandées et aux services brise-glace qui se trouvent dans la zone d'application, citée dans l'article 2;
2° le MRCC peut, sans préjudice de son obligation de prêter assistance à d'autres navires nécessitant de l'aide, et sans préjudice des autres obligations résultant des prescriptions internationales, demander au capitaine du navire qui se trouve dans la zone d'application, citée dans l'article 2 ou qui veut entrer dans ou sortir d'un port ou d'un terminal ou quitter un mouillage, qu'il démontre à l'aide de documents que le navire répond aux exigences de rigidité structurelle et de puissance permettant de faire face à la formation de glace dans la zone d'application, citée dans l'article 2.]1
§ 2. Le capitaine du navire informe le MRCC des motifs de sa décision, lorsque celle-ci n'est pas conforme aux mesures visées au § 1er [1 et § 1/1]1.
§ 3. Les mesures appropriées visées au § 1er [1 et au § 1/1]1 sont fondées sur des prévisions concernant l'état de la mer et les conditions météorologiques fournies par la Station océanographique météorologique, de la division Côte ou d'un service d'information météorologique qualifié équivalent.
1° faire en sorte, lorsque cela est pertinent et possible, qu'au capitaine d'un navire qui se trouve dans la zone de recherche et de sauvetage et souhaite pénétrer dans le port ou en sortir soient fournies toutes les informations sur les conditions météo-océaniques et, le cas échéant et lorsque cela est possible, sur le risque que celles-ci peuvent présenter pour son navire ainsi que pour la cargaison, l'équipage et les passagers;
2° sans préjudice du devoir, prendre d'autres mesures appropriées, y inclus une recommandation ou une interdiction, visant soit un navire particulier soit les navires en général, d'entrer dans le port ou d'en sortir dans les zones touchées, jusqu'à ce qu'il ait été établi qu'il n'existe plus de risque pour la vie humaine ou l'environnement;
3° au besoin, prendre des mesures appropriées pour limiter autant que possible ou interdire le ravitaillement en combustible des bateaux dans les eaux territoriales, en vue de l'utilisation et de la protection de la voie navigable ou de l'assistance la plus efficace au trafic maritime.
[1 § 1/1. En cas de formation de glace qui est considérée par le MRCC, comme une menace sérieuse pour la sécurité des vies humaines sur mer ou pour la protection de leurs zones maritimes ou côtières ou les zones maritimes ou côtières d'autres états :
1° le MRCC transmet au capitaine qui se trouve dans la zone d'application, citée dans l'article 2, ou qui veut entrer dans ou sortir d'un de leurs ports, toutes les données relatives à la formation de glace, aux routes recommandées et aux services brise-glace qui se trouvent dans la zone d'application, citée dans l'article 2;
2° le MRCC peut, sans préjudice de son obligation de prêter assistance à d'autres navires nécessitant de l'aide, et sans préjudice des autres obligations résultant des prescriptions internationales, demander au capitaine du navire qui se trouve dans la zone d'application, citée dans l'article 2 ou qui veut entrer dans ou sortir d'un port ou d'un terminal ou quitter un mouillage, qu'il démontre à l'aide de documents que le navire répond aux exigences de rigidité structurelle et de puissance permettant de faire face à la formation de glace dans la zone d'application, citée dans l'article 2.]1
§ 2. Le capitaine du navire informe le MRCC des motifs de sa décision, lorsque celle-ci n'est pas conforme aux mesures visées au § 1er [1 et § 1/1]1.
§ 3. Les mesures appropriées visées au § 1er [1 et au § 1/1]1 sont fondées sur des prévisions concernant l'état de la mer et les conditions météorologiques fournies par la Station océanographique météorologique, de la division Côte ou d'un service d'information météorologique qualifié équivalent.
Wijzigingen
Art. 10. § 1. Naar aanleiding van ongevallen of risico-omstandigheden kan het MRCC [1 of bij activering van het plan of plannen, vermeld in artikel 26 van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht, door de bevoegde instantie, vermeld in artikel 26, § 1, van voormeld Samenwerkingsakkoord,]1 onder meer de volgende maatregelen nemen :
1° de bewegingen van het vaartuig beperken of het vaartuig gelasten een bepaalde koers te volgen;
2° het vaartuig gelasten een einde te maken aan de bedreiging van het milieu of van de maritieme veiligheid;
3° een evaluatieteam aan boord brengen om de omvang van het risico vast te stellen, het vaartuig bij te staan bij het zoeken naar een oplossing en het MRCC van een en ander op de hoogte te houden;
4° het vaartuig gelasten zich naar het aangewezen toevluchtsoord te begeven in geval van direct gevaar, dan wel bewerkstelligen dat het vaartuig wordt geloodst of gesleept.
[1 Indien een schip wordt gesleept onder een sleep- of bergingsovereenkomst, kunnen de door het MRCC of de bevoegde instantie, vermeld in artikel 26 van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht, genomen maatregelen, vermeld in punt 1° en punt 4°, ook worden toegepast op de betrokken bijstands-, bergings- en sleepvaartondernemingen.]1
§ 2. De minister wijst de categorieën van personeelsleden aan die bevoegd zijn om de maatregelen, vermeld in § 1, te nemen.
1° de bewegingen van het vaartuig beperken of het vaartuig gelasten een bepaalde koers te volgen;
2° het vaartuig gelasten een einde te maken aan de bedreiging van het milieu of van de maritieme veiligheid;
3° een evaluatieteam aan boord brengen om de omvang van het risico vast te stellen, het vaartuig bij te staan bij het zoeken naar een oplossing en het MRCC van een en ander op de hoogte te houden;
4° het vaartuig gelasten zich naar het aangewezen toevluchtsoord te begeven in geval van direct gevaar, dan wel bewerkstelligen dat het vaartuig wordt geloodst of gesleept.
[1 Indien een schip wordt gesleept onder een sleep- of bergingsovereenkomst, kunnen de door het MRCC of de bevoegde instantie, vermeld in artikel 26 van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht, genomen maatregelen, vermeld in punt 1° en punt 4°, ook worden toegepast op de betrokken bijstands-, bergings- en sleepvaartondernemingen.]1
§ 2. De minister wijst de categorieën van personeelsleden aan die bevoegd zijn om de maatregelen, vermeld in § 1, te nemen.
Art. 10. § 1er. En cas d'accidents ou de risques, le MRCC [1 ou en cas d'activation du plan ou des plans, cité(s) dans l'article 26, § 1er, de l'Accord de Coopération Garde Côtière, l'instance, citée dans l'article 26, § 1er, de l'Accord de coopération précité,]1 peut prendre notamment les mesures suivantes :
1° restreindre les mouvements du navire ou lui imposer un itinéraire déterminé;
2° mettre le capitaine du navire en demeure de faire cesser le risque pour l'environnement ou pour la sécurité maritime;
3° envoyer à bord du navire une équipe d'évaluation en vue d'évaluer le degré de risque, d'aider le capitaine à remédier à la situation et d'en tenir informé le MRCC;
4° enjoindre au capitaine de rejoindre un lieu de refuge en cas de péril imminent, ou imposer le pilotage ou le remorquage du navire.
[1 Si un navire est remorqué sous un contrat de remorquage ou de sauvetage, les mesures, visées aux points 1° et 4°, prises par le MRCC ou par l'instance citée dans l'article 26, § 1er, de l'Accord de Coopération Garde Côtière, peuvent également être appliquées aux entreprises d'assistance, de sauvetage et de remorquage.]1
§ 2. Le Ministre désigne les catégories de personnels compétents pour prendre les mesures visées au § 1er.
1° restreindre les mouvements du navire ou lui imposer un itinéraire déterminé;
2° mettre le capitaine du navire en demeure de faire cesser le risque pour l'environnement ou pour la sécurité maritime;
3° envoyer à bord du navire une équipe d'évaluation en vue d'évaluer le degré de risque, d'aider le capitaine à remédier à la situation et d'en tenir informé le MRCC;
4° enjoindre au capitaine de rejoindre un lieu de refuge en cas de péril imminent, ou imposer le pilotage ou le remorquage du navire.
[1 Si un navire est remorqué sous un contrat de remorquage ou de sauvetage, les mesures, visées aux points 1° et 4°, prises par le MRCC ou par l'instance citée dans l'article 26, § 1er, de l'Accord de Coopération Garde Côtière, peuvent également être appliquées aux entreprises d'assistance, de sauvetage et de remorquage.]1
§ 2. Le Ministre désigne les catégories de personnels compétents pour prendre les mesures visées au § 1er.
Wijzigingen
Art.10/1. [1 In geval van een incident of ongeval dient de volgende informatie aan het MRCC te worden verstrekt door de exploitant, de gezagvoerder van een vaartuig of de eigenaar van gevaarlijke en verontreinigende stoffen aan boord :
1° de correcte technische benaming van de gevaarlijke of verontreinigende stoffen, VN-nummers waar deze bestaan, IMO-risicoklassen overeenkomstig IMDG-, IBC- en IGC-code en in voorkomend geval de klasse van het schip die voor INF-ladingen als bedoeld in voorschrift VII/14.2 vereist is, de hoeveelheden van dergelijke stoffen en, indien zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde laadeenheden, behalve tanks, de identificatienummers daarvan;
2° de alarmnummers van de verlader of een andere persoon of organisatie die beschikt over informatie over de fysisch-chemische eigenschappen van de producten en over de in geval van nood te nemen maatregelen.]1
1° de correcte technische benaming van de gevaarlijke of verontreinigende stoffen, VN-nummers waar deze bestaan, IMO-risicoklassen overeenkomstig IMDG-, IBC- en IGC-code en in voorkomend geval de klasse van het schip die voor INF-ladingen als bedoeld in voorschrift VII/14.2 vereist is, de hoeveelheden van dergelijke stoffen en, indien zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde laadeenheden, behalve tanks, de identificatienummers daarvan;
2° de alarmnummers van de verlader of een andere persoon of organisatie die beschikt over informatie over de fysisch-chemische eigenschappen van de producten en over de in geval van nood te nemen maatregelen.]1
Art.10/1. [1 En cas d'un incident ou d'un accident, les informations suivantes doivent être transmises au MRCC par l'exploitant, le capitaine d'un navire ou le propriétaire des marchandises dangereuses et polluantes à bord :
1° la désignation technique exacte des marchandises dangereuses ou polluantes, numéros (ONU), s'ils existent, classes de risque OMI déterminées conformément au codes IMDG, IBC et IGC et, le cas échéant, la catégorie du navire requise pour les cargaisons au sens du recueil INF telles que définies dans la règle VII/14.2, quantités de ces marchandises et, si elles sont transportées dans des unités de transport de cargaison autres que des citernes, numéros d'identification de celles-ci;
2° les numéros d'alarme du chargeur ou d'une autre personne ou organisation qui dispose d'informations relative aux propriétés physico-chimiques des produits et aux mesures à prendre en cas d'urgence.]1
1° la désignation technique exacte des marchandises dangereuses ou polluantes, numéros (ONU), s'ils existent, classes de risque OMI déterminées conformément au codes IMDG, IBC et IGC et, le cas échéant, la catégorie du navire requise pour les cargaisons au sens du recueil INF telles que définies dans la règle VII/14.2, quantités de ces marchandises et, si elles sont transportées dans des unités de transport de cargaison autres que des citernes, numéros d'identification de celles-ci;
2° les numéros d'alarme du chargeur ou d'une autre personne ou organisation qui dispose d'informations relative aux propriétés physico-chimiques des produits et aux mesures à prendre en cas d'urgence.]1
Art. 11. § 1. Om zo snel mogelijk een ongeval of risico-omstandigheid, waarbij mensenlevens in het geding zijn of zouden kunnen zijn, als niet tijdig wordt opgetreden, te verhelpen, kan de leidinggevende van het MRCC of zijn gemachtigde de volgende vaartuigen opvorderen :
1° de SAR-eenheden van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, alsook de door het agentschap erkende SAR-eenheden;
2° elk vaartuig dat zich in de nabijheid bevindt van het vaartuig dat in problemen verkeert;
3° elk vaartuig, zelfs als het zich nog in de haven bevindt, dat, rekening houdend met de aard van de problemen van het vaartuig dat zich in moeilijkheden bevindt, met het aantal personen dat moet worden gered of met het aantal personen dat van het vaartuig moet worden afgehaald, geschikt is om voor de evacuatie in te staan.
§ 2. De opvordering, vermeld in § 1, kan gebeuren door eenvoudige oproeping.
§ 3. De leidinggevende van het MRCC of zijn gemachtigde kan op het opgeroepen vaartuig een beroep doen gedurende de tijd die nodig is om de hulp daadwerkelijk te realiseren en de te redden of te evacueren personen aan wal te brengen.
1° de SAR-eenheden van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, alsook de door het agentschap erkende SAR-eenheden;
2° elk vaartuig dat zich in de nabijheid bevindt van het vaartuig dat in problemen verkeert;
3° elk vaartuig, zelfs als het zich nog in de haven bevindt, dat, rekening houdend met de aard van de problemen van het vaartuig dat zich in moeilijkheden bevindt, met het aantal personen dat moet worden gered of met het aantal personen dat van het vaartuig moet worden afgehaald, geschikt is om voor de evacuatie in te staan.
§ 2. De opvordering, vermeld in § 1, kan gebeuren door eenvoudige oproeping.
§ 3. De leidinggevende van het MRCC of zijn gemachtigde kan op het opgeroepen vaartuig een beroep doen gedurende de tijd die nodig is om de hulp daadwerkelijk te realiseren en de te redden of te evacueren personen aan wal te brengen.
Art. 11. § 1er. Afin de remédier le plus rapidement possible à un accident ou une condition de risque mettant en péril des vies humaines s'il n'est pas réagi promptement, le dirigeant du MRCC ou son délégué peut réquisitionner les navires suivants :
1° les unités SAR de l'Agence 'Maritieme Dienstverlening en Kust', ainsi que les unités SAR agréées par l'agence;
2° chaque navire qui se trouve à proximité du navire en difficulté;
3° tout navire, même s'il se trouve encore dans le port, qui, compte tenu de la nature des problèmes du navire en difficulté, du nombre de personnes à sauver ou à évacuer, est apte à effectuer l'évacuation.
§ 2. La réquisition visée au § 1er peut se faire par simple appel.
§ 3. Le dirigeant du MRCC ou son délégué peut faire appel au navire réquisitionné pour la durée nécessaire à effectivement réaliser l'aide et à débarquer les personnes à sauver ou à évacuer.
1° les unités SAR de l'Agence 'Maritieme Dienstverlening en Kust', ainsi que les unités SAR agréées par l'agence;
2° chaque navire qui se trouve à proximité du navire en difficulté;
3° tout navire, même s'il se trouve encore dans le port, qui, compte tenu de la nature des problèmes du navire en difficulté, du nombre de personnes à sauver ou à évacuer, est apte à effectuer l'évacuation.
§ 2. La réquisition visée au § 1er peut se faire par simple appel.
§ 3. Le dirigeant du MRCC ou son délégué peut faire appel au navire réquisitionné pour la durée nécessaire à effectivement réaliser l'aide et à débarquer les personnes à sauver ou à évacuer.
Art. 12. § 1. De minister wijst de categorieën van personeelsleden aan die bevoegd zijn om verkeersaanwijzingen aan vaartuigen te richten.
§ 2. De minister wijst de categorieën van personeelsleden aan die bevoegd zijn om de volgende soorten berichten aan de vaartuigen te richten :
1° een informatie;
2° een waarschuwing;
3° een navigatieassistentie.
§ 2. De minister wijst de categorieën van personeelsleden aan die bevoegd zijn om de volgende soorten berichten aan de vaartuigen te richten :
1° een informatie;
2° een waarschuwing;
3° een navigatieassistentie.
Art. 12. § 1er. Le Ministre désigne les catégories de personnels compétents à donner des instructions aux navires.
§ 2. Le Ministre désigne les catégories de personnels compétents à adresser les types de messages suivants aux navires :
1° une information;
2° un avertissement;
3° une assistance à la navigation.
§ 2. Le Ministre désigne les catégories de personnels compétents à adresser les types de messages suivants aux navires :
1° une information;
2° un avertissement;
3° une assistance à la navigation.
Art. 13. Het MRCC treedt op als Maritieme Assistentiedienst.
Art. 13. Le MRCC agit en tant que Service d'assistance maritime.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Art. 14. De Vlaamse minister, bevoegd voor de havens, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 26 oktober 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Institutionele hervormingen, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS.
Brussel, 26 oktober 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Institutionele hervormingen, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS.
Art. 14. Le Ministre flamand ayant les ports dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 26 octobre 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Le Ministre flamand des Réformes institutionnelles, des Ports, de l'Agriculture, de la Pêche et de la Ruralité,
K. PEETERS.
Bruxelles, le 26 octobre 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Le Ministre flamand des Réformes institutionnelles, des Ports, de l'Agriculture, de la Pêche et de la Ruralité,
K. PEETERS.