Artikel 1. [1 In dit besluit wordt verstaan onder:
1° decreet van 8 juni 2007: het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
2° dienst: de afdeling Studietoelagen van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 SEPTEMBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-10-2007 en tekstbijwerking tot 02-10-2025)
Titre
7 SEPTEMBRE 2007. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 17-10-2007 et mise à jour au 02-10-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITEL II. - [1 ...]1 studietoelagen.
HOOFDSTUK I. - Pedagogische voorwaarden.
Afdeling 1.
Afdeling 2.
Afdeling 2/1.
Afdeling 3. - Studietoelage hoger onderwijs.
HOOFDSTUK II. - Financiële voorwaarden.
Afdeling 1. - Categorieën van leefeenheden.
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling.
Onderafdeling 2. - [1 ...]1 gehuwd student.
Onderafdeling 3. - [1 ...]1 Zelfstandig student.
Onderafdeling 4. - [1 ...]1 Alleenstaande student.
Onderafdeling 5. - Slotbepalingen.
Afdeling 2. - Referentie-inkomen.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Onderafdeling 2. - Afwijking van het referentie...
Onderafdeling 3. - Bedrag van de toelage.
HOOFDSTUK III. - Procedurele voorwaarden.
Afdeling 1. - Aanvraag.
Afdeling 2. - Terugvordering.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Onderafdeling 2. - Studietoelage hoger onderwijs.
TITEL III. - Inwerkingtreding.
Inhoud
TITRE Ier. - Dispositions générales.
TITRE II. - [1 ...]1 allocations d'études.
CHAPITRE Ier. - Conditions pédagogiques.
Section 1re.
Section 2.
Section 2.1.
Section 3. - Allocation d'études de l'enseignem...
CHAPITRE II. - Conditions financières.
Section 1re. - Catégories d'unités de vie.
Sous-section 1re. - Disposition générale.
Sous-section 2. - [1 ...]1 étudiant marié.
Sous-section 3. - [1 ...]1 étudiant autonome.
Sous-section 4. - [1 ...]1 étudiant isolé.
Sous-section 5. - Dispositions finales.
Section 2. - Revenu de référence.
Sous-section 1re. - Dispositions générales.
Sous-section 2. - Dérogation à l'année de référ...
Sous-section 3. - Montant de l'allocation.
CHAPITRE III. - Conditions procédurales.
Section 1re. - Demande.
Section 2. - Récupération.
Sous-section 1re. - Dispositions générales.
Sous-section 2. - Allocation d'études de l'ense...
TITRE III. - Entrée en vigueur.
Tekst (60)
Texte (60)
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITRE Ier. - Dispositions générales.
Article 1. [1 Dans le présent arrêté, on entend par :
1° décret du 8 juin 2007 : le décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande ;
2° service: la Division des Allocations d'Etudes du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation.]1
1° décret du 8 juin 2007 : le décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande ;
2° service: la Division des Allocations d'Etudes du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation.]1
Wijzigingen
TITEL II. - [1 ...]1 studietoelagen.
TITRE II. - [1 ...]1 allocations d'études.
HOOFDSTUK I. - Pedagogische voorwaarden.
CHAPITRE Ier. - Conditions pédagogiques.
Afdeling 1.
Section 1re.
Art. 2.
Art. 2.
Afdeling 2.
Section 2.
Art. 3.
Art. 3.
Afdeling 2/1.
Section 2.1.
Art. 3/1.
Art. 3/1.
Afdeling 3. - Studietoelage hoger onderwijs.
Section 3. - Allocation d'études de l'enseignement supérieur.
Art. 4. [1 De onderwijsinstellingen bezorgen de gegevens, vermeld in artikel 27 van het decreet van 8 juni 2007, aan de dienst via de centrale databank, vermeld in artikel IV.90 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.]1
Art. 4. [1 Les établissements d'enseignement transmettent les données visées à l'article 27 du décret du 8 juin 2007 au service par le biais de la banque de données centrale, visée à l'article IV.90 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013.]1
Wijzigingen
Art.4/1. [1 Een studietoelage kan worden verleend aan een student die wegens ziekte niet in staat is minstens 27 studiepunten op te nemen, conform artikel 24, § 2, van het decreet van 8 juni 2007, als de student aan de dienst een van onderstaande attesten bezorgt:
1° een kopie van het attest van Kind en Gezin, vermeld in artikel 26, § 2 en § 5, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen en de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen;
2° het attest dat de dienst hiertoe ter beschikking stelt.
Het attest vermeld in het vorige lid, wordt door een arts ingevuld en ondertekend en wordt bezorgd aan de dienst.]1
1° een kopie van het attest van Kind en Gezin, vermeld in artikel 26, § 2 en § 5, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen en de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen;
2° het attest dat de dienst hiertoe ter beschikking stelt.
Het attest vermeld in het vorige lid, wordt door een arts ingevuld en ondertekend en wordt bezorgd aan de dienst.]1
Art. 4/1. [1 Une allocation d'études peut être accordée à un étudiant qui est incapable d'engager au moins 27 unités d'études pour cause de maladie, conformément à l'article 24, § 2 du décret du 8 juin 2007, si l'étudiant fournit au service une des attestations suivantes :
1° une copie du certificat de " Kind en Gezin ", visé à l'article 26, § 2 et § 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018 établissant les diverses qualités de l'enfant bénéficiaire et relatif aux exemptions des conditions d'octroi pour les allocations familiales, les montants initiaux naissance et adoption, et les allocations de participation universelles ;
2° le certificat mis à disposition à cet effet par le service.
Le certificat visé à l'alinéa précédent est rempli et signé par un médecin et remis au service.]1
1° une copie du certificat de " Kind en Gezin ", visé à l'article 26, § 2 et § 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018 établissant les diverses qualités de l'enfant bénéficiaire et relatif aux exemptions des conditions d'octroi pour les allocations familiales, les montants initiaux naissance et adoption, et les allocations de participation universelles ;
2° le certificat mis à disposition à cet effet par le service.
Le certificat visé à l'alinéa précédent est rempli et signé par un médecin et remis au service.]1
HOOFDSTUK II. - Financiële voorwaarden.
CHAPITRE II. - Conditions financières.
Afdeling 1. - Categorieën van leefeenheden.
Section 1re. - Catégories d'unités de vie.
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling.
Sous-section 1re. - Disposition générale.
Art. 5. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 6 en artikel 7, wordt voor de berekening van het referentie-inkomen uitgegaan van de leefeenheid waar de [2 ...]2 [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat of bij een andere natuurlijke persoon van wie hij ten laste is.
§ 2. Indien de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze ouders.
Indien de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze ouder.
Indien de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat [1 en een partner die als gehuwden in de zin van artikel 5, 15°, van het decreet [2 van 8 juni 2007]2 moeten worden beschouwd]1, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van de ouder en van de partner.
[1 ...]1
§ 3. Indien de [2 ...]2 student ingevolge een gerechtelijke uitspraak, [1 een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling, zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een andere natuurlijke persoon]1 dan de ouders of één van de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of al minstens drie jaar fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie de afstamming vaststaat, wordt voor de berekening van het referentie-inkomen uitgegaan van de leefeenheid van deze andere natuurlijke persoon.
Indien de [2 ...]2 student al minstens drie jaar hoofdverblijfplaats heeft bij de leefeenheid van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, en waarbij de ten laste neming als dusdanig erkend is door een ziekenfonds of kinderbijslagfonds, wordt voor de berekening van het referentie-inkomen uitgegaan van de leefeenheid van deze andere natuurlijke persoon.
Indien in de gevallen bepaald in het eerste en tweede lid :
1° de [2 ...]2 student hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon;
2° de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon die gehuwd is, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon en zijn partner;
3° de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon en één of meerdere niet-verwanten van deze natuurlijke persoon, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon;
§ 4. In geval van feitelijke scheiding in de gevallen bedoeld in § 2, eerste en derde lid en § 3, derde lid, 2° van onderhavig artikel, wordt enkel uitgegaan van het referentie-inkomen van de persoon van wie de [2 ...]2 student ten laste is, voorzover een aparte aanslag werd gevestigd.
§ 2. Indien de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze ouders.
Indien de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze ouder.
Indien de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat [1 en een partner die als gehuwden in de zin van artikel 5, 15°, van het decreet [2 van 8 juni 2007]2 moeten worden beschouwd]1, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van de ouder en van de partner.
[1 ...]1
§ 3. Indien de [2 ...]2 student ingevolge een gerechtelijke uitspraak, [1 een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling, zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een andere natuurlijke persoon]1 dan de ouders of één van de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of al minstens drie jaar fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie de afstamming vaststaat, wordt voor de berekening van het referentie-inkomen uitgegaan van de leefeenheid van deze andere natuurlijke persoon.
Indien de [2 ...]2 student al minstens drie jaar hoofdverblijfplaats heeft bij de leefeenheid van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, en waarbij de ten laste neming als dusdanig erkend is door een ziekenfonds of kinderbijslagfonds, wordt voor de berekening van het referentie-inkomen uitgegaan van de leefeenheid van deze andere natuurlijke persoon.
Indien in de gevallen bepaald in het eerste en tweede lid :
1° de [2 ...]2 student hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon;
2° de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon die gehuwd is, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon en zijn partner;
3° de [2 ...]2 student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de in het eerste of tweede lid bedoelde natuurlijke persoon en één of meerdere niet-verwanten van deze natuurlijke persoon, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van deze natuurlijke persoon;
§ 4. In geval van feitelijke scheiding in de gevallen bedoeld in § 2, eerste en derde lid en § 3, derde lid, 2° van onderhavig artikel, wordt enkel uitgegaan van het referentie-inkomen van de persoon van wie de [2 ...]2 student ten laste is, voorzover een aparte aanslag werd gevestigd.
Art. 5. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 6 et 7, le calcul du revenu de référence s'opère sur la base de l'unité de vie dans laquelle [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale, c.-à-d. chez un des deux ou les deux parents dont la filiation est établie ou chez une autre personne physique dont il est à charge.
§ 2. Si [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale dans une unité de vie composée des deux parents dont la filiation est établie, le revenu de référence de ces parents sert de base.
Si [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale dans une unité de vie composée d'un parent dont la filiation est établie, le revenu de référence de ce parent sert de base.
Si [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale dans une unité de vie composée d'un parent dont la filiation est établie [1 et d'un partenaire, qui doivent être considérés comme époux au sens de l'article 5, 15° du décret]1 [2 du 8 juin 2007]2, le revenu de référence du parent et du partenaire sert de base.
[1 ...]1
§ 3. Si [2 ...]2 l'étudiant, par suite à un arrêt judiciaire ou à [1 une intervention d'une autorité ou institution de droit public, a sa résidence principale chez une autre personne physique]1 autre que les parents ou un des parents dont la filiation est établie, ou est fiscalement à charge pendant au moins trois ans d'une personne physique autre que les parents dont la filiation est établie, le calcul du revenu de référence s'opère sur la base de l'unité de vie de cette autre personne physique.
Si [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale depuis au moins trois ans dans une unité de vie d'une personne physique autre que les parents dont la filiation est établie, et si la prise à charge est agréée par une mutuelle ou une caisse d'allocations familiale, l'unité de vie de cette autre personne physique sert de base pour le calcul du revenu de référence.
Si dans les cas définis aux premier et deuxième alinéas :
1° [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale chez la personne physique visée au premier ou deuxième alinéa, le revenu de référence de cette personne physique sert de base;
2° [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale chez la personne physique visée au premier ou deuxième alinéa qui est mariée, le revenu de référence de cette personne physique et de son partenaire sert de base;
3° [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale chez la personne physique visée au premier ou deuxième alinéa et un ou plusieurs personnes non apparentées de cette personne physique, le revenu de référence de cette personne physique;
§ 4. Lors d'un divorce de fait dans les cas visés au § 2, premier et troisième alinéas, et § 3, troisième alinéa, 2°, du présent article, seul le revenu de référence de la personne de qui [2 ...]2 l'étudiant est à charge sert de base, pour autant qu'une imposition distincte ait été opérée.
§ 2. Si [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale dans une unité de vie composée des deux parents dont la filiation est établie, le revenu de référence de ces parents sert de base.
Si [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale dans une unité de vie composée d'un parent dont la filiation est établie, le revenu de référence de ce parent sert de base.
Si [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale dans une unité de vie composée d'un parent dont la filiation est établie [1 et d'un partenaire, qui doivent être considérés comme époux au sens de l'article 5, 15° du décret]1 [2 du 8 juin 2007]2, le revenu de référence du parent et du partenaire sert de base.
[1 ...]1
§ 3. Si [2 ...]2 l'étudiant, par suite à un arrêt judiciaire ou à [1 une intervention d'une autorité ou institution de droit public, a sa résidence principale chez une autre personne physique]1 autre que les parents ou un des parents dont la filiation est établie, ou est fiscalement à charge pendant au moins trois ans d'une personne physique autre que les parents dont la filiation est établie, le calcul du revenu de référence s'opère sur la base de l'unité de vie de cette autre personne physique.
Si [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale depuis au moins trois ans dans une unité de vie d'une personne physique autre que les parents dont la filiation est établie, et si la prise à charge est agréée par une mutuelle ou une caisse d'allocations familiale, l'unité de vie de cette autre personne physique sert de base pour le calcul du revenu de référence.
Si dans les cas définis aux premier et deuxième alinéas :
1° [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale chez la personne physique visée au premier ou deuxième alinéa, le revenu de référence de cette personne physique sert de base;
2° [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale chez la personne physique visée au premier ou deuxième alinéa qui est mariée, le revenu de référence de cette personne physique et de son partenaire sert de base;
3° [2 ...]2 l'étudiant a sa résidence principale chez la personne physique visée au premier ou deuxième alinéa et un ou plusieurs personnes non apparentées de cette personne physique, le revenu de référence de cette personne physique;
§ 4. Lors d'un divorce de fait dans les cas visés au § 2, premier et troisième alinéas, et § 3, troisième alinéa, 2°, du présent article, seul le revenu de référence de la personne de qui [2 ...]2 l'étudiant est à charge sert de base, pour autant qu'une imposition distincte ait été opérée.
Onderafdeling 2. - [1 ...]1 gehuwd student.
Sous-section 2. - [1 ...]1 étudiant marié.
Art. 6. § 1. [3 Als de [4 ...]4 student uiterlijk op 31 december van het betrokken school- of academiejaar gehuwd is als vermeld in artikel 5, 15°, van [4 het decreet van 8 juni 2007]4 , wordt voor de berekening van de toelage uitgegaan van het referentie-inkomen van beide gehuwden, op voorwaarde dat ze vanaf het ogenblik dat ze als gehuwden in de zin van artikel 5, 15°, van het decreet moeten worden beschouwd tot en met 31 december van het kalenderjaar dat volgt op de aanvang van het betrokken [4 ...]4 academiejaar, twaalf maanden financiële middelen hebben verworven waarvan het totaal minstens overeenkomt met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het betrokken [4 ...]4 academiejaar, conform artikel 14, § 1, 1°, eerste lid, 1°, en artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met een of meer personen samenwoont.]3
Het statuut van [4 ...]4 gehuwd student is verworven vanaf het ogenblik dat wordt voldaan aan deze voorwaarden.
§ 2. De in § 1 bedoelde financiële middelen kunnen bestaan uit :
1° een beroepsinkomen, waarbij onder beroepsinkomen moet worden verstaan het samengestelde bedrag van de beroepsinkomsten na aftrek van de beroepsuitgaven en de beroepsverliezen;
2° een bruto belastbare werkloosheidsuitkering;
3° een bruto belastbare arbeidsongeschiktheidsuitkering of -vergoeding;
4° een bruto belastbaar ander vervangingsinkomen verkregen uit eigen beroepsactiviteit;
5° een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
6° een bruto belastbaar rust- of overlevingspensioen;
7° het leefloon toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
8° [2 ...]2
[1 9° het equivalent van leefloon, toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
§ 3. In geval van feitelijke scheiding, wordt enkel uitgegaan van het referentie-inkomen van de [4 ...]4 student, voor zover een aparte aanslag werd gevestigd.
Het statuut van [4 ...]4 gehuwd student is verworven vanaf het ogenblik dat wordt voldaan aan deze voorwaarden.
§ 2. De in § 1 bedoelde financiële middelen kunnen bestaan uit :
1° een beroepsinkomen, waarbij onder beroepsinkomen moet worden verstaan het samengestelde bedrag van de beroepsinkomsten na aftrek van de beroepsuitgaven en de beroepsverliezen;
2° een bruto belastbare werkloosheidsuitkering;
3° een bruto belastbare arbeidsongeschiktheidsuitkering of -vergoeding;
4° een bruto belastbaar ander vervangingsinkomen verkregen uit eigen beroepsactiviteit;
5° een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
6° een bruto belastbaar rust- of overlevingspensioen;
7° het leefloon toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
8° [2 ...]2
[1 9° het equivalent van leefloon, toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
§ 3. In geval van feitelijke scheiding, wordt enkel uitgegaan van het referentie-inkomen van de [4 ...]4 student, voor zover een aparte aanslag werd gevestigd.
Art. 6. § 1er. [3 Si [4 ...]4 l'étudiant est marié au 31 décembre au plus tard de l'année [4 ...]4 académique concernée au sens de l'article 5, 15° [4 du décret du 8 juin 2007]4, l'allocation est calculée sur la base du revenu de référence des deux époux, à condition que, à partir du moment où ils doivent être considérés comme époux au sens de l'article 5, 15° [4 du décret du 8 juin 2007]4 jusqu'au 31 décembre de l'année civile suivant le début de l'année [4 ...]4 académique en question, ils aient acquis pendant 12 mois des revenus dont le total correspond au moins au revenu d'intégration sociale versé annuellement au 31 décembre de l'année civile précédant l'année [4 ...]4 académique en question à la personne cohabitant avec une ou plusieurs personnes, conformément aux articles 14, § 1er, 1°, alinéa 1er, 1°, et 15 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.]3
Le statut [4 ...]4 d'étudiant marié est acquis à compter du moment où il est satisfait à ces conditions.
§ 2. Les moyens financiers visés au § 1er peuvent se composer :
1° d'un revenu professionnel. Par ce revenu professionnel, il faut entendre le montant composé des revenus professionnels après déduction des dépenses professionnelles et des pertes professionnelles;
2° d'une allocation de chômage, montant brut imposable;
3° d'une indemnité ou allocation d'incapacité de travail, montant brut imposable;
4° d'un autre revenu de remplacement obtenu par son activité professionnelle, montant brut imposable;
5° d'une allocation de remplacement de revenus, attribuée en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
6° d'une pension de retraite ou de survie, montant brut imposable;
7° du revenu d'intégration sociale attribué en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
8° [2 ...]2
[1 9° l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale;]1
§ 3. Dans le cas d'un divorce de fait, le revenu de référence de [4 ...]4 de l'étudiant sert de base, pour autant qu'une imposition distincte ait été opérée.
Le statut [4 ...]4 d'étudiant marié est acquis à compter du moment où il est satisfait à ces conditions.
§ 2. Les moyens financiers visés au § 1er peuvent se composer :
1° d'un revenu professionnel. Par ce revenu professionnel, il faut entendre le montant composé des revenus professionnels après déduction des dépenses professionnelles et des pertes professionnelles;
2° d'une allocation de chômage, montant brut imposable;
3° d'une indemnité ou allocation d'incapacité de travail, montant brut imposable;
4° d'un autre revenu de remplacement obtenu par son activité professionnelle, montant brut imposable;
5° d'une allocation de remplacement de revenus, attribuée en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
6° d'une pension de retraite ou de survie, montant brut imposable;
7° du revenu d'intégration sociale attribué en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
8° [2 ...]2
[1 9° l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale;]1
§ 3. Dans le cas d'un divorce de fait, le revenu de référence de [4 ...]4 de l'étudiant sert de base, pour autant qu'une imposition distincte ait été opérée.
Art.6/1. [1 Een student kan het statuut van gehuwde student aantonen conform artikel 6.
Een student of leerling kon voor de inwerkingtreding van dit besluit het statuut van gehuwde student of leerling aantonen conform de voorwaarden, vermeld in de volgende besluiten:
1° het koninklijk besluit van 23 augustus 1972 tot vaststelling van de minvermogendheid van de kandidaten voor een studietoelage;
2° het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 betreffende de studietoelagen voor hoger onderwijs;
3° het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.]1
Een student of leerling kon voor de inwerkingtreding van dit besluit het statuut van gehuwde student of leerling aantonen conform de voorwaarden, vermeld in de volgende besluiten:
1° het koninklijk besluit van 23 augustus 1972 tot vaststelling van de minvermogendheid van de kandidaten voor een studietoelage;
2° het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 betreffende de studietoelagen voor hoger onderwijs;
3° het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.]1
Art. 6/1. [1 Un étudiant peut fournir la preuve du statut d'étudiant marié conformément à l'article 6.
Avant l'entrée en vigueur de cet arrêté, un étudiant ou un élève pouvait fournir la preuve du statut d'étudiant ou d'élève marié conformément aux conditions visées aux arrêtés suivants :
1° l'arrêté royal du 23 août 1972 fixant la condition peu aisée des candidats à une allocation d'études ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 relatif aux allocations d'études supérieures ;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à l'aide financière aux études et aux services aux étudiants dans l'enseignement supérieur de la Communauté flamande.]1
Avant l'entrée en vigueur de cet arrêté, un étudiant ou un élève pouvait fournir la preuve du statut d'étudiant ou d'élève marié conformément aux conditions visées aux arrêtés suivants :
1° l'arrêté royal du 23 août 1972 fixant la condition peu aisée des candidats à une allocation d'études ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 relatif aux allocations d'études supérieures ;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à l'aide financière aux études et aux services aux étudiants dans l'enseignement supérieur de la Communauté flamande.]1
Art.6/2. [1 De student die het statuut van gehuwd leerling of student al heeft aangetoond, behoudt het statuut van gehuwd student, als een van de volgende voorwaarden is vervuld:
1° de student die nog altijd gehuwd is, of zijn partner, heeft tijdens het kalenderjaar waarin de start van het academiejaar valt, meer financiële middelen verworven dan het nettobedrag, vermeld in artikel 136 van het Wetboek van Inkomstenbelasting;
2° de student voldoet niet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid, vermeld in artikel 5 van dit besluit.
De financiële middelen, vermeld in het eerste lid, kunnen bestaan uit de financiële middelen, vermeld in artikel 6, § 2.]1
1° de student die nog altijd gehuwd is, of zijn partner, heeft tijdens het kalenderjaar waarin de start van het academiejaar valt, meer financiële middelen verworven dan het nettobedrag, vermeld in artikel 136 van het Wetboek van Inkomstenbelasting;
2° de student voldoet niet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid, vermeld in artikel 5 van dit besluit.
De financiële middelen, vermeld in het eerste lid, kunnen bestaan uit de financiële middelen, vermeld in artikel 6, § 2.]1
Art. 6/2. [1 L'étudiant qui a déjà fourni la preuve du statut d'étudiant ou d'élève marié garde le statut d'étudiant marié, si une des conditions suivantes est remplie :
1° l'étudiant toujours marié ou son partenaire a acquis pendant l'année calendaire dans laquelle commence l'année académique plus de moyens financiers que le montant net fixé à l'article 136 du Code des Impôts sur les Revenus ;
2° l'étudiant ne remplit pas les conditions d'une autre unité de vie, visées à l'article 5 du présent arrêté.
Les moyens financiers visés à l'alinéa 1er peuvent être les moyens financiers visés à l'article 6, § 2.]1
1° l'étudiant toujours marié ou son partenaire a acquis pendant l'année calendaire dans laquelle commence l'année académique plus de moyens financiers que le montant net fixé à l'article 136 du Code des Impôts sur les Revenus ;
2° l'étudiant ne remplit pas les conditions d'une autre unité de vie, visées à l'article 5 du présent arrêté.
Les moyens financiers visés à l'alinéa 1er peuvent être les moyens financiers visés à l'article 6, § 2.]1
Art.6/3. [1 Als de student die het statuut van gehuwde leerling of student al heeft aangetoond, niet aan de voorwaarden voldoet om het statuut te behouden, kan hij het statuut opnieuw verwerven als hij aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° de student of zijn partner heeft gedurende twaalf maanden financiële middelen verworven;
2° het totaal van de middelen, vermeld in punt 1°, komt minstens overeen met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar in kwestie, jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met een of meer personen samenwoont conform artikel 14, § 1, 1°, en artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
De verwerving van financiële middelen gedurende twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, 1°, gebeurt tijdens een periode van twee aaneensluitende jaren, die eindigt op 31 december van het jaar waarin het schooljaar in kwestie start.
De financiële middelen, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen bestaan uit de financiële middelen, vermeld in artikel 6, § 2.]1
1° de student of zijn partner heeft gedurende twaalf maanden financiële middelen verworven;
2° het totaal van de middelen, vermeld in punt 1°, komt minstens overeen met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar in kwestie, jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met een of meer personen samenwoont conform artikel 14, § 1, 1°, en artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
De verwerving van financiële middelen gedurende twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, 1°, gebeurt tijdens een periode van twee aaneensluitende jaren, die eindigt op 31 december van het jaar waarin het schooljaar in kwestie start.
De financiële middelen, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen bestaan uit de financiële middelen, vermeld in artikel 6, § 2.]1
Art. 6/3. [1 Si l'étudiant qui a déjà fourni la preuve du statut d'élève ou d'étudiant marié ne remplit pas les conditions pour conserver ce statut, il peut acquérir de nouveau le statut s'il remplit toutes les conditions suivantes :
1° l'étudiant ou son partenaire a acquis des moyens financiers pendant une période de douze mois ;
2° le total des moyens visés au point 1° correspond au moins au revenu d'intégration sociale versé annuellement au 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année académique en question à la personne vivant avec une ou plusieurs personnes conformément aux articles 14, § 1er, 1° et 15 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.
L'acquisition des moyens financiers pendant une période de douze mois, visée à l'alinéa 1er, 1°, a lieu pendant une période de deux années consécutives se terminant le 31 décembre de l'année au cours de laquelle l'année scolaire en question commence.
Les moyens financiers visés aux alinéas 1er et 2 peuvent être les moyens financiers visés à l'article 6, § 2.]1
1° l'étudiant ou son partenaire a acquis des moyens financiers pendant une période de douze mois ;
2° le total des moyens visés au point 1° correspond au moins au revenu d'intégration sociale versé annuellement au 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année académique en question à la personne vivant avec une ou plusieurs personnes conformément aux articles 14, § 1er, 1° et 15 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.
L'acquisition des moyens financiers pendant une période de douze mois, visée à l'alinéa 1er, 1°, a lieu pendant une période de deux années consécutives se terminant le 31 décembre de l'année au cours de laquelle l'année scolaire en question commence.
Les moyens financiers visés aux alinéas 1er et 2 peuvent être les moyens financiers visés à l'article 6, § 2.]1
Art.6/4. [1 Voor een student die een studietoelage aanvraagt op basis van de voorwaarden om erkend te worden als gehuwde student, en waarbij voorlopig rekening wordt gehouden met attesten van werkgevers, diensten of instellingen, kan een latere verificatie op basis van het door de Federale Overheidsdienst Financiën gecontroleerde inkomen van de kalenderjaren in kwestie aanleiding geven tot het intrekken van het statuut. In dat geval wordt de toelage vervolgens conform artikel 34, § 4, van het decreet van 8 juni 2007 herbekeken en herberekend.]1
Art. 6/4. [1 Pour un étudiant qui introduit une demande d'allocation d'études sur la base des conditions pour être agréé comme étudiant marié, et pour lequel il est tenu compte provisoirement des attestations d'employeurs, de services ou d'institutions, une vérification ultérieure sur la base du revenu contrôlé par le Service Public Fédéral Finances des années calendaires concernées peut donner lieu au retrait du statut. Le cas échéant, l'allocation est révisée et recalculée conformément à l'article 34, § 4, du décret du 8 juin 2007.]1
Onderafdeling 3. - [1 ...]1 Zelfstandig student.
Sous-section 3. - [1 ...]1 étudiant autonome.
Art. 7. § 1. Wordt beschouwd als [3 ...]3 zelfstandig student die een eigen leefeenheid vormt, de [3 ...]3 student die niet behoort tot de categorieën omschreven in artikel 5 en artikel 6 en die twaalf maanden financiële middelen heeft verworven waarvan het totaal minstens overeenkomt met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het betrokken [3 ...]3 academiejaar overeenkomstig het artikel 14, § 1, 1° en het artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met één of meerdere personen samenwoont.
Indien de [3 ...]3 student voor de eerste keer zijn statuut van [3 ...]3 zelfstandig student aantoont, dient de in het eerste lid bedoelde verwerving van twaalf maanden financiële middelen zich te situeren tijdens een periode van twee aaneensluitende kalenderjaren eindigend op 31 december van het kalenderjaar waarin het betrokken [3 ...]3 academiejaar start of van het [3 ...]3 academiejaar waarin de aanvatting of de hervatting van de studies viel.
§ 2. De in § 1 bedoelde financiële middelen kunnen bestaan uit :
1° een beroepsinkomen, waarbij onder beroepsinkomen moet worden verstaan het samengestelde bedrag van de beroepsinkomsten na aftrek van de beroepsuitgaven en de beroepsverliezen;
2° een bruto belastbare werkloosheidsuitkering;
3° een bruto belastbare arbeidsongeschiktheidsuitkering of -vergoeding;
4° een bruto belastbaar ander vervangingsinkomen verkregen uit eigen beroepsactiviteit;
5° een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
6° een bruto belastbaar rust- of overlevingspensioen;
7° het leefloon toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
8° [1 het equivalent van leefloon, toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;]1
9° [2 ...]2
Indien de [3 ...]3 student voor de eerste keer zijn statuut van [3 ...]3 zelfstandig student aantoont, dient de in het eerste lid bedoelde verwerving van twaalf maanden financiële middelen zich te situeren tijdens een periode van twee aaneensluitende kalenderjaren eindigend op 31 december van het kalenderjaar waarin het betrokken [3 ...]3 academiejaar start of van het [3 ...]3 academiejaar waarin de aanvatting of de hervatting van de studies viel.
§ 2. De in § 1 bedoelde financiële middelen kunnen bestaan uit :
1° een beroepsinkomen, waarbij onder beroepsinkomen moet worden verstaan het samengestelde bedrag van de beroepsinkomsten na aftrek van de beroepsuitgaven en de beroepsverliezen;
2° een bruto belastbare werkloosheidsuitkering;
3° een bruto belastbare arbeidsongeschiktheidsuitkering of -vergoeding;
4° een bruto belastbaar ander vervangingsinkomen verkregen uit eigen beroepsactiviteit;
5° een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
6° een bruto belastbaar rust- of overlevingspensioen;
7° het leefloon toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
8° [1 het equivalent van leefloon, toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;]1
9° [2 ...]2
Art. 7. § 1er. Est réputé être un [3 ...]3 étudiant autonome qui forme sa propre unité de vie, [3 ...]3 l'étudiant qui n'appartient pas aux catégories décrites aux articles 5 et 6 et qui pendant douze mois a acquis des moyens financiers dont le total correspond au moins au revenu d'intégration sociale qui, au 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année [3 ...]3 académique concernée et ce conformément à l'article 14, § 1er, 1° et l'article 15 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, est attribué annuellement à la personne qui cohabite avec une ou plusieurs personnes.
Si l'élève ou l'étudiant fournit pour la première fois la preuve de son statut d'élève autonome ou d'étudiant autonome, la période de douze mois de moyens financiers acquis visée au premier alinéa doit se situer dans une période de deux années calendaires consécutives se terminant le 31 décembre de l'année calendaire dans laquelle débute l'année scolaire ou académique ou de l'année scolaire ou académique dans laquelle tombe le début ou la reprise des études.
§ 2. Les moyens financiers visés au § 1er peuvent se composer :
1° d'un revenu professionnel. Par ce revenu professionnel, il faut entendre le montant composé des revenus professionnels après déduction des dépenses professionnelles et des pertes professionnelles;
2° d'une allocation de chômage, montant brut imposable;
3° d'une indemnité ou allocation d'incapacité de travail, montant brut imposable;
4° d'un autre revenu de remplacement obtenu par son activité professionnelle, montant brut imposable;
5° d'une allocation de remplacement de revenus, attribuée en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
6° d'une pension de retraite ou de survie, montant brut imposable;
7° du revenu d'intégration sociale attribué en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
8° [1 l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;]1
9° [2 ...]2
Si l'élève ou l'étudiant fournit pour la première fois la preuve de son statut d'élève autonome ou d'étudiant autonome, la période de douze mois de moyens financiers acquis visée au premier alinéa doit se situer dans une période de deux années calendaires consécutives se terminant le 31 décembre de l'année calendaire dans laquelle débute l'année scolaire ou académique ou de l'année scolaire ou académique dans laquelle tombe le début ou la reprise des études.
§ 2. Les moyens financiers visés au § 1er peuvent se composer :
1° d'un revenu professionnel. Par ce revenu professionnel, il faut entendre le montant composé des revenus professionnels après déduction des dépenses professionnelles et des pertes professionnelles;
2° d'une allocation de chômage, montant brut imposable;
3° d'une indemnité ou allocation d'incapacité de travail, montant brut imposable;
4° d'un autre revenu de remplacement obtenu par son activité professionnelle, montant brut imposable;
5° d'une allocation de remplacement de revenus, attribuée en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
6° d'une pension de retraite ou de survie, montant brut imposable;
7° du revenu d'intégration sociale attribué en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
8° [1 l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;]1
9° [2 ...]2
Art.7/1. [1 Een student kan het statuut van zelfstandig student aantonen conform artikel 7.
Een student of leerling kon voor de inwerkingtreding van dit besluit het statuut van zelfstandige student of leerling aantonen conform de voorwaarden, vermeld in de volgende besluiten:
1° het koninklijk besluit van 23 augustus 1972 tot vaststelling van de minvermogendheid van de kandidaten voor een studietoelage;
2° het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 betreffende de studietoelagen voor hoger onderwijs;
3° het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.]1
Een student of leerling kon voor de inwerkingtreding van dit besluit het statuut van zelfstandige student of leerling aantonen conform de voorwaarden, vermeld in de volgende besluiten:
1° het koninklijk besluit van 23 augustus 1972 tot vaststelling van de minvermogendheid van de kandidaten voor een studietoelage;
2° het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 betreffende de studietoelagen voor hoger onderwijs;
3° het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.]1
Art. 7/1. [1 Un étudiant peut fournir la preuve du statut d'étudiant autonome conformément à l'article 7.
Avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, un étudiant ou un élève pouvait fournir la preuve du statut d'étudiant ou d'élève autonome conformément aux conditions visées aux arrêtés suivants :
1° l'arrêté royal du 23 août 1972 fixant la condition peu aisée des candidats à une allocation d'études ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 relatif aux allocations d'études supérieures ;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à l'aide financière aux études et aux services aux étudiants dans l'enseignement supérieur de la Communauté flamande.]1
Avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, un étudiant ou un élève pouvait fournir la preuve du statut d'étudiant ou d'élève autonome conformément aux conditions visées aux arrêtés suivants :
1° l'arrêté royal du 23 août 1972 fixant la condition peu aisée des candidats à une allocation d'études ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 relatif aux allocations d'études supérieures ;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à l'aide financière aux études et aux services aux étudiants dans l'enseignement supérieur de la Communauté flamande.]1
Art.7/2. [1 De student die het statuut van zelfstandige leerling of student al heeft aangetoond, behoudt het statuut van zelfstandige student, als een van de volgende voorwaarden is vervuld:
1° de student heeft tijdens het kalenderjaar waarin de start van het academiejaar valt, meer financiële middelen verworven dan het nettobedrag, vermeld in artikel 136 van het Wetboek van Inkomstenbelasting;
2° de student voldoet niet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid, vermeld in artikel 5 en 6 van dit besluit.
De financiële middelen, vermeld in het eerste lid, kunnen bestaan uit de financiële middelen, vermeld in artikel 7, § 2.]1
1° de student heeft tijdens het kalenderjaar waarin de start van het academiejaar valt, meer financiële middelen verworven dan het nettobedrag, vermeld in artikel 136 van het Wetboek van Inkomstenbelasting;
2° de student voldoet niet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid, vermeld in artikel 5 en 6 van dit besluit.
De financiële middelen, vermeld in het eerste lid, kunnen bestaan uit de financiële middelen, vermeld in artikel 7, § 2.]1
Art. 7/2. [1 L'étudiant qui a déjà fourni la preuve du statut d'étudiant ou d'élève autonome garde le statut d'étudiant autonome, si une des conditions suivantes est remplie :
1° l'étudiant a acquis pendant l'année calendaire dans laquelle commence l'année académique plus de moyens financiers que le montant net fixé à l'article 136 du Code des Impôts sur les Revenus ;
2° l'étudiant ne remplit pas les conditions d'une autre unité de vie, visée aux articles 5 et 6 du présent arrêté.
Les moyens financiers visés à l'alinéa 1er peuvent être les moyens financiers visés à l'article 7, § 2.]1
1° l'étudiant a acquis pendant l'année calendaire dans laquelle commence l'année académique plus de moyens financiers que le montant net fixé à l'article 136 du Code des Impôts sur les Revenus ;
2° l'étudiant ne remplit pas les conditions d'une autre unité de vie, visée aux articles 5 et 6 du présent arrêté.
Les moyens financiers visés à l'alinéa 1er peuvent être les moyens financiers visés à l'article 7, § 2.]1
Art.7/3. [1 Als de student die het statuut van zelfstandige leerling of student al heeft aangetoond, niet aan de voorwaarden voldoet om het statuut te behouden, kan hij het statuut opnieuw verwerven als hij aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° de student heeft gedurende twaalf maanden financiële middelen verworven;
2° het totaal van de middelen, vermeld in punt 1°, komt minstens overeen met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar in kwestie, jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met een of meer personen samenwoont conform artikel 14, § 1, 1°, en artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
De verwerving van financiële middelen gedurende twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, 1°, gebeurt tijdens een periode van twee aaneensluitende jaren, die eindigt op 31 december van het jaar waarin het schooljaar in kwestie start.
De financiële middelen, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen bestaan uit de financiële middelen, vermeld in artikel 7, § 2.]1
1° de student heeft gedurende twaalf maanden financiële middelen verworven;
2° het totaal van de middelen, vermeld in punt 1°, komt minstens overeen met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar in kwestie, jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met een of meer personen samenwoont conform artikel 14, § 1, 1°, en artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
De verwerving van financiële middelen gedurende twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, 1°, gebeurt tijdens een periode van twee aaneensluitende jaren, die eindigt op 31 december van het jaar waarin het schooljaar in kwestie start.
De financiële middelen, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen bestaan uit de financiële middelen, vermeld in artikel 7, § 2.]1
Art. 7/3. [1 Si l'étudiant qui a déjà fourni la preuve du statut d'élève ou d'étudiant autonome ne remplit pas les conditions pour conserver le statut, il peut acquérir de nouveau le statut s'il remplit toutes les conditions suivantes :
1° l'étudiant a acquis des moyens financiers pendant une période de douze mois ;
2° le total des moyens visés au point 1° correspond au moins au revenu d'intégration sociale versé annuellement au 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année académique en question à la personne vivant avec une ou plusieurs personnes conformément aux articles 14, § 1er, 1° et 15 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.
L'acquisition des moyens financiers pendant une période de douze mois, visée à l'alinéa 1er, 1°, a lieu pendant une période de deux années consécutives se terminant le 31 décembre de l'année au cours de laquelle l'année scolaire en question commence.
Les moyens financiers visés aux alinéas 1er et 2 peuvent être les moyens financiers visés à l'article 7, § 2.]1
1° l'étudiant a acquis des moyens financiers pendant une période de douze mois ;
2° le total des moyens visés au point 1° correspond au moins au revenu d'intégration sociale versé annuellement au 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année académique en question à la personne vivant avec une ou plusieurs personnes conformément aux articles 14, § 1er, 1° et 15 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.
L'acquisition des moyens financiers pendant une période de douze mois, visée à l'alinéa 1er, 1°, a lieu pendant une période de deux années consécutives se terminant le 31 décembre de l'année au cours de laquelle l'année scolaire en question commence.
Les moyens financiers visés aux alinéas 1er et 2 peuvent être les moyens financiers visés à l'article 7, § 2.]1
Art.7/4. [1 Voor een student die een aanvraag voor een studietoelage indient op basis van de voorwaarden om erkend te worden als zelfstandige student, en waarbij voorlopig rekening wordt gehouden met attesten van werkgevers, diensten of instellingen, kan een latere verificatie op basis van de door de Federale Overheidsdienst Financiën gecontroleerde inkomen van de kalenderjaren in kwestie aanleiding geven tot het intrekken van het statuut. In dat geval wordt de toelage vervolgens conform artikel 34, § 4, van het decreet van 8 juni 2007 herbekeken en herberekend.]1
Art. 7/4. [1 Pour un étudiant qui introduit une demande d'allocation d'études sur la base des conditions pour être agréé comme étudiant autonome, et pour lequel il est tenu compte provisoirement des attestations d'employeurs, de services ou d'institutions, une vérification ultérieure sur la base du revenu contrôlé par le Service Public Fédéral Finances des années calendaires concernées peut donner lieu au retrait du statut. Le cas échéant, l'allocation est révisée et recalculée conformément à l'article 34, § 4, du décret du 8 juin 2007.]1
Onderafdeling 4. - [1 ...]1 Alleenstaande student.
Sous-section 4. - [1 ...]1 étudiant isolé.
Art. 8. Wordt beschouwd als [2 ...]2 student met eigen leefeenheid, de [2 ...]2 student die niet behoort tot de categorieën bepaald in artikel 5, artikel 6 en artikel 7, maar die behoort tot één van de volgende categorieën :
1° de wees van wie beide ouders waarvan zijn afstamming vaststaat overleden zijn, de wees die hoofdverblijfplaats had bij een overleden ouder waarvan de afstamming vaststaat en waarvan de uit de echt gescheiden en overlevende ouder waarvan de afstamming vaststaat een andere hoofdverblijfplaats heeft dan de [2 ...]2 student [3 ...]3;
2° diegene van wie de langstlevende ouder of beide ouders ontzet is of zijn uit het ouderlijke gezag;
3° [3 ...]3
[1 3°/1 [3 degene die uiterlijk op 31 december van het academiejaar in kwestie verblijft in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg, een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum, een observatie- en behandelingscentrum of een centrum voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen, of die begeleid wordt met een module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen conform het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp, met uitzondering van crisisopvang als vermeld in artikel 44, § 2, 4°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;]3]1
4° [3 ...]3
[1 4°/1 [3 degene die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het academiejaar in kwestie verbleef in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg, een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum, een observatie- en behandelingscentrum of een centrum voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen, of die begeleid wordt met een module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen conform het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp, met uitzondering van crisisopvang als vermeld in artikel 44, § 2, 4°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;]3]1
[3 4° /2 degene die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het academiejaar in kwestie een pleegkind was als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;]3
5° [1 degene die uiterlijk op 31 december van het betrokken [2 ...]2 academiejaar ingevolge een beslissing van een jeugdrechter of publiekrechtelijke overheid [3 verblijft]3 in een multifunctioneel centrum dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;]1
[1 5°/1 degene die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het betrokken [2 ...]2 academiejaar door een beslissing van een jeugdrechter of publiekrechtelijke overheid [3 verbleef]3 in een multifunctioneel centrum dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;]1
6° diegene die uiterlijk op 31 december van het betrokken [2 ...]2 academiejaar valt onder het project voor maatschappelijke integratie bedoeld in artikel 11, § 2, a) en leefloon ontvangt overeenkomstig artikel 14, § 1, 2°, 3° en 4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
7° slachtoffers van mensenhandel, geattesteerd door een door de overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
8° de [2 ...]2 student die zelf een asielprocedure heeft lopen, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet [2 van 8 juni 2007]2;
9° de persoon zoals bedoeld in artikel 9, § 2, 6° van het decreet [2 van 8 juni 2007]2;
10° de persoon zoals bedoeld in artikel 9, § 2, 7° van het decreet [2 van 8 juni 2007]2;
11° de persoon zoals bedoeld in artikel 9, § 2, 8° van het decreet [2 van 8 juni 2007]2;
[4 12° de persoon, vermeld in artikel 9, § 2, 9° van het decreet van 8 juni 2007.]4
1° de wees van wie beide ouders waarvan zijn afstamming vaststaat overleden zijn, de wees die hoofdverblijfplaats had bij een overleden ouder waarvan de afstamming vaststaat en waarvan de uit de echt gescheiden en overlevende ouder waarvan de afstamming vaststaat een andere hoofdverblijfplaats heeft dan de [2 ...]2 student [3 ...]3;
2° diegene van wie de langstlevende ouder of beide ouders ontzet is of zijn uit het ouderlijke gezag;
3° [3 ...]3
[1 3°/1 [3 degene die uiterlijk op 31 december van het academiejaar in kwestie verblijft in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg, een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum, een observatie- en behandelingscentrum of een centrum voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen, of die begeleid wordt met een module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen conform het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp, met uitzondering van crisisopvang als vermeld in artikel 44, § 2, 4°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;]3]1
4° [3 ...]3
[1 4°/1 [3 degene die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het academiejaar in kwestie verbleef in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg, een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum, een observatie- en behandelingscentrum of een centrum voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen, of die begeleid wordt met een module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen conform het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp, met uitzondering van crisisopvang als vermeld in artikel 44, § 2, 4°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;]3]1
[3 4° /2 degene die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het academiejaar in kwestie een pleegkind was als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;]3
5° [1 degene die uiterlijk op 31 december van het betrokken [2 ...]2 academiejaar ingevolge een beslissing van een jeugdrechter of publiekrechtelijke overheid [3 verblijft]3 in een multifunctioneel centrum dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;]1
[1 5°/1 degene die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het betrokken [2 ...]2 academiejaar door een beslissing van een jeugdrechter of publiekrechtelijke overheid [3 verbleef]3 in een multifunctioneel centrum dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;]1
6° diegene die uiterlijk op 31 december van het betrokken [2 ...]2 academiejaar valt onder het project voor maatschappelijke integratie bedoeld in artikel 11, § 2, a) en leefloon ontvangt overeenkomstig artikel 14, § 1, 2°, 3° en 4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
7° slachtoffers van mensenhandel, geattesteerd door een door de overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
8° de [2 ...]2 student die zelf een asielprocedure heeft lopen, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet [2 van 8 juni 2007]2;
9° de persoon zoals bedoeld in artikel 9, § 2, 6° van het decreet [2 van 8 juni 2007]2;
10° de persoon zoals bedoeld in artikel 9, § 2, 7° van het decreet [2 van 8 juni 2007]2;
11° de persoon zoals bedoeld in artikel 9, § 2, 8° van het decreet [2 van 8 juni 2007]2;
[4 12° de persoon, vermeld in artikel 9, § 2, 9° van het decreet van 8 juni 2007.]4
Art. 8. Est réputé être un [2 ...]2 étudiant isolé avec sa propre unité de vie, [2 ...]2 l'étudiant qui n'appartient pas aux catégories fixées aux articles, 5, 6 et 7, mais qui appartient à une des catégories suivantes :
1° l'orphelin dont sont décédés les deux parents dont la filiation est établie, l'orphelin qui avait sa résidence principale chez un parent décédé dont la filiation est établie et dont le parent survivant et divorcé dont la filiation est établie a une autre résidence principale que [2 ...]2 l'étudiant [3 ...]3.
2° celui dont le parent survivant ou les deux parents ont été déchus de leur pouvoir parental;
3° [3 ...]3
[1 3°/1 [3 celui qui, au plus tard au 31 décembre de l'année académique en question, réside dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse, un centre familial d'action thérapeutique, un centre d'accueil, d'orientation et d'observation, un centre d'observation et de traitement ou un centre pour troubles comportementaux et émotionnels, ou qui est accompagné par un module d'accompagnement contextuel en fonction du logement autonome, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse, à l'exception du séjour de crise tel que visé à l'article 44, § 2, 4°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;]3]1
4° [3 ...]3
[1 4° /1 [3 celui qui, par le passé et au plus tard au 31 décembre de l'année académique en question, a résidé dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse, un centre familial d'action thérapeutique, un centre d'accueil, d'orientation et d'observation, un centre d'observation et de traitement ou un centre pour troubles comportementaux et émotionnels, ou qui est accompagné par un module d'accompagnement contextuel en fonction du logement autonome, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse, à l'exception du séjour de crise tel que visé à l'article 44, § 2, 4°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse;]3]1
[3 4° /2 celui qui, par le passé et au plus tard le 31 décembre de l'année académique en question, était un enfant placé tel que visé à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial ;]3
5° [1 celui qui, au plus tard au 31 décembre de l'année [2 ...]2 académique en question et à la suite d'une décision du juge de la jeunesse ou d'une autorité de droit public, [3 réside]3 dans un centre multifonctionnel agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures;]1
[1 5°/1 celui qui, par le passé et au plus tard au 31 décembre de l'année [2 ...]2 académique en question, [3 a résidé]3 à la suite d'une décision du juge de la jeunesse ou d'une autorité de droit public dans un centre multifonctionnel agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures;]1
6° celui qui, le 31 décembre de l'année [2 ...]2 académique au plus tard, relève du projet d'intégration sociale visé à l'article 11, § 2, a) et reçoit un revenu d'intégration sociale conformément à l'article 14, § 1er, 2°, 3° et 4° de la loi du 26 mai 2002 relative au droit à l'intégration sociale;
7° les victimes du trafic de personnes, attestées par un centre agréé par l'autorité spécialisé dans l'accueil de victimes du trafic de personnes;
8° [2 ...]2 l'étudiant contre lequel est entamée une procédure d'asile, telle que visée à l'article 69 du décret [2 du 8 juin 2007]2;
9° la personne visée à l'article 9, § 2, 6°, du décret [2 du 8 juin 2007]2;
10° la personne visée à l'article 9, § 2, 7°, du décret [2 du 8 juin 2007]2;
11° la personne visée à l'article 9, § 2, 8°, du décret [2 du 8 juin 2007]2;
[4 12° la personne visée à l'article 9, § 2, 9°, du décret du 8 juin 2007.]4
1° l'orphelin dont sont décédés les deux parents dont la filiation est établie, l'orphelin qui avait sa résidence principale chez un parent décédé dont la filiation est établie et dont le parent survivant et divorcé dont la filiation est établie a une autre résidence principale que [2 ...]2 l'étudiant [3 ...]3.
2° celui dont le parent survivant ou les deux parents ont été déchus de leur pouvoir parental;
3° [3 ...]3
[1 3°/1 [3 celui qui, au plus tard au 31 décembre de l'année académique en question, réside dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse, un centre familial d'action thérapeutique, un centre d'accueil, d'orientation et d'observation, un centre d'observation et de traitement ou un centre pour troubles comportementaux et émotionnels, ou qui est accompagné par un module d'accompagnement contextuel en fonction du logement autonome, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse, à l'exception du séjour de crise tel que visé à l'article 44, § 2, 4°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;]3]1
4° [3 ...]3
[1 4° /1 [3 celui qui, par le passé et au plus tard au 31 décembre de l'année académique en question, a résidé dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse, un centre familial d'action thérapeutique, un centre d'accueil, d'orientation et d'observation, un centre d'observation et de traitement ou un centre pour troubles comportementaux et émotionnels, ou qui est accompagné par un module d'accompagnement contextuel en fonction du logement autonome, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse, à l'exception du séjour de crise tel que visé à l'article 44, § 2, 4°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse;]3]1
[3 4° /2 celui qui, par le passé et au plus tard le 31 décembre de l'année académique en question, était un enfant placé tel que visé à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial ;]3
5° [1 celui qui, au plus tard au 31 décembre de l'année [2 ...]2 académique en question et à la suite d'une décision du juge de la jeunesse ou d'une autorité de droit public, [3 réside]3 dans un centre multifonctionnel agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures;]1
[1 5°/1 celui qui, par le passé et au plus tard au 31 décembre de l'année [2 ...]2 académique en question, [3 a résidé]3 à la suite d'une décision du juge de la jeunesse ou d'une autorité de droit public dans un centre multifonctionnel agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures;]1
6° celui qui, le 31 décembre de l'année [2 ...]2 académique au plus tard, relève du projet d'intégration sociale visé à l'article 11, § 2, a) et reçoit un revenu d'intégration sociale conformément à l'article 14, § 1er, 2°, 3° et 4° de la loi du 26 mai 2002 relative au droit à l'intégration sociale;
7° les victimes du trafic de personnes, attestées par un centre agréé par l'autorité spécialisé dans l'accueil de victimes du trafic de personnes;
8° [2 ...]2 l'étudiant contre lequel est entamée une procédure d'asile, telle que visée à l'article 69 du décret [2 du 8 juin 2007]2;
9° la personne visée à l'article 9, § 2, 6°, du décret [2 du 8 juin 2007]2;
10° la personne visée à l'article 9, § 2, 7°, du décret [2 du 8 juin 2007]2;
11° la personne visée à l'article 9, § 2, 8°, du décret [2 du 8 juin 2007]2;
[4 12° la personne visée à l'article 9, § 2, 9°, du décret du 8 juin 2007.]4
Onderafdeling 5. - Slotbepalingen.
Sous-section 5. - Dispositions finales.
Art. 9.
Art. 9.
Art. 10.
Art. 10.
Afdeling 2. - Referentie-inkomen.
Section 2. - Revenu de référence.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Sous-section 1re. - Dispositions générales.
Art. 11. § 1. Het inkomen en kadastraal inkomen waarvan sprake is in artikel 35 en 38 van [1 het decreet van 8 juni 2007]1, is het inkomen en kadastraal inkomen dat blijkt uit de belastingtoestand van het tweede kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het betrokken [1 ...]1 academiejaar begint.
Onder belastingtoestand wordt die toestand verstaan, die blijkt uit de door de Federale Overheidsdienst Financiën nageziene inkomsten met betrekking tot de aanslag van dat jaar, afgeleverd door de fiscale administraties.
§ 2. Wanneer naar aanleiding van de latere verificatie de aanslag, bedoeld in § 1, herzien wordt, moet met de herziene aanslag rekening worden gehouden.
§ 3. Niet-belastbare inkomsten worden vastgesteld aan de hand van attesten van werkgevers, diensten of instellingen.
Onder belastingtoestand wordt die toestand verstaan, die blijkt uit de door de Federale Overheidsdienst Financiën nageziene inkomsten met betrekking tot de aanslag van dat jaar, afgeleverd door de fiscale administraties.
§ 2. Wanneer naar aanleiding van de latere verificatie de aanslag, bedoeld in § 1, herzien wordt, moet met de herziene aanslag rekening worden gehouden.
§ 3. Niet-belastbare inkomsten worden vastgesteld aan de hand van attesten van werkgevers, diensten of instellingen.
Art. 11. § 1er. Le revenu et le revenu cadastral dont il est question aux articles 35 et 38 [1 du décret du 8 juin 2007]1 est le revenu et le revenu cadastral qui ressort de la situation fiscale de la deuxième année calendaire qui précède l'année dans laquelle commence l'année [1 ...]1 académique concernée.
Par situation fiscale, il faut entendre la situation qui apparaît des revenus vérifiés par le Service public fédéral Finances relatifs à l'imposition de l'année en question, délivrée par les administrations fiscales.
§ 2. Lorsqu'à cause d'une vérification ultérieure, l'imposition visée au § 1er est révisée, il faut tenir compte de l'imposition revue.
§ 3. Les revenus non imposables sont fixés à l'aide d'attestations d'employeurs, de services ou d'institutions.
Par situation fiscale, il faut entendre la situation qui apparaît des revenus vérifiés par le Service public fédéral Finances relatifs à l'imposition de l'année en question, délivrée par les administrations fiscales.
§ 2. Lorsqu'à cause d'une vérification ultérieure, l'imposition visée au § 1er est révisée, il faut tenir compte de l'imposition revue.
§ 3. Les revenus non imposables sont fixés à l'aide d'attestations d'employeurs, de services ou d'institutions.
Wijzigingen
Art. 12. Het inkomen dat in het buitenland of bij een Europese of andere internationale instelling verworven wordt, wordt zowel voor het bepalen van de categorie van leefeenheid waartoe de [1 ...]1 student behoort als voor de voorlopige en de definitieve berekening van de toelage, vastgesteld op basis van attesten uitgereikt door de buitenlandse belastingdienst, of, wanneer die ontbreken, door de werkgevers, diensten of instellingen.
Voor de omrekening naar het referentie-inkomen in de zin van artikel 35 van [1 het decreet van 8 juni 2007]1, worden de in het Wetboek van Inkomstenbelastingen geldende regels gevolgd.
Voor de omrekening naar het referentie-inkomen in de zin van artikel 35 van [1 het decreet van 8 juni 2007]1, worden de in het Wetboek van Inkomstenbelastingen geldende regels gevolgd.
Art. 12. Le revenu acquis à l'étranger ou chez une institution européenne ou une autre institution internationale est fixé tant pour ce qui est de la détermination de la catégorie d'unité de vie à laquelle appartient [1 ...]1 l'étudiant que pour ce qui est du calcul provisoire et définitif de l'allocation sur la base d'attestations délivrées par un service des impôts étranger ou, à défaut de ceux-ci, par les employeurs, services ou institutions.
Pour la reconversion au revenu de référence au sens de l'article 35 [1 du décret du 8 juin 2007]1, les dispositions du Code des impôts sur les revenus sont appliquées.
Pour la reconversion au revenu de référence au sens de l'article 35 [1 du décret du 8 juin 2007]1, les dispositions du Code des impôts sur les revenus sont appliquées.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Afwijking van het referentiejaar.
Sous-section 2. - Dérogation à l'année de référence.
Art. 13. § 1. Van het in aanmerking te nemen jaar waarin inkomsten worden verworven, bepaald in artikel 11, § 1, moet worden afgeweken indien de [3 ...]3 student slechts na het in artikel 11, § 1, bedoelde in aanmerking te nemen jaar :
a) hetzij voldoet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid die ressorteert onder artikel 5, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin aan de voorwaarden van de betrokken leefeenheid, bepaald in artikel 5, wordt voldaan;
b) hetzij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 6 of artikel 7, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin de in artikel 6 of artikel 7 bedoelde twaalfde maand valt;
c) hetzij ressorteert onder artikel 8, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin aan de voorwaarden bepaald in artikel 8, wordt voldaan;
d) [3 hetzij het statuut van gehuwd of zelfstandig leerling of student behoudt als vermeld in artikel 6 en 7, waarbij rekening gehouden wordt met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin de twaalfde maand, vermeld in artikel 6 of 7, valt]3;
e) [3 hetzij het statuut van gehuwd of zelfstandig leerling of student opnieuw verwerft, waarbij rekening gehouden wordt met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin de twaalfde maand, vermeld in artikel 6 of 7, valt]3.
[1 [2 Van het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 11, § 1, van dit besluit, moet ook worden afgeweken als er tegelijkertijd aan al de onderstaande voorwaarden voldaan wordt:
1° aan een van de personen op wiens inkomen de toelage wordt berekend, wordt pas in de loop van of na het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 11, § 1, van dit besluit, een van de volgende verblijfstitels verleend:
a) slachtoffer van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
b) persoon met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten is tot een verblijf van bepaalde duur in België conform artikel 49, § 1, of artikel 49/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
[4 c) personen als vermeld in artikel 9, § 2, 9° van het decreet van 8 juni 2007;]4
2° het referentie-inkomen van een van de personen waarop de toelage wordt berekend, kan niet bepaald worden aan de hand van de door de Federale Overheidsdienst Financiën nageziene inkomsten, vermeld in artikel 11, § 1, van dit besluit, of door een buitenlandse belastingdienst.]2
In dat geval wordt rekening gehouden met het referentie-inkomen van het eerste kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de verblijfstitel is verkregen.]1
§ 2. [1 Behalve in geval van de toepassing van hetzij artikel 6 waarbij de twaalfde maand van het verwerven van inkomen na 31 december van het [3 ...]3 academiejaar in kwestie gebeurt, hetzij artikel 13, § 1, tweede lid, waarbij de verblijfstitel toegekend wordt tijdens het kalenderjaar waarin het [3 ...]3 academiejaar in kwestie begint, kan van het in aanmerking te nemen jaar waarin inkomsten worden verworven, vermeld in artikel 11 en 13, § 1, worden afgeweken, als het inkomen van het kalenderjaar waarin het [3 ...]3 academiejaar begint, vermoedelijk lager ligt dan het normaal in aanmerking te nemen inkomstenjaar. In dat geval kan rekening worden gehouden met het vermoedelijke inkomen van het kalenderjaar waarin het [3 ...]3 academiejaar in kwestie begint.]1
§ 3. Voor de gevallen bepaald in § 1 en 2, waarbij rekening wordt gehouden met een vermoedelijk inkomen, wordt er voorlopig rekening gehouden met het inkomen van de leefeenheid, zoals dit blijkt uit attesten van werkgevers, diensten of instellingen.
§ 4. Het definitieve bedrag van de toelage dat bij toepassing van de mogelijkheden van § 1 en 2 voorlopig wordt berekend, wordt vastgesteld door middel van de door de Federale Overheidsdienst Financiën nageziene inkomsten, bepaald in artikel 11, § 1, tweede lid en § 3.
a) hetzij voldoet aan de voorwaarden van een andere leefeenheid die ressorteert onder artikel 5, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin aan de voorwaarden van de betrokken leefeenheid, bepaald in artikel 5, wordt voldaan;
b) hetzij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 6 of artikel 7, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin de in artikel 6 of artikel 7 bedoelde twaalfde maand valt;
c) hetzij ressorteert onder artikel 8, waarbij rekening wordt gehouden met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin aan de voorwaarden bepaald in artikel 8, wordt voldaan;
d) [3 hetzij het statuut van gehuwd of zelfstandig leerling of student behoudt als vermeld in artikel 6 en 7, waarbij rekening gehouden wordt met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin de twaalfde maand, vermeld in artikel 6 of 7, valt]3;
e) [3 hetzij het statuut van gehuwd of zelfstandig leerling of student opnieuw verwerft, waarbij rekening gehouden wordt met het referentie-inkomen van het kalenderjaar waarin de twaalfde maand, vermeld in artikel 6 of 7, valt]3.
[1 [2 Van het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 11, § 1, van dit besluit, moet ook worden afgeweken als er tegelijkertijd aan al de onderstaande voorwaarden voldaan wordt:
1° aan een van de personen op wiens inkomen de toelage wordt berekend, wordt pas in de loop van of na het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 11, § 1, van dit besluit, een van de volgende verblijfstitels verleend:
a) slachtoffer van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
b) persoon met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten is tot een verblijf van bepaalde duur in België conform artikel 49, § 1, of artikel 49/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
[4 c) personen als vermeld in artikel 9, § 2, 9° van het decreet van 8 juni 2007;]4
2° het referentie-inkomen van een van de personen waarop de toelage wordt berekend, kan niet bepaald worden aan de hand van de door de Federale Overheidsdienst Financiën nageziene inkomsten, vermeld in artikel 11, § 1, van dit besluit, of door een buitenlandse belastingdienst.]2
In dat geval wordt rekening gehouden met het referentie-inkomen van het eerste kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de verblijfstitel is verkregen.]1
§ 2. [1 Behalve in geval van de toepassing van hetzij artikel 6 waarbij de twaalfde maand van het verwerven van inkomen na 31 december van het [3 ...]3 academiejaar in kwestie gebeurt, hetzij artikel 13, § 1, tweede lid, waarbij de verblijfstitel toegekend wordt tijdens het kalenderjaar waarin het [3 ...]3 academiejaar in kwestie begint, kan van het in aanmerking te nemen jaar waarin inkomsten worden verworven, vermeld in artikel 11 en 13, § 1, worden afgeweken, als het inkomen van het kalenderjaar waarin het [3 ...]3 academiejaar begint, vermoedelijk lager ligt dan het normaal in aanmerking te nemen inkomstenjaar. In dat geval kan rekening worden gehouden met het vermoedelijke inkomen van het kalenderjaar waarin het [3 ...]3 academiejaar in kwestie begint.]1
§ 3. Voor de gevallen bepaald in § 1 en 2, waarbij rekening wordt gehouden met een vermoedelijk inkomen, wordt er voorlopig rekening gehouden met het inkomen van de leefeenheid, zoals dit blijkt uit attesten van werkgevers, diensten of instellingen.
§ 4. Het definitieve bedrag van de toelage dat bij toepassing van de mogelijkheden van § 1 en 2 voorlopig wordt berekend, wordt vastgesteld door middel van de door de Federale Overheidsdienst Financiën nageziene inkomsten, bepaald in artikel 11, § 1, tweede lid en § 3.
Art. 13. § 1er. Il doit être dérogé de l'année à prendre en compte dans laquelle des revenus ont été acquis, fixée à l'article 11, § 1er, si ce n'est qu'après l'année à prendre en compte visée à l'article 11 § 1er que l'étudiant :
a) ou bien satisfait aux conditions d'une autre unité de vie qui relève de l'article 5, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle il est satisfait aux conditions de l'unité de vie concernée visée à l'article 5;
b) ou bien satisfait aux conditions de l'article 6 ou 7, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle tombe le douzième mois visé à l'article 6 ou 7;
c) ou bien relève de l'article 8, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle il est satisfait aux conditions de l'article 8;
d) [3 ou bien conserve le statut d'élève ou d'étudiant marié ou autonome tel que visé aux articles 6 et 7, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle tombe le douzième mois visé à l'article 6 ou 7]3;
e) [3 ou bien acquiert de nouveau le statut d'élève ou d'étudiant marié ou autonome, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle tombe le douzième mois visé à l'article 6 ou 7]3.
[1 [2 Il doit également être dérogé à l'année à prendre en considération, visée à l'article 11, § 1er du présent arrêté lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° l'une des personnes dont le revenu sert de base au calcul de l'allocation se voit délivrer pendant ou après l'année à prendre en considération, visée à l'article 11, § 1er du présent arrêté, l'un des titres de séjour suivants :
a) victime du trafic de personnes, attestée par un centre agréé par les autorités fédérales, spécialisé dans l'accueil des victimes du trafic de personnes ;
b) personne de nationalité étrangère admise au séjour en Belgique pour une durée limitée en vertu des articles 49, § 1er, ou 49/2, § 1er de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
[4 c) des personnes telles que visées à l'article 9, § 2, 9° du décret du 8 juin 2007 ;]4
2° le revenu de référence de l'une des personnes, servant de base au calcul de l'allocation, ne peut pas être déterminé au moyen des revenus vérifiés par le Service Public Fédéral Finances, visés à l'article 11, § 1er du présent arrêté ou par un service des impôts étranger.]2
Dans ce cas, il est tenu compte du revenu de référence de la première année calendaire suivant l'année dans laquelle le titre de séjour est obtenu.]1
§ 2. [1 Sauf en cas d'application soit de l'article 6 où le douzième mois de l'acquisition du revenu se situe après le 31 décembre de l'année scolaire ou académique concernée, soit de l'article 13, § 1er, deuxième alinéa, où le titre de séjour est accordé au cours de l'année calendaire dans laquelle l'année scolaire ou académique commence, il peut être dérogé à l'année à prendre en considération dans laquelle des revenus sont acquis, visés aux articles 11 et 13, § 1er, si le revenu de l'année calendaire dans laquelle l'année [3 ...]3 académique commence est probablement inférieur à l'année de revenu à prendre normalement en considération. Dans ce cas, il peut être tenu compte du revenu probable de l'annéej calendaire dans laquelle l'année [3 ...]3 académique concernée commence.]1
§ 3. Pour les cas visés aux §§ 1er et 2, dans lesquels il faut tenir compte d'un revenu probable, il est provisoirement tenu compte du revenu de l'unité de vie qui apparaît des attestations des employeurs, services ou institutions.
§ 4. Le montant définitif de l'allocation qui par application des possibilités des §§ 1er et 2 est calculé provisoirement, est fixé par moyen des revenus contrôlés par le Service public fédéral Finances, visés à l'article 11, § 1er, deuxième alinéa et § 3.
a) ou bien satisfait aux conditions d'une autre unité de vie qui relève de l'article 5, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle il est satisfait aux conditions de l'unité de vie concernée visée à l'article 5;
b) ou bien satisfait aux conditions de l'article 6 ou 7, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle tombe le douzième mois visé à l'article 6 ou 7;
c) ou bien relève de l'article 8, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle il est satisfait aux conditions de l'article 8;
d) [3 ou bien conserve le statut d'élève ou d'étudiant marié ou autonome tel que visé aux articles 6 et 7, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle tombe le douzième mois visé à l'article 6 ou 7]3;
e) [3 ou bien acquiert de nouveau le statut d'élève ou d'étudiant marié ou autonome, tout en tenant compte du revenu de référence de l'année calendaire dans laquelle tombe le douzième mois visé à l'article 6 ou 7]3.
[1 [2 Il doit également être dérogé à l'année à prendre en considération, visée à l'article 11, § 1er du présent arrêté lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° l'une des personnes dont le revenu sert de base au calcul de l'allocation se voit délivrer pendant ou après l'année à prendre en considération, visée à l'article 11, § 1er du présent arrêté, l'un des titres de séjour suivants :
a) victime du trafic de personnes, attestée par un centre agréé par les autorités fédérales, spécialisé dans l'accueil des victimes du trafic de personnes ;
b) personne de nationalité étrangère admise au séjour en Belgique pour une durée limitée en vertu des articles 49, § 1er, ou 49/2, § 1er de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
[4 c) des personnes telles que visées à l'article 9, § 2, 9° du décret du 8 juin 2007 ;]4
2° le revenu de référence de l'une des personnes, servant de base au calcul de l'allocation, ne peut pas être déterminé au moyen des revenus vérifiés par le Service Public Fédéral Finances, visés à l'article 11, § 1er du présent arrêté ou par un service des impôts étranger.]2
Dans ce cas, il est tenu compte du revenu de référence de la première année calendaire suivant l'année dans laquelle le titre de séjour est obtenu.]1
§ 2. [1 Sauf en cas d'application soit de l'article 6 où le douzième mois de l'acquisition du revenu se situe après le 31 décembre de l'année scolaire ou académique concernée, soit de l'article 13, § 1er, deuxième alinéa, où le titre de séjour est accordé au cours de l'année calendaire dans laquelle l'année scolaire ou académique commence, il peut être dérogé à l'année à prendre en considération dans laquelle des revenus sont acquis, visés aux articles 11 et 13, § 1er, si le revenu de l'année calendaire dans laquelle l'année [3 ...]3 académique commence est probablement inférieur à l'année de revenu à prendre normalement en considération. Dans ce cas, il peut être tenu compte du revenu probable de l'annéej calendaire dans laquelle l'année [3 ...]3 académique concernée commence.]1
§ 3. Pour les cas visés aux §§ 1er et 2, dans lesquels il faut tenir compte d'un revenu probable, il est provisoirement tenu compte du revenu de l'unité de vie qui apparaît des attestations des employeurs, services ou institutions.
§ 4. Le montant définitif de l'allocation qui par application des possibilités des §§ 1er et 2 est calculé provisoirement, est fixé par moyen des revenus contrôlés par le Service public fédéral Finances, visés à l'article 11, § 1er, deuxième alinéa et § 3.
Onderafdeling 3. - Bedrag van de toelage.
Sous-section 3. - Montant de l'allocation.
Art. 14. § 1. De minimuminkomensgrenzen zijn :
1° 6.573,55 euro voor een leefeenheid met nul punten;
2° 11.879,55 euro voor een leefeenheid met een punt;
3° 13.736,67 euro voor een leefeenheid met twee punten;
4° 15.298,97 euro voor een leefeenheid met drie punten;
5° 16.242,28 euro voor een leefeenheid met vier punten;
6° 17.175,78 euro voor een leefeenheid met vijf punten;
7° 18.109,22 euro voor een leefeenheid met zes punten;
8° 19.042,68 euro voor een leefeenheid met zeven punten;
9° 19.976,14 euro voor een leefeenheid met acht punten;
10° 20.909,60 euro voor een leefeenheid met negen punten;
11° 21.843,06 euro voor een leefeenheid met tien punten;
12° 22.776,57 euro voor een leefeenheid met elf punten;
13° 23.710,00 euro voor een leefeenheid met twaalf punten;
14° 24.643,47 euro voor een leefeenheid met dertien punten;
15° 25.576,97 euro voor een leefeenheid met veertien punten;
16° 26.510,40 euro voor een leefeenheid met vijftien punten;
17° 27.443,88 euro voor een leefeenheid met zestien punten;
18° 28.377,36 euro voor een leefeenheid met zeventien punten;
19° 29.310,81 euro voor een leefeenheid met achttien punten;
20° 30.244,29 euro voor een leefeenheid met negentien punten;
21° 31.177,76 euro voor een leefeenheid met twintig punten.
§ 2. De maximuminkomensgrenzen zijn :
1° 14.489,77 euro voor een leefeenheid met nul punten;
2° 21.399,87 euro voor een leefeenheid met een punt;
3° 26.809,67 euro voor een leefeenheid met twee punten;
4° 31.128,50 euro voor een leefeenheid met drie punten;
5° 35.811,00 euro voor een leefeenheid met vier punten;
6° 41.584,54 euro voor een leefeenheid met vijf punten;
7° 45.494,18 euro voor een leefeenheid met zes punten;
8° 47.585,42 euro voor een leefeenheid met zeven punten;
9° 49.676,63 euro voor een leefeenheid met acht punten;
10° 51.813,26 euro voor een leefeenheid met negen punten;
11° 54.086,33 euro voor een leefeenheid met tien punten;
12° 56.086,64 euro voor een leefeenheid met elf punten;
13° 58.314,20 euro voor een leefeenheid met twaalf punten;
14° 60.405,44 euro voor een leefeenheid met dertien punten;
15° 62.542,12 euro voor een leefeenheid met veertien punten;
16° 64.678,73 euro voor een leefeenheid met vijftien punten;
17° 66.815,45 euro voor een leefeenheid met zestien punten;
18° 68.952,09 euro voor een leefeenheid met zeventien punten;
19° 71.088,73 euro voor een leefeenheid met achttien punten;
20° 73.225,46 euro voor een leefeenheid met negentien punten;
21° 75.362,09 euro voor een leefeenheid met twintig punten.
1° 6.573,55 euro voor een leefeenheid met nul punten;
2° 11.879,55 euro voor een leefeenheid met een punt;
3° 13.736,67 euro voor een leefeenheid met twee punten;
4° 15.298,97 euro voor een leefeenheid met drie punten;
5° 16.242,28 euro voor een leefeenheid met vier punten;
6° 17.175,78 euro voor een leefeenheid met vijf punten;
7° 18.109,22 euro voor een leefeenheid met zes punten;
8° 19.042,68 euro voor een leefeenheid met zeven punten;
9° 19.976,14 euro voor een leefeenheid met acht punten;
10° 20.909,60 euro voor een leefeenheid met negen punten;
11° 21.843,06 euro voor een leefeenheid met tien punten;
12° 22.776,57 euro voor een leefeenheid met elf punten;
13° 23.710,00 euro voor een leefeenheid met twaalf punten;
14° 24.643,47 euro voor een leefeenheid met dertien punten;
15° 25.576,97 euro voor een leefeenheid met veertien punten;
16° 26.510,40 euro voor een leefeenheid met vijftien punten;
17° 27.443,88 euro voor een leefeenheid met zestien punten;
18° 28.377,36 euro voor een leefeenheid met zeventien punten;
19° 29.310,81 euro voor een leefeenheid met achttien punten;
20° 30.244,29 euro voor een leefeenheid met negentien punten;
21° 31.177,76 euro voor een leefeenheid met twintig punten.
§ 2. De maximuminkomensgrenzen zijn :
1° 14.489,77 euro voor een leefeenheid met nul punten;
2° 21.399,87 euro voor een leefeenheid met een punt;
3° 26.809,67 euro voor een leefeenheid met twee punten;
4° 31.128,50 euro voor een leefeenheid met drie punten;
5° 35.811,00 euro voor een leefeenheid met vier punten;
6° 41.584,54 euro voor een leefeenheid met vijf punten;
7° 45.494,18 euro voor een leefeenheid met zes punten;
8° 47.585,42 euro voor een leefeenheid met zeven punten;
9° 49.676,63 euro voor een leefeenheid met acht punten;
10° 51.813,26 euro voor een leefeenheid met negen punten;
11° 54.086,33 euro voor een leefeenheid met tien punten;
12° 56.086,64 euro voor een leefeenheid met elf punten;
13° 58.314,20 euro voor een leefeenheid met twaalf punten;
14° 60.405,44 euro voor een leefeenheid met dertien punten;
15° 62.542,12 euro voor een leefeenheid met veertien punten;
16° 64.678,73 euro voor een leefeenheid met vijftien punten;
17° 66.815,45 euro voor een leefeenheid met zestien punten;
18° 68.952,09 euro voor een leefeenheid met zeventien punten;
19° 71.088,73 euro voor een leefeenheid met achttien punten;
20° 73.225,46 euro voor een leefeenheid met negentien punten;
21° 75.362,09 euro voor een leefeenheid met twintig punten.
Art. 14. § 1er. Les revenus minimums sont :
1° 6.573,55 EUR pour une unité de vie ayant zéro points;
2° 11.879,55 EUR pour une unité de vie ayant un point;
3° 13.736,67 EUR pour une unité de vie ayant deux points;
4° 15.298,97 EUR pour une unité de vie ayant trois points;
5° 16.242,28 EUR pour une unité de vie ayant quatre points;
6° 17.175,78 EUR pour une unité de vie ayant cinq points;
7° 18.109,22 EUR pour une unité de vie ayant six points;
8° 19.042,68 EUR pour une unité de vie ayant sept points;
9° 19.976,14 EUR pour une unité de vie ayant huit points;
10° 20.909,60 EUR pour une unité de vie ayant neuf points;
11° 21.843,06 EUR pour une unité de vie ayant dix points;
12° 22.776,57 EUR pour une unité de vie ayant onze points;
13° 23.710,00 EUR pour une unité de vie ayant douze points;
14° 24.643,47 EUR pour une unité de vie ayant treize points;
15° 25.576,97 EUR pour une unité de vie ayant quatorze points;
16° 26.510,40 EUR pour une unité de vie ayant quinze points;
17° 27.443,88 EUR pour une unité de vie ayant seize points;
18° 28.377,36 EUR pour une unité de vie ayant dix-sept points;
19° 29.310,81 EUR pour une unité de vie ayant dix-huit points;
20° 30.244,29 EUR pour une unité de vie ayant dix-neuf points;
21° 31.177,76 EUR pour une unité de vie ayant vingt points.
§ 2. Les revenus maximums sont :
1° 14.489,77 EUR pour une unité de vie ayant zéro points;
2° 21.399,87 EUR pour une unité de vie ayant un point;
3° 26.809,67 EUR pour une unité de vie ayant deux points;
4° 31.128,50 EUR pour une unité de vie ayant trois points;
5° 35.811,00 EUR pour une unité de vie ayant quatre points;
6° 41.584,54 EUR pour une unité de vie ayant cinq points;
7° 45.494,18 EUR pour une unité de vie ayant six points;
8° 47.585,42 EUR pour une unité de vie ayant sept points;
9° 49.676,63 EUR pour une unité de vie ayant huit points;
10° 51.813,26 EUR pour une unité de vie ayant neuf points;
11° 54.086,33 EUR pour une unité de vie ayant dix points;
12° 56.086,64 EUR pour une unité de vie ayant onze points;
13° 58.314,20 EUR pour une unité de vie ayant douze points;
14° 60.405,44 EUR pour une unité de vie ayant treize points;
15° 62.542,12 EUR pour une unité de vie ayant quatorze points;
16° 64.678,73 EUR pour une unité de vie ayant quinze points;
17° 66.815,45 EUR pour une unité de vie ayant seize points;
18° 68.952,09 EUR pour une unité de vie ayant dix-sept points;
19° 71.088,73 EUR pour une unité de vie ayant dix-huit points;
20° 73.225,46 EUR pour une unité de vie ayant dix-neuf points;
21° 75.362,09 EUR pour une unité de vie ayant vingt points.
1° 6.573,55 EUR pour une unité de vie ayant zéro points;
2° 11.879,55 EUR pour une unité de vie ayant un point;
3° 13.736,67 EUR pour une unité de vie ayant deux points;
4° 15.298,97 EUR pour une unité de vie ayant trois points;
5° 16.242,28 EUR pour une unité de vie ayant quatre points;
6° 17.175,78 EUR pour une unité de vie ayant cinq points;
7° 18.109,22 EUR pour une unité de vie ayant six points;
8° 19.042,68 EUR pour une unité de vie ayant sept points;
9° 19.976,14 EUR pour une unité de vie ayant huit points;
10° 20.909,60 EUR pour une unité de vie ayant neuf points;
11° 21.843,06 EUR pour une unité de vie ayant dix points;
12° 22.776,57 EUR pour une unité de vie ayant onze points;
13° 23.710,00 EUR pour une unité de vie ayant douze points;
14° 24.643,47 EUR pour une unité de vie ayant treize points;
15° 25.576,97 EUR pour une unité de vie ayant quatorze points;
16° 26.510,40 EUR pour une unité de vie ayant quinze points;
17° 27.443,88 EUR pour une unité de vie ayant seize points;
18° 28.377,36 EUR pour une unité de vie ayant dix-sept points;
19° 29.310,81 EUR pour une unité de vie ayant dix-huit points;
20° 30.244,29 EUR pour une unité de vie ayant dix-neuf points;
21° 31.177,76 EUR pour une unité de vie ayant vingt points.
§ 2. Les revenus maximums sont :
1° 14.489,77 EUR pour une unité de vie ayant zéro points;
2° 21.399,87 EUR pour une unité de vie ayant un point;
3° 26.809,67 EUR pour une unité de vie ayant deux points;
4° 31.128,50 EUR pour une unité de vie ayant trois points;
5° 35.811,00 EUR pour une unité de vie ayant quatre points;
6° 41.584,54 EUR pour une unité de vie ayant cinq points;
7° 45.494,18 EUR pour une unité de vie ayant six points;
8° 47.585,42 EUR pour une unité de vie ayant sept points;
9° 49.676,63 EUR pour une unité de vie ayant huit points;
10° 51.813,26 EUR pour une unité de vie ayant neuf points;
11° 54.086,33 EUR pour une unité de vie ayant dix points;
12° 56.086,64 EUR pour une unité de vie ayant onze points;
13° 58.314,20 EUR pour une unité de vie ayant douze points;
14° 60.405,44 EUR pour une unité de vie ayant treize points;
15° 62.542,12 EUR pour une unité de vie ayant quatorze points;
16° 64.678,73 EUR pour une unité de vie ayant quinze points;
17° 66.815,45 EUR pour une unité de vie ayant seize points;
18° 68.952,09 EUR pour une unité de vie ayant dix-sept points;
19° 71.088,73 EUR pour une unité de vie ayant dix-huit points;
20° 73.225,46 EUR pour une unité de vie ayant dix-neuf points;
21° 75.362,09 EUR pour une unité de vie ayant vingt points.
Art. 15. [1 De bedragen, vermeld in artikel 43 en 51 van het decreet van 8 juni 2007, worden aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van het indexcijfer, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, voor de maand december (basis 1996) van het tweede kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het academiejaar in kwestie begint, ten opzichte van het indexcijfer voor de maand december (basis 1996) van het derde kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin het academiejaar in kwestie begint. Die stijging wordt afgerond naar het hogere tiende.
Het resultaat van de indexatie van de bedragen, vermeld in artikel 43 en 51 van het voormelde decreet, wordt afgerond tot op de tweede decimaal.]1
Het resultaat van de indexatie van de bedragen, vermeld in artikel 43 en 51 van het voormelde decreet, wordt afgerond tot op de tweede decimaal.]1
Art. 15. [1 Les montants visés aux articles 43 et 51 du décret du 8 juin 2007 sont ajustés conformément à l'augmentation en pourcentage de l'indice visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, pour le mois de décembre (base 1996) de la deuxième année calendaire précédant l'année au cours de laquelle l'année académique en question commence, par rapport à l'indice pour le mois de décembre (base 1996) de la troisième année calendaire précédant l'année au cours de laquelle l'année académique en question commence. Cette augmentation est arrondie au dixième supérieur.
Le résultat de l'indexation des montants visées aux articles 43 et 51 du décret précité est arrondi jusqu'à la seconde décimale.]1
Le résultat de l'indexation des montants visées aux articles 43 et 51 du décret précité est arrondi jusqu'à la seconde décimale.]1
Wijzigingen
Art.15/1.
Art. 15/1.
HOOFDSTUK III. - Procedurele voorwaarden.
CHAPITRE III. - Conditions procédurales.
Afdeling 1. - Aanvraag.
Section 1re. - Demande.
Art. 16. De aanvraag voor een toelage wordt ingediend door middel van een formulier dat ter beschikking wordt gesteld door de dienst en wordt aan de dienst bezorgd bij een ter post gedane zending of via elektronische weg.
Indien de aanvraag per post werd verzonden, geldt de poststempel als bewijs van datum van indiening.
Indien de aanvraag digitaal werd verzonden, geldt de op het ontvangstbericht van de dienst vermelde datum van indiening, als bewijs van datum van indiening.
Indien de aanvraag per post werd verzonden, geldt de poststempel als bewijs van datum van indiening.
Indien de aanvraag digitaal werd verzonden, geldt de op het ontvangstbericht van de dienst vermelde datum van indiening, als bewijs van datum van indiening.
Art. 16. La demande d'allocation est déposée par la voie d'un formulaire mis à la disposition par le service et est adressée au service par un envoi par la poste ou par courrier électronique.
Si la demande est envoyée par la poste, c'est la date d'oblitération postale qui fait foi de date de dépôt de la demande.
Si la demande est envoyée par la voie électronique, c'est la date de la notification de bonne réception du service qui fait foi de date de dépôt de la demande.
Si la demande est envoyée par la poste, c'est la date d'oblitération postale qui fait foi de date de dépôt de la demande.
Si la demande est envoyée par la voie électronique, c'est la date de la notification de bonne réception du service qui fait foi de date de dépôt de la demande.
Art. 17.
Art. 17.
Afdeling 2. - Terugvordering.
Section 2. - Récupération.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Sous-section 1re. - Dispositions générales.
Art. 18. De terugvordering wordt aan de persoon die de toelage ontving gericht bij een ter post aangetekende zending waarin wordt vermeld :
1° de uitgekeerde betalingen en de data ervan;
2° de reden waarop de terugvordering is gesteund;
3° het totaal van de teruggevraagde som.
1° de uitgekeerde betalingen en de data ervan;
2° de reden waarop de terugvordering is gesteund;
3° het totaal van de teruggevraagde som.
Art. 18. La récupération est adressée à la personne qui a reçu l'allocation, par lettre recommandée à la poste dans laquelle sont mentionnés :
1° les paiements versés et les dates de ceux-ci;
2° la raison de la récupération;
3° la somme totale de la récupération.
1° les paiements versés et les dates de ceux-ci;
2° la raison de la récupération;
3° la somme totale de la récupération.
Art. 19. Een ten onrechte uitbetaalde toelage tot en met vijftig euro wordt niet teruggevorderd.
Bedragen hoger dan vijftig euro dienen te worden terugbetaald, hetzij in één geheel binnen de drie maanden te rekenen vanaf de datum van terugvordering, hetzij in opeenvolgende maandelijkse afbetalingen van minimum vijftig euro.
Bij de terugvordering van een toelage kan de dienst op basis van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager maximum tweemaal een uitstel van terugbetaling van zes maanden verlenen.
Bedragen hoger dan vijftig euro dienen te worden terugbetaald, hetzij in één geheel binnen de drie maanden te rekenen vanaf de datum van terugvordering, hetzij in opeenvolgende maandelijkse afbetalingen van minimum vijftig euro.
Bij de terugvordering van een toelage kan de dienst op basis van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager maximum tweemaal een uitstel van terugbetaling van zes maanden verlenen.
Art. 19. Une allocation jusqu'à 50 EUR payée indûment n'est pas récupérée.
Les montants dépassant 50 EUR doivent être remboursés, ou bien en une fois dans les trois mois à compter de la date de récupération, ou bien en paiements échelonnés mensuels consécutifs de 50 EUR au moins.
Lors de la récupération d'une allocation, le service peut accorder deux fois au maximum un sursis de remboursement de six mois, sur la base d'une demande motivée du demandeur.
Les montants dépassant 50 EUR doivent être remboursés, ou bien en une fois dans les trois mois à compter de la date de récupération, ou bien en paiements échelonnés mensuels consécutifs de 50 EUR au moins.
Lors de la récupération d'une allocation, le service peut accorder deux fois au maximum un sursis de remboursement de six mois, sur la base d'une demande motivée du demandeur.
Onderafdeling 2. - Studietoelage hoger onderwijs.
Sous-section 2. - Allocation d'études de l'enseignement supérieur.
Art. 20.
Art. 20.
Art. 21.
Art. 21.
Art. 22.
Art. 22.
Art. 23.
Art. 23.
TITEL III. - Inwerkingtreding.
TITRE III. - Entrée en vigueur.
Art. 24. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2007, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op de schooltoelage in het basisonderwijs.
De bepalingen die betrekking hebben op de schooltoelage in het basisonderwijs, treden in werking op 1 juli 2008, met uitzondering van de indexering van de bedragen vermeld in artikel 14, conform artikel 15, dat in werking treedt op 1 juli 2007.
De bepalingen die betrekking hebben op de schooltoelage in het basisonderwijs, treden in werking op 1 juli 2008, met uitzondering van de indexering van de bedragen vermeld in artikel 14, conform artikel 15, dat in werking treedt op 1 juli 2007.
Art. 24. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2007, à l'exception des dispositions portant sur l'allocation scolaire dans l'enseignement fondamental.
Les dispositions portant sur l'allocation scolaire dans l'enseignement fondamental entrent en vigueur le 1er juillet 2008, à l'exception de l'indexation des montants mentionnés à l'article 14 conformément à l'article 15, qui entre en vigueur le 1er juillet 2007.
Les dispositions portant sur l'allocation scolaire dans l'enseignement fondamental entrent en vigueur le 1er juillet 2008, à l'exception de l'indexation des montants mentionnés à l'article 14 conformément à l'article 15, qui entre en vigueur le 1er juillet 2007.
Art. 25. De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 25. Le Ministre flamand ayant l'enseignement et la formation dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.